Taal Blok 8 - Jozefschool Hillegom

advertisement
Samenvatting blok 8 TAAL groep 5
aarzelen
achterom
eeuwigheid
de elektriciteit
de kazerne
lijkbleek
modern
nabij komen
het slot (kasteel)
de vorst (koning)
dromerig
fantaseren
de keizer
de koetsier
de lakei
de luxe
opgroeien
de ruiter
de waarheid
zeldzaam
beledigd
ernstig
de horizon
de kust
languit
langzamerhand
de oogst
rotsachtig
de situatie
vruchtbaar
nog even nadenken, nog niet zeker weten
door de achterdeur, achterlangs
heel erg lang
de stroom
gebouw waar militairen in wonen
zo bleek als een lijk
van nu, tegenovergestelde van ouderwets
dichterbij komen
ander woord voor kasteel
ander woord voor koning, majesteit
met je gedachten ergens anders zijn / aan denken
iets verzinnen wat niet echt is, dingen die niet waar zijn in je
gedachten bedenken
baas van een land of rijk
iemand die voor op de koets zit om de paarden te sturen
bediende van de koning
wat niet echt nodig is, maar wel fijn of lekker
ouder worden
iemand die op een paard rijdt
iets wat echt zo is
er zijn er niet veel van, het komt bijna niet voor, als iets weinig
voor komt
boos/gekwetst, als je niet serieus genomen wordt
serieus, zonder grapjes
de lijn in de verte, waar lucht en aarde elkaar raken
strook land langs de zee
helemaal gestrekt
als iets steeds een beetje duidelijker wordt, wat langzaam maar
zeker gebeurt
wat er op de akker groeit
met veel rotsen
wat er beurt, wat er aan de hand is
waar veel kan groeien op de akker
Woorden kun je leren en onthouden:
 met een zin
 met een woord dat hetzelfde betekent
 met een woord dat het tegenovergestelde betekent
 met een plaatje
 aan het woord zelf
 opzoeken
 vragen
 woordkaart
 tekst



woordweb
raadspel
woordparen
Als je naar mensen luistert, let je op hoe de spreker praat, waar het over gaat, wat er
gebeurt, bewegingen en houding van de spreker, of je het begrijpt, of je het er mee eens
bent. In een gesprek praat je samen over hetzelfde onderwerp. Je kunt zeggen wat je ervan
vindt, dan geef je jouw mening. Je wisselt met elkaar van gedachten over een onderwerp.
Zet je gedachten in een woordweb, kies wat jij belangrijk vindt. Stel vragen als je iets niet
begrijpt.
Doe- woorden kunnen verschillende vormen hebben: loop- loopt- lopen
liep- liepen- gelopen
Naamwoorden kunnen ook verschillende vormen hebben. Boom- boompje- bomenboompjes.
ik, jij, hij, zij, wij, jullie, zij kun je in plaats van het naamwoord zetten.
Je kunt op veel plaatsen informatie vinden.
Bijvoorbeeld in de krant, op internet, op een poster, op een foto of in een boek.
Die informatie kun je verzamelen in een woordweb.
Van de woorden uit je woordweb kun je zinnen maken.
Met die zinnen maak je een weettekst.
Bij die tekst kun je een plaatje met bijschrift maken.
Je kunt op verschillende manieren praten.
Let op met wie je praat, hoe je praat, waarover je praat, wat er gebeurt, hoe je kijkt en
beweegt.
Komma
Als je van 2 zinnen 1 zin maakt, zet je er een komma tussen.
Ook bij een opsomming gebruik je een komma.
Voor een opsomming staat een dubbele punt.
Als er het woord en staat, gebruik je geen komma.
Een voorbeeld is:
Ik ken de volgende leestekens: de punt, de komma, het vraagteken en het uitroepteken.
Achter zinnen die je met nadruk zegt, komt een uitroepteken.
Achter vraagzinnen staat een vraagteken.
Gewone zinnen eindigen met een punt.
Namen schrijf je met een hoofdletter en ieder zin begint met een hoofdletter.
Een toneelstuk bestaat uit verschillende scènes.
Die maken duidelijk waar of wanneer het toneelstuk zich afspeelt. Ze zorgen voor de
volgorde.
Bij het schrijven van een tekst let je op de soort tekst (weettekst, verhaaltekst, gedicht of
toneelstuk), de volgorde, de titel en het plaatje
Download
Random flashcards
Rekenen

3 Cards Patricia van Oirschot

Test

2 Cards oauth2_google_0682e24b-4e3a-44be-9bca-59ad7a2e66a4

Create flashcards