Herexamen 2013

advertisement
MINISTERIE VAN ONDERWIJS EN VOLKSONTWIKKELING
UNIFORM HEREXAMEN HAVO 2013
VAK
: AARDRIJKSKUNDE
DATUM: Woe. 31 juli 2013
TIJD
: 7.45 – 9.45 uur
Aantal opgaven: 40
Aantal pagina’s: 9
Controleer zorgvuldig of alle pagina’s in de goede volgorde zijn.
Neem in geval van een afwijking onmiddellijk contact op met een surveillant.
-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------FYSISCHE GEOGRAFIE
1. We onderscheiden de Wiskundige en de Fysische klimaatindeling.
Welke overeenkomst tussen deze twee klimaatindeling is correct?
A
B
C
D
Ze maken gebruik van dezelfde benamingen voor de klimaatzones.
Ze maken gebruik van dezelfde grenslijnen tussen de klimaatzones.
Ze zijn gemaakt op basis van drie locale factoren.
Ze zijn gemaakt op basis van de verschuiving van de I.T.C.Z.
2. Hier staan beschrijvingen over twee klimaattypen volgens Köppen.
I. Dit klimaat wordt gekenmerkt door grote verschillen in temperatuur tijdens de
zomer – en de wintermaanden. De zomers zijn kort en warm. De winters zijn lang
en koud met veel sneeuw.
II. Bij dit klimaattype komen er geen strenge winters voor. De belangrijkste windsoort
zijn de westenwinden en die zorgen voor voldoende neerslag.
Welke twee klimaatypen volgens Köppen horen het beste bij deze twee beschrijvingen?
A A- en B-klimaat
B B- en C-klimaat
C D- en C-klimaat
D D- en E-klimaat
3. We onderscheiden vaste en vloeibare neerslag.
Bij het E-klimaat is er overwegend sprake van vaste neerslag.
Hoe moeten we dit verklaren?
A
B
C
D
Binnen dit klimaatgebied komen relatief lage temperaturen voor.
Binnen dit klimaatgebied komt het verschijnsel van permafrost voor.
Door de toendra, die de belangrijkste vegetatiesoort in dit klimaatgebied is.
Door het voorkomen van weinig rivieren in dit klimaatgebied.
-24. Hiernaast is een kaart van de Caribbean afgebeeld.
Welk weersysteem komt alleen binnen het
afgebakend gebied op de kaart voor?
A
B
C
D
Anti-cyclonale luchtbeweging
Hurricane
Koude front
Tropische waves
5. De tropische regenbossen zijn gelocaliseerd tussen 10⁰ N.B en 10⁰ Z.B.
Gezien de geografische breedteligging komt deze natuurlijke vegetatie onder andere
in Suriname, Guyana en Brazilië voor.
Welke overeenkomst hebben de tropische regenbossen van de drie genoemde landen?
A
B
C
D
Er is een bladerloze periode in de kleine droge tijd.
Er is een grote heterogeniteit aan boomsoorten.
Het bos beslaat ± 7% van het grondgebied van deze landen.
Het bos bestaat uit 3 tot 4 etages met een chemisch vruchtbare bodem.
6. In zowel ons Kustgebied als in het Binnenland komen andere vegetatiesoorten voor.
Waar zijn ze correct aangegeven?
A
B
C
D
Kustgebied: drasbossen – droogbossen – dunstammige tropische bossen
Kustgebied: drasbossen – droogbossen – savannevegetatie
Binnenland: dunstammige tropische bossen – drasbossen – granietvegetatie
Binnenland: granietvegetatie – droogbossen – savannevegetatie
7. Er is niet alleen afbraak van het reliëf op aarde, maar ook opbouw.
Welk proces zorgt respectievelijk voor afbraak en opbouw van de aarde?
A
B
C
D
Afbraak
Aardbeving
Aardbeving
Sedimentatie
Sedimentatie
Opbouw
Dislocatie
Sedimentatie
Dislocatie
Verwering
8. In rotsachtige woestijngebieden ontwikkelt zich een dikke verweringslaag.
Door welk geologisch proces ontstaat zo een verweringslaag?
A
B
C
D
chemische verwering
dikte groei van de plantenwortels
mechanische verwering
vorstwerking
-39. Hier staan omschrijvingen van gesteenten ontstaan na afkoeling van magma.
I. Het gesteente is ontstaan na langzame stolling van het magma en heeft hierdoor veel kristallen.
II. Het gesteente is ontstaan na snelle stolling van het magma en bestaat uit verschillende lagen.
III. Het gesteente is ontstaan door hoge druk van aardlagen en hoge temperatuur.
IV. Het gesteente is na vorming in de diepte door eruptie aan het aardoppervlak gebracht.
Bij welke omschrijving staat het juiste voorbeeld van het gesteente?
