Samenvatting Algemene Psychologie

advertisement
Samenvatting Algemene Psychologie
Toegepaste Psychologie
2012-2013
Ulrike
Samenvatting Algemene Psychologie (Basis+Uitbreiding)
Inhoudsopgave
Hoofdstuk 1: Situering en overzicht (B.)………………………………………………………………………………………2-9
Hoofdstuk 2: De geschiedenis van de psychologie (S.)……………………………………………………………….9-17
Hoofdstuk 3: Onderzoeksmethode van de cognitieve psychologie (B.+S.)………………………………..17-29
Hoofdstuk 4: Waarneming (B.)………………………………………………………………………………………………..29-36
Hoofdstuk 5: Geheugen (B.)…………………………………………………………………………………………………….36-41
Hoofdstuk 6: Aandacht & Bewustzijn (S.)……………………………..…………………………………………………41-51
Hoofdstuk 7: Denken (S.)…………………………………………………………………………………………………………51-55
Hoofdstuk 8: Intelligentie (B.)………………………………………………………………………………………………….55-62
Hoofdstuk 9: Leren (B.)……………………………………………………………………………………………………………62-68
Hoofdstuk 10: Taal (S.)…………………………………………………………………………………………………………….69-76
Ulrike Lorent, Tessa Meyntjens, Shauni Collier,
Liv Vanabdeel & Karolien Willaerts
1
2012-2013
Samenvatting Algemene Psychologie (Basis+Uitbreiding)
Hoofdstuk 1: Situering en overzicht
Cognitieve psychologie is de wetenschappelijke studie van mentale processen zoals waarneming,
geheugen, aandacht, leren, denken en taal.
Situering van de cognitieve psychologie
Oorsprong van het woord
Psychologie is etymologisch waarvan psyche ziel of levensadem betekent en logos betekent leer,
verklaring. Daarom was de oudere term zielkunde. Ook de mythe van Psyche en Eros heeft te maken
met deze term: Psyche is een jong meisje dat zo mooi was dat zelfs de godin Aphrodite jaloers werd.
Daarom zond de godin haar zoon Eros (ook wel bekend als Cupido) om Psyche verliefd te laten
worden op een zeer lelijke man. Toen Eros echter het meisje zag, werd hij zelf verliefd. Hij bezocht
haar iedere nacht, maar verbood haar om naar hem te kijken. Op aandringen van haar zusters
probeerde Psyche toch te ontdekken wie haar minnaar was. Wanneer Eros in slaap gevallen was,
boog ze zich met een olielamp over hem heen om zijn gezicht te kunnen zien. Er viel echter een
druppel olie op Eros zodat deze wakker werd. Daarop barstte de god in toorn uit en verliet Psyche.
Diep ongelukkig probeerde Psyche om Eros terug te vinden. Na heel wat avonturen en gevaarlijke
opdrachten slaagde zij hierin en werd tenslotte zijn gemalin en opgenomen in het godenrijk.
Cognitieve psychologie is afkomstig van het Latijn cognoscere dat bewust zijn van, leren, kennen
betekent. Het Cogito ergo sum (Ik denk, dus ik besta) van Descartes. Waar de term binnen de
filosofie een duidelijke betekenis had, wordt hij binnen de psychologie zeer losjes gebruikt; bijna als
synoniem voor mentaal.
Korte geschiedenis
Psychologie heeft een lang verleden en een korte geschiedenis (H. Ebbinghaus). Ebbinghaus
bedoelde hiermee dat de psychologie pas op het einde van de 19de eeuw werd erkend als
zelfstandige wetenschappelijke discipline, terwijl het denken van mensen over mensen vermoedelijk
reeds gebeurde vanaf het ontstaan van de mensheid:
-
1879: oprichting laboratorium experimentele psychologie door Wilhelm Wundt
Tot ca. 1920: mentale processen als onderzoeksobject en introspectie als
onderzoeksmethode (wijsgerige psychologie). Bv. William James (1842-1910)
1920-1960: uiterlijk waarneembaar gedrag als object en (dier)experimenten als methode
(gedragspsychologie). Bv. John B. Watson (1878-1958)
1960- : mentale processen als object en experimenten als methode (cognitieve psychologie)
Wijsgerige psychologie ligt dicht bij de filosofie aan en is de wetenschap van het mentale leven,
zowel van zijn fenomenen als zijn condities. Het studieobject van de wijsgerige psychologie vormde
het mentale leven van de mens dat beschreven en verklaard werd in abstracte, wijsgerige en dikwijls
doelgerichte termen zoals vrije wil, geweten en ziel. De onderzoeksmethode die hierbij wordt
gebruikt is introspectie. Dit is de systematische zelfwaarneming. Door systematisch je eigen gedrag,
denken en voelen te observeren, kun je inzicht verwerven in het functioneren van de mens.
Introspectie is dus een zeer subjectieve methode, daarom wordt er van wijsgerige psychologie
gesproken.
Ulrike Lorent, Tessa Meyntjens, Shauni Collier,
Liv Vanabdeel & Karolien Willaerts
2
2012-2013
Samenvatting Algemene Psychologie (Basis+Uitbreiding)
De gedragspsychologie is een tegenreactie op de wijsgerige psychologie. Gedragspsychologie zoals
een behaviorist het ziet is een pure objectieve experimentele tak van de natuurwetenschappen. Zijn
theoretische doel is het voorspellen en controleren van gedrag. Het studieobject was het uiterlijk
waarneembare gedrag dat verklaard werd in termen van puur materiele processen. Gedrag is een
reactie op een prikkel in de omgeving. In deze visie bestaat er dan ook principieel geen verschil meer
tussen fysica, biologie en psychologie. Deze visie kreeg de naam fysicalistisch reductionisme, omdat
hogere wetenschappen gereduceerd dienen te worden tot lagere wetenschappen. Als
onderzoeksmethode fungeert het experiment, bij voorkeur met dieren.
De cognitieve psychologie is dan weer een reactie op de gedragspsychologie. Bij cognitieve
psychologie verwijst de term cognitie naar alle processen waarbij de sensorische input
getransformeerd, gereduceerd, enz. is. Hier worden ook experimenten als onderzoeksmethode
gebruikt, maar zowel met dieren als met mensen. De cognitieve psychologie wordt gedomineerd
door de ‘information processing approach’. Daarin wordt de mens, naar analogie met de computer,
als een informatieverwerker beschouwd met processen als invoer, verwerking en uitvoer. De
cognitieve processen worden gezien als een geordende opeenvolging van verwerkingen van
informatie.
In de evolutie van de psychologie is het studieobject
dus van immaterieel naar materieel gegaan, de
onderzoeksmethode van inductief naar deductief en
de verklaring van het mentalisme naar het
materialisme.
Visie op de mens
Er zijn twee (hoofd)visies op de mens:
-
-
Materialistisch (mechanistisch) mensbeeld: In het materialistische mensbeeld wordt de mens
beschouwd als een puur stoffelijk wezen waarbij alles, ook psychische processen als denken,
voelen en willen, verklaard kan worden in materiële termen. De mens wordt opgevat als een
complex mechanisme dat net zoals een machine uit elkaar kan worden gehaald en daarna
weer kan worden opgebouwd. Het geheel is daarbij niets meer dan de optelsom van de
delen.
Mentalistisch mensbeeld: Eenvoudige causale verklaringen zoals A veroorzaakt B worden
vervangen door circulaire verklaringen (A beïnvloedt B maar B beïnvloedt ook A). Hierbij is
het geheel meer dan de som der delen en kunnen mensen niet los van hun omgeving
bestudeerd worden. Mensen worden niet alleen bepaald door de wereld, maar ze scheppen
ook hun wereld. Zij verlenen betekenis aan die wereld. Door hun culturele en sociale
omgeving verschillen mensen essentieel van dieren.
Voordelen van de materialistische visie is:
-
Hersenenonderzoek.
Artificial intelligence: zit op raakvlak op informatica en wetenschap, dient om machines te
maken.
Ulrike Lorent, Tessa Meyntjens, Shauni Collier,
Liv Vanabdeel & Karolien Willaerts
3
2012-2013
Samenvatting Algemene Psychologie (Basis+Uitbreiding)
Nadelen van de materialistische visie/ voordelen van het Mentalistisch beeld:
-
Complexiteit.
Geringe verwezenlijkingen (we zijn er nog niet op het typische menselijke).
De cognitieve psychologie situeert zich ergens tussen beide visies.
Overzicht van het vakgebied
Overzicht van de psychologie
Mogelijke indelingen:
-
Psychologie van.
Scholen (o.a. bij psychotherapie): Scholen wijzen naar groepen van psychologen die hetzelfde
denken.
Toepassingsgebieden: Indeling in werkvelden/afstudeerrichtingen is toepassing
georiënteerd.
Determinanten van het gedrag
Er zijn basisgebieden van de psychologie:
-
Ontwikkelingspsychologie: studie van het gedrag in de verschillende levensfasen van de
mens.
Persoonlijkheidspsychologie: bestudeert de mens als individu, in datgene waarin zij
verschillen van anderen. Andere term: differentiële psychologie.
Cognitieve psychologie: studie van de afzonderlijke psychische functies en processen. Andere
namen: experimentele psychologie, functieleer.
Sociale psychologie: studie van het gedrag van mensen in relatie tot anderen en hun
omgeving.
Biologische psychologie: studie van het gedrag van mensen uitgaande van principes uit de
biologie; ook bio psychologie of psychobiologie genoemd.
Methodenleer (Methodologie): studie van de onderzoeksmethoden van het empirisch
onderzoek (van het menselijk gedrag).
De impactfactor van een tijdschrift is een maat voor de frequentie waarmee een gemiddeld artikel in
een tijdschrift wordt geciteerd gedurende een bepaalde periode. Jaarlijks berekend en gepubliceerd
door Thomson in de Journal Citation Reports. Berekening van impactfactor van tijdschrift x:
 A=aantal artikelen uit de twee voorgaande jaren van tijdschrift x die in huidig jaar zijn
geciteerd.
 B=totaal aantal gepubliceerde artikelen van tijdschrift x in de twee voorgaande jaren.
 Impactfactor= A/B
De neveneffecten van de impactfactor is dat ze naar zichzelf verwijzen en afspraken onderling
gemaakt om meer geld te kunnen verdienen. Het voordeel is dat als je artikel goedgekeurd wordt, je
artikel effectief goed is.
Ulrike Lorent, Tessa Meyntjens, Shauni Collier,
Liv Vanabdeel & Karolien Willaerts
4
2012-2013
Samenvatting Algemene Psychologie (Basis+Uitbreiding)
Overzicht van de cognitieve psychologie
Cognitieve psychologie is een informatie verwerkend proces.
Cognitieve psychologen zien de mensen als een systeem/machine.
De cognitieve psychologie bestrijkt klassiek volgende thema’s:
-
-
- Waarneming: Deze studie omvat alle processen tussen
het presenteren van een fysische prikkel en de psychische beleving
van deze prikkel.
Aandacht: De interactie tussen data gestuurde en kennis gestuurde verwerking is het meest
uitgesproken wanneer we aandacht besteden aan een stimulus uit onze omgeving.
Bewustzijn: De beschikbare hoeveelheid aandacht die we hebben is beperkt en de
hoeveelheid die opgeslorpt wordt door een cognitief proces is meteen ook een goede maat
van de mate waarin dat proces bewust verloopt. Dit bewustzijn, de mogelijkheid om na te
denken over het verloop en de inhoud van een cognitief proces is moeilijk te definiëren en
nog moeilijk te meten.
Geheugen: De capaciteit om informatie op te slaan, te bewaren en op te halen. Hierbij moet
een onderscheid gemaakt worden tussen de structuur en de werking van het geheugen.
Intelligentie: Intelligentieonderzoek heeft een lange traditie, maar men is het nog steeds niet
eens over de definitie.
Leren: Verandering van gedrag.
Denken: Het transformeren van mentale representaties.
Taal: Een systeem van symbolen en regels dat ons in staat stelt om te communiceren.
Verwante wetenschappen
-
Filosofie: De studie van het Zijn, van de fundamentele problemen van het bestaan.
Antropologie: bestudeert de mens in zijn totaliteit.
Computerwetenschap: De theoretische en praktische studie van computersystemen.
Linguïstiek of taalkunde: Wetenschappelijke studie van de natuurlijke talen en omvat onder
meer de studie van de grammatica en de semantiek.
Toepassing: Pseudopsychologie
Wetenschap
Pseudowetenschap
Samenhangende inzichten
Vaag
Vereenvoudigd model
Inconsistent
Ondubbelzinnig en openbaar
Normatief
Proefondervindelijke methode
Onkritisch
Betrouwbare kennis
Nooit definitief
Mensenkennis en parapsychologie bestuderen eveneens het gedrag van mensen. Toch kunnen we ze
niet beschouwen als psychologie of als een toepassing van de psychologie. Mensenkennis is dikwijls
Ulrike Lorent, Tessa Meyntjens, Shauni Collier,
Liv Vanabdeel & Karolien Willaerts
5
2012-2013
Samenvatting Algemene Psychologie (Basis+Uitbreiding)
geformuleerd in vage, nietszeggende termen die waar of onwaar zijn voor iedereen. Inconsistenties
vind je eveneens in spreuken en zegswijzen. Mensenkennis doet in tegenstelling tot
wetenschappelijke kennis, gemakkelijk uitspraken over hoe het hoort te zijn of wat iemand moet
doen om iets te bereiken. Psychologen zullen echter niet snel normatieve uitspraken doen.
Mensenkennis is onkritisch. Een stelling wordt zonder meer aangenomen, en ja gaat niet opzoek naar
weerlegging of bevestiging. Ook is mensenkennis vaak gebaseerd op volkslegenden, die onkritisch
worden aanvaard. Katharsis hypothese: Als jij je agressie kunt uiten, dan gaat die agressie uitvloeien.
Als het tot uiting komt, gaat het weg.
Parapsychologie is de studie van de paranormale verschijnselen. Dit zijn verschijnselen die naast of
buiten het normale staan. Paranormale verschijnselen worden ingedeeld in psychische en fysische
paranormale verschijnselen. Een voorbeeld van psychisch verschijnsel is telepathie. Dergelijke
verschijnselen worden soms Extra-Sensory Perception (ESP) genoemd. Een voorbeeld van een fysisch
verschijnsel is psychokinese. Met psi worden meestal de ESP en psychokinese aangeduid.
Parapsychologisch onderzoek is steeds omring door controverses. Binnen het parapsychologische
onderzoeken is de consistentie en slaagt het domein er niet in om repliceerbare resultaten te
produceren.
Het contrast met het parapsychologisch onderzoek is groot. Beide experimenten doen een
voorspelling omtrent het gedrag van een andere persoon. Alleen bij het tweede experiment is er een
degelijke theoretische basis. Het parapsychologisch onderzoek wordt daarnaast geplaagd door
regelrechte fraude. Bij parapsychologie wordt er alleen maar gepubliceerd wanneer er succes was/is.
Vb. van fraude in de parapsychologie: Clever Hans: Hans is een paard en dat paard was slim. Het kon
lezen en rekenen, en dat rekenen was op het niveau van vierkantswortels e.d. We gingen
onderzoeken of dit klopte. De eigenaar stelt een vraag en paard gaf de oplossing aan met het tikken
van de poot. Hans kon alleen de vragen beantwoorden als de eigenaar deze stelde. Wanneer iemand
anders de vraag stelde, kon hij soms wel en soms niet het juiste antwoord geven. Als de vraag gesteld
worden door kleine kinderen wist het paard het niet. Als de mens het niet weet, wist Hans het ook
niet. Het bleek dat het paard stampte als hij je zag bukken na dat je je mind bewoog, en hij stopte
wanneer de eigenaar terug recht kwam.
Extra tekst: Public Skepticism of Psychology
Sommige van de hardste kritieken komt van binnen de psychologie zelf. Openbaar scepticisme van
de psychologie verleent “would-be mental health”-cliënten onwillig om potentiele waardevolle
klinische diensten te zoeken. Openbaar scepticisme contribueert ook onrechtstreeks naar de
opmerkelijke afwezigheid van sommige financiële agentschappen hun lijsten van wetenschappelijke,
technologische, bouwkundige en wiskundige disciplines t.o.v. psychologie.
Om te begrijpen waarom vele niet-psychologen sceptisch zijn tegenover de psychologie is voor 4
redenen belangrijk:
1. De kennis dat de mensen over psychologie hebben kan psychologen helpen met de
intellectuele ammunitie tegen mis gegidste critici van het veld.
2. Wanneer we de kennis hebben over dit scepticisme kan het psychologen toestaan om te
anticiperen tegen vaak voorkomende tegenspraken t.o.v. psychologisch onderzoek van
Ulrike Lorent, Tessa Meyntjens, Shauni Collier,
Liv Vanabdeel & Karolien Willaerts
6
2012-2013
Samenvatting Algemene Psychologie (Basis+Uitbreiding)
beleidsmakers en het helpt psychologen om de pragmatische en theoretische significantie
van hun onderzoek aan buitenstaanders te verklaren.
3. Deze kennis heeft waarde op zich, omdat het licht werpt op de psychologische bronnen van
weerstand in de wetenschappelijke studie van de menselijke natuur.
4. Deze kennis kan psychologen helpen in het vervaardigen van aanbevelingen voor het
tegengaan van misverstanden in de psychologie die verseipelt zijn in het publiek en de
beleidsmakers.
De prevalentie van openbaar scepticisme van psychologie
Bewijs suggereert dat er serieuze twijfels zijn tegenover psychologie zijn wetenschappelijke status
die verspreid zijn over het gehele publiek. Wood, Jones en Benjamin merkten op dat verscheidene
vroege studies suggereerde dat vele leken een negatieve kijk hebben op psychologie. In tegenstelling
tot sommige recentere onderzoeken zijn er bemoedigendere resultaten gevonden. Andere data
tonen dan weer problematischere trends.
Het meest recente grootschalig onderzoek, de APA Benchmark study, heeft een steekproef van 1000
personen genomen over de U.S. De bevindingen van deze studie zijn veelzijdig en geven psychologen
voldoende redenen om zowel te juichen als te huilen. Aan de meest negatieve kant is er een
minderheid van de deelnemers die psychologie als wetenschappelijk beschouwen. Anderen hebben
twijfels over de wetenschappelijke standaarden van de psychologie. Nog opvallender was de
vaststelling dat er weinig deelnemers waren die zich bewust leken te zijn van de impact van
psychologie op talloze toegepaste domeinen.
Enkele studies hebben de attitudes van studenten van niet-psychologische disciplines t.o.v.
psychologie onderzocht. Ze vonden dat bouwkundestudenten significant negatievere attitudes
hadden t.o.v. psychologie dan andere studenten die zich bevonden in een andere (sociale)
wetenschap.
6 vaak voorkomende kritieken op de wetenschappelijke basis van psychologie en 6 weerleggingen
1. Psychologie is meer common sense: In recentere jaren zijn er verscheidene hoge-profiel
radio-hostesses en schrijvers die suggereren dat gezond verstand bijna altijd een troef is in
de wetenschappelijke bevindingen van de psychologie en aanverwante sectoren. De visie dat
accurate psychologische kennis vooral gezond verstand is, is ook alomtegenwoordig op
juridisch gebied. In tegenstelling tot deze positie schenden scores van psychologische
bevindingen deze populaire wijsheid.
2. Psychologie gebruikt geen wetenschappelijke methoden: verschillende wetenschappen,
ondanks hun oppervlakkige diversiteit, zijn gekenmerkt door een bereidwilligheid om fouten
uit te roeien in iemand zijn web van geloven en de uitvoering van procedurele waarborging
tegen confirmatie bias (een diep ingewortelde neiging om bewijs te zoeken dat consistent is
iemand zijn hypotheses en het ontkennen van bewijs dat niet consistent is). Vanuit dit
perspectief is elk gebied van de psychologie een beetje wetenschappelijk in de zin van de
“harde” wetenschappen. Sommige methodologische en statistische procedures zijn
gesofisticeerd, weliswaar feilbaar, gewaarborgd tegen verdeelde stukken van bronnen van
menselijke fouten.
Ulrike Lorent, Tessa Meyntjens, Shauni Collier,
Liv Vanabdeel & Karolien Willaerts
7
2012-2013
Samenvatting Algemene Psychologie (Basis+Uitbreiding)
3. Psychologie kan geen betekenisvolle veralgemeningen maken omdat iedereen uniek is: De
unieke attributen van elk individu zal misschien niet statistisch interacteren met de
interventie, maar kan overspoeld worden met zijn hoofdeffecten.
4. Psychologie vertoont geen herhaalbare resultaten: Hedges zijn bevindingen suggereren dat
de claim dat psychologische resultaten veel minder afhankelijk zijn dan deze van fysica niet
ondersteund wordt door data. Howard stelde dat er een aanzien is waarin psychologie niet
kan ontkennen dat het zachter is als fysica, nl. de mogelijkheid om succesvolle voorspellingen
te kunnen genereren.
5. Psychologie kan geen precieze voorspellingen maken: statistische associaties in psychologie
neigen hoog stochastisch logisch te zijn, omdat deze associaties vaak contextafhankelijk zijn.
Hempel zijn concept van de “explanation sketch’ en Von Bertalanffy’s concept van de
“explanation in principle” zijn relevant. Zoals Hempel geobserveerd heeft, vereist de fillingout (van de explanation sketch) verder empirisch onderzoek, waarvoor de sketch de richting
suggereert.
6. Psychologie is niet nuttig voor de maatschappij:
a. Operante conditionering technieken afkomstig van het lab hebben bewezen nuttig te zijn
over verscheidene domeinen.
b. Onderzoek van toegepaste sociale psychologie heeft geholpen om ooggetuigen line-ups
te hervormen om fouten te minimaliseren.
c. Perceptie-onderzoekers hebben geholpen om de veiligheid van voertuigen en apparaten
te verbeteren
Openbaar scepticisme t.o.v. psychologie: 8 Bronnen
1. Psychologie slaagt er niet in om zichzelf te bewaken: Onderzoek data van zowel
psychotherapie cliënten en beoefenaars suggereren dat twijfelachtige wetenschap bloeit in
sommige sectoren van de psychologie. Ondanks de insinuatie van dubbelzinnige wetenschap
in veel mental health praktijken hebben sommige psychologen de beweging van vastgestelde
criteria en lijsten voor empirische ondersteunde therapieën (EST) weerstaan. Maar sommige
critici van de EST-beweging heeft wellicht zijn verdienste.
2. Het problematische publieke gezicht van de psychologie: Mensen hebben een negatieve kijk
op de psychologie als wetenschap, maar wanneer ze bekende mensen/psychologen (Vb. Dr.
Phil) zien, heeft het volk hier wel oor naar.
3. Verwarring tussen psychologen en psychotherapeuten: Clinical bias (de foutieve assumptie
dat meeste psychologen therapeuten zijn) is de bias die voorkomt bij de algemene populatie.
Potentiele contribuering t.o.v. de verwarring van psychologie met psychotherapie zijn
bevindingen die ‘role difusion’ in de populatie hun perceptie van verschillende therapeuten.
4. Hindsight bias: De neiging om uitkomsten als voorspelbaar te beschouwen eenmaal we deze
uitkomsten kennen.
5. De illusie van begrip: Keil veronderstelde dat psychologische fenomenen gemakkelijker lijken
omdat ze meer subjectief onmiddellijk zijn en gemakkelijker om te controleren.
6. Hebzuchtig reductionisme: Kritisch om de gevaren van een neurocentrische visie van
psychologie te hebben is het onderscheid tussen constitutieve en eliminatieve
reductionisme, wat greedy reductionism wordt genoemd. Constitutief reductionisme stelt
dat alleen dat al ‘mind stuff’ op een bepaald niveau ultimaat ‘brain stuff’ is en dat alles want
Ulrike Lorent, Tessa Meyntjens, Shauni Collier,
Liv Vanabdeel & Karolien Willaerts
8
2012-2013
Samenvatting Algemene Psychologie (Basis+Uitbreiding)
mentaal is ultimaat materieel is. Het eliminatieve reductionisme stelt dat het neurale niveau
van verklaring eventueel alle hogere niveaus van verklaring opslokt.
7. De wetenschappelijke “machteloosheid”-excuus: Wanneer mensen geconfronteerd worden
met bevindingen dat hun vooroordelen uitdaagt, zijn ze gewoonlijk bereid om hun geloven te
forceren, maar vaak reageren ze door een wetenschappelijke aanpak aan de vragen te
verwerpen.
8. Falen om basis van toegepast onderzoek te onderscheiden: Basisonderzoek maakt vaak
gebruik van wetenschappelijke modellen die fenomenen onderzoeken die niet de focus van
interesse zijn, maar onderzoekers toestaan om potentiele causale variabelen van interesse te
isoleren.
Concluderende gedachten en aanbevelingen
Psychologen moeten de gemakkelijke verleiding voor het aangetast beeld van hun discipline door de
grote publieke misverstanden die er zijn te beteugelen.
1. Aanbevelingen op individueel niveau:
a. Psychologen moeten een actievere rol spelen in het onderwijzen van de leken over hun
discipline en de wetenschappelijke kant ervan, en in confrontatie met de kleinere, maar
meer openbaar opvallend niet-wetenschappelijke kant van hun discipline.
b. Wanneer psychologische bevindingen aan het publiek verklaart wordt, moeten
psychologen bewust blijven van het feit dat vele misconstruele van het onderwerp
afstamt van wat we begrijpelijke misverstanden noemen.
c. Beoefenaars in de toegepaste velden van de psychologie moeten goed geadviseerd
worden om mindertolerant te zijn en pseudowetenschap, en meer bereid zijn om hun
praktijken in herhaaldelijk onderzoek bewijs te gronden.
2. Aanbevelingen op institutioneel niveau:
a. APA, APS, en andere grote professionele organisaties moeten een tandje bijsteken om
psychologische wetenschappers te betrekken in de reguliere media.
b. Professionele organisaties moeten de populatie helpen om de onderscheidingen tussen
psychologie en toegepaste beroepen te begrijpen.
c. Professionele psychologische organisaties moeten veel duidelijker zijn over niet alleen
waar ze voor zijn, maar ook waar ze tegen zijn.
Hoofdstuk 2: Geschiedenis van de psychologie
Psychologie: De ontwikkeling van een wetenschap
Filosofische wortels van psychologie
Animisme
Bewustzijn is een private ervaring, maar ook al ervaren we alleen ons eigen bewustzijn, kunnen we
toch veronderstellen dat onze medemensen ook bewust zijn, en tot een bepaalde omvang
attribueren we bewustzijn ook naar andere dieren toe.
Animisme zegt dat we zoeken naar een geest in bewegende dingen. Ze zeiden dat alles wat beweegt
een ziel heeft. Dit is gegroeid uit introspectie: Als je iets wilt verklaren dan zoek je die verklaring in
Ulrike Lorent, Tessa Meyntjens, Shauni Collier,
Liv Vanabdeel & Karolien Willaerts
9
2012-2013
Samenvatting Algemene Psychologie (Basis+Uitbreiding)
jezelf. Ontogenese is de ontwikkeling van het individu en de fylogenese is de ontwikkeling van de
soort. Dit soort animistische trekjes hebben we nog steeds, we noemen het wil.
Het beste middel dat we hebben om objectiviteit te verzekeren is de wetenschappelijke methode.
Psychologie als een wetenschap moet gebaseerd worden op de assumptie dat gedrag strikt
onderworpen is aan fysische wetten, net zoals elk ander natuurlijk fenomeen.
Dualisme: René Descartes
René Descartes veronderstelde dat de wereld een pure mechanische entiteit was dat zijn eigen gang
ging zonder interferentie te onderscheiden. Dus om de wereld te begrijpen, moest je begrijpen hoe
het was opgebouwd. Volgens Descartes waren dieren mechanische apparaten; hun gedrag werd
gecontroleerd omgevingsstimuli. Zijn visie van het menselijk lichaam was hetzelfde. Hij was in staat
om sommige bewegingen als automatisch en onvrijwillig te beschrijven. Hij noemde deze acties
reflexen. Volgens Descartes was het de geest van de mens de reden was dat mensen apart was gezet
van de rest van de wereld. De geest was een uniek menselijk attribuut en was niet onderworpen aan
de wetten van het universum. Hiervoor was Descartes een voorstander van het dualisme: het geloof
dat alle realiteit onderscheiden kan worden in 2 entiteiten: materie en geest.
Descartes was de eerste die suggereerde dat er een link bestond tussen de geest en zijn fysieke
huizing. Latere filosofen hebben uitgewezen dat deze theoretische link tegen het geloof van het
dualisme inging. Het voorstel van een interactie tussen geest en lichaam, interactionisme, was vitaal
voor de ontwikkeling van de wetenschap van psychologie. Vanaf de tijd van Plato, hebben filosofen
beargumenteerd dat de geest en het lichaam verschillende entiteiten waren. Ze hebben ook
gesuggereerd dat de geest het lichaam kon beïnvloeden, maar het lichaam kon de geest niet
beïnvloeden. Descartes hypothetiseerde dat de interactie tussen geest en lichaam plaatsvond in de
pijnappelklier (hypofyse).
In de wetenschap is een model een relatief simpel systeem dat werkt op geweten principes en is in
staat om op zijn minst sommige dingen te kunnen doen dat een meer complex systeem kan doen.
Althans Descartes’ model van het menselijk lichaam mechanisch was, werd het gecontroleerd door
de non-mechanische geest. Dus mensen werden geboren met een speciale capaciteit dat hen groter
maakte dan eenvoudigweg de som van hun fysische delen.
Descartes is ook bekend voor de methode, de systematische twijfel, ik denk dus ik besta. Hij twijfelde
aan alles, behalve deze zin. Dit was rationalisme. Descartes gebruikte ook als eerste modellen. Hij zei
dat het lichaam van de mens een machine was
Descartes’ bemerking van interactionisme leidde naar 2 zeer beïnvloedende maar verschillende
scholen van gedachten in de psychologie op het einde van de 19de en begin van de 20ste eeuw:
Introspectie en behaviorisme.
Empirisme: John Locke en David Hume
Empirisme: Je leert uit ervaring. De geest is een tabula rasa ( = onbeschreven blad, en alles wat we
zijn is opgeschreven door onze ervaringen). Eenvoudige ideeën worden gecombineerd tot complexe
via associatie. Nativisme is het omgekeerde. Deze zegt dat de mens een aantal dingen aangeboren
zijn zoals taal (Chomsky).
Ulrike Lorent, Tessa Meyntjens, Shauni Collier,
Liv Vanabdeel & Karolien Willaerts
10
2012-2013
Samenvatting Algemene Psychologie (Basis+Uitbreiding)
Locke stelde de geest niet vrij van de mechanische wetten van het materiele universum. Descartes
rationalisme werd vervangen door het empirisme. Locke zei dat alle kennis te verkrijgen viel door
ervaring. Hij geloofde dat onze kennis van complexe ervaringen niets meer was dan verbanden
tussen eenvoudige, primaire sensaties.
Hume beargumenteerde dat de studie van menselijk natuur best ondernomen kan worden door
ervaring en observatie. Hume’s concept van de geest was een klein beetje anders dan die van Locke:
Locke schreef over ideeën, terwijl Hume over percepties schreef die uit impressies en ideeën waren
opgesteld. Volgens Hume, waren impressies de belangrijkste percepties, omdat ze onmiddellijk
afkomstig waren van observatie. Elk idee dat gebaseerd was op inhoud die niet bereikt waren op een
empirische manier, waren niets waard en te vertrouwen. Hume heeft daarom, wat bekend is als
positivisme, de school van gedachten dat beargumenteerd dat alle betekenisvolle ideeën
gereduceerd kan worden door observeer baar materiaal onderschreven. Misschien was Hume’s
grootste contributie aan de psychologie de doctrine van de associatie van ideeën. Hume
beargumenteerde dat er verschillende types van connecties of associaties waren tussen ideeën. Hij
suggereerde 3 specifieke types van associatie:
1. Gelijkenis.
2. Nabijheid.
3. Oorzaak-gevolg.
Idealisme: Bishop Berkeley
Berkeley beargumenteerde dat kennis het resultaat is van gevolgtrekking gebaseerd op de
accumulatie van vorige ervaringen die afkomstig waren van de zintuigen. Met andere woorden, we
moeten leren hoe we ontvangen. Het aspect van Berkeley ’s filosofie dat beargumenteerd dat alle
ideeën van de zintuigen komen, wordt idealisme genoemd. Berkeley is bekend voor zijn
immaterialisme (Esse est percipi = zijn is waargenomen worden).
Materialisme: James Mill
Materialisme is het geloof dat realiteit geweten kan worden door alleen het begrijpen van de
fysische wereld, waarvan de geest een onderdeel is. Mill werkte aan de assumptie dat mensen en
dieren fundamenteel hetzelfde waren. De geest was, volgens Mill, even passief als het lichaam. Het
reageerde op exact dezelfde manier op de omgeving als het lichaam. Mill is meer bekend voor zijn
ethisch standpunt: wanneer is gedrag moreel, verantwoord? Antwoord: iets is moreel verantwoord
als het te goede komt aan de mensheid. Ik tel alle voor- en nadelen op.
Moderne psychologie: Van het Leipzig laboratorium naar de cognitieve revolutie
Wundt was de eerste die zichzelf een psycholoog noemde. Wundt ’s aanpak was experimenteel in
natuur, en hij en zijn collega’s werk was opgesteld in het Leipzig laboratorium. In tegenstelling tot de
Franse en Britse scholen die de meer traditionele, filosofische aanpak adopteerde om de menselijke
geest te bestuderen, waren Duitse scholen open voor de mogelijkheid dat de menselijke geest ook
op een wetenschappelijke manier kon bestudeerd worden. Experimentele fysiologie, een van de
belangrijkste wortels van de experimentele psychologie, was daar goed gevestigd.
Ulrike Lorent, Tessa Meyntjens, Shauni Collier,
Liv Vanabdeel & Karolien Willaerts
11
2012-2013
Samenvatting Algemene Psychologie (Basis+Uitbreiding)
Structuralisme: Wilhelm Wundt
Wundt definieerde psychologie als de wetenschap van onmiddellijke ervaring, en zijn aanpak werd
het structuralisme genoemd. Het onderwerp was van de structuur van de geest, opgebouwd door de
elementen van het bewustzijn. Structuralisme zijn rauw materiaal was verstrekt door getrainde
observatoren die hun eigen ervaringen beschreven. De observatoren waren geleerd om deel te
nemen aan introspectie, het gebruik dat geregeerd werd door strikte regels. Introspectionisten
observeerden stimuli en beschreven hun ervaringen. Wundt ‘s doelen waren drievoudig:
1. De inhoud van bewuste ervaringen analyseren.
2. Bepalen hoe de elementen van bewustzijn verbonden zijn.
3. Het bedenken van een wet die deze verbindingen kan verklaren.
Wundt was vooral geïnteresseerd in het probleem dat Berkeley had geïntegreerd: Hoe leidt basis
sensorische informatie tot complexe percepties? Zijn doctrine van apperceptie deed een poging ter
verantwoording voor het feit dat wanneer we ontvangen, deze perceptie een geheel is van het
voorwerp dat we zien, en niet de delen waaruit het bestaat. Apperceptie theorie: Waarnemen van
totale objecten via creatieve synthese. Je maakt een geheel van verschillende delen. Vb.: TAT
(thematic apperception test): Je krijgt 4 plaatjes, en dan moet je een verhaaltje maken, en zo geef je
een beetje je persoonlijkheid prijs.
Het structuralisme is in het begin van de 20ste eeuw uitgestorven. Het grote probleem met de aanpak
was dat het moeilijk was om de observatoren tegenmoet te komen in de rapportering van de rauwe
data van sensatie, data ongewijzigd door ervaring. Nochtans doelt introspectionisme om
gecontroleerde experimentele condities te bekomen die tot betrouwbare introspectieve observaties
zou leiden. Hier was vaak weinig akkoordheid tussen observatoren over hun introspecties. Men
kwam vaak uit op retrospectie: Je beschrijft het pas na de feiten. Je denkt dat het zo gebeurd is, maar
daarom is het niet zo gebeurt.
Daarbij begon de aandacht nog te verschuiven van de studie van de menselijke geest maar de studie
van menselijk gedrag. Behaviorisme voorziet een verwoestende en kritisch alternatief voor
introspectie.
Geheugen: Hermann Ebbinghaus
Ebbinghaus besloot om een poging te doen om het menselijk geheugen te meten: De processen van
leren en vergeten. Ebbinghaus zijn aanpak voor het geheugen was puur empirisch. Hij bedacht geen
theorie waarom leren voorkomt en was alleen geïnteresseerd in het verzamelen van feiten door
voorzichtige, systematische observatie. (beroemde vergeetcurve: Hij wilde nagaan dat als ik iets leer,
hoeveel onthoud ik daarvan na x dagen).
Ebbinghaus introduceerde het principe van variabele fouten te elimineren door herhaaldelijk op
verschillende gelegenheden observaties te maken en zo het gemiddelde van deze observaties te
berekenen. Ebbinghaus’ onderzoek voorzag een model van systematische, strenge experimentele
procedures die moderne psychologen nog steeds nastreven.
Ulrike Lorent, Tessa Meyntjens, Shauni Collier,
Liv Vanabdeel & Karolien Willaerts
12
2012-2013
Samenvatting Algemene Psychologie (Basis+Uitbreiding)
Functionalisme: William James en James Angell
Het functionalisme is gebaseerd op de evolutietheorie: De studie van de genetica binnen de
psychologie (Galton: Ook grondlegger van de testpsychologie en bekend van de eugenetica). En een
reactie op het structuralisme. En het functionalisme vormde de basis van het behaviorisme.
Functionalisten waren geïnteresseerd in het proces van de bewuste activiteit. De nadruk werd gelegd
op openlijke, observeerbare gedragingen, niet op private mentale gebeurtenissen. William James
stelde dat denken niet een einde in zichzelf is, maar zijn functie was om nuttig gedrag te produceren.
William James is beroemd voor volgende uitspraak: “I see a bear, I’m afraid, I run. It’s not true, I run,
I’m afraid.” Hij zegt dat we denken dat onze emotie ons gedrag bepaalt, maar James zegt dat je
gedrag je emotie stuurt.
In tegenstelling tot het structuralisme, was het functionalisme niet verdrongen, in tegenstelling, zijn
grote principes werden geabsorbeerd door zijn opvolger, het behaviorisme. Een van de laatste van
de functionalisten, James Angell, beschreef zijn basisprincipes:
1. Functionele psychologie is de studie van mentale operaties en niet mentale structuren.
2. Mentale processen zijn niet bestudeerd als isolerende en onafhankelijke gebeurtenissen,
maar als deel van de biologische activiteit van het organisme.
3. Functionele psychologie bestudeert de relatie tussen de omgeving en de respons van het
organisme in de omgeving.
4. Studie van het doel (waarom) van gedrag, niet louter een opsomming
5. Er is geen betekenisvol onderscheid tussen geest en lichaam
Het functionalisme is gebaseerd op de evolutietheorie  De studie van de genetica binnen de
psychologie (Galton  Ook grondlegger van de testpsychologie en bekend van de eugenetica).
Evolutie en erfelijkheid: Charles Darwin en Francis Galton
Darwin stelde de theorie van evolutie voor. Zijn theorie suggereerde dat gedragingen, gelijk andere
biologische karakteristieken, het best verklaard konden worden door hun rol van aanpassing aan de
omgeving in een organisme te begrijpen, dus gedrag heeft een biologische context. Darwins notie
van natuurlijke selectie had een grote impact op de manier waarin we de genetische determinanten
van gedrag bekijken.
Galon was geïnteresseerd in het ontdekken of fysieke kenmerken van mensen correleerde met
elkaar en of deze correlaties ook voor psychologische kenmerken voorkwam. Galton was de eerste
die statistisch bewijs voorzag voor de erfelijkheid van psychologische variabelen. Zijn grootste
contributie is de vaststelling van de studie van individuele verschillen als een wetenschappelijke
onderneming.
Psychodynamische theorie: Sigmund Freud
Freud werd geïnteresseerd in gedrags- en emotionele problemen en begon zijn psychodynamische
theorie van persoonlijkheid te formuleren, die zich in zijn carrière verder ontwikkelde. Nochtans was
zijn aanpak gebaseerd op observaties van patiënten en niet op wetenschappelijke experimenten.
Ulrike Lorent, Tessa Meyntjens, Shauni Collier,
Liv Vanabdeel & Karolien Willaerts
13
2012-2013
Samenvatting Algemene Psychologie (Basis+Uitbreiding)
Zijn theorie van de geest had betrekking tot structuren, maar zijn structuralisme was anders als die
van Wundt. Hij onderscheidde zijn concepten van id, ego, superego en andere mentale structuren
door te praten met zijn patiënten, niet door experimentele labo-experimenten. Zijn hypothetische
mentale operaties includeerde veel dat onbewust waren en niet beschikbaar voor introspectie. En in
tegenstelling tot Wundt, benadrukte Freud functie: Zijn mentale structuren bedienden biologische
driften en instincten, en weerspiegelde onze dierlijke natuur.
Behaviorisme: Edward Thorndike, Ivan Pavlov en John B. Watson
Behaviorisme is een rechtstreeks gevolg van het functionalisme. Het behaviorisme is de studie van de
relatie tussen mensen hun omgeving en hun gedrag; wat voorkomt in hun hoofden is irrelevant. Er is
de wet van het effect door Thorndike: Sommige gedragingen hebben effect op een iets, en die
gedragingen worden versterkt. Thorndike: “trial and error”. Hij gebruikte wel nog altijd
mentalistische termen.
Pavlov: fysioloog die spijsvertering bestudeerde (Nobelprijs). Hij heeft per toeval de klassieke
conditionering ontdekt Pavlov ’s ontdekking was significant voor de psychologie. Hij toonde aan dat
door ervaring een dier kon leren om op een stimulus te reageren die daarvoor nog nooit die respons
had veroorzaakt. Deze capaciteit kan verklaren hoe organisme leren uit oorzaak-gevolg-relaties. In
tegenstelling tot Thorndike ’s law of effect suggereert een verklaring voor de aanpassing van een
individu zijn gedrag op zijn omgeving.
John B. Watson was de formele start van het behaviorisme. Hij maakt geen onderscheid tussen mens
en dier bij de bestudering van gedrag. Het menselijk gedrag wordt volledig gestuurd door externe
stimuli. Hij heeft omstreden uitspraken en experimenten gedaan. Watson zegt dat iedereen een leeg
blad is, en elk mens is maakbaar. Socrates zei het omgekeerde: alles zit al in de mens, maar we
moeten het er gewoon uithalen. Volgens Watson was psychologie een natuurlijke wetenschap diens
domein was beperkt tot observeerbare gebeurtenissen: het gedrag van organismen. Watson
geloofde dat de elementen van bewustzijn die door structuralisten bestudeerd weren te subjectief
waren. Hij definieerde psychologie als de objectieve studie van gedrag en de stimuli die zo’n gedrag
produceert. Het belangrijke kenmerk van het behaviorisme was zijn vertrouwen op alleen observeer
baar gedrag.
Watson beschreef visueel observeer baar gedrag als ‘expliciet gedrag’ en deze gedragingen die niet
rechtstreeks geobserveerd konden worden als ‘impliciet gedrag’. Een ander belangrijk kenmerk, dat
gebonden is aan observatie, was dat de hersenen weinig te maken had met wat rechtstrees werd
geobserveerd. Na Watson kwam er een nieuwe vorm van behaviorisme tot stand die Watsons ideeën
overnam, en deze verder ontwikkelde. Deze nieuwe vorm werd bekend als het neobehaviorisme, ook
wel radicaal behaviorisme genoemd.
Radicaal behaviorisme: Edward Tolman, Clark Leonard Hull en Burrhus Frederic Skinner
Hull stelde een hoog gedetailleerd siskundig model voor van gedrag, dat gezocht werd om bijna al
het gedrag te verklaren. Het basiskenmerk van zijn model was dat al het menselijk gedrag verder
ontwikkeld wordt door interactie met de omgeving. S-O-R: stimulus-organisme-respons. Het radicaal
behaviorisme heeft deze O er tussen gestoken. Hull steekt daar het begrip drive tussen.
Ulrike Lorent, Tessa Meyntjens, Shauni Collier,
Liv Vanabdeel & Karolien Willaerts
14
2012-2013
Samenvatting Algemene Psychologie (Basis+Uitbreiding)
Tolman suggereerde dat het belangrijk was om niet alleen de stimulus en de respons te observeren,
maar ook de interveniërende variabelen in achting te nemen. Volgens Tolman waren deze
interveniërende variabelen cognities en eisen, en zo werd Tolman ’s theorie bekend als purposive
(doelgericht) behaviorisme. Tolman heeft proefjes gedaan met ratten in doolhoven. Op het einde van
de doolhof lag eten. Hij had twee wetten: Gissen en missen. Hij had 2 groepen ratten. Bij een groep
had altijd eten aan de uitgang, en de tweede groep eerste 5dagen geen eten, en laatste 5dagen wel.
Bij de tweede groep zag hij dat de ratten veel fouten maakte, en daarna zakte deze fouten enorm. SO-R: stimulus-organisme-respons; Tolman steekt er een mental map in
Skinner zijn werk focuste zich op het idee van bekrachtiging en was grotendeels gebaseerd op
observatie van gedrag in duiven. Hij vond dat een zekere set van stimulus condities bepaalde
gedragingen ontlokt. Deze vorm van leren, instrumentele of operant leren had 3 types:
1. Positieve bekrachtiging: verwijst naar leuke bekrachtiging
2. Punishement: verwijst naar een negatieve stimulus dat gepresenteerd wordt wanneer er zich
slecht gedrag voordoet.
3. Negatieve bekrachtiging: verwijst naar gedrag dat de waarschijnlijkheid van negatieve stimuli
reduceert.
Bekrachtiging kan ook voorkomen volgens schematisering. Skinner: werkte voornamelijk met duiven.
Hij heeft veel termen en technieken ontwikkelt. Hij probeerde zijn inzichten te vertalen naar de
maatschappij. Hij is een duidelijke functionalist. Mochten we een maatschappij creëren op begrippen
dat we hebben gevonden. Hij zegt dat beloning dat gedrag gaat toenemen. En slecht gedrag
bestraffen zodat dit gedrag afneemt.
Genetische epistemologie: Jean Piaget
Piaget termde zijn aanpak als genetische epistemology: De studie van de afkomst van kennis in een
kind zijn ontwikkeling. De ontwikkeling gebeurde in fasen.
Gestalt psychologie: Max Wertheimer
Wertheimer en zijn collega’s deden een poging om de organisatie van cognitieve processen te
ontdekken, en niet hun elementen. Hun aanpak werd Gestalt psychologie genoemd. Gestalt
psychologen stonden erop dat percepties het resultaat waren van patronen van interacties tussen
vele elementen. Gestalt psychologie zegt dat het geheel meer is dan de som der delen, er is
interactie tussen de onderdelen die belangrijk zijn. Er zijn Gestalt-wetten van perceptuele
groepering. Er is de neiging om structuur te zoeken in wat we waarnemen.
Humanistische psychologie
Humanistische psychologen staan erop dat de menselijke natuur verder gaat dan omgevingsinvloeden, en dat bewuste processen, niet het onbewuste, hetgene is wat psychologen moeten
bestuderen. Humanistische psychologie is een aanpak van de studie van menselijk gedrag dat
menselijke ervaring, keuze en creativiteit, zelfrealisatie en positieve groei benadrukt. Humanistische
psychologen benadrukken de positieve kanten van de menselijke natuur en het potentieel dat
allemaal delen voor persoonlijke groei.
Ulrike Lorent, Tessa Meyntjens, Shauni Collier,
Liv Vanabdeel & Karolien Willaerts
15
2012-2013
Samenvatting Algemene Psychologie (Basis+Uitbreiding)
De cognitieve revolutie: verder dan het behaviorisme
Veel van de cognitieve psychologie gebruiken informatieverwerking als aanpak, informatie wordt
ontvangen door de zintuigen en worden verwerkt door verschillende systemen in de hersenen. Ook
al studeren cognitieve psychologen nu mentale structuren en operaties, ze gaan niet terug in de
introspectieve methode zoals in de tijd van Wundt. Alhoewel dat gedragingen die gebaseerd zijn op
beelden gemeten kunnen worden.
De biologische revolutie
Biologie is altijd al gerelateerd geweest aan de psychologie. Descartes hydraulisch model van
spierbeweging was aangetoond dat dit incorrect was door Luigi Galvani, een Italiaanse fysiologe die
ontdekt had dat spieren gemaakt konden worden door samen te trekken door het toepassen van een
elektrische huidige impuls naar de zenuwen die verbonden waren aan de spieren.
De hersenen en sensatie: Johannes Muller
Muller raadde aan dat biologen meer moesten doen dan observeren en classificeren. Zijn
belangrijkste contributie dat de wetenschap van de psychologie zou worden was zijn doctrine van
specifieke zenuwenergiën. Boodschappen worden verzonden over verschillende kanalen. Muller
doctrine had belangrijke implicatie: Als verschillende zenuwen boodschappen overbrengen over
verschillende soorten informatie, dan moeten deze regio’s van het brein die deze boodschappen
ontvangen verschillende functies hebben.
Flourens opereerde aan dieren, verwijderen van delen van het zenuwstelsel. Hij vond dat de
resulterende effecten afhankelijk waren van de delen die werden verwijderd. Hij observeerde wat
het dier niet meer kon doen, en concludeerde dat het missende capaciteit de functie moest zijn van
dat deel dat werd verwijderd.
Hersenbeschadiging en gedrag: Paul Broca en Carl Wernicke
Broca ontdekte dat de beroerte het deel van de hersenen aan de linkerkant had beschadigd. Hi
suggereerde dat deze regio van het brein het centrum was voor de spraak, dit gedeelte wordt nu
Broca’s area genoemd. Het bestuderen van de effecten van accidentele schade aan de hersenen en
de functie ervan heeft ertoe bijgedragen dat neurowetenschappers kunnen voorspellen welke regio’s
van de hersenen betrokken zijn in specifieke functies.
Lokalisatie van de functie: Gustav Fritch en Eduard Hitzig
Fritsch en Hitzig introduceerde het gebruik van elektrische stimulatie als een gereedschap voor de
functies van de hersenen in kaart te brengen. Oorspronkelijk werd werk opgebouwd op honden op
de kaptafel van Hitzig. Zo’n eenvoudige condities leidde tot het eerste experiment in lokalisatie van
functie in de hersenen.
Snelheid en magnitude van de zenuwimpulsen: Hermann von Helmhotz en Ernst Weber
Helmhotz demonstreerde dat mentale fenomenen verklaard konden worden door fysiologische
betekenissen. Helmhotz bepleit een pure wetenschappelijke aanpak, met conclusies gebaseerd op
objectief onderzoek en exacte meting. Hij deed ook een poging om de snelheid van een persoon zijn
Ulrike Lorent, Tessa Meyntjens, Shauni Collier,
Liv Vanabdeel & Karolien Willaerts
16
2012-2013
Samenvatting Algemene Psychologie (Basis+Uitbreiding)
reactie op een fysische stimulus te meten, maar hij verliet deze poging omdat er te veel variabiliteit
was tussen verschillende personen.
Weber begon werk dat leidde tot de ontwikkeling van een methode voor het meten van de
magnitude van menselijke sensaties. Weber vond dat mensen hun vermogen om verschillen te
vertellen tussen twee gelijke stimuli door bepaalde wetten gevolgd werden.
Cognitieve neurowetenschap: De toekomst van de biologie van de geest
Cognitieve psychologen erfde van vroege behavioristen een wantrouwen van de waarde van biologie
in het verklaren van gedrag. De cognitieve psychologie leidde niet tot een vernieuwde interesse in de
biologie. Maar de extraordinaire vooruitgang in de neurobiologie in de late 20ste eeuw heeft de
psychologie gerevolutioneerd. Deze combinatie van cognitieve psychologie en neurowetenschap kan
een grote opportuniteit voorzien voor het bestuderen van gedrag en het beschrijven van zijn
oorzaken. Psychofysica: studie van de relatie tussen de fysische en psychische eigenschappen van
een prikkel.
Hoofdstuk 3: Onderzoeksmethoden van de cognitieve psychologie
Dataverzameling
Wetenschap ontstaat met een onderzoeksvraag. Dit
levert dan een hypothese op. Op basis van deze
hypothese verzamel je data. Dan volgt er een
beschrijvende analyse. Om te weten of je antwoord dat
je bekomen bent toevallig of betekenisvol is voer je een
toetsend onderzoek uit.
Onderzoek binnen de cognitieve psychologie maakt
nogal eens een gebruik van dieren. Bij de beschrijving
van dierlijk gedrag treedt er echter het bijkomend
gevaar op van antropomorfisme: De neiging van mensen om dierlijk gedrag te beschrijven en te
interpreteren in menselijke termen.
Dataverzameling maakt ook dikwijls gebruik van een of andere vorm van meten. Meten is het
weergeven van eigenschappen van dingen door getallen. Het gevaar bij (psychologische) meting is
dat je cijfers plakt op mensen zonder precies te weten of en in welke mate deze getallen de
betreffende eigenschap weerspiegelen. De meettheorie houdt zich bezig met de problemen die zich
kunnen voordoen als je eigenschappen van mensen of dingen wilt meten of weergeven door
getallen. De meettheorie wijst op de moeilijkheden die meten met zich meebrengt en stelt
oplossingen voor.
Observatie
Observatie betekent het persoonlijk waarnemen van de realiteit, al dan niet aan de hand van
technische apparatuur. Systematische of participerende observatie:
Voordelen:
Ulrike Lorent, Tessa Meyntjens, Shauni Collier,
Liv Vanabdeel & Karolien Willaerts
17
2012-2013
Samenvatting Algemene Psychologie (Basis+Uitbreiding)
-
Resultaten zijn geldig in ‘echte’ wereld.
Maakt geen gebruik van taal.
Nadelen:
-
Correctheid van de menselijke observatie niet feilloos, bv. bij ooggetuigen.
Problemen= Observatie door mensen is dus niet altijd betrouwbaar.



