Goed en Kwaad

advertisement
Avond 3
Thema: Goed en kwaad
Opening: Johannes 3
14 De Mensenzoon moet hoog verheven worden, zoals Mozes in de woestijn de slang
omhooggeheven heeft, 15 opdat iedereen die gelooft, in hem eeuwig leven heeft. 16
Want God had de wereld zo lief dat hij zijn enige Zoon heeft gegeven, opdat iedereen die
in hem gelooft niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft. 17 God heeft zijn Zoon niet
naar de wereld gestuurd om een oordeel over haar te vellen, maar om de wereld door
hem te redden. 18 Over wie in hem gelooft wordt geen oordeel uitgesproken, maar wie
niet in hem gelooft is al veroordeeld, omdat hij niet wilde geloven in de naam van Gods
enige Zoon. 19 Dit is het oordeel: het licht kwam in de wereld en de mensen hielden
meer van de duisternis dan van het licht, want hun daden waren slecht. 20 Wie kwaad
doet, haat het licht; hij schuwt het licht omdat anders zijn daden bekend worden. 21
Maar wie oprecht handelt zoekt het licht op, zodat zichtbaar wordt dat God werkzaam is
in alles wat hij doet.’
Wel en wee
Namen kennen
Ter ondersteuning: Joke de Hoog, Anton Verboon, Christel en David Wesdorp, Femia
Termoshuizen, Marleen Prins, Marjolein Smoor, Ria Post, Arda de Wilde, Karin de Bruijn,
Fiona van den Bergh, Irene Verkade, Mariska Harteveld, Judith Harteveld, Trudy Chardon
Zijn er nog vragen over de vorige keer: Het koninkrijk van God?
Inleiding van vandaag
Kwaad door kwetsbaarheid (ethisch neutraal)
 We ervaren dingen als ‘kwaad’
 ziektes , rampen
 Je kunt mensen niet de schuld geven (behalve door slechte gewoontes, of door
milieuvervuiling)
 Gevolg van de zondeval??
 Langdurige droogte (in OT wel een gevolg van menselijke zonde)
 Ziekte als gevolg van zonde (Johannes 9: 3, ziekte geen gevolg van zonde van de
ouders)
Is er een tijd geweest waarin er geen kwaad was?
 Is er een paradijselijke situatie geweest, waarin leeuwen gras aten?
 Hoe letterlijk lezen we Genesis 3, het verhaal van de zondeval?
Kwaad veroorzaakt door mensen (ethisch kwaad)
 Je kunt iemand de schuld geven
 God heeft mensen de keuze gegeven
 We noemen dit zonde
De vraag dringt zich op: Had God geen betere wereld kunnen scheppen, met minder
risico’s?
 Daar is geen antwoord op.
 Wat is het alternatief? Minder vrijheid, minder lichamelijk, minder kwetsbaar etc.
Gods



almacht:
God de Vader, de almachtige, schepper van hemel en aarde
Als God een God van liefde is, waarom doet Hij niets aan al het kwaad?
Blijkbaar heeft God een andere keuze gemaakt: de weg van zijn Liefde, de weg
van de vrijheid van mensen om te kiezen, de goedheid van God
 God kan niet tegen zijn karakter ingaan. Hij kan niet liegen, Hij kan niet ontrouw
zijn, Hij kan niet willekeurig zijn, Hij kan niet ingaan tegen zijn liefde.
 Het lijden en het kwaad niet los zien van dood en opstanding van Jezus. Als
Schepper is hij almachtig, als Zoon is Hij kwetsbaar, zwak en weerloos.
 We kunnen alleen maar vaststellen dat Hij meestal niet ingrijpt. Heel soms
gebeuren er wonderen.
‘We hebben een keerzijde nodig’
 Er moet een contrast zijn. Mensen hebben om van het goede te kunnen genieten
het kwade nodig.
 Dit is filosofisch wellicht waar, maar het is een gevaarlijke gedachte als het
individuele mensen betreft. Op metaniveau kun je zo denken, op microniveau is
het onverbiddelijk hard.
