zoönosen en vector overdraagbare ziekten - WIV-ISP

advertisement
DIENST EPIDEMIOLOGIE
VAN INFECTIEZIEKTEN
ZOÖNOSEN EN VECTOR­
OVERDRAAGBARE ZIEKTEN
Epidemiologische surveillance in België, 2013 en 2014
Zoönosen en vector­
overdraagbare ziekten
Het programma wordt financieel gesteund door:
Langer gezond leven voor iedereen
Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid (WIV-ISP)
Operationele directie Volksgezondheid en surveillance
Dienst Epidemiologie van infectieziekten
Programma Zoönosen en vectoroverdraagbare ziekten (ERID)
Juliette Wytsmanstraat 14 | 1050 Brussel | België
Volksgezondheid en surveillance | December 2015 | Brussel, België
Auteurs
Javiera Rebolledo1, Tinne Lernout1, Amber Litzroth1 en Dominique Van Beckhoven1
COAUTEURS (alfabetische volgorde)
B. Brochier2,3, B. Delaere4, D. Fretin5, W. Heuninckx6, M. Hing6, J. Jacobs7,
B. Kabamba-Mukadi8,9, P. Maes10, M. Mori5,8,11, S. Patteet10, S. Quoilin1,
V. Saegeman9, V. Suin3, C. Truyens12, D. Vanrompay13, M. Van Esbroeck6,8,14,15,16,
S. Van Gucht2,3, P. Wattiau17,18.
1
2
3
4
5
6
7
8
9
Dienst Epidemiologie van infectieziekten, Operationele
directie Volksgezondheid en surveillance, WIV-ISP
Nationaal referentiecentrum voor rabiësvirus, Dienst
Virale ziekten, Operationele directie Overdraagbare en
besmettelijke ziekten, WIV-ISP
Nationaal referentiecentrum voor tekenencefalitisvirus
2013-2014, Dienst Virale ziekten, Operationele directie
Overdraagbare en besmettelijke ziekten, WIV-ISP
Centre Hospitalier Universitaire (CHU) Dinant Godinne, Site
Godinne, maladies infectieuses
Referentielaboratorium voor Francisella tularensis,
Operationele directie Bacteriële ziekten, CODA-CERVA
Nationaal referentiecentrum voor Rickettsia spp.
en Anaplasma phagocytophilum, (a) Laboratorium
klinische biologie, Koningin Astrid Militair hospitaal,
(b) Laboratorium voor klinische biologie, Instituut voor
Tropische Geneeskunde
Referentielaboratorium voor Plasmodium spp.,
Laboratorium voor klinische biologie, Instituut voor
Tropische Geneeskunde
Nationaal referentiecentrum voor Coxiella burnetii en
Bartonella spp.,(a) Laboratorium voor klinische biologie,
Instituut voor Tropische Geneeskunde, (b) Operationele
directie Bacteriële ziekten, CODA-CERVA, (c) Laboratoire de
Microbiologie, Cliniques universitaires UCL St-Luc
Nationaal referentiecentrum voor Borrelia burgdorferi,
(a) Laboratoire de Microbiologie, Cliniques universitaires
UCL St-Luc, (b) Laboratorium voor klinische virologie, UZ
Leuven
10 Nationaal referentiecentrum voor Hantavirus spp.,
Laboratorium voor klinische virologie, UZ Leuven
11 Nationaal referentiecentrum voor Brucella spp., (a)
Operationele directie Bacteriële ziekten, CODA-CERVA,
(b) Laboratorium voor klinische biologie, Instituut voor
Tropische Geneeskunde
12 Referentielaboratorium voor Echinococcus multilocularis,
Laboratoire de parasitologie, Université Libre de Bruxelles
– Hôpital Erasme
13 Referentielaboratorium voor Chlamydia psittaci, Vakgroep
Dierlijke productie, Universiteit Gent
14 Nationaal referentiecentrum voor West-Nile virus, dengue
en chikungunyavirus, Laboratorium voor klinische biologie,
Instituut voor Tropische Geneeskunde
15 Referentielaboratorium voor Leishmania spp.,
Laboratorium voor klinische biologie, Instituut voor
Tropische Geneeskunde
16 Referentielaboratorium voor Leptospira spp., Laboratorium
voor klinische biologie, Instituut voor Tropische
Geneeskunde
17 Referentielaboratorium voor Bacillus antracis, Operationele
directie Bacteriële ziekten, CODA-CERVA
18 Referentielaboratorium voor Yersinia pestis, Operationele
directie Bacteriële ziekten, CODA-CERVA
Contact
Javiera Rebolledo
Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid
Operationele directie Volksgezondheid en surveillance
Juliette Wytsmanstraat 14
1050 Brussel
België
Tel.: +32 2 642 57 35
E-mail: [email protected]
Dit document is beschikbaar op de website van het Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid,
Dienst Epidemiologie van infectieziekten
https://epidemio.wiv-isp.be/ID/Pages/default.aspx
Dankwoord
De dienst Epidemiologie van infectieziekten van het WIV-ISP dankt alle personen die hebben
bijgedragen tot het verzamelen van gegevens.
De auteurs danken ook de collega’s Yves Dupont, Mathias Leroy, Gaëtan Muyldermans, Annabel
Motté, Florence Vandernoot en Nathalie Verhocht voor hun medewerking en hun bijdrage aan het
tot stand komen van dit rapport.
Drukvoorbereider
Hubert De Krahe, WIV-ISP
Lay-out
Nathalie da Costa Maya, CDCS vzw
© Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid, Brussel 2015
Verantwoordelijke uitgever: Dr. Johan Peeters
Intern referentienummer: 2015/053
Depotnummer: D/2015/2505/74
www.wiv-isp.be
Afkortingen
7
Samenvatting
9
Hoofdstuk 1. WIJZE VAN SURVEILLANCE
13
Hoofdstuk 2. Zoönosen
Miltvuur - Anthrax (Bacillus anthracis)
Bartonellose (Bartonella henselae) Brucellose (Brucella spp.)
Psittacose (Chlamydia psittaci) Q-koorts (Coxiella burnetii)
Echinococcose (Echinococcus spp.) Tularemie (Francisella tularensis)
Hantavirose (Hantavirus spp.) Leptospirose (Leptospira spp.) Hondsdolheid (Rabiësvirus)
17
17
20
26
30
33
38
42
45
50
55
Hoofdstuk 3. Vectoroverdraagbare ziekten
59
3.1
Ziekten die worden overgedragen door teken
Anaplasmose (Anaplasma phagocytophilum) Ziekte van Lyme (Borrelia burgdorferi)
Tekenencefalitis (Tick-borne encephalitis virus)
59
59
64
73
3.2 Ziekten die worden overgedragen door muggen
Chikungunya (Chikungunyavirus)
Dengue (Denguevirus)
Malaria (Plasmodium spp.)
West-Nile koorts (West-Nile virus)
76
76
80
85
89
INHOUDSTAFEL
INHOUDSTAFEL
5
3.3 Ziekten die worden overgedragen door
andere vectoren
Leishmaniose (Leishmania spp.)
Rickettsiose (Rickettsia spp.)
Pest (Yersinia pestis)
INHOUDSTAFEL
Bijlagen
Bijlage 1: Contactgegevens voor de melding van infectieziekten
Bijlage 2: Rapportering van aantal gevallen per regio
Bijlage 3: Lijst van interessante websites
Bijlage 4: Lijst van de nationale referentiecentra per pathogeen
vanaf oktober 2015
Bijlage 5: Lijst van referentielaboratoria per pathogeen
6
92
92
97
101
105
105
106
107
108
109
Afkortingen
CL Cutane leishmaniose
CODA-CERVA Centrum voor Onderzoek in Diergeneeskunde en
Agrochemie - Centre d’étude et de recherches vétérinaires et
agrochimiques
EU/EER
Europese Unie/Europese Economische Ruimte
ECDCEuropean Centre for Disease prevention and Control
(Europees centrum voor ziektepreventie en -controle)
EM Erythema migrans
FAVVFederaal Agentschap voor de veiligheid van de voedselketen
ITGInstituut voor Tropische Geneeskunde
MZG Minimale ziekenhuisgegevens
NBNeuroborreliose
NRCNationaal referentiecentrum
PCRPolymerase Chain Reaction (polymerasekettingreactie)
VL Viscerale leishmaniose
Afkortingen
RLReferentielaboratorium
VMVerplichte melding
7
RNA Ribonucleïnezuur
TBE(V)Tick-borne encefalitis (virus) – tekenencefalitis
WGOWereldgezondheidsorganisatie
WIV-ISP
Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid - Institut
scientifique de Santé Publique
Samenvatting
De epidemiologische surveillance van zoönosen en vectoroverdraagbare
ziekten in België steunt op gegevens van drie netwerken van laboratoria voor
microbiologie (peillaboratoria, referentielaboratoria, nationale referentiecentra)
en op gegevens van de verplichte melding, wanneer beschikbaar.
Deze surveillance is niet exhaustief en laat dus niet toe om exacte aantallen
van nieuwe gevallen in België weer te geven. Bovendien hebben vele van de
opgevolgde ziekten een weinig specifiek klinisch beeld en wordt er dus niet
altijd aan de diagnose gedacht. Wel laat de surveillance toe om trends in de tijd
op te volgen en de karakteristieken van de gevallen te beschrijven.
In 2013 en 2014 werden verschillende trends opgemerkt voor de verschillende
opgevolgde ziektekiemen.
Ook het aantal gediagnosticeerde gevallen van tularemie vertoont een toename
sinds 2012 in België en in de buurlanden (Frankrijk en Nederland). Alle recente
Belgische gevallen kwamen uit de provincie Namen. Het aantal gevallen van
psittacose in België neemt eveneens geleidelijk toe sinds 2010, met het optreden
van gegroepeerde gevallen in een familiale of beroepsmatige context.
De algemene trend van andere, in dit rapport beschreven, zoönosen is stabiel
of dalend. Zowel alveolaire als cystische echinococcose zijn zeldzaam in België
en niettegenstaande een stijgende bezorgdheid over de verspreiding van
Echinococcus multilocularis in Europa, wordt bij ons geen toename van de
ziekte gezien. Er werd ook geen toename opgemerkt van het aantal gevallen
van de kattenkrabziekte (Bartonella henselae) tussen 2013 en 2014, al ligt
het aantal gerapporteerde gevallen veel hoger in Wallonië dan in de rest van
het land. Het aantal gevallen van brucellose is eveneens stabiel; gevallen zijn
zeldzaam en voornamelijk gelinkt aan een blootstelling in het Middellandse
Zeegebied (Turkije, Italië). Het aantal gevallen van Q-koorts is ook laag, met
een daling van het aantal meldingen in 2013 en 2014 ten opzichte van de
voorgaande jaren.
S a m e n vat t i n g
Door veranderingen in het klimaat en de dichtheid van bepaalde dierlijke
reservoirs, vertonen sommige ziektes belangrijke jaarlijkse schommelingen. Zo
was 2014 een gunstig jaar voor de verspreiding van hantavirussen en vooral
voor leptospirose, waarvan het aantal gevallen in 2014 sterk toenam. Dergelijke
toename werd ook vastgesteld in andere Europese landen.
9
S a m e n vat t i n g
Als gevolg van o.a. de klimaatopwarming wordt er in Europa een opflakkering
van ziekten overgedragen door teken verwacht. Hoewel dit in sommige
landen al werd gerapporteerd, is dit in België nog niet waargenomen bij
de ziekten opgenomen in de surveillance. In 2013 en 2014 is het aantal
serologische tests voor Borrelia burgdorferi uitgevoerd door het netwerk van
peillaboratoria en het NRC sterk gestegen, waarschijnlijk ten gevolge van een
grotere belangstelling voor de ziekte van Lyme onder artsen en in de algemene
bevolking. Het aantal positieve resultaten is dan ook gestegen maar het
positiviteitspercentage is stabiel gebleven. Het aantal personen met een positief
serologisch resultaat voor Anaplasma phagocytophilum blijft globaal genomen
ook stabiel. Acute infecties met Anaplasma phagocytophilum worden zelden
gediagnosticeerd, maar dit aantal wordt waarschijnlijk onderschat door het
aspecifieke klinische beeld en het gebrek aan klinische informatie voor de
interpretatie van de laboratoriumresultaten. Het aantal gediagnosticeerde
gevallen van rickettsiose in België is eveneens stabiel en alle infecties gemeld
in 2013-2014 (met uitzondering van een mogelijk geval) zijn in het buitenland
opgelopen. Verder werd er in België tot op heden ook geen enkele autochtone
tekenencefalitisinfectie gerapporteerd, maar het TBEV-virus blijkt wel in
omloop te zijn bij dieren. De surveillance van ziekteverwekkers die potentieel
overdraagbaar zijn door een tekenbeet blijft dus belangrijk, zowel onder de
bevolking als onder de reservoirs en de teken. In juni 2015 heeft het WIVISP in België een website gelanceerd om de tekenbeten in kaart te brengen
(www.tekennet.be). Het beste middel in de strijd tegen ziekten die door teken
worden overgedragen, is het vermijden van tekenbeten in risicogebieden, vooral
van maart tot oktober, wanneer teken actief zijn.
10
Het aantal gevallen van leishmaniose (overgedragen door de zandvlieg) in België
is wisselend, met een licht stijgende tendens in de loop van de laatste jaren.
Dit stemt overeen met de wereldwijd sterke uitbreiding van de ziekte in de
afgelopen jaren. Alle gevallen in België zijn geïmporteerd, voornamelijk van het
Middellandse Zeegebied en Latijns-Amerika.
Tot nu toe blijven ook de ziekten overgedragen door muggen in België beperkt
tot geïmporteerde gevallen. In 2014 nam het aantal gediagnosticeerde
importgevallen van chikungunya in België sterk toe, naar aanleiding van een
epidemie in de Caraïben die nog steeds aan de gang is. Ook het aantal gevallen
van dengue in België vertoont een stijgende trend, omwille van een geografische
uitbreiding van de circulatie van het virus en een verhoogd aantal reizigers naar
endemische landen. Het aantal gevallen van malaria blijft algemeen stabiel,
met een predominantie van infecties met P. falciparum die in Afrika werden
opgelopen. Het aantal gerapporteerde gevallen van West-Nile koorts neemt toe
in Europa, onder meer door een actievere surveillance. In België werd tot nu
echter geen circulatie van het virus aangetoond, noch bij de mens, noch bij de
wilde fauna, vogels of bij paarden.
S a m e n vat t i n g
Hoewel er voor bepaalde ziekten sinds meerdere jaren geen gevallen werden
gedetecteerd, blijft de surveillance ervan noodzakelijk omwille van het risico op
import, de ernst van de ziekte en/of de internationale verplichting tot melding.
Sedert meer dan 5 jaar werd geen enkel verdacht geval van pest vastgesteld in
België, maar de ziekte is nog aanwezig in een aantal landen, waaronder vooral
Madagaskar. De voorbije jaren werden ook haarden van miltvuur (anthrax)
gerapporteerd in Europa bij intraveneuze druggebruikers na het gebruik van
besmette heroïne. In België werd echter geen geval meer vastgesteld sinds
2005. Het laatste geval van (geïmporteerde) hondsdolheid in België dateert van
1990, maar het risico op blootstelling in een endemisch land blijft bestaan.
11
1. WIJZE VAN SURVEILLANCE
Voor de epidemiologische surveillance van infectieziekten in België maakt het
Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid (WIV-ISP) gebruik van verschillende
surveillancesystemen.
Het eerste netwerk is het netwerk van peillaboratoria, dat sinds 1983 wordt
gecoördineerd door de dienst Epidemiologie van infectieziekten van het WIV-ISP.
Dit surveillancesysteem stoelt op een vrijwillige, onbezoldigde participatie van
de laboratoria en vertegenwoordigt 59% van alle laboratoria voor microbiologie
(ziekenhuis- of privélaboratoria) in België. Die laboratoria zijn verspreid over 33
van de 43 arrondissementen van het land en vertegenwoordigen naar schatting
50 tot 80% van alle laboratoriumdiagnoses in België. Het betreft een stabiel en
breed peilnetwerk dat de tendensen in de evolutie van de ziekte in België en
de regio’s volgt. Het betreft dus niet het totale aantal nieuwe gevallen dat zich
in de populatie heeft voorgedaan tijdens de vermelde periode, maar het aantal
nieuwe gevallen dat door de deelnemende laboratoria van het netwerk werd
gediagnosticeerd.
Het tweede, meer recente netwerk, is het netwerk van nationale
referentiecentra (NRC), dat in 2011 werd opgericht voor 40 pathogenen of
groepen van pathogenen [1]. Het betreft één of meer laboratoria (hoogstens
drie) per pathogeen of groep van pathogenen die worden aangeduid volgens
een procedure beschreven in het Koninklijk Besluit van 9/2/2011 [2]. Dat KB
bepaalt ook het juridische en financiële kader waarin de NRC moeten werken.
Hun belangrijkste functie bestaat uit de diagnose van bepaalde pathogenen
en de diagnostische bevestiging door karakterisering van de stammen die
door laboratoria voor medische biologie worden verstuurd. Ze voeren onder
meer een serotypering uit en evalueren mogelijke bacteriële resistentie
tegen antibiotica. Ze volgen de evolutie van de microbiologische kenmerken,
signaleren abnormale verschijnselen zoals het (opnieuw) opduiken van ziekten
of het verschijnen van gegroepeerde gevallen en dragen zo ook bij tot de
epidemiologische surveillance.
Het derde netwerk is het netwerk van referentielaboratoria (RL) die
gespecialiseerd zijn in de diagnose van een bepaald pathogeen (één
laboratorium = één pathogeen). Dat netwerk bevestigt de diagnose van stalen
1 . W I J Z E VAN SURVEILLANCE
De gegevens voor de zoönosen en vectoroverdraagbare ziekten die in dit
rapport worden besproken, zijn afkomstig van drie netwerken van laboratoria
voor microbiologie, die systematisch informatie over de laboratoriumdiagnose
van de belangrijkste pathogenen doorgeven. Wanneer relevant, werden de
gegevens aangevuld met informatie bekomen via de verplichte melding van
infectieziekten in de drie regio’s.
13
die worden verstuurd door andere laboratoria voor microbiologie, en voert
aanvullende onderzoeken uit zoals typering van stammen en/of onderzoek
van de resistentie tegen antibiotica. Het netwerk van referentielaboratoria
functioneert volgens hetzelfde principe als de NRC, maar hun rol en taken
zijn niet vastgelegd door een Koninklijk Besluit en het betreft een vrijwillige
deelname. De referentielaboratoria dekken pathogenen die niet op de lijst van
de NRC staan.
Deze drie netwerken werken nauw samen en worden gecoördineerd door de
dienst Epidemiologie van infectieziekten, Operationele directie Volksgezondheid
en surveillance van het WIV-ISP.
Verder moeten een aantal infectieziekten via de verplichte melding (VM)
aangegeven worden aan de bevoegde diensten: de arts infectieziektebestrijding
van het Agentschap Zorg en Gezondheid in Vlaanderen, de inspectie voor
hygiëne van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest of de dienst surveillance
van infectieziekten van de Federatie Wallonië-Brussel voor Wallonië (zie
contactgegevens in bijlage 1).
1 . W I J Z E VAN SURVEILLANCE
Een overzicht van de meldingsplichtige zoönosen en aandoeningen die worden
overgedragen door vectoren per gewest wordt weergegeven in onderstaande
tabel.
14
Tabel 1 | Verplichte melding per regio
Pathogeen
Anaplasma
phagocytophilum
Bacillus anthracis
Bartonella
Borrelia burgdorferi
Brucella spp.
Chlamydia psittaci
Chikungunyavirus
Ziekte
Anaplasmose
Miltvuur (Anthrax)
Bartonellose
Ziekte van Lyme
Brucellose
Psittacose
Chikungunya
Vlaanderen
-
Wallonië
-
Brussel
-
-
-
-
Autochtoon geval
Coxiella burnetii
Denguevirus
Q-koorts
Dengue
Echinococcus spp.
