UNIVERSITEIT GENT FACULTEIT LETTEREN EN WIJSBEGEERTE

advertisement
UNIVERSITEIT GENT
FACULTEIT LETTEREN EN WIJSBEGEERTE
Academiejaar 2010-2011
Hongerwinter, Jodenvervolging en collaboratie in de
spiegel van Nederlandse leerboeken
Een onderzoek naar emotionaliteit en subjectiviteit in
het Nederlandse geschiedenisonderwijs
Masterproef voorgedragen tot het bekomen van de graad
Master in de geschiedenis
Maarten Dejonckheere
Academiejaar 2010-2011
Geschiedenis
Promotor: professor dr. De Wever
2
Verklaring in verband met de toegankelijkheid van de scriptie
Ondergetekende, Maarten Dejonckheere
afgestudeerd Master in de Geschiedenis aan Universiteit Gent in het academiejaar 2010-2011 en
auteur van de scriptie met als titel:
“Hongerwinter, Jodenvervolging en collaboratie in de spiegel van Nederlandse leerboeken”. Een
onderzoek naar emotionaliteit en subjectiviteit in het Nederlandse geschiedenisonderwijs.
verklaart hierbij dat zij/hij geopteerd heeft voor de hierna aangestipte mogelijkheid in verband met
de consultatie van haar/zijn scriptie:
0 - de scriptie mag steeds ter beschikking worden gesteld van elke aanvrager;
0 - de scriptie mag enkel ter beschikking worden gesteld met uitdrukkelijke, schriftelijke goedkeuring
van de auteur (maximumduur van deze beperking: 10 jaar);
0 - de scriptie mag ter beschikking worden gesteld van een aanvrager na een wachttijd van … . . jaar
(maximum 10 jaar);
0 - de scriptie mag nooit ter beschikking worden gesteld van een aanvrager (maximumduur van het
verbod: 10 jaar).
Elke gebruiker is te allen tijde verplicht om, wanneer van deze scriptie gebruik wordt gemaakt in het
kader van wetenschappelijke en andere publicaties, een correcte en volledige bronverwijzing in de
tekst op te nemen.
Gent, 30/05/2011
………………………………………( handtekening)
3
Voorwoord
Ik wil graag een aantal personen van harte bedanken, omdat zij me met raad en daad hebben
bijgestaan bij het maken van deze scriptie. Zonder hun steun, goede raad en informatie was deze
scriptie niet in deze vorm tot stand kunnen komen:
-
-
-
In de eerste plaats wil ik mijn promotor, prof. dr. Bruno De Wever bedanken, voor de
boeiende en veelzijdige lessen rond de Tweede Wereldoorlog, waardoor ik me heb
vastgebeten in dit onderwerp. Daarnaast waren de vele ontmoetingen en gesprekken van
een grote meerwaarde voor dit onderzoek.
verschillende Nederlandse personen die met het onderwerp vertrouwd waren, waaronder de
heren Kees Ribbens en Jan Jüngen in het bijzonder, hebben mij in de zoektocht naar
concretisering van de literatuur en de leerboeken door het doolhof van mogelijkheden
geleid; ook hen ben ik erkentelijk voor hun concrete hulp.
mijn moeder was tot diep in de nacht bereid mijn scriptie na te lezen en de taalkronkels eruit
te halen.
Ten slotte zeg ik iedereen van harte dank om de verleende diensten in het kader van deze scriptie:
vrienden voor het ontlenen van literatuur, het secretariaat van de Erasmus Universiteit Amsterdam,
en zoveel meer personen die ik hier niet allemaal kan vermelden, maar bij deze niet ben vergeten.
4
Inhoudsopgave
Voorwoord .............................................................................................................................................. 4
Inhoudstafel ............................................................................................................................................ 5
1.
Inleiding........................................................................................................................................... 8
2.
Handboekanalyse ......................................................................................................................... 11
2.1. Analyse van De Baets ............................................................................................................ 11
2.2. Analyseraster ......................................................................................................................... 12
2.2.1.
Lectuur van het woord .................................................................................................. 13
2.2.2.
Analyse van beelden...................................................................................................... 14
2.2.3.
Bewijsvoering en kwaliteitscontrole ............................................................................. 15
2.3. Pragmatische linguïstiek van Blommaert en Verschueren.................................................... 15
3.
Geschiedenis van het Nederlandse schoolsysteem..................................................................... 17
3.1. 12e eeuw tot 17e eeuw .......................................................................................................... 17
3.2. 17e eeuw tot 1900 ................................................................................................................. 18
3.3. 1901 tot 1968 ........................................................................................................................ 21
3.4. Opbouw van de mammoetwet ............................................................................................. 23
3.5. Na 1970 ................................................................................................................................. 25
4.
Onderzoek 1: NSB en collaboratie ............................................................................................... 27
4.1. Wetenschappelijk kader ........................................................................................................ 27
4.1.1.
Voor de inval.................................................................................................................. 27
4.1.2.
Duitse inval .................................................................................................................... 29
4.1.3.
Relatie tussen NSB en Duitsland.................................................................................... 32
4.1.4.
Het einde in zicht ........................................................................................................... 33
4.2. Handboekanalyse .................................................................................................................. 34
4.2.1.
Verklaringen .................................................................................................................. 34
4.2.1.1.
De NSB en de Vijfde Colonne ................................................................................ 34
4.2.1.2.
Rol in Jodenvervolging en collaboratie.................................................................. 36
4.2.2.
Beschrijvingen ............................................................................................................... 39
4.2.2.1.
Politiek NSB ........................................................................................................... 39
4.2.2.2.
Figuur Mussert....................................................................................................... 43
4.2.3.
Terminologie.................................................................................................................. 47
4.2.3.1.
Collaboratie ........................................................................................................... 47
4.2.4.
Leerstofkeuze ................................................................................................................ 51
4.2.4.1.
NSB voor WO II ...................................................................................................... 51
4.2.4.2.
NSB tijdens WO II .................................................................................................. 52
4.2.4.3.
NSB na WO II.......................................................................................................... 54
4.2.5.
Beeldmateriaal .............................................................................................................. 58
4.3. Algemene conclusie............................................................................................................... 68
5
5.
Onderzoek 2: Jodenvervolging ..................................................................................................... 71
5.1. Wetenschappelijk kader ........................................................................................................ 71
5.1.1.
Voor de Tweede Wereldoorlog ..................................................................................... 72
5.1.2.
Inval van Duitsland ........................................................................................................ 73
5.1.3.
Deportatie begint met een ster ..................................................................................... 76
5.1.4.
“Alle wegen leiden door Westerbork” .......................................................................... 78
5.2. Handboekanalyse .................................................................................................................. 79
5.2.1.
Verklaringen .................................................................................................................. 79
5.2.1.1.
De Februaristaking................................................................................................. 79
5.2.2.
Beschrijvingen ............................................................................................................... 82
5.2.2.1.
Benaming concentratie- en uitroeiingskampen .................................................... 82
5.2.3.
Terminologie.................................................................................................................. 84
5.2.3.1.
“Onze” joden ......................................................................................................... 84
5.2.4.
Leerstofkeuze ................................................................................................................ 88
5.2.4.1.
Het proces van de Jodenvervolging....................................................................... 88
5.2.5.
Beeldmateriaal .............................................................................................................. 93
5.3. Algemene conclusie............................................................................................................. 100
6.
Onderzoek 3: Hongerwinter ....................................................................................................... 103
6.1. Wetenschappelijk kader ...................................................................................................... 103
6.1.1.
Voedselpolitiek 1940 – september 1944..................................................................... 103
6.1.1.1.
Maatregelen vóór de bezetting ........................................................................... 103
6.1.1.2.
Het menu in de Tweede Wereldoorlog voor de Hongerwinter .......................... 104
6.1.1.3.
De praktijk: de verdeling van het beschikbare voedsel ....................................... 105
6.1.2.
Voedselpolitiek tijdens Hongerwinter (09/1944 – 05/1945) ...................................... 107
6.1.2.1.
Oorzaken van de Hongerwinter .......................................................................... 107
6.1.2.1.1. Mislukking operatie Market Garden ................................................................ 107
6.1.2.1.2. De spoorwegstaking ......................................................................................... 108
6.1.2.1.3. Strenge winter 1944-1945................................................................................ 109
6.1.2.2.
Distributie en Centrale Keukens .......................................................................... 110
6.1.2.3.
Het menu in de Tweede Wereldoorlog tijdens de Hongerwinter ....................... 111
6.1.2.4.
Verloop van de voedselbevoorrading tijdens de Hongerwinter ......................... 112
6.2. Handboekanalyse ................................................................................................................ 114
6.2.1.
Verklaringen ................................................................................................................ 114
6.2.1.1.
Oorzaken Hongerwinter ...................................................................................... 114
6.2.2.
Beschrijvingen ............................................................................................................. 119
6.2.2.1.
Menu tijdens de Hongerwinter ........................................................................... 119
6.2.2.2.
Hongertochten .................................................................................................... 121
6.2.3.
Terminologie................................................................................................................ 124
6.2.3.1.
Hongerwinter....................................................................................................... 124
6.2.4.
Leerstofkeuze .............................................................................................................. 127
6.2.4.1.
Duits embargo op binnenscheepvaart ................................................................ 127
6.2.4.2.
Centrale Keukens ................................................................................................. 128
6.2.4.3.
Dodencijfer .......................................................................................................... 129
6.2.5.
Beeldmateriaal ............................................................................................................ 133
6.3. Algemene conclusie............................................................................................................. 139
6
7.
Besluit.......................................................................................................................................... 142
7.1. Besluit .................................................................................................................................. 142
7.2. Verdere onderzoeksvragen ................................................................................................. 145
8.
Bronnen ....................................................................................................................................... 146
8.1. Wetenschappelijke literatuur ........................................................................................... 146
8.2. Leerboeken .......................................................................................................................... 148
8.3. Foto’s ................................................................................................................................... 156
9.
Bijlagen ........................................................................................................................................ 157
7
1. Inleiding
Nederland en de Tweede Wereldoorlog: collaboratie, Jodenvervolging, de Hongerwinter. Menig
Nederlander denkt meteen aan de horrorverhalen van sabotage, executies en bloembollen. Deze
thema’s raken de Nederlandse bevolking emotioneel, wanneer men over de periode mei 1940-mei
1945 spreekt.
De collaboratie en de NSB zijn in Nederland na de Tweede Wereldoorlog
niet zo’n uitgesproken maatschappelijk discussiepunt geweest als in België.
Doorheen de Tweede Wereldoorlog was de collaboratie minder zichtbaar in
Nederland en ook na de Tweede Wereldoorlog was er amper verdeeldheid
over de berechting van collaborateurs. Men trok als één volk vooruit, op
naar de naoorlogse periode. Nederland heeft dan ook niet te maken gehad
met een zogeheten Flamenpolitik. Nederland was/is (en zag/ziet vooral
zichzelf als) een land met een tolerantiegeschiedenis. Diverse Florentine Rost van
bevolkingsgroepen werden doorheen de eeuwen openlijk ontvangen: Tonningen tijdens de
beschuldigden van hekserij, wetenschappers, agnosten, joden, … Daarom TV-reeks Het Zwarte
ontstaat na de Tweede Wereldoorlog het ongeloof over de ‘kleine groep’ Schaap in 2000
collaborateurs, die samen met de Duitsers jacht maakten op de joodse gemeenschap. Een aantal
figuren na de Tweede Wereldoorlog stonden voor de Nederlanders symbool voor het ‘kwaad’ van
het nationaalsocialisme, zoals Florentine Rost van Tonningen, echtgenote van de NSB’er en
antisemiet Meinoud Rost van Tonningen.
De Jodenvervolging is een ander voorbeeld van een gevoelige
discussie in de Nederlandse historiografie. Meer dan 100 000
Nederlandse joden vonden de dood in concentratie- en
uitroeiingskampen, een dodenpercentage dat dicht aanleunt bij
Oost-Europese landen en ver verwijderd is van West-Europese
gemiddelden. Pas in de jaren ’80 wordt openlijk de vraag gesteld
Het voormalig joodse weeshuis in
waarom er zoveel Joden werden vermoord in een land dat zich
Amsterdam, aangegeven op het
profileert als tolerant en toegankelijk. De herinneringscultus rond
marktplein.
de Jodenvervolging is in Nederland ook veel groter dan in België,
met bv. Anne Frank als wereldwijd bekend symbool voor de joodse onderdrukking, met het
monument in Amsterdam ter herinnering aan het voormalig joodse weeshuis, …
De Hongerwinter trof voornamelijk het Westen van Nederland, maar
staat symbool voor het ultieme lijden van de bevolking onder het juk
van de Duitse bezetter. Deze laatste West-Europese hongersnood
maakte tussen de 15 000 en de 20 000 slachtoffers over een periode
van acht maanden (februari 1944 – mei 1945). Van actrice Audrey
Hepburn is bekend dat zij de Hongerwinter op o.a. bloembollen heeft
overleefd. In de Nederlandse historiografie bestond er tot midden jaren
’80 geen grote discussie over de Hongerwinter, tot Trienekens zijn
Kind tijdens de Hongerwinter
8
ophefmakende werk Tussen ons volk en de honger1 publiceerde. Daarin staat o.a. te lezen dat, indien
de West-Nederlandse bevolking het voedsel eerlijk had verdeeld, er misschien niemand moest
omkomen van de honger. Hierop kwam veel reactie, maar de discussie was geopend.
Deze scriptie is een zoektocht naar de informatie die in de leerboeken van 1946 tot 1996 wordt
meegegeven aan de leerlingen van de hogere graden in Nederland en naar de bewuste en
onbewuste uitingen van een bepaalde overtuiging die hieruit spreekt. Ik heb mijn onderzoek gevoerd
op leerboeken die gebruikt werden in de hogere richtingen (gymnasium, lyceum, atheneum, HBS,
VWO en HAVO), omdat deze leerboeken inhoudelijk ook het meest te bieden hebben. Het is mijn
bedoeling de aanpak van deze drie thema’s uitgebreid te schetsen via een analyse van de leerteksten
en de beelden in de bestaande leerboeken. Vooral de collaboratie en de NSB werden nog nooit
geanalyseerd: “Overzichtelijk inzicht in hoe de ‘foute sector’ is verwoord en verbeeld in het onderwijs
over de Tweede Wereldoorlog, is er evenmin” - Dienke Hondius, 20102
Voor deze handboekanalyse gebruik ik het model van Antoon De Baets3, aangepast aan de vragen en
mogelijkheden die voorhanden zijn over de collaboratie. Naast deze algemene schets behandel ik
ook op secundair, niet-dominant niveau het taalgebruik van de leerboeken. Hiervoor baseer ik mij op
het standaardwerk van Verschueren en Blommaert, Debating Diversity4, waarin ze dieper ingaan op
de pragmatische linguïstiek.
Uiteindelijk toets ik mijn bevindingen ook aan het werk van Dienke Hondius, die in haar boek
Oorlogslessen5 de maatschappelijke evolutie schetst rond vnl. de collaboratie en de Jodenvervolging.
In dit werk tracht ze met succes de lessen in het onderwijs met als thema ‘de Tweede Wereldoorlog’
te kaderen binnen een veranderende maatschappij. Hierbij kijkt ze naar spreekbeurten, uitstappen,
televisieseries en ook leerboeken, zij het op een minimaal niveau. In tegenstelling tot Hondius kijk ik
naar verschillende aspecten van de aangeboden informatie in de leerboeken (verklaringen,
beschrijvingen, terminologie, leerstofkeuze en beeldmateriaal), waarbij ik telkens op bepaalde
gebeurtenissen of evoluties focus.
Ik hoop met dit werk een stap te zetten in de richting van verder onderzoek van de Nederlandse
leerboeken over deze thema’s.
1
TRIENEKENS, G., Tussen ons volk en de honger: de voedselvoorziening 1940-1945, Stichting Matrijs, Utrecht
1985, 537 p.
2
HONDIUS, D., Oorlogslessen. Onderwijs over de oorlog sinds 1945, Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam, 2010,
pg. 26
3
DE BAETS, A., Beeldvorming over niet-Westerse culturen: de invloed van het geschiedenisleerboek op de
publieke opinie in Vlaanderen 1945-1984, scriptie, Gent, 1988, 3 vol.
4
BLOMMAERT, j. e.a., Debating Diversity. Analysing the discourse of tolerance, Routledge, Londen, 1998, 233
pg.
5
HONDIUS, D., Oorlogslessen. Onderwijs over de oorlog sinds 1945, Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam, 2010,
383 pg.
9
Om het eigene van de cultuur te demonstreren wordt cultureel erfgoed geconserveerd, gerestaureerd,
verdonkeremaand, uitgevonden en betwist. - Maria Grever en Kees Ribbens, 20076
6
GREVER, M. e.a., Nationale identiteit en meervoudig verleden, Amsterdam University Press, Amsterdam,
2007, pg. 14
10
2. Handboekanalyse
Mijn handboekanalyse is geïnspireerd op de analyse van Antoon De Baets7, die in 1988 een analyse
deed over de beeldvorming over niet-westerse culturen. Daarnaast pas ik op secundair niveau de
pragmatische linguïstiek toe van Blommaert en Verschueren8, waardoor ik tracht te achterhalen wat
men op diverse niveaus wil zeggen met een bepaalde tekst, zin of uitspraak.
2.1.
Analyse van De Baets
In de scriptie focus ik me op een kwalitatieve aanpak, aangezien de kwantitatieve
onderzoeksmethode niet aangewezen is voor deze scriptie. Johan Galtung vat ze als volgt samen9:
Kwalitatieve analyse
Kwantitatieve analyse
latente bedoelingen
manifeste inhoud
hoog
laag
Introen
intersubjectieve
laag
betrouwbaarheid
hoog
Wat wordt gecodeerd?
Theoretische relevantie
De Baets verkiest een samensmelting van de twee: “Vrijwel altijd wordt gepleit voor één of andere
mengvorm die de voordelen van beide combineert en de nadelen van beide tracht uit te sluiten. Of de
mengvorm dan een (versoepeld) kwantitatief dan wel een (verstrengd) kwantitatief accent krijgt,
hangt af van factoren zoals de aard van het bronnenmateriaal en van de probleemstelling.”10 Doordat
ik vooral op zoek ga naar de interne en informatieve evolutie binnen de leerboeken, is hier een
dominant kwalitatief onderzoek aangewezen. Daarnaast focus ik in een aantal hoofdstukken op
kwantitatieve aspecten zoals veel voorkomend beeldmateriaal.
Waarom focus ik in deze scriptie op subjectiviteit en emotionaliteit? Ze zijn beide dimensies van de
opinie van de leerboekauteur. De Baets omschrijft hoe deze aspecten voorkomen in de leerboeken:
“Ze kunnen overal en in gevarieerde vormen opduiken en actief zijn, zowel in de manifeste inhoud van
het boek als meer latent in de wijze waarop iets beschreven of verklaard wordt, of in de wijze waarop
termen en leerstof gekozen en gepresenteerd worden. Context, emotionele ondertoon, verborgen
waardeoordelen, onbewuste gevoelens spelen een grote rol en moeten via analyse geïnterpreteerd
worden. Het is duidelijk dat een kwalitatieve benadering daar het best geschikt voor is.”11
7
DE BAETS, A., Beeldvorming over niet-Westerse culturen: de invloed van het geschiedenisleerboek op de
publieke opinie in Vlaanderen 1945-1984, scriptie, Gent, 1988, pg. 125-147
8
BLOMMAERT, j. e.a., Debating Diversity. Analysing the discourse of tolerance, Routledge, Londen, 1998, 233
pg.
9
Ibidem, pg. 128-129
10
Ibidem, pg. 129
11
Ibidem, pg. 129
11
2.2.
Analyseraster
Nadat de onderzoekshypothese vastgelegd is, kan men deze inplanten in een breed analyseraster,
waarbij men op verschillende categoriale aspecten van het onderzoek focust. De opgestelde
categorieën moeten volgens De Baets aan enkele voorwaarden voldoen: “ze moeten precies zijn, niet
te breed en niet te eng, elkaar uitsluiten en samen de hypothese exhaustief bestrijken. Ze dienen ook
aangepast te zijn aan de empirische inhoud van het te onderzoeken materiaal. Ze moeten zo
onbevooroordeeld mogelijk geformuleerd zijn.”12 Door deze eisen ontstaat een gestructureerde,
deductieve manier van werken, waardoor de lezer en andere vorsers de normen en oordelen van de
analist beter kunnen evalueren. Ook wordt de kans verkleind dat twee analisten met hetzelfde
onderzoek en dezelfde categorieën tot dezelfde conclusie komen.
Het analyseraster dat ik zal gebruiken bij dit onderzoek ziet er als volgt uit:
1. Verklaringen
1.1. Wordt er bij het zoeken naar verklaringen gezocht naar één of meerdere schuldigen?
1.2. Wordt er bij het zoeken naar verklaringen gezocht naar fouten bij zichzelf?
1.3. Is er een evolutie merkbaar in het zoeken naar verklaringen?
2. Beschrijvingen
2.1. Worden er overdreven vereenvoudigingen gemaakt?
3. Terminologie
3.1. Hoe worden volgende begrippen gedefinieerd: concentratiekampen, collaboratie,
Hongerwinter?
3.2. Is de terminologie waardegeladen in emotionele zin?
3.3. Worden er emotionele gekleurde tweedelingen (goed/slecht, wij/zij, …) gebruikt?
4. Leerstofkeuze
4.1. Gebeurt de selectie van ‘belangrijke’ data, gebeurtenissen en personen op emotionele
basis?
4.2. Welke thema’s worden behandeld en welke niet, en hoe (on)evenwichtig wordt
daardoor de leerstof?
5. Beeldmateriaal
5.1. Verbergt het beeldmateriaal emotionaliteit?
5.2. Welke beelden komen regelmatig terug?
5.3. Is er een evolutie bij de beschrijving van het beeldmateriaal?
5.4. Is er een verschil in gebruikt beeldmateriaal naargelang het thema?
Als tweede stap gaat men met dat raster van categorieën de tekst benaderen. Het omvat het
grootste deel van de probleemstelling, namelijk hoe de beeldvorming over nationaal gebonden
thema’s van de Tweede Wereldoorlog in Nederland tot stand komt.
12
DE BAETS, A., Beeldvorming over niet-Westerse culturen: de invloed van het geschiedenisleerboek op de
publieke opinie in Vlaanderen 1945-1984, scriptie, Gent, 1988, pg. 130-131
12
De Baets geeft uitleg bij het doel van de eerste vier rubrieken: “Rubriek 1 tot 4 houdt zich bezig met
de uitrafeling van de meeste voorkomende dimensie van de beeldvorming in het proces van
kennisverwerving. Elke rubriek behandelt één fase van de kenniswerving:”13
1)
2)
3)
4)
Rubriek 1 tast het emotionele gehalte af van de verklaringen die leerboekauteurs bieden.
Rubriek 2 doet hetzelfde voor hun beschrijvingen.
Rubriek 3 doet hetzelfde voor hun concepten.
Rubriek 4 bekijkt hoe er keuzes in de leerstof worden gemaakt en is met opzet ingelast opdat
in de analyse het totaalbeeld op de leerboeken niet zou verloren gaan.
Met deze rubrieken kunnen we informatie verzamelen over de emotionele waarde die in de leerstof
aanwezig is. Maar daarnaast is het aangeraden om ook beeldmateriaal te bespreken. De
meerwaarde van beeldmateriaal voor het geheugen is dat het toegankelijk en vlot herinnerbaar is.
Daarom is het belangrijk om ook hierop dieper in te gaan en te onderzoeken in welke mate men
emotioneel en subjectief beeldmateriaal gebruikt in de leerboeken.
Toch waarschuwt De Baets voor mogelijke overlappingen in het analyseraster: ”Het is de bedoeling
om de thema’s die in de leerboeken aan bod komen categorie per categorie te bespreken, maar
overlapping zal hier en daar voorkomen. Men kan bijvoorbeeld moeilijk verklaren zonder
beschrijven.”14 Ook zal ik de subvragen niet apart behandelen, maar maken ze onderdeel uit van de
grotere thema’s (verklaringen, beschrijvingen, …).
2.2.1. Lectuur van het woord
Woord: de tekst – we moeten uitmaken welke hoeveelheid tekst we als analyse-eenheid en als
registratie-eenheid beschouwen.
De analyse wordt toegepast op het geheel van teksten gevormd door een leerboek met zijn
eventuele herdrukken. Het is het basispakket leerstof waarover de leerkracht en, na aftrek van
handleidingen, de leerling in principe beschikt. Werkboeken en verdiepingsteksten achteraan een
bepaald hoofdstuk komen weinig of niet aan bod in mijn analyse, aangezien ze niet gekaderd kunnen
worden in de kernleerstof van de leerboeken.
De Baets spreekt over de ‘registratie-eenheid’ waarop het onderzoek wordt toegepast. Hij vat dit als
volgt samen: “Het is erg moeilijk precies te zeggen wat een ‘passage’ is, omdat ze afhangt van de
context waarin ze vervat zit. We omschrijven een passage zoals Gilbert Rist: het tekstfragment,
gaande van één zin tot één alinea, dat min of meer op zichzelf begrijpelijk is, zonder de noodzaak van
een bredere context. De lengte van een passage en het aantal passages in verband met een bepaald
thema hebben vaak niets te maken met het belang dat de auteur aan dat thema hecht: didactische
bekommernis voor herhaling kan zijn eerste zorg zijn.”15
13
DE BAETS, A., Beeldvorming over niet-Westerse culturen: de invloed van het geschiedenisleerboek op de
publieke opinie in Vlaanderen 1945-1984, scriptie, Gent, 1988, pg. 133
14
Ibidem, pg. 134
15
Ibidem, pg. 139-140
13
Daarnaast zijn er ook nog twee andere mogelijke problemen: de representativiteit en het statuut van
de passages. Aangezien het grote aantal onderzochte leerboeken (118 in totaal, zie grafiek), was het
niet mogelijk om alle relevante passages op te nemen in het onderzoek. Wanneer er een overaanbod
is, worden alleen de meeste representatieve en de meeste opmerkelijke passages geciteerd.
Geanalyseerde leerboeken per jaar
6
5
4
3
Aantal leerboeken
2
1
1994
1991
1988
1985
1982
1979
1976
1973
1970
1967
1964
1961
1958
1955
1952
1949
1946
0
Grafiek 1: aantal geanalyseerde leerboeken per jaar, met een totaal van 118 tussen 1946 en 1996.
Toch blijven er een aantal minpunten aan leerboekanalyse: men blijft afhankelijk van het
uitgangspunt en de eerlijkheid van de analist. De analist zelf staat ook voor problemen: in hoeverre is
een bepaalde zin werkelijk subjectief en emotioneel getint? Volgens De Baets is dit een probleem
waar de wetenschap dagelijks mee te maken heeft: “De mate van subjectiviteit die ligt in de bepaling
of de passage representatief is voor het leerboek of voor wat de auteur denkt, of niet, vormt het
probleem van elke wetenschapper die met bronnen wordt geconfronteerd.”16 Wanneer de analist
uitgaat van een objectieve werkwijze en dit ook weerspiegelt in zijn onderzoek door bronvermelding
en duiding, hoeft de frequent gehoorde bewering dat men alles kan bewijzen, niet waar te zijn.
2.2.2. Analyse van beelden
“Een beeld zegt meer dan duizend woorden” is een gevleugelde uitspraak uit de didactiek.
Beeldmateriaal is heel gevarieerd (foto’s, karikaturen, tekeningen/grafisch materiaal, schematische
beelden, … Vooral van iconografie wordt verondersteld dat ze zeer veel bijdraagt tot beïnvloeding
van de lezer. De Baets oordeelt dat beelden soms een grotere impact hebben dan lesteksten:
“Sommigen beweren zelfs dat ze diepere indrukken nalaat dan woorden, omdat ze minder abstract is
en als zodanig makkelijker tot onze aandacht en ons geheugen doordringt dan een uniform relaas.” 17
Wanneer iemand in een leerboek kijkt dat hij vroeger heeft vastgehad tijdens een les, zal hij zich
gemakkelijker de iconografie herinneren dan bepaalde lesteksten.
16
DE BAETS, A., Beeldvorming over niet-Westerse culturen: de invloed van het geschiedenisleerboek op de
publieke opinie in Vlaanderen 1945-1984, scriptie, Gent, 1988, pg. 140
17
Ibidem, pg. 141
14
Om vat te krijgen op het wezen en de betekenis van beelden en om ons te wapenen tegen
kijkvervlakking, ontwikkelden we een klein observatiemiddel voor beeldmateriaal, op basis van een
aantal studies, waarin hier en daar semiotische verworvenheden waren verwerkt:
1) Inhoud van het beeld: totaalbeeld, structuur van het beeld, details (personages, …), het nietafgebeelde, het gesuggereerde.
2) Uitleg bij het beeld: titel, bijschrift, opdrachten, beeld zonder uitleg.
2.2.3. Bewijsvoering en kwaliteitscontrole
Onze aanpak leverde nog twee concrete problemen op: de bewijsvoering van beweringen en de
kwaliteitscontrole van leerboekinformatie. Wanneer is een conclusie van een analist ‘bewezen’? Puur
analyseren door het citeren van leerboekuittreksels kunnen onmogelijk tot goed gestaafde
beweringen leiden. Daarom is het ook belangrijk om deze leerboekuittreksels te kaderen binnen een
maatschappelijke context. Hiervoor gebruik ik o.a. het boek van Hondius, Oorlogslessen, aangezien
dit boek zeer diep ingaat op de evolutie van lessen rond het thema ‘de Tweede Wereldoorlog’ en
daarbij redeneert vanuit verschillende invalshoeken, zodat een uitgebreid maatschappijbeeld
ontstaat. Desondanks worden trendafwijkingen binnen de leerboeken nog altijd het best gestaafd
door fragmenten uit de leerboeken zelf. De uittreksels uit de leerboeken geven de basis weer, het
kader waarin dit voorkomt wordt gesterkt door externe factoren zoals maatschappelijke
veranderingen, wetenschappelijke publicaties of externe gebeurtenissen. Daarom lijkt het me
aangewezen een chronologisch verloop weer te geven, waarbij een mogelijke evolutie in het
objectief en kritisch denken kan opgemerkt worden.
Ik heb mijn onderzoek gevoerd op leerboeken die gebruikt werden in de hogere richtingen
(gymnasium, lyceum, atheneum, HBS, VWO en HAVO), omdat in de hogere jaren het inhoudelijk
aanbod in de leerboeken het grootst is en daarin dus ook het meest relevante studiemateriaal te
vinden is.
2.3.
Pragmatische linguïstiek van Blommaert en Verschueren
Het boek van Blommaert en Verschueren, Debating Diversity, verschaft ons de nodige inkijk in de
pragmatische linguïstiek, een methode die gebruik maakt van discoursgerichte werkinstrumenten.
Blommaert en Verschueren focussen vooral op het verschil tussen verschillende culturen en de
verwoorde typering daarvan, wat ervoor zorgt dat dit model niet in zijn geheel bruikbaar is voor deze
scriptie. Maar anderzijds geven ze via een aantal werkinstrumenten mee hoe taal meer kan zeggen
dan wat er werkelijk staat. In het kader van deze scriptie, lijkt me deze visie dan wel weer zeer nuttig
en toepasbaar, zij het op secundair niveau: de kwalitatieve handboekanalyse blijft primair.
Verbeke geeft in zijn scriptie de volgende definitie: “Pragmatische linguïstiek als methode kan
gedefinieerd worden als een algemeen en functioneel perspectief op (elk aspect van) de taal,
waarmee wordt bedoeld dat men de taal gaat benaderen, rekening houdende met de volledige
complexiteit van het cognitieve, sociale, en culturele (lees: betekenisvolle) functioneren in het
15
leven.”18 De bedoeling van deze door Blommaert bedachte werkinstrumenten is het achterhalen van
het algemene referentiekader betreffende een ideologie die als normaal wordt beschouwd. Dat
verklaart volgens Blommaert dat dit referentiekader niet echt zichtbaar is voor de leden van de groep
en bijgevolg ook zelden wordt in vraag gesteld. Geruggensteund door de praktijk van het lesgeven,
kan ik deze stelling onderbouwen.
Blommaert vertrekt vanuit een aantal vooronderstellingen, waaronder de vooronderstelling dat
kennisbeelden en conceptuele gewoonten gereflecteerd worden in het gedrag van taalgebruikers en
hun manieren van communicatie naast retorische gewoontes. Daarbij gaat Blommaert eveneens uit
van het idee dat elke vorm van communicatie in meer of mindere mate een verborgen betekenisvol
systeem verbergt dat de betekenis in zich draagt van wat wordt gezegd. Er zijn drie bruikbare
werkinstrumenten19:
1) Woordpatronen- en strategieën: woorden en structuren zijn niet betekenisvol op hun eigen
manier. Betekenis ontleent zich aan de grammaticale een lexicale keuze die taalgebruikers
maken uit het scala van mogelijke keuzes met betrekking tot onderwerp, materiaal en context.
Bijvoorbeeld, als landbouwdemonstraties in Brussel, onafhankelijk van de schade die wordt
aangericht in de stad, systematisch worden aangeduid als "landbouwdemonstraties", terwijl
"migrantenrellen" consequent gebruikt wordt bij het beschrijven van een groep van
migrantenjongeren die protesteren tegen het politiegeweld in de straten van Brussel en hier en
daar een raam breken, is dit patroon van woordkeuze betekenisvol. Ondanks het feit dat de
twee soorten gebeurtenissen veel gemeenschappelijke kenmerken bevatten (de
ontevredenheid van een sociale groep, het publiek uiten van protest, het gebrek aan respect
voor publiek en privé-eigendom), wordt de eerste duidelijk geplaatst - en bewaard - in een
frame van gewettigde sociale actie, terwijl de tweede een veroordeling in zich draagt, enkel
door het fenomeen op die wijze te benoemen.
2) Presupposities en lokale dragers van impliciete informatie: de types van betrokkenheid en
vooronderstelling van reeds genoemde constructies. Vb.: wanneer een groep van goedbedoelde
sociale wetenschappers een symposium onder de titel "Naar een leefbare multiculturele
gemeente" organiseert, bevat deze schijnbaar onschuldige vorm van meningsuiting interessante
implicaties. De combinatie van het beginwoord "naar" met de expliciete beschrijving van het
eindproduct van het proces, "leefbaar", impliceert een ontkenning van de leefbaarheid van de
multiculturele gemeenten zoals ze nu zijn, of zoals ze zouden blijven, zonder speciale
maatregelen.
3) ‘Globale mening’-constructies: met dit begrip worden de algemeen aanvaarde systemen waarop
bepaalde denkwijzen, vaak argumentaties gestoeld zijn. De manier waarop (expliciete en
impliciete) betekenissen gecombineerd zijn in bijvoorbeeld patronen van argumentatie, is net zo
belangrijk als de betekenis van individuele uitingen of de som daarvan. De vrij algemene of
globale patronen die we opsporen, is wat we zullen aanduiden als een proces van systematische
problematisering, zoals documenten die steevast beginnen met zinnen als "niemand kan
ontkennen dat de aanwezigheid van buitenlanders in ons land problemen veroorzaakt".
18
VERBEKE, E., Beeldvorming van de Arabisch-Islamitische wereld in Vlaamse leerboeken geschiedenis van
1979 tot nu: buffer tegen groeiend islamofobie?, scriptie, 2008, pg. 85
19
BLOMMAERT, j. e.a., Debating Diversity. Analysing the discourse of tolerance, Routledge, Londen, 1998, pg.
33-34
16
3. Geschiedenis van het Nederlandse schoolsysteem
3.1.
12e eeuw tot 17e eeuw
De geschiedenis van het Nederlandse schoolsysteem begint pas aan het einde van de 12 e eeuw,
aangezien in 1179 het derde Lateraans concilie meldt dat er aan alle parochiekerken
onderwijsinstituten verbonden moeten worden.20 Het merendeel van de leerlingen (tussen 7 en 12
jaar) volgt dit onderwijs dan ook met de bedoeling een kerkelijk ambt te vervullen.
leeftijd
12
11
10
9
8
7
vervolg parochieschool
parochieschool
Schema 1: Het Nederlandse schoolsysteem van ongeveer 1200 tot 140021.
Tot de 15e-16e eeuw blijft de school een dominant kerkgerichte instelling. Door de verstedelijking en
het groeiend handelsperspectief in Nederland wordt naast het Latijn ook de nadruk gelegd op de
moedertaal en wiskunde.
Op het einde van de 16e eeuw kan men over een aantal schooltypes spreken22:
-
-
Enerzijds heeft men de dorpsschool, waar kinderen tussen 5 en 10 jaar Latijnse en Dietse les
volgen.
Anderzijds richten de stadsscholen (Grote Scholen) zich op jongens tussen 10 en 15 jaar.
Deze zogenaamde scholen bereidt de leerlingen tussen acht en tien jaar (onderbouw) voor
op het onderwijs in het Latijn (bovenbouw). Sommige scholen bieden nog twee kopklassen
aan met een nadruk op de filosofische vorming. Dit geldt als een vervanging voor het in
Nederland afwezige academisch onderwijs. Wie wil verder studeren, moet uitwijken naar het
buitenland23.
Op de Franse school ligt de nadruk op het handelsonderwijs door de toenemende
handelsbetrekkingen. Naast vakken als Latijn en rekenen wordt ook het Frans onderwezen,
aangezien door de Bourgondische veroveringen in de 15e eeuw het Latijn als handelstaal
geleidelijk aan wordt vervangen door het Frans24. De school richt zich op leerlingen van 10
tot 15 jaar, met twee voorbereidingsjaren voor de leeftijd van 8 tot 10 jaar.
20
N.L. DODDE, Dag mammoet! Verleden, heden en toekomst van het Nederlandse schoolsysteem, Garant,
Leuven-Apeldoorn, 1993, pg. 15
21
Ibidem, pg. 20
22
Ibidem, pg. 26
23
Ibidem, pg. 27
24
Ibidem, pg. 29
17
-
Daarnaast is er ook een beroepsgericht onderwijs, georganiseerd door de ambachtelijke en
koopmansmiddenstand in de steden, maar dit beroepsgericht onderwijs vindt in de praktijk
plaats en niet onder een instelling.
leeftijd
17
16
15
14
13
12
11
10
9
8
7
6
5
kopklassen Latijnse school
bovenbouw Latijnse school
Franse school
onderbouw Latijnse school
onderbouw Franse school
bijschool kleine-kinderschool
Schema 2: Het Nederlandse schoolsysteem van ongeveer 1400 tot 160025.
3.2.
17e eeuw tot 1900
Doorheen de 17e, 18e en 19e eeuw ondergaat het Nederlandse onderwijs een gestage verbreding.
Alle scholen worden voorafgegaan door zogenoemde kleine-kinderscholen, gericht op de leeftijd van
4 en 5 jaar. In deze klassen wordt voornamelijk gezongen en godsdienstige teksten opgezegd. De
zogenaamde voorbereidingsjaren voor de leeftijd van 8 tot 10 jaar groeien uit tot een lagere
schoolperiode voor de leeftijd van 6 tot 10 jaar, waarbij lezen en schrijven de belangrijkste bezigheid
is. In de Latijnse school wordt vanaf 10 jaar diverse vakken onderwezen zoals wiskunde,
aardrijkskunde, geschiedenis en minstens 1 vreemde taal. De Latijnse school vormt zich geleidelijk
aan tot een elitaire instelling en bereidt de leerlingen voor op een academische studie. Onder invloed
van de Reformatie zal de Latijnse school zich geleidelijk ontwikkelen tot een calvinistische instelling.
Door het gebrek aan onderwijsinstellingen voor ambachten en kooplieden (beroepsonderwijs) blijft
de Franse school de enige geïnstitutionaliseerde vorm hiervan. Maar geleidelijk zien we aan de
universiteiten en havensteden opleidingen ontstaan voor o.a. technici en mariniers. Door een
combinatie van diverse factoren (stijgende werkloosheid eind 17e eeuw, weinig jobaansluiting voor
academici, …)26 wordt het onderwijs begin 18e eeuw meer praktisch gericht. Teken- en naaischolen
worden opgericht, de Franse school krijgt een uitbreiding van het onderwijsprogramma: vakken als
aardrijkskunde, natuurkennis en geschiedenis kennen hun ingang in de onderwijsinstelling, waardoor
de Franse school de Latijnse school zal overvleugelen door zijn meer beroepsgericht onderwijs.
25
N.L. DODDE, Dag mammoet! Verleden, heden en toekomst van het Nederlandse schoolsysteem, Garant,
Leuven-Apeldoorn, 1993, pg. 31
26
Ibidem, pg. 47
18
leeftijd
21
20
19
18
17
16
15
14
13
12
11
10
9
8
7
6
5
4
hogeschool
hogeschool
Franse school
vakonderwijs
Latijnse school
Franse school
bijschool
bijschool
armenschool
bijschool kleine
kinderschool
Schema 3: Het Nederlandse schoolsysteem van ongeveer 1600 tot ±185027.
Maar door de agrarisch-commerciële samenleving die Nederland in het begin van de 19e eeuw nog
is28, kent het voortgezet en vakonderwijs geen groot succes. Lager onderwijs blijkt voor de meeste
Nederlanders voldoende. In 1825 tellen de 2624 lagere schoolinstituten in Nederland ruim 65% van
de kinderen tussen 6 en 11 jaar29. Dat niet iedereen naar school gaat heeft te maken met diverse
factoren: er is in de 19e eeuw nog geen leerplicht, het voortgezet onderwijs is niet gratis en niet
iedereen is in staat deze prijs te betalen. Ouders stellen zich tevreden met het feit dat hun kind al kan
lezen en schrijven. Het voortgezet onderwijs (algemeen en beroepsgericht) kent geen navolging: de
landbouw- en nijverheidssector gaan er van uit dat vakbekwaamheid enkel kan verkregen worden
door praktijkervaring op de werkvloer. Sommige beroepsgerichte opleidingen kennen toch enige
navolging, zoals de veeartsenijkundige school in Utrecht, die in 1835 32 studenten telt30. Ook het
voortgezet algemeen onderwijs kent maar weinig succes: in 1811 geniet slechts 1% van de kinderen
tussen 12 en 17 jaar van onderwijs in de Latijnse school en 3% van de kinderen tussen 12 en 15 jaar
volgen de Franse school31.
27
N.L. DODDE, Dag mammoet! Verleden, heden en toekomst van het Nederlandse schoolsysteem, Garant,
Leuven-Apeldoorn, 1993, pg. 37
28
Ibidem, pg. 57
29
Ibidem, pg. 61
30
OFFRINGA, C., ’s Rijksveeartsenijschool, veeartsenijkundige hogeschool (1821-1925), Wageningen, 1972
31
N.L. DODDE, Dag mammoet! Verleden, heden en toekomst van het Nederlandse schoolsysteem, Garant,
Leuven-Apeldoorn, 1993, pg. 61
19
In de tweede helft van de 19e eeuw komen er structurele veranderingen in de vraag naar arbeid.
Eerst nemen ambachten in belang toe (van 23,9% in 1849 naar 31,1% in 1899), later zal ook de
industrie aan belang toenemen. Hierdoor komt het beroepsgericht onderwijs op de voorgrond. In
1863 beveelt de wet op het middelbaar onderwijs een aantal gemeenten om theoretisch georiënteerd beroepsonderwijs op te richten.
Het aantal ingeschrevenen in landbouwonderwijs neemt slechts met mondjesmaat toe32. De
landbouw heeft aanvankelijk ook geen behoefte aan geschoolde arbeiders. Maar vanaf 1875 valt er
een duidelijke specialisering op te merken met takken als tuinbouw, bemesting, dierkunde en
zuivelbereiding33. Enkel het handelsonderwijs komt maar niet van de grond. Nog hardnekkiger dan in
de landbouwsector is men er van overtuigd dat kennis enkel kan worden opgedaan in de praktijk en
niet op de schoolbanken34. Door deze moeizame evolutie blijft het beroepsgericht onderwijs van
geringe betekenis.
Ook in het begin van de 20e eeuw is de doorstroom naar het voortgezet onderwijs heel laag (4%)35.
Dodde meldt dat dit te wijten is aan een drietal factoren36:
-
De Nederlandse agrarisch-commerciële samenleving heeft geen behoefte aan deze vorm van
onderwijs.
De financiële drempel van onder anderen het gymnasium en de hogere burgerschool (hbs)
doet leerlingen afhaken.
Er is protestants-christelijk verzet tegen deze “wereldse dwaasheid van een hooghartig
intellectualisme”37. Hierdoor zullen er vanaf 1901 religieus gerichte scholen opgericht
worden38.
De verschillende scholen van het voortgezet onderwijs hebben een gelijksoortige inhoud. Algemeen
worden vakken als taal, rekenen, aardrijkskunde, geschiedenis en expressie (tekenen en zingen)
gegeven. In het MULO (Meer Uitgebreid Lager Onderwijs) wordt dit uitgebreid door o.m. lessen
Frans, Duits, wiskunde, in de vijfjarige hbs krijgt men ook nog statistiek en kosmografie. Deze
veelzijdigheid aan vakken zorgt voor een ware schoolboekencultuur die vaak instellingsgericht zijn39.
32
N.L. DODDE, Dag mammoet! Verleden, heden en toekomst van het Nederlandse schoolsysteem, Garant,
Leuven-Apeldoorn, 1993, pg. 74
33
Ibidem, pg. 75
34
Ibidem, pg. 76
35
Ibidem, pg. 81
36
Ibidem, pg. 81
37
VAN ESSEN, H.W., onderwijzeressen in Niemandsland, Meppel, 1985
38
N.L. DODDE, Dag mammoet! Verleden, heden en toekomst van het Nederlandse schoolsysteem, Garant,
Leuven-Apeldoorn, 1993, pg. 84
39
Ibidem, pg. 83
20
3.3.
1901 tot 1968
Vanaf het begin van de 20e eeuw neemt het belang van het beroepsonderwijs voor de industrie toe.
In 1920 bestaan er 88 ambachtsscholen met 11808 leerlingen en 19 middelbaar technische scholen
met 3213 leerlingen. In 1950 zijn er 172 ambachtsscholen met 52995 leerlingen (+474%) en 27
middelbaar technische scholen met 9505 leerlingen (+296%)40.
De industrialisering wordt gesteund door een gerichte ontwikkeling van het Nederlandse
schoolsysteem. De structuur ervan wordt opgedeeld in drie lagen:
-
-
-
Lager onderwijs: bewaarscholen, instituten voor lager onderwijs en het meer uitgebreid lager
onderwijs (mulo). Opvallend is dat het mulo zich na 1920 zal losmaken van de lagere school
en de maatschappelijke plaats zal innemen van de hbs (zie verder). Deze school richt zich in
eerste instantie op kinderen van de middengroeperingen op zich voor te bereiden op een
degelijke plaats in de samenleving41.
Middelbaar onderwijs: hbs, mms en lyceum. De hbs (hogere burgerschool) richt zich op
kennisvakken en moderne vreemde talen. De hbs is voornamelijk bedoeld voor jongens, de
meisjes volgen voortgezet onderwijs in de middelbare school voor meisjes (mms) wegens
hun “zachter karakter”. Het doel is om op te groeien tot “verstandige huishoudsters en
teedere moeders”42. Daarnaast concentreert het lyceum zich op de instelling van jonge
leerlingen43, aangezien hun filosofie inhoudt dat de lagere schooldidactiek te abrupt eindigt
bij 12 jaar. Na een opleiding van 2 jaar kan men kiezen voor de hbs, mms, of gymnasium. Ten
slotte is er een splitsing tussen het openbaar en bijzonder (zelfstandig) onderwijs: kinderen
uit de armen- en middenklasse hebben de keuze uit de twee scholen en meestal zullen meer
gegoede kinderen opteren voor het bijzonder onderwijs44.
Hoger onderwijs: gymnasium, universiteit en hogeschool. Op het gymnasium worden vakken
als Grieks, Latijn en eventueel Hebreeuws aangeboden45. Op de universiteiten (zowel
openbaar en bijzonder) wordt o.a. geneeskunde, natuurkunde en rechtsgeleerdheid
gegeven. Hogescholen bieden meer praktisch gerichte opleidingen aan zoals veearts of
landbouwdeskundige.
Het schoolbezoek stijgt gestaag vanaf de invoering van de leerplicht in 1901. Deze houdt in dat
kinderen vanaf hun 7e levensjaar verplicht school- of huisonderwijs moeten volgen. Dit is verplicht
tot hun 13e. De late invoering van de leerplicht is te wijten aan de liberalistische opvattingen van de
landelijke overheid46. Het staat de ouders vrij hun kinderen al dan niet naar school te sturen. Nog
steeds heerst het idee dat praktijkgerichte takken zoals landbouw en nijverheid niet op school
moeten geleerd worden. Ook de financiële drempel voor vele gezinnen blijft een probleem. Ten
40
N.L. DODDE, Dag mammoet! Verleden, heden en toekomst van het Nederlandse schoolsysteem, Garant,
Leuven-Apeldoorn, 1993, pg. 88-89
41
Ibidem, pg. 95
42
VAN MILLIGEM, G., Opleiding der vrouwelijke jeugd, Rotterdam, 1865
43
N.L. DODDE, Dag mammoet! Verleden, heden en toekomst van het Nederlandse schoolsysteem, Garant,
Leuven-Apeldoorn, 1993, pg. 97
44
Ibidem, pg.35
45
Ibidem, pg. 97
46
Ibidem, pg. 99
21
slotte heeft een diploma vooral een statusverhogend gevolg, waardoor de meerwaarde van gering
belang is.
Nochtans is in 1900 slechts 2% van de bevolking analfabeet47. In 1900 volgt slechts 7,9% van de 12tot 18-jarigen voortgezet onderwijs, terwijl dit in 1930 al 26,5% bedraagt. Aan de universiteit is ook
een stijging op te merken: in 1900 volgen 2936 studenten hoger onderwijs, terwijl dit in 1930 12061
studenten bedraagt (+411%).
leeftijd 23
22
21
20
universiteit
hogeschool
middelbaar
onderwijs
/
19
18
17
16
15 lyceum gymnasium
14
13
12
11
10
9
8
7
6
5
4
beroepsvakonderwijs
uitgebreid
nijverheids
onderwijs
hbs
mms
(m)ulo
ambachtshbs
en
huishoudsschool
lagere school
buitengewoon
lagere
school
kleuterschool
Schema 4: Het Nederlandse schoolsysteem van ± 1850 tot 196848
47
N.L. DODDE, Dag mammoet! Verleden, heden en toekomst van het Nederlandse schoolsysteem, Garant,
Leuven-Apeldoorn, 1993, pg. 100
48
Ibidem, pg. 65
22
3.4.
Opbouw van de Mammoetwet
Het blijvende beperkt aantal kinderen in het voortgezet en beroepsonderwijs blijft een probleem. De
oplossing wordt gezocht in een herziening van de structuur en inhoud van het Nederlandse
schoolsysteem. In 1903 wordt een staatscommissie aangesteld, de Ineenschakelingscommissie, en
zijn belangrijkste taak bestaat eruit om tussen de verschillende scholen voor voortgezet onderwijs
een duidelijker samenhang komt49. 7 jaar later brengen ze rapport uit en melden ze dat er op het
onderste niveau lager vormend onderwijs en lager vakonderwijs moet zijn. Vervolgens dient er
middelbaar algemeen vormend onderwijs en middelbaar vakonderwijs te komen. Ten slotte moet
het Nederlandse schoolsysteem afgerond worden met voorbereidend hoger onderwijs en hoger
onderwijs50.
Het rapport had in het begin weinig succes. Voor de Tweede Wereldoorlog worden er 9 pogingen
ondernomen om het Nederlandse onderwijs te hervormen via wetsontwerpen. Maar pas na 1945 zal
men eerst plannen maken vooraleer men een wetsvoorstel indient.
-
-
In 1951 wordt via het onderwijsplan-Rutten51 nagegaan in welke mate het onderwijs kan
hervormd worden. Hierbij wordt aandacht besteed aan een opdeling in kleuter- en lagere
school, maar ook aan het voortgezet onderwijs dat zou opgedeeld worden in een opleiding
voor praktische intelligentie en theoretische intelligentie52. Dit plan blijft echter niet meer
dan een theoretisch basisplan.
Meer resultaat volgt in 1955 met de Tweede Onderwijsnota53, als vervolg op het Plan-Rutten.
Het structuurplan bestaat uit kleuteronderwijs, basisonderwijs, voortgezet onderwijs en
wetenschappelijk onderwijs. De nota stelt dat deze onderwijsvoorzieningen zo goed mogelijk
op elkaar moeten zijn afgestemd54.
Kort samengevat bestaat de Tweede Onderwijsnota uit de volgende aspecten55:
-
-
-
Het onderwijs wordt opgebouwd uit onderwijsinstituten: voorbereidend wetenschappelijk
onderwijs (vwo), hoger algemeen voortgezet onderwijs (havo), middelbaar algemeen
voortgezet onderwijs (mavo), lager algemeen voortgezet onderwijs (lavo), hoger
beroepsonderwijs (hbo), middelbaar beroepsonderwijs (mbo) en lager beroepsonderwijs
(lbo).
Het vwo bereidt leerlingen voor op een universitaire studie en heeft hierdoor een uitgebreid
vakkenpakket. Het wordt opgedeeld in een gymnasium, atheneum en lyceum met elk zijn
specifieke kenmerken.
Het eerste jaar van het vwo, havo en mavo is een brugjaar tussen het lager en het voortgezet
onderwijs.
49
N.L. DODDE, Dag mammoet! Verleden, heden en toekomst van het Nederlandse schoolsysteem, Garant,
Leuven-Apeldoorn, 1993, pg. 101
50
Ibidem, pg. 102
51
Ibidem, pg. 106
52
Ibidem, pg. 106-107
53
Ibidem, pg. 107
54
Ibidem, pg. 107
55
Ibidem, pg. 108-109
23
-
De variatie van het beroepsonderwijs is groot en vrijwel alle onderwijsinstituten voor hoger,
middelbaar en lager beroepsonderwijs hebben een cursusduur van 4 jaar.
De splitsing van het voortgezet onderwijs in algemeen voortgezet onderwijs en
beroepsonderwijs heeft tot gevolg dat men 2 brugklassen kent: een brugklas voor het vwo,
havo en mavo en een brugklas voor het lavo en blo. Elke brugklas in een bepaald schooltype
heeft dan ook nog eens zijn eigen oriëntatie naargelang de toekomstige doorstroming van de
leerlingen. Een scholengemeenschap kan in ieder geval gezien worden als een
onderwijsinstituut waarin de overstap van het ene niveau naar het andere niveau
vereenvoudigd is: het voortgezet onderwijs bestaat uit 4 horizontale onderwijscategorieën
(vwo, havo, mavo en lavo) en 3 verticale onderwijsniveaus (lager, middelbaar en hoger
onderwijs).
Zo is er, na een omvangrijk wetsvoorstel, sinds 1963 sprake van wetgeving voor het voortgezet
algemeen onderwijs en het beroepsonderwijs, zodat het hele secundaire onderwijs onder één
onderwijsnet valt. In 1968 treedt deze wet in werking onder de befaamde naam “Mammoetwet” 56.
N.L. Dodde vat het Nederlandse onderwijs in 1968 als volgt samen57: “Elke vorm van vakonderricht
dient opgenomen te zijn in een meer brede ontplooiing en ontwikkeling. De nadere uitwerking van
deze inzichten leidt tot een intellectualistische vakkensysteem. *…+ Over het algemeen is het
Nederlandse onderwijs intellectualistisch. De Mammoetwet heeft daarin geen verandering gebracht.”
leeftijd
Schema 5: Het Nederlandse schoolsysteem sinds de Mammoetwet van 196358
56
N.L. DODDE, Dag mammoet! Verleden, heden en toekomst van het Nederlandse schoolsysteem, Garant,
Leuven-Apeldoorn, 1993, pg. 107
57
Ibidem, Pg. 113-114
58
Ibidem, pg. 114
24
3.5.
Na 1970
In de loop van de 20e eeuw vermeerdert binnen het Nederlandse schoolsysteem het aantal
onderwijsinstituten op alle niveaus, vooral onder druk van het stijgende aantal Nederlanders (5
miljoen in 1899, 15 miljoen in 1990)59. Het Nederlandse schoolsysteem kenmerkt zich door een ruime
keuze, zowel naar richting als niveau van voortgezet onderwijs. Maar de gecreëerde brugperiode na
12 jaar die in de Mammoetwet verwerkt zit, is geen groot succes. De brugklassen van mavo, havo en
vwo lossen de verwachtingen niet in en het categorale stelsel, waarbij leerlingen “per categorie”
worden samengezet, is grotendeels blijven bestaan.
Door de sociale en economische veranderingen na Wereldoorlog II worden andere denkbeelden
geformuleerd ontrent de structuur en inhoud van het Nederlandse onderwijs60. In 1975 en 1977
worden twee nota’s gepresenteerd, de Contourennota en de Vervolg-Contourennota, waarin kritiek
wordt geuit op het bestaande schoolsysteem. Zo is er een verband te merken tussen het
schoolinstituut en de sociale status van de leerlingen. Ook is er kritiek op de te leerstofgerichte
inhoud.
De doelstellingen van het vernieuwd schoolsysteem61 zijn o.a.:
-
de ontplooiing van de individuele mogelijkheden van de leerlingen,
de ontwikkeling van kennis en vaardigheden ten behoeve van verdere studie en de
uitoefening van een beroep,
een splitsing in funderend en niet-funderend onderwijs waarin men tussen de leeftijd van 5
en 16 jaar aandacht besteedt aan de ontwikkeling van de individuele en sociale aspecten van
leerlingen en na de leeftijd van 16 jaar, waarin men zich richt op de toekomstige
beroepsuitoefening.
Zo worden het kleuter-, lager en middenschoolonderwijs funderend en het voortgezet en
beroepsonderwijs niet-funderend genoemd.
Men probeert deze hervormingen verder te zetten onder de noemer geïntegreerd onderwijs62. De
ingewikkelde structuur van het onderwijssysteem wordt vereenvoudigd, en wel als volgt ingedeeld:
-
algemeen onderwijs op scholen voor basisonderwijs voor leerlingen van 4 tot 12 jaar;
voortgezet algemeen onderwijs op scholen voor basisvorming voor leerlingen van 12 tot 15
jaar;
voortgezet algemeen onderwijs en beroepsoriënterend onderwijs op scholen voor leerlingen
van 15 tot 18 jaar;
voortgezet algemeen onderwijs een beroepsoriënterend onderwijs op academische
instituten voor studenten van 18 tot 22 jaar.
59
N.L. DODDE, … tot der kinderen selffs proffijt…, ’s-Gravenhage, 1991
Ibidem, pg. 120
61
Ibidem, pg. 121
62
Ibidem, pg. 123
60
25
Deze structurele vereenvoudiging ontkent overigens het bestaan van niveauverschillen niet, maar de
externe differentiatie van categorale scholen wordt vervangen door een interne differentiatie,
waarbij de verschillende leertempo’s van de leerlingen gerespecteerd worden.
Maar onderwijsbezuinigingen eind jaren ’70 en begin jaren ’80 zorgen ervoor dat het plan voor een
verandering van het gehele onderwijssysteem wordt opzijgeschoven. Ook de reden voor verandering
verschuift: wat aanvankelijk als een onderwijskundige reden verdedigd werd, wordt tegen het einde
van de 20e eeuw als bezuinigingsmotief gebruikt63.
Het voortgezet onderwijs kent sinds 1993 formeel een eerste fase: de basisvorming met een globale
duur van 3-4 jaar. In de tweede fase worden leerlingen meer voorbereid op de arbeidsmarkt en het
hoger onderwijs. In de eerste fase moeten alle leerlingen dezelfde vakken volgen, waarvan de inhoud
is gelijkgetrokken. In het derde en vierde jaar van het vbo moeten ook de buiten de basisvorming
vallende beroepsgerichte vakken worden aangeboden64.
Gemiddeld doen leerlingen drie jaar over basisvorming, maar zij kunnen de kerndoelen ook bereikt
hebben in twee jaar, wat vooral in havo en vwo zal voorkomen. Het behalen van de kerndoelen in
vier jaar is eveneens toegestaan, wat vooral het geval zal zijn in mavo en vbo.
De tweede fase van het voortgezet onderwijs kan in twee groepen gedeeld worden: het secundair
beroepsonderwijs (leerlingwezen (llw) en mavo) en havo-vwo.
63
N.L. DODDE, Dag mammoet! Verleden, heden en toekomst van het Nederlandse schoolsysteem, Garant,
Leuven-Apeldoorn, 1993, pg. 126
64
A.M.P. KOERS, Het onderwijs in Nederland, Garant, Leuven-Apeldoorn, 1995, pg. 34
26
4. Onderzoek 1: NSB en collaboratie
4.1.
Wetenschappelijk kader
4.1.1. Voor de inval
Op maandag 14 december 1931 werd in Utrecht door Anton Mussert en Cornelis van Geelkerken de
Nationaal Socialistische Beweging (NSB) opgericht.65 Ze lieten zich inspireren op de politieke
denkbeelden van Mussolini, die in 1922 in Italië aan de macht kwam.66 Hun ideeën werden
opgetekend en verspreid in het weekblad ‘Volk en Vaderland’ (VoVa), dat in 1942 een toppunt qua
oplages bereikte van 250 000 exemplaren.67 Ondanks het maatschappelijk aanwezig draagvlak kende
de NSB een moeizame start: Mussert, de oprichter en officieuze leider van de partij, was geen
excentrieke persoonlijkheid zoals Hitler en Mussolini dat wel waren, en de ledenwerving kwam maar
zeer traag op gang.68 Alles wees erop dat de partij hetzelfde lot was beschoren als hun kleine
voorgangers: snel verdwijnen en niets betekenen. In 1933 nam de NSB nog geen deel aan de
verkiezingen, maar toen werd duidelijk dat de vele minipartijen met fascistische achtergrond
onleefbaar waren geworden: de grootste fascistische partij werd het VNH met amper 0,81%.69 De
pijnpunten werden duidelijk en daar maakte de NSB gretig gebruik van. Ook doordat de andere
fascistische partijen geen succes kenden, sloten ze zich massaal aan bij de partij van Mussert. De
groei van het NSB is ook onlosmakelijk verbonden met het verkiezingssucces van de NSDAP in
Duitsland van 1933.70
De gestage groei van de NSB was ingezet, maar vertaalde zich nog niet in massale steun van de
bevolking. Zelfs de regering nam het voortouw om de NSB te doen herleiden tot een spiegel van zijn
voorgangers. Gealarmeerd door de ontwikkelingen in Duitsland, nam de overheid reeds in een vroeg
stadium strenge maatregelen tegen het opkomend fascisme in Nederland. Zo mochten ambtenaren
geen lid zijn van de NSB.71 Overal in Europa begon in 1934 het fascisme zich massaal te handhaven:
Italië, Oostenrijk, Hongarije, Polen en Duitsland waren reeds in handen van de fascisten, WestEuropa zou snel volgen.72
Ondertussen bouwde de NSB haar programma uit, waardoor er ook interne keuzes moesten gemaakt
worden: spiegelt men zich ten volle aan nazi-Duitsland of kiest men voor een Nederlandse variant
van het fascisme? Mussert zag in de nabije toekomst het fascisme over heel Europa regeren en
opteerde daarom voor nationale afdelingen, aangezien er volgens hem grote verschillen bestonden
65
WOLFSWINKEL, R., Tussen landverraad en vaderlandsliefde, Amsterdam University Press, Amsterdam, 1994,
p. 21
66
EEFTING, H, De Bijzondere Rechtspleging. Rampzalige gevolgen voor politieke delinquenten en
collaborateurs, Uitgeverij Aspekt, Soesterberg, 2007, p. 15
67
Ibidem, p. 17
68
TE SLAA, R. (e.a.), De NSB: ontstaan en opkomst van de Nationaal-Socialistische Beweging,1931-1935,
Uitgeverij Boom, Amsterdam, 2009, p. 142
69
Ibidem, p. 243
70
Ibidem, p. 787
71
Ibidem, p. 480
72
Ibidem, p. 483
27
tussen de nationale varianten. Zo was er het rassenbeginsel: nazi-Duitsland baseerde de eenheid van
het eigen volk op basis van het Arische ras, dus puur biologisch, terwijl het Nederlandse fascisme
iedereen wou verenigen die zich Nederlands voelde (niet-biologisch).73 Al moeten er ook
kanttekeningen gemaakt worden tegen dit meer neutrale beeld van de NSB: ze profileerde zich niet
als antisemitisch, maar zagen wel een ondergeschikte rol voor de joden wegens ‘hun gevoel voor
liberalisme en marxisme’.74 Desondanks mochten joden lid worden van de partij.
