OSMTHMCO

advertisement
Vaticaan rehabiliteert Tempeliers
Op 25 oktober 2007 wordt het boek ‘Processus contra Templarios’ voorgesteld
in de Sala Vecchia del Sinodo in het Vaticaan. Het boek dat unieke
documenten over het proces tegen de Tempelridders bevat,
bevat, kan
geïnterpreteerd worden als een officiële reactie van het Vaticaan tegen alle
speculaties van de voorbije jaren aangaande het
proces van de Tempeliers. Auteurs als Dan
Brown gaven de schuld
schuld van de vervolging van de
Tempelorde aan het Vaticaan, terwijl het vooral
de Franse koning Philips de Schone was, die het
gebeuren orchestreerde.
De Tempelorde werd in 1119 gesticht door Hugo van Payns en
door de Vlaming Godfried van Sint-Omaars, met als voornaamste doel het beschermen van de pelgrims
op hun route naar het Heilige land Jeruzalem. Dit nieuwe fenomeen van strijdende religieuzen werd
warm onthaald bij alle lagen van de bevolking. En dankzij de onvoorwaardelijke steun van Rome, kon
de Orde snel uitgroeien tot een gigantisch netwerk van hoeves en commanderijen in Europa. Vanaf de
13 eeuw vormden de Tempeliers samen met de Hospitaalridders de enige stabiele
factor in de precaire Latijnse kruisvaarderstaatjes. Na de val van Akko in 1291 en
het verlies van de kruisvaarderstaten, trok de Orde zich terug op Cyprus.
De Franse Koning Philippe IV le belle ( 1268 – 1314 ), liet op
vrijdag 13 oktober 1307 alle Tempeliers in zijn rijk arresteren,
op verdenking van ketterij, en sindsdien is vrijdag de 13e nog
steeds de ongeluksdag bij uitstek. Veel broeders werden
gefolterd, en tientallen stierven op de brandstapel. Paus Clemens V ontbond de Orde
in 1312, zonder ze te veroordelen. De snelle groei en het plotse verdwijnen van deze
mysterieuze ridders is al jaren een bron van inspiratie voor romanschrijvers en
filmmakers. Neem nu bv Dan Brown hij stelde in zijn boek en film de Da Vinci Code de paus
verantwoordelijk voor het arresteren en vervolgen van de Tempeliers,
alhoewel het bevel wel degelijk uitging van de Franse koning. Het
stigmatiseren van de kerk paste bijzonder goed in zijn verhaal, maar doet de
historische waarheid oneer aan. Op zaterdag 13 oktober 2007 is het exact 700
jaar geleden dat de Tempeliers in heel Frankrijk uit hun bed werden gelicht.
Het Vaticaan greep zonder enige twijfel deze verjaardag aan om officieel te
reageren en haar versie van de feiten te geven. Het persbericht dat het
Vaticaan op 4 oktober 2007 de wereld instuurde miste haar doel niet. Het inspireerde de buitenlandse
pers tot grote krante koppen; “Vatikan-Buch spricht Tempelritter frei” kopt Der Spiegel, aan de
overzijde van het kanaal heeft de Telegraph het over “Vatican paper set to clear Knights Templar”.
Het Vaticaan publiceert inderdaad een prestigieus volume over het proces tegen de Tempeliers, maar
nieuw is deze informatie eigenlijk niet. ‘L’Archivio Segreto Vaticano’ of het Geheim Archief van het
Vaticaan, is ondanks de benaming al lang niet meer geheim. De documenten
die het Archief binnenkort publiceert, zijn veeleer een collectors item dan
een publicatie vol nieuwe onthullingen. Het Geheim Archief van het
Vaticaan bundelde de akten van de verhoren die afgelegd werden door de
Tempeliers die na de arrestaties in 1307 en die bewaard worden in het
Vaticaan. Deze akten, die in het boek in facsimile worden weergegeven,
vormen een fraaie collectie documenten. Volgens het communiqué van het Vaticaan is het werk “uniek
in zijn genre” en gaat het om “getrouwe reproducties van de originele perkamenten die in de Geheime
Archieven van het Vaticaan bewaard worden.” Bovendien zal het boekdeel het befaamde ‘Perkament
van Chinon’ bevatten.
De Italiaanse historica Barbara Frale vond de processtukken in 2001 terug in de
archieven van het Vaticaan. De luxe-uitgave hiervan is nu
in een oplage van
799 te koop voor
5900 euro per
stuk.
Afbeeldingen: Het Perkament van Chinon, Historica Barbara Frale
Perkament van Chinon
Gevonden door Historicus Barbare Frale die tewerk gesteld is in het Vaticaans
geheime archief .wordt op het internet vaak voorgesteld als ontdekker van het
befaamde ‘Chinon Perkament’. Dit perkament werd echter al in de 17 eeuw
gepubliceerd door Étienne Baluze in Vitae Paparum Avenionensis. Barbare Frale
vond in 2001 in het Vaticaans geheime archief hetzelfde perkament. Ze stelde na
bestudering van het document vast dat Jacques de Molay, de laatste Grootmeester
van de Tempelorde en de andere leiders van de Orde, “in het geheim absolutie
kregen van Paus Clemens V”. Het document, dat in de periode van 17 tot 20
augustus 1308 werd geschreven, bevat de bekentenissen van de grootmeester
Jacques de Molay en nog vier andere
hoogwaardigheidsbekleders van de Orde. In deze periode zaten de vijf
dignitarissen van de Orde opgesloten in het kasteel van Chinon in de Loire.
