De aarde in beweging. De geheimen van onze

advertisement
Universiteit Derde Leeftijd Leuven – De aarde in beweging. De geheimen van onze levende planeet
Universiteit Derde Leeftijd Leuven
DE AARDE IN BEWEGING
DE GEHEIMEN VAN ONZE LEVENDE PLANEET
MANUEL SINTUBIN
Geodynamics & Geofluids Research Group, Katholieke Universiteit Leuven, Celestijnenlaan 200E, B-3001 Leuven
[email protected], geo.kuleuven.be/G&G/
VRAAGSTELLING
Is de aarde een unieke planeet? En wat maakt de aarde een unieke planeet?
1. TEKTONIEK IN DE 19E EEUW
Het uitgangspunt is een tektonisch wereldbeeld uit de 19 e eeuw dat gedomineerd wordt door de vraag naar
het ontstaan van gebergten, op zoek naar het hoe en waarom van plooien en breuken, dikke sedimentpakketten
en mariene fossielen hoog in de gebergten, ... . Het antwoord lag vervat in het model van een krimpende
aarde ten gevolge van de gestage afkoeling sinds zijn ontstaan (E. Suess 1883). Oceanen en continenten waren
permanente structuren (permanentietheorie – J. D. Dana 1847). Verticale bewegingen in de aardkorst
vertaalden zich in de geosynclinetheorie (J. Hall 1857).
De aardwetenschappelijke discussie kristalliseerde zich rond een tweespalt tussen Amerikaanse fixisten en
Europese mobilisten, tussen respectievelijk verticale en horizontale bewegingen in de aardkorst, tussen
permanente en omwisselbare oceanen en continenten.
2. CONTINENTEN OP DRIFT
Bij de aanvang van de 20ste eeuw draait de aardwetenschappelijke discussie rond twee ‘feiten’. Voor de
geofysici was isostasie (C. Dutton 1870) een ‘feit’. De continenten blijken te drijven op een ‘vloeibaar
substraat’ volgens het ‘principe van Archimedes’. Voor geologen en paleontologen was het bestaan van
Gondwana (E. Suess 1883) als biogeografische samenhang van alle zuidelijke continenten een te verklaren
‘feit’. Alleen sluit isostasie elk bestaan van verzonken continenten of landbruggen uit.
A. Wegener (1915) bracht het geofysische feit ‘isostasie’ en het geologische feit ‘Gondwana’ samen in één
globale theorie, de continentendrift. Als continenten permanente structuren zijn en drijven op een vloeibaar
substraat, maar ooit verbonden moeten geweest zijn zonder een beroep te doen op landbruggen, dan kan dit
enkel doordat continenten horizontale verschuivingen hebben ondergaan. Hij paste de continentale
legpuzzel in elkaar en noemde het resulterende supercontinent Pangaea. Deze horizontale verschuivingen
werden verklaard door een convectie in het vloeibare substraat (A. Holmes 1926). Tot ver in de 20ste eeuw zal
deze uitermate mobilistische theorie worden aangevochten.
3. VAN CONTINENTENDRIFT TOT PLATENTEKTONIEK
De theorie van de continentendrift steunt hoofdzakelijk op geologisch onderzoek op de continenten, slechts
30% van het totale aardoppervlak. Wanneer de oceanen uiteindelijk hun geheimen prijsgeven, zal een ware
revolutie zich voltrekken in het aardwetenschappelijke denken.
Centraal in de oceanen wordt het landschap van de zeevloer gekenmerkt door oceaanruggen, langgerekte
bergketens, doorsneden door grote breukzones en centrale slenken. Zij vertonen een hoge warmteflux en
ondiepe aardbevingen. Langs heel wat continentranden komen dan weer diepzeetroggen voor. Zij vallen
samen met een belangrijke negatieve anomalie in de zwaartekracht (F. Vening-Meinesz ‘30) en diepe
aardbevingen op een hellend vlak (K. Wadati 1928, H. Benioff ’40). Dit alles bracht A. Hess (1961) en R. Dietz
(1961) tot het idee van zeevloerspreiding ten gevolge van een convectie in het vloeibare substraat.
Uit paleomagnetisch onderzoek op de continenten blijkt dat de noord- en zuidpool schijnbaar rondzwerven
over het aardoppervlak. Deze zwervende poolcurves, verschillend voor de verschillende continenten,
vormen het ultieme bewijs voor continentendrift (M. Blackett, , E. Irving & S. Runcorn 1956). Magnetisch
Universiteit Derde Leeftijd Leuven – De aarde in beweging. De geheimen van onze levende planeet
onderzoek van de zeevloer legt een opmerkelijk geband magnetisch patroon bloot, het zogenaamde
zebrapatroon (A. Raff & R. Mason 1961). Bovendien blijkt het dynamische karakter van het aardmagnetische
veld geregeld ompolingen (B. Brunhes 1909, M. Matuyama 1928) te veroorzaken. De combinatie van de
zebrapatronen en de magnetische ompolingen vormt uiteindelijk het ultieme bewijs voor zeevloerspreiding
(F. Vine & D. Matthews 1963, L. Morley 1963).