In 1935 nam de NSB voor het eerst deel aan de Provinciale Statenverkiezing, vergelijkbaar met de
federale verkiezingen in België. Mussert zelf stelde zich niet verkiesbaar, maar andere bekende
partijgenoten zoals Van Geelkerken stonden wel op de kieslijsten. De NSB werd in één klap de vijfde
grootste partij van Nederland met 7,94%.75,76 Intussen was de partij al uitgegroeid tot een
ledenbestand van meer dan 20 000.77 De grote succesfactoren lagen hem bij het feit dat de
economische crisis van begin jaren’30 ook Nederland niet had gespaard: de werkloosheid steeg en de
uitkeringen gingen fel omlaag. Daarnaast waren er ook spanningen in de kolonies, waardoor het
Nederlandse systeem zowel nationaal als internationaal te wankelen stond. De gewone man heeft
hierop willen reageren door zijn stem te geven aan de NSB. Desondanks waren er geen politieke
aardverschuivingen gebeurd in Nederland na 1935, enkel de focus op het onverwachte succes van
het fascisme was verrassend.
Eind 1935 begon de ommekeer. Tot dan wekte de NSB de indruk een rechtse en nationalistische
partij te zijn die paste binnen het traditionele Nederlandse politieke spectrum. Maar door de
militaire ingrepen van Mussolini en de racistische politiek van Hitler moest de
NSB keuzes gaan maken.78 Ondanks het feit dat Mussert aan de vooravond van
de Duitse inval nog verklaarde dat de NSB niets met het Duits Germanendom te
maken heeft, behelsde de politiek van de NSB een verregaande samenwerking
met het Duitse Rijk.79 De partij lijkt op weg naar een doorbraak in het
Nederlandse partijstelsel, maar na dat onverwachte succes zakte de
populariteit van de partij met meer dan 50% op vier jaar tijd (van 8% in 1935
naar 4,22% in 1937 tot 3,89% in 1939).80,81 De NSB begon na 1935 aan
populariteit te verliezen doordat men radicaliseerde en men zich steeds meer
Verkiezingsaffiche
ging spiegelen aan buitenlandse partijen zoals de NSDAP in Duitsland en het
NSB uit 1935
PNF van Mussolini, maar ook doordat de economische situatie licht verbeterde
73
TE SLAA, R. (e.a.), De NSB: ontstaan en opkomst van de Nationaal-Socialistische Beweging,1931-1935,
Uitgeverij Boom, Amsterdam, 2009, p. 571
74
Ibidem, p. 572
75
WOLFSWINKEL, R., Tussen landverraad en vaderlandsliefde, Amsterdam University Press, Amsterdam, 1994,
p. 29
76
TE SLAA, R. (e.a.), De NSB: ontstaan en opkomst van de Nationaal-Socialistische Beweging,1931-1935,
Uitgeverij Boom, Amsterdam, 2009, p. 657
77
WOLFSWINKEL, R., Tussen landverraad en vaderlandsliefde, Amsterdam University Press, Amsterdam, 1994,
p. 27
78
EEFTING, H, De Bijzondere Rechtspleging. Rampzalige gevolgen voor politieke delinquenten en
collaborateurs, Uitgeverij Aspekt, Soesterberg, 2007, p. 23
79
Ibidem, p. 24-25
80
WOLFSWINKEL, R., Tussen landverraad en vaderlandsliefde, Amsterdam University Press, Amsterdam, 1994,
p. 29
81
EEFTING, H, De Bijzondere Rechtspleging. Rampzalige gevolgen voor politieke delinquenten en
collaborateurs, Uitgeverij Aspekt, Soesterberg, 2007, p. 23
28
en de Nederlandse bevolking minder geneigd was om op extreem linkse en rechtse partijen te
stemmen. Men ging kledij en gedrag klakkeloos overnemen (zwarte uniformen, hoofd aangesproken
als “leider”), waardoor de NSB zich steeds meer en meer ging vormen tot een vacuüm opererend
clubje en een verregaande identificatie met het Groot-Germaanse ideaal.82
Ook het ledenaantal schommelde sterk door deze negatieve uitslagen:
evolutie aantal leden NSB voor mei 1940
60000
50000
40000
30000
20000
aantal leden
10000
0
Grafiek 2: Evolutie van het ledenaantal van NSB tussen 1933 en 1939.83
4.1.2. Duitse inval
De inval van Duitsland in mei 1940 deed de verwachtingen hoog oplopen in de NSB-kringen nadat
men de laatste vijf jaar veel aan populariteit had verloren: men hoopte snel op politieke invloed op
nationaal niveau. Helaas voor hen werd de Oostenrijkse nazi Arthur Seyss-Inquart tot
Rijkscommisaris aangesteld.84 Meer dan de lege titel van “Leider van het Nederlandse Volk” kreeg
Mussert niet. De Duitse aanpak was duidelijk: wij sturen, de Nederlanders besturen.85 Daarbij komt
ook nog dat Mussert een grotere Duitse invloed binnen Nederland moest toestaan (zoals een
rekrutering voor het Oostfront en de oprichting van een Nederlandse Waffen-SS).86 De oprichting
82
WOLFSWINKEL, R., Tussen landverraad en vaderlandsliefde, Amsterdam University Press, Amsterdam, 1994,
p. 31
83
EEFTING, H, De Bijzondere Rechtspleging. Rampzalige gevolgen voor politieke delinquenten en
collaborateurs, Uitgeverij Aspekt, Soesterberg, 2007, p. 56-57
84
WOLFSWINKEL, R., Tussen landverraad en vaderlandsliefde, Amsterdam University Press, Amsterdam, 1994,
p. 32
85
EEFTING, H, De Bijzondere Rechtspleging. Rampzalige gevolgen voor politieke delinquenten en
collaborateurs, Uitgeverij Aspekt, Soesterberg, 2007, p. 31
86
WOLFSWINKEL, R., Tussen landverraad en vaderlandsliefde, Amsterdam University Press, Amsterdam, 1994,
p. 32
29
van een ‘Legioen Nederland’ steunde hij volop wegens zijn missie tegen het bolsjewisme, maar ook
bij deze groep moest hij Duitse invloed toelaten.87 Ook binnen de NSB was er verdeeldheid: Mussert
trachtte steeds een Nederlands gezicht te geven aan het nationaalsocialisme, maar de partij
isoleerde zich tijdens de oorlog en werd gaandeweg een spiegelbeeld van de NSDAP.88 Mussert kon
geen kant meer op en zweerde eind 1941 trouw aan Adolf Hitler, wat later het definitieve bewijs was
voor zijn veroordeling onder de beschuldiging “landverraad”.89,90 De samenwerking met naziDuitsland wordt steeds duidelijker en twee dagen na Musserts eed van trouw roept Seyss-Inquart de
NSB uit tot enige toegelaten politieke partij.91 Maar dit zijn slechts borrelnootjes voor Mussert en de
zijnen.
De Nederlandse bevolking zag geen direct onheil in de nieuwe bezetter en velen leken bereid zich
min of meer aan het nieuwe gezag aan te passen. Deze reacties zien we heel snel opduiken in
sectoren als het bedrijfsleven, de media en de ambtenarenwereld.92 Vooral het bedrijfsleven sprong
snel op de Duitse kar: midden 1941 was reeds 70% van de Nederlandse industrie in handen van de
Duitsers.93 Ook de politie liet zeer snel Duitse invloed toe, al moet men hier rekening houden met het
concept ‘de wet handhaven’: de politie houdt toezicht op het naleven van de wetten, maar wanneer
deze wetten worden opgelegd door de bezetter, kan de politie vaak niet meer doen dan
gehoorzamen. Al zijn er ook nuanceverschillen op te merken: in de grote steden konden
politiemensen zich vrijwillig aanmelden om zich aan te sluiten bij razziaploegen.94 Zoals een lid van
het verzet na de oorlog verduidelijkt: “Het waren Nederlanders, onthoud dat goed, het waren altijd
Nederlandse politiemensen die de joden weghaalden. We hebben meer last gehad van die
Nederlanders dan van de Duitsers”.95 Collaborateurs waren er in alle soorten en maten. Er waren
extreme gevallen die zich schuldig maakten aan zware misdaden, folteringen en actieve opsporing
van joden, er waren mensen die heilig geloofden in de juistheid van het nationaalsocialisme, maar er
waren ook meelopers die enkel passief hun steun betuigden aan de collaboratie.96 Wolfswinkel stelt
dan ook de vraag wat men onder ‘collaboratie’ moet verstaan: “Waar liggen de grenzen tussen beide
vormen van ‘samenwerking’ en waar die tussen ideologische collaboratie en landverraad? (…)
Vanwege deze onzekerheid en dubbelzinnigheid blijft het zinvol onderscheid te maken tussen
87
EEFTING, H, De Bijzondere Rechtspleging. Rampzalige gevolgen voor politieke delinquenten en
collaborateurs, Uitgeverij Aspekt, Soesterberg, 2007, p. 25-26
88
WOLFSWINKEL, R., Tussen landverraad en vaderlandsliefde, Amsterdam University Press, Amsterdam, 1994,
p. 32
89
Ibidem, p. 34
90
Bron: http://schrijfspecialist.wordpress.com/
91
EEFTING, H, De Bijzondere Rechtspleging. Rampzalige gevolgen voor politieke delinquenten en
collaborateurs, Uitgeverij Aspekt, Soesterberg, 2007, p. 26
92
WOLFSWINKEL, R., Tussen landverraad en vaderlandsliefde, Amsterdam University Press, Amsterdam, 1994,
p. 34
93
Ibidem, p. 34
94
Ibidem, p. 37
95
WOLFSWINKEL, R., Tussen landverraad en vaderlandsliefde, Amsterdam University Press, Amsterdam, 1994,
p. 37
96
VAN DER HEIJDEN, C., Grijs verleden: Nederland en de Tweede Wereldoorlog, Uitgeverij Contact,
Amsterdam, 2001, p. 209
30
ideologische en opportunistische collaboratie (…). Een definitief en alles insluitend oordeel over de
collaboratie kan derhalve nooit geveld worden (…).”97
Het aantal leden van de NSB nam sterk toe: in maart 1940 waren er 28 859 personen aangesloten
van het NSB, in juli 1944 was hun aantal gestegen naar 74 000.98 De nieuwe leden van de NSB die zich
aansloten vlak na de bezetting worden meikevers genoemd, aangezien ze enkel op werkbetrekkingen
uit zouden zijn.99 Het merendeel van de leden beperkte de collaboratie slechts tot mondelinge steun
en een kleine som geld. Maar, zoals Chris van der Heijden het verwoordt, “zoals het merendeel van
het verzet uit verzetjes bestond, maakten de meeste collaborateurs ‘foutjes’. (…) Tezamen leidden ze
tot de collaboratie. Zonder dat fenomeen zou de bezetter het heel wat moeilijker hebben gehad”.100
aantal leden
100000
90000
80000
70000
60000
50000
40000
30000
20000
10000
0
aantal leden
maart '40
oktober '41
eind '43
juli '44
Grafiek 3: Evolutie van het ledenaantal van NSB tussen maart 1940 en juli 1944.101
De NSB had ook een actieve jeugdvereniging, de Nationale Jeugdstorm of NJS, waar jongeren tussen
8 en 18 jaar konden toetreden. Hun uniformdracht en grote aandacht voor sport zorgde ervoor dat
ze het jeugdige uithangbord werden van de NSB.102 Op hun hoogtepunt bereikte ze een ledenaantal
van 12 000.103 Tijdens de bezetting werd ze actief betrokken bij politieke activiteiten, maar de
Duitsers wilden deze groepering graag opnemen in de Germanische Jugend, dat een neventak was
van de Hitlerjugend. Deze wens heeft de NSB steevast niet willen vervullen, maar vele leden zijn later
toch overgegaan naar de Hitlerjugend.104
97
WOLFSWINKEL, R., Tussen landverraad en vaderlandsliefde, Amsterdam University Press, Amsterdam, 1994,
p. 45
98
VAN DER HEIJDEN, C., Grijs verleden: Nederland en de Tweede Wereldoorlog, Uitgeverij Contact,
Amsterdam, 2001, p. 186
99
VERBEKE, J., De organisatie van de Jodenvervolging in België en Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog:
Daders-Slachtoffers-Omstanders, scriptie, 2002, p. 187
100
VAN DER HEIJDEN, C., Grijs verleden: Nederland en de Tweede Wereldoorlog, Uitgeverij Contact,
Amsterdam, 2001, p. 187
101
Ibidem, p. 186
102
EEFTING, H, De Bijzondere Rechtspleging. Rampzalige gevolgen voor politieke delinquenten en
collaborateurs, Uitgeverij Aspekt, Soesterberg, 2007, p. 29
103
Ibidem, p. 29
104
Ibidem, p. 30
31
4.1.3. Relatie tussen NSB en Duitsland
De relatie tussen het NSB en de bezetter stond nooit op een hoog pitje. Men moet duidelijk stellen
dat de NSB nooit enige politieke macht heeft uitgeoefend gedurende de hele Tweede Wereldoorlog.
Wel werden veel posten van het Nederlandse bestuursapparaat door NSB’ers bezet.105 De Duitsers
verweten dat de NSB niet ver genoeg ging in hun samenwerking, terwijl de Nederlanders meenden
dat de Duitsers ontoelaatbaar hoge eisen stelden.106 Zelf binnen de NSB waren discussies: Mussert
was voor het idee gewonnen dat Nederland als autonoom deel van het Duitse rijk zou kunnen verder
blijven functioneren, anderen waren van mening dat Nederland moest opgaan in het groot Duits rijk.
Mussert trachtte de onafhankelijk van Nederland zoveel mogelijk te behouden, maar desondanks
verloor de NSB terrein in Nederland en verschoof steeds meer naar een protocollaire functie.
Daarentegen werd de rol van de SS groter en groter naarmate de oorlog vorderde. Elke maand
meldden zich duizenden Nederlanders aan bij de Waffen-SS.107 In 1943 waren er een aantal
aanslagen op NSB’ers, waardoor Mussert van de bezetter eiste dat zijn leden
bewapend mochten zijn. Hij kreeg gedeeltelijk zijn zin. Als gevolg hiervan
werd ook de Landwacht opgericht als beschermingsorganisatie van de
NSB.108 De Nederlandse bevolking begon zich gaandeweg te distantiëren van
de NSB, die steeds radicaler te werk ging: de Landwacht ging zich o.a.
bezighouden met razzia’s tegen joden, al blijkt na de oorlog dat meer nietNSB’ers joden hebben verklikt dan NSB’ers.109 Dit gaat gepaard met het
opkomende antisemitisme van de partij. Mussert was het niet eens met
deze intrede, maar trad desondanks niet op. In de laatste oorlogsjaren werd
110
Mussert ontmoet Hitler duidelijk dat de NSB politiek volledig was uitgespeeld.
De NSB heeft een grote bijdrage geleverd aan het ophalen van joden in Amsterdam door de
oprichting van het Politiebataljon Amsterdam. De leden werden geacht om zich naar de zin van de
bezetter te schikken. Ook hebben NSB’ers actief meegeholpen aan het verraden van ondergedoken
joden.111
105
EEFTING, H, De Bijzondere Rechtspleging. Rampzalige gevolgen voor politieke delinquenten en
collaborateurs, Uitgeverij Aspekt, Soesterberg, 2007, p. 26
106
VAN DER HEIJDEN, C., Grijs verleden: Nederland en de Tweede Wereldoorlog, Uitgeverij Contact,
Amsterdam, 2001, p. 209
107
Ibidem, p. 211
108
EEFTING, H, De Bijzondere Rechtspleging. Rampzalige gevolgen voor politieke delinquenten en
collaborateurs, Uitgeverij Aspekt, Soesterberg, 2007, p. 43
109
Ibidem, p. 44
110
Ibidem, p. 60
111
VERBEKE, J., De organisatie van de Jodenvervolging in België en Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog:
Daders-Slachtoffers-Omstanders, scriptie, 2002, p. 195
32
4.1.4. Het einde in zicht
De succesvolle opmars van de geallieerden vanuit Frankrijk verliep in de zomer van ’44 zo
voorspoedig dat het twee emoties opriep in Nederland: enerzijds was er de hoop op het einde van de
oorlog, anderzijds waren de Duitsgezinden argwanend over hun lot. Op 5 september meldde men via
de radio dat de Britse troepen de Nederlandse grens hadden overschreden.112 De euforie als gevolg
hiervan staat bekend als Dolle Dinsdag. Mussert schoot in paniek en liet meteen vrouwen en
kinderen van NSB’ers evacueren. Zo werden er op 1 maand tijd ±65 000 personen geëvacueerd naar
Duitsland.113 Dolle Dinsdag zorgde voor het quasi volledig wegvallen van het maatschappelijk
draagvlak voor de NSB. Maar een paar maanden later volgde de spreekwoordelijke druppel: eind
1944 werd de Landwacht een officieel verlengstuk van de Duitse politie en veiligheidsdiensten die
werd ingezet bij razzia’s en de jacht op onderduikers. Hiermee verspeelde de NSB zijn laatste gram
respijt bij de Nederlandse bevolking.114 De impasse bij de NSB-top was compleet, de evacuatie verliep
zeer langzaam. Mussert bleef op post tot na de Duitse capitulatie waarna hij gevangen werd
genomen. Hij werd eind november 1945 aangeklaagd voor drie strafbare feiten: Nederland onder
vreemde heerschappij brengen, een aanslag tegen de grondwettelijke regeringsvorm en het actief
bevorderen van de Duitse oorlogsvoering. Twee weken later volgde het doodvonnis en werd Mussert
op 20 maart 1946 geëxecuteerd door een vuurpeloton.115
112
EEFTING, H, De Bijzondere Rechtspleging. Rampzalige gevolgen voor politieke delinquenten en
collaborateurs, Uitgeverij Aspekt, Soesterberg, 2007, p. 47
113
Ibidem, p. 48
114
Ibidem, p. 44-45
115
Ibidem, p. 61
33
4.2.
Handboekanalyse
4.2.1. Verklaringen
4.2.1.1.
De NSB en de Vijfde Colonne
De snelle nederlaag van de Nederlandse troepen (na vijf dagen van gevechten gaf Nederland zich
over) is zeer opvallend aanwezig in de leerboeken. Deze korte periode krijgt veel aandacht, mede
door de onverwacht snelle overwinning van Duitsland.
De verklaringen hiervoor worden reeds vanaf 1946 bij beide kampen gezocht. Een handboek uit 1946
verwoordt het als volgt: “ ’s Vijands snelle en volslagen succes was voor het grootste deel aan zijn
overmacht in pantsers en vliegtuigen te wijten, maar zowel de gebrekkige leiding onzerzijds als ook
het verraad van de N.S.B., dat o.a. het opblazen van bruggen heeft verhinderd, heeft er het zijne toe
bijgedragen.”116 Net zoals bij de meeste leerboeken wordt de militaire overmacht van de Duitsers als
belangrijkste reden opgegeven, maar men zoekt ook naar oorzaken bij zichzelf. Het Nederlandse
leger was niet voorbereid op zo’n grootschalige militaire actie: de wapens waren ouderwets, de
mobilisatie van soldaten verliep niet vlekkeloos, … Maar anderzijds valt ook op dat men de NSB
openlijk beschuldigt van sabotage bij de Duitse inval. Vooral het verhinderen van het opblazen van
bruggen wordt hen verweten. Tot het jaar 1965 komt dit aspect regelmatig terug in diverse
handboeken. Wat des te meer opvalt, is dat dit vooral terug te vinden is in bepaalde handboeken.
Het handboek van A. Blonk, Leerboek der algemene en vaderlandse geschiedenis, heb ik vier keer
geraadpleegd (1946, 1952, 1960 en 1964) en telkens wordt dezelfde, onveranderde zin geciteerd.
Andere handboeken vermelden dit feit in de periode 1945-1960 evenwel niet, maar houden het op
de overmacht van de Duitsers en de onmacht van het Nederlandse leger daar tegenover. De
verdeeldheid tussen de leerboeken over dit gegeven bewijst dat er toen reeds discussie bestond over
de waarachtigheid van dit “feit”.
Pas in 1948 vindt men in de handboeken de eerste vermelding van de beruchte Vijfde Colonne: “Het
snelle en volledig slagen van de vijand (…) was in de tweede plaats een gevolg van onze gebrekkige
legerleiding en het uitblijven van belangrijke geallieerde hulp, terwijl vele N.S.B.-ers (…) als vijfde
colonne een verraderlijke rol speelden.”117.
Tot medio jaren ’60 lijkt de rol van de Vijfde Colonne algemeen aangenomen. Pas in 1964 maakt een
leerboek een duidelijk onderscheid tussen feit en fictie: “Verhalen en geruchten over (…) op eigen
soldaten schietende N.S.B.ers deden een chaotische atmosfeer ontstaan.”118. 20 jaar na het einde van
de Tweede Wereldoorlog is nu duidelijk een breuk op te merken in de visie over de Vijfde Colonne.
Hierna komt de vermelding van de aanwezigheid van deze divisie nog maar twee keer aan bod in de
116
BLONK, A. e.a., Leerboek der algemene en vaderlandse geschiedenis, 1946, J.B. Wolters, Groningen, 1946,
pg. 395
117
e
PIK, J.W., Beknopte leerboek der vaderlandse geschiedenis, Tjeenk Willink, Zwolle, 1948, 298 pg., 12 druk
118
BOONEKAMP, W.J.M. e.a., Memoriael II: gedenkwaardigheden uit de geschiedenis van de mensheid,
Noordhoff, Groningen, 1964, pg. 445
34
handboeken: - zoals reeds vermeld - in het handboek van Blonk (Leerboek der algemene en
vaderlanders geschiedenis) en Diorama van de moderne tijd: “Het (Nederlandse leger) had bovendien
te kampen met verraad van N.S.B.-ers en achterbakse strijdmethoden als het dragen van Nederlandse
uniformen door Duitse militairen.”119. Na 1965 valt de vermelding van de Vijfde Colonne volledig weg
uit de leerboeken wanneer men spreekt over de inval van de Duitsers in de meidagen van 1940.
Vanwaar deze plotse breuk? Reeds in 1953 schreef de bekende Nederlandse historicus L. De Jong het
boek De Duitse vijfde colonne in de Tweede Wereldoorlog, waarin hij het volgende statement maakt:
“Om te beginnen verdient het feit vermelding dat men in geen van de Duitse documenten die op de
voorbereiding van het offensief betrekking hebben, enige passage kan vinden die in de richting van
een vijfde colonne wijst. (…) Men nam in vrijwel alle overvallen delen van het land (…) aan, dat talrijke
helpers van de vijand vanuit hinderlagen op Nederlandse troepen schoten. Ook hiervoor heeft men
geen enkel bewijs gevonden.”120. De Jong, die vaak werd bekritiseerd omwille van zijn
Neerlandocentrische houding in zijn overzichtswerk Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede
Wereldoorlog, maakt hierdoor een statement dat kan tellen.
Tussen 1965 en 1982 heerst er een betekenisvolle stilte over de Vijfde Colonne in de leerboeken. Dat
de leerboeken de inzichten van De Jong niet vermelden, draagt bij tot de stigmatisering van de NSB.
Pas in 1982 wordt er terug over gesproken, maar dan binnen een kritisch kader, waarbij aan
bronnenonderzoek wordt gedaan en ook De Jong wordt geciteerd. In dit boek wordt de Vijfde
Colonne ook omschreven als volgt: “Vijfde colonne: aanduiding voor de mensen die geheimen
doorgeven aan de vijand en proberen de orde en rust te verstoren. Tussen september 1939 en mei
1940 en in de vijf oorlogsdagen werd veel over de vijfde colonne gesproken. Dan had men vooral het
oog op N.S.B.-ers, die op grote schaal geheimen aan de Duitsers zouden doorgeven.”121. In een
handboek uit 1986 wordt letterlijk de spot gedreven met deze insinuaties: “(…) die op hun beurt
werden gevolgd door verpletterende mededelingen over een in het geniep opererende “vijfde
colonne” die niet alleen het leger in de rug heette aan te vallen, maar die het tevens zou hebben
gemunt op de burgerij. Men voelde zich overal bespied en bedreigd, de onzekerheid en het
wantrouwen namen hand over hand toe. Achteraf beschouwd lijken al die berichten lachwekkend in
hun overdrijving.”122 Pas in 1994 wordt voor het eerst anders geredeneerd: daar waar men
decennialang opteerde voor de visie dat door de verhalen en mythes van de Vijfde colonne er paniek
en twijfel was onder de Nederlandse troepen, zoekt men nu voor het eerst het ontstaan van deze
mythe in de snelle overrompeling van Nederland: “Dat Nederland al na vijf dagen verslagen was, gaf
velen de overtuiging dat een “vijfde colonne” van N.S.B.-ers de vijand had geholpen.”123
119
VERSTEGEN, H.H., Diorama van de moderne tijd, H.J. Dieben NV, ’s-Gravenhage, 1965, pg. 343
DE JONG, L., De Duitse vijfde colonne in de Tweede Wereldoorlog, Van Loghum Slaterus, Arnhem, 1953, pg.
236
121
BEETSMA, J., Geschiedeniswerkplaats, havo/vwo examenboek 1983, WOlters-Noordhoff, Groningen, 1982,
pg. 119
122
e
KNIGGE, J., Historisch Perspectief: Wereldgeschiedenis van de 20 eeuw. Boek II: 1945-heden, De Vuurbaak,
Barneveld, 1986, pg. 10
123
IMMERZEEL, E.A., Historia: geschiedenis en staatsinrichting voor de bovenbouw havo/vwo, Meulenhoff
Educatief, Amsterdam, pg. 236
120
35
Conclusie: Vanaf de naweeën van de Tweede Wereldoorlog tot midden jaren ’60 wordt de mythe
van de Vijfde Colonne intact gehouden. Ondanks het feit dat De Jong reeds in 1953 kenbaar maakte
dat er geen enkel bewijs te vinden was voor deze aantijgingen, dringt pas in 1964 de eerste twijfel
door in de teksten van de leerboeken. Hierna volgt (op een zeer klein aantal uitzonderingen na) een
kenmerkende stilte bij de leerboeken rond dit onderwerp. Pas medio jaren ’80 onderneemt men
pogingen om dit ook in het onderwijs kritisch te bekijken.
4.2.1.2.
Rol in Jodenvervolging en collaboratie
De NSB heeft meegewerkt aan de Duitse Jodenvervolging in Nederland, dat staat vast. Maar in welke
mate waren ze een (alles-)bepalende factor? In een ander deel focus ik op de rol van de
Nederlanders in het hele bezettingsproces. Vlak na het einde van de Tweede Wereldoorlog is de NSB
de kop van jut voor vele Nederlanders. Men scheerde de NSB en de Duitse bezetter over één kam.
Dat meldt ook Dienke Hondius: “In de schoolboeken wordt de NSB vereenzelvigd met het kwaad van
de Duitsers.”124.
De NSB wordt aanzien als dé spilfiguur in de Jodenvervolging: “N.S.B. “vrederechters” velden de
partijdigste vonnissen. Uittartende benden, hoofdzakelijk saamgeveegd van de straat, maakten deze
in uniform straffeloos beleid onveilig door gewelddaden tegen andersdenkenden. (…) De N.S.B.landwachten speurden “onderduikers” op en leenden de hand bij razzia’s.”125. Er wordt enerzijds
gefocust op de rol die de NSB heeft gespeeld in het ambtenarenwezen (NSB’ers werden aangesteld
als politiecommissaris, burgemeester en hoofd van belangrijke organisaties, zoals de Nederlandsche
Bank), maar vooral hun medewerking bij razzia’s en oproer worden vermeld: “Later traden vele
N.S.B.ers in Duitse krijgsdienst en streden tegen de bondgenoten van hun eigen land, of deden mee
aan het arresteren en mishandelen van landgenoten.”126.
Maar reeds in 1952 wordt er een eerste (zij het kleine) nuance gemaakt bij het belang van de NSB:
“Hierbij (invoering van nationaalsocialistische maatregelen door Seyss-Inquart) werden ze (Duitse
bezetter) geholpen door een deel van de N.S.B.’ers. Al vormden die slechts een schamel hoopje, ze
waren toegewijd aan de dienst van de Duitsers.”127. De jaren ’50 lijken een kantelmoment te zijn in
het objectief denken over o.a. de rol van de NSB, zo meldt een handboek uit 1954: “Misschien zal
later met evenveel objectiviteit over de positieve betekenis van de Duitse bezetting 1940-1945
geschreven worden (…). Vooreerst lijkt het, alsof er geen positieve en slechts negatieve punten over
die Duitse bezetting zijn op te merken.”128. Dit is een citaat dat kan tellen voor een leerboek, zeker zo
vroeg na de Tweede Wereldoorlog. De auteur geeft de indruk dat er evolutie mogelijk is in de visie op
de Duitse bezetting. Dit is het enige citaat dat in de periode 1945-1970 meldt dat nuance mogelijk is
op lange termijn.
124
HONDIUS, D., Oorlogslessen. Onderwijs over de oorlog sinds 1945, Amsterdam, Uitgeverij Bert Bakker, 2010,
pg. 41
125
BLONK, A. e.a., Leerboek der algemene en vaderlandse geschiedenis, 1946, J.B. Wolters, Groningen, 1946,
pg. 397
126
RIJPMA, J.H. e.a., Korte ontwikkelingsgang der historie II, Wolters, Groningen, 1949, pg. 188
127
ALGRA, H., Gestalten en tijden. Leerboek der Vaderlandse geschiedenis, deel III, Noordhoff NV, Groningen,
1952, pg. 128
128
MOORA, J. e.a., De wereld van vroeger en nu, Versluys, Amsterdam, 1955, pg. 572
36
Maar een echte kentering zit er vooralsnog niet aan te komen. Vooral het leerboek van Blonk,
Leerboek der algemene en vaderlandse geschiedenis, zal als één van de weinigen vooral focussen op
de rol die de NSB heeft gespeeld in het ambtenarensysteem. De andere leerboeken blijven
voornamelijk focussen op de rellen en razzia’s van de NSB, en dit tot diep in de jaren ‘60: “Zeker
weten wat er met hen (de joodse bevolking) gebeuren ging, deed toen nog niemand, maar men had
reeds een onheilspellende voorproef gekregen door het optreden van de W.A., Musserts vechttroep,
die liefst in grote overmacht Jodenbuurten binnentrok om daar enkele weerloze slachtoffers af te
ranselen. Zij die dit meemaakten, merkten opeens hoe dun het vernis van menselijke beschaving
eigenlijk is.”129
Vanaf 1965 is een interessante kentering vast te stellen. Het verwijt dat de NSB via het
ambtenarenwezen actief heeft meegeholpen aan de Jodenvervolging, verdwijnt grotendeels. De
focus blijft hier ook enkel op kleine activiteiten en op opdrachten door de Duitsers gegeven: “In
februari 1941 brak in Amsterdam een staking uit als protest tegen het vechten met, het mishandelen
en wegvoeren van joden door N.S.B.’ers en Gestapo in de Amsterdamse jodenbuurt.”130. Pas eind
jaren ’70 komt er weer een link met de politieke postjes, maar deze worden dan wel gelinkt aan de
acties die de NSB voerde: “Het ergste daarbij was misschien wel dat de Duitsers bij het doorvoeren
van hun maatregelen de hulp kregen van de N.S.B. van Anton Mussert. (…) Zij waren heel bereidwillig
om de Duitsers te helpen bij de opbouw van hun bestuursapparaat. Zij lieten zich dan ook benoemen
tot burgemeester of politie-functionarissen. In die functie lieten zij joden of onderduikers (mensen die
zich verborgen hielden) opsporen en lieten zij jacht maken op mensen die zich tegen het optreden van
de Duitsers verzetten.”131. Dit wordt wel maar door één leerboek vermeld, de overige leerboeken
blijven het houden bij de razzia’s en gevechten die door de NSB worden gepleegd.
Pas in 1992 vinden we de eerste sporen terug van een genuanceerd denken over de NSB, waarbij
voor het eerst melding wordt gemaakt van het feit dat de NSB het niet op alle joden had gemunt:
“Hoewel Mussert Hitlers jacht op de joden als een misdaad zag, deed hij of zijn neus bloedde. Het
enige wat hij wist te bereiken was, dat de joodse ex-N.S.B.-ers niet naar een vernietigingskamp
werden gedeporteerd, maar naar een zogenaamd “licht” concentratiekamp.”132. Ook nu wordt voor
het eerst vermeld dat niet alleen NSB’ers actief meehielpen aan het vervolgen van joden.
Kenmerkend is ook dat hier voor het eerst melding wordt gemaakt van het feit dat ook niet-NSB’ers
meehielpen bij de Jodenvervolging: “Bij de jacht op joden verleenden N.S.B.-ers – maar zij niet alleen
– vaak hand- en spandiensten. Bijzonder berucht werd hierdoor de Landwacht, een soort
hulppolitie.”133. De nuancering dat niet alleen NSB’ers de Duitsers hielpen, wordt reeds vroeger
gemaakt, maar hier vindt men voor het eerst een kleine schuldbekentenis terug voor het actief
deelnemen van Nederlanders aan de Jodenvervolging.
129
MOORA, J. e.a., De wereld van vroeger en nu, Versluys, Amsterdam, 1962, pg. 313
VAN VOORST VAN BEEST, C.W., Overzicht van de geschiedenis voor vwo en havo: deel 5: De Nieuwste
geschiedenis vanaf 1914, Malmberg, ’s-Hertogenbosch, 1971, pg. 72
131
ADANG, A. e.a., Mensen en machten: examenboek geschiedenis havo/vwo, Meulenhoff Educatief,
Amsterdam, 1980, pg. 286
132
DONK, R. e.a., Vragen aan de geschiedenis 3vh, Wolters-Noordhoff, Groningen, 1992, pg. 151
133
IMMERZEEL, E.A., Historia: geschiedenis en staatsinrichting voor de bovenbouw havo/vwo, Meulenhoff
Educatief, Amsterdam, 1994, pg. 239
130
37
Conclusie: Tot de jaren ’90 werden enkel de NSB en de Duitse bezetter geassocieerd met de
jodenvervolging in Nederland. Dienke Hondius verklaart dit voor de eerste twee decennia als volgt:
“Lesmateriaal dat niet duidelijk partij kiest tegen nazi-Duitsland, lokt protest uit (…), roept klachten
op.”134 Het is duidelijk dat, zeker in de vroege decennia na de Tweede Wereldoorlog de NSB (en de
collaboratie in het algemeen) de leerboeken hun kant hebben gekozen: tegen de NSB. Pas in de jaren
’90 wordt er genuanceerd gesproken over de rol van de NSB in de jodenvervolgingen.
134
HONDIUS, D., Oorlogslessen. Onderwijs over de oorlog sinds 1945, Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam, 2010,
pg. 83
38
4.2.2. Beschrijvingen
4.2.2.1.
Politiek NSB
De oprichting en politieke ontwikkelingen van de NSB wordt uitgebreid toegelicht in de leerboeken.
De NSB wordt vaak gekaderd binnen de opkomst van extreem rechtse en linkse partijen in de politiek
woelige jaren ’30.
Reeds vlak na het einde van de Tweede Wereldoorlog wordt de NSB vermeld. Opvallend is dat
slechts één handboek de NSB kadert binnen de sfeer van de NSDAP: “Onder leiding van Ir. Mussert
vooral werd een Nationaal Socialistische Beweging, N.S.B., opgericht, die een program opstelde, dat
in sterke mate aan dat der Duitse zusterpartij herinnerde en zich fel tegen de socialisten en
communisten keerde.“135 De andere leerboeken houden het bij de opkomst van nationaalsocialistische en fascistische bewegingen: “In verband met de totalitaire stromingen in verschillende
landen, vooral in Duitsland en Italië, ontstond ook in Nederland een partij op de grondslag van het
partijbeginsel, de Nationaal-Socialistische Beweging (N.S.B.) onder leiding van lr. Mussert.”136
Twee zaken vallen op: enkel Mussert wordt genoemd als voornaamste partijlid en vele handboeken
spreken ook over “Ir. (ingenieur) Mussert”. Ook wordt er regelmatig gesproken over “’leider”
Mussert”. Mussert wordt officieus aanzien als de leider van de NSB, aangezien de partij het
leidersbeginsel uitdraagt, zoals Hitler bij de NSDAP en Mussolini bij de PNF. Mussert wordt door de
NSB-propaganda ook als leider naar voor geschoven. Doordat “leider’ tussen aanhalingstekens wordt
gezet, wordt getwijfeld aan zijn leiderskwaliteiten. De toon wordt nog meer sarcastisch wanneer hij
van Hitler de titel “Leider van het Nederlandse volk” zal krijgen. De leerboeken aanzien Mussert
duidelijk als de personificatie van de NSB en de mislukte imitatie van Hitler. Ook worden regelmatig
redenen opgesomd waarom de NSB net in het begin van de jaren ’30 opkomt: “In aansluiting van de
totalitaire regimes in verschillende landen, vooral in Italië en Duitsland, en ten gevolge van de zo diep
invretende crisis en werkloosheid ontstond ook in Nederland een partij op de grondslag van het
leiderbeginsel, de Nationaal-Socialistische Beweging onder leiding van Mussert.”137. De voornaamste
redenen die worden genoemd zijn de financiële crisis, de werkloosheid als gevolg hiervan en de
opkomst van fascistische groeperingen in andere Europese landen (met Duitsland en Italië als
voornaamste voorbeelden).
Pas vanaf midden jaren ’50 wordt ook over de politieke evolutie binnen het Nederlandse
democratische verkiezingssysteem van de NSB gesproken: “Het meest profiteerde van het algemeen
gevoel van malaise de Nationaal-Socialistische Beweging van Mussert, wiens Duitse programma
vooral aanhangers kreeg in de kringen van grote en kleine werkgevers, van winkeliers en militairen,
maar ook van wanhopige werklozen. Deze partij kreeg in 1935 bijna 8% van het totaal aantal
uitgebrachte stemmen.”138. Ook wordt er gesproken over het potentiële kiespubliek. Buiten de
vermelding van de “wanhopige werklozen” wordt hier verder wel objectief geschreven.
135
DE BOER, M.G. e.a., Beknopt leerbek der geschiedenis van het vaderland: tweede deel, Sijthoff, Leiden,
1947, pg. 68
136
RIJPMA, J.H. e.a., Korte ontwikkelingsgang der historie II, Wolters, Groningen, 1949, pg. 174
137
RIJPMA, E., De ontwikkelingsgang der historie IIIA, Wolters, Groningen, 1950, pg. 395
138
BEEMSTERBOER, W. e.a., Wereld in wording, Van Goor zonen, ’s-Gravenhage, 1954, pg. 351
39
De link tussen de NSB en de NSDAP blijft wel intact: “Toch bleef de N.S.B. een on-Nederlandse
partijgroepering, die nimmer het Nederlandse volk heeft gegrepen. Een filiaal van het Duits nationaalsocialisme.”139. Politieke kenmerken van de NSB worden zelden genoemd, vooral het leiderbeginsel is
volgens de leerboeken het belangrijkste aspect van deze partij.
Pas tegen de jaren ’60 worden redenen gezocht én vermeld voor de achteruitgang van de NSB bij de
verkiezingen van 1937. Men zoekt het voornamelijk bij het inzicht van het Nederlandse volk: Het
terugvallen van het aantal stemmen bij de latere kamerverkiezing wijst er echter wel op, dat velen op
de N.S.B. hadden gestemd om grieven te uiten, maar haar toch herkenden als in wezen even
reactionair en gewelddadig als de verwante bewegingen in Italië en Duitsland. (…) Het procent aantal
stemmen uitgebracht op de N.S.B. slonk tot 3,8%, zodat zij met vier zetels van de honderd genoegen
moest nemen, nog één meer trouwens dan de communisten.”140. De vreemd geplaatste vergelijking
met de communisten geeft het gevoel dat ze een vergelijking willen maken tussen extreem rechts en
extreem links, maar waarbij het “meest slechte” toch nog het meeste aantal zetels haalt.
De NSB wordt “gewelddadig” en “barbaars” genoemd. 141 De NSB maakt ook geen gebruik van de
situatie in de jaren ’30, maar ze “profiteert” ervan: “De Nationaal-Socialistische Beweging van
Mussert profiteerde het meest van de malaise.”.142
In 1963 wordt voor het eerst melding gemaakt van de kenmerken van de NSB, maar deze worden
nog steeds gekaderd binnen de sfeer van de Duitse NSDAP: “In de crisisjaren wordt in Nederland naar
Duits model een fascistische organisatie gesticht, de Nationaal-Socialistische Beweging. Naar Duits
model, compleet met leider – Ir. A.A. Mussert - , stoottroep – de W.A. = Weerafdeling -,uniformen en
speciale groet – “Hou zee! met opgeheven rechterarm-, vlag, (roodzwart) en symbool, de wolfsangel.
De geest van deze beweging is anti-liberaal, anti-democratisch, anti-parlementair, anti-marxistisch,
anti-semietisch, kortom Hitleriaans. Resultaat in 1935: 8% van de stemmen bij de verkiezingen!”.
Zonder enige uitzondering wordt vermeld dat de NSB een weerspiegeling is van de NSDAP. Het
uitroepteken op het einde duidt in de sfeer van het citaat ook op verwondering en zelfs schrik.
Ondertussen blijft Mussert als enige NSB’er genoemd worden binnen dit vooroorlogs kader. Enkel
Rost Van Tonningen, hoofd van de Nederlandsche Bank, wordt in de vroege handboeken vermeld,
maar uitsluitend in de passages die handelen over Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog.
Sommige auteurs maken ook het vergelijk tussen Mussert en Hitler: “Pas in de dertiger jaren
verenigden minuscule fascistische groepjes zich in de nationaal socialistische beweging van Ir.
Mussert, in alles een minder geslaagde imitatie van Hitler en zijn beweging. Mussert poogde de rol
van leider te spelen (…).”143 Wel wordt in hetzelfde handboek voor het eerst een objectieve en
meetbare verklaring gezocht voor het tanende succes van de NSB: “Sinds ’36 kwam er een kleine
opleving van de economische situatie; het gevolg was een onmiddellijk zakken van het aantal N.S.B.
139
PIK, J.W. e.a., Beknopt leerboek der vaderlandse geschiedenis, Tjeenk Willink, Zwolle, 1956, pg. 254-255
BLONK, A. e.a., Rondgang door de algemene en vaderlandse geschiedenis deel II, Wolters, Groningen, 1960,
pg. 266-267
141
JANSENS, J.G., De Spiegel Der Eeuwen, Wolters-Noordhoff, Groningen, 1960, pg. 181-182
142
BEEMSTERBOER, W. e.a., Wereld in wording, Van Goor zonen, ’s-Gravenhage, 1960, pg. 326
143
BOONEKAMP, W.J.M. e.a., Memoriael II: gedenkwaardigheden uit de geschiedenis van de mensheid,
Noordhoff, Groningen, 1964, pg. 442-443
140
40
stemmen bij de kamerverkiezingen van ’37 tot minder dan 4%.”144. Andere leerboeken gaan nog
verder in de vergelijking Hitler-Mussert: “Wat in Duitsland Hitler was, zou bij ons Mussert zijn.” 145,
“Mussert speelde de aap van Hitler en Mussolini.”146. In 1965 wordt voor het eerst ook een in
Nederland politiek interne verklaring gegeven voor het succes van de NSB: de trage herstelpolitiek
van minister Colijn in de crisisperiode: “Ontevredenheid over het regeerbeleid, de lang aanhoudende
malaise, de verminderde werkloosheid in Duitsland, nadat Hitler in 1933 aan de macht was gekomen;
al deze factoren maakten, dat zij (de NSB, nvdr.) acht procent van de stemmen kreeg.”147.
Pas eind jaren ’60 wordt voor het eerste vermeld dat de NSB een aanvankelijk op fascistisch Italië
geïnspireerde politiek voerde. Maar dit is volgens het handboek slechts van zeer korte duur: “De
N.S.B. was aanvankelijk vooral op het Italiaanse fascisme geïnspireerd, later meer op het Duitse
nationaal-socialisme. (…) Na ca. 1930 werd de N.S.B. in alle opzichten een nabootsing van de Duitse
N.S.D.A.P. De “Leider” der beweging was Mussert (…). (…) Ook in het anti-semitisme volgde de
beweging het Duitse voorbeeld.”148. Vreemd dat men zegt “na ca. 1930”, aangezien de partij pas in
1931 gesticht was… Andere leerboeken houden het nog steeds bij een vergelijking met Hitler en zijn
partij: “Rechts traden talrijke fascistische organisaties op, waarvan de N(ationaal) S(ocialistische)
B(eweging) onder leiding van Anton Mussert de belangrijkste werd, in alles een minder geslaagde van
Hitler en zijn beweging. (…) De NSB bleef een vreemde eend in de bijt der Nederlandse politiek:
ondanks nationalistische leuze een slappe imitatie van het Duitse voorbeeld met uniformen, private
legertjes (…).”149
Het inzicht dat de NSB zich vooreerst op het PNF van Mussolini had geïnspireerd, doet de leerboeken
in twee kampen opsplitsen: zij die melden dat de NSB geheel op de NSDAP was gebaseerd en zij die
melden dat de NSB na een aantal jaren plots afstapte van het fascisme en het nationaal-socialisme
van Hitler verkondigde. Pas vanaf 1970 wordt duidelijk dat de meeste leerboeken hebben gekozen
voor een politieke evolutie van de NSB:“De N.S.B. was een naar het Duitse en Italiaanse voorbeeld
gevormde, extreem rechtse partij. Leider was Mussert. (…) Later, toen de economische situatie minder
slecht werd (en de ontwikkelingen in Duitsland duidelijker), nam het aantal aanhangers af.”150, “Zijn
NSB’ers waren eerst nog geen echte nationaal-socialisten. Zij voelden zich verwant met het fascisme
van Mussolini en waren vooral autoritair en nationalistisch. Pas later ging de NSB zich meer op
Duitsland oriënteren, en toen werden ze ook meer en meer antisemitisch.”151
In de jaren ’70 verdwijnen ook de meeste negatieve commentaren op de persoon van Mussert.
Verder worden er voor het eerst andere NSB’er genoemd: Van Geelkerken, medeoprichter in 1931:
144
BOONEKAMP, W.J.M. e.a., Memoriael II: gedenkwaardigheden uit de geschiedenis van de mensheid,
Noordhoff, Groningen, 1964, pg. 442-443
145
VAN ALKEMADE, G.P.R. e.a., Inkijk en inzicht IV. De historie van ±1815 tot heden, J. Muussees NV,
Purmerend, 1965, pg. 308
146
VERSTEGEN, H.H., Diorama van de moderne tijd, H.J. Dieben NV, ’s-Gravenhage, 1965, pg. 307
147
VAN ALKEMADE, G.P.R. e.a., Inkijk en inzicht IV. De historie van ±1815 tot heden, J. Muussees NV,
Purmerend, 1965, pg. 308
148
NIEMEIJER, A.C. e.a., Onze eeuw: geschiedenisleerboek voor de havo-top, Thieme-Zutphen, Eindhoven,
1968, pg. 123
149
BOONEKAMP, W.J.M. e.a., Memoriael II: gedenkwaardigheden uit de geschiedenis van de mensheid,
Wolters-Noordhoff, Groningen, 1969, pg. 454
150
VAN DAM VAN ISSELT-SCHUURMAN, V., Schets van de twintigste eeuw: moderne wereldgeschiedenis, Nijgh
& Van Ditmar, Den Haag, 1973, 100 pg, pg. 31
151
OFFRINGA, C., Speurtocht door de eeuwen: deel 5, Wolters-Noordhoff, Groningen, 1975, pg. 114
41
“Er zijn er (fascistische stromingen) heel wat geweest, maar slechts één ervan stelde werkelijk iets
voor. Dat was de Nationaal-Socialistische Beweging, de partij die Mussert en Van Geelkerken in 1931
hadden opgericht. Mussert, een bekwaam hoofdingenieur (…). Zijn N.S.B. was in het begin vooral
geënt op de denkbeelden van Mussolini, voor Mussert en heel wat anderen een soort afgod. Dat de
N.S.B. in het begin vooral fascistisch en niet nationaal-socialistisch was, kan blijken uit haar houding
tegenover de joden. Deze mochten aanvankelijk lid zijn (…). Bij de verkiezingen voor de Provinciale
Staten in 1935 haalde de N.S.B. bijna 8 procent. Het gevolg was eerder negatief dan positief voor de
N.S.B. (…). Het resultaat bleek bij de Kamerverkiezingen van 1937, waar de aanhang van de N.S.B.
werd gehalveerd tot 4 procent. Dat kwam ook (naast actie van anti-fascistische groeperingen) omdat
het duidelijker werd wat Hitler in de zin had en tevens omdat de N.S.B. (…) een racistisch en radicaal
karakter kreeg.”152. Voor het eerst wordt duidelijk ontkracht dat de NSB reeds bij haar oprichting op
het Duitse model gebaseerd was. Vanaf het midden van de jaren ’70 kiezen de meeste leerboeken
voor de verschuiving van de NSB van het PNF van Mussolini naar de NSDAP van Hitler.
Daar waar in de eerste dertig jaar na de Tweede Wereldoorlog het tanende succes van de NSB na
1935 vooral wordt verklaard door de inzicht van het Nederlandse volk, komt er vanaf midden jaren
‘70 ook de verklaring van het lichte economische herstel bij. Ook wordt het inzicht van het
Nederlandse volk niet meer vermeld: men opteert voor een objectievere schets: “Een jaar later, bij
de verkiezingen voor de Tweede Kamer, was zijn aanhang echter gehalveerd. Op de eerste plaats was
dit een gevolg van een lichte verbetering in de conjunctuur. (…) Op de tweede plaats was duidelijk
geworden dat Mussert zich volledig achter het nationaal-socialisme van Hitler opstelde en deze
naäpte (…). Heel veel Nederlanders beseften toen al dat Hitler een afschuwelijke ideologie had.”153
Deze toon houden de leerboeken vol tot de jaren ’80, daarna valt op dat Musserts positie binnen de
NSB lager wordt ingeschat dan voorheen. Mussert is niet meer de leider, maar de oprichter. Mussert
is niet meer de na-aper van Hitler: andere leden worden extremistisch (los van Mussert). Wel blijft er
regelmatig gerefereerd worden naar zijn ingenieursverleden: “De grootste werd de NationaalSocialistische Beweging (N.S.B.), die in 1931 door Ir. Anton Mussert en de ambtenaar Van Geelkerken
was gesticht. (…) Geleidelijk werd de beweging echter radicaler en racistisch. Mussert ging Hitler
goedpraten en de N.S.B. werd, vooral onder invloed van de pro-Duitse Rost van Tonningen, antisemitisch.”, “Ook al was Mussert zelf niet anti-joods, zijn beweging werd het wel.”154, “(…) de
Nationaal-Socialistische Beweging (N.S.B.). Deze politieke partij was in 1931 opgericht door één van
hen: Mussert. De ander, Blokzijl, werd nadat de Duitsers in 1940 ons land hadden bezet één van de
belangrijkste propagandisten van het fascisme in Nederland.”155
Voor het eerst wordt in de leerboeken rechtstreeks de vraag “hoe fascistisch was de NSB?” gesteld.
Deze eer gaat naar “Sprekend Verleden” van Blom. 156 A.d.h.v. bronnen, citaten en programmapunten
wordt duidelijk gemaakt dat de NSB pas tegen het eind van de jaren ’30 neigde naar de NSDAP, en
dan nog slechts een harde kern aan de top van de NSB. Hierna kiezen de leerboeken voor een
152
ULRICH, H., Geschiedenis van gisteren: HAVO/VWO-editie, Malmberg, Den Bosch, 1976, pg. 82
ADANG, A. e.a., Mensen en machten 4/5 havo, Meulenhoff Educatief, Amsterdam, 1978, pg. 274-275
154
DE JONG, J. e.a., Merlijn: geschiedenis voor mavo/havo/vwo, Spruyt-Van Mantgem&De Does, Leiden, 1985,
pg. 119-121
155
BLOM, J.C.H. e.a., Sprekend Verleden: een geschiedenis van de wereld. Deel 3-boek I, Nijgh & Van Ditmar
Educatief, Rijswijk, 1987, pg. 12
156
BLOM, J.C.H. e.a., Sprekend Verleden: een geschiedenis van de wereld. Deel 3-boek I, Nijgh & Van Ditmar
Educatief, Rijswijk, 1987, pg. 50-53
153
42
duidelijke visie: Mussert was niet dé hoofdfiguur van de NSB, de NSB is intern verscheurd door het
antisemitisme en andere kopstukken treden op de voorgrond. Zeker vanaf 1990 worden de
leerboeken inhoudelijk veel rationeler en kritischer: “De N.S.B. was tot 1937 niet antisemitisch. Dat
kwam met name doordat Mussert, de leider van de N.S.B., niet anti-joods was. (…) Toen de N.S.B. bij
de verkiezingen van de Tweede Kamer een fikse nederlaag leed, kregen de joden de schuld.
Langzaamaan werd de N.S.B. (…) antisemitisch.”157, “In 1937 verloor de N.S.B. de helft van haar
aanhang bij de Tweede Kamer-verkiezingen. Er bleef een kleine en felle groep over die steeds
extremer en anti-semitischer werd. De leider Anton Mussert werd overvleugeld door extremisten als
Rost van Tonningen en Van Geelkerken.”158, “Mussert had een zelfstandig, nationaal-socialistisch
Nederland onder zijn leiding voor ogen.”159
Conclusie: In de eerste decennia is duidelijk dat Mussert het moet ontgelden: hij staat symbool voor
de politiek van de NSB en is een mislukte imitatie van Hitler. De toon doet vermoeden dat de
leerboeken redeneren vanuit het perspectief dat ze het verloop en einde van de oorlog reeds kennen
en hierop de NSB van vóór de Tweede Wereldoorlog afrekenen. Pas midden jaren ’60 valt een (lichte)
verschuiving te melden in de schets van de vooroorlogse NSB. Naast interne factoren voor het
verkiezingsverlies van 1937 (het antisemitisch karakter van de NSB) wijst men ook op de
economische opflakkering. Pas aan het begin van de jaren ’70 wordt voor het eerst melding gemaakt
van het feit dat de NSB aanvankelijk op het fascisme van Mussolini was gebaseerd. De handboeken
twijfelen: gaan we voor interne evolutie in de NSB of niet? Uiteindelijk zal men vanaf 1975
voornamelijk voor het eerste kiezen. Ook in de jaren ’70 vermindert de negatieve connotatie van
Mussert (zowel als persoon als politiek figuur). Deze evolutie zal in de jaren ’80 duidelijk in de
handboeken naar voor komen: Mussert is niet meer dé personificatie van de partij. Vanaf het midden
van de jaren ’80 opteren de leerboeken voor een kritische visie: bronnenonderzoek komt opzetten
en de vooroorlogse situatie van de NSB wordt ook rationeel en objectief bekeken. Deze evolutie zet
zich door tot in de jaren ’90, waarbij vooral de persoon Mussert wordt aanzien als een minder
belangrijk figuur.
4.2.2.2.
Figuur Mussert
Als er één persoon is die vaak wordt genoemd in de leerboeken, dan is het Mussert. Als leider van de
NSB staat hij symbool voor de politiek van de NSB voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het is
dan ook logisch dat geen enkel leerboek vergeet om Mussert te melden, kaderen en te analyseren. In
dit deel focus ik op de figuur Mussert tijdens de Tweede Wereldoorlog.
Na de Tweede Wereldoorlog moet Mussert het zwaar ontgelden. Vlak voor de inval van Duitsland
werden een aantal extreme figuren (zowel van linkse als van rechtse kant) opgepakt door de
Nederlandse politie. Mussert kon hieraan ontsnappen, en dit melden ook de handboeken: “Mussert,
die reeds in April van de komende invasie op de hoogte was, had bijtijds de benen genomen en dook
157
DONK, R. e.a., Vragen aan de geschiedenis 3vh, Wolters-Noordhoff, Groningen, 1992, pg. 151
HOOGSTRAATEN, M.G. e.a., Op weg naar 2000: De geschiedenis van 1870 tot heden vwo editie, BKE, Baarn,
1994, pg. 148
159
BAKKER, R. e.a., Vragen aan de geschiedenis 3: mavo havo vwo, Wolters-Noordhoff, Groningen, 1996, pg.
123-124
158
43
eerst weer op, toen hij kon rekenen op de bescherming der Duitse bajonetten.”160 Een keer wordt er
zelfs op een heel cynische manier een korte schets gemaakt van Musserts onderduiking: “Op de
eerste oorlogsdag zijn ze geïnterneerd, de pro-Duitse en dus gevaarlijke N.S.B.ers. Mussert, de leider
van de N.S.B. echter niet. Hij verstopt zich. (…) En als er gevaar dreigt, kruipt hij weg onder een bosje
achter de tuin. (…) De Nederlanders zullen ook nog “plezier” aan deze onnederlandse landgenoten
beleven.”161 Tot diep in de jaren ’60 wordt gefocust op de vlucht van Mussert. Er wordt duidelijk
verwezen naar het laffe karakter van Mussert.
De handboeken focussen tot de jaren ‘50 ook op de tegenstelling tussen de NSB en de overige
Nederlanders. Sarcasme en ironie zijn niet ver weg: “En de “vormingsleider” der N.S.B. juichte, dat,
hoe de oorlog ook zou eindigen, wij onze Joden kwijt zouden zijn!”162, “Lichamelijke en geestelijke
folteringen *…+ waren aan de orde van de dag, terwijl Mussert en zijn volgelingen het niet moede
werden, ons volk te wijzen op de zegeningen die een Duitse overwinning voor de wereld en voor ons
land zou meebrengen.”163 Let ook op de verwoording in dit citaat van “onze joden”: later in deze
scriptie zal duidelijk worden dat de Nederlandse bevolking zich na de Tweede Wereldoorlog
vereenzelvigt met de Nederlandse joden.
Ook de titel “Leider van het Nederlandse volk”, die Mussert van Hitler kreeg tijdens de oorlog, wordt
vermeld in de leerboeken: ”In al deze tegenspoed kon men toch nog wel even lachen, toen de willoze
marionet Mussert officieel “leider van het Nederlandse volk” werd.”164, “(…) de aanstelling van
Mussert tot “leider” van het Nederlandse volk (eind 1942), (…) deed langzamerhand een ondragelijke
spanning ontstaan.”165
Mussert wordt steevast als “leider” vernoemd, waardoor hij nogmaals wordt vereenzelvigd met de
NSB. Regelmatig wordt ook melding gemaakt van de anonieme NSB. De synoniemen voor deze groep
lopen uiteen, maar zijn kenmerkend voor de naoorlogse houding t.o.v. de NSB: “ (…) Mussert, de
leider der N.S.B., met zijn aanhangers, (…) ”166, “Mussert en zijn trawanten (…)”167, “de N.S.B., die zich
onder Mussert een gehoorzame dienaar van de vijand toonde (…).”168
Wel wordt door één leerboek reeds in 1948 gemeld dat de (politieke) macht van de NSB tijdens de
Tweede Wereldoorlog niet groot was: “Officieel heeft Mussert, de leider der N.S.B., met zijn
aanhangers, nooit een functie in de regering bekleed (…).”169 Een paar jaar later wordt dit bevestigd:
160
BLONK, A. e.a., Leerboek der algemene en vaderlandse geschiedenis, 1946, J.B. Wolters, Groningen, 1946,
pg. 394
161
KLIJNSMA, P., Passage: studieboek voor geschiedenis deel A, Noordhoff, Groningen, 1963, pg. 289
162
BLONK, A. e.a., Leerboek der algemene en vaderlandse geschiedenis, 1946, J.B. Wolters, Groningen, 1946,
pg. 397
163
DE BOER, M.G. e.a., Beknopt leerbek der geschiedenis van het vaderland: tweede deel, Sijthoff, Leiden,
1947, pg. 80
164
DE BOER, M.G. e.a., Beknopt leerbek der geschiedenis van het vaderland: tweede deel, Sijthoff, Leiden,
1947, pg. 81
165
DE HAAN, J.C., Geschiedenis voor de HBSA, Wolters, Groningen, 1950, pg. 274
166
VAN GELDER, H.A., Anderhalve eeuw wereldgeschiedenis: leerboek, P. Noordhoff NV, Groningen, 1948, pg.
284
167
DEK, J., De Weg der Historie: tweede deel nieuwe en nieuwste geschiedenis, Wolters, Groningen, 1948, pg.
188
168
RIJPMA, J.H. e.a., Korte ontwikkelingsgang der historie II, Wolters, Groningen, 1949, pg. 188
169
VAN GELDER, H.A., Anderhalve eeuw wereldgeschiedenis: leerboek, P. Noordhoff NV, Groningen, 1948, pg.
284
44
“Nadat in December 1941 de N.S.B. als enige politieke partij was erkend (…), volgde in December
1942 het besluit, dat hij (Mussert) voortaan bij alle belangrijke maatregelen zou worden gehoord.
Verantwoordelijkheid zonder werkelijke invloed!”170 De leerboeken lijken te beseffen dat de NSB op
zich geen al te grote machtsfactor was binnen het Duitse bezettingssysteem, en focussen nu vooral
op de privileges die ze kregen: “Alleen de N.S.B. (…) kreeg allerlei voorrechten.”171
Pas vanaf de jaren ’60 wordt er meer gefocust op de politieke (on)macht van de NSB: “één maatregel
namen de Duitsers echter nooit: hoe Mussert er ook op hoopte, hij en zijn NSB kregen de macht in
Nederland nimmer.”172, “Musserts NSB kreeg door de Duitsers geen officiële bestuurstaak toebedeeld
(…)”173. Een handboek laat zich volledig gaan: “Mussert kreeg een paar jaar later de loze titel “leider
van het Nederlandse volk”. Hetgeen hem ronduit belachelijk maakte, want iedereen wist dat de
N.S.B., hoe slaafs zij ook de Duitse hielen likten, geen enkele werkelijke regeringsmacht hadden.” 174
Ondertussen wordt de toon niet gematigder. Er worden twee zaken duidelijk in de leerboeken:
enerzijds melden ze dat Mussert en de NSB geen échte macht hadden, anderzijds wordt gefocust op
de daden en titels van Mussert die geen macht inhouden: “Hitler proclameerde de N.S.B. tot
“wilsdrager” en Mussert tot leider van het Nederlandse volk. Mussert legde een eed van trouw aan de
“Führer” af en hielp ijverig mee vrijwilligers voor het oostfront te werven.”175, "Zelf had hij de eed van
trouw aan Hitler afgelegd (december 1941); het landverraad stond nu wel degelijk vast.” 176 Voor het
eerst wordt wel een nuance gemaakt bij de positie van Mussert, door hem te citeren uit zijn proces
na de Tweede Wereldoorlog: “Tijdens zijn proces na de oorlog zei deze leider van de N.S.B. timide:
“mijn grootste fout is geweest, dat ik niet geloofd heb aan de verkeerde buitensporigheden van het
Duitse nationaal-socialisme. Het is een fout, die veel leed en veel teleurstelling heeft
teweeggebracht.””177
Vanaf eind jaren ’60 wordt meer en meer enkel gefocust op de politieke rol van Mussert. Het
taalgebruik wordt ook gematigder: “Hun leider, Mussert, heeft geen grote rol gespeeld.”178, “De
verwachting, dat Mussert, de leider van de Nationaal Socialistische Beweging (N.S.B.) aan de regering
zou komen, ging niet in vervulling (..).”179, “ (…) Werkelijke macht kreeg de N.S.B. ook van de Duitsers
niet, alleen voorrechten en baantjes.”180
Midden jaren ’70 plaatst een leerboek een uitgebreide biografie van Mussert181. Na deze publicatie
wordt Mussert niet meer bestempeld als zwakkeling en volgeling van Hitler. Er wordt zelfs verwezen
170
BLONK, A., Leerboek der Algemene en Vaderlandse Geschiedenis, J.B. Wolters, Groningen, 1952, pg. 405
RIJPMA, E., De ontwikkelingsgang der historie IIIA, Wolters, Groningen, 1952, pg. 417
172
FONTAINE, P., Van oermens tot wereldburger: vierde deel A, Malmberg, ’s-Hertogenbosch, 1961, pg. 174
173
MOORA, J. e.a., De wereld van vroeger en nu, Versluys, Amsterdam, 1962, pg. 313
174
BOONEKAMP, W.J.M. e.a., Memoriael II: gedenkwaardigheden uit de geschiedenis van de mensheid,
Noordhoff, Groningen, 1964, pg. 446
175
WESTENDORP BOERMA, J.J., Leerboek der geschiedenis: van het Wener congres tot heden II, Tjeenk Willink,
Zwolle, 1965, pg. 240
176
VAN DER HOEVEN, M.B., De twintigste eeuw, Meulenhoff, Amsterdam, 1967, pg. 164
177
VAN DER HOEVEN, M.B., De twintigste eeuw, Meulenhoff, Amsterdam, 1967, pg. 164
178
VAN VOORST VAN BEEST, C.W., Overzicht van de geschiedenis voor vwo en havo deel 5: de nieuwste
geschiedenis vanaf 1914, Malmberg, ’s-Hertogenbosch, 1967, pg. 72
179
DEK, J. e.a., Twee Eeuwen, Wolters-Noordhoff, Groningen, 1969, pg. 131
180
NIEMEIJER, A.C., Onze eeuw: geschiedenisleerboek voor de hoogste klassen van scholen voor vwo/havo,
Thieme & co, Zutphen, 1973, pg. 193
181
NIEMEIJER, A.C., e.a., Strijd en samenwering: een geschiedenis voor mavo, havo en vwo, deel 4v, Thieme &
Co., Zutphen, 1976, pg. 51
171
45
naar de persoonlijke visie van Mussert: “Hoewel Mussert regelmatig verklaarde dat Nederland
zelfstandig moest blijven, werd de praktijk dat de N.S.B. zich volledig schikte in de wensen en
opvattingen van de Duitsers.”182
Vanaf 1980 wordt er meer en meer gefocust op het feit dat Mussert zijn persoonlijke visie moest
opbergen ten voordele van de radicale kern binnen de NSB: “Binnen de N.S.B. groeiden spanningen.
