Schema`s van de jaarrekening vóór en vanaf 2016

advertisement
BIBF | Beroepsinstituut van erkende Boekhouders en Fiscalisten
INHOUD
p. 1/ S
chema’s van de jaarrekening vóór en
vanaf 2016
Schema’s van de jaarrekening vóór
en vanaf 2016
Naast een beknopte beschrijving van een aantal
wijzigingen van het Belgisch wettelijk en regel­
gevend kader ten gevolge van de hervormingen
van december 2015, wordt aan de beoefenaars
van de cijferberoepen een praktische vergelijking
aangereikt van de schema’s van de jaarrekening
van ondernemingen (balans, resultatenrekening
en toelichting) die het resultaat zijn van de wij­
zigingen die werden ingevoegd door het konink­
lijk besluit van 18 december 2015 dat de richtlijn
2013/EU/34 omzet. Die vergelijking wordt uitge­
voerd :
– zowel voor de volledige schema’s, vóór en vanaf
1 januari 2016,
–als voor de verkorte schema’s, vóór en vanaf
1 januari 2016 en
– voor het microschema vóór en vanaf 1 januari
2016 versus het verkort schema vóór 1 januari
20161.
1
Deze vergelijking is een synthese van het vergelijkend onderzoek
van de modellen van de jaarrekening, zoals het werd opgesteld in
het boek «Le nouveau droit comptable belge, Les surprises de la
transposition de la Directive 2013/34/UE», pagina 477 tot 748,
Kluwer, Waterloo, 2017. We herinneren eraan dat in dit boek «de linkerkant van de pagina’s ... het in 2016 aangenomen schema weergeeft
(na de hervorming) en de rechterkant van elke pagina kan worden
beschouwd als het equivalent van het vroeger gebruikte schema (vóór
de hervorming). De verschillen [in dat boek] vallen duidelijk op dankzij
de gebruikte kleuren (groen voor de schema’s na de hervorming en
geel voor de schema’s die vóór de hervorming werden gebruikt)» (vrije
vertaling), pagina 478.
1
Alleen de betekenisvolle wijzigingen worden aan­
gewezen, met uitzondering van loutere codewijzi­
gingen.
2. Beknopte beschrijving van de
wijzigingen die door de hervorming
van december 2015 werden
ingevoerd
2.1. De schema’s van de jaarrekening
Ten gevolge van de goedkeuring van de wet van
18 december 2015 moeten vennootschappen voor­
taan één van de drie schema’s van de jaarrekening
neerleggen : volledig schema, verkort schema of
microschema.
De omvang van de vennootschap bepaalt welk type
van schema gebruikt kan worden :
– «kleine vennootschappen» in de zin van artikel
15, § 1 van het W.Venn. (vennootschappen die
niet meer dan één van de drie in de wet genoemde
criteria overschrijden : 50 tewerkgestelde werk­
nemers (jaargemiddelde), jaaromzet (exclusief
btw) van 9 miljoen euro en balanstotaal van 4,5
miljoen euro) kunnen opteren voor het verkort
schema van de jaarrekening, in tegenstelling tot
«grote ondernemingen» (die meer dan één van
de drie in artikel 15, § 1 W. Venn. vastgestelde
grenzen overschrijden) die een volledig schema
van de jaarrekening moeten openbaar maken;
P a c i ol i N r . 445 B I B F - I P C F / 8- 21 m ei 2017
P 309340 – Afgiftekantoor 9000 Gent X – Tweewekelijks – Verschijnt niet in de weken 28-36
1. Inleiding
–«microvennootschappen» in de zin van arti­
kel 15/1, § 1 van het W. Venn., met name ven­
nootschappen die geen dochtervennootschap
of moedervennootschap zijn en die niet meer
dan één van de drie in de wet genoemde crite­
ria overschrijden : 10 tewerkgestelde werkne­
mers (jaargemiddelde), jaaromzet (exclusief btw)
van 700 000 euro en balanstotaal van 350 000
euro, kunnen opteren voor het microschema van
de jaarrekening in plaats van voor het verkort
schema.
Het spreekt voor zich dat een vennootschap die mi­
croschema’s mag neerleggen op vrijwillige basis
verkorte of zelfs volledige schema’s mag neerleg­
gen.
Ook kunnen bepaalde vennootschappen die door
het Wetboek van Vennootschappen als «klein» wor­
den beschouwd maar die een commissaris moeten
aanwijzen om hun jaarrekening te controleren (op
grond van artikel 141 W.Venn.), hun jaarrekening
neerleggen door middel van een verkort model.