A omschrijving I = basalt
B omschrijving II = graniet
C omschrijving III = gneis
D omschrijving IV = doleriet
10. Ons Binnenland is 5000 tot 500 miljoen jaar geleden ontstaan.
Wat is de laatste geologische verandering die plaats vond tijdens deze periode?
A
B
C
D
de afzetting van de Roraima formatie
de vorming van de dolerietgangen
de vorming van de Falawatra Groep
de opheffing van het Bakhuisgebergte
11. Welke bodemsoort komt overwegend voor op 60⁰ - 70⁰ N.B. en wat is
onder andere kenmerkend voor deze bodemsoort?
A
B
C
D
Latosol en het is relatief vruchtbaar.
Permafrost en de bodem is relatief onvruchtbaar.
Podsol en de bodem is relatief onvruchtbaar.
Tsjernosem en de bodem is relatief vruchtbaar.
12. In het Zanderijlandschap komen onder andere witte of gebleekte zanden voor.
Waarmee kunnen we dit verklaren?
A
B
C
D
adsorptiecomplex
capillaire stijging
homogenisatie
uitlogingsproces
13. Hiernaast is een bodemprofiel afgebeeld.
Waarom is de A1-horizont donker gekleurd?
A
B
C
D
In deze horizont komen veel wormen en bacteriën voor.
In deze horizont komt overwegend verweerd gesteente voor.
In deze horizont vindt onder andere homogenisatie plaats.
In deze horizont zit water en lucht voor de planten.
-4SOCIALE GEOGRAFIE
14. Hier staan omschrijvingen van begrippen die horen bij het verschijnsel cultuur.
I. Met de eigen waarden en normen een andere groep beoordelen.
II. Een zichtbaar en tastbaar cultuurelement.
III. Overnemen van cultuurelementen van een andere groep.
IV. Het bevoordelen van mensen van de eigen groep.
Bij welk alternatief zijn de begrippen die horen bij de omschrijvingen in de juiste
volgorde aangegeven?
A acculturatie – etnocentrisme – clientèle systeem – materieel cultuurelement
B clientèle systeem – materieel cultuurelement – acculturatie – etnocentrisme
C etnocentrisme – materieel cultuurelement – acculturatie – clientèle systeem
D materieel cultuurelement – etnocentrisme – clientèle systeem – acculturatie
15. W.W. Rostow heeft een indeling gemaakt van Economische groei in vijf fasen.
Wat wil deze indeling verklaren?
A
B
C
D
Het geeft een verklaring voor de concentratie van kundigheden in de Ontwikkelde landen.
Het geeft een verklaring voor de concentratie van kundigheden in de Ontwikkelingslanden.
Het verklaart waarom de meeste Ontwikkelde landen in fase 2 en fase 3 zitten.
Het verklaart waarom de meeste Ontwikkelingslanden in fase 2 of 3 zitten.
16. In Nigeria omvat de leeftijdsgroep ouder dan 65 jaar, 3% van de bevolking.
In Japan is dit 23,1% en in de V.S. is dit 13,3%.
Welke leeftijdsdiagrammen passen, op basis van de bovenstaande gegevens,
het beste bij deze landen?
A
B
C
D
Nigeria
Granaat model
Piramide model
Piramide model
Urn model
Japan
Piramide model
Urn model
Granaat model
Piramide model
V.S.
Urn model
Granaat model
Urn model
Granaat model
17. Hier staan beweringen over voorbeelden van vrijwillige migratie.
I. Bij forensisme is er sprake van reizen tussen woon- en werkplaats.
II. Bij suburbanisatie vestigen mensen zich in de periferie van het land.
III. Bij urbanisatie vestigt men zich in het C.B.D. van de stad.
Welke is(zijn) juist?
A I en II
B I en III
C II en III
D I, II en III
-518. Mechanisatie in de landbouw kan negatieve en positieve gevolgen hebben.
Welk negatief gevolg kan mechanisatie hebben?
A
B
C
D
Door mechanisatie kan het aantal bezielde arbeidskrachten afnemen.
Door mechanisatie kan het aantal seizoenarbeiders toenemen.
Door mechanisatie kan de huwelijksleeftijd toenemen.
Door mechanisatie kan het toepassen van innovaties afnemen.
19. Landbouw is bijzonder afhankelijk van de inputfactor natuur. Deze inputfactor kunnen
we verdelen in levende en levenloze natuur.
Welk alternatief geeft factoren van de levenloze natuur aan?
A
B
C
D
Bodem en vegetatie
Bodem en water
Bodemleven en vegetatie
Bodemleven en water
20. In een landbouwgebied komen overwegend peasants voor.
Hoe is dit herkenbaar binnen het landschap?
A De landbouwarealen zijn beplant met één gewas.