Mussert zag zijn “Dietse” ideaal, een zelfstandig Nederland verbonden met Duitsland in een
“Germaanse statenbond”, steeds meer in rook opgaan. (…) Om zich te handhaven moest Mussert
telkens concessies doen. ”183, “Mussert wilde Nederland echter niet laten opgaan in het Duitse rijk,
maar het een plaats geven in een “Germaanse Statenbond”, onder leiding van Duitsland.”184. Ook zijn
titel en eed van trouw worden binnen een neutraler kader geschetst: “In 1941 legde hij in Berlijn de
eed van trouw aan Hitler af.”185, “Hij mocht zich (…) “Leider van het Nederlandse volk” noemen,
zonder dat hij wat in de melk te brokkelen had.”186, “Wel werd hij in 1943 door Hitler erkend als
“Leider van het Nederlanders volk”, dit was echter een titel zonder inhoud (…).”187. In 1984 verschijnt
een veelgeprezen biografie van Mussert, geschreven door auteur Jan Meyers.188 In de biografie
neemt Meyers geen standpunt in, maar beschrijft hij objectief de gebeurtenissen, gebaseerd op
bronnen en getuigenissen van beide kanten. Dit boek is typerend voor de veranderende visie op de
politieke persoon Mussert, waardoor men ook meer nuancering toepast wanneer men over Mussert
spreekt. Deze toon wordt verder gezet in de jaren ’90: “Hoewel Mussert Hitlers jacht op de joden als
een misdaad zag, deed hij of zijn neus bloedde. Het enige wat hij wist te bereiken was, dat de joodse
ex-N.S.B.-ers niet naar een vernietigingskamp werden gedeporteerd, maar naar een zogenaamd
“licht” concentratiekamp.”189
Conclusie: In de eerste decennia na de Tweede wereldoorlog zien de leerboeken Mussert als de kop
van Jut in de eerste decennia na de Tweede Wereldoorlog. De vlucht van Mussert voor de inval van
Duitsland komt frequent aan bod. Ook zijn titel van “Leider van het Nederlandse volk” en zijn eed van
trouw aan Hitler wekken frustratie op. Toch wordt er reeds in 1948 melding gemaakt van de feitelijke
macht van Mussert en de NSB. Men gaat tot diep in de jaren ’70 focussen op de hand- en
spandiensten van de NSB aan de Duitse bezetter. Pas in de jaren ’60 wordt er meer gefocust op de
feitelijke politieke rol van Mussert. Later wordt de toon ook gematigder en wordt in de leerboeken
meer en meer duidelijk dat Mussert niet dé leider van de partij is en al zeker niet bij de
extremistische kern behoort. Ook zijn titel en eed worden genuanceerd aangehaald.
182
CEULAERT, A.B. e.a., Kleio voor de havo-top, Uitgeverij NIB, Zeist, 1978, pg. 92
e
KNIGGE, J., Historisch Perspectief: Wereldgeschiedenis van de 20 eeuw. Boek II: 1945-heden, De Vuurbaak,
Barneveld, 1986, pg. 15
184
BEENACKERS-HEEREN, B. e.a., Vragen aan de geschiedenis 4/5 havo, Wolters-Noordhoff, Groningen, 1989,
pg. 220-221
185
e
KNIGGE, J., Historisch Perspectief: Wereldgeschiedenis van de 20 eeuw. Boek II: 1945-heden, De Vuurbaak,
Barneveld, 1986, pg. 15
186
ULRICH, H., Geschiedenis van gisteren: havo/vwo-editie, Malmberg, Den Bosch, 1988, pg. 114-115
187
BEENACKERS-HEEREN, B. e.a., Vragen aan de geschiedenis 4/5 havo, Wolters-Noordhoff, Groningen, 1989,
pg. 220-221
188
MEYERS, J., Mussert. Een politiek leven, De Arbeiderspers, Amsterdam, 1984, pg. 331
189
DONK, R. e.a., Vragen aan de geschiedenis 3vh, Wolters-Noordhoff, Groningen, 1992, pg. 151
183
46
4.2.3. Terminologie
4.2.3.1.
Collaboratie
Collaboratie staat synoniem voor medewerking, in de meeste gevallen negatief geconnoteerd als
medewerking voor de vijand tijdens een crisissituatie. Collaboratie heeft zeker door de
gebeurtenissen tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn dominant negatieve betekenis meegekregen. In
dit deel ga ik op zoek naar de betekenis die in de leerboeken aan collaboratie wordt gegeven: wordt
er voornamelijk op de NSB gezinspeeld, wordt er snel contrast gezocht met het verzet, durft men
ruimer te kijken dan enkel de NSB als ‘collaborerend’ te definiëren?
Vlak na het einde van de Tweede Wereldoorlog lopen de emoties hoog op in de leerboeken. Het
verliezende kamp (de NSB) moet eraan geloven en staat symbool voor de collaboratie: “Het gejuich
bewees, hoezeer deze verdwaasden van alle politiek inzicht gespeend waren en alleen geschikt tot het
verwekken van relletjes onder een vroeger te meegaand bewind, dat voorbij had gezien, dat het
onrecht moest zegevieren, als het recht geen gebruik maakt van zijn macht en dat deze organisatie
koninklijk goedgekeurd had.”190 In hetzelfde deel wordt de NSB in één adem vergeleken met
landsverraders en dissidenten. De toon is zeer negatief en zeer spottend: “Allerlei zwaar betaalde
nietsnutters, ten dele gerecruteerd uit de maar al te bereidwillige N.S.B., verleenden daarbij hun
medewerking, en profiteerden van de gelegenheid, op een veilige vluchtheuvel, ver van het front, een
spaarpot te maken.”191 In de eerste jaren na de oorlog staat collaboratie synoniem voor landverraad,
profijt en een binnenlandse vijand: “Tegen de binnenlandse vijand trad de regering te slap op.”192,
“Alleen de N.S.B., die zich onder Mussert een gehoorzame dienaar van de vijand toonde, (…).”193
Regelmatig wordt in het thema van collaboratie ook de scherpe tegenstelling gemaakt met het
verzet. Tot diep in het tweede deel van de 20e eeuw lijkt het alsof de collaborateurs uit enkelen
bestonden, terwijl het verzet algemeen was: “Vele van deze strijders [goede vaderlanders] hebben
wel hun liefde voor het vaderland met hun leven moeten betalen; wèl een scherpe tegenstelling met
de verscheidene collaborateurs.”194 In één handboek wordt werkelijk een essay gegeven over het
verzet: “Het Nederlandse volk, immuun voor de plompe propaganda der Duitse nazi’s, bleef het
evenzeer tegen de nog sterker verfoeide N.S.B. Wij wisten te goed uit Napoleons tijd en die van
Lodewijk XIV welke gevaren een kleine natie zouden bedreigen, wanneer deze opging in een
“Germaanse gemeenschap” en dan nog wel onder Hitlers leiding en die van zijn arrogante
“Herrenvolk”.195
Collaboratie wordt vaak in één adem genoemd met de NSB: “De pers werd gelijkgeschakeld en alle
politieke partijen, behalve de N.S.B., werden ontbonden. Als paddestoelen verrezen allerlei N.S.B.
190
BLONK, A. e.a., Leerboek der algemene en vaderlandse geschiedenis, 1946, J.B. Wolters, Groningen, 1946,
pg. 397-398
191
DE BOER, M.G. e.a., Beknopt leerbek der geschiedenis van het vaderland: tweede deel, Sijthoff, Leiden,
1947, pg. 97
192
BERKELBACH, J.W., Volken en tijden, Tjeenk Willink, Zwolle, 1948, pg. 211
193
RIJPMA, J.H. e.a., Korte ontwikkelingsgang der historie II, Wolters, Groningen, 1949, pg. 188
194
RIJPMA, J.H. e.a., Korte ontwikkelingsgang der historie II, Wolters, Groningen, 1949, pg. 189
195
BLONK, A., Leerboek der Algemene en Vaderlandse Geschiedenis, J.B. Wolters, Groningen, 1952, pg. 405
47
mantel-organisaties zoals Winterhulp, Volksdienst, (…).”196. In de jaren’50 wagen sommige
handboeken zich aan een percentage van collaborateurs onder de bevolking: “De sabotage van dit
alles was vrijwel algemeen: slechts 10% van de Nederlanders lieten zich hierdoor vangen.”197 Ook
staat collaboratie volgens de handboeken gelijk met diensten ten voordele van de bezetter, maar
niet met effectieve macht: “Commissarissen als bestuurders der provinciën en burgemeesters van
grote gemeenten werden vervangen door leden der N.S.B. of daarmee sympathiserenden.”198, “De
arbeidsbureaus werden onder N.S.B.-leiders gesteld en dreven 400.000 Nederlandse arbeiders als
slaven naar de Duitse oorlogsindustrie.”199 Collaboratie houdt ook in dat men vecht aan de zijde van
de bezetter: “De N.S.B. (…) hielp ijverig mee vrijwilligers voor het oostfront te werven. Zoveel mogelijk
leidende posities werden aan N.S.B.-ers toevertrouwd.”200
In de jaren ’60 lijkt het cijfer van 10% collaborerende Nederlanders goed ingeburgerd in de
leerboeken: “Het totale aantal onbetrouwbare Nederlanders liep ongeveer tegen de 10%.”201, “(…)
slechts 10% van de Nederlanders lieten zich hierdoor vangen.”202
Wel opvallend is dat de toon t.o.v. de NSB als voornaamste collaborateursorgaan minder hevig is, al
zijn er nog een aantal uitzonderingen: 1964: “iedereen wist dat de N.S.B., hoe slaafs zij ook de Duitse
hielen likten, geen enkele werkelijke regeringsmacht hadden. (…) Wèl waren de N.S.B.-ers de enige
groep op wie de Duitsers konden steunen en dat gaf hen privileges (…). Feitelijke zelfstandige macht
hadden de N.S.B.-ers niet, maar door hun houding hadden zij zich vanaf het begin geïsoleerd van de
meerderheid van het Nederlandse volk, die hen beschouwde als een verachtelijke groep
landverraders.”203 Wel blijft de NSB vrijwel de enige die collaboreert: “Over het algemeen was de
houding der Nederlanders goed. (…) Het waren alleen de N.S.B.-ers, die zich graag leenden tot
hulpdiensten van de bezetter.”204 Nog steeds wordt regelmatig de vergelijking gemaakt met de
‘overgrote groep’ van Nederlanders die in het verzet treden.
De focus blijft ook in de jaren ’60 op de karweitjes die de NSB mag/moet uitvoeren voor de Duitse
bezetter: “De leden mochten hand- en spandiensten verrichten als dat nodig was en het zo
uitkwam.”205, “Later traden vele N.S.B.ers in Duitse krijgsdienst en streden tegen de bondgenoten van
hun eigen land, of deden mee aan het arresteren en mishandelen van landgenoten.”206
Eind jaren ’60 en begin jaren ’70 is de toon weer opvallend harder t.o.v. collaboratie (≈ NSB). De
leden van de NSB zijn landverraders en onbekwaam (“Sterker nog dan tevoren werden de N.S.B.’ers
196
PIK, J.W. e.a., Beknopt leerboek der vaderlandse geschiedenis, Tjeenk Willink, Zwolle, 1956, pg. 273
BEEMSTERBOER, W. e.a., Wereld in wording, Van Goor zonen, ’s-Gravenhage, 1956, pg. 375
198
DE HAAN, J.C., Geschiedenis voor de HBSA, Wolters, Groningen, 1957, pg. 243
199
BLONK, A. e.a., Rondgang door de algemene en vaderlandse geschiedenis deel II, Wolters, Groningen, 1960,
pg. 309
200
WESTENDORP BOERMA, J.J., Leerboek der geschiedenis: van het Wener congres tot heden II, Tjeenk Willink,
Zwolle, 1960, pg. 277
201
FONTAINE, P., Van oermens tot wereldburger: vierde deel A, Malmberg, ’s-Hertogenbosch, 1961, pg. 174
202
BEEMSTERBOER, S.J. e.a., Wereld in wording 3: nieuwste geschiedenis, Van Goor Zonen, Den Haag, 1962, pg.
334
203
BOONEKAMP, W.J.M. e.a., Memoriael II: gedenkwaardigheden uit de geschiedenis van de mensheid,
Noordhoff, Groningen, 1964, pg. 446
204
REINSMA, R., Bovenbouw van de vaderlandse en algemene geschiedenis na 1815, Amsterdam, 1965, pg.
235-236
205
VAN DER HOEVEN, M.B., De twintigste eeuw, Meulenhoff, Amsterdam, 1967, pg. 162
206
RIJPMA, E., De ontwikkelingsgang der historie IIIA, Wolters, Groningen, 1967, pg. 376
197
48
als landverraders gekenmerkt. (…) Veel overheidspersonen, o.a. burgemeesters, die erg “goed”
waren, werden ontslagen en door veelal onbekwame N.S.B.’ers vervangen.”207) is slaafs (“De NSB (…)
werkte slaafs met de Duitsers mee.”208), en zijn meelopers (“Vrij spoedig bemerkten de
bezettingsautoriteiten namelijk, dat de Nederlanders, uitgezonderd de N.S.B.-ers en hun meelopers,
niet gesteld waren op de nationaal-socialistische ideeën.”209). In het laatste voorbeeld wordt
nogmaals duidelijk dat de indruk wordt gegeven dat de overgrote meerderheid van de Nederlandse
bevolking niet heeft gecollaboreerd: Nederland bestaat ook vooral uit ‘echte’ Nederlanders: “Daar
N.S.B.-ers hierin de leiding kregen, weigerden alle “echte” (d.w.z. anti-Duitse) Nederlanders zich
hierbij aan te sluiten.“210
In 1976 vinden we in de leerboek de eerste sporen van nuance t.o.v. het algemene collaboratiebeeld
terug: “Benadrukt dient te worden dat de grote meerderheid van de Nederlandse bevolking zeker in
het begin van de oorlog, geen algemene verzetshouding aannam. (…) Collaboratie kwam tijdens de
oorlog voor in ons land en dit was helaas geen zaak waar slechts een handjevol Nederlanders bij
betrokken raakte.”211 Vanaf midden jaren ’70 zien we drie kampen: zij die een nuance maken bij het
aantal collaborateurs en daarbij niet alleen de NSB vernoemen (“Ook het aantal collaborateurs [zij
die samenwerkten met de vijand+ was groot.” 212), zij die neutraal blijven in hun omschrijving (“Het
Nederlandse ambtenarenapparaat bleef bestaan, maar op de belangrijke posten werden N.S.B.’ers
aangesteld. (…) Alleen de N.S.B. en enige verwante groepen mochten blijven voortbestaan.“213 ) of zij
die resoluut de kaart trekken van de NSB als voornaamste collaborateur (“De partij raakte nog meer
geïsoleerd van de grote massa der Nederlanders, omdat de NSB’ers landverraders waren.”214).
Vanaf de jaren ’80 zien we dat het genuanceerde beeld van de collaboratie aan terrein wint in de
handboeken. Meer en meer handboeken vermelden dat niet enkel de NSB collaboreerde en dat het
aantal collaborateurs aanzienlijk hoog was: “Dat de Duitsers veel hulp kregen van Nederlandse
autoriteiten (…) was niet het gevolg van een wijdverspreid antisemitisme onder de Nederlandse
ambtenaren. Men moet deze medewerking (…) voornamelijk weer zien in het licht van het (…)
dilemma tussen collaboratie en verzet.” 215 Opvallend is wel dat er, indien er melding wordt gemaakt
van een bredere collaboratie, er verzachtende omstandigheden worden vermeld: “Terwijl sommige
autoriteiten ontslag namen en door N.S.B.-ers werden vervangen, begaven anderen zich, vaak om
erger te voorkomen, op een hellend vlak, door met de bezetter te gaan samenwerken.”216 Vanaf
midden jaren ’80 nemen de meeste handboeken voor waar aan dat ook Nederlanders los van de NSB
collaboreerden met de Duitse bezetter en gebruik maakten van de oorlog in hun voordeel:
“Anderzijds waren er ook Nederlanders die van de oorlog profiteerden (…) of die de zijde van de
Duitsers kozen. Er waren er die de Duitse politie steunden, die joden aangaven en onderduikers en
207
DEK, J. e.a., Twee Eeuwen, Wolters-Noordhoff, Groningen, 1969, pg. 131-132
VAN VOORST VAN BEEST, C.W., Overzicht van de geschiedenis voor vwo en havo deel 5: de nieuwste
geschiedenis vanaf 1914, Malmberg, ’s-Hertogenbosch, 1968, pg. 72
209
ADANG, A. e.a., Mensen en machten 4h, Meulenhoff Educatief, Amsterdam, 1970, pg. 144
210
ADANG, A. e.a., Mensen en machten 4h, Meulenhoff Educatief, Amsterdam, 1970, pg. 146
211
ULRICH, H., Geschiedenis van gisteren: HAVO/VWO-editie, Malmberg, Den Bosch, 1976, pg. 151-152
212
DE BEER, A.C., Geschiedenis in onderwerpen: 4/5 havo, Meulenhoff Educatief, Amsterdam, 1978, pg. 90
213
CEULAERT, A.B. e.a., Kleio voor vwo 2, Uitgeverij NIB, Zeist, 1980, pg. 120
214
CEULAERT, A.B. e.a., Kleio voor de havo-top, Uitgeverij NIB, Zeist, 1978, pg. 192
215
BEETSMA, J., Geschiedeniswerkplaats, havo/vwo examenboek 1983, WOlters-Noordhoff, Groningen, 1982,
pg. 90-91
216
e
KNIGGE, J., Historisch Perspectief: Wereldgeschiedenis van de 20 eeuw. Boek II: 1945-heden, De Vuurbaak,
Barneveld, 1986, pg. 13
208
49
verzetsmensen (…). (…) De vraag wie goed en wie fout hebben gehandeld is nog altijd een zeer
levendige kwestie.”217, “De meeste Nederlanders bleken bereid zich aan te passen en met de Duitsers
samen te werken. Zij hoopten zo het leven van vóór de oorlog grotendeels te kunnen voortzetten.“218,
“Slecht een kleine groep Nederlanders was pro-nazi. Maar ook de groep die verzet bood, was erg
klein. (…) Het aantal verzetstrijders groeide, al bleef het nog altijd om kleine groepjes gaan.” 219,
“Slechts zeer weinig Nederlanders gingen al aan het begin van de oorlog over tot verzet.”220
Pas in 1994 valt de term die de grote grijze zone tussen verzet en collaboratie weergeeft: “Al snel
groeide een besef dat men de “nieuwe orde” maar beter kon accepteren, daar de bezetter, gezien de
Duitse militaire successen elders, weleens van lange duur kon zijn. Historici spreken hier van
accommodatie, aanpassing aan de nieuwe omstandigheden.”221 In de jaren ’90 zet het schuldbesef
zich verder voort en durft men zelf in de spiegel te kijken: “Van alle volken die in de Tweede
Wereldoorlog onder de Duitse wals werden verpletterd, hebben de Nederlanders de grootste moeite
zich slachtoffer te voelen. Na de oorlog werden er 450 000 Nederlanders geregistreerd die met de
bezetter hadden samengewerkt.”222
Conclusie: Tot diep in de jaren ’70 gebruiken de leerboeken de NSB als synoniem voor de
collaboratie. Collaboratie staat voor landverraad, eigen profijt en slaafsheid. Nergens wordt er een
nuance gemaakt: de NSB is de énige die collaboreert met de Duitse bezetter, de overige
Nederlanders zijn dappere verzetsstrijders.
In 1976 vinden we in de leerboeken de eerste sporen van nuance terug. Daar waar reeds in de jaren
’60 de toon t.o.v. de NSB al gematigder was, wordt nu voor het eerst gemeld dat niet enkel de NSB
collaboreerde met de Duitsers. Pas in de jaren ’80 wint het genuanceerde beeld het van de overige
visies, die blijven focussen op de NSB als voornaamste collaborerend orgaan. In de jaren ’90 wordt
voor het eerst de grijze zone tussen collaboratie en verzet bij naam genoemd: ‘accommodatie’. De
leerboeken durven nu ook kritisch te zijn tegenover de verzetsbeweging, al lijkt dit een proces van
lange adem te zijn (geweest).
De gedachte ‘veel waren goed en weinig waren slecht’ wordt genuanceerd eind jaren ’80 en men
gaat het verzet ook kritischer bekijken. Vanuit de wetenschap is er ook kritiek op deze evolutie: men
moet bekritiseren, maar niet minimaliseren. De historica spreekt in dit geval van “nivelleren: in de
letterlijke en symbolische betekenis van het verkleinen van verschillen”.223
217
HEIDT, E.W. e.a., Kijk op de tijd: leerlingenboek 3 vwo, Malmberg, Den Bosch, 1986, pg. 159-160
BLOM, J.C.H. e.a., Sprekend Verleden: een geschiedenis van de wereld. Deel 3 – basis, Nijgh & Van Ditmar
Educatief, Rijswijk, 1986, pg. 80
219
BLOM, J.C.H. e.a., Sprekend Verleden: een geschiedenis van de wereld. Deel 3 – basis, Nijgh & Van Ditmar
Educatief, Rijswijk, 1986, pg. 82
220
BLOM, J.C.H. e.a., Sprekend Verleden: een geschiedenis van de wereld. Deel 3-boek I, Nijgh & Van Ditmar
Educatief, Rijswijk, 1987, pg. 59
221
IMMERZEEL, E.A., Historia: geschiedenis en staatsinrichting voor de bovenbouw havo/vwo, Meulenhoff
Educatief, Amsterdam, pg. 236
222
BAKKER, R. e.a., Vragen aan de geschiedenis 3: mavo havo vwo, Wolters-Noordhoff, Groningen, 1996, pg.
129
223
HONDIUS, D., Oorlogslessen. Onderwijs over de oorlog sinds 1945, Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam, 2010,
pg. 24
218
50
4.2.4. Leerstofkeuze
Voor ik aan deze scriptie begon, dacht ik dat de NSB een voetnoot zou zijn in de geschiedenis van
Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog. Uit vorige stukken blijkt dit zeker niet het geval te zijn!
Het is dan ook belangrijk even stil te staan in welke mate de NSB aan bod komt en vooral: welke
thema’s er worden besproken.
In dit hoofdstuk bespreek ik de mate waarin de NSB aan bod komt in de leerboeken a.d.h.v. de
volgende thema’s:
-
NSB voor WO II: verkiezingen 1935 en 1937
NSB tijdens WO II: rol 5e colonne, ontbinding politieke partijen, titels Mussert, Dolle Dinsdag,
politieke rol NSB
NSB na WO II: zuiveringen
De thema’s die reeds aan bod zijn gekomen (rol 5e colonne, politieke rol NSB en titels Mussert) zal ik
niet uitvoerig bespreken. Ik focus in dit deel veelal op thema’s die wel/niet aan bod komen en
wanneer ze voor het eerst opduiken.
4.2.4.1.
NSB voor WO II
De verkiezingen van 1935 en 1937, waar de NSB respectievelijk 7,94% en 4,22% van het aantal
stemmen haalde, komt in het eerste decennium niet aan bod in de leerboeken. Pas in 1954 komt de
eerste melding van de verkiezingsoverwinning: “Deze partij kreeg in 1935 bijna 8% van het totaal
aantal uitgebrachte stemmen.”224 Het leerboek Wereld In Wording is tussen 1954 en 1959 het enige
leerboek waarin de verkiezingsoverwinning aan bod komt.
Pas in 1960 wordt voor het eerst de volledige vooroorlogse politieke evolutie van de NSB geschetst:
“In 1935 haalde deze “beweging” onder haar leider Mussert bij de verkiezingen der Provinciale Staten
8% der stemmen. (…) Bij de Kamerverkiezing in 1937 slonk die 8% dan ook tot 3,8%.”225 Hierna zijn er
nog een aantal leerboeken die de verkiezingsevolutie van de NSB weergeven, maar pas vanaf 1967
nemen de meeste handboeken deze informatie over. De verkiezingsuitslagen van 1935 en 1937
blijven in alle leerboeken rond de juiste cijfers, al kiest een meerderheid voor de handboeken voor
een afronding naar boven bij de verkiezingsoverwinning van 1935 (7,94% wordt 8%) en voor een
afronding naar beneden bij de verkiezingsnederlaag van 1937 (4,22% wordt 4%).
224
225
BEEMSTERBOER, W. e.a., Wereld in wording, Van Goor zonen, ’s-Gravenhage, 1954, pg. 351
JANSENS, J.G., De Spiegel Der Eeuwen, Wolters-Noordhoff, Groningen, 1960, pg. 181-182
51
4.2.4.2.
NSB tijdens WO II
Zoals reeds aangetoond, is de vermelding van de vermeende 5e colonne tot midden jaren ’60
algemeen aanvaard bij de leerboeken. Tot de jaren ’80 is er dan een stilte rond de 5 e colonne, om
daarna in de leerboeken terug te keren, maar dan binnen een kritisch kader met o.a.
bronnenonderzoek.
De politieke macht van de NSB wordt regelmatig samen vermeld met de ontbinding van de overige
politieke partijen, zeker in de beginjaren: “Met de geestelijke en politieke vrijheid was het afgelopen;
slechts de N.S.B. werd geduld (…).”226 Deze tegenstelling, die tot diep in de jaren ’60 frequent
terugkeert, geeft de indruk dat de NSB politiek zeer veel macht heeft. Dit wordt ook duidelijk in de
leerboeken: “Toen moesten de politieke partijen zich eveneens ontbinden. (…) De vakverenigingen
gingen dezelfde weg. Daarvoor kwamen in de plaats corporatieve N.S.B.-organisaties naar beroepen
en vakken (…).”227 ,“N.S.B. “vrederechters” velden de partijdigste vonnissen, uittartende benden,
hoofdzakelijk saamgeveegd van de straat, maakten deze in uniform straffeloos onveilig door
gewelddaden tegen andersdenkenden. De arbeidsbureau’s werden door N.S.B.-leiders gesteld en
dreven 400.000 Nederlandse arbeiders als slaven naar de Duitse oorlogsindustrie. De N.S.B.landwachten speurden “onderduikers” op en leenden de hand bij de razzia’s.”228. Dit citaat staat bol
van de emotionaliteit en subjectief taalgebruik: wanneer men bv. spreekt van ‘saamgeveegd van de
straat’, bestempelt het leerboek de NSB zo als schorem van de laagste soort. De vergelijking met de
tocht van arbeiders naar Duitsland ‘als slaven’ heeft duidelijk een negatieve connotatie.
Opmerkelijk is ook dat, tijdens de Tweede Wereldoorlog, Rost Van Tonningen als hoofd van de
Nederlandsche Bank veel emoties losweekt. Vooral in de jaren na de Tweede Wereldoorlog, maar
regelmatig tot in de jaren 60’, wordt hem financiële collaboratie verweten: “De Nederlandsche Bank,
weldra onder de verrader Rost van Tonningen gesteld, werkte met kracht mede aan de ontwrichting
van ons geldverkeer, o.m. door het bijdrukken van milliarden aan geldpapier en het toepassen van
allerlei trucs, die het grootmoedige Duitsland in staat stelden te “betalen” voor wat het van ons volk
“kocht”.”229, “De Nederlandsche Bank, onder leiding gesteld van de N.S.B.-er Rost Van Tonningen, was
het gewillige werktuig.”230 Na het midden van de jaren ’60 laten de leerboeken hem links liggen.
Maar, zoals reeds aangetoond bij de figuur Mussert, is vanaf midden jaren ’60 meer nuance zichtbaar
in de leerboeken inzake de politieke macht van de NSB. Men ziet in dat de effectieve macht meer bij
de Duitse bezetter te zoeken is, terwijl de NSB fungeert als hulpstuk bij de politieke van de Duitsers:
“één maatregel namen de Duitsers echter nooit: hoe Mussert er ook op hoopte, hij en zijn NSB kregen
de macht in Nederland nimmer. Wel gebruikten de bezetters hun diensten en die van andere
Duitsgezinden.”231 Hierna wordt steeds meer en meer melding gemaakt van de gematigd politieke
machtfactor van de NSB. Deze trend houdt aan tot in de jaren ’90.
226
BERKELBACH, J.W. e.a., Volken en tijden: uitgave voor het gymnasium, Tjeenk Willink, Zwolle, 1947, pg. 305
BEEMSTERBOER, W. e.a., Wereld in wording, Van Goor zonen, ’s-Gravenhage, 1954, pg. 374-375
228
BLONK, A. e.a., Leerboek der algemene en vaderlandse geschiedenis, Wolters, Groningen, 1960, pg. 408
229
DE BOER, M.G. e.a., Beknopt leerbek der geschiedenis van het vaderland: tweede deel, Sijthoff, Leiden,
1947, pg. 79
230
BLONK, A., Leerboek der Algemene en Vaderlandse Geschiedenis, J.B. Wolters, Groningen, 1952, pg. 403
231
FONTAINE, P., Van oermens tot werelburger: vierde deel A, Malmberg ’s-Hertogenbosch, 1965, pg. 174
227
52
Zeer opvallend is de steeds terugkerende vermelding van Dolle Dinsdag232. Een overgrote
meerderheid van de leerboeken vermeld dit typische stukje nationale geschiedschrijving in zijn
leerstof. Wat des te meer opvalt is het leedvermaak van de auteurs t.o.v. de NSB: “Toen begin
September 1944 de gealliëerden in één aanloop bijna geheel België onder de voet liepen, *…+ ging er
een blijde golf door het land. Doch vele N.S.B.-leden, waaronder die dagelijks zich hadden bereid
verklaard, voor hun idealen te sterven, namen de benen of begonnen de passie te preken. (...) De
N.S.B. had in Nederland afgedaan.”233, “In de avond van 4 September (1944) (…) vluchtten duizenden
N.S.B.-ers naar het Oosten. Het bleek alles niet meer dan een moderne saga.”234. Sommige
handboeken laten het niet na om zelfs bij deze gebeurtenis de zwakheid van de NSB te benadrukken:
“Vele Duitse troepen vertrokken reeds uit ons land, gevolgd door de N.S.B.ers.”235 Desondanks zijn er
ook auteurs die kiezen voor neutraler taalgebruik: “Op “dolle dinsdag” (5 september 1944) ontstond
er paniek onder de Duitse bezetters en de N.S.B.-ers.”236 Wanneer men kiest voor een emotioneel
gekleurde visie op Dolle Dinsdag, is het kenmerkend dat men voornamelijk spreekt over de NSB,
terwijl men bij de neutrale visie ook de Duitsers vermeld.
Vanaf de jaren ’70 wordt de vermelding van Dolle Dinsdag neutraler: “(…) op “dolle dinsdag” (5
september 1944) namen de NSB’ers de vlucht (…).”237,“In september 1944 vluchtten N.S.B.-ers in
paniek richting Duitsland toen het gerucht ging dat de geallieerden Breda al bereikt hadden.”238. In de
jaren ’80 zet de evolutie zich door: “Dolle Dinsdag: Uit angst voor deze bevrijding vluchtten toen veel
N.S.B.-ers naar het oosten in de hoop op die manier aan de vijand te kunnen ontkomen. Toen het loos
alarm bleek te zijn kwamen de meesten terug.”239. Desondanks zijn er hier en daar nog een aantal
uitzonderingen die hun emoties niet kunnen wegsteken: “Duizenden N.S.B.-ers, die zich vaak
luidruchtig hadden bereid verklaard voor hun idealen te sterven, vluchtten naar Westerbork, het
beruchte voormalige Jodenkamp, en nog verder. De N.S.B. had in Nederland afgedaan.”240 Let hier
vooral op het feit dat deze zinsnede bijna letterlijk is overgenomen uit een leerboek uit 1946, dat ik
hiervoor reeds geciteerd heb: “Doch vele N.S.B.-leden, waaronder die dagelijks zich hadden bereid
verklaard, voor hun idealen te sterven, namen de benen of begonnen de passie te preken. (...) De
N.S.B. had in Nederland afgedaan.”241 40 jaar tussen de beide uitgaven, maar er zijn weinig
nuanceverschillen te merken…
232
De succesvolle opmars van de geallieerden vanuit Frankrijk verliep in de zomer van ’44 zo voorspoedig dat
het twee emoties opriep in Nederland: enerzijds was er de hoop op het einde van de oorlog, anderzijds waren
de Duitsgezinden argwanend over hun lot. Op 5 september meldde men via de radio dat de Britse troepen de
Nederlandse grens hadden overschreden.232 De euforie als gevolg hiervan staat bekend als Dolle Dinsdag.
233
BLONK, A. e.a., Leerboek der algemene en vaderlandse geschiedenis, 1946, J.B. Wolters, Groningen, 1946,
pg. 400-401
234
BEEMSTERBOER, W. e.a., Wereld in wording, Van Goor zonen, ’s-Gravenhage, 1954, pg. 376
235
VAN ALKEMADE, G.P.R. e.a., Inkijk en inzicht IV. De historie van ±1815 tot heden, J. Muussees NV,
Purmerend, 1965, pg. 326
236
WESTENDORP BOERMA, J.J., Leerboek der geschiedenis: van het Wener congres tot heden II, Tjeenk Willink,
Zwolle, 1960, pg. 281
237
OFFRINGA, C., Speurtocht door de eeuwen: deel 5, Wolters-Noordhoff, Groningen, 1971, pg. 239
238
ULRICH, H., Geschiedenis van gisteren: HAVO/VWO-editie, Malmberg, Den Bosch, 1976, pg. 153
239
BEETSMA, J., Geschiedeniswerkplaats, havo/vwo examenboek 1983, Wolters-Noordhoff, Groningen, 1982,
pg. 116
240
OERLEMANS, J.W., De wereld sinds 1870: een historisch overzicht, Wolters-Noordhoff, Groningen, 1984, pg.
135
241
BLONK, A. e.a., Leerboek der algemene en vaderlandse geschiedenis, 1946, J.B. Wolters, Groningen, 1946,
pg. 400-401
53
De titels van Mussert worden jarenlang spottend in zijn nadeel gebruikt. Dit valt reeds op te merken
in mijn vorig stuk over de figuur Mussert. Pas decennia na het einde van de Tweede Wereldoorlog
wordt zijn titel van “Leider van het Nederlandse volk” en zijn eed van trouw aan Hitler in een
genuanceerder kader geschetst.
4.2.4.3.
NSB na WO II
In dit stukje focus ik op de naweeën van de Tweede Wereldoorlog. Nederland bekomt van 5 jaar
bezetting en zint op wraak. Twee aspecten komen hiervan aan bod: de zogenaamde “Bijltjesdag” en
de Bijzondere Rechtspleging242 door de Nederlandse overheid.
De term ‘Bijltjesdag’ werd gebruikt tijdens de bezetting van Nederland in de Tweede Wereldoorlog
als benaming van de volksrepresaille op collaborateurs. Na afloop van de oorlog wilde een deel van
de bevolking van Nederland wraak nemen op de Nederlandse collaborateurs. Zo werden direct na de
bevrijding vrouwen en meisjes van wie men wist (of het vermoeden had) dat zij relaties hadden
aangeknoopt met Duitse militairen, het hoofd kaalgeschoren. Ook werden NSB’ers, vermeende
landverraders en verklikkers in elkaar geslagen of opgesloten. in totaal ging het om circa 300.000
mensen. Bijltjesdag is, zoals de Nederlandse bevolking had gehoopt tegen het einde van de Tweede
Wereldoorlog, niet effectief voorgekomen. De Nederlandse overheid nam het heft in handen om
tienduizenden collaborateurs te berechten. De Nederlandse bevolking heeft effectief wraak
genomen op diverse collaborateurs, maar heeft het recht uit handen moeten geven.
Bijltjesdag wordt door alle leerboeken verzwegen tot de jaren ’80. Slechts 1 handboek maakt hier
vanaf 1954 melding van doorheen zijn diverse uitgaven: Wereld in Wording. Maar de informatie
wordt ten onrechte genuanceerd: “Gelukkig was er zoveel zelfbeheersing dat de “Bijltjesdag”, de lang
verlangde volkswraak op collaborateurs en Duitse beulen, niet doorging.”243 Deze zin keert
ongewijzigd terug tot 1978. Pas midden jaren ‘80 Bijltjesdag ook aan bod in andere leerboeken, maar
dan enkel onder de vorm van foto’s. Slechts één handboek schrijft over deze acties, maar blijft steken
bij stereotiepe beelden: “Tot een “Bijltjesdag”, dat is een uitbarsting van volkswoede tegen N.S.B.-ers
en handlangers van de Duitsers, is het gelukkig niet gekomen.” 244
De Bijzondere Rechtspleging komt nóg later in de leerboeken aan bod. Pas in 1960 komt dit een
eerste keer aan bod: “Na de bevrijding trad nu het ministerie-Schemerhorn op, dat allereerst orde op
de zaken kreeg te stellen, waaronder de liquidatie van het Militair Gezag. N.S.B.’ers,
oorlogsmisdadigers en collaborateurs moesten worden opgespoord en berecht. Enkelen, onder wie
Mussert, werden gefusilleerd.”245
242
De Bijzondere Rechtspleging was de rechtspleging die na de bevrijding van Zuidelijk Nederland tot doel had
al diegenen te berechten die zich gedurende de Tweede Wereldoorlog schuldig hadden gemaakt aan de
overtreding van bepaalde wetsbesluiten.
243
BEEMSTERBOER, W. e.a., Wereld in wording, Van Goor zonen, ’s-Gravenhage, 1954, pg. 378
244
HOOGSTRAATEN, M.G. e.a., Op weg naar 2000: De geschiedenis van 1870 tot heden vwo editie, BKE, Baarn,
1994, pg. 172
245
JANSENS, J.G., De Spiegel Der Eeuwen, Wolters-Noordhoff, Groningen, 1960, pg. 202
54
Tot de jaren ’90 twijfelen de leerboeken of ze ook de Bijzondere Rechtspleging zouden vermelden.
Ruim de helft van de handboeken vermeldt de Bijzondere Rechtspleging. De andere maken er geen
melding van.
Na de eerste vermelding in 1960 volgen een aantal leerboeken dit voorbeeld. De toon is vaak positief
t.o.v. van de Nederlandse overheid: “Het was een reuzetaak, maar ze is redelijk goed volbracht: de
(…) arrestatie en berechting van oorlogsmisdadigers en landverrraders, (…).”246 Anderzijds is men ook
teleurgesteld dat er slechts weinigen ter dood werden veroordeeld: “Bij de bevrijding was een groot
aantal N.S.B.-ers en collaborateurs gearresteerd. Hun berechting behoorde de regering in goede
banen te leiden. Over het algemeen is men daarbij zeer gematigd opgetreden. Slechts enkelen kregen
de doodstraf, o.a. Mussert.” 247
Eén handboek vermeldt dat er enkel NSB-leden zijn veroordeeld: “Eén partij was verdwenen: de
N.S.B.. De kopstukken werden berecht en gefusilleerd; de andere leden werden voor speciaal
opgerichte Tribunalen gebracht en “gezuiverd.”248 Het handboek maakt hier een vreemd
onderscheid: het lijkt alsof de kopstukken een speciale berechting kregen. De emotionele term
‘gezuiverd’ staat synoniem voor ‘veroordeeld’. Maar de meerderheid van de handboeken meldt dat
niet enkel de NSB en haar aanhangers veroordeeld werden: “Verder moesten aanhangers van het
Nationaal-Socialisme, oorlogsmisdadigers en collaborateurs opgespoord en berecht worden. Mussert
werd tot de doodstraf veroordeeld en gefusilleerd.”249
Tegen de jaren ’70 wordt bij de berechting niet meer dominant naar de NSB verwezen. Men heeft
het voornamelijk over oorlogsmisdadigers en collaborateurs: “Oorlogsmisdadigers en collaborateurs
werden berecht, Mussert en enkele andere N.S.B.’ers kregen de kogel.”250, “Een van de eerste
problemen vormde ook de berechting van oorlogsmisdadigers en collaborateurs. O.a. Mussert en
Blokzijl werden ter dood veroordeeld. Het aantal doodvonnissen en zware straffen was echter niet
heel groot, gezien het aantal “gevallen” (ca. 90 000).”251 Ook het aantal berechte personen wordt
regelmatig vermeld: “Een eerste probleem was de berechting van de collaborateurs, waarvan er ca.
90 000 in kampen waren opgesloten. Er werden enkele doodsvonnissen voltrokken, o.a. aan Mussert
en Blokzijl.”252
Ook in de jaren ’80 wordt de Bijzondere Rechtspleging niet meteen opgenomen in de leerboeken. In
een leerboek uit 1985 wordt dieper ingegaan op het leven van Mussert en wordt ook voor het eerst
zijn officiële veroordeling vermeld: “Na de bevrijding werd Mussert ter dood veroordeeld wegens
landverraad, hoogverraad en hulpverlening aan de vijand. In 1946 werd dit vonnis met de kogel
246
FONTAINE, P., Van oermens tot wereldburger: vierde deel A, Malmberg, ’s-Hertogenbosch, 1961, pg. 178
VERSTEGEN, H.H., Diorama van de moderne tijd, H.J. Dieben NV, ’s-Gravenhage, 1965, pg. 350
248
REINSMA, R., Bovenbouw van de vaderlandse en algemene geschiedenis na 1815, Amsterdam, 1965, pg. 238
249
VAN ALKEMADE, G.P.R. e.a., Inkijk en inzicht IV. De historie van ±1815 tot heden, J. Muussees NV,
Purmerend, 1965, pg. 346
250
VAN VOORST VAN BEEST, C.W., Overzicht van de geschiedenis voor vwo en havo: deel 5: De Nieuwste
geschiedenis vanaf 1914, Malmberg, ’s-Hertogenbosch, 1971, pg. 78
251
NIEMEIJER, A.C., Onze eeuw: geschiedenisleerboek voor de hoogste klassen van scholen voor vwo/havo,
Thieme & co, Zutphen, 1973, pg. 197
252
NIEMEIJER, A.C., e.a., Strijd en samenwering: een geschiedenis voor mavo, havo en vwo, deel 4v, Thieme &
Co., Zutphen, 1976, pg. 109
247
55
voltrokken.”253 Ook vinden we hier voor het eerst een duidelijke nuance gemaakt bij het verloop van
de Bijzondere Rechtspleging: “De berechting van de mensen die met de Duitsers hadden
samengewerkt, bleek een te moeilijke opgave. Men vond algemeen dat samenwerking met de
bezetter niet ongestraft mocht blijven. De problematiek van collaboratie bleek echter te ingewikkeld
om in regels te kunnen vatten. Ook de grote aantallen betrokkenen maakte het beoogde doel
onbereikbaar: in de zomer van 1945 waren ongeveer 100 000 mensen (soms ten onrechte) gevangen
gezet.”254
Pas in de jaren ’90 lijkt de Bijzondere Rechtspleging vaste leerstof te zijn: “De oorlogsmisdadigers
moesten worden gestraft. (…) De leidende personen werden spoedig berecht. (…) Mussert, de leider
van de N.S.B., en Rauter werden in Nederland veroordeeld en geëxecuteerd.”255 In 1996 maakt een
leerboek een nuchtere analyse van de Bijzondere Rechtspleging in de jaren na de Tweede
Wereldoorlog: “De nieuw opgerichte Binnenlandse Strijdkrachten kregen de taak de “foute”
Nederlanders te arresteren. (…) geschatte aantallen liggen tussen 120 000 en 175 000. (..) Uiteindelijk
werden ongeveer 60 000 mensen veroordeeld. (…) De historicus Groen schrijft hierover: “De zuivering
mislukte grotendeels. (…) Men was tegen de N.S.B., pro-Nederlands en verklaarde het verzet voor
gek. (…) Alle Nederlanders die zo goed en zo kwaad als het ging de maatschappij draaiende hielden,
hadden min of meer vuile handen gemaakt.””256
Conclusie: Aangezien ik in mijn scriptie geen kwantitatief-analytisch onderzoek voer, is het moeilijk in
te schatten in welke mate de diverse (belangrijke) onderwerpen aan bod komen i.v.m. andere
thema’s. Wel kan ik de waarde van de stukken kaderen binnen het algemene beeld van de NSB in de
leerboeken.
Het weglaten van de verkiezingsuitslagen van de NSB voor 1940 kan erop wijzen dat men de partij wil
voorstellen als een kleine, onbelangrijke partij. Pas vanaf de jaren ’60 nemen de meeste handboeken
de verkiezingscijfers over. Het afronden van de cijfers in de cijfers van de verkiezingsuitslag, lijkt me
meer te kaderen in een vereenvoudigde weergave van de stemmen dan een bevooroordeelde keuze
om de NSB in een negatief daglicht te stellen.
De samen vermelde feiten van de ontbonden politieke partijen en de machtsfactor van de NSB duidt
op een tegenstelling: men wil de indruk geven dat de NSB alle macht naar zich toetrekt doordat het
de enig toegestane partij is. Pas later wordt hier duidelijk genuanceerd in het beeld van de politieke
macht van de NSB. Tot diep in de jaren ’70 wordt de NSB regelmatig in één adem genoemd met de
Duitse bezetter: daar waar de Duitsers een actie ondernemen, heeft de NSB ook zijn inbreng: de
razzia’s van de joden, de financiële collaboratie, …
Dolle Dinsdag komt quasi in alle leerboeken aan bod. Daar waar ze in het begin nog de spot drijven
met de vlucht van de NSB’ers, wordt de toon gematigder in de jaren ’70. Toch blijven veel leerboeken
253
DE JONG, J. e.a., Merlijn: geschiedenis voor mavo/havo/vwo, Spruyt-Van Mantgem&De Does, Leiden, 1985,
pg. 122
254
BLOM, J.C.H. e.a., Sprekend Verleden: een geschiedenis van de wereld. Deel 3 – basis, Nijgh & Van Ditmar
Educatief, Rijswijk, 1986, pg. 84-85
255
HOOGSTRAATEN, M.G. e.a., Op weg naar 2000: De geschiedenis van 1870 tot heden vwo editie, BKE, Baarn,
1994, pg. 172
256
VAN RIESSEN, M. e.a., Sporen: geschiedenis voor vwo 4, Wolters-Noordhoff, Groningen, 1996, pg. 131
56
opteren voor een emotioneel gekleurde versie van de feiten in plaats van een neutrale beschrijving
te geven.
De titel van Mussert en zijn eed van trouw krijgen grote aandacht in de eerste 20 jaar na de Tweede
Wereldoorlog en worden ook vaak geïllustreerd door de tegenstelling dat hij, ondanks de titel van
“Leider van het Nederlandse volk”, geen échte leider is (zowel van de Nederlandse bevolking als qua
capaciteiten).
De feiten na de Tweede Wereldoorlog, Bijltjesdag en de Bijzondere Rechtspleging, zijn duidelijk
gevoelig en komen maar met mondjesmaat aan bod. Bijltjesdag wordt slechts in twee leerboeken
geciteerd (foto’s niet meegerekend), en de Bijzondere Rechtspleging vindt pas vanaf de jaren ‘60 zijn
ingang in de leerboeken, om dan slechts door de helft effectief vermeld te worden. De toon
verandert over de decennia heen van “Streng én rechtvaardig” naar “een gemiste kans” tot “een
volslagen mislukt proces”. Eefting spreekt in zijn boek De Bijzondere Rechtspleging 1944-1952 een
harde conclusie over de informatie die wordt meegegeven over deze periode: “Men wil in ons land in
het algemeen niet graag herinnerd worden aan de tijd waarin de Bijzondere Rechtspleging veel leed
en schade toebracht aan politieke delinquenten en collaborateurs. Het eigen falen wordt
doodgezwegen en de ‘foute’ Nederlanders zijn nog steeds landverraders. Dat is onjuist en leidt op
termijn tot geschiedvervalsing.”257
257
EEFTING, H, De Bijzondere Rechtspleging. Rampzalige gevolgen voor politieke delinquenten en
collaborateurs, Uitgeverij Aspekt, Soesterberg, 2007, p. 386
57
4.2.5. Beeldmateriaal
In dit deel zal ik eerst focussen op de chronologische evolutie van het beeldmateriaal. Hierna zal ik
ook dieper ingaan op de frequentie van bepaalde beelden. De diverse foto’s zijn in groter formaat als
bijlage toegevoegd. Ik kan niet alle foto’s bespreken in deze scriptie, maar voor de lezer die extra
geboeid is door beeldmateriaal, heb ik de meeste voorkomende en opmerkelijkste beelden
toegevoegd.
Van 1946 tot 1953 vind ik in de leerboeken geen enkele foto over de NSB terug. Dat dit te wijten is
aan de periode waarin ze verschijnen is geen argument, aangezien er reeds in 1946 afbeeldingen
terug te vinden zijn van diverse wetten, en in 1948 vind ik de allereerste foto terug
(voedseldroppings 1945).
Opvallend bij het gebruik van beeldmateriaal tijdens deze periode is dat er ofwel tekeningen worden
gebruikt van een aantal gebeurtenissen (Hongerwinter), ofwel karikaturen (Duitse bezetter), ofwel
zeer neutrale foto’s in een positieve context (Slag bij Arnhem 1944, voedseldroppings 1945). Het lijkt
erop alsof de auteurs de leerlingen niet te veel willen choqueren en overvallen met gevoelige foto’s
rond gevoelige thema’s.
Pas in 1954 brengt Wereld in Wording als eerste foto’s en
tekeningen aan over de NSB. De tekening van de hand van
Jordaan, een bekend tekenaar van verzetstekeningen tijdens de
Tweede Wereldoorlog, schetst de politieke situatie in Nederland
na de verkiezingen van 1935. Het leerboek focust wel uitsluitend
op de NSB: “Hoe de tekenaar Jordaan de entrée van de N.S.B. in de
Nederlandse politieke winkelstraat zag.”258 is het onderschrift,
terwijl ook minister Colijn, de S.D.A.P. en diverse andere partijen
op de prent zichtbaar zijn. Deze tekening komt in dit stuk nog een
aantal keer aan bod.
Mussert als agent (vooraan i.h.
midden)
De foto op een andere pagina illustreert de naoorlogse visie op de rol van de NSB duidelijk. Hitler
begroet een kind, Mussert doet op een andere foto hetzelfde. Het onderschrift luidt: “ Zo heer… zo
knecht!”259 Mussert wordt duidelijk afgebeeld als het hulpje, als na-aper van Hitlers gedachtegoed.
Hitler
258
259
Mussert
BEEMSTERBOER, W. e.a., Wereld in wording, Van Goor zonen, ’s-Gravenhage, 1954, pg. 351
BEEMSTERBOER, W. e.a., Wereld in wording, Van Goor zonen, ’s-Gravenhage, 1954, pg. 372-373
58
Tot 1960 is Wereld in Wording het enige leerboek dat foto’s en
tekeningen over de NSB opneemt in de leerstof. Pas in 1960
volgen andere leerboeken het voorbeeld van Wereld in Wording.
Twee leerboeken gebruiken dezelfde cartoon én hetzelfde
onderschrift. We zien Seyss-Inquart als koning met kroon en
scepter, en Mussert als slippendrager. De betekenis is
ondubbelzinnig. Mussert steunt de Duitse bezetter, maar is slechts
het kneusje van Seyss-Inquart. Hij kijkt nipt boven de slip uit om
Seyss-Inquart (l.) en Mussert (r.)
toch maar in beeld te komen. Het onderschrift luidt: “Z.M. ‘Zes-en260
een-kwart’ en zijn lakei.” . De naam van Seyss-Inquart wordt omgezet in een woordspeling en
Mussert is slechts een slaaf van de Duitse bezetter. De benaming ‘Zes-en-een-kwart’ voor SeissInquart was een staande uitdrukking, die veel gebruikt werd tijdens en na de Tweede Wereldoorlog.
Ook Wereld in Wording geeft zijn reeds gebruikte tekeningen weer, maar nu luidt het onderschrift bij
de vergelijkende foto tussen Hitler en Mussert een beetje anders: “Zo heer… zo knecht…”261 Het
agressieve uitroepteken heeft plaatsgemaakt voor een zuchtend beletselteken. In 1963 wordt de
tekening over de politieke straat (die reeds in Wereld in Wording te vinden was) voor het eerst
gekaderd binnen zijn context en wordt er niet enkel gefocust op de NSB. Bij de tekening staat: “In de
politieke straat van Nederland, 1937. Bij het N.S.B. sigarenmagazijn ‘hangt’ Mussert ‘uit als Anton I.
Colijn staat voor zijn wisselkantoor ‘de gave gulden’. De S.D.A.P. zetelt in de timmerwinkel ‘Het Plan’
(van de Arbeid). Ook Rooms-Katholieken, liberalen, vrijzinnig-democraten en communisten hebben
hier hun ‘zaak’.”262 Nu wordt duidelijk dat de tekening niet focust op de NSB, maar de algemene
politieke gang van zaken tracht weer te geven. Later zal ook een ander leerboek duiding geven bij de
tekening: “Goed voorbeeld doet goed volgen (…). Als propagandastunt opende de N.S.B. in de
Kalverstraat te Amsterdam een sigarenwinkel. De tekenaar doet het voorkomen alsof de andere
partijen dit voorbeeld volgen en ook een zaak opzetten”263
In de jaren ’60 vinden we nog een cartoon terug van Mussert,
die weer wordt gekaderd in zijn relatie met de Duitse
bezetter. De tekening toont Mussert die bij Hitler komt
vragen of hij nog taken moet verrichten. Op de ezel zien we
de NSB-leuze “Hou Zee!” en zelfs de ezel heeft dezelfde
haarsnit als Mussert. De armtierige uitstraling van Mussert
geeft indruk dat de NSB “arm” is aan steun. Ook het leerboek
verduidelijkt de prent met een bijschrift: “Een karikatuur op
Mussert en Hitler
de knechtenrol die de N.S.B. speelde.”264 Het onderschrift
luidt: “Boodschappen vandaag, meneer?”265 Tenslotte even melden dat Wereld in Wording in 1967
het beletselteken bij de foto tussen Hitler en Mussert heeft vervangen door een punt. Het begin van
neutrale duiding bij de tekening?
260
JANSENS, J.G., De Spiegel Der Eeuwen, Wolters-Noordhoff, Groningen, 1960, pg. 195
BEEMSTERBOER, W. e.a., Wereld in wording, Van Goor zonen, ’s-Gravenhage, 1960, pg. 333
262
KLIJNSMA, P., Passage: studieboek voor geschiedenis deel A, Noordhoff, Groningen, 1963, pg. 228
263
VERSTEGEN, H.H., Diorama van de moderne tijd, H.J. Dieben NV, ’s-Gravenhage, 1965, pg. 308
264
BLONK, A., Hoofdwegen der geschiedenis II, nieuwere en nieuwste geschiedenis, J.B. Wolters, Groningen,
1965, pg. 353
261
59
Voor de periode vóór 1970 merken we op dat karikaturen en tekeningen domineren wanneer het
over de NSB gaat. Mussert wordt duidelijk in een negatieve rol geplaatst, al ondernemen een aantal
leerboeken moedige pogingen om een tekening neutraal te kaderen. Tot 1970 publiceert slechts 1
leerboek een foto van Mussert, die dan nog in een vergelijkende context met Hitler wordt geplaatst.
Voor 1970 maken minder dan 25% van de geconsulteerde leerboeken gebruik van beeldmateriaal.
Pas in 1971 vinden we de eerste ‘neutrale’ foto terug.
Speurtocht door de eeuwen toont een foto van Mussert in het
gezelschap van de Duitse politiechef Rauter, maar kan het niet
laten om Musserts titel te citeren in het onderschrift:
“Mussert, die in 1942 door de Führer tot ‘leider van het
Nederlandse volk’ benoemd werd, met politiechef Rauter.”266
Mussert (l.) en Rauter (mid.)
Pas in 1972 geeft Wereld in Wording meer uitleg bij de tekening van de Nederlandse politieke
winkelstraat. Het originele onderschrift blijft, maar er wordt meer duiding gegeven: “Hoe de tekenaar
Jordaan de entrée van de N.S.B. in de Nederlandse politieke winkelstraat zag. De man in politieuniform is Mussert. Colijn staat te kijken naar ‘de Gave Gulden’. De twee met de balk die uit de
timmerwinkel komen zijn Alberda en Vorrink van de S.D.A.P.”267
De eerste échte neutrale foto (dus ook met een neutraal onderschrift
vinden we terug in 1973 in het leerboek Geschiedenis in thema en taak.
Er wordt een veelvuldig gebruikt portret van Mussert afgebeeld met het
onderschrift: “Mussert, leider van de N.S.B.”268
Veelgebruikt portret van
Mussert
265
BLONK, A., Hoofdwegen der geschiedenis II, nieuwere en nieuwste geschiedenis, J.B. Wolters, Groningen,
1965, pg. 353
266
OFFRINGA, C., Speurtocht door de eeuwen: deel 5, Wolters-Noordhoff, Groningen, 1971, pg. 235
267
BEEMSTERBOER, S.J., Wereld in wording: 4 havo/vwo, Van Goor Zonen, Den Haag, 1972, pg. 133
268
KALKWIEK, W.F., Geschiedenis in thema en taak. Deel IV vh vwo-havo, Meulenhoff Educatief, Amsterdam,
1973, pg. 130
60
Desondanks zijn er nog verschillende handboeken die de
politieke rol van Mussert belachelijk maken door hem heel
subtiel te kleineren. Op een foto uit 1973 in het leerboek
Onze Eeuw zit Mussert naast Seyss-Inquart. Maar het
onderschrift luidt: “Mussert mag naast Seyss-Inquart
zitten.”269 Het werkwoord ‘mogen’ toont aan dat het
volgens het leerboek een privilege is voor Mussert op aan
de zijde van de Duitse bezetter te zitten, als een soort
beloning voor goed gedrag.
Seyss-Inquart (l.) en Mussert (mid.)
Maar authentieke foto’s van Mussert zijn een
absolute minderheid in de leerboeken. De
voorkeur wordt gegeven aan (vooral) cartoons en
(in mindere mate) tekeningen. Een mooi
voorbeeld vinden we terug in Kleio. De Duitser
vooraan in de rij wordt gevolgd door verraad,
terreur en dood (die allemaal in dezelfde pas
lopen). Mussert bengelt achteraan de rij. Hij
wordt veel kleiner afgebeeld dan de overige
figuren. Weer wordt Mussert afgeschilderd als v.l.r.r.: Mussert, 'dood', 'terreur', verraad', en Duitse
een kleine meeloper van de Duitse bezetter. Het soldaat
onderschrift
luidt:
“De
nieuwe
(h)orde
270
marcheert.” Pas in 1979 zal het onderschrift ook
Mussert vermelden in het onderschrift.
Het leerboek Kleio gebruikt nog meer tekeningen om de oorlogse
situatie weer te geven. Deze tekening geeft in de eerste plaats weer
dat de Nederlandse bevolking niet happig is op aanbiedingen van de
NSB, die vertegenwoordigd is als het kleine autootje onder de grote
mantel van ‘Duitsche bescherming’. Dat meldt ook het onderschrift:
“Geen liefhebbers. De grote meerderheid van het Nederlandse volk
wees ook tijdens de Duitse bezetting de N.S.B. af.”271
NSB-taxi
onder
Duitse
bescherming. Het Nederlandse
volk wendt de blik af.
269
NIEMEIJER, A.C., Onze eeuw: geschiedenisleerboek voor de hoogste klassen van scholen voor vwo/havo,
Thieme & co, Zutphen, 1973, pg. 189
270
CEULAERT, A.B. e.a., Kleio voor de vwo-top, Uitgeverij NIB, Zeist, 1975, pg. 100
271
CEULAERT, A.B. e.a., Kleio voor de vwo-top, Uitgeverij NIB, Zeist, 1975, pg. 101
61
Vanaf 1975 verschijnen er meer foto’s van de NSB in de leerboeken, maar
Mussert neemt het voortouw wat het aantal afbeeldingen betreft (zowel
in karikaturen als in foto’s). Een leerboek neemt een foto op waarop
Mussert centraal tussen Seyss-Inquart en Himmler staat afgebeeld. Het
blijft ook opvallen dat de onderschriften niet neutraal blijven wat
informatie weergeven betreft, zoals bij deze foto: “’Kopstukken’ op de
voorgrond.”272
v.l.r.r.:
Seyss-Inquart,
Mussert en Himmler
Kleio plaatst een meer neutraal, maar nog steeds licht sarcastisch onderschrift bij de reeds
besproken karikatuur van Seyss-Inquart en Mussert als koning en lakei: “Seyss Inquart: ‘ Het is mijn
wil, hierbij het tot dusver geldende recht in werking te laten en de onafhankelijkheid van de
rechtspraak te handhaven’ Rechts: Mussert”273
Eind de jaren ’70 wordt er wel meer en meer kritisch omgegaan
met het beeldmateriaal. A.d.h.v. vragen komt de leerling zelf op
het antwoord, zonder dat hij in een subjectieve mening wordt
geduwd. Onderstaande karikatuur bewijst dit. We zien Mussert,
die na de verkiezingen van 1937 ziet dat zijn partij veel stemmen
verloren heeft. Popeye reikt hem spinazie aan als laatste
reddingsmiddel. Op de achtergrond zien we een half portret,
maar de snor verraadt dat het hier om Hitler gaat. Bij de foto
worden een aantal vragen gesteld: “Waarom zou deze spotprent
op de N.S.B. [uit Vrijheid, Arbeid en Brood] in 1938 gemaakt zijn?
Waar wijst de foto op de achterwand op?”274
Tussen 1970 en 1979 vinden foto’s meer en meer hun weg naar Mussert na de verkiezingen van
de leerboeken, al blijven foto’s van Mussert eerder zeldzaam. 1937. Op de achtergrond is het
Wellicht ligt die kwestie op dat moment nog steeds gevoelig. Men portret van Hitler zichtbaar.
verkiest nog steeds cartoons. Ook al tonen een aantal leerboeken
de wil om de leerlingen kritisch te laten nadenken over de
afbeeldingen, toch blijft de meerderheid van de leerboeken
subtiel subjectief.