Bijkomende problemen:
Te observeren “gedrag” niet altijd direct waarneembaar (attitudes, emoties,…). (gedrag is
niet altijd observeer baar).
Observatie beïnvloedt het geobserveerde (zeker bij participerende observatie).
Te observeren eenheden en tijdstippen vaak niet systematisch gevarieerd en dus mogelijk
beïnvloed door andere factoren. (bv. Iedere nacht, ochtend,..).
Line-up:
= Allemaal verdachten op 1 rij achter glas in 1 ruimte.
 Simultane line-up = Bij de line-up zie je de mogelijke daders naast elkaar. Meest gebruikt.
 Sequentiële line-up = De mogelijke verdachten komen 1 vr 1 binnen. Als nr. 1het niet is, dan
sturen ze hem weg en komt nr. 2 binnen. Meest goede identificatie. Je twijfelt, maar je gaat
veel voorzichtiger zijn, omdat er nog andere verdachten volgen.
Ooggetuigen
Probleem met ooggetuigen = De getuigen zouden na een ongeluk direct apart moeten worden
genomen. Want de ooggetuigen beginnen met elkaar te praten en veranderen vaak hun versie door
het verhaal van de ander. Experiment Loftus & Palmer (1974): “About how fast were the cars going
when they ... each other?”
Ooggetuigenissen zijn onbetrouwbaar. Er is een experimenteel onderzoek uitgevoerd waarbij
proefpersonen een gefingeerde misdaad zien en nadien de misdadiger dienen te herkennen. Een
veelgebruikte methode bij deze herkenning is de line-up. Hierbij wordt de verdachte geplaatst tussen
een aantal afleiders. Dit zijn personen die voldoen aan de persoonsbeschrijving van de dader. Daarna
wordt de verdachte samen met de afleiders aan de ooggetuige getoond. Een dergelijke confrontatie
bevat talrijke, ongecontroleerde factoren die de betrouwbaarheid van de identificatie kunnen
beïnvloeden zoals instructies, kennis van de identiteit van de verdachte door de proefleider, aantal
en gelijkenis van de afleider, type line-up. Het nadeel van deze methode is dat de ooggetuigen een
relatief oordeel maken.
Gronlund, Dailey en Goodsell deden een online
experiment met 1829 proefpersonen. Deze zagen
een videofilm van 1’45” waarin de handtas van
een vrouw werd gestolen. In het experiment
werden factoren gemanipuleerd zoals de kwaliteit
van de video, kwaliteit van de line-p en de plaats van de verdachte in de line-up. Globaal werden er
weinig verschillen gevonden. Sequentiële line-ups geven t.o.v. simultane line-ups minder fouten,
Ulrike Lorent, Tessa Meyntjens, Shauni Collier,
Liv Vanabdeel & Karolien Willaerts
18
2012-2013
Samenvatting Algemene Psychologie (Basis+Uitbreiding)
maar ook minder correcte identificaties. Veelal wordt dit toegeschreven aan een hoger criterium van
de ooggetuige bij de sequentiële line-up.
Observatie wordt dikwijls ondersteund door apparatuur gaande van one-way miror observatielokalen tot dure medische apparatuur. Tegenwoordig wordt er veel gebruik gemaakt van neuroimaging. A.d.h.v. ingewikkelde apparatuur wordt de structuur en de werking van de hersenen
gevisualiseerd.
 Elektro-encefalogram (EEG): Deze techniek is gebaseerd op het feit dat de prikkelgeleiding in
de zenuwen plaatsvindt a.d.h.v. een elektronisch signaal.
 Magneto-encefalografie (MEG): maakt gebruik van het magnetisch veld dat geproduceerd
wordt door de elektrische activiteit van de cellen.
 Evoked potential (EP) of Event related Potential (ERP): wordt aan een aantal proefpersonen
een stimulus (event) meermaals gegeven.
 Magnetic Resonance Imaging (MRI): is een indirecte methode die het cel metabolisme van de
neuronen meten.
 Position Emission Tomography (PET): is een indirecte methode die het cel metabolisme van
de neuronen meten. Bij PET krijgt de persoon meestal een inspuiting met een licht
radioactieve stof, een zogenaamde tracer.
 Functional MRI (fMRI): is een variant van de MRI en meet eigenlijk de bloedcirculatie in de
hersenen.
 Transcraniale magnetische stimulatie (TMS): Hier wordt de hersenwerking van bepaalde
hersengebieden verstoord door het sturen van een sterke magnetische puls.
Vragenlijst
De vragenlijst en het interview zijn indirecte observatiemethoden. Dit betekent dat je de observatie
niet persoonlijk doet, maar overlaat aan degene die het interview of de vragenlijst beantwoordt.
Dezelfde moeilijkheden als bij observatie doen zich hiervoor. Een vragenlijst moet zeer zorgvuldig
worden opgesteld.
Voordelen:
-
Eenvoudig, groot bereik.
Niet-observeer baar gedrag te bevragen (attitudes, emoties).
Gemakkelijke statistische verwerking.
Nadelen:
-
Steekproeffouten.
Wil en kan de ondervraagde zichzelf beoordelen? Eerlijk en objectief?
Taal als mogelijk vertekenende factor.
Invloed van de manier van vraagstelling.
Bijkomende problemen:

Niet-bedreigende vragen: probleem met zwak geheugen
Helpen met hints, voorbeelden
Ulrike Lorent, Tessa Meyntjens, Shauni Collier,
Liv Vanabdeel & Karolien Willaerts
19
2012-2013
Samenvatting Algemene Psychologie (Basis+Uitbreiding)


-
Vragen specifiek maken (wie, wat, waar, wanneer, waarom?)
Bedreigende vragen: mensen gaan gedrag overdrijven/minimaliseren
Technieken om bedreigende vragen minder bedreigend te maken (sandwich, anoniem,
geruststellen,…)
Manier van afnemen beïnvloedt responsgraad (online, per post, “live”,…)
Prospect theorie: Deze theorie tracht het menselijk gedrag bij onzekerheid te beschrijven en
verwerpt de opvatting dat de mens een rationeel beslisser is. Situaties die beschreven worden in
termen van winst leveren meestal risico-aversief gedrag op, terwijl situaties die beschreven worden
in termen van verlies aanleiding zullen geven tot het aanvaarden en het nemen van risico.
Het belangrijkste principe is wellicht het maken van een onderscheid tussen bedreigende en nietbedreigende vragen. Bij een bedreigende vraag zijn de antwoordalternatieven niet allemaal even
sociaal wenselijk. Het probleem bij bedreigende vragen is het minimaliseren of het overdrijven. Bij
niet-bedreigende vragen daarentegen speelt de zwakheid van het menselijk geheugen parten. Zelfs
belangrijke gebeurtenissen worden zeer snel vergeten. Om het falen van het menselijk geheugen te
minimaliseren kan je de respondenten helpen met hun herinneringsproces door bijvoorbeeld in de
vraag al een aantal tips te geven. Je kan de vraag ook specifiek maken. Op een specifieke vraag
kunnen mensen meer accurate antwoorden gegeven worden dan op globale vragen. Veelal moet een
vraag tips bevatten voor de beantwoording van de 5 w’s.
De moeilijkheid met bedreigende vragen is niet zozeer het niet weten of de foutieve herinnering van
de respondenten, maar hun neiging tot overdrijven of minimaliseren. Je kunt deze tendensen
verminderen door:
-
Het plaatsen van de bedreigende vragen tussen andere vragen, of de bedreigende vragen
pas aan het einde van de vragenlijst stellen.
De vraag op een ‘vanzelfsprekende’ manier stellen.
Suggereren dat ook andere mensen dit gedrag vertonen.
Anonimiteit garanderen van het onderzoek.
Het gebruik van open vragen.
Het bewust ‘laden’ van de antwoordalternatieven.
Ondervragen van informanten i.p.v. de doelgroep zelf.
De afname van een vragenlijst kan op verschillende manieren gebeuren, bv. per mail of telefonisch.
Interview
De interviewtechniek is een indirecte methode. Hierbij doen zich dezelfde gevaren voor als bij
observatie en vragenlijst. Het voordeel van het interview is dat op de besproken punten dieper
ingegaan kan worden en dat eventuele fouten bij de afname gecorrigeerd kunnen worden. Maar de
vele oncontroleerbare variabelen zorgen ervoor dat het interview geen betrouwbaar instrument is.
Het wordt daarom vooral gebruikt bij verkennend onderzoek.
Voordelen:
-
Flexibel (doorvragen, verduidelijking)
Geschikt voor exploratief onderzoek
Ulrike Lorent, Tessa Meyntjens, Shauni Collier,
Liv Vanabdeel & Karolien Willaerts
20
2012-2013
Samenvatting Algemene Psychologie (Basis+Uitbreiding)
Nadelen:
-
Invloed van de ondervrager/situatie
Geringe betrouwbaarheid
Interviews kunnen ingedeeld worden naar de mate waarin de interviewer richting geeft aan het
gesprek. In de psychologie wordt de interviewer iter genoemd en de geïnterviewde het itee. Er zijn 3
soorten interviews te onderscheiden:
1. Gestructureerd interview: De formulering en de volgorde van de vragen staan vooraf vast.
Iter bepaalt het verloop van het gesprek.
2. Semigestructureerd interview: De vragen staan nog niet geheel vast en zijn o.m. afhankelijk
van de antwoorden van de itee. Iter oefent echter nog wel controle uit op het verloop.
3. Ongestructureerd interview (ongestructureerd of non-direct): De itee is vrij binnen het kader
van het onderzoek die onderwerpen aan te snijden die hij/zij belangrijk vindt. De rol van iter
blijft beperkt tot een samenvatting van datgene wat gezegd is en/of een beamend knikken.
In veel cursussen over gesprekstechnieken wordt de non-directieve aanpak van een gesprek of
interview benadrukt. Bij een interview is het immers de bedoeling om de itee te laten spreken. De
reacties van de iter zijn op zichzelf irrelevant, behalve als hulpmiddel ter sturing van het gesprek. Je
kan de uitspraken van de iter plaatsen in verschillende categorieën (Vb.: vragen naar feiten; geven
van waardeoordelen).
Beschrijvend onderzoek
Beschrijvend onderzoek heeft als doelstelling het geven van een objectieve beschrijving van de
realiteit. Een bijzonder aspect van de beschrijving vormen de verbanden in de gegevens.
 Positief verband: Als kenmerk X toeneemt, dan neemt kenmerk Y ook toe OF als kenmerk X
afneemt, dan neemt kenmerk Y ook af.
 Negatief verband: Als kenmerk X toeneemt, dan neemt kenmerk Y af.
De sterkte en de richting van het verband wordt uitgedrukt in een correlatiecoëfficiënt r:
 r = +1: Perfect positief verband tussen twee kenmerken.
 r = 0: Er is geen verband tussen beide kenmerken.
 r = -1: Er is een perfect negatief verband.
Correlaties:




>0,5: Aanzienlijk.
Tussen 0,5 & 0,3: Gematigd.
Tussen 0,3 & 0,1: Klein.
<0,1: Onbelangrijk.
Een correlatiecoëfficiënt op zich kan soms misleidend zijn.
Het constateren van deze verbanden brengt je soms in de verleiding causale verbanden te
veronderstellen. Hierbij wordt kenmerk X als oorzaak gezien van kenmerk Y. Het vaststellen van een
Ulrike Lorent, Tessa Meyntjens, Shauni Collier,
Liv Vanabdeel & Karolien Willaerts
21
2012-2013
Samenvatting Algemene Psychologie (Basis+Uitbreiding)
oorzaak in een verband wordt causatie genoemd. Een kleinere correlatie is het gevolg van een
correctie. Het ontbreken van een verband wordt toegeschreven aan een gebrekkige controle.
Er zijn interveniërende variabelen die ervoor zorgen dat je op basis van correlatiecoëfficiënten niet
zomaar tot een causaal verband kan besluiten. Oorzaak-gevolgrelaties kunnen niet worden afgeleid
uit louter relationeel onderzoek. De reden daarvan is dat het onderzoek, buiten de twee onderzochte
kenmerken, geen enkele andere factor onder controle heeft.
Toetsend onderzoek
Het doel van wetenschap is om te verklaren, omdat je tot een verklarend model wilt komen.
Hiervoor heb je experimenteel onderzoek nodig. Bij experimenteel onderzoek grijpen de
onderzoekers actief in. Galilei wordt veelal als de vader van de wetenschappelijke methode gezien.
Variabelen
In experimenteel onderzoek is er sprake van 3 soorten variabelen. Variabelen of veranderlijken zijn
kenmerken die verschillende waarden kunnen aannemen:
1. Onafhankelijke variabele: wordt in het experiment systematisch gevarieerd. Dit houdt in dat
de proefleider de onafhankelijke variabele verschillende waarden laat aannemen en bepaalt
wie/wat onderworpen wordt aan de manipulatie.
2. Afhankelijke variabele (= metingsvariabele): wordt door de proefleider geobserveerd of
gemeten.
3. Controlevariabele (= storende variabelen): zijn potentiele of mogelijke onafhankelijke
variabelen, waarvan de proefleider de eventuele invloed op afhankelijke variabelen constant
probeert te houden.
In experimenteel onderzoek kan je wel causale verbanden afleiden. Bij de beschrijving van een
experiment is er voortdurend sprake van condities. De condities van een experiment worden bepaald
door de waarden van de onafhankelijke variabele. Elke waarde van de onafhankelijke variabele geeft
een conditie van het experiment aan. Variabelen moeten worden geoperationaliseerd; je moet
aangeven met welke operaties je zal meten. De operationalisatie dient nauwkeurig te gebeuren en
wordt gestuurd door de theorie die je wilt testen. In de operationalisatie zijn ook timingsaspecten
van belang.
Een onderzoeker streeft naar een constante invloed van de controlevariabelen op de afhankelijke
variabele. Het is niet mogelijk om de invloed van de controlevariabelen volkomen uit te schakelen,
doordat je controlevariabelen zelf niet kunt elimineren. Je moet genoegen nemen met het constant
houden van hun onvermijdelijke invloed, dezelfde invloed werkt in alle condities. Er zijn 2 manieren
om dit constant houden te realiseren:
1. Constant houden: Je laat de controlevariabele slechts een bepaalde waarde aannemen die
voor alle condities dezelfde is.
2. Randomiseren: Je laat de variabele variëren, maar de verschillende waarde die deze
variabele aanneemt wordt door louter toeval bepaald.
Voordelen:
Ulrike Lorent, Tessa Meyntjens, Shauni Collier,
Liv Vanabdeel & Karolien Willaerts
22
2012-2013
Samenvatting Algemene Psychologie (Basis+Uitbreiding)
-
Bij het constant houden kan de onderzoeker conclusies trekken die een grotere zekerheid
hebben.
Door te randomiseren mag je je bekomen conclusies generaliseren over een volledige
populatie.
Nadelen:
-
Die conclusies die de onderzoeker kan trekken gelden slechts voor dat bepaalde niveau van
de controlevariabele.
Constant houden is niet altijd uitvoerbaar.
Bij randomiseren is er altijd sprake van een bepaalde onzekerheid.
In een experiment zullen de onderzoekers de proefpersonen op toevallige wijze verdelen over de
condities. Daarmee trachten ze alle kenmerken van de proefpersonen gelijktijdig adequaat onder
controle te houden:
-
Between-subject designs: Je hebt groepen die door toeval aan elkaar gelijk zijn, behalve de
experimentele manipulatie.
- Within-subject designs (repeated measures design): Je hebt 1 groep mensen, die je door 3
condities heen laat gaan.
 Voordeel: Variabiliteit tussen de condities verkleint.
 Nadeel:
 Specifieke problemen krijgen die betrekking hebben tot de volgorde:
 Oplossing: Latijns vierkant: De positie wordt gecontra-balanceerd.
+ Carry-over effect: Sommige volgordes komen meerdere malen voor, en andere
volgordes helemaal niet.
De resultaten van een onderzoek worden geïnterpreteerd door te kijken naar de nul- en alternatieve
hypothese die je vooraleer je je onderzoek hebt uitgevoerd, hebt opgesteld. De onderzoeker tracht
de nulhypothese te verwerpen en de alternatieve hypothese te aanvaarden. Echter is de kans klein
dat de verschillende condities exact gelijk presteren. Kleine verschillen tussen condities hoeven dus
niet te betekenen dat je de H1-hypothese dient te aanvaarden. Je kunt de kansverdelingen van deze
verschillen tekenen. Afhankelijk van het soort experiment noem je kansverdelingen (Vb. t-verdeling).
Daarbij is het duidelijk dat hoe groter het verschil wordt tussen condities, hoe kleiner de kans is dat
dit veroorzaakt wordt door toeval. Dit kan leiden tot significantie, significatie wilt zeggen dat het
verschil tussen de verschillende groepen zo groot is dat het niet door toeval veroorzaakt kan zijn. De
p-waarde geeft aan in hoeveel procent van de gevallen dit resultaat toch door toeval veroorzaakt kan
zijn.
Mozart-effect:



Hypothese: Studenten die gedurende 10min. naar Mozart luisterden, presteerden beter op
een standaard intelligentietaak.
Aantal proefpersonen: 36 studenten.
3 condities: aan de hand van redeneertaken, deze taken werden voorafgegaan door:
10min muziek van Mozart luisteren.
10min ontspannende geluiden.
10min stilte.
Ulrike Lorent, Tessa Meyntjens, Shauni Collier,
Liv Vanabdeel & Karolien Willaerts
23
2012-2013
Samenvatting Algemene Psychologie (Basis+Uitbreiding)



