Landenlijst belastingparadijzen

advertisement
Circulaire AFZ nr. 13/2010 dd 30/11/2010
Circulaire nr. Ci. RH.421/607.890 (AAF 64/2010).
INKOMSTENBELASTING
PROCEDURE
Aangifteverplichting
Belastingparadijzen
Landenlijst
VENNOOTSCHAPSBELASTING
BELASTING VAN NIET-INWONERS/VENNOOTSCHAPPEN
Aftrek als beroepskost
Werkelijke en oprechte verrichtingen
Personen andere dan artificiële constructies
Verrekenprijzen
Betalingen aan belastingparadijzen
Commentaar op de artikelen 128, 133, 134 en 136 van de programmawet van 23 december 2009
Aan alle ambtenaren van de Administratie van Fiscale Zaken, van de Algemene administratie van de
fiscaliteit en van de Algemene administratie van de strijd tegen de fiscale fraude niveaus A, B en C
Deze circulaire bevat de commentaar op de artikelen 128, 133, 134 en 136 van de programmawet van
23 december 2009 (MB 30.12.2009).
INHOUDSTABEL
I WETTELIJKE BEPALINGEN – Programmawet van 23 december 2009
II. REGLEMENTAIRE BEPALINGEN
1. Koninklijk besluit van 6 mei 2010 ter uitvoering van artikel 307, § 1, derde tot zesde lid van het
Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 betreffende de lijst van Staten zonder of met een lage
belasting
2.Koninklijk besluit van 7 mei 2010 tot vastlegging van het model van formulier als bedoeld in artikel
307, §1, zesde lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992
III. BESPREKING
1. Achtergrond
2. Bedoelde belastingplichtigen
3. Aangifteverplichting
3.1. Geviseerde Staten
3.1.1. Staten die de OESO-standaard inzake de uitwisseling van inlichtingen niet effectief en substantieel
toepassen
3.1.2. Lijst van Staten zonder of met een lage belasting (i.e. landen met een nominaal tarief van de
vennootschapsbelasting lager dan 10pct)
3.2. Betalingen aan personen gevestigd in de geviseerde Staten
3.2.1. Betaling
3.2.2. Persoon
3.2.3. Gevestigd
3.3. Rechtstreekse of onrechtstreekse betalingen
3.4. Aangifte via het ‘formulier 275 F’
4. Niet aftrekbare beroepskosten
4.1. Niet-aangegeven betalingen
4.2. Aangegeven betalingen
4.2.1. Werkelijke en oprechte verrichtingen
4.2.2. Personen andere dan artificiële constructies
4.2.3. Marktconforme betalingen
4.2.4. Algemene aftrekbaarheidsvoorwaarden
4.3. Samenloop
IV. VERENIGBAARHEID VAN DE WETTELIJKE BEPALINGEN MET DE NON-DISCRIMINATIEBEPALING IN
DUBBELBELASTINGVERDRAGEN EN MET HET VRIJ VERKEER VAN KAPITAAL EN BETALINGEN VOORZIEN
IN HET EU-VERDRAG
1. De non-discriminatiebepaling in Belgische dubbelbelastingverdragen
2. EU-verdrag : vrijheid van kapitaal- en betalingsverkeer
2.1. Geen uitwisseling van fiscale inlichtingen
2.2. Uitwisseling van fiscale inlichtingen
2.2.1. Geen bewijs van werkelijke en oprechte verrichtingen
2.2.2. Vrij verkeer van kapitaal en betalingen niet van toepassing
V. INWERKINGTREDING
I. WETTELIJKE BEPALINGEN – Programmawet van 23 december 2009 (BS 30.12.2009, ED.1)
Art. 128. In artikel 198, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, laatst gewijzigd bij de wet van 25 april 2007,
wordt de bepaling onder 10° hersteld in volgende lezing :
« 10° onverminderd de toepassing van artikel 219, de betalingen die rechtstreeks of onrechtstreeks zijn
verricht naar Staten die in artikel 307, § 1, derde lid, zijn bedoeld, en die niet zijn aangegeven
overeenkomstig genoemd artikel 307, § 1, derde lid, of, als ze toch aangegeven zijn, waarvoor de
belastingplichtige niet door alle rechtsmiddelen bewijst dat zij in het kader van werkelijke en oprechte
verrichtingen en die met personen andere dan artificiële constructies zijn verricht; ».
Art. 133. Artikel 128 treedt in werking vanaf aanslagjaar 2010 voor de betalingen die vanaf 1 januari
2010 worden gedaan.
Art. 134. Artikel 307, § 1, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij koninklijk besluit van 20 december 1996
en bij de wet van 10 augustus 2001, wordt aangevuld met de volgende leden :
« De belastingplichtigen onderworpen aan de vennootschapsbelasting of, overeenkomstig artikel 227, 2°,
aan de belasting van niet-inwoners, zijn gehouden aangifte te doen van alle betalingen die zij
rechtstreeks of onrechtstreeks hebben gedaan aan personen gevestigd in een Staat die :
a) ofwel gedurende het volledige belastbaar tijdperk waarin de betaling heeft plaatsgevonden, door het
Mondiaal Forum van de OESO inzake transparantie en uitwisseling van inlichtingen, na een grondige
beoordeling van de mate waarin de OESO-standaard op het gebied van uitwisseling van inlichtingen in
deze Staat is toegepast, werd aangemerkt als een Staat die niet effectief of substantieel deze standaard
toepast;
b) ofwel voorkomt op de lijst van Staten zonder of met een lage belasting.
Voor de toepassing van het derde lid wordt onder Staat zonder of met een lage belasting verstaan een
Staat waarvan het nominaal tarief van de vennootschapsbelasting lager is dan 10 pct.
De lijst van Staten zonder of met een lage belasting wordt bepaald bij een koninklijk besluit vastgesteld
na overleg in de Ministerraad. Deze lijst wordt herzien bij koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de
Ministerraad.
De in het derde lid bedoelde aangifte moet slechts worden gedaan voor zover het totaal van de
betalingen die tijdens het belastbaar tijdperk werden gedaan, een minimum bedrag van 100.000 euro
bereikt. De aangifte wordt gedaan op een formulier waarvan het model door de Koning wordt vastgesteld
en gevoegd bij de in artikel 305, eerste lid, bedoelde aangifte. ».
Art. 136. Artikel 134 treedt in werking vanaf aanslagjaar 2010 voor de betalingen die vanaf 1 januari
2010 worden gedaan.
