Nederlandse literatuur LL hoofdstuk 13: §13.1 De politieke

advertisement
Nederlandse literatuur LL hoofdstuk 13:
§13.1 De politieke achtergronden:
1517: Maarten Luther + Johannes Calvijn  hadden kritiek op misstanden in de roomskatholieke kerk (= reformatie/hervorming). Door de uitvindingen van de boekdrukkunst
werden hun opvattingen snel verspreid.
Keizer Karel V: wilde dat Nederland 1staat werd met een centraal gezag en waar één geloof
was, het rooms-katholieke. Hij wilde ook dat niet-katholieken vervolgd werden.
1555: Filips II zette het beleid van centralisatie en geloofsvervolging voort.
Willem van Oranje was de leider van het verzet hiertegen.
1581: Acte van Verlatingne*  Filips II afgezworen  macht naar gewestelijke staten.
1584: zoons Maurits en Frederik Hendrik een militaire en politieke rol.
1568-1648: Tachtigjarige Oorlog. Hierin kwam Nederland in opstand.
1609-1621: Twaalfjarig Bestand
1648: Vrede van Münster
§13.2 Sociaal economische achtergronden:
1585: Antwerpen viel in Spaanse handen  Amsterdam werd het handelscentrum.
Republiek: stedelijke cultuur.
Het bestuur lag bij gegoede burgerij. Voor kunst was een stedelijke gedragscode: het
schetsen van ongewenst gedrag.
Jongeren profiteerden van economische successen van de vorige generaties.
§13.3 De culturele achtergronden:
De Gouden eeuw:


Bloeiend artistiek leven;
Economische voorspoed.
Beroemde schilders:




Rembrandt van Rijn;
Johannes Vermeer;
Frans Hals;
Jan Steen.
* = hier is iets aangepast!
Beroemde schrijvers:




J. van den Vondel;
G.A. Bredero;
P.C. Hooft;
C. Huygens.
Rederijkers: beoefenaars van de welsprekendheid (= retorica). Dit waren dichters en
schrijvers die samenkwamen in verenigingen (rederijkerskamers). Ze werden ingeschakeld
bij stedelijke activiteiten.
Ze hadden ook een maatschappelijke functie: het had een opiniërende rol (geloof,
renaissance, humanisme).
Iedere grote stad had een rederijkerskamer:



Amsterdam: D’eglentier (motto: “In liefde bloeiende”)
Amsterdam: Het wit lavendel (motto: “Uut levenderjongste”)
Antwerpen: De violieren (motto: “Uut Jonsten Versaemt”)
Renaissance: het is de wedergeboorte van de klassieke oudheid. Het ontstond ongeveer in
de 14e/15e eeuw in Italië (republikeinse stadsstaten Florence, Venetië, Genua).
Gevolg hiervan was: heroriëntatie op de oudheid, hernieuwde belangstelling op de kunst en
ideeën van de oudheid.
Ze maakten in deze tijd gebruik van:



Translatio* = vertalen;
Imitatio = nabootsen;
Aemulatio = overtreffen.
Humanisme: heroriëntatie op het klassieke denken.
Hierin stonden centraal: menswetenschappen verdraagzaamheid.
Belangrijke personen uit deze tijd:


Erasmus (christendom verzoenen met klassieke gedachtengoed): zorgde voor
herleving van stoïcisme (=veranderlijkheid in dingen die men in kalmte diende te
ondergaan).
D.V. Coornhert (zedelijke verbetering van de mens): bij hem lag de nadruk op het
belang van zelfkennis en een leven zonder gewetensdrang.
Geestelijke vrijheid: verdraagzaamheid en verzoening.
* = hier is iets aangepast!
De renaissance en het humanisme waren succesvol door:


Boekdrukkunst: snelle verspreiding nieuwe idealen;
Reizen tussen Nederland en Italië. Zo ging P.C. Hooft naar Florence.
De schilderkunst en literatuur waren afhankelijk van de stedelijke burgerij.
Het had ook een maatschappelijke taak:




Beleren;
Moraliseren;
Kritiek leveren;
Voorkomen van ‘boers’ gedrag.
Vaak kwam er ook een morele spiegel in voor. Dit gaf ingenieuze verwijzingen of te
ontrafelen formuleringen aan.
Horatius: “Utile et dulce”  lering en vermaak
§13.4 Literatuur uit de 16e en 17e eeuw:
Er waren twee groepen literatuur:


Strijdliteratuur (actualiteit). Het doel: overtuigen, aansporen tot actie.
Humanistisch-renaissancistische literatuur (hernieuwde aandacht voor klassieke
genres, er ontstaan ook nieuwe genres).
Wilhelmus:



Bekendste strijdlied (1570);
Vermoedelijke auteur: Filips Marnix van St. Aldegronde.
Rederijkersproduct: oorlogsstrofe zes betrekt het publiek bij de actualiteit. Het is een
acrostichon.
Emblematiek:





Het toevoegen van illustraties bij teksten;
Het ontstond in Italië;
Vorm: eerste het motto (opschrift), hierna pictura (het plaatje) en tenslotte de
subscriptio (het onderschrift);
Er zat een algemene waarheid (een moraal) in het plaatje;
Het woord verleent een diepere betekenis;
Twee bekende schrijvers van emblematiek:


Jacob Cats met Sinne- en mnnebeelden;
Roemer Visscher met Sinnepoppen.
Lyriek:



Platonische liefde (oproepen ideaalbeeld vrouw);
Sociale functie liedboeken (kanaliseren erotische spanningen jeugd);
Petrarkisme als inspiratiebron
o Petrarca (een persoon):
 Laura, aanbeden onbereikbare vrouw;
 Stereotiep beschreven;
 Veel tegenstellingen en paradoxen;
 Liefdesklacht;
 Verheerlijking liefde.
Sonnet:





Veertien versregels;
Vier strofen  twee kwatrijmen (vierdelige strofen)  vormen samen het octaaf
 Twee terzines (driedelige strofen)  vormen samen het sextet
Octaaf en sextet verschillen in rijmschema;
Er is ook een inhoudelijke tegenstelling tussen het octaaf en sextet;
P.C. Hooft steef naar harmonie tussen vorm en inhoud. Hij werd sterk beïnvloed door
Petrarca.
Toneel:



Stedelijke functie: stadsbestuur had financieel belang bij toneel, want een deel van de
winst ging naar liefdadigheid instellingen;
Sterk opinierende functie: meningen die pasten binnen het stadsbestuur werden
verspreid;
Etisch-didactische functie: nieuwe maatschappij werd normen en waarden van juist
gedrag voorgehouden.
Etisch-didactisch doel:


Warenar (P.C. Hooft): het publiek krijgt hier een spiegel van hebzucht voorgehouden;
De klucht van de koe (G.A. Bredero): publiek leert dat schijn bedriegt.
Tragedie (treurspel):




Hoofdpersonen zijn hooggeplaatste personen;
Ondergang van de hoofdpersoon;
Verheven (dure) taal;
De stof is ontleend aan de klassieke oudheid, geschiedenis of Bijbel;
Een aristotelische tragedie kent eenheid van tijd, plaats en handeling.
Bekende tragedies:





Geeraerdt van Velsen van P.C. Hooft (1613, historische stof);
Gijsbreght van Aemstel van Joost van den Vondel (1637, historische stof);
Lucifer van Joost van den Vondel (1654, Bijbelse stof);
Adam in ballingschap van Joost van den Vondel (1664, Bijbelse stof);
Jeptha van Joost van den Vondel (1659, klassieke oudheid).
Gijsbreght van Aemstel was het bekendste toneelstuk van Joost van den Vondel. Het is
geschreven voor de opening van de Amsterdamse Schouwburg. De première was 3 januari
1638. Het stuk kent een kent ook elementen.
Klassiek element: De val van Troje (Aeneis van Vergilius). Dit is imitatio. In zijn stuk gebeurt
er namelijk ongeveer hetzelfde alleen dan met een ‘ zeepaert’.
Christelijk element: Kindermoord in Bethlehem. Dit is aemulatio. Hij overtreft het, omdat hij
ook nog een christelijk perspectief toevoegt.
Komedie (blijspel):



Mensen uit lagere klassen;
Spreektaal;
Happy-end;
Bekende komedies:



Warenar van P.C. Hooft;
Moortje van G.A. Bredero;
Spaanschen Brabander van G.A. Bredero.
Let op!: deze samenvatting bevat vooral de belangrijkste stukken. In de toets worden
ook details gevraagd. Om deze ook te weten, kan je het beste ook nog een keer heel
hoofdstuk 13 in Laagland doorlezen.
Ook belangrijk om te weten. Tijden hoef je niet precies te weten. Dit is alleen om aan
te geven wanneer alles ongeveer gebeurde en in welke volgorde.
Download