In augustus 1308 kregen de Pauselijke legaten de kans om de leiders van de
Tempelorde zelf te ondervragen. Uit het document blijkt dat de vijf hun
verklaringen die ze aan de inquisitie hadden afgelegd voor de kardinalen
bevestigden. Grosso modo kunnen we stellen dat ze stuk voor stuk bekenden
dat ze bij hun opname in de Orde het kruis verloochend hadden. Blijkbaar
hechtten de afgevaardigden van de paus niet veel geloof aan de verhalen,
want ze gaven de vijf dignitarissen van de Orde zonder uitzondering absolutie. Net als historici
vandaag, geloofden de legaten waarschijnlijk niet in de schuld van de Orde en waren ze ervan overtuigd
dat de bekentenissen onder zware druk waren afgelegd. Dat de Ordeleden in het geheim absolutie
kregen klopt ook niet volledig, want het document stelt aan het einde dat deze bekentenissen “publiek”
gemaakt moesten worden. Er werden dus copies gemaakt van het perkament, waarvan Frale er een had
terugvonden in het Vaticaan.
De verhoren vonden echter plaats binnen de muren van de burcht van Chinon. De
legaten van de Paus waren in Chinon overgeleverd aan de goodwill van de Franse
inquisiteurs en zouden nooit een vuist durven maken tegen de Franse koning. De
Tempeliers beseften heel goed dat ze na het bezoekje van de kardinalen gewoon
terug moesten naar hun kerkers, waar de folteraars handenwrijvend op hen
wachtten.
Afbeelding; “Burcht van Chinon”
Orde van de Tempelridders 1119 -1312
Juist twintig jaar na de eerste kruistocht en de verovering van Jeruzalem heeft Hugues de
Payns, een edele leenman van de graven
van Champagne die na een pelgrimstocht
in het Heilig Land gebleven was -en in
1119 een Broederschap stichten voor
Ridders, die hun verdere leven aan de
verdediging van het Heilig Graf wilden
wijden. In datzelfde jaar werd er aan de
Jordaan opnieuw een bloedbad onder de pelgrims aangericht.
Hugues die wel aan de eerste kruistocht had deelgenomen, zou met zijn medebroeders van de Augustijner
Domheren de Tempelkerk overgenomen hebben, die zich binnen de oorspronkelijke omheining van de Tempel
van Salomon bevond. De Ridders en lekenbroeders begonnen een leven van boete volgens de regel van de
Domheren. Het dagelijkse contact met de Geestelijken en met de Augustijnerleer van de bellum iustum
(rechtvaardige strijd) sterkte hun bewustzijn. De al in de strijd beproefde militis Saeculi (monniken) leerde nu
zelfs de beproevingen van de zonden met het wapen van de onthouding en het gebed in de stilte van de
kruisgangen te trotseren. Een jaar later besloten de lekenbroeders, in handen
van de Patriarch van Jeruzalem de drie kloostergeloften van gehoorzaamheid,
armoede en kuisheid af te leggen en zich geheel en al aan de christelijke zaak
te wijden. Nadat ze van Boudewijn II, Koning van Jeruzalem een gedeelte van
het vroegere, op de ruïnes van de Tempel van Salomon, gebouwd paleis
kregen, werden de broeders algemeen Milites Templi of Militia Salomonica
Templi of kortaf Tempeliers genoemd.
Afbeelding; Koning Boudewijn II van Jeruzalem.
De Orde
Deze krijgshaftige monniken werden de eerste militaire religieuze Orde
uit de geschiedenis van de Roomse Kerk en vormden ter zelfde tijd een
vernieuwing die voor de adel in de 12° eeuw van pas zou komen op
militair gebied Bernardus van Clairvaux zelf, had het initiatief
ondersteund en aan de opstelling van de Regel meegewerkt: in 1139
stelde Innocentius de Orde rechtstreeks onder het pauselijke gezag,
door de Ridderlijkheid ten dienste van de christelijke zaak, en de
zelfverloochening tegenover elk wereldlijk ondermaans ideaal, dat van strenge onthouding
en van een ijzeren hiërarchische discipline de militis de adellijke Ridders kregen in 1147
van Eugenius III de toelating om een rood kruis op een 'witte mantel te dragen en om door
de servientes niet adellijke dienstbroeders (een bruine pij) bijgestaan te worden.
Afbeelding; Bernardus van Clairvaux.
Na de val van Akko (1291), de laatste Christelijke vesting in het koninkrijk Jeruzalem, vestigden de Tempeliers
zich te Cyprus. De Orde werd internationaal en had in gans Europa Commanderijen
(Ordehuizen), hoeves, enz.. verdeelt, die in afwachting van een spoedige terugkeer naar
Palestina zich op het vergaren van materiële hulpmiddelen concentreerden. De Tempeliers
ontvingen zowel van wereldlijke heren als van de Paus gewichtige bijdragen. De Orde
werd voor gans de Christenheid de positair van de voor het Heilig Land bestemde gelden,
en het hoofdkwartier van de Orde in Frankrijk werd de bewaarder van de Staatskas.
Afbeelding; belegering van Akko
Het Proces tegen de Tempeliers
Op 13 oktober 1307 werden alle
onrechtmatige voorval werd met zware
gemotiveerd, die onder andere van ketterij
gedienstigheid van de Franse Inquisiteur
van de Autoriteit van Theologen van de
Tempeliers in Frankrijk gearresteerd. Dit
aanklachten tegen de Ordebroeders
werden beschuldigd. Door de
Guilhiume de Paris en onder goeddunken
Sarbonne.
Liet de koning de Tempeliers in het
geheim folteren om hen schuldbekentenis
af te dwingen, bijzonder aangaande de
zogezegde Initiatierituelen, die naast de
officiële begeleidende ceremonie van de opname in de Orde in een uitgebreider gebruik voorzagen, zoals de
verloochening van Christus, en het bespuwen van het kruis.