2.2. Wijziging van de waarderingsregels
Eén van de vragen die rijzen is of de bepalingen
met betrekking tot de veranderingen van de waar­
deringsregels die opgenomen zijn in het KB/W.
Venn. (gecombineerde lezing van de artikelen 29
en 30) van toepassing zijn wanneer die voortvloei­
en uit een wijziging van de wetgeving.
In advies 154/1 (Bulletin nr. 23, december 1988,
p. 14-15) werd aan de Commissie voor Boekhoud­
kundige Normen gevraagd wat er moet gebeuren
wanneer een onderneming haar waarderingsre­
gels heeft gewijzigd «omdat een wettelijk opgelegde
waarderingsregel vervangen werd door een nieuwe
die eveneens wettelijk is opgelegd».
Uit het advies blijkt dat bij elke verandering van
waarderingsregel (ongeacht of die wordt beslist op
vrijwillige basis of «gedwongen» is ten gevolge van
een verandering van de toepasselijke wetgeving)
het volgende is vereist :
– een vermelding van de verandering van waarde­
ringsregel;
– een verantwoording in de toelichting bij de jaar­
rekening en
– een aanduiding van de weerslag van de nieuwe
waarderingsregel op het vermogen, de financi­
ële situatie en het resultaat van de vennootschap
2
«althans voor zover de geraamde invloed van de
gewijzigde of nieuwe regel, rekening houdend met
de doelstelling van genoemd artikel 3, belangrijk
is».
2.3. Bijzonderheid van pagina
VOL1 / VKT1 / MIC1 die «de
identificatiegegevens van de
onderneming en de jaarrekening» bevat
Een andere vraag is hoe de eerste pagina van de
jaarrekening moet worden ingevuld voor wat be­
treft «De bedragen van het vorige boekjaar zijn /
zijn niet identiek [Schrappen wat niet past] met die
welke eerder openbaar werden gemaakt».
Er zullen immers eventueel «aanpassingen» van
de vergelijkende cijfers nodig zijn om aan de voor­
schriften van de wet te voldoen, met name :
– in bepaalde gevallen bijkomende rubriekonder­
verdelingen (zoals in het geval van de voorzie­
ningen waarbij voortaan de kosten die voort­
vloeien uit een milieuverplichting afzonderlijk
moeten worden vermeld);
– in andere gevallen zullen gegevens gegroepeerd
moeten worden (dat is het geval voor vennoot­
schappen die gebruik maakten van het verkort
schema en voortaan het microschema zullen ge­
bruiken);
– of er kunnen ook posten verplaatst moeten wor­
den (zoals de uitzonderlijke kosten of opbreng­
sten die voortaan worden beschouwd als niet-re­
currente kosten of opbrengsten die naargelang
van de aard van de verrichting moeten worden
overgedragen naar ofwel de bedrijfskosten of de
financiële kosten).
De Commissie voor Boekhoudkundige Normen
heeft begin maart advies 2017/08 gepubliceerd
waaruit blijkt dat het wenselijk is om de verge­
lijkende cijfers te herwerken om aan de wette­
lijke voorschriften te voldoen en dat voor zover
die herwerking correct werd uitgevoerd men kan
beschouwen dat de vergelijkende cijfers identiek
zijn met die welke eerder openbaar werden ge­
maakt.
De Commissie verantwoordt haar standpunt door
te verduidelijken dat er «derhalve bevestigend kan
worden geantwoord op de vraag of de bedragen van
het vorige boekjaar identiek zijn met die welke eerder openbaar werden gemaakt daar de aanpassing
afkomstig is ten gevolge van een uitsplitsing, een
P a c i ol i N r . 445 B I B F - I P C F / 8- 21 m ei 2017
hergroepering of een verschuiving binnen het jaarrekeningschema».
2.4. De neerlegging van de jaarrekening
Zoals vroeger hebben vennootschappen drie mo­
gelijkheden : bezorgen van een XBRL-bestand,
bezorgen van een pdf-bestand of neerleggen van
de jaarrekening op papier. Sinds 1 april 2017 is
de nieuwe versie van het XBRL-bestand beschik­
baar.
2.5. Andere bij de Balanscentrale neer te
leggen documenten
De wet van 18 december 2015 bracht ook wijzigin­
gen aan in artikel 100 van het Wetboek van Ven­
nootschappen dat handelt over de documenten die
naast de jaarrekening bij de Balanscentrale moe­
ten worden neergelegd.
