Voorbeeldexamen 3

advertisement
Inleiding tot het recht: tussentijdse test deel 1, hoofdstuk 1-2 (p. 44)
1. Vergelijk garantieverbintenis en middelenverbintenis.
Bij een garantieverbintenis is men verlicht een bepaald resultaat te bereiken, zelfs in geval van
overmacht. Men garandeert dus dat, wat er ook gebeurt, het resultaat er zal zijn.
De middelenverbintenis daarentegen, houdt geen verplichting tot resultaat in. Wel wordt men hierbij
geacht de wettelijke zorgvuldigheidsnorm in acht te nemen. Men moet handelen ‘zoals het een goede
huisvader past’. De inspanning om iets te bereiken staat hier dus centraal en niet het resultaat. De
middelenverbintenis wordt daarom ook vaak de inspanningsverbintenis genoemd.
2. Leg deze begrippen uit.
- verbod op eigenrichting
Eigenrichting is het zichzelf recht verschaffen zonder tussenkomst van een rechter.
Doch zijn hierop uitzonderingen mogelijk. Voor het eigenmachtig gebruik van dwangmiddelen,
moeten volgende voorwaarden vervuld zijn:
-men moet beschikken over een recht.
-dit recht moet onrechtmatig bedreigd zijn.
-het eigenmachtig optreden moet door de omstandigheden geboden zijn (noodzakelijkheid).
-het eigenmachtig optreden mag niet verder reiken dan voor het veilig stellen van het recht
noodzakelijk is (proportionaliteit).
De daad die onder deze toepassingsvoorwaarden wordt gesteld, is steeds op eigen risico
Voorbeelden van ‘toegelaten’ eigeninrichting zijn de wettige verdediging van zichzelf of van een
ander (art 416 Sw.), de exceptio non edimpleti contractus en het retentierecht.
- moratoire intrest
De moratoire intrest of nalatigheidintrest, is de intrest die men moet extra moet betalen bij het te laat
betalen van een geldsom. Dit omdat er van uit gegaan wordt dat de ontvanger schade heeft door het te
laat betalen van de som. De schuldeiser moet deze schade niet bewijzen.
De intrest wordt bepaald volgens een vast percentage, namelijk de wettelijke intrestvoet.
De moratoire intrest kan pas worden gevorderd na een ingebrekestelling. Dit is een formele aanmaning
waarbij het de schuldenaar duidelijk wordt gemaakt dat hij zijn verbintenis moet naleven.
- dwangsom
Een dwangsom kan geëist worden indien men een verbintenis om iets te doen of niet te doen, niet
nakomt. Hiervoor is immers geen fysieke dwang mogelijk. Er kan enkel uitvoering door derde op
kosten of een dwangsom geëist worden. (artikel 1385bis – 1385nonies Ger. W.)
Moratoire intrest, ook een vorm van dwangsom, kan geëist worden wanneer een verbintenis tot betalen
van een geldsom niet (op tijd) wordt nageleefd.
3.
De dochter heeft geen enkele verplichting ten opzichte van haar moeder. Als zij vrijwillig deze
boodschappen uitvoert, heeft zij geen recht om daar nadien voor betaald te worden. Dit vermits deze
overeenkomst een natuurlijke verbintenis is. Door uitvoering wordt een natuurlijke verbintenis
omgezet in een juridische verbintenis.
De dochter zal sowieso een deel van de erfenis van de moeder krijgen (indien deze niet het
tegenovergestelde heeft gespecificeerd in een testament), maar zal geen extra deel krijgen als
vergoeding voor de gedane boodschappen.
Omdat het hier gaat over moeder en dochter is er meer aan de hand dan enkel de natuurlijke
verbintenis. De dochter heeft namelijk een onderhoudsplicht ten aanzien van haar moeder o.b.v. art.
205 BW. Ze is dus verplicht om voor haar moeder te zorgen en kan dus de kosten die ze heeft moeten
maken voor het doen van de boodschappen niet terugvorderen.