Variabelen:
Onafhankelijke variabele: Muzikale invulling van de tijdspanne voor de ruimtelijke taak.
 Operationalisatie:
 De sonate voor 2 piano’s in D major van Mozart.
 Een geluidsband met 10min relaxatie-instructies die bedoeld waren om de bloeddruk
te verlagen.
 10min stilte.
Controlevariabele: Vb. intelligentie & motivatie.
Afhankelijke variabele: Score op de redeneertaken.
 Operationalisatie: Het aantal opgeloste items minus de fouten  Ruwe score omzetten
naar Standard Age score (SAS).
 Zogezegd beste resultaat van taak: Paper folding and cutting (PF&C)
Interactie-effecten
Bij het Mozart-effect was er sprake van een one-factor opzet, maar in veel experimenten wordt meer
dan 1 onafhankelijke variabele tegelijkertijd gemanipuleerd. Bij het Mozart-effect zou je dus bv.
stemming als 2de onafhankelijke variabele kunnen nemen.
Nantais en Schelleberg hebben dit gedaan. In hun eerste
experiment maakte ze gebruik van zowel de muziek van
Mozart als die van Schubert, en in beide gevallen was er een
effect van muziek. De afhankelijke variabele is hetzelfde
gebleven als bij het Mozart-effect. In het tweede experiment
was de controleconditie het voorlezen van een verhaal van
Stephen King i.p.v. stilte of relaxatie-instructies. Beide
condities verschilden niet significant. Belangrijk was dat de
onderzoekers gepeild hebben naar de voorkeur van de
subjecten. Sommige hielden meer van Mozart dan van King
of omgekeerd.
-
Mozart
14
13
12
11
10
Mozart
(n=13)
Verhaal
(n=15)
Voorkeur voor ...
Onafhankelijke variabele A kan een hoofdeffect hebben of niet.
Onafhankelijke variabele B kan een hoofdeffect hebben of niet.
Er kan een interactie-effect zijn tussen A&B of niet.
Als een onafhankelijke variabele systematisch gevarieerd wordt tussen de groepen, en alle overige
mogelijke onafhankelijke variabelen adequaat onder controle worden gehouden, mag de
onderzoeker een eventueel verschil in de afhankelijke variabele tussen de condities opvatten als het
Ulrike Lorent, Tessa Meyntjens, Shauni Collier,
Liv Vanabdeel & Karolien Willaerts
24
Verhaal
15
Prestatie op PF&C taak
15 proefpersonen prefereerden het verhaal van King boven de muziek van
Mozart. Van belang is de interactie tussen de variabelen beluisteren en
voorkeur. Deze was significant. In dit onderzoek is er sprake van een interactieeffect. Een interactie tussen twee onafhankelijke variabelen betekent dat het
effect van een van beide onafhankelijke variabelen anders is op de
verschillende waarden van de andere onafhankelijke variabele. Op de Y-as vind
je de waarde van de afhankelijke variabele en op de X-as staat een van de twee
onafhankelijke variabelen.
2012-2013
Samenvatting Algemene Psychologie (Basis+Uitbreiding)
gevolg van het verschil in de onafhankelijke variabele. Het verschil in de onafhankelijke variabele is
immers het enige systematische verschil tussen de groepen.
De onderzoeker kan gebruik maken van een al bestaand verschil en dit gebruiken voor de
samenstelling van de proefgroepen. In dit geval noem je de onafhankelijke variabele een nietexperimentele of differentiële variabele. Doordat proefpersonen niet willekeurig (aselect) zijn
toegewezen aan de verschillende condities, kan de onderzoeker er niet zeker van zijn dat de
onafhankelijke variabele het enige systematische verschil tussen de groepen vertegenwoordigt. Bij
een onderzoek dat gebruik maakt van een differentiële variabele is geen sprake van experimentele
controle. Op basis van een dergelijk onderzoek kan niet worden geconcludeerd of er al dan niet
sprake is van causale verbanden.
Toepassing: De diagnostische cyclus
Psychodiagnostiek houdt zich bezig met het
analyseren van gedragsvragen door het
verzamelen van informatie m.b.v. tests,
observaties en interviews. Daarbij wordt gezocht
naar verklaringen van en oplossingen voor deze
problemen m.b.v. wetenschappelijk-empirische
kennis. Om hierin de weg niet kwijt te raken is een
diagnostisch model aangewezen. Het
psychodiagnostisch onderzoek begint meestal met
een vraag van een cliënt. Deze hulpvraag wordt
geanalyseerd, waarbij de meeste vragen tot 5 categorieën herleid kunnen worden:
1.
2.
3.
4.
5.
Onderkenning: Wat lukt er nog en wat niet?
Verklaring: Waarom is er een probleem en/of waarom blijft het bestaan?
Predictie: Hoe ziet de toekomst eruit?
Indicatie: Wat moet ik doen?
Evaluatie: Hoe weet ik dat het probleem opgelost is?
Op basis van deze vragen stelt de diagnosticus een diagnostisch scenario op.
Algemene psychologie: Uitbreiding (Extra tekst):
Het hart van een onderzoek is zijn vragenlijst. Om antwoordfouten te minimaliseren, moeten
vragenlijsten gemaakt zijn bij de beste ‘praktijken’. Aanradingen over de ‘beste practices’ stammen af
van ervaring en gemeenschappelijke traditionele kennis aan de ene hand, en methodologische
onderzoek aan de andere hand. We beginnen ons onderzoek van het methodologisch onderzoek met
het bespreken van open versus gesloten vragen, een verschil dat vooral relevant is voor 3 type
metingen:
1. Vragen voor keuzes tussen nominale categorieën.
2. Nagaan van numerieke kwantiteiten.
3. Testen van de feitelijke kennis.
Ulrike Lorent, Tessa Meyntjens, Shauni Collier,
Liv Vanabdeel & Karolien Willaerts
25
2012-2013
Samenvatting Algemene Psychologie (Basis+Uitbreiding)
Conventionele wijsheid
Meest waardevolle advies:
1.
2.
3.
4.
5.
Gebruik simpele woorden.
Gebruik een simpele syntax (zinsbouw).
Vermijd woorden met een dubbele betekenis.
Streef naar woorden dat specifieke en concreet is.
Maak antwoordopties uitputtend (alles er staat) en mutueel exclusief (elkaar volledig
uitsluiten).
6. Vermijd suggererende of geladen vragen
7. Vraag over 1 ding per keer.
8. Vermijd vragen met enkele of dubbele negaties.
Advies hoe de vraagvolgorde te optimaliseren:
1.
2.
3.
4.
5.
Vroege vragen moeten makkelijk en plezant zijn om te beantwoorden.
Vragen in het vroege begin van een vragenlijst moeten expliciet over het onderwerp gaan.
Vragen over hetzelfde onderwerp moeten gegroepeerd worden.
Vragen over hetzelfde onderwerp moeten van algemeen naar specifiek gaan.
Vragen over gevoelige onderwerpen die respondenten oncomfortabel maken moeten op het
einde van de vragenlijst gesteld worden.
6. Vragen filteren.
Als laatste raad de conventionele wijsheid aan om de vragenlijst te testen bij een proefgroep
vooraleer het bij de echte doelgroep af te nemen.
Alle respondenten zullen optimaliseren doorheen een vragenlijst, dit is vaak een onrealistische
verwachting. Eerder dan de moeite doen om optimale antwoorden te voorzien, maken respondenten
subtiele of dramatische shortcuts. Een voorbeeld van een dramatische shortcut is het overslaan van
oproep en oordeel stappen samengenomen. De neiging van tevredenheid wordt door 3 grote
factoren bepaald:
1. Moeilijkheid van de taak.
2. De mogelijkheid van de respondent.
3. De motivatie van de respondent.
Pogingen om de taakmoeilijkheid te verminderen en de motivatie van de respondent te
maximaliseren toont beterschap door het minimaliseren van satisficing en maximaliseren van de
accuratie van zelfverslagen.
Open versus gesloten vragen
Om open vragen te analyseren moeten ze gegroepeerd worden in een relatief klein aantal
categorieën.
Nadelen:
-
Het interpreteren van open vragen.
Ulrike Lorent, Tessa Meyntjens, Shauni Collier,
Liv Vanabdeel & Karolien Willaerts
26
2012-2013
Samenvatting Algemene Psychologie (Basis+Uitbreiding)
-
Het duurt langer om te antwoorden te verzamelen.
Deze nadelen bij open vragen zijn niet toepasbaar op de meting van kwantiteiten. Bewijs indiceert
dat de manier in welke mate gescheiden zijn om gesloten vragenvormen over te brengen in
informatie die respondentantwoorden kan biasen. Dus er wordt gewoonlijk de voorkeur gegeven aan
open vragen dan aan gesloten items voor het meten van kwantiteiten. Een gesloten categorische
vraag kan vaak alleen gebruikt worden wanneer de keuzes comprehensief zijn. Open en gesloten
vragen verschillen ook in hun kwaliteit om bezit van feit-correcte kennis te meten. Open items
voorzien meer betrouwbare en valide metingen dan gesloten items. Open vragen die peilen naar
politieke kennis zijn meer valide dan wanneer ze aangemoedigd werden in een nationaalwijde
onderzoek van volwassenen.
Nummer van punten op rating scales
Respondenten die geconfronteerd worden met een rating scale moeten een matching of mapping
proces uitvoeren. Verschillende condities moeten in juiste volgorde zijn met de rating scales, wil je
dat het effectief werkt:
1. De punten die aangeboden worden moeten het gehele meting continuüm bedekken.
2. Deze punten moeten ordinaal verlopen.
3. Elke respondent moet een relatief precieze en stabiel begrip hebben van de betekenis van
elke scale-punt.
De lengte van de schalen kan een impact hebben waarbij de verwerking bij mensen hun attituden op
hun antwoordalternatieven. Een trichotomous scale kan problematisch zijn voor een persoon die een
bescheiden positieve of negatieve attitude heeft. De waarde van het toevoegen van zelfs meer
punten op een rating scale hangt af van hoe verfijnd mensen hun representaties zijn van het
construct.
De relevantie van de satisficing perspectief op vlak van midden alternatieven kan gemeten zijn bij het
bepalen of respondenten het meest aantrekkelijk vinden onder de condities waarin ze zich bevinden.
Structurele equatie die foute structuren modelen onthullen dat het middelste alternatief weglaten
de respondent leidt om een van de moderate scale te selecteren die het dichtst liggen bij waar het
middelpunt zou verschijnen. Uiteindelijk komt het erop neer dat een 7-puntenschaal de beste optie
is.
Labeling of rating scale points
Betrouwbaarheid is hoger wanneer alle punten gelabeld zijn met woorden, i.p.v. enkele punten.. veel
gesloten attitude-metingen zijn gemodelleerd naar de likert techniek. Deze soorten van items
formateren zijn zeer aantrekkelijk van een praktisch standpunt, omdat sommige items gemakkelijk te
schrijven zijn. deze vraagformateringen kunnen problematisch zijn. mensen kunnen soms akkoord
gaan, onafhankelijk of de vraag gesteld wordt aan hen (acquiescene). Een aanpak om acquiescence
te elimineren is het vermijden van akkoord/niet akkoord, ja/neen, enz.
Ulrike Lorent, Tessa Meyntjens, Shauni Collier,
Liv Vanabdeel & Karolien Willaerts
27
2012-2013
Samenvatting Algemene Psychologie (Basis+Uitbreiding)
De volgorde van antwoordalternatieven
Effecten van volgorde gaan groter zijn onder condities wanneer satisficing meer naar voren komt
geschoven. Categorische vragen lijken toepasbaar op rating scales, maar op een andere manier dan
voor categorische vragen(???). Bijna alle studies die over respons volgorde effect gaan in rating
scales heeft betrekking tot visuele presentatie, en wanneer volgorde-effecten, ze waren bijna
allemaal uniform aan primacy effects.
Treatment of No-opinion
Aan de ene kant werkt DK filters voor mensen zonder informatie en het dan dus bekennen, maar aan
de andere kant gaan DK filters te ver en ontmoedigen mensen die informatie hebben die een
betekenisvol antwoord genereren van het uit te drukken. Volgens de proponenten van DK-filters is
de meet voorkomende reden voor DK’s is dat de respondenten de nodige informatie niet beschikt
en/of ervaring waarmee hij een attitude vormt. DK antwoorden kunnen ook resulteren op het punt
waar respondenten een poging doen om hun oordeel te vertalen in de keuzes aangeboden door de
vragen. Het lijkt ook mogelijk dat sommige DK antwoorden voorkomen voor respondenten zelfs een
poging hebben gedaan om relevante informatie op te halen.
Satisficing theorie helpt rekening te houden met het feit dat DK filters de data kwaliteit niet
consistent verbeteren. Dit perspectief suggereert dat DK opties vooral respondenten moet
aantrekken onder condities satisficing te bevorderen. DK antwoorden zijn meer geliked wanneer
vragen later in de vragenlijst verschijnen. Een laatste reden waarom mensen DK-optie verkiezen is
het verlangen om een sociaal onwenselijk of niet flatterend beeld van henzelf te vermijden.
Social desirability response bias
De meest voorkomende geciteerd bewijs voor het misrapporteren in onderzoeken komt van recordcheck studies, waarin de respondentantwoorden vergeleken worden tegen vermeldingen in officiële
documenten. Bewijs van sociale onwenselijkheid bias komt ook vanuit de analyses van interviewer
effecten. Deze bevindingen suggereren dat het elimineren van de interviewer deze sociale
onwenselijkheid response bias kan doen afnemen.
Het aanbieden van anonimiteit op zelf-geadministreerde vragenlijsten zouden de sociale druk verder
moeten verminderen, en dus ook de sociale onwenselijkheid doen verminderen. Een andere
methode om de sociale onwenselijkheid te verminderen is het legitimeren van de minder wenselijke
response optie. Uiteindelijk, consistent met het advies in de vorige sectie die betrekking hebben op
de DK’s is het beter om geen expliciete DK-opties te voorzien voor gevoelige items, als ze meer
geneigd zijn om een cover voor sociaal onwenselijke antwoorden te voorzien.
Recall error
Vragen over het verleden zijn onderworpen aan twee belangrijke bronnen van fouten:
1. Comprehensie.
2. Zwakheden van het geheugen.
Door het toevoegen van zinnen, en daardoor de vraag te verlengen, kan de respondent tijd krijgen
om na te denken te stimuleren. Een andere manier om de tijd te verlengen om te antwoorden op
Ulrike Lorent, Tessa Meyntjens, Shauni Collier,
Liv Vanabdeel & Karolien Willaerts
28
2012-2013
Samenvatting Algemene Psychologie (Basis+Uitbreiding)
vragen is het voorzien van expliciete instructies aan de respondenten over de belangrijkheid en
voorzichtigheid van het zoeken in het geheugen. Nog een andere manier is het vereenvoudigen van
de taak dat betrekking heeft tot decompositie. Nog een andere manier om het geheugen van de
respondent te helpen is om vragen-cues te kiezen die gelijkaardig waren op het moment van het
encoderen.
Question order
Beslissingen over de volgorde van de items in een vragenlijst moeten gegidst worden met hetzelfde
doel dat de beslissingen gidst over het minimaliseren van fouten. De vragenvolgorde heeft twee
grote facetten:
1. Serie: kan opereren in op zijn minst 3 manieren:
a. Beinvloeden van de motivatie.
b. Het promoten van leren.
c. Vermoeidheid produceren.
2. Semantisch.
Dus een vragenlijst zijn initiële items voorziet gewoonlijk een sterke band met het onderwerp en het
doel dat werd beschreven in de onderzoekhandleiding, de respondent zijn belangen erbij betrekken,
en een minimale responslast leggen.
Conventionele wijsheid houdt in dat antwoorden in vroege items gevoeliger zijn voor fouten, omdat
respondenten nog niet tot het volledige rapport zijn gekomen of de respondent heeft de rol die hij
moet hanteren nog niet volledig geleerd. Alhoewel respondent leren voordelig kan zijn, kan het
nadelig zijn in situaties zoals screening items. Latere items in een vragenlijst kunnen leiden aan
vermoeidheidseffecten als de respondent moe begint te worden. Doorheen een vragenlijst, moeten
items coherent zijn, wat meestal vereist dat items met gerelateerde onderwerpen gegroepeerd
moeten worden.
Testing and evaluating questionnaires
Het maakt niet uit hoe goed een vragenlijst aan de voorwaarden voldoet, het is beter om de
vragenlijst eerst uit te testen vooraleer het echt te gaan gebruiken: een formele evaluatie uitvoeren
vooraleer je de hoofdvragenlijst uitvoert. Sommige evaluatiemethoden vereisen administratie van de
vragenlijst aan respondenten waar anderen dat niet doen.
Hoofdstuk 4: Waarneming
Sensorische processen
Sensorische processen betreffen enkel de registratie van externe energie en de omzetting
(transductie) van externe naar interne energievormen. Er is dus enkel een gewaarwording van de
prikkel. Deze informatie geregistreerd door de zintuigen noemen we ook de proximale prikkel, en
waarneming zorgt er dan voor dat we die prikkel kunnen interpreteren als veroorzaakt door een
externe werkelijkheid: De distale prikkel.
Naast de 5 zintuigen heb je ook nog de thermosoren (temperatuur), propriosensoren (positie in
ruimte), nocisensoren (pijn) en de sensoren van de interne organen (Vb. bloeddruk).
Ulrike Lorent, Tessa Meyntjens, Shauni Collier,
Liv Vanabdeel & Karolien Willaerts
29
2012-2013
Samenvatting Algemene Psychologie (Basis+Uitbreiding)
Visueel systeem
Het visuele systeem omvat het oog, de zenuwbaan van het oog naar de hersenen, de thalamus en de
visuele cortex. Het oog is een bol. Licht komt via de pupil naar binnen en wordt via de lens
omgekeerd geprojecteerd op lichtgevoelige cellen op het netvlies (retina). De zenuwbanen die
daaruit vertrekken, worden gebundeld in de oogzenuw (nervus opticus), die visuele informatie op
weg naar de hersenen stuurt. De oogzenuw bevat ongeveer 1 miljoen zenuwvezels. De meeste vezels
in de oogzenuwen uit beide ogen kruisen ter hoogte van het chiasma opticum. De oogzenuw vertakt
zich daarna ter hoogte van de thalamus in het corpus geniculatum laterale. Vervolgens gaat het
verder naar de visuele cortex in de occipitale lob, achteraan in de hersenen.
Wanneer er beschadiging is aan de oogzenuw door bv. een ongeval, spreken we van een anopsie.
Het type anopsie hangt samen met de plaats van de beschadiging.
Het oog omvat een aantal structuren. Het hoornvlies (cornea) neemt het grootste deel van het
focussen van het licht op zich. De pupil dient niet enkel om de hoeveelheid binnendringend licht te
regelen. Dit is eigenlijk alleen zo onder scotopische omstandigheden, wanneer er weinig licht
voorhanden is en de pupil helemaal open komt te staan om zoveel mogelijk licht in het oog te laten
vallen. Bij normaal, helder licht spreken we van fonotopische omstandigheden. De functie van de
pupil is dan eerder het projecteren van licht door het centrale deel van de lens.
De lens zorgt ervoor dat het binnenkomende licht wordt gefocust op de lichtgevoelige receptoren,
dit gebeurt door accommodatie (dikker of dunner worden van de lens). Er is een afwijking in de
breking aan de uiteinden van de lens t.o.v. het midden. De verschillende kleuren worden bovendien
op een ongelijke manier gefocust. Ten slotte sterven de binnenste cellen van de lens voortdurend af,
zodat de lens bij het ouder worden steeds moeilijker accommodeert.
Omdat het licht binnenvalt in het oog door de bolle (convexe) ooglens wordt gebroken, wordt elk
extern object gespiegeld geprojecteerd op het netvlies (retina). Hierbij hebben we het probleem van
de omgekeerde optica: eenzelfde tweedimensionaal beeld kan veroorzaakt worden door een
oneindig aantal driedimensionale werkelijkheden. De retina waarop het binnenvallend licht
geprojecteerd wordt, bevat lichtgevoelige cellen. De basis van deze lichtgevoeligheid is een
fotochemisch proces. Dit betekent dat onder invloed van licht, bepaalde chemische stoffen in deze
receptoren omgezet worden. Deze geven dan weer aanleiding tot elektrische zenuwimpulsen. Dit
vertaalproces wordt transductie genoemd. In de retina worden 2 soorten cellen onderscheiden:
1. Staafjes (rods): zijn lichtgevoelig en hebben minder licht nodig om te werken. Ze zijn vooral
gevoelig voor licht van korte en middellange golflengte en weinig gevoelig voor licht van
langere golflengten. De staafjes zorgen dus voor het nachtzicht.
2. Kegeltjes (cones): Kegeltjes vereisen hoge licht intensiteiten om te werken en zorgen dus
voor scherp, kleurrijk dagzicht. Kegeltjes zorgen voor kleuren, er zijn 3 type kegeltjes:
a. Korte golflengte (blauw).
b. Middellange (groen).
c. Lange golflengte (rood).
De kegeltjes bevinden zich op een bepaalde plaats, m.n. de fovea (het punt waaromheen de centrale
delen van het gezichtsveld worden geprojecteerd. Er is een zeer hoge densiteit van receptoren om
Ulrike Lorent, Tessa Meyntjens, Shauni Collier,
Liv Vanabdeel & Karolien Willaerts
30
2012-2013
Samenvatting Algemene Psychologie (Basis+Uitbreiding)
deze plaats. Bovendien is er een individuele communicatie tussen de receptorcellen en de hoger
gelegen hersencentra. In tegenstelling tot wat het geval is voor de fovea, zitten er op de plaats waar
de oogzenuw buiten het oog treedt, helemaal geen receptoren. Deze plaats wordt de blinde vlek
genoemd.
Met een prismabril wordt de visuele input horizontaal verschoven, waardoor de kijker fouten gaat
maken wanneer zij naar een visueel punt moet wijzen. Deze fout verdwijnt wanneer de kijker een
tijd heeft kunnen oefenen (na adaptatie). Wanneer de bril dan weer verwijderd wordt, moet de
kijker zich weer aanpassen en gaat zij overcompenseren, een tijdlang een fout maken in de
tegengestelde richting.
Voorbeelden van sensorische processen
-
-
Adaptatie: Dit is een eigenschap van het oog waarbij de gevoeligheid ervan aangepast wordt
aan het wisselende helderheidsniveau van de omgeving.
 Lichtadaptatie: Er werd een proefje gedaan waarbij mensen vanuit daglicht in een donkere
kamer werden geplaatst waarna gemeten werd welk lichtniveau zij konden waarnemen. De
voorafgaande lichtadaptatie kon sterk, matig of zwak zijn.
 Donkeradaptatie: Dat staafjes en kegeltjes bij donkeradaptatie gevoeliger worden is het
gevolg van de regeneratie van de fotopigmenten in de retina. In staafjes is dit rhodopsine,
in de kegeltjes heten deze pigmenten rood-, blauw- en groen-gevoelig opsine. Door licht
worden deze stoffen immers omgezet naar een andere vorm met vrijgave van een
elektrische impuls, waardoor de retina verbleekt (bleaching).
Nabeelden: Je krijgt hierbij een negatief beeld. De verklaring is gelegen in het selectieve
bleken of bleachen van receptoren. De figuur weerkaatst het licht dat door de
fotoreceptoren wordt omgezet naar elektrische impulsen. Door deze omzetting wordt het
fotopigment gebleekt.
Perceptuele processen
Perceptuele processen werken verder op het resultaat van de sensorische processen: een patroon
van binnenkomende zenuwprikkels vanuit de zintuigen wordt herkend, geïnterpreteerd als
bewijsmateriaal voor de externe aanwezigheid van een bepaalde stimulus.
Enerzijds waren er de voorstanders van de concept-gestuurde of top-down verwerking volgens welke
patroonherkenning bereikt wordt door de sensorische data te verrijken met interpretaties gebaseerd
op de impliciete en/of expliciete kennis en verwachtingen die je hebt over je visuele omgeving.
Anderzijds was er een sterke stroming met als doel het bouwen van een waarnemende computer,
een krachtige machine die beelden even snel en correct als het menselijke visuele systeem zou
kunnen herkennen (bottom-up of data-gestuurde verwerking).
De meest recente theoretische modellen van patroonherkenning benadrukken de voortdurende
interactie van twee stromen van informatieverwerking. Enerzijds is er inderdaad de automatische,
data-gestuurde analyse. Via een iets tragere, concept-gestuurde, terugkerende verwerkingsstroom
worden die hypotheses vergeleken met de aanwezige sensorische data en wordt zo het proces van
patroonherkenning gestroomlijnd en versneld.
Ulrike Lorent, Tessa Meyntjens, Shauni Collier,
Liv Vanabdeel & Karolien Willaerts
31
2012-2013
Samenvatting Algemene Psychologie (Basis+Uitbreiding)
Een volledige waarnemingstheorie
Marrs ontwikkelde met zijn data-gestuurd proces een duidelijke visie op de eigenschappen die een
volledige cognitieve theorie van waarnemen zou moeten hebben. Centraal daarin stond de stelling
dat de theorie tegelijktijdig op 3 verschillende niveaus moest worden uitgebouwd:
1. Computationele niveau: Er moet een goede analyse gemaakt worden van wat de input en
output van het waarnemingssysteem zijn en welke de tussenliggende stappen zijn.
2. Algoritmisch niveau: De theorie moet veel specifieker worden en moet aangeven welke
precieze informatie-transformaties erbij betrokken zijn om vanuit sensorische data een
bepaalde mentale representatie op te bouwen.
3. Implementationele: Hier wordt de vraag gesteld op welke fysieke hardware al deze
berekeningen en transformaties draaien.
Vanuit V1 (het deel van de visuele cortex waar de oogzenuwen met info uit de ogen aankomen)
vertrekken 2 paden:
-
-
Dorsale stroom (where stream): Deze vertrekt van bovenaan in de hersenen en loopt via de
gebieden V2, V3 en MT (MT = gespecialiseerd in bewegingsinformatie). Vb. van beschadiging
aan de dorsale stroom: optische ataxia (De patiënt heeft het moeilijk bij het grijpen of het
aanwijzen van objecten, zonder dat er een herkenningsprobleem is).
Ventrale stroom (what stream): vertrekt onderaan in de hersenen en loopt van V2 over V4
naar IT (de infero-temporale cortex). Vb. van beschadiging aan ventrale stroom: visuele
agnosie (patiënt heeft het moeilijk met het herkennen van de voorwerpen, maar niet met
het lokaliseren ervan).
Visuele illusies
Soms zien we de realiteit heel anders dan ze werkelijk is. Zelfs als we weten welke fouten we zien,
kunnen we toch niet veridicaal waarnemen. Dit leert ons veel over hoe waarneming werkt:
-
Ten dele door het toepassen van vaste informatieverwerkingsregels (algoritmes) zoals een
computerprogramma
Ten dele door het creatief toepassen van op veronderstellingen gebaseerde vuistregels
(heuristieken) om zo tot de meest waarschijnlijke interpretatie te komen
De waarneming van beweging
Akinetopsia is een aandoening waarbij objecten schenen bevroren te zijn tot ze opeens op een
andere plaats opdoken.
Om een echt beweging te detecteren hebben we een non-sensorische vorm van verwerking nodig,
vb. bewegingsdetector of Reichardt-detector. Indien een object van links naar rechts beweegt, zal
eerst de linkerreceptor geactiveerd worden en na een korte tijdsinterval de rechterreceptor. Beide
receptoren zijn verbonden met de bewegingsdetector, waarbij een vertraging is ingebouwd na de
linkerreceptor. De bewegingsdetector zal alleen vuren als beide signalen tegelijkertijd arriveren. Het
fenomeen van schijnbare bewegingen kan ook eenvoudig uitgelegd worden a.d.h.v.
bewegingsdetectoren. Het bestaan van deze detectoren wordt ten slotte ook bevestigd door het
Ulrike Lorent, Tessa Meyntjens, Shauni Collier,
Liv Vanabdeel & Karolien Willaerts
32
2012-2013
Samenvatting Algemene Psychologie (Basis+Uitbreiding)
zogenaamde motion after effect. In principe zou een Reichardt-detector ook vuren als je het hoofd
beweegt.
De waarneming van identiteit
Het is nuttig om een interactie tussen data- en concept-gestuurde verwerking te hebben. Er is vb.
een invloed van concept-gedreven contexteffecten die ervoor zorgen dat onze kennis van het soort
voorwerpen in een bepaald onderwerp ons in staat stelt om het wazige beeld toch juist te
interpreteren. Effecten van een scene context zijn een voorbeeld van de wijze waarop cognitieve
verwachtingen hypotheses voor patroonherkenning gaan genereren waarvoor we dan actief in de
sensorische data naar bewijs gaan zoeken. Dit kan tot waarnemingsfouten leiden wanneer de data
niet kloppen met onze hypothese en we ze toch in die interpretatie dwingen.
Data gestuurde verwerking
Verloopt in 3 fasen:
1. Primaire schets: De prikkeling van individuele fotoreceptoren die binnenkomen op het
netvlies geven een eerste ruw beeld berekend van contouren en vlekken die in het beeld
geprojecteerd werden.
2. Alle elementen van de primaire schets moeten georganiseerd worden. Deze perceptuele
organisatie verloopt grotendeels volgens organisatieprincipes die in het visuele systeem
voorgeprogrammeerd lijken en die uitvoerig bestudeerd worden door de
Gestaltpsychologen.
 Nabijheid: We gaan lossen elementen die in een patroon automatisch groeperen in
elementen die dicht bij elkaar staan.
 Similariteit: of die er gelijkaardig uitzien.
 Continuïteit: We zien elementen in elkaars verlengde liggen.
 Closure: De groepering van vlakken zien we als een aaneengesloten gebied, en als we
kunnen kiezen voor een eenvoudige, symmetrische organisatie verkiezen we die
interpretatie boven een even juiste maar complexere “tekening”.
 Gebied = figuur-achtergrond: kleine dingen zitten we op een grote achtergrond, maar
eigenlijk kan je het ook anders bekijken. Het kleine wordt meestal als figuur gezien.
 Symmetrie: Je gaat zelf naar symmetrie zoeken in figuren.
3. Het georganiseerde patroon moet uiteindelijk vergeleken worden met voorafgaande
opgeslagen kennis over de externe wereld.
Een zeer eenvoudige bottom-up systeem voor patroonherkenning is template matching. In dit
systeem wordt ieder beeld vergeleken met een reeks vastgelegde vormen: templates of matrijzen.
Template matching laat een parallelle verwerking toe. Echter, op een aantal punten voldoet het
template model niet. Het voornaamste bezwaar is dat een dergelijk systeem de flexibiliteit van de
menselijke waarneming mist. De lens in het template-matching systeem kan natuurlijk uitgebreid
worden met oriëntatie- en een grootte-aanpassing. Het template model gaat er eveneens vanuit dat
de mens iedere mogelijke waarneembare vorm opgeslagen heeft in zijn visuele kennisbestand, en dit
lijkt onwaarschijnlijk.
Ulrike Lorent, Tessa Meyntjens, Shauni Collier,
Liv Vanabdeel & Karolien Willaerts
33
2012-2013
Samenvatting Algemene Psychologie (Basis+Uitbreiding)
Een alternatief voor de template matching is daarom feature analysis. Een prikkel wordt dus
geanalyseerd in zijn basiseigenschappen of features. Dit model komt tegemoet aan enkele bezwaren
van het template matching model. Daarom vormde deze benadering de basis voor krachtige
modellen van patroonherkenning zoals het recognition-by-components (RBC)-model. Dit model gaat
ervan uit dat de meeste voorwerpen beschreven kunnen worden als unieke combinaties van een
klein aantal volumes (geons genoemd), gekozen uit een beperkte set van 36 waarmee het merendeel
van de voorkomende objecten beschreven kan worden. Objectherkenning is dan een kwestie van het
detecteren van de aanwezige geons in een bepaald beeld en het vaststellen van de ruimtelijke
relaties die tussen die geons bestaan.
Concept gestuurde verwerking
Top-down processen in onze waarneming zijn niet altijd context-specifiek. Soms zijn top-down
processen veel algemener van aard, zoals het geval is bij het tot stand brengen van perceptuele
constantie. Hierbij gaat het om het vaststellen dat we een onbeperkte hoeveelheid proximale
prikkels zonder problemen ervaren als een bewijs voor een veel kleiner aantal distale prikkels.
Vb. grootteconstantie: We zien een auto groter worden, maar beseffen dat deze auto gewoon
dichterbij komt i.p.v. dat de auto groeit. De grootte van een object schat je op de grond van heel wat
verschillende parameters waaronder:
-
De retinale grootte.
De afstand.
De perspectiefcues.
Een ander voorbeeld is de vormconstantie (een deur verandert niet van vorm als hij open gaat) en
kleurconstantie (een tomaat blijft rood, zelfs onder een blauwe lamp).
Toepassing
Signaaldetectie
Het onderzoek naar de gevoeligheid van onze zintuigen werd aanvankelijk opgezet vanuit een
bottom-up benadering. Onderzoekers gingen ervan uit dat de waarnemingsdrempel alleen bepaald
werd door de eigenschappen van de prikkel en door de objectieve, biologische karakteristieken van
het dataverwerkende zintuig. Of je een prikkel waarneemt wordt uitsluitend bepaald door de vraag
of de prikkelintensiteit de biologische gevoeligheidsdrempel van het zintuig overschrijdt. Is de
intensiteit hoger dan de drempel dan zal je de prikkel waarnemen en anders niet. Deze theorie wordt
de drempeltheorie genoemd. Later bleek ook de subjectieve (on)zekerheid en motivatie van de
waarnemer een grote rol te spelen in het bepalen van deze drempel. Hierdoor werd er over
geschakeld naar een signaaldetectietheorie.
Zintuiglijke drempels
Hier is er sprake van een absolute drempel (Dit is de kleinste lichtsterkte die een persoon nog kan
waarnemen) en een differentiële drempel (Dit is het kleinste waarneembare verschil tussen twee
lichtprikkels). De intensiteit van een gewaarwording is volgens Feshner niet proportioneel met de
absolute intensiteit van de stimulus, maar met het logaritme van de verhouding tussen de absolute
Ulrike Lorent, Tessa Meyntjens, Shauni Collier,
Liv Vanabdeel & Karolien Willaerts
34
2012-2013
Samenvatting Algemene Psychologie (Basis+Uitbreiding)
stimulusintensiteit en de drempelintensiteit. Feshner werd daarmee de grondlegger van de
psychofysica. Drempelmetingen hebben ons veel geleerd over:



De relatieve gevoeligheid van zintuigen
Weber fractie :  =  . K
K varieert van zintuig tot zintuig
De wetmatige relaties tussen intensiteit van de prikkel en intensiteit van de waarneming
Wet van Fechner: ψ = K . log (φ / φ0)
Onzekere beslissingen
Signaaldetectietheorie:
Klassieke drempelmetingen hielden enkel
rekening met stimulusgegevens. Niet met
motivatie, (on)zekerheid pp, meetmethode…
Verliest uit het oog dat het hier voor de
proefpersoon gaat om een
signaaldetectiemeting:
-
Is signaal wel zeker?
Is de ontvangst wel goed?
Zit er ruis op de communicatie?
Performantie in signaaldetectie kan op 2 manieren veranderen
1. Sensitiviteit wordt hoger = Signaal en signaal+ruis distributies schuiven uit elkaar
 Signaal + ruis schuift naar rechts omdat detector gevoeliger wordt
 Ruis schuift naar links omdat ruis onderdrukt wordt en/of de detector specifieker en
dus minder gevoelig wordt voor ruis
 Beide verschuivingen treden tegelijk op = ideale situatie
 Detector wordt gevoeliger EN specifieker
 Meer hits EN meer correcte verwerpingen
2. Antwoordtendens verandert
 Pp wordt conservatiever, minder geneigd om aan te nemen dat het signaal er is
 Gebeurt wanneer signaal weinig voorkomt, heel zwak is, kosten van een vals alarm te
hoog zijn
 Pp wordt liberaler, meer geneigd om aan te nemen dat het signaal er is
 Gebeurt wanneer signaal vaak en duidelijk optreedt, wanneer kosten van een misser
hoog zijn.
In beide gevallen is er GEEN verbetering in performantie, enkel een verandering in antwoordtendens.
Signaaldetectietheorie is ontwikkeld vanuit de waarnemingspsychologie. Dit kan toegepast worden
op ELKE situatie waarin beslissingen onder onzekerheid moeten genomen worden.
Signaaldetectietheorie biedt een instrument om de effectiviteit te meten van ingrepen gericht op
verhoging sensitiviteit en specificiteit in ELK beslissingsproces.
Ulrike Lorent, Tessa Meyntjens, Shauni Collier,
Liv Vanabdeel & Karolien Willaerts
35
2012-2013
Samenvatting Algemene Psychologie (Basis+Uitbreiding)
Perceptuele ergonomie
Ergonomie is de wetenschap die tot doel heeft taakomgevingen en de mensen die er in functioneren
zo goed mogelijk op elkaar af te stemmen en zo de uitvoering van de taak en het welzijn van de
werknemers te optimaliseren. Ergonomen maken in hun onderzoek en interventies een analyse van
de taak en de mens vanuit verschillende invalshoeken.
-
Purkinje-effect: Het verschil tussen staafjes en kegeltjes verklaart waarom we ’s nachts
gevoelig zijn voor groen-blauw licht en overdag voor geel-rood licht.
Perceptuele ergonomie levert niet alleen inzichten op voor een verbetering van de taakomgevingen,
maar kan ook helpen te begrijpen waarom er iets fout gaat bij de uitvoering van taken.
Hoofdstuk 5: Geheugen (basis)
Exceptionele geheugens
Donny is een jonge man met autisme-spectrum stoornis en een laag IQ (zie testresultaten). Donny
kan van iedere datum tussen jaar 1 en jaar 9999 de weekdag zeggen binnen 1s (98% accuraat).
Donny is een idiot savant. SF is een jonge student met gemiddelde intelligentie. SF heeft een
geheugenspan van 80 cijfers. SF oefende hiervoor 1 uur per dag, 3 à 5 dagen per week gedurende 20
maanden.
Structuur van het geheugen
De information processing-benadering heeft de opvatting dat een mens een informatieverwerkend
systeem is. Bij de studie van het geheugen moet een onderscheid gemaakt worden tussen de
structuur en de werking van het geheugen. Voor de werking van het geheugen te verklaren, wordt bij
regelmaat gebruik gemaakt van metaforen. Het geheugen wordt meestal gedefinieerd als het
vermogen om informatie op te slaan, te bewaren en op te halen:
-
Encoding: Het proces waarbij informatie wordt omgezet naar een geheugenpresentatie.
Consolidation: Het vastzetten of duurzaam maken van het geheugenspoor.
Retrieval: Het ophalen of terug actief maken van informatie.
Er was een memory wars strijd tussen psychologen over repressed en recovered memories. Volgens
het ene kamp (meestal klinische psychologen) onderdrukken sommige mensen hun herinneringen,
omdat deze zo traumatisch zijn. Daarbij is het volgens hen mogelijk dat deze onderdrukte
herinneringen vele jaren later terug naar boven kunnen komen. Het andere kamp stelt dat deze
herinneringen veelal foutief zijn en geconstrueerd worden tijdens therapeutische sessies.
Het standaardmodel
1. Sensorisch register: Hierbij wordt de
informatie passief door de zintuigen
opgenomen.
a. Visueel (iconisch) register.
b. Auditief (egoïsch) register.
c. Tactiel (haptisch) register.
Ulrike Lorent, Tessa Meyntjens, Shauni Collier,
Liv Vanabdeel & Karolien Willaerts
36
2012-2013
Samenvatting Algemene Psychologie (Basis+Uitbreiding)
-
Experiment van Sperling:

Twee condities: Full recall (alle elementen opschrijven) & partial recall (na beeld
komt toon  Reproductie matrix = afhankelijk van toon).

