Document

advertisement
Leven Neozoicum 65
5. Het plioceen : Van 7 tot 3 miljoen jaar geleden.
Het klimaat in het plioceen werd nog kouder en kondigde het begin van de ijstijden
aan. Op de in dit tijdvak uitgestrekte grasgebieden waren de zoogdieren, die een
climax hadden gekend in het mioceen, nog steeds zeer succesvol.
- 5 miljoen jaar geleden ontstaat de straat van Gibraltar. Via een kilometersbrede en
honderden meters hoge waterval stroomt er water van de Atlantische oceaan in het
Middellandse Zeebekken. Vele dieren konden slechts overleven door hun toevlucht te
zoeken op een stel van eilanden waar ze geïsoleerd een eigen ontwikkeling kennen.
- In het mioceen was er een verbinding ontstaan tussen Afrika en Eurazië die
aanleiding gaf tot belangrijke migraties tussen Europa, Azië en Afrika.
- Al naar gelang de hoogte van de zeespiegel was Australië
periodisch min of meer verbonden met omliggende eilanden
zoals Tasmanië maar ook Nieuw-Guinea en Nieuw-Zeeland.
Men spreekt in dit verband van het Sahulcontinent. Dit bleef
nog steeds geisoleerd en kende hierdoor, in afwezigheid van
placentadieren, een aparte sterke ontwikkeling van de
buideldieren die de eierleggende zoogdieren op een tweetal
soorten na volledig verdrongen. De figuur toont de huidige rode reuzenkangoeroe.
- Reeds lang bestond een verbinding via de Beringstraat tussen Eurazië en NoordAmerika. Noord-Amerika heeft hierdoor niet dezelfde isolatie gekend als ZuidAmerika dat gedurende zowat 30 miljoen jaar geïsoleerd bleef. De fauna en flora van
de Noordelijke continenten interageerden voortdurend zij het dat de Beringstraat
meestal slechts kon overgestoken worden door aan koude aangepaste organismen.
- Tot het einde van het plioceen bleef Zuid-Amerika geïsoleerd en kende
overeenkomstig de ontwikkeling van een typische eigen fauna en flora. Via een nog
niet gekende weg waren er wel migraties geweest vanuit het Noorden. Primaten en
knaagdieren deden de overstap in het oligoceen en vleermuizen in het mioceen. Op
het einde van het plioceen, rond 3 miljoen jaar geleden, ontstond een definitieve
verbinding tussen Noord- en Zuid-Amerika ter hoogte van de istmus (landengte) van
Panama. Deze vormde vooreerst een graslandcorridor waarlangs vlaktedieren konden
migreren. Wasberen, konijnen, paarden, kamelen (voorouders van de lama's), pumas,
herten, tapirs, olifantachtigen evenals honden en katten (waar
onder Smilodon) maakten hier van gebruik om naar het
Zuiden te trekken. De dieren die naar het Noorden
migreerden deden dit in de regel slechts tot de hoogte waar
het te koud voor hen werd. Zuid-Amerikaanse soorten die na
de verbinding Noordwaarts trokken zijn onder meer
opossums, gordeldieren, reuzengordeldieren (glyptodonten
met onder meer Glyptodon zie figuur), grond- of
reuzenluiaards (gravigrada), apen en stekelvarkens.
In het plioceen ontstonden enkele grondluiaards met reusachtige afmetingen. Een
voorbeeld is Megatherium americanum (zie figuur rechts) die voorkwam van
Leven Neozoicum 66
Argentinië tot Texas met
een lengte tot 6 meter en
een gewicht tot 3,8 ton. Het
dier had krachtige armen
die eindigden in zeer grote
handen
met
overeenkomstig
grote
klauwen.
De
laatste
grondluiaards stierven uit
rond 8.000 jaar geleden. De
luiaards worden heden ten
dage nog alleen vertegenwoordigd door enkele boomluiaards. De figuur links toont de
huidige drievingerige luiaard.
Het plioceen kent een stel van nog drietenige paardjes, zoals Hipparion, dat tot
ongeveer 2 miljoen jaar geleden in Eurazië en Afrika voorkwam. In Noord-Amerika
verschijnt Pliohippus, dat reeds een sterke gelijkenis vertoont op een modern paard.