II. REGLEMENTAIRE BEPALINGEN
1. Koninklijk besluit van 6 mei 2010 ter uitvoering van artikel 307, § 1, derde tot zesde lid van het
Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 betreffende de lijst van Staten zonder of met een lage
belasting (BS 12.05.2010, Ed.1)
Artikel 1. In hoofdstuk III van het KB/WIB 92, wordt een afdeling VIIIbis ingevoegd met als opschrift «
Aangifteplicht betreffende betalingen die zij rechtstreeks of onrechtstreeks hebben gedaan aan personen
gevestigd in Staten zonder of met een lage belasting (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992,
artikel 307) » en die een artikel 179 bevat, luidende :
« Art. 179. De in artikel 307, § 1, derde lid, b, van het Wetboek van inkomstenbelastingen 1992,
bedoelde lijst van Staten zonder of met een lage belasting is de hiernavolgende :
1. Abu Dhabi
2. Ajman
3. Andorra
4. Anguilla
5. Bahama's
6. Bahrein
7. Bermuda
8. Britse Maagdeneilanden
9. Kaaimaneilanden
10. Dubai
11. Fujairah
12. Guernsey
13. Jersey
14. Jethou
15. Malediven
16. Eiland Man
17. Micronesië (Federatie van)
18. Moldavië
19. Monaco
20. Montenegro
21. Nauru
22. Palau
23. Ras al Khaimah
24. Saint-Barthelemy
26. Sharjah
27. Turks en Caicos Eilanden
28. Umm al Qaiwain
29. Vanuatu
30. Wallis-en-Futuna ».
Art. 2. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2010.
2. Koninklijk besluit van 7 mei 2010 tot vastlegging van het model van formulier als bedoeld in
artikel 307, § 1, zesde lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (1) (BS
25.05.2010, Ed. 1)
Artikel 1. Het model van formulier als bedoeld in artikel 307, § 1, zesde lid, van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992 wordt in de bijlage van dit besluit vastgelegd.
Art. 2. Dit besluit treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
Het model van het formulier 275 F is als bijlage toegevoegd.
III. BESPREKING
1. Achtergrond
De invoering van de verplichting om op een apart formulier, dat bij de aangifte in de
vennootschapsbelasting (Ven.B) of de belasting van niet-inwoners/vennootschappen (BNI/ven.) moet
worden gevoegd, de betalingen aan personen gevestigd in bepaalde Staten aan te geven, moet worden
gesitueerd tegen de achtergrond van de beslissingen die de G20 in de loop van 2009 heeft genomen
inzake de belastingparadijzen. Die beslissingen hebben tot doel om de OESO-standaard op het gebied
van de uitwisseling van inlichtingen op te leggen in de fiscale betrekkingen tussen Staten. Die standaard
laat een Staat niet langer toe zich te verschuilen achter zijn bankgeheim om aldus te weigeren antwoord
te geven op een verzoek om inlichtingen.
De G20 beveelt aan om op nationaal niveau maatregelen te nemen die gericht zijn tegen Staten die hun
verbintenis om de OESO-standaard inzake de uitwisseling van inlichtingen toe te passen, niet effectief
nakomen. De lijst van Staten die hun verbintenis om de OESO-standaard inzake de uitwisseling van
inlichtingen toe te passen niet effectief nakomen, wordt opgesteld door het Mondiaal Forum van de OESO
inzake transparantie en uitwisseling van fiscale inlichtingen.
De nieuwe regeling bestaat erin dat de eraan onderworpen vennootschappen verplicht zijn aangifte te
doen van de betalingen die ze rechtstreeks of onrechtstreeks gedaan hebben aan personen gevestigd in
de geviseerde Staten, althans indien het totale bedrag van dergelijke betalingen een minimum van
100.000,00 euro bereikt. De Belgische maatregel gaat evenwel verder in de mate dat de aangifteplicht
ook van toepassing is op de betalingen die door in België belastingplichtige vennootschappen worden
verricht met personen die gevestigd zijn in Staten waar het nominaal tarief van de
vennootschapsbelasting minder dan 10 pct bedraagt.
Deze aangifteplicht heeft tot doel de belastingcontroles in verband met die betalingen naar
belastingparadijzen efficiënter te maken. Het opsporen van dergelijke betalingen in de volledige
boekhouding van vennootschappen is immers vaak een lange en zware taak die weinig tijd laat voor het
eigenlijke onderzoek van de betalingen zelf. Voortaan zullen de controlediensten de mogelijkheid hebben
om zich te concentreren op het onderzoek van de legitimiteit van die betalingen eerder dan op het
opsporen ervan. Er zal in het bijzonder worden nagegaan of die betalingen wel degelijk beantwoorden
aan rechtmatige overwegingen van industriële of commerciële aard, of ze “at arm’s length” zijn en
gedaan zijn in het kader van verrichtingen die geen kunstmatige constructies zijn bedoeld om in België
de belasting te ontwijken.
2. Bedoelde belastingplichtigen
De hierna besproken nieuwe bepalingen hebben enkel betrekking op de belastingplichtigen die
onderworpen zijn aan de Ven.B (art. 2 en 179, WIB 92) of aan de BNI/vennootschappen (art. 227, 2°,
WIB 92).
3. Aangifteverplichting
Indien het totaal van de betalingen tijdens het belastbaar tijdperk rechtstreeks of onrechtstreeks gedaan
aan personen gevestigd in bepaalde Staten een bedrag van 100.000,00 euro bereikt, moeten deze
betalingen worden opgenomen in een formulier 275 F.
3.1. Geviseerde Staten
De geviseerde Staten kunnen in twee categorieën worden verdeeld. Enerzijds zijn er de Staten die niet
effectief en substantieel de OESO-standaard op het gebied van uitwisseling van inlichtingen toepassen en
anderzijds zijn er de Staten zonder vennootschapsbelasting of met een nominaal tarief van de
vennootschapsbelasting dat lager is dan 10 pct.
Alle betalingen aan personen gevestigd in een Staat die behoort tot één van deze twee categorieën,
moeten in aanmerking worden genomen om te bepalen of de 100.000,00 euro-grens is bereikt.