Terwijl de vroegere inleidende zin van artikel 100
verwees naar een lijst van documenten die «tegelijk met de jaarrekening» moesten worden neerge­
legd, vermeldt de nieuwe inleidende zin : «Binnen
de dertig dagen nadat de jaarrekening is goedgekeurd en ten laatste zeven maanden na de datum
van afsluiting van het boekjaar, worden door toedoen van de bestuurders of zaakvoerders neergelegd bij de Nationale Bank van België» ten minste
de 8 documenten die in dat artikel worden opge­
somd.
Op te merken valt dat die neerlegging dus niet
langer noodzakelijkerwijs samen met de jaarre­
kening moet gebeuren. Ook is de verantwoorde­
lijkheid voor de neerlegging van die documenten
nu duidelijk bepaald als zijnde de verantwoorde­
lijkheid van de bestuurders van de vennootschap.
Het spreekt voor zich dat als de bestuurders een
beroepsbeoefenaar machtigen (bv. een lid van
de economische beroepen), zij voor de neerleg­
ging zullen zorgen. Het is wenselijk om over een
schriftelijk bewijs te beschikken (bv. door middel
van een opdrachtbrief die tussen de partijen werd
ondertekend) die een derde met deze opdracht
belast zodat de bestuurders niet ambtshalve als
aansprakelijk worden beschouwd voor een (ge­
deeltelijke) niet-neerlegging of laattijdige neer­
legging !
In de lijst van de verschillende documenten die
in artikel 100 van het W.Venn. worden opgesomd
3
werden nieuwe documenten toegevoegd : enerzijds
de lijst van de ondernemingen waarin de vennoot­
schap een deelneming bezit zoals bepaald in artikel
13 van het W.Venn. en anderzijds de sociale balans,
die sinds de omzetting van de boekhoudrichtlijn
van 2013 in het Belgisch recht niet langer deel uit­
maakt van de toelichting bij de jaarrekening. Het
spreekt voor zich dat er geen verplichting bestaat
om die verschillende documenten afzonderlijk neer
te leggen wanneer ze geen deel uitmaken van de
toelichting bij de jaarrekening !
Wat u moet onthouden is dat alle documenten na
afloop van de wettelijke termijn moeten zijn neer­
gelegd, met name binnen de dertig dagen nadat de
jaarrekening is goedgekeurd en ten laatste zeven
maanden na de datum van afsluiting van het boek­
jaar.
3. Vergelijking tussen volledige
schema’s, vóór en vanaf 2016
3.1. Vergelijking tussen balansen
Voor de vergelijking van de balansen heeft de be­
spreking vooral betrekking op de volledige balans,
rubriek per rubriek. Voor de verkorte en microbalans wordt op het einde van de betreffende rubriek
een laatste commentaar vermeld.
3.1.1. Groepering van balansposten als het
bedrag ervan onbeduidend is
De posten van de balans (en van de resultatenre­
kening) mogen worden gegroepeerd als ze slechts
een bedrag weergeven dat onbeduidend is ten aan­
zien van de doelstelling die ertoe strekt een ge­
trouw beeld te geven van het vermogen, de financi­
ële toestand en de resultaten van de vennootschap
of wanneer de groepering de duidelijkheid bevor­
dert, op voorwaarde dat de gegroepeerde posten
afzonderlijk worden weergegeven in de toelichting
bij de jaarrekening.
De modellen van de Nationale Bank vermelden de
nummering van de balansposten niet; die numme­
ring bevindt zich in artikel 88 van het KB/W. Venn :
opsplitsing van de Verbonden ondernemingen, de
Andere ondernemingen waarmee een deelnemingsverhouding bestaat, de Andere financiële vaste activa, de Voorraden, de Onbeschikbare reserves, de
Voorzieningen voor risico’s en kosten, de Financiële
Schulden, de Handelsschulden, en de Schulden met
P a c i ol i N r . 445 B I B F - I P C F / 8- 21 m ei 2017
betrekking tot belastingen, bezoldigingen en sociale
lasten.
2.de rubriek 66A Niet-recurrente bedrijfskosten,
3.de rubriek 66B Niet-recurrente financiële kosten.
Een dergelijke groepering is minder interessant
wanneer de niet-gegroepeerde gegevens afzonder­
lijk moeten worden vermeld in de toelichting.
In het verkort schema en het microschema is er
geen afzonderlijke post voor de niet-recurrente fi­
nanciële kosten; die kosten moeten worden weerge­
geven in de globale rubriek van de financiële kos­
ten.