Francisella tularensis
Hantavirus spp.
Leishmania spp.
Leptospira spp.
Plasmodium spp.
Echinococcose
Tularemie
Hantavirose
Leishmaniose
Leptospirose
Malaria
Rabiesvirus
Rickettsia
TBEV
West-Nile virus
-
-
-
-
Autochtoon geval
Autochtoon geval
Autochtoon geval
Hondsdolheid
Rickettsiose
Tekenencefalitis
West-Nile virus
Autochtoon geval
infectie
Yersinia pestis
Pest
* De bevoegdheden van de Federatie Wallonië-Brussel zijn vanaf 04/01/2016 opgenomen binnen
het «Agence pour une Vie de Qualité (AVIQ)»
1 . W I J Z E VA N S U R V E I L L A N C E
Autochtoon geval
-
15
Voor dit rapport werd de informatiebron gekozen op basis van de beschikbaarheid
van de gegevens. Tabel 2 geeft de gebruikte bron weer per pathogeen.
Tabel 2 | Gegevensbronnen voor de verschillende pathogenen
Zoönosen
1 . W I J Z E VAN SURVEILLANCE
Ziekten die worden
overgedragen door
teken
16
Vector­
overdraagbare
ziekten
Ziekten die worden
overgedragen door
muggen
Ziekten die worden
overgedragen door
andere vectoren
Pathogeen agens
Bacillus anthracis
Bartonella henselae
Brucella spp.
Chlamydia psittaci
Coxiella burnetii
Echinococcus spp.
Francisella tularensis
Hantavirus spp.
Leptospira interrogans
Rabiesvirus
Anaplasma phagocytophilum
Borrelia burgdorferi
Tick-borne encephalitisvirus (TBEV)
Chikungunyavirus
Denguevirus
Plasmodium spp.
West-Nile virus
Leishmania spp.
Rickettsia spp.
Yersinia pestis
Gegevensbron
RL
RL/Peillaboratoria
NRC/VM
Peillaboratoria/VM
NRC/VM
RL
RL/VM
NRC/Peillaboratoria
RL/VM
NRC/VM
NRC/VM
Peillaboratoria/NRC
NRC
NRC/Peillaboratoria/VM
NRC/VM
RL/Peillaboratoria/VM
NRC/VM
RL
NRC
RL/VM
Referenties
1. Muyldermans G, Litzroth A, Ducoffre G, Quoilin S. Medical-Technical Advisory Board.
Establishment and reinforcement of the national reference centers for human microbiology
in Belgium. Arch Public Health. 2012 Jun 22;70(1):16.
2. Koninklijk besluit tot vaststelling van de financieringsvoorwaarden van de referentiecentra
voor humane microbiologie, 09/02/2011, Belgisch Staatsblad (2011). Beschikbaar via:
http://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&caller=summary&pub_
date=11-03-01&numac=2011022071
2. ZOÖNOSEN
Miltvuur (Bacillus anthracis)
J. Rebolledo, P. Wattiau
Hoofdpunten
• In België werd er sinds 2005 geen enkel geval van miltvuur meer vastgesteld.
• In enkele Europese landen (Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, Duitsland) zijn er
gegroepeerde gevallen geïdentificeerd na het gebruik van besmette heroïne
afkomstig uit Afghanistan.
Miltvuur (anthrax) is een bacteriële zoönose veroorzaakt door de Bacillus anthracis.
De besmetting gebeurt doorgaans via bevuilde producten van dierlijke oorsprong
afkomstig uit landen in Azië of Afrika waar de ziekte endemisch is [1]. Er zijn
tevens zeldzame gevallen van overdracht door het gebruik van injecteerbare drugs
gerapporteerd [2].
Het ziektebeeld bij de mens is afhankelijk van de wijze van besmetting: de cutane
vorm treedt op na rechtstreeks contact met besmette dieren, de gastro-intestinale
vorm na het eten van besmet vlees en de pulmonale vorm na inademing van de
bacterie. De letaliteit is onder meer afhankelijk van de snelle aanvang van een
adequate behandeling. Zonder behandeling loopt de letaliteit op tot meer dan 95%
bij de pulmonale vorm, tot ongeveer 40% bij de gastro-intestinale vorm en tot 10 à
20% bij de cutane vorm.
In de geïndustrialiseerde landen is de ziekte zeldzaam geworden maar kunnen
er plaatselijke opflakkeringen optreden. Miltvuur is vooral een beroepsziekte. De
meeste gevallen treden op bij mensen die werken met wol, dierlijk haar en leer,
alsook bij veeartsen, kwekers, werknemers van slachthuizen enz.
2. Zoönosen
Inleiding
Methode
17
Anthrax is in België een ziekte die verplicht gemeld moet worden. De bevestiging
van de diagnose gebeurt door middel van isolatie en identificatie van het
pathogeen agens in het referentielaboratorium van het Centrum voor Onderzoek in
Diergeneeskunde en Agrochemie (CODA-CERVA).
Resultaten
Het referentielaboratorium heeft de afgelopen 9 jaar (2006-2014) geen enkel
geval van miltvuur bevestigd. Ook voordien kwamen humane gevallen in België
uitzonderlijk voor en het betrof bijna uitsluitend importgevallen. Het laatste
gerapporteerde geval, in 2005, was een geval van cutaan miltvuur bij een Belg
die was teruggekeerd van een reis in Botswana [3]. Het laatste dierlijke geval van
miltvuur, in 1988, betrof een koe die dood werd teruggevonden. Toch is tijdens
een studie in België op meerdere plaatsen in een fabriek waar dierlijke vezels
worden verwerkt (stoffilter, afvalwater, geitenhaar) B. anthracis geïsoleerd [1]. Een
tweede studie bracht aan het licht dat werknemers van deze fabriek antistoffen
voor B. anthracis vertoonden, wat de blootstelling aan het verantwoordelijke agens
bevestigde, ondanks de afwezigheid van klinische verschijnselen [4,5].
2. Zoönosen
Bespreking
18
Miltvuur is in hoofdzaak een beroepsziekte maar de meeste gevallen die de
afgelopen jaren in Europa zijn gerapporteerd, hadden te maken met het gebruik
van injecteerbare drugs. In 2002 zijn in Noorwegen voor het eerst gevallen van
miltvuur beschreven bij intraveneuze druggebruikers na het gebruik van besmette
heroïne. Daarna, tussen 2009 en 2010, werden nieuwe gevallen vastgesteld
bij heroïneverslaafden in het Verenigd Koninkrijk (52 gevallen) en in Duitsland
(3 gevallen). In 2012 is het aantal gevallen plotseling gestegen met in totaal 13
meldingen in Denemarken, Duitsland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk [6,7,8].
Bij de moleculaire typering van de isolaten van de gevallen gerapporteerd in de
laatste drie landen werd één enkele stam van Bacillus anthracis geïdentificeerd.
Dit toont een verband aan tussen de verschillende epidemieën in Europa, die
allemaal te maken hebben met het gebruik van heroïne afkomstig uit Afghanistan
[9]. De studie heeft ook aan het licht gebracht dat hoogstwaarschijnlijk één unieke
bron de heroïne heeft besmet. De verschillende epidemieën zouden dus worden
toegeschreven aan een betere opsporing van de gevallen dankzij de surveillance
en de toegenomen bewustmaking van deze bevolking of aan het intermitterend in
omloop zijn van besmette heroïne op de markt [2,9].
De surveillance van miltvuur is noodzakelijk, in het bijzonder voor werknemers
blootgesteld tijdens de uitoefening van hun beroep (professionelen op het gebied
van wol, dierlijk haar, leer alsook veeartsen, kwekers, werknemers van slachthuizen
enz.) en voor intraveneuze druggebruikers.
Referenties
1. Wattiau P, Klee SR, Fretin D, Van Hessche M, Ménart M, Franz T et al. Occurrence and
genetic diversity of Bacillus anthracis strains isolated in an active wool-cleaning factory. Appl
Environ Microbiol. 2008 Jul; 74(13):4005-11.
2. Grunow R, Klee R, Beyer W, George M, Grunow D, Barduhn A et al. Anthrax among heroin
users in Europe possibly caused by same bacillus anthracis strain since 2000. EuroSurveillance
2013; 18(13):pii=20437.
3. Van den Enden E, De Schrijver K, Van Esbroeck M, Maes I, Van Gompel F. Cutane antrhax
na een verblijf in Botswana. Vlaams Infectieziektenbulletin. 2005, 53/2005/3. Beschikbaar
via:
http://www.infectieziektebulletin.be/defaultSubsite.aspx?id=9792&terms=anthrax#.
Vnv15q10ypo
4. Wattiau P, Govaerts M, Frangoulidis D, Fretin D, Kissling E, Van Hessche M et al.
Immunologic response of unvaccinated workers exposed to anthrax, Belgium. Emerg Infect
Dis. 2009 Oct; 15(10):1637-40.
5. Kissling E, Wattiau P, China B, Poncin M, Fretin D, Pirenne Y et al. B. anthracis in a
wool-processing factory: seroprevalence and occupational risk. Epidemiol Infect. 2012
May;140(5):879-86.
6. European Centre for Disease Prevention and Control (ECDC). Joint ECDC and EMCDDA
Rapid Risk Assessment. Anthrax cases among injecting drug users Germany, 22 June 2012.
Beschikbaar op: http://ecdc.europa.eu/en/publications/Publications/120622_TER_Anthrax_
IDU_Germany.pdf
7. European Centre for Disease Prevention and Control (ECDC). Annual Epidemiological
Report 2012. Beschikbaar op: http://ecdc.europa.eu/en/publications/Publications/AnnualEpidemiological-Report-2012.pdf
8. Public Health England. Department for Environment, Food and Rural Affairs. Annual
Zoonoses Report. United Kingdom 2012. Beschikbaar op: https://www.gov.uk/government/
uploads/system/uploads/attachment_data/file/236983/pb13987-zoonoses-report-2012.pdf
2. Zoönosen
9. Price EP, Seymour M, Sarovich D, Latham J, Wolken S et al. Molecular epidemiologic
investigation of an anthrax outbreak among heroin users, Europe. Emerg Infect Dis. 2012;
18(8):1307-13.
19
Bartonellose (Bartonella henselae)
A. Litzroth, B. Kabamba-Mukadi
Hoofdpunten
• In 2013 en 2014 werden respectievelijk 704 en 674 gevallen van kattenkrabziekte
gerapporteerd in België.
• De jaarlijkse incidentie in Wallonië (11,4 gevallen per 100.000 inwoners in
2013 en 10,1 gevallen per 100.000 inwoners in 2014) was 3 keer hoger dan in
Vlaanderen en ongeveer 2 keer hoger dan in Brussel.
2. Zoönosen
• Vooral kinderen en jongvolwassenen raken geïnfecteerd.
20
De kattenkrabziekte (‘cat scratch disease’) is een infectieziekte bij de mens die
al meer dan 70 jaar bekend is. De mens wordt besmet door een beet of het
krabben van een kat, of door in de ogen te wrijven na het strelen van een kat.
Ook infectie door een beet van een geïnfecteerde teek of vlo kan niet worden
uitgesloten. Dit zou gevallen van kattenkrabziekte kunnen verklaren bij mensen
die zich niet herinneren gekrabd of gebeten te zijn door een kat. De rol van
honden bij de overdracht van de ziekte is nog niet duidelijk, maar mogelijk
vormen zij ook een blootstellingsrisico [1-3].
De ziekte veroorzaakt in 50% van de gevallen een huidletseltje (eerst een papel,
daarna een blaasje en vervolgens een ulcus) op de plaats van inoculatie. De
patiënt vertoont vervolgens lichte koorts en adenopathieën. Verder komen
ook vaak hoofdpijn, keelpijn, conjunctivitis, malaise, anorexie en rillingen
voor. In 5-10% van de gevallen treden atypische verschijnselen op zoals het
oculoganglionaire syndroom van Parinaud (periauriculaire adenopathie en
palpebrale conjunctivitis). Geïnfecteerde patiënten kunnen ook een meningitis,
encefalitis, osteolytische letsels en trombocytopenische purpura ontwikkelen
[4].
Methode
Bartonellose is geen meldingsplichtige ziekte in België. Surveillancegegevens
zijn afkomstig van het referentielaboratorium van de Cliniques Universitaires St
Luc - UCL.
We beschrijven hier alle gevallen die met een positieve serologische of
moleculaire test werden gediagnosticeerd.
De gebruikte serologische test is de indirecte immunofluorescentie voor detectie
van IgG- en IgM-antistoffen tegen Bartonella henselae in het serum. De
serologische screening wordt uitgevoerd met een verdunning van 1/320 voor
opsporing van IgG-antistoffen tegen Bartonella. Als de screening positief is,
wordt het staal verder apart getitreerd voor IgG (1/320, 1/640 en 1/1280) en
IgM (1/100).
Voor 2013-2014 werden de volgende cut off waarden gebruikt voor serologie:
• Een IgG-titer van 1/320 met of zonder IgM is een onduidelijk resultaat,
dit kan een oude infectie zijn, maar ook een zeer recente infectie. Deze
resultaten worden als “twijfelachtig” beschouwd en een controleserologie is
nodig.
• Een IgG-titer van 1/640 met of zonder IgM OF een IgG-titer ≥ 1/1280 zonder
IgM weerspiegelen een vermoedelijke recente infectie.
• Een IgG-titer ≥ 1/1280 met IgM weerspiegelt een recente infectie.
Zonder klinische gegevens en informatie over een mogelijke blootstelling, is de
bevestiging van bartonellose via serologie moeilijk.
De gebruikte moleculaire test is een PCR gericht tegen het RNA polymerase betasubunit gen (rpoB), hoofdzakelijk op stalen verkregen door lymfeklierpunctie
of -biopsie, gevolgd door een sequencing om het species te bepalen. Stalen
positief met PCR wijzen op een recente infectie.
Omdat voor 2011-2012 andere criteria werden gebruikt voor de classificatie van
de stalen en de rapportering van positieve gevallen, is het niet mogelijk om de
gegevens van 2013-2014 met deze van 2011-2012 te vergelijken.
Sinds 2014 is Bartonella henselae ogenomen in de lijst van pathogenen te
rapporteren door het peillaboratorianetwerk. Het aantal gerapporteerde
gevallen voor 2014 wordt ook weergegeven in dit rapport.
Resultaten
Tabel 1 | Distributie van gerapporteerde gevallen van kattenkrabziekte per
classificatie, België, 2013-2014
(Bron: referentielaboratorium voor Bartonella henselae)
Classificatie
Jaar
2013
2014
Twijfelachtig
resultaat
(%)
220 (31)
208 (31)
Vermoedelijke
recente infectie
(%)
224 (35)
185 (27)
Recente infectie
(%)
Totaal
240 (34)
281 (42)
704
674
2. Zoönosen
In 2013 en 2014 rapporteerde het referentielaboratorium respectievelijk 704
en 674 gevallen van Bartonella henselae. De verdeling per classificatie wordt
weergegeven in Tabel 1.
21
Zowel in 2013 als in 2014 was de incidentie in Wallonië ongeveer 3 keer hoger
dan in Vlaanderen en 2 keer hoger dan in Brussel (Tabel 2). De provincie met
de hoogste jaarlijkse incidentie was Henegouwen (16,6 gevallen per 100.000
inwoners voor zowel 2013 als 2014).
Tabel 2 | Incidentie van gerapporteerde gevallen van kattenkrabziekte per
100.000 inwoners per provincie en per jaar, België, 2013-2014
(Bron: referentielaboratorium voor Bartonella henselae)
2. Zoönosen
Provincie/Regio
22
Brussels hoofdstedelijk gewest
Antwerpen
Vlaams-Brabant
Limburg
Oost-Vlaanderen
West-Vlaanderen
Vlaanderen
Waals-Brabant
Henegouwen
Luik
Luxemburg
Namen
Wallonië
Totaal
Incidentie van Bartonnella henselae infecties
per 100.000 inwoners
2013
2014
4,2
2,1
5,6
1,8
4,0
4,5
3,5
9,8
16,6
5,0
10,5
13,5
11,4
6,1
4,8
2,1
5,7
1,8
4,2
4,8
3,6
12,4
16,6
2,5
4,4
11,0
10,1
5,8
Zowel in 2013 als in 2014 werden meer mannen dan vrouwen gediagnosticeerd
met kattenkrabziekte. De man-vrouwverhouding bedroeg respectievelijk 1,1 en
1,3.
De gemiddelde leeftijd van de gevallen van bartonellose in 2013 en 2014 was 28
jaar (spreiding 1-91). De meeste gevallen werden gediagnosticeerd bij kinderen
en jongvolwassenen (Figuur 1).
Figuur 1 | Distributie van gerapporteerde gevallen van kattenkrabziekte
per leeftijdsgroep, België, 2013-2014
(Bron: referentielaboratorium voor Bartonella henselae)
Number of cases
160
140
2013
120
2014
100
80
60
40
20
0
0-9
10-19 20-29 30-39 40-49 50-59 60-69 70-79 80-89
Age group (years)
Figuur 2 | Distributie van gerapporteerde gevallen van kattenkrabziekte
per maand, België, 2013-2014
(Bron: referentielaboratorium voor Bartonella henselae)
Number of cases
100
90
2013
80
2014
70
23
60
50
40
30
20
10
0
2. Zoönosen
Zowel in 2013 als in 2014 werden het ganse jaar door gevallen gediagnosticeerd.
In de zomermaanden ligt het aantal wel beduidend lager (Figuur 2).
Via het peillaboratorianetwerk werden in 2014 slechts 35 gevallen gerapporteerd.
Jan Feb Mar Apr May Jun
Jul Aug Sep Oct Nov Dec
2. Zoönosen
Bespreking
24
Omdat voor 2011-2012 andere criteria werden gebruikt voor de interpretatie
en classificatie van de positieve resultaten, is het niet met zekerheid te zeggen
of de stijgende trend van aantal gevallen van kattenkrabziekte die in 2012 werd
gedetecteerd [5], zich heeft verder gezet. Wel kunnen we zeggen dat er geen
stijging in het aantal gevallen was tussen 2013 en 2014.
De jaarlijkse gerapporteerde incidentie, in beide jaren van ongeveer 6 gevallen
per 100.000 inwoners, benadert de incidentie in de Verenigde Staten (9
per 100.000 inwoners) [6]. In Europa zijn weinig gegevens bekend over de
incidentie. In Nederland is de incidentie van gerapporteerde gevallen meer dan
2 per 100.000 inwoners per jaar, maar vermoed wordt dat het werkelijke aantal
veel hoger ligt [7]. In Valencia, Spanje, werd de jaarlijkse incidentie dan weer op
minder dan 0,1 per 100.000 inwoners geschat [8].
In België is er een duidelijk verschil in incidentie tussen de verschillende regio’s.
De jaarlijkse incidentie in Wallonië ligt 3 keer hoger dan in Vlaanderen en
ongeveer 2 keer hoger dan in Brussel. Verklaringen hiervoor zijn er momenteel
niet. De vaststelling werd aan dienst surveillance van infectieziekten van de
Federatie Wallonië-Brussel meegedeeld.
In 2013 en 2014 zagen we duidelijk dat het aantal gevallen van kattenkrabziekte
afneemt met de leeftijd, de meeste gevallen worden bij kinderen en jong
volwassenen vastgesteld. Dit is in overeenstemming met wat studies hebben
aangetoond [6, 8, 9]. Mannen raken iets vaker besmet dan vrouwen.
Ook de seizoensgebondenheid van het voorkomen van de kattenkrabziekte,
met name het lage aantal gevallen in de zomermaanden, is beschreven in de
literatuur. Dit kan worden verklaard door seizonaliteit in het voortplantingsproces
bij katten, de vlooienactiviteit en het feit dat katten in de zomermaanden meer
buiten zijn [10].