3.1.1. Staten die de OESO-standaard inzake de uitwisseling van inlichtingen niet effectief en
substantieel toepassen 1
Om na te gaan of Staten de verbintenis om de internationale standaard inzake uitwisseling van
bankgegevens in de praktijk ook toepassen, heeft het Mondiaal Forum van de OESO een werkgroep (de
zgn. “Peer Review Group” of Groep voor opvolging door gelijken) opgericht. Deze groep is belast met
het opvolgen van de vooruitgang die gerealiseerd wordt in de toepassing van een effectieve en volledige
uitwisseling van inlichtingen tussen de fiscale administraties van de verschillende Staten. De
werkzaamheden van die “Peer Review Group” zullen de identificatie toelaten van de Staten die moeten
beschouwd worden als Staten die de standaard inzake uitwisseling van inlichtingen niet reëel en
substantieel hebben toegepast.
1
De Nederlandstalige en Franstalige versie van de wettekst verschillen op dit punt. De ‘of’ in de Nederlandstalige
versie moet gelezen worden als ‘en’.
Op dit ogenblik is deze toetsing nog niet afgelopen. Het is dus nog niet mogelijk de Staten te identificeren
die de standaard niet effectief en substantieel hebben toegepast. Van zodra dit wel het geval is zal er
hieromtrent een aanvullende circulaire worden gepubliceerd.
Opgemerkt wordt dat de aangifteplicht slechts geldt ten aanzien van Staten die gedurende het volledige
belastbaar tijdperk waarin de betaling plaatsvindt door de OESO worden beschouwd als Staten die de
standaard inzake uitwisseling van inlichtingen niet effectief en substantieel hebben toegepast.
3.1.2. Lijst van Staten zonder of met een lage belasting (i.e. landen met een nominaal tarief
van de vennootschapsbelasting lager dan 10 pct)
Een Staat zonder of met een lage belasting wordt gedefinieerd als een Staat waarvan het nominaal
belastingtarief voor vennootschappen lager is dan 10 pct. Die Staten zijn opgesomd in een lijst, die is
vastgelegd bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit en die om de twee jaar zal worden herzien.
De belastingplichtige zal zich moeten baseren op de lijst die van kracht is op 1 januari van het
aanslagjaar dat verbonden is aan het belastbare tijdperk tijdens hetwelk de bedoelde verrichtingen zijn
uitgevoerd (Gedr. St., Kamer 2009-2010, nr. 2278/001, blz. 70). De lijst die met ingang van 1 januari
2010 van toepassing is, is opgenomen in artikel 179, KB/WIB 92 (zie punt 1 van rubriek ‘II.
REGLEMENTAIRE BEPALINGEN’).
3.2. Betalingen aan personen gevestigd in een geviseerde Staat
De bedoelde belastingplichtigen zijn verplicht aangifte te doen van alle betalingen die zij rechtstreeks of
onrechtstreeks hebben gedaan aan personen gevestigd in een voornoemde Staat, voor zover het totaal
van die betalingen die werden gedaan tijdens het belastbaar tijdperk een minimum bedrag van
100.000,00 euro bereikt.
Voor de aan de Ven.B onderworpen belastingplichtigen strekt deze
aangifteverplichting zich uit tot de betalingen die gedaan zijn door hun buitenlandse inrichtingen.
Een betaling moet worden aangegeven indien ze wordt gedaan aan een persoon die gevestigd is in een
geviseerde Staat.
De aangifte moet worden gedaan voor het belastbaar tijdperk waarin de betaling effectief wordt verricht.
De aangifteplicht geldt inzoverre de belastingplichtige weet of redelijkerwijze geacht is te weten dat hij
een betaling verricht aan een persoon gevestigd in een geviseerde Staat. Bijvoorbeeld in het geval van
interestbetalingen opgenomen in een vereffeningsstelsel of met betrekking tot beursgenoteerde obligaties
kan de emittent niet verondersteld worden te weten wie de uiteindelijke verkrijger van de geviseerde
betaling is.
Het aan te geven bedrag is dat van de effectieve betaling. Een vennootschap die interesten of royalty’s
betaalt, zal rekening moeten houden met het nettobedrag zoals bedoeld in artikel 22, § 1, WIB 92, dus
met inbegrip van de roerende voorheffing die in voorkomend geval werd ingehouden, voor de berekening
van het grensbedrag van 100.000,00 euro en zal dit nettobedrag moeten opnemen in het formulier 275
F.
Het feit dat deze betaling reeds voorkomt in een andere opgave, ontslaat de bedoelde
belastingplichtige er niet van om dit bedrag op te nemen voor de berekening van de geviseerde
betalingen en, desgevallend, in het formulier 275 F.
3.2.1. Betaling
Het begrip “betaling” omvat zowel een betaling in giraal geld of chartaal geld als betalingen in natura. Het
begrip omvat bovendien zowel betalingen in eigen naam als betalingen in naam en/of voor rekening van
derden. Artikel 307, § 1, derde lid, WIB 92 spreekt zonder onderscheid over ‘alle betalingen’. Het is niet
vereist dat de betaling een kost dekt of dat er een tegenprestatie tegenover staat. Het kan gaan om de
betaling van huur, interesten, kapitaalaflossingen, royalties, aankoop van goederen of vaste activa,
dienstverrichtingen, bezoldigingen, commissies, makelaarslonen, erelonen, enz.
De geldoverdrachten uitgevoerd door de in België gevestigde kredietinstellingen bedoeld in de wet van 22
maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, naar aanleiding van de
betalingsopdrachten gegeven door hun rekeninghouders, worden in hoofde van deze kredietinstellingen
niet geviseerd door artikel 307, §1, derde lid, WIB 92.
Door deze bepaling zijn eveneens niet geviseerd, in hoofde van kredietinstellingen, van erkende en in
België gevestigde beursvennootschappen, verrekenings- en vereffeningsinstellingen, de betalingen aan
buitenlandse vennootschappen bedoeld in artikel 261, vierde lid, WIB 92 voor zover deze instellingen de
betaling uitsluitend als tussenpersoon uitvoeren.
3.2.2. Persoon
Het begrip “persoon” omvat zowel de natuurlijk personen, als de rechtspersonen als elke andere
vereniging van personen, ongeacht of de persoon of personen als dusdanig aan een inkomstenbelasting
worden onderworpen. In het geval van een trust worden zowel de instellers (“settlors”), de beheerders
(“trustees”), de toezichthouders (“protectors”) als de gerechtigden (“beneficiaries”) van de trust beoogd.
3.2.3. Gevestigd
Beschikt de verkrijger van de betaling over een adres (of een financiële rekening) in één van de
geviseerde Staten dan valt deze betaling in principe onder de aangifteplicht, tenzij de belastingplichtige
aan de hand van objectieve en controleerbare gegevens kan aantonen dat de bestemmeling fiscaal
inwoner (of gevestigd) is van (in) een niet-geviseerde Staat. Eveneens zijn bedoeld, betalingen door een
belastingplichtige aan een bijkantoor gelegen in een niet-geviseerde Staat, terwijl het hoofdhuis van dat
bijkantoor in een geviseerde Staat is gevestigd.