In deze periode maken meer dan 50% van de leerboeken gebruik van beeldmateriaal, een
verdubbeling t.o.v. de leerboeken vóór 1970.
272
ULRICH, H., Geschiedenis van gisteren: HAVO/VWO-editie, Malmberg, Den Bosch, 1976, pg. 148
CEULAERT, A.B. e.a., Kleio voor de havo-top, Uitgeverij NIB, Zeist, 1978, pg. 91
274
ADANG, A. e.a., Mensen en machten 4/5 havo, Meulenhoff Educatief, Amsterdam, 1978, pg. 280
273
62
Ook na 1980 wordt er steeds meer gebruik gemaakt van foto’s
ten koste van karikaturen. Ook de werkvorm van kritische
vragen bij beeldmateriaal zet zijn opmars voort in de
leerboeken. Een voorbeeld is de volgende foto, waarop we een
promotiecampagne van de NSB zien in de vooroorlogse
verkiezingen. Bij de foto staat: “Waarom zou Mussert deze
keuze hebben willen opdringen?”275
Verkiezingspropaganda van de NSB
Na 1980 is Mussert ook niet meer de enige persoon die in het
kader van de NSB wordt afgebeeld. Daar waar voor 1980 Mussert
op bijna alle beeldmateriaal over de NSB aanwezig was, worden
er nu ook beelden gebruikt waarop Mussert niet te zien is, zoals
de Landwacht en deze veelgebruikte tekening van de WA276. Later
is er wel een onderschrift aan toegevoegd: “Zo zag de WA
Tekening die een beeld geeft binnen zichzelf: bespot, gehoond, bedreigd maar stoer marcherend als
de NSB
pioniers van de nieuwe tijd (tekening uit 1943).”277 Deze foto is
interessant, aangezien deze de eerste foto is waarvan men kijkt
vanuit het kamp van de NSB en een beeld geeft van hoe de NSB
zichzelf zag.
Ook de kritische analyse op het beeldmateriaal neemt toe. Nu wordt er bij de foto van Seyss-Inquart
en Mussert als koning en lakei het volgende onderschrift bijgezet: “Seyss-Inquart met Mussert als
slippendrager.”278 Men omschrijft wat de prent weergeeft, niet meer wat ze volgens de auteur wilt
zeggen.
275
ULRICH, H., Geschiedenis van gisteren: havo/vwo-editie, Malmberg, Den Bosch, 1981, pg. 62
HEIDT, E.W. e.a., Kijk op de tijd: leerlingenboek 3 vwo, Malmberg, Den Bosch, 1981, pg. 141
277
BLOM, J.C.H. e.a., Sprekend Verleden: een geschiedenis van de wereld. Deel 3-boek I, Nijgh & Van Ditmar
Educatief, Rijswijk, 1987, pg. 15
278
MULDER, L. e.a., Beeld van de twintigste eeuw: wereldgeschiedenis van 1917 tot heden, Van Walraven,
Apeldoorn, pg. 177
276
63
Wanneer Mussert alleen wordt afgebeeld, wordt nu ook meer voor een foto gekozen dan voor een
karikatuur. Alleen tonen de meeste foto’s Mussert wanneer hij de Hitlergroet brengt.279,280,281,282.
Toch blijven karikaturen van
Mussert regelmatig terugkomen,
zoals dit mooi voorbeeld in
Historisch Perspectief283, waar geen
uitleg bij de prent staat. Mussert
wordt zoals steeds consequent
afgebeeld als trouwe volgeling van logo muzieklabel His Master's Voice
de Hitler. Net zoals een hond
luistert hij zonder er bij na te denken. In 1988 staat volgend onderschrift bij de foto: “Mussert, het
hondje dat graag de bevelen van zijn grote baas, Hitler, uitvoert.”284 Dit is een persiflage op het logo
van de muziekfirma His Master’s Voice285. De plaat van Hitlers retoriek wordt afgedraaid en Mussert
gehoorzaamt als een trouwe hond.
Mussert als gehoorzame hond
279
OERLEMANS, J.W., De wereld sinds 1870: een historisch overzicht, Wolters-Noordhoff, Groningen, 1984, pg.
118
280
DE JONG, J. e.a., Merlijn: geschiedenis voor mavo/havo/vwo, Spruyt-Van Mantgem&De Does, Leiden, 1985,
pg. 120
281
BLOM, J.C.H. e.a., Sprekend Verleden: een geschiedenis van de wereld. Deel 3-boek I, Nijgh & Van Ditmar
Educatief, Rijswijk, 1987, pg. 13
282
DONK, R. e.a., Vragen aan de geschiedenis 3vh, Wolters-Noordhoff, Groningen, 1992, pg. 150
283
e
KNIGGE, J., Historisch Perspectief: Wereldgeschiedenis van de 20 eeuw. Boek I 1900-1945, De Vuurbaak,
Groningen, 1984, pg. 166
284
ULRICH, H., Geschiedenis van gisteren: havo/vwo-editie, Malmberg, Den Bosch, 1988, pg. 65
285
Bron: http://www.allposters.be/-sp/His-Master-s-Voice-Posters_i2788315_.htm
64
Wanneer Mussert in groep wordt afgebeeld, zijn er verschillende
voorbeelden: op weg naar een NSB-bijeenkomst286, op inspectie
bij de WA287, maar opvallend: ook in gevangenschap288. Een
leerboek dat een hoofdstuk spreekt over de figuur Mussert binnen
de NSB, toont een unieke foto van Mussert tijdens het
gevangenschap bij zijn proces. Ook het onderschrift is neutraal,
ondanks het feit dat de gelegenheid zich voordoet om zich
negatief te uiten: “De NSB-top gevangen. In het midden A.
Mussert.”289
Mussert als gevangene tijdens de
Bijzondere Rechtspleging
Tegen het einde van de jaren ’80 en het begin van de jaren ’90 is het beeldmateriaal
heel divers. Allerlei thema’s inzake de NSB komen aan bod: verkiezingsposters,
venters van het partijblad, reclame voor en foto’s van de Nationale Jeugdstorm, … Er
is slechts één constante: er wordt maar van één persoon cartoons gemaakt: Anton
Mussert, zoals dit voorbeeld dat Mussert afbeeldt als “speelgoedmannetje” 290:
Mussert
als
opwindpop
In een vorig stuk heb ik reeds behandeld hoe de
Vijfde Colonne wordt verwoord in de
leerboeken. In 1986 vinden we in Historisch
Perspectief een prachtig voorbeeld terug van
een tekening over de Vijfde Colonne. Wel
worden er, in de geest van de jaren ’80 en ’90,
kritische vragen gesteld aan de leerlingen over
de tekening: “Wat wordt bedoeld met het
begrip “De Vijfde Colonne”? In welke oorlog is
De Vijfde Colonne. Op de arm uit het raam staat de
deze term voor het eerst gebruikt? Wat wilde de NSB-driehoek.
tekenaar met de afbeelding uitdrukken?”291
286
BOIVIN, B. e.a., Route 3: materiaal voor geschiedenis, Wolters-Noordhoff, Groningen, 1984, pg. 68
DE JONG, J. e.a., Merlijn: geschiedenis voor mavo/havo/vwo, Spruyt-Van Mantgem&De Does, Leiden, 1985,
pg. 121
288
DE JONG, J. e.a., Merlijn: geschiedenis voor mavo/havo/vwo, Spruyt-Van Mantgem&De Does, Leiden, 1985,
pg. 122
289
DE JONG, J. e.a., Merlijn: geschiedenis voor mavo/havo/vwo, Spruyt-Van Mantgem&De Does, Leiden, 1985,
pg. 122
290
e
KNIGGE, J., Historisch Perspectief: Wereldgeschiedenis van de 20 eeuw. Boek II: 1945-heden, De Vuurbaak,
Barneveld, 1986, pg. 12
291
e
KNIGGE, J., Historisch Perspectief: Wereldgeschiedenis van de 20 eeuw. Boek II: 1945-heden, De Vuurbaak,
Barneveld, 1986, pg. 10
287
65
Tenslotte wil ik graag nog één opmerkelijke evolutie weergeven. In een
vorig stuk hebben we reeds gezien dat de zogenaamde Bijltjesdag
amper wordt vermeld in de leerboeken en dat merken we ook aan het
aantal foto’s dat aan dit thema gewijd wordt. De allereerste foto van de
volksrepressie vinden we pas terug in 1986 in het leerboek Sprekend
Verleden. Het onderschrift zegt: “(…) bij de foto stond: ‘De beul (van het
concentratiekamp te Amersfoort) … op sokken, op weg naar een der
gevangenissen te Utrecht.’ Op het bord staat: Landverrader van de
Nationale Schooiers Bond.”292 Een neutrale omschrijving van de foto,
zonder dat er een mening van de auteur bijstaat. De benaming
Een collaborateur tijdens de ‘Nationale Schooiers Bond’ staat synoniem voor de ‘Nationaalrepressie
Socialistische Beweging’.
Bij een andere foto rond Bijltjesdag worden er
zeer kritische vragen gesteld aan de leerlingen:
“De ex-illegalen namen het recht soms in eigen
hand. Wat vind je van het aan de kaak stellen van
deze NSB-er en zijn vrouw? Welke bezwaren zijn
er in het algemeen verbonden aan het in eigen
hand nemen van het recht?”293 Op het bord staat
trouwens geschreven: “De NSB propaganda
trachtte ons wijs te maken dat ZIJ alleen het
goede voorstond. ZIE HIER een prachtig
voorbeeld
daarvan.
Achtergehouden
levensmiddelen in oorlogstijd laten verrotten,
terwijl het NED. volk verhongerde.”
NSB'ers tentoon gesteld tijdens de repressie
In de jaren ’80 en ’90 wordt de fotokeuze meer divers en wordt er ook vaker kritisch omgegaan met
het beeldmateriaal. Bijna 90% van de leerboeken tussen 1980 en 1996 maakt gebruik van foto’s rond
het thema NSB.
Zoals reeds vermeld, heb ik achteraan de meest frequente en opmerkelijke beelden toegevoegd als
bijlage. Bij de beelden heb ik vermeld waar ze in mijn bronnen voorkomen. Zo valt op dat de
karikatuur van de Nederlandse politieke winkelstraat veruit de meest gebruikte foto is. Cartoons van
Mussert in een denigrerende positie (slippendrager, boodschapper, hond, volgeling) horen ook bij de
favorieten van de leerboeken. Het is duidelijk dat de handboeken het meest fan zijn van karikaturen
van de NSB (en dan vooral van Mussert). Over foto’s is er veel meer twijfel. Elk handboek gebruikt
zijn eigen foto van Mussert, waardoor er veel soorten foto’s zijn (alleen, samen met andere NSB’ers,
met Duitse bezetters) en deze foto’s niet vaak terugkomen.
292
BLOM, J.C.H. e.a., Sprekend Verleden: een geschiedenis van de wereld. Deel 3 – basis, Nijgh & Van Ditmar
Educatief, Rijswijk, 1986, pg. 85
293
BLOM, J.C.H e.a., Sprekend Verleden: bovenbouw havo/vwo deel 1, Nijgh & Van Ditmar Educatief, Rijswijk,
1994, pg. 127
66
Conclusie: Van 1946 tot 1953 vind ik geen enkele foto over de NSB terug. Het lijkt erop alsof de
auteurs de leerlingen vlak na de Tweede Wereldoorlog niet te veel willen choqueren en overvallen
met gevoelige foto’s rond heikele thema’s. De eerste afbeeldingen van de NSB zijn cartoons van
Mussert, waarop Mussert wordt afgebeeld als het zwakke hulpje van de Duitse bezetter. Voor de
periode vóór 1970 merken we op dat karikaturen en tekeningen domineren wanneer het over de
NSB gaat. Pas in 1971 vinden we de eerste ‘neutrale’ foto terug. Desondanks zijn er nog verschillende
handboeken die de politieke rol van Mussert in het belachelijke trekken door hem heel subtiel te
kleineren. Maar authentieke foto’s van Mussert zijn een absolute minderheid in de leerboeken tot
1975. Pas nadien vinden foto’s meer en meer hun weg naar de leerboeken, maar foto’s van Mussert
blijven schaars.
Eind de jaren ’70 wordt er wel kritischer omgegaan met het beeldmateriaal. A.d.h.v. kritische vragen
en een meer neutraal onderschrift bij de foto’s tracht men de leerlingen zelf een mening te laten
formuleren. Na 1980 is Mussert niet meer de enige persoon die in het kader van de NSB wordt
afgebeeld, er worden er ook andere facetten van de NSB belicht. Tegen het einde van de jaren ’80 en
het begin van de jaren ’90 is het beeldmateriaal heel divers. Er is slechts één constante: er wordt
maar van één persoon cartoons getoond: Anton Mussert. Eind jaren ’80 en begin jaren ’90 vinden
ook gevoelige thema’s (Vijfde Colonne en Bijltjesdag) hun ingang bij de leerboeken.
Tenslotte wil ik even opmerken dat, in tegenstelling tot de teksten in de leerboeken, het
beeldmateriaal veel langer subjectief blijft. Er zit een vertraging van ongeveer 10 jaar op het
beeldmateriaal. Dit valt te verklaren aangezien beelden meer emoties opwekken en ook meer tot het
collectieve geheugen horen. Zeker de eerste decennia is b.v. het beeld van Mussert non-stop
negatief, terwijl in de leerboekteksten al nuances worden gemaakt bij de persoon van Mussert en de
macht van de NSB.
67
4.3.
Algemene conclusie
Het Nederland van kort na de Tweede Wereldoorlog wil zich herpakken na een periode van
collaboratie, verzet en repressie. Ook de Bijzondere Rechtspleging is een actueel thema: “De meeste
politieke delinquenten worden in 1947-1948 weer vrijgelaten. In steden als Haarlem en Amsterdam
zijn relatief veel ex-politieke delinquenten, en gaat het in die jaren om grote groepen die worden
vrijgelaten (…).”294 Desondanks komt de repressie niet aan bod in de leerboeken die tijdens deze
periode verschijnen.
Het is duidelijk dat Nederland vlak na de Tweede Wereldoorlog op zoek gaat naar een identiteit. Die
vinden ze in de tegenstelling ‘wij (Nederlanders) = goed  zij (Duitsers en NSB) = slecht’: “Het antiDuitse vijandbeeld leeft eind jaren veertig sterk. (…) In de gehele naoorlogse periode blijft het antiDuitse en het niet-Duitse een belangrijk element in de Nederlandse identiteit. Wat of wie ‘we’ ook
zijn, in elk geval geen Duitsers.”295 Dit komt ook sterk naar voor in de leerboeken: Mussert staat
symbool voor de ‘lachwekkende’ NSB, de Duitse bezetter wordt vereenzelvigd met het kwade, de
mythe van de 5e colonne is vaste waarde in een aantal leerboeken, … Het onderzoek van André
Beening uit 2001 bevestigt dit: “Het nationaalsocialisme komt volgens hem vaak langs in de lesstof,
meestal met een ‘sterke emotionele betrokkenheid’ en in de schoolboeken constateert hij veel ‘moreel
geladen’ en afkeurende terminologie.”296 Toch zijn er geen foto’s over de NSB (of de Duitse bezetter
in het algemeen) te vinden in de leerboeken. Pas midden jaren ’50 vinden ze hun weg naar de
leerstof. Na de Tweede Wereldoorlog worden de funderingen gelegd voor het negatieve beeld over
de NSB: “Het Nederlandse nationalisme, dat tot 1940 veel met het Duitse gemeenschappelijk had,
werd niet op een vergelijkbare manier (zoals in Duitsland na WO II, nvdr.) bekritiseerd of aan de orde
gesteld. De NSB en de SS waren fout, Duitsers waren fout (…).”297
In de jaren ’50 wordt de mening van de leerboeken over de NSB bevestigd: “In de eerste periode na
de bevrijding zijn de lessen over de oorlog patriottisch: scholieren leren het verzet als voorbeeld en
overwinnaar te beschouwen, (…) en Duitsers en collaborateurs als ‘fout’ uit te sluiten.”298 Nu de
zoektocht naar een identiteit na de Tweede Wereldoorlog afgerond wordt, gaat men verder op het
eerdere elan: de NSB is één van de oorzaken van de massale razzia’s, de politiek van de NSB vóór de
Tweede Wereldoorlog is een mislukte imitatie van de NSDAP, Mussert is een na-aper van Hitler en de
eerste foto’s in de leerboeken bevestigen deze positie van Mussert t.o.v. Hitler. Op de funderingen
van einde jaren ’40 wordt nu stevig verder gebouwd. Het leermateriaal is ook eenzijdig en mijdt
afwijkende normen en visies: “Lesmateriaal dat niet duidelijk partij kiest tegen nazi-Duitsland, lokt
protest uit.”299
In de jaren ’60 gaan de leerboeken een iets meer objectieve kant uit, maar desondanks blijven de
eenzijdige verhalen onveranderd. Slechts een minderheid van de leerboeken gaat over tot een licht
genuanceerde versie van sommige feiten. Zo wordt voor het eerst aan de mythe van de Vijfde
294
HONDIUS, D., Oorlogslessen. Onderwijs over de oorlog sinds 1945, Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam, 2010,
pg. 61
295
Ibidem, pg. 62-63
296
Ibidem, pg. 40
297
Ibidem, pg. 53
298
Ibidem, pg. 285
299
Ibidem, pg. 83
68
Colonne
getwijfeld (waarna ze voor twintig jaar uit de leerboeken verdwijnt), de
verkiezingsnederlaag van de NSB in 1937 wordt nu ook door externe oorzaken verklaard en er wordt
ook meer gefocust op de politieke rol van Mussert tijdens de bezetting.
Desondanks blijft het om kleine verschuivingen gaan, die het algemeen opgehangen beeld van de
NSB amper konden bijsturen in de richting van de objectiviteit. De leerboeken gebruiken de NSB als
synoniem voor de collaboratie. Collaboratie staat voor landverraad, eigen profijt en slaafsheid.
Nergens wordt er een nuance gemaakt: de NSB is de énige die collaboreert met de Duitse bezetter,
de overige Nederlanders zijn dappere verzetsstrijders. “Door het nadrukkelijk als ‘fout’ bestempelen
van de minderheid van NSB’ers en andere collaborateurs, en het nadrukkelijk uitvergroten van het
verzet, geven de schoolboekenschrijvers de lerende lezers de mogelijkheid zich te identificeren met die
grote meerderheid van ‘goede’ Nederlanders.”300 Men waagt zich ook aan een percentage ‘foute’
Nederlanders: “De sabotage van dit alles was vrijwel algemeen: slechts 10% van de Nederlanders
lieten zich hierdoor vangen.”301 Deze kortzichtige redenering leidt tot de verkeerde conclusie dat
daarmee 90% van de Nederlanders juist was, een beeld dat tot diep in de jaren ’70 onveranderd
blijft.
Dit beeld wordt dan ook nog eens bevestigd door de 21-delige TVreeks De Bezetting van Loe De Jong. In een uitzending over de NSB
worden geen NSB’ers aan het woord gelaten. De Jong antwoordt
hierop: “Ik had die getuigen niet nodig. Van hetgeen de NSB gewild
heeft, kan ik U in ruime mate een beeld geven dat bestaat uit
authentiek filmmateriaal, dat de beweging zelf heeft laten
vervaardigen.”302 De documentaire, die midden jaren ’60 te zien
was op de Nederlandse televisie, toont een subjectief beeld van de
NSB: “Het einde van de aflevering waarin het over de NSB gaat, is
een afsluitend woord waarin de doodstraf voor Mussert als terecht
werd beoordeeld, en daarna wordt in het slotbeeld het boek over de
NSB letterlijk gesloten.”303
Fragment uit aflevering 5 “Mussert
en de Duitsers” van De Bezetting,
waarin presentator De Jong
voorleest uit het doodvonnis van
Mussert.
Hondius stelt vast dat het beeld van de NSB tijdens de jaren 70’ vastgeroest zit: “Het beeld over de
NSB in schoolboeken lijkt na de jaren zestig en zeventig, waarin het goed-foutschema domineert, niet
meer te veranderen.”304 Als voorbeeld citeert ze een leerboek uit 1970, een citaat dat ik ook gebruik
in deze scriptie: “Daar N.S.B.-ers hierin de leiding kregen, weigerden alle “echte” (d.w.z. anti-Duitse)
Nederlanders zich hierbij aan te sluiten.“305 Dit moet toch genuanceerd worden: in de jaren ’70 zien
we een duidelijke evolutie naar een kritisch onderwijs, al is de weg nog lang: in het begin van de
jaren ’70 wordt voor het eerst melding gemaakt van het feit dat de NSB aanvankelijk op het fascisme
van Mussolini was gebaseerd. In de jaren ’70 vermindert de negatieve connotatie van Mussert (zowel
300
HONDIUS, D., Oorlogslessen. Onderwijs over de oorlog sinds 1945, Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam, 2010,
pg. 122
301
BEEMSTERBOER, W. e.a., Wereld in wording, Van Goor zonen, ’s-Gravenhage, 1956, pg. 375
302
VOS, C., Televisie en bezetting. Een onderzoek naar de documentaire verbeelding van de Tweede
Wereldoorlog in Nederland. Verloren, Hilversum, 1995, pg 97-98
303
HONDIUS, D., Oorlogslessen. Onderwijs over de oorlog sinds 1945, Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam, 2010,
pg. 106-107
304
Ibidem, 2010, pg. 125
305
ADANG, A. e.a., Mensen en machten 4h, Meulenhoff Educatief, Amsterdam, 1970, pg. 146
69
als persoon als politiek figuur). Er wordt voor het eerste vermeld dat niet enkel de NSB collaboreerde
met de Duitsers en dat het aantal collaborateurs niet moet onderschat worden. Daarnaast blijft de
NSB wel symbool voor de collaboratie. Eind de jaren ’70 wordt er meer en meer kritisch omgegaan
met het beeldmateriaal d.m.v. kritische vragen en een meer neutraal onderschrift bij de foto’s. Ook
duiken in de jaren ‘70 de eerste ‘neutrale’ foto ’s op, daar waar er tussen 1946 en 1969 enkel
cartoons over de NSB werden opgenomen in de leerboeken.
Deze evolutie zet zich door in de jaren ’80, wanneer de leerlingen voor het eerst effectief kritisch
moeten leren denken bij bepaalde thema’s. Zo duikt de mythe van de Vijfde Colonne terug op, maar
nu wordt deze gekaderd binnen een bronnenonderzoek. De vooroorlogse politiek van de NSB wordt
ook objectiever en rationeler weergegeven, waarbij de meeste leerboeken wijzen op de relatie
tussen Mussert en Mussolini i.p.v. Hitler. Vooral Mussert wordt in deze periode neutraler besproken:
“(…) ook de ‘daders’ verdienen expliciet aandacht in het onderwijs. In de kernpunten is aandacht voor
allerlei aspecten, en ook voor een moreel doel, waarbij eerdergenoemde pedagoge Lea Dasberg
wordt aangehaald: ‘Onderwijs het kwaad dus niet,’ maar leer kinderen ‘het goede en het kwade te
onderscheiden’.”306 De opdeling ‘goed-slecht’ wordt in de leerboeken ook genuanceerd: in de jaren
’90 wordt voor het eerst de grijze zone tussen collaboratie en verzet bij naam genoemd:
‘accommodatie’. Eind jaren ’80 en begin jaren ’90 vinden ook gevoelige thema’s (Vijfde Colonne en
Bijltjesdag) hun ingang in de leerboeken. Toch blijven een aantal thema’s sterk gekleurd: de rol van
de NSB bij de Jodenvervolging wordt tot in de jaren ’90 belicht, waarbij slechts weinig leerboeken
vermelden dat de NSB niet de enige was die hielp bij de razzia’s en deportaties.
Er vallen dus 3 grote golven op over de informatie in de leerboeken over de NSB: van 1946 tot 1960
is de tweedeling ‘wij (Nederland) = goed  zij ‘(Duitsers en NSB) = slecht’ algemeen in de
leerboeken. Tussen 1960 en 1975 zien we pogingen van leerboeken om een objectiever beeld weer
te geven, maar dit beperkt zich slechts tot voetnoten in de leerstof. Tussen 1975 en begin jaren ’80 is
er een duidelijke overgangsperiode, waarin de leerboeken de leerstof objectiever benaderen en ook
de onderschriften van foto’s neutraler worden, al komt er wel kritiek op de keuze van het
beeldmateriaal: “Veel foto’s zijn destijds gemaakt voor propagandadoeleinden. Dat betekent dat we
een nazi meestal zien zoals nazi’s dat wensten: als de overwinnaar, groot, sterk, imposant, van
onderaf opgenomen, streng maar ook als ontspannen kindervriend.”307 Pas vanaf midden jaren ’80
zien we een evolutie naar een kritisch beeld over de NSB en de collaboratie in het algemeen, waarbij
men voluit met de vinger durft wijzen naar het eigen volk.
Mussert wordt gegroet door de NSB-aanhang.
306
HONDIUS, D., Oorlogslessen. Onderwijs over de oorlog sinds 1945, Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam, 2010,
pg. 192
307
Ibidem, pg. 262
70
5. Onderzoek 2: Jodenvervolging
5.1.
Wetenschappelijk kader
Tijdens de Tweede Wereldoorlog is bijna 75% van de Nederlandse joodse bevolking (102 000 van de
140 000) omgekomen ten gevolge van de nazipolitiek en zijn navolging hiervan in Nederland. 308 In
tegenstelling tot andere West-Europese landen (Belgie: 42%, Frankrijk: 36%, Italië: 17%) schaart
Nederland zich hiermee in het rijtje van streng antisemitische landen die we vooral in het voormalige
Oostblok vinden (Polen: 89%, Hongarije: 82%, Joegoslavië: 77%).309
Hoe komt het dat in Nederland, in tegenstelling tot de buurlanden, de Endlösung zich zo hevig heeft
kunnen voltrekken, dat zelfs Adolf Eichmann, verantwoordelijk voor de logistiek rond de Holocaust,
lovend was over de (mede)werking van Nederland: “In den Niederlanden war das eine Pracht!”.310
Er worden zes algemene oorzaken vermeld:311
1. Het in Nederland uitstekend functionerende registratiesysteem, waarbij de joden werden
geregistreerd met een vetgedrukte “J” naast hun naam;
2. De concentratie van joden in de steden, voornamelijk in Amsterdam;
3. De kopgeldpremies; 312
4. De geografische ligging tussen Duitsland en het bezette België;
5. Het gebrek aan morele en mentale weerbaarheid bij de overgrote meerderheid van de
bevolking;
6. De integratie van de Nederlandse joden in het Nederlandse systeem, waardoor ze zich, in
tegenstelling tot andere groepen joden, wel inlieten met de nationale autoriteiten en
wetten.
De vervolging van de joodse bevolking voltrok zich op alle niveaus: vanuit de politiek (NSB), politie,
verklikkers, premiejagers, … Vooral deze laatste oorzaak drong pas decennia na de Tweede
Wereldoorlog door bij de Nederlandse bevolking.
De overlevingskansen van de joodse bevolking in Nederland hing samen met een aantal factoren:
1) Naarmate de joden ouder waren, stegen hun overlevingskansen;
2) Joden met een andere nationaliteit dan de Duitse of Nederlandse hadden grotere
overlevingskansen;
De woonplaats had een dubbele betekenis: joden die in de stad woonden (zoals in Amsterdam)
konden gemakkelijker in de anonimiteit ontsnappen, in tegenstelling tot de joden buiten de steden.
Anderzijds was de concentratie van de joodse bevolking in de steden een belangrijke factor voor de
308
VAN DER ZEE, S., Vogelvrij: de jacht op de Joodse onderduiker, De Bezige Bij, Amsterdam, 2010, pg. 9
Ibidem, pg. 9
310
Ibidem, pg. 10
311
Ibidem, pg. 10
312
Kopgeldpremies: In het bezettingsjaar 1943 schuimde een groep van ruim vijftig Nederlanders in Duitse
politiedienst stad en land af op zoek naar joden die waren ondergedoken. Per gearresteerde jood (‘per kop’
kregen ze van de Duitse bezetter een geldsom.
309
71
bezetter om de joden consequent samen te troepen en te exporteren, terwijl dit moeilijker lag buiten
de steden.313
De anti-joodse politiek werd door de Duitse bezetter stapsgewijs toegepast in de Nederlandse
politiek: eerst isoleerde de vijand de joden door hen te beroven van burgerrechten en goederen. Hij
dwong hen te leven in een tot in de finesses gesegregeerde gemeenschap. De afzondering vond nog
plaats op Nederlandse bodem, maar de misdaad werd uiteindelijk bezegeld door deportatie naar de
concentratie- en uitroeiingskampen.
5.1.1. Voor de Tweede Wereldoorlog
Begin jaren ‘30 leefden en werkten er joden in ±40% van de Nederlandse steden en dorpen, waarvan
een meerderheid geassimileerd of geïntegreerd was.314 Nadat de Nationalsozialistische Deutsche
Arbeiterpartei of NSDAP in 1933 aan de macht kwam en Hitler als rijkskanselier werd aangesteld,
vluchtten vele joden weg uit Duitsland. Nederland liet deze vluchtelingen eerst vlot toe op zijn
grondgebied, maar in 1934 werd een eerste reeks maatregelen afgekondigd om de
vluchtelingenstroom in goede banen te kunnen leiden: politieoptreden, grensbewaking, uitwijzingen,
…315 Vanaf 1935 werd asiel aanvragen voor niet-Nederlanders een stuk moeilijker doordat ze
moesten bewijzen dat ze, indien ze werden teruggestuurd naar hun land van herkomst, in
levensgevaar verkeerden.
De redenen hiervoor waren dat er, naast de massale vluchtelingenstroom uit Duitsland, nog andere
problemen waren in Nederland: de economische crisis in het Interbellum had ook in Nederland hard
toegeslagen, met inflatie en werkloosheid tot gevolg. Ook de opkomst van de Nederlandse
antisemitische partij, het NSB, zorgde ervoor dat de Nederlandse regering de Jodenhaat niet in de
hand wilde werken door alsmaar meer joden tot Nederland toe te laten, zodat ze strenger ging
oordelen bij asielaanvragen. 316 Na een eerste vluchtelingengolf in 1933 daalde de toestroom, om
vanaf 1938 (met de Anschluss en Kristallnacht als primaire triggers) weer te stijgen.317
De Nederlandse bevolking reageerde in eerste instantie afwijzend op de vluchtelingen. Men vond dat
ze zich niet aanpasten en de landstaal niet spraken.318 Overal in Nederland vonden er wel
gewelddadigheden plaats tegen joden, maar dit waren particuliere uitspattingen, geen tekenen van
antisemitisch geweld.319 Later in de jaren ’30 werd het protest in Nederland tegen de nazipolitiek en
de joodse slachtoffer luider. Korte, maar krachtige protestacties werden zichtbaar in het straatbeeld
en ook de politiek werd aangeschreven. Het protest vond vooral zijn weg via intellectuele
313
CROES, M., “Gif laten wij niet voortbestaan”. Een onderzoek naar de overlevingskansen van joden in de
Nederlandse gemeenten, 1940-1945, Aksant, Amsterdam, 2006, pg. 532
314
ABICHT, L., Geschiedenis van de joden van de Lage Landen, Meulenhoff, Amsterdam, 2006, pg. 278
315
BLOM, J., Geschiedenis van de joden in Nederland, Uitgeverij Balans, Amsterdam, 1995, pg. 297
316
VAN DER ZEE, N., Om erger te voorkomen: de voorgeschiedenis en uitvoering van de vernietiging van het
Nederlandse jodendom tijdens de Tweede Wereldoorlog, Meulenhoff, Amsterdam, 1997, pg 79
317
BLOM, J., Geschiedenis van de joden in Nederland, Uitgeverij Balans, Amsterdam, 1995, pg. 296
318
VAN DER ZEE, N., Om erger te voorkomen: de voorgeschiedenis en uitvoering van de vernietiging van het
Nederlandse jodendom tijdens de Tweede Wereldoorlog, Meulenhoff, Amsterdam, 1997, pg. 79
319
VAN DER HEIJDEN, C., Grijs verleden: Nederland en de Tweede Wereldoorlog, Uitgeverij Contact,
Amsterdam, 2001, p. 213
72
groeperingen die op frequente basis pamfletten en brochures lieten drukken waarop hun
wantrouwen en vrees voor het antisemitisme duidelijk naar voor komt. Maar al bij al bleef het bij
kleine manifestaties, veelal georganiseerd door joodse belangengroepen. Men was van oordeel dat
‘het wel mee zal vallen’. 320 Ook de reactie van de Nederlandse overheid bleef uit. Van Der Zee
spreekt over de politieke rol als volgt: “Veel kon men ook niet doen met een regering die eigenlijk
naar niemand luisterde als het over dit probleem ging (…). De Nederlandse regering heeft zich tijdens
de jaren dertig noch financieel, noch menselijk gesproken, veel aan de vluchtelingen van joodse
afkomst gelegen laten liggen.”321
5.1.2. Inval van Duitsland
Op 10 mei 1940 viel het Duitse leger Nederland binnen, zeven dagen later werden de wapens
neergelegd. Al snel had koningin Wilhelmina en een select deel van haar kabinet Nederland ontvlucht
naar Engeland. Het ongeloof bij de achtergebleven regering en de bevolking is groot:
opperbevelhebber Winkelman vond het ‘schandelijk’. 322 De vlucht van kroon en kabinet heeft de
staatsrechterlijke basis voor het Duitse civiele bestuur geschapen.323 De Duitse bezetter bracht
aanvankelijk vooral staatsrechtelijke veranderingen op nationaal niveau: de naar Londen gevluchte
regering maakte plaats voor een technocratisch ingestelde secretaris-generaal die van de bezetter
grote verordenende bevoegdheden kreeg.324 ‘Reichskommissar’
Seiβ-Inquart, die een niet miskenbare antisemitische politiek
voerde in de eerste twee jaar van de bezetting, kreeg de officieuze
leiding over het Nederlandse gebied. Nadat Duitsland heel
Nederland veroverde, werd het voor de joodse bevolking duidelijk
dat ze ook in Nederland niet veilig meer waren voor de
nazipolitiek. Een aantal joden en antifascisten beseften welke
Geëmigreerde
Duitse
joden gevaren ze liepen en trachtten overzee te vluchten. Enkele
worden in Amsterdam opgepakt
honderden joden zijn hierin geslaagd. Anderen zagen meer heil in
een zelfmoord(poging).325
In de maanden na de invasie waren er sporadische voorbeelden van anti-joods vandalisme, maar dit
werd slechts uitgevoerd door een marginale groep van antisemieten. 326 Ook werden bepaalde
joodse werknemers ontslagen zonder dat de Duitse bezetter daar expliciet om vroeg. Deze
preventieve acties bereidden het klimaat voor dat de Judenaktion zou vergemakkelijken. 327 Maar de
320
VAN DER ZEE, N., Om erger te voorkomen: de voorgeschiedenis en uitvoering van de vernietiging van het
Nederlandse jodendom tijdens de Tweede Wereldoorlog, Meulenhoff, Amsterdam, 1997, pg. 81
321
Ibidem, pg. 87-88
322
Ibidem, pg. 147
323
Ibidem, pg. 153
324
VERBEKE, J., De organisatie van de Jodenvervolging in België en Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog:
Daders-Slachtoffers-Omstanders, scriptie, 2002, p. 154
325
BLOM, J., Geschiedenis van de joden in Nederland, Uitgeverij Balans, Amsterdam, 1995, pg. 316
326
ABICHT, L., Geschiedenis van de joden van de Lage Landen, Meulenhoff, Amsterdam, 2006, pg. 289
327
Ibidem, pg. 290
73
bezetter besefte dat plotse, strenge restricties een averechts effect zouden kennen en het
wantrouwen van de onwetende bevolking alleen maar zou versterken.328
Na enkele weken doken de eerste “Joden niet gewenscht”-bordjes op, vonden er preventieve
ontslagen van joden plaats en in juni 1940 werden anti-joodse wetten afgekondigd. De wetten
vonden in eerste instantie plaats op het administratieve vlak: de eerste wet hield in dat joden
werden uitgesloten van werk op gemeentelijk niveau en de vrijwillige luchtbeschermingsdienst. 329
Op slechts vijf maanden tijd waren alle joodse ambtenaren ontslagen, werden zij als ‘jood’
geregistreerd en zo van het gewone leven geïsoleerd. De zogenaamde Ariërsverklaring, het
administratief vastleggen van wie joods ambtenaar was, is de onmiskenbare opstap geweest naar het
isoleren van het jodendom in Nederland. 330 Iedereen werden gedwongen een verklaring te
ondertekenen waarin ze moesten opgeven of zijzelf al dan niet joodse ouders en grootouders
hadden. Hetzelfde gold voor de echtgenoten van joden.331 De joden werden ingedeeld in categorieën
en kregen daarbij ook nog een kenteken: “vol joods” (3 of 4 joodse grootouder hebbende) werd
geclassificeerd met een “J”, “halfjoden” (2 joodse grootouders) met “G1” en “kwartjoden” met
“G2”.332 Een paar maanden later werden ruim 25 000 joden ontslagen die in overheidsdiensten
werkten.333 Het was voor de bezetter belangrijk om te weten wie ‘vol-joods’ was. Vele anti-joodse
maatregelen waren enkel van toepassing op de ‘vol-joden’, joden met minstens 3 joodse
grootouders.334
Na het bestuursapparaat werd ook de economische sector aangepakt: alle joden moesten vanaf
oktober 1940 hun economische eigendommen laten registeren. Zo werden lijsten opgesteld van alle
ondernemingen in joods bezit of met een belangrijke aandelenpakket in handen van joden.335 Toen in
de herfst van 1940 besloten werd alle Nederlanders van 15 jaar of ouders een persoonsbewijs te
bezorgen, kon men van de gelegenheid gebruik maken om het ‘percentage joodsheid’ op het
document te vermelden. Door deze administratieve registratie van joden in Nederland kwam men in
de zomer van 1941 tot het besluit dat er in Nederland 140 522 joden woonden, samen met 14 549
halfjoden en 5719 kwartjoden.336, 337 Na de registratie volgde de systematische isolatie: er werden
aparte scholen opgericht voor joodse kinderen, men mocht geen gebruik meer maken van openbare
plaatsen als het zwembad, parken, musea of concertzalen. De verwijdering van joodse studenten uit
middelbare scholen en universiteiten na de zomervakantie van 1941 kwam hard aan.338 Ook werden
ze geweigerd in openbare verzorgingsinstellingen. Het verwijderen van de joden uit het openbare
leven of de Entjudung werd nu heel zichtbaar. 339 In autustus 1941 werden alle joden verplicht om
328
BLOM, J., Geschiedenis van de joden in Nederland, Uitgeverij Balans, Amsterdam, 1995, pg. 316
VAN DER ZEE, N., Om erger te voorkomen: de voorgeschiedenis en uitvoering van de vernietiging van het
Nederlandse jodendom tijdens de Tweede Wereldoorlog, Meulenhoff, Amsterdam, 1997, pg. 167
330
Ibidem, pg. 158
331
ABICHT, L., Geschiedenis van de joden van de Lage Landen, Meulenhoff, Amsterdam, 2006, pg. 290
332
CROES, M., “Gif laten wij niet voortbestaan”. Een onderzoek naar de overlevingskansen van joden in de
Nederlandse gemeenten, 1940-1945, Aksant, Amsterdam, 2006, pg. 32
333
BLOM, J., Geschiedenis van de joden in Nederland, Uitgeverij Balans, Amsterdam, 1995, pg. 318
334
VERBEKE, J., De organisatie van de Jodenvervolging in België en Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog:
Daders-Slachtoffers-Omstanders, scriptie, 2002, p. 178
335
ABICHT, L., Geschiedenis van de joden van de Lage Landen, Meulenhoff, Amsterdam, 2006, pg. 291
336
Ibidem, pg. 294
337
BLOM, J., Geschiedenis van de joden in Nederland, Uitgeverij Balans, Amsterdam, 1995, pg. 320
338
Ibidem, pg. 323
339
ABICHT, L., Geschiedenis van de joden van de Lage Landen, Meulenhoff, Amsterdam, 2006, pg. 300
329
74
hun banktegoeden over te maken naar de Amsterdamse bank Lippmann-Rosenthal & Co.340 Ook
werden alle percelen in het bezit van joden onteigend.341 Zo werden de joden in het twintigsteeeuwse Nederland in een situatie gedwongen die vaak is vergeleken met de ghetto’s uit vroegere
tijden.342
Om al deze anti-joodse maatregelen vlotter te laten verlopen, werd de Joodse raad opgericht, een
organisatie die in handen werd gezien van de Duitsers. Overal in het bezette Europa onderhielden de
Duitsers het contact met joodse gemeenschappen via instanties die ze zelf in het leven hadden laten
roepen. Om de joden te kunnen onderwerpen versterkten de vervolgers de interne organisatie van
het lokale en nationale joodse leven, waarin de Joodse Raad het bindend element en tevens enig
doorgeefluik voor Duitse maatregelen was. In dit mengsel van isolatie en zelfbestuur bestond de
individuele jood niet meer voor de Duitse autoriteiten.343
Nederlands verzet tegen de antisemitische politiek bleef ondanks alle maatregelen op een laag pitje.
Er waren bv. joodse knokploegen gevormd ter bescherming tegen de stormtroepen van het NSB.
Soms waren er ook spontane, collectieve acties: de Februaristaking van eind februari 1941 is hier het
bekendste voorbeeld van. Honderden joodse jongemannen werden brutaal opgepakt en op transport
gezet naar concentratiekampen in Oost-Europa. Als reactie hierop werd het werk neergelegd in
Amsterdam (en later ook in andere steden). Op de tweede dag van de staking greep de Duitse
bezetter hardhandig in met arrestaties, deportaties en executies.344 Aangezien deze reactie kaderde
binnen een algemeen verzet tegen de Duitse bezetter, kan men niet zeggen dat men eenzijdig
protesteerde tegen de antisemitische politiek die werd gevoerd.345 Er werd ook geprotesteerd tegen
de Duitse aanwezigheid in het algemeen en tegen de gedwongen tewerkstelling in Duitsland. De
acties zijn daarom te algemeen en indien deze het effectief tegen het antisemitisme opnemen, zijn ze
van zulke ongeorganiseerde en individuele aard dat men niet van een collectief bewustzijn kan
spreken. Pas tegen 1943 vonden georganiseerde acties plaats, vooral binnen het kader van het
verzet. 346 Van der Zee stelt als volgt: “Het Nederlandse volk als geheel valt niet veel te verwijten. Men
kon niet alleen vanwege de zware straffen en represaillemaatregelen van de Duitsers zo weinig doen,
maar ook omdat de eigen leiders hadden verboden om verzet te plegen.”347
340
BLOM, J., Geschiedenis van de joden in Nederland, Uitgeverij Balans, Amsterdam, 1995, pg. 324
Ibidem, pg. 324
342
BLOM, J., Geschiedenis van de joden in Nederland, Uitgeverij Balans, Amsterdam, 1995, pg. 324
343
Ibidem, pg. 321
344
VERBEKE, J., De organisatie van de Jodenvervolging in België en Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog:
Daders-Slachtoffers-Omstanders, scriptie, 2002, p. 156
345
VAN DER ZEE, N., Om erger te voorkomen: de voorgeschiedenis en uitvoering van de vernietiging van het
Nederlandse jodendom tijdens de Tweede Wereldoorlog, Meulenhoff, Amsterdam, 1997, pg. 172-173
346
Ibidem, pg. 174
347
Ibidem, pg. 247
341
75
5.1.3. Deportatie begint met een ster
De sociale gevolgen van de toenemende anti-joodse maatregelen kon niet uitblijven: vanaf 3 mei
1942 mocht geen enkele jood nog in de publieke sfeer komen zonder het dragen van de gele
Jodenster. De meeste joden ondergingen deze nieuwe maatregel met gelatenheid en
onverschilligheid.348 Vele joden zagen het als een symbool van hun afkomst dat ze niet
verloochenden. Er vonden ludieke protestacties plaats, zoals in Deventer, waarbij studenten door de
stad trokken met op hun kleren de opschriften “hervormd” of “katholiek” gedrukt.349 De segregatie
bereikte nu zijn hoogtepunt en maakte plaats voor een nieuw hoofdstuk, de deportatie. De
verwijdering begon effectief met de oprichting van de werkkampen die zogenaamd moesten dienen
om de hoge werkloosheid van de joden in de grote steden te verminderen. De maatregel werd op
weinig enthousiasme onthaald bij de werkloze joodse bevolking. 350 Desondanks werden de joden
door de Joodse Raad aangespoord zich toch maar te laten registeren voor deze werkkampen,
aangezien de vrees voor deportatie naar “echte” strafkampen in Duitsland (zoals Mauthausen) groot
was bij gebrek aan interesse. Door deze oproep meldden ongeveer 7500 mannen zich aan voor deze
werkkampen. Maanden later werden deze mannen getransporteerd naar het Nederlandse
transitkamp Westerbork om van daaruit te worden vervoerd naar de Poolse uitroeiingkampen.351
De vrijheidsbeweging van joden werd nog meer ingeperkt: ze mochten
geen fietsen, auto’s of openbaar vervoer gebruiken, mochten niet
telefoneren en de avondklok werd verlengd van 18u tot 6u.352 Wie een
overtreding van deze of de voorgaande wetten beging, werd zwaar
gestraft en vaak op transport naar Mauthausen gezet.353 Al snel na de
Joden werden geweerd uit bezetting ontstond het idee om werkkampen op te richten in Nederland,
private en publieke ruimtes die uiteindelijk bedoeld waren om de deportatie naar Oost-Europa te
vergemakkelijken. In combinatie met de anti-joodse maatregelen en
wetgevingen zorgde dit ervoor dat de voorbereidingen voor de transporten naar de
uitroeiingskampen voltooid waren.354 Op 20 juni 1942 werd begonnen met de gestructureerde
deportatie van joden uit Nederland, waarbij Westerbork als transitkamp diende (zie punt 5.1.4). De
bezetter voerde ook een psychologische oorlog: men werd gaandeweg niet meer verwittigd per brief
dat men gedeporteerd werd, men moest wachten tot men thuis langskwam om je rechtstreeks mee
te nemen. Zo werd protest in de kiem gesmoord.355 Toen de joden werden opgeroepen voor
deportatie, kwam er geen massaal protest van de niet-joodse bevolking. Wel vonden er individuele
acties van ambtenaren plaats.356
348
ABICHT, L., Geschiedenis van de joden van de Lage Landen, Meulenhoff, Amsterdam, 2006, pg. 303-304
BLOM, J., Geschiedenis van de joden in Nederland, Uitgeverij Balans, Amsterdam, 1995, pg. 328
350
ABICHT, L., Geschiedenis van de joden van de Lage Landen, Meulenhoff, Amsterdam, 2006, pg. 306
351
Ibidem, pg. 306
352
BLOM, J., Geschiedenis van de joden in Nederland, Uitgeverij Balans, Amsterdam, 1995, pg. 331
353
Ibidem, pg. 331
354
VERBEKE, J., De organisatie van de Jodenvervolging in België en Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog:
Daders-Slachtoffers-Omstanders, scriptie, 2002, p. 160
355
BLOM, J., Geschiedenis van de joden in Nederland, Uitgeverij Balans, Amsterdam, 1995, pg. 333
356
Ibidem, pg. 334
349
76
De joodse bevolking zat tussen twee vuren: wie zich niet vrijwillig voor deporatie naar de
werkkampen aanmeldde, zou door de politie en de Gestapo worden gearresteerd en rechtstreeks
naar Duitse concentratie- en strafkampen worden afgevoerd. De enige oplossing bestond erin om op
de lijst van Joodse raad te geraken, waarop men vrijgesteld was van deporatie. Zo waren er in april
1943 meer dan 15 000 joden in het bezit van een vrijstelling.357 Helaas bestond deze lijst
voornamelijk uit de joodse elite (academici, medewerkers van de Joodse Raad, gegoede burgers),
waardoor de modale jood machteloos stond. Naast deze geprivilegieerde lijsten waren er ook
industrietakken die (voor een bepaalde tijd) beschermd werden, zoals de diamant- en kledingssector,
maar deze lijsten werden gaandeweg over de gehele lijn opgeheven.358 In mei 1943 kreeg de Joodse
Raad de onthutsende opdracht om mensen aan te duiden van die we bescherming kon vervallen.
Andere maatregelen om deportatie te vermijden waren gedwongen sterilisatie (voornamelijk voor
kinderloze mannen en vrouwen uit gemengde huwelijken) en vrijstellingen voor gedoopte joden voor
de inval van 9 mei 1940.359 Maar dit waren slechts tijdelijke oplossingen, waardoor men in praktijk
twee échte oplossingen had: vluchten of onderduiken. Een paar duizend joden zijn er succesvol in
geslaagd om te vluchten naar Engeland, Spanje of Zwitserland. Maar vele joden hadden geen geld of
connecties genoeg om deze lange en risicovolle reis te ondernemen en kozen ervoor om onder te
duiken in Nederland.
Voor een succesvol verloop van onderduiken (zowel van individuen (zoals kinderen) als van hele
gezinnen) is een goed gestructureerd systeem nodig. Ongeveer 25000 personen waren
ondergedoken tussen 1942 en het einde van de bezetting, 9 000 van hen werden toch door de
Nederlandse of Duitse politie gevat.360, 361 Afhankelijk van de omstandigheden werden huishoudelijke
diensten of medewerking op boerderijen of andere bedrijven gevraagd. Tienduizenden niet-joodse
Nederlanders hebben de ondergedoken joodse bevolking geholpen door ze onderdak,
voedselbonnen en vervalste paspoorten aan te bieden. Deze acties zijn niet los te denken van het
antifascistische verzet, die zorgde voor het vervalsen van paspoorten en officiële documenten. Bij
deze groeperingen waren ook joden actief, maar in tegenstelling tot Frankrijk en België waren er in
Nederland geen zuiver joodse verzetsgroepen.362 Ondanks deze was er ook een minderheid die
profiteerde van de penibele situatie van de joden: bij gebrek aan geld of goederen of door
intimidatie hebben zij ondergedoken joden aan de Duitse overheid overgeleverd. Desondanks deze
pogingen werden tussen 15 juli 1942 en 17 september 1944 meer dan 100 000 joden gedeporteerd,
waarvan er slechts 5 200 de kampen zouden overleven. Net zoals alle joden zich lieten registeren, zo
liet de overgrote meerderheid zich wegvoeren.363 De vraag die men moet stellen is: “waarom
zoveel?”. Van der Heijden noemt gezagsgetrouwheid een belangrijke factor: Nederland kende een
burgerlijke cultuur die gekenmerkt werd door tevredenheid en waarin gehoorzaamheid voor zich
sprak.364
357
VAN DER HEIJDEN, C., Grijs verleden: Nederland en de Tweede Wereldoorlog, Uitgeverij Contact,
Amsterdam, 2001, p. 217
358
ABICHT, L., Geschiedenis van de joden van de Lage Landen, Meulenhoff, Amsterdam, 2006, pg. 308
359
ABICHT, L., Geschiedenis van de joden van de Lage Landen, Meulenhoff, Amsterdam, 2006, pg. 309
360
Ibidem, pg. 310
361
BLOM, J., Geschiedenis van de joden in Nederland, Uitgeverij Balans, Amsterdam, 1995, pg. 338
362
ABICHT, L., Geschiedenis van de joden van de Lage Landen, Meulenhoff, Amsterdam, 2006, pg. 311-312
363
VAN DER HEIJDEN, C., Grijs verleden: Nederland en de Tweede Wereldoorlog, Uitgeverij Contact,
Amsterdam, 2001, p. 225
364
Ibidem, p. 233
77
5.1.4. “Alle wegen leiden door Westerbork”
Tot juli 1942 werd het isolement van de Nederlandse joden verstevigd. Vanaf dan vonden de
deportaties plaats. Net zoals Breendonk in België, was Westerbork een transit- en werkkamp. Het
aantal joden in Westerbork steeg sterk vanaf het begin van de deportaties: van 22 Duitse joden op 9
oktober 1939 tot 14000 joden op 3 oktober 1942. Door deze explosie was er nood aan een tweede
transitkamp, dat werd gebouwd in Vught. Het kampleven zelf was vol psychische en fysieke
ontberingen. Ook de constante dreiging van transport naar Oost-Europa was allesbepalend.365 De
Duitsers stelden in de transitkampen een joods zelfbestuur op om ook de laatste fase van de
deportaties zo vlot mogelijk te laten verlopen.366
Eerst werd de joodse bevolking schriftelijk opgeroepen voor transport. Maar aangezien hier zeer
weinig mensen gehoor aan gaven, ging de bezetter snel over op razzia’s en het huis-aan-huis ophalen
van joden a.d.h.v. naam- en adreslijsten. De ophaalacties werden eerst gevoerd door de
gemeentepolitie, maar al gauw werden speciale eenheden onder Duits bevel opgeroepen om deze
klus te klaren. Eenheden zoals Politiebataljon Amsterdam en Vrijwillige Hulppolitie bestonden uit
NSB’ers en andere sterk Duitsgezinde elementen.367
De eerste trein die deel uitmaakte van het deportatieplan reed binnen in Westerdonk op 15 juli 1942
en had bijna 1000 mensen aan boord.368 Dezelfde dag vertrok een trein met iets meer dan 1000
inzittenden van Westerbork naar Auschwitz. Tegen september 1943 zouden reeds 93 000 joden uit
Nederland naar vernietigingskampen getransporteerd worden.369 In het totaal hebben meer dan
100000 mensen kortere of langere tijd in Westerbork gebleven. Vanaf januari 1944 nam het
transport naar het werkkamp af en in september 1944 vond het laatste transport plaats, met Anne
Frank en familie als betreurde reizigers, aangezien midden september een algemene
spoorwegstaking werd gehouden in Nederland (zie stuk Hongerwinter). 370 In de lente van 1945
werden een duizendtal joden bevrijd door de geallieerden.
Westerbork is voor velen het onmiddellijke voorportaal van de dood geweest. 103 treinen zijn eruit
vertrokken, waarvan 67 naar Auschwitz-Birkenau (60000 personen kwamen aan) en 19 naar Sobibor
(+34000 personen kwamen aan, 20 overleefden).371 Door de strenge straffen op ontsnapping – als
iemand erin slaagde te vluchten, werden anderen ter compensatie op transport naar Oost-Europa
gezet – zijn er maar weinig mensen uit Westerbork gevlucht. 372 Van de 101 000 individuen die ooit in
het kamp hebben gezeten, zijn slechts een 200-tal succesvol kunnen ontsnappen (0,20%).373
365
BLOM, J., Geschiedenis van de joden in Nederland, Uitgeverij Balans, Amsterdam, 1995, pg. 341
Ibidem, pg. 342
367
VERBEKE, J., De organisatie van de Jodenvervolging in België en Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog:
Daders-Slachtoffers-Omstanders, scriptie, 2002, p. 160
368
BLOM, J., Geschiedenis van de joden in Nederland, Uitgeverij Balans, Amsterdam, 1995, pg. 333
369
Ibidem, pg. 333
370
VAN DER ZEE, N., Om erger te voorkomen: de voorgeschiedenis en uitvoering van de vernietiging van het
Nederlandse jodendom tijdens de Tweede Wereldoorlog, Meulenhoff, Amsterdam, 1997, pg. 233
371
BLOM, J., Geschiedenis van de joden in Nederland, Uitgeverij Balans, Amsterdam, 1995, pg. 344
372
Ibidem, 254
373
Ibidem, pg. 342
366
78
5.2.
Handboekanalyse
5.2.1. Verklaringen
5.2.1.1.
De Februaristaking
In het hoofdstuk over de NSB behandelde ik reeds hun rol in de Jodenvervolging. Om niet in
herhaling te vallen leg ik de focus in het hoofdstuk van de Jodenvervolging op de betekenis van de
Februaristaking, die in de Nederlandse nationale geschiedschrijving een grote waarde heeft inzake
het verzet tegen de Duitse bezetting.
Vooreerst heb ik opgemerkt dat omzeggens alle leerboeken de Februaristaking citeren binnen de
leerstof. Dit feit alleen bewijst dat de Februaristaking van grote waarde is voor de Nederlandse
bevolking. Veel evolutie is er niet te merken in de leerboeken over de Februaristaking. Er zijn af en
toe een paar verschillen, maar een aantal kenmerken keren zeer vaak terug:
a) De Februaristaking wordt vaak gekaderd binnen het thema ‘jodenvervolging’ in de
leerboeken, niet als apart concept (bijvoorbeeld binnen het thema ‘verzet’.
b) De Februaristaking wordt vaak verklaard als gevolg van de eerste maatregelen tegen de
joodse bevolking.
c) Amsterdam wordt altijd als kern van de actie beschreven.
d) Geen enkel leerboek vermeldt enig andere concrete oorzaken voor de Februaristaking. Soms
wordt er veralgemeend (verzet tegen de bezetting, …), maar de maatregelen tegen de joden
zijn volgens alle leerboeken dé oorzaak.
In de beginjaren wordt de Februaristaking omschreven als een moedige daad van de Nederlandse
bevolking: “De staking van februari 1941 (…) als waardig protest tegen de Jodenmaatregelen (…).”374,
“Reeds in Februari 1941 koos de Amsterdamse bevolking de kant van de aldus vervolgden en wel met
een staking, die allerwege diepe indruk maakte en naar enkele andere plaatsen oversloeg.”375, ” (…)
Krachtig durfden enkelen protesteren tegen de maatregelen tegen de Joden (…), de Amsterdamse
arbeiders, die in Februari 1941 in staking gingen.”376 Maar vaak wordt er ook vermeld dat de bezetter
deze protestactie hardhandig neersloeg: “Op brute wijze maakten de Duitsers een eind aan deze
sympathiebetuigingen voor de Joden.”377
374
BLONK, A. e.a., Leerboek der algemene en vaderlandse geschiedenis, 1946, J.B. Wolters, Groningen, 1946,
pg. 397
375
DE BOER, M.G. e.a., Beknopt leerbek der geschiedenis van het vaderland: tweede deel, Sijthoff, Leiden,
1947, pg. 80
376
VAN GELDER, H.A., Anderhalve eeuw wereldgeschiedenis: leerboek, P. Noordhoff NV, Groningen, 1948, pg.
285-286
377
BERKELBACH, J.W. e.a., Volken en tijden: uitgave voor het gymnasium, Tjeenk Willink, Zwolle, 1947, pg. 305
79
De Februaristaking wordt ook omschreven als eerste grote georganiseerde actie tegen de bezetter:
“De eerste golf van spontaan verzet op grote schaal kwam naar aanleiding van de Jodenvervolging in
Amsterdam. In Februari 1941 ging men daar tot een staking over.”378, “Enkele malen nam het verzet
een ernstig massaal karakter aan. Zo bv. bij de Februari-staking in 1941, toen de afkeer van de Duitse
maatregelen tegen de Joden plotseling aan het licht kwam.”379 Sommige leerboeken zien de
stakingsactie als een lichtpuntje in donkere tijden: “Toen is er gelukkig ook iets hartsverwarmend
gebeurd: op de terreur in de Jodenwijk volgt de Februaristaking!!”380 Tot midden jaren ’60 wordt ook
nergens vermeld wie de ‘organisator’ is van de actie. Pas in 1967 vinden we hiervan de eerste sporen
terug in de leerboeken: “Op initiatief van communistische groepen brak toen in Amsterdam een
staking uit (…).“381
De meeste leerboeken geven de razzia in Amsterdam op als de directe oorzaak van de
Februaristaking. Hier wordt af en toe melding van gemaakt: “In februari 1941 brak in Amsterdam een
staking uit als protest tegen het vechten met, het mishandelen en wegvoeren van joden door
N.S.B.’ers en Gestapo in de Amsterdamse jodenbuurt.”382 Sommige leerboeken melden dat dit pas de
eerste keer was dat men te weten kwam wat er met de joden gebeurde: “Enkele malen nam het
verzet een ernstig massaal karakter aan. Zo bv. bij de Februari-staking in 1941, toen de afkeer van de
Duitse maatregelen tegen de Joden plotseling aan het licht kwam.”383 Vreemd genoeg maken
sommige leerboeken melding van de niet-joodse achtergrond van de stakers: “De mishandeling van
Joden door N.S.B.-ers leidde in februari 1941 tot moedige proteststakingen van niet-joodse
landgenoten (…).”384,“Als protest tegen de Duitse terreur in Amsterdam brak in februari 1941 een
staking uit. Het was een hoofdzakelijk Amsterdamse staking, van niet-joden, die diep begaan waren
met het lot van hun joodse landgenoten.”385 Een aantal leerboeken beseffen ook dat de
Februaristaking niet veel heeft uitgehaald: “De Februaristaking (…) baatte de Joden niet.”386
Pas eind 1979 wordt voor het eerst vermeld dat de jodenmaatregelen niet de enige oorzaak waren,
maar wel de trigger in het hele concept: “De Jodenvervolging, die ook geleidelijk aan werd
verscherpt, heeft de impuls gegeven aan het verzet. In februari 1941 al kwam het uit protest tot een
staking in Amsterdam.”387 In de jaren ’80 en 90 worden de feiten verder genuanceerder en gekaderd
binnen een groter geheel, waarbij men een onderscheid maakt tussen relatie ‘razzia AmsterdamFebruaristaking’ en de relatie ‘jodenvervolging-verzet’: “Het bruine optreden (…) tegen de joden in
Amsterdam (was) de aanleiding tot de Februaristaking.”388, “Amsterdams antwoord was de
378
BEEMSTERBOER, W. e.a., Wereld in wording, Van Goor zonen, ’s-Gravenhage, 1954, pg. 375
BOONEKAMP, W.J.M. e.a., Memoriael II: gedenkwaardigheden uit de geschiedenis van de mensheid,
Noordhoff, Groningen, 1964, pg. 446-447
380
KLIJNSMA, P., Passage: studieboek voor geschiedenis deel A, Noordhoff, Groningen, 1963, pg. 292
381
VAN DER HOEVEN, M.B., De twintigste eeuw, Meulenhoff, Amsterdam, 1967, pg. 163
382
VAN VOORST VAN BEEST, C.W., Overzicht van de geschiedenis voor vwo en havo deel 5: de nieuwste
geschiedenis vanaf 1914, Malmberg, ’s-Hertogenbosch, 1967, pg. 72
383
BOONEKAMP, W.J.M. e.a., Memoriael II: gedenkwaardigheden uit de geschiedenis van de mensheid,
Wolters-Noordhoff, Groningen, 1969, pg. 457-458
384
ADANG, A. e.a., Mensen en machten 4h, Meulenhoff Educatief, Amsterdam, 1970, pg. 146
385
MICHELS, W. e.a., De Stroom Der Historie: deel 3, Dekker & Van De Vegt, Nijmegen, 1970, pg. 134-137
386
ULRICH, H., Geschiedenis van gisteren: HAVO/VWO-editie, Malmberg, Den Bosch, 1976, pg. 149
387
CEULAERT, A.B. e.a., Kleio voor de vwo-top, Uitgeverij NIB, Zeist, 1979, pg. 101
388
BEETSMA, J., Geschiedeniswerkplaats, havo/vwo examenboek 1983, Wolters-Noordhoff, Groningen, 1982,
pg. 91
379
80
Februaristaking.”389, “Verzet tegen de Duitsers kwam vooral op gang na de Februaristaking in 1941 in
Amsterdam, een protest tegen razzia’s op joden en hun wegvoering.”390, “Het nieuws van de razzia’s
maakte diepe indruk op de Amsterdammers. (…) De staking brak uit op 25 februari en kreeg in
Amsterdam en omgeving massale steun.”391
Conclusie: De Februaristaking krijgt in de Nederlandse geschiedschrijving rond de Tweede
Wereldoorlog een belangrijke waarde rond het verzet tegen de Duitse bezetter. De stakingsactie
wordt decennialang gebruikt als voorbeeld van een groter geheel: het was de eerste keer dat men
massaal protesteerde tegen de Duitsers (ondanks het feit dat de staking niet veel heel uitgehaald, in
tegenstelling tot de spoorwegstaking van september 1944). Voor de leerboeken is het gemakkelijk
om a.d.h.v. concrete voorbeelden een abstracter geheel te schetsen.