In het verkort schema en het microschema is groe­
pering enkel mogelijk voor de hierboven vermelde
passiefposten.
3.1.2. Eerste oprichtingskosten
De oprichtingskosten worden alleen verplaatst : ze
worden niet langer beschouwd als vaste activa en
moeten worden opgenomen in een specifieke ru­
briek, boven aan de activa; als gevolg hiervan is
het totaal van de activa gelijk aan de som van de
oprichtingskosten, de vaste activa en de vlottende
activa, in plaats van aan de som van enkel de vaste
en vlottende activa.
Op te merken valt dat de herstructureringskosten
die worden geactiveerd in de rubriek van de eerste
oprichtingskosten in vier verschillende categorie­
ën moeten worden opgesplitst :
1.«recurrente» bedrijfskosten (geen boeking van
de betrokken bedrijfskosten in een afzonderlijke
rekening) (het gaat om herstructureringskos­
ten die bedrijfskosten zijn die niet niet-recurrent
zijn),
2.de niet-recurrente bedrijfskosten, die geboekt
moeten worden in de rekeningen 664 tot 667 Andere niet-recurrente bedrijfskosten en in de resul­
tatenrekening moeten worden vermeld onder de
rubriek 66A Niet-recurrente bedrijfskosten,
3.de «recurrente» financiële kosten (geen boeking
in een afzonderlijke rekening van de betrokken
financiële kosten),
4.de niet-recurrente financiële kosten, die ge­
boekt moeten worden in de rekeningen 668
Andere niet-recurrente financiële kosten en in
de resultatenrekening moeten worden vermeld
onder de rubriek 66B Niet-recurrente financiële
kosten.
De activering van die kosten als herstructurerings­
kosten moet in mindering worden gebracht, naar­
gelang het geval in :
1.de rubriek 649 Als herstructureringskosten geactiveerde bedrijfskosten (voor wat de geactiveer­
de bedrijfskosten betreft die niet niet-recurrent
zijn),
4
3.1.3. Immateriële vaste activa : kosten van
onderzoek, kosten van ontwikkeling en
goodwill
Kosten van onderzoek die werden gemaakt sinds
het boekjaar dat een aanvang heeft genomen vanaf
1 januari 2016 mogen niet meer op de actiefzijde
van de balans worden vermeld; de onderzoekskos­
ten die moeten worden geactiveerd om in aanmer­
king te komen voor subsidies of belastingvoordelen
moeten hetzelfde jaar volledig worden afgeschre­
ven, zodat hun waarde op de balans gelijk is aan
nul. Op te merken valt dat onderzoekskosten die
werden geactiveerd vóór 1 januari 2016 op het ac­
tief kunnen worden behouden, onder aftrek van de
periodieke afschrijvingen.
De vraag rijst wat het onderscheid is tussen kos­
ten van onderzoek en kosten van ontwikkeling, die
wel zoals vroeger nog geactiveerd mogen worden.
Het verslag aan de Koning dat voorafgaat aan het
koninklijk besluit van 18 december 2015 geeft de
volgende definitie van onderzoekskosten : Onder
«onderzoek» moet worden verstaan, de originele, systematisch uitgevoerde werkzaamheden, in de hoop
inzicht te verkrijgen en nieuwe wetenschappelijke
of technische kennis te verwerven. «Ontwikkeling»
wordt gedefinieerd als de concrete uitvoering van
ontwerpen of studies voor de productie van nieuwe
of aanzienlijk verbeterde materialen, werktuigen,
producten, procedés, systemen of diensten door gebruik te maken van ontdekkingen of verworven kennis alvorens een productie te starten die kan worden
gecommercialiseerd. Praktische voorbeelden zijn opgenomen in de §§ 12
tot 14 van het advies 2016/16 van de CBN «Kosten
van onderzoek en ontwikkeling : wijzigingen door
het koninklijk besluit van 18 december 2015».
Zowel de kosten van onderzoek als de kosten van
ontwikkeling moeten uitvoerig worden vermeld in
de toelichting (respectievelijk 6.2.1. en 6.2.2.) van
het volledig schema; in de andere schema’s is geen
P a c i ol i N r . 445 B I B F - I P C F / 8- 21 m ei 2017
andere specifieke toelichting dan die met betrek­
king tot de immateriële vaste activa als geheel ge­
nomen voorzien.
Bovendien moet de afschrijving van de kosten van
ontwikkeling en van de goodwill over maximaal
tien jaar worden gespreid (en niet langer vijf jaar
zoals vroeger), wanneer de gebruiksduur van deze
activa niet met zekerheid kan worden geschat. De
afschrijvingsduur van de goodwill moet in de toe­
lichting worden verantwoord.