Niet tegenstaande alle door de Koning opgezette tegenwerkingen, kon Clemens V de
opgestookte arglistige aanklachten van de koninklijke gevolmachtigden ontdekken. De
verloochening van Christus en ook andere handelingen gebeurden uitsluitend op
bewijsvoering van een zonderlinge Willem ten voordele van zijn meerderen; de
resterende beschuldigingen (atheïsme, homoseksualiteit, afgodenverering, enz;), kwamen
van de koning met behulp van een - door hem opgezet - gans net van in de Orde
binnengedrongen spionnen, dat bestond uit intriganten, die de vrijdenkerspraktijken van de monniken moesten
bewijzen. Philippe zijn opzet was de eerste stap van een plan, dat de uitbreiding van de koninklijke rechtspraak
tot binnen de Kerkelijke aangelegenheden voorzag en met de overtuiging dat de volgens het goddelijk recht
bestemde monarch - door de betrekkingen met de niet minder dan corrupte pauselijke autoriteit - daarop
rekende kon. Philippe die reeds verzocht had tegen Bonifacius VIII gerechtelijk verder te gaan, wilde opnieuw
en nadrukkelijk de absolute Koninklijke Macht over het aan de Monarchie toebehorend Territorium staande
houden.
Na maanden moeiteloze strijd begreep Clemens V (Zie afbeelding links), dat hij de Kerk slechts
kon redden als hij de Tempeliers kwestie opgaf (in 1308 had Philippe de bisschop van Troyes
laten ter dood veroordelen tot de brandstapel. Hij werd beschuldigd, de dood van de koningin
door duivelse toverij teweeg gebracht te hebben).
In 1312 werd de Tempelorde ontbonden (Bul Vox in excelso). Twee jaar later liet Philippe,
terwijl het Concilië van Vienne bijeen was geroepen om over de Tempeliers te oordelen, achter de rug van de
Paus, Molay en de Hoogwaardigheidsbekleders van de Orde op de brandstapel verbranden.
Deze hadden tijdens de eerste behandeling van het Concilië andermaal hun onschuld met luide stem
uitgeschreeuwd. Hoewel de Orde nu definitief de ontbinding te beurt viel, kon de paus alleszins toch de
onschuld van de Tempelridders, die zoveel voor de Kerk hadden gedaan, staande houden.
Het document van Chinon
Chinon
In augustus 1308, hadden drie kardinalen, die tot de nauwste vertrouwelingen
van de Paus behoorden, op bevel van deze zich naar de vesting van Chinon (bij
Tours) te begeven, waar Philippe IV de Grootmeester en de
Hoogwaardigheidsbekleders van de Orde gevangen hield.
De prelaten hadden de verklaringen van de Monniken aanhoord en vergeleken,
waarop ze samen met alle medebroeders van de aanklachten over
afgodendienarij werden vrijgesproken en terug in de christelijke gemeenschap
zouden werden opgenomen.
Vrijspraak van de Hoogwaardigheidsbekleders van de Tempelorde door de
pauselijke Legaten
Hieronder vind men de vertaling van de acte van Chinon van het latijns
naar het nederlands,
nederlands, hieraan zij ook foto’s toegevoegd van het boek;
‘Processus contra Templarios’
Templarios’
Chinon, 1308 augustus 17. - 20.
In de Naam van God. Amen. Wij door de Goddelijke genade Kardinaalpriester Berengarius, met de titel van S. Nereo en Achilleo, en Stefaan,
met de titel van S. Ciriaco in Termis, en Kardinaal-deken Landolf met de
titel S. Angelo verklaren aan iedereen, dat uit voorhanden zijnde
openbaar document als volgt blijkt : nadat onlangs de Heilige Vader en
onze Meester Clemens, door de Goddelijke Voorziening Pontifex
Magnus van de Allerheiligste en universele Kerk van Rome, op grond
van de openbare verklaring en onder druk van de aanwijzingen van zijn Hoogheid de Koning der Fransen,
Prelaten, Hertogen, Baronnen en andere Edelen en niet-adellijke van hetzelfde koninkrijk Frankrijk het
onderzoek tegen enkele broeders, priesters, ridders, preceptors en servanten van de Tempelorde ten opzichte
van de feiten ingeleid heeft, wat zowel de broeders van de Orde alsook het katholiek geloof en de toestand van
dezelfde Orde betrof, en door zulk voorval deze openbaar belasterd werden. De paus zelf, die heel en al de
zuivere waarheid over de waardigheidsbekleders van deze Orde wil en verlangt te kennen, over de broeders Jacques de Molay, grootmeester van de ganse Tempelorde, en de broeders
Raymbaud de Caron, overzees preceptor en de preceptors van de Tempelnederzettingen Hugues
de Pérraud in Frankrijk, Geoffroy de Gonneville in Aquitanië en Poitou, Geoffroy de Chamy in
Normandië - beveelt en draagt ons op met een bijzonder order, - tijdens een uitdrukkelijke
mondelinge uitspraak - waarvoor wij bijgestaan worden door openbare ambtenaren en
geloofwaardige getuigen met het oog om de waarheid betreffende de Grootmeester en de
anderen hiervoor aangehaalde preceptors, - wat ieder van hen precies gevraagd werd - te
achterhalen.
Daarom hebben wij luidens onze genoemde Heer en Pontifex Maximus
verstrekt bevel en opdracht tegen de grootmeester en de meesters
onderzocht, terwijl wij datzelfde aandachtig over de hierboven verklaarde
feiten opgevraagd hebben en verder pas als volgt, hebben wij van de
ambtenaren, die door en in tegenwoordigheid van de onderscheiden
getuigen ondertekend werden, die de feiten van genoemde Tempeliers en
van de beschreven bekentenissen toegeven terwijl wij ook maatregelen
nemen, dat deze in openbare vorm opgesteld werden, en dat ze ook onder
waarborg van ons zegel geldig gemaakt werden.