Manipulatie van tijd tussen prestatie & herinnering.
2. Korte termijngeheugen: Als er aandacht besteed wordt aan de informatie, dan beland deze
informatie in het korte termijngeheugen. De capaciteit van het korte termijn geheugen lijkt
zeer klein, nl. 7 chunks +/-2. Een chunk is een zinvolle informatie-eenheid, waarbij informatie
wordt gegroepeerd. Het kortetermijngeheugen bevat ook een rehearsal buffer en
controleprocessen.
- Experiment van Gobet & Clarkson:
 Condities: reële tweekamp & willekeurige plaatsing schaakstukken.
 Proefpersonen: Meester, Klasse B-speler & Beginner.
o Cowan: Magical mystery four.
o Vrije herinneringstaak:
 Seriële positie-effect:
 Primacy-effect: weerspiegelt de inhoud van het langetermijngeheugen.
 Recency-effect: weerspiegelt de inhoud van het kortetermijngeheugen.
- Murdoch:
 Condities: 6 groepen woordenlijsten v. verschillende lengte & verschillend prestatieritme.
 Rehearselproces.
- Proef van Brown-Peterson:
 Conditie: Proefpersonen krijgen een zinloze lettergreep.

Je kan dit onthouden als je tijd hebt voor rehearsal.
 Conditie zonder rehearsal: Hierbij krijgen proefpersonen een zinloze lettergreep,
maar kunnen geen gebruik maken van rehearsal en dan krijg je een getal waar je
telkens min 3 moet doen. De tijd wordt hiervoor gevarieerd.

Je meet op de Y-as de herinnering van het correct opsommen van de
lettergreep.

Na ongeveer 20 seconden ben je je geheugen kwijt.
3. Lange termijngeheugen:
a.
Declaratief geheugen: Het onthouden van feiten en gebeurtenissen.
i.
Semantisch geheugen:
- Collins & Quillian: PP moet antwoorden met ja of nee.
 2condities: Klasse relatie (minder tijd) & eigenschapsrelatie (meer tijd).
 Spreiding van activatie.
ii.
Episodisch geheugen: onthoud tijd gerelateerde informatie.

Autobiografisch geheugen: specifieke vorm van het episodisch geheugen;
refereert aan persoonlijk ervaren en emotionele gebeurtenissen:
 Infantiele amnesie: herinneringen voor de leeftijd van 4j zijn
zeldzaam.
 Reminiscentiebult: Volwassenen herinneren zich meer
gebeurtenissen tussen hun 20ste en 30ste dan uit andere perioden.
Ulrike Lorent, Tessa Meyntjens, Shauni Collier,
Liv Vanabdeel & Karolien Willaerts
37
2012-2013
Samenvatting Algemene Psychologie (Basis+Uitbreiding)
b.
-
Non-declaratief geheugen: vrij gespecialiseerde systemen waar we ons minder
bewust van zijn.
i.
Procedureel geheugen.
ii.
Priming.
iii.
Conditionering.
Alvarez & Olivia: Onderzoek uitgevoerd waaruit bleek dat de deelnemers een gedetailleerde
herinnering hebben aan de duizenden getoonde beelden.
Problemen met rehearsal:
-
De articulatiesnelheid heeft niet altijd invloed op de geheugenspan; andere factoren zoals
gelijkenis, woord versus non-woord (bij gelijke snelheid) hebben wel invloed.
Woordlengte effect blijft soms bestaan bij afwezigheid van rehearsal (bv. bij zeer snelle
presentatie ).
Problemen met decay:
-
Tijd op zich is een onvoldoende verklaring (cfr. roesten). De specifieke activiteiten tijdens het
retentie-interval spelen wel degelijk een rol.
Suffix-effect: irrelevante info aan einde lijst kan het recency effect verminderen (bv. de
instructie “herhaal” op het einde van de lijst).
Het werkgeheugenmodel
Het werkgeheugenmodel (Baddeley) verwijst naar
een systeem met beperkte capaciteit voor tijdelijke
opslag en manipulatie van informatie dat nodig is om
complexe taken uit te voeren.
1. Fonologische lus (phonological loop) =
articulatorische lus: slaat auditieve informatie
op.
- Baddeley & Larsen:

2 Condities: 6 fonologische letters & 6 niet-fonologische letters.

Articulatorische suppressie: MA zeggen tijdens presentatie 6 letters.
 Visuele aanbieding: geen verschil in herinnering.
 Auditieve aanbieding: fonologie speelt wel een rol.
2. Visuo-spatieel schetsblok: integreert ruimtelijke, visuele en misschien ook
bewegingsinformatie.
- Corsi Block-Tapping Taak: Simon-spel-achtig.
- Vandierendonck, Kemps, Fastame & Szmalec

Computerversie Corsi Block-Tapping Taak + concurrerende taak.

Articulatorische onderdrukking  ‘The’ zeggen.
3. Episodische buffer: Hier wordt de informatie bewaard. De episodische buffer is ook de plaats
waar de informatie uit diverse opslagsystemen wordt geintegreerd.
Ulrike Lorent, Tessa Meyntjens, Shauni Collier,
Liv Vanabdeel & Karolien Willaerts
38
2012-2013
Samenvatting Algemene Psychologie (Basis+Uitbreiding)
Door de 3 subsystemen onafhankelijk van elkaar werken, is er in het werkgeheugenmodel een
centrale verwerker (central executive) nodig. Deze centrale verwerker integreert de verschillende
subsystemen en verdeelt de aandacht.
Werking van het geheugen
Opslaan van informatie
Bij het encoderen wordt informatie omgezet naar een geheugenprestatie. Deze processen worden in
gang gezet bij de waarneming:
-
-
Levels-of-processing-theorie: ziet het geheugen als een bijproduct van de waarneming. De
diepte van de verwerking heeft daarbij een groot effect op het geheugenspoor.

Foos & Goolkaisan:
o PP’en kregen woorden of afbeeldingen van voorwerpen met daarbij gestelde vragen.
o 2 condities: Intentionele (op de hoogte dat het een geheugentest was) & incidentele
(niet op de hoogte).
 Diepe verwerking  Semantische verwerking.
 Incidentele, diepe verwerking  Geen verschil tussen modaliteiten.
 Congruentie-effect: Woorden die congruent waren met de vraag worden beter
onthouden, dan woorden die niet congruent zijn met de vraag.
 Elaboratie: Het leggen van (dwars)verbanden. Door het verbinden van bestaande kennis
met de te onthouden info wordt het geheugenspoor versterkt. Dit verbinden/elaboreren
treedt op bij congruente responsen, maar niet bij incongruente.
Encoding specificity-principe: stelt dat hoe en of informatie in het geheugen teruggevonden
kan worden afhankelijk is van hoe het bewaard is.

Spence, Wong, Rusan & Rastegar:
o 4 condities: CC, CM, MC & MM.
o Aangeven of afbeelding al dan niet nieuw was.
 Beste prestatie: MM- & CC-conditie.
 Slechtste prestatie: MC-conditie.
Bewaren van informatie
Na het encoderen dient het geheugenspoor versterkt te worden. We spreken hier van consolideren
van informatie. Consolidatie is de progressieve stabilisatie van het langetermijngeheugen. Door deze
stabilisatie wordt het geheugenspoor (engram) minder vatbaar voor beschadiging. Meestal worden 2
fasen onderscheiden:
1. Synaptische fase: duurt ongeveer 1u en is o.m. geconstateerd bij dieren die een handeling
leerden.
2. Systeemconsolidatiefase: duurt verscheidene uren tot dagen. In deze periode worden de
hersencircuits gereorganiseerd, waarbij de hippocampus een belangrijke rol speelt.
Amnesie: treedt vaak op na een hersenletsel o.i.d.:

Retrograde amnesie: betreft de herinneringen voor het trauma.

Anterograde amnesie: de persoon kan hier geen nieuwe informatie meer
opnemen.
Ulrike Lorent, Tessa Meyntjens, Shauni Collier,
Liv Vanabdeel & Karolien Willaerts
39
2012-2013
Samenvatting Algemene Psychologie (Basis+Uitbreiding)
Quintilianus: stelde dat een nachtje slapen een gunstig effect zou hebben op het onthouden van
informatie.
-
Ellenbogen, Hulbert, Stickgold et al.:

2 condities: Woordparen A-B leren & interferentiegroep: A-B & A-C test leren.
 Slaap heeft een klein marginaal significant effect op de leerprestatie.
 Interferentiegroep: Slaap heeft hier wel een beduidend positief effect.
Er zijn twee vormen van interferentie:
1. Retroactieve inferentie: treedt op als het leren van nieuw materiaal het bewaren van oud
materiaal verstoord.
2. Proactieve interferentie: krijg je als vroeger geleerd materiaal een storende invloed heeft op
het verwerven van nieuw materiaal.
Ophalen van informatie
Hier treden zowel zoekprocessen op in het korte- als het langetermijngeheugen.
-
Studie van Sternberg:
 Lijst van 1 tot 6 cijfers + testcijfer (probe).
 Aangeven of het cijfer voorkwam in de lijst.
 Hoe meer items een lijst bevat, hoe langer het zoekproces duurt.
 Parallel zoekproces: Alle cijfers worden in 1x vergeleken met het testcijfer.
 Serieel zoekproces: Cijfers uit de lijst worden 1 voor 1 vergeleken met het testcijfer.

Exhausief zoekproces: De volledige lijst zal altijd volledig doorzocht worden.

Niet-exhausief proces: Gemiddeld moet je de helft van de items in de lijst
doorzoeken bij de positieve reacties.
Bij het zoekproces in het langetermijngeheugen is het zogenaamde puntje-op-de-tong-fenomeen een
zeer bekende ervaring. De persoon weet dat hij het antwoord kent maar kan het zich niet meteen
herinneren (ligt op het puntje van de tong). Het fenomeen kan ook experimenteel opgewekt worden:
-
Schwartz:

Oorzaak van emoties of veroorzaakt door emoties.
 Invloed van emoties? TOT werden opgewekt door vragen naar feiten zoals “What is the
term for ritual suicide in Japan?” (emotie-opwekkend) en “What is the capital of
Denmark?”
Bij het ophalen van informatie hoort ook het aspect van vergeten. Vergeten kan betekenen dat
informatie die ooit opgenomen was, nu verdwenen is, maar het ook het gevolg zijn van het falen van
het ophaalproces. In het sensorisch geheugen en korte termijngeheugen kan vergeten toegeschreven
worden aan verval in de tijd of aan interferentie.
-
Smithson & Mollon: Eerder besproken experiment van Sperling.
Berman, Jonides & Lewis:
 Vergeten is te wijten aan interferentie en in slechts heel minimale mate aan verval.

2 condities: 1 met en 1 zonder interferentie.
Ulrike Lorent, Tessa Meyntjens, Shauni Collier,
Liv Vanabdeel & Karolien Willaerts
40
2012-2013
Samenvatting Algemene Psychologie (Basis+Uitbreiding)
-

Lijst met 4 woorden, gevolgd door testwoord.
 Verstreken tijd heeft geen effect op de reactietijden voor de beurten met interferentie.
Vergeetcurve van Ebbinghaus.
Deze observaties schijnen erop te wijzen dat het langetermijngeheugen permanent is. informatie die
eenmaal opgenomen is, verdwijnt niet meer. Waarom wordt informatie dan toch vergeten?
-
Activatie is afhankelijk van de snelheid, de sterkte en het aantal concurrerende pad(en). Als
de snelheid van de activatieverspreiding traag is, is er sprake van vergeten.
Menselijke geheugen = bibliotheek.
Toepassing: Train je geheugen
Methoden die niet werken:
-
SQ3R: Lees de tekst 1x, lees hem 2x en lees hem 3x.
Slaapleren:

Informatie aangeboden tijdens de nacht
o Herinneren: Toevallige woorden, ‘er was iets’.
o Herkenning: Toeval.
o Opnieuw leren: Evenveel tijd nodig.

Waarom werkt het niet?
Methoden die wel werken:
-
Methode der loci:

Loop in je gedachten een weg af met minstens 20 stopplaatsen.

Ontspan je!

Luister naar het eerste woord en associeer dat (liefst creatief) met de eerste
stopplaats.

Ga naar de tweede stopplaats. Blijf ontspannen!

Enz.
Hoofdstuk 6: Aandacht (specialisatie)
Aandacht
Selectieve aandacht is nodig om de voortdurende vloedgolf van beschikbare prikkels te filteren en
alleen de meest gedragsrelevante in detail te verwerken, om daar dan snel en aangepast op te
reageren. Anderzijds zorgt die selectieve aandacht er wel voor dat de verwerking van nietgeselecteerde elementen onderdrukt wordt.
De aandacht verdeling tussen verschillende informatiekanalen is er belangrijk. Bovendien moeten we
vlot en op het juiste moment kunnen schakelen tussen verdeelde en selectieve aandacht om
informatie voldoende breed op te nemen en voldoende diep te verwerken.
Ulrike Lorent, Tessa Meyntjens, Shauni Collier,
Liv Vanabdeel & Karolien Willaerts
41
2012-2013
Samenvatting Algemene Psychologie (Basis+Uitbreiding)
Selectieve aandacht
Aandacht en filteren
-
Dichotische luistertaak (Cherry):

In elk oor wordt een andere boodschap aangeboden.

Taak: een van de boodschappen te negeren; concentreren op andere boodschap en
deze schaduwen.
 Dit lukt na bepaalde tijd.

Boodschap veranderen in oor van negatie en nagaan of deelnemers hier iets van
merken.

Condities: stemverandering, taalverandering, Engelse tekst; achterstevoren
afgespeeld; vervangen door muziek.
 Meeste deelnemers hadden door dat er een verschillende toonhoogte was bij de
overschakeling van man naar vrouw.
 Andere taal of omgekeerde spraak werd niet opgemerkt.
 Geen enkele herinnering aan de inhoud of betekenis van de boodschap.
Filtertheorie (Broadbent): Binnenkomende informatie uit verschillende zintuiglijke kanalen krijgen
wel een eerste sensorische representatie. Deze informatie wordt echter alleen voor het
geselecteerde kanaal door de filter gelaten om verder tot op betekenisniveau verwerkt te worden.
De filter staat vooraan in het informatieverwerkingsproces en daarom spreekt men van een vroegeselectietheorie.
Dit model (vroege-selectietheorie) stootte al snel op een aantal moeilijk te verklaren resultaten:
-
-
Cocktail party-effect: Je staat te praten met iemand in een ruimte met heel wat achtergrondgeluid, en je in die genegeerde achtergronddrukte toch ergens je naam hoort roepen.
 De vroege filter bleek dus wel een betekenisvolle verwerking in het genegeerde kanaal
toe te laten.
Subliminale perceptie: De deelnemers krijgen prikkels aangeboden met zo’n lage intensiteit
of korte duur dat ze onder de waarnemingsdrempel blijven. Deze prikkels werden dus zeker
niet geselecteerd voor betekenisanalyse en toch bleek hun betekenis een invloed te hebben
op daaropvolgend gedrag van de deelnemers.

Masked priming: Een doelstimulus moet in 2 condities herkend worden.
o Condities: Woord ‘zout’ & woord ‘peper’; andere conditie: woord ‘regen’.
o Priming effect: Voorprikkelen, voorverwarmen van een mentale representatie van
een stimulus die er nog niet is, maar die wel verwacht kan worden.
 Prime stimulus is niet bewust waarneembaar.

Sublimale primingeffecten:
o Pratkansis: had James Vicary kunnen doen laten bekennen dat zijn filmexperiment
verzonnen was om zijn reclamebureau te redden.
o Alleen bescheiden effecten kunnen gemeten worden.

Deelnemers in de studie moeten wel degelijk aandacht besteden aan de
sublimale prikkels.

Sublimale priming kan alleen gedrag beïnvloeden wanneer iemand vooraf al
gemotiveerd is omdat gedrag te gaan vertonen.
Ulrike Lorent, Tessa Meyntjens, Shauni Collier,
Liv Vanabdeel & Karolien Willaerts
42
2012-2013
Samenvatting Algemene Psychologie (Basis+Uitbreiding)
Attenuatietheorie: Volgens dit model wordt enkel het geselecteerde kanaal met volledige capaciteit
verwerkt. De andere kanalen worden verwerkt, maar met minder energie omdat er maar een
beperkte informatiecapaciteit ter beschikking is.
Hoewel deze filtermodellen wel wat verschillen wat betreft de locatie en de aard van de filter, zijn ze
het er over eens dat er in het informatieverwerkingssysteem een bottleneck is: Een flessenhals t.g.v.
een beperkte informatieverwerkingscapaciteit een deel van de binnenkomende informatie verloren
gaat.
Aandacht en oriënteren
Filteren is niet de enige manier om ergens selectief aandacht aan te schenken. Een eenvoudigere en
vaker voorkomende manier om dit te doen is om het informatieverwerkingssysteem ergens op te
richten, te oriënteren.
De meest voorkomende methode om dit soort van aandacht te onderzoeken, is gebruik te maken
van ruimtelijke waarschuwingssignalen of spatial cuing. Aan de deelnemers wordt gevraagd maar
een fixatiepunt midden op het scherm te kijken en zodra er links of rechts een vooraf bepaald
doelwit verschijnt, er zo snel mogelijk op te reageren. Met deze taak kan je dan onderzoeken hoe
snel een aandachtsverschuiving verloopt.
Hier wordt aandacht op een indirecte manier gemeten. Je kan ook op een directe manier meten met
een eye tracker. Doorgaans is de meting van openlijke of overte aandachtsverschuivingen een
uitstekende manier om te weten waaraan een kijker aandacht besteedt, maar het is ook mogelijk om
je aandacht op een coverte, niet-observeerbare manier te verschuiven. Overte en coverte aandacht,
kijkpositie en verwerkingsfocus vallen niet altijd samen.
Het cuing-experiment toont aan dat er twee manieren zijn om selectieve aandacht te oriënteren:
-
Automatisch & flexibel  Exogene aandachtsverschuivingen (Evolutionaire basis).
Vrijwillig  Endogene aandachtsverschuivingen.
 Mix van stimuluskenmerken.
 Kenmerken van de informatieverwerker.
Itti & Koch: Model van selectieve aandacht waarmee er voor elke visuele scene berekend kan worden
wat voor een mens de meest in het oog springende of saliente punten zullen zijn. Deze voorspelling
is gebaseerd op de biologische analyse van het visuele systeem en houdt geen rekening met de
bedoelingen van de kijkende mens, enkel met de gevoeligheid van het visuele systeem voor
verschillende soorten van visuele prikkels.
 Salientenkaart (Saliency map): Heldere punten in donkere kader duiden visueel de meest
interessante delen aan van de oorspronkelijke scene.
 Voordeel: Vergelijkingspunt.
Het informatieverwerkingsdoel is bepalend voor de wijze waarop visuele aandacht over een beeld
wordt verdeeld.
-
Alfred Yarbus:
Ulrike Lorent, Tessa Meyntjens, Shauni Collier,
Liv Vanabdeel & Karolien Willaerts
43
2012-2013
Samenvatting Algemene Psychologie (Basis+Uitbreiding)

-
Deelnemers: kijken naar een schilderij, Yarbus wijzigde daarbij telkens de
kijkopdracht.

7 kijksporen: Patronen van oogbewegingen geregistreerd tijdens het bekijken van het
schilderij, telkens met een verschillende kijkopdracht.
 Afhankelijk van het informatieverwerkingsdoel wordt de aandacht op een andere manier
verdeeld over de beschikbare informatie.
Replicatie door Tatler et al.
Aandacht en zoeken
Zoektaak: Situatie waarbij het informatieverwerkingsdoel heel duidelijk is.
-
Wolfe

Deelnemers:
o Krijgen een beschrijving van het doelwit  Target.
o Bij elke proefbeurt krijgen ze een aantal voorwerpen te zien, een aantal zijn
afleiders  Distractors.  Soms zit het doelwit er wel tussen.
 Groot verschil in zoek efficiëntie.

Resultaten:
o Taak A: Zoeken naar een kenmerk.  Makkelijkst: Alleen onderscheiden op
kleur = 1 primitief kenmerk  Pop-out-effect/parallel zoeken.
o Taak B: Conjunctie.  2 primitieve kenmerken: Kleur & oriëntatie. 
Combinatie van parallel & serieel zoeken.
o Taak C: Configuratie.  Primitieve kenmerken heeft geen zin meer 
Volledig serieel proces nodig.
Voor- en nadelen van selectieve aandacht
Voordelen:
-
Pre-attentieve parallelle verwerkingsfase: Aandacht wordt niet selectief op een bepaald
element toegespitst en je bent niet in staat om vast te stellen welke gedetecteerde
kenmerken nu op welke manier bij elkaar horen.
 Attentieve seriële verwerkingsfase: Je richt je selectieve aandacht als een volgspot
(spotlight) om de onderlinge verbanden tussen kenmerken vast te stellen en zo
waarneming en herkenning te verkrijgen.
 Feature integration theory: Selectieve aandacht wordt gezien als de lijm die de
informatie in onze omgeving verbindt.
Nadelen:
-
Aandachtsblindheid (inattentional blindness): Informatie waar geen aandacht aan wordt
geschonken, maakt geen kans om verwerkt te worden.
 Veranderingsdetectie (Change detection): is moeilijk wanneer er aan 2 voorwaarden
voldaan moet worden:
 De overgang van het ene naar het andere beeld wordt gemaskeerd  Change
blindness.
 Je mag geen selectieve aandacht schenken aan datgene wat verandert.
Ulrike Lorent, Tessa Meyntjens, Shauni Collier,
Liv Vanabdeel & Karolien Willaerts
44
2012-2013
Samenvatting Algemene Psychologie (Basis+Uitbreiding)


Beeldveranderingen.
Spontaan aandacht trekken van de kijker.
Verdeelde aandacht
Er zijn heel wat situaties waarin je eigenlijk meerdere taken simultaan uitvoert en je toch niet het
gevoel hebt en je toch niet het gevoel hebt dat dit problemen oplevert. Onderzoek naar aandachtsverdeling maakt doorgaans gebruik van dubbele-taaksituaties. In een dubbele taak situatie
onderscheidt je meestal 3 fasen:
1. De deelnemers voeren 1 taak uit en de prestatie wordt gemeten.
2. De deelnemers voeren een andere taak uit. Ook hier wordt de prestatie gemeten.
3. De deelnemers voeren taak A en B gelijktijdig uit.
Door de taken te combineren kan er systematisch onderzocht worden wanneer er interferentie
optreedt, wanneer de prestaties op de eerste taak zakken t.g.v. het toevoegen van de tweede taak.
Hierbij werd vastgesteld dat de mate van interferentie vooral bepaald wordt door twee factoren:
1. De mate waarin de twee taken geautomatiseerd, dan wel gecontroleerd verlopen.
2. De mate waarin de twee taken een beroep doen op dezelfde soort informatieverwerkingsprocessen.
Geautomatiseerde en gecontroleerde processen
-
Strooptaak (Stroop)

Je krijgt kleurwoorden voorgeschoteld in een andere kleur, waardoor je de
geschreven kleur zegt i.p.v. de gekleurde kleur.
 Asymmetrisch interferentiepatroon.
 Stroop-effect.
 Automatisch proces: Lezen van woorden, een leesreflex die we niet kunnen remmen
door de jaren oefening die ervaren lezers achter de rug hebben.
 Gecontroleerd proces: Trager verlopend, met noodzakelijk bewuste aandacht en daarom
gemakkelijker te doorbreken wanneer een tweede taak informatieverwerkingscapaciteit
naar zich toe trekt.
Dit onderscheid is geen dichotomie, een strikte scheiding in 2 categorieën, maar eerder een
continuüm waarbij elke informatieverwerkingstaak door training kan evolueren van een
gecontroleerd naar een automatisch proces. Dit leervermogen stelt ons in staat om ook met onze
beperkte informatieverwerkingscapaciteit complexe multitaskingsituaties aan te kunnen. Maar ook
aan deze flexibiliteit zitten grenzen, die bepaald worden door de mate waarin de verschillende taken
op elkaar lijken.
Algemene versus gespecialiseerde verwerkingscapaciteit
Multiple-resources of meervoudige-capaciteitstheorie van verdeelde aandacht (Wickens):
1. Het vereiste verwerkingsniveau: Hier gaat het om een taak waarbij alleen perceptie en/of
cognitie bij betrokken is.
Ulrike Lorent, Tessa Meyntjens, Shauni Collier,
Liv Vanabdeel & Karolien Willaerts
45
2012-2013
Samenvatting Algemene Psychologie (Basis+Uitbreiding)
2. De vereiste verwerkingscode: Hierbij gaat het om een taak waar de relevante informatie in
symbolische-verbale codes verwerkt moet worden.
3. De vereiste zintuiglijke modaliteit: Voor elk zintuiglijk kanaal kan een beroep gedaan worden
op een afzonderlijke capaciteit.
Bewustzijn
Francis Trick= is samen met Watson de ontdekker van de dubbele helix ‘DNA’. Terwijl de vrouw in het
team eigenlijk dit ontdekt had, kreeg ze geen eer. Bewust zijn is een concept dat tot de cognitieve
revolutie in de psychologie niet meer aan bod was gekomen in psychologisch onderzoek door
verschillende oorzaken:

Bewustzijn was door de vroegste psychologen wat in diskrediet gebracht door introspectie
als belangrijkste onderzoeksinstrumenten te gebruiken.
De inhoud van bewustzijn was per definitie subjectief en persoonlijk: Anderen weten niet
hoe de werkelijkheid door jou ervaren wordt.
Het cognitief-psychologische studie van het bewustzijn concentreert zich op het definiëren
en detecteren van diverse bewustzijnstalen, eerder dan bewustzijnsinhouden.
 Cognitieve psychologie
o Eerst: bewustzijn is een bijproduct van aandacht
o Later: bewustzijn en aandacht twee verschillende fenomenen
 niet-aandachtig & onbewust: bv. zombie-gedrag, nabeelden
 niet-aandachtig & bewust: pop-out, sfeer van een scene
 aandachtig & onbewust: inattentional blindness, priming,
 aandachtig & bewust: werkgeheugen, signaaldetectie
o Nadruk op bewustzijnsstaten/niveau’s
 bewuste – voorbewuste – onbewuste (Freudiaans  cognitief), nietbewuste
Definitie van bewustzijn
-
Commensense= alles wat er tss slapen en ontwaken ligt is bewust
Behaviour= welke gedragingen moet iemand vertonen om onbewust te zijn van iets.
Neuropschologisch perspectief: wel k deel van de hersenen moeten actief zijn, vooraleer jij
bewust bent.
Fylosofische standpunt= hoe het is om iets te voelen= bewust zijn van het gevoel van de
stralende zon op je huid.
Niveaus van bewust zijn
Volgens Freud bestaat de menselijke geest uit 3 niveaus (er is nog 1 niveau toegevoegd door
cognitief psychologen):
1. Het bewuste: bevat gedachten en percepties waarover we zonder problemen
kunnen reflecteren en rapporteren, waar en wanneer we dat willen.
2. Het voorbewuste: bevat gedachten en percepties waar we niet actief op
geconcentreerd zijn, maar die snel naar het bewuste getild kunnen worden.
3. Het onbewuste: is dat wat niet tot het bewuste kan toetreden.
Ulrike Lorent, Tessa Meyntjens, Shauni Collier,
Liv Vanabdeel & Karolien Willaerts
46
2012-2013
Samenvatting Algemene Psychologie (Basis+Uitbreiding)
4. Het niet-bewuste: gaat om processen waarbij we ons per definitie nooit van bewust
kunnen zijn.