Ten slotte moet de aandacht worden gevestigd op het
feit dat afschrijvingen en waardeverminderingen
op goodwill niet kunnen worden teruggenomen.
3.1.4. Bestellingen in uitvoering en
ontvangen vooruitbetalingen
aanzienlijk daalt, waardoor de vennootschap aan­
spraak kan maken op het statuut van kleine ven­
nootschap indien ze daarnaast slechts één van de
twee andere omvangscriteria zou overschrijden.
3.1.5. Schulden en vorderingen
Voortaan worden alle vorderingen en schulden
geboekt tegen hun nominale waarde, zonder mo­
gelijkheid om er de interesten die in termijnen
worden betaald in op te nemen. Dat betekent dat
wanneer interesten waren opgenomen in de vor­
deringen of schulden die in termijnen werden be­
taald, er vanaf het boekjaar 2016 een tegenboeking
moet gebeuren via de overlopende rekening. Deze
verandering in de werkwijze wordt beschreven in
het CBN-advies 2016/10.
3.1.6. Herwaarderingsmeerwaarden
De mogelijkheid om de bestellingen in uitvoering
te verrekenen, die in het verleden werd toegekend
aan de ondernemingen van de sector van het bouw­
bedrijf, werd geofficialiseerd en uitgebreid tot alle
vennootschappen op voorwaarde dat de brutobe­
dragen vóór verrekening vermeld worden in de
toelichting bij de jaarrekening (in vrije toelichting
of onder de waarderingsregels).
Volgens het CBN-advies 2016/14 «Bestellingen in
uitvoering : wijzigingen door het koninklijk besluit
van 18 december 2015» moet de verrekening per
project gebeuren en niet voor de globaliteit; een pro­
ject kan omschreven worden als een specifiek on­
derhandelde overeenkomst voor de constructie van
een actief of combinatie van activa die qua ontwerp,
technologie, functie of uiteindelijk doel of gebruik
nauw samenhangen of onderling afhankelijk zijn.
Indien het nettobedrag dat het resultaat is van de
verrekening een debetsaldo is, moet het worden op­
genomen in rubriek 37 van het actief «Bestellingen
in uitvoering»; is het nettobedrag een creditsaldo,
dan moet het worden opgenomen in rubriek 46 van
het actief «Ontvangen vooruitbetalingen op bestel­
lingen».
Bij de eerste toepassing van een dergelijke verreke­
ning moet ze worden behandeld als een wijziging
van de waarderingsregels, die moet worden ver­
meld en gerechtvaardigd in de toelichting.
Op te merken valt dat een dergelijke verrekening
tot gevolg kan hebben dat het balanstotaal soms
5
De omzetting van herwaarderingsmeerwaarden in
het kapitaal mag enkel gebeuren na aftrek van de
belastinglatentie, die wordt berekend tegen het be­
lastingtarief op het tijdstip van de omzetting in het
kapitaal (advies CBN 2016/23 «Herwaarderingsmeerwaarden : gevolgen van de wijzigingen aan
artikel 57 van het KB/W. Venn. door het koninklijk
besluit van 18 december 2015»).
De uitgestelde belasting wordt behouden in een
reserve van herwaarderingsmeerwaarden. Daar­
naast mag het deel van de in het kapitaal omgezet­
te herwaarderingsmeerwaarde dat nog niet werd
afgeschreven, niet worden aangewend ter aanzui­
vering van uitgestelde verliezen (via een kapitaal­
vermindering).
Tot slot is het verboden om de herwaarderings­
meerwaarden rechtstreeks of onrechtstreeks uit
te keren, zolang ze niet overeenstemmen met een
gerealiseerde meerwaarde of met een afschrijving
die op de herwaarderingsmeerwaarde werd ge­
boekt.
3.1.7. Voorzieningen voor risico’s en kosten
Voortaan moet het bedrag van een voorziening
voortvloeien uit «de beste schatting van de kosten
die als waarschijnlijk worden beschouwd of, in geval
van een verplichting, de beste schatting van het bedrag dat vereist is om die verplichting op de balansdatum na te komen» (art. 50, 2e lid KB/W. Venn.),
dit is een nieuwe vereiste.