Je denkwijze was juist, maar omdat het ging om moeder en dochter was er nog iets meer aan de hand.
4.
Volgens artikel 1382 B.W. stelt dat de eigenaar verantwoordelijk gesteld wordt bij schade in geval van
buitencontractuele aansprakelijkheid.
Hiervoor moet men teneerste een schade hebben. Deze is hier duidelijk aanwezig. Ook het feit dat
deze schade berokkent is door een vallende tak, is duidelijk. De fout ligt hier bij het niet snoeien van
de bomen door het Vlaams Gewest. Het Vlaams Gewest is hier dus verantwoordelijk en zal een
schadevergoeding moeten betalen voor de berokkende schade.
Het feit dat het Vlaams Gewest een deel van de overheid is, maakt hier geen verschil. Ook de overheid
staat niet boven de wet.
De overheid staat inderdaad niet boven de wet en kan ook aansprakelijk gesteld worden voor schade.
Het was echter wel beter geweest als je artikel 1384 BW had gebruikt. Het gaat in dit geval immers
niet om schade die je zelf hebt toegebracht, maar eerder om schade toegebracht door iets wat jij onder
je bewaring hebt. Dus, de overheid is aansprakelijk omdat ze verantwoordelijk zijn voor de bomen en
als deze schade aanrichten de Vlaamse overheid hiervoor aansprakelijk kan gesteld worden en niet
omdat ze zelf die schade hebben aangericht.
5.
Men kan een dadingsovereenkomst opstellen (volgens artikels 2044-2058 B.W.). Hierbij wordt een
einde gemaakt aan een feitelijk of juridisch geschil. De partijen maken een onderlinge overeenkomst.
Indien deze overeenkomst (authentieke akte) door beide partijen ondertekend is, geldt deze als
eindbeslissing. Er is dus geen terugweg meer mogelijk.
Dit kan ook opgelost worden door een bindende derdebeslissing te laten uitvoeren. Hierbij wordt de
onzekerheid van het te betalen bedrag opgelost. De uitspraak van de derde is definitief bindend en kan
alleen via marginale toetsing verbroken worden.
De dading was hier juist. De bindende derdebeslissing is niet correct, omdat je in dat geval er
bijvoorbeeld iemand bijhaalt die geldt als expert over glasschade en je zijn mening als bindend
aanvaardt. Er wordt in deze case niet gesproken van zo iemand.
6.
Normaal gezien mag de hotelhouder de bagage niet achterhouden aangezien hij geen uitvoerbare titel
heeft en dus geen beslag mag leggen op voorwerpen.
Echter, als hij zich baseert op het zuivere retentierecht zou hij het wel kunnen bijhouden tot de
hotelgast betaald heeft. Probleem is hier dat het niet gaat om een schuldeis in verband met de
ingehouden zaak. Met andere woorden, de hotelgast moet niet betalen voor het bijhouden van zijn
bagage, wel voor zijn verblijf. De hotelhouder mag dus de bagage niet achterhouden, maar
bijvoorbeeld wel weigeren de sleutel van de hotelkamer te geven indien zich daar deze bagage
bevindt. De hotelgast heeft immers door niet-betaling geen recht tot zijn kamer.
Dit kan voor de vrederechter gebracht worden. Deze zal de hotelhouder in het gelijk stellen.
Het retentierecht was hier inderdaad een goede keuze. art. 1948 BW stelt dat je een goed mag
achterhouden als de andere partij niet aan zijn/haar deel van de overeenkomst heeft voldaan. Je mag de
bagage wel achterhouden, omdat dit gerelateerd is aan het verblijf van de man in dat hotel. De bagage
zou immers niet in bewaring zijn gegeven als die man niet in dat hotel had gelogeerd.
Dat je dit voor de vrederechter kan brengen is ook correct, dit vind je terug in het gerechtelijk wetboek
onder de titel bevoegdheden. Hieronder vind je alle bevoegdheden van de verschillende
gerechtshoven.
Tussentijdse test deel 1, hoofdstuk 3-5 (p. 107)
1) Leg volgende juridische begrippen uit.