Rond 5 miljoen jaar geleden ontstond het eerste moderne paard van het geslacht
Equus. Dit kende succes en verspreidde zich tot in Europa en later ook tot Azië en
Afrika. Merkwaardigerwijze stierven alle paarden uit in Noord-Amerika waar zij
ontstonden. Het is slechts met de Spaanse verovering van Midden- en Zuid-Amerika
in de 16e eeuw, dat er terug paarden zullen verschijnen op het Amerikaanse continent.
De evenhoevigen kennen het nodige succes. Dit is onder meer te danken aan :
- de ontwikkeling van poten leidend tot uitstekende lopers en springers.
- Als aanpassing aan het efficiënt verteren van plantaardig materiaal ontwikkelt zich
een uitgebreid en gespecialiseerd spijsverteringssysteem met onder meer een sterk
ontwikkelde blinde darm. Bij herkauwers ontstaat een samengestelde maag.
Uit Palaeomastodon ontstaat naast de twee evolutielijnen, die in het mioceen waren
afgesplitst, ook nog een derde onder de vorm van Stegodon. Deze olifantachtige
leefde in Azië en stierf uit tijdens de ijstijden. Rond 5 miljoen jaar geleden ontstaat
een zijlijn die leidt tot de olifanten en mammoeten. Deze verloren hun onderste
slagtanden. Deze lijn leidde tot, onder meer, de wolharige mammoet, Mammuthus
primigenius, die zich aan de ijstijden zal aanpassen, deze succesvol zal overleven en
zich verspreiden over Afrika, Noord-Amerika en Eurazië. Deze lijn leidde eveneens
tot de twee nu nog levende olifantensoorten.
Het plioceen is het tijdvak van de allereerste geschiedenis van de mensachtigen. Dit
maakt het onderwerp uit van een apart hoofdstuk.
Leven Neozoicum 67
6.2. HET QUARTAIR
Deze periode kan het best gekarakteriseerd wordt door HET ONTSTAAN VAN DE
MENS EN ZIJN CULTURELE EVOLUTIE. Het wordt ingedeeld in twee tijdvakken.
1. Het Pleistoceen : Van 3 miljoen tot 10.000 j.g.
In het pleistoceen gebeuren grote klimatologische veranderingen, die gekenmerkt
worden door het elkaar relatief snel opvolgen van periodes van warmte en koude,
regen en droogte. Deze opvallende klimaatschommelingen leidden bij herhaling tot
IJSTIJDEN, die het pleistoceen kenmerken. In het Zuidelijk halfrond wordt het
Antarctisch continent bedekt met enorme hoeveelheden ijs en wordt hierdoor
praktisch ontoegankelijk voor levende organismen. In het Noordelijk halfrond worden
grote delen van Europa, Azië en Noord-Amerika bij herhaling bedekt met onmetelijke
ijsvelden. Door dit alles worden overeenkomstig grote hoeveelheden water
vastgehouden, daalt de zeespiegel met meer dan 100 meter beneden het huidige peil
en daalt de gemiddelde temperatuur met meer dan 10°C. Men kent heden in het
Noordelijk halfrond zowat zeventien ijstijden, die grosso modo om de 100.000 jaar
wegebben en terugkeren. Men spreekt in dit verband van GLACIALEN en
INTERGLACIALEN. Een interglaciaal duurt gemiddeld 10.000 jaar. Tijdens de
interglacialen zijn de poolkappen klein, ligt de grens van de eeuwige sneeuw in de
gebergten hoog en is het aantal en de omvang van de gletsjers klein. In de warmere
streken vindt men PLUVIALEN. Dit zijn regentijden, die veelal overeenkomen met
de interglacialen en die in de warmere streken zorgen voor een sterkere plantengroei.
Hierdoor schuiven de klimaatzones naar hogere breedtegraden. Hierdoor ontstonden
bvb. in Midden- en Zuid-Europa op Afrikaanse savannes gelijkende landschappen
met overeenkomende fauna en flora. Tijdens de glacialen werden de tropische
regenwouden droger en kleiner in omvang en verdorden de savannen. Men spreekt in
dit verband van INTERPLUVIALEN.