B De landbouwarealen zijn beplant met meerdere gewassen.
C De landbouwarealen zijn in het bezit van absenteїstische grootgrondbezitters.
D De landbouwarealen zijn in het bezit van stedelijke kapitaalbeleggers.
21. Tuinbouw wordt uitgeoefend op landbouwgronden dicht bij onze hoofdstad.
Waarom deze locatiekeuze?
A
B
C
D
De gewassen zijn teer en aan bederf onderhevig.
De gewassen worden voor het over grote deel geëxporteerd naar Nederland.
Het grootste deel van de landbouwgronden is in het bezit van de overheid.
Een relatief groot deel van deze landbouwgronden bestaat uit kleigrond.
22. Hier staan omschrijvingen van begrippen behorende bij de industrie.
I. Er is een toename van industrie bedrijven binnen een bepaald gebied, wanneer
de vestigingsplaatsfactoren gunstig zijn.
II. Bij zo een industrie bedrijf zijn de vestigingsplaatsfactoren grondstoffen en afzetmarkt
minder belangrijk.
III. Bij zo een industrie bedrijf zijn de voordelen onder andere, dat men minder consumptiegoederen hoeft te importeren, werkgelegenheid wordt gecreëerd en men kan besparen
op deviezen.
Waar staan de omschrijvingen van de bovenstaande begrippen in de juiste volgorde?
A
B
C
D
Agglomeratie-effect
Foot-loose industrie
Importvervangende industrie
Importvervangende industrie
Foot-loose industrie
Agglomeratie-effect
Agglomeratie-effect
Foot-loose industrie
Importvervangende industrie
Importvervangende industrie
Foot-loose industrie
Agglomeratie-effect
-623. Een kleinschalig familiebedrijf heeft bepaalde kenmerken.
Welke kenmerken horen bij zo een bedrijf?
A
B
C
D
De grondstoffen zijn omvangrijk en zwaar en worden op traditionele wijze verwerkt.
De grondstoffen zijn omvangrijk en worden verwerkt met gespecialiseerde arbeidskrachten.
Men maakt consumptiegoederen met een gering aantal arbeidskrachten.
Men maakt kapitaalgoederen met een groot aantal arbeidskrachten.
24. Bij elk industrie bedrijf streeft men naar verhoging van de omzet.
Hoe wordt dit verschijnsel genoemd?
A
B
C
D
clustering
centralisatie
industriële inertie
multiplier-effect
25. We onderscheiden profit en non-profit diensten.
Welke onderstaande dienstverlenende instelling is een non-profit dienst en waarom?
A
B
C
D
Een advocatenbureau, omdat de reikwijdte groot is.
Een bankinstelling, omdat het draagvlak groot is.
Een lagere school, omdat de drempelwaarde laag is.
Een verzekeringsmaatschappij, omdat het in een centrale plaats gevestigd is.
26. We onderscheiden twee verkeerstromen: het woon-diensten verkeer en het woon-werkverkeer.
Hierover volgen drie beweringen.
I. Door toename van de verstedelijking neemt het woon-werkverkeer toe.
II. Door toename van het woon-dienstenverkeer neemt de werkfunctie in de stad af.
III. Door toename van centralisatie van bedrijven neemt het woon-dienstenverkeer toe.
Wat is juist?
A I en II zijn juist
B I en III zijn juist
C II en III zijn juist
D I, II en III zijn juist
27. Hier staan vervoermiddelen met kenmerken, die betrekking hebben op de wijze van vervoer.
Vervoermiddel
Kenmerk
I. Schip
Snel vervoer van stuk- en massagoederen en lage transportkosten
II. Vrachtauto
Relatief snel vervoer van grote hoeveelheden consumptiegoederen
III. Vliegtuig
Snel vervoer van goederen, maar hoge transportkosten
Waar is het vervoermiddel aangegeven met het juiste kenmerk?
A I en II
B I en III
C II en III
D I, II en III
-728. Hier staan kenmerken van een dorp als nederzettingsvorm.
Welk kenmerk is correct?
A
B
C
D
De meeste inwoners van een land zijn in een dorp gevestigd.
Er zijn diensten op micro-, meso- en macro-niveau.
Het gebied rond een dorp wordt voornamelijk bewoond door forensen.
Men leeft overwegend van de agrarische sector.
29. W. Christaller heeft het verband gelegd tussen het aantal mensen, het aantal verschillende soorten
diensten en het aantal diensten van dezelfde soort.
Hier volgen beweringen over dit verband:
I. Het aantal mensen in een nederzetting is in samenhang met het aantal diensten van dezelfde
soort.