Vanaf 2014 is Bartonella henselae opgenomen in het peillaboratorianetwerk
en vanaf 2015 is het referentielaboratorium officieel aangeduid als NRC. Deze
standardisering van de rapportering zal de epidemiologische opvolging van
kattenkrabziekte in België verbeteren.
Referenties
1. Chomel B, Boulouis H, Maruyama S, Breitschwerdts E. Bartonella spp. in pets and effect on
human health. Emerging Infectious Diseases. March 2006. Vol. 12 (3):389-394.
2. Chomel B, Kasten R. Bartonellosis, an increasingly recognized zoonosis. Journal of Applied
Microbiology. 2010;109:743–750.
3. Keret D, Giladi M, Kletter Y, Wientroub S. Cat-scratch disease osteomyelitis from a dog
scratch. J. Bone Joint Surg. 1998. 80:766–767.
4. Florin TA, Zaoutis TE, Zaoutis LB. Beyond cat scratch disease: widening spectrum of
Bartonella henselae. Pediatrics. 2008;121:e1413–25.
5. Wetenschappelijk instituut volksgezondheid (WIV-ISP). Zoönosen en vectoroverdraagbare
ziekten. Epidemiologische surveillance in Vlaanderen, Wallonië, het Brussels Hoofdstedelijk
Gewest en België, 2011 en 2012. Beschikbaar via: https://epidemio.wiv-isp.be/ID/reports/
Zo%C3%B6nosen%20en%20vectoroverdraagbare%20ziekten.%20Jaarrapport%20
2011%20en%202012.pdf
6. Jackson LA, Perkins BA, Wenger JD. Cat scratch disease in the United States: an analysis of
three national databases. Am J Public Health. 1993;83(12):1707-11.
7. Rijksinstituut voor volksgezondheid en milieu (RIVM). LCI richtlijn Bartonella henselaeinfectie. 2011. Beschikbaar via: http://www.rivm.nl/Documenten_en_publicaties/
Professioneel_Praktisch/Richtlijnen/Infectieziekten/LCI_richtlijnen/LCI_richtlijn_Bartonella_
henselae_infectie#verspreiding
8. Fernández-Arias C, Borrás-Máñez M, Colomina-Rodríguez J, Cuenca-Torres M, GuerreroEspejo A. Incidence of Bartonella henselae Infection during the period 2009-2012 in the
Valencian Community, Spain. Rev. Esp. Salud Publica. 2015; 89(2).
9. Reynolds MG, Holman RC, Curns AT, O’Reilly M, McQuiston JH, Steiner CA. Epidemiology of
cat-scratch disease hospitalizations among children in the United States. Pediatr Infect Dis J.
2005;24(8):700-4.
2. Zoönosen
10. Sanguinetti-Morelli D, Angelakis E, Richet H, Davoust B, Rolain JM, Raoult D. Seasonality of
Cat-Scratch Disease, France, 1999–2009. Emerging Infectious Diseases. 2011;17(4): 705707.
25
Brucellose (Brucella spp.)
T. Lernout, M. Mori
Hoofdpunten
• Het aantal gevallen van brucellose in België is laag, met respectievelijk 1 en 3
bevestigde gevallen in 2013 en 2014.
• Sinds 2012 werd er geen autochtone infectie bij de mens gemeld.
• De ziekte blijft wel endemisch in het Middellandse Zeegebied (Turkije, Griekenland,
Portugal, Spanje, Italië), waar Belgen vaak op vakantie gaan.
2. Zoönosen
Inleiding
26
Brucellose is een wereldwijd verspreide zoönose die wordt veroorzaakt door
een bacterie van het genus Brucella, waarvan voornamelijk 4 species pathogeen
zijn voor de mens: Brucella melitensis (Maltakoorts of mediterrane brucellose),
Brucella suis (varkensbrucellose), Brucella abortus (veroorzaker van de ziekte
van Bang) en Brucella canis (hondenbrucellose) [1]. De eerste 3 species worden
onderverdeeld in biovars. Het belangrijkste reservoir voor B. melitensis en
B. abortus bestaat uit vee. De mens wordt besmet via: 1) direct contact (via
de beschadigde huid of mucosa) met zieke dieren of besmette producten
(afgedreven vruchten, karkassen, mest); 2) eten van besmette producten (niet
gepasteuriseerde melk en melkproducten); 3) inademen van besmette aerosols
(mest, slachthuizen,…).
De incubatietijd van brucellose is zeer wisselend en kan gaan tot enkele
maanden. Bij een symptomatische infectie (10% van de infecties) is het begin
meestal sluipend, met koorts (soms verlopend in golven) en griepachtige
symptomen. De ziekte kan vervolgens evolueren tot een systemische aantasting
van verschillende organen (verschijnselen ter hoogte van de gewrichten,
meningitis, endocarditis…). Sommige patiënten ontwikkelen een chronische
vorm met algemene malaise en gewichtsverlies, die enkele jaren kan duren.
Sterfte door de ziekte is laag (<1%).
Brucellose wordt beschouwd als een beroepsziekte voor mensen die werken
met dieren (veehouders, dierenartsen, veevervoerders,…).
België werd in 2003 vrij van brucellose bij runderen, schapen en varkens
verklaard, maar sindsdien kwamen uitbraken van runderbrucellose voor in
landbouwbedrijven, onder meer in de provincie Namen in 2012. De infectie is
ook endemisch aanwezig in everzwijnen [1].
Methode
Brucellose is een ziekte die in Vlaanderen en Wallonië moet worden aangegeven,
maar niet in Brussel. De epidemiologische surveillance baseert zich voornamelijk
op gegevens van het NRC, dat bestaat uit het Centrum voor Onderzoek in
Diergeneeskunde en Agrochemie (CODA-CERVA) en het Instituut voor Tropische
Geneeskunde (ITG).
De diagnose van brucellose is complex. Een bevestigd geval moet beantwoorden
aan de klinische criteria en één van beide laboratoriumcriteria: isolatie van de
kiem (bij het begin van de ziekte) of een positieve serologische test (test van
Wright, Rose Bengal, Elisa) [2]. Een infectie is waarschijnlijk als een individu een
passend klinisch beeld vertoont en een epidemiologische link heeft (blootstelling
aan een ziek dier of besmet voedsel/dierlijke producten, of blootstelling aan een
gemeenschappelijke bron van infectie).
Resultaten
In 2013 en 2014 rapporteerde het NRC respectievelijk 2 waarschijnlijke gevallen
en 2 bevestigde gevallen van brucellose bij de mens (Figuur 1). Voor de periode
van 1996 tot 2012 schommelde het aantal gerapporteerde gevallen tussen 0 en
8 per jaar.
Figuur 1 | Aantal gerapporteerde waarschijnlijke en bevestigde gevallen
van brucellose per jaar, België, 2011-2014
(Bron: NRC voor Brucella spp.)
7
Probable
6
Confirmed
5
4
3
2
1
0
2011
2012
2013
2014
Eén van de gevallen bevestigd door het NRC in 2014 werd ook gerapporteerd
via de verplichte melding in Vlaanderen. Het tweede geval woonde in Brussel
en werd dus niet aangegeven. Verder werden er in Vlaanderen beide jaren
drie bijkomende gevallen geregistreerd, waarvan één bevestigd en twee
waarschijnlijke gevallen in 2013 en drie waarschijnlijke gevallen in 2014. Voor
de periode 2013-2014 waren er via de verplichte melding in Wallonië geen
gevallen.
Alle infecties (bevestigde of waarschijnlijke) traden op bij volwassenen (mediane
leeftijd 34 jaar, spreiding 19-75 jaar) en de man-vrouwverhouding was 0.8.
2. Zoönosen
Number of cases
8
27
Brucella melitensis biovar 3 werd geïsoleerd bij één van de bevestigde gevallen
in 2014. Het ging om een persoon die waarschijnlijk besmet werd in Turkije,
maar een besmetting tijdens het uitoefenen van zijn beroep (laborant) kan niet
worden uitgesloten. Voor de tweede patiënt, die ook had gereisd naar Turkije,
werd de stam niet verzonden naar het NRC en kon het species niet bepaald
worden.
De patiënt met bevestigde brucellose die via de verplichte melding in Vlaanderen
werd gerapporteerd in 2013 had gereisd in Italië.
De drie bevestigde gevallen werden gediagnosticeerd in de maanden september
en oktober, wat overeenstemt met de periode na terugkeer uit vakantie in het
buitenland.
2. Zoönosen
Bespreking
28
Het aantal gerapporteerde gevallen van brucellose bij de mens in België is
zeer laag. Buiten een aantal autochtone gevallen in 2012, worden infecties
voornamelijk opgelopen tijdens een verblijf in endemische gebieden. Het aantal
gevallen wordt waarschijnlijk wel onderschat omwille van de weinig specifieke
en zeer verscheiden klinische symptomen.
Om de status van «brucellosevrij» in België te behouden, heeft het
Federaal Agentschap voor de veiligheid van de voedselketen (FAVV) een
surveillanceprogramma opgestart, dat zich baseert op een bacteriologisch
onderzoek van abortussen, willekeurige screening van veestapels in de
winter, controle van geïmporteerde runderen uit landen die niet vrij zijn van
runderbrucellose en actieve monitoring bij schapen. In januari 2013 werd een
nieuw geval van brucellose vastgesteld op een melkveebedrijf in de provincie
Namen, dat gelinkt was aan de cluster van runderbrucellose in de regio in 2012
[3]. Sindsdien werden er geen gevallen meer gemeld van brucellose bij dieren in
België.
In 2012 hebben 27 Europese landen in totaal 376 bevestigde humane gevallen
van brucellose gemeld, met een incidentie van minder dan 0.1 gevallen per
100.000 inwoners [4]. In tegenstelling tot de gegevens in België in 2013-2014,
werden mannen tweemaal meer getroffen dan vrouwen, omdat professionele
activiteiten met een verhoogd risico in endemische landen voornamelijk door
mannen worden uitgevoerd. Globaal gezien daalt de gerapporteerde incidentie
in Europa sinds 2008. Griekenland, Spanje, Italië en Portugal, landen die tot
de favoriete vakantiebestemmingen van de Belgen behoren, hebben de meeste
gevallen gemeld in 2012 (73% van het totaal) [4]. In Turkije, waar een nieuw
plan voor de bestrijding en uitroeiing van brucellose werd gelanceerd in 2009,
lijkt de incidentie van humane brucellose te zijn afgenomen in sommige
gebieden [5]. De ziekte blijft er echter een probleem voor de volksgezondheid
[6]. Het is dus belangrijk om reizigers naar endemische landen te informeren
over de ziekte.
Referenties
1. Grégoire F, Mousset B, Hanrez D, Michaux C, Walravens K, Linden A. A serological and
bacteriological survey of brucellosis in wild boar (Sus scrofa) in Belgium. BMC Vet Res. 2012
Jun 18;8:80.
2. Europese Commissie. Gevalsdefinities voor het melden van overdraagbare ziekten. Besluit
No 2012/506/EU. Brucellose. Beschikbaar via: http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/
TXT/PDF/?uri=CELEX:32012D0506&qid=1428573336660&from=EN#page=7
3. Federaal Agentschap voor de veiligheid van de voedselketen (FAVV). Brucellose. Beschikbaar
via: http://www.afsca.be/dierengezondheid/brucellose/
4. European Centre for Disease Prevention and Control (ECDC). Surveillance report. Annual
epidemiological report food- and waterborne diseases and zoonoses in 2012. Beschikbaar
via: http://ecdc.europa.eu/en/publications/Publications/food-waterborne-diseases-annualepidemiological-report-2014.pdf
5. S Gül, ÖK Satilmiş, B Ozturk, Mİ Gökçe, F Kuscu. Seroprevalence of Brucellosis among
Children in the Middle Anatolia Region of Turkey. J Health Popul Nutr. 2014 Dec; 32(4):
577–579.
2. Zoönosen
6. Yumuk Z, O’Callaghan D. Brucellosis in Turkey–an overview. Int J Infect Dis. 2012;16:e228–
35.
29
Psittacose (Chlamydia psittaci)
D. Van Beckhoven, D. Vanrompay
Hoofdpunten
• In 2013 en 2014 werden er respectievelijk 20 en 22 gevallen van psittacose
geregistreerd. Het jaarlijks aantal gerapporteerde gevallen blijft laag.
• Enkele gevallen kwamen samen voor, in een gezin of bij blootgestelde werknemers
in een dierenpark en -asiel.
• Psittacose is hoogstwaarschijnlijk ondergediagnosticeerd in België.
• Het is aanbevolen om het blootgestelde publiek en gezondheidswerkers over
psittacose te informeren.
Inleiding
2. Zoönosen
Chlamydia psittaci is een gramnegatieve bacterie die van vogels op mensen
wordt overgedragen door inhalatie van besmet stof. Het klinisch beeld kan gaan
van een asymptomatische infectie over een atypische pneumonie, de meest
suggestieve vorm van de infectie, tot systemische symptomen die tot de dood
kunnen leiden. Zonder behandeling loopt de sterfte op tot 10 à 20%, met een
antibioticabehandeling ligt de sterfte lager dan 1% [1].
Psittacose is relatief onbekend, ruim ondergediagnosticeerd en onder­
gerapporteerd [2]. Het is een wereldwijd verspreide zoönose die vaak verband
houdt met een beroepsmatige blootstelling (vogelkwekers, dierenartsen,
arbeiders in een slachthuis voor gevogelte,…) of met vrijetijdsbestedingen
(eigenaars van papegaaiachtigen, duivenliefhebbers, bezoekers van vogelshows
en -beurzen,…). De ziekte komt sporadisch of in kleine epidemieën voor (bv.
tijdens vogelshows) [3].
30
Methode
In België is psittacose een meldingsplichtige ziekte. De resultaten in dit rapport
voor de jaren 2013 en 2014 zijn afkomstig van twee bronnen: de rapportering
door het netwerk van peillaboratoria en de meldingsplicht in de drie regio’s.
De analysen van de trends zijn beperkt tot de gegevens gerapporteerd door de
peillaboratoria.
Resultaten
In 2013 en 2014 werden respectievelijk 21 en 22 gevallen van psittacose
gerapporteerd, waarvan in totaal 25 via de peillaboratoria en 23 via de
meldingsplicht; 5 gevallen werden door beide bronnen gerapporteerd.
Figuur 1 toont de evolutie van het jaarlijks aantal gevallen gerapporteerd door
de peillaboratoria sinds 1998. Vanaf 2010 wordt een regelmatige toename van
de gevallen vastgesteld maar het jaarlijks aantal gerapporteerde gevallen blijft
laag.
Figuur 1 | Aantal gerapporteerde gevallen van psittacose per jaar,
België, 1998-2014
(Bron: netwerk van peillaboratoria)
40
35
Number of cases
30
25
20
15
10
5
De verdeling van de gevallen volgens geslacht is in 2013 en 2014 verschillend,
met een man-vrouwverhouding van 0,6 in 2013 en 3,2 in 2014. In de voorgaande
10 jaar (2003-2012) bedroeg de man-vrouwverhouding 1,4. De mediane leeftijd
van de gerapporteerde gevallen was 38 jaar (spreiding 15-85) in 2013 en 48
jaar (spreiding 20-79) in 2014. Er werd geen enkel geval gerapporteerd bij jonge
kinderen, de jongste patiënt was 15 jaar. De meerderheid van de gevallen (76%)
gerapporteerd in 2013-2014 was woonachtig in Vlaanderen en 19% woonde
in Wallonië. In Brussel werd er geen enkel geval gerapporteerd. Voor 5%
van de gevallen was de verblijfplaats onbekend. Er wordt geen seizoenaliteit
waargenomen. Het aantal gevallen per maand in 2013 en 2014 schommelde
normaal tussen de 0 en 3. Enkel in juli 2013 werden er 8 gevallen gerapporteerd,
waarvan 7 in Wallonië woonden.
Bepaalde gemelde gevallen zijn in groep opgetreden. De 7 gevallen die in juli
2013 in Wallonië zijn gerapporteerd, waren vrijwilligers en bezoekers besmet
in een asiel voor wilde vogels in de provincie Luik [4]. In 2013 werden er in
een Limburgs gezin drie personen besmet door een papegaai die recent was
gekocht en overleden [5]. In 2014 werden er vier werknemers van de zoo
van Planckendael door papegaaien besmet, ondanks adequate preventieve
maatregelen [6].
2. Zoönosen
2014
2013
2012
2011
2010
2009
2008
2007
2006
2005
2004
2003
2002
2001
2000
1999
1998
0
31
Bespreking
Ondanks een progressieve toename van het aantal gerapporteerde gevallen sinds
2010, blijft het jaarlijks aantal gemelde gevallen van psittacose in België laag.
Net zoals in België, waar bepaalde gevallen in groep zijn opgetreden in een gezin
of bij blootgestelde werknemers van een dierenpark en -asiel, zijn ook in andere
Europese landen haarden van gevallen van psittacose beschreven. In Frankrijk
werden in mei 2013 acht gevallen gerapporteerd die in een pluimveehouderij
zijn besmet [7]. In Zweden zijn van januari tot februari 2013 tien gevallen met
overdracht tussen personen gerapporteerd [8]. Overdracht tussen personen is
uitzonderlijk en werd voorheen slechts in één geval in Schotland gerapporteerd
[9].
Het is mogelijk dat de ziekte door haar onbekendheid ondergediagnosticeerd is.
Dit is in België in pluimveehouderijen vastgesteld en in andere landen op basis
van seroprevalentiestudies in de bevolking [10]. De infectie kan in bepaalde
pluimveehouderijen wijd verspreid voorkomen en dus is het nuttig om het
potentieel blootgestelde publiek en de gezondheidswerkers over psittacose te
informeren en te sensibiliseren [3]. In geval van een atypische pneumonie moet
in de anamnese gevraagd worden naar contact met vogels en in geval van een
klinisch vermoeden moet onmiddellijk een behandeling worden gestart en een
staal voor moleculaire diagnose en/of serologische opvolging worden genomen.
Referenties
1. Schlossberg D. Chlamydophila psittaci. In: Mandell GL, Bennett JE, Dolin R. Principles and
Practice of Infectious Diseases. 7th ed. Elsevier; 2009.
2. Zoönosen
2. Beeckman D, Vanrompay D. Zoonotic Chlamydophila psittaci infections from a clinical
perspective. Clin Microbiol Infect. 2009 Jan; 15(1):11-7.
32
3. Van Loock M, Geens T, De Smit L, Nauwynck H, Van Empel P et al. Key role of Chlamydophila
psittaci on Belgian turkey farms in association with other respiratory pathogens. Vet
Microbiol. 2005 Apr; 25;107(1-2): 91-101.
4. Jacquinet S. Direction Générale de la santé. Communication personnelle le 11/08/2015.
5. Dehollogne C. Psittacose na contact met een lovebird. Vlaams Infectieziektebulletin.
2015;1:11-12.
6. De Schrijver K, Vercammen F, Mattys G, Alen Y. Psittacose bij dierenverzorgers. Vlaams
Infectieziektebulletin. 2015;1:6-9.
7. Laroucau K, Aaziz R, Meurice L, Servas V, Chossat I et al. Outbreak of psittacosis in a group
of women exposed to Chlamydia psittaci-infected chickens. Eurosurveillance. 2015;20(24).
8. Wallenstein A. Fredlund H, Runehagen A. Multiple human-to-human transmission from a
severe case of psittacosis, Sweden, January-February 2013. Eurosurveillance. 2014;19(42).
9. McGuigan CC, McIntyre PG, Templeton K. Psittacosis outbreak in Tayside, Scotland,
December 2011 to February 2012. EuroSurveillance. 2012;17(22).
10. Lagae S, Kalmar I, Laroucau K, Vorimore F, Vanrompay D. Emerging Chlamydia psittaci
infections in chickens and examination of transmission to humans. Journal of Medical
Microbiology. 2014;63:399-407.