Voordeel: Er komt capaciteit vrij.

Nadeel: Automatische processen zijn niet meer flexibel en open voor
verandering.
Meten van de staat van bewustzijn
Seth maakte een lijst van 17 verschillende eigenschappen van menselijk bewustzijn waarvan de
rapporteerbaarheid de meest prominente is. Een eerste groep van meetmethodes gaat
gedragscorrelaten van bewustzijn bestuderen. Daarmee wordt verwezen naar openlijk
observeerbare gedragingen die alleen tot stand kunnen komen wanneer er een vorm van bewustzijn
aanwezig is.
 Rouge-test: Een kindje krijgt een rood vlekje op hoof of neus geschilderd, en vanaf dat ze
een bewustzijn hebben duiden ze het vlekje op hun lichaamsdeel aan, en anders op de
spiegel.
Minimal-mental State examination = een vragenlijst test wordt vaak gebruikt als klinische test voor
dementie. BV. In welk jaar zijn we nu, schrijf een zin na,
Glasgow Coma Scale= een schaal waarin men de bewustzijn van iemand gaan meten. Wordt vooral
gebruikt op de spoed, bv. Na een erge epilepsie aanval. Men gaat de ogen nakijken ‘ zijn ze geopend
of niet bij een respons’. BV. Als er iemand binnenkomt, en hij opend zijn ogen krijgt hij een 4, als je
hem nijpt in de arm en hij opent zijn ogen dan krijgt hij een 2, … Kritiek: BV. Hoe lang moet je
wachten op de reactie? hoe hard moet je nijpen in iemands arm voor respons? Vroeger was er de 14
puntenschaal => In 1976 werd de schaal aangepast naar een 15 punten plan. ( tss 3 en 15 kan je
zitten).
Neural Correlates of Consiousness (NCC): specifieke processen in de hersenen die correleren met
bewustzijnstoestanden. Men gaat de bewustzijns toestanden correleren met de specifieke
processen; Als je dit doet dan licht dat stuk van de hersenen op,… . Bewustzijn heeft niets te maken
met het cerebellum => je kan iemand zijn cerebellum afnemen, dan is die persoon nog steeds bij
bewustzijn. De cortex en thalamus zijn van belang voor het bewustzijn.
Meten van het breinactiviteit: Op positie 0= wordt er gedruk op de knop, de beslissing van wnr te
drukken is al gemaakt 1 sec. eerder. 2 seconde eerder zijn we er al over aant het nadenken. We zijn
al lang bezig met de beslissing of je links of rechts gaat drukken , terwijl de activitieit pas later is.
Onze hersenen weten de beslissing al lang om voorhand, terwijl wij juist vr het proces.
Gedragscorrelaten zijn wel objectief observeerbaar, maar heeft niet altijd een eenduidige
interpretatie. Dit komt doordat bewustzijn twee componenten heeft:
1. Wakefulness: dit is het observeerbare component.
2. Awareness: is het niet observeerbare component; verwijst naar de mate waarin een persoon
toegang heeft tot ervaringen, gevoelens en waarnemingen.
Ulrike Lorent, Tessa Meyntjens, Shauni Collier,
Liv Vanabdeel & Karolien Willaerts
47
2012-2013
Samenvatting Algemene Psychologie (Basis+Uitbreiding)
Er zijn staten van bewustzijn waar deze componenten ontkoppeld geraken, bv. in een vegetatieve
staat. Hier signaleert gedrag een hoge wakkerheid, terwijl er maar weinig mentale activiteit is. Deze
dissociatie doen onderzoekers pleiten om ook neurologische bewustzijnscorrelaten te onderzoeken.
Een mogelijkheid hiervoor is de EEG of een PET-scan.
-
-
-
-
Coma

“a state of non-responsiveness in which the patients lie with eyes closed and cannot
be awakened even when intensively stimulated”.

soms reflexieve reacties: Vb. puffen in het oog  patient knippert met oog.

ontbreken van slaap-waak cyclus, soms ondersteuning nodig voor ademhaling.

glucosemetabolisme: 50-70% t.o.v. normaal.

duurt langer t.o.v. bewusteloosheid (> 1u) maar van relatieve korte duur (meestal <
3dagen, soms enkele weken)
Vegetatieve staat

ogen zijn geopend (spontaan of na stimulatie), afwisselend slaap-waak.

autonome functies zijn bewaard; meestal zelfstandig ademhalen.

geen tekenen van bewustzijn, soms gedrag (maar ongerelateerd).

hersenstam is meestal gespaard  witte en grijze stof.

metabolisme: 40-50% t.o.v. normaal.

soms ook permanent of persistent VS genoemd (na 12 m bij trauma)
Minimal conscious state

primaire en inconsistente tekenen van bewustzijn (zelf en omgeving), bv. reageren
op verbale bevelen.

Emotioneel gedrag (huilen, tranen, lachen) komt soms voor .

volgen (met ogen) van objecten (spiegel, persoon); deze gedragingen kunnen
herhaald worden  intentioneel  reflexief.

metabolische activiteit is gereduceerd tot 20-40%
Locked-in syndroom

soms ook pseudocoma genoemd.

volledige verlamming als gevolg van hersenstam-trauma.

soms mogelijkheid tot openen/bewegen van ogen.

sensaties zijn volledig intact; volledig bewustzijn.

soms herstel van controle over vingers, tenen of hoofd
Slaap: Karakteristieken
-
Periode van gereduceerde activiteit
Typische houding zoals neerliggen en gesloten ogen
Verminderde responsiviteit tg externe prikkels
Een toestand die relatief gemakkelijk kan omgekeerd worden ( coma, narcose, ...)
Indelen van de slaap in stadia

1937: gebruik van EEG door A.L. Loomis

1953: ontdekking van REM-slaap door Kleitman

1968: standaardisatie door Rechschaffen & Kales (5 stadia)
Ulrike Lorent, Tessa Meyntjens, Shauni Collier,
Liv Vanabdeel & Karolien Willaerts
48
2012-2013
Samenvatting Algemene Psychologie (Basis+Uitbreiding)

2007: nieuwe standaardisatie door AASM (4 stadia) (American Academy of Sleep
Medicine).
REM-slaap en nREM-slaap
-
Ontdekt in 1953 door Aserinsky & Kleitman
Makkelijk te onderscheiden door oogbewegingen (EOG) en weinig tonus (EMG)
Bij ontwaken uit REM-periode: droomrapportering; maar ook mentale activiteit in nREM
Ca 20 à 25% van de slaaptijd
Functie: ?
Lucid dreaming: heldere dromen waarbij je bewust bent van het feit dat je slaapt/droomt …
maar hoe meten (cfr laBerge)
Wat dromen we?
-
Oorspronkelijk gestart met werk van Hall & Van de Castle (1966). Zij onderscheiden 8
categorieën: zie dreamresearch.net (normen)
Opmerkelijk:

Aggression: 47% (M) - 44% (F).

Sexuality: 12% - 4%.

Negative emotions: 80% - 80%.

Victimization: 60% - 67%.

Misfortune 36% - 33%
Waarom dromen we?
-
-
Moeten dromen een functie hebben? Cfr. heeft het hartritme geluid een functie?
Cognitieve theorie: geheugenconsolidatie (zie hfst geheugen)
Psychoanalyse: dromen bestaan om onaanvaardbare en onbewuste wensen en noden te
vervullen.

Onderscheid manifeste en latente droominhoud.

Droomwerk: omzetten van latente  manifeste inhoud via symbolen, verplaatsing,
condensatie.

Droomduiding = verklaren van de latente droominhoud
Enkele bemerkingen (Calvin S. Hall)

Mensen hebben zowel expliciete (seksuele) als gesymboliseerde dromen  waarom
2 soorten?

Mensen kunnen zelf makkelijk hun dromen interpreteren  wat is het nut dan van
droomwerk?

Vele symbolen komen overeen met (dialect) beeldspraak .

Een object wordt dikwijls voorgesteld door meerdere symbolen. Waarom?
Slaapproblemen
-
Snurken: neemt toe met leeftijd (M: 10% > 60%, V: 5% > 45%)
Ulrike Lorent, Tessa Meyntjens, Shauni Collier,
Liv Vanabdeel & Karolien Willaerts
49
2012-2013
Samenvatting Algemene Psychologie (Basis+Uitbreiding)
-
-
Nachtmerries: beangstigende droom die doet ontwaken. Meest frequent ts 3 – 8 jaar; V > M.
Studenten: 1x/maand (~25% ); 1x/week (5%). 4-8% vind het een huidig probleem. Geen
teken van mentale stoornis.
Slaapwandelen: bewegen, opzitten, mompelen, opstaan, kleden, … In SWS (niet REM!).
Meest voorkomend bij kinderen (3 à 4% regelmatig). Volwassenen: 1%.
Tandenknarsen: 10% à 20%!
Slaapritme problemen: jetlag, ploegenarbeid
Slaapregulatie
-
A Two-process Model of Sleep Regulation

S: (slaap) homeostatisch proces: Homeostatisch = evenwicht. Vb. Honger 
glucosespiegel zakt; hoe meer deze zakt, hoe meer honger je krijgt.

C: circadische regulatie: 24u-ritme Vb. Lichaamstemperatuur.
Jetlag
-
Treedt op bij reizen over tijdzones (oost  west); meer bij W  O
Symptomen: vermoeidheid, (in)slaap-problemen, verminderde concentratie, hoofdpijn, …
1/3 personen heeft er geen last van
Aandacht en bewustzijn
-
-
Patiënt HJA: Visuele agnosie: Hij kon voorwerpen niet bewust herkennen, maar hij kon wel
afbeeldingen van de voorwerpen kopiëren  Er was dus alleen een probleem van het
bewustzijn, terwijl zijn aandacht nog perfect was.
Patiënt DB: vertoonde een deficit in zijn linker visuele halfveld: hij beweerde dat hij daar niks
kon zien, maar onderzoek bewees het tegendeel. Hoewel dit aandacht nodig had kon DB
geen enkele stimuli bewust waarnemen, waardoor besloten werd dat hij aan het blindsight
syndroom leed: kunnen zien op plaatsen waar je zeker blind bent.
Toepassing: Aandachtsergonomie
Wanneer bepaalde mensen een nodige omgeving nodig hebben wordt deze door ergonomen
afgestemd op de noden van deze mensen, en met aandachtsstrategien door de mensen ontplooid
kunnen worden. Een van de meest opvallende trends hierbij is dat mensen steeds vaker in
multitasking-situaties terechtkomen, en daar minder goed mee om kunnen.
 Meta-analyse van 33 onderzoeken: Bij 1000 pp’en werd er gevonden dat reactietijden op
plotselinge verkeersveranderingen behoorlijk langer werd bij het gelijktijdig gebruik van
een gsm.
 Dit komt overeen met de verwachtingen van het meervoudig-capaciteitsmodel.
Telefoneren, converseren en visuele verwerking van de verkeerssituatie zijn allemaal
taken die een perceptueel-cognitieve en verbaal-symbolische codering vereisen.
 Strayers en collega’s hebben ook het geheugen onderzocht van reclameborden tijdens
het rijden  Telefonerende chauffeurs konden zich de reclameborden minder goed
herinneren dan de niet telefonerende chauffeurs.
Ulrike Lorent, Tessa Meyntjens, Shauni Collier,
Liv Vanabdeel & Karolien Willaerts
50
2012-2013
Samenvatting Algemene Psychologie (Basis+Uitbreiding)

Aandachtsblindheid en daarmee veranderingsblindheid is eveneens een belangrijk
onderzoekontwerp voor ergonomen.
 Durlach geeft een overzicht van 10-tallen studies waarin mensen de taak hebben om
complexe omgevingen te controleren.
 Haines: lijnpiloten worden in een vliegsimulator getraind en worden onverwacht
geconfronteerd met een ander lijnvliegtuig, duidelijk zichtbaar geparkeerd op de
landingsbaan  Deze visuele informatie wordt door de piloten genegeerd, doordat ze
vertrouwen op hun instrumenten en op de controletoren.
Hoofdstuk 7: Denken
Denken is het transformeren van mentale representaties. Denken is veelal een bewust proces.
Denken varieert ook in de doelgerichtheid.
Probleem oplossen
Probleem oplossen is een cognitieve activiteit, gaande van de erkenning dat er een probleem is tot
een serie van stappen naar de oplossing. Een probleem is het verschil tussen de huidige situatie en
een doelsituatie. De doelgerichtheid is meestal prominent aanwezig. Alleen kan het doel soms
onduidelijk gedefinieerd zijn. probleem oplossen onderscheid zich ook van automatische processen.
Een probleem wordt ervaren als de kennis die ontbreekt om onmiddellijk tot een oplossing te
komen.
-
Onderzocht (onderzoek heeft zich voornamelijk gericht op het identificeren van strategien)
bij mensen d.m.v.

Puzzels: bv. wolf, geit en kool probleem. Oorspronkelijk beschreven door Alcuin van
York (~730 – 804). Variant is missionaris-kannibaal probleem. Game – Oplossing;
toren van Hanoi, waterkan-probleem.

Spelen: tic-tac-toe, dammen, schaken, …

Problem solving bij dieren? Bv. gebruik van tools door kraaien
Toren van Hanoi
Dit is een legende dat zegt dat de wereld gaat vergaan, als Oosterse monniken er in slagen om 24
schijven van de ene stapel naar de andere stapel kunnen brengen. Je mag alleen kleinere schijven op
grotere schijven plaatsen. De Toren van Hanoi is een ideaal probleem omdat het representatief is
voor vele anderen. Bovendien is het een goed gedefinieerd probleem. Ten slotte kan de
probleemruimte gemakkelijk omschreven worden.
Om de Toren van Hanoi op te lossen, gebruiken mensen veelal heuristieken. Een heuristiek is een
vuistregel, een methode die meestal, maar niet gegarandeerd een oplossing geeft. Een algoritme is
een methode die in een eindig aantal stappen een gegarandeerde oplossing lever. Mensen gebruiken
volgende heuristieken:
-
Random search: willekeurig wat schijven verplaatsen tot je toevallig op het juiste uitkomt.
Hill climbing: De strategie is om maar steeds 1 stap vooruit te kijken. Je neemt dan telkens de
stap die je het dichtst tot je doel brengt.
Ulrike Lorent, Tessa Meyntjens, Shauni Collier,
Liv Vanabdeel & Karolien Willaerts
51
2012-2013
Samenvatting Algemene Psychologie (Basis+Uitbreiding)
-
Middel-doelanalyse: Hierbij splits je het oorspronkelijke probleem in (eenvoudigere)
deelproblemen.
Recursie: maakt de oplossing gebruik van zichzelf.
Tower of Londen is een variant op de Toren van Hooi en wordt gebruikt bij neuropsychologische
tests. Dit zijn executieve processen, specifiek voor het detecteren van problemen met planning.
-
Zook et al. (2004): vergelijking met andere cognitieve taken

TOH : correlatie met working memory (memory cards, visual span), inhibition (CCS,
stroop), fluid intelligence (matrix reasoning).

TOL: enkel correlatie met inhibition & fluid intelligence
Het waterkan-probleem (Luchins)
Je beschikt over drie kannen (A,B en C). Je mag water bijvullen of weggieten zoveel je wilt.
Kan A
21
14
18
15
Kan B
127
163
43
39
Kan C
3
25
10
3
Gevraagd
100
99
5
18
Redeneren
Redeneren is het trekken van conclusies uit premissen. Een premisse is een bewering die
veronderstelt wordt, die gegeven is. Er zijn 2 basisvormen van redeneren.
(1)Inductief redeneren
Bij inductief redeneren doe je voorspellingen over nieuwe situaties o.b.v. bestaande kennis. Je
redeneert van een bijzonder geval naar een algemeen geval.
-
-
-

Stimulus-classificatie taak: Uit verschillende specifieke instanties, moet je een algemene
regel distilleren die het concept definieert. Vb.: Het kind moet uit verschillende specifieke
instanties van een appel die algemene regel distilleren die het concept appel definieert.
Attributen classificeren: Een concept kan ook gedefinieerd worden door de eigenschappen te
omschrijven waaraan het moet voldoen. Vb.: Een object dat groen en rond is, wordt een
appel genoemd. Ieder ding wordt dus gekenmerkt door attributen.
Prototype-aanpak: Iedere categorie heeft een soort gemeenschappelijke beschrijving of
prototype. Een prototype is een al dan niet echt bestaand object dat model staat voor een
klasse van objecten.
Wisconsin Card Sorting test: De kaarten kunnen verschillen op 3 eigenschappen: vorm, kleur
en aantal. De patient moet de kaarten sorteren in 4 stapels, waarbij de proefleider een regel
in het hoofd heeft. De patient tracht deze regel te achterhalen en krijgt daarvoor feedback
van de proefleider (juist of fout). Mensen vinden deze regel vrij snel. Plotseling echter
verandert de proefleider van regel. Patienten met executieve disfuncties zullen dan langer bij
de oude regel blijven hangen (=perseveratie).
Ulrike Lorent, Tessa Meyntjens, Shauni Collier,
Liv Vanabdeel & Karolien Willaerts
52
2012-2013
Samenvatting Algemene Psychologie (Basis+Uitbreiding)
 Confirmation bias: Dit is de tendens om een hypothese zo te toetsen dat ze ten onrechte
bevestigd wordt.
Bij de klassieke studie van Wason geeft de proefleider een cijferreeks (Vb.: 2-4-6). Je taak
is om de regel te ontdekken waarmee deze reeks geconstrueerd is. Je kunt dit doen door
nieuwe reeksen te genereren en te vragen of ze voldoen aan de regel (6-8-10; proefleider
zegt: correct). De proefpersoon kan nu meerdere reeksen genereren om na te gaan of of
de regel correct is tot hij zeker is van zijn idee. Dan plots is de regel (+2) niet correct. Er
wordt een nieuwe regel bedacht (Vb. Even getallen). Dit blijft een tijdje doorgaan, want
de regel die de proefleider in zijn hoofd had was (strikt stijgend).
 De confirmation bias is hier dat de proefpersonen alleen zoeken naar gegevens die
de hypothese bevestigen, en niet naar de data die de regel zouden kunnen
falsifiëren.
Wason selectietaak: De proefpersonen kregen de volgende informatie en opdracht: Elke
kaart (A; K; 2; 7) heeft aan de ene kant een letter en aan de andere kant een cijfer. Als aan de
ene kant een klinker staat, dan staat aan de andere kant een even cijfer! Welke kaart of
kaarten zou je dan omdraaien om na te gaan of de bewering waar of onwaar is?
Als moet waar zijn, en dan moet onwaar zijn => enige mogelijke oplossing om regel
onwaar te laten zijn = logica.

Volgens Cosmides geven proefpersonen bij deontische regels meestal wel het correcte antwoord.
Een deontische regel geeft aan dat een persoon iets verplicht is te doen of dat hem toegestaan is om
iets te doen (cheat-detecting-algoritme). Er zijn enkele karakteristieken voor (moeilijke) inductieve
redeneringen:
-
De gelijkenis tussen premisse en conclusie promoot inductie.
Hoe typischer of representatiever de premissen zijn, hoe groter de inductie.
Zowel kinderen als volwassenen generaliseren gemakkelijker naar een homogene categorie.
Kennis of voorafgaande ervaring kan vele van deze effecten teniet doen.
(2)Deductief redeneren
Deductief redeneren is o.b.v. een algemene regel een specifieke instantie afleiden. Deductief
redeneren levert geldige conclusies. D.w.z. dat als de premissen waar zijn, de conclusie
noodzakelijkerwijs ook waar is. Vb.: Syllogisme (Een redenering met 2 premissen en 1 conclusie). In
een syllogisme heb je 3 termen. De termen worden A, B en C genoemd, waarbij B de middenterm is
die de twee andere verbindt. Deze termen kunnen ook op 4 manieren geschikt zijn, figuren genaamt.
Een methode die hiervoor gebruikt kan worden is een venn-diagram. Een bewering kan in 4 vormen
geschreven worden:
1.
2.
3.
4.
Universeel-affirmatieve bewering: Alle A zijn B.
Universeel-negatieve bewering: Alle A zijn NIET B.
Particulier-affirmatieve bewering: Sommige A zijn B.
Particulier negatieve bewering: Sommige A zijn NIET B.
Om te weten te komen hoe mensen die redeneringen uitvoeren, zijn er 3 theorieën die een
verklaring proberen te geven:
Ulrike Lorent, Tessa Meyntjens, Shauni Collier,
Liv Vanabdeel & Karolien Willaerts
53
2012-2013
Samenvatting Algemene Psychologie (Basis+Uitbreiding)
1. Formele theorie: stelt dat mensen logica gebruiken. Fouten in de afleiding worden dan
veroorzaakt door het verkeerd begrijpen of het fout representeren van informatie:
Inclusieve disjunctie: is slechts onwaar als beide disjuncten onwaar zijn.
Exclusieve disjunctie: is onwaar als beide disjuncten ofwel waar ofwel onwaar zijn.
2. Waarschijnlijkheidsberekening.
3. Mentale modellen: Een mentaal model is een representatie van een mogelijke wereld.
Beslissen
Beslissen is het maken van een keuze uit verschillende mogelijkheden met elk verschillende
consequenties. Klassieke theorie van de rationele beslisser:
1. Maak een lijst van alle mogelijke acties.
2. Voor iedere actie, maak een lijst van alle mogelijke consequenties van die actie.
3. Voor iedere consequentie, bepaal het nut en de kans dat deze consequentie volgt op de
genomen actie.
4. Bereken het verwachte nut van iedere consequentie door het nut te vermenigvuldigen met
de kans op voorkomen.
5. Bereken het verwachte nut van iedere actie door de som te maken van het verwachte nut
van iedere mogelijke consequentie van die actie.
6. Kies de actie met het grootste verwachte nut.

Beslisboom: Keuzes worden voorgesteld door een rechthoek en onzekerheid door een cirkel.
Verwachte nulhypothese
Subjectief nut gaat niet zozeer om de objectieve waarde van een resultaat, maar om de
gepercipieerde waarde. deze gepercipieerde waarde kan zichtbaar gemaakt worden in een
nutscurve. Kleine objectieve verliezen worden gepercipieerd als groot subjectief verlies. Dit
fenomeen wordt verliesaversie genoemd.
Naast het verachte nut van een gok speelt ook de variantie van dit nut een zeer grote rol in het
beslissingsproces. De variantie is een weergave van de range van mogelijke uitkomsten. Sommige
personen zijn risico-aversief en verkiezen een zekere, maar kleinere winst. Andere personen zijn
risico-zoekend en verkiezen de optie voor een grotere, maar onzekere winst.
Beslissingsparadoxen
-
Transitiviteitsparadox: Wanneer je A verkiest boven B en B verkiest boven C, dan zou je
normaal ook A boven C moeten kiezen, maar dit is niet het geval.
Allais-paradox: Je gaat het gevoel van spijt vermijden door te kiezen voor de zekere winst,
terwijl de andere keuze op het winnen van niets maar zeer klein is.
Ellsberg-paradox: Hier kiest men voor duidelijkheid.
Toepassing: Statistische ongeletterdheid
-
Pill-scare:

Absolute risico’s zijn meestal erg kleine getallen.

Relatieve risico’s zijn veelal groter.
Ulrike Lorent, Tessa Meyntjens, Shauni Collier,
Liv Vanabdeel & Karolien Willaerts
54
2012-2013
Samenvatting Algemene Psychologie (Basis+Uitbreiding)
-


Risico op borstkanker:

Preventie.