In de praktijk kunnen zich onder meer volgende situaties voordoen:
1° de bestemmeling van de betaling beschikt over een adres in één van de geviseerde Staten en de
betaling gebeurt op een financiële rekening gehouden bij een financiële instelling gevestigd in één van de
geviseerde Staten;
2° idem als 1° doch de betaling gebeurt op een financiële rekening gehouden bij een financiële instelling
gevestigd in een andere Staat dan één van de geviseerde Staten;
3° idem als 1° doch de betaling in chartaal geld of in natura gebeurt op het grondgebied van de
geviseerde Staat of de betaling gebeurt daarbuiten en de fondsen worden binnengebracht in het
territorium van één van de geviseerde Staten;
4° idem als 1° doch de betaling in chartaal geld of in natura gebeurt buiten het grondgebied van de
geviseerde Staat en de fondsen worden niet binnengebracht in het territorium van één van de geviseerde
Staten;
5° de betaling gebeurt op een financiële rekening gehouden bij een financiële instelling gevestigd in één
van de geviseerde Staten;
6° de betaling in chartaal geld of in natura gebeurt op het grondgebied van de geviseerde Staat of de
betaling gebeurt daarbuiten en de fondsen worden binnengebracht in het territorium van één van de
geviseerde Staten;
7° de bestemmeling van de betaling beschikt niet over een adres in één van de geviseerde Staten en de
betaling gebeurt op een financiële rekening gehouden bij een financiële instelling die niet gevestigd is in
één van de geviseerde Staten.
8° de bestemmeling van de betaling beschikt niet over een adres in één van de geviseerde Staten en de
betaling in chartaal geld of in natura gebeurt niet op het grondgebied van één van de geviseerde Staten
of de betaling gebeurt buiten het grondgebied van één van de geviseerde Staten en de fondsen worden
niet binnengebracht in het territorium van één van de geviseerde Staten.
De betalingen vermeld onder 1°,2°, 3°, 4°, 5° en 6° moeten worden aangegeven, tenzij de
belastingplichtige aan de hand van objectieve en controleerbare gegevens kan aantonen dat de verkrijger
inwoner is van een niet-geviseerde Staat. De belastingplichtige zal overeenkomstig artikel 315 en
315bis, WIB 92 alle bescheiden moeten voorleggen die de controlerende ambtenaar moeten toelaten na
te gaan of de aangifte op dat vlak correct werd opgesteld.
De betalingen onder 7° en 8° moeten niet worden aangegeven, tenzij de belastingplichtige op het
ogenblik van de betaling op de hoogte was of redelijkerwijze geacht kon worden op de hoogte te zijn van
het feit dat de bestemmeling van de betaling over een adres in één van de geviseerde Staten beschikt.
3.3. Rechtstreekse of onrechtstreekse betalingen
De bedoeling van de wetgever is de belastingcontroles in verband met die betalingen naar
belastingparadijzen efficiënter te maken. Het begrip “rechtstreeks of onrechtstreeks”, dat onder andere
in artikel 54, WIB 92, werd gebruikt, heeft tot doel mechanismen tegen te gaan die erin bestaan
betalingen te laten doorstromen naar personen (rechtspersonen, inclusief entiteiten die als transparant
worden beschouwd, en natuurlijke personen) gevestigd in belastingparadijzen via tussenpersonen die
niet in een belastingparadijs zijn gevestigd.
Indien de belastingplichtige weet of geacht is te weten dat de juridische verkrijger van de betaling slechts
een tussenpersoon is en de werkelijke verkrijger van de betaling in een geviseerde Staat gevestigd is,
valt deze betaling binnen het toepassingsgebied van artikel 307, § 1, derde lid WIB 92. Het is hierbij van
geen belang of de tussenpersoon de betaling al dan niet voor eigen rekening heeft ontvangen. Met
betrekking tot betalingen tussen verbonden ondernemingen kan worden verwacht dat de uiteindelijke
verkrijger van de verrichting gekend is.
3.4 Aangifte via het ‘formulier 275 F’
De bedoelde betalingen worden aangegeven in een formulier 275 F dat moet worden gevoegd bij de
aangifte in de Ven.B of de BNI/ven. voor het aanslagjaar dat verbonden is met het belastbaar tijdperk
waarin de betalingen hebben plaats gehad (zie bijlage 1).
Indien meerdere betalingen aan eenzelfde verkrijger worden gedaan, moeten deze betalingen
afzonderlijk worden aangegeven. Naast de betrokken Staat moeten ook de verkrijger, de datum, de aard
en het bedrag in euro van de betaling afzonderlijk worden vermeld.
In de rubriek ‘verkrijger van de betaling’ moet melding worden gemaakt van de identiteit of de
benaming, evenals het adres in de betreffende Staat van de natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie
de betalingen rechtstreeks of onrechtstreeks werden gedaan.
De waarde van de betaling moet worden uitgedrukt in euro. Gebeurde de betaling in een vreemde munt,
dan moet de omrekening in euro gebeuren tegen de wisselkoers op het tijdstip van de betaling.
Het formulier 275 F moet slechts worden ingediend als de totale waarde van de betalingen minimum
100.000,00 euro bedraagt. De waarde van de betalingen zoals dit werd aangegeven door de
belastingplichtige in het formulier 275 F zal door de bevoegde taxatieambtenaar naar aanleiding van het
onderzoek van het dossier van de belastingplichtige worden nagekeken. Het staat de belastingplichtige
vrij de hier bedoelde betalingen toch op het formulier 275 F op te nemen, ook al bereiken zij niet de som
van minimum 100.000,00 euro.
4. Niet aftrekbare beroepskosten
Overeenkomstig artikel 198, eerste lid, 10°, WIB 92, zijn de betalingen die rechtstreeks of onrechtstreeks
zijn verricht naar Staten die in artikel 307, § 1, derde lid, WIB 92, zijn bedoeld én waarbij het minimum
bedrag van 100.000,00 euro is bereikt, niet aftrekbaar :
- wanneer ze niet zijn aangegeven overeenkomstig artikel 307, § 1, derde lid, WIB 92, OF,
- indien ze toch zijn aangegeven, wanneer de belastingplichtige niet door alle rechtsmiddelen bewijst dat
zij in het kader van werkelijke en oprechte verrichtingen en met personen andere dan artificiële
constructies zijn verricht.