 Zo heeft de Here Jezus in ieder geval niet gedacht. Hij genas zieken, bevrijdde
mensen van bezetenheid, troostte en zei tegen zijn leerlingen: ‘Geef gij hun te
eten.’
Goed





doen
Keerzijde van het kwaad is dat wij goed kunnen doen.
Gods leefregels
Opdracht van de mens
Het lijden bepaalt ons mens zijn.
Hierbij passen woorden als barmhartigheid, vergevingsgezindheid, medelijden,
ontferming.
Voor het gesprek







Ik geloof dat God de wereld geschapen heeft, inclusief rampen, ziekten, dood en
tijdelijkheid.
Ik geloof dat de schepping voldoet aan Gods bedoeling. Daarom is de schepping
goed.
Niet alles ervaren we als goed.
Ik geloof dat er zonde in de wereld is en dat we vergeving nodig hebben van
onze zonden. De zonde is oorzaak van veel ellende in de wereld.
Ik geloof niet dat de zonde van de mens oorzaak is van (alle) ziekte, (alle)
rampen en andere dingen die we als ‘kwaad’ ervaren.
Ik geloof in de mogelijkheid dat er een kwade macht is, buiten de mens en God.
Maar ook die moet door God geschapen zijn. Ik leef niet dagelijks met het idee
van een duivel, maar de Bijbel spreekt daar wel heel duidelijk over. Ik leef meer
met de verantwoordelijkheid van de mens.
Ik geloof dat God hoe dan ook als mens naar de aarde toegekomen zou zijn om
zichzelf bekend te maken en ons voor de keuze te stellen Hem lief te hebben.
Bijbelteksten
Genesis 22
1 Enige tijd later stelde God Abraham op
de proef. ‘Abraham!’ zei hij. ‘Ik luister,’
antwoordde Abraham. 2 ‘Roep je zoon, je
enige, van wie je zoveel houdt, Isaak, en
ga met hem naar het gebied waarin de
Moria ligt. Daar moet je hem offeren op
een berg die ik je wijzen zal.’
Genesis 2
8 God, de HEER, legde in het oosten, in
Eden, een tuin aan en daarin plaatste hij
de mens die hij had gemaakt. 9 Hij liet uit
de aarde allerlei bomen opschieten die er
aanlokkelijk uitzagen, met heerlijke
vruchten. In het midden van de tuin
stonden de levensboom en de boom van
de kennis van goed en kwaad.
10 Er ontspringt in Eden een rivier die de
tuin bevloeit. Verderop vertakt ze zich in
vier grote stromen. 11 Een daarvan is de
Pison; die stroomt om heel Chawila heen,
het land waar goud gevonden wordt. 12
(Het goud van dat land is uitstekend, en er
is daar ook balsemhars en onyx.) 13 De
tweede rivier heet Gichon; die stroomt om
heel Nubië heen. 14 De derde rivier heet
Tigris; die loopt ten oosten van Assyrië. De
vierde ten slotte is de Eufraat.
15 God, de HEER, bracht de mens dus in
de tuin van Eden, om die te bewerken en
erover te waken. 16 Hij hield hem het
volgende voor: ‘Van alle bomen in de tuin
mag je eten, 17 maar niet van de boom
van de kennis van goed en kwaad;
wanneer je daarvan eet, zul je
onherroepelijk sterven.’
(…)
Genesis 3
1 Van alle in het wild levende dieren die
God, de HEER, gemaakt had, was de slang
het sluwst. Dit dier vroeg aan de vrouw: ‘Is
het waar dat God gezegd heeft dat jullie
van geen enkele boom in de tuin mogen
eten?’ 2 ‘We mogen de vruchten van alle
bomen eten,’ antwoordde de vrouw, 3
‘behalve die van de boom in het midden
van de tuin. God heeft ons verboden van
de vruchten van die boom te eten of ze
zelfs maar aan te raken; doen we dat toch,
dan zullen we sterven.’ 4 ‘Jullie zullen
helemaal niet sterven,’ zei de slang. 5
‘Integendeel, God weet dat jullie de ogen
zullen opengaan zodra je daarvan eet, dat
jullie dan als goden zullen zijn en kennis
zullen hebben van goed en kwaad.’