De weg naar een nieuw paradigma lag open. Ter hoogte van de oceaanruggen wordt oceaankorst
aangemaakt in het proces van zeevloerspreiding. Ter hoogte van de diepzeetroggen wordt de oceaankorst
gerecycleerd door subductie (D. Roeder 1969). De sluitsteen van de puzzel vormen de transformbreuken (J.
Wilson 1965), de grote breukzones die de oceaanruggen doorsnijden. De verbreiding van alle
aardbevingshaarden (M. Barazangi & J. Dorman ’60) tonen een concentratie langsheen spreidingsruggen,
subductie- en collisiezones en transformbreuken. Het concept van ‘stijve’ platen (J. Morgan 1967, X. Le Pichon
1968) is geboren. De onderlinge beweging van deze ‘stijve’ platen gelegen op een sfeer beantwoordt aan het
Eulertheorema. In 1969 wordt het nieuwe paradigma van de platentektoniek boven de doopvont gehouden.
4. CONCEPTEN VAN DE PLATENTEKTONIEK
Platentektoniek kan met een aantal kernbegrippen worden samengevat:
(1) het bestaan van ‘stijve’ lithosferische platen. De buitenste zone van de aarde kan opgedeeld worden op
basis van samenstelling (korst versus mantel) of op basis van vervormingsgedrag (reologie), waarbij een
onderscheid wordt gemaakt tussen een ‘stijve’ buitenlaag, de lithosfeer, en een ‘vloeibaar’ substraat, de
asthenosfeer. De lithosfeer bestaat uit, continentale en oceanische, korst en het bovendeel van de mantel, en
is opgedeeld in een aantal ‘stijve’ schollen of platen, de lithosferische platen.
(2) het bestaan van drie typen plaatgrens. Plaatgrenzen zijn ofwel constructief (spreidingsruggen),
destructief (subductie- en collisiezones), of conservatief (transformbreuken). De onderlinge beweging van de
platen, en dus ook de oriëntatie van de plaatgrenzen, is geometrisch bepaald door het Eulertheorema.
(3) het model van zeevloerspreiding. De plaattektonische bewegingen worden aangedreven door een
asthenosferische convectie. De lithosferische platen worden passief meegesleurd op de asthenosferische
transportband.
(4) de Wilsoncyclus als uitdrukking van het cyclisch verloop van de plaattektonische activiteit,
gematerialiseerd door het cyclisch openen en sluiten van oceanen op grosso modo steeds dezelfde plaats.
5. TERUG NAAR DE CONTINENTEN
De confrontatie van het nieuwe paradigma met de continentale realiteit noopt tot verfijning van de theorie.
Al tekent platentektoniek de krijtlijnen uit waarbinnen continentale tektoniek zich afspeelt, continentaal
korstmateriaal zal een belangrijke rol toebedeeld krijgen in het plaattektonische verhaal, voornamelijk
omwille van twee karakteristieken, zijn relatieve ‘zwakte’ en zijn lage dichtheid. ‘Zwak’ continentaal
korstmateriaal gedraagt zich niet ‘stijf’. Continentale plaatgrenzen zijn dan ook heel diffuus. Bovendien zal
tektonische activiteit zich concentreren langsheen de continentale randen, wat aanleiding geeft tot een
uitermate grote mobiliteit van continentale fragmenten. Dit vormt de basis van de accretietektoniek. ‘Licht’
continentaal korstmateriaal kan bovendien niet gerecycleerd worden. Als continentaal materiaal in een
subductiezone terecht komt, leidt dit onvermijdelijk tot veranderingen in de plaattektonische configuratie.
Uit continentale tektoniek volgt een uitermate grote tektonische mobiliteit die onverenigbaar is met het
asthenosferische convectiemodel als motor achter plaattektonische bewegingen. Uiteindelijk leidt dit tot het
concept van subductietektoniek, een model waarbij de zwaartekracht de mobiliteit in de lithosfeer in
belangrijke mate aandrijft. Continentale tektoniek maakt ook duidelijk dat de aarde reeds 2 miljard jaar
plaattektonische activiteit kent. Deze activiteit is georganiseerd in 400 à 500 miljoen jaar durende
supercontinentcycli.