Evenwel kunnen enkel de betalingen die als aftrekbare beroepskosten worden beschouwd, aan de
verworpen uitgaven worden toegevoegd (zie eveneens de PV nr. 485 van 10 maart 2010 van Ducarme).
4.1. Niet-aangegeven betalingen
De betalingen die niet werden aangegeven, worden in principe toegevoegd aan de verworpen uitgaven,
ook al gaat het om betalingen in het kader van werkelijke en oprechte verrichtingen. In het kader van de
strijd tegen de fraude heeft het nieuwe artikel 198, eerste lid, 10°, WIB 92, immers tot doel de
aftrekbaarheid te weigeren van betalingen die direct of indirect worden gedaan naar Staten die in artikel
307, § 1, derde lid, WIB 92, zijn bedoeld, en dit bij wijze van sanctie, wanneer de belastingplichtige
nagelaten heeft om deze betalingen aan te geven volgens de regels van artikel 307, § 1, derde lid, WIB
92 (Gedr. St., Kamer 2009-2010, nr. 2278/001, blz. 65).
Bij wijze van voorbeeld kunnen de volgende gevallen worden aangehaald.
Geval 1
Een vennootschap heeft geen aangifte 275 F bij haar aangifte in de Ven.B gevoegd, want de betalingen
aan geviseerde Staten bedragen slechts 90.000,00 euro. Uit een fiscaal onderzoek blijkt dat de aan te
geven betalingen 120.000,00 euro (bedrag opgenomen in kosten) bedragen. Het bedrag dat in principe
aan de “verworpen uitgaven” moet worden toegevoegd bedraagt 120.000,00 euro.
Geval 2
Een vennootschap heeft een aangifte 275 F bij haar aangifte in de Ven.B gevoegd, want de betalingen
aan geviseerde Staten bedragen 100.000,00 euro. Uit een fiscaal onderzoek blijkt dat de aan te geven
betalingen 120.000,00 euro (bedrag opgenomen in kosten) bedragen. Het bedrag dat in principe aan de
“verworpen uitgaven” moet worden toegevoegd bedraagt 20.000,00 euro.
Geval 3
Een vennootschap heeft spontaan een aangifte 275 F bij haar aangifte in de Ven.B gevoegd, hoewel de
bedoelde betalingen slechts 90.000,00 euro bedragen (bedrag opgenomen in kosten). Uit een fiscaal
onderzoek blijkt dat de aan te geven betalingen 120.000,00 euro bedragen (bedrag opgenomen in
kosten). Het bedrag dat in principe aan de “verworpen uitgaven” moet worden toegevoegd bedraagt
30.000,00 euro.
Geval 4
Een vennootschap heeft spontaan een aangifte 275 F bij haar aangifte in de Ven.B gevoegd, hoewel de
betalingen slechts 90.000,00 euro bedragen (met betrekking tot de betaling van kosten). Uit een fiscaal
onderzoek blijkt dat de aan te geven betalingen 120.000,00 euro bedragen. Het saldo van 30.000,00
euro dat bij het fiscaal onderzoek bovenkomt, heeft betrekking op de inschrijving op een
kapitaalverhoging. Er moet in principe niets aan de “verworpen uitgaven” worden toegevoegd.
Geval 5
Een vennootschap heeft geen aangifte 275 F bij haar aangifte in de Ven.B gevoegd, want de bedoelde
betalingen aan geviseerde Staten bedragen slechts 90.000,00 euro en het gaat om bedrijfskosten. Uit
een fiscaal onderzoek blijkt dat de aan te geven betalingen 120.000,00 euro bedragen. Het saldo van
30.000,00 euro dat bij het fiscaal onderzoek naar bovenkomt, is een inschrijving op een
kapitaalverhoging. Het bedrag dat in principe aan de “verworpen uitgaven” moet worden toegevoegd
bedraagt 90.000,00 euro.
4.2. Aangegeven betalingen
In de veronderstelling dat betalingen zijn aangegeven overeenkomstig artikel 307, § 1, derde lid, WIB
92, moet de belastingplichtige met alle rechtsmiddelen bewijzen, dat de desbetreffende betalingen
werden uitgevoerd in het kader van werkelijke en oprechte verrichtingen en dat ze met personen andere
dan artificiële constructies zijn verricht. Het opnemen van de bedoelde betalingen op de aangifte 275 F
wijzigt inderdaad niets aan de vereiste dat kosten verband moeten houden met werkelijke en oprechte
verrichtingen en moeten voldoen aan het ‘at arm’s length’-criterium teneinde op fiscaal gebied aftrekbaar
te zijn (Gedr. St., Kamer 2009-2010, nr. 2278/001, blz. 65 en 71).
4.2.1. Werkelijke en oprechte verrichtingen
Wat de notie “werkelijke en oprechte verrichtingen” betreft, wordt verwezen naar de administratieve
commentaar op artikel 54, WIB 92, met name naar de nummers 54/16 en 54/28. Het betreft
beroepsverrichtingen die werkelijk beantwoorden aan een industriële, commerciële of financiële
noodzaak, en die normaal een compensatie vinden of moeten vinden in de totaliteit van de
ondernemingsactiviteit.
Om de aftrekbaarheid te kunnen doen aanvaarden, moet de belastingplichtige aantonen:
- dat de compensatie, die de persoon gevestigd in een geviseerde Staat verleend heeft, werkelijk
bestond, én;
- dat de waarde van die compensatie vergelijkbaar is met deze die zou zijn gekregen voor verrichtingen
van dezelfde aard tegen de marktvoorwaarden (zie in dezelfde zin Gedr.St., Kamer, 1991-1992, nr.
444/9, blz. 131).
4.2.2. Personen andere dan artificiële constructies
Naast de voorwaarde van werkelijke en oprechte verrichtingen moet de betaling worden verricht aan een
persoon die geen artificiële constructie is.
Als een “persoon andere dan een artificiële constructie” wordt aanzien elke persoon die een
daadwerkelijke activiteit ontwikkeld in het land waar hij gevestigd is. Dit houdt onder andere in dat de
belastingplichtige aantoont op basis van objectieve en verifieerbare elementen, het fysieke bestaan van
de buitenlandse onderneming in termen van lokalen, personeel en uitrusting.
Indien blijkt dat de buitenlandse verkrijger van de betaling een fictieve vestiging is die geen enkele
daadwerkelijke economische activiteit verricht op het grondgebied van de Staat waar haar
maatschappelijke zetel gevestigd is, dan moet haar oprichting als een volstrekt kunstmatige constructie
worden beschouwd (HvJ, 12 september 2006, Cadbury-Schweppes, zaak C-196/04, par. 54 en 55 en 66
tot 68).