In het jaar des Heren 1308, van de 6.Oplegging, op 18 augustus en het 3°
jaar van het pontificaat van paus Clemens V, zwoor - in het slot van
Chinon, in de Dioseze Toren Broeder Raymbaud de Caron, Ridder en
Overzees Preceptor van de Tempel, als de ons boven aangehaalde
kardinalen tegemoetkwamen, om op het heilig Evangelie van God, en we
het boek lichamelijk aanraakten, de volle en reine waarheid te zeggen over
zichzelf zoals ook over ieder andere persoon van de Ordebroeders
afzonderlijk, en ook over de Orde zelf, in het bijzonder ten opzichte van
elk onderwerp over het katholiek geloof en de toestand in de Orde, andere
personen en broeders afzonderlijk en de Orde zelf; door ons over de tijd en wijze van zijn intrede ondervraagd,
zegde hij feitelijk zijn er 40 jaar verlopen dat ik in de Tempel tot ridder geslagen werd door de toenmalige
preceptor van de provincie Provence, Broeder Roncelin de Fos, in de plaats Richarenchis in het diocees
Capentras of Saint-Paul- Trois Chàteau, in de kapel van de Tempelnederzetting van die plaats opgenomen werd.
Ter dezer gelegenheid zegde hem de preceptor niets dan goed; maar kort na de opnameplechtigheid kwam een
broeder servant , wiens naam ik mij niet meer herinner, daar hij reeds lang geleden gestorven is. Deze nam hem
opzij, onder de mantel had hij een klein kruis bij; nadat de andere broeders nauwelijks weg waren, en deze
servant en de getuige alleen, toonde de servant hem het kruis, hoewel hij zich niet
meer herinnerde, dat het de Gekruisigde was, dacht hij dat het geschilderd of
gesneden was. En deze broeder zei: " Het is beter deze te verloochenen". En de
getuige zei, zonder nadenken, dat hij een zonde beging: "Ik verloochen het". Op
dezelfde wijze zei de servant hem dan steeds de kuisheid te bewaren Evenwel, als
men niet anders kan, het beter ware dat heimelijk in plaats openbaar te doen.
Bovendien verklaarde hij dat de verloochening, die hij deed, niet uit overtuiging
was, maar alleen met woorden. Inderdaad had hij dat de volgende dag aan zijn
bloedverwant, de bisschop van Capentras, die ter plaatse was, medegedeeld, en hem
zegde dat hij slecht gehandeld en gezondigd had: ter zelfde tijd biechtte hij bij
dezelfde bisschop, die hem een "boetedoening oplegde, en werd dat bovenvermelde
geschrapt. Daarna over de zonde van sodomie ondervraagd;.verklaarde hij, noch actief noch passief die bedreven te
hebben, zelfs nooit van die zonde gehoord te hebben, dat de Tempeliers die zonde bedreven dan deze drie, die voor
deze zonde tot levenslang in de kerker van Chàteau-Pêlerin veroordeeld werden.
Onderhoord, of deze broeders op dezelfde wijze in de Orde opgenomen werden, wie er opgenomen werd, verklaarde
hij, daarvan niets af te weten, vanaf het ogenblik dat hij niet toezegde, zei hij dat niemand meer toezegde, afgezien
van die twee of drie, die niet losbandig leefden, of ze Christus al dan niet verloochend hebben. Ondervraagd naar de
namen van deze opgesloten broeders, zei hij, dat ene Broeder Peter heette, de anderen namen herinnerde hij zich niet
meer. Ondervraagd op welke leeftijd hij Ordebroeder werd, antwoorde hij dat hij ongeveer 17 jaar was. Over het
bespuwen van het kruis en over de afgod in de vorm van een hoofd, verklaarde hij niets af te weten, daar hij over dit
hoofd nooit heeft horen spreken, tot hij dat hij het in de
loop der jaren, van Paus Clemens V, had horen zeggen.
Over de kus ondervraagd, die Broeder Rosselinus, hem op
de mond zou gegeven hebben, toen hij als broeder
aangenomen werd, verklaarde hij van andere kussen niets
af te weten. Daarop ondervraagd, of hij in deze verklaring
volhardt, en de waarheid heeft gezegd, en met geen enkele
onwaarheid vermengd heeft of het een en ander
weggelaten had, zei hij nu bij zijn afgelegde verklaring te
willen blijven en de waarheid gezegd te hebben en nooit
had hij enige onwaarheid ingemengd, noch enige
waarheid weggelaten.
En tenslotte smeekte ons de neerknielende en de handen
reikende Broeder Raymbaud om vergeving en erbarmen voor de betreffende voorvallen en terwijl broeder
Raumbaud het afsmeekte, zwoer hij in onze handen al het nu onthulde en alle andere dwaalleer af, en het Boek ten
tweede male aanrakend zwoer hij op het Heilig Evangelie, dat hij zich aan de voorschriften van het katholieke geloof
heeft gehouden en aan alles wat de Heilige Roomse Kerk heeft voorgehouden, gepredikt, onderwezen en verordend,
dat hem door anderen is voorgehouden en dat hij als gelovige christen geleefd heeft en zal sterven. Na deze prestatie
van de eed, hebben wij kardinaal namens de paus in opdracht van zijn uitdrukkelijk volstrekt gezag, broeder
Raymbaud het resultaat ter kennis gegeven, dat hij door het voorrecht van de absolutie van de afgesmeekte
Excommunicatie, die uit eerder aangevoerde motieven in voege was, hij terug in de gemeenschap van de .Kerk en de
gemeenschap der gelovigen opgenomen werd en de Kerkelijke sacramenten opnieuw mocht ontvangen.