Sensitiviteit.
Cognitieve illusie: wordt veroorzaakt door de manier waarop het probleem wordt
voorgesteld.
Natuurlijke frequenties vs. kansen.
Hoofdstuk 8: Intelligentie
Definitie en structuur van intelligentie
Er zijn verschillen tussen culturen en landen. Europeanen en Amerikanen zien intelligentie meestal
als een middel tot rationeel handelen en leggen nadruk op de snelheid van mentale verwerking,
terwijl Aziaten het meer zien als een middel om te handelen in groepsverband en wantrouwig
tegenover snelle successen.
Definitie van intelligentie
De operationele definitie van intelligentie zegt dat intelligentie datgene is wat de test test. Deze
definitie heeft als groot voordeel dat dit begrip precies gedefinieerd kan worden. Door
operationalisering kan je deze vaagheid van het speculatieve intelligentiebegrip onder controle
houden. Anderzijds zijn er zeer veel verschillende IQ-testen en die leveren niet allemaal hetzelfde
resultaat op. Bovendien zegt deze definitie niks over het object zelf. De verwarring omtrent de
definitie en structuur van intelligentie is voor een deel het gevolg van het niet goed uit elkaar houden
van 3 verschillende aspecten van intelligentie:
1. Intelligentie A: staat voor de erfelijke component van intelligentie, m.a.w. de complexiteit
van het zenuwstelsel (genotype). Dit is het type intelligentie dat leken zullen benoemen.
2. Intelligentie B: heeft betrekking op de intelligentie zoals die tot uiting komt in ons feitelijk
gedrag. Deze vaardigheden worden deels bepaald door erfelijke factoren, maar kunnen
evengoed door de omgeving beïnvloedt worden (fenotype).
3. Intelligentie C: heeft betrekking op de intelligentie zoals die door een test gemeten wordt.
Dit is het soort intelligentie waar de psychologen hun definitie van intelligentie aan
refereren.
Gall ging ervan uit dat de intellectuele vaardigheden gesitueerd waren in verschillende hersengebieden. Een sterk ontwikkelde vaardigheid zou gepaard gaan met een sterk ontwikkeld hersengebied, wat men dan ook kon aflezen aan de schedel. Frenologie was de leer die deze ideeën
aankleefde, maar nu duidelijk fout zaten.
De structuur van intelligentie
Spearman is bekend vanwege zijn ontdekking van de zogenoemde g-factor (general ability). Wanneer
proefpersonen taken uitvoeren die een zekere verstandelijke begaafdheid veronderstellen,
constateren we dat deze personen van elkaar verschillen in hun prestaties. Deze verschillen kunnen
veroorzaakt worden door verschillende factoren zoals bv. geslacht en leeftijd. Volgens Spearman was
er echter 1 factor, g genoemd, die steeds terugkwam in iedere taak. Via een statistische techniek, de
Ulrike Lorent, Tessa Meyntjens, Shauni Collier,
Liv Vanabdeel & Karolien Willaerts
55
2012-2013
Samenvatting Algemene Psychologie (Basis+Uitbreiding)
factoranalyse, kon hij deze opsporen. (Formule factoranalyse: r1.2 = r1.g x r2.g ). Aan de hand van de
factoranalyse kunnen factorladingen bepaald worden van iedere test.
Echter, dacht Thurstone dat intelligentie in 7 te onderscheiden, maar wel gerelateerde factoren
(primary abilities) bestonden:
1. Verbale comprehensie: Het begrijpen van teksten, verbale analogieën, zinnen met verkeerde
woordvolgorde, woordenschat, spreekwoorden.
2. Woord vloeiendheid: Betreft de snelheid waarmee de proefpersoon woorden kan vinden die
in een bepaalde categorie passen.
3. Nummers: Factor van snelheid in rekenkundige bewerkingen.
4. Ruimte: Visualisatie van ruimtelijke relaties in twee of drie dimensies.
5. Associatie geheugen: Geheugen voor associaties of woordparen.
6. Perceptuele snelheid: Het snel en nauwkeurig kunnen vatten van visuele details; het snel
herkennen van gelijkenis of verschil.
7. Redeneren: Redeneringsfactor zoals aanwezig in rekenkundige raadsels en het voortzetten
van getallenreeksen.
Na de factoranalyse van de WAIS komen de auteurs tot 4 factoren:
1. Factor 1 bestaat uit Block Design, Picture completion, Matrix reasoning en picture
arrangement en kan staan voor de perceptuele organisatie.
2. Factor 2 bestaat uit vocabulary, information, comprehension, en de similarities subtests en
kan staan voor het verbaal begrip.
3. Factor 3 werd gevormd door de digit symbol-coding and symbol search subtests en kan
verwerkingssnelheid genoemd worden.
4. In factor 4 kwamen de subtests digit span en letter-number sequency tevoorschijn en meten
wellicht het construct werkgeheugen.
Een compromis tussen de visie van Spearman en Thurstone wordt
gevormd door de hiërarchische theorieën. Momenteel staat
voornamelijk het CHC-model in de aandacht. Het model is
hiërarchisch geordend in 3 niveaus:
1. Stratum III: wordt gevormd door g. Deze globale factor is
verantwoordelijk voor de gemeenschappelijke prestatie op
subtests.
2. Stratum II: omvat de bredere cognitieve vaardigheden:
Vloeiende intelligentie (Gf): Is de vaardigheid om mentale operaties te gebruiken in
een relatief nieuwe taak.
Kwantitatieve kennis (Gq): Het geheel van wiskundige kennis, procedures en het
omgaan met numerieke symbolen.
Gekristalliseerde intelligentie (Gc): Is de toepassing van verworven kennis zoals
woordenschat of feitenkennis.
Grw: Lezen en schrijven of de vaardigheid om geschreven taal te begrijpen en
gedachten uit te drukken.
Ulrike Lorent, Tessa Meyntjens, Shauni Collier,
Liv Vanabdeel & Karolien Willaerts
56
2012-2013
Samenvatting Algemene Psychologie (Basis+Uitbreiding)
-
Gsm: Korte termijngeheugen, omvat cognitieve vaardigheden als geheugenspan,
werkgeheugen en leervaardigheid.
Visuele informatieverwerking (Gv): De vaardigheid om met visuele patronen om te
gaan.
Auditieve informatieverwerking (Ga): De vaardigheid om met auditieve informatie
om te gaan.
Glr: Lange termijngeheugen.
Verwerkingssnelheid (Gs): De vaardigheid om eenvoudige cognitieve taken vloeiend
en automatisch uit te voeren.
Gt: De vaardigheid om cognitief snel te reageren; reactietijd & beslissingssnelheid.
3. Stratum I: omvat de smalle cognitieve vaardigheden.
Meting van intelligentie
De korte geschiedenis van intelligentietesten
De originele Binet-Simon test bestond uit 30 taken van toenemende complexiteit die individueel
werden afgenomen. Terman heeft deze test in 1916 vertaald en aangepast aan de Amerikaanse
populatie. Deze test staat bekend onder de naam Stanford-Binet test en wordt tegenwoordig nog
steeds gebruikt. O.b.v. de oorspronkelijke test werd dan de zogenaamde mentale leeftijd berekend.
Waar Binet nog werkte met het concept van mentaal niveau, introduceerde Stern in 1912 de formule
die het IQ opleverde, de naam IQ zelf wordt toegeschreven aan Terman. Het IQ wordt als volgend
berekend: (mentale leeftijd/chronologische leeftijd) x 100. De chronologische leeftijd is de leeftijd
van een persoon uitgedrukt in maanden. De mentale leeftijd wordt bepaald a.d.h.v. een IQ-test. Een
probleem van deze berekeningswijze is dat de chronologische leeftijd steeds maar toeneemt, terwijl
vele testen een plafond hebben voor de mentale leeftijd.
De Binet-test was een individuele test, maar door WO-I ontstonden er veel veranderingen in de
testontwikkeling:
-
Er was sprake van groepsafname i.p.v. individuele afname.
Er was de presentatie van korte schriftelijke items i.p.v. meer complexe mondelinge
instructies.
Er was een objectieve binaire score i.p.v. een subjectieve beoordeling van de testafnemer.
Er werden tijdslimieten ingesteld.
Het ontwikkelen van problemen die geschikt waren voor volwassenen.
Om tegemoet te komen aan de vraag voor groepsafname heeft Otis de Stanford-Binet test
aangepast, en kwam tot de Army Alpha test en de Army Beta test. De Army Alpha test was een
verbale test, terwijl de Army Beta test een non-verbale test was.
De Raven Standard Progressive Matrices Test is een IQ-test ontwikkeld door Raven. De Raven is een
non-verbale test, omdat er geen beroep gedaan wordt op de taal. Er bestaan 3 vormen van deze test:
1. Standard Progressive Matrices (SPM).
2. Advanced Progressive Matrices (APM): Zowel de APM als de SPM dienen voor personen
ouder dan 11 jaar met een meer dan gemiddelde begaafdheid.
Ulrike Lorent, Tessa Meyntjens, Shauni Collier,
Liv Vanabdeel & Karolien Willaerts
57
2012-2013
Samenvatting Algemene Psychologie (Basis+Uitbreiding)
3. Coloured Progressive Matrices (CPM): dient voor kinderen tussen de 5 en 11 jaar.
Een belangrijke testontwikkelaar is Wechsler, hij heeft de Wechsler-schalen ontwikkeld. Er zijn 3
vormen hiervan:
1. WISC: Wechsler Intelligence Scale for Children.
2. WAIS: Wechsler Intelligence Scale.
3. WPPSI: Wechsler Preschool and Primary Scale of Intelligence.
De Wechsler-schalen bestaan uit subschalen die elk een ander aspect van intelligentie meten. In
tegenstelling tot de Stanford-Binet test zijn Wechsler zijn schalen geen leeftijdsschalen, maar
puntschalen. Dit wil zeggen dat alle items gegroepeerd zijn naar thema i.p.v. naar leeftijd.
Intelligentie Quotiënt
Wanneer je de IQ’s van een aselecte proefgroep uittekent als een frequentieverdeling, krijg je een
vrij goede benadering van de Gauscurve of normaalverdeling. Op de X-as staan de IQ-scores ( gemiddelde = 100 & standaarddeviatie = 15). Op de Y-as staat een maat voor dichtheid. Traditioneel
worden er een aantal categorieën onderscheiden:
-
-
Minst begaafden: IQ < 70.

Uitgesproken achterstand: IQ < 20-25.

Milde achterstand: IQ tussen 55-55 & 70.
Minder begaafden: IQ = 70-85.
Gemiddeld: IQ = 85-115
Meer begaafd: IQ = 115-130
Meestbegaafd: IQ > 130
Overzicht van testen
-
-
Doelstelling: Er zijn tests voor de meting van de verstandelijke aanleg of intelligentie, voor de
meting van speciale geschiktheden, schoolse bekwaamheid, belangstelling en
persoonlijkheid.
Indeling:

Diverse criteria:
o Wijze van de testafname.
o Het gehanteerde materiaal.
o De aard der vragen.
o De schikking van de opgaven of items.

Onderscheid tussen individuele en collectieve proeven.

Testmateriaal:
o Verbale & niet verbale tests: Voor de verbale test moet de proefpersoon
taalkennis hebben, terwijl dit niet nodig is bij de non-verbale test.
o Cultuurvrije (moet eigenlijk cultuureerlijk genoemd worden) en niet
cultuurvrije tests: Een cultuureerlijke test is een test die de ene cultuur t.o.v.
de andere niet benadeeld.
o Directe en indirecte tests: Bij een directe test zijn het doel en de methode
van de test duidelijk voor de proefpersoon.
Ulrike Lorent, Tessa Meyntjens, Shauni Collier,
Liv Vanabdeel & Karolien Willaerts
58
2012-2013
Samenvatting Algemene Psychologie (Basis+Uitbreiding)
o
Vrije en gebonden antwoordvorm.
Hoe wordt een test opgesteld? Een test bestaat uit een relatief grote verzameling van testitems of
opgaven en is de uiteindelijke score een indicatie van het aantal correct opgeloste items. Veelal
spreekt men ook van een testbatterij. De geselecteerde items moeten aan een aantal voorwaarden
voldoen:
-
-
Validiteit: Validiteit kan je vanuit 3 standpunten bekijken:

Zijn alle aspecten die belangrijk zijn voor de meting van de bedoelde eigenschap
opgenomen?

Meet je niet iets anders dan je wilt meten?

Stellen de testresultaten je in staat om voorspellingen te doen over analoge zaken?
Betrouwbaarheid: Een test moet bij opnieuw testen hetzelfde resultaat geven. Voorwaarden
die samenhangen met betrouwbaarheid zijn:

Objectiviteit: Hierbij streeft men om de inter- en intrabeoordelaarsverschillen te
minimaliseren.

Standaardisatie: wilt zeggen dat men de externe factoren onder controle houdt.
Wanneer een test voldoet aan de voorwaarden kan hij als meetinstrument gebruikt worden. Een test
levert eerst ruwe scores op. Deze scores op zich vertellen nog niets over de relatieve positie van het
individu. Deze ruwe scores moeten vergeleken worden met een representatieve groep (norm), dit
doen we door te normeren. Deze vergelijking wordt o.m. weergegeven door de centielrang of door
een standaardscore.
De maakbaarheid van intelligentie
De oorsprong van intelligent gedrag kan je zoeken in de persoon of de omgeving (nature-nurture
debat). Galton stond met zijn onderzoek echter aan de wieg van de wetenschappelijke discipline van
gedragsgenetica dat zich bezighoudt met het interactie-effect van erfelijkheid en omgeving op
gedrag. Doordat gedrag steeds bepaald wordt door een combinatie van erfelijkheid en milieu dienen
specifieke methoden gebruikt te worden:
-
Familiestudies.
Tweelingstudies.
Adoptiestudies.
De erfelijkheid coëfficiënt is de proportie van de totale variatie van een karakteristiek in een
populatie die verklaard wordt door genetische factoren. De omgevinscoefficient is de proportie van
de totale variatie van een karakteristiek in een populatie die verklaard wordt door omgevingsfactoren. Dikwijls spreekt men ook over shared en non-shared environment. De topic erfelijkheid van
gedrag is een gevoelig topic, waarbij soms de fout wordt gemaakt om erfelijkheid te verwarren met
determinisme.
-
Onderzoek Plomin & Spinath.
Ulrike Lorent, Tessa Meyntjens, Shauni Collier,
Liv Vanabdeel & Karolien Willaerts
59
2012-2013
Samenvatting Algemene Psychologie (Basis+Uitbreiding)
Groepsverschillen in intelligentie
Generatieverschillen in intelligentie
Flynn-effect: De laatste halve eeuw steeg wereldwijd het IQ van mensen met een aantal IQ-punten
per jaar. Voor dit Flynn-effect zijn veel verklaringen zoals scholing en voeding. De hypotheses van
scholing en voeding lijken zeer intuïtief. Door de langere en/of betere voeding worden de hersenen
van de kinderen geleid tot een hoger IQ. Maar beide hypotheses hebben echter ook moeite met een
aantal observaties. Zo is het Flynn-effect kleiner voor de gekristalliseerde intelligentie, dus meer
schoolse intelligentie dan voor de vloeiende intelligentie.
Seksverschillen in intelligentie
Cognitive abilities test (CAT 3):
1. Verbaal redeneren.
2. Numeriek redeneren.
3. Non-verbaal redeneren.

Meisjes hebben een hogere gemiddelde score op de verbale subtests, de non-verbale
subtests en het globale testresultaat, terwijl jongens beter scoren op de numerieke subtest.

Hier kunnen verschillende verklaringen worden voor gezocht:
 Biologische verklaring: gaat terug op de geslachtschromosomen. Omdat het Ychromosoom kleiner is dan het X-chromosoom hebben recessieve kenmerken een
grotere kans op voorkomen bij mannen. Doordat vrouwen twee X-chromosomen
hebben kan een defect op het ene X-chromosoom gecompenseerd worden door het
andere chromosoom. De grote variabiliteit bij mannen zou hierdoor verklaard
kunnen worden, even als de aan- of afwezigheid van specifieke vaardigheden.

Hormonale verschillen: Zowel mannen als vrouwen bezitten vrouwelijke en
mannelijke hormonen, maar in verschillende mate. Bij mannen met prostaatkanker wordt soms de testosteronproductie stilgelegd. Bij deze mannen ziet
men een vermindert verbaal geheugen en een verminderde aandacht, maar
er is geen effect op het non-verbale geheugen en de executieve functies.
 Sociologische verklaring: gaat uit van een verschillende socialisatie van meisjes en
jongens. Ouders sturen hun kinderen in typisch seks-gerelateerde activiteiten. Deze
variatie in socialisatie zou dan aanleiding geven tot een differentiatie in
vaardigheden.
Rasverschillen in intelligentie
Hiervoor zijn er 2 theorieën:
1. Genetische theorie: stelt dat intelligentie hoofdzakelijk genetisch bepaald is  10
argumenten die deze theorie staven:
- De verschillen in cognitieve vaardigheden zijn universeel en houden niet alleen verband met
blank en zwart.
- Het IQ-verschil wordt voornamelijk waargenomen met testen zoals de Raven progressive
Matrices.
- De IQ-verschillen zijn het meest uitgesproken op de meer erfelijke componenten van tests.
Ulrike Lorent, Tessa Meyntjens, Shauni Collier,
Liv Vanabdeel & Karolien Willaerts
60
2012-2013
Samenvatting Algemene Psychologie (Basis+Uitbreiding)
-
Er is een correlatie vastgesteld tussen de hersenomvang en het IQ van een persoon.
Bij transraciale adoptie ziet men dat geadopteerde kinderen meer aansluiten bij het IQ van
hun biologische ouders dan van hun pleegouders.
- Gemiddeld liggen de kinderen uit gemengde huwelijken qua intelligentie tussen gemiddelde
waarden van beide rassen in.
- Regressie naar het gemiddelde is een bekend fenomeen.
- Verschillen tussen Oost-Aziatische, Europese & Afrikaanse groepen worden niet alleen
aangetroffen bij het IQ, maar ook bij andere eigenschappen.
- De genetische verklaring voor het IQ-verschil tussen de groepen is compatibel met bestaande
antropologische theorieën en de evolutieleer.
- De omgevingstheorie stelt dat het IQ-verschil te wijten is aan een armere omgeving.
2. Omgevingstheorie: gaat ervan uit dat intelligentie hoofdzakelijk door de omgeving bepaald is
 5 argumenten:
- Het verschil van 15 IQ-punten dat telkens wordt vermeld, is gebaseerd op verouderde
studies.
- Interventies hebben wel degelijk effect, maar moeten potentieel zijn met de achterstand.
- De tweedeling blank en zwart is te ongenuanceerd.
- Kinderen uit een gemengd huwelijk zouden hetzelfde IQ moeten hebben.
- Uitgaande van de erfelijkheidstheorie zou het weinig verschil mogen maken of een zwart
kind wordt geadopteerd in een zwart of blank gezin.
Toepassing: Beïnvloeding van intelligentie
Selffulfilling prophecy (Pygmalion-effect)
Experiment waarbij tegen leerkrachten verteld werden dat bepaalde kinderen een spurt gingen
maken op vlak van lessen e.d. De andere kinderen waren de controlegroep. Beide groepen
ondervonden zowel een pre- als post-test. De auteurs kwamen er achter, dat de aangewezen
kinderen effectief een spurt maakten (vermoedelijk omdat de leerkrachten hun gedrag aangepast
hadden bij die specifieke kinderen). De effectgrootte was 0,30 wat relatief klein is. Ook zijn er enkele
eigenaardigheden zoals dat de auteurs alleen de verschillen rapporteerden, hierdoor hebben we
geen absolute maat van het IQ.
Intelligentie en ouder worden
Seattle Longitudinal Study (maar kan ook op een transversale manier gerepresenteerd worden):
-
-
Componenten die gemeten worden:

Verbale begaafdheid.

Ruimtelijke oriëntatie.

Inductief redeneren.

Numerieke begaafdheid.

Perceptuele snelheid.

Verbaal geheugen.
Conclusie Seattle Study:

Intelligentie verandert met het ouder worden.
Ulrike Lorent, Tessa Meyntjens, Shauni Collier,
Liv Vanabdeel & Karolien Willaerts
61
2012-2013
Samenvatting Algemene Psychologie (Basis+Uitbreiding)




In het algemeen is er geen afname van de intellectuele capaciteiten voor het 60ste
levensjaar.
Afhankelijk van de gebruikte methode krijg je een ander beeld.
Er zijn variabelen die de capaciteitsafname remmen door bv. een flexibele
persoonlijkheidsstijl.
Kan de intellectuele afname teniet worden gedaan door training?
Hoofdstuk 9: Leren
Inleiding
Leren is een relatief duurzame verandering in (potentieel) gedrag die het gevolg is van gerelateerde
omgevingsgebeurtenissen. Klassiek worden er 4 basisvormen van leren onderscheiden:
1. Habituatie: is het fenomeen waarbij de sterkte van de respons zal afnemen als een prikkel
herhaaldelijk wordt aangeboden.
2. Sensitisatie: is bijna het omgekeerde van habituatie. Hierbij zal de reactie versterkt worden.
 Niet-associatief leren: Hier vallen habituatie en sensatie onder. Er wordt namelijk geen
verband gevormd tussen twee prikkels.
3. Klassiek conditioneren.
4. Operant conditioneren.
 Associatief leren.
Klassieke (Pavloviaanse) conditionering
-
-
Experiment van Pavlov: De oorspronkelijke proef was dat de hond 3x per week een fles met
gekleurd zoutzuur te zien kreeg. Daarna werd een beetje zoutzuur in de mond van de hond
gegoten wat zorgde voor een overvloed aan speekselafscheiding. Na dit enkele dagen
herhaald te hebben, begon de hond te kwijlen zodra de fles met gekleurde zoutzuur werd
getoond.

5 variabelen:
1. Unconditioned stimulus (US) of onvoorwaardelijke stimulus: Dit is het proeven
van zoutzuur.
2. Unconditioned respons (UR) of onvoorwaardelijke respons: Dit is de respons op
de US.
3. Conditioned stimulus (CS) of voorwaardelijke stimulus: Dit is het zien van de fles
zoutzuur (alvorens het te proeven).
4. Oriënteringsreflex (OR): Deze stimulus heeft geen of een irrelevante reactie tot
gevolg.
5. Conditioned respons (CS) of voorwaardelijke respons: Na enkele keren zal het
dier bij het zien van de fles beginnen kwijlen.
Eye-blink respons: Als je in iemand zijn oog baast, zal deze persoon zijn oog sluiten:

US: Lucht puf in het oog.

UR: Sluiten van het oog.

CS: Een gekozen geluid  Initieel heeft deze CS een OR tot gevolg
 De US doet het oog volledig sluiten. Tijdens het conditioneren is het ooglid eerst volledig
open. Dan wordt de CR gegeven. Met enige vertraging wordt het ooglid gesloten, maar
Ulrike Lorent, Tessa Meyntjens, Shauni Collier,
Liv Vanabdeel & Karolien Willaerts
62
2012-2013
Samenvatting Algemene Psychologie (Basis+Uitbreiding)
-

afhankelijk van het voorgaande leerproces kan dit meer of minder volledig zijn. Op het
einde van de CS wordt de US toegediend. Door de lucht puf wordt het oog gesloten
(eveneens met een zekere latentie). Het geluid blijft doorgaan en eindigt samen met de
lucht puf. Daarna herstelt de oude situatie zich en wordt het oog volledig geopend. Na
het conditioneren zal de CS volstaan om met enige vertraging de CR op te roepen.
Vreesconditioneren (fear conditioning): Hierbij wordt vrees geïnduceerd d.m.v. klassiek
condtioneren. De CS (een toon of lichtflits) wordt gevolgd door een aversieve prikkel (zoals
een elektrische schok). Dit is de US. Deze US lokt gedrag uit zoals ‘bevriezen’ (freezing). Na
slechts enkele beurten zal ook de CS dit gedrag uitlokken.
In deze proeven wordt de effectiviteit van het conditioneren meestal weergegeven door de
onderdrukkingsratio. Dit is de mate waarin de uitvoering van vooraf geleerd gedrag wordt
onderdrukt door de presentatie van de CS.
 Formule: A/(A+B), waarbij A = het aangeleerd gedrag tijdens de presentatie van de CS &
B = het gedrag in afwezigheid van de CS is.
(1)Verwerving van de geconditioneerde respons
-

Gabrieli, Carrillo et al.: vergeleken de contioneerbaarheid van 7 amnesiepatiënten met 7
controlesubjecten. De CS was een toon die heel kort via een koptelefoon in beide oren
gegeven werd. De US was een lucht puf op de pupil van het rechteroog. De lucht puf & toon
eindigden tegelijkertijd.

Gewenningsfase: Hier werd zowel de toon als de lucht puf willekeurig toegediend,
maar nooit tegelijk. Er waren 3 blokken van 10 beurten. De CR werd gemeten bij de
laatste beurt.

Na de gewenningsfase: volgden er 6 blokken van 10 conditioneringsbeurten. Het
leereffect treed al op binnen de eerste 10 beurten (= 1ste blok).

Uitdovingsfase: Hier wordt enkel de CS gegeven, zonder de US. Na 20 beurten valt de
oogknip terug naar het basisniveau.
Geen significant verschil tussen de amnesiepatiënten en de controlesubjecten.
Je kunt de CS en US op verschillende manieren koppelen. De 2 bekendste zijn:
1. Delay conditioneren: Hierbij wordt de CS gerepresenteerd en blijft die gerepresenteerd tot
aan de US.
2. Trace conditioneren: Hierbij wordt eerst de CS aangeboden en verdwijnt daarna. Er volgt dan
een interval (trace) waarna de US wordt gegeven.
- Clark, Manns & Squire:

Onderzoeksvraag: In welke mate verschilt het Trace conditioneren met delay
conditioneren?

Methode:
o CS: Toon.
o US: Luchtpuf
 Trace conditie: In de helft van de beurten wordt alleen de CS gegeven, in de andere helft
volgde de US op de CS.
 Delay conditie: De US werd zeer snel na het begin van de CS gegeven.
 De verwachting werd op de US gevarieerd (gamble fallacy).
Ulrike Lorent, Tessa Meyntjens, Shauni Collier,
Liv Vanabdeel & Karolien Willaerts
63
2012-2013
Samenvatting Algemene Psychologie (Basis+Uitbreiding)
-

Resultaten/bevindingen:
 Delay-groep: Indien een CS alleen voorkwam, was de kans op de CR kleiner dan wanneer
de CS+US voorkwam  Dit was tegengesteld aan de verwachting dat de pp’en hadden.
 Trace conditie: Indien de pp de verwachting had dat de CS=US-combinatie zou komen,
was de kans op de CR groter dan wanneer deze niet verwacht werd.

Discussie: De keuze van timing van de US & CS zijn belangrijk voor de verwerving van
de geconditioneerde respons. Zo is het duidelijk dat het organisme het verband moet
kunnen leggen tussen de CS & US. In eerste instantie dacht men dat dit inhield dat de
prikkels contigu (te samen in tijd & ruimte) moeten worden aangeboden. Ook
moeten de sterkte en het belang van de CS & US in de juiste verhouding t.o.v. elkaar
staan. Als laatste is ook de sterkte van de US van belang.
Smaakversie  Anticipatorische nausea
(2)Uitdoving van de geconditioneerde respons
CR’s kunnen uitgedoofd worden door de CS aan te bieden zonder de US. Maar dit betekent niet dat
de CR wordt afgeleerd of dat de aangeleerde CS-US associatie verdwijnt. Bouton & Moody geven 3
observaties die het tegendeel bewijzen:
1. Spontaan herstel: Zelfs na de volledige extinctie van een respons kan er een spontaan herstel
optreden. De CR, die volledig verdwenen was, wordt dan opnieuw vertoond bij de eerste
aanbieding van de CS.
2. Reinstatement-fenomeen: Nadat de extinctie compleet is, volstaat het om nog enkele keren
de US te geven (zonder CS) om opnieuw een respons te krijgen op de CS.
3. Renewal-effect: Dit effect treedt op als het verwerven van de respons gebeurt in context A
en de uitdoving in context B. als de pp later in context A wordt gebracht, zal de CR opnieuw
optreden.

Recidive = Terugval.

Craving.
(3)Blokkering van de geconditioneerde respons
-
Experiment:

Methode: 3 fasen
1. 16 beurten waarin een geluid of toon werd gekoppeld aan een elektrische schok
(US). Dit was voldoende om een betrouwbare CR op te wekken.
2. 8 beurten waarbij een licht werd gevoegd bij het geluid om een samengestelde
CS te vormen (CSLT). Groep 2 kreeg ook deze samengestelde CS, maar hadden
geen conditionering met de toon alleen gekregen.
3. Hier werd nagegaan of de proefdieren reageerden op het licht (CSL) alleen of de
toon (CST) alleen.

Resultaten:
Conditie
Fase 1
Fase 2
Fase 3
1
CTT-US
CSLT-US
CSL  Kleine CR
CST  Grote CR
2
Niets
CSLT-US
CSL  Gemiddelde CR
CST  Gemiddelde CR
Ulrike Lorent, Tessa Meyntjens, Shauni Collier,
Liv Vanabdeel & Karolien Willaerts
64
2012-2013
Samenvatting Algemene Psychologie (Basis+Uitbreiding)

Discussie: De verklaring voor deze resultaten is waarschijnlijk dat er bij groep 1
blokkering optreedt. Het leren van de CST –US associatie verhindert het leren van de
CSL –US in fase 2. Het licht heeft geen enkele signalerende functie in deze
omstandigheid.
 Men kan het proefje anders opzetten waarbij een 3de groep gemanipuleerd wordt. Deze volgt dat
het parcours van groep 1, behalve dat in groep 2 de US veel sterker is. Hierdoor kan het licht toch
een signalerende functie krijgen en zal er een leereffect optreden.
(4)Contiguïteit of contigentie
Als we spreken over contiguïteit wilt dit zeggen dat de CS en US in dezelfde ruimte en tijd
aangeboden worden. Dit is echter niet voldoende om de associatie tussen CS-US te bewerkstelligen.
Het begrip wordt daarom vervangen door contigentie.  P(US|CS) is een voorwaardelijke kans en
kan gelezen worden als ‘de kans dat de US voorkomt, gegeven de CS’. Contigentie = P(US|CS)P(US|[niet CS]). Voorwaardelijke kans = P(US&CS)/P(CS).
 Positieve contigentie: De CS komt meer met de US voor dan zonder.
 Zero contigentie: De CS komt even veel keer met als zonder US voor.
 Negatieve contigentie: De CS komt meer voor zonder de US dan met de US.
Operante conditionering
Operante conditionering geeft aan dat een respons inwerkt op de omgeving. Een operant is dus
observeerbaar gedrag dat een mens of dier vertoont om de invloed uit te oefenen op de omgeving.
De wet van het effect
-
Gis- en-mis gedrag.
Wet van het effect: Wanneer er een positieve stimulus wordt gegeven na bepaald gedrag of
een negatieve stimulus blijft weg na bepaald gedrag, dan wordt dit gedrag versterkt en
omgekeerd.

