Cartografie, een stukje geschiedenis

advertisement
Cartografie, een stukje geschiedenis
Dit artikel is geschreven naar aanleiding van de “Kaartavond” die ons immer actieve lid
Henk Pol heeft bedacht. De bedoeling was om aan de hand van oud kaartmateriaal als het
ware in te zoomen op het dorp Noordbroek om zo meer inzicht te krijgen in de geologische en
geografische omgeving. Het ligt in de bedoeling dat de HKM deze formule ook in de andere
dorpen van de gemeente zal toepassen. In deze bijdrage wordt even stil gestaan bij de lange
en interessante geschiedenis van de cartografie in onze omgeving.
Door Nick Kieft
De geschiedenis van het maken van kaarten is al zeer oud. Er zijn Babylonische kleitabletten
gevonden, die stukken van de wereld voorstellen en waarvan men aanneemt dat die omstreeks
2300 v C Zijn gemaakt. Dit zijn tot nu toe de oudst bekende kaarten. Maar ongetwijfeld
maakten mensen al veel langer gebruik van eenvoudige schetsjes die ze met een takje op de
grond tekenden , of in boombast krasten. Hoe dan ook, cartografie is een oude wetenschap.
In tegenstelling tot wat veel mensen denken, waren het de oude Grieken die voor het eerst
vaststelden dat de aarde een bol was. Dit was in 350 v C. Zij waren ook de eersten die
verticale en horizontale lijnen op hun kaarten zetten; de voorlopers van de parallellen en
meridianen. De belangrijkste geograaf uit de Oudheid was Ptolemaeus van Alexandrië, die in
de tweede eeuw n C leefde. Ptolemaeus’ wereldkaart heeft eeuwenlang model gestaan voor
latere kaarten. Hij had zich overigens wel vergist in de omvang van de aarde, die hij te klein
schatte. Deze fout maakte dat Columbus dertien eeuwen later echt dacht dat hij in Indië was
aangekomen, terwijl hij in feite nog maar op de helft was.
Figuur 1: Tabula Peutingeriana of Peutingerkaart (détail)
Bron: De kaarten van Groningerland
1
De Romeinen maakten ook kaarten, maar waar de Grieken probeerden om de aarde zo
nauwkeurig mogelijk op te tekenen, wilden de Romeinen juist praktische kaarten te maken.
Een voorbeeld van een Romeinse kaart is de beroemde Peutingerkaart, een middeleeuwse
kopie van een kaart die aan de Romeinse geograaf Agrippa wordt toegeschreven. De
Peutingerkaart geeft op een schematische wijze de belangrijkste landroutes weer. Op het hier
getoonde fragment van de Peutingerkaart vormt de donkere horizontale band onderaan de
Middellandse zee. De smalle inham ongeveer halverwege is de Golf van Biskaje. Aan de
linkerzijde is nog juiste een stukje Engeland te zien. In het Noorden ligt de Noordzee. De
bovenste horizontale rivier stelt de Rijn voor.
Veel van de kennis uit de Klassieke Oudheid is in West-Europa in de Vroege Middeleeuwen
in de vergetelheid geraakt. Dat wil niet zeggen dat het idee dat de aarde een bol is, ook werd
vergeten. Maar in elk geval ontbrak de behoefte om te proberen de aarde zo nauwkeurig
mogelijk weer te geven. Net als bij de Romeinen was een kaart een zeer schematische
Figuur 2: O-T kaart
weergave van de werkelijkheid. De bekendste voorbeelden van Middeleeuwse kaarten zijn de
zogenaamde O-T kaarten. Hierbij werd de toen bekende wereld als een schijf getoond met
bovenaan Azië, waarbij Jeruzalem in het centrum van de wereld ligt, rechtsonder ligt Afrika
((Ethiopei) en linksonder ligt Europa. De wereld wordt omringd door de oceanen en de
continenten worden gescheiden door de Middellandse Zee (verticaal) en van links naar rechts
de Zwarte Zee en Egeïsche Zee (Hellespontus) en de Rode Zee. De omringende oceaan
vormt de “O” en de zeeën vormen samen de “T”. De bedoeling van deze kaarten was niet om
een natuurgetrouwe weergave van de toen bekende Aarde te geven, maar veel meer om de
mensen een godsdienstige kijk op de wereld te geven.