6 De vrouw keek naar de boom. Zijn
vruchten zagen er heerlijk uit, ze waren
een lust voor het oog, en ze vond het
aanlokkelijk dat de boom haar wijsheid zou
schenken. Ze plukte een paar vruchten en
at ervan. Ze gaf ook wat aan haar man,
die bij haar was, en ook hij at ervan. 7
Toen gingen hun beiden de ogen open en
merkten ze dat ze naakt waren. Daarom
regen ze vijgenbladeren aan elkaar en
maakten er lendenschorten van.
8 Toen de mens en zijn vrouw God, de
HEER, in de koelte van de avondwind door
de tuin hoorden wandelen, verborgen zij
zich voor hem tussen de bomen. 9 Maar
God, de HEER, riep de mens: ‘Waar ben
je?’ 10 Hij antwoordde: ‘Ik hoorde u in de
tuin en werd bang omdat ik naakt ben;
daarom verborg ik me.’ 11 ‘Wie heeft je
verteld dat je naakt bent? Heb je soms
gegeten van de boom waarvan ik je
verboden had te eten?’ 12 De mens
antwoordde: ‘De vrouw die u hebt gemaakt
om mij terzijde te staan, heeft mij
vruchten van de boom gegeven en toen
heb ik ervan gegeten.’ 13 ‘Waarom heb je
dat gedaan?’ vroeg God, de HEER, aan de
vrouw. En zij antwoordde: ‘De slang heeft
me misleid en toen heb ik ervan gegeten.’
14 God, de HEER, zei tegen de slang:
‘Vervloekt ben jij dat je dit hebt gedaan,
het vee zal je voortaan mijden,
wilde dieren wenden zich af;
op je buik zul je kruipen
en stof zul je eten,
je hele leven lang.
15 Vijandschap sticht ik tussen jou en de
vrouw,
tussen jouw nageslacht en het hare,
Johannes 9
1 In het voorbijgaan zag Jezus iemand die
al vanaf zijn geboorte blind was. 2 Zijn
leerlingen vroegen: ‘Rabbi, hoe komt het
dat hij blind was toen hij geboren werd?
Heeft hij zelf gezondigd of zijn ouders?’ 3
‘Hij niet en zijn ouders ook niet,’ was het
zij verbrijzelen je kop,
jij bijt hen in de hiel.’
16 Tegen de vrouw zei hij:
‘Je zwangerschap maak ik tot een zware
last,
zwoegen zul je als je baart.
Je zult je man begeren,
en hij zal over je heersen.’
17 Tegen de mens zei hij:
‘Je hebt geluisterd naar je vrouw,
gegeten van de boom die ik je had
verboden.
Vervloekt is de akker om wat jij hebt
gedaan,
zwoegen zul je om ervan te eten,
je hele leven lang.
18 Dorens en distels zullen er groeien,
toch moet je van zijn gewassen leven.
19 Zweten zul je voor je brood,
totdat je terugkeert tot de aarde, waaruit
je bent genomen:
stof ben je, tot stof keer je terug.’
20 De mens noemde zijn vrouw Eva;
zij is de moeder van alle levenden
geworden. 21 God, de HEER, maakte voor
de mens en zijn vrouw kleren van
dierenvellen en trok hun die aan.