Doolhofexperimenten.
o Latent leren: Leerproces dat geen uiterlijk waarneembare gedragsverandering tot
gevolg heeft.
Bekrachtiging
-
Bekrachtiger/inforcer: (Sr) is een stimulus die volgt op een respons, waardoor de kans op
herhaling van deze respons groter wordt.
 Reinforcement of bekrachtiging: verwijst naar de procedure waarmee een bekrachtiger
wordt toegediend en die tot gevolg heeft dat het gedrag toeneemt. Hierbij zijn 4
varianten te onderscheiden:
Ulrike Lorent, Tessa Meyntjens, Shauni Collier,
Liv Vanabdeel & Karolien Willaerts
65
2012-2013
Samenvatting Algemene Psychologie (Basis+Uitbreiding)
-
Shaping: Hierbij wordt het dier bekrachtigd voor elk gedrag dat ‘in de richting’ gaat van het
gewenste gedrag.
Fading: Hierbij wil je dat bepaald gedrag op bepaalde momenten wel plaatsvindt, en op
andere momenten niet. Naast de bekrachtigende stimulus is er hier dus ook sprake van een
discriminerende stimulus.
Bekrachtigingschema’s
Er zijn 4 te onderscheiden bekrachtigingschema’s:
1. FI (Fixed interval): Bij het schema met vaste tijdsintervallen bekrachtigt de onderzoeker de
eerste gewenste reactie die na verloop van een bepaalde tijd wordt vertoond.
2. FR (Fixed ratio): Een vast-aantalschema bekrachtigt een dier nadat het een vast aantal keren
op de hefboom heeft gedrukt (Vb.: Pas voedsel krijgen als je 5x op de hefboom drukt, en niet
wanneer je maar 4x drukt).
3. VI (Variable interval): Bij een variabel tijdschema is het tijdsinterval tussen twee
opeenvolgende bekrachtigingen variabel.
4. VR (Variable ratio): Een variabel-aantalschema vertoont dezelfde reactiepatronen als een
variabel tijdschema, maar dan zonder de pauzes.
Verklaringsmodellen
Biologische modellen
Vb.: Conditioneren zeehaas  Hiervoor moet je eerst de haas vangen.
Mathematische modellen
Rescorla-Wagner model: wiskundig uitdrukken van verloop van
conditionering
In woorden: de toename van associatiesterkte (ΔV) bij het paren
van CS en US is kleiner naarmate de momentane associatiesterkte
(Vn-1) de maximumwaarde (Vmax) nadert.
Ulrike Lorent, Tessa Meyntjens, Shauni Collier,
Liv Vanabdeel & Karolien Willaerts
66
2012-2013
Samenvatting Algemene Psychologie (Basis+Uitbreiding)
Neuronale-netwerkmodellen
-
-
Leren in de hersenen = het aanpassen van de verbindingen tussen neuronen
 Aanvankelijk hoge frequentie van signalen tussen twee hersengebieden. Nadien wordt
de verbinding sterker en neemt de frequentie af. Dit wordt gesimuleerd in neuraal
netwerkmodel
Eigenschappen van neuronen :

Invoerverbindingen.

Sommatiefunctie.

Drempelfunctie.

Uitvoerverbindingen.

Worden overgenomen in neuraal netwerkmodel.

neuron = unit

-
Leren = het optimaliseren van de gewichten, zodat een bepaald (input-activatiepatroon zorgt
voor het activeren van het corresponderende output-activatiepatroon. Vb.: netwerk voor en
na het leren: kwestie van verbindingen aanpassen. Maar hoe komen die verbindingen tot
stand?  Netwerk voor het leren: kwestie van verbinden aanpassen
-
Aanleren associaties: We bieden het netwerk telkens een voorbeeld input en output aan (cfr
leren van vreemde woorden). Indien input& output gelijk zijn, verhoog het gewicht tussen
beide met +1. Indien input& output verschillen, verlaag het gewicht tussen beide neuronen.
 Delta- leerregel
-
Netwerk voor- na het leren:
-
Opvragen van respons:

Ulrike Lorent, Tessa Meyntjens, Shauni Collier,
Liv Vanabdeel & Karolien Willaerts
67
2012-2013
Samenvatting Algemene Psychologie (Basis+Uitbreiding)
-
Neurale netwerken in de praktijk:

iTunes Genius:
 Leert op basis van o.a. Jouw afspeelpatroon welke nummers samen horen (hoe vaker
nummers samen worden afgespeeld, hoe sterker de verbinding tussen deze nummers).
Zoekt naar nummers die in de hele community sterke verbindingen hebben en
suggereert de nummers die nog niet in je library staan.
Toepassing: Gedragstherapie
-
Systematische desensitisatie:

Leren ontspannen.

Gedragsanalyse (wat zorgt voor angst?).

Angststimulus combineren met ontspannen.

Vb.: vliegangst
-
Aversietherapie (bv alcoholverslaving):
Ulrike Lorent, Tessa Meyntjens, Shauni Collier,
Liv Vanabdeel & Karolien Willaerts
68
2012-2013
Samenvatting Algemene Psychologie (Basis+Uitbreiding)
Hoofdstuk 10: Taal
Taal is een systeem van symbolen en regels dat ons in staat stelt om te communiceren. Daarnaast
gebruiken we taal om te denken, informatie op te slaan, emoties uit te drukken en zelfs om te
spelen. Er zijn 4 ‘talige’ vaardigheden, De eerste twee hebben te maken met taalbegrip; de laatste
twee met taalproductie:
1.
2.
3.
4.
Lezen.
Luisteren.
Spreken.
Schrijven.
Taal is niet alleen belangrijk om te communiceren, maar ook om te kunnen denken. Volgens Whorf
bepaalt taal zelfs ons denken. Anderzijds lijkt het duidelijk dat taal ons denken beinvloed.
Taalpsychologie onderzoekt de mentale processen bij taalgebruik.
Bouwstenen van taal
Woorden vormen een belangrijke sleutel tot het begrip van taal. Een verzameling van woorden
wordt een lexicon genoemd. Je kunt 3 eigenschappen onderscheiden in woorden:
1. Betekenis: De semantiek of betekenisleer houdt zich bezig met de studie van de betekenis
van symbolen. De pragmatiek bestudeert de communicatieve waarde van taal.
2. Spelling: Orthografie bestudeert de spelling van woorden; hoe ze geschreven worden. Een
grafeem is het kleinste deel van een geschreven woord dat één of soms enkele klanken
representeert.
3. Klank: Fonologie is het onderdeel van de taalwetenschap, dat de kleinste, betekenisonderscheidende klankonderdelen van de taal beschrijft en bestudeert. Een foneem is dan
een klank die zorgt voor een verschil in betekenis. De fonologie houdt zich bezig met de
studie van de woordklanken.
De relatie tussen klank, betekenis en spelling is echter arbitrair. Daarnaast is er ook veel ambiguïteit.
Woorden hebben veelal meerdere betekenissen, meerdere uitspraken en verschillende schrijfwijzen.
Lezen
Prosodie bestudeert het ritme, de klemtoon en de intonatie van de stem bij het spreken. Lezen van
woorden wordt dikwijls bestudeerd aan de hand van taken zoals de lexicale beslissingstaak. Hierbij
moet je als proefpersoon zo snel mogelijk beslissen of een letterreeks een woord of een
pseudowoord is. Er waren zowel een-lettergreepwoorden als twee-lettergreepwoorden. De
pseudowoorden werden geconstrueerd o.b.v. bestaande woorden die gemengd werden. Uit de
resultaten blijkt dat het ongeveer een halve seconde langer duurt om te beslissen of een letterreeks
een woord is, waarbij woorden sneller herkend worden dan pseudowoorden. Er was wel een klein,
maar significant oefeneffect in dit experiment.
Een andere taak is het benoemen van woorden en objecten. Je krijgt een woord of prent te zien,
waarbij je zo snel mogelijk het woord of object moet benoemen. Ook hier zien we zowel effecten
gebaseerd op frequentie en bekendheid als verwervingsleeftijd van woorden. Brysbaert en
Ulrike Lorent, Tessa Meyntjens, Shauni Collier,
Liv Vanabdeel & Karolien Willaerts
69
2012-2013
Samenvatting Algemene Psychologie (Basis+Uitbreiding)
Ghyselinck hebben bv. met een naming-taak aangetoond dat woorden die op jonge leeftijd zijn
geleerd, ook sneller worden gelezen. Ook de strooptaak wordt dikwijls gebruikt (Zie hoofdstuk over
aandacht).
Oogbewegingen tijdens het lezen
Onze ogen lijken vloeiend over het papier te
glijden, maar in realiteit gaan ze in sprongetjes
(saccaden). Gedurende een saccade is de
gevoeligheid voor visuele input verminderd.
Korte woorden en zeer voorspelbare woorden
worden door de lezer overgeslagen. De eerste
saccade verplaatst het fixatiepunt van het
eerste woord van de eerste regel naar het
einde van dat woord. De tweede en derde
saccade verplaatst de aandacht naar respectievelijk het tweede en derde woord. Het vierde woord
wordt overgeslagen en de fixatie wordt meteen naar het begin van de tweede lijn gebracht.
Heinzle et al. hebben een neuronaal-netwerk-model geconstrueerd om deze oogbewegingen te
simuleren. Het netwerk kent twee subsystemen. Een module staat in voor het herkennen van
woorden en een andere module verzorgt de motorische aansturing van de ogen. Deze twee modules
kunnen parallel werken.
Het bestuderen van de oogbewegingen levert dikwijls belangrijke informatie op over het leesproces.
Oogbewegingen kunnen worden gebruikt om te bepalen wanneer en waar de moeilijkheid in het
verwerken van de zin gebeurt en hoe de lezer deze moeilijkheid tracht op te lossen. De meting van
oogbewegingen geeft ons dus informatie over hoe zinnen verwerkt worden en is daarom een
waardevolle methode om leesprocessen te onderzoeken.
Fonologische processen tijdens het lezen
De visuele informatie van woorden worden dikwijls omgezet naar een fonologische representatie
(Zie werkgeheugenmodel). Orthografische codes worden steeds gekoppeld aan fonologische codes.
Soms ben je je hiervan bewust, maar veelal is het een onbewust proces dat plaatsvindt bij de
woordherkenning zonder dat je het kunt onderdrukken.
-
-
Eiter en Inhoff gebruikten een lexicale decisietaak om deze fonologische code aan te tonen.
Op het moment dat een (pseudo)woord visueel werd getoond, kreeg de proefpersoon ook
een irrelevant woord te horen. De reactietijd en accuraatheid van de beslissing werd
gemeten. De reactietijd was beduidend langer en de accuraatheid was lager bij fonologische
gelijke woorden tegenover fonologisch ongelijke woorden.
Ormel, Hermans, Knoors, Hendriks en Verhoeven: Woord-beeld-verificatietaak:

Proefpersonen: Dove kinderen & Horende kinderen (gemiddelde leeftijd = 11,5j).

Deze kinderen kregen een prent en een woord te zien, waarbij ze moesten aangeven
of het woord overeenkwam met het beeld.

De woorden waren hoog-frequente, een-lettergreepwoorden. Vb. Bloed.
Ulrike Lorent, Tessa Meyntjens, Shauni Collier,
Liv Vanabdeel & Karolien Willaerts
70
2012-2013
Samenvatting Algemene Psychologie (Basis+Uitbreiding)

In de helft van de beurten was er een match, waarbij het woord en beeld
overeenkwamen. In de andere helft kwamen woord en beeld niet overeen.
o Dit kon bv. zijn doordat het woord verkeerd gespeld was (Vb. bloet i.p.v. bloed). Dit
wordt dan een pseudohomofoon genoemd. een homofoon is een woord dat
hetzelfde klinkt als een ander, maar een andere betekenis heeft (Vb. reik en rijk).
o Een andere mogelijkheid was dat het een orthografisch gelijkend pseudowoord was
(Vb. bloer).
 Horende kinderen hebben langere reactietijden en maken meer fouten bij
pseudohomofonen dan bij orthografisch gelijkende pseudowoorden. Dit geeft aan dat
kinderen de woorden fonologisch coderen.
Verklarende modellen tijdens het lezen
-
Duale route-model: zegt dat een lezer twee routes heeft om
tot woordherkenning te komen.

Directe route: Je herkent het woord dan door het
visuele patroon van de geschreven letters. Deze
route gebruik je meer bij regelmatige woorden met
een gewone uitspraak.

Indirecte route: Je herkent het woord pas bij het
innerlijk uitspreken. Deze route gebruik je wellicht
meer bij onregelmatige woorden met een vreemde
uitspraak.
Om van een geschreven naar een gesproken woord te komen
zijn er 3 routes. Iedere route start met een orthografische
analyse. In deze fase worden de letters geidentificeerd en
gegroepeerd tot woorden:
1.
-
Route 1: geeft meteen de omzetting van de grafemen
naar de fonemen. De schrifttekens worden omgezet
naar klanken o.b.v. een systeem van regels.
2.
Route 2: Hierbij wordt het resultaat van de orthografische analyse doorgegeven aan
een orthografisch lexicon. Dit is een verzameling van geschreven woorden. Vandaar
gaat het naar een semantisch systeem dat de betekenis van het geschreven woord
toevoegt waarna het naar het fonologisch output lexicon gaat. Dit is een verzameling
van gesproken woorden, waarna het in een outputbuffer wordt geplaatst tot het
moment dat het spraaksysteem het opneemt om de woorden om te zetten in
klanken.
3.
Route 3: is zoals route 2, behalve dan dat het semantische systeem wordt
overgeslagen.
 Hoewel er 3 routes zijn, wordt het model toch een duaal routesysteem genoemd.
enerzijds is er de lexicale route die gebruikmaakt van het lexicon (route 2&3), en
anderzijds is er de non-lexicale route (route 1) die gebaseerd is op conversieregels.
Connectionistische of neuronale netwerkmodellen: Hierbij wordt er uitgegaan van een
structuur: Het neuronale netwerk. Het neuronale netwerk is een
verzameling van neuronen die onderling verbonden zijn. Deze verbindingen
kunnen faciliterend of inhiberend zijn. Visuele presentatie van een woord
zal bepaalde neuronen activeren. Deze neuronen zijn gevoelig voor
basiseigenschappen (Vb. Horizontale lijnen). Deze activatie wordt dan
Ulrike Lorent, Tessa Meyntjens, Shauni Collier,
Liv Vanabdeel & Karolien Willaerts
71
2012-2013
Samenvatting Algemene Psychologie (Basis+Uitbreiding)
doorgegeven aan andere neuronen in het netwerk. Men spreekt hier dikwijls over lagen.
Sommige lagen zorgen voor de representatie van fonemen, sommige voor de betekenis.
Meestal worden deze lagen voor gesteld in een driehoek. Connectionische modellen kunnen
vrij gemakkelijk verschillende gedragsfenomenen verklaren:

Woordfrequentie-effect: geeft aan dat frequente woorden sneller gelezen worden.
o Verklaring Dualistisch model: Deze woorden zijn in een apart lexicon opgenomen.
o Verklaring connectionistisch model: De gewichten van de verbindingen zijn optimaal
ingesteld, waardoor kortere of snellere paden in het netwerk gevormd worden. Dit
verklaard ook vrij gemakkelijk de aanvullende observatie dat dit frequentie-effect
wordt gemoduleerd door de gelijkenis van een woord met andere woorden.
Luisteren
Perceptuele span: Bij lezen wordt een woord telkens in zijn totaliteit en aansluitend geboden. Bij
perceptie van spraak doen er zich twee problemen voor.
(1)Segmentatieprobleem
Een eerste probleem bij luisteren is dus het vaststellen van de grenzen tussen de woorden. Gedrukte
woorden zijn meestal goed te onderscheiden, bij gesproken woorden is dat veel minder het geval.
Gesproken woorden vloeien in elkaar over. Dit kan je heel duidelijk zien in een spectrogram. Een
spectrogram is een tweedimensionale voorstelling van spraak met de tijd op de horizontale as en de
frequentie van het geluid op de verticale as. De intensiteit van de klank wordt weergegeven door de
zwartheid van het beeld. Witte ruimte stelt dus stiltes voor. Het segmentatieprobleem kan niet
opgelost worden door alleen naar pauzes te zoeken.
Mensen dienen dus ook andere aanwijzingen te gebruiken bij het luisteren naar spraak. Een ervan is
de stand van de lippen, waardoor sommige mensen kunnen liplezen (McGurk-effect: Aan de hand
van de lippenstand verstaan we een andere klank, terwijl er wel dezelfde klank gesproken wordt).
Andere aanwijzingen kunnen worden gevonden in de opeenvolging van fonemen. Sommige klanken
komen immers zelden na elkaar in een woord voor. Er zijn ook andere beperkingen. Een reeks
klanken zonder een klinker is meestal geen woord. Ook de intonatie is van belang. Beklemtoonde
lettergrepen vormen meestal het begin van een woord in het Nederlands.
(2)Coarticulatieprobleem
Naast het segmentatieprobleem heeft gesproken taal ook af te rekenen met grote individuele
verschillen in uitspraak. Ook is er het fenomeen van coarticulatie. De manier waarop een foneem
wordt geproduceerd hangt voor een deel af van de fonemen die er vlak voor of na staan.
Indien een gesproken woord een opeenvolging zou zijn van spraakklanken, moet de omkering het
zogenaamde spiegelwoord opleveren (Vb. tak-kat). Dat is echter niet het geval: Afhankelijk van de
aard van de consonanten klinkt het achterstevoren gespeelde woord ofwel enigszins als dat
spiegelwoord, ofwel lijkt het er in het geheel niet op.
Tenslotte is er het probleem van de snelheid. De meeste gesprekken verlopen met een snelheid van
10 fonemen per seconde. Dit vormt een grote uitdaging voor het spraakherkenningssysteem.
Ulrike Lorent, Tessa Meyntjens, Shauni Collier,
Liv Vanabdeel & Karolien Willaerts
72
2012-2013
Samenvatting Algemene Psychologie (Basis+Uitbreiding)
Woordherkenning bij gesproken taal
Het Cohortmodel tracht een verklaring te geven op de vraag ‘hoe we woorden herkennen in een
gesproken taal’. Bij het horen van de eerste klanken genereer je een ‘cohort’ van kandidaat-woorden
die alle in overeenstemming zijn met de tot dan gehoorde klanken. Een cohort is een lijst van
woorden die beginnen met dezelfde klanken.
Uitgaande van het cohortmodel zou je voorspellen dat je meer kandidaat-woorden kunt genereren in
je moedertaal dan in een andere taal. Je kent deze taal immers zeer goed. Dit zou ook betekenen dat
een moedertaalspreker iets trager zou zijn in de woordherkenning in zijn eigen taal dan een persoon
voor wie dit een tweede taal is. dit lijkt contra-intuitief. Anderzijds kun je ook stellen dat de
competitie in de cohort groter is voor de tweede taal, omdat woorden uit beide talen in de cohort
kunnen worden opgenomen.
-
Experiment van Weber & Cutler:

Onderzoeksvraag: Kan het zijn dat de competitie in het cohort groter is voor de
tweede taal, omdat woorden uit beide talen in de cohort kunnen worden
opgenomen? En of een cohort ook kandidaat-woorden uit andere talen kan
bevatten.

Methode:
o Proefpersonen: Nederlandse studenten met goede kennis van de Engelse
taal.
o Opdracht: De studenten moesten het beeld identificeren dat bij een
gesproken Engels woord hoorde.
o Conditie: Er waren 4 afbeeldingen, waarvan er steeds 1 doel en 1 concurrent
was. De eerste letter en klinker waren daarbij steeds gelijk aan het
doelwoord. Twee niet-gerelateerde afleiders werden toegevoegd, waarbij
gezorgd werd dat er noch in de Nederlandse noch in de Engelse benaming
enige overeenkomst was met het doelwoord.
 Vb.: Opdracht: ‘Click on the kitten.’ Doelwoord = kitten. Nederlandse
concurrent was bv. kist. Vb. van de twee afleiders: Dress & flower).

Resultaten: De resultaten geven de proportie weer
dat het doelobject, de concurrent en de afleiders
gefixeerd werden.

Discussie: De concurrent wordt door de Nederlandse
studenten meer gefixeerd dan de afleiders, terwijl
dat niet het geval is voor de sprekers met Engels als
moedertaal. Hoewel de opdrachten in het Engels
werden gegeven, activeerden de Nederlandse
studenten ook Nederlandstalige woorden die
fonologisch leken op de Engelse naam voor het
beeld.
Het cohortmodel suggereert dat spraakperceptie voornamelijk een bottom-up proces is. Andere
modellen houden ook rekening met de top-down invloed van context.
Ulrike Lorent, Tessa Meyntjens, Shauni Collier,
Liv Vanabdeel & Karolien Willaerts
73
2012-2013
Samenvatting Algemene Psychologie (Basis+Uitbreiding)
Spreken
Fasen in het spraakproces
Spraakproductie omvat 3 processen:
1. Planning: Het vaststellen van de boodschap die je wilt communiceren.
2. Formulering: Het omzetten van de boodschap in een specifieke zin.
3. Articulatie: Het omzetten van de woorden in spraak.
Iedere taalproductie begint bij een idee en eindigt met de klanken die deze idee onder woorden
brengt. Tijdens de conceptualisatie krijgt de idee vorm. We spreken hier van de preverbale
boodschap, omdat ze nog niet in woorden is omgezet. Dit laatste gebeurt namelijk in de tweede fase.
Deze tweede fase omvat twee belangrijke processen:
1. Lexicalisatie: Eerst worden de concepten die bij de boodschap horen geselecteerd en wordt
een abstracte representatie van de woorden geproduceerd, zogenaamde lemma’s deze
lemma’s bevatten ook grammaticale eigenschappen. Deze lemma’s bevatten semantische en
syntactische informatie, maar geen fonologische.
2. Syntactische planning: Vervolgens worden deze lemma’s samengevoegd om een zin te
vormen. Als laatste worden er o.b.v. de lemma’s fonemen geselecteerd die dan
samengevoegd worden tot lettergrepen. Aan deze lettergrepen worden articulatorische
codes gekoppeld die nodig zijn voor het uitspreken. Deze codes sturen de motoriek van het
spraakorgaan. Aarzelingen en pauzes in spraakproductie duiden op moeilijkheden bij de
planning.
-
Experiment van Wagner, Jeschniak en Schriefers:

Onderzoeksvraag: Kan spreken en plannen tegelijk gebeuren of gebeurt de planning
inderdaad voordat we beginnen spreken?

Methode: In beide experimenten hoorden de pp’en tijdens de visuele presentatie
van de objecten via een koptelefoon woorden die in verschillende relatie konden
staan met de genoemde objecten. Sommige waren semantisch gerelateerd aan het
eerste object, sommige aan het tweede object.
o
Experiment 1a: Er werden paren van objecten getoond aan de
proefpersonen, waarbij gevraagd werd om deze zo snel mogelijk te
beschrijven met een zin in de vorm van [links object] staat naast [rechts
object]
 Vb.: “De kikker staat naast de kop.”
o
Experiment 1b: In sommige experimenten moesten de proefpersonen ook
kleurinformatie geven.
 Vb.: “De blauwe kikker staat naast de blauwe kop.”
 Deze laatste taak is moeilijker en vraagt meer verwerkingstijd.
o
Variabelen:
 Afhankelijke variabele: De latentietijd van de respons.
 Onafhankelijke variabele: Objecten zo snel mogelijk beschrijven met
een zin, al dan niet met kleurinformatie.
Ulrike Lorent, Tessa Meyntjens, Shauni Collier,
Liv Vanabdeel & Karolien Willaerts
74
2012-2013
Samenvatting Algemene Psychologie (Basis+Uitbreiding)

Resultaten:
o

Bevindingen: In experiment 1a is er een significant effect van de semantisch
gerelateerde afleider, zowel voor het eerste als het tweede object. Dit
patroon suggereert dat voor eenvoudige zinnen de lemma’s van beide
woorden al geselecteerd zijn voor aanvang van het uitspreken. In experiment
1b is er sprake van een ander patroon. De latentietijd va de complexe zinnen
is beduidend groter dan die van de andere zinnen.
Discussie: Dit experiment geeft aan dat onder gewone omstandigheden en bij
geringe belasting, de planningsfase volledig wordt uitgevoerd voordat gestart wordt
met de articulatie. Bij hogere belasting of onder tijdsdruk laten pp’en zich wel eens
verleiden om al te starten met het articulatieprogramma voordat de planningsfase
volledig is uitgevoerd.
Spreekfouten
-
-
Semantische substitutie: Je vervangt een woord dat je wilt zeggen met een ander woord dat
een gelijkaardige betekenis heeft. Vb.: Waar is mijn tennisbat? (Je haalt pingpongbat en
tennisracket door elkaar).
Vermenging: Hierbij worden twee uitingen samengevoegd. Vb.: Dat kost duur.
Plaats-wisseling: Twee woorden die van plaats worden gewisseld. Vb.: Dit NIET IS goed
gegaan i.p.v. Dit is niet goed gegaan.
Versprekingen waarbij je klanken verwisselt, weglaat of toevoegt: Vb.: They
misunderestimated me.
Spoonerisme: treedt op als de letters van twee of meerdere woorden worden omgewisseld.
Grammaticale fouten: Hierbij is het fout-risico groter voor de vorm die het minst vaak
voorkomt.
Storingen in de vloeiendheid van de spraak komen vaker voor. Hartsuiker en Notebaert
onderscheidden 3 categorien:
1.
2.
3.
-
Zelfcorrectie: is het herstel van een spreekfout.
Herhaling: Hierbij worden de woorden of klanken meermaals gearticuleerd.
Pauzes: zijn stiltes, maar ook opvullingen met uh, uhm of het rekken van klanken.
Experiment van Hartsuiker & Notebaert:

Onderzoeksvraag: Wat verstoort de vloeiendheid van spraak? (Of iets in die trant :P)

Methode: Pp’en moeten een netwerk hardop beschrijven in een tempo dat werd
aangegeven met een gekleurde stip die langs de lijnen liep. Het hele parcours diende
in 42sec beschreven te worden. Ze moesten zowel de afbeeldingen benoemen als de
Ulrike Lorent, Tessa Meyntjens, Shauni Collier,
Liv Vanabdeel & Karolien Willaerts
75
2012-2013
Samenvatting Algemene Psychologie (Basis+Uitbreiding)

lijn beschrijven die de stip volgde. De figuren verschilden van elkaar op het gebied
van naamovereenstemming.
Discussie: Uit de resultaten blijkt inderdaad dat afbeeldingen met een lage
naamovereenstemming meer pauzes en zelfcorrecties uitlokken.
Schrijven
Naar schrijven is er nog maar weinig onderzoek gedaan. Vandenberg & Swanson hebben onderzoek
gedaan over schrijven:


Onderzoeksvraag: Hoe worden verschillende concepten geoperationaliseerd bij het
schrijven?
Methode: Leerlingen moeste verschillende schrijf- en werkgeheugentaken uitvoeren.
De eerste schijftoets was een onderdeel van de TOWL-2), waarbij de proefpersoon
een verhaal moest schrijven over een prent waarin een oermens vecht tegen een
mammoet. Een tweede opdracht was het schrijven van een essay over een persoon
die een uitdaging aangaat. De volgende eigenschappen van iedere tekst werden
gemeten:
o
Structurele kwaliteit van de tekst.
o
Spelling.
o
Syntactische complexiteit.
o
Woordenschat.
o
Spelling.
o
Planning.
o
Revisie.
Daarnaast kregen de pp’en ook een hele batterij aan werkgeheugentests. Uit alle
analyses bleek dat alleen de centrale verwerkingscomponent van het werkgeheugen
een voorspellende waarde had voor de schrijfcapaciteiten van de pp’en en dit zowel
op het gebied van structuur & planning van de tekst als op het gebied van spelling &
interpunctie.
Toepassing: Dyslexie bij jongvolwassenen
Dyslexie is een leerstoornis dat vlot lezen en/of spellen op woordniveau tegenhoudt, vergelijkend
met een relevante normgroep. De meest geaccepteerde theorie voor dyslexie is de fonologische
defecttheorie: De moeilijkheden die dyslectici ervaren zouden te wijten zijn aan problemen met het
opbouwen van de klankcodes in het fonologisch lexicon. Die gebrekkige kwaliteit van de fonologische
representaties zou op zijn beurt aanleiding geven tot moeilijkheden met het onthouden van
klankinformatie in het werkgeheugen, het ophalen van klankinformatie uit het lange termijngeheugen en het bewerken van deze klankinformatie.
De IDAA is een computergestuurde test waarin de kerncompetenties lezen en spellen in het
Nederlands en Engels worden gemeten. Het doel hierbij is het aanspreken van onbewuste,
geautomatiseerde processen.
Ulrike Lorent, Tessa Meyntjens, Shauni Collier,
Liv Vanabdeel & Karolien Willaerts
76
2012-2013
Download