Op gelijke wijze, dezelfde dag, in dezelfde aard en vorm, verscheen broeder Geoffroy Charny, ridder en preceptor
van de tempelnederzettingen van gans Normandië, voor ons in aanwezigheid van
dezelfde ambtenaren· en getuigen en zwoer op dezelfde wijze op het Heilig Evangelie
onder aanraking van het Boek. Uitvoerig over zijn toetreding tot de Orde
ondervraagd, verklaarde hij dat hij ongeveer 40 jaar geleden door de preceptor van
Frankrijk, broeder Amauru de la Roche, in de omgeving van Etamps in het diocees
van Sens in een kapel van de tempelnederzetting daarvan, in de militie van de tempel,
in aanwezigheid van de preceptor van Poitou, broeder Jean de Franceys en 9 of 10
medebroeders, die samen met hem aangenomen werden, maar al overleden waren.
Tijdens die omstandigheden, benaderde hem, - na het beëindigen van de
intredeplechtigheid de broeder die hem aangenomen had, nadat hij de Ordemantel
over de schouders had gelegd, en nam hem in dezelfde kapel terzijde en toonde hem
dat kruis, met het Christusbeeld: en sprak tot hem aan deze niet te geloven, eerder te
verloochenen; En dan loochende hij hem op bevel met woorden maar niet met
overtuiging. Hij verklaarde dat hij deze broeder tijdens zijn aanneming op de mond
en beklede borst, - ten teken van eerbied - had gekust.
Ondervraagd of met de Tempelbroeders, - zoals hij in de Orde opgenomen werd - hetzelfde is gebeurd, antwoordde
hij dat hij dat niet wist. Hij verklaarde ook, dat hij persoonlijk ook een broeder in de Orde heeft aanvaard, en dat het
ook op dezelfde wijze zoals met hem is gebeurd, en zo ook veel anderen aanvaardde, zonder te gewagen hen tot
verloochening te noden en op correcter wijze, hij verklaarde ook, dat hij de verloochening van het kruis, dat hij
tijdens zijn opnameplechtigheid had meegemaakt en waartoe hij verplicht was, bij de nu overleden Patriarch van
Jeruzalem biechtte en daarvoor de absolutie kreeg.
Uitvoeriger over het bespuwen van het kruis, de kus, de zonde van sodomie en de
afgod in de vorm van een hoofd ondervraagd, verklaarde hij niets af te weten.
Onderhoord, verklaarde hij bovendien te geloven dat de andere broeders op dezelfde
wijze in de Orde opgenomen werden en voegde eraan toe, niet zeker te weten, omdat
na de aanvaardingsplechtigheden ze opzij genomen werden, zodat de broeders die zich
in hetzelfde huis bevonden, noch zagen noch hoorden wat er dan gebeurde. Naar zijn
leeftijd gevraagd bij zijn intrede in de Orde zegde hij dat hij ongeveer 17 jaar moet
geweest zijn. Onderhoord of hij de zo-even verklaarde feiten uit vrije wil, voor geld,
uit dankbaarheid, sympathie, vrees of haat of aanzetten van ergens iemand of uit angst
voor folteringen gebiecht had, loochende hij dat.
Gevraagd of hij in deze bekentenissen volhardt en of hij de waarheid sprak en of hij
soms hier of daar geen onjuistheden vermengd heeft of nog ergens een waarheid heeft
vergeten, antwoordde hij dat hij bij de zo-even genoemde getuigenis bleef, omdat hij
alles eerlijk en naar waarheid heeft verklaard en er geen enkele onjuistheid aangevoerd
heeft of waarheden weggelaten heeft.
Volgens hierboven beschreven wijze en vorm geloven wij kardinaal, dat broeder Goffroy, die in onze handen de
heden aangevoerde en alle andere zonden afzwoer en op het Heilig Evangelie de eed aflegde en het voorrecht kreeg
door de absolutie voor deze feiten, zodat dat hij weer aan de Kerkgemeenschap kon deelnemen en binnen de
Gemeenschap der Gelovigen kon terug keren en de kerkelijke
Sacramenten opnieuw kon ontvangen.
Op dezelfde wijze, die dag verscheen voor ons en voor de
ondertekenende ambtenaren en getuigen broeder Geoffroy de
Gonneville persoonlijk en vertelde over de periode en de manier van
zijn aanneming en over de hiervoor aangehaalde feiten ondervraagd,
verklaarde hij dat hij ongeveer 28 jaar geleden als Ordebroeder van de
Tempel door ridder en Preceptor Robert de Torville - van een
tempelnederzetting in Engeland - nabij Londen in een kleine kapel van
de tempelnederzetting van deze stad werd aanvaard. Ter zelfde tijd
toonde hem de tempelier, die hem aangenomen had, nadat deze hem de Ordemantel bezorgd had, een geschilderd
kruis in een bepaald boek en zegde hem, dat het nodig was, het beeld van Hem, die daar uitgebeeld was, te
verloochenen; en terwijl de aangenomen dat niet wilde, stond de opleider er sterk op dat toch te doen. Daar hij op
geen enkele wijze dat wilde doen en de tempelier zijn weerstand voelde, zei hij : "Wilt gij mij het beloven, niettegenstaande ik u dit bespaar -te zeggen toch deze verloochening gedaan te hebben, indien uw medebroeders u
daarom vragen ? En hij antwoordde ja en beloofde, dat ingeval en medebroeder daarom zou vragen, zou zeggen, die
zonde gedaan te hebben; daarom loochende hij toen hij zei niets op een andere wijze. De tempelier die hem
aanvaardde zei ook dat het verplicht was dat vernoemde kruis te bespuwen en toen hij dat ook niet wilde doen, legde
de tempelier de hand op het kruis en sprak tot mij : "Spuw wat op mijn hand." Daar hij vreesde dat de tempelier zijn
hand zou wegnemen en een deel van het speeksel op het kruis kon terecht komen, wilde hij ook niet op de hand
spuwen, uitgezonderd op de grond naast het kruis. Uitvoerig over de zonde van sodomie, de afgod in de vorm
van een hoofd, kussen en andere feiten die de tempelier onteerd had, verklaarde hij
niets af te weten.