Een artificiële constructie houdt bijgevolg geen verband met elke economische realiteit en is bedoeld om
een belastingvoordeel te verkrijgen of de verschuldigde belasting te ontduiken. Het kan bijvoorbeeld
gaan om een dochter- of kleindochteronderneming die een “brievenbus- of een dekmantelvennootschap”
is (HvJ, 2 mei 2006, Eurofood IFSC, zaak C-341/04, par. 34 en 35).
Voorheen werd reeds geoordeeld dat het bestaan van een buitenlandse vennootschap die geen enkele
werkelijke activiteit uitoefent en uitsluitend is gecreëerd om inkomsten aan de Belgische belasting te
onttrekken, niet bewezen is (Gent, 10 september 2002 inzake D.V.L.).
In de veronderstelling dat de exploitatiezetel is gevestigd in een ander land dan de maatschappelijke
zetel, spreekt het voor zich dat het fysieke bestaan van de exploitatiezetel in het land van vestiging kan
worden gecontroleerd.
Er kan worden toegestaan dat, in principe, niet worden bedoeld door de bepalingen van artikel 198,
eerste lid, 10° WIB 92, de betalingen voor dewelke de schuldenaar (de vennootschap onderworpen aan
de Ven.B. of BNI/Ven.) vaststelt dat zij :


enerzijds, de compensatie zijn van reële en werkelijke verrichtingen;
en anderzijds, dat het kader waarin de verrichtingen werden uitgevoerd geen middel is geweest
voor de partijen (of één van hen) om direct of indirect te ontsnappen aan de Belgische
inkomstenbelastingen.
4.2.3. Marktconforme betalingen
In het kader van het onderzoek naar de legitimiteit van betalingen naar de geviseerde Staten zal ook
worden nagegaan of die betalingen niet leiden tot abnormale of goedgunstige voordelen in de zin van
artikel 26, WIB 92. Evenwel kan een fiscale herziening ook nodig zijn indien het niet in de bedoeling van
de belastingplichtige ligt om de belastingen tot een minimum te beperken of te ontwijken. Het onderzoek
van verrekenprijzen mag niet worden beperkt tot het onderzoek van problemen inzake
belastingontduiking of belastingontwijking, alhoewel de verrekenprijzen voor dergelijke doeleinden
kunnen worden aangewend (PV nr. 4-6408 van 11 januari 2010 van Wille).
In de circulaire nr. Ci.RH.421/580.456 (AOIF 40/2006) van 14 november 2006 wordt
controleonderzoek met betrekking tot verrekenprijzen in het bijzonder aanbevolen ingeval van:
een
- gebruik van belastingparadijzen en vluchtlanden wanneer aldaar geen of weinig economische waarde
wordt toegevoegd (voorbeeld herfactureringsactiviteiten);
- rechtstreekse of onrechtstreekse betalingen aan vestigingen in belastingparadijzen en vluchtlanden
(commissielonen, royalty's, management fees, …);
- complexe regelingen en cirkelstructuren die weinig of geen handels- of economische waarde toevoegen.
Voor een verdere bespreking van de richtlijnen betreffende de regels die van toepassing zijn inzake
verrekenprijzen kan nuttig worden verwezen naar de circulaire AFZ/98-0003 van 28 juni 1999.
4.2.4. Algemene aftrekbaarheidsvoorwaarden
De Memorie van Toelichting bevestigt dat de wetgever met artikel 198, eerste lid, 10°, WIB 92 de
bedoeling had om de bewijslast in hoofde van de belastingplichtige een meer concrete invulling te geven
naast de algemene aftrekbaarheidsvoorwaarden voorzien in de artikelen 49 en 54, WIB 92 (Gedr. St.,
Kamer 2009-2010, nr. 2278/001, blz. 65). De artikelen 49 en 54, WIB 92, zijn van toepassing op alle
uitgaven en bijgevolg ook op betalingen aan personen gevestigd in onder het punt III.3.1 geviseerde
Staten.
Met betrekking tot artikel 49, WIB 92 is het algemeen aanvaard dat de belastingplichtige niet alleen het
beroepskarakter maar ook de realiteit van de gemaakte kosten moet bewijzen (o.m. Antwerpen, 17
december 1997, Fisc.Koer., 97/198; Luik, 8 juni 2001, F.J.F., 2002/8). Dat bewijs moet geleverd worden
door bewijskrachtige stukken. Een factuur op zich volstaat niet als bewijs (Cass., 16 mei 1986, Arr.Cass.
1985-1986, 1264; Brussel, 15 september 2000, T.F.R., 2001, 28; Antwerpen, 18 mei 1999, Fisc.Koer.,
1999/595; Antwerpen, 26 mei 1998, F.J.F., 1998/190). Het gegeven dat de administratie niet de
bevoegdheid heeft om te oordelen over de opportuniteit of het nut van een uitgave, betekent niet dat zij
niet de bevoegdheid heeft om te onderzoeken of tegenover deze uitgave wel een werkelijke
tegenprestatie staat (Gent, 24 september 2002, Fisc., nr. 869, 9). Kosten met een fictief karakter zijn
vanzelfsprekend niet aftrekbaar (Cass., 13 februari 1962, Pas., 1962, I, 675; Luik , 2 december 1987,
FJF 1988/89).
Zo nodig zullen de controleagenten controleren of het gaat om een betaling bedoeld in artikel 54, 24°
WIB 92.
4.3 Samenloop
Artikel 198, eerste lid, 10°, WIB 92, vermeldt expliciet dat de niet-aftrekbaarheid geldt “onverminderd de
toepassing van artikel 219”. Wanneer de betalingen dus betrekking hebben op commissies, erelonen,
enz. (zoals omschreven in artikel 57, WIB 92) zal er bijgevolg een dubbele verplichting ontstaan:
enerzijds de indiening van de individuele fiches en anderzijds de nieuwe aangifte 275 F zoals bepaald in
artikel 307, § 1, derde lid, WIB 92. Bij niet-aangifte van de betalingen of wanneer er wel een aangifte
gebeurde, maar niet het bewijs wordt geleverd dat de betaling betrekking heeft op een werkelijke en
oprechte verrichting met personen andere dan artificiële constructies, is het mogelijk dat tevens een
afzonderlijke aanslag zoals bedoeld in artikel 219, WIB 92, wordt gevestigd.