22 Toen dacht God, de HEER: Nu is de
mens aan ons gelijk geworden, nu heeft hij
kennis van goed en kwaad. Nu wil ik
voorkomen dat hij ook vruchten van de
levensboom plukt, want als hij die zou
eten, zou hij eeuwig leven. 23 Daarom
stuurde hij de mens weg uit de tuin van
Eden om de aarde te gaan bewerken,
waaruit hij was genomen. 24 En nadat hij
hem had weggejaagd, plaatste hij ten
oosten van de tuin van Eden de cherubs en
het heen en weer flitsende, vlammende
zwaard. Zij moesten de weg naar de
levensboom bewaken.
antwoord van Jezus, ‘maar Gods werk
moet door hem zichtbaar worden. 4 Zolang
het dag is, moeten we het werk doen van
hem die mij gezonden heeft; straks komt
de nacht en dan kan niemand iets doen. 5
Zolang ik in de wereld ben, ben ik het licht
voor de wereld.’ 6 Na deze woorden
spuwde hij op de grond. Met het speeksel
maakte hij wat modder, hij streek die op
de ogen van de blinde 7 en zei tegen hem:
hij zien.
Matteüs 4
1 Daarna werd Jezus door de Geest
meegevoerd naar de woestijn om door de
duivel op de proef gesteld te worden. 2
Nadat hij veertig dagen en veertig nachten
had gevast, had hij grote honger. 3 Nu
kwam de beproever naar hem toe en zei:
‘Als u de Zoon van God bent, beveel dan
die stenen in broden te veranderen.’ 4
Maar Jezus gaf hem ten antwoord: ‘Er
staat geschreven: “De mens leeft niet van
brood alleen, maar van ieder woord dat
klinkt uit de mond van God.”’ 5 Vervolgens
nam de duivel hem mee naar de heilige
stad en zette hem op het hoogste punt van
de tempel. 6 Hij zei tegen hem: ‘Als u de
Zoon van God bent, spring dan naar
Efeziërs 2
4 Maar omdat God zo barmhartig is, omdat
de liefde die hij voor ons heeft opgevat zo
groot is, 5 heeft hij ons, die dood waren
door onze zonden, samen met Christus
levend gemaakt. Ook u bent nu door zijn
genade gered. 6 Hij heeft ons samen met
hem uit de dood opgewekt en ons een
plaats gegeven in de hemelsferen, in
Christus Jezus. 7 Zo zal hij, in de eeuwen
die komen, laten zien hoe overweldigend
rijk zijn genade is, hoe goed hij voor ons is
Romeinen 8
18 Ik ben ervan overtuigd dat het lijden
van deze tijd in geen verhouding staat tot
de luister die ons in de toekomst zal
worden geopenbaard. 19 De schepping ziet
er reikhalzend naar uit dat openbaar wordt
wie Gods kinderen zijn. 20 Want de
schepping is ten prooi aan zinloosheid, niet
uit eigen wil, maar door hem die haar
daaraan heeft onderworpen. Maar ze heeft
hoop gekregen, 21 omdat ook de
schepping zelf zal worden bevrijd uit de
slavernij van de vergankelijkheid en zal
delen in de vrijheid en luister die Gods
kinderen geschonken wordt. 22 Wij weten
‘Ga naar het badhuis van Siloam en was u
daar.’ (Siloam is in onze taal ‘gezondene’.)
De man ging weg, waste zich, en toen hij
terugkwam kon
beneden. Want er staat geschreven: “Zijn
engelen zal hij opdracht geven om u op
hun handen te dragen, zodat u uw voet
niet zult stoten aan een steen.”’ 7 Jezus
antwoordde: ‘Er staat ook geschreven:
“Stel de Heer, uw God, niet op de proef.”’ 8
De duivel nam hem opnieuw mee, nu naar
een zeer hoge berg. Hij toonde hem alle
koninkrijken van de wereld in al hun pracht
9 en zei: ‘Dit alles zal ik u geven als u voor
mij neervalt en mij aanbidt.’ 10 Daarop zei
Jezus tegen hem: ‘Ga weg, Satan! Want er
staat geschreven: “Aanbid de Heer, uw
God, vereer alleen hem.”’ 11 Daarna liet de
duivel hem met rust, en meteen kwamen
er engelen om voor hem te zorgen.