- betekening:
De betekening is een noodzakelijk stadium van het proces van de rechtspleging.
Nadat een vonnis geveld is, moeten alle partijen er met zekerheid van op de hoogte gebracht worden.
Dit gebeurt via een gerechtsdeurwaarder, die een uitgifte van het vonnis naar de veroordeelde partij
stuurt. De veroordeelde partij kan hoger beroep instellen, tot een maand na de betekening.
- kort geding:
Dit is een zogenaamde ‘uitspraak bij voorraad’ die kan uitgesproken worden door de voorzitter van de
burgerlijke rechtbank. De voorzitter kan hierbij snel een beslissing nemen om zware problemen te
vermijden, in afwachting van een beslissing ten gronde.
- verwijzingregels
2) Vergelijk samenstelling en bevoegdheden arbeidsrechtbank en arbeidshof.
Beide rechtbanken bestaan uit beroepsrechters en lekenrechters (uit bedrijfsleven). De rechtbanken
bevatten meerdere kamers.
De Arbeidsrechtbank wordt voorgezeten door een voorzitter, ondervoorzitters en rechters. Het
arbeidshof, in tegenstelling, wordt voorgezeten door een eerste voorzitter, kamervoorzitters,
beroepsmagistraten en lekenrechters. In de Arbeidsrechtbank zetelen de lekenrechters in de kamers.
De Arbeidsrechtbank is bevoegd door geschillen met betrekking tot de sociale zekerheid en geschillen
over individuele arbeidsbetrekkingen. Indien men na een vonnis in hoger beroep gaat, komt men bij
het Arbeidshof terecht. De Arbeidsrechtbank is dus bevoegd voor eerste aanleg, het Arbeidshof voor
tweede aanleg.
3)
a. (art. 1600 B.W.)
Deze wet houdt een bepaling in van gewoon dwingend recht. Een zwakkere persoon wordt hierdoor
beschermd. Dit op sanctie van relatieve nietigheid.
Inderdaad, hier gaat het om gewoon dwingend recht, want het nalatenschap mag niet verkocht worden
ZELFS niet met zijn toestemming. Dus, hier wordt de zwakkere partij beschermd over wiens
nalatenschap het gaat. Het gaat hier om een sanctie van relatieve nietigheid. Op het examen moet je dit
natuurlijk iets uitgebreider neerschrijven.
b. (art. 1674 B.W.)
Deze wet houdt een bepaling in van aanvullend recht. Er wordt hier een aanvulling gegeven op een
opgemaakt contract. Ook al bepaalt het contract de betaling en levering op een bepaalde manier, toch
moet deze wet nageleefd worden. Dit omdat men soms contracten maakt die niet goed zijn, die
onbedachtzaam zijn, omdat men nu eenmaal niet alles kan voorzien in een contract.
Ook hier gaat het om gewoon dwingend recht. een zwakkere groep wordt beschermd en de sanctie is
de relatieve nietigheid.
Tussentijdse test deel 2, hoofdstuk 1 (p. 143)
1) Vergelijk de begrippen ‘raamwetten’ en ‘wetten tot toekenning van buitengewone machten’
(randnummers 207-208)
Zijn beide opdrachtwetten.
De raamwet of gewone opdrachtwet of kaderwet beperkt zich tot het vaststellen van een aantal
algemene beginselen of krachtlijnen van een bepaald beleid, en geeft vervolgens aan de Koning de
opdracht die beginselen nader uit te werken in concrete regelingen.
De wet tot toekenning van buitengewone of bijzondere machten gaat verder ook de Koning
(uitvoerende macht) ook wetgevende macht te geven door de koning toe te laten de bestaande wetten
op te heffen, aan te vullen, te wijzigen of te vervangen.
2) Leg de (herzienings-)relatie van de Constituante tav de Preconstituante uit
(randnummers 214 en 216)
Om tot een grondwetsherziening te komen moeten er 4 stappen doorlopen worden.