Het spreekt voor zich dat door de toepassing van de voormelde afzonderlijke aanslag bij gebrek aan een
verantwoording van de in artikel 57, WIB 92, vermelde kosten, de bepalingen van het desbetreffende
artikel 198, eerste lid, 10°, WIB 92, geen toepassing vinden en dat die niet-verantwoorde kosten als
aftrekbare beroepskosten zijn aan te merken (artikel 197, WIB 92), tenzij het om sommen zoals bedoeld
in artikel 53, 24° WIB 92 gaat.
IV.
VERENIGBAARHEID
VAN
DE
WETTELIJKE
BEPALINGEN
MET
DE
NON-DISCRIMINATIEBEPALING
IN
DUBBELBELASTINGVERDRAGEN EN MET DE VRIJHEID VAN VERKEER VAN KAPITAAL EN BETALINGEN VOORZIEN IN HET
EU-VERDRAG
1. De non-discriminatiebepaling in Belgische dubbelbelastingverdragen
De Belgische verdragen ter vermijding van dubbele belasting (dubbelbelastingverdragen of “DBV”)
bevatten doorgaans een artikel dat voorziet in een verbod tot discriminatie van de inwoners of
onderdanen van de partnerstaat. In het Belgisch modelverdrag (“Belgisch modelverdrag”) is dit verbod
opgenomen in artikel 23 (“non-discriminatie”), hetgeen is gebaseerd op artikel 24 van het OESOmodelverdrag.
Paragraaf 5 van artikel 23 van het Belgisch modelverdrag bepaalt onder meer dat, onder voorbehoud van
de toepassing van artikel 9, § 1, artikel 11, § 7, of artikel 12, § 5, interest, royalty’s en andere uitgaven
die door een onderneming van een overeenkomstsluitende Staat aan een inwoner van de andere
overeenkomstsluitende Staat worden betaald, bij het bepalen van de belastbare winst van die
onderneming op dezelfde voorwaarden in mindering gebracht worden als wanneer zij aan een inwoner
van de eerstgenoemde Staat zouden zijn betaald.
Met de volgende Staten die zijn opgenomen in de lijst van Staten zonder belasting of met lage belasting
(artikel 179, KB/WIB 92) heeft België een DBV ondertekend waarin een artikel inzake non-discriminatie is
opgenomen: Bahrein, Eiland Man, Moldavië en de Verenigde Arabische Emiraten (met name de zeven
emiraten: Abu Dhabi, Dubai, Sharjah, Ajman, Umm Al Qaywayn, Ras al-Khaimah en Fujairah). Op datum
van deze circulaire is enkel het verdrag met de Verenigde Arabische Emiraten in werking.
Op de aangifteverplichting van de betalingen zoals bepaald in artikel 307, § 1, derde lid WIB 92, heeft dit
discriminatieverbod geen enkele invloed (Comm. OESO, art. 24, par. 75). De aftrekbaarheid van
betalingen aan personen gevestigd in de hiervoor genoemde verdragslanden kan evenwel niet worden
geweigerd louter omdat de betreffende betaling niet via het formulier 275 F werd aangegeven.
Betalingen waarvoor de belastingplichtige niet bewijst dat zij in het kader van werkelijke en oprechte
verrichtingen en met personen andere dan artificiële constructies zijn verricht, blijven evenwel niet
aftrekbaar. Artikel 198, eerste lid, 10°, WIB 92, beoogt immers niet de aftrek van interesten, royalty's en
andere uitgaven te beperken of te verbieden om de enkele reden dat de verkrijger van die inkomsten een
niet-inwoner zou zijn. Deze bepaling heeft enkel tot doel een welomschreven informatieverplichting en
bewijslast op te leggen aan Belgische belastingplichtigen die bepaalde betalingen ten gunste van
verkrijgers die niet of slechts gering zullen worden belast in hoofde van die betalingen in het land waarin
ze zijn gevestigd, als beroepskost willen aftrekken, hetgeen op zich een omstandigheid is die op
voorhand al twijfels doet rijzen omtrent de werkelijkheid en de oprechtheid van de verrichtingen. (PV nr.
1087 van Ghesquière van 14 oktober 1997, Vr. & Antw., Kamer, 1997-1998, nr. 114, blz. 15587; Rb.
Antwerpen, 3 oktober 2007, FJF, 2008/255; Comm. OESO, art. 5, par. 4).
Ook in deze verdragscontext moet bovendien rekening worden gehouden met de bewijslast opgelegd in
het kader van artikel 49, WIB 92, “die voor iedere belastingplichtige een drievoudig aspect inhoudt: (i)
de realiteit van de afgetrokken kosten (ii) de professionele aard ervan en (iii) de waarde” (Gedr.St.,
Kamer, 1991-92, nr. 444/9, blz. 3).
2. EU-verdrag : vrijheid van kapitaal- en betalingsverkeer
Artikel 63 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (EU-verdrag) regelt de vrijheid
van verkeer van kapitaal en betalingen. Alle beperkingen van het kapitaal- en betalingsverkeer tussen
enerzijds lidstaten onderling en anderzijds tussen lidstaten en derde landen zijn daarbij verboden.
De gecombineerde toepassing van artikel 307, §1, derde lid en artikel 198, eerste lid, 10°, WIB 92, zou
in dit kader kunnen worden beschouwd als een beperking van de betalingen tussen België en de
geviseerde Staten in de zin van artikel 63 van het EU-verdrag.
Artikel 65, § 1 van het EU-verdrag stelt evenwel dat de vrijheid van kapitaal- en betalingsverkeer de
lidstaten niet het recht ontneemt alle nodige maatregelen te nemen om overtredingen van de nationale
(fiscale) wetten en voorschriften te bestrijden, of te voorzien in procedures voor de kennisgeving van
kapitaalbewegingen ter informatie van de overheid. Hierbij moet weliswaar worden nagegaan of deze
artikelen geen willekeurige discriminatie of een verkapte beperking van het vrije kapitaal- en
betalingsverkeer in de zin van artikel 63 van het EU-verdrag vormen (cf. artikel 65, § 3 van het EUverdrag). De rechtspraak, die traditioneel betrekking heeft op beperkingen van de uitoefening van de EUverdragsvrijheden, kan niet integraal worden getransponeerd naar het kapitaalverkeer tussen lidstaten
en derde landen, aangezien dat kapitaalverkeer in een andere juridische context valt (HvJ, 18 december
2007, A, zaak C-101/05, par. 60).