door Christus Jezus. 8 Door zijn genade
bent u nu immers gered, dankzij uw
geloof. Maar dat dankt u niet aan uzelf;
het is een geschenk van God 9 en geen
gevolg van uw daden, dus niemand kan
zich erop laten voorstaan. 10 Want hij
heeft ons gemaakt tot wat wij nu zijn: in
Christus Jezus geschapen om de weg te
gaan van de goede daden die God heeft
voorbereid.
dat de hele schepping nog altijd als in
barensweeën zucht en lijdt. 23 En dat niet
alleen, ook wijzelf, die als voorschot de
Geest hebben ontvangen, ook wij zuchten
in onszelf in afwachting van de openbaring
dat we kinderen van God zijn, de
verlossing van ons sterfelijk bestaan. 24 In
deze hoop zijn we gered. Als we echter nu
al zouden zien waarop we hopen, zou het
geen hoop meer zijn. Wie hoopt er nog op
wat hij al kan zien? 25 Maar als wij hopen
op wat nog niet zichtbaar is, blijven we in
afwachting daarvan volharden. 26 De
Geest helpt ons in onze zwakheid; wij
weten immers niet wat we in ons gebed
tegen God moeten zeggen, maar de Geest
zelf pleit voor ons met woordloze zuchten.
27 God, die ons doorgrondt, weet wat de
Geest wil zeggen. Hij weet dat de Geest
volgens zijn wil pleit voor allen die hem
toebehoren. 28 En wij weten dat voor wie
God liefhebben, voor wie volgens zijn
voornemen geroepen zijn, alles bijdraagt
aan het goede. 29 Wie hij al van tevoren
heeft uitgekozen, heeft hij er ook van
tevoren toe bestemd om het evenbeeld te
worden van zijn Zoon, die de
eerstgeborene moest zijn van talloze
broeders en zusters. 30 Wie hij hiertoe
heeft bestemd, heeft hij ook geroepen; en
wie hij heeft geroepen, heeft hij ook
vrijgesproken; en wie hij heeft
vrijgesproken, heeft hij nu al laten delen in
zijn luister.
Wat moeten wij hier verder over
zeggen? Als God voor ons is, wie kan dan
tegen ons zijn? 32 Zal hij, die zijn eigen
Zoon niet heeft gespaard, maar hem
omwille van ons allen heeft prijsgegeven,
ons met hem niet alles schenken? 33 Wie
zal Gods uitverkorenen aanklagen? God
zelf spreekt hen vrij. 34 Wie zal hen
veroordelen? Christus Jezus, die gestorven
is, meer nog, die is opgewekt en aan de
rechterhand van God zit, pleit voor ons. 35
Wat zal ons scheiden van de liefde van
Christus? Tegenspoed, ellende of
vervolging, honger of armoede, gevaar of
het zwaard? 36 Er staat geschreven: ‘Om u
worden wij dag na dag gedood en
afgevoerd als schapen voor de slacht.’ 37
Maar wij zegevieren in dit alles glansrijk
dankzij hem die ons heeft liefgehad. 38 Ik
ben ervan overtuigd dat dood noch leven,
engelen noch machten noch krachten,
heden noch toekomst, 39 hoogte noch
diepte, of wat er ook maar in de schepping
is, ons zal kunnen scheiden van de liefde
van God, die hij ons gegeven heeft in
Christus Jezus, onze Heer.
31
Gezang 444
Grote God, wij loven U,
Heer, o sterkste aller sterken
Heel de wereld buigt voor U
en bewondert uwe werken.
Die Gij waart te allen tijd,
blijft Gij ook in eeuwigheid.
Alles wat U prijzen kan,
U, de Eeuwge, Ongeziene,
looft uw liefd' en zingt ervan.
Alle englen, die U dienen,
roepen U nooit lovensmoe:
'Heilig, heilig, heilig' toe!
Heer, ontferm U over ons,
open uwe Vaderarmen,
stort uw zegen over ons,
neem ons op in uw erbarmen.
Eeuwig blijft uw trouw bestaan
laat ons niet verloren gaan.
Download