P a c i ol i N r . 445 B I B F - I P C F / 8- 21 m ei 2017
Het verslag aan de Koning dat voorafgaat aan
het koninklijk besluit van 18 december 2015 ver­
duidelijkt in dat verband : «Schattingen dienen te
berusten op een op het voorzichtigheidsbeginsel
gebaseerde oordeelsvorming door het bestuur van
de onderneming op basis van de meest recente be­
trouwbare informatie die beschikbaar is. Schattin­
gen worden berekend op een objectieve basis, aan­
gevuld met bij soortgelijke transacties opgedane
ervaringen en, in sommige gevallen, zelfs met ver­
slagen van onafhankelijke experts. De in beschou­
wing genomen aanwijzingen dienen alle bijkomen­
de aanwijzingen te omvatten die gebeurtenissen na
de balansdatum hebben opgeleverd».
Deze nieuwe vereiste verhindert dat een voorzie­
ning gespreid over meerdere jaren wordt geboekt,
zoals het geval kon zijn voor een voorziening voor
grote herstellingen en groot onderhoud. Vennoot­
schappen die geleidelijk aan een dergelijke voor­
ziening zijn beginnen vormen, moeten die voorzie­
ning aanvullen om het volledig risico te dekken in
hun jaarrekening.
Daarnaast doet een nieuw type van voorziening
haar intrede – de voorzieningen voor milieuver­
plichtingen – en de voorzieningen voor brugpensi­
oenen worden voortaan «voorzieningen voor werk­
loosheid met bedrijfstoeslag».
3.2. Vergelijking tussen
resultatenrekeningen
Het belangrijkste verschil is dat de uitzonderlijke
resultaten zijn verdwenen en dat de niet-recurren­
te resultaten hun intrede maken, in het bijzonder
in het nieuwe schema op pagina VOL42.
1.code 76A, Toel. 6.12; Niet-recurrente bedrijfsop­
brengsten;
2.code 66A, Toel. 6.12; Niet-recurrente bedrijfs­
kosten;
3.code 76B, Toel. 6.12; Niet-recurrente financiële
opbrengsten;
4.code 66B, Toel. 6.12; Niet-recurrente financiële
kosten.
2
Uittreksel van het verslag aan de Koning dat voorafgaat aan het ko­
ninklijk besluit van 18 december 2015 : «Om het onderscheid met het
vorige systeem te benadrukken, werd besloten om voortaan te spreken
over «niet-recurrente» resultaten in plaats van over «uitzonderlijke»
resultaten». «De Regering heeft evenwel besloten om verder de rekeningen 66 en 76 ongemoeid te laten. Er is namelijk geen plaats [sic !] om
de uitzonderlijke resultaten in te voegen tussen de rekeningen 64 en
65 en 74 en 75».
6
In de resultaatverwerking, nieuw schema, werd bij
code 696 de subrubriek «werknemers» gecreëerd on­
der de rubriek «uit te keren winst». Deze subrubriek
werd ingevoegd tussen de subrubrieken «Bestuur­
ders of zaakvoerders» met ongewijzigde code 695 en
«Andere rechthebbenden», met gewijzigde code 697.
3.3. Vergelijking tussen toelichtingen
Op pagina VOL6.2.2 van het schema worden afzon­
derlijk vermeld :
1.de «kosten van onderzoek die werden gemaakt
tijdens een boekjaar dat een aanvang heeft geno­
men vóór 1 januari 2016» en
2.de «kosten van onderzoek die werden gemaakt
tijdens een boekjaar dat een aanvang heeft geno­
men na 31 december 2015».
Op pagina VOL6.5.1 van het schema werd een
nieuwe kolom «Aard» ingevoegd in de tabel met de
informatie over de deelnemingen.
Op pagina VOL6.6 van het nieuwe schema werd de
subrubriek «Edele metalen en kunstwerken» toe­
gevoegd.
Op pagina VOL6.7.2 van het nieuwe schema moet
de aandeelhoudersstructuur van de onderneming
op de datum van de jaarafsluiting worden vermeld.
Op pagina VOL6.11 van het nieuwe schema worden
enkel de recurrente financiële resultaten vermeld,
met een onderscheid naargelang het opbrengsten
of kosten zijn.
Op pagina VOL6.12 van het nieuwe schema wor­
den de opbrengsten en kosten van uitzonderlijke
omvang of uitzonderlijke mate van voorkomen ver­
meld :
1.
onder de niet-recurrente bedrijfsopbrengsten
(76A) en financiële opbrengsten (76B); en
2.onder de niet-recurrente bedrijfskosten (66A) en
financiële kosten (66B).