In een eerste fase, de ‘Preconstituante’, moeten de drie takken van de federale wetgevende macht
(senaat, kamer en koning) autonoom de (onderdelen van) artikelen aanduiden die voor herziening in
aanmerking komen.
Na bekendmaking van deze artikelen in het Belgisch Staatsblad en de ontbinding van de wetgevende
kamers, worden er verkiezingen gehouden. Dit is de tweede fase.
In een derde fase, is het nieuw verkozen Federaal Parlement en de koning niet enkel federale wetgever
maar ook ‘Constituante’. De eerder aangeduide artikelen kunnen dan (maar moeten niet) gewijzigd
worden. Er geldt hier een beperking in tijd (enkel gedurende de termijn waarvoor men verkozen is) en
in voorwerp (enkel de eerder door de Preconstituante aangeduide artikelen ).
3) Vergelijk de taak en de hoedanigheid van de Koning bij de bekrachtiging en de afkondiging
van de federale wetten.
De bekrachtiging en afkondiging van de federale wetten moet steeds door de Koning gebeuren. Bij de
bekrachtiging handelt de Koning als derde tak van de federale wetgevende macht. Bij afkondiging
handelt hij als hoofd van de federale uitvoerende macht.
4) Verklaar waarom Delphine Boël geen recht heeft op de troon.
Volgens art. 85 GW gaat de macht van de Koning over op zijn natuurlijke en wettige nakomelingen
volgens eerstgeboorterecht. Delphine Boël is geen natuurlijke en wettige nakomeling van onze
Koning, dus heeft zij geen recht op de troon.
Ingeval de Koning geen nakomelingen zou hebben, kan hij volgens art. 86 GW zijn opvolger
benoemen mits de Kamers hiermee instemmen. Zo zou hij eventueel Delphine toch nog recht kunnen
geven op de troon. In de praktijk zal dit niet gebeuren vermits onze Koning wel nakomelingen heeft.
goed, art. 85 Gec. G.W. bepaalt dat de grondwettige macht van de Koning bij erfopvolging overgaat
op de natuurlijke en wettige nakomelingschap in rechte lijn van Z.M. Leopold van Saksen Coburg.
Opdat nu de kinderen die voortspruiten uit het huwelijk van een koning recht zouden hebben op de
troon is ook vereist dat dit huwelijk de ministeriële goedkeuring krijgt (want zoals bepaald staat in art.
106 Gec. G.W., kan geen akte van de Koning gevolg hebben wanneer een minister ze niet
medeondertekend heeft).
5) Veronderstel dat een senator de burgerrechterlijke aansprakelijkheid van ministers zou willen
aan banden leggen. Hoe zou deze procedure (kunnen) verlopen? Is een advies van de afdeling
wetgeving van de Raad van State desgevallend noodzakelijk?
(randnummers 147 en pg 90)
Een senator kan een wetsvoorstel indienen.
Een wetsvoorstel moet naar de Raad van State indien de voorzitter van de Kamer of de Senaat er om
vraagt of als minstens 1/3 van de leden van de betrokken vergadering er om verzoekt.
Een wetsvoorstel mag naar de Raad van State in alle andere gevallen.
De Raad van State kan dan juridisch advies geven. (art. 2, §2, R.v.St.-wet)
Ik snap niet goed wat er bedoeld wordt met ‘burgerrechterlijke aansprakelijkheid van ministers
aan banden leggen’. Ik heb geen idee waar ik deze norm in het wetboek zou moeten vinden, en
daarom dus ook niet welke van de drie procedures er moet gevolgd worden.
(kijk hiervoor naar de oplossing van tijdens de oefeningen)
6) A. Veronderstel dat men de adviesbevoegdheid van de afdeling wetgeving van de Raad van
State wil uitbreiden. Welke tak(ken) van de wetgevende macht moet(en) minstens optreden als
men deze wet wil wijzigen? Bespreek de totstandkomingsprocedure van de wet tot wijziging
van de gecoördineerde wetten op de Raad van State.
Om de adviesbevoegdheid van de afdeling wetgeving uit te bereiden, moeten er artikels uit de R.v.Stwet veranderd worden (voornamelijk art. 3).