Rond 1200 komen de eerste aanwijzingen dat men in Europa het kompas leerde kennen.
Hiermee probeerde men nauwkeuriger kaarten te tekenen door van kompaspeilingen gebruik
te maken. Cartografen wilden nu de wereld overeenkomstig de werkelijkheid in kaart
2
brengen. Hun eerste kaarten waren echter zeer onbetrouwbaar omdat men de techniek om een
bol oppervlak op een platte kaart te projecteren niet onder de knie had.
Door de steeds intensievere contacten van de West-Europeanen met het Midden-Oosten
raakten zij rond 1400 bekend met de geografie van Ptolemaeus. In diezelfde tijd begonnen
Europese zeevaarders zich ook steeds verder op zee te begeven. Rond 1450 hadden Portugese
ontdekkingsreizigers al de Azoren, halverwege de Atlantische Oceaan bereikt. De zeelieden
hadden inmiddels een aanzienlijke hoeveelheid instrumenten leren gebruiken om hun positie
te bepalen. Jakobsstaf, astrolabium en log en de steeds nauwkeuriger kompassen waren de
belangrijkste. Zij beschreven in hun scheepsjournaals onbekende kusten en maakten daar
schetsen van. Hun nieuw verworven kennis bracht geleerden in het Europa van de
Renaissance er toe om deze kennis in boekwerken op te nemen en uit te geven.
Van grote betekenbis voor de cartografie was de uitvinding van de driehoeksmeting of
triangulatie. Door driehoeksmeting kan men de afstand bepalen van een toegankelijk punt tot
een ontoegankelijk punt. Men kan de afstand bepalen tussen twee ontoegankelijke punten en
nog wat andere berekeningen. Hiervoor heeft men een basis nodig, dat wil zeggen een lijnstuk
waarvan men de lengte nauwkeurig heeft kunnen meten. De eerste toepassing van
driehoeksmeting werd gebruikt voor de astronavigatie – navigeren met behulp van zon en
sterren - op zee en voor het maken van zeekaarten. Al snel werd de driehoeksmeting ook voor
het maken van landkaarten gebruikt. Op de vaste wal kon men gebruik maken van kerktorens,
markante gebouwen of vrijstaande grote bomen, om dit soort metingen te verrichten.
Figuur 3: De Practijck des Landmetens, omstreeks 1600 door Johan Sems en Pietersz
Dou
Bron: De kaarten van Groningerland
De komst van de boekdrukkunst maakte een snelle verspreiding mogelijk. Vooral toen men de
kopergravure als methode ging gebruiken konden de kaarten zeer gedetailleerd worden. In
Vlaanderen was het de beroemde kaartenmaker Mercator, die een beroemdheid werd door het
3
maken van globes en kaarten. In zijn voetspoor traden andere beroemdheden als Jacob
Hondius en Ortellius op. Zij en andere cartografen verbeterden door talrijke experimenten de
nauwkeurigheid van de kaarten. De naam Mercatorprojectie herinnert hier nog aan. Na de val
van Antwerpen in 1585 verplaatste het centrum van de cartografie in de Nederlanden zich van
die stad naar het noorden en vooral naar Amsterdam. In het begin van de 17e eeuw werd
Johannes Blaeu een van de belangrijkste kaartenmakers ter wereld.
Het is interessant te zien dat de oudste kaarten vaak een uitbundige versiering te zien geven.
Kaartenmakers besteedden vaak veel aandacht aan het maken van de zogenaamde cartouche,
het kader waarbinnen de titel van de kaart, de naam van de maker, drukker etcetera stonden.
Ook op onbekende of “lege” gebieden werden fraaie versieringen aangebracht. In de loop van
de 18e eeuw verdwenen deze verfraaiingen geleidelijk. Dit ging gepaard met de veel grotere
nauwkeurigheid en gedetailleerdheid die de kaarten kregen.
Groningerland op de kaart
Bij de zeekaarten en zeilaanwijzingen kwamen natuurlijk ook de kusten van de Noordzee aan
bod. In een betrekkelijk korte tijd wisten de makers van deze kaarten een zeer grote
nauwkeurigheid te bereiken. Maar dat gold dan vooral voor de kusten, kustwateren,
riviermondingen en zeearmen. Van het landoppervlak werd een veel minder nauwkeurig
beeld gegeven.