De naamgeving van de ijstijden is relatief ingewikkeld en verschilt volgens de plaats
op aarde. Voor de Noordamerikaanse ijstijden gebruikt men namen van staten. In
Europa is er de Alpentheorie en de Noordeuropese theorie, die in zeer grote mate met
elkaar overeenkomen, behoudens de naam, die zeer verschillend is. Ook in Rusland
en West-Siberië worden de ijstijden aangeduid met een eigen naam. Zo is de naam
van de laatste ijstijd Würm-ijstijd (Alpentheorie), Weichsel-ijstijd (Noordeuropese
theorie), Wisconsin-ijstijd (Noord Amerika), en Waldaï-ijstijd (Rusland). Deze ijstijd
begon zowat 120.000 jaar geleden, kende verschillende elkaar afwisselende warmere
en koudere periodes met een hoogtepunt (grootste uitbreiding van het ijs) rond 18.000
jaar geleden en eindigde rond 10.000 jaar geleden.
Het ontstaan van de ijstijden bracht met zich mee dat vele soorten uitstierven of naar
het Zuiden verdreven werden. Andere pasten zich aan koude aan door onder meer de
ontwikkeling van een dichte vacht en een laag vet. Een belangrijk onderdeel van het
gedrag werd de trek. Kudden planteneters, gevolgd door roofdieren, trokken
Noordwaarts tegen de zomer en Zuidwaarts tegen de winter. Deze werden ook
gevolgd door de mensen die deze dieren bejaagden. Voorbeelden van succesrijke
aanpassingen zijn de wolharige mammoet en de wolharige neushoorn maar ook
kleinere dieren pasten zich aan.
Leven Neozoicum 68
- Van de wolharige mammoet
(Mammuthus primigenius - zie
figuren) heeft men een 12-tal
bevroren exemplaren gevonden.
Zij werden ook teruggevonden in
de grottekeningen van de Cro
Magnon. Gedurende lange tijd
leefden zij in het gebied van de
mensen. De dieren vertoonden
een aflopende rug en een bult achter de kop.
- Ook van de wolharige neushoorn (Coelodonta
antiquitatus - zie figuur) vond men zowel bevroren
karkassen in Siberië als grottekeningen. Het dier
leefde tussen 500.000 en 10.000 jaar geleden.
- De Europese holenleeuw leefde tussen 900.000 en
10.000 jaar geleden.
Het succes van de familie van de holhoornigen kent zijn grootste bloei in het
Pleistoceen met het ontstaan van de zeer talrijke moderne soorten (zie figuur volgende
bladzijde).
- Het Ierse reuzenhert (Megalocerus - zie figuur) had een
gewei dat tot 3 meter breed kon worden en dat door zijn
grootte ook zijn ondergang heeft betekend. Het leefde tussen
400.000 en 9.500 jaar geleden.
Deinotheriën hielden stand tot in het pleistoceen,
chalicotheriën stierven uit rond 2 miljoen jaar geleden.
Rond 2,5 miljoen jaar geleden gaat de landbrug tussen Zuiden Noord Amerika dicht bebost worden waardoor de
vlaktedieren geïsoleerd werden en nog slechts weinig dieren van Noord naar Zuid of
omgekeerd trokken. Om deze reden kende Zuid-Amerika nog steeds een typische
eigen ontwikkeling van fauna en flora die echter wel bij herhaling was beïnvloed door
migranten uit het Noorden. De Noord-Amerikaanse dieren die naar het Zuiden waren
getrokken deden het ook in het pleistoceen nog steeds goed maar de ZuidAmerikaanse migranten naar het Noorden konden zich veel moeilijker aanpassen. De
waarschijnlijke reden hier voor was het koelere klimaat in het Noorden.
Leven Neozoicum 69
- Zowat 2 miljoen jaar geleden ontstonden zeer
grote
gordeldieren.