Ondervraagd of andere Ordebroeders, toen ze aanvaard werden, op dezelfde wijze
werden aangenomen, zoals hij, antwoordde hij te denken dat het bij de anderen ook
zo gebeurde, zoals het hem is overkomen ter gelegenheid van zijn intrede.
Ondervraagd of hij deze zo-even gemelde feiten wilde, voor geld, dankbaarheid
sympathie, vrees of haat op op aanstoken van iemand of onder dwang of uit angst
voor de folteringen, gebiecht had zegde hij neen.
Waarna wij kardinaal na de boven beschreven aard en vorm geloofden, dat deze
broeder Geoffroy de Gonville, die in onze handen de nu voornoemde en ieder
andere dwaalleer afzwoor en op de Heilige Schrift de eed presteerde en leidde tot de
vergiffenis en absolutie voor deze feiten afgesmeekt, door de gunst van de absolutie
op kerkelijke wijze te verstrekken, zodat hij zelfs opnieuw aan de
Kerkgemeenschap kon deelnemen en aan de gemeenschap der gelovigen en de kerkelijke Sacramenten terug
kreeg.
Eender, op de 19de van dezelfde maand, verscheen voor ons en dezelfde ambtenaren en
" getuigen broeder Hugues de Pérraud, preceptor van de huizen in Frankrijk, persoonlijk. Toen hij het
Evangelieboek aanraakte, zwoor hij op de Heilige Schrift op dezelfde voorgenoemde wijze en vorm. Deze
broeder, die zoals gezegd, bij de vraag over de wijze van zijn aanneming in de Orde had gezworen, verklaarde
dat het in Lion, in de tempelnederzetting van deze stad was, in de kapel van datzelfde huis bijna 46 jaar geleden
was op het feest van Magdalena aanvaard werd, en als Ordebroeder nam zijn oom, - langs vaderszijde tempelridder broeder Hubert van Pérraud, visitator van de Ordenederzettingen in Frankrijk en Poitou hem aan.
Daarna werd hem de Ordemantel over de schouders gelegd en nam hem een
andere broeder, Johannes genaamd, die toen de preceptor van La Muce was, in
de kapel terzijde en toonde hem een zeker kruis, waarop het beeld van de
gekruisigde geschilderd was en beval hem wiens beeld erop voorgesteld was te
verloochenen; hij verzette zich zoveel hij kon zoals gezegd. Niet tegenstaande
verloochende hij onmiddellijk geschrokken door de intimidaties en bedreigingen
door broeder Johannes geuit, dat geschilderde beeld van hem, die daar
voorgesteld werd, weliswaar eenmaal. Toen hem genoemde broeder Johannes
meermalen hem beval, op dat genoemde kruis te spuwen, wilde hij niet
tegenstaande niet spuwen. Onderhoord over de tempelier door wie hij aanvaard
werd, en had gekust, antwoordde hij alleen op de mond. Naar de zonde van
Sodomie gevraagd, verklaarde hij, daartoe nooit gedwongen te zijn geweest,
noch het gepleegd te hebben. Gevraagd of er eender wie in de Orde opgenomen
werd, verklaarde hij : veel personen en bij veel gelegenheden, meer dan in de
Orde verblijvende tempeliers. Gevraagd naar de wijze hoe hij anderen in de orde
aanvaardde, verklaarde hij, dat hij na de inleidingplechtigheid en de bezorging
van de mantel ieder der aanvaarden verplichtte het kruis te verloochenen en hem op de onderrug , navel en dan
de mond te kussen. Hij zegde ook dat hij hen voorhield zich niet met seksueel verkeer met vrouwen in te laten,
maar met hun medebroeders verenigen. ten opzichtte van zijn eed verklaarde hij ook dat de verloochening, die
hij deed, toen hij de Orde intrad en andere verplichtingen die van hem geëist werden aflegde, slechts met
woorden en zonder het inzicht te hebben. Gevraagd waarom hij dat allemaal gedaan had en waarom hij het toch
betreurd heeft vanaf het moment dat hij het bevatte, antwoordde hij dat het de Statuten of de gebruiken van de
Tempel dat voorschreven, en steeds heeft hij gehoopt, dat deze vergissing afgeschaft werd. Ondervraagt of
iemand van de aangenomenen weigerde te spuwen of anderen daarvoor te waarschuwen afkeurenswaardige
handelingen te begaan, antwoordde hij dat weinigen weigerden en het uiteindelijk toch deden. Hij verklaarde
dat hijzelf ook de broeders die hij aanvaardde, voorhield om seksueel met hun medebroeders om te gaan, maar
hoewel het voorviel, dat het gebeurde, en niemand ervan
gehoord had, dat een van hen deze zonden
Begaan had, buiten die twee of drie broeders van overzee,
die voor deze zonde in de vesting van Chateau-Pélerin
opgesloten werden. Gevraagd of hij al dan niet wist, dat
alle Ordebroeders op dezelfde manier aanvaard werden,
toen hijzelf die anderen aannam, antwoordde hij dat niet
met zekerheid te weten, behalve dat van zichzelf en van
deze die hem persoonlijk aangenomen had, alhoewel de
Tempeliers tijdens een zeer geheim ritueel in de Orde
opgenomen werden, wat hij van degenen, die bij de
aannemingsplechtigheid aanwezig waren niet had
ondervonden. Gevraagd of zij op eenzelfde wijze aangenomen werden, antwoordde hij te geloven dat deze
zelfde methode andere opgenomenen overkomen is, toen hij gehouden was, hen aan te nemen, dat hijzelf van
degenen die hij aangenomen had, nota had genomen. Over de afgod in de vorm van en hoofd, waarvan men
zegt, dat tempeliers het vereren, ondervraagd, antwoordde hij dat hij het zag dat het aan broeder Pierre
Allemandin in Montpellier, de preceptor van die streek getoond werd, en dit hoofd bewaard werd bij broeder
Pierre. Over de leeftijd van zijn intrede in de Orde ondervraagd, antwoordde hij, dat hij van zijn moeder heeft
horen zeggen dat hij 18 jaar moest geweest zijn. Hij verklaarde ook dat hij al eens in aanwezigheid van de
inquisiteur Guillaume van Parijs en een van zijn ambtenaren deze feiten bekend had en dat deze bekentenis
schriftelijk van meester Ammis de ürléans, die al zo ondertekende en bepaalde andere openbare ambtenaren
vast gehandhaafd werd. En men hield deze bekentenis voor waar, en daaraan en alles, wat daarin bekend werd,
wilde hij zich houden; en indien in deze zijn tegenover de inquisiteur en zijn ambtenaren gedane bekentenis,
toen reeds vermeld, ergens iets verder zijn moest, bevestigt, goedkeurt en bekrachtigt hij dat. Gevraagd of hij de
zo-even verklaard feiten gewenst, voor geld, uit dankbaarheid, sympathie, angst of haat of opstoken van iemand
of uit vrees voor de folteringen gebiecht had, ontkende hij.