In de 15e en 16e eeuw werden kaarten geproduceerd waarop de Friese landen werden
afgebeeld. Ze werden niet nauwkeurig opgemeten en zijn dan ook weinig precies. In de loop
van de 16e eeuw deed zich in de cartografie een opvallende verandering voor. De kaarten
werden nu vrij waarheidsgetrouwe weergaven van het land. In de Nederlanden was het de
cartograaf Jacob van Deventer die als eerste gebruik van deze methode is gaan maken.
Van Deventer was een bekend landmeetkundige die later de titel keizerlijk en koninklijk
geograaf kreeg. Hij bracht de hele Nederlanden in kaart en maakte een atlas met de
stadsplattegronden van een groot aantal steden. Opvallend van de kaart van Van Deventer was
dat hij van haast alle dorpskerken merendeels naar hun juiste vorm heeft afgebeeld.
Figuur 4: uitsnede kaart Van Deventer
4
Figuur 5: Van Deventer, Friesland (detail) 1559
Bron: De kaarten van Groningerland
Voor de cartografie in de Nederlanden waren de vele oorlogen en waterstaatswerken en de
sterke gewestelijke onafhankelijkheid belangrijk om het maken van kaarten te bevorderen.
Voor de kaarten van Groningen geldt dat er een aantal ‘families’ valt te onderscheiden. Deze
families baseren zich steeds op het werk van een kaartenmaker en hoewel de details
verschillen, zijn er grote overeenkomsten in de vorm van de kusten en de belangrijkste
waterwegen. Zonder op de specifieke verschillen in te gaan is er een familie kaarten die
5
afgeleid is van de kaart van Van Deventer. Deze groep telt 37 kaarten die rond het einde van
de 16e eeuw gemaakt zijn. Er zijn zes kaarten afgeleid van Sibrandus Leo (± 1600), vijftien
volgen Christiaan sGrooten (± 1600). Een grote groep wordt gevormd door de navolgers van
Barthold Wicheringe (1616) waarvan de bekendste wel de zogenaamde Coenderskaart
(±1680) is. De hele groep telt 58 kaarten.
Figuur 6: Bartoldus Wicheringe 1616
Bron: De kaarten van Groningerland
6
Dan is er een groep afgeleid van Nicolaas Visscher en Ludolf Tjarda van Starckenborg met 29
exemplaren (tweede helft 17e eeuw).
Figuur 7: Eerste staat van de kaart van Visscher en Starckenborgh
Bron: De kaarten van Groningerland
Verder zijn er enkele kaarten gebaseerd op de kaart van Thomas Beckeringh uit 1781, die als
eerste de Semslinie afbeeldde. Tenslotte is er een groep kaarten die de overgang vormt tot de
zogenaamde Topografische en Militaire Kaart van 1855. Hiertoe behoort onder meer de
“Chorotopografische kaart” van Krayenhoff (1822).
7
De kaart van Krayenhoff was zeer gedetailleerd. Hij had van 1798 tot 1822 aan de kaart
gewerkt en daarmee zelfs perceelsgrenzen ingetekend. Opvallend van de kaart van
Krayenhoff en de Topografische kaart van 1855 is dat deze nog geheel door middel van
driehoeksmeting zijn opgenomen, maar dat zij nauwelijks afwijken van de latere
topografische kaarten die met behulp van luchtfotografie zijn gemaakt.
Kaarten geven per definitie een momentopname. Het landschap verandert door nadat de kaart
gedrukt is. Daarmee zijn kaarten in zekere zin fossielen van het oude landschap. Gelukkig is
er een grote verscheidenheid aan oude kaarten voorhanden, waardoor we de veranderingen in
het landschap en daarmee ook ten dele de loop van de geschiedenis kunnen volgen.
Voor dit artikel is gebruik gemaakt van
Encyclopaedia Britannica (1987)
M. Schroor, De atlas van Kooper, Bedum, 2003
J.J. Vredenberg-Alink, De kaarten van Groningerland, Uithuizen 1974
8
Download