Dit
waren
de
Glyptodontidae of reuzengordeldieren. Zij
vertoonden een carapax (of schaal) als
verdediging tegen roofdieren zoals de
sabeltanddieren. Sommige hadden zelfs een
gepantserde staart. Bij Doedicurus is er op het
einde van de staart nog een benige knuppel voorzien van stekels (zie figuur). Rond
Leven Neozoicum 70
12.000 jaar geleden gaan vele van de vermelde
reuzen uitsterven of zeldzaam worden. De
huidige gordeldieren (Dasypodidae) of
armadillo's stammen waarschijnlijk af van de
glyptodonten. Tot deze familie behoort ook het
huidige reuzengordeldier (Prodontes giganteus
- zie figuur) uit de oerwouden van het Amazonegebied dat niet mag verward worden
met de Glyptodontidae.
- De laatste grondluiaards waren nog aanwezig toen de mens op het Amerikaanse
continent verscheen. Heden bestaan nog een 5-tal soorten boomluiaards.
Het leven in het pleistoceen wordt eveneens gekenmerkt door het ontstaan van het
geslacht Homo. Het is slechts na het ontstaan van Homo ergaster dat de mens voor het
eerst Afrika verlaat en vooreerst Azië en nadien ook Europa verovert. Het is slechts
na het ontstaan van de moderne mens, Homo sapiens, dat deze ook de overige
werelddelen verovert. Doordringen tot in het Noorden van Europa en Azië kon slechts
gebeuren wanneer het ijs zich tijdens de interglacialen terugtrok. Behoudens het
mediterrane gebied werd het grootste deel van Europa slechts bewoond tijdens de
interglacialen. Wij kunnen daarbij grosso modo stellen dat de mens alleen leefde ten
Zuiden van de klimaatzone waarin vriestemperaturen voorkwamen. De ontdekking
van het vuur en warme kledij was een voorwaarde voor het jagen of wonen in koudere
streken. Op dit alles wordt in het hoofdstuk over de culturele evolutie dieper
ingegaan.
Het pleistoceen wordt gekenmerkt door het ontstaan en evolueren van het geslacht
Homo.
De omgeving waarin de moderne mens van die tijd leefde verschilde in functie van
het oprukken of terugtrekken van het ijs. De beroemde grottekeningen van die tijd
leren ons grosso modo de omgeving kennen waar in de mens van toen leefde. Tijdens
de warmere periodes vond men van Noord naar Zuid in Europa vooreerst de toendra
en vervolgens een grasrijke steppe en eiken- en sparrenbossen. Op de toendra’s
graasden rendieren, muskusossen en mammoeten, op de grasrijke steppen waren de
grote grazers vooral paarden (de figuur toont het huidige Przewalskipaard),
neushoorns, herten (ook zeer grote zoals Megaceros) en taïga antilopen, in de bossen
bisons, oerossen, herten, reeën en everzwijnen. Daarnaast waren er de roofdieren,
zoals beren, wolven, sneeuwpanters, leeuwen en hyenas.
Leven Neozoicum 71
2. Het Holoceen : Van 10.000 j.g. tot heden
Het holoceen werd ooit aangeduid met de verouderde term Alluvium. Het is het
gebied waarin de plaeontologie eindigt en de archeologie begint.
Het holoceen kan beschouwd worden als de (totnogtoe) laatste van de talrijke
warmere fasen (interglacialen) die de ijstijden onderbraken. Hierdoor weken de
ijsmassa’s en maakten bevroren vlakten of toendra’s plaats voor grote wouden. Men
kon berekenen dat de gemiddelde temperatuur na het einde van de ijstijd, rond 10.000
jaar geleden, opliep tot een “postglaciaal temperatuuroptimum” rond 7.000 jaar
geleden. Nadien is er een dalende trend, die leidde tot een temperatuurminimum in
Europa bij wat heden de “kleine ijstijd” wordt genoemd en optrad tussen 1450 en
1850 met de laagste temperaturen in 1700. Sedertdien wordt het terug voortdurend
minder koud tot op heden.
Het einde van de ijstijd (zowat 10.000 jaar geleden) betekende het verdwijnen van
opvallend veel grote zoogdieren. In Noord- en Zuid-Amerika gaat het om zowat 75%
van het aantal soorten, in Australië is dit wat minder en in Europa, Azië en Afrika nog
wat minder. Dit uitsterven wordt toegeschreven aan een combinatie van
klimaatwijziging met de steeds efficiënter wordende jachttechnieken van de moderne
mens.
