- Scholieren.com

advertisement
Biologie Samenvatting K11
Horen
Als geluidstrillingen het oor binnenkomen, gaat het trommelvlies bewegen. De
gehoorbeentjes zitten vast aan het trommelvlies. Zij brengen de geluiden versterkt
over op het ovale venster. Geluidstrillingen gaan door dit venster het slakkenhuis in.
Daar liggen de gehoorzintuigcellen. Als die geprikkeld worden, gaan er impulsen via
de gehoorzenuwen naar de hersenen. Hoe harder het geluid, hoe meer impulsen.
De buis van Eustachius verbindt de trommelholte met de keel. Zo kan er lucht achter
het trommelvlies komen en kan er vuil vanachter het vlies afgevoerd worden.
Hormonen
Je zenuwstelsel zorgt ervoor dat je snel kunt reageren. Je hormoonstelsel is
betrokken bij processen die veel langzamer gaan. Hormonen worden in
hormoonklieren gemaakt en afgegeven in het bloed. Via het bloed komen hormonen
bij organen die erop reageren. De hormoonklieren zitten verspreid door je lichaam.
Ze hebben geen afvoerbuis, maar geven het hormoon direct af aan het bloed. De
meeste hormoonklieren werken je hele leven. Hormonen zijn betrokken bij
groeiprocessen, ontwikkelingsprocessen en stofwisselingsprocessen. Ieder hormoon
heeft zijn eigen taak.
De hormonen uit de eilandjes van Langerhans regelen dat de hoeveelheid glucose in
het bloed steeds ongeveer hetzelfde blijft. Dat is belangrijk want zo hebben je
lichaamscellen altijd genoeg glucose om te verbranden.
Insuline verlaagt de hoeveelheid glucose in je bloed en glucagon verhoogt deze
hoeveelheid. Als je teveel koolhydraten eet, neemt het glucose gehalte van je bloed
toe. De eilandjes gaan dan meer insuline maken. Insuline zorgt ervoor dat de
glucose in de cellen kan komen. Maar het zorgt er ook voor dat het teveel aan
glucose als glycogeen wordt opgeslagen in de spieren. Als na een tijdje de glucose
in je bloed vermindert doordat je het bent gaan verbranden, daalt je glucose gehalte.
Dan gaan de eilandjes van Langerhans glucagon afgeven. Glucagon zorgt ervoor dat
glycogeen weer omgezet wordt in glucose. Zo blijft het glucose gehalte steeds
ongeveer hetzelfde.
Bij ( plotselinge ) angst en stress, maar ook bijv. bij ‘spannendesporten’ geven de
bijnieren het hormoon adrenaline af. Daardoor stijgt het glucose gehalte in je bloed
heel snel en kun je super snel en alert reageren.
Je schildklierhormoon speelt een rol in heel veel lichaamsprocessen, maar bepaalt
ook hoe je je voelt. Teveel schildklierhormoon zorgt ervoor dat je je gejaagd en
uitgeput voelt. Als je te weinig hebt, merk je dat doordat je moe, prikkelbaar,
depressief en traag wordt.
De geslachtsklieren maken pas geslachtshormonen vanaf je puberteit. Het hormoon
zorgt ervoor dat je secundaire geslachtskenmerken krijgt. Meisjes krijgen het lichaam
van een vrouw: de borsten groeien, ze krijgen oksel en schaamhaar en ze krijgen
bredere heupen en vet ophoping in de dijen. De eicellen gaan iedere maand rijpen,
ze worden vruchtbaar en dus ook ongesteld. Jongens krijgen het lichaam van een
man: schouders worden breder door spierontwikkeling, hun strottenhoofd groeit
waardoor hun stem lager wordt, ze krijgen baardgroei, okselhaar en schaamhaar. De
zaadcellen worden rijp.
Impulsen en het zenuwstelsel
Impulsen zijn elektrische stroompjes. Impulsen worden door je lichaam vervoerd via
zenuwcellen. De uitlopers van de zenuwcellen geven de impulsen aan elkaar door.
Er zijn drie typen zenuwcellen:
Impulsen vanuit de zintuigen naar de hersenen worden getransporteerd door
gevoelszenuwcellen. Informatie over de omgeving komt zo in de hersenen.
Impulsen vanuit de hersenen en het ruggenmerg naar de spieren en klieren worden
getransporteerd door bewegingszenuwcellen. Spieren en klieren worden zo
aangestuurd.
Schakelcellen verbinden zenuwcellen onderling, zowel in de hersenen als in het
ruggenmerg. Zij komen allen op die plaatsen voor.
De lange uitloper van de gevoelszenuw zorgt voor contact met zintuigcellen. Het
cellichaam ligt net buiten het ruggenmerg. De korte uitlopers lopen vanaf het
cellichaam naar het ruggenmerg. Ze komen aan de rugzijde het ruggenmerg binnen.