Q-koorts (Coxiella burnetii)
A. Litzroth, M. Van Esbroeck, M. Mori
Hoofdpunten
• In 2013 en 2014 werden door het NRC respectievelijk 8 en 15 gevallen van
bevestigde, waarschijnlijke en mogelijke Q-koorts vastgesteld in België.
• De incidentie gebaseerd op het aantal gevallen gerapporteerd door het NRC lag
in 2013 en 2014 lager dan in de voorbije jaren.
Q-koorts is een zoönose die wordt veroorzaakt door Coxiella burnetii, een
intracellulaire bacterie die op de mens wordt overgedragen door inhalatie van
geïnfecteerde partikels afkomstig van kuddes geiten, schapen en in mindere
mate runderen. Het is hoofdzakelijk een beroepsziekte, die in 1935 voor het eerst
werd beschreven bij werknemers van een slachthuis in Brisbane, Australië. De
oorspronkelijke benaming, slachthuiskoorts, werd daarna veranderd in Q-koorts
zoals in ‘query’, om te onderstrepen dat de oorzaak en de epidemiologie van de
ziekte toen nog niet bekend waren. Q-koorts treedt vooral op bij landbouwers,
arbeiders in slachthuizen, wol bewerkers, veeartsen en personeel in laboratoria
[1].
De ziekte verloopt in 60% van de gevallen asymptomatisch, maar kan ook koorts
of een griepachtig syndroom veroorzaken. Meestal volgt spontane genezing,
maar in zeldzame gevallen leidt de infectie tot een chronische ziekte (1-5%). De
sterfte tijdens de acute fase wordt geraamd op minder dan 1%. De chronische
vorm wordt vaak gekenmerkt door endocarditis en endovasculaire infectie, wat
zeer ernstig kan zijn met een sterfte van 25-60% zonder behandeling [2,3].
Q-koorts is endemisch in de hele wereld behalve in Nieuw-Zeeland. De ziekte
kan echter epidemisch worden. In Europa zijn de voorbije decennia meerdere
epidemieën van Q-koorts gerapporteerd [4-7].
Methode
Q-koorts behoort in de 3 regio’s tot de verplicht aan te geven ziekten. Binnen
het NRC, bestaande uit een consortium van het Instituut voor Tropische
Geneeskunde (ITG) en het Centrum voor Onderzoek in Diergeneeskunde
en Agrochemie (CODA-CERVA), staat het ITG in voor de epidemiologische
surveillance sinds 2011.
We beschrijven de epidemiologische situatie in België op basis van de
gegevens gerapporteerd door het NRC en vermelden eveneens de aantallen die
aangegeven zijn via de verplichte aangifte.
Het NRC stelt de diagnose van Q-koorts met een PCR of serologie. Enkel
recente/acute infecties worden geregistreerd. Een geval wordt als bevestigd
beschouwd bij een positieve PCR, een seroconversie of een 4-voudige
titerstijging van de IgG-antilichamen in gepaarde stalen of een hoge titer van
de IgM- én IgG-antilichamen in een enkelvoudig staal. Een waarschijnlijk geval
2. Zoönosen
Inleiding
33
vertoont een hoge titer van de IgM-antilichamen (≥ 1/256) in afwezigheid
van IgG-antilichamen of een lage titer IgM- én IgG-antilichamen. Alle andere
patiënten met een titer IgM ≥ 1/64 worden beschouwd als mogelijke gevallen.
Als er vervolgstalen en/of klinische gegevens voorhanden zijn, wordt daar ook
rekening mee gehouden bij de interpretatie van de resultaten.
Resultaten
Tijdens de periode 2013-2014 werden er via het NRC 23 mogelijke,
waarschijnlijke en bevestigde gevallen van Q-koorts gerapporteerd. In 2013
waren dit 8 gevallen (6 bevestigd en 2 mogelijk) en in 2014 waren dit 15
gevallen (10 bevestigd/waarschijnlijk en 5 mogelijk) (Figuur 1). Dit is een daling
vergeleken met de voorgaande jaren. Voor al de gevallen werd de diagnose
door serologie gesteld.
Figuur 1 | Aantal gerapporteerde gevallen van Q-koorts, volgens gevalsdefinitie
en per jaar, België, 2010-2014
(Bron: NRC voor Coxiella burnetti)
35
Confirmed
and probable
2. Zoönosen
Number of cases
30
34
25
Possible
20
15
10
5
0
2010
2011
2012
2013
2014
In 2013 was de incidentie, gebaseerd op het aantal gevallen gerapporteerd door
het NRC, in België 0,07 gevallen per 100.000 inwoners. De hoogste incidentie
werd vastgesteld in de provincie Luxemburg gevolgd door de provincie WaalsBrabant, met respectievelijk 0,4 en 0,3 gevallen per 100.000 inwoners. In 2014
was de incidentie in België 0,1 gevallen per 100.000 inwoners. De hoogste
incidentie werd vastgesteld in Waals-Brabant gevolgd door Antwerpen,
met respectievelijk 0,8 en 0,3 gevallen per 100.000 inwoners. De provincie
Antwerpen telde evenwel het meeste aantal gevallen in zowel 2013 (n=3) als
2014 (n=5).
De man-vrouwverhouding bedroeg 1 in 2013 en 1,1 in 2014. In 2013 was de
mediane leeftijd van de gevallen 49 jaar (spreiding 33-54), in 2014 was dit 37
jaar (spreiding 17-67).
Voor gevallen gerapporteerd door het NRC in 2013, was het vermoedelijke
land van besmetting gekend voor 1 persoon, het ging hier om een autochtone
infectie. In 2014 was het vermoedelijke land van besmetting in 2 gevallen
gekend. Eén infectie was autochtoon, de andere persoon werd vermoedelijk
geïnfecteerd in Marokko. De autochtone gevallen waren beiden afkomstig
uit hetzelfde dorp in de provincie Antwerpen, er was evenwel geen gekende
risicofactor. Meer informatie wordt gegeven in de paragraaf over de verplichte
melding.
Gevallen van Q-koorts worden het hele jaar door gediagnosticeerd. In 2014 was
er een piek van 5 gevallen in november. Het is niet gekend of dit autochtone
gevallen waren. De personen waren niet afkomstig uit dezelfde gemeente of
streek (Figuur 2).
Figuur 2 | Aantal gerapporteerde gevallen van Q-koorts per maand,
België, 2013-2014
(Bron: NRC voor Coxiella burnetti)
5
2013
2014
3
2
1
0
Jan Feb Mar Apr May June July Aug Sept Oct Nov Dec
2. Zoönosen
Number of cases
4
35
Via de verplichte melding werden er in 2013 16 gevallen (4 waarschijnlijk, 12
bevestigd) van Q-koorts gemeld, 14 in Vlaanderen en 2 in Wallonië. In 2014
waren dit er 14 (1 waarschijnlijk, 13 bevestigd), 12 in Vlaanderen en 2 in Wallonië.
Via deze informatiebron is ook meer bekend over het land van besmetting. Van
de 30 besmettingen die via de verplichte melding gerapporteerd werden, waren
er 21 (70%) met zekerheid autochtoon.
Via de verplichte melding werden nog 2 bijkomende autochtone gevallen uit
hetzelfde dorp als de autochtone gevallen gerapporteerd door het NRC gemeld.
Volgens deze gegevens werden de 4 patiënten ziek in oktober/november 2013
en betrof het 3 leden van eenzelfde gezin en 1 persoon die in de buurt van dit
gezin woont. Een risicofactor werd niet gevonden.
2. Zoönosen
Bespreking
De incidentie van Q-koorts, gebaseerd op het aantal gevallen gerapporteerd
door het NRC, is laag in België en vergelijkbaar met de incidentie in Europa,
die in 2012 0,17 gevallen per 100.000 inwoners bedroeg [8]. De incidentie in
België was in 2013 en 2014 lager dan in de voorgaande jaren. De daling ten
opzichte van 2010 kan te verklaren zijn door het einde van de epidemie die in
Nederland heeft gewoed van 2007 tot 2010, waarbij meer dan 4.026 mensen
werden geïnfecteerd en er 24 zijn gestorven [9,10].
De gegevens van de verplichte melding tonen aan dat de infecties in 2013-2014
meestal (70%) in België werden opgelopen.
Volgens de literatuur zou de periode waarin geiten en schapen jongen, namelijk
het einde van de lente en het begin van de zomer in Europa, een hoger risico
voor besmettingen inhouden [8,11]. Dit wordt echter niet weerspiegeld in de
Belgische gegevens, vermits gevallen het ganse jaar worden vastgesteld.
Mannen worden vaker geïnfecteerd dan vrouwen. Dit is gekend uit de literatuur
en wordt (beperkt) weerspiegeld in de Belgische gegevens van 2014. Dit is
vermoedelijk toe te schrijven aan het feit dat vooral mannen risicoberoepen
uitoefenen. Q-koorts komt ook vaker voor in de actieve bevolking van 25-60
jaar [8].
Het aantal gerapporteerde gevallen in België wordt waarschijnlijk onderschat,
omdat de ziekte vaak geen of aspecifieke symptomen veroorzaakt zodat de
diagnose kan worden gemist.
Coxiella burnetii is zeer besmettelijk. Een snelle identificatie van de gevallen
en de besmettingsbron is belangrijk om toereikende preventieve en
controlemaatregelen te kunnen nemen. Deze maatregelen bestaan vooral uit
de voorlichting van kwekers over het risico op overdracht van de ziekte en
over de algemene procedures zoals vernietiging van de moederkoek, de strikte
opvolging van hygiëneregels en het naleven van de reglementering betreffende
bemesting [12].
36
Referenties
1. European Center for Disease Prevention and Control (ECDC). Fact sheet for the general
public: Q fever. Beschikbaar via: http://ecdc.europa.eu/en/healthtopics/q_fever/factsheetgeneral-public/Pages/Factsheet_generalpublic.aspx
2. Raoult D, Marrie TJ, Mege JL. Natural history and pathophysiology of Q fever. Lancet Infect
Dis. 2005;5(4):219-26.
3. Million M, Thuny F, Richet H, Raoult D. Long-term outcome of Q fever endocarditis: a 26year personal survey. Lancet Infect Dis. 2010;10(8):527–535.
4. Armengaud A, Kessalis N, Desenclos J-C, Maillot E, Brousse P, Brouqui P et al. Urban outbreak
of Q fever, Briançon, France, March to June 1996. Eurosurveillance.1997;2(2):12-3.
5. King L, Goirand L, Tissot-Dupont H, Giunta B, Giraud C, Colardelle C et al. Outbreak of Q
fever, Florac, Southern France, spring 2007. Vector Borne Zoonotic Dis. 2011;11(4):341-7.
6. Schimmer B, Morroy G, Dijkstra F, Schneeberger PM, Weers-Pothoff G, Timen A et al.
Large ongoing Q fever outbreak in the south of the Netherlands, 2008. Eurosurveillance.
2008;13(31):pii=18939
7. Selvaggi M, Rezza G, Scagnelli M, Rigoli R, Rassu M, De Lalla F et al. Investigation of a
Q-fever outbreak in northern Italy. Eur J Epidemiol. 1996;12(4):403-8.
8. European Centre for Disease Prevention and Control (ECDC). Annual Epidemiological
Report 2012. Beschikbaar via: http://ecdc.europa.eu/en/publications/Publications/AnnualEpidemiological-Report-2012.pdf
9. Van der Hoek W, Dijkstra F, Schimmer B, Schneeberger PM, Vellema P, Wijkmans C et al.
Q fever in the Netherlands: an update on the epidemiology and control measures. Euro
Surveill. 2010;15(12):pii=19520.
10. Schneeberger PM, Wintenberger C, van der Hoek W, Stahl JP. Q fever in the Netherlands
– 2007–2010: What we learned from the largest outbreak ever. Médecine et Maladies
Infectieuses. 2014;44(8):339-353.
11. Roest H, Tilburg J, van der Hoek W, Vellema P, van Zijderveld F, Klaassen C et al. The Q
fever epidemic in the Netherlands: history, onset, response and reflection. Epidemiol Infect.
2011;139(1):1-12.
2. Zoönosen
12. Hoge Gezondheidsraad. Aanbevelingen betreffende de preventie en bestrijding van Q-Koorts
in België. Publicatie van 12 januari 2011; N° 8633. Beschikbaar via: http://www.health.
belgium.be/internet2Prd/groups/public/@public/@shc/documents/ie2divers/19067376.pdf
37
Echinococcose (Echinococcus spp.)
A. Litzroth, C. Truyens
Hoofdpunten
• Zowel in 2013 als in 2014, werden er in België 12 nieuwe gevallen van cystische
echinococcose en 3 nieuwe gevallen van alveolaire echinococcose bevestigd.
• Hoewel in Europa de voorbije jaren een toename van alveolaire echinococcose
werd vastgesteld, is dit in België niet het geval.
2. Zoönosen
Inleiding
38
Humane echinococcose is een parasitaire infectie die wordt veroorzaakt door
lintwormen van het genus Echinococcus. Twee vormen zijn belangrijk voor de
volksgezondheid: cystische echinococcose of hydatidose, veroorzaakt door E.
granulosus, en alveolaire of multiloculaire echinococcose, veroorzaakt door
E. multilocularis. De mens wordt besmet door ingestie van parasieteneitjes in
voedsel, water of aarde gecontamineerd met uitwerpselen van gastheerdieren
(de hond voor E. granulosus en de vos voor E. multilocularis) of door direct
contact met dierlijke gastheren van de parasiet.
Echinococcose is zeldzaam (de mens is een accidentele gastheer), maar kan
ernstig zijn. Hydatidose verloopt vaak zonder klachten, al kunnen complicaties
optreden wanneer de cysten barsten. Alveolaire echinococcose kent een
kwaadaardiger verloop. De infectie start in 90% van de gevallen in de lever en
bij een ernstige aantasting van de lever zonder behandeling is de kans groot dat
de patiënt hieraan overlijdt. De behandeling is vaak duur en complex. Soms is
een heelkundige ingreep vereist en/of een zware, langdurige medicamenteuze
behandeling die belangrijke bijwerkingen kan veroorzaken [1].
Beide vormen kennen een incubatieperiode van meerdere jaren, wat het moeilijk
maakt om het land van infectie te bepalen. De preventie stoelt op hygiëne en
regelmatig ontwormen van huisdieren [2].
Methode
In België moeten gevallen van echinococcose enkel in Brussel aangegeven
worden. De beschrijving van de epidemiologische situatie is gebaseerd op de
gegevens van het referentielaboratorium voor Echinococcus multilocularis,
zijnde het laboratorium voor parasitologie van de faculteit Geneeskunde,
Université libre de Bruxelles (ULB).
Resultaten
In 2013 en 2014 voerde het referentielaboratorium respectievelijk 296 en 283
serologische testen uit voor de opsporing van antistoffen tegen E. granulosus.
Voor E. multilocularis waren dit respectievelijk 298 en 297 testen.
Zowel in 2013 als in 2014, werden er in België 12 nieuwe gevallen van cystische
echinococcose en 3 nieuwe gevallen van alveolaire echinococcose bevestigd
door het referentielaboratorium. Een vergelijking met de voorbije jaren wordt
weergegeven in Figuur 1.
Figuur 1 | Aantal gerapporteerde gevallen van echinococcose, volgens vorm en
per jaar, België, 2010-2014
(Bron: referentielaboratorium voor Echinococcus)
Number of cases
16
14
E. multilocularis
12
E. granulosus
10
8
6
4
2
2010
2011
2012
2013
2014
In 2013 en 2014 was de incidentie voor beide vormen, gebaseerd op het aantal
gevallen gerapporteerd door het referentielaboratorium, 0,14 gevallen per
100.000 inwoners.
De 3 nieuwe gevallen van alveolaire echinococcose in 2013 leefden allemaal in
de Belgische Ardennen. Het gaat om een man van 30 jaar, een vrouw van 54
jaar en een vrouw van 29 jaar. De eerste twee vertoonden reeds een laesie in
de lever. De derde persoon was in nauw contact geweest met een vossenjong,
maar vertoonde nog geen symptomen.
De 3 nieuwe gevallen van alveolaire echinococcose in 2014 leefden eveneens
allemaal in de Belgische Ardennen. Het gaat om een vrouw van 51 jaar en twee
mannen van 53 en 59 jaar, die allen reeds een laesie in de lever hadden.
Bespreking
Zowel cystische als alveolaire echinococcose zijn zeldzaam in België. De
incidentie voor beide vormen, gebaseerd op het aantal gevallen gerapporteerd
door het referentielaboratorium, lag in 2013 en 2014 op 0,14 gevallen per
100.000 inwoners. Dit komt overeen met het Europese gemiddelde van 0,19
gevallen per 100.000 inwoners in 2012 [3]. Hoewel er meer gevallen zijn
gerapporteerd dan in 2012, is het aantal vergelijkbaar met 2011 en kunnen we
niet over een stijging spreken.
Ondanks een stijgende bezorgdheid over de verspreiding van de
vossenlintworm, zien we momenteel geen toename in het aantal gevallen van
2. Zoönosen
0
39
alveolaire echinococcose in België. In Europa wordt wel een stijging van het
aantal gevallen waargenomen, met een verdubbeling in aantal tussen 2008 en
2012 [3].
In 2003-2004 was de gemiddelde prevalentie van vossen die drager zijn van
E. multilocularis in Wallonië tussen de 20% en 25%. In sommige streken van
Wallonië werden echter hogere prevalenties (41% tot 62%) vastgesteld [4,5].
In 2007-2008 lag de prevalentie bij vossen in Brussel en Vlaanderen veel
lager, rond 2,8%. Dit percentage was, ondanks bepaalde voorspellingen, niet
gestegen ten opzichte van 1996-1999 [6,7]. Een recente studie toonde aan dat
de prevalentie bij vossen in Vlaanderen ook in 2014-2015 niet gestegen was, ze
bedroeg 1,6% [8].
Op Europees niveau zien we wel een stijging van de verspreiding van
E. multilocularis bij vossen, zowel door een hogere densiteit aan vossen
(ook in stedelijke gebieden) als door een hogere prevalentie van infectie met
E. multilocularis bij de vos [9-13].
Referenties
1. Donald P, Darren J, Wenbao Z,Yurong Y. Diagnosis, treatment, and management of
echinococcosis, Clinical review. BMJ, 2012. 344:e3866.
2. European Center for Disease Prevention and Control (ECDC). Fact sheet for the
general public: Echinococcosis. Beschikbaar via: http://ecdc.europa.eu/en/healthtopics/
echinococcosis/Pages/Factsheet_generalpublic.aspx
2. Zoönosen
3. European Centre for Disease Prevention and Control (ECDC). Surveillance report. Annual
epidemiological report food- and waterborne diseases and zoonoses in 2012. 2014.
Beschikbaar via: http://ecdc.europa.eu/en/publications/Publications/food-waterbornediseases-annual-epidemiological-report-2014.pdf
40
4. Losson B, Kervyn T, Detry J, Pastoret PP, Mignon B, Brochier B. Prevalence of Echinococcus
multilocularis in the red fox (Vulpes vulpes) in southern Belgium. Vet Parasitol. 2003 Nov
3;117(1-2):23-8.
5. Hanosset R, Saegerman C, Adant S, Massart L, Losson B. Echinococcus multilocularis in
Belgium: prevalence in red foxes (Vulpes vulpes) and in different species of potential
intermediate hosts. Vet Parasitol. 2008 Feb 14;151(2-4):212-7.
6. Van Gucht S, Van Den Berge K, Quataert P, Verschelde P, Le Roux I. No emergence of
Echinococcus multilocularis in foxes in Flanders and Brussels anno 2007-2008. Zoonoses
Public Health. 2010 Dec;57(7-8):e65-70.