Op pagina C6.14 van het nieuwe schema vermel­
den de belangrijkste wijzigingen :
1.de «aard en financiële gevolgen van materiële
gebeurtenissen die zich na balansdatum hebben
voorgedaan en die niet in de resultatenrekening
of balans worden weergegeven»;
2.de «aan- of verkoopverbintenissen die de vennootschap als optieschrijver van call- en putopties
heeft».
P a c i ol i N r . 445 B I B F - I P C F / 8- 21 m ei 2017
Op pagina VOL6.15 van het nieuwe schema wor­
den de financiële vaste activa vermeld, alsook de
vorderingen, schulden, persoonlijke en zakelijke
zekerheden en alle andere betekenisvolle financiële
verplichtingen met betrekking tot verbonden on­
dernemingen.
Pagina VOL6.17 van het nieuwe schema vermeldt
de voor iedere categorie afgeleide financiële instru­
menten die niet gewaardeerd zijn op basis van de re­
ële waarde en de financiële vaste activa die tegen een
hoger bedrag dan hun reële waarde zijn geboekt.
Op pagina VOL6.20 van het nieuwe schema wor­
den de andere in de toelichting te vermelden inlich­
tingen opgenomen.
Op pagina VOL7 van het nieuwe schema worden
de andere overeenkomstig het Wetboek van Ven­
nootschappen neer te leggen documenten vermeld :
1.het jaarverslag;
2.het verslag van de commissarissen; en
3.het verslag van betalingen aan overheden.
Op pagina VOL16 wordt de sociale balans weerge­
geven.
4. Vergelijking tussen verkorte
schema’s, vóór en vanaf 2016
In de resultaatverwerking, nieuw schema, werd bij
code 696 de subrubriek «werknemers» gecreëerd
onder de rubriek «uit te keren winst». Deze subru­
briek werd ingevoegd tussen de subrubrieken «Be­
stuurders of zaakvoerders» met ongewijzigde code
695 en «Andere rechthebbenden», met gewijzigde
code 697.
4.3. Vergelijking tussen toelichtingen
Op pagina VKT6.2 van het nieuwe schema wer­
den de inlichtingen over de staat van het kapitaal
sterk afgezwakt; alleen de vermeldingen over de
eigen aandelen blijven over. De vermeldingen over
de aandeelhoudersstructuur werden overgeplaatst
naar pagina VKT8.
In het nieuwe schema werd de vermelding van de
voorzieningen voor risico’s en kosten geschrapt.
Op pagina VKT6.4 van het nieuwe schema moe­
ten de opbrengsten en kosten van uitzonderlijke
omvang met betrekking tot de niet-recurrente op­
brengsten en kosten worden vermeld.
Op pagina VKT6.5 van het nieuwe schema moe­
ten de regelingen inzake het aanvullend rust- en
overlevingspensioen worden vermeld, alsook de
pensioenen die door de onderneming zelf worden
gedragen.
4.1. Vergelijking tussen balansen
Zie deel 3.
4.2. Vergelijking tussen
resultatenrekeningen
Op pagina VKT1 van het nieuwe schema werden
de volgende verplichte vermeldingen gewijzigd of
ingevoegd :
1.
de niet-recurrente bedrijfsopbrengsten, code
76A, onder de rubriek brutomarge, code 9900
(de vermeldingen m.b.t. de subklassen 70, 60 en
61 blijven facultatief)3;
2.de niet-recurrente bedrijfskosten, code 66A;
3.onderscheid tussen de recurrente financiële op­
brengsten (met afzonderlijke vermelding van de
kapitaal- en intrestsubsidies) en niet-recurrente
financiële opbrengsten en tussen de recurrente
financiële en niet-recurrente financiële kosten.
3
70 Omzet, 60 Handelsgoederen, grond- en hulpstoffen, 61 Diensten
en diverse goederen.
7
Op pagina VKT6.6 van het nieuwe schema moeten
de transacties worden vermeld die buiten normale
marktvoorwaarden zijn aangegaan met :
1.de personen die een deelneming in de vennoot­
schap in eigendom hebben;
2.de ondernemingen waarin de vennootschap zelf
een deelneming heeft; en
3.de leden van de leidinggevende, toezichthouden­
de of bestuursorganen van de vennootschap.
Op pagina VKT6.9 van het nieuwe schema worden
de andere in de toelichting te vermelden inlichtin­
gen opgenomen.