Om een wet die de rechterlijke organisaties aangaat te kunnen veranderen, wordt de volledig
bicamerale procedure gevolgd. (art. 77 GW) Hierbij zijn Senaat, Kamer en Koning bevoegd.
voorstel

in overwegingneming

(eventueel) Raad van State
voorontwerp

Raad van State

K.B. tot indiening ontwerp (met
inachtname advies Raad van State)

commissiebespreking

plenaire bespreking

bekrachtiging en afkondiging door koning

bekendmaking (Staatsblad)
6) B. Veronderstel dat men de adviesbevoegdheid van de afdeling wetgeving van de Raad van
State wil afschaffen. Hoe ziet dan de te volgen wetgevingsprocedure er uit?
Om de adviesbevoegdheid af te schaffen, moet de R.v.St-wet vernietigd worden. Dit kan volgens mij
op dezelfde manier als in deel a beschreven.
Voor een groot stuk juist, er is wel een verschil tussen het afschaffen en uitbreiden van de
adviesbevoegdheid omdat deze adviesbevoegdheid in de grondwet staat.
art. 77, 8°
Dus: zuiver bicamerale procedure moet w gevolgd;
*WM bestaat in dit geval uit: Koning, Kamer en Senaat, initiatief kan w genomen door één van deze
drie takken; naargelang de initiatiefnemer spreekt men van wetsvoorstel (Kamer, Senaat) of
wetsontwerp (Koning);
*Gaat het om een wetsvoorstel, dan is er een facultatief advies van de afd. wetg. vd RvS nodig, gaat
het om een wetsontwerp, dan is er een verplicht advies nodig; de adviezen binden de WM niet, maar
toch w er bijzonder veel aandacht aan geschonken
*Vervolgens w de tekst in overweging genomen
*Dan is er de bespreking en stemming in de bevoegde commissie (serieuze werk, meestal achter
gesloten deuren)
*Dan is er de bespreking en stemming in de plenaire vergadering (show, spektakel, toneel: om 's
avonds in 't nieuws geciteerd te worden, openbaar); er moet sprake zijn van een gelijkluidende tekst
van Kamer en Senaat ('navette')
*Dan verklaart de Koning als 3de tak van de federale WM zich akkoord met de door de beide Kamers
aangenomen tekst
*Dan bevestigt de koning als hoofd van de UM het bestaan vd wet en beveelt dat die ten uitvoer w
gelegd
*Vermits het hier gaat om een formele wet, wordt ze bekendgemaakt in het BS (Nederlandse tekst
tegenover de Franse)
Stel dat men de adviesbevoegdheid vd afd. wetg. vd RvS zou willen afschaffen, dan zou men de G.W.
moeten wijzigen. Waarom: (advies)bevoegdheid v RvS ligt vervat in art. 160 Gec. G.W. Om dit art.
te wijzigen volgt men de procedure zoals beschreven in art. 195 Gec. G.W (zuiver bicamerale
procedure om dit art. voor herziening te verklaren, ontbinding vh parlement, de Constituante moet
volgens de zuiver bicamerale procedure de adviesbevoegdheid afschaffen).
Tussentijdse test deel 2, hoofdstuk 3 (p. 170)
1) De Vlaamse regering raadpleegt u als advocaat omdat zij de vernietiging wenst van een decreet
van de Franse Gemeenschap uit 1997, houdende de algemene uitgavenbegroting van de Franse
Gemeenschap voor het begrotingsjaar 1998 in zoverre de Franse Gemeenschapsregering gemachtigd
wordt tot het verschaffen van weddentoelagen aan het personeel en tot tussenkomst in de
werkingstoelagen van de Franstalige muziekacademie van Wezembeek-Oppem. Op welke gronden kan
met dit aanvechten en bij welke instantie?