De Februaristaking lijkt ook een spontane actie te zijn van alle Nederlanders, maar pas in de jaren ’60
wordt er duidelijk melding gemaakt wie ze organiseerde en wie er allemaal meedeed.
Tenslotte is het ook opvallen dat de leerboeken geen enkele andere concrete oorzaak voor de
Februaristaking vermelden, zoals de gedwongen tewerkstelling in Duitsland. De razzia in Amsterdam
deed de emmer niet op zichzelf vollopen, maar was wel de spreekwoordelijke druppel. Pas in de
jaren ’80 gaan de leerboeken de Februaristaking (korte termijn) kunnen scheiden van het verzet
(halflange termijn).
389
e
KNIGGE, J., Historisch Perspectief: Wereldgeschiedenis van de 20 eeuw. Boek II: 1945-heden, De Vuurbaak,
Barneveld, 1986, pg. 15-17
390
BEENACKERS-HEEREN, B. e.a., Vragen aan de geschiedenis 4/5 havo, Wolters-Noordhoff, Groningen, 1989,
pg. 221-222
391
BLOM, J.C.H e.a., Sprekend Verleden: bovenbouw havo/vwo deel 1, Nijgh & Van Ditmar Educatief, Rijswijk,
1994, pg. 127
81
5.2.2. Beschrijvingen
5.2.2.1.
Benaming concentratie- en uitroeiingskampen
Sinds 1946 worden veel synoniemen gebruikt voor de concentratie- en uitroeiingkampen. Het lijkt
alsof de leerboeken opbieden naar het gruwelijkste woord: “(…) de abbatoirs in Duitsland en Polen
(…).”392, “(…) de martelkampen en gaskamers van Polen.”393, “(…)de vernietigingskampen in Polen
(…)”394. Sommige leerboeken blijven wel neutraal: “(…) de gaskamers van Auschwitz, Mauthausen en
andere kampen.”395, “Ten slotte werden zij bij groepen gelijk naar concentratiekampen gevoerd
(…).”396 Anderen vermelden deze kampen zelfs niet, of zeggen het met cijfers: “(…) in Nederlandse
kampen bijeengebracht en voor tweederde vermoord na velerlei kwellingen te hebben doorstaan.”397,
“Van de 110 000 weggevoerde Nederlandse Joden kwamen er slechts 5 000 terug.” 398. Tot begin
jaren ’60 is het een mix van neutrale, emotionele of geen vermelding.
Reeds ingezet midden jaren ’50, worden de gebruikte termen ook in de jaren ’60 hier meer en meer
neutraler: “(…) de gaskamers van Auschwitz.”399, “(…) de vernietigingskampen in Polen (…).”400,”(…)
de uitroeiingskampen in Auschwitz en Sobibor (Polen).”401 Sommige leerboeken lijken de vermelding
van de kampen nog te gevoelig vinden en mijden ze in hun teksten, waarin ze enkel spreken van
deportatie: “(…) tenslotte naar het oosten gedeporteerd.”402, “(…) het wegvoeren naar Duitsland
(…).”403 “(…) naar Polen werden getransporteerd.”404.
Een aantal uitzonderingen gebruiken nog steeds emotioneel gekleurde termen: “(…) in één van de
“Vernichtungslager” (…).”405 Maar over het algemeen wordt het ofwel niet vermeld ofwel neutraal
vermeld. Ook de Nederlandse concentratiekampen komen aan bod: “(...) Berucht waren de
concentratiekampen Vught en Amersfoort, het zgn. werkkamp Emica bij Ommen en het
doorgangskamp Westerbork voor de deportatie der joden.”406
392
BLONK, A. e.a., Leerboek der algemene en vaderlandse geschiedenis, 1946, J.B. Wolters, Groningen, 1946,
pg. 397
393
DE BOER, M.G. e.a., Beknopt leerbek der geschiedenis van het vaderland: tweede deel, Sijthoff, Leiden,
1947, pg. 80
394
BLONK, A., Leerboek der Algemene en Vaderlandse Geschiedenis, J.B. Wolters, Groningen, 1952, pg. 404
395
BERKELBACH, J.W. e.a., Volken en tijden: uitgave voor het gymnasium, Tjeenk Willink, Zwolle, 1947, pg. 305
396
DEK, J., De Weg der Historie: tweede deel nieuwe en nieuwste geschiedenis, Wolters, Groningen, 1948, pg.
186
397
VAN GELDER, H.A., Anderhalve eeuw wereldgeschiedenis: leerboek, P. Noordhoff NV, Groningen, 1948, pg.
285-286
398
BEEMSTERBOER, W. e.a., Wereld in wording, Van Goor zonen, ’s-Gravenhage, 1954, pg. 375
399
JANSENS, J.G., De Spiegel Der Eeuwen, Wolters-Noordhoff, Groningen, 1960, pg. 196
400
BLONK, A. e.a., Leerboek der algemene en vaderlandse geschiedenis, Wolters, Groningen, 1960, pg. 408
401
FONTAINE, P., Van oermens tot wereldburger: vierde deel A, Malmberg, ’s-Hertogenbosch, 1961, pg. 173
402
WESTENDORP BOERMA, J.J., Leerboek der geschiedenis: van het Wener congres tot heden II, Tjeenk Willink,
Zwolle, 1960, pg. 278
403
RIJPMA, E., De ontwikkelingsgang der historie IIIA, Wolters, Groningen, 1963, pg. 376
404
DE HAAN, J.C., Geschiedenis voor de HBSA, Wolters, Groningen, 1964, pg. 256-257
405
BLONK, A., Hoofdwegen der geschiedenis II, nieuwere en nieuwste geschiedenis, J.B. Wolters, Groningen,
1965, pg. 351
406
VAN DER STRATE, G.E., Van primitief naar modern, Noorduijn en zoon NV, Gorinchem, 1968, pg. 225
82
In de jaren 70’ wordt steeds meer en meer melding gemaakt van de concentratiekampen: “ (…)
Hitler’s vernietigingskampen (…).”407, “ (…) gaskamers van Auschwitz.”408, “ (…) concentratiekampen
en gaskamers.”409, “ (…) via het doorgangskamp Westerbork naar de kampen in Polen (…).”410,“ (…)
concentratie- of vernietigingskampen (…).”411 Dit gebeurt ook meer en meer neutraal.
Sommige leerboeken blijven opteren voor een emotionele term: “ (…) Westerbork in Drenthe, een
“Durchgangslager” (…).”412. Maar net zoals in de jaren ’60 zijn dit uitzonderingen. De trend blijft
hetzelfde: men gaat kiezen voor een neutrale omschrijving van de kampen en de leerboeken die de
kampen niet vermelden, zijn in de minderheid.
Ook in de jaren ’80 en ’90 blijft deze trend behouden: zo goed als alle leerboeken maken nu melding
van de concentratie- en uitroeiingskampen, op enkele uitzonderingen na: “(…) de hel van Auschwitz
of Sobibor.”413, “(…) een van de “Vernichtungslager” (…).”414 Men gebruikt enkel de termen
concentratiekamp, vernietingskamp of men vermeldt enkel de namen van de kampen: “(…)
gedeporteerd naar Auschwitz en Sobibor.”415
Pas in 1982 vinden we in een leerboek de eerste échte omschrijving terug van de term
‘concentratiekamp’: “Strafkamp waarin de Duitsers hun tegenstanders opsloten. In deze kampen
zaten politieke gevangen, krijgsgevangenen en leden van in Duitse ogen minderwaardige rassen,
zoals Joden en zigeuners. Vooral voor de laatste groepen werd het concentratiekamp gebruikt als
middel tot vernietiging. In Nederland waren Westerbork, Vught en Amersfoort de bekendste
kampen.”416 In dit citaat worden twee verschillende begrippen samengevoegd. Wanneer men
spreekt over vernietiging, heeft men het in principe over ‘vernietigingskampen’ die een heel eigen
karakter hadden strikt genomen geen concentratiekampen waren.
Conclusie: Sinds 1946 worden veel synoniemen gebruikt voor de concentratie- en uitroeiingkampen,
waarbij emoties niet ver weg zijn. Tot begin jaren ’60 is het een mix van neutrale, emotionele of geen
vermelding, daarna wordt de omschrijving meer neutraal. Een aantal uitzonderingen gebruiken nog
steeds emotioneel gekleurde termen. In de jaren 70’ komt de vermelding van de
concentratiekampen vaker voor. De trend blijft hetzelfde: men gaat kiezen voor een neutrale
omschrijving van de kampen. Slechts een minderheid van de leerboeken vermeldt de kampen niet.
Tegen het einde van de jaren ’80 worden de kampen in elke leerboek vermeld.
407
ADANG, A. e.a., Mensen en machten 4h, Meulenhoff Educatief, Amsterdam, 1970, pg. 147
JANSENS, J.G., De Spiegel Der Eeuwen, Wolters-Noordhoff, Groningen, 1970, pg. 198-199
409
VAN VOORST VAN BEEST, C.W., Overzicht van de geschiedenis voor vwo en havo: deel 5: De Nieuwste
geschiedenis vanaf 1914, Malmberg, ’s-Hertogenbosch, 1971, pg. 72
410
OFFRINGA, C., Speurtocht door de eeuwen: deel 5, Wolters-Noordhoff, Groningen, 1971, pg. 237-238
411
VAN WAKEREN, B. e.a., Kroniek: geschiedenis voor vwo/havo/mavo deel 3mh, Wolters Noordhoff,
Groningen, 1974, pg. 193
412
KALKWIEK, W.F., Geschiedenis in thema en taak. Deel IV vh vwo-havo, Meulenhoff Educatief, Amsterdam,
1973, pg. 72
413
ULRICH, H., Geschiedenis van gisteren: havo/vwo-editie, Malmberg, Den Bosch, 1981, pg. 133
414
OERLEMANS, J.W., De wereld sinds 1870: een historisch overzicht, Wolters-Noordhoff, Groningen, 1984, pg.
133
415
e
KNIGGE, J., Historisch Perspectief: Wereldgeschiedenis van de 20 eeuw. Boek II: 1945-heden, De Vuurbaak,
Barneveld, 1986, pg. 15-17
416
BEETSMA, J., Geschiedeniswerkplaats, havo/vwo examenboek 1983, Wolters-Noordhoff, Groningen, 1982,
pg. 116
408
83
5.2.3. Terminologie
5.2.3.1.
“Onze” joden
Toen ik de leerboeken las, kwam ik tot de constatering dat de leerboeken veel gebruik maken van de
‘wij  zij’-stelling. Bij de ‘zij’-groep horen de Duitse bezetter en de collaborateurs (o.a. de NSB), in de
‘wij’-groep de grote meerderheid van de Nederlandse bevolking en … de joodse gemeenschap in
Nederland. Het viel me op hoe men de joodse gemeenschap betrekt bij de ‘goede’ Nederlanders.
In de jaren na de Tweede Wereldoorlog gaan veel leerboeken over tot het feit de joodse
gemeenschap bij de Nederlandse bevolking te trekken: “Het (de terreur) eerst tegen onze Joodse
landgenoten (…).”417, “ (…) het uitroeien van onze Joodse landgenoten.”418, “(…) Het werd
langzamerhand duidelijk dat het ging om de totale vernietiging van alle Joodse medeburgers..”419.
Soms gebruiken de leerboeken niet de combinatie “onze joodse landgenoten”, maar geven ze wel
aan dat iedereen emotioneel betrokken was bij de vervolgingen:“Van dit medelijden was ieder
vervuld met het lot der joden.”420, “Al deze maatregelen zouden misschien nog te verdragen zijn
geweest, als de vijand zich niet aan één mensonterend misdrijf had schuldig gemaakt: het uitroeien
van onze Joodse landgenoten.” 421 Er zijn ook leerboeken die gewoonweg spreken van de joodse
gemeenschap, zonder ze bij de Nederlandse bevolking te betrekken: “(…) met als epiloog de
wegvoering van 100.000 Joden naar de martelkampen en gaskamers van Polen.”422.
Pas in de jaren ’50 komt het meer neutrale ‘Nederlandse Joden’ in de leerboeken: “Van de 110 000
weggevoerde Nederlandse Joden kwamen er slechts 5 000 terug.”423 Soms laat men de joden gewoon
weg: “ (…) waar meer dan 100.000 Nederlanders met voorbedachten rade meest na een onmenselijke
verhongering werden vermoord.”424 Maar de meerderheid van de leerboeken heeft het over ofwel
‘onze joodse landgenoten’ of ‘Nederlandse joden’.
In de jaren ’60 kiezen meer leerboeken voor een neutrale vermelding: “Het ergerlijkse was de
medogenloze vervolging der joden, die als vijanden van het Duitse volk buiten de wet heetten te
staan.”425, “De joodse Nederlanders voelden de verzwaring van de Duitse druk bijzonder sterk.” 426, “Al
in 1940 worden de Joodse Nederlanders uit de openbare ambten gezet.” 427. Maar ondanks het feit
dat men nu kiest voor een meer neutrale benaming, laten de leerboeken nog steeds merken hoezeer
417
BLONK, A. e.a., Leerboek der algemene en vaderlandse geschiedenis, 1946, J.B. Wolters, Groningen, 1946,
pg. 397
418
BERKELBACH, J.W. e.a., Volken en tijden: uitgave voor het gymnasium, Tjeenk Willink, Zwolle, 1947, pg. 305
419
BEEMSTERBOER, W. e.a., Wereld in wording, Van Goor zonen, ’s-Gravenhage, 1954, pg. 375
420
DEK, J., De Weg der Historie: tweede deel nieuwe en nieuwste geschiedenis, Wolters, Groningen, 1948, pg.
186
421
BERKELBACH, J.W., Volken en tijden, Tjeenk Willink, Zwolle, 1948, pg. 213
422
DE BOER, M.G. e.a., Beknopt leerbek der geschiedenis van het vaderland: tweede deel, Sijthoff, Leiden,
1947, pg. 80
423
BEEMSTERBOER, W. e.a., Wereld in wording, Van Goor zonen, ’s-Gravenhage, 1954, pg. 375
424
RIJPMA, E., De ontwikkelingsgang der historie IIIA, Wolters, Groningen, 1950, pg. 417
425
WESTENDORP BOERMA, J.J., Leerboek der geschiedenis: van het Wener congres tot heden II, Tjeenk Willink,
Zwolle, 1960, pg. 278
426
FONTAINE, P., Van oermens tot wereldburger: vierde deel A, Malmberg, ’s-Hertogenbosch, 1961, pg. 173
427
KLIJNSMA, P., Passage: studieboek voor geschiedenis deel A, Noordhoff, Groningen, 1963, pg. 292
84
ze emotioneel betrokken waren. Zoals reeds vermeld, wordt vooral de Februaristaking gebruikt als
voorbeeld van betrokkenheid: “Toen is er gelukkig ook iets hartsverwarmend gebeurd: op de terreur
in de Jodenwijk volgt de Februaristaking!!”428.
Soms wordt er niet verwezen naar de betrokkenheid van de Nederlanders t.o.v. de joodse
gemeenschap, maar verwezen naar de vermijding van de Nederlanders t.o.v. de Duitse politiek:
“Vooral dit geweld, de Jood nog in de 20e eeuw aangedaan, zal ten eeuwigen dage een schandvlek
blijven op het Duitse volk, dat prat ging op zijn Kultur.”429 Maar een aantal leerboeken doen pogingen
om de Nederlandse bevolking niet te betrekken bij de Jodenvervolging en het louter te hebben over
de chronologische gebeurtenissen: “De joodse Nederlanders voelden de verzwaring van de Duitse
druk bijzonder sterk.”430, “Nog in 1940 werden scherpe maatregelen tegen de Joden genomen.” 431
Toch blijft er vaak verwezen worden naar de relatie tussen Nederlanders en Nederlandse joden: “(…)
Het werd langzamerhand duidelijk dat het ging om de totale vernietiging van alle Joodse
medeburgers.”432, “(…) Het werd langzamerhand duidelijk dat het ging om de totale vernietiging van
alle Joodse medeburgers.”433, “Al eerder had het optreden van de bezetter tegen de joden vele
Nederlanders de ogen geopend.”434
De leerboeken blijven ook in de jaren ’70 twijfelen: sommigen gaan voor een neutrale benaming
(“(…) afschuwelijk waren de gevolgen van de Duitse bezetting voor de joodse bevolkingsgroep in
Nederland.”435), anderen blijven vasthouden aan de onderlinge relatie (“De Jodenvervolging, die ook
geleidelijk aan werd verscherpt, heeft de impuls gegeven aan het verzet.”436). Al blijven de herdrukte
versies van reeds bestaande leerboeken inzetten op de onderlinge relatie, toch lijkt het erop dat de
meerderheid van de (vooral nieuwe) leerboeken heeft gekozen voor de neutrale benaming: “(…)
afschuwelijk waren de gevolgen van de Duitse bezetting voor de joodse bevolkingsgroep in
Nederland.”437, “Sterke onderdrukking ondervond het Joodse deel van de bevolking.”438, “De acties
tegen de Nederlandse joden waren een onderdeel van Hitlers politiek van de “Endlösung der
Judenfrage.”439.
In de jaren ’80 wordt meer en meer duidelijk dat de leerboeken de Jodenvervolging niet
weerspiegelen op de houding en mening van de Nederlanders: “Ook jegens de Joden in ons land
gedroegen de Duitsers zich aanvankelijk heel correct.”440, “De Jodenvervolging nam steeds scherpere
428
KLIJNSMA, P., Passage: studieboek voor geschiedenis deel A, Noordhoff, Groningen, 1963, pg. 292
BLONK, A. e.a., Leerboek der algemene en vaderlandse geschiedenis, Wolters, Groningen, 1964, pg. 408
430
FONTAINE, P., Van oermens tot werelburger: vierde deel A, Malmberg ’s-Hertogenbosch, 1965, pg. 173
431
DE HAAN, J.C., Geschiedenis voor de HBSA, Wolters, Groningen, 1966, pg. 260-261
432
BEEMSTERBOER, W. e.a., Wereld in wording 3: nieuwste geschiedenis, Van Goor zonen, Den Haag, 1967, pg.
292
433
BEEMSTERBOER, S.J. e.a., Wereld in wording 3: nieuwste geschiedenis, Van Goor Zonen, Den Haag, 1968, pg.
292
434
ADANG, A. e.a., Mensen en machten 4h, Meulenhoff Educatief, Amsterdam, 1970, pg. 146
435
VAN GALEN LAST, H., Van Sarajevo tot Hirosjima, Wolters-Noordhoff, Groningen, 1972, pg. 146
436
CEULAERT, A.B. e.a., Kleio voor de vwo-top, Uitgeverij NIB, Zeist, 1975, pg. 101
437
VAN GALEN LAST, H., Van Sarajevo tot Hirosjima, Wolters-Noordhoff, Groningen, 1972, pg. 146
438
KALKWIEK, W.F., Geschiedenis in thema en taak. Deel IV vh vwo-havo, Meulenhoff Educatief, Amsterdam,
1973, pg. 72
439
DE BEER, A.C., Geschiedenis in onderwerpen: 4/5 havo, Meulenhoff Educatief, Amsterdam, 1978, pg. 90-91
440
BEETSMA, J., Geschiedeniswerkplaats, havo/vwo examenboek 1983, Wolters-Noordhoff, Groningen, 1982,
pg. 91
429
85
vormen aan. (…) de joden probeerden vaak onder te duiken of te ontsnappen.”441. Sommige
handboeken durven voor het eerst melding te maken van het feit dat de Nederlandse bevolking in
het begin niet al te hevig reageerde op de Jodenvervolging: “De belangrijkste maatregelen richtten
zich vooral tegen de Joden. Stap voor stap werd een begin gemaakt met hun isolering. (…) Tegen al
deze maatregelen werd weinig verzet geboden.”442
Deze laatste stap is typerend vanaf het midden van de jaren ’80. Men durft ook redenen te geven
waarom er in principe zo weinig verzet werd gepleegd: “Toch valt, als men achteraf op deze periode
terugkijkt, op hoe weinig de bezetter eigenlijk in de weg werd gelegd.”443, waarna men een aantal
voorbeeld geeft van het ‘verzet’: een deel van de bevolking was vatbaar voor antisemitisme, in het
begin van de oorlog waren de meeste Nederlanders meer bezig met zich aan de nieuwe situatie aan
te passen dan te waken over de rechten van de andere bevolkingsgroepen, de meeste Nederlanders
gingen over tot meewerking ‘om erger te voorkomen, …444 Hier vinden we voor het eerst
onverbloemd terug dat de Nederlandse bevolking toch niet zo medelevend was als de oudere
leerboeken willen doen uitschijnen. Ook in de jaren ’90 zet deze trend zich door: “(…) Naar
verhouding zijn er uit Nederland meer joden gedeporteerd dan uit andere bezette landen. Hoe kan
dat?”445, waarna er ook een rits aan oorzaken wordt vermeld: de verzuiling zorgde voor verdeling, de
bureaucratie bleef actief en efficiënt, … met een harde conclusie op het einde van de argumentatie:
“Nederland is tekortgeschoten in het beschermen van zijn joodse ingezetenen.”446
Ook kiezen de meeste leerboeken sinds midden jaren ’80 voor neutrale benamingen: “De eerste
maatregelen tegen de Joden lieten ook niet lang op zich wachten.”447 “Evenals in Duitsland werden de
Joden stap voor stap geïsoleerd.”448, “Toen de Duitse bezetter begon woonden er in Nederland zo’n
140 000 joden, de meesten in Amsterdam.”449, “In de eerste maanden van de bezetting werden de in
Nederland wonende Joden in het algemeen met rust gelaten.”450
441
HEIDT, E.W. e.a., Kijk op de tijd: leerlingenboek 3 vwo, Malmberg, Den Bosch, 1986, pg. 158-159
BLOM, J.C.H. e.a., Sprekend Verleden: een geschiedenis van de wereld. Deel 3 – basis, Nijgh & Van Ditmar
Educatief, Rijswijk, 1986, pg. 81-82
443
BLOM, J.C.H. e.a., Sprekend Verleden: een geschiedenis van de wereld. Deel 3-boek I, Nijgh & Van Ditmar
Educatief, Rijswijk, 1987, pg. 59
444
BLOM, J.C.H. e.a., Sprekend Verleden: een geschiedenis van de wereld. Deel 3-boek I, Nijgh & Van Ditmar
Educatief, Rijswijk, 1987, pg. 59
445
IMMERZEEL, E.A., Historia: geschiedenis en staatsinrichting voor de bovenbouw havo/vwo, Meulenhoff
Educatief, Amsterdam, 1994, pg. 238-239
446
IMMERZEEL, E.A., Historia: geschiedenis en staatsinrichting voor de bovenbouw havo/vwo, Meulenhoff
Educatief, Amsterdam, 1994, pg. 238-239
447
KIKKERT, J.G., Kleio: korte algemene geschiedenis 2, Uitgeverij NIB, Zeist, 1987, pg. 180
448
BLOM, J.C.H. e.a., Sprekend Verleden: een geschiedenis van de wereld. Deel 3-boek I, Nijgh & Van Ditmar
Educatief, Rijswijk, 1987, pg. 59
449
IMMERZEEL, E.A., Historia: geschiedenis en staatsinrichting voor de bovenbouw havo/vwo, Meulenhoff
Educatief, Amsterdam, pg. 238-239
450
HOOGSTRAATEN, M.G. e.a., Op weg naar 2000: De geschiedenis van 1870 tot heden vwo editie, BKE, Baarn,
1994, pg. 165
442
86
Conclusie: In de eerste jaren na de Tweede Wereldoorlog wordt in veel leerboeken de joodse
bevolking als een deel van de Nederlandse bevolking beschouwd. Nederland identificeert zich met de
joodse slachtoffers van de vervolging.
Pas in de jaren ’50 worden de leerboeken neutraler in hun taalgebruik, al blijft men de Nederlandse
joden als echte Nederlanders beschouwen wat heel vaak af te leiden valt uit de gebruikte
terminologie. In de jaren ’60 kiezen meer leerboeken voor een neutrale vermelding. Soms wordt er
niet verwezen naar de betrokkenheid van de Nederlanders met de joodse gemeenschap, maar
verwijst men naar de afwijzing van de Duitse politiek. in de jaren ’70 blijft de twijfel aanwezig: kiezen
voor neutrale terminologie of voor een emotionele betrokkenheid? In de jaren ’80 wordt meer en
meer duidelijk dat de leerboeken de Jodenvervolging niet langer subjectief weergeven, nl. conform
de houding en mening van de Nederlanders vlak na de oorlog. Sommige leerboeken maken voor het
eerst melding van het feit dat de Nederlandse bevolking in het begin niet al te hevig reageerde op de
Jodenvervolging, een visie die typerend is vanaf midden jaren ’80 en die zich doorzet in de jaren ’90.
87
5.2.4. Leerstofkeuze
5.2.4.1.
Het proces van de Jodenvervolging
In dit deel onderzoek ik een aantal feiten die een causaal verband hebben met de Jodenvervolging.
Deze feiten lopen over een periode van vier jaar, te beginnen bij de Ariërsverklaring, om te eindigen
met de deportaties naar de kampen in Duitsland en Polen. Ik zal specifiek onderzoeken welke
aandacht er in de leerboeken besteed wordt aan de Ariërsverklaring, de verwijdering uit publieke
ruimtes, de Jodenster, het getto in Amsterdam, de deportaties en de finale cijfers van de
Jodenvervolging.
De eerste jaren na de Tweede Wereldoorlog wordt er niet al te diep ingegaan op het proces van de
Jodenvervolging. Men houdt het bij een korte melding van ‘maatregelen’ tegen de joden: “Van
lieverlede werden de maatregelen tegen deze bevolkingsgroep uitgevaardigd, strenger en wreder.” 451
Naast de melding dat de joden hebben geleden onder de Duitse onderdrukking, focussen de meeste
leerboeken liever op één bepaald aspect: de concentratiekampen (“Het (de terreur) eerst tegen onze
Joodse landgenoten, die beroofd, mishandeld en naar de abbatoirs in Duitsland en Polen werden
gesleept.”452), het dragen van de jodenster (“Ze werden gedwongen een gele ster te dragen (...)”453)
of (opmerkelijk) het dodental (“(…) met als epiloog de wegvoering van 100.000 Joden naar de
martelkampen en gaskamers van Polen.”454). Over de cijfers valt op dat men reeds in het begin een
juiste schatting maakt van het aantal doden. Dat men reeds twee jaar na de Tweede Wereldoorlog al
cijfers vermeldt, heeft me verrast en bewijst dat men toen reeds juiste gegevens ter beschikking had.
Slechts één leerboek gaat over tot een (zij het kort en zeer algemeen) overzicht van de feiten: “Het
allerwreedst en het minst gerechtvaardigd waren de maatregelen tegen de Joden, die eerst uit alle
openbare functies werden verdreven, vervolgens vernederd door het dragen van een ster, tenslotte
gearresteerd, in Nederlandse kampen bijeengebracht en voor tweederde vermoord na velerlei
kwellingen te hebben doorstaan.”455
Gedetailleerde informatie wordt nog niet gegeven en men laat ook een aantal gebeurtenissen weg
uit de lesteksten. Misschien ligt de materie nog te gevoelig?
In de jaren ’50 komen we meer feiten en gebeurtenissen tegen: hun publieke uitsluiting wordt
gemeld: “(…) in 1941 moesten zij zich melden en werd hun het bezoek van parken, hotels en het
gebruik van trein en tram verboden.”456 Maar in de meeste gevallen blijft men vasthouden aan een
kort overzicht: “Eerst werden allerlei maatregelen tegen de Joden genomen: talloze wreedheden met
451
BERKELBACH, J.W. e.a., Volken en tijden: uitgave voor het gymnasium, Tjeenk Willink, Zwolle, 1947, pg. 305
BLONK, A. e.a., Leerboek der algemene en vaderlandse geschiedenis, 1946, J.B. Wolters, Groningen, 1946,
pg. 397
453
DEK, J., De Weg der Historie: tweede deel nieuwe en nieuwste geschiedenis, Wolters, Groningen, 1948, pg.
186
454
DE BOER, M.G. e.a., Beknopt leerbek der geschiedenis van het vaderland: tweede deel, Sijthoff, Leiden,
1947, pg. 80
455
VAN GELDER, H.A., Anderhalve eeuw wereldgeschiedenis: leerboek, P. Noordhoff NV, Groningen, 1948, pg.
285-286
456
DE HAAN, J.C., Geschiedenis voor de HBSA, Wolters, Groningen, 1950, pg. 273
452
88
tenslotte het wegvoeren naar Duitsland, waar meer dan 100.000 Nederlanders met voorbedachten
rade meest na een onmenselijke verhongering werden vermoord.”457, “Het eerst tegen onze Joodse
landgenoten, die beroofd, mishandeld en naar de vernietigingskampen in Polen werden gesleept.
Vooral dit geweld, de Jood nog in de 20e eeuw aangedaan, zal ten eeuwigen dage een schandvlek
blijven op het Duitse volk.”458
Een aantal leerboeken wagen zich aan een uitgebreider overzicht, waarbij chronologisch wordt
weergegeven wat de gebeurtenissen waren, al is het emotioneel taalgebruik niet ver weg: “In ons
land ging het van stap tot stap. In 1940 werd verboden, personen van Joodsen bloede te benoemen of
in betrekking te bevorderen. In 1941 moesten Joden-kinderen van gemengde scholen worden
verwijderd en werden tal van openbare gelegenheden “voor Joden verboden”. In 1942 werden alle
Joden verplicht tot het dragen van een zespuntige gele ster, waarop met zwarte letters JOOD stond.
Daarna begonnen de razzia’s, waarbij gezinnen uit elkaar werden gescheurd. Treinladingen Joden
werden naar het kamp Westerbork vervoerd, waarna ze naar de moordkampen in Duitsland werden
gebracht, om daar hun leven in gaskamers te eindigen. Spelende kleine kinderen, jongens en meisjes
in de bloei van hun leven, niemand werd gespaard.”459 Als men zich focust op het lot van de joodse
kinderen, doet men dit wellicht om de leerlingen zich beter te laten identificeren met de
slachtoffers.
Ook wordt voor het eerst gesproken over de ondergedoken joden: “Van de 30.000 ondergedoken
Joden werden er velen gegrepen.” 460 Het blijft opvallend dat zo vroeg reeds de helft van de
leerboeken de cijfers van het aantal omgekomen joden vermeldt: “Deze ±105.000 vermoorde Joden
vormden ongeveer de helft van het totale verlies aan mensenlevens ten gevolge van de oorlog.”461,
“Nederland verloor in die vijf jaren ongeveer 200.000 burgers, van wie bijna de helft Joden.” 462,
“Meer dan 100.000 leden van deze bevolkingsgroep zijn als slachtoffer gevallen.”463
Tot eind jaren ’50 wordt de Ariërsverklaring wel vermeld, maar zonder de naam “Ariërsverklaring” te
gebruiken. Ook het Amsterdamse getto is nog niet aan bod gekomen in de leerboeken . In de eerste
leerboeken na de Tweede Wereldoorlog blijft een meerderheid hiervan opteren voor een
voorzichtig, veralgemeend overzicht van de feiten.
In de jaren ’60 blijft een meerderheid van de leerboeken slechts één of een aantal thema’s
vernoemen: de concentratiekampen (“Het eerst tegen onze Joodse landgenoten, die beroofd,
mishandeld en naar de vernietigingskampen in Polen werden gesleept.”464), de Jodenster en mijding
uit publieke plaatsen (“Een gele “jodenster” werd op hun kleren genaaid. Zij werden uit beroep en
bedrijf uitgesloten, vervolgens in kampen (Westerbork) opgesloten en tenslotte naar het oosten
gedeporteerd.”465) en de cijfers (“(…) de vervolging van de Joden: de talloze wreedheden met
457
RIJPMA, E., De ontwikkelingsgang der historie IIIA, Wolters, Groningen, 1950, pg. 417
BLONK, A., Leerboek der Algemene en Vaderlandse Geschiedenis, J.B. Wolters, Groningen, 1952, pg. 404
459
ALGRA, H., Gestalten en tijden. Leerboek der Vaderlandse geschiedenis, deel III, Noordhoff NV, Groningen,
1952, pg. 129-130
460
BEEMSTERBOER, W. e.a., Wereld in wording, Van Goor zonen, ’s-Gravenhage, 1954, pg. 375
461
BEEMSTERBOER, W. e.a., Wereld in wording, Van Goor zonen, ’s-Gravenhage, 1954, pg. 375
462
MOORA, J. e.a., De wereld van vroeger en nu, Versluys, Amsterdam, 1955, pg. 572
463
JANSENS, J.G., De Spiegel Der Eeuwen, Wolters-Noordhoff, Groningen, 1960, pg. 196
464
BLONK, A. e.a., Leerboek der algemene en vaderlandse geschiedenis, Wolters, Groningen, 1960, pg. 408
465
WESTENDORP BOERMA, J.J., Leerboek der geschiedenis: van het Wener congres tot heden II, Tjeenk Willink,
Zwolle, 1960, pg. 278
458
89
tenslotte het wegvoeren naar Duitsland, waar meer dan 100.000 met voorbedachten rade na een
onmenselijke verhongering werden vermoord.”466).
Wel wordt er nu voor het eerst melding gemaakt van het Amsterdamse getto: “ (…) de Duitsers
brachten hen vervolgens bijeen in de Amsterdamse jodenbuurt, die één groot “getto” werd.”467 Ook
de Ariërsverklaring wordt voor het eerst bij naam vernoemd: “De bezetter eist namelijk van iedereen
(…) dat ze de zg. Ariërsverklaring zullen ondertekenen.”468, “(…) In oktober moesten alle ambtenaren
de Ariërsverklaring afnemen.”469
Toch zien we dat, in vergelijking met de periode 1946-1960, er steeds meer leerboeken overgaan tot
het weergeven van de feiten in chronologische volgorde: “Al in 1940 worden de Joodse Nederlanders
uit de openbare ambten gezet. Veel Nederlandse hebben toen een zware schuld op zich geladen. De
bezetter eist namelijk van iedereen (…) dat ze de zg. Ariërsverklaring zullen ondertekenen. (…) Bijna
90% ondertekent! En geeft daarmee de vijand de kans de Joden te registeren. Later worden de Joden
geweerd uit parken, restaurants en bioscopen: “juden nicht erwunscht”. Nog weer later mogen ze niet
meer in de openbare vervoersmiddelen: de bus, de tram, de trein. Ze worden ook uit hun zaken en
bedrijven gezet. In 1942 wordt van de Joden geëist, dat ze op hun kleding een gele ster zullen dragen,
de davidsster. En de nazikranten schrijven onverbloemd: “Jode, verrecke!”.470 Ook vermelden meer en
meer leerboeken de cijfers van overleden en ondergedoken joden: “Van de 110 000 weggevoerde
Nederlandse Joden kwamen er slechts 5 000 terug. Van de 30.000 ondergedoken Joden werden er
velen gegrepen.” 471, “Van het totaal tijdens de oorlog omgekomen Nederlanders – 200 000 – bestaat
meer dan de helft uit Nederlandse joden.”472, “Ruim 100 000 van de 140 000 Nederlandse joden zijn
van deze wrede vervolging slachtoffer geworden.”473
Tussen 1960 en 1970 zijn de concentratiekampen, de dodencijfers en de davidster nadrukkelijk
aanwezig in de leerboeken. De Ariërsverklaring en de verwijdering uit de publieke ruimte worden
minder vaak vermeld . Het getto wordt amper vermeld.
In de jaren ’70 nemen meer en meer leerboeken het groter chronologisch overzicht over in hun
lesteksten, waarbij wordt gefocust op diverse gebeurtenissen tijdens de Jodenvervolging: “Een apart
hoofdstuk in de geschiedenis van de bezettingstijd is de vervolging en de verdelging van het
Nederlandse jodendom. (…) Zij werden uit overheidsdiensten ontslagen en kwamen niet meer voor
een openbare ambt in aanmerking. Dit was het begin. (…) Het begon met de Ariërsverklaring (…). Een
tweede maatregel was de verplichte registratie van alle ondernemingen en van alle personen, die
daarbij betrokken waren. (…) Nog talrijke andere maatregelen volgden. (…) Er werden werkkampen
opgericht waarheen joodse werklozen zich moesten begeven. Het leven in de kampen was hard en
onmenselijk (…). In 1942 kregen de Duitse maatregelen een hoogtepunt. (…) alle joden werden
gebrandmerkt met de Jodenster. (…) Nu de “paria’s” waren getekend konden zij worden
466
RIJPMA, E., De ontwikkelingsgang der historie IIIA, Wolters, Groningen, 1963, pg. 376
FONTAINE, P., Van oermens tot wereldburger: vierde deel A, Malmberg, ’s-Hertogenbosch, 1961, pg. 173
468
KLIJNSMA, P., Passage: studieboek voor geschiedenis deel A, Noordhoff, Groningen, 1963, pg. 292
469
VAN DER HOEVEN, M.B., De twintigste eeuw, Meulenhoff, Amsterdam, 1967, pg. 163
470
KLIJNSMA, P., Passage: studieboek voor geschiedenis deel A, Noordhoff, Groningen, 1963, pg. 292
471
BEEMSTERBOER, S.J. e.a., Wereld in wording 3: nieuwste geschiedenis, Van Goor Zonen, Den Haag, 1962, pg.
334-335
472
BOONEKAMP, W.J.M. e.a., Memoriael II: gedenkwaardigheden uit de geschiedenis van de mensheid,
Noordhoff, Groningen, 1964, pg. 446-447
473
VERSTEGEN, H.H., Diorama van de moderne tijd, H.J. Dieben NV, ’s-Gravenhage, 1965, pg. 346
467
90
gedeporteerd. Dit gebeurde in 15 maanden, van begin juli ’42 tot eind september ’43. (…) De
spoorwegen, de politie, allen die bij het transport betrokken waren, hadden, bewust of onbewust, hun
aandeel in de vernietiging van het Jodendom. (…) Van verzet was geen sprake (…). Van de 140 000
Joden (Nederlanders en vreemdelingen) waren er ruim 100 000 vernietigd.”474
Nogmaals lijken in de leerboeken twee groepen te bestaan: zij die uitgebreid focussen op de feiten
(zoals hierboven), of zij die het houden bij een korte melding: “Laf was de vervolging van de joden,
die eerst verplicht werden een davidsster te dragen. Toen ze allemaal ingeschreven stonden, werden
ze naar Polen gedreven en stierven ze in Auschwitz de gasdood.”475
De concentratiekampen komen nog steeds het meest aan bod, gevolgd door het aantal cijfers. De
vermelding van het verplicht dragen van de davidster verdwijnt als de leerboeken gaan
veralgemenen. Zeker tegen het einde van de jaren ’70 wordt er veel meer aandacht besteed aan het
gehele proces.
In de jaren ’80 komen steeds meer leerboeken met een uitgebreid chronologisch overzicht van de
verslechterende situatie van de Nederlandse joden: “De Joodse gruwelen begonnen met een
schijnbaar onschuldige maatregel: alle ambtenaren moesten een verklaring ondertekenen dat ze van
Arische afkomst waren. Wie deze Ariërsverklaring niet tekende, kreeg ontslag uit overheidsdienst.
Bijna alle ambtenaren (99%) tekenden (…). Ingevoerd werd ook het persoonsbewijs, waarover elke
Nederlander diende te beschikken. De Joden kregen er een J op gestempeld… (…) Zij moesten de
Jodenster gaan dragen, ze werden beperkt in hun bewegingsvrijheid, ze werden samengebracht in het
Antwerpse getto. En vandaar zijn ze weggevoerd in de jaren ’42 en ’43, eerst naar het
doorgangskamp Westerbork, daarna naar de hel van Auschwitz of Sobibor. Van de 140 000 joden in
Nederland hebben de Duitsers er 104 000 gedood…”476 Slechts een klein aantal leerboeken kiest voor
een korte vermelding van de Jodenvervolging: “De eerste slachtoffers waren de Joden, die beroofd en
mishandeld naar Duitsland en Polen gesleept werden. Bijna al deze gedeporteerden vonden daar in
een van de “Vernichtungslager” de dood.”477
De grote meerderheid van de leerboeken vermeldt het dodencijfer, die meestal op het einde van het
overzicht worden vermeld. Ook opvallend is dat er meer en meer wordt gefocust op het fenomeen
van ondergedoken joden: “Ca. 20 000 joden slaagden erin onder te duiken.”478, “(…) de joden
probeerden vaak onder te duiken of te ontsnappen.”479, “Slechts ongeveer 20 000 slaagden erin door
onder te duiken of te vluchten via Zwitserland en Spanje aan de vervolgers te ontkomen.”480
Vanaf 1987 en in de jaren ’90 kiezen alle leerboeken zonder uitzondering voor een uitgebreid
overzicht van de feiten, waarbij melding wordt gemaakt van het isoleren van de joden (“Evenals in
474
MICHELS, W. e.a., De Stroom Der Historie: deel 3, Dekker & Van De Vegt, Nijmegen, 1970, pg. 134-137
ALKEMADE, A.J.M., Mensen bouwen een wereld: deel 3 HM-IV, Malmberg, ’s-Hertogenbosch, 1970, pg. 164165
476
ULRICH, H., Geschiedenis van gisteren: havo/vwo-editie, Malmberg, Den Bosch, 1981, pg. 133
477
OERLEMANS, J.W., De wereld sinds 1870: een historisch overzicht, Wolters-Noordhoff, Groningen, 1984, pg.
133
478
e
KNIGGE, J., Historisch Perspectief: Wereldgeschiedenis van de 20 eeuw. Boek II: 1945-heden, De Vuurbaak,
Barneveld, 1986, pg. 15-17
479
HEIDT, E.W. e.a., Kijk op de tijd: leerlingenboek 3 vwo, Malmberg, Den Bosch, 1986, pg. 158-159
480
BLOM, J.C.H. e.a., Sprekend Verleden: een geschiedenis van de wereld. Deel 3 – basis, Nijgh & Van Ditmar
Educatief, Rijswijk, 1986, pg. 81-82
475
91
Duitsland werden de Joden stap voor stap geïsoleerd.”481), de Ariërsverklaring (“Alle ambtenaren
moesten een verklaring ondertekenen dat ze van Arische afkomst waren. Wie deze Ariërsverklaring
niet tekende, kreeg ontslag uit overheidsdienst. Bijna alle ambtenaren (99%) tekenden (…).”482), de
Jodenster (“Op het voor iedere Nederlander verplichte persoonsbewijs werd bij de joden een J
gestempeld. Op straat moesten ze een duidelijk herkenbare J op hun kleren dragen.” 483), het getto
(“(…) ze werden beperkt in hun bewegingsvrijheid, ze werden samengebracht in het Amsterdamse
getto.”484), de deportaties en concentratiekampen (“De volgende maatregel was dat de meeste joden
naar het kamp Westerbork werden gebracht. Vanuit dit kamp werden ze naar de
vernietigingskampen Auschwitz en Sobibor in Polen gedeporteerd.”485) en de dodencijfers (“Ongeveer
105 000 Nederlandse joden stierven. (…) Zo’n 25 000 joden doken onder; van hen overleefde
tweederde de oorlog.” 486
Conclusie: De eerste jaren na de Tweede Wereldoorlog wordt er niet al te diep ingegaan op het
proces van de Jodenvervolging. Men houdt het bij een korte melding van ‘maatregelen’ tegen de
joden. Over de cijfers valt op dat men reeds in het begin een juiste schatting maakt van het aantal
doden. Maar gedetailleerde informatie wordt nog niet gegeven en men laat ook een aantal
gebeurtenissen weg uit de lesteksten.
In de jaren ’50 komen we meer feiten en gebeurtenissen tegen, maar in de meeste gevallen blijft
men vasthouden aan een kort overzicht. Ook wordt voor het eerst gesproken over de ondergedoken
joden. Toch blijft een meerderheid opteren voor een voorzichtig, veralgemeend overzicht van de
feiten.
In de jaren ’60 wordt voor het eerst melding gemaakt van het Amsterdamse getto en gaan er steeds
meer leerboeken over tot het weergeven van de feiten in chronologische volgorde.
In de jaren ’70 nemen meer en meer leerboeken het groter chronologisch overzicht over in hun
lesteksten, waarbij wordt gefocust op diverse gebeurtenissen tijdens de Jodenvervolging, ook al
blijven er twee types van teksten in de leerboeken bestaan. maar zeker tegen het einde van de jaren
’70 wordt er veel meer aandacht besteed aan het gehele proces.
In de jaren ’80 geven de meeste leerboeken een groot chronologisch overzicht terwijl een
minderheid het houdt op een kleine melding. De grote meerderheid van de leerboeken vermeldt het
dodencijfer, die meestal op het einde van het overzicht worden vermeld. Vanaf 1987 en in de jaren
’90 kiezen alle leerboeken zonder uitzondering voor een uitgebreid overzicht van de feiten, waarbij
melding wordt gemaakt van de in het begin van dit hoofdstuk vermelde gebeurtenissen.
481
BLOM, J.C.H. e.a., Sprekend Verleden: een geschiedenis van de wereld. Deel 3-boek I, Nijgh & Van Ditmar
Educatief, Rijswijk, 1987, pg. 59
482
ULRICH, H., Geschiedenis van gisteren: havo/vwo-editie, Malmberg, Den Bosch, 1988, pg. 115
483
BEENACKERS-HEEREN, B. e.a., Vragen aan de geschiedenis 4/5 havo, Wolters-Noordhoff, Groningen, 1989,
pg. 221-222
484
ULRICH, H., Geschiedenis van gisteren: havo/vwo-editie, Malmberg, Den Bosch, 1988, pg. 115
485
BLOM, J.C.H. e.a., Sprekend Verleden deel 3, Nijgh & Van Ditmar Educatief, Rijswijk, 1991, pg. 74-75
486
IMMERZEEL, E.A., Historia: geschiedenis en staatsinrichting voor de bovenbouw havo/vwo, Meulenhoff
Educatief, Amsterdam, pg. 238-239
92
5.2.5. Beeldmateriaal
Net zoals bij het beeldmateriaal van de NSB, zal ik in een afzonderlijke bijlage de meest frequent
voorkomende en meest opmerkelijke foto’s in groter formaat toevoegen.
Razzia in Amsterdam
Tussen 1946 en 1956 gebruikt geen enkel leerboek een
foto rond de Jodenvervolging. De eerste foto omtrent de
Jodenvervolging duikt zelfs vier jaar later op dan de
eerste foto van NSB. Op deze foto is een razzia in
Amsterdam te zien. Het onderschrift bevat, zoals
aangetoond in de vorige delen, veel emotionele kleur:
“De Duitsers na een razzia in Amsterdam op Joodse
medeburgers. Hoe diep rampzalig het lot was van deze
mensen blijkt wel uit het feit, dat van den 110 000
weggevoerde Nederlandse joden slechts 5000
terugkeerden.”487
Dit is tussen 1946 en 1959 de enige foto die ik heb kunnen terugvinden, wat neerkomt op een
gebruikscijfer van 1 leerboek op de 25 (4%).
Vanaf de jaren ’60 zien we een ware explosie aan beeldmateriaal in de leerboeken. Het duurt dus
meer dan 15 jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog vooraleer meer leerboeken kiezen voor
het gebruik van foto’s rond het thema Jodenvervolging.
De gebruikte beelden zijn heel divers en tonen het hele proces van
isolatie naar deportatie. Zo toont deze foto een soldaat die joodse
burgers naar de treinen loodst. Enkel het onderschrift is nog emotioneel
getint: “Het wegvoeren van Joden uit Amsterdam. Ouderdom noch jeugd
werd gespaard.”488
Wegvoeren van joden
Het leerboek Wereld in Wording toont een foto van ondergedoken
Nederlandse joden, waarbij het onderschrift wel objectiever te noemen
is dan de voorgaande voorbeelden: “Zo leefden in de laatste jaren van
de oorlog talloze Nederlanders “ondergedoken” om niet in de handen
van de nazi’s te vallen.”489 Deze foto is veruit de meest gebruikte foto
over ondergedoken joden. Pas eind jaren ’80 duiken er nieuwe foto’s
op.
Ondergedoken joden
487
DE HAAN, J.C., Geschiedenis voor de HBSA, Wolters, Groningen, 1957, pg. 243
WESTENDORP BOERMA, J.J., Leerboek der geschiedenis: van het Wener congres tot heden II, Tjeenk Willink,
Zwolle, 1960, pg. 279
489
BEEMSTERBOER, W. e.a., Wereld in wording, Van Goor zonen, ’s-Gravenhage, 1960, pg. 338
488
93
Ook razzia’s komen aan bod in de leerboeken. De onderschriften zijn
veelal neutraal: “Razzia. Een Duitse patrouille trekt tijdens de Tweede
Wereldoorlog door de Lairessestraat in Amsterdam.”490 Deze foto zal ook
het meest frequent terugkeren in de leerboeken wanneer men
fotomateriaal gebruikt over de razzia’s, al is rond dit aspect wel meer
variatie in beeldmateriaal dan over de ondergedoken joden.
Razzia in Amsterdam
In de leerboeken wordt vaak de relatie gelegd tussen de
Jodenvervolging en de Februaristaking, zeker voor de eerste
decennia na het einde van de oorlog. De leerboeken zetten dit
kracht bij door heel frequent foto’s in te voegen van het
standbeeld in Amsterdam ter ere van de Februaristaking. Niet
alle foto’s zijn hetzelfde, maar beelden wel steeds ‘de
Dokwerker’, van de hand van Marius Andriessen, af. De
verschillende onderschriften melden niet dat de Februaristaking
is begonnen door de Jodenvervolging, maar duiden wel op de
relatie tussen beide: “’De dokwerker’, sculptuur van Marius
Andriessen, geplaatst op het Jonas Daniël Meyerplein in
'de Dokwerker'
Amsterdam als herinnering aan de Februaristaking van 1941.
Links de synagoge van de Portugees-Israëlietische gemeente.”491
Sommige leerboeken leggen wel meteen de relatie tussen beide: “Gedenkteken van de grote
Februaristaking in 1941 tegen de deportatie van onze joodse landgenoten op het Jonas Daniël
Meyerplein. Op de achtergrond de Portugese synagoge.”492 Foto’s van het beeld zullen steeds
terugkeren, tot in de jaren ’90.
Joden op weg voor deportatie
Een minderheid van de foto’s toont actief de
joodse bevolking tijdens de vervolging.
Foto’s waarop te zien is hoe joden worden
behandeld door de bezetter of waarop ze op
deportatie gezet worden, zijn er amper. Toch
zijn er een aantal leerboeken die ook hiervan
foto’s tonen. Het onderschrift klinkt als een
dodenmars: “Vogelvrij: zo torsende het restje
van hun have en goed betraden de joodse
medeburgers
het
Duitse
493
verzamelcentrum.”
490
FONTAINE, P., Van oermens tot wereldburger: vierde deel A, Malmberg, ’s-Hertogenbosch, 1961, pg. 172
KLIJNSMA, P., Passage: studieboek voor geschiedenis deel A, Noordhoff, Groningen, 1963, pg. 292
492
VAN DER STRATE, G.E., Van primitief naar modern, Noorduijn en zoon NV, Gorinchem, 1968, pg. 224
493
DE HAAN, J.C., Geschiedenis voor de HBSA, Wolters, Groningen, 1964, pg. 256
491
94
Slechts twee handboeken in de jaren ’60 tonen een foto van een concentratie- of uitroeiingskamp in
hun leerboek. Auschwitz (het beeld van het voorportaal van het kamp is momenteel deel van het
collectieve geheugen geworden) is het kamp dat wordt afgebeeld, zowel van buiten het kamp
(ingang gezien wanneer men aankomt, met de bekende spoorlijn naar het kamp) als binnen
(barakken). Opvallend is ook dat, wanneer
een leerboek een foto laat zien die duidelijk
wijst op het actief vervolgen van de joden
(deportaties, razzia’s en kampfoto’s) er heel
vaak in het onderschrift wordt meegegeven
hoeveel doden er effectief vielen: “Waarheen
zij gingen. Auschwitz, waar twee miljoen
joodse mannen, vrouwen en kinderen een
vreselijke dood vonden. Van de 110 000
weggevoerde Nederlandse joden keerden
slechts 5000 terug.”494, “Barak in Auschwitz,
waar twee miljoen joden stierven. Van de 110
000 weggevoerde Nederlandse Joden keerden
maar 5 000 terug.”495
Het bekende beeld van Auschwitz
Midden jaren ’60 gaan de leerboeken ook foto’s tonen van het isoleringproces
van de joden. Foto’s met de woorden “Voor Joden Verboden” en “Joodse Wijk”
geven aan dat er bepaalde stappen zijn vooraleer men is overgegaan tot
massale deportatie.
"Tijdens markt voor
Joden verboden"
In de jaren ’60 worden veel meer foto’s gebruikt inzake de Jodenvervolging. Het type foto is zeer
divers, al blijven de meeste leerboeken kiezen voor foto’s die niet meteen de gruwelen tonen: foto’s
van deportaties zijn beperkt en ook de concentratiekampen worden amper in beeld gebracht. Tussen
1960 en 1969 gebruiken net geen 50% van de leerboeken fotomateriaal over de Jodenvervolging.
In de jaren ’70 gebruiken steeds meer leerboeken fotomateriaal tussen hun lesteksten. Conform met
de evolutie in de lesteksten, gaan meer leerboeken ook meer dan één foto over de Jodenvervolging
in hun leerboeken plaatsen. Het zwaartepunt van de thema’s van de foto’s verschuift naar de
deportaties en de razzia’s, terwijl ook andere thema’s aandacht blijven krijgen.
494
495
DE HAAN, J.C., Geschiedenis voor de HBSA, Wolters, Groningen, 1964, pg. 257
REINSMA, R., Bovenbouw van de vaderlandse en algemene geschiedenis na 1815, Amsterdam, 1965, pg. 236
95
Er verschijnen vanaf nu ook verschillende nieuwe foto’s, vooral
rond deportaties en isolatie van de joden. Deze foto toont dat
de wijken waar de joden verplicht moesten gaan wonen,
duidelijk gesignaleerd werden. Ook het onderschrift geeft een
neutrale beschrijving van de feiten, een evolutie die zich
duidelijk vanaf de jaren ’70 inzet: “Joodse wijken werden
aangeduid met een bord.”496
Joodse wijk
Maar sommige ondertitels evolueren ook in negatieve zin. De razziafoto die ik reeds beschreven heb
(met de twee Duitse soldaten) wordt door veel leerboeken overgenomen, maar één leerboek
gebruikt emotioneel gekleurde taal om de foto te beschrijven: “Razzia. Duitsers op mensenjacht in
een Nederlandse stad.”497, terwijl de andere leerboeken (die dezelfde foto gebruiken) veel neutralere
onderschriften geven: “Een Duitse patrouille door de verlaten straten.”498, “Razzia in 1944.”499
Zoals ik reeds had vermeld, gaan meer
leerboeken over tot het plaatsen van foto’s
rond de deportaties. Zo wordt in 1973 de
eerste foto van het Nederlandse
transitkamp
Westerbork
getoond.
Keuring na aankomst
Transitkamp Westerbork
Desondanks zijn de onderschriften bij de
foto’s zeer emotioneel: door de termen
transit- en vernietigingskamp te gebruiken wordt duidelijk verwezen naar de Duitsers als schuldige:
“Pas aangekomen joden in het ‘Vernichtungslager’ Auschwitz. Een s.s. officier bepaalt wie voor de
‘Arbeitseinsatz’ is bestemd en wie naar de gaskamers zullen worden gezonden.”500, “Het kamp
Westerbork in Drenthe, het Durchgangslager voor de meeste Joden.”501
Andere foto’s rond de deportatie zijn dan wel neutraal in
hun onderschrift, zoals bij deze foto over de deportatie van
Nederlandse joden: “Deportatie van Joodse landgenoten.”502
Joden wachten op deportatie
496
ALKEMADE, A.J.M., Mensen bouwen een wereld: deel 3 HM-IV, Malmberg, ’s-Hertogenbosch, 1970, pg. 164
OFFRINGA, C., Speurtocht door de eeuwen: deel 5, Wolters-Noordhoff, Groningen, 1971,pg. 238
498
BEEMSTERBOER, S.J. e.a., Wereld in wording 3: nieuwste geschiedenis, Van Goor Zonen, Den Haag, 1969, pg.
198
499
NIEMEIJER, A.C., e.a., Strijd en samenwering: een geschiedenis voor mavo, havo en vwo, deel 4v, Thieme &
Co., Zutphen, 1976, pg. 107
500
KALKWIEK, W.F., Geschiedenis in thema en taak. Deel IV vh vwo-havo, Meulenhoff Educatief, Amsterdam,
1973, pg. 69
501
KALKWIEK, W.F., Geschiedenis in thema en taak. Deel IV vh vwo-havo, Meulenhoff Educatief, Amsterdam,
1973, pg. 72
502
NIEMEIJER, A.C., Onze eeuw: geschiedenisleerboek voor de hoogste klassen van scholen voor vwo/havo,
Thieme & co, Zutphen, 1973, pg. 191
497
96
Andere thema’s zoals de Februaristaking, het onderduiken en de isolatie van de joden komen ook
aan bod. In het totaal gebruikt bijna 60% van de leerboeken foto’s over de Jodenvervolging tussen de
lesteksten.
De evolutie is duidelijk: meer boeken besluiten om foto’s op te nemen in hun leerboeken, en ook
gaan ze meer en meer taboethema’s tonen. De deportatie van Nederlandse joden blijft een gevoelig
thema, zoals sommige ondertitels laten uitschijnen. Ook tonen de leerboeken in eenzelfde editie
meerdere foto’s van de Jodenvervolging.
In de jaren ’80 kiezen de meeste leerboeken voor een foto rond de razzia’s, deportaties en kampen.
Hieronder volgt een kort overzicht van een aantal (nieuwe) foto’s die opduiken in de leerboeken. Ook
hebben de leerboeken gekozen voor neutrale onderschriften in de onderschriften. De foto’s staan in
Kleio503 (linksboven), Kijk op de Tijd504 (linksonder), Geschiedeniswerkplaats505 (rechtsboven) en
Vragen aan de Geschiedenis506 (rechtsonder).
503
CEULAERT, A.B. e.a., Kleio voor vwo 2, Uitgeverij NIB, Zeist, 1980, pg. 126
HEIDT, E.W. e.a., Kijk op de tijd: leerlingenboek 3 vwo, Malmberg, Den Bosch, 1981, pg. 159
505
BEETSMA, J., Geschiedeniswerkplaats, havo/vwo examenboek 1983, Wolters-Noordhoff, Groningen, 1982,
pg. 116
506
BEENACKERS-HEEREN, B. e.a., Vragen aan de geschiedenis 4/5 havo, Wolters-Noordhoff, Groningen, 1989,
pg. 221
504
97
In de jaren ’80 verschijnen ook de eerste foto’s
van na de Jodenvervolging. Dit zijn foto’s van de
kampen met lijken en uitgemergelde lichamen.
Het onderschrift bij het dodentransport luidt:
“Mannelijke en vrouwelijke S.S.-ers worden
gedwongen hun slachtoffers naar massagraven
te dragen.”507
Joodse Holocaust-slachtoffers
Tenslotte wordt in de jaren ’80 ook meer gefocust op de persoon Anne Frank, die in een aantal
leerboeken aan bod komt in een werkstuk rond de Jodenvervolging. Een foto508 van Anne Frank en
het befaamde Achterhuis zetten het
werkstuk kracht bij. Daarnaast duiken
ook een paar nieuwe foto’s op van
onderduikers, nadat de foto van de
oude man en het kind de enige
gebruikte foto was in de leerboeken.
Het onderschrift is zoals bij alle
leerboeken neutraal: “Bij een boer
Anne Frank en het Achterhuis
ondergedoken.”509
Ook in de jaren ’90 zet deze evolutie zich door, al kiest men nu zeer
divers en lijkt een voorkeur voor een bepaald aspect niet op de
voorgrond te treden. Zowel de Februaristaking (die van 1946 tot
1996 regelmatig aan bod komt), als de isolatie, razzia’s, deportatie
en kampen worden getoond. Tussen 1980 en 1996 tonen meer dan
50% van alle leerboeken foto’s van de Jodenvervolging, wat in eerste
zich opmerkelijk lijkt, maar ook eenvoudig te verklaren is: vanaf de
jaren ’80 komen er meer themaboeken aan, waarin een bepaald
thema uitgebreid wordt besproken en zo de Tweede Wereldoorlog
wordt geschetst. Men kiest voornamelijk voor de NSB als thema,
waardoor de Jodenvervolging aan belang moet inboeten wat het
aantal foto’s betreft.
Ondergedoken joden
507
HEIDT, E.W. e.a., Kijk op de tijd: leerlingenboek 3 vwo, Malmberg, Den Bosch, 1981, pg. 163
e
KNIGGE, J., Historisch Perspectief: Wereldgeschiedenis van de 20 eeuw. Boek II: 1945-heden, De Vuurbaak,
Barneveld, 1986, pg. 14
509
BEENACKERS-HEEREN, B. e.a., Vragen aan de geschiedenis 4/5 havo, Wolters-Noordhoff, Groningen, 1989,
pg. 222
508
98
Conclusie: Pas eind jaren ’50 duikt de eerste foto rond de Jodenvervolging op in de leerboeken, om
vanaf de jaren ’60 zijn weg te vinden in de leerstof. De beelden zijn divers qua thema
(Februaristaking, isolatie, deportatie), maar men verkiest voornamelijk om niet al te gevoelige foto’s
af te beelden. In de jaren ’70 gebruiken steeds meer leerboeken fotomateriaal tussen hun lesteksten.
Conform met de evolutie in de lesteksten, gaan verschillende leerboeken meer dan één foto over de
Jodenvervolging in hun leerboeken opnemen. Het zwaartepunt van de thema’s van de foto’s
verschuift naar de deportaties en de razzia’s. In de jaren ’80 kiezen de meeste leerboeken voor een
foto rond de razzia’s, deportaties en kampen. In deze periode verdwijnen ook de meeste emotioneel
gekleurde onderschriften, om tegen het begin van de jaren ’90 volledig te verdwijnen. Pas in de jaren
’80 zien we de eerste foto’s van na de Jodenvervolging (lijken en magere lichamen).
Tot slot wil ik melden dat op geen enkele foto die aanwezig is in de leerboeken inzake de
Jodenvervolging, er melding wordt gemaakt van NSB’ers. Men heeft het over drie groepen: de
slachtoffers (joden), de daders (Duitsers) en de autochtone bevolking (‘goede’ Nederlanders).
Ondanks het feit dat de NSB in de lesteksten vaak wordt gelinkt aan knokpartijen in de Joodse buurt
en ook actief heeft meegeholpen met razzia’s en klopjachten, worden ze niet vertoond op foto. Als
men de foto’s moet geloven, heeft enkel de Duitser schuld aan de Jodenvervolging. Het vijandsbeeld
ten opzichte van Duitsland was dan ook groot. Pas in de jaren ’80 komt er enige nuance in dat beeld:
“Het lijkt erop (…) dat de Nederlandse identiteit zich nu minder dan pakweg twintig jaar geleden
(1990, nvdr.) als anti-Duits formuleert. Daarbij hielp (…) het verdwijnen van de DDR en de
ontwikkeling in de beeldvorming van Duitsland als een groot democratisch land dat nadrukkelijk
afstand neemt van zijn dictatoriale verleden, zowel van het nazisme als van het communisme. De
herinnering aan de Tweede Wereldoorlog kwam door deze ontwikkeling in een verder verleden te
liggen.”510
510
HONDIUS, D., Oorlogslessen. Onderwijs over de oorlog sinds 1945, Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam, 2010,
pg. 33
99
5.3.
Algemene conclusie
De Jodenvervolging is een heikel thema dat maar met mondjesmaat aan bod komt in de eerste jaren
na de Tweede Wereldoorlog. Men houdt het bij een korte melding van ‘maatregelen’ tegen de joden,
gedetailleerde informatie wordt nog niet gegeven. De concentratiekampen zijn één van de aspecten
die heel kort en heel emotioneel worden belicht. Opvallend is dat de leerboeken de joodse
gemeenschap betrekken bij de Nederlandse bevolking. Ze gaan niet zover dat ze de joodse
gemeenschap vereenzelvigen met het ‘wij = goed’-kamp, maar men beschouwt de Joodse
gemeenschap als jammerlijke slachtoffers van de bezetting: “Voor minderheden, zoals de joden die
geen claim kunnen leggen op de nationale verzetsactiviteiten, is geen gehoor. Ze moeten het zelf
maar uitzoeken. In de publieke sfeer wordt van de joden vooral dankbaarheid verwacht.”511 Foto’s
vinden we helemaal niet terug in de leerboeken. Wat wél opvalt is dat, indien de leerboeken een
cijfer van omgekomen Nederlandse joden weergeven, dit dicht aanleunt bij de realiteit. Dit is een
constante in de leerboeken.