Op pagina VKT7.1 van het nieuwe schema worden
de andere overeenkomstig het Wetboek van Ven­
nootschappen neer te leggen documenten vermeld :
1.een nieuwe kolom «Aard» werd ingevoegd in de
tabel met de informatie over de deelnemingen;
2.het jaarverslag; en
3.het verslag van de commissarissen.
P a c i ol i N r . 445 B I B F - I P C F / 8- 21 m ei 2017
Op pagina VKT12 wordt de sociale balans weerge­
geven.
aandeelhoudersstructuur
naar pagina MIC8.
werden
overgeplaatst
5. Vergelijking tussen
microschema’s, versus verkort
schema vóór en vanaf 2016
In het microschema werd de vermelding van de
voorzieningen voor risico’s en kosten geschrapt.
Op pagina MIC6.3 van het nieuwe schema moe­
ten de regelingen inzake het aanvullend rust- en
overlevingspensioen worden vermeld, alsook de
pensioenen die door de onderneming zelf worden
gedragen.
5.1. Vergelijking tussen balansen
Zie deel 3.
5.2. Vergelijking tussen
resultatenrekeningen
Op pagina MIC4 van het microschema werden de
volgende verplichte vermeldingen opgenomen :
1.
de niet-recurrente bedrijfsopbrengsten, code
76A, onder de rubriek brutomarge, code 9900
(de vermeldingen m.b.t. de subklassen 70, 60 en
61 blijven facultatief);
2.de niet-recurrente bedrijfskosten, code 66A;
3.onderscheid tussen de recurrente financiële op­
brengsten (met afzonderlijke vermelding van de
kapitaal- en intrestsubsidies) en niet-recurrente
financiële opbrengsten en tussen de recurrente
financiële en niet-recurrente financiële kosten.
Op pagina MIC6.4 van het microschema moeten
de vorderingen op de leden van de leidinggevende,
toezichthoudende of bestuursorganen worden ver­
meld.
Op pagina MIC7.1 van het microschema worden de
andere overeenkomstig het Wetboek van Vennoot­
schappen neer te leggen documenten vermeld, met
name een kolom «Aard» werd opgenomen in de ta­
bel met de informatie over de deelnemingen.
Op pagina MIC8 van het microschema moet de aan­
deelhoudersstructuur op de datum van de jaaraf­
sluiting worden vermeld.
In de resultaatverwerking, op pagina MIC5 van
het microschema werd bij code 696 de subrubriek
«werknemers» gecreëerd onder de rubriek «uit te
keren winst». Deze subrubriek werd ingevoegd
tussen de subrubrieken «Bestuurders of zaakvoer­
ders» met ongewijzigde code 695 en «Andere recht­
hebbenden», met gewijzigde code 697.
Op pagina MIC9 van het microschema moeten de
andere overeenkomstig artikel 100 van het W.Venn
te vermelden inlichtingen worden opgenomen.
5.3. Vergelijking tussen toelichtingen
Op pagina MIC12 wordt de sociale balans weerge­
geven.
Op pagina MIC6.2 van het microschema werden de
inlichtingen over de staat van het kapitaal sterk
afgezwakt; alleen de vermeldingen over de eigen
aandelen blijven over. De vermeldingen over de
Op de pagina’s MIC10 en MIC11 van het microsche­
ma moeten respectievelijk het jaarverslag en het
verslag van de commissarissen worden vermeld.
Catherine DENDAUW,
Thierry DUPONT, Raymond GHYSELS
Noch deze publicatie, noch gedeelten van deze publicatie mogen worden gereproduceerd of opgeslagen in een retrievalsysteem, en evenmin worden overgedragen
in welke vorm of op welke wijze ook, elektronisch, mechanisch of door middel van fotokopieën, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
De redactie staat in voor de betrouwbaarheid van de in haar uitgaven opgenomen info, waarvoor zij echter niet aansprakelijk kan worden gesteld. Verantwoordelijke uitgever : Mirjam VERMAUT, B.I.B.F. – Legrandlaan 45, 1050 Brussel, Tel. 02/626 03 80, Fax. 02/626 03 90 e-mail : [email protected], URL : http: //www.bibf.
be. Redactie : Mirjam VERMAUT, Gaëtan HANOT, Geert LENAERTS, Frédéric DELRUE, Chantal DEMOOR. Adviesraad : Professor P. MICHEL, Professor Emeritus,
Universiteit Luik, Professor C. LEFEBVRE, Katholieke Universiteit Leuven.
Gerealiseerd in samenwerking met Wolters Kluwer – www.wolterskluwer.be
8
P a c i ol i N r . 445 B I B F - I P C F / 8- 21 m ei 2017
Download