Volgens art. 127, §2 GW zijn decreten van de Franse Gemeenschapsregering enkel geldig in het
Franse taalgebied. Wezembeek-Oppem is een Nederlandstalige gemeente met faciliteiten voor
Franstaligen (denk ik .. weet ni waar ik dat kan vinden in wetboek.). Cultuur is dan wel een
bevoegdheid van de gemeenschappen, toch kan de Franse Gemeenschapsregering dit decreet niet
uitvaardigen vermits ze buiten haar bevoegdheden treedt. Dit kan aangevochten worden bij het
Arbitragehof (art. 142 GW)
Het ligt ook niet binnen de bevoegdheden van de gemeenschappen op weddentoelagen te verschaffen
vermits hiervan niets vermeld is in art. 127-129 GW. De weddentoelagen zijn dus een residuaire
bevoegdheid die enkel door de federale overheid mag uitgeoefend worden. Ook dit kan aangevochten
worden bij het Arbitragehof.
Je bent hier voor een stuk juist.
In casu wordt de grondwettelijkheid aangevochten van een decreet houdende uitgavenbegroting. De
begroting van de gemeenschap wordt inderdaad bij decreet vastgelegd. De vraag die duidelijk naar
voor komt is of de bevoegdheidsverdelende regels hier niet geschonden zijn. De gemeente
Wezenbeek-Oppem is krachtens art. 7 van de wetten van 18 juli 1966 gesitueerd in het Nederlandse
taalgebied. Het betreft een randgemeente met speciale taalfaciliteiten. Het speciaal statuut van de
randgemeente geldt krachtens art. 129, § 2 Gec.G.W. enkel voor de wetten inzake het taalgebruik.
Voor culturele aangelegenheden geldt de uitzondering van de randgemeenten niet. De Franse
gemeenschap overschrijdt dan ook haar territoriale bevoegdheid gelet op het principe van de
exclusieve territoriale bevoegdheid vastgelegd in art. 127, § 2 Gec.G.W. Via een annulatieberoep bij
het arbitragehof kan dit decreet worden vernietigd.
*De Vlaamse Gemeenschap en niet de Franse Gemeenschap is bevoegd voor deze materie (zie art. 127
§2 G.W.; decreten van gemeenschappen gelden enkel in eigen taalgebied; Wezembeek-Oppem is een
faciliteitengemeente). Franse Gemeenschap heeft haar territoriale bevoegdheid overschreden.
Bevoegdheidsconflict dat aanhangig kan gemaakt worden voor het Arbitragehof.
2) “België kent een assymetrische staatsstructuur”. Leg kort uit.
(randnummers 266-270)
Aan Vlaamse kant zijn de regering en Raad van de Vlaamse Gemeenschap
en Vlaamse Gewest samengesmolten. De onderscheiden rechtspersonen blijven wel bestaan.
Aan
Waalse kant is er geen sprake van een samensmelting. De Gemeenschapsraad en -regering en de
Gewestraad en –regering blijven gescheiden.
3) Welke overheid (federaal, Vlaamse gemeenschap, Vlaams gewest) is bevoegd voor het uitvaardigen
van bepalingen inzake vestigingsvoorwaarden?
De federale overheid is bevoegd voor vestigingsvoorwaarden. Uitzondering hierop zijn de
vestigingsvoorwaarden inzake toerisme waarvoor de Gewesten bevoegd zijn. (art. 6 §1, VI, BWHI)
juist, wel iets meer uitleggen als je dit op je examen krijgt, zoals we dat besproken hebben in de les.
4) In één van de communautaire akkoorden van de Regering Verhofstadt I werd o.m. tegemoet
gekomen aan de Vlaamse verzuchting naar meer fiscale autonomie. Als jonge adviseur op het kabinet
wordt u gevraagd welke de totstandkomingsprocedure is van de juridische norm die dit principe moet
vastleggen.
Fiscaliteit is normaal een bevoegdheid van de federale regering, in de grondwet vastgelegd. Er moet
dus een grondwetswijziging komen. Eerst wordt er een lijst gemaakt met grondwetsartikels die in
aanmerking komen om herzien te worden. Het parlement wordt dan ontbonden en er worden er
verkiezingen georganiseerd. Het nieuwe verkozen parlement kan de herzienbare artikels eventueel
aanpassen.