In de jaren ’50 zien we geen grote veranderingen: de leerboeken blijven de Nederlandse joden
betrekken bij de Nederlandse bevolking, de Jodenvervolging blijft beknopt weergegeven.
Desondanks worden er iets meer gebeurtenissen in het proces van de Jodenvervolging vermeld. Ook
de eerste foto’s over de Jodenvervolging duiken eind jaren ’50 op. De meeste aandacht gaat naar
militaire acties en politieke acties: “In de populaire geschiedschrijving zijn er eigenlijk maar twee
grote verhalen over de Tweede Wereldoorlog: de verhalen over strijdhandelingen, en het verhaal over
de genocide op de joden en andere bevolkingsgroepen. Van het eerste is ruim documentair materiaal
voorhanden, van het tweede bijna niets: eigenlijk alleen de films die de geallieerden in 1945 bij de
bevrijding van de concentratiekampen hebben opgenomen.”512
In de jaren ’60 zien we een eerste poging tot een objectievere benadering van de Jodenvervolging, al
is dit beperkt. Het zijn vooral de voetnoten in de Tweede Wereldoorlog die een beetje genuanceerd
worden. Zo wordt duidelijk dat de Februaristaking niet spontaan ontstond, maar georganiseerd werd
(wat de feitelijke bedoeling van de Februaristaking niet verandert volgens de leerboeken) en er
wordt meer gesproken over ‘concentratiekampen’. Wel wordt er tegen het einde van de jaren ’60
duidelijk meer aandacht besteed door de leerboeken aan de Jodenvervolging, wat volgens Hondius
kadert binnen de toenmalige sfeer van herinnering en actuele gebeurtenissen: “Er komt van
verschillende kanten behoefte om uiting te geven aan een diepere erkenning van de gruwelijke feiten
van de Jodenvervolging. Soms krijgt dat de trekken van een soort boetedoening, of een semireligieuze
handeling. (…) Veel van die interesse wordt gewekt door actuele incidenten en evenementen die iets
te maken hebben met de herinnering aan de oorlog. Het begint al gelijk met de arrestatie van
Eichmann, in Argentinië in 1960, en zijn berechting in Israël het jaar daarna. (…) In de serie De
Bezetting komen ooggetuigen veelvuldig aan het woord.”513 Toch wordt er structureel niet diep
511
HONDIUS, D., Oorlogslessen. Onderwijs over de oorlog sinds 1945, Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam, 2010,
pg. 63
512
VOS, C., Werkelijk gebeurd! De historische speelfilm als achteruitkijkspiegel van de samenleving’. In: BILLIET,
B. e.a., Het verleden in het heden. Geschiedenis, historisch onderzoek en de plaats van de historicus in de
maatschappij van vandaag, Academia Press, Gent, 2002, pg. 115-116
513
HONDIUS, D., Oorlogslessen. Onderwijs over de oorlog sinds 1945, Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam, 2010,
pg. 104-106
100
ingegaan op de Jodenvervolging, tot ergernis van de jongeren: “Amsterdamse scholieren en
studenten reageren op verzoek van Het Parool in 1963 op de uitzending van De Bezetting over
gevangenissen en concentratiekampen. De leerlingen vertellen dat ze daarover tot dan toe op school
weinig hadden gehoord.”514
De relatie van de joodse gemeenschap tot de Nederlandse bevolking neemt in sommige leerboeken
een interessante wending: soms wordt er niet verwezen naar de betrokkenheid van de Nederlanders
t.o.v. de joodse gemeenschap, maar verwezen naar de vermijding van de Nederlanders t.o.v. de
Duitse politiek. Het beeldmateriaal in de leerboeken is divers qua thema (Februaristaking, isoleren,
deportatie), maar men verkiest voornamelijk om niet al te gevoelige foto’s af te beelden.
In de jaren ’70 wordt pas echt duidelijk dat de stijgende aandacht voor de Jodenvervolging ook
gevolgen heeft voor de weergave van de feiten: “Ten aanzien van joden valt enerzijds op dat de
jodenvervolging algemeen als een van de belangrijkste aspecten van de Tweede Wereldoorlog wordt
gezien en in het onderwijs een belangrijke plaats inneemt.”515 Een meerderheid van de leerboeken
gaat voor een meer objectieve omschrijving, zoals bij de vermelding van de concentratiekampen, en
ook de joodse gemeenschap wordt meer een bevolkingsgroep op zich. In de loop van de jaren ’70
wordt steeds meer informatie gegeven over het proces van de Jodenvervolging, waardoor een
breder en correcter beeld ontstaat. De groeiende interesse van de leerboeken in de Jodenvervolging
heeft ook zijn gevolgen voor het gebruik van beeldmateriaal: veel leerboeken tonen meer dan één
foto van de Jodenvervolging, waarbij het zwaartepunt van de thema’s van de foto’s verschuift naar
de deportaties en de razzia’s. Foto’s van graatmagere vluchtelingen en lijken vinden we nog niet
terug: “Ido Abram (…) heeft vanaf eind jaren zeventig gepleit voor onderwijs over de Jodenvervolging
waarin zeer terughoudend wordt omgegaan met gruwelijke beelden van wreedheden.”516
De aandacht voor de Jodenvervolging neemt nog toe in de jaren ’80: “Ten dele kan dit worden
verklaard uit het bewustzijn dat er lieden waren die de historische werkelijkheid van de
Jodenvervolging ontkenden en probeerden te ontkrachten. (…) Een andere reden zoek ik in de
doelstelling van de gastsprekers, wat zij met hun optreden de jeugd immuun wilden maken, en zelfs
een ‘vaccin’ wilden zijn voor de jeugd. (…) Vanuit die doelstelling, en die zelfopvatting, was het
begrijpelijk dat men streefde naar een soort standaardverhaal, dat zo goed mogelijk moest zijn.”517
Men gaat steeds meer opteren voor een uitgebreid stuk over de Jodenvervolging, met aandacht voor
het proces van de deporaties en ook voor het feit dat de Nederlandse bevolking toch niet zo massaal
reageerde op de Jodenvervolging. In de jaren ’80 wordt meer en meer duidelijk dat de leerboeken de
Jodenvervolging niet weerspiegelen op de houding en mening van de Nederlanders die de Tweede
Wereldoorlog hebben meegemaakt. Deze gedachtegang kadert ook binnen de discussie die in de
jaren ’80 en vooral door Hans Blom op de voorgrond trad: niet de vraag hoeveel joden er zijn
gedeporteerd is belangrijk, maar hoe dit mogelijk was: “De vraag naar de verklaring van het hoge
percentage joodse slachtoffers uit Nederland, opgeroepen door de Amsterdamse hoogleraar Hans
Blom in een invloedrijk artikel uit 1987, inspireert eveneens nieuw onderzoek naar wat wordt
genoemd ‘De Nederlandse Paradox’, de situatie van een land met een traditie en reputatie van
514
HONDIUS, D., Oorlogslessen. Onderwijs over de oorlog sinds 1945, Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam, 2010,
pg. 103
515
Ibidem, pg. 34
516
Ibidem, pg. 149
517
Ibidem, pg. 167
101
tolerantie en toch zo’n hoog percentage joodse slachtoffers.”518 De focus van de leerboeken is nu
procesgericht: de joden werden stapsgewijs vervolgd om uiteindelijk te worden gedeporteerd en
geëxecuteerd. Dit procesgericht denken weerspiegelt zich ook in het beeldmateriaal, waar de meeste
leerboeken kiezen voor foto’s rond razzia’s, deportaties en kampen. Ook verschijnen de eerste foto’s
van de gevolgen van de Jodenvervolging (lijken en magere lichamen), dit in tegenstelling tot wat
Hondius beweert: “In zekere zin was dat in de jaren vijftig, (…) ook de verwachting van het tonen van
gruwelijke foto’s uit de concentratiekampen. Het zien daarvan zou de leerlingen en het bredere
publiek zodanig schokken dat ze voorgoed gewaarschuwd zouden zijn. Hiervan zijn de musea, de
scholen, de leerboekenschrijvers en de herinneringscentra in de jaren tachtig terug teruggekomen.”519
Eind jaren ’80 en begin jaren ’90 blijft de aandacht voor de Jodenvervolging lichtjes toenemen en
wordt zo één van de (zoniet hét belangrijkste) onderwerp in de leerboeken. De leerboeken gaan
verder met de nuancering van de ‘brave’ en ‘goede’ Nederlander: “In de jaren negentig valt op dat er
veel meer aandacht wordt besteed aan de geschiedenis van de Jodenvervolging. Dit verhoudt zich
moeilijk met het blijven uitvergroten van het verzet: er is immers weinig verzet geweest tegen de
Jodenvervolging, en wat er aan verzet was, was achteraf gezien weinig effectief.”520 Ook gaat men
alle gebeurtenissen veel nationaal kaderen en de schuld bij zichzelf leggen: “(…) het duurt nog tot in
de tweede helft van de jaren tachtig totdat de reflectie over de Jodenvervolging overal in Europa (…)
directer en nationaler wordt.”521 Toch is er ook kritiek te horen: het beeldmateriaal is op zich
subjectief, aangezien de beelden meestal zijn geschoten als propagandamateriaal: “Joden worden
altijd afgebeeld als stakkerige tragische mensen met davidssterren, meestal in lompen, ongewassen,
armoedig, en uitgemergeld. Joodse kinderen komen nauwelijks in beeld. Leden van andere
minderheidsgroepen komen we nooit tegen.”522
In tegenstelling tot de NSB en collaboratie, zien we bij de
Jodenvervolging twee duidelijke golven met een zeer korte
overgangsperiode. Van 1945 tot 1970 komt de Jodenvervolging
slechts op laag niveau in de leerboeken aan bod: weinig concrete
gebeurtenissen, medelijden voor de joodse gemeenschap en
opwaardering van eigen protest zijn kenmerken. Over deze
periode zijn slechts kleine verschillen te merken tussen 1945 en
1970. Begin jaren ’70 wordt er plots meer aandacht besteed aan
Het kamp Westerbork
de Jodenvervolging. Door actuele gebeurtenissen in de jaren ’60
en de onwetendheid van de Nederlandse jongeren over de Jodenvervolging wordt er actie
ondernomen: de leerboeken gaan massaal grote aandacht besteden aan de Jodenvervolging, waarbij
men opteert om het proces van de Jodenvervolging weer te geven en men een poging doet tot het
creëren van een algemeen, correct beeld. Deze evolutie zet zich versterkt door in de jaren ’80 en ’90,
waarbij slechts één opmerkelijk verschil is waar te nemen: de kijk op het eigen verzet tegen de
Jodenvervolging wordt nu ook kritischer.
518
HONDIUS, D., Oorlogslessen. Onderwijs over de oorlog sinds 1945, Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam, pg.
21
519
Ibidem, pg. 239
Ibidem, pg. 125
521
Ibidem, pg. 146
522
VAN PRAAG, T., ‘Tijd voor kwaliteit’. De Tweede Wereldoorlog in de schoolboeken’. In: Kleio, no. 7, 2003, pg.
27
520
102
6. Onderzoek 3: Hongerwinter
6.1.
Wetenschappelijk kader
6.1.1. Voedselpolitiek 1940 – september 1944
6.1.1.1.
Maatregelen vóór de bezetting
Reeds vóór de bezetting van Duitsland op 10 mei 1940 bedenkt men
maatregelen om landbouw en veeteelt in dienst te stellen van de eigen
voedselvoorziening. Om deze organisatie in goede banen te leiden, wordt
Stephanus Louwe Louwes in 1934 aangesteld als regeringscommissaris voor de
akkerbouw en veehouderij. Zijn grootste opdracht is om problemen rond de
voedselvoorziening zoals in de Eerste Wereldoorlog te vermijden. Toen vond er
geen voorbereiding op de oorlog plaats, waardoor de voedselbevoorrading
faliekant verkeerd liep: de prijzen rezen de pan uit, het bedrijfsleven lag plat en
de kosten van de maatregelen lag veel te hoog. Louwes vreest dat een nieuwe
Stephanus Louwes
oorlog, met een veel groter bevolkingsaantal (een stijging van 6,5 naar 8,5
miljoen tussen 1919 en 1940)523, nog rampzaliger zou verlopen. De oorlogsdreiging van NaziDuitsland zorgt ervoor dat Louwes een groot voedselbevoorradingplan opstelt. In 1939 wordt het
Rijksbureau voor de Voedselvoorziening in Oorlogstijd opgericht.524 In mei 1940 zijn alle mogelijke
opslagplaatsen volgeladen met voorraden. “Wij hadden, kortom, op 15 mei 1940 (…), gedurende de
vijf bezettingsjaren zes oogsten ter beschikking gehad”, zegt Louwes.525 Daarnaast kan men ook nog
rekenen op de eigen productie.
De hele nationale agrarische productie wordt in functie van de voedselvoorziening gesteld. Men
verzamelt gegevens van het consumptiepatroon per hoofd van de bevolking.526 Zo komt men tot de
conclusie dat men agrarische dieren in aantal moet terugdringen (kippen met 90%, varkens met 75%,
runderen met 20%)527, waardoor het vrijgekomen grasland gescheurd528 moet worden, dit ten
voordele van calorierijke landbouwgewassen zoals aardappelen. Het scheuren van het grasland is
volgens Louwes, een belangrijke factor geweest: “In het algemeen heeft de scheurmaatregel toch dit
523
TRIENEKENS, G., Voedsel en honger in oorlogstijd 1940-1945: misleiding, mythe en werkelijkheid, Utrecht,
Kosmos-Z&K Uitgevers, 1995, p. 11.
524
DE JONG, L., Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, deel 7, ’s-Gravenhage, 1969-1988,
p. 132
525
VAN BOLHUIS, J.J., Onderdrukking en verzet: Nederland in oorlogstijd, Deel 21, Van Loghum Slaterus, 1948,
p. 609
526
TRIENEKENS, G., Tussen ons volk en de honger: de voedselvoorziening 1940-1945, Stichting Matrijs, Utrecht
1985, p. 30
527
VAN BOLHUIS, J.J., Onderdrukking en verzet: Nederland in oorlogstijd, Deel 21, Van Loghum Slaterus, 1948,
p. 611.
528
Het omzetten van permanent grasland naar akkerland ten voordele van de productie van gewassen.
103
resultaat gehad, dat wij meer hebben kunnen produceren, met name aardappelen, die het
volksvoedsel bij uitnemendheid zijn geweest in de laatste oorlogsjaren.”529
De verschillende producten zullen tijdens de oorlog stap voor stap op de bon komen te staan, een
systeem waarbij de bevolking met bonnen een gelijke verdeling van voedsel kan krijgen. In 1938
wordt het hele distributiesysteem getest in Nederland, want het volk moet inzien dat de
oorlogsdreiging heel reëel is. Na de test is de overheid tevreden over het systeem en past het aan
waar het verbeterd kan worden.
6.1.1.2.
Het menu in de Tweede Wereldoorlog voor de Hongerwinter
Dankzij de scheuring van het grasland zijn er grote voorraden graan en aardappelen beschikbaar.
Trienekens: “Voor beide producten was het landbouwareaal sinds de bezetting in mei 1940 fors
uitgebreid: in de periode 1940-1943 was de graanteelt vermeerderd met 88000 ha ofwel met 16%, en
de oppervlakte aardappelen met 81000 ha, een toename van 62%.”530
Nederland staat ook bekend als groot exporteur van zuivel en groenten. Zelfs nadat de rundveestapel
met 20% was afgenomen531, blijft er een grote hoeveelheid aan zuivel over. Men schakelt over van
margarine naar duurdere boter. Via voedselbonnen wordt de bevolking gedwongen om meer boter
dan margarine te consumeren.532
Groenten zijn ook massaal aanwezig. Er zijn wel perioden van schaarste, doordat de teelt erg
seizoensgebonden is. Trienekens meldt: “de productiecapaciteit in de tuinbouwsector was vóór de
oorlog al veel groter dan voor de binnenlandse consumptie nodig was. Desondanks werd deze nog
eens met 22000 ha ofwel 44% uitgebreid, mede door de vele varkens- en kippenhouders die na het
verplicht slachten van hun veestapel overstapten naar de groenteteelt.”533
Exotische producten zoals koffie, thee en cacao zijn wel in geringe mate aanwezig. Deze worden,
door de uitvoer naar Duitsland, later vervangen door surrogaatproducten, die de smaak van het
authentieke product niet kunnen evenaren.
In 1940 wordt het Voorlichtingsbureau voor de Voeding van de Voedingsraad opgericht. Deze heeft
als taak om het Nederlandse volk duidelijk te maken hoe het zich aan de nieuwe situatie kan
aanpassen: er worden menu’s opgesteld en verspreid door de overheid via folders en kookboekjes. In
529
VAN BOLHUIS, J.J., Onderdrukking en verzet: Nederland in oorlogstijd, Deel 21, Van Loghum Slaterus, 1948,
p. 619
530
TRIENEKENS, G., Tussen ons volk en de honger: de voedselvoorziening 1940-1945, Stichting Matrijs, Utrecht
1985, p. 18
531
Ibidem, p. 20
532
TRIENEKENS (G.). “Het koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog van L. de Jong, getoetst op
het terrein van de voedselvoorziening” in: Bijdragen en Mededelingen betreffende de geschiedenis der
Nederlanden, 105 (1990) afl. 2, p. 240
533
TRIENEKENS, G., Tussen ons volk en de honger: de voedselvoorziening 1940-1945, Stichting Matrijs, Utrecht
1985, p. 22
104
boekjes met titels als onze voeding in distributietijd en oorlogskookboek534 wordt men aanbevolen
om onder andere de groenten van het seizoen te kopen, aardappelen met schil te koken en
eenpansgerechten te maken.
Maar de Nederlandse bevolking klaagt: de overgang van wit naar grof brood, van margarine naar
vette boter en het gemis van de saus over de aardappelen is voor velen een grote stap. Dit heeft voor
een groot deel bijgedragen aan de mythe van de “vijf jaar durende ellende” tijdens de Tweede
Wereldoorlog. Trienekens verklaart waarom de bevolking klaagt: “vetrijk voedsel scheidt een
hormoon af dat werkt op het verzadigingscentrum in de hersenen: er is dus een rechtstreekse relatie
tussen vet als substantie in het voedsel en een verzadigings-/bevredigingsgevoel. Gebrek aan vet in
een peulvruchtenmaaltijd en ook bijvoorbeeld in kool zou je dan als ernstig “kaal” en niet
verzadigend, (dus?) niet lekker kunnen beschouwen.”535
6.1.1.3.
De praktijk: de verdeling van het beschikbare voedsel
Hoe werkt het systeem van de distributiebonnen? Trienekens legt het uit als volgt: “Eerst moet men
naar het distributiekantoor om op vertoon van de distributiestamkaart van de leden van het
huishouden de bonkaarten op te halen. Vervolgens moest men de krant bijhouden om te zien welke
nummers worden aangewezen. Daarna bekijkt men hoe de bons het best te besteden om uiteindelijk
naar de winkel te gaan.”536 Bons zijn maar een bepaalde tijd geldig om te vermijden dat deze worden
opgespaard en doorverkocht. Producten komen pas geleidelijk aan op de bon. Men begint met suiker
en peulvruchten, later werden ook andere producten toegevoegd aan de distributie.537 Ondanks het
ingewikkelde systeem en de gegeven omstandigheden werkt het systeem goed. Het systeem neemt
ook niet weg dat er nog altijd de mogelijkheid is om voedsel aan te kopen. Maar hoe later in de
oorlog, hoe hoger de prijzen voor consumptiegoederen worden, zeker in vergelijking met het loon.
Voedselproducenten dienen hun goederen in te leveren, want de prijzen bij illegale verkoop zijn
altijd hoger dan bij officiële levering.538 Er wordt zwaar opgetreden tegen misbruik, waardoor men
kan zeggen dat er 75-80% van de werkelijke opbrengst ingeleverd wordt.539 De rest valt ten prooi aan
clandestiene handelaars.
Wie krijgt nu wat? De regel dat iedereen een gelijke portie kreeg, wordt door alle auteurs weerlegd.
Zo ligt het rantsoen voor de landbouwers op 750g vlees per week, en voor de normale verbruiker op
300g. Leeftijdsgroepen tussen 4-14 jaar en 15-20 jaar krijgen meer dan normaal, waardoor grotere
gezinnen in een gunstige positie worden geplaatst.540 Personen die zware tot zeer zware arbeid
534
TRIENEKENS, G., Voedsel en honger in oorlogstijd 1940-1945: misleiding, mythe en werkelijkheid, Utrecht,
Kosmos-Z&K Uitgevers, 1995, p. 26
535
Ibidem, p. 15
536
Ibidem, p. 65
537
VAN BOLHUIS, J.J., Onderdrukking en verzet: Nederland in oorlogstijd, Deel 21, Van Loghum Slaterus, 1948,
p. 622
538
TRIENEKENS, G., Voedsel en honger in oorlogstijd 1940-1945: misleiding, mythe en werkelijkheid, Utrecht,
Kosmos-Z&K Uitgevers, 1995, p. 54
539
Ibidem, p. 56
540
Ibidem, p. 59
105
moeten verrichten krijgen ook grotere voorraden brood, vlees en aardappelen.541 Zo worden
mijnwerkers, die belangrijk zijn voor de militaire industrie, beloond met een behoorlijke portie extra
eten. Zo kan een mijnwerker op een rantsoen van 4300 Kcal per dag rekenen, heeft hij voorrang bij
de slager en mag hij zelf een varken houden.542 Daarnaast zijn er ook personen die opzettelijk minder
krijgen. Dit past vooral in het kraam van de Duitse politiek. Hier is men, dankzij de Nederlandse
overheid en het verzet van Louwes, nooit volledig in geslaagd.
Men kan aan extra eten geraken dankzij de Centrale Keukens. Op hun hoogtepunt zijn er 1 400
Centrale Keukens.543 Louwes zegt over dit initiatief het volgende: “Ik heb toen, wat mij het eenige
middel leek om in geval van nood ten minste de armsten te voeden, in den zomer van 1940 het
initiatief genomen tot het instituut van de Centrale Keukens. Dit instituut heeft in het verhoop van
den oorlog zijn waarde bewezen.”544 Tegen afgifte van een aantal aardappelbonnen krijgt men een
maaltijdsoep geserveerd (1l voor arbeiders die werken ten voordele van de Duitsers, 0,75l voor de
rest), bestaande uit onder andere 83% aardappelen, 1,6% boter en minder dan 1% vlees.545 Met een
waarde van 800 Kcal betekent het toch snel een stijging van 30% op het aantal dagelijkse calorieën.
De Duitse bezetter is achterdochtig en zien in de Keukens vormen van communisme. Uiteindelijk
laten ze 100 000 porties per dag toe, verdeeld over de verschillende gemeenten. Bedoeling is om
hiermee 12,5% van de minderbeelden te voeden.546 Maar de Centrale Keukens kennen in het begin
geen groot succes. In 1942 hebben deze Centrale Keukens een productiecapaciteit van 2 000 000
porties per dag547, maar eind 1943 maken in heel Nederland slechts 550 000 personen er dagelijks
gebruik van, en onder die 550 000 personen telt men slechts 125 000 burgers, de rest gaat naar de
bedrijven. Dit is deels te wijten aan het feit dat men zich moest laten registreren voor deelname,
waardoor men een stempel krijgt van “arm” te zijn. Daarnaast blijken de meeste mensen in staat om
op andere manieren aan voedsel te geraken.548 Wanneer tijdens de Hongerwinter het voedsel echt
schaars wordt, blijken er geen principiële bezwaren te bestaan en loopt het storm bij de keukens.549
Ondanks het feit dat sommige producten zoals vis en groenten vrij van bons zijn, vullen sommigen
hun voedselpakket aan met producten die te koop zijn bij clandestiene handelaars. Veel
voorkomende producten op de zwarte markt zijn eieren, melk en vlees. Als motief gebruiken vele
slachters en handelaars dat het “anders toch maar naar de Duitsers gaat.”550 Zoals hierboven reeds
vermeld, komt ongeveer 25% van het totale beschikbare voedsel niet via de officiële kanalen in
omloop. Voor het begin van de Hongerwinter zijn de prijzen van deze producten nog niet erg hoog
541
TRIENEKENS, G., Tussen ons volk en de honger: de voedselvoorziening 1940-1945, Stichting Matrijs, Utrecht
1985, p. 208
542
TRIENEKENS, G., Voedsel en honger in oorlogstijd 1940-1945: misleiding, mythe en werkelijkheid, Utrecht,
Kosmos-Z&K Uitgevers, 1995, p. 60
543
VAN BOLHUIS, J.J., Onderdrukking en verzet: Nederland in oorlogstijd, Deel 21, Van Loghum Slaterus, 1948,
p. 638
544
TRIENEKENS, G., Tussen ons volk en de honger: de voedselvoorziening 1940-1945, Stichting Matrijs, Utrecht
1985, p. 210
545
Ibidem, p. 213
546
DE JONG, L., Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, deel 10B, ’s-Gravenhage, 19691988, p. 211
547
Ibidem, p. 164
548
TRIENEKENS, G., Voedsel en honger in oorlogstijd 1940-1945: misleiding, mythe en werkelijkheid, Utrecht,
Kosmos-Z&K Uitgevers, 1995, p. 68
549
Ibidem, p. 69
550
Ibidem, p. 62
106
(met uitzondering van de schaarse producten zoals vlees, vis, vet en olie)551, waardoor veel mensen
de clandestiene handel gebruiken ter aanvulling van hun dagelijks voedsel. Maar de vraag op de
zwarte markt wordt steeds groter, terwijl het aanbod daalt, wat de prijzen doorheen de bezetting de
hoogte injaagt.552
Het clandestien slachten gebeurt vaak ondeskundig, maar het wordt pas echt gevaarlijk wanneer de
slachting gebeurt in een onaangepaste ruimte. Trienekens geeft een voorbeeld van een feest in
Nijmegen in 1943, waarbij 9 mensen sterven wegens het eten van ham besmet met botulisme.553 De
Nederlandse overheid treedt streng op tegen de clandestiene slachters en handelaars door het
verbaliseren van overtredingen en het invoeren van aparte bonnen voor de stad en platteland voor
producten als melk en aardappelen.554 Ook wordt door middel van flyers en affiches de bevolking
gewaarschuwd van het gevaar van clandestiene handel.
Trienekens geeft de volgende conclusie mee vóór de Hongerwinter inzake de beschikbare
hoeveelheid voedsel: “De waarschuwing luidde niet: er is ondervoeding, maar: ‘er komt
ondervoeding.’”555
6.1.2. Voedselpolitiek tijdens Hongerwinter (09/1944 – 05/1945)
6.1.2.1.
6.1.2.1.1.
Oorzaken van de Hongerwinter
Mislukking operatie Market Garden556
Wanneer België begin september 1944 bevrijd is, wil de Britse veldmaarschalk Montgomery
Nederland bevrijden uit Duitse handen. Hiervoor maakt hij gebruik van een luchtoffensief, operatie
Market en een grondoffensief vanuit België, operatie Garden. De tactiek is dat Nederland in het
zuiden bevrijd wordt door de vliegtuigen en droppings en dat vanuit België de troepen tot het
IJsselmeer moeten doordringen om van daaruit naar het Ruhrgebied te trekken, waar de basis van de
Duitse militaire industrie ligt.
De Nederlanders zijn door het dolle heen, wanneer een radiobericht vertelt dat weldra Nederland zal
bevrijd worden nadat België uit de klauwen van het naziregime is bevrijd. Deze 5e september gaat de
551
TRIENEKENS, G., Voedsel en honger in oorlogstijd 1940-1945: misleiding, mythe en werkelijkheid, Utrecht,
Kosmos-Z&K Uitgevers, 1995, p. 69
552
DE JONG, L., Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, deel 10B, ’s-Gravenhage, 19691988, p. 214
553
TRIENEKENS, G., Voedsel en honger in oorlogstijd 1940-1945: misleiding, mythe en werkelijkheid, Utrecht,
Kosmos-Z&K Uitgevers, 1995, p. 34
554
Ibidem, p. 71
555
TRIENEKENS, G., Tussen ons volk en de honger: de voedselvoorziening 1940-1945, Stichting Matrijs, Utrecht
1985, p. 393
556
VERWEY, G., Geschiedenis van Nederland, Elsevier, Antwerpen, 1976, p. 912
107
geschiedenis in als Dolle Dinsdag.557 Nadat de geallieerden het zuiden van Nederland hebben bevrijd
en in Arnhem aankomen, blijkt de Duitse tegenstand toch heviger dan verwacht. Op de John
Frostbrug worden de geallieerden tegengehouden en moeten zich noodgedwongen
terugtrekken.558Arnhem blijkt een brug te ver te zijn. Hierdoor zal Noord- en West-Nederland
moeten wachten op de bevrijding op 5 mei 1945.
6.1.2.1.2.
De spoorwegstaking559
Om operatie Market Garden te steunen, besluit de Nederlandse regering vanuit Londen op te roepen
tot een spoorwegstaking. De achterliggende reden voor de staking is de afbreuk die aan de Duitse
oorlogsvoering zou worden gedaan door desorganisatie in de verbindingslijnen560. Men zet alle hoop
op de militaire operatie, want men is overtuigd dat het einde van de oorlog slechts een paar weken
op zich zou laten wachten.561 Aangezien Louwes geen gehoor geeft aan de Duitsers die hem
verzoeken de spoorwegstaking ongedaan te maken, neemt de Duitse bezetter wraak en verbiedt het
binnenscheepvaartverkeer. West-Nederland, met zijn verschillende grootsteden en hoge
bevolkingsdichtheid, is aangewezen op bevoorrading uit het agrarische oosten en noorden van
Nederland. Maar door de spoorwegstaking en het Duitse embargo op de binnenscheepvaart loopt
die bevoorrading mis. Dit zorgt niet meteen voor grote voedselproblemen, aangezien er nog grote
voorraden aanwezig zijn. Zes weken na de afkondiging van het embargo heffen de Duitsers het
verbod op de scheepvaart op. Maar de heropgestarte bevoorrading komt moeilijk op gang door de
militaire dreiging aan het IJsselmeer en het nijpende brandstoftekort562. Ook de dichtgevroren
rivieren563 maken het transport zeer moeilijk. De Jong formuleert het embargo als volgt: “Dat
embargo was misschien bedoeld als middel om de spoorwegstaking te doen afbreken (…). Een
vreemde straf! Zij trof namelijk niet de bevolking in haar geheel, maar uitsluitend het gedeelte dat in
de grote en kleine steden van de provincies Noord-Holland, Zuid-Holland en Utrecht woonde.”564
557
VAN DER ZEE, H., De Hongerwinter: van Dolle Dinsdag tot Bevrijding, Becht H.J.W., 1979, 261 p
KOSSMANN, E., Winkler Prins: Geschiedenis van de Nederlanden 1780-1970, Elsevier, Amsterdam, 1977, p.
285
559
TRIENEKENS, G., Voedsel en honger in oorlogstijd 1940-1945: misleiding, mythe en werkelijkheid, Utrecht,
Kosmos-Z&K Uitgevers, 1995, p. 73-76
560
PREVENIER, W., Algemene geschiedenis der Nederlanden, Fibula-Van Dishoeck, Haarlem, V12: Nieuwste
Tijd, 1977-1983, p. 79
561
VAN HOUTTE, J., Algemene geschiedenis der Nederlanden, deel XII, Standaard Boekhandel, Antwerpen
1958, p. 401
562
TRIENEKENS, G., Voedsel en honger in oorlogstijd 1940-1945: misleiding, mythe en werkelijkheid, Utrecht,
Kosmos-Z&K Uitgevers, 1995, p.75
563
Zie punt 8.1.2.1.3.
564
DE JONG, L., Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, deel 10B, ’s-Gravenhage, 19691988, p. 153
558
108
6.1.2.1.3.
Strenge winter 1944-1945
november
december
januari
februari
Grafiek 1: temperatuursverloop winter 1944/1945 te De Bilt (bij Utrecht)565
maart
De winter van 1944-1945 is algemeen bekeken een normale winter, met een gemiddelde
temperatuur van 2,3°. December 1944 is met een gemiddelde temperatuur van 2,5° een iets te
koude maand. Het is voornamelijk de maand januari die er voor zorgt dat de winter van 1945 vaak als
‘streng’ of ‘bar’ wordt getypeerd. Met een gemiddelde temperatuur van –1,6° is januari 1945 zeer
koud. Op de lijst van koudste januari’s sinds 1901 staat deze maand op de achtste plaats566. Er zijn in
januari 1945 maar liefst 26 etmalen waarin het vriest en 10 etmalen waarin de temperatuur ook
overdag niet boven het vriespunt komt567. Van 20 tot en met 26 januari vriest het elke nacht op -12°.
Door deze lage temperaturen vriezen ook de binnenrivieren dicht, waardoor watertransport
onmogelijk wordt. Bovendien valt er in januari tijdens 14 etmalen sneeuw en is er soms sprake van
een krachtige oostelijke wind. Februari 1945 is echter juist extreem zacht met een gemiddelde
temperatuur van 6,0°. In feite heeft de zeer zachte februari ervoor gezorgd dat de felle kou in januari
in de weerstatistieken grotendeels wordt gemaskeerd. Er is maar weinig zon, er valt anderhalf maal
zoveel regen dan normaal en het stormt ook nog eens regelmatig.568 Lou De Jong concludeert dan
ook terecht dat het van oktober 1944 tot maart 1945 ‘hoogst onaangenaam’ weer was. Oktober,
november en begin december waren somber, kil en nat. Vervolgens brak een periode van vijf weken
met pittig winterweer aan en vervolgens was februari opnieuw somber en nat.569
565
http://members.chello.nl/m.schavemaker1/Achtergrond/De%20winter%20van%201944.doc
BUISMAN, J., Weer of geen weer. Meteorologie voor natuurvrienden, Baarn, 1978, p. 204
567
DE JONG, L., Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, deel 10B, ’s-Gravenhage, 19691988, p. 173
568
http://www.knmi.be/
569
DE JONG, L., Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, deel 10B, ’s-Gravenhage, 19691988, p. 173
566
109
6.1.2.2.
Distributie en Centrale Keukens
Tussen september en december 1944 dalen de officiële rantsoenen voortdurend: het
distributiesysteem komt op de helling te staan en de bevoorrading wordt bemoeilijkt door de
spoorwegstaking en het Duitse embargo op het scheepvaartverkeer. De activiteiten van de Centrale
Keukens worden gericht op de burgerbevolking en vooral op de schoolgaande jeugd.570 Waar tot juli
1944 over heel Nederland 556 000 personen gebruik maken van de Centrale Keukenvoeding, stijgt
dit aantal spectaculair in de winter van 1944-1945 met een hoogtepunt van 1 254 000 personen in
West-Nederland alleen!571 Trienekens meldt dat, ondanks de lage kwaliteit en smaak van het
voedsel, de bevolking er alles voor over heeft om te kunnen overleven en dat de Centrale Keukens
een belangrijke rol spelen tijdens de Hongerwinter572: “De kwaliteit en de smaak van dit voedsel ging
hard achteruit, maar het bleef zeer aantrekkelijk om voor een aardappelbon en 20 cent een halve liter
voedsel te kunnen kopen. (…) Voor het overleven van de armere bevolking zijn de keukens van zeer
grote betekenis geweest.”573 Men kan vanaf het voorjaar 1944, als het moet, 10 000 000 porties per
dag bereiden.574
Tijdens de Hongerwinter neemt de clandestiene handel de overhand op het gecontroleerde voedsel.
Waar het in het begin van de Tweede Wereldoorlog slechts 20-25% van het voedsel via clandestiene
wegen in omloop komt, maakt dit voedsel tegen september 1944 50% of meer uit van het totaal
beschikbare voedsel.575 Het probleem ligt bij de boeren, die maar 20% inleveren, aangezien op de
zwarte markt veel meer te verdienen valt. Deze zwarte markt maakt tijdens de Hongerwinter enorme
winsten. Indien men de prijzen voor de producten op de zwarte markt niet kan betalen, gaat men
over tot ruilhandel.576 De stijgende prijzen van het voedsel op de zwarte markt en het kleinere
aanbod van voedsel via officiële wegen zorgen ervoor dat de mensen op zoek gaan naar voedsel
buiten de steden in West-Nederland. De zogenaamde hongertochten brengen de Nederlandse
bevolking naar het platteland, op zoek naar voedsel577.
In deze hongertochten spelen vrouwen en kinderen de hoofdrol. Mannen zijn bang om ontdekt te
worden door de Duitsers, die ze dan zouden inzetten in de Duitse militaire industrie of in hun
verdedigingslinies. Ook Stein meldt dat een groot verlies van mannen niet lag aan de honger, maar
aan de Duitse deportaties naar de fabrieken. Schattingen berekenen dat er tussen de 300 000 en 400
570
TRIENEKENS, G., Tussen ons volk en de honger: de voedselvoorziening 1940-1945, Stichting Matrijs, Utrecht
1985, p. 211
571
Ibidem, p. 212
572
DE JONG, L., Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, deel 10B, ’s-Gravenhage, 19691988, p. 168
573
TRIENEKENS, G., Voedsel en honger in oorlogstijd 1940-1945: misleiding, mythe en werkelijkheid, Utrecht,
Kosmos-Z&K Uitgevers, 1995, p. 82
574
TRIENEKENS, G., Tussen ons volk en de honger: de voedselvoorziening 1940-1945, Stichting Matrijs, Utrecht
1985, p. 214
575
TRIENEKENS, G., Voedsel en honger in oorlogstijd 1940-1945: misleiding, mythe en werkelijkheid, Utrecht,
Kosmos-Z&K Uitgevers, 1995, p. 83
576
DE JONG, L., Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, deel 10B, ’s-Gravenhage, 19691988, p. 218
577
TRIENEKENS, G., Voedsel en honger in oorlogstijd 1940-1945: misleiding, mythe en werkelijkheid, Utrecht,
Kosmos-Z&K Uitgevers, 1995, p. 88
110
000 mannen tijdens de oorlog gedeporteerd werden, waarvan ongeveer 20 000 zullen sterven578. In
deze cijfers zijn geen gevangenen en joden meegerekend.
6.1.2.3.
Het menu in de Tweede Wereldoorlog tijdens de Hongerwinter
Het eten in de Centrale Keukens is, hoewel van minderwaardige kwaliteit, toch een essentiële
aanvulling op het dagelijks menu van West-Nederland. Trienekens geeft een kijk op de situatie: “Als
degene die het bij de gaarkeuken (…) ging afhalen, met het pannetje thuiskwam, moest het direct
opgegeten worden, omdat het dan nog warm was en ergens naar smaakte.”579
Naast het eten in de Keukens is er ook nog het bonnensysteem. Maar meer dan een paar sneden
brood, aardappelen en suikerbieten is er weinig te verkrijgen. Vooral suikerbieten behoren tot het
hoofdvoedsel tijdens de Hongerwinter, met een gemiddelde consumptie van 250g per persoon per
dag. Na de bevrijding wordt er een “grafmonumentje” opgericht ter ere van de suikerbiet, met het
volgende opschrift580:
Hier rust ons suikerbietje
Verrek Verrot Verteer
Rust zacht, Maar keer niet weer.
In West-Nederland is gelukkig wel een grote hoeveelheid groente en melk aanwezig.581 Door de lage
uitvoer naar Duitsland zijn ook groenten als kool, wortels en uien in grote hoeveelheden aanwezig.
Het probleem is dat deze weinig calorieën bevatten en geen gevoel van verzadiging leveren.582
Doordat er minder vlees beschikbaar is, gaan de mensen op zoek naar alternatieven: gestroopte
konijnen, gestolen schapen, zelfs het slachten van eigen huisdieren583: “Moeder zei dat het hond was.
Maakt niks uit! Dat kwam op tafel! Dat was een feest! We hebben heel langzaam gegeten.”584
Trienekens omschrijft deze originele zoektocht naar voedsel als volgt: “Men leefde van wat men
toevallig had weten te bemachtigen. (…) Het meest vervelende was dat men eeuwig en altijd
hetzelfde eten kreeg en dan ook nog zonder dat het een verzadigd gevoel opleverde. (…) Maar ze
hadden geen keuze.”585
578
STEIN, Z., Famine and human development; the Dutch hunger winter of 1944-1945, Oxford University Press,
1975, p.43-44
579
TRIENEKENS, G., Voedsel en honger in oorlogstijd 1940-1945: misleiding, mythe en werkelijkheid, Utrecht,
Kosmos-Z&K Uitgevers, 1995, p. 87
580
Ibidem, p. 94
581
TRIENEKENS (G.). “Het koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog van L. de Jong, getoetst op
het terrein van de voedselvoorziening” in: Bijdragen en Mededelingen betreffende de geschiedenis der
Nederlanden, 105 (1990) afl. 2, p. 241
582
TRIENEKENS, G., Voedsel en honger in oorlogstijd 1940-1945: misleiding, mythe en werkelijkheid, Utrecht,
Kosmos-Z&K Uitgevers, 1995, p. 88
583
TRIENEKENS, G., Voedsel en honger in oorlogstijd 1940-1945: misleiding, mythe en werkelijkheid, Utrecht,
Kosmos-Z&K Uitgevers, 1995, p. 90
584
DE JONG, L., Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, deel 10B, ’s-Gravenhage, 19691988, p. 191
585
TRIENEKENS, G., Voedsel en honger in oorlogstijd 1940-1945: misleiding, mythe en werkelijkheid, Utrecht,
Kosmos-Z&K Uitgevers, 1995, p. 90 en 94
111
Om het voedsel te bereiden is er ook brandstof nodig. Bekend zijn de beelden van kale bomen in de
straatbeelden en het weghalen van de houten latten op de treinsporen. Het hout wordt dan tot
dunne lagen gesneden, zodat het kort maar fel brandt.586 Ook worden er wonderkacheltjes gemaakt,
noodkacheltjes bestaande uit een rooster in een blik met gaatjes, geplaatst in een groter blik.
6.1.2.4.
Verloop van de voedselbevoorrading tijdens de Hongerwinter
Op 16 oktober 1944 wordt het embargo op de binnenscheepvaart grotendeels opgeheven en op 8
november officieel nietig verklaard. Tot dan heeft men kunnen overleven dankzij het
distributiesysteem en de beschikbare voorraden in West-Nederland. De bevoorrading komt stilaan
terug op gang, maar op 23 december begint het te vriezen en wordt het scheepvaartverkeer quasi
onmogelijk door de dichtgevroren rivieren, dat pas midden februari terug op gang komt.587 Ook
wordt het transport moeilijk door de voortdurende treinstaking.
Doorheen de late herfst van 1944 slinken de voorraden en daalt ook het verbruik: het broodverbruik
daalt met bijna 50%, boter en vetten zelfs met 66%. Producten zoals vlees, kaas en stroop blijven op
hetzelfde verbruiksniveau.588 Uit een enquête van het Rode kruis blijkt dat 67,6% van de gezinnen
minstens 1x per dag een warme maaltijd kan nuttigen, tegenover 14,7% waar geen enkele warme
maaltijd wordt gegeten.589 Ondanks het feit dat vis vrij te verkrijgen is (naast groenten), is deze
voedselbron begin 1945 van praktisch geen betekenis meer.590
De rantsoenen dalen begin januari 1945 soms tot 500 Kcal per dag voor normale gebruikers591 (wat
ongeveer gelijk staat aan twee sneden grof brood, 400g gekookte aardappelen en een stuk
suikerbiet)592, en plaatselijk zelfs tot dieptepunten als 340 Kcal.593 Inmiddels is de internationale
hulpverlening op gang gekomen. Het Rode Kruis zorgt voor verschillende ladingen, bestaande uit
voedsel, geneesmiddelen en kleding, uit Zwitserland, Roemenië en Portugal. Deze levensmiddelen
worden gratis uitgedeeld over 4,4 miljoen inwoners.594 Hierdoor kunnen de rantsoenen in maart en
april 1945 traag worden opgevoerd.
Toch dreigt er groter gevaar. De voedselhulp daalt van ruim 13 200 ton eind december naar 5 700
ton midden februari.595 In april 1945 wordt Oost-Nederland bevrijd, maar de voedselsituatie in West586
Ibidem, p. 93
TRIENEKENS, G., Tussen ons volk en de honger: de voedselvoorziening 1940-1945, Stichting Matrijs, Utrecht
1985, p. 377
588
DE JONG, L., Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, deel 10B, ’s-Gravenhage, 19691988, p. 160
589
KRUIJER, G., Hongertochten: Amsterdam tijdens de Hongerwinter, J.A. Boom, Meppel, 1951, p. 24
590
Ibidem, p. 25
591
TRIENEKENS, G., Tussen ons volk en de honger: de voedselvoorziening 1940-1945, Stichting Matrijs, Utrecht
1985, p. 377
592
http://www.zuivelzitalsgegoten.be/html/zuivel_test_weethoeveel.php
593
KRUIJER, G., Hongertochten: Amsterdam tijdens de Hongerwinter, J.A. Boom, Meppel, 1951, p. 27
594
TRIENEKENS, G., Tussen ons volk en de honger: de voedselvoorziening 1940-1945, Stichting Matrijs, Utrecht
1985, p. 379
595
DE JONG, L., Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, deel 10B, ’s-Gravenhage, 19691988, p. 179
587
112
Nederland heeft hieronder zwaar te lijden: op 21 april 1945 komt het verkeer tussen Oost- en WestNederland volledig plat te liggen, waardoor de distributie volledig instort. Louwes schrijft over deze
periode het volgende: “(…) zou de bezetting een maand langer hebben geduurd, dan zou het aantal
gevallen van hongersterfte een veelvoud van het toch reeds zo hoge aantal hebben bedragen.”596
Zover komt het gelukkig niet. Wanneer begin april het bezette WestNederland dreigt afgesloten te worden van Duitsland, zijn de Duitsers
bereid te onderhandelen. Op 29 april 1945 beginnen de Engelsen met
airdroppings. Dit “manna uit de hemel”, zoals Van der Zee het
omschrijft, zorgt voor vreugde en enthousiasme.597 De voedseldroppings
worden, voor het eerst sinds Dolle Dinsdag, als tekens van de nakende
598
De
West-Nederlanders bevrijding gezien. Ook staan er vrachtwagens ten oosten van Utrecht
599
De geallieerden
schrijven in tulpenvelden klaar voor transport naar West-Nederland.
"many thanks" voor de ondernemen actie door voedselvoorraden en voedingsdeskundigen naar
Engelse voedseldroppings
600
West-Nederland te sturen. Deze groots opgezette hulpverlening, ook
wel aangeduid als “Operatie Manna”, heeft een nog grotere ramp kunnen voorkomen.601 Het is ook
opvallend dat, ondanks de ellende van de laatste maanden, men vasthoudt aan de bestaande
organisaties, zoals de Rotterdamse overheden die de gedropte goederen ophalen, tellen,
herverdelen en distribueren.602
Trienekens besluit als volgt: “Kijken we naar de beelden van de bevrijding, dan zien we juichende,
vitale mensen op straat. Deze beelden maken ook duidelijk dat als er eerlijk verdeeld was,
waarschijnlijk niemand – ondanks de enorme schaarste – van honger had moeten sterven. In een
noodsituatie blijkt dat de meeste mensen geen heiligen zijn.”603
596
VAN BOLHUIS, J.J., Onderdrukking en verzet: Nederland in oorlogstijd, Van Loghum Slaterus, 1948, p. 642
VAN DER ZEE, H., De Hongerwinter: van Dolle Dinsdag tot Bevrijding, Becht H.J.W., 1979, p. 206
598
VAN HOUTTE, J., Algemene geschiedenis der Nederlanden, deel XII, Standaard Boekhandel, Antwerpen
1958, p. 405
599
VAN BOLHUIS, J.J., Onderdrukking en verzet: Nederland in oorlogstijd, Van Loghum Slaterus, 1948, p. 642
600
STEIN, Z., Famine and human development; the Dutch hunger winter of 1944-1945, Oxford University Press,
1975, p. 45
601
TRIENEKENS (G.). “De voedselvoorziening in de jaren 1940-1945”, in: Spiegel Historiael 22 nr. 2, 1987, p. 83
602
KRUIJER, G., Hongertochten: Amsterdam tijdens de Hongerwinter, J.A. Boom, Meppel, 1951, p. 50
603
TRIENEKENS, G., Voedsel en honger in oorlogstijd 1940-1945: misleiding, mythe en werkelijkheid, Utrecht,
Kosmos-Z&K Uitgevers, 1995, p. 101
597
113
6.2.
Handboekanalyse
6.2.1. Verklaringen
6.2.1.1.
Oorzaken Hongerwinter
In de periode vlak na de Tweede Wereldoorlog wordt er over het algemeen maar naar één oorzaak
met de vinger gewezen: de Duitse bezetter: “De rantsoeneringen betekende honger voor wie de
prijzen in de zwarte handel niet kon betalen. (…) Extraatjes werden alleen verstrekt aan Duitsers en
aan de familiën van de enkele duizenden landverraders, die zich hadden laten ronselen voor de Duitse
krijgsdienst.”604, “Er werd op grote schaal gevorderd, geroofd en gestolen. (…) Alles konden de
Duitsers gebruiken. Alles roofden en stalen zij.”605, “Voedsel werd op grote schaal door de Duitsers
geroofd, fruit en groente, hier altijd overvloedig aanwezig, waren nauwelijks meer te krijgen.”606.
Soms worden de Duitsers als een van de oorzaken genoemd: “Bij dit alles kwam nog de honger en
het gebrek aan het meest nodige, deels doordat Europa geblokkeerd was, deels doordat alle
productie oorlogsproductie was, deels doordat de Duitsers weghaalden wat zij nodig hadden om zelf
geen gebrek te lijden.”607
Ook zijn er handboeken die geen échte verklaringen geven, maar wel subtiel verwijzen naar een
tegenstelling in de voedselverdeling: “ (…) terwijl de Nederlandse kinderen aan alles gebrek leden,
brachten de Duitsers honderden kilo’s boter en suiker naar de banketbakkers (…).”608. Een ander
leerboek citeert dan weer Seyss-Inquart, waaruit blijkt dat de Duitsers zich niet meer bemoeien met
de voedselbevoorrading in West-Nederland, en dus zo de indruk wordt gegeven dat zij een
belangrijke hand hebben in de hongersnood: “”De voedselpositie van het Nederlandse volk
interesseert ons niet meer,” verklaarde Seyss-Inquart, nadat op 18 September het spoorwegpersoneel
op bevel van de regering in Londen, als één man het werk neerlegde. Prompt volgde op deze
bedreiging de uitvoering.”609 Andere leerboeken geven geen oorzaak en geven simpelweg een
beschrijving van de hongersnood, maar wijzen wel op de harde winter als voornaamste oorzaak: “De
moeilijkste winter, die het Nederlanse volk ooit doorgemaakt heeft, kwam.”610, “De winter van
1944/45 is de ergste, die Nederland ooit gekend heeft.”611.
604
BLONK, A. e.a., Leerboek der algemene en vaderlandse geschiedenis, 1946, J.B. Wolters, Groningen, 1946,
pg. 396
605
PIK, J.W., Beknopte leerboek der vaderlandse geschiedenis, Tjeenk Willink, Zwolle, 1948, pg. 274-275
606
DEK, J., De Weg der Historie: tweede deel nieuwe en nieuwste geschiedenis, Wolters, Groningen, 1948, pg.
186
607
VAN GELDER, H.A., Anderhalve eeuw wereldgeschiedenis: leerboek, P. Noordhoff NV, Groningen, 1948, pg.
285
608
DE BOER, M.G. e.a., Beknopt leerbek der geschiedenis van het vaderland: tweede deel, Sijthoff, Leiden,
1947, pg. 82
609
DEK, J., De Weg der Historie: tweede deel nieuwe en nieuwste geschiedenis, Wolters, Groningen, 1948, pg.
189
610
BLONK, A. e.a., Leerboek der algemene en vaderlandse geschiedenis, 1946, J.B. Wolters, Groningen, 1946,
pg. 401-403
611
BERKELBACH, J.W., Volken en tijden, Tjeenk Willink, Zwolle, 1948, pg. 215
114
Over de spoorwegstaking en het verbod op de binnenscheepvaart wordt niet gesproken, behalve in
één leerboek (Geschiedenis voor de HBSA) uit 1950. Daarin wordt voor het eerst de spoorwegstaking
vermeld en meteen gewezen op het negatieve gevolg van deze actie: “Een algehele spoorwegstaking
had tot doel troepen- en goederenverplaatsingen door de Duitsers onmogelijk te maken, maar had
stagnatie van de voedseltoevoer tengevolge.”612 Opvallend is wel dat er niet met de vinger wordt
gewezen naar de actie op zich, aangezien deze goede intenties had (en ook op korte termijn succes
had).
In de jaren ’50 opteren de meeste leerboeken voor een beschrijving en niet voor een verklaring van
de Hongerwinter. Een minderheid doet een poging, maar hervalt in kortzichtigheid: “De Duitsers
verboden alle voedseltoevoer naar het Westen (…).”613 In dit citaat wordt gewezen op een
represaillemaatregel van de Duitsers op de niet-vermelde spoorwegstaking, wel een belangrijk
aspect dat hier in het verhaal wordt weggelaten. Zo geeft men de indruk dat de Duitsers zonder
reden acties ondernamen.
In de jaren ’60 gaat men meer en meer kiezen voor een bredere context binnen het kader van de
Hongerwinter doordat men meer aandacht gaat besteden aan de oorzaken hiervan. De Duitse
bezetter blijft evenwel de enige schuldige: “De Duitsers legden de hand op alle vervoersmiddelen en
beletten de aanvoer van levensmiddelen naar het Westen.”614, “De Duitsers verboden alle
voedseltoevoer naar het Westen (…).”615, “De vijand vorderde alles wat hij maar krijgen kon. Kleren,
fietsen, arbeidskrachten eiste hij op.”616
Anderzijds wordt de spoorwegstaking meer betrokken bij het geven van verklaringen: “Op de dag
van de luchtlanding, 17 September 1944, riep minister-president Gerbrandy door de radio de
spoorwegen op tot staking, waaraan prompt gevolg werd gegeven. De woedende Duitsers namen
toen alle andere transportmiddelen in beslag.”617, “Op de dag van de luchtlandingen was het
spoorwegpersoneel volgens bevel van de regering te Londen in staking gegaan. Als represailleregel
legde de bezetter de toevoer van levensmiddelen te water uit het oosten van het land stil.”618
Enkel het leerboek Geschiedenis voor de HBSA blijft de Duitsers niet als schuldigen aanduiden. Het
focust op het idee dat het een samenloop van omstandigheden was, dat het gevolg – de
voedselschaarste - niet de bedoeling was van de oorzaak – de spoorwegstaking -: “Een algehele
spoorwegstaking had tot doel troepen- en goederenverplaatsingen door de Duitsers onmogelijk te
maken, maar had stagnatie van de voedseltoevoer tengevolge.”619
Sommige leerboeken zoeken de oorzaken voor de voedselschaarste nog vroeger in de tijd en zien
verbanden tussen de Hongerwinter en de Slag bij Arnhem: “Ter ondersteuning van de aanval op
Arnhem waren de Nederlandse spoorwegen in staking gegaan. De Duitsers legden nu beslag op alle
612
DE HAAN, J.C., Geschiedenis voor de HBSA, Wolters, Groningen, 1950, pg. 275
BEEMSTERBOER, W. e.a., Wereld in wording, Van Goor zonen, ’s-Gravenhage, 1956, pg. 377
614
JANSENS, J.G., De Spiegel Der Eeuwen, Wolters-Noordhoff, Groningen, 1960, pg. 199
615
BEEMSTERBOER, W. e.a., Wereld in wording, Van Goor zonen, ’s-Gravenhage, 1962, pg. 376-377
616
VAN ALKEMADE, G.P.R. e.a., Inkijk en inzicht IV. De historie van ±1815 tot heden, J. Muussees NV,
Purmerend, 1965, pg. 334
617
FONTAINE, P., Van oermens tot wereldburger: vierde deel A, Malmberg, ’s-Hertogenbosch, 1961, pg. 174177
618
VERSTEGEN, H.H., Diorama van de moderne tijd, H.J. Dieben NV, ’s-Gravenhage, 1965, pg. 346-348
619
DE HAAN, J.C., Geschiedenis voor de HBSA, Wolters, Groningen, 1966, pg. 264
613
115
transportmiddelen.”620, “Voor verschillende streken kwamen echter nog zeer moeilijke maanden,
vooral na de nederlaag bij Arnhem.”621
Op het einde van de jaren ’60 geeft één leerboek een combinatie van oorzaken, zonder naar de
Duitse bezetter te refereren: “De spoorwegstaking van september 1944 en de mislukte
luchtlandingen bij Arnhem werden gevolgd door een verschrikkelijke Hongerwinter in het westen van
ons land.”622 Maar toch worden in de meeste leerboeken nog steeds de Duitsers als voornaamste (en
enige) oorzaak vermeld: “In het noorden heerste nu onverhuld de Duitse terreur en de honger, vooral
in het westen des lands.”623, “Voedsel werd op grote schaal door de Duitsers geroofd (…).”624
In de jaren ’70 focust men meer op de spoorwegstaking. Ongeveer de helft van de leerboeken zal dit
als (on)rechtstreekse oorzaak aanduiden in hun lesteksten: “Sinds dolle dinsdag staakten de
spoorwegen en zij hielden dit vol tot het einde van de bezetting.”625, “Onderwijl was in september het
spoorwegpersoneel in staking gegaan, om de bezetter de strijd moeilijk te maken. Dit heeft in de
Hongerwinter, die nu aanbrak, de ellende verergerd.”626, “Bijzonder ernstig werd de situatie in de
laatste Oorlogswinter, toen door de staking van het spoorwegpersoneel Westelijk Nederland vrijwel
geheel van voedsel bleef verstoken.”627, “Door de staking van de Nederlandse spoorwegen werd de
bevoorrading van het dichtbevolkte westen onmogelijk.”628
De Duitsers blijven evenwel de grote boeman voor de meeste leerboeken. Één leerboek focust als
verklaring zo goed als alleen op de Duitsers als oorzaak voor de hongerellende: “De Duitsers maakten
nu in het zicht van de nederlaag meedogenloos jacht op mensen en voorraden. (…) Dat kwam mede
door de spoorwegstaking die in september door de regering in Londen was uitgeroepen. (…) De
Duitsers ondervonden er echter minder schade van dan de bevolking. Want de bezetter slaagde erin
om met eigen personeel toch het treintransport door te laten gaan, terwijl ze als wraakoefening de
voedseltoevoer bemoeilijkten of verhinderden.”629
De jaren ’80 biedt een groter gamma aan leerboeken die objectiever en genuanceerder verklaringen
zoeken (en geven) voor de Hongerwinter, al blijft het voor de leerboeken duidelijk dat de Duitse
bezetter de belangrijkste oorzaak is, of al dan niet de finale stap heeft gezet die de Hongerwinter
heeft ingeleid: “Om het Duitse militaire vervoer in de war te sturen, vroeg de Nederlandse regering
vanuit Londen of het personeel van de spoorwegen het werk wilde stilleggen. Deze oproep had
succes, maar uit wraak legden de Duitsers de aanvoer van voedsel en brandstof stil.”630, “Het nijpende
voedselgebrek, de strenge winter en het ontbreken van brandstoffen en transportmiddelen vormden
620
WESTENDORP BOERMA, J.J., Leerboek der geschiedenis: van het Wener congres tot heden II, Tjeenk Willink,
Zwolle, 1960, pg. 281
621
RIJPMA, E., De ontwikkelingsgang der historie IIIA, Wolters, Groningen, 1967, pg. 377
622
VAN DER STRATE, G.E., Van primitief naar modern, Noorduijn en zoon NV, Gorinchem, 1968,pg. 225
623
BOONEKAMP, W.J.M. e.a., Memoriael II: gedenkwaardigheden uit de geschiedenis van de mensheid,
Wolters-Noordhoff, Groningen, 1969, pg. 459
624
DEK, J. e.a., Twee Eeuwen, Wolters-Noordhoff, Groningen, 1969, pg. 133
625
ADANG, A. e.a., Mensen en machten 4h, Meulenhoff Educatief, Amsterdam, 1970, pg. 150
626
JANSENS, J.G., De Spiegel Der Eeuwen, Wolters-Noordhoff, Groningen, 1970, pg. 201
627
KALKWIEK, W.F., Geschiedenis in thema en taak. Deel IV vh vwo-havo, Meulenhoff Educatief, Amsterdam,
1973, pg. 73
628
DE BEER, A.C., Geschiedenis in onderwerpen: 4/5 havo, Meulenhoff Educatief, Amsterdam, 1978, pg. 91
629
ULRICH, H., Geschiedenis van gisteren: HAVO/VWO-editie, Malmberg, Den Bosch, 1976, pg. 154
630
HEIDT, E.W. e.a., Kijk op de tijd: leerlingenboek 3 vwo, Malmberg, Den Bosch, 1981, pg. 162-163
116
de achtergrond van de Hongerwinter van 1944/45 (…). Als wraakneming voor de spoorwegstaking
belemmerden de Duitsers de voedseltransporten.”631, “Uit wraak voor de spoorwegstaking legden de
Duitsers de aanvoer van voedsel en brandstof naar de grote steden lam.”632, “Vooral in de grote
steden in het westen van het land heerste hongersnood. Daar woonden de meeste mensen en was
mede het gevolg van de spoorwegstaking en de strenge winter het minste voedsel.”633
Toch maakt een niet gering aantal leerboeken dezelfde keuzes als voorheen: de Duitsers worden
verweten de oorzaak te zijn voor de Hongerwinter, zonder de nadruk te leggen op externe factoren
of niet-Duits gerelateerde oorzaken: “Het gebrek aan voedsel in de steden werd steeds groter, daar
de Duitsers alle aanvoer naar het Westen tegenhielden (…).”634, “Het weinige dat er was, werd door
de Duitsers in beslag genomen. (…).”635 Een minderheid van de leerboeken legt de schuld vooral bij
de Nederlandse bevolking , vooral in het feit dat de spoorwegstaking meer negatieve dan positieve
gevolgen had: “Deze situatie werd verergerd door een in september 1944 begonnen spoorwegstaking.
De regering in Londen had hiertoe opgeroepen in de hoop zo de aanvoerlijnen van de Duitsers te
ontregelen. De staking bleek echter minstens even nadelig voor de bevolking: er werden ook geen
voedsel en brandstof meer aangevoerd.”636 ,“De aanvoer van voedsel stokte bijna volledig. Dat kwam
door de spoorwegstaking, waartoe de Nederlandse regering vanuit Londen had opgeroepen.”637
In de jaren ’90 tenslotte verkiezen de leerboeken een aanpak die objectief en rationeel de feiten
schetst: “Vooral in de grote steden in het westen van het land, waar de meeste mensen woonden,
heerste hongersnood. Als gevolg van de spoorwegstaking en de strenge winter was hier het minste
voedsel.”638, ““De spoorwegstaking in september 1944, waartoe de Nederlandse regering had
opgeroepen ter ondersteuning van de bevrijders, had alleen nog maar nadelig effect. De Duitsers, die
niet in staat waren de staking te breken, weigerden daarop elk transport van voedsel naar het
hongerende westen.”639, “Vanuit Engeland had de Nederlandse regering via Radio-Oranje opgeroepen
tot een spoorwegstaking. (…) Helaas kreeg de bevolking in het niet-bevrijde Nederland boven de grote
rivieren met de nadelen daarvan te maken. In de winter van 1944/45 konden geen
voedseltransporten per trein plaatsvinden om de steeds grotere voedselschaarste te verlichten.”640
631
e
KNIGGE, J., Historisch Perspectief: Wereldgeschiedenis van de 20 eeuw. Boek II: 1945-heden, De Vuurbaak,
Barneveld, 1986, pg. 21
632
BEETSMA, J., Geschiedeniswerkplaats, havo/vwo examenboek 1983, Wolters-Noordhoff, Groningen, 1982,
pg. 93
633
BLOM, J.C.H. e.a., Sprekend Verleden: een geschiedenis van de wereld. Deel 3 – basis, Nijgh & Van Ditmar
Educatief, Rijswijk, 1986, pg. 84
634
OERLEMANS, J.W., De wereld sinds 1870: een historisch overzicht, Wolters-Noordhoff, Groningen, 1984, pg.