2.1 Geen uitwisseling van fiscale inlichtingen
Indien het betalingen betreft aan personen gevestigd in Staten waarmee België geen overeenkomst of
akkoord heeft gesloten die voorzien in de uitwisseling van fiscale inlichtingen, is er geen sprake van een
inbreuk op artikel 63 van het EU-verdrag, zowel wat de aangifeplicht overeenkomstig artikel 307, § 1,
derde lid WIB 92 betreft, als wat de niet-aftrekbaarheid van de betalingen overeenkomstig artikel 198,
eerste lid, 10°, WIB 92 betreft. België beschikt immers in dat geval niet over de mogelijkheid om aan
dergelijke staten inlichtingen op te vragen omtrent de betalingen aan personen die aldaar zijn gevestigd
(HvJ, 18 december 2007, A, zaak C-101/05, par. 63).
2.2. Uitwisseling van fiscale inlichtingen
Met de volgende staten die zijn opgenomen in de lijst van staten zonder belasting of met lage belasting
(artikel 179, KB/WIB 92) heeft België wel een overeenkomst ondertekend die voorziet in de uitwisseling
van fiscale inlichtingen: Andorra, Bahamas, Bahrein, Eiland Man, Moldavië, Monaco, Montenegro en de
Verenigde Arabische Emiraten. Enkel de overeenkomsten met Montenegro en de Verenigde Arabische
Emiraten zijn op datum van deze circulaire in werking.
Indien het betalingen betreft aan personen gevestigd in de hierboven bedoelde Staten, is er in principe
sprake van een inbreuk op artikel 63 van het EU-verdrag, tenminste wat de niet-aftrekbaarheid van de
betalingen overeenkomstig artikel 198, eerste lid, 10°, WIB 92 betreft. In de onder de punten IV.2.2.1.
en IV.2.2.2. vermelde situaties kan artikel 198, eerste lid, 10°, WIB 92 toch worden toegepast.
2.2.1. Geen bewijs van werkelijke en oprechte verrichtingen.
Ten aanzien van derde landen gelden a fortiori de klassieke gronden die een belemmering van het vrij
verkeer tussen lidstaten kunnen rechtvaardigen. Het is vaste rechtspraak dat de toepassing van de
gemeenschapsregels niet zo ver gaat dat transacties zijn gedekt die niet zijn verricht in het kader van
normale handelstransacties, maar uitsluitend met het doel om de door het gemeenschapsrecht
toegekende voordelen op onrechtmatige wijze te verkrijgen (zie, in die zin HvJ, 5 juli 2007, Kofoed, zaak
C-321/05, par. 38; HvJ, 9 maart 1999, Centros, zaak C-212/97, par. 24; HvJ, 12 september 2006,
Cadbury Schweppes, zaak C-196/04, par. 35).
Opdat een betaling aan een geviseerde Staat aftrekbaar is, moet de belastingplichtige aantonen dat de
compensatie die de persoon gevestigd in een geviseerde Staat verleend heeft, werkelijk bestond en dat
de waarde van die compensatie at arm’s length is (cf. punt 4.2.1). Om te beoordelen of een transactie
een volstrekt kunstmatige constructie vormt, mogen lidstaten dergelijke vermoedens hanteren om de
situaties waarin de waarschijnlijkheid van misbruik het grootst is, af te dekken. Om te voorkomen dat
echte vestigingen en transacties ten onrechte worden bestraft, is het
evenwel zaak dat een
belastingplichtige, wanneer het bestaan van een volstrekt kunstmatige constructie wordt vermoed, de
mogelijkheid krijgt om te bewijzen dat die constructie een zakelijke grondslag heeft, zonder dat hij
daarvoor aan overdreven administratieve eisen moet voldoen (Mededeling van de Europese Commissie
van 10 december 2007, ‘Antimisbruikmaatregelen op het gebied van de directe belastingen, toepassing in
de EU en ten aanzien van derde landen’, COM(2007) 785 def).
Het voorgaande impliceert dat de omkering van de bewijslast in voorkomend geval niet onverenigbaar is
met het vrij verkeer van kapitaal en betalingen ten aanzien van derde landen.
2.2.2. Vrij verkeer van kapitaal en betalingen niet van toepassing
Er dient telkens in concreto nagegaan worden of het vrij verkeer van kapitaal en betalingen van
toepassing is op de betaling in kwestie.
Vrij verkeer van diensten
Indien de tegenprestatie voor de betaling bestaat uit een dienst (bijvoorbeeld een commissieloon of
vergoeding voor een prestatie), dan is het vrij verkeer van kapitaal en betalingen niet van toepassing,
maar het vrij verkeer van diensten (HvJ 3 oktober 2006, Fidium Finanz, zaak C-452/04, par. 34 e.v.).
Vrijheid van vestiging
Een nationale wettelijke regeling waarvan de toepassing niet afhankelijk is van de omvang van de
deelneming die de ontvangende vennootschap in de uitkerende vennootschap heeft (in casu artikel 198,
eerste lid, 10°, WIB 92), kan zowel onder artikel 49 EU betreffende de vrijheid van vestiging als onder
artikel 63 EU betreffende het vrij verkeer van kapitaal vallen.
Het vrij verkeer van kapitaal en betalingen is in principe niet van toepassing indien uit de feiten blijkt dat
er sprake is van een groepsrelatie, een controlerende deelneming of minstens een beslissende invloed
van een aandeelhouder op de vennootschap (HvJ, 10 mei 2007, Lasertec, zaak C-492/04, par. 21 en 22;
HvJ, 26 juni 2008, Burda, zaak C-284/06, par. 71, HvJ, 4 juni 2009, KBC, zaken C-439/07 en C-499/07,
par. 69 en 70).
Het vrij verkeer van kapitaal is bijgevolg ondergeschikt aan de andere verdragsvrijheden (die niet gelden
ten aanzien van derde landen).
V. INWERKINGTREDING
Zowel de aangifteplicht als de wijzigingen in verband met de aftrekbaarheid treden in werking vanaf
aanslagjaar 2010 voor de betalingen die vanaf 1 januari 2010 worden gedaan en ongeacht of de
boekhouding al dan niet per kalenderjaar wordt gehouden (artikel 133, tweede lid, en artikel 136 van de
programmawet van 23 december 2009, BS 30.12.2009).
NAMENS DE MINISTER:
Adjunct administrateur-generaal
van de belastingen
Jean-Marc DELPORTE
NAMENS DE MINISTER:
Administrateur-generaal
van de fiscaliteit d.d.,
Carlos SIX
Download