7. Brochier B, De Blander H, Hanosset R, Berkvens D, Losson B, Saegerman C. Echinococcus
multilocularis and Toxocara canis in urban red foxes (Vulpes vulpes) in Brussels, Belgium
Prev Vet Med. 2007 Jun 15;80(1):65-73.
8. Aryal A. Echinococcus multilocularis screening in foxes in Flanders: prevalence and spatiotemporal trends in distribution. ITMA – MSTAH thesis, No 226, 2015.
9. Enemark HL, Al-Sabi MN, Knapp J, Staahl M, Chríel M. Detection of a high-endemic focus
of Echinococcus multilocularis in red foxes in southern Denmark, January 2013. Euro
Surveillance. 2013; 18(10): pii=20420.
10. Osterman Lind E, Juremalm M, Christensson D, Widgren S, Hallgren G, Ågren EO et al.
First detection of Echinococcus multilocularis in Sweden, February to March 2011. Euro
Surveillance. 2011; 16(14): pii=19836.
11. Davidson RK, Romig T, Jenkins E, Tryland M, Robertson LJ. Review: The impact of
globalisation on the distribution of Echinococcus multilocularis. Trends in Parasitology.
2012. 28(6):239-247.6.
12. Combes B, Comte S, Raton V, Raoul F, Boué F, Umhang G et al. Westward spread of
Echinococcus multilocularis in foxes, France, 2005-2010. Emerging Infectious Diseases.
2012 Dec; 18(12):2059-62.7.
2. Zoönosen
13. Takumi K, van der Giessen J, de Vries A, Chu M.L, Mulder J, Teunis, P. Evidence for an
increasing presence of Echinococcus multilocularis in foxes in the Netherlands. International
Journal for Parasitology. 2008; 38(5), 571-578.
41
Tularemie (Francisella tularensis)
A. Litzroth, B. Delaere, M. Mori, D. Fretin
Hoofdpunten
• Zowel in 2013 als in 2014 werd in België 1 geval van tularemie gerapporteerd.
• Van 1950 tot 2012 werden er maar 4 gevallen van tularemie gesignaleerd,
waarvan één in 2012.
• Het aantal gerapporteerde gevallen van tularemie in België stijgt sinds 2012. Ook
in Nederland en in Frankrijk ziet men dezelfde stijging.
2. Zoönosen
Inleiding
42
Tularemie is een infectieziekte die wordt veroorzaakt door de bacterie Francisella
tularensis. De bacterie wordt onderverdeeld in 4 subspecies: F. tularensis
tularensis (Noord-Amerika), F. tularensis holartica (noordelijk halfrond en
Australië), F. tularensis mediasiatica (Centraal- Azië) en F. tularensis novicida
(Noord-Amerika, Australië, Thailand) [1]. In Europa is F. tularensis holartica
endemisch, dit subspecies is minder virulent dan F. tularensis tularensis.
Het reservoir wordt gevormd door wilde knaagdieren (woelmuizen,
veldmuizen…) en teken (Ixodidae). Hazen en teken zijn de belangrijkste bron
van infectie bij de mens. Maar ook huisdieren (schapen, katten, honden, enz.)
zijn accidentele gastheren en kunnen de mens infecteren [2]. De bacterie
wordt overgedragen door direct contact van de huid met geïnfecteerde dieren,
besmette gewassen, grond of materiaal en door tekenbeten. Besmetting
door inname van bevuild voedsel of water, of door insectenbeten werd ook
beschreven.
De symptomen van de ziekte zijn niet specifiek en het klinisch beeld kan nogal
variëren afhankelijk van de ingangspoort van de bacterie. De frequentste
klinische vormen zijn de ulceroganglionaire en de ganglionaire vorm, maar
er bestaan ook oculoganglionaire, orofaryngeale, pleuropulmonale en
buiktyfusachtige vormen alsook een septicemische vorm [3].
De infectie is meestal endemisch en zelden epidemisch. De belangrijkste
risicogroepen zijn jagers, landbouwers en mensen die veel vrije tijd doorbrengen
in bossen.
Methode
Tularemie is in alle regio’s van België meldingsplichtig. De diagnose in België
gebeurt in het referentielaboratorium van het Centrum voor Onderzoek in
Diergeneeskunde en Agrochemie (CODA-CERVA) dat instaat voor de isolatie en
de moleculaire typering van Francisella tularensis en voor serologische tests.
Resultaten
In 2013 werd één geval van tularemie in België gerapporteerd. Het betrof een
jager van 39 jaar die een beenwonde had. In 2014 werd eveneens één geval
van tularemie vastgesteld, bij een man van 38 jaar die vaak in bossen jogde
en een beet van een teek had opgelopen. Beide personen vertoonden een
ulceroganglionaire vorm van de ziekte en kwamen uit de provincie Namen [4].
In België werden tussen 1950 en 2014 maar zes gevallen van tularemie
gerapporteerd, waarvan drie gevallen tussen 2012 en 2014. Het lijkt er dus op
dat de incidentie van tularemie stijgt. Of het om een echte stijging gaat of om
een verhoogde alertheid, is niet met zekerheid te zeggen. De laatste 3 gevallen
werden allemaal in hetzelfde ziekenhuis gediagnosticeerd, in de provincie
Namen. Dit kan wijzen op een frequenter voorkomen van de ziekte in deze regio.
Het is ook mogelijk dat tularemie elders in België ondergediagnosticeerd wordt,
gezien de aspecifieke symptomen en de onbekendheid van de ziekte. Er moet
dan ook aan tularemie worden gedacht bij een patiënt met een suggestieve
klinische presentatie die epidemiologische risicofactoren vertoont (bijv.
tekenbeten) of die een risicoberoep (dierenarts, kweker) en/of risicoactiviteiten
uitvoert (activiteiten in de buitenlucht, jagen) en waarbij de symptomen niet
verbeteren met klassieke antibiotica.
Ook in Frankrijk worden gevallen gerapporteerd in 16 van de 22 regio’s,
waaronder de noordelijke, aan België grenzende, regio’s. Het aantal
gerapporteerde gevallen is sinds het begin van de surveillance in 2002 steeds
toegenomen. Dit kan een echte stijging in de incidentie weerspiegelen, maar
eveneens een verhoogde notificatie. Niettegenstaande de opgemerkte stijging
wordt er vermoed dat tularemie in Frankrijk ondergediagnosticeerd wordt [5]. In
Nederland werd van 1953 tot 2010 geen enkel geval van tularemie vastgesteld
bij mens of dier. Sinds 2011 werden echter verschillende gevallen bij hazen en
mensen vastgesteld. Voor de menselijke autochtone gevallen ging het om 1
geval in 2011, 1 in 2013 en 3 in 2014. De reden voor deze plotse toename is
niet gekend [6].
In Europa werd in 2012 een stijging in het aantal gerapporteerde gevallen
van 37% in vergelijking met 2011 vastgesteld. Meer dan de helft van de
gevallen werd in Zweden gerapporteerd, waar de transmissie voornamelijk via
muggenbeten zou verlopen. Samen met Noorwegen en Finland, is Zweden
verantwoordelijk voor 88% van de gevallen [7]. De infectie is endemisch en
goed gekend in deze noordelijke landen.
Referenties
1. Carvalho CL, Lopes de Carvalho I, Zé-Zé L, Núncio MS, Duarte EL. Tularaemia: a challenging
zoonosis. Comp Immunol Microbiol Infect Dis. 2014;37(2):85-96.
2. Institut de Veille Sanitaire (InVS). Aide mémoire : Tularémie. Beschikbaar via: http://www.
invs.sante.fr/Dossiers-thematiques/Maladies-infectieuses/Zoonoses/Tularemie/Aide-memoire
3. Mandell GL, Bennett JE, Dolin R. Principles and Practice of Infectious Diseases. 7th ed.
Elsevier; 2009.
2. Zoönosen
Bespreking
43
4. Dupont E, Van Eeckhoudt S, Thissen X, Ausselet N, Fretin D, Stefanescu I et al. About three
cases of ulceroglandular tularemia, is this the re-emergence of F. tularensis in Belgium? Acta
Clin Belg. 2015 Oct;70(5):364-8.
5. Mailles A, Vaillant V. 10 years of surveillance of human tularaemia in France. Euro Surveill.
2014;19(45):pii=20956.
6. Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). Staat van zoonosen 2014. 2015.
Beschikbaar via: http://www.rivm.nl/dsresource?objectid=rivmp:293310&type=org&disposi
tion=inline&ns_nc=1
2. Zoönosen
7. European Centre for Disease Prevention and Control (ECDC). Surveillance report. Annual
epidemiological report. Food - and waterborne diseases and zoonoses. 2014. Beschikbaar
via:
http://ecdc.europa.eu/en/publications/Publications/emerging-vector-borne-diseases_
annual-epidemiological-report-2014.pdf
44
Hantavirose (Hantavirus spp.)
J. Rebolledo, S. Patteet, P. Maes
Hoofdpunten
• In België heeft het netwerk van peillaboratoria in 2013 en 2014 respectievelijk 24
en 76 gevallen van hantavirose gerapporteerd.
• De meerderheid van de gevallen werd gediagnosticeerd bij mannen in de
leeftijdscategorie van 35 tot 45 jaar.
• Er worden meer gevallen vastgesteld in Wallonië en in het bijzonder in de
provincies aan de grens met Frankrijk.
Hantavirussen behoren tot de familie van de Bunyaviridae. Zij worden
onderverdeeld in de groep van virussen van de Oude Wereld (Europa, Afrika,
Azië) en de groep van virussen van de Nieuwe Wereld (Noord-Amerika en
Zuid-Amerika), in functie van de geografische spreiding van hun natuurlijke
gastheren, met name knaagdieren. Deze vertonen geen zichtbare infectie maar
scheiden het virus uit via hun urine, uitwerpselen of speeksel. De mens wordt
vooral besmet via de luchtwegen, bij de inademing van het virus onder de vorm
van aerosols afkomstig van de uitwerpselen van knaagdieren. In het algemeen
is de ziekte niet overdraagbaar tussen personen, ook al zijn er in Argentinië en
Chili enkele besmettingen van mens op mens met het Andesvirus beschreven.
In België is de rosse woelmuis (Myodes glareolus) het belangrijkste reservoir van
hantavirussen.
Hantavirussen zijn verantwoordelijk voor een veralgemeende infectie met
variabele klinische symptomen, afhankelijk van het virus in kwestie. Er
wordt een onderscheid gemaakt tussen twee belangrijke syndromen: a) het
pulmonaal syndroom, waargenomen in Noord-Amerika en Zuid-Amerika en b)
hemorragische koorts met renaal syndroom, vooral waargenomen in Europa
en Azië. De hantavirussen die in Europa hemorragische koorts met renaal
syndroom veroorzaken, zijn H. hantaan, H. dobrava, H. saaremaa, H. seoul
en H. puumala. Deze laatste is het wijdst verspreid. Hemorragische koorts met
renaal syndroom is meestal een goedaardige infectie maar kan in bepaalde
gevallen leiden tot ernstige nierproblemen, die aanleiding kunnen geven tot
hospitalisatie of zelfs tot het overlijden van de getroffen persoon, ook al zijn
sterfgevallen uitermate zeldzaam (0,1% voor Puumala tot 15% voor Dobrava)
[1].
De belangrijkste risicogroepen zijn personen met activiteiten waarbij zij
potentieel worden blootgesteld aan knaagdieren of aan de uitwerpselen ervan
zoals werkzaamheden in het bos, landbouwactiviteiten, bouwwerkzaamheden,
en dit vooral in gebieden waar epidemische opstoten optreden [2,3].
2. Zoönosen
Inleiding
45
Methode
In België geldt alleen in Brussel meldingsplicht voor hantavirose of
hemorragische koorts met renaal syndroom. Ter aanvulling rapporteren het
netwerk van peillaboratoria en het NRC, gevestigd in het UZ Leuven, gegevens
sinds respectievelijk 1996 en november 2010. Van 1990 tot oktober 2010 was
het referentielaboratorium gevestigd in het Militair Hospitaal Koningin Astrid.
De biologische diagnose wordt gesteld op basis van serologie (ELISA, IgM/IgG
antilichamen). Het NRC voert ook een PCR uit bij een vermoeden van een acute
infectie met niet beslissende serologie.
Resultaten
In 2013 en 2014 is er via de meldingsplicht geen enkel geval in Brussel
gerapporteerd. Het netwerk van peillaboratoria heeft in 2013 en 2014
respectievelijk 24 en 76 gevallen gerapporteerd, en het NRC respectievelijk 10
en 51 gevallen (Figuur 1).
Tot in 2007 vertoonde hantavirose een cyclisch patroon, met om de 2 jaar een
hoger aantal gerapporteerde gevallen. Deze periodiciteit wordt sinds 2008
minder duidelijk opgemerkt en algemeen lijkt het aantal gevallen af te nemen
(Figuur 1).
Figuur 1 | Aantal gerapporteerde gevallen van hantavirose per gegevensbron
en per jaar, België 1996-2014
(Bronnen: netwerk van peillaboratoria, referentielaboratorium en NRC)
350
NRC
300
Ref lab
250
Sentinel lab
200
150
100
50
0
1996
1997
1998
1999
2000
2001
2002
2003
2004
2005
2006
2007
2008
2009
2010
2011
2012
2013
2014
46
Number of cases
2. Zoönosen
400
In 2013 en 2014 bedroeg de man-vrouwverhouding 2,57 en de leeftijdsmediaan
was 40 jaar (spreiding 1-88 jaar). De meest getroffen leeftijdscategorieën waren
die tussen 35 en 50 jaar.
Net zoals voorgaande jaren en zowel in 2013 als in 2014 waren de
arrondissementen met een hogere gerapporteerde incidentie Dinant,
Philippeville, Marche-en-Famenne, Virton en Thuin (Figuur 2).
Figuur 2 | Gerapporteerde incidentie van hantavirose per arrondissement,
België, 2013 en 2014
(Bron: netwerk van peillaboratoria)
0-3
4-5
6-7
8-9
≥ 10
Zowel in 2013 als in 2014 werden het hele jaar door gevallen gediagnosticeerd,
met een groter aantal in de lente en de zomer.
2. Zoönosen
Incidence [Cases / 1E5 inhabitants]
Bespreking
47
In Europa is hemorragische koorts met renaal syndroom, veroorzaakt door het
hantavirus, geen zeldzame ziekte. In 2012 hebben 24 Europese landen in totaal
4371 bevestigde gevallen gerapporteerd [4]. De meerderheid van de personen
waren volwassen mannen (24 tot 64 jaar) en gevallen werden voornamelijk
(91,5%) gerapporteerd door Duitsland (63,6% van de gevallen), Finland (18,9%
van de gevallen), Oostenrijk en Slovenië [4].
In België schommelt het aantal gerapporteerde gevallen van jaar tot jaar. Sinds
het begin van de surveillance van het hantavirus in 1996 werd een toename van
het aantal gediagnosticeerde gevallen waargenomen vanaf 2005, met een piek
in 2005, 2007-2008 en 2010 en een opvallende daling in 2013. Deze daling
2. Zoönosen
48
werd ook gerapporteerd in de buurlanden, meer bepaald in Nederland [5] en
in Frankrijk [6]. Algemeen beschouwd is het aantal gerapporteerde gevallen in
België zeker een onderschatting van het werkelijke aantal infecties aangezien
niet systematisch aan de diagnose van deze ziekte wordt gedacht.
Het hoogste aantal gevallen wordt gerapporteerd in Wallonië, vooral in de
provincies aan de Franse grens. Frankrijk vertoont endemische gebieden van
hantavirus [6], met cyclische epidemische opstoten, vooral in de noordoostelijke
streek van het land [7].
Net zoals in andere Europese landen [4,8-10] treft de ziekte meer mannen
dan vrouwen, wat wordt toegeschreven aan het feit dat zij vaker risicovolle
activiteiten en beroepen uitoefenen, zoals bosberoepen en landbouwactiviteiten.
Vooral deze groep moet dus geïnformeerd worden over de ziekte en de
preventieve maatregelen om een infectie te voorkomen.
Infecties worden het hele jaar door gediagnosticeerd, met een toename in de
lente en in de zomer. Deze seizoenspreiding kan enerzijds het gevolg zijn van
een toename van de professionele activiteiten en de vrijetijdsbelevingen in de
open lucht en anderzijds van de klimaatomstandigheden, die de overleving
bevorderen van knaagdieren. De waargenomen jaarlijkse schommelingen
in zowel België als Europa zijn eveneens waarschijnlijk het gevolg van
veranderingen in het klimaat en in het landschap/leefmilieu, waardoor enerzijds
het virus langer in de omgeving overleeft en anderzijds meer voedsel beschikbaar
is voor de knaagdieren, wat resulteert in een hogere dichtheid van het dierlijke
reservoir [11]. Verschillende studies (uitgevoerd door de UA, de KULeuven en
het WIV-ISP) hebben het verband tussen het klimaat en hantavirusinfecties in
België geëvalueerd en hebben aangetoond dat de incidentie van het hantavirus
ten gevolge van het klimaat kan schommelen [11,12].
Noch in Europa, noch in België wordt een duidelijke trend vastgesteld. Er zouden
om de 3 of 4 jaar pieken optreden in Europa maar deze waarneming wordt
gemaskeerd door de verschillen tussen de Europese landen. Hoewel jaren met
een hoger aantal gevallen en epidemische haarden op verschillende momenten
en plaatsen worden vastgesteld, is er op dit moment geen bewijs of aanwijzing
voor een reële toename van het aantal gevallen van hantavirus in Europa of
België.
Referenties
1. European Centre for Disease Prevention and Control (ECDC). Technical report: Prevention
measures and communication strategies for hantavirus infection in Europe. 2014.
Beschikbaar via: http://ecdc.europa.eu/en/publications/Publications/hantavirus-prevention.pdf
2. Heyman P, Vaheri A, Members E. Situation of hantavirus infections and haemorrhagic
fever with renal syndrome in European countries as of December 2006. Eurosurveillance.
2008;13(28).
3. Van Loock F, Thomas I, Clement J, Ghoos S, Colson P. A case-control study after a hantavirus
infection outbreak in the south of Belgium: who is at risk? Clinical Infectious Diseases.
1999;28(4):834-839.
4. European Centre for Disease Prevention and Control (ECDC). Annual Epidemiological
Report: Emerging and vector-borne diseases 2014. Beschikbaar via: http://ecdc.europa.
eu/en/publications/Publications/emerging-vector-borne-diseases_annual-epidemiologicalreport-2014.pdf
5. National Institute for Public Health and the Environment (RIVM). State of Infectious Diseases
in the Netherlands, 2014. Beschikbaar via: http://www.rivm.nl/dsresource?objectid=rivmp:2
94198&type=org&disposition=inline&ns_nc=1
6. Institut de Veille sanitaire (InVs). Données épidémiologiques : Hantavirus. Beschikbaar via:
http://www.invs.sante.fr/Dossiers-thematiques/Maladies-infectieuses/Zoonoses/Hantavirus/
Donnees-epidemiologiques
7. Ministère français de la Santé et des Sports. Fièvre hémorragique avec syndrome rénal.
Informations pour les professionnels de santé. Beschikbaar via: http://www.sante.gouv.fr/
IMG/pdf/hantavirus_professionnels_de_sante_juin_2010.pdf
8. Heyman P, Ceianu CS, Christova I, Tordo N, Beersma M, Joao Alves M et al. A five-year
perspective on the situation of haemorrhagic fever with renal syndrome and status of the
hantavirus reservoirs in Europe, 2005-2010. Eurosurveillance. 2011;16(36).
9. Abu Sin M, Stark K, van Treeck U, Dieckmann H, Uphoff H, Hautmann W et al. Risk factors
for hantavirus infection in Germany, 2005. Emerging Infectious Diseases. 2007;13(9):13646.
10. Winter C, Brockmann S, Piechotowski I, Alpers K, Van der Heiden M, Koch J et al. Survey
and case-control study during epidemics of Puumala virus infection. Epidemiology and
Infection. 2009;137(10):1479-1485.