De fiscale bevoegdheid van de gemeenschappen en de gewesten en de federale overheid ligt vervat in
de bijzondere financieringswet. Er moet hier dus met een bijzondere meerderheid, vastgelegd in art. 4
G.W., gestemd worden. De bijzondere financieringswet wordt gewijzigd volgens de zuiver bicamerale
procedure (art. 77, 4° G.W.).
Juist
Tussentijdse test deel 2, hoofdstuk 4 (p. 194)
1) vergelijk de begrippen ‘richtlijn’ en ‘verordeningen’
Zie theorie.
2) Leg volgende stelling uit: “supranationaal recht grijpt veel directer en gezagvoller in op de
lidstaten, dan dat het internationaal recht dat doen / kan doen”
(geen antwoord)
3) Heeft art. 28 EG-verdrag een rechtstreekse werking? Motiveer + consequenties
“Kwantitatieve invoerbeperkingen en alle maatregelen van gelijke werking zijn tussen de lidstaten
verboden.”
Rechtstreekse werking, want een handelaar die invoerrechten zou moeten betalen volgens
een nationale wet kan van de overheid een schadevergoeding eisen vermits deze nationale wet niet
rechtsgeldig is doordat het artikel 28 EG-verdrag boven de grondwet staat.
Nog iets meer uitleggen wat die rechtstreekse werking van internationale verdragen inhoudt, dus,
normaalgezien geen rechtstreekse werking, hier wel, dit omdat dit artikel heel duidelijk is en het een
recht verleent aan de burgers. gevolg: burgers kunnen er rechtstreeks beroep op doen, aangezien
internationaal recht bovenaan de hiërarchie der normen staat, dus, niet alleen boven de grondwet, ook
boven alle andere wetten
4) In het kader van een tussen de EEG en Turkije gesloten verdrag werd een zogenaamde
associatieraad opgericht. In de besluiten van deze raad werden de vage bepalingen uit het
associatieverdrag zelf geconcretiseerd. Zij hadden meer bepaald betrekking op de toegang tot de
arbeidsmarkt voor Turkse werknemers die legaal arbeid verrichten in een lidstaat. Kan een turk die
legaal in België werkt zich voor de Belgische rechter op deze besluiten beroepen?
Besluiten tussen EEG en Turkije zijn supranationaal. De besluiten hebben betrekking op de
werknemers zelf en zijn dus rechtstreeks. De besluiten staan dus boven de grondwet. Een turk kan zich
op deze besluiten altijd beroepen voor een Belgische rechter.
Je moet hier niet echt gaan zoeken naar een bepaalde wet, het gaat er hier om dat je nadenkt over de al
dan niet rechtstreekse werking van een norm.
Het gaat hier om een internationaalrechtelijke bepaling (nl. een verdrag); daarbij moet steeds worden
afgevraagd om ze rechtstreekse werking heeft; dus of de verdragsbepalingen rechtstreeks rechten of
plichten voor de burgers van de verdragssluitende staten (lidstaten EEG en Turkije) scheppen, zodanig
dat de burgers zich er dan voor hun nationale rechter op kunnen beroepen zonder dat er een bijkomend
optreden van hun Staat is vereist;
Of een internationaal rechtelijke bepaling nu rechtstreekse werking heeft, hangt af van de aard van de
rechtsregel (Zou het de bedoeling geweest zijn om met die bepaling rechten te creëren waarop ook
burgers een beroep kunnen doen?)
Welnu, we hebben de tekst van de besluiten van de in de verdrag opgerichte associatieraad niet in de
codex. Een eenduidig antwoord op deze vraag is dus niet te geven. De Turk zal zich op de bepalingen
uit deze besluiten kunnen beroepen, als die bepalingen voldoende
duidelijk zijn opgesteld om rechtstreeks rechten en plichten te verlenen aan de onderhorigen, als ze
m.a.w. rechtstreekse werking hebben.
Download