135-136
635
KIKKERT, J.G., Kleio: korte algemene geschiedenis 2, Uitgeverij NIB, Zeist, 1987, pg. 182-183
636
BLOM, J.C.H. e.a., Sprekend Verleden: een geschiedenis van de wereld. Deel 3-boek I, Nijgh & Van Ditmar
Educatief, Rijswijk, 1987, pg. 65
637
KIKKERT, J.G., Kleio: korte algemene geschiedenis 2, Uitgeverij NIB, Zeist, 1987, pg. 182-183
638
BLOM, J.C.H. e.a., Sprekend Verleden deel 3, Nijgh & Van Ditmar Educatief, Rijswijk, 1991, pg. 77
639
IMMERZEEL, E.A., Historia: geschiedenis en staatsinrichting voor de bovenbouw havo/vwo, Meulenhoff
Educatief, Amsterdam, pg. 241
640
HOOGSTRAATEN, M.G. e.a., Op weg naar 2000: De geschiedenis van 1870 tot heden vwo editie, BKE, Baarn,
1994, pg. 170
117
Conclusie: Van 1945 tot eind jaren ’80 wordt de Duitse bezetter aangeduid als belangrijkste (en soms
als enige) schuldige voor het plaats vinden van de Hongerwinter. Vooral in de eerste jaren na de
Tweede Wereldoorlog wordt hierop gefocust. Op één uitzondering na, wordt nergens melding
gemaakt van de spoorwegstaking. In de jaren ’50 mijdt men verklaringen in de leerboeken. De
pogingen die toch worden ondernomen, zijn kortzichtig, eenzijdig en onvolledig.
Vanaf de jaren ’60 wordt de spoorwegstaking meer betrokken bij de verklaring voor de
Hongerwinter, al wordt deze nog niet als directe oorzaak aangeduid: men blijft focussen op het
Duitse embargo op de binnenscheepvaart, waardoor men dus de schuld in de schoenen van de
bezetter kon schuiven.
Pas in de jaren ’70 zien we bij meer leerboeken dat de spoorwegstaking ook als oorzaak wordt
vermeld, maar desondanks blijven de Duitsers de belangrijkste spilfiguur in de voedselproblematiek.
Deze gedachtegang zet zich ook verder in de jaren ’80.
Pas in de jaren ’90 zullen de leerboeken kiezen voor een objectieve en rationele beschrijving van de
feiten en voor een breder kader, nl. interne en externe oorzaken .
118
6.2.2. Beschrijvingen
6.2.2.1.
Menu tijdens de Hongerwinter
De eerste jaren na de Tweede Wereldoorlog spreekt een minderheid van de leerboeken over het
menu tijdens de Hongerwinter. Wanneer men dit wel vermeldt, neemt men vooral brood als
voorbeeld. De hoeveelheid brood dat deel van het menu uitmaakte verschilt nogal per leerboek:
“Het broodrantsoen daalde tot 500 gram per week.”641, “De rantsoenen werden verminderd tot 8 en
tot 4 ons brood per week (…).”642, “(…) het broodrantsoen liep terug van 1800 tot 600, soms zelfs tot
400 gram (…).”643. Hieruit blijkt dat sommige leerboeken duidelijk veralgemenen en geen evolutie
van het menu weergeven.
Soms wordt ook gewezen op voedsel dat niet meer verkrijgbaar is: “(…) fruit en groente, hier altijd
overvloedig aanwezig, waren nauwelijks meer te krijgen.”644. In 1948 wordt ook voor het eerst
melding gemaakt van de giften door het Rode Kruis: “Het Rode Kruis zorgde enige keren voor brood
en boter, welke gaven zeer dankbaar werden aanvaard.”645
Voor 1950 wordt reeds geciteerd dat bloembollen en suikerbieten deel uitmaken van het menu
tijdens de Hongerwinter: “Wie suikerbieten of bloembollen kon bemachtigen, prees zich gelukkig.”646,
“Suikerbieten en bloembollen waren tenslotte een veelbegeerde voeding.”647 Hierna zal dit in de
meeste leerboeken aan bod komen.
Vanaf 1950 treedt de vermelding van suikerbieten en bloembollen op de voorgrond als symbool voor
het Hongerwintermenu: “Zelfs suikerbieten werden gerantsoeneerd en bloembollen vonden gretig
aftrek als surrogaat-aardappelen.”648, “Suikerbieten en tulpenbollen werden in West-Nederland
weldra aangeprezen om hun hoge voedingswaarde!”649 Maar toch blijft een (kleine) minderheid van
de leerboeken aandacht besteden aan het menu. Zo worden ook de Centrale Keukens bij de leerstof
betrokken: “Het dagrantsoen van de centrale keukens werd in het algemeen teruggebracht van ¾ op
½ liter soep, het broodrantsoen tot op 500 gram per week.”650 De leerboeken geven de indruk dat de
mensen in West-Nederland niets anders aten dan suikerbieten, bloembollen (en in mindere mate
brood en in nog mindere mate soep van de Centrale Keukens).
641
DE BOER, M.G. e.a., Beknopt leerbek der geschiedenis van het vaderland: tweede deel, Sijthoff, Leiden,
1947, pg. 82
642
DEK, J., De Weg der Historie: tweede deel nieuwe en nieuwste geschiedenis, Wolters, Groningen, 1948, pg.
189
643
DE HAAN, J.C., Geschiedenis voor de HBSA, Wolters, Groningen, 1950, pg. 275
644
DEK, J., De Weg der Historie: tweede deel nieuwe en nieuwste geschiedenis, Wolters, Groningen, 1948, pg.
186
645
DEK, J., De Weg der Historie: tweede deel nieuwe en nieuwste geschiedenis, Wolters, Groningen, 1948, pg.
189
646
DEK, J., De Weg der Historie: tweede deel nieuwe en nieuwste geschiedenis, Wolters, Groningen, 1948, pg.
189
647
RIJPMA, J.H. e.a., Korte ontwikkelingsgang der historie II, Wolters, Groningen, 1949, pg. 190
648
BEEMSTERBOER, W. e.a., Wereld in wording, Van Goor zonen, ’s-Gravenhage, 1954, pg. 377
649
DE HAAN, J.C., Geschiedenis voor de HBSA, Wolters, Groningen, 1957, pg. 248-249
650
BEEMSTERBOER, W. e.a., Wereld in wording, Van Goor zonen, ’s-Gravenhage, 1954, pg. 377
119
In de jaren ’60 besteden de leerboeken meer aandacht aan het menu tijdens de Hongerwinter. Er
wordt nog steeds gefocust op de suikerbieten en bloembollen, maar meer leerboeken tonen aan dat
het menu uitgebreider is dan wordt gedacht: “Tenslotte werd per week slechts 400 gram brood en 1
kg aardappelen verstrekt.”651, “ (…) met de week daalden de rantsoenen, in de eerste week van mei
1945 werd per persoon slechts een half ons kaas en één brood verstrekt.”652, “Hongerrantsoen: twee
sneetjes brood, twee aardappelen per dag, aan te vullen met … bloembollen en suikerbieten.”653 Maar
toch blijven de suikerbieten en bloembollen dominant aanwezig: “(…) in de grote steden gebruikte de
bevolking tulpen en suikerbieten als voedingsmiddel.”654, “In West-Nederland werd (…) bloembollen
en suikerbieten gegeten (…).”655
In de jaren ’70 is er weinig evolutie te merken inzake het menu. Ongeveer de helft van de leerboeken
die spreken over het menu tijdens de Hongerwinter, geven het beeld weer van een uitgebreider
menu: “In de centrale keukens werd per dag tenslotte 1 liter soep verstrekt; het broodrantsoen
daalde tot 10 sneetjes per week.”656, de andere helft blijft focussen op de bloembollen en
suikerbieten: “Het werd de winter van de bloembollen en de suikerbieten (…).”657 Zelfs brandnetels
doen hun intrede: “In veel gevallen moest men daarom tevreden zijn met voedsel gemaakt van
suikerbieten, bloembollen en brandnetels.”658
In de jaren ’80 en ’90 vallen de meeste leerboeken terug op het stereotiepe beeld van het
Hongerwintermenu, al duiken er hier en daar nieuwe elementen op: “De mensen aten bloembollen
en suikerbieten.”659, “Het waren de lange donkere maanden van (…) de koolsoep en het suikerbietenen bloembollenmenu (…).”660 Deze evolutie valt waarschijnlijk te verklaren doordat men in de
leerboeken van de jaren ’80 en ’90 beduidend minder aandacht besteedt aan de Hongerwinter dan in
de jaren ’70. Hierdoor moeten de leerboeken waarschijnlijk hun lesteksten inperken en dus overgaan
tot veralgemening en kunnen ze daarom bepaalde aspecten niet uit diepen.
651
WESTENDORP BOERMA, J.J., Leerboek der geschiedenis: van het Wener congres tot heden II, Tjeenk Willink,
Zwolle, 1960, pg. 281
652
FONTAINE, P., Van oermens tot wereldburger: vierde deel A, Malmberg, ’s-Hertogenbosch, 1961, pg. 174177
653
KLIJNSMA, P., Passage: studieboek voor geschiedenis deel A, Noordhoff, Groningen, 1963, pg. 300-301
654
BOONEKAMP, W.J.M. e.a., Memoriael II: gedenkwaardigheden uit de geschiedenis van de mensheid,
Noordhoff, Groningen, 1964, pg. 448
655
VAN DER HOEVEN, M.B., De twintigste eeuw, Meulenhoff, Amsterdam, 1967, pg. 167
656
NIEMEIJER, A.C., Onze eeuw: geschiedenisleerboek voor de hoogste klassen van scholen voor vwo/havo,
Thieme & co, Zutphen, 1973, pg. 194
657
ULRICH, H., Geschiedenis van gisteren: HAVO/VWO-editie, Malmberg, Den Bosch, 1976, pg. 154
658
ADANG, A. e.a., Mensen en machten 4/5 havo, Meulenhoff Educatief, Amsterdam, 1978, pg. 292-293
659
HEIDT, E.W. e.a., Kijk op de tijd: leerlingenboek 3 vwo, Malmberg, Den Bosch, 1981, pg. 162-163
660
e
KNIGGE, J., Historisch Perspectief: Wereldgeschiedenis van de 20 eeuw. Boek II: 1945-heden, De Vuurbaak,
Barneveld, 1986, pg. 21
120
Conclusie: In de jaren na de Tweede Wereldoorlog wordt over het Hongerwintermenu vooral
gefocust op de hoeveelheid brood beschikbaar is. In de jaren ’50 zullen in de samenstelling van het
menu suikerbieten en bloembollen meer op de voorgrond treden en naar de mening van de
leerboeken de belangrijkste (en volgens sommigen zelfs de enige) bestanddelen van het menu
uitmaken.
In de jaren ’60 besteden de leerboeken meer aandacht aan het menu tijdens de Hongerwinter. Meer
leerboeken tonen aan dat het menu uitgebreider is dan werd gedacht.
In de jaren ’70 is er weinig evolutie te merken inzake het menu. In de jaren ’80 en ’90 vallen de
meeste leerboeken terug op het stereotiepe beeld van het Hongerwintermenu. Deze evolutie valt
waarschijnlijk te verklaren doordat men in de leerboeken van de jaren ’80 en ’90 beduidend minder
aandacht besteedt aan de Hongerwinter dan in de jaren ’70.
6.2.2.2.
Hongertochten
In de jaren na het einde van de Tweede Wereldoorlog maken de hongertochten deel uit van de vaste
leerstof in de leerboeken. Wanneer deze worden vermeld in de leerboeken, worden deze tochten
gedramatiseerd qua taalgebruik: “Om niet te sterven moesten zij, die nog fietsen of lopen konden,
met de laatste krachten er op uit. Lange trieste kolonnes trokken langs de wegen de polders in, de
Veluwe op en weldra nog verder.”661, “Honger en ellende dreven de mensen met fietsen en
handkarren naar het platteland, in de hoop daar iets te kunnen bemachtigen. Van Amsterdam en
Rotterdam uit zwierven de hongerige stedelingen over de Veluwe en door Friesland (…).”662
Het beeld dat wordt opgehangen van de hongertochten getuigt van een strijd tegen de dood.
Desondanks melden een aantal leerboeken dat de bevolking zich, ondanks de ellende, sterk houdt:
“Maar de Nederlanders klaagden niet.”663, “5 Mei 1945 was geheel Nederland bevrijd, juist op tijd om
de uitgeteerde, toch meestal optimistisch gebleven bevolking te redden.“664. Deze veralgemeningen
komen weliswaar in een minderheid van de leerboeken terug. De dramatisering van de
hongertochten zet zich ook in de jaren ’50 verder: “Duizenden mensen stierven van uitputting in de
huizen, op hun werk, op de straten, op hongertochten waar ze voor het gezin nog enig voedsel
hoopten te krijgen.”665, “grote stoeten stedelingen trokken op het platteland heen en weer om aan
eten te komen voor hun familie thuis.“666. De toon is evenwel in een deel van de leerboeken
objectiever en meer gekaderd. De leerboeken gaan dieper in op het feit dat enkel vrouwen en
kinderen aan de hongertochten deelnemen: “Velen gingen op “hongertocht” uit, vaak vooral
vrouwen, daar het voor mannen gevaarlijk was.”667 “De Duitsers verboden alle voedseltoevoer naar
661
BLONK, A. e.a., Leerboek der algemene en vaderlandse geschiedenis, 1946, J.B. Wolters, Groningen, 1946,
pg. 401-403
662
BERKELBACH, J.W. e.a., Volken en tijden: uitgave voor het gymnasium, Tjeenk Willink, Zwolle, 1947, pg. 307
663
PIK, J.W., Beknopte leerboek der vaderlandse geschiedenis, Tjeenk Willink, Zwolle, 1948, pg. 274-275
664
MOORA, J. e.a., De wereld van vroeger en nu, Versluys, Amsterdam, 1955, pg. 571-572
665
ALGRA, H., Gestalten en tijden. Leerboek der Vaderlandse geschiedenis, deel III, Noordhoff NV, Groningen,
1952, pg. 131-132
666
MOORA, J. e.a., De wereld van vroeger en nu, Versluys, Amsterdam, 1955, pg. 571-572
667
RIJPMA, E., De ontwikkelingsgang der historie IIIA, Wolters, Groningen, 1950, pg. 419
121
het Westen, zodat de bevolking op hongertocht naar het Oosten moest uittrekken, meest vrouwen en
kinderen (…).”668 In de jaren ’60 wordt de lijn van objectivering doorgetrokken naar andere
leerboeken: “De Duitsers verboden alle voedseltoevoer naar het Westen, zodat de bevolking op
hongertocht naar het Oosten moest uittrekken, meest vrouwen en kinderen (…).”669, “Duizenden
trokken naar het platteland om voedsel te kopen (de”hongertochten”).”670, “Hongertocht: zie ze
zwerven vanuit de grote steden van het westen, de duizenden, meest vrouwen en meisjes, (…).”671,
“De verstrekte hoeveelheden voedsel werden kleiner en het hongerende Westen van ons land trok er
op uit om voedsel te halen. Het voedselproducerend gedeelte van ons vaderland werd overspoeld
door stedelingen en zoveel mogelijk werden zij, behoudens enige ongunstige uitzonderingen,
geholpen.”672. Over deze laatste zin wordt gesproken over ‘enige ongunstige uitzonderingen’. Een
ander leerboek geeft hier een concreet voorbeeld over: “Er is ook een boer geweest, die in deze barre
nood op de kop tikt 2 orgels, 3 piano’s en 7 radiotoestellen. Een Néderlandse boer!!”673
Een meerderheid van de leerboeken opteert voor een meer rationele beschrijving van de
hongertochten. Hier nog een aantal voorbeelden: “De Hongertochten uit de steden, tot naar
Groningen en Friesland toe, spreken boekdelen.”674, “Vrouwen hielden hongertochten om ver van hun
woonplaats op het platteland nog enig voedsel te bemachtigen.”675
In de jaren ’70 wordt het aandeel van de leerboeken dat objectief de hongertochten omschrijft,
groot: “Vrouwen en kinderen hielden hongertochten tot ver buiten hun woonplaatsen, in de hoop op
het platteland nog iets eetbaars te bemachtigen.”676, “Velen trokken (…) naar het oosten om te
proberen wat voedsel te krijgen.”677, “Het werd de winter van (…) de lange tochten te voet of op de
fiets met houten banden om ergens nog een portie eten te bemachtigen.”678
In de jaren ’80 en ‘90 wordt in de leerboeken minder aandacht besteed aan de Hongerwinter,
waardoor men bepaalde aspecten gaat veralgemenen. Men gaat meer focussen op de collaboratie
en de Jodenvervolging. Maar over de hongertochten gaat men, in tegenstelling tot de samenstelling
van het menu, niet over tot vereenvoudigde weergaven. Men wordt hier en daar zelfs kritischer:
“Toch moesten zij, die nog fietsen of lopen konden, met hun laatste krachten erop uit om voedsel te
kopen op het platteland, waar vaak woekerprijzen moesten worden betaald.”679 Men durft hier het
beeld van de ‘helpende boer’ te doorprikken.
668
BEEMSTERBOER, W. e.a., Wereld in wording, Van Goor zonen, ’s-Gravenhage, 1954, pg. 377
BEEMSTERBOER, W. e.a., Wereld in wording, Van Goor zonen, ’s-Gravenhage, 1960, pg. 376-377
670
FONTAINE, P., Van oermens tot wereldburger: vierde deel A, Malmberg, ’s-Hertogenbosch, 1961, pg. 174177
671
KLIJNSMA, P., Passage: studieboek voor geschiedenis deel A, Noordhoff, Groningen, 1963, pg. 300-301
672
VAN ALKEMADE, G.P.R. e.a., Inkijk en inzicht IV. De historie van ±1815 tot heden, J. Muussees NV,
Purmerend, 1965, pg. 334
673
KLIJNSMA, P., Passage: studieboek voor geschiedenis deel A, Noordhoff, Groningen, 1963, pg. 300-301
674
VAN DER HOEVEN, M.B., De twintigste eeuw, Meulenhoff, Amsterdam, 1967, pg. 167
675
VAN VOORST VAN BEEST, C.W., Overzicht van de geschiedenis voor vwo en havo deel 5: de nieuwste
geschiedenis vanaf 1914, Malmberg, ’s-Hertogenbosch, 1967, pg. 73
676
CEULAERT, A.B. e.a., Kleio voor vwo en havo 2, Uitgeverij NIB, Zeist, 1972, pg. 100
677
NIEMEIJER, A.C., Onze eeuw: geschiedenisleerboek voor de hoogste klassen van scholen voor vwo/havo,
Thieme & co, Zutphen, 1973, pg. 194
678
ULRICH, H., Geschiedenis van gisteren: HAVO/VWO-editie, Malmberg, Den Bosch, 1976, pg. 154
679
OERLEMANS, J.W., De wereld sinds 1870: een historisch overzicht, Wolters-Noordhoff, Groningen, 1984, pg.
135-136
669
122
Conclusie: In de jaren na de Tweede Wereldoorlog worden de hongertochten gedramatiseerd en
zelfs lyrisch verwoord. In de jaren ’50 gaat de dramatisering van de hongertochten verder, maar
meer leerboeken gaan over tot een objectievere schets van deze gebeurtenis.
In de jaren ’60 wordt de lijn van objectivering over de hongertochten doorgetrokken naar andere
leerboeken en is er soms zelfs een licht kritische noot op te merken over de landbouwers in de
Hongerwinter. In de jaren ’70 is er weinig evolutie te merken inzake het menu.
In de jaren ’70 wordt het aandeel van de leerboeken dat objectief de hongertochten omschrijft,
groot. Maar net zoals bij de samenstelling van het Hongerwintermenu wordt in de jaren ’80 en ‘90 in
de leerboeken minder aandacht besteed aan de Hongerwinter, waardoor men bepaalde aspecten
gaat veralgemenen. Maar over de hongertochten gaat men, in tegenstelling tot de samenstelling van
het menu, niet over tot een vereenvoudigde beschrijving. Men wordt hier en daar zelfs kritischer.
123
6.2.3. Terminologie
6.2.3.1.
Hongerwinter
In dit deel onderzoek ik de synoniemen die worden gegeven voor de Hongerwinter, zonder dieper in
te gaan op bepaalde gebeurtenissen. Hierbij let ik op bijvoeglijke naamwoorden die symbool staan
voor de Hongerwinter.
De Hongerwinter staat in de periode vlak na de Tweede Wereldoorlog symbool voor de
onderdrukking van het eigen volk. De adjectieven zijn dan ook divers en heel uiteenlopend: “De
moeilijkste winter, die het Nederlandse volk ooit doorgemaakt heeft (…)”680, “Een vreselijke winter
(…).”681 “De winter van 1944/45 is de ergste, die Nederland ooit gekend heeft.”682, “In de winter van
1944-45 werd dit bepaald moordend.”683, “Nederland benoorden de grote rivieren zou nog een bange
winter van Duitse verdrukking moeten doorstaan.”684 “De winter van 1944/’45 was vooral voor de
“hongerprovincies” in West-Nederland wel heel dreigend (…).”685
Sommige leerboeken focussen visueel op het aspect ‘honger lijden’. Dit wordt cursief aangeduid in
de leerboeken, waardoor de focus op het lijden wordt benadrukt: “In ’t Westen werd het een bange
tijd, waarin werkelijk honger werd geleden.”686
In de jaren ’50 gaan de synoniemen en adjectieven voor de Hongerwinter verder: “In die tijd (februari
1944-mei 1945) ging een andere, niet minder geduchte vijand heersen: de honger.”687“(…) de
vreselijke Hongerwinter.”688, “(…) de verschrikkelijke Hongerwinter (…).“689.
Ook in de jaren ’60 verzacht de toon evenmin: “De wanhopigste winter uit onze geschiedenis.”690, “De
moeilijke winter van 1944 op 1945 (…).”691, “(…) een winter van felle onderdrukking en bittere ellende,
680
BLONK, A. e.a., Leerboek der algemene en vaderlandse geschiedenis, 1946, J.B. Wolters, Groningen, 1946,
pg. 401-403
681
DE BOER, M.G. e.a., Beknopt leerbek der geschiedenis van het vaderland: tweede deel, Sijthoff, Leiden,
1947, pg. 82
682
BERKELBACH, J.W. e.a., Volken en tijden: uitgave voor het gymnasium, Tjeenk Willink, Zwolle, 1947, pg. 307
683
VAN GELDER, H.A., Anderhalve eeuw wereldgeschiedenis: leerboek, P. Noordhoff NV, Groningen, 1948, pg.
285
684
PIK, J.W., Beknopte leerboek der vaderlandse geschiedenis, Tjeenk Willink, Zwolle, 1948, pg. 274-275
685
DE HAAN, J.C., Geschiedenis voor de HBSA, Wolters, Groningen, 1950, pg. 275
686
RIJPMA, E., De ontwikkelingsgang der historie IIIA, Wolters, Groningen, 1950, pg. 419
687
ALGRA, H., Gestalten en tijden. Leerboek der Vaderlandse geschiedenis, deel III, Noordhoff NV, Groningen,
1952, pg. 131-132
688
BEEMSTERBOER, W. e.a., Wereld in wording, Van Goor zonen, ’s-Gravenhage, 1954, pg. 377
689
MOORA, J. e.a., De wereld van vroeger en nu, Versluys, Amsterdam, 1955, pg. 571-572
690
KLIJNSMA, P., Passage: studieboek voor geschiedenis deel A, Noordhoff, Groningen, 1963, pg. 300-301
691
VAN ALKEMADE, G.P.R. e.a., Inkijk en inzicht IV. De historie van ±1815 tot heden, J. Muussees NV,
Purmerend, 1965, pg. 334
124
door honger en kou veroorzaakt (…).”692, “(…) de barre Hongerwinter (…).”693, “De afschuwelijke
Hongerwinter (…).”694
In de jaren ’70 valt op dat er meer objectief wordt gesproken over de Hongerwinter, zonder dat
bepaalde bijvoeglijke voornaamwoorden een gekleurde indruk geven: “De afgesloten provincies
Utrecht, Noord- en Zuid Holland maakten een hongerwinter door (…).”695, Vóór het zover was maakte
speciaal de bevolking van West-Nederland nog een harde beproeving door: de Hongerwinter.”696, “Dit
heeft in de Hongerwinter, die nu aanbrak, de ellende verergerd.”697, “De herfst van 1944 was nat en
koud en de Hongerwinter brak aan.”698, “Het gevolg was de Hongerwinter van 1944-1945.”699, “In het
westen van ons land begon nu de zwaarste tijd van de Duitse bezetting, de Hongerwinter.”700,
“Bijzonder ernstig werd de situatie in de laatste Oorlogswinter(…).”701, “(…) een harde beproeving (…):
de Hongerwinter.”702, “De laatste oorlogswinter werd daar een Hongerwinter.”703, “Vóór het zover
was maakte speciaal de bevolking van West-Nederland nog een harde beproeving door: die onder de
Hongerwinter bekend staat.”704
Ook gaat één bepaald leerboek, Kleio, op zoek naar een juistere definitie van Hongerwinter: het
leerboek gaat op zoek naar de effectieve slachtoffers zonder te veralgemenen, het maakt een
onderscheid tussen de personen die honger lijden en de personen die eraan sterven: “Een gering
aantal gelukkigen misschien uitgezonderd, had iedere bewoner van de grote steden in het westen van
Nederland een voortdurend gevecht met de honger te voeren. (…) De slachtoffers van de honger
vielen vooral onder de mensen “zonder relaties” en onder degenen die door ouderdom, ziekte of
lichamelijke gebreken er niet op uit konden trekken om hun geluk te beproeven op het platteland of
voor wie het een absolute onmogelijkheid was om in de zwarte handel te kopen.”705
Toch zijn er nog een aantal leerboeken die een gekleurde terminologie gebruiken. Een aantal uit de
jaren ’60 hebben een ongewijzigde herdruk in de jaren ’70, maar er duiken ook nieuwe synoniemen
op: “(…) de afschuwelijke Hongerwinter.”706, “Voor Nederland boven de rivieren kwam er toen nog
een lange, barre winter, een hongersnood.”707
692
VERSTEGEN, H.H., Diorama van de moderne tijd, H.J. Dieben NV, ’s-Gravenhage, 1965, pg. 346-348
VAN DER HOEVEN, M.B., De twintigste eeuw, Meulenhoff, Amsterdam, 1967, pg. 167
694
VAN VOORST VAN BEEST, C.W., Overzicht van de geschiedenis voor vwo en havo deel 5: de nieuwste
geschiedenis vanaf 1914, Malmberg, ’s-Hertogenbosch, 1967, pg. 73
695
ALKEMADE, A.J.M., Mensen bouwen een wereld: deel 3 HM-IV, Malmberg, ’s-Hertogenbosch, 1970, pg. 168
696
ADANG, A. e.a., Mensen en machten 4h, Meulenhoff Educatief, Amsterdam, 1970, pg. 150
697
JANSENS, J.G., De Spiegel Der Eeuwen, Wolters-Noordhoff, Groningen, 1970, pg. 201
698
MICHELS, W. e.a., De Stroom Der Historie: deel 3, Dekker & Van De Vegt, Nijmegen, 1970, pg. 141
699
VAN GALEN LAST, H., Van Sarajevo tot Hirosjima, Wolters-Noordhoff, Groningen, 1971, pg. 147
700
CEULAERT, A.B. e.a., Kleio voor vwo en havo 2, Uitgeverij NIB, Zeist, 1972, pg. 100
701
KALKWIEK, W.F., Geschiedenis in thema en taak. Deel IV vh vwo-havo, Meulenhoff Educatief, Amsterdam,
1973, pg. 73
702
ADANG, A. e.a., Mensen en machten 5v: vwo, Meulenhoff Educatief, Amsterdam, 1974, pg. 173
703
NIEMEIJER, A.C., e.a., Strijd en samenwering: een geschiedenis voor mavo, havo en vwo, deel 4v, Thieme &
Co., Zutphen, 1976, pg. 107
704
ADANG, A. e.a., Mensen en machten 4/5 havo, Meulenhoff Educatief, Amsterdam, 1978, pg. 292-293
705
CEULAERT, A.B. e.a., Kleio voor de vwo-top, Uitgeverij NIB, Zeist, 1975, pg. 102
706
OFFRINGA, C., Speurtocht door de eeuwen: deel 5, Wolters-Noordhoff, Groningen, 1975, pg. 239
707
ULRICH, H., Geschiedenis van gisteren: HAVO/VWO-editie, Malmberg, Den Bosch, 1976, pg. 154
693
125
In de jaren ’80 zet de objectivering zich verder door: een meerderheid van de leerboeken gebruikt
niet- of minder gekleurde termen om de Hongerwinter te omschrijven: “Vóór het zover was maakte
speciaal de bevolking van West-Nederland nog een harde beproeving door: die onder de
Hongerwinter bekend staat.”708, “In het westen van ons land begon nu de zwaarste tijd van de Duitse
bezetting, de Hongerwinter.”709, “Het gevolg was de Hongerwinter van 1944-1945.”710, “In de winter
van 1944-1945 werd er honger geleden (…).”711. Er duikt ook een eerste definitie op in de leerboeken:
“Hongerwinter: Aanduiding voor de periode van eind 1944 tot de lente van 1945, waarin vooral in het
westen van Nederland honger werd geleden.”712 Deze omschrijving is een algemene, maar objectieve
en rationele weergave van de werkelijkheid.
Wanneer men toch opteert voor bijvoeglijke naamwoorden, zijn deze genuanceerd en passen de
meesten binnen het kader van de realiteit: “(…) een harde Hongerwinter (…).”713.
In de jaren ’90 zet deze gedachtegang in de leerboeken zich verder door. Men verkiest nuance en
objectiviteit boven kleur en veralgemening: “Vooral in de grote steden in het westen van het land,
waar de meeste mensen woonden, heerste hongersnood.”714, “het westen van Nederland moest toen
nog de beruchte Hongerwinter doormaken (…).”715, “In deze Hongerwinter leed de bevolking van
Noordwest-Nederland enorm.”716, “In de strenge winter van ’44-’45 ontstond in het bijzonder in de
grote steden gebrek aan voedsel en brandstof.”717
Conclusie: Van 1946 tot 1969 wordt er door de grote meerderheid van de leerboeken gebruik
gemaakt van bijvoeglijke naamwoorden en synoniemen die duiden op een emotioneel gekleurde en
veralgemeende visie op de Hongerwinter.
Pas in de jaren ’70 ontstaat er een plotse en hevige breuk: men verkiest nu meer objectieve
omschrijvingen en verwoordingen en men gaat in één bepaald leerboek zelfs op zoek naar een
definitie van de Hongerwinter. Deze visie zet zich door in de jaren ’80 en ’90, waarbij ook de eerste
échte definities van de Hongerwinter opduiken. Wanneer men toch nog opteert voor bijvoeglijke
naamwoorden, kiest men deze in die mate dat ze nog steeds in het brede kader van de realiteit
passen.
708
ADANG, A. e.a., Mensen en machten: examenboek geschiedenis havo/vwo, Meulenhoff Educatief,
Amsterdam, 1980, pg. 292-293
709
CEULAERT, A.B. e.a., Kleio voor vwo 2, Uitgeverij NIB, Zeist, 1980, 121-122
710
VAN WAKEREN, B. e.a., Kroniek: geschiedenis voor vwo/havo/mavo deel 3mh, Wolters Noordhoff,
Groningen, 1980, pg. 198
711
HEIDT, E.W. e.a., Kijk op de tijd: leerlingenboek 3 vwo, Malmberg, Den Bosch, 1981, pg. 162-163
712
BEETSMA, J., Geschiedeniswerkplaats, havo/vwo examenboek 1983, Wolters-Noordhoff, Groningen, 1982,
pg. 117
713
BEENACKERS-HEEREN, B. e.a., Vragen aan de geschiedenis 4/5 havo, Wolters-Noordhoff, Groningen, 1989,
pg. 223
714
BLOM, J.C.H. e.a., Sprekend Verleden deel 3, Nijgh & Van Ditmar Educatief, Rijswijk, 1991, pg. 77
715
IMMERZEEL, E.A., Historia: geschiedenis en staatsinrichting voor de bovenbouw havo/vwo, Meulenhoff
Educatief, Amsterdam, pg. 241
716
HOOGSTRAATEN, M.G. e.a., Op weg naar 2000: De geschiedenis van 1870 tot heden vwo editie, BKE, Baarn,
1994, pg. 170
717
BLOM, J.C.H e.a., Sprekend Verleden: bovenbouw havo/vwo deel 1, Nijgh & Van Ditmar Educatief, Rijswijk,
1994, pg. 128
126
6.2.4. Leerstofkeuze
6.2.4.1.
Duits embargo op binnenscheepvaart
In de eerste jaren na de Tweede Wereldoorlog wordt niet specifiek gesproken over het Duits
embargo op de binnenscheepvaart, maar de Duitsers krijgen wel de schuld in de schoenen geschoven
van het voedseltekort: “Als wilde dieren bleven de bezetters woeden.”718, “ (…) anderen zagen zich
hun voorraad ontnomen door de Duitsers.”719, “(…) deels doordat de Duitsers weghaalden wat zij
nodig hadden om zelf geen gebrek te lijden.”720.
Pas in 1954 wordt voor het eerst verwezen naar het Duitse embargo, maar dit wordt anders
verwoord: “De Duitsers verboden alle voedseltoevoer naar het Westen (…).”721 De Duitse bezetter
heeft nooit rechtstreeks de voedseltoevoer naar het Westen tegengehouden. Het Duitse embargo zal
hier zeker een oorzaak van zijn, maar andere (lees: interne) factoren worden buiten beschouwing
gelaten, waardoor het vijandbeeld wordt aangescherpt. Dit beeld wordt duidelijk in een ander
leerboek: “Nederland benoorden de grote rivieren zou nog een bange winter van Duitse verdrukking
moeten doorstaan. (…) Er werd op grote schaal gevorderd, geroofd en gestolen. (…) Alles konden de
Duitsers gebruiken.”722
In de jaren ’60 zijn de leerboeken verdeeld: het ene kiest voor een (meer) objectieve weergave van
de feiten (“De Duitsers legden nu beslag op alle transportmiddelen.”723, “Als represailleregel legde de
bezetter de toevoer van levensmiddelen te water uit het oosten van het land stil.”724), terwijl het
andere een sterk gekleurde visie over de Duitse bezetter weergeeft(“In het noorden heerste nu
onverhuld de Duitse terreur en de honger, vooral in het westen des lands.”725, “De vijand vorderde
alles wat hij maar krijgen kon. Kleren, fietsen, arbeidskrachten eiste hij op.”726, “Voedsel werd op
grote schaal door de Duitsers geroofd (…).”727)
In de jaren ’70 zijn er meer leerboeken die opteren voor een meer objectieve weergave: “De Duitsers
legden de hand op alle vervoersmiddelen en beletten de aanvoer van levensmiddelen naar het
Westen.”728, “Als represaille legden nu de Duitsers de binnenscheepvaart aan banden, die voor de
718
DE BOER, M.G. e.a., Beknopt leerbek der geschiedenis van het vaderland: tweede deel, Sijthoff, Leiden,
1947, pg. 82
719
BERKELBACH, J.W. e.a., Volken en tijden: uitgave voor het gymnasium, Tjeenk Willink, Zwolle, 1947, pg. 307
720
VAN GELDER, H.A., Anderhalve eeuw wereldgeschiedenis: leerboek, P. Noordhoff NV, Groningen, 1948, pg.
285
721
BEEMSTERBOER, W. e.a., Wereld in wording, Van Goor zonen, ’s-Gravenhage, 1954, pg. 377
722
PIK, J.W. e.a., Beknopt leerboek der vaderlandse geschiedenis, Tjeenk Willink, Zwolle, 1956, pg. 274-275
723
WESTENDORP BOERMA, J.J., Leerboek der geschiedenis: van het Wener congres tot heden II, Tjeenk Willink,
Zwolle, 1960, pg. 281
724
VERSTEGEN, H.H., Diorama van de moderne tijd, H.J. Dieben NV, ’s-Gravenhage, 1965, pg. 346-348
725
BOONEKAMP, W.J.M. e.a., Memoriael II: gedenkwaardigheden uit de geschiedenis van de mensheid,
Noordhoff, Groningen, 1964, pg. 448
726
VAN ALKEMADE, G.P.R. e.a., Inkijk en inzicht IV. De historie van ±1815 tot heden, J. Muussees NV,
Purmerend, 1965, pg. 334
727
DEK, J. e.a., Twee Eeuwen, Wolters-Noordhoff, Groningen, 1969, pg. 133
728
JANSENS, J.G., De Spiegel Der Eeuwen, Wolters-Noordhoff, Groningen, 1970, pg. 201
127
voedselvoorziening van het westen van essentieel belang was.729, “Als represaille voor de
spoorwegstaking in 1944, werd het voedseltoevoer naar het westen verboden.”730. Ook wordt de rol
die de Duitsers hebben gespeeld tussen de spoorwegstaking en het embargo op de
binnenscheepvaart wordt uitgebreid gekaderd en verklaard: “Er was te weinig brandstof en er was
een enorm voedseltekort. Dat kwam mede door de spoorwegstaking die in september door de
regering in Londen was uitgeroepen. (…) De Duitsers ondervonden er echter minder schade van dan
de bevolking. Want de bezetter slaagde erin om met eigen personeel toch het treintransport door te
laten gaan, terwijl ze als wraakoefening de voedseltoevoer bemoeilijkten of verhinderden.”731
In de jaren ’80 en ’90 wordt de toon in de leerboeken over het algemeen negatiever en worden de
feiten veralgemeend: “De Duitsers verboden daarop alle voedseltoevoer in Nederland.”732, “ (…) uit
wraak legden de Duitsers de aanvoer van voedsel en brandstof stil.”733, “Uit wraak voor de
spoorwegstaking legden de Duitsers de aanvoer van voedsel en brandstof naar de grote steden
lam.”734, “De Duitsers, die niet in staat waren de staking te breken, weigerden daarop elk transport
van voedsel naar het hongerende westen.”735.
6.2.4.2.
Centrale Keukens
In de periode vóór 1950 spreekt slechts één leerboek over de Centrale Keukens: Centrale keukens
werden ingesteld, die dagelijks een bordje soep van zeer twijfelachtige samenstelling verstrekten.” 736
Het is duidelijk dat men de zogenaamde gaarkeukens niet beschouwt als volwaardig alternatief.
Ook in de jaren ’50 blijven de Centrale Keukens een voetnoot in de leerboeken. Desondanks worden
ze in de leerboeken beschouwd als slachtoffer van de situatie, en niet als een meerwaarde voor de
oplossing van het probleem: “Centrale keukens werden ingesteld ter leniging van de ergste
voedselnood, maar werden onvoldoende bevoorraad.”737 Ook wordt voor het eerst gefocust op de
verschuivingen in het menu van de Centrale Keukens: “Het dagrantsoen van de centrale keukens
werd in het algemeen teruggebracht van ¾ op ½ liter soep(…).”738
729
NIEMEIJER, A.C., Onze eeuw: geschiedenisleerboek voor de hoogste klassen van scholen voor vwo/havo,
Thieme & co, Zutphen, 1973, pg. 194
730
VAN DAM VAN ISSELT-SCHUURMAN, V., Schets van de twintigste eeuw: moderne wereldgeschiedenis, Nijgh
& Van Ditmar, Den Haag, 1973, pg. 54
731
ULRICH, H., Geschiedenis van gisteren: HAVO/VWO-editie, Malmberg, Den Bosch, 1976, pg. 154
732
VAN WAKEREN, B. e.a., Kroniek: geschiedenis voor vwo/havo/mavo deel 3mh, Wolters Noordhoff,
Groningen, 1980, pg. 198
733
HEIDT, E.W. e.a., Kijk op de tijd: leerlingenboek 3 vwo, Malmberg, Den Bosch, 1981, pg. 162-163
734
BEETSMA, J., Geschiedeniswerkplaats, havo/vwo examenboek 1983, Wolters-Noordhoff, Groningen, 1982,
pg. 93
735
IMMERZEEL, E.A., Historia: geschiedenis en staatsinrichting voor de bovenbouw havo/vwo, Meulenhoff
Educatief, Amsterdam, pg. 241
736
DEK, J., De Weg der Historie: tweede deel nieuwe en nieuwste geschiedenis, Wolters, Groningen, 1948, pg.
189
737
DE HAAN, J.C., Geschiedenis voor de HBSA, Wolters, Groningen, 1950, pg. 275
738
BEEMSTERBOER, W. e.a., Wereld in wording, Van Goor zonen, ’s-Gravenhage, 1954, pg. 377
128
In de jaren ’60 is er weinig verandering te merken in de leerboeken over de Centrale Keukens.
Dezelfde onaangepaste versie als deze van de jaren ’40 en ’50 komt in deze handboeken terug. Ook
in de jaren ’70 is er amper evolutie in de leerboeken voor wat het aandeel van de Centrale Keukens
betreft. Één leerboek vermeldt een nieuwe zin, maar brengt geen nieuwe inzichten met zich mee: “In
de centrale keukens werd per dag tenslotte 1 liter soep verstrekt (…).”739
De jaren ’80 en ’90 brengen geen verbetering wanneer men over de Centrale Keukens spreekt. Wel
gaat één leerboek over tot een genuanceerde en informatieve definitie van de gaarkeukens:
“Centrale Keuken: Toen in de loop van 1944 in de grote steden het voedsel steeds schaarser werd
richtte de plaatselijke overheid centrale keukens in. Daar kon men tegen inlevering van
voedselbonnen dan een bepaalde portie eten krijgen. Hoewel de kwaliteit van het voedsel veel te
wensen overliet was het wel een goede manier om het beschikbare voedsel zo eerlijk mogelijk te
verdelen.”740 Het belang dat de leerboeken aan de keukens hechten, blijft evenwel zeer gering. De
vermelding luidt sec: “Naarmate de schaarste toenam, gingen centrale keukens (“gaarkeukens”) over
tot het verstrekken van maaltijden.”741
6.2.4.3.
Dodencijfer
In de eerste vijf jaar na de Tweede Wereldoorlog vermijdt men het vermelden van exacte cijfers over
het aantal doden ten gevolge van de Hongerwinter. Men houdt het bij algemene schattingen:
“Duizenden stierven in de grote steden aan gebrek.”742, “Verstoken van brandstof en voedsel, stierven
in de grote steden duizenden van ontbering.”743, “Honger waarde door het land, vooral in de steden,
waar hij duizenden slachtoffers maakte.”744
In de jaren ’50 blijft het taboe om te spreken over exacte cijfers van het aantal doden overeind. Men
blijft het bij ‘duizenden’ slachtoffers houden en men gaat ook kijken naar de stijgende mortaliteit:
“Geen wonder, dat een vreselijke ziekte, hongeroedeem, rondwaarde en duizenden slachtoffers eiste.
In de grote steden steeg het sterftecijfer met 120%.”745, “Duizenden mensen stierven van uitputting in
de huizen, op hun werk, op de straten, op hongertochten waar ze voor het gezin nog enig voedsel
hoopten te krijgen.”746.
739
NIEMEIJER, A.C., Onze eeuw: geschiedenisleerboek voor de hoogste klassen van scholen voor vwo/havo,
Thieme & co, Zutphen, 1973, pg. 194
740
BEETSMA, J., Geschiedeniswerkplaats, havo/vwo examenboek 1983, Wolters-Noordhoff, Groningen, 1982,
pg. 115
741
e
KNIGGE, J., Historisch Perspectief: Wereldgeschiedenis van de 20 eeuw. Boek II: 1945-heden, De Vuurbaak,
Barneveld, 1986, pg. 21
742
BLONK, A. e.a., Leerboek der algemene en vaderlandse geschiedenis, 1946, J.B. Wolters, Groningen, 1946,
pg. 401-403
743
BERKELBACH, J.W., Volken en tijden, Tjeenk Willink, Zwolle, 1948, pg. 215
744
DEK, J., De Weg der Historie: tweede deel nieuwe en nieuwste geschiedenis, Wolters, Groningen, 1948, pg.
189
745
DE HAAN, J.C., Geschiedenis voor de HBSA, Wolters, Groningen, 1950, pg. 275
746
ALGRA, H., Gestalten en tijden. Leerboek der Vaderlandse geschiedenis, deel III, Noordhoff NV, Groningen,
1952, pg. 131-132
129
Pas in 1954 wordt voor het eerst een (opmerkelijk juiste) cijfer weergegeven van het aantal
omgekomen Nederlanders ten gevolge van de Hongerwinter: “Het aantal slachtoffers van honger en
ontbering in het Westen wordt op 16.000 geschat.”747 Het cijfer wordt niet gekaderd, wat wel
belangrijk is voor een dodencijfer over een hongersnood. Gaat het hier om échte hongerdoden, of
zijn ze het gevolg van een verzwakte immuniteit? Betreft het iedereen in de samenleving, of zijn
bepaalde groepen gevoeliger om ten prooi te vallen aan de hongerdood?
Opmerking: Het is verre van eenvoudig voor de auteurs van de leerboeken om op dit moment van de
geschiedenis een goed beeld te schetsen van de sterfte ten gevolge van de honger. Enkel voor
Amsterdam is goed bronnenmateriaal beschikbaar. Het precieze aantal is moeilijk te schatten. Er zijn
uiteenlopende cijfers voor de extra sterfte tijdens de periode september 1944 – mei 1945. Dr.
Banning publiceert in 1949 het cijfer van “tienduizend duidelijke gevallen van sterfte aan
ondervoeding”748. Later barst de discussie rond het aantal doden los. Historicus L. De Jong berekent
dat er om en bij de 22 000 doden rechtstreeks aan de Hongerwinter konden gelinkt worden 749. Het
Centraal Bureau voor Statistiek houdt het op 16 000750, een cijfer dat de meeste auteurs, zoals
Verwey751, ook gebruiken. Het betekent dat in heel de Hongerwinter maximaal 1 dode extra per 1000
inwoners te betreuren viel. De extra sterfte betreft volgens Trienekens vooral ouden van dagen en in
het bijzonder mannen, ook het sterftecijfer onder het aantal zuigelingen is hoger in 1945, maar dit
geldt voor heel Nederland. Van der Zee spreekt over 18 000 doden752. Trienekens toont dat er,
verspreid over de 12 meeste getroffen gemeenten, 16 000 mensen zijn gestorven ten gevolge van de
Hongerwinter. Daarbij moet nog rekening gehouden met duizenden overige doden in Utrecht,
Amersfoort en het platteland753. Ongeveer de helft stierf aan ‘honger en/of koude’754. De overige
helft wijt men aan ziekten die gelinkt kunnen worden met honger. Er is geen sprake van sociale
ongelijkheid tussen de overlijdens. Van groter belang is de samenstelling van de gezinnen: gezinnen
met grote en kleine kinderen hebben de grootste overlevingskansen, alleenstaande oudere mannen
en vrouwen de kleinste755. Van Bolhuis meldt dat de meeste sterfgevallen door honger plaatsvinden
tussen 4 februari 1945 en 15 april 1945756. De laatste officiële hongerdode sterft begin augustus
1945757.
747
BEEMSTERBOER, W. e.a., Wereld in wording, Van Goor zonen, ’s-Gravenhage, 1954, pg. 378
DE JONG, L., Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, deel 10B, ’s-Gravenhage, 19691988, p. 208
749
Ibidem, p. 208
750
DE JONG, L., Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, deel 7, ’s-Gravenhage, 1969-1988,
p. 110
751
VERWEY, G., Geschiedenis van Nederland, Elsevier, Antwerpen, 1976, p. 918
752
VAN DER ZEE, H., De Hongerwinter: van Dolle Dinsdag tot Bevrijding, Becht H.J.W., 1979, p. 247
753
TRIENEKENS, G., Tussen ons volk en de honger: de voedselvoorziening 1940-1945, Stichting Matrijs, Utrecht
1985, p. 402
754
Ibidem, p. 406
755
TRIENEKENS, G., Voedsel en honger in oorlogstijd 1940-1945: misleiding, mythe en werkelijkheid, Utrecht,
Kosmos-Z&K Uitgevers, 1995, p. 101
756
VAN BOLHUIS, J.J., Onderdrukking en verzet: Nederland in oorlogstijd, Deel 17, Van Loghum Slaterus, 1948,
p. 345
757
Ibidem, p. 346
748
130
In de jaren ’60 zijn er drie mogelijkheden over hoe het dodenaantal wordt meegegeven in de
leerboeken. De eerste mogelijkheid is een veralgemening zonder enig cijfer te vermelden (“Velen
stierven van de honger.”758, “In de grote steden steeg het sterftecijfer met 120%.”759, “Toch was het
sterftecijfer, vooral in de grote steden, groot.”760, “Het aantal sterfgevallen nam ongekende
afmetingen aan.”761), een tweede mogelijkheid is dat men een heel brede schatting maakt, waarbij
men steeds terugkomt op ‘duizenden’ (“Duizenden stierven in de grote steden aan honger.”762,
“Duizenden zijn van honger omgekomen, vooral in de grote steden.”763, “Honger waarde door het
land, vooral in de steden, waar hij duizenden slachtoffers maakte.”764), een derde mogelijkheid is dat
men exacte cijfers gaat meegeven, al is het verschil tussen de cijfers (er worden twee mogelijkheden
gegeven) 64%! (“Het aantal slachtoffers van honger en ontbering in het Westen wordt op 16.000
geschat.”765  “(…) 25 000 mensen stierven van honger.”766)
De drie visies blijven ook in de jaren ’70 behouden. Wél is er een belangrijke verschuiving te merken
in de leerboeken die de exacte cijfers inzake de hongerdoden proberen weer te geven. De meeste
leerboeken kiezen voor een cijfer rond de 15000 doden: “(…) terwijl 16000 Nederlanders het
slachtoffer werden van de honger en de kou en de winter van 1944-1945.”767, “Het aantal
slachtoffers van honger en ontbering in het Westen wordt op 16.000 geschat.”768, “Ruim 15 000
mensen stierven er door de honger.”769, “Meer dan tienduizend zijn toen van honger gestorven.”770.
Eén leerboek spreekt over honderden doden, wat volledig in strijd is met de evolutie van de
wetenschappelijke inzichten én de overige leerboeken: “Het werd een Hongerwinter die honderden
slachtoffers heeft geëist.”771
In de jaren ’80 en ’90 gaan de leerboeken voluit voor de harde cijfers. Slechts twee leerboeken gaan
niet over tot het weergeven van een exact cijfer: “Duizenden stierven in de grote steden aan
ondervoeding.”772, “Tienduizenden Nederlanders stierven in deze winter de hongerdood.”773. De
andere leerboeken zijn verdeeld: de grote meerderheid meldt 15000 doden (“Het gevolg was de
758
WESTENDORP BOERMA, J.J., Leerboek der geschiedenis: van het Wener congres tot heden II, Tjeenk Willink,
Zwolle, 1960, pg. 281
759
DE HAAN, J.C., Geschiedenis voor de HBSA, Wolters, Groningen, 1964, pg. 260
760
VAN ALKEMADE, G.P.R. e.a., Inkijk en inzicht IV. De historie van ±1815 tot heden, J. Muussees NV,
Purmerend, 1965, pg. 334
761
VERSTEGEN, H.H., Diorama van de moderne tijd, H.J. Dieben NV, ’s-Gravenhage, 1965, pg. 346-348
762
BLONK, A. e.a., Rondgang door de algemene en vaderlandse geschiedenis deel II, Wolters, Groningen, 1960,
pg. 412
763
JANSENS, J.G., De Spiegel Der Eeuwen, Wolters-Noordhoff, Groningen, 1960, pg. 199
764
DEK, J. e.a., Twee Eeuwen, Wolters-Noordhoff, Groningen, 1969, pg. 135
765
BEEMSTERBOER, W. e.a., Wereld in wording, Van Goor zonen, ’s-Gravenhage, 1960, pg. 378
766
FONTAINE, P., Van oermens tot wereldburger: vierde deel A, Malmberg, ’s-Hertogenbosch, 1961, pg. 174177
767
VAN GALEN LAST, H., Van Sarajevo tot Hirosjima, Wolters-Noordhoff, Groningen, 1971, pg. 147
768
BEEMSTERBOER, W. e.a., Wereld in wording, Van Goor zonen, ’s-Gravenhage, 1971, pg. 295
769
NIEMEIJER, A.C., Onze eeuw: geschiedenisleerboek voor de hoogste klassen van scholen voor vwo/havo,
Thieme & co, Zutphen, 1973, pg. 194
770
DE BEER, A.C., Geschiedenis in onderwerpen: 4/5 havo, Meulenhoff Educatief, Amsterdam, 1978, pg. 91
771
KALKWIEK, W.F., Geschiedenis in thema en taak. Deel IV vh vwo-havo, Meulenhoff Educatief, Amsterdam,
1973, pg. 73
772
OERLEMANS, J.W., De wereld sinds 1870: een historisch overzicht, Wolters-Noordhoff, Groningen, 1984, pg.
135-136
773
HOOGSTRAATEN, M.G. e.a., Op weg naar 2000: De geschiedenis van 1870 tot heden vwo editie, BKE, Baarn,
1994, pg. 170
131
Hongerwinter van 1944-1945, waarin 16.000 Nederlanders het slachtoffer werden van honger en
kou.”774, “(…) de Hongerwinter van 1944/45, toen in het westen van het land 15 000 mensen
omkwamen (…).”775,“Ongeveer 15 000 mensen stierven als gevolg van voedselgebrek.”776, “Ongeveer
15 000 mensen overleden in deze Hongerwinter als direct gevolg van voedselgebrek.”777, “Deze
“Hongerwinter” eiste in totaal ongeveer 15 000 doden.”778), de minderheid gaat voor 20000 doden
(“Het was de winter waarin honger en kou het leven van 20 000 mensen eisten.”779, “Het was de
winter waarin honger en kou het leven van 20 000 mensen eisten.”780, “Het westen van Nederland
moest toen nog de beruchte Hongerwinter doormaken, waarin 20 000 mensen zouden sterven van
honger en kou.”781). Tussen deze cijfers ligt nog steeds een verschil van 25%.
Conclusie: Tot diep in de jaren ’60 blijven de leerboeken het Duitse embargo onjuist verwoorden. Pas
daarna vinden we in een aantal leerboeken een aantal nuanceverschillen en een neiging naar
objectiever taalgebruik. Pas in de jaren ’70 gaan meer leerboeken over tot een (meer) objectieve
weergave van de feiten, al blijven een aantal leerboeken hervallen in het weergeven van onjuiste en
kortzichtige informatie. Zelfs in de jaren ’80 en ’90 zijn de leerboeken er nog steeds niet uit: de toon
wordt zelfs opvallend negatiever.
Over de Centrale Keukens kunnen we kort zijn: in de leerboeken worden ze nauwelijks vermeld. Men
houdt het bij een korte vermelding van het feit dat er Centrale Keukens waren.
Wat het aantal slachtoffers van de Hongerwinter betreft, worden er in de beginjaren na de Tweede
Wereldoorlog geen cijfers gegeven, maar houdt men het bij een ruime schatting van ‘duizenden’. Pas
in de jaren ’50 zien we de eerste exacte cijfers opduiken, die ook nog eens verbazend dicht
aansluiten bij het hedendaags aangenomen aantal. In de jaren ’60 zijn er nog een aantal leerboeken
die geen exacte cijfers weergeven, maar hun aantal daalt in de latere decennia. Er blijven tot de jaren
’90 twee cijfers over: 15000 doden (een meerderheid) en 20000 doden (een minderheid).
774
VAN WAKEREN, B. e.a., Kroniek: geschiedenis voor vwo/havo/mavo deel 3mh, Wolters Noordhoff,
Groningen, 1980, pg. 198
775
e
KNIGGE, J., Historisch Perspectief: Wereldgeschiedenis van de 20 eeuw. Boek II: 1945-heden, De Vuurbaak,
Barneveld, 1986, pg. 21
776
BLOM, J.C.H. e.a., Sprekend Verleden: een geschiedenis van de wereld. Deel 3 – basis, Nijgh & Van Ditmar
Educatief, Rijswijk, 1986, pg. 84
777
BLOM, J.C.H. e.a., Sprekend Verleden deel 3, Nijgh & Van Ditmar Educatief, Rijswijk, 1991, pg. 77
778
BLOM, J.C.H e.a., Sprekend Verleden: bovenbouw havo/vwo deel 1, Nijgh & Van Ditmar Educatief, Rijswijk,
1994, pg. 128
779
ULRICH, H., Geschiedenis van gisteren: havo/vwo-editie, Malmberg, Den Bosch, 1981, pg. 138
780
ULRICH, H., Geschiedenis van gisteren: havo/vwo-editie, Malmberg, Den Bosch, 1988, pg. 119
781
IMMERZEEL, E.A., Historia: geschiedenis en staatsinrichting voor de bovenbouw havo/vwo, Meulenhoff
Educatief, Amsterdam, pg. 241
132
6.2.5. Beeldmateriaal
Net zoals bij de voorgaande thema’s zal ik in een afzonderlijke bijlage de meest frequent
voorkomende en meest opmerkelijke foto’s in groter formaat toevoegen.
Van alle behandelde thema’s verschijnt de Hongerwinter als eerste
in de leerboeken door middel van foto’s/tekeningen. De eerste
tekening vinden we terug in 1948 en heeft als onderschrift:
“Winter 1944/45: Nog even, het gaat goed! Standvastigheid en
optimisme gedurende de bezetting”782.
Eerste beeldmateriaal
Hongerwinter
van
de
De eerste foto’s duiken op in 1949. Het zijn positief
getinte foto’s over de voedseldroppings eind april 1945. In
het onderschrift wordt duidelijk verwezen naar het
àndere nut van gevechtsvliegtuigen: “Voedselpakketten
worden uitgeworpen. Hier is de laatste phase van de
oorlog in West-Nederland afgebeeld, toen de
bommenwerpers geen projectielen, maar levensmiddelen
op onze vliegvelden uitstrooiden.”783
Voedseldroppings
Tot 1960 is dit de énige foto in de leerboeken over de Hongerwinter. Er is nog een andere foto, maar
deze toont ook een vliegtuig dat zich klaarmaakt voor voedseldroppings784. Desondanks gebruikt
maar een klein deel van de leerboeken foto’s van de Hongerwinter: van de 30 leerboeken tussen
1946 en 1960 gebruikt minder dan 25% beeldmateriaal over de Hongerwinter.
In 1961 zien we de eerste foto waarop een persoon staat afgebeeld: het
toont een magere begrafenisondernemer die schijnbaar aan het wachten is
op werk. Het onderschrift geeft dan ook meer duiding over het
begrafenisritueel tijdens de Hongerwinter: “Een uitgemergelde dodenbidder
op zijn ‘lijkwagen’: in de Hongerwinter 1944-1945 was er voor de doden geen
ander vervoermiddel dan de bakfiets.”785
Begrafenisondernemer
782
VAN GELDER, H.A., Anderhalve eeuw wereldgeschiedenis: leerboek, P. Noordhoff NV, Groningen, 1948, pg.
287
783
RIJPMA, J.H. e.a., Korte ontwikkelingsgang der historie II, Wolters, Groningen, 1949, pg. 190
784
DE HAAN, J.C., Geschiedenis voor de HBSA, Wolters, Groningen, 1957, pg. 247
785
FONTAINE, P., Van oermens tot wereldburger: vierde deel A, Malmberg, ’s-Hertogenbosch, 1961, pg. 175
133
In 1963 krijgen we het eerste beeld van het menu tijdens de
Hongerwinter. Alleen gaat het hier om een menu dat het aantal calorieën
vertegenwoordigt tijdens de laatste fase van de Hongerwinter (maart tot
begin mei 1945). Het onderschrift veralgemeent het menu: “Dagrantsoen
in de Hongerwinter.” 786
Voorstelling van dagelijks
aantal calorieën
Een jaar later vinden we een voor de Nederlandse bevolking zeer
gekende foto terug: het toont een meisje die in de gamellen van
de Centrale Keukens op zoek gaat naar restjes eten. Het
onderschrift focust ook op de kleren van het kind. Ze verwijzen
door naar een tabel waarop de evolutie van de stijgende
voedselprijzen te zien is: “In het westen van ons land was de
toestand allerellendigst. Droevig is te zien hoe de kinderen de
askitten nazochten in de hoop nog iets te vinden. Let ook op de schoenen van het kind. Geen wonder,
dat zij tot deze wanhoopsdaden gedreven werden, indien ge de tafel op bladz. 260 bekijkt.”787 In een
later uitgebracht leerboek wordt bij dezelfde foto de gedachtegang van het meisje weergegeven: “Is
op de bodem van de gamellen uit de gaarkeuken nog iets achtergebleven?”788 Deze foto duikt tot in
de jaren ’90 op in diverse leerboeken.
In de jaren ’60 wordt ook meer gefocust op
de Hongertochten en dit heeft zijn gevolgen
voor de gebruikte foto’s in de leerboeken. De
meest gebruikte foto’s over dit thema
hebben dezelfde inhoudelijke boodschap:
vrouwen op tocht, met fiets of kar. De
onderschriften luiden voor de linkse foto: “Een hongertocht (winter 1944/’45). Met allerlei
ongelukkige karretjes trokken talloze half verhongerde stedelingen het platteland op, waar zij voor
hoge prijzen of door betaling in natura enig voedsel konden bemachtigen.” 789, voor de rechtse foto:
“Voedseljacht op bandloze fietsen.”790
Ondanks het feit dat er in de leerboeken weinig aandacht wordt
besteed aan de Centrale Keukens, duiken er heel soms ook foto’s van
op. De foto’s tonen wachtende mensen voor een gesloten keuken791.
786
KLIJNSMA, P., Passage: studieboek voor geschiedenis deel A, Noordhoff, Groningen, 1963, pg. 300
DE HAAN, J.C., Geschiedenis voor de HBSA, Wolters, Groningen, 1964, pg. 259
788
REINSMA, R., Bovenbouw van de vaderlandse en algemene geschiedenis na 1815, Amsterdam, 1965, pg. 238
789
BLONK, A. e.a., Hoofdwegen der geschiedenis II: Nieuwere en nieuwste geschiedenis, J.B. Wolters,
Groningen, 1966, pg. 357
790
VERSTEGEN, H.H., Diorama van de moderne tijd, H.J. Dieben NV, ’s-Gravenhage, 1965, pg. 347
787
791
VAN ALKEMADE, G.P.R. e.a., Inkijk en inzicht IV. De historie van ±1815 tot heden, J. Muussees NV,
Purmerend, 1965, pg. 335
134
In de jaren ’60 neemt het aantal leerboeken dat foto’s gebruikt sterk toe, met een opmerkelijke
stijging vanaf 1965. Tussen 1961 en 1970 maken van de 34 leerboeken er 12 gebruik van foto’s
(35%).
Vanaf de jaren ’70 is er een opmerkelijk feit vast te stellen: wanneer men foto’s over de
Hongerwinter gebruikt, valt op dat het aantaal foto’s waarop kinderen te zien zijn, groot is. Tot in de
jaren ’90 passen vele leerboeken deze visie toe op hun lesteksten. Foto’s van kinderen in
crisisperiodes zorgen voor een sterk emotioneel gevoel bij de kijker (in dit geval de leerling, die
daardoor dubbel geconfronteerd wordt). Foto’s in oorlogsgebied, hongersnoden en aardbevingen
tonen zeer vaak kinderen in erbarmelijke toestand. Dit is ook van toepassing in de Nederlandse
leerboeken (vooral in het leerboek Kleio). Een overzicht van de foto’s, o.a. terug te vinden in Kleio792
(rechtsboven), Geschiedenis in Thema en Taak793 (middenboven), Kleio794 (linksboven), Kleio795
(rechtsonder), Kleio796 (middenonder) en Kijk op de Tijd797 (rechtsonder).