11. Clement J, Vercauteren J, Verstraeten W, Ducoffre G, Barrios J, Vandamme AM et al. Relating
increasing hantavirus incidences to the changing climate: the mast connection. Int J Health
Geogr. 2009; 8:1.
2. Zoönosen
12. Tersago K, Verhagen R, Vapalahti O, Heyman P, Ducoffre G, Leirs H. Hantavirus outbreak
in Western Europe: reservoir host infection dynamics related to human disease patterns.
Epidemiology and Infection. March 2011. 139 (03):381-390.
49
Leptospirose (Leptospira spp.)
T. Lernout, M. Van Esbroeck
Hoofdpunten
• Het aantal gevallen van leptospirose in België was opmerkelijk hoger in 2014
(n=34) dan in de voorgaande jaren.
• De meerderheid van de besmettingen werden opgelopen in België, met een
clustering van gevallen in de regio van Charleroi.
• De overgrote meerderheid van de gevallen in België zijn mannelijke volwassenen.
• Een toename van leptospirose werd ook in andere Europese landen gerapporteerd.
2. Zoönosen
Inleiding
50
Leptospirose is een infectie die wordt veroorzaakt door bacteriën van het
geslacht Leptospira. De belangrijkste natuurlijke gastheren van de bacterie zijn
kleine knaagdieren (ratten, muizen), vee (runderen, geiten, paarden, varkens)
en gezelschapsdieren (honden, katten). Dieren dragen leptospiren in hun nieren
en scheiden ze (soms levenslang) uit in hun urine. De bacteriën kunnen enkele
weken overleven in het water of in vochtige grond. Besmetting van de mens
vindt plaats via de beschadigde huid of de mucosa (mond, neus, ogen), door
direct contact met (urine van) besmette dieren, of indirect contact met door urine
verontreinigd water of grond. De personen die het meeste risico lopen op een
infectie zijn bepaalde beroepsgroepen (veeboeren, veeartsen, vuilnisophalers,
landbouwers enz.) en mensen die recreatieve activiteiten beoefenen in zoet
water (vissen, kajakken, zwemmen enz.).
De klinische tekens van leptospirose kunnen zeer uiteenlopend zijn, waardoor
de diagnose soms moeilijk te stellen is. In de meerderheid van de gevallen
kent de ziekte een mild verloop en wordt ze gekenmerkt door een griepaal
syndroom, met plots optredende hoofdpijn, koorts, spier- en gewrichtspijnen.
Enkele dagen later kan het klinisch beeld verwikkeld worden door aantasting
van de lever met icterus, nierinsufficiëntie, neurologische manifestaties,
bloedingen, aantasting van het hart, de longen of de ogen. Als de patiënt
geen onderliggende aandoening heeft en geen multiorgaanlijden vertoont is
de evolutie meestal gunstig, zonder restletsels. Wanneer de diagnose niet tijdig
wordt gesteld en zonder behandeling kan de ziekte echter dodelijk aflopen.
Leptospirose komt wereldwijd voor, maar vooral in vochtige (sub)tropische
gebieden, waar vaak epidemieën optreden na zware regenval of overstromingen.
Methode
Leptospirose is geen verplicht te melden ziekte in België. De epidemiologische
surveillance wordt uitgevoerd door het referentielaboratorium van het
Instituut voor Tropische Geneeskunde (ITG). De diagnose is gebaseerd op de
microscopische agglutinatie test (MAT), die een aanwijzing kan geven over
welke serogroep de infectie veroorzaakt.
De diagnose is bevestigd wanneer een seroconversie of een viervoudige
titerstijging van de antilichamen wordt aangetoond met de MAT, of indien in
één enkel staal van een patiënt met een passend klinisch beeld een hoge MAT
titer en IgM-antilichamen aangetoond worden. Een waarschijnlijk geval is een
persoon met IgM-antilichamen en een lage MAT titer waarvoor geen informatie
over kliniek en blootstelling beschikbaar is.
Resultaten
In 2013 en 2014 heeft het referentielaboratorium de diagnose van leptospirose
bevestigd bij respectievelijk 14 en 21 personen. Daarnaast vertoonden 1 persoon
in 2013 en 13 personen in 2014 een waarschijnlijke infectie. Het merendeel van
de gevallen zijn mannen, 67% in 2013 en 94% in 2014 (Figuur 1).
Figuur 1 | Aantal gerapporteerde gevallen van leptospirose volgens geslacht
per jaar, België, 2001-2014
(Bron: referentielaboratorium voor Leptospira)
30
Women
25
Men
20
15
10
5
2014
2013
2012
2011
2010
2009
2008
2007
2006
2005
2004
2003
2002
2001
0
De patiënten in 2013 waren jongere personen (mediaan 32 jaar, spreiding 15
tot 60 jaar) vergeleken met 2014 (mediaan 53 jaar, spreiding 17-71 jaar) (Figuur
2).
2. Zoönosen
Number of cases
35
51
Figuur 2 | Distributie van gevallen van leptospirose per leeftijdsgroep,
België, 2013-2014
(Bron: referentielaboratorium voor Leptospira)
60
2013
Proportion of cases (%)
50
2014
40
30
20
10
0
0-14
15-24
25-44
45-64
≥65
2. Zoönosen
Age group (years)
52
De toename van het aantal gevallen in 2014 betreft besmettingen die in België
werden opgelopen. In 2013 werden 6 personen geïnfecteerd tijdens een
reis in het buitenland vergeleken met 8 gevallen in 2014, wat overeenstemt
met respectievelijk 46% en 23% van het totaal aantal gevallen (waarvoor de
informatie beschikbaar is) in beide jaren. Het merendeel van de importgevallen
in 2013 en 2014 rapporteerden een reis in Azië (n=8), onder meer in Thailand,
Cambodja en Vietnam. Drie personen werden vermoedelijk besmet in Europa,
met name in Frankrijk (n=2) en in Griekenland (n=1).
De 26 personen die in België besmet werden in 2014 wonen verspreid over het
land, met een clustering van gevallen in de regio van Charleroi (Figuur 3). Hierbij
moet opgemerkt worden dat de plaats van besmetting mogelijk verschilt van de
woonplaats.
Van de 23 besmette personen in België in 2014 waarvan de vermoedelijke bron
van besmetting gekend is, werd de meerderheid (57%) besmet tijdens vrijetijd
activiteiten (kajakken, vissen, zwemmen, wandelen/lopen). Zes personen
(26%) vermeldden een professionele blootstelling (landbouwer, vuilnisman,
wegwerker) en vier personen (17%) werden blootgesteld aan ratten.
Bespreking
In Europa komt leptospirose zelden voor. In 2012 hebben 27 Europese landen
in totaal 489 bevestigde gevallen gemeld, waarvan 10 sterfgevallen [1]. Het
merendeel van de gevallen waren volwassen mannen (24 tot 64 jaar), die
vaker worden blootgesteld aan een besmetting tijdens beroeps- en recreatieve
activiteiten. De hoogste incidentie werd gerapporteerd in Malta (0,70
gevallen/100.000 inwoners) en in Litouwen (0,65/100.000 inwoners).
In België is het aantal gediagnosticeerde gevallen beperkt, met 10 à 20 gevallen
per jaar. In 2014 werd echter een belangrijke toename genoteerd, met een
hogere proportie mannen, in de leeftijdsgroep van 45 tot 64. Deze stijging is
niet te wijten aan een verhoogd aantal besmettingen die tijdens een reis in
het buitenland werden opgelopen, maar aan een toename van de autochtone
2. Zoönosen
Figuur 3 | Geografische spreiding van autochtone gevallen van leptospirose,
België, 2014
(Bron: referentielaboratorium voor Leptospira)
53
gevallen. De stijging kan te maken hebben met een gunstiger klimaat dat jaar
voor de overleving van leptospiren (natte zomer), of met de aanwezigheid van
een hoger aantal knaagdieren, o.a. als gevolg van de zachte winter 2013-2014.
In de regio van Charleroi trad mogelijk een cluster van gevallen op. Bij runderen
in Wallonië werd in het najaar van 2014 ook een epidemie van leptospirose
gedetecteerd, met een verhoogd aantal abortussen van icterische foetussen
verspreid over de Waalse provincies [2].
Ook in onze buurlanden werd in 2014 een sterke toename van het aantal
gevallen van leptospirose opgemerkt. In Nederland werden er in 2014 via de
verplichte melding 102 gevallen gerapporteerd, vergeleken met 27 gevallen in
2013 [3]. De toename was vooral merkbaar tussen juni en november, en voor
een groot deel werd de infectie opgelopen in eigen land. In Frankrijk werd in
2014 de hoogste incidentie van leptospirose geregistreerd sinds de start van de
surveillance (in de jaren 70), met een totaal van 628 geregistreerde gevallen,
vergeleken met 358 gevallen in 2013 [4].
Vermits de klinische diagnose moeilijk is en er niet steeds laboratoriumonderzoek
gebeurt, wordt het aantal gevallen van leptospirose in België mogelijk
onderschat.
Referenties
1. European Centre for Disease Prevention and Control (ECDC). Surveillance report. Annual
epidemiological report food- and waterborne diseases and zoonoses in 2012. 2014.
Beschikbaar via: http://ecdc.europa.eu/en/publications/Publications/food-waterbornediseases-annual-epidemiological-report-2014.pdf
2. Zoönosen
2. Arsia. La leptospirose responsable des veaux ictériques. Publicatie 01/01/2015. Beschikbaar
via: http://www.arsia.be/?p=6270
54
3. National Institute for Public Health and the Environment (RIVM). State of Infectious Diseases
in the Netherlands, 2014. Beschikbaar via: http://www.rivm.nl/dsresource?objectid=rivmp:2
94198&type=org&disposition=inline&ns_nc=1
4. Institut Pasteur. Rapport annuel d’activité. Centre National de Référence de la Leptospirose.
Année d’exercice 2014. Beschikbaar via: https://www.pasteur.fr/sites/www.pasteur.fr/files/
cnr_lepto_2014_mpshort.pdf
Hondsdolheid (Rabiësvirus)
J. Rebolledo, B. Brochier, S. Van Gucht
Hoofdpunten
• In België is er sinds 1922 geen enkel autochtoon geval van humane rabiës meer
gerapporteerd.
• België is vrij van honden- en vossenrabiës.
• In 2013 werden er drie verdachte humane gevallen van rabiës getest door het
NRC en in 2014 twee. Alle resultaten waren negatief.
Rabiës is een virale zoönose. Verschillende soorten vleeseters en vleermuizen
vormen het natuurlijke reservoir van het virus. Rabiës is in meer dan 100 landen
onder enzoötische1 vorm aanwezig. We onderscheiden twee epidemiologische
cycli: de luchtcyclus, veroorzaakt door bepaalde soorten vleermuizen (Chiropterae),
en de grondcyclus. De grondcyclus is ‘stedelijk’ of ‘sylvatisch’, afhankelijk van de
soort vleeseter die het reservoir of de vector van de infectie vormt, respectievelijk
een huisdier (hond) of een wild dier (vos, wolf, wasbeer,…). Het rabiësvirus
behoort tot de soort Lyssavirus van de familie van de Rhabdoviridae. Het virus
is neurotroop en de ziekte wordt gekarakteriseerd door een acute encefalitis die
altijd fataal afloopt zodra er klinische verschijnselen opduiken.
In Europa kon de stedelijke rabiës in het begin van de 20e eeuw worden
uitgeroeid dankzij intensieve campagnes voor de vaccinatie van honden. Na
de Tweede Wereldoorlog hebben Europa en Noord-Amerika echter te kampen
gekregen met epizoötieën van sylvatische rabiës. Vandaag kunnen in Europa
enkele soorten insectenetende vleermuizen drager zijn van twee andere
lyssavirussen: het ‘European bat lyssavirus 1 (EBLV1)’ en het ‘European bat
lyssavirus 2 (EBLV2)’. De huidige vaccins zijn veilig en efficiënt, zowel tegen het
klassieke rabiësvirus als tegen de lyssavirussen van vleermuizen.
België is sinds 2001 vrij van sylvatische rabiës door een eliminatieprogramma
met orale vaccinatie van vossen. De twee lyssavirussen (EBLV1/2) circuleren
overal in Europa via vleermuizen. Hoewel in België nog geen vleermuizen zijn
aangetroffen die drager zijn van rabiës kunnen we niet uitsluiten dat het virus
ook hier circuleert.
Methode
Gezien de ernst van de ziekte voor de mens, is rabiës een meldingsplichtige ziekte
in België. Het NRC van het Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid (WIVISP) is de enige structuur in België die de diagnose van rabiës kan bevestigen.
Het NRC is onder meer belast met: a) de diagnose van rabiës bij mens en dier
door de opsporing van antigenen via een rechtstreekse immunofluorescentietest
alsook via de opsporing van het virale RNA door middel van PCR; b) de
1 Endemische ziekte die één of meerdere dierensoorten in één en dezelfde regio treft
2. Zoönosen
Inleiding
55
voortzetting van een basissurveillance om het rabiësvrije statuut van België op
te volgen; c) de dosering van de antilichamen tegen rabiës in het kader van de
controle van de post-vaccinale immuniteit bij mens en dier.
Resultaten
In 2013 en 2014 heeft het NRC geen enkel geval van rabiës bij mens of dier
bevestigd.
Het laatste autochtone geval van humane rabiës in België dateert van 1922.
Sindsdien werden er slechts 4 geïmporteerde (vanuit Rwanda en Zaïre) humane
gevallen gemeld, meer bepaald in 1973, 1981, 1988 en 1990. Tijdens de laatste
epizoötie van sylvatische rabiës (1966-1999) is er geen enkel geval bij de mens
vastgesteld.
Jaarlijks worden echter 80 tot 140 personen behandeld na een beet van een
hond of een ander dier in het buitenland en een wisselend aantal mensen (± 10
per jaar) na contact met een vleermuis (in België of in het buitenland). Dit aantal
lijkt de afgelopen jaren (2004-2014) te zijn toegenomen.
In 2013 werden er drie verdachte humane gevallen van rabiës getest in het
NRC, en in 2014 twee. Alle resultaten waren negatief.
Het NRC voert ook tests uit bij verdachte dieren (wilde dieren en huisdieren).
Sinds 2010 wordt een lichte progressieve daling vastgesteld van het jaarlijks
aantal uitgevoerde tests. In 2013 en 2014 werden minder analysen verricht dan
in de voorgaande jaren, respectievelijk 360 en 273 analysen (Figuur 1).
Figuur 1 | Aantal dieren getest voor rabiës en aantal positieve tests bij dieren per jaar,
België, 1966-2014 (Bron: NRC voor rabiës)
56
2500
2000
1500
1000
500
0
1966
1967
1968
1969
1970
1971
1972
1973
1974
1975
1976
1977
1978
1979
1980
1981
1982
1983
1984
1985
1986
1987
1988
1989
1990
1991
1992
1993
1994
1995
1996
1997
1998
1999
2000
2001
2002
2003
2004
2005
2006
2007
2008
2009
2010
2011
2012
2013
2014
2. Zoönosen
3000
Number of animals analysed
Number of rabies positive animals
2007: 1 imported rabies positive dog (Morroco)
2008: 1 imported rabies positive dog (Gambia)
2011: 1 imported rabies positive bat (Spain)
Figuur 2 | Aantal serologische tests voor rabiës verricht bij de mens per jaar,
België, 2005-2014
(Bron: NRC voor rabiës)
4000
Number of serological tests
3500
3000
2500
2000
1500
1000
500
2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014
Het nationaal laboratorium (en NRC) voor rabiës op het WIV-ISP verricht
serologische tests ter controle van de vaccinale doeltreffendheid bij de mens.
Het aantal serologische tests verricht bij de mens is sinds 2012 sterk toegenomen
door de toenemende trend om de immuniteit tegen rabiës te meten na een
primovaccinatie, vóór het herhalingsvaccin of na vaccinatie in het kader van een
behandeling na blootstelling (Figuur 2). Een gepaste serologische opvolging van
de immuniteit maakt het mogelijk om onnodige herhalingsvaccins te voorkomen
en dus te bezuinigen op het vlak van het gebruik van antirabiësvaccins, die soms
moeilijk te verkrijgen zijn. In vergelijking met 2012 is het aantal verrichte tests in
2013 verdubbeld tot 1735 en in 2014 bijna verviervoudigd, tot 3596.
Bespreking
De landen van West-Europa die een efficiënt beleid tegen rabiës bij wilde
dieren voeren zijn er in geslaagd om de ziekte uit te roeien, behalve bij
vleermuizen. Humane gevallen van rabiës in landen die vrij van de ziekte zijn,
worden veroorzaakt door de beet van een dier in een endemisch land, door
de import van een dier uit een land waar rabiës endemisch is of door de beet
van een vleermuis. Het aantal personen dat blootstelling aan of contact met
een vleermuis meldt aan het NRC lijkt in de afgelopen jaren (2004-2014) te zijn
toegenomen. Het is echter niet duidelijk of dit het gevolg is van een toegenomen
bewustmaking van (gespecialiseerde) personen of door een daadwerkelijke
toename van de blootstellings- en contactincidenten.
In België zijn sinds 1922 alleen geïmporteerde humane gevallen geregistreerd.
Dat is ook zo in de andere landen van de Europese Unie, waar de meeste lidstaten
al decennia geen autochtone gevallen van rabiës meer hebben vastgesteld
2. Zoönosen
0
57
[2]. Volgens de recentste gegevens van het ECDC is er in 2012 in de EU één
autochtoon geval van rabiës gemeld, met name een 5-jarig meisje gebeten door
een straathond in Roemenië. Verder zijn er ook twee geïmporteerde gevallen
gerapporteerd, met name een vrouw uit het Verenigd Koninkrijk die gebeten
was door een hond in India en een Zwitser die in de Verenigde Staten in contact
was gekomen met een vleermuis [3]. Dit bevestigt dat, hoewel humane rabiës
in de EU een heel zeldzame ziekte is, er wel degelijk een risico bestaat door
contact met vleermuizen en door blootstelling in endemische landen. Daarom is
het belangrijk om de surveillance van rabiës voort te zetten, vooral bij de dierlijke
reservoirs [4]. Het is ook belangrijk te onderstrepen dat de bewustmaking van
de bevolking voor de risico’s van blootstelling aan rabiës essentieel is, in het
bijzonder onder reizigers en natuurliefhebbers.
Referenties
1. Europese Commissie. Verordening Nr. 998/2003 inzake veterinairrechtelijke voorschriften
voor het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren en houdende wijziging van
Richtlijn 92/65/EEG van de Raad. Beschikbaar op: http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/
LexUriServ.do?uri=CONSLEG:2003R0998:20120210:NL:PDF
2. De Benedictis P, Gallo T, Iob A, Coassin R, Squecco G, Ferri G et al. Emergence of fox rabies
in north-eastern Italy. EuroSurveillance. 2008;13(45).
2. Zoönosen
3. European Centre for Disease Prevention and Control (ECDC). Annual Epidemiological Report
2011-2012. 2013. Beschikbaar op: http://ecdc.europa.eu/en/publications/Publications/
annual-epidemiological-report-2013.pdf
58
4. Europese Commissie, besluit 2010/712/EU tot goedkeuring van de door de lidstaten voor
2011 en volgende jaren ingediende jaarlijkse en meerjarenprogramma’s en van de financiële
bijdrage van de Unie voor de uitroeiing, bestrijding en bewaking van bepaalde dierziekten
en zoönosen. Beschikbaar op: http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=OJ:L:2
010:309:0018:0030:Nl:PDF
3.VECTOROVERDRAAGBARE ZIEKTEN
3.1 Ziekten die worden overgedragen
door teken
Anaplasmose (Anaplasma phagocytophilum)
T. Lernout, M. Hing, W. Heuninckx
• In 2013 en 2014 werd een acute infectie met Anaplasma phagocytophilum
bevestigd bij telkens 1 persoon. Verder hadden respectievelijk 19 en 17 patiënten
een waarschijnlijke infectie.