- In Noord-Amerika verdwenen onder meer mammoeten, mastodonten,
reuzenluiaards, glyptodonten, paarden, kamelen, tapirs en sabeltandkatten.
- In Zuid-Amerika stierven alle tandarmen (met uitzondering van de boomluiaards en
gordeldieren), alle carnivore buideldieren, pekaris, kamelen, herten, paarden en
mastodonten.
- In Europa stierven de wolharige mammoeten, de wolharige neushoorns en de
reuzenherten en werden hyena's, paarden, leeuwen en nijlpaarden naar Afrika
verdreven.
- In Australië verdwijnen vele soorten carnivore buideldieren, mierenegels en
kangoeroes.
Enkele kenmerken van de fauna van het holoceen zijn de volgende :
Onder de onevenhoevigen zijn alleen de paardachtigen succesvol. De geslachten
behorend tot de tapirs en neushoorns zijn alle duidelijke oude levensvormen.
De figuren tonen het huidige Przewalskipaard, de Zuid-Amerikaanse tapir en de
Indische neushoorn. Tapirs en neushoorns moeten ook heden ten dage steeds meer
plaats ruimen voor de modernere evenhoevigen. Hiertoe behoren niet herkauwers
zoals zwijnen en nijlpaarden en herkauwers zoals de kameelachtigen, de hertachtigen,
de giraffen en de zeer talrijke en succesrijke familie van de holhoornigen. Tot deze
Leven Neozoicum 72
laatste familie behoren de runderen, buffels, antilopen, geiten en schapen. Heden ten
dage zijn er nog slechts 15 soorten onevenhoevigen tegenover een 200-tal soorten
evenhoevigen.
Wat de olifanten betreft :
- De Amerikaanse Mastodon overleefde tot ongeveer 8.000 jaar geleden.
- In Europa koloniseerden de mammoeten een aantal eilanden en werden er snel
kleiner. Op het Wrangel eiland in Noord-Siberië verkregen zij de grootte van een
paard. De laatste mammoeten stierven uit rond 3.800 jaar geleden.
- De twee nu levende olifanten zijn de enige
overblijvende van een groep met een eens zeer
grote diversiteit.
- In het Middellands zeegebied op Sicilië,
Malta, Kreta, Cyprus en Tilos werden
dwergvormen gevonden van olifanten. Zij
stammen waarschijnlijk af van Paleoloxodon
antiquus, een woudolifant die 70.000 jaar
geleden leefde en bij het ontstaan van de eilanden geïsoleerd geraakte. Paleoloxodon
falconeri, gevonden op het eiland Tilos, had een schofthoogte van slechts 1,2 meter en
werd gedateerd op 4.500 jaar geleden. Ook in het Kongobekken in Afrika blijken
volgens verhalen van de pygmeeën dwergolifanten te hebben geleefd die verschilden
van de woudolifant door een kleinere gestalte met een schofthoogte van 1,9 meter.
Het smeltende ijs bood een nieuwe wereld, die door de mens veroverd kon worden.
Na in het pleistoceen, d.w.z. gedurende zowat 99% van zijn bestaan, een jager en
voedselverzamelaar te zijn geweest, gaat de mens over tot landbouw en veredeling
van planten en tot de domesticatie van dieren. De mens wordt nu in staat om andere
materialen te gebruiken dan steen, hout of been evenals tot het benutten van andere
energiebronnen dan alleen zijn eigen lichaamskracht. De mens bouwt steden en
verandert op een zeer opvallende wijze het aanzien van de aarde, waarbij zeer vele
levensvormen verdwijnen (verlies van BIODIVERSITEIT). De veranderingen die de
mens in het milieu veroorzaakt door emissie van allerlei gassen in de atmosfeer, het
verbranden van fossiele brandstoffen, het verbranden van het tropisch regenwoud, de
vervuiling van de bodem en de wateren enz. vat men samen onder de term “GLOBAL
CHANGE”. De studie hiervan zal in de komende decennia steeds belangrijker en
noodzakelijker worden.
Het opvallendste aspect van het holoceen is de steeds sneller evoluerende culturele
evolutie van de mens. Dit wordt in een apart hoofdstuk nader toegelicht.
Download