Onderhoord of hem over zijn arrestatie vragen gesteld
werden, of hij gefolterd werd, ontkende hij. Volgens de
hierboven beschreven wijze en vorm geloofden wij
kardinaal achteraf al hetgeen wat dezelfde broeder Hugues,
die in onze handen de nu bekende en elke andere dwaalleer
afzwoor en op de heilige Schrift de eed presteerde en
toegedaan de genade van de absolutie voor deze feiten
afsmeekte, die leidde tot de genade van de absolutie op die
manier van de Kerk opnieuw deel te kunnen nemen aan de
Gemeenschap van de Kerk en hem zelfs opnieuw tot de
gemeenschap van de gelovigen en de kerkelijke
sacramenten toe te laten.
Op dezelfde wijze de 20° dag van de lopende maand verscheen in onze aanwezigheid en dezelfde ambtenaren
en getuigen Broeder Jacques de Molay, Ridder en Grootmeester van de Tempelorde, nadat hij gezworen had,
werd hij attent gemaakt over de hierboven aangehaalde vorm en wijze, ondervraagd, verklaarde hij dat er
ongeveer 42 jaren verlopen zijn, toen hij bij Beune in het diocees Autun als Ordebroeder door tempelridder
Hubert de Pérraud, de toenmalige visitator van Frankrijk en Poitou, in een kapel van de nederzetting in die regio
opgenomen werd. En over de wijze van intrede in de Orde, verklaarde hij dat iemand hem, alvorens hij de
mantel vastknoopte een zeker kruis toonde, en zegde om God te verloochenen, dat de beeltenis op datzelfde
kruis geschilderd was, en daarop te spuwen : hetgeen hij deed, hij spuwde niet op het kruis, maar op de grond,
zoals hij zei. Hij verklaarde ook dat hij de verloochening slechts met woorden zonder overtuiging had gedaan.
Uitvoerig ondervraagd over de zonde van sodomie, de afgod in de vorm van een hoofd en de onzedelijke
kussen, verklaarde hij van niets te weten. Ondervraagd of de zo-even verklaarde feiten uit
vrije wil, voor geld, of dankbaarheid, sympathie, vrees of haat of op aanstoken van iemand
of uit angst voor folteringen, gebiecht te hebben, ontkende hij. Onderhoord of hem over
zijn arrestatie vragen werden gesteld, of hij gefolterd werd, ontkende hij. Volgens de
hierboven beschreven wijze en vorm, geloofden wij kardinaal, na dit alles, dat deze broeder
Ordegrootmeester Jacques, die in onze handen de nu bekende en elke andere dwaalleer
afzwoor en op het Heilig Evangelie de eed presteerde en toegedaan de genade van de
absolutie voor deze feiten afsmeekte, die leidde tot de genade van de absolutie op die
manier van de Kerk opnieuw deel te kunnen nemen aan de Gemeenschap van de Kerk en
hem zelfs opnieuw tot de gemeenschap van de gelovigen en de
kerkelijke sacramenten toe te laten;
Op dezelfde 20° dag verscheen evenzo vermelde Geoffroy de Gonneville in onze
aanwezigheid en dezelfde ambtenaren en getuigen en heeft de hierboven vermelde
verklaringen spontaan en vrijwillig bekrachtigd, goedgekeurd en bevestigd en het
openbaar met zijn woorden voorgelezen had terwijl hij verklaarde van plan te zijn, de feiten, zowel van deze
bekentenissen als deze van de andere keren voor de inquisiteur en de inquisiteurs te volharden, wat reeds
vermeld werd, wat verder werd bekrachtigd, goedgekeurd en bevestigd. Op genoemde 20° dag verscheen
evenzo vermelde broeder Preceptor Hugues de
Pérraud in onze aanwezigheid en dezelfde
ambtenaren en getuigen, op dezelfde wijze en
vorm, spontaan en vrijwillig heeft hij zijn
hierboven aangevoerde bekentenissen
bekrachtigd, goedgekeurd en bevestigd en het
openbaar met zijn woorden voorgelezen. Als
bewijs voor dit alles, hebben wij verordend dat
alle bekentenissen en alle hierboven vermelden
afzonderlijk voor ons, de ambtenaren en getuigen
zijn verschenen en voor ons dezelfde
weergegeven feiten, zoals ze hiervoor aangehaald
zijn, opgeschreven en eens in openbare vorm door
Robert de Condet, een klerk uit het diocees
Soisson en ambtenaar door apostolische attesten
opgesteld bevestigd, die met ons en de ambtenaren en de onderaan aangehaalde getuigen samen aanwezig
waren, en door de gewichtigheid van ons zegel voorzien werd.