• Daarnaast werden antistoffen aangetoond in het bloed van verschillende
personen. Deze resultaten kunnen zonder klinische informatie of een tweede
bloedstaal echter niet geïnterpreteerd worden. Mogelijk gaat het om
doorgemaakte asymptomatische infecties.
Inleiding
Anaplasmose, vroeger humane granulocytaire ehrlichiose genoemd, wordt
veroorzaakt door de bacterie Anaplasma phagocytophilum. Het is een nietbesmettelijke, opkomende zoönose die wordt overgedragen door teken van het
geslacht Ixodes. Hoewel de ziekte reeds in 1932 bij runderen werd beschreven,
werden de eerste gevallen bij de mens pas in 1994 gediagnosticeerd in de
Verenigde Staten. In Europa werd het eerste geval van humane granulocytaire
anaplasmose vastgesteld in 1995, in Slovenië. Sindsdien hebben de meeste
Europese landen infecties gerapporteerd (acute gevallen of via serologische
studies). De eerste beschrijvingen van humane infecties in België dateren van
1995 en 2000 [1,2].
Het reservoir van de bacterie bestaat vooral uit runderen, reeën en
knaagdieren. De overdracht naar de mens gebeurt door contact van speeksel
van een geïnfecteerde teek met de beschadigde huid (na een tekenbeet).
Asymptomatische infecties zijn frequent. Wanneer de ziekte zich ontwikkelt,
treedt na een incubatieperiode van 1 tot 3 weken een griepachtig syndroom
op (koorts, hoofdpijn, spierpijn). Andere mogelijke symptomen zijn een
huiduitslag (zelden), spijsverteringsproblemen, verwardheid, respiratoire
tekenen en achteruitgang van de algemene toestand. De ziekte gaat gepaard
3.1 Ziekten die worden overgedragen
door teken
Hoofdpunten
59
met hematologische afwijkingen (neutropenie, anemie en trombopenie).
Opportunistische infecties als gevolg van de neutropenie bepalen de ernst van
de aandoening. Zonder correcte behandeling kunnen er ernstige complicaties
optreden in de vorm van acute ademhalingsinsufficiëntie, bloedingen,
nierinsufficiëntie of neurologische problemen.
3.1 Ziekten die worden overgedragen
door teken
Methode
60
De diagnose van Anaplasma phagocytophilum wordt sinds 2002
bevestigd door het Militair Hospitaal Koningin Astrid, dat tot 2010 het
referentielaboratorium was en in 2011 het NRC geworden is. Een acute infectie
wordt bevestigd via PCR (op een EDTA staal, afgenomen voor de start van een
behandeling met antibiotica), microscopisch onderzoek of een viervoudige
IgM en/of IgG titerstijging op twee opeenvolgende stalen. Een waarschijnlijk
geval van anaplasmose is een persoon met een blootstelling aan teken in de
voorgeschiedenis en koorts, met een positieve IgM en/of IgG serologie. Een
positieve serologie zonder klinische informatie en/of in afwezigheid van een 2e
bloedstaal kan niet geïnterpreteerd worden.
De classificatie van gevallen werd in 2013 aangepast volgens de richtlijnen van
de ESCMID Study Group on Anaplasma [3].
Resultaten
In 2013 werd een diagnosetest aangevraagd voor 298 patiënten. Bij één enkele
persoon (0,3%) werd een acute infectie bevestigd. Deze 60-jarige man werd
waarschijnlijk in de maand augustus besmet door een tekenbeet, opgelopen in
de Ardennen [4]. Verder hadden 19 personen (6,4%) een waarschijnlijke infectie
en 64 patiënten (21,5%) hadden antistoffen maar zonder klinische informatie
en in afwezigheid van een 2e staal kan geen uitspraak gedaan worden over de
interpretatie van dit resultaat (Figuur 1).
In 2014 werden er meer aanvragen gedaan voor de diagnose van anaplasmose
(n=315 patiënten), maar de verdeling van het aantal positieve resultaten was
vergelijkbaar: 1 bevestigd geval (0,3%) bij een 42-jarige man, 17 waarschijnlijke
gevallen (5,4%) en 49 personen met een positieve serologie zonder interpretatie
(15,6%) (Figuur 1).
Het totale aantal positieve resultaten schommelt jaarlijks, zonder stijgende trend.
Voor de jaren 2005-2012 werd geen onderverdeling gedaan in bevestigde en
vermoedelijke gevallen (Figuur 1).
110
100
90
80
70
60
50
40
30
20
10
0
Confirmed
Probable
Positive
serology
2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014
De leeftijd van de bevestigde en waarschijnlijke gevallen in 2013 en 2014
varieerde van 17 tot 71 jaar, met een mediaan leeftijd van 51 jaar.
De man-vrouwverhouding was verschillend voor beide jaren (60% mannen in
2013 en 45% in 2014), maar dit verschil is statistisch niet significant. Globaal
gezien (over verloop van de verschillende jaren) worden mannen en vrouwen
evenveel besmet.
Gevallen van anaplasmose worden voornamelijk gediagnosticeerd in de zomer
en het begin van de herfst (van juli tot oktober) (Figuur 2).
3.1 Ziekten die worden overgedragen
door teken
Number of cases
Figuur 1 | Aantal gerapporteerde gevallen van (oude of recente) anaplasmose
per jaar, België, 2005-2014
(Bron: NRC voor Anaplasma)
61
Figuur 2 | Aantal gerapporteerde gevallen van anaplasmose per maand,
België, 2013 en 2014
(Bron: NRC voor Anaplasma)
6
2013
Number of cases
5
2014
4
3
2
3.1 Ziekten die worden overgedragen
door teken
1
62
0
Jan Feb Mar Apr May June July Aug Sept Oct Nov Dec
Bespreking
Acute gevallen van anaplasmose worden zelden vastgesteld in Europa, maar
epidemiologische studies in verschillende landen bevestigen het bestaan van
(doorgemaakte) infecties in de algemene populatie [2,5,6].
Ook in België wordt een acute infectie met A. phagocytophilum zelden
gediagnosticeerd. Omwille van een aspecifieke symptomatologie in het begin
van de ziekte worden diagnostische tests meestal aangevraagd na de acute
fase van de infectie, en bestaan dan uit serologisch onderzoek (aanwezigheid
van specifieke IgG-antistoffen). Een positieve serologie is echter niet synoniem
voor een acute symptomatische infectie. Minstens twee derde van de besmette
personen maken een asymptomatische infectie door en IgG antistoffen kunnen
een tot twee jaar aanwezig blijven na een besmetting. Ook zijn vals positieve
resultaten door kruisreacties met andere pathogenen (zoals Borrelia, Coxiella,
Brucella spp., EBV, CMV) en door auto-immune aandoeningen, waarbij
autoantilichamen worden aangemaakt, mogelijk [7]. Om een goede diagnostiek
toe te laten is het dus belangrijk om bij elk vermoeden van een infectie na een
tekenbeet zo vroeg mogelijk in de ziekte een bloedstaal (EDTA-tube) naar het
NRC te sturen voor PCR en microscopisch onderzoek. Wanneer het vermoeden
pas gesteld wordt in een later stadium van de ziekte moeten 2 stalen opgestuurd
worden (met een interval van vier weken) zodat een seroconversie of titerstijging
kan aangetoond worden. De resultaten kunnen enkel geïnterpreteerd worden
in aanwezigheid van klinische informatie.
Niettegenstaande er zelden acute infecties worden gediagnosticeerd in België,
zijn er aanwijzingen dat de bacterie aanwezig is bij de mens, bij teken en
(zeldzamer) bij dieren. Een Belgische studie op Ixodes teken verzameld op 1135
katten en honden in 2008-2009 toonde aan dat 19.5% van de teken drager
waren van A. phagocytophilum [8]. In 2011 werd de bacterie ook aangetoond
met PCR in de milt van 1% van geslachte everzwijnen in België [9].
Het hoger aantal (vermoedelijke) gevallen van anaplasmose in de zomer en
begin van de herfst (van juli tot oktober) is toe te schrijven aan de activiteit
van de teken. Het is dan ook aanbevolen om gedurende de periode wanneer
teken actief zijn (van maart tot oktober) maatregelen te nemen om tekenbeten
te voorkomen (voor meer informatie zie www.tekennet.be).
Referenties
1. Pierard D, Levtchenko E, Dawson JE, Lauwers S. Ehrlichiosis in Belgium. Lancet. 1995
Nov;346:1233-34.
3. Brouqui P, Bacellar F, Baranton G, Birtles RJ, Bjoërsdorff A et al. ESCMID Study Group on
Coxiella, Anaplasma, Rickettsia and Bartonella; European Network for Surveillance of TickBorne Diseases. Guidelines for the diagnosis of tick-borne bacterial diseases in Europe. Clin
Microbiol Infect. 2004 Dec;10(12):1108-32.
4. Hing M, Woestyn S, Van Bosterhaut B, Desbonnet Y, Heyman P et al. Diagnosis of human
granulocytic anaplasmosis in Belgium by combining molecular and serological methods.
New Microbes New Infect. 2014 Nov;2(6):177-8.
5. Hjetland R, Henningsson AJ, Vainio K, Dudman SG, Grude N, Ulvestad E. Seroprevalence
of antibodies to tick-borne encephalitis virus and Anaplasma phagocytophilum in healthy
adults from western Norway. Infect Dis. 2015 Jan;47(1):52-6.
6. Von Wissmann B, Hautmann W, Sing A, Hizo-Teufel C, Fingerle V. Assessing the risk of
human granulocytic anaplasmosis and lyme borreliosis after a tick bite in Bavaria, Germany.
Int J Med Microbiol. 2015 Aug 21.
7. Thomas RJ, Dumler JS, Carlyon JA. Current management of human granulocytic
anaplasmosis, human monocytic ehrlichiosis and Ehrlichia ewingii ehrlichiosis. Expert Rev
Anti Infect Ther. 2009 Aug;7:709-22.
8. Claerebout E, Losson B, Cochez C, Casaert S, Dalemans AC et al. Ticks and associated
pathogens collected from dogs and cats in Belgium. Parasit Vectors. 2013;6:183.
9. Nahayo A, Bardiau M, Volpe R, Pirson J, Paternostre J et al. Molecular evidence of Anaplasma
phagocytophilum in wild boar (Sus scrofa) in Belgium. BMC Vet Res. 2014 Apr 2;10:80.
3.1 Ziekten die worden overgedragen
door teken
2. Cochez C, Ducoffre G, Vandenvelde C, Luyasu V, Heyman P. Human anaplasmosis in
Belgium: a 10-year seroepidemiological study. Ticks Tick Borne Dis. 2011 Sep;2(3):156-9.
63
Ziekte van Lyme (Borrelia burgdorferi)
T. Lernout, B. Kabamba-Mukadi, V. Saegeman, S. Quoilin
Hoofdpunten
• In 2013 en 2014 is het aantal serologietesten voor Borrelia uitgevoerd door
de peillaboratoria sterk toegenomen, waardoor ook het totale aantal positieve
resultaten voor Borrelia burgdorferi toenam. De positiviteitsratio (aantal positieve
testen/totaal aantal testen) bleef stabiel vergeleken met voorgaande jaren.
• Zoals de vorige jaren werd het hoogste aantal positieve resultaten gerapporteerd
in de provincies van Antwerpen, Brabant en Luxemburg.
3.1 Ziekten die worden overgedragen
door teken
• De klassiek waargenomen seizoensverdeling is in 2014 minder sterk uitgesproken,
met een hoger aantal positieve testen in de herfstmaanden. Dit heeft mogelijk te
maken met een langere tekenactiviteit door de hogere temperaturen opgetekend
in die periode.
64
Inleiding
De ziekte van Lyme (of borreliose) is een infectieziekte die veroorzaakt wordt
door de bacterie Borrelia burgdorferi. Deze wordt op de mens overgedragen via
een beet van bepaalde tekensoorten (van het geslacht Ixodes). In België schat
men dat 12% van alle teken besmet is [1]. Het overdrachtsrisico van de bacterie
stijgt naarmate de teek langer blijft vastzitten op de huid. Als de teek binnen 12
tot 24 uur verwijderd wordt is de kans op besmetting klein. Na een beet van
een teek, bedraagt het risico op de ontwikkeling van de ziekte ongeveer 1 tot
3% [2-4].
De klinische uiting van de ziekte varieert van persoon tot persoon. Een groot
aantal van de personen die blootgesteld worden aan de bacterie zal nooit
klinische tekens vertonen, maar zal wel specifieke antilichamen ontwikkelen
[5]. Wanneer de ziekte wel tot uiting komt kan dat onder verschillende vormen
gebeuren: 1) vroege gelokaliseerde manifestaties, enkele dagen tot weken na
de beet; 2) vroege gedissemineerde manifestaties, enkele weken tot maanden
na de beet; en 3) late gedissemineerde manifestaties die maanden tot jaren na
een beet optreden. De meest voorkomende klinische manifestatie in Europa
is het erythema migrans (60 tot 80% van de symptomatische infecties), dat 2
tot 30 dagen na de beet verschijnt (meestal 7-14 dagen) [5]. Het gaat om een
erythemateus huidletsel dat vanaf de plaats van de tekenbeet langzaamaan
groter wordt en meestal binnen de maand verdwijnt. Zonder behandeling
kunnen de spirocheten zich verspreiden naar andere delen van het lichaam,
met aantasting van verschillende organen zoals het centraal zenuwstelsel
(neuroborreliose), de gewrichten (artritis), het hart (arythmieën) en, meer
uitzonderlijk, andere lokalisaties (oogaantasting, lever…) [5].
De ziekte van Lyme wordt behandeld met antibiotica gedurende 10 dagen tot
4 weken, afhankelijk van de klinische verschijnselen en het stadium [5]. Hoe
sneller de antibiotica worden toegediend, hoe efficiënter de behandeling zal
zijn.
In België is de ziekte van Lyme geen verplicht aan te geven aandoening.
De surveillance baseert zich op verschillende bronnen van informatie: een
netwerk van peillaboratoria, het NRC voor Borrelia en een netwerk van
huisartsenpeilpraktijken (via opeenvolgende studies). Daarnaast laten de
Minimale Ziekenhuisgegevens (MZG) toe om het aantal gehospitaliseerde
personen voor de ziekte van Lyme op te volgen.
Enkel de resultaten van de surveillance door laboratoria worden hieronder
weergegeven. Een nieuwe studie van het aantal personen die een huisarts
raadplegen met een tekenbeet of een erythema migrans is lopende in 2015, en
de MZG voor de periode 2013-2014 zijn nog niet beschikbaar.
Sinds 1991 rapporteert een netwerk van een veertigtal peillaboratoria verspreid
over België, het aantal serologie resultaten die positief zijn voor Borrelia
burgdorferi. Sinds de terugbetaling van confirmatietesten moeten enkel
bevestigde resultaten (via western blot of immunoblotting) worden gemeld.
Het NRC, bestaande uit een consortium van de UCL en het UZ Leuven, biedt
steun bij het stellen van de diagnose en voert meer complexe testen uit (PCR,
identificatie van het species). De resultaten van hun analyses worden als
aanvulling gebruikt van de gegevens van de peillaboratoria.
Resultaten
Niettegenstaande jaarlijkse schommelingen, bleef het aantal door de
peillaboratoria gemelde positieve resultaten voor Borrelia burgdorferi tussen
2000 en 2012 relatief stabiel. In 2013 en 2014 werden respectievelijk 1843 en
2257 gevallen geregistreerd, met een belangrijke toename in alle regio’s van
België (Figuur 1). Deze toename stemt overeen met een sterke stijging van het
totaal aantal uitgevoerde serologietesten (Figuur 2). De proportie van positieve
resultaten op het totaal aantal testen schommelt rond de 2% en is stabiel
gebleven.
3.1 Ziekten die worden overgedragen
door teken
Methode
65
Figuur 1 | Aantal gerapporteerde positieve resultaten voor B. burgdorferi
per regio en per jaar, België, 2000-2014
(Bron: netwerk van peillaboratoria)
2500
Wallonia
Number of cases
2000
Flanders
1500
Brussels
1000
66
2014
2013
2012
2011
2010
2009
2008
2007
2006
2005
2004
2003
2002
2001
2000
0
Figuur 2 | Totaal aantal uitgevoerde serologie testen voor B. burgdorferi en
positiviteitsratio, België, 2007-2014
(Bron: netwerk van peillaboratoria en RIZIV)
110 000
100 000
90 000
80 000
70 000
60 000
50 000
40 000
30 000
20 000
10 000
0
10
9
8
7
6
5
4
3
2
1
2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014
0
Positivity rate in %
Number of tests
3.1 Ziekten die worden overgedragen
door teken
500
Proportioneel is de toename van het aantal positieve resultaten groter in
Wallonië en in Brussel dan in Vlaanderen. Tussen 2000 en 2014 is de proportie
gevallen in Wallonië (op het totaal aantal) toegenomen van 28,7% tot 40,4%
en in Brussel van 1,9% tot 9,2%. Vlaanderen was verantwoordelijk voor 69,4%
van de positieve resultaten in 2000, vergeleken met 50,4% in 2014.
Zowel in 2013 als in 2014 is de gerapporteerde incidentie van positieve
resultaten hoger in arrondissementen van de provincies Antwerpen, Brabant en
Luxemburg (Figuur 3).
Figuur 3 | Gerapporteerde incidentie van positieve serologie resultaten voor B. burgdorferi
per arrondissement, België, 2013 en 2014
(Bron: netwerk van peillaboratoria)
2013
0-5
6 - 20
21 - 40
41 - 167
Incidence [Cases / 1E5 inhabitants]
2014
0-5
6 - 20
21 - 40
41 - 207
Incidence [Cases / 1E5 inhabitants]
In tegenstelling tot de voorgaande jaren werden in 2013-2014 iets meer
positieve resultaten vastgesteld bij vrouwen dan bij mannen. De manvrouwverhouding was 0.82 in 2013 en 0.93 in 2014. Beide jaren werd de
hoogste incidentie gerapporteerd bij 45 tot 64-jarigen (Figuur 4).
67
Figuur 4 | Gerapporteerde incidentie van positieve serologie resultaten voor
B. burgdorferi per leeftijdsgroep, België, 2013 en 2014
(Bron: netwerk van peillaboratoria)
30
2013
Incidence per 100.000
25
2014
20
15
10
3.1 Ziekten die worden overgedragen
door teken
5
68
0
0-4
5-9
10-14
15-24
25-44
45-64
≥ 65
Age group (years)
In 2014 was de distributie van het aantal positieve resultaten per maand anders
dan de voorgaande jaren, met een hoger aantal maandelijkse gevallen (zie ook
Figuur 1) en vooral een minder duidelijke daling op het einde van de herfst
(Figuur 5).
Figuur 5 | Aantal gerapporteerde positieve resultaten voor B. burgdorferi per
maand in 2014 en gemiddelde van het aantal gevallen voor de 5 jaren
voordien (2009-2013), België (Bron: netwerk van peillaboratoria)
Figuur 6 | Klinische manifestatie bij personen met een positief resultaat
(serologie of PCR) voor B. burgdorferi per leeftijdsgroep, België, 2014
(Bron: NRC voor B. burgdorferi)
Proportion of cases (%)
45
40
EM
35
NB
30
Arthritis
25
Other
20
15
10
5
0
<15
15-34
35-54
≥55
Age group (years)
In 2014 werd het species van Borrelia spp. geïdentificeerd voor 17 patiënten.
Bij de 15 gevallen van artritis had de meerderheid een infectie met B. burgdorferi
ss (87%), en hadden 2 personen (13%) een infectie met B. afzelii. Voor twee
personen met een diagnose van neuroborreliose was het species respectievelijk
B. burgdorferi ss en B. afzelii. In 2013 werd B. burgdorferi ss geïsoleerd
bij 8 patiënten met artritis (80%) en B. garinii bij 2 andere personen (20%).