792
CEULAERT, A.B. e.a., Kleio voor vwo en havo 2, Uitgeverij NIB, Zeist, 1972, pg. 108
KALKWIEK, W.F., Geschiedenis in thema en taak. Deel IV vh vwo-havo, Meulenhoff Educatief, Amsterdam,
1973, pg. 73
794
CEULAERT, A.B. e.a., Kleio voor de vwo-top, Uitgeverij NIB, Zeist, 1975, pg. 106
795
CEULAERT, A.B. e.a., Kleio voor vwo 2, Uitgeverij NIB, Zeist, 1980, pg. 129
796
KIKKERT, J.G., Kleio: korte algemene geschiedenis 2, Uitgeverij NIB, Zeist, 1987, pg. 182
797
HEIDT, E.W. e.a., Kijk op de tijd: leerlingenboek 3 vwo, Malmberg, Den Bosch, 1981,pg. 161
793
135
Foto’s van etende of naar eten zoekende mensen komen ook regelmatig
terug, zoals op deze foto. De foto798 geeft duiding bij misschien het meest
gegeten voedsel: suikerbieten. Op deze foto wordt deze gesneden en
eetbaar gemaakt.
In de jaren ’70 wordt ook meer objectieve duiding
gegeven aan de foto’s/tekeningen. Zo vertelt het
onderschrift van deze foto: “Onder de titel “Het Hollands
binnenhuis anno 1945” publiceerde de Daily Mirror op 5
april 1945 bovenstaande prent. De voorraadkast is leeg.
Heel in de verte naderen echter de geallieerde
bevrijdingslegers (allied armies of liberation).”799
In de jaren ’70 focussen de leerboeken meer op de eetgewoontes van de West-Nederlanders. Het
aantal leerboeken dat foto’s gebruikt, stagneert: van de 31 leerboeken zijn er 11 die een foto of
foto’s tonen van de Hongerwinter (35%).
In de jaren ’80 zien we in de leerboeken een veralgemening van
de feiten over de Hongerwinter. Dit is ook te merken aan de type
foto’s die de leerboeken voorschotelen. Een tekening800 die een
Duitser toont die alle bruikbare middelen meesleept over de
grens, wordt niet gekaderd in tijd en ruimte.
Ook duikt voor het eerst sinds de naoorlogse periode terug een foto op van de
voedseldroppings. Het onderschrift geeft enkel weer wat de foto effectief wil
meegeven: “Voedseldropping.”801
798
VAN WAKEREN, B. e.a., Kroniek: geschiedenis voor vwo/havo/mavo deel 3mh, Wolters Noordhoff,
Groningen, 1974, pg. 194
799
ADANG, A. e.a., Mensen en machten 4/5 havo, Meulenhoff Educatief, Amsterdam, 1978, pg. 294
BEETSMA, J., Geschiedeniswerkplaats, havo/vwo examenboek 1983, Wolters-Noordhoff, Groningen, 1982,
pg. 94
801
e
KNIGGE, J., Historisch Perspectief: Wereldgeschiedenis van de 20 eeuw. Boek II: 1945-heden, De Vuurbaak,
Barneveld, 1986, pg. 22
800
136
Een foto die reeds in eerdere edities te zien
was, komt in de jaren ’80 terug voor. De foto
toont de Amsterdammers die het hout van
tussen de rails halen. Het onderschrift is
beschrijvend en objectief en geeft informatie
mee die een meerwaarde biedt: “In Amsterdam
ontdekte men in de hongerwinter dat tussen
tramrails houten blokjes lagen. Wat er
gebeurde is op de foto te zien. De vergaarde
houtbestrating (75000m²) verdween in de
kachels.”802
Op zoek naar hout tusssen de tramrails
Een foto over hetzelfde thema, maar dan uit 1994, geeft dezelfde
beschrijvende informatie weer: “Hout werd tussen de tramrails uitgehaald om
als brandstof te dienen.”803 De jaren ’80 en ’90 tonen een grote diversiteit op
vlak van foto’s: hongertochten, eten, voedseldroppings, mensen op zoek naar
brandstof, …
Het is een feit dat de onderschriften objectiever en
meer beschrijvend worden in de jaren ’80 en ‘90, in
tegenstelling tot de lesteksten op zich. Een foto van
een hongertocht bevestigt dit: “Hongerwinter.
Voedseltochten langs de boeren, vooral door vrouwen
uitgevoerd. Men bleef vaak een week of langer
weg.”804
In de jaren ’80 en ’90 valt dus op dat geen enkel thema sterker aanwezig is dan een ander thema
omtrent de Hongerwinter. Toch is, in tegenstelling tot de NSB en de Jodenvervolging, de
Hongerwinter geen prominent aanwezig thema in de leerboeken. Tussen 1981 en 1996 gebruiken
van de 25 leerboeken slechts 12 foto’s van de Hongerwinter (48%), wat weliswaar een opmerkelijke
stijging is, in vergelijking met de voorgaande periodes.
802
BLOM, J.C.H. e.a., Sprekend Verleden: een geschiedenis van de wereld. Deel 3 – basis, Nijgh & Van Ditmar
Educatief, Rijswijk, 1986, pg. 84
803
IMMERZEEL, E.A., Historia: geschiedenis en staatsinrichting voor de bovenbouw havo/vwo, Meulenhoff
Educatief, Amsterdam, pg. 241
804
BEENACKERS-HEEREN, B. e.a., Vragen aan de geschiedenis 4/5 havo, Wolters-Noordhoff, Groningen, 1989,
pg. 224
137
Conclusie: De foto’s die gebruikt worden in de leerboeken over de Hongerwinter, zijn opmerkelijk
tegenstrijdig met de evolutie in het beeldmateriaal rond de NSB en de Jodenvervolging:
-
De Hongerwinter komt als allereerste thema aan bod in de leerboeken wanneer men
beeldmateriaal gaat gebruiken;
Het aandeel foto’s dat aan de Hongerwinter wordt gewijd is veel kleiner.
Tot de jaren ’60 worden enkel foto’s getoond van de voedseldroppings. Pas in de jaren ’60 wordt de
focus verlegd naar andere thema’s, zoals de Hongertochten en de gaarkeukens. In de jaren ’70 tot
’90 is het opvallend dat op de foto’s van de Hongerwinter vaak kinderen te zien zijn, meestal in het
kader van eten (etend, eten zoekend, …). Ook worden in de jaren ’70 de onderschriften objectiever
en geven ze blijk van beschrijvende informatie zonder emotie.
Doorheen de jaren ’80 en ’90 worden de foto’s heel divers qua thema en blijven de onderschriften
ook evolueren naar een objectieve en beschrijvende weergave van de foto. Desondanks moet het
aantal foto’s over de Hongerwinter onderdoen voor andere thema’s, zoals de NSB en de
Jodenvervolging.
138
6.3.
Algemene conclusie
In de leerboeken neemt de Hongerwinter nooit een dominante positie in. Thema’s als de
collaboratie, het verzet, de Jodenvervolging en de internationale gebeurtenissen worden belangrijker
geacht. Door de beperkte aandacht voor het thema ‘Hongerwinter’ is de informatie in de leerboeken
ook gevoeliger aan veralgemening.
De Duitsers worden verantwoordelijk geacht voor de Hongerwinter. Tot diep in de jaren ’80 gaat
men de schuld leggen bij de bezetter. In de jaren ‘50 worden er pogingen ondernomen om te zoeken
naar andere oorzaken. Deze verklaringen zijn kortzichtig, eenzijdig en onvolledig. De hongertochten
worden gedramatiseerd en zelfs lyrisch verwoord. Ook doen in de jaren ’50 de beruchte suikerbieten
en dito bloembollen hun intrede in de leerboeken. De synoniemen die worden gegeven voor de
Hongerwinter gaan van neutraal tot sterk emotioneel (die in de meerderheid zijn). Wél opmerkelijk is
dat in de jaren ’50 de eerste exacte cijfers over het aantal hongerdoden opduiken. Deze zijn (in
tegenstelling tot de wetenschap) verbazend correct, nl. 16 000. Dr. Banning publiceert in 1949 het
cijfer van “tienduizend duidelijke gevallen van sterfte aan ondervoeding”805, een cijfer dat later door
diverse auteurs zal betwist worden. Foto’s zijn er wel, maar deze tonen enkel de voedseldroppings.
In de jaren ’60 zien we de aandacht voor de Hongerwinter in de leerboeken toenemen. De
spoorwegstaking wordt betrokken bij de hongersnood, maar is volgens de leerboeken hiervan nog
geen directe oorzaak. Het menu tijdens de Hongerwinter wordt uitgebreider vermeld, maar de
nadruk ligt nog steeds op de suikerbieten en bloembollen. De hongertochten worden ook objectiever
verwoord en er wordt hier en daar met de vinger gewezen naar de corrupte landbouwers. Het Duits
embargo op de binnenscheepvaart blijft wél consequent foutief in de leerboeken aanwezig. De foto’s
worden gevarieerder in de jaren ’60, waarbij foto’s van o.a. hongertochten de revue passeren.
De jaren ’70 blijft men doorgaan op het ingeslagen spoor van de jaren ’60: een neiging naar
objectivering en nuancering is aanwezig, maar gaat niet diep genoeg. Zo wordt de spoorwegstaking
voor het eerst als oorzaak van de Hongerwinter vernoemd, maar toch blijft men de Duitsers als de
grootste oorzaak van de voedseltekorten aanzien. Er worden evenwel minder gekleurde en neutrale
synoniemen en adjectieven gebruikt om de Hongerwinter aan te duiden. De meerderheid van de
leerboeken geeft geen exacte cijfers weer van de Hongerwinter en houdt het bij ‘duizenden’. De
foto’s worden wel meer gevarieerd, waarbij één bepaalde constante opvalt: de afbeelding van
kinderen, die aan het eten zijn of op zoek zijn naar eten duiken nu veelvuldig op. In de jaren ’70 is er
weinig evolutie te merken inzake het menu.
In de wetenschap is er jarenlang discussie geweest over het menu tijdens de Hongerwinter. Het werk
van Stein, Famine and human development; the Dutch hunger winter of 1944-1945 uit 1975, geeft
tien jaar voor Trienekens al aan dat de mythes rond de Hongerwinter moeten genuanceerd worden.
In de jaren voor de winter van 1944-45 was er nauwelijks voedselschaarste. In het begin van de
bezetting eet men minder calorierijk voedsel, maar dit gedistribueerd voedsel bevat wel meer
805
DE JONG, L., Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, deel 10B, ’s-Gravenhage, 19691988, p. 208
139
vitaminen, voedingsstoffen en eiwitten806. Stein stelt dat men in 1940 gemiddeld ongeveer 2200 Kcal
opneemt, en dat dit gestaag daalt tot 1800 Kcal in 1943 en 1350 Kcal in 1944, wat minder is dan het
aangeraden niveau, maar nog steeds niet op het niveau van een hongersnood807. Alleen houdt
Trienekens vast aan zijn stelling dat er, in tegenstelling tot Stein’s onderzoek, in 1944 nog voldoende
voedsel is voor een calorie-inname van om en bij de 2500 Kcal808. Zelfs de auteurs van Malnutrition
and starvation in Western-Netherlands uit 1948 stellen dat de situatie vóór september 1944
“allerminst slecht” is809. Trienekens beweert zelfs dat het beschikbare voedsel tot september 1944
gelijkmatiger verdeeld is over de bevolking dan voorheen810. Hiervoor geeft hij de volgende
verklaringen: “Het distributiesysteem viel relatief gunstig uit voor arbeiders die zwaar werk verrichten
(laag betaald) en voor grote gezinnen. Extra koopkracht werd verkregen door de verkoop van
rantsoenbonnen voor bijvoorbeeld boter en vlees (…). Bovendien nam het aantal personen die enkel
van de steun moesten leven, al spoedig sterk af wegens het verdwijnen van de werkloosheid.”811
In de jaren ’80 en ’90 zien we dat, in tegenstelling tot de thema’s NSB en Jodenvervolging, de toon in
de leerboeken niet opmerkelijk verandert naar een meer objectief en kritisch perspectief.
Integendeel: de toon wordt regelmatig harder en conservatiever. In de jaren ’80 en ’90 vallen de
meeste leerboeken terug op het stereotiepe beeld van het Hongerwintermenu. Deze evolutie valt
waarschijnlijk te verklaren doordat men in de leerboeken van de jaren ’80 en ’90 beduidend minder
aandacht besteedt aan de Hongerwinter dan in de jaren ’70. In de jaren ’70 wordt het aandeel van de
leerboeken dat objectief de hongertochten beschrijft, groot. Maar er wordt niet vereenvoudigd,
integendeel, men wordt hier en daar zelfs kritischer. Op andere vlakken wordt wel men objectiever:
in de jaren ’90 zullen de leerboeken kiezen voor een objectieve en rationele beschrijving van de
feiten en voor een breder kader met interne en externe oorzaken. Doorheen de jaren ’80 en ’90
worden de foto’s heel divers qua thema en blijven de onderschriften ook evolueren naar een
objectieve en beschrijvende weergave van de foto. De invloed van Trienekens, die midden jaren ’80
zijn ophefmakend boek Tussen ons volk en de honger: de voedselvoorziening 1940-1945812 uitbrengt,
is niet terug te vinden in de jaren ’90. Men blijft zich in een slachtofferrol hullen, met de Duitse
bezetter als grote schuldige. Hoe komt het toch dat, ondanks sterk wetenschappelijk bewijs, de
leerboeken jaren (soms zelfs decennia) achterlopen op de realiteit? Hondius stelt dat men moet
rekening houden met diverse oorzaken: “Over het algemeen is het zo dat de ontwikkelingen in het
onderwijs een decennium achterlopen op die in de vakwetenschap. Dan is er nog eens een vertraging
van weer zo’n tien jaar voor de nieuwe inzichten in de schoolboeken terechtkomen. Dat is heel
806
TRIENEKENS, G., Voedsel en honger in oorlogstijd 1940-1945: misleiding, mythe en werkelijkheid, Utrecht,
Kosmos-Z&K
Uitgevers, 1995, p. 32
807
STEIN, Z., Famine and human development; the Dutch hunger winter of 1944-1945, Oxford University Press,
1975, p. 43
808
TRIENEKENS, G., Tussen ons volk en de honger: de voedselvoorziening 1940-1945, Stichting Matrijs, Utrecht
1985, p. 369
809
Onbekend, Malnutrition and starvation in Western-Netherlands, september 1944-july 1945 Part I, Den Haag
1948
810
TRIENEKENS (G.). “De voedselvoorziening in de jaren 1940-1945”, in: Spiegel Historiael 22 nr. 2, 1987, p. 82
811
Ibidem, p. 82
812
TRIENEKENS, G., Tussen ons volk en de honger: de voedselvoorziening 1940-1945, Stichting Matrijs, Utrecht
1985, 537 pg.
140
verklaarbaar. De leraren krijgen hun opleiding op de universiteit. De inzichten die ze daar opdoen,
kunnen ze pas langzamerhand op de scholen, waar ze als beginnelingen aankomen, vormgeven.”813
In tegenstelling tot de NSB en de Jodenvervolging zien we hier minder duidelijk golven en zelfs een
neerwaartse spiraal in de jaren ’80. De stereotiepe ideeën (Duitsers als oorzaak, bloembollen en
suikerbieten, …) blijven tot diep in de jaren ’80 aanwezig. Pas eind jaren ’60 zien we de eerste
tekenen van objectiviteit. Maar in de jaren ’80 wordt in de leerboeken minder aandacht besteed aan
de Hongerwinter, waardoor er minder ruimte is voor rationaliteit en nuancering en men voor een
aantal aspecten teruggrijpt naar een veralgemening.
Bij de hongerwinter speelt naar mijn mening ook het gevoel van slachtofferschap mee. ‘Dankzij' het
voedselgebrek in het laatste oorlogsjaar kon men dit slachtofferschap breed uitsmeren over de
gehele oorlogsperiode en voor het gehele land, hoe onterecht die portrettering ook was volgens de
wetenschap (Trienekens). Er was immers maar in beperkte gebieden en gedurende een beperkte tijd
sprake van gebrek. De vereenzelviging van de hongerende bevolking met het 'goede', het
'onschuldige', tegenover de 'vette slechte Duitsers' heeft zeker ook zijn weerklank gevonden in de
leerboeken.
Kinderen krijgen soep uit de gaarkeuken
813
HONDIUS, D., Oorlogslessen. Onderwijs over de oorlog sinds 1945, Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam, 2010,
pg. 125-126
141
7. Besluit
7.1.
Besluit
Wat zijn nu de overeenkomsten en verschillen op zowel lange en korte termijn wanneer men de drie
thema’s met elkaar vergelijkt? Het is duidelijk dat de drie bestudeerde thema’s niet dezelfde evolutie
doormaken, al zijn er raakpunten tussen de verschillende onderwerpen. Algemeen is de aandacht
voor de eigen prestaties en verzetsacties groot, wat in het onderwijs steevast aan bod komt.
Wanneer men de thema’s kwantitatief bekijkt, valt op dat tot de jaren ’60 vooral de NSB het
leeuwenaandeel van de aandacht krijgt, waarna deze verschuift naar de Jodenvervolging. De
Hongerwinter verkrijgt in de periode 1946-1996 geen dominante positie in de leerboeken.
De periode na het einde van de Tweede Wereldoorlog wordt in Nederland
gekenmerkt door een algemene identiteitscrisis van het land. De Britse
historicus Guy Neave stelt in een onderzoek over oorlog en onderwijs in
België, Frankrijk en Nederland in de periode na de Tweede Wereldoorlog
vast dat na het einde van de oorlog de natie terug op zoek gaat naar een
identiteit, zichzelf in de spiegel bekijkt en bepaalt wat ze als haar eigen
kern wil zien.814 Zo kan men vaststellen dat Nederland wordt voorgesteld
als een klein, maar dapper land (denk aan Brave Little Belgium tijdens
WOI. Groot verschil tussen België na WO I met Nederland na de Tweede
Het beeld van "Brave Wereldoorlog is dat Nederland dit beeld van zichzelf ophangt, zonder
Little Belgium" tijdens internationale erkenning). Kritiek is amper tot niet aanwezig, zeker niet op
WOI. Een beeld dat de eigen bevolking, ondanks het feit dat in de wetenschappelijke wereld
Nederland van zichzelf
al langer een aantal onderwerpen ter discussie staan. Het beeld dat van
ophangt tijdens WOII.
Nederland wordt opgehangen in de leerboeken is dat Nederland bestaat
uit een groot deel verzetsmensen, een klein aantal collaborateurs, een groep arme joden en
uiteindelijk een hongerend westen, onderdrukt door de Duitse bezetter.
Het feit dat er zo weinig genuanceerd wordt over deze thema’s, moet men in de tijdsgeest begrijpen.
Voor veel Nederlanders (ouders, gastsprekers, leerkrachten, leerboekschrijvers, …) is de Tweede
Wereldoorlog nog recente geschiedenis, waardoor ze een persoonlijk en gekleurd oordeel vellen
over goed en fout, over verzet en collaboratie, over joden en NSB. De informatie die wordt
meegegeven is subjectief en sterk gekleurd, maar de fout is begrijpelijk.
Deze fout zou in principe niet meer gemaakt mogen worden in de jaren ’60. Vijftien jaar na de
Tweede Wereldoorlog staat een nieuwe generatie op die de oorlog slechts kent uit films, boeken en
verhalen. De oorlogslessen in de jaren zestig verschuiven van een emotioneel gekleurd verhaal naar
een iets meer kritische benadering, waarbij er stilaan meer aandacht wordt besteed aan de
Jodenvervolging, zonder dat er wordt geraakt aan de hoeveelheid leerstof over de NSB en de
Hongerwinter. De leerboeken geven gewoonweg meer ruimte aan de Tweede Wereldoorlog.
Desondanks blijven de leerboeken toch nog oordelen en veroordelen. Ze kiezen voor een duidelijke
814
NEAVE, G., War and Educational Reconstruction in Belgium, France and The Netherlands, 1940-1947. In:
LOWE, R., Education and the Second World War. Studies in schooling and social change, 1992, pg. 89
142
tweedeling tussen “goed” – het collectief verzet en de antipathie voor het verzet – en “kwaad” – de
Duitsers.
Ook de media spelen hier een grote rol: internationaal speelt de
berechting
van
Eichmann,
SS-functionaris
en
medeverantwoordelijke voor de deportaties van joden naar de
kampen, zeker mee tot het algemeen bekend geraken van de
Holocaust. Van het proces werd internationaal verslag
uitgebracht. Het stond symbool voor het feit dat, hoelang de
oorlog ook was afgelopen, niemand aan zijn straf ontsnapt. Veel
mensen, waaronder veel jongeren, hadden voordien nauwelijks Adolf Eichmann tijdens zijn proces in
gehoord van deze gebeurtenissen. Deze kwamen amper in het Israël (1961)
onderwijs van toen aan bod. Nationaal kregen de oorlogsthema’s
veel aandacht in de media door de bekende TV-serie De Bezetting van De Jong, waarbij in 21
afleveringen de Tweede Wereldoorlog wordt geschetst vanuit een sterk nationale visie. De
Nederlandse jeugd wil meer over deze thema’s leren, waarop de leerboeken een uitgebreider en
breder pakket over de Tweede Wereldoorlog aanbieden.
In de jaren ’70 wordt de eerste échte stap naar objectivering van de leerstof gezet. De leerlingen
worden in de klas sinds de jaren ’50 geconfronteerd met slachtoffers en ooggetuigen die hun verhaal
brengen, maar door o.a. de opkomst van de media zijn zij niet meer de énige bron van informatie.
Ook bestaat het ‘gevaar’ dat men deze ooggetuigen kan betrappen op onjuistheden, al blijft de
getuigenis van een ooggetuige wellicht indrukwekkender dan deze van een buitenstaander. Ook
vindt er in de leerstof een belangrijke verschuiving plaats: de oorlogslessen verschuiven van een
opdeling in ‘goedslecht’ naar waarschuwing en besef. Kritiek is er vooralsnog niet.
De periode 1978-1985 is een periode waarin de leerboeken op zoek gaan naar een nieuwe identiteit,
maar nu neigt men naar objectiviteit, bronnenkritiek en rationaliteit.
De leerboeken maken in de jaren ’80 een verdere evolutie door: de Jodenvervolging krijgt veel meer
aandacht, maar nu ten koste van de NSB en vooral de Hongerwinter. De teksten zijn kritischer, vooral
voor de eigen bevolking en het verzet: “De doelstelling voor het onderwijs is het stimuleren van
‘begrip’, niet alleen voor de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog, maar ‘voor de gehele nu
levende oudere generatie, die de Tweede Wereldoorlog met zich meedraagt’ (…).”815 Het onderwijs
wil moraliserend en kritisch zijn tegelijkertijd: ook de ‘daders’ krijgen nu aandacht in het onderwijs.
Men tracht een evenwicht te vinden tussen goed en slecht, tussen informeren en waarschuwen.
Voor het eerst is er in de leerboeken kritiek te horen op de vastgeroeste ideeën over de NSB en
Jodenvervolging. Toch is deze toon vooral op te merken wanneer men spreekt over de NSB: de partij
wordt niet meer vereenzelvigd met collaboratie, maar ze wordt gesitueerd in een breder kader. Hun
rol bij de Jodenvervolging is niet meer prominent aanwezig, maar verdwijnt niet volledig. Wel is nu
duidelijk dat de de politieke rol van de NSB beperkt was. De Jodenvervolging komt uitgebreid aan
bod, maar blijft, in tegenstelling tot de collaboratie, in de emotionele sfeer hangen. Het Nederlandse
815
HONDIUS, D., Oorlogslessen. Onderwijs over de oorlog sinds 1945, Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam, 2010,
pg. 192
143
volk stond volgens de leerboeken niet op de barricades ter verdediging van de joden (zoals vroeger
wel werd verteld), maar ze zijn eerder machteloos tegenover het Duitse geweld.
Historicus Hans Blom, die
in 1987 de discussie
openden naar het zoeken
van een verklaring van het
hoge dodencijfer van
Nederlandse joden
Toch blijft de tegenstelling ‘wijzij’ aanwezig, zij het op de achtergrond:
de schuld wordt van de NSB volledig afgewenteld op de Duitse bezetter.
Dit aspect verandert wel in de loop van de jaren ’90, waarbij een
verbleking en vervaging van het vijandsbeeld van de Duitsers en de ‘foute’
Nederlander optreedt. In deze scriptie komt duidelijk naar voor dat in de
jaren ’90 (en zelfs in de jaren ’80) de leerboeken reeds vragen stellen bij
het hoge aantal omgekomen joden en het schijnbaar hulpeloze verzet: “In
de beeldvorming over Nederland en de Tweede Wereldoorlog doet zich
volgens Ido de Haan in de jaren negentig een omslag voor, van het beeld
van ‘Nederland verzetsland’ naar dat van ‘Nederland deportatieland’: een
zwart-witbeeld, van eerst ‘bijna allemaal goed’, naar later ‘bijna allemaal
fout’.”816
Daarentegen wordt de Hongerwinter systematisch gemarginaliseerd en wordt er niet diep ingegaan
op bepaalde belangrijke aspecten, die perfect zouden passen in deze evolutie van objectivering (de
rol van de Duitsers als oorzaak van de Hongerwinter, voedselverdeling, …). Ook de collaboratie moet
stilaan aan belang inboeten ten koste van de Jodenvervolging: vandaag is de Jodenvervolging nog
zelden een expliciet onderwerp van een les, maar de sfeer rond deze gebeurtenis blijft een groot
publiek boeien en blijft razend actueel op diverse gebieden, vooral in de herinnerings- en
herdenkingssfeer.
Ondanks de evolutie naar een objectieve geschiedschrijving die in de jaren ’70 begint en zich
uitbreidt en verspreidt in de jaren ’80 en ’90, zijn er toch een aantal constanten in de Nederlandse
leerboeken op te merken. Het vijandbeeld van Duitsland, dat vandaag niet meer bestaat, bleef tot
diep in de jaren ’90 aanwezig.
Dat zorgt wel voor nieuwe, actuele problemen: het vijandsbeeld van de Duitsers vervaagt en
verdwijnt in de jaren ’90. Het Nederlandse politieke landschap toont sinds de jaren ’90 een
verschuiving naar rechts, met Pim Fortuyn en Geert Wilders als voorbeeld, die in de islam een nieuw
vijandbeeld hebben gevonden ‘ter bescherming van de Nederlandse waarden’. Daarnaast toont een
onderzoek van André Beening, die het beeld van Duitsland in de leerboeken van Nederland
onderzocht over een periode van meer dan 200 jaar, dat het nationaalsocialisme vaak terugkeert in
de leerstof, meestal met een ‘sterke emotionele betrokkenheid’ en in de schoolboeken constateert
hij veel ‘moreel geladen’ en afkeurende terminologie.”817
816
HONDIUS, D., Oorlogslessen. Onderwijs over de oorlog sinds 1945, Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam, 2010,
pg. 22
817
BEENING, A., Tussen bewondering en verguizing. Duitsland in de Nederlandse schoolboeken 1750-2000,
Universiteit van Amsterdam, Amsterdam, pg. 201, pg. 108-109
144
7.2.
Verdere onderzoeksvragen
Door dit onderzoek en mailverkeer met Nederlandse deskundigen ben ik op heel wat mogelijke
uitbreidingen gestoten, helaas waren deze te divers om te gebruiken in deze scriptie. Bij deze wil ik
graag de mogelijkheid bieden aan toekomstige studenten die hun scriptie rond dit thema maken, om
hen mogelijke verdiepingsideeën aan te bieden:
1) De verzuiling in Nederland is (zeker in de periode 1945-1985) sterk te merken in de
leerboeken, waarbij bv. religieus geïnspireerde boeken de nadruk leggen op het verzet van
de kerken, en socialistische leerboeken focussen op het verzet van de communisten.
2) Daarnaast zijn er ook regionale verschillen: de Jodenvervolging speelde zich vooral af in
Amsterdam, aangezien daar de grootste groep joden woonde. Ook de Hongerwinter speelde
zich af in afgezonderde regio’s: het agrarische noordoosten en het bevrijde zuiden kenden dit
probleem niet, in tegenstelling tot het bezette Westen tussen september 1944 en mei 1945.
3) Los van de leerboeken is ook verdieping mogelijk: wat is de waarde van persoonlijke
herinneringen (familie-overdracht, ooggetuigen, …) als bron voor de leerstof in het leerboek?
145
8. Bronnen
8.1.
Wetenschappelijke literatuur
-
ABICHT, L., Geschiedenis van de joden van de Lage Landen, Meulenhoff, Amsterdam, 2006, 486
pg.
-
A.M.P. KNOERS, Het onderwijs in Nederland, Garant, Leuven-Apeldoorn, 1995, 88 pg.
-
BEENING, A., Tussen bewondering en verguizing. Duitsland in de Nederlandse schoolboeken
1750-2000, Universiteit van Amsterdam, Amsterdam, 201 pg.
-
BLOM, J., Geschiedenis van de joden in Nederland, Uitgeverij Balans, Amsterdam, 1995, 502 pg.
-
BLOMMAERT, j. e.a., Debating Diversity. Analysing the discourse of tolerance, Routledge, Londen,
1998, 233 pg.
-
BUISMAN, J., Weer of geen weer. Meteorologie voor natuurvrienden, Baarn, 1978
-
CROES, M., “Gif laten wij niet voortbestaan”. Een onderzoek naar de overlevingskansen van
joden in de Nederlandse gemeenten, 1940-1945, Aksant, Amsterdam, 2006, 614 pg.
-
DE BAETS, A., Beeldvorming over niet-Westerse culturen: de invloed van het
geschiedenisleerboek op de publieke opinie in Vlaanderen 1945-1984, scriptie, Gent, 1988, VOL. I
-
DE JONG, L., Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, ’s-Gravenhage, 19691988, Deel 7
-
EEFTING, H, De Bijzondere Rechtspleging. Rampzalige gevolgen voor politieke delinquenten en
collaborateurs, Uitgeverij Aspekt, Soesterberg, 2007, 453 pg.
-
GREVER, M. e.a., Nationale identiteit en meervoudig verleden, Amsterdam University Press,
Amsterdam, 2007, 220 pg.
-
HONDIUS, D., Oorlogslessen. Onderwijs over de oorlog sinds 1945, Uitgeverij Bert Bakker,
Amsterdam, 2010, 383 pg.
-
KOSSMANN, E., Winkler Prins: Geschiedenis van de Nederlanden 1780-1970, Elsevier,
Amsterdam, 1977, 365 pg.
-
KRUIJER, G., Hongertochten: Amsterdam tijdens de Hongerwinter, J.A. Boom, Meppel, 1951, 300
pg.
-
NEAVE, G., War and Educational Reconstruction in Belgium, France and The Netherlands, 19401947. In: LOWE, R., Education and the Second World War. Studies in schooling and social change,
1992, pg. 89
146
-
N.L. DODDE, Dag mammoet! Verleden, heden en toekomst van het Nederlandse schoolsysteem,
Garant, Leuven-Apeldoorn, 1993, 144 pg.
-
OFFRINGA, C., ’s
Wageningen, 1972
-
Onbekend, Malnutrition and starvation in Western-Netherlands, september 1944-july 1945 Part
I, Den Haag 1948, VOL I-II
-
PREVENIER, W., Algemene geschiedenis der Nederlanden, Fibula-Van Dishoeck, Haarlem, V12:
Nieuwste Tijd, 1977-1983
-
STEIN, Z., Famine and human development; the Dutch hunger winter of 1944-1945, Oxford
University Press, 284 pg.
-
TE SLAA, R. (e.a.), De NSB: ontstaan en opkomst van de Nationaal-Socialistische Beweging,19311935, Uitgeverij Boom, Amsterdam, 2009, 939 pg.
-
TRIENEKENS (G.). “Het koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog van L. de Jong,
getoetst op het terrein van de voedselvoorziening” in: Bijdragen en Mededelingen betreffende
de geschiedenis der Nederlanden, 105 (1990) afl. 2, p. 231-243
-
TRIENEKENS, G., Tussen ons volk en de honger: de voedselvoorziening 1940-1945, Stichting
Matrijs, Utrecht 1985, 537 pg.
-
TRIENEKENS, G., Voedsel en honger in oorlogstijd 1940-1945: misleiding, mythe en werkelijkheid,
Utrecht, Kosmos-Z&K Uitgevers, 1995, 176 pg.
-
VAN ESSEN, H.W., onderwijzeressen in Niemandsland, Meppel, 1985
-
VAN BOLHUIS, J.J., Onderdrukking en verzet: Nederland in oorlogstijd, Deel 21, Van Loghum
Slaterus, 1948, p. 609
-
VAN DER HEIJDEN, C., Grijs verleden: Nederland en de Tweede Wereldoorlog, Uitgeverij Contact,
Amsterdam, 2001, 471 pg.
-
VAN DER ZEE, H., De Hongerwinter: van Dolle Dinsdag tot Bevrijding, Becht H.J.W., 1979, 261 pg
-
VAN DER ZEE, N., Om erger te voorkomen: de voorgeschiedenis en uitvoering van de vernietiging
van het Nederlandse jodendom tijdens de Tweede Wereldoorlog, Meulenhoff, Amsterdam, 1997,
287 pg.
-
VAN DER ZEE, S., Vogelvrij: de jacht op de Joodse onderduiker, De Bezige Bij, Amsterdam, 2010,
539 pg
-
VAN HOUTTE, J., Algemene geschiedenis der Nederlanden, Standaard Boekhandel, Antwerpen
1958, deel XII
-
VAN MILLIGEM, G., Opleiding der vrouwelijke jeugd, Rotterdam, 1865
Rijksveeartsenijschool,
veeartsenijkundige
hogeschool
(1821-1925),
147
-
VAN PRAAG, T., ‘Tijd voor kwaliteit’. De Tweede Wereldoorlog in de schoolboeken’. In: Kleio, no.
7, 2003
-
VERBEKE, E., Beeldvorming van de Arabisch-Islamitische wereld in Vlaamse leerboeken
geschiedenis van 1979 tot nu: buffer tegen groeiend islamofobie?, scriptie, 2008, 198 pg.
-
VERBEKE, J., De organisatie van de Jodenvervolging in België en Nederland tijdens de Tweede
Wereldoorlog: Daders-Slachtoffers-Omstanders, scriptie, 2002, 235 pg.
-
VERWEY, G., Geschiedenis van Nederland, Elsevier, Antwerpen, 1976, 1085 pg.
-
VOS, C., Werkelijk gebeurd! De historische speelfilm als achteruitkijkspiegel van de samenleving’.
In: BILLIET, B. e.a., Het verleden in het heden. Geschiedenis, historisch onderzoek en de plaats
van de historicus in de maatschappij van vandaag, Academia Press, Gent, 2002, pg. 115-116
-
WOLFSWINKEL, R., Tussen landverraad en vaderlandsliefde, Amsterdam University Press,
Amsterdam, 1994, 206 pg.
8.2.
Leerboeken
(in chronologische volgorde)
-
BLONK, A. e.a., Leerboek der algemene en vaderlandse geschiedenis, 1946, J.B. Wolters,
Groningen, 1946, 411 pg, 1e druk
-
DE BOER, M.G. e.a., Beknopt leerbek der geschiedenis van het vaderland: tweede deel, Sijthoff,
Leiden, 1947, 127 pg,
-
BERKELBACH, J.W. e.a., Volken en tijden: uitgave voor het gymnasium, Tjeenk Willink, Zwolle,
1947, 307 pg, 3e druk
-
VAN GELDER, H.A., Anderhalve eeuw wereldgeschiedenis: leerboek, P. Noordhoff NV, Groningen,
1948, 302 pg, 3e druk
-
PIK, J.W., Beknopte leerboek der vaderlandse geschiedenis, Tjeenk Willink, Zwolle, 1948, 298 pg.,
12e druk
-
BERKELBACH, J.W., Volken en tijden, Tjeenk Willink, Zwolle, 1948, 216 pg, 3e druk
-
SMIT, H.J., Leerboek der algemene geschiedenis, Zomer & Keuning’s, Wageningen, 1948, 74 pg,
1e druk supplement
-
LANGEDIJK, D., Geschiedenis der volkeren: leerboek der algemene en vaderlandse geschiedenis
deel III, Wolters, Groningen, 1948, 410 pg,
148
-
DEK, J., De Weg der Historie: tweede deel nieuwe en nieuwste geschiedenis, Wolters, Groningen,
1948, 195 pg, 1e druk
-
RIJPMA, J.H. e.a., Korte ontwikkelingsgang der historie II, Wolters, Groningen, 1949, 216 pg, 7e
druk
-
DE HAAN, J.C., Geschiedenis voor de HBSA, Wolters, Groningen, 1950, 287 pg, 3e druk
-
RIJPMA, E., De ontwikkelingsgang der historie IIIA, Wolters, Groningen, 1950, 476 pg, 12e druk
-
BLONK, A., Leerboek der Algemene en Vaderlandse Geschiedenis, J.B. Wolters, Groningen, 1952,
440 pg, 4e druk
-
ALGRA, H., Gestalten en tijden. Leerboek der Vaderlandse geschiedenis, deel III, Noordhoff NV,
Groningen, 1952, 155 pg, 1e druk
-
RIJPMA, E., De ontwikkelingsgang der historie IIIA, Wolters, Groningen, 1952, 478 pg, 13e druk
-
PIK, J.W., Beknopt leerboek der algemene geschiedenis, Tsjeenk Willink, Zwolle, 1954, 406 pg,
15e druk
-
BEEMSTERBOER, W. e.a., Wereld in wording, Van Goor zonen, ’s-Gravenhage, 1954, 500 pg,
-
MOORA, J. e.a., De wereld van vroeger en nu, Versluys, Amsterdam, 1955, 668 pg, 1e druk
-
BEEMSTERBOER, W. e.a., Wereld in wording, Van Goor zonen, ’s-Gravenhage, 1956, 500 pg, 3e
druk
-
RIJPMA, E., De ontwikkelingsgang der historie IIIA, Wolters, Groningen, 1956, 482 pg, 15e druk
-
PIK, J.W. e.a., Beknopt leerboek der vaderlandse geschiedenis, Tjeenk Willink, Zwolle, 1956, 300
pg, 13e druk
-
DE HAAN, J.C., Geschiedenis voor de HBSA, Wolters, Groningen, 1957, 286 pg, 4e druk
-
RIJPMA, E., De ontwikkelingsgang der historie IIIB, Wolters, Groningen, 1959, 340 pg, 15e druk
-
DE BRUYN, J., Hoofdlijnen nà 1815, Noordhoff, Groningen, 1959, 116 pg, 9e druk
-
BLONK, A. e.a., Rondgang door de algemene en vaderlandse geschiedenis deel II, Wolters,
Groningen, 1960, 352 pg, 4e druk
-
JANSENS, J.G., De Spiegel Der Eeuwen, Wolters-Noordhoff, Groningen, 1960, 219 pg, 6e druk
149
-
MEUWISSEN, B., Volkeren trekken voorbij: derde deel nieuwste geschiedenis, Malmberg, ’sHertogenbosch, 1960, 110 pg, 6e druk
-
BEEMSTERBOER, W. e.a., Wereld in wording, Van Goor zonen, ’s-Gravenhage, 1960, 500 pg, 3e
druk
BLONK, A. e.a., Leerboek der algemene en vaderlandse geschiedenis, Wolters, Groningen, 1960,
460 pg, 6e druk
-
-
WESTENDORP BOERMA, J.J., Leerboek der geschiedenis: van het Wener congres tot heden II,
Tjeenk Willink, Zwolle, 1960, 286 pg, 5e druk
-
FONTAINE, P., Van oermens tot wereldburger: vierde deel A, Malmberg, ’s-Hertogenbosch, 1961,
227 pg, 2e druk
-
BEEMSTERBOER, S.J. e.a., Wereld in wording 3: nieuwste geschiedenis, Van Goor Zonen, Den
Haag, 1962, 474 pg, 8e druk
-
BLONK, A. e.a., Langs oude paden II, Wolters, Groningen, 1962, 321 pg, 3e druk
-
MOORA, J. e.a., De wereld van vroeger en nu, Versluys, Amsterdam, 1962, 415 pg, 2e druk
-
RIJPMA, E., De ontwikkelingsgang der historie IIIA, Wolters, Groningen, 1963, 440 pg, 18e druk
-
KLIJNSMA, P., Passage: studieboek voor geschiedenis deel A, Noordhoff, Groningen, 1963, 345
pg, 1e druk
-
DE HAAN, J.C., Geschiedenis voor de HBSA, Wolters, Groningen, 1964, 302 pg, 6e druk
-
BOONEKAMP, W.J.M. e.a., Memoriael II: gedenkwaardigheden uit de geschiedenis van de
mensheid, Noordhoff, Groningen, 1964, 45 pg, 1e druk
-
BEEMSTERBOER, S.J. e.a., Wereld in wording 3: nieuwste geschiedenis, Van Goor Zonen, Den
Haag, 1964, 474 pg, 9e druk
-
BLONK, A. e.a., Leerboek der algemene en vaderlandse geschiedenis, Wolters, Groningen, 1964,
460 pg, 6e druk
-
REINSMA, R., Bovenbouw van de vaderlandse en algemene geschiedenis na 1815, Amsterdam,
1965, 239 pg.
-
BLONK, A., Hoofdwegen der geschiedenis II, nieuwere en nieuwste geschiedenis, J.B. Wolters,
Groningen, 1965, 411 pg., 1e druk
-
VAN ALKEMADE, G.P.R. e.a., Inkijk en inzicht IV. De historie van ±1815 tot heden, J. Muussees NV,
Purmerend, 1965, 3e druk
150
-
VERSTEGEN, H.H., Diorama van de moderne tijd, H.J. Dieben NV, ’s-Gravenhage, 1965, 357 pg, 5e
druk
-
FONTAINE, P., Van oermens tot werelburger: vierde deel A, Malmberg ’s-Hertogenbosch, 1965,
227 pg, 3e druk
-
WESTENDORP BOERMA, J.J., Leerboek der geschiedenis: van het Wener congres tot heden II,
Tjeenk Willink, Zwolle, 1965, 246 pg, 6e druk
BLONK, A. e.a., Hoofdwegen der geschiedenis II: Nieuwere en nieuwste geschiedenis, J.B.
Wolters, Groningen, 1966, 413 pg., 2e druk
-
-
DE HAAN, J.C., Geschiedenis voor de HBSA, Wolters, Groningen, 1966, 309 pg, 7e druk
-
BEEMSTERBOER, W. e.a., Wereld in wording 3: nieuwste geschiedenis, Van Goor zonen, Den
Haag, 1967, 524 pg, 10e druk
-
VAN DER HOEVEN, M.B., De twintigste eeuw, Meulenhoff, Amsterdam, 1967, 278 pg,, 1e druk
-
VAN VOORST VAN BEEST, C.W., Overzicht van de geschiedenis voor vwo en havo deel 5: de
nieuwste geschiedenis vanaf 1914, Malmberg, ’s-Hertogenbosch, 1967, 105 pg, 1e druk
-
RIJPMA, E., De ontwikkelingsgang der historie IIIA, Wolters, Groningen, 1967, 413 pg, 19e druk
-
BEEMSTERBOER, S.J. e.a., Wereld in wording 3: nieuwste geschiedenis, Van Goor Zonen, Den
Haag, 1968, 524 pg, 12e druk
-
VAN VOORST VAN BEEST, C.W., Overzicht van de geschiedenis voor vwo en havo deel 5: de
nieuwste geschiedenis vanaf 1914, Malmberg, ’s-Hertogenbosch, 1968, 105 pg, 3e druk
-
NIEMEIJER, A.C. e.a., Onze eeuw: geschiedenisleerboek voor de havo-top, Thieme-Zutphen,
Eindhoven, 1968, 219 pg., 1e druk
-
VAN DER STRATE, G.E., Van primitief naar modern, Noorduijn en zoon NV, Gorinchem, 1968, 353
pg, 2e druk
-
BEEMSTERBOER, S.J. e.a., Wereld in wording 3: nieuwste geschiedenis, Van Goor Zonen, Den
Haag, 1969, 276 pg, 1e druk
-
BOONEKAMP, W.J.M. e.a., Memoriael II: gedenkwaardigheden uit de geschiedenis van de
mensheid, Wolters-Noordhoff, Groningen, 1969, 465 pg, 5e druk
-
NIEMEIJER, A.C. e.a., Onze eeuw: geschiedenisleerboek voor de h.a.v.o.-top, Thieme & coZutphen, Eindhoven, 1969, 224pg, 4e druk
151
-
DEK, J. e.a., Twee Eeuwen, Wolters-Noordhoff, Groningen, 1969, 248 pg, 7e druk
-
ALKEMADE, A.J.M., Mensen bouwen een wereld: deel 3 HM-IV, Malmberg, ’s-Hertogenbosch,
1970, 235 pg., 1e druk
-
ADANG, A. e.a., Mensen en machten 4h, Meulenhoff Educatief, Amsterdam, 1970, 541 pg, 1e
druk
-
JANSENS, J.G., De Spiegel Der Eeuwen, Wolters-Noordhoff, Groningen, 1970, 223 pg, 8e druk
-
MICHELS, W. e.a., De Stroom Der Historie: deel 3, Dekker & Van De Vegt, Nijmegen, 1970, 187
pg, 1e druk
VAN DER HOEVEN, M.B., De Twintigste Eeuw, J.M.Meulenhoff, Amsterdam, 1970, 278 pg, 4e
druk
-
-
VAN VOORST VAN BEEST, C.W., Overzicht van de geschiedenis voor vwo en havo: deel 5: De
Nieuwste geschiedenis vanaf 1914, Malmberg, ’s-Hertogenbosch, 1971, 121 pg, 4e druk
-
NIEMEIJER, A.C. e.a., Onze eeuw: geschiedenisleerboek voor de hoogste klassen van scholen voor
vwo/havo, Thieme & co-Zutphen, Eindhoven, 1971, 224 pg, 5e druk
-
OFFRINGA, C., Speurtocht door de eeuwen: deel 5, Wolters-Noordhoff, Groningen, 1971, 262 pg,
1e druk
-
VAN GALEN LAST, H., Van Sarajevo tot Hirosjima, Wolters-Noordhoff, Groningen, 1971, 159 pg,
1e druk
-
BEEMSTERBOER, W. e.a., Wereld in wording 3: nieuwste geschiedenis, Van Goor zonen, Den
Haag, 1971, 524 pg, 13e druk
-
BEEMSTERBOER, S.J., Wereld in wording: 4 havo/vwo, Van Goor Zonen, Den Haag, 1972, 296 pg,
1e druk
-
CEULAERT, A.B. e.a., Kleio voor vwo en havo 2, Uitgeverij NIB, Zeist, 1972, 175 pg, 2e druk
-
VAN GALEN LAST, H., Van Sarajevo tot Hirosjima, Wolters-Noordhoff, Groningen, 1972, 159 pg,
2e druk
-
NIEMEIJER, A.C., Onze eeuw: geschiedenisleerboek voor de hoogste klassen van scholen voor
vwo/havo, Thieme & co, Zutphen, 1973, 225 pg, 6e druk
-
KALKWIEK, W.F., Geschiedenis in thema en taak. Deel IV vh vwo-havo, Meulenhoff Educatief,
Amsterdam, 1973, 258 pg., 1e druk
152
-
VAN WAKEREN, B. e.a., Kroniek: geschiedenis voor vwo/havo/mavo deel 3vh, Wolters Noordhoff,
Groningen, 1973, 235 pg, 1e druk
-
VAN DAM VAN ISSELT-SCHUURMAN, V., Schets van de twintigste eeuw: moderne
wereldgeschiedenis, Nijgh & Van Ditmar, Den Haag, 1973, 100 pg, 100 pg.
-
BEEMSTERBOER, W. e.a., Wereld in wording 3: nieuwste geschiedenis, Van Goor zonen, Den
Haag, 1973, 296 pg, 2ee druk
-
ADANG, A. e.a., Mensen en machten 5v: vwo, Meulenhoff Educatief, Amsterdam, 1974, 638 pg,
1e druk
-
VAN WAKEREN, B. e.a., Kroniek: geschiedenis voor vwo/havo/mavo deel 3mh, Wolters
Noordhoff, Groningen, 1974, 206 pg, 1e druk
-
BEEMSTERBOER, W. e.a., Wereld in wording 3: nieuwste geschiedenis, Van Goor zonen, Den
Haag, 1974, 311 pg, 3ee druk
ALKEMADE, A.J.M., Mensen bouwen een wereld:Deel 3 HM-IV, Malmberg, Den Bosch, 1975, 251
pg, 4e druk
-
-
CEULAERT, A.B. e.a., Kleio voor de vwo-top, Uitgeverij NIB, Zeist, 1975, 256 pg, 1e druk
-
OFFRINGA, C., Speurtocht door de eeuwen: deel 5, Wolters-Noordhoff, Groningen, 1975, 304 pg,
3e druk
-
ULRICH, H., Geschiedenis van gisteren: HAVO/VWO-editie, Malmberg, Den Bosch, 1976, 301 pg,
1e druk
-
NIEMEIJER, A.C. e.a., Onze eeuw: Geschiedenisleerboek voor de hoogste klassen van scholen
voor vwo/havo, Thieme & co-Zutphen, Eindhoven, 1976, 232 pg, 7e druk
-
NIEMEIJER, A.C., e.a., Strijd en samenwering: een geschiedenis voor mavo, havo en vwo, deel 4v,
Thieme & Co., Zutphen, 1976, 131 pg, 1e druk
-
OFFRINGA, C., Speurtocht door de eeuwen: deel 4, Wolters-Noordhoff, Groningen, 1977, 304 pg,
4e druk
-
DE BEER, A.C., Geschiedenis in onderwerpen: 4/5 havo, Meulenhoff Educatief, Amsterdam, 1978,
391 pg, 1e druk
-
ADANG, A. e.a., Mensen en machten 4/5 havo, Meulenhoff Educatief, Amsterdam, 1978, 644 pg,
2e druk
-
CEULAERT, A.B. e.a., Kleio voor de havo-top, Uitgeverij NIB, Zeist, 1978, 218 pg, 2e druk
153
-
BEEMSTERBOER, W. e.a., Wereld in wording 3: nieuwste geschiedenis, Van Goor zonen, Den
Haag, 1978, 319 pg, 5ee druk
-
CEULAERT, A.B. e.a., Kleio voor de vwo-top, Uitgeverij NIB, Zeist, 1979, 256 pg, 2e druk
-
ADANG, A. e.a., Mensen en machten: examenboek geschiedenis havo/vwo, Meulenhoff
Educatief, Amsterdam, 1980, 644 pg, 2e druk
-
CEULAERT, A.B. e.a., Kleio voor vwo 2, Uitgeverij NIB, Zeist, 1980, 206 pg, 1e druk
-
VAN WAKEREN, B. e.a., Kroniek: geschiedenis voor vwo/havo/mavo deel 3mh, Wolters
Noordhoff, Groningen, 1980, 210 pg, 2e druk
-
ULRICH, H., Geschiedenis van gisteren: havo/vwo-editie, Malmberg, Den Bosch, 1981, 348 pg, 5e
druk
-
HEIDT, E.W. e.a., Kijk op de tijd: leerlingenboek 3 vwo, Malmberg, Den Bosch, 1981, 168 pg, 1e
druk
-
BEETSMA, J., Geschiedeniswerkplaats, havo/vwo examenboek 1983, WOlters-Noordhoff,
Groningen, 1982, 119 pg., 1e druk
OFFRINGA, C., Speurtocht door de eeuwen: deel 4, Wolters-Noordhoff, Groningen, 1982, 312 pg,
5e druk
-
-
OERLEMANS, J.W., De wereld sinds 1870: een historisch overzicht, Wolters-Noordhoff,
Groningen, 1984, 293 pg, 1e druk
-
KNIGGE, J., Historisch Perspectief: Wereldgeschiedenis van de 20e eeuw. Boek I 1900-1945, De
Vuurbaak, Groningen, 1984, 280 pg, 1e druk
-
MULDER, L. e.a., Beeld van de twintigste eeuw: wereldgeschiedenis van 1917 tot heden, Van
Walraven, Apeldoorn, 1984, 357 pg, 1e druk
-
BOIVIN, B. e.a., Route3: materiaal voor geschiedenis, Wolters-Noordhoff, Groningen, 1984, 144
pg, 1e druk
-
DE JONG, J. e.a., Merlijn: geschiedenis voor mavo/havo/vwo, Spruyt-Van Mantgem&De Does,
Leiden, 1985, 210 pg, 1e druk
-
KNIGGE, J., Historisch Perspectief: Wereldgeschiedenis van de 20e eeuw. Boek II: 1945-heden, De
Vuurbaak, Barneveld, 1986, 272 pg, 2e druk
-
HEIDT, E.W. e.a., Kijk op de tijd: leerlingenboek 3 vwo, Malmberg, Den Bosch, 1986, 164 pg, 2e
druk
154
-
BLOM, J.C.H. e.a., Sprekend Verleden: een geschiedenis van de wereld. Deel 3 – basis, Nijgh &
Van Ditmar Educatief, Rijswijk, 1986, 200 pg, 1e druk
-
BROUNS, J. e.a., Merlijn: geschiedenis voor mavo/havo/vwo, Spruyt,Van Mantgem&De Does,
Leiden, 1987, 155 pg, 1e druk
-
KIKKERT, J.G., Kleio: korte algemene geschiedenis 2, Uitgeverij NIB, Zeist, 1987, 224 pg, 1e druk
-
BLOM, J.C.H. e.a., Sprekend Verleden: een geschiedenis van de wereld. Deel 3-boek I, Nijgh &
Van Ditmar Educatief, Rijswijk, 1987, 160 pg, 1e druk
-
ULRICH, H., Geschiedenis van gisteren: havo/vwo-editie, Malmberg, Den Bosch, 1988, 383 pg., 5e
druk
-
BEENACKERS-HEEREN, B. e.a., Vragen aan de geschiedenis 4/5 havo, Wolters-Noordhoff,
Groningen, 1988, 316 pg
-
BEENACKERS-HEEREN, B. e.a., Vragen aan de geschiedenis 4/5 havo, Wolters-Noordhoff,
Groningen, 1989, 316 pg
-
BLOM, J.C.H. e.a., Sprekend Verleden deel 3, Nijgh & Van Ditmar Educatief, Rijswijk, 1991, 192
pg, 1e druk
-
DONK, R. e.a., Vragen aan de geschiedenis 3vh, Wolters-Noordhoff, Groningen, 1992, 278 pg, 2e
druk
IMMERZEEL, E.A., Historia: geschiedenis en staatsinrichting voor de bovenbouw havo/vwo,
Meulenhoff Educatief, Amsterdam, 1994, 300 pg, 1e druk
-
-
HOOGSTRAATEN, M.G. e.a., Op weg naar 2000: De geschiedenis van 1870 tot heden vwo editie,
BKE, Baarn, 1994, 339 pg, 2e druk
-
BLOM, J.C.H e.a., Sprekend Verleden: bovenbouw havo/vwo deel 1, Nijgh & Van Ditmar
Educatief, Rijswijk, 1994, 227 pg, 2e druk
-
VAN RIESSEN, M. e.a., Sporen: geschiedenis voor vwo 4, Wolters-Noordhoff, Groningen, 1996,
152 pg, 1e druk
BAKKER, R. e.a., Vragen aan de geschiedenis 3: mavo havo vwo, Wolters-Noordhoff, Groningen,
1996, 240 pg, 3e druk
155
8.3.
Foto’s
pg. 8: http://kafka.antenna.nl/
pg. 8: http://www.bigmoves.nl/joodsamsterdam/
pg. 8: http://members.home.nl/keesdebrouwer/
pg. 28: http://heiloo.dvonline.net/
pg. 32: http://www.verledentijd.com/
pg. 69: http://www.geschiedenis24.nl/
pg. 70: http://www.anp-archief.nl/
pg. 73: Bundesarchiv Bild 183-L05168
pg. 76: http://digitalehofstad.wordpress.com/
pg. 102: http://drenthekunstbreed.nl/
pg. 103: http://www.inghist.nl/
pg. 113: http://www.myotaku.com
pg. 141: http://www.parool.nl/
pg. 142: http://forum.paradoxplaza.com/
pg. 143: http://www.britannica.com/
pg. 144: http://www.veteranen.nl/
156
9. Bijlagen
157
-
-
-
-
818
819
Wereld in Wording:
1954818, 1956, 1960,
1962, 1964, 1967, 1968,
1971, 1972, 1973 en
1974
Passage: 1963
Diorama van de
moderne tijd: editie
1965
Mensen en machten:
1978
Vragen aan de
geschiedenis: 1988
Wereld in Wording, 1954819, 1956, 1960, 1962, 1964, 1967, 1968, 1971, 1972, 1973, 194 en
1978
BEEMSTERBOER, W. e.a., Wereld in wording, Van Goor zonen, ’s-Gravenhage, 1954, pg. 351
BEEMSTERBOER, W. e.a., Wereld in wording, Van Goor zonen, ’s-Gravenhage, 1954, pg. 372-373
158
-
-
Spiegel der Eeuwen:
1960820 en 1970
Leerboek der algemene
en vaderlandse
geschiedenis: 1960 en
1964
Kleio: 1978
Beeld van de twintigste
eeuw: 1984
-
-
Hoofdwegen der
geschiedenis:
1965821 en 1966
820
JANSENS, J.G., De Spiegel Der Eeuwen, Wolters-Noordhoff, Groningen, 1960, pg. 195
BLONK, A., Hoofdwegen der geschiedenis II, nieuwere en nieuwste geschiedenis, J.B. Wolters, Groningen,
1965, pg. 353
821
159
-
Onze eeuw: 1973822.
Strijd en samenwerking: 1976.
-
Strijd en samenwerking: 1976824
Kleio: 1975823, 1979 en 1987
822
NIEMEIJER, A.C., Onze eeuw: geschiedenisleerboek voor de hoogste klassen van scholen voor vwo/havo,
Thieme & co, Zutphen, 1973, pg. 187
823
CEULAERT, A.B. e.a., Kleio voor de vwo-top, Uitgeverij NIB, Zeist, 1975, pg. 100
824
CEULAERT, A.B. e.a., Kleio voor de vwo-top, Uitgeverij NIB, Zeist, 1975, pg. 101
160
-
Mensen en machten: 1978825, 1980
-
Kijk op de tijd: 1981827, 1986
Sprekend Verleden: 1987, 1994
- Merlijn: 1985826
825
ADANG, A. e.a., Mensen en machten 4/5 havo, Meulenhoff Educatief, Amsterdam, 1978, pg. 280
DE JONG, J. e.a., Merlijn: geschiedenis voor mavo/havo/vwo, Spruyt-Van Mantgem&De Does, Leiden, 1985,
pg. 122
827
HEIDT, E.W. e.a., Kijk op de tijd: leerlingenboek 3 vwo, Malmberg, Den Bosch, 1981, pg. 141
826
161
-
-
-
828
Historisch
Perspectief:
1984828
Geschiedenis van
Gisteren: 1988829
Historisch Perspectief: 1986830
e
KNIGGE, J., Historisch Perspectief: Wereldgeschiedenis van de 20 eeuw. Boek I 1900-1945, De Vuurbaak,
Groningen, 1984, pg. 166
829
ULRICH, H., Geschiedenis van gisteren: havo/vwo-editie, Malmberg, Den Bosch, 1988, pg. 65
830
e
KNIGGE, J., Historisch Perspectief: Wereldgeschiedenis van de 20 eeuw. Boek II: 1945-heden, De Vuurbaak,
Barneveld, 1986, pg. 10
162
-
-
831
Sprekend Verleden, 1986
en 1991
Sprekend Verleden, 1994832
831
BLOM, J.C.H. e.a., Sprekend Verleden: een geschiedenis van de wereld. Deel 3 – basis, Nijgh & Van Ditmar
Educatief, Rijswijk, 1986, pg. 85
832
BLOM, J.C.H e.a., Sprekend Verleden: bovenbouw havo/vwo deel 1, Nijgh & Van Ditmar Educatief, Rijswijk,
1994, pg. 127
163
-
Wereld in Wording, 1960833. Ook in edities 1962, 1964, 1967, 1968, 1971, 1972, 1973, 1974
en 1978
Historisch Perspectief, 1986
Kijk op de Tijd, 1986
-
833
834
Van oermens tot wereldburger, 1961834.
Ook gebruikt in editie 1965.
Wereld in Wording, 1969
Speurtocht door de Eeuwen, 1971, 1975,
1977 en 1982
Strijd en Samenwerking, 1976.
BEEMSTERBOER, W. e.a., Wereld in wording, Van Goor zonen, ’s-Gravenhage, 1960, pg. 338
FONTAINE, P., Van oermens tot wereldburger: vierde deel A, Malmberg, ’s-Hertogenbosch, 1961, pg. 172
164
-
Passage, 1962835
Van Primitief naar Modern,
1968.
Mensen en Machten, 1970,
1974, 1978, 1980,
Historisch Perspectief, 1986
Sprekend Verleden, 1987 en
1994
Historia, 1994
* Niet alle leerboeken gebruiken exact
dezelfde foto. Soms zijn de kleuren
verschillend of is ze vanuit een andere
hoek genomen.
-
835
836
Geschiedenis voor de HBSA, 1964836. Ook gebruikt in editie 1966
Vragen aan de geschiedenis, 1989
KLIJNSMA, P., Passage: studieboek voor geschiedenis deel A, Noordhoff, Groningen, 1963, pg. 292
DE HAAN, J.C., Geschiedenis voor de HBSA, Wolters, Groningen, 1964, pg. 257
165
-
Mensen bouwen een wereld, 1970837, 1975
Geschiedenis in onderwerpen, 1978
Kijk op de Tijd, 1981
Sprekend Verleden, 1986, 1991
-
Onze eeuw, 1973838
Kijk op de Tijd, 1981
837
ALKEMADE, A.J.M., Mensen bouwen een wereld: deel 3 HM-IV, Malmberg, ’s-Hertogenbosch, 1970, pg. 164
NIEMEIJER, A.C., Onze eeuw: geschiedenisleerboek voor de hoogste klassen van scholen voor vwo/havo,
Thieme & co, Zutphen, 1973, pg. 191
838
166
839
840
-
Kijk op de Tijd, 1981839
-
Vragen aan de Geschiedenis, 1992840
HEIDT, E.W. e.a., Kijk op de tijd: leerlingenboek 3 vwo, Malmberg, Den Bosch, 1981, pg. 163
DONK, R. e.a., Vragen aan de geschiedenis 3vh, Wolters-Noordhoff, Groningen, 1992, pg. 153
167
-
Korte ontwikkelingsgang der Historie, 1949841. Ook in editie 1953
Ontwikkelingsgang der Historie, 1950, 1952 en 1956
Geschiedenis voor de HBSA, 1951 en 1957.
Twee Eeuwen, 1969
-
841
842
Van oermens tot wereldburger,
1961842. Ook in editie 1965
RIJPMA, J.H. e.a., Korte ontwikkelingsgang der historie II, Wolters, Groningen, 1949, pg. 190
FONTAINE, P., Van oermens tot wereldburger: vierde deel A, Malmberg, ’s-Hertogenbosch, 1961, pg. 175
168
843
844
-
Geschiedenis voor de HBSA, 1964843. Ook in edities 1966
Bovenbouw van de vaderlandse en algemene geschiedenis, 1965
Kleio, 1972
Sprekend Verleden, 1987 en 1994
-
Stroom der Historie, 1970844
Sprekend Verleden, 1986 en1991
DE HAAN, J.C., Geschiedenis voor de HBSA, Wolters, Groningen, 1964, pg. 259
MICHELS, W. e.a., De Stroom Der Historie: deel 3, Dekker & Van De Vegt, Nijmegen, 1970, pg. 140
169
-
-
Mensen en machten,
1978845. Ook in editie
1980
Geschiedeniswerkplaats, 1982846
Historisch Perspectief, 1986
845
ADANG, A. e.a., Mensen en machten 4/5 havo, Meulenhoff Educatief, Amsterdam, 1978, pg. 294
BEETSMA, J., Geschiedeniswerkplaats, havo/vwo examenboek 1983, Wolters-Noordhoff, Groningen, 1982,
pg. 94
846
170
Download