Deze gebeurtenissen grepen plaats in het hierboven vermelde jaar, in het opschrift, in de maand, op de dagen,
onder het pontificaat en ter plaatse, in onze aanwezigheid, in tegenwoordigheid
van de met pauselijke attesten openbare ambtenaren Umberto Vercellani,
Nicolo Nicolai von Benevent, de vernoemde Robert van Condet en de meester
Alnise van Orleans, genaamd Ratif, en de van onzentwege daarvoor opgeroepen
getuigen : Ordebroeder Raimondo, kloosterabt S. Teoffredo van de
Benediktijnen in het diocees Ancy, en de wijze heren Bernardo van Boiano,
Aartsdiaken van Troje, Raoul de Boset, penetentiaris en kanunnik van Parijs en
Pierre de Soire, voorganger in de Saint-Gaucérykerk te Cambrais.
(ST) En ik genoemde Robert van Condet, geestelijke van het diocees Soisson, door pauselijke attesten openbaar
ambtenaar heb alle boven vermelde enkelingen in aanwezigheid van eerbiedwaardige paters en de reeds
vernoemde Heer kardinaal, ikzelf, de andere zelfde ambtenaren en getuigen bijgewoond, door de gunst van
dezelfde kardinaal, tezamen met genoemde ambtenaren en getuigen aanwezig of op aanwijzing van dezelfde
kardinaal schrijf ik dat voorhanden zijnde openbaar document en op verzoek heb ik het in openbare vorm
opgesteld, waarna ik het met mijn ambtenaarszegel bekrachtigde.
(ST) Ik hierboven vernoemde Umberto Vercellani, Geestelijke uit Béziers, door pauselijke attesten openbaar
ambtenaar heb de getuigenissen van alle hiervoren aangehaalde enkelingen in aanwezigheid van genoemde heer
Kardinaal en zoals hierboven veel uitvoeriger vermeld zijn bijgewoond, door de gunst hiervan met de hierboven
vermelde ambtenaren en getuigen tezamen en op aanwijzing van dezelfde heer kardinaal heb ik als grote
waarborg dit officieel document ondertekend en met
mijn ambtenaarszegel bekrachtigd.
En ik Nicolo Nicolai van Benevent openbaar
ambtenaar door de hierboven vemelde attesten heb
de bekentenissen van alle enkelingen in
aanwezigheid van genoemde heer kardinaal en zoals
hierboven veel uitvoeriger vermeld is, bijgewoond,
door de gunst ervan met de bovenvermelde
ambtenaren en getuigen tezamen en op aanwijzing
van dezelfde heer kardinaal heb ik als grote
waarborg dit officieel document ondergetekende en
met mijn ambtenaarszegel heb ik het bekrachtigd.
(ST) En ik Amise van Orleans, genoemd Ratif,
Geestelijke en ambtenaar door de attesten van de Heilige kerk van Rome heb de getuigenissen en ook de
ondervragingen van alle enkelingen hierboven vermeld in aanwezigheid van paters en genoemde heer kardinaal
en zoals hierboven veel uitvoeriger vermeld is, bij gewoond, ik was met de hierboven vermelde ambtenaren en
getuigen bijeen en op aanwijzing van dezelfde heer Kardinaal heb ik tot getuigenis van de waarheid dit officiële
document zoals gewenst ondertekend en met mijn
ambtenaarszegel heb ik het bekrachtigd.
EINDE VERTALING ACTE VAN
CHINON uit het boek van;
‘Processus contra Templarios’
Op grond van deze beschuldigingen liet Philips IV bijna alle Tempeliers - alleen al
150 in Parijs - arresteren. Dat gebeurde op vrijdag 13 oktober 1307, en sindsdien is
vrijdag de 13e nog steeds de ongeluksdag bij uitstek.
Onder de folteringen van de Inquisitie bekenden de meeste Ridders al gauw. De
Franse Kroon eigende zich hun bezit toe en in 1314 werden de laatste
Grootmeester, Jacques de Molay en zijn adjudant in
Parijs verbrand. Dat zelfde jaar hief paus Clemens V
de Orde op. Uit de acte van Chinon blijkt dus dat
Paus Clemens de V de Tempeliers aanvankelijk
vrijsprak van ketterij.
Clemens wilde de Orde hervormen. Maar leefde in
ballingschap in Avignon daardoor was hij
afhankelijk van de Franse Koning en
onder diens druk herzag hij zijn
beslissing.
Afbeelding rechts; Pauselijk paleis in Avignon.
Na meer dan 700 jaar rehabiliteert het Vaticaan de Tempeliers en zuiveren zij hun naam van alle
beschuldigingen,
en kunnen zij eindelijk in vrede rusten.
“Non nobis domine, non nobis, sed nomini Tue da Gloriam”
( Niet voor ons Heer, niet voor
voor ons, Maar Uw naam zij de glorie )
Bronnen;
-ARCHIVIO SECRETO VATICANO
‘Processus contra Templarios’
isbn; 978-88-85042-52-0
-‘Christine M Grafinger’
-‘Pier Paolo Piergentili’
- Boek ‘ DE GEHEIME ARCHIEVEN VAN HET VATICAAN’
isbn; 9789088810084
Copyright OSMTHMCO 2010
Opgemaakt door Z.E. D.Depraetere
Download