In het ruggenmerg maken ze contact met schakelcellen. Deze zorgen voor
verbindingen tussen andere schakelcellen en bewegingszenuwcellen. Het
ruggenmerg brengt de impuls naar de hersenen.
De cellichamen van de bewegingszenuwcellen liggen in het ruggenmerg. De lange
uitlopers verlaten het ruggenmerg aan de buikzijde. Ze geleiden impulsen vanuit de
hersenen en het ruggenmerg naar spieren en klieren. De korte uitlopers zijn
verbonden met schakelcellen en gevoelszenuwcellen. De lange uitlopers van
bewegingszenuwcellen en gevoelszenuwcellen liggen vaak in bundels bij elkaar.
Samen vormen ze een gemengde zenuw.
De zenuwen, het ruggenmerg en de hersenen noemen we samen het zenuwstelsel.
Je hersenen liggen veilig in je schedel. Het ruggenmerg loopt door het wervelkanaal
en wordt beschermd door je wervelkolom. Het ruggenmerg en de hersenen samen
noem je het centraal zenuwstelsel.
De hersenen zijn onderverdeeld in grote hersenen, kleine hersenen en hersenstam.
Ieder deel heeft zijn eigen functie.
In je grote hersenen zit je bewustzijn. Er vindt zintuiglijke waarneming plaats en als je
bewuste bewegingen worden er geregeld. De kleine hersenen liggen onder de grote
hersenen. Hun belangrijkste taak is te zorgen voor een goede samenwerking tussen
de spieren. Hierdoor kunnen alle bewegingen vloeiend verlopen. De hersenstam is
de verbinding tussen ruggenmerg en hersenen. Alle impulsen van de hersenen naar
het ruggenmerg en omgekeerd lopen via de hersenstam. Bovendien is de
hersenstam belangrijk bij reflexen in het hoofd- en halsgebied. Ook allerlei dingen die
je onbewust doet, zoals ademhalen en je hart laten pompen, worden hier geregeld.
Het ruggenmerg vormt een verbinding tussen organen en hersenen. Het speelt een
belangrijke rol bij reflexen van romp en ledematen.
Kijken
Het witte gedeelte van je oog is het harde oogvlies. Het gekleurde rondje is de iris. In
het midden van de iris zit een zwarte stip, dit is het gaatje waardoor het ligt je oog
ingaat. Het gaatje heet de pupil. Het ligt gaat door de pupil, daarna door de lens en
komt dan op het netvlies. Op het netvlies zitten de zintuigcellen die gevoelig zijn voor
licht. De lens projecteert een beeld op het netvlies. Het is dan wel verkleind en staat
ondersteboven. Impulsen die door de oogzenuw lopen, sturen het beeld naar de
hersenen. De hersenen draaien het beeld zodat het weer rechtop staat. De lens
wordt boller voor dingen dichtbij en platter voor veraf. Accommoderen heet dat.
Daardoor komt het beeld precies scherp op de zintuigcellen in de gele vlek van het
netvlies terecht. Als de lens niet goed werkt, zie je onscherp.
Teveel licht is slecht voor de zintuigcellen. De pupil wordt groter of kleiner om te
regelen hoeveel licht er op je netvlies valt. Bij fel licht wordt de pupil kleiner en bij
weinig licht groter. Kringspiertjes en lengtespiertjes in de iris zorgen voor het kleiner
en groter maken. De pupillen van beide ogen reageren altijd gelijk. Het wordt de
pupilreflex genoemd, bij fel licht trekken de kringspiertjes samen en bij zwak licht
trekken de lengtespieren samen.
Er zijn twee verschillende soorten zintuigcellen in het netvlies: kegeltjes en staafjes.
Ze hebben een verschillende vorm, taak en plaats. Kleuren kun je waarnemen met
de kegeltjes, ze werken alleen als er genoeg licht is. Zo zie je bij weinig ligt, weinig
kleuren. Er zijn drie soorten kegeltjes, ze zijn gevoelig voor óf rood, óf groen óf blauw
licht. De andere kleuren kun je zien omdat de kegeltjes tegelijk werken. Met de
staafjes zie je kleine verschillen in licht en donker. Staafjes werken ook bij weinig
licht.
De kegeltjes zitten vooral in de gele vlek en steeds minder naar de randen van het
netvlies toe. Als het licht op de gele vlek valt, zie je het scherpst. De staafjes liggen
verspreid over het hele netvlies, maar ze liggen niet in de gele vlek. Er zijn veel meer
staafjes dan kegeltjes. Er is één plek op het netvlies waar je niet mee kunt zien: de
blinde vlek. Hier gaat de oogzenuw namelijk door het netvlies, daar zitten geen
staafjes of kegeltjes.
Reageren, hoe doe je dat?