B. garinii werd ook gedetecteerd bij 1 patiënt met neuroborreliose. Er werden
dat jaar geen infecties met B. afzelii gedetecteerd.
3.1 Ziekten die worden overgedragen
door teken
In 2014 heeft het NRC 3.178 testen (2.708 serologietesten en 470 PCR)
uitgevoerd, wat een belangrijke toename is vergeleken met de 2.468 analyses in
2013. Een positief resultaat werd bekomen bij 582 personen (20%) in 2014 en
566 individuen (26%) in 2013. De klinische informatie, die essentieel is voor de
interpretatie van de resultaten was slechts aanwezig voor 30% van de patiënten
in 2013 en 37% in 2014.
Een groot deel van de testen werd uitgevoerd voor een erythema migrans
(EM) of omwille van aspecifieke symptomen (andere), vooral bij volwassenen
(≥ 5 jaar) (Figuur 6). Kinderen jonger dan 15 jaar vertoonden voornamelijk een
artritis en bij 15 tot 34-jarigen was neuroborreliose (NB) de meest voorkomende
klinische manifestatie (waarvoor een analyse werd uitgevoerd).
69
3.1 Ziekten die worden overgedragen
door teken
Bespreking
70
Bij de interpretatie van de resultaten van de surveillance van de ziekte van Lyme
op basis van laboratoria (netwerk van peillaboratoria en NRC) moet men rekening
houden met een aantal belangrijke elementen: 1) een peilnetwerk betekent dat
slechts een deel van de Belgische laboratoria deelneemt aan de surveillance (ze
is dus niet exhaustief); 2) vermits antistoffen jarenlang positief kunnen blijven
betekent een positief serologisch resultaat niet altijd dat de persoon op het
moment van de bloedafname de ziekte van Lyme heeft, maar toont dat aan dat
de patiënt ooit in contact is gekomen met de Borrelia burgdorferi-bacterie; 3)
bij een erythema migrans, de frequentste klinische manifestatie van de ziekte,
is het niet aangeraden om een bloedanalyse te doen omdat in dit stadium
van de ziekte meestal nog geen antilichamen aanwezig zijn in het bloed. Het
doel van de surveillance is dus niet om het aantal patiënten met de ziekte van
Lyme in België te schatten. Een continue opvolging door een stabiel netwerk
van laboratoria die ongeveer 50% van de serologische testen voor de diagnose
van borreliose in België uitvoeren en relatief homogeen verspreid voorkomen
in het land, laat wel toe om trends op te volgen in de loop van de tijd en de
eigenschappen van de personen met een positief resultaat te beschrijven.
Tot in 2012 werden jaarlijkse schommelingen van het aantal positieve serologie
resultaten voor Borrelia burgdorferi waargenomen, met een globale stabiele
trend. In 2013 en 2014 was er een belangrijke toename van het aantal
uitgevoerde testen, met als gevolg hiervan ook een hoger aantal positieve
resultaten. De positiviteitsratio (proportie positieve resultaten/totaal aantal
testen) was vergelijkbaar met de voorgaande jaren. De toename van het aantal
uitgevoerde testen is vermoedelijk toe te schrijven aan een verhoogde aandacht
voor de ziekte, zowel bij de artsen als de algemene bevolking.
Ook het NRC heeft in 2014 meer testen uitgevoerd, met een lagere
positiviteitsratio. Een groot deel van de activiteit van het NRC betreft analyses
die niet beantwoorden aan de aanbevelingen voor de diagnose van Lyme. Zo is
het niet nodig om een bloedanalyse te doen bij een erythema migrans (te vroeg
om antistoffen te detecteren) en is het tegenaangewezen om een serologie uit
te voeren bij patiënten met aspecifieke klachten (moeheid, polyalgieën, enz.)
omdat de aanwezigheid van antistoffen tegen Borrelia burgdorferi geen causaal
verband aantoont. Jammer genoeg beschikt het NRC vaak niet over de klinische
gegevens die toelaten om de resultaten te interpreteren. Het Borrelia species
dat het meest gedetecteerd werd in 2014, voornamelijk op articulair vocht, is
B. burgdorferi ss, wat het vaakst met artritis en neuroborreliose geassocieerd
wordt [6]. Algemeen is het meest frequente species dat in Europa wordt
teruggevonden B. afzelii, dat een tropisme heeft voor de huid en voornamelijk
met erythema migrans wordt geassocieerd. Zelfs wanneer er twijfel bestaat
over de diagnose bij een atypisch huidletsel, wordt er zelden een huidbiopsie
genomen voor PCR of histologisch onderzoek, wat verklaart waarom dit species
zelden werd gedetecteerd door het NRC.
In de literatuur is de incidentie van Lyme hoger bij mannen dan bij vrouwen,
omdat beroeps- en vrijetijdsactiviteiten in de buitenlucht vaker door mannen
3.1 Ziekten die worden overgedragen
door teken
worden uitgeoefend. In België is dat sommige jaren ook het geval, maar niet
altijd. Globaal genomen komt de ziekte ongeveer evenveel voor bij vrouwen als
bij mannen. Ook komen personen van alle leeftijden in contact met de bacterie,
hoewel volwassenen, en vooral mensen van 45 tot 64 jaar, vaker een positief
serologie resultaat hebben (aanwezigheid van antistoffen). Dit komt overeen
met een hogere kans op een blootstelling met toenemende leeftijd en het vaker
uitoefenen van buitenactiviteiten (tuinieren, wandelen) bij personen in deze
leeftijdsgroep.
Positieve resultaten worden gerapporteerd in heel België, met een groter aantal
in het noordoosten, het centrum en het zuiden van het land. Dat strookt met
de ideale habitat voor teken, namelijk wouden waar zowel kleine als grote
zoogdieren leven, in bossen met veel begroeiing evenals in open velden zoals
oude weiden, waar er voldoende regen valt en de begroeiing dicht genoeg is
om de vochtigheidsgraad op peil te houden.
In 2013 is de seizoensverdeling vergelijkbaar met wat gewoonlijk wordt
opgemerkt in België en andere landen, met een piek van gerapporteerde
positieve resultaten tussen mei en oktober, wanneer teken het meest actief
zijn. In 2014 blijft het aantal positieve testen echter hoog in het najaar. Dit
kan mogelijk verklaard worden door een verlengde activiteit van teken dat jaar
omwille van hogere temperaturen dan normaal. Volgens de gegevens van het
Koninklijk Meteorologisch Instituut (KMI) was de herfst van 2014 de tweede
warmste herfst sinds de start van de metingen in 1833 [7].
Als gevolg van de opwarming van de aarde wordt verwacht dat de ziekte
van Lyme zal toenemen in Europa. Dit werd inderdaad al in sommige landen
beschreven, maar niet overal. De incidentie van de ziekte wordt niet enkel
bepaald door het aantal teken, maar ook door verschillende andere factoren,
zoals de proportie teken die geïnfecteerd zijn met Borrelia, de gewoontes van
de bevolking (frequente blootstelling aan tekenbeten, of niet) en de voorzorgen
die men neemt om tekenbeten te voorkomen. In Nederland, waar het aantal
raadplegingen bij een huisarts voor een erythema migrans tussen 1994 en
2009 verdrievoudigde, werd een stabilisatie vastgesteld in 2014 [8]. De meest
recente gegevens in Frankrijk en Duitsland (periode 2009-2011/2012) tonen een
stabiele of eerder dalende incidentie van borreliose [9,10]. De vergelijking van
gegevens in Europa is echter moeilijk omwille van het gebruik van verschillende
surveillance systemen en verschillende gevalsdefinities.
In België wordt er voorlopig geen toenemende trend van de ziekte
waargenomen. De resultaten van de lopende studie bij huisartsen, waarbij een
schatting gemaakt wordt van de incidentie van het aantal raadplegingen voor
erythema migrans, via dezelfde methode als in 2003-2004 en 2008-2009, zal
toelaten om deze observatie al dan niet te bevestigen.
Daarnaast kunnen ook een surveillancesysteem voor teken en een betere kennis
van de infectiegraad van teken bijdragen om de surveillance van de ziekte van
Lyme, evenals andere ziekten die door teken worden overgedragen, in ons
land te verbeteren. In juni 2015 werd de website TekenNet (www.tekennet.be)
opgestart om de risicogebieden voor het oplopen van een tekenbeet in België
71
beter in kaart te brengen, gebaseerd op een registratie van tekenbeten door de
algemene bevolking.
De beste manier om de ziekte van Lyme te bestrijden blijft het toepassen van
preventieve maatregelen om tekenbeten te voorkomen, en het lichaam na een
mogelijke blootstelling volledig na te kijken op teken.
Referenties
1. Kesteman T, Rossi C, Bastien P, Brouillard J, Avesani V et al. Prevalence and genetic
heterogeneity of Borrelia burgdorferi sensu lato in Ixodes ticks in Belgium. Acta Clin Belg.
2010;65(5):319-22.
3.1 Ziekten die worden overgedragen
door teken
2. Hofhuis, T. Herremans, D.W. Notermans, H. Sprong, M. Fonville et al. A prospective study
among patients presenting at the general practitioner with a tick bite or erythema migrans
in The Netherlands. PLOS ONE, 8 (2013), p. e64361.
72
3. Nahimana I, Gern L, Blanc DS, Praz G, Francioli P, Péter O. Risk of Borrelia burgdorferi
infection in western Switzerland following a tick bite. Eur J Clin Microbiol Infect Dis. 2004
Aug;23(8):603-8.
4. Wilhelmsson P, Fryland L, Lindblom P, Sjöwall J, Ahlm C et al. A prospective study on the
incidence of Borrelia burgdorferi sensu lato infection after a tick bite in Sweden and on the
Åland Islands, Finland (2008-2009).Ticks Tick Borne Dis. 2016 Feb;7(1):71-9. Epub 2015
Aug 22.
5. Belgische Commissie voor de Coördinatie van het Antibioticabeleid (BAPCOC). Richtlijn
Lyme-borreliose (infectie met Borrelia). Beschikbaar via: http://www.health.belgium.be/
filestore/19102061_NL/Lyme%20borreliose%20finaal%20NL.pdf
6. Rizzoli A, Hauffe H, Carpi G, Vourc HG, Neteler M, Rosa R. Lyme borreliosis in Europe.
EuroSurveillance. 2011;16(27).
7. Koninklijk Meteorologisch Instituut (KMI). Klimatologisch overzicht van 2014. Beschikbaar
via: http://www.meteo.be/meteo/view/nl/18606670-2014.html
8. Hofhuis A, Bennema S, Harms M, van Vliet AJH, Takken W et al. Decrease in tick bite
consultations and stabilization of erythema migrans diagnoses in the Netherlands in 2014
after 15 years of continuous increase. Poster at the 14th International Conference on Lyme
borreliosis and other tick-borne diseases. September 2015.
9. Institut de Veille Sanitaire (InVS). Borréliose de Lyme: données épidémiologiques.
Beschikbaar via: http://www.invs.sante.fr/Dossiers-thematiques/Maladies-infectieuses/
Maladies-a-transmission-vectorielle/Borreliose-de-lyme/Donnees-epidemiologiques
10. Wilking H, Stark K. Trends in surveillance data of human Lyme borreliosis from six federal
states in eastern Germany, 2009–2012. Ticks Tick-borne Dis. 2014 Apr;5(3): 219–24.
Tekenencefalitis (Tick-borne encephalitis virus)
T. Lernout, V. Suin, B. Brochier, S. Van Gucht
Hoofdpunten
• In 2013 werd één geval van tekenencefalitis gerapporteerd bij een man die een
tekenbeet opliep in Kyrgyzstan. In 2014 waren er geen gevallen.
• Tot nu toe werd in België bij de mens geen enkele autochtone infectie met het
TBEV gediagnosticeerd, maar een circulatie van het virus werd wel aangetoond
bij dieren.
Tekenencefalitis (TBE) is een virale encefalitis die wordt veroorzaakt door een
arbovirus van de familie van de Flaviviridae, het Tick-borne encephalitis virus
(TBEV). Fylogenetisch onderscheidt men 3 subtypes van het virus: het Europese
subtype (vooral in Noord-, Centraal- en Oost-Europa), het subtype van het Verre
Oosten (in de oostelijke streken van de Russische Federatie, China en Japan) en
het Siberische subtype (aanwezig in alle regio’s van de Russische Federatie) [1].
Het virus wordt hoofdzakelijk overgedragen door teken. Uitzonderlijk kan de
infectie ook worden overgedragen door het drinken van niet-gepasteuriseerde
melk van geïnfecteerde runderen, schapen en geiten.
In Europa wordt het virus hoofdzakelijk overgedragen door de beet van
geïnfecteerde teken van het geslacht Ixodes, die vooral aanwezig zijn in
bosranden, parken met bomen, grasvelden, weilanden, zones met laag
struikgewas en met bladeren bedekte grond. Kleine knaagdieren vormen het
natuurlijke reservoir van het virus.
Het risico op infectie verschilt naargelang het seizoen en is maximaal van juni
tot oktober.
Ongeveer twee derde van de infecties bij de mens zijn asymptomatisch. Als
de ziekte optreedt, verloopt ze meestal in twee fasen die gescheiden worden
door een asymptomatisch interval: een fase met een griepaal syndroom en een
fase die wordt gekenmerkt door een aantasting van het centrale zenuwstelsel
(meningitis, encefalitis, meningo-encefalitis, paralyse). Na een infectie met
het Europese subtype, dat geassocieerd wordt met een milder verloop van de
ziekte, vertoont 10% van de patiënten neurologische restletsels en bedraagt de
sterfte 0.5 tot 2% [2].
Er bestaat een vaccin tegen TBE, dat wordt aanbevolen bij mensen die een risico
lopen (mensen die in bossen werken, trekkers, enz.) in endemische gebieden.
Methode
De surveillance van TBE in België berust op de melding van gediagnosticeerde
gevallen door het NRC, dat tot 2014 het laboratorium van het Wetenschappelijk
Instituut Volksgezondheid (WIV-ISP) was.
3.1 Ziekten die worden overgedragen
door teken
Inleiding
73
Resultaten
In 2013 en 2014 heeft het NRC respectievelijk 173 en 156 testen uitgevoerd
voor de diagnose van TBE, voor 50 en 49 patiënten.
In 2013 werd een positieve serologie gerapporteerd voor 7 personen. In 4
gevallen betrof het antistoffen na vaccinatie. Voor 2 personen ging het om een
oude infectie, opgelopen in Zweden. Slechts 1 persoon had een acute infectie.
Het betrof een niet-gevaccineerde 67-jarige man die een tekenbeet opliep in
Kyrgyzstan.
In 2014 werden geen acute infecties van TBE gediagnosticeerd. Zeven personen
testten positief voor IgG met ELISA. Bij 2 personen bleek het om vaccinatieimmuniteit te gaan en bij de overige 5 personen om een kruisreactie tegen andere
flavivirussen (negatief resultaat in de méér specifieke seroneutralisatietest).
3.1 Ziekten die worden overgedragen
door teken
Bespreking
74
Niettegenstaande de belangrijkste vector van TBEV (Ixodes ricinus teek) wijd
verspreid voorkomt in Europa, komen geïnfecteerde teken niet overal voor en
zijn zij beperkt tot bepaalde risicogebieden. Landen in Europa met een verhoogd
risico van TBE zijn Oostenrijk, de Tsjechische Republiek, Estland, Finland,
Duitsland, Hongarije, Letland, Litouwen, Polen, Slowakije, Slovenië en Zweden
[2]. Door de klimaatveranderingen en de veranderingen van het leefmilieu
verandert de epidemiologie van tekenencefalitis echter, met een geografische
uitbreiding van de endemische regio’s naar het noorden van Europa en naar
grotere hoogten. In 2012 werden er door 20 EU/EER landen in totaal 2.106
bevestigde gevallen van TBE gerapporteerd [2]. De hoogste incidenties werden
gerapporteerd in Estland, Letland en Slovenië. De meerderheid van de gevallen
werd gemeld tussen juni en november. In Oostenrijk werden dat jaar slechts
38 bevestigde gevallen gemeld, wat verklaard kan worden door de hoge
vaccinatiegraad (>80%) [3].
In België, waar de vector voor de overdacht van het TBEV ook aanwezig is, werd
tot nu toe geen enkel autochtoon geval van tekenencefalitis gerapporteerd.
Tussen 2008 en 2010 werd aan de hand van surveillance bij dieren op
verschillende plaatsen echter de aanwezigheid van antistoffen tegen TBEV
gedetecteerd bij herten en runderen, wat erop wijst dat het virus ook bij
ons circuleert [4,5]. In een studie in 2014 bij everzwijnen werden eveneens
seropositieve dieren gedetecteerd in Vlaanderen [6].
Het is dan ook noodzakelijk om de circulatie van het virus bij dieren te
onderzoeken en de surveillance van TBE bij mensen, dieren en de vector verder
te zetten.
Referenties
1. World Health Organization. Vaccines against tick-borne encephalitis: WHP position paper.
Weekly epidemiological record 2011, 24 (86): 241-256. Beschikbaar via: http://www.who.
int/wer/2011/wer8624.pdf
2. European Centre for Disease Prevention and Control (ECDC). Annual epidemiological
report 2014. Emerging and vector-borne diseases. Beschikbaar via: http://ecdc.europa.
eu/en/publications/Publications/emerging-vector-borne-diseases_annual-epidemiologicalreport-2014.pdf
3. Heinz FX, Stiasny K, Holzmann H, Grgic-Vitek M, Kriz B et al. Vaccination and tick-borne
encephalitis, central Europe. Emerg Infect Dis. 2013;19(1):69-76.
4. Linden A, Wirtgen M, Nahayo A, Heyman P, Niedrig M, Schulze Y. Tickborne encephalitis
virus antibodies in wild cervids in Belgium. Vet Rec. 2012 Jan;170(4):108.
6. Roelandt S, Suin V, Van der Stede Y, Lamoral S, Marche S et al. Serological screening of
Flemish wild boar for the presence of TBEV-specific antibodies with accuracy evaluation for
a commercial ELISA. Vector Borne Zoonotic Dis, 2015, Submitted.
3.1 Ziekten die worden overgedragen
door teken
5. Roelandt S, Suin V, Riocreux F, Lamoral S, Van der Heyden S et al. Autochthonous tick-borne
encephalitis virus-seropositive cattle in Belgium: a risk-based targeted serological survey.
Vector Borne Zoonotic Dis. 2014 Sep;14(9):640-7.
75
3.2 Ziekten die worden
overgedragen door muggen
Chikungunya (Chikungunyavirus)
J. Rebolledo, M. Van Esbroeck
Hoofdpunten
• In België zijn alle gevallen van chikungunya gerapporteerd in 2013 en 2014
geïmporteerde gevallen.
• In 2014 is er een duidelijke toename van het aantal gerapporteerde gevallen
vastgesteld ten gevolge van een epidemie van chikungunya in de Caraïben.
3.2
Ziekten die worden overgedragen
door muggen
Inleiding
76
Chikungunya is een virale ziekte die wordt veroorzaakt door een arbovirus
(arthropod borne virus). Het virus wordt overgedragen door de beet van een
mug van het geslacht van de Aedes [2]. De belangrijkste reservoirs zijn de mens
en de andere primaten. De symptomen zijn koorts en ernstige gewrichtspijn,
gepaard gaand met aspecifieke verschijnselen zoals spierpijn, hoofdpijn,
misselijkheid, vermoeidheid en huiduitslag. Er bestaat geen vaccin en evenmin
een specifieke behandeling tegen de ziekte [1-4].
Tot 2005 veroorzaakte het chikungunyavirus hoofdzakelijk epidemieën in Afrika
en Azië en in 2005-