6. SYSTEEM AARDE
Platentektoniek blijkt uiteindelijk zelfs maar een klein onderdeel te zijn van een complex, zelfregulerend
systeem, Systeem Aarde, waarin verschillende sferen – reservoirs van energie en materie – permanent met
elkaar interageren. De geosfeer bestaat uit de ‘vaste aarde’. Cruciale elementen zijn de concentrische opbouw,
de aanwezigheid van een magnetisch veld en platentektoniek. De atmosfeer is eigenlijk niets meer dat de
Universiteit Derde Leeftijd Leuven – De aarde in beweging. De geheimen van onze levende planeet
buitenste, gasvormige schil van de concentrisch opgebouwde aarde. De atmosfeer staat in voor het
broeikaseffect en zorgt voor een beschermende ozonlaag. In de hydrosfeer draait het allemaal rond de zo goed
als permanente aanwezigheid van vloeibaar water op aarde sinds zijn ontstaan. Uiteindelijk is er de biosfeer,
dat een cruciale rol toebedeeld krijgt in het Systeem Aarde.
Dit systeem wordt aangedreven door een dubbele energiebron. De interne primaire warmte van de aarde
wordt afgegeven door grootschalige convectie in de mantel. In de buitenste zone van de aarde vormt
platentektoniek een uniek afkoelingsysteem waarbij die warmte wordt omgezet in beweging. De zonneenergie stuurt dan weer voornamelijk de processen aan het aardoppervlak, in de atmosfeer, hydrosfeer en
biosfeer.
De vier sferen staan in permanente interactie met elkaar. Veranderingen in één sfeer leiden onvermijdelijk
tot positieve en negatieve terugkoppelingen in de andere sferen. Het ganse systeem is dan ook in een
toestand van permanente verandering (‘global change’). Deze veranderingen kunnen onomkeerbaar zijn. Deze
unidirectionele veranderingen zijn het ontstaan van de concentrische opbouw van de aarde, de gestage
afkoeling van de aarde, de aangroei van continentale massa, de ontwikkeling van een secundaire atmosfeer,
de evolutie van het leven en de gestage toename in zonne-energietoevoer (‘zwakke-zonparadox’). De meeste
veranderingen zijn echter cyclisch en liggen aan de basis van het complexe spel van positieve en negatieve
terugkoppelingen. Zo zijn er zowel fysische cycli (bv. supercontinentcyclus) als biogeochemische cycli (bv.
koolstofcyclus).
7. DE AARDE, EEN UNIEKE PLANEET
Vrij snel in de aardse geschiedenis is dit zelfregulerende systeem met zijn vier actoren tot stand gekomen.
‘Global change’ heeft ervoor gezorgd dat de veranderingen die zich hebben voorgedaan gedurende de 4,5
miljard jaar aardse geschiedenis relatief binnen de perken zijn gebleven, niettegenstaande de gestage
toename van de zonne-energietoevoer. Systeem Aarde is een natuurlijke thermostaat gebleken, waarbij drie
kernbegrippen het succesverhaal samenvatten: platentektoniek, leven en vloeibaar water. Niet alleen in dit
opzicht is de aarde een unieke planeet. De aarde blijkt ook in vele van zijn karakteristieken ‘just right’ te zijn
om hogere levensvormen toe te laten.
Wat begonnen is met een schijnbaar eenvoudige vraag naar het ontstaan van gebergten heeft meer dan 100
jaar later geleid tot een allesomvattende visie op onze unieke planeet. Door een – al of niet toevallige –
samenloop van omstandigheden heeft zich een zelfregulerend systeem ontwikkeld, waar leven, water en
platentektoniek een hoofdrol in spelen. 4,5 miljard jaar ‘global change’ heeft er uiteindelijk toe geleid dat
hogere levensvormen, waaronder de mens, deze ‘levende planeet’ bewonen.
Enkele naslagwerken
CONDIE, K. C. 2005. Earth as an Evolving Planetary System. Elsevier Academic Press, Amsterdam.
ERNST, W. G. (Ed.) 2000. Earth Systems. Processes and issues. Cambridge University Press, Cambridge.
HALLAM, A. 1973. A Revolution in the Earth Sciences. From Continental Drift to Plate Tectonics. Clarendon
Press, Oxford.
LAMB, S. & SINGTON, D. 1998. Earth Story. The shaping of our world. BBC Books, London.
LOVELOCK, J. 1979. Gaia. A new look at life on Earth. Oxford University Press, Oxford.
MARSHAK, S. 2001. Earth. Portrait of a Planet. W. W. Norton & Company, New York.
ORESKES, N. 1999. The Rejection of Continental Drift. Theory and Method in American Earth Science. Oxford
University Press, New York.
ORESKES, N. (Ed.) 2001. Plate Tectonics. An Insider's History of the Modern Theory of the Earth. Westview Press,
Colorado.
PRESS, F. & SIEVER, R. 2001. Understanding Earth. W.H. Freeman & Company, New York.
SKINNER, B. J. & PORTER, S. C. 2000. The Dynamic Earth. An introduction to physical geology. John Wiley &
Sons Inc., New York.
Download