Vanuit de zintuigen komt er allerlei informatie op je af. Je lichaam reageert op die
informatie. Dat kan op twee manieren: bewust of onbewust. Bij bewust reageren gaat
de informatie eerst naar de hersenen. De hersenen sturen dan je spieren en klieren
aan. Bij een onbewuste reactie reageer je razendsnel zonder dat je je hersenen
ervoor gebruikt.
De impulsen vanuit de zintuigen gaan via het ruggenmerg naar de hersenen. Vanuit
de hersenen gaan dan impulsen naar de spieren. Dit zorgt voor bewust gedrag.
Als je op je duim slaat, gaan vanuit de pijnzintuigen impulsen via een gevoelszenuw
naar je ruggenmerg. Daar gaat de impuls via de schakelcel door de
bewegingszenuw. De impuls bereikt zo de spieren van je arm. Je armspier spant aan
en je trekt je arm terug. Je hebt je hersenen er helemaal niet bij nodig. Zulke
onbewuste bewegingen heten reflexen. Een reflex is dus een vaste reactie op een
bepaalde prikkel. De beweging wordt vanuit je ruggenmerg aangestuurd zonder dat
je hersenen meedoen. Voor de reflexen van je hoofd gebruik je in plaats van het
ruggenmerg de hersenstam.
Behalve de impulsen door de reflexboog, gaan er ook nog impulsen naar de
hersenen. Reflexen zijn er om je te beschermen tegen onverwachte beschadigingen.
Zo heb je bijvoorbeeld de terugtrekreflex, de pupilreflex, de strekreflex en de
slikreflex.
Van prikkel tot gedrag
Een verandering in je omgeving noem je een prikkel. Er bestaan verschillende
soorten prikkels. Licht, geluid, warmte, koude, aanraking, druk, pijn, smaken en
geuren zijn allemaal prikkels.
Je gebruikt je zintuigen om de prikkels op te merken. Die zintuigen zitten in je ogen,
oren, huid, tong en in je neus. Je kunt ermee zien, horen, voelen, proeven en ruiken.
Ieder zintuig heeft zijn eigen soort zintuigcellen. Zintuigcellen van bijvoorbeeld de
neus en de ogen zijn dus verschillend. Ze reageren alléén op de prikkel die bij dat
zintuig hoort. Zo heb je voor iedere zintuig een andere geschikte prikkel.
Als een zintuigcel een prikkel opmerkt, gaat er een elektrisch signaaltje naar de
hersenen. Zo’n signaaltje heet een impuls. Vanuit ieder zintuig komt de informatie in
een ander deel van de hersenen terecht. Je hebt bijvoorbeeld een gehoorcentrum,
reukcentrum en een gezichtscentrum in je hersenen. In de hersenen wordt alle
informatie samengevoegd en verwerkt. Dan kun je pas snappen wat je zintuigen
hebben opgemerkt. Met je hersenen kun je dus pas echt zien, horen, ruiken, proeven
en voelen. De bewuste waarneming vindt plaats in de hersenen. Je hersenen
beslissen wat je het beste kunt doen na ontvangst van een prikkel. Je lichaam wordt
dan vanuit de hersenen aangestuurd.
Je reageert niet op iedere prikkel, prikkel kunnen te zwak zijn om een impuls te
veroorzaken. Gewenning: een prikkel is de hele tijd aanwezig, waardoor je
zintuigcellen geen impulsen meer sturen naar de hersenen. Als je reageert op
prikkels door iets te doen, noem je dat gedrag. Heel veel factoren bepalen hoe je je
gedraagt. Niet alleen de motivatie en de prikkels uit de omgeving, de zogenoemde
uitwendige prikkels, bepalen je gedrag. Ook prikkels in je lichaam bepalen je gedrag.
Dit zijn inwendige prikkels.
Voelen, ruiken en proeven
Je kunt van alles voelen met je huid, de huid voelt met speciale zintuigen. In de
lederhuid liggen temperatuur zintuigjes voor warmte en kou, en ook de tast – en druk
zintuigen. Met vrije zenuwuiteinden in de kiemlaag neem je pijn waar. Vrije
zenuwuiteinden om pijn mee waar te nemen, zitten overal in je lichaam. Sommige
plekken in je lichaam zijn gevoeliger dan ander. Daar zitten heel veel zintuigcellen bij
elkaar.
Met je tong kun je vijf smaken uit elkaar halen: zuur, bitter, zoet, zout en
heerlijk/hartig. Voor iedere smaak heb je aparte smaak zintuigcellen. Die liggen over
je hele tong verspreid. Je neus onderscheidt enorm veel verschillende geuren. Dat
doet je neus met reuk zintuigcellen. Al die zintuigcellen zitten in je reuk slijmvlies. De
reuk zintuigcellen worden geprikkeld door geuren, ze sturen impulsen naar het
reukcentrum in je hersenen.
Download