II. Het aantal mensen in een nederzetting is in samenhang met de verscheidenheid aan diensten.
Voor deze beweringen geldt:
A I is juist
B II is juist
C I en II zijn juist
D I en II zijn onjuist
30. Hier staan beweringen die horen bij het verschijnsel nederzetting.
I. Het model van Burgess geeft een nederzetting weer, bestaande onder andere uit
drie woonwijken die verschillen, gelet op het aantal inwoners.
II. De theorie van Walther Christaller heeft onder andere tot doel het verschil tussen
kleine en grote nederzettingen aan te geven.
III. Een agglomeratie en een megalopolis zijn nederzettingen die beide habitatproblemen
hebben.
Wat is correct?
A I
B II
C III
D I, II en III
DE CARIBBEAN
31. De kleine boeren in de Caribbean kunnen hun inkomen aanvullen door nog een
ander gewas te telen.
Welk gewas is onder andere geschikt voor dit gegeven?
A
B
C
D
Bananenteelt
Cacaoteelt
Koffieteelt
Suikerrietteelt
-832. In de Caribbean komt de grote landbouw of ondernemingslandbouw ook voor.
Hierover de volgende beweringen.
I. Het grootste deel van het B.N.P. wordt geleverd door de grote landbouw.
II. Het systeem van beweide boomgaarden en substraatteelt worden toegepast binnen de
grote landbouw.
III. Het wordt uitgeoefend op estates en enkele belangrijke gewassen zijn suikerriet en bananen.
Welke bewering is correct?
A I
B II
C III
D I. II en III
33. Binnen de veeteelt komt het verschijnsel van rotation grazing voor.
Wat is het doel van dit systeem?
A
B
C
D
De totale veeteeltsector kan innovaties toepassen.
De veestapel kan bij elke rotatie vergroot worden.
Het deel van het weiland dat braak ligt, krijgt de gelegenheid zich te herstellen.
Het grootste deel van de veehouders krijgt de gelegenheid een ander gewas te telen.
34. De Caribbean levert 0,7% van de totale wereldproductie van suiker.
Welk land in de Caribbean levert de grootste bijdrage?
A
B
C
D
Barbados
Cuba
Guyana
Trinidad
35. De importvervangende industrie is onder andere belangrijk voor de economische
ontwikkeling van de Caribbean.
Wat is de bijdrage van de importvervangende industrie?
A
B
C
D
Ze produceren consumptiegoederen voor de locale markt.
Ze produceren consumptiegoederen voor de multinationals.
Ze produceren exportproducten voor foot-loose industrie bedrijven.
Ze produceren kapitaalgoederen voor toeleveringsbedrijven.
36. Offshore industrieën zijn één van het type industrie bedrijven, die voorkomen in de Caribbean.
Waarom komt dit type industrie bedrijf in de Caribbean voor?
A
B
C
D
Ze zijn afhankelijk van locale grondstoffen en onbezielde energie.
Ze zijn afhankelijk van locale grondstoffen en bezielde energie.
Ze profiteren van gunstige belastingwetten en de aanwezige human capital.
Ze profiteren van de gunstige ligging van de haven en de interactie met de locale bedrijven.
-937. Hier staan typen industrieën die voorkomen in de Caribbean.
Achter elk type staat een verschijnsel aangegeven.
Industrie bedrijf
I. Offshore industrie
II. Importvervangende industrie
III. Runaway industrie
IV. Traditionele industrie
Verschijnsel
Het veroorzaakt een urbanisatiestroom
Het voorziet de locale bevolking van kapitaalgoederen
Het draagt bij aan het ontstaan van een Primate City
Het zorgt voor centralisatie en clustering van locale bedrijven
Bij welk type industrie is het verschijnsel dat wordt veroorzaakt correct aangegeven?
A I en II
B I en III
C II en III
D II en IV
38. Bepaalde industrie bedrijven behoren tot de dualistische industrie.
Welke industrie bedrijven behoren hiertoe?
A
B
C
D
Export industrieën
Importvervangende industrieën
Offshore industrieën
Runaway industrieën
39. Luchttransport is onder andere van belang voor het toerisme in de Caribbean.
Hierover volgen twee beweringen.
I. Luchthavens met een lange vliegbaan, vindt men op de meeste Caribische eilanden,
vanwege de grote toeristenstroom.
II. Transito transport is een belangrijke wijze van vervoer van toeristen, omdat de meeste
eilanden kleine luchthavens hebben.
Wat is juist?
A I is juist
B II is juist
C I en II zijn juist
D I en II zijn onjuist
40. De grootste toeristenstroom vanuit de V.S. gaat naar de eilanden Bermuda en de Bahamas.
Hoe moeten we dit verklaren?
A
B
C
D
de historische band tussen de V.S. en deze landen
de korte afstand vanuit de V.S. naar deze landen
de relatief kleine bevolking van deze eilanden
de samenstelling van de bevolking van deze eilanden
--------------------------------------------------
Download
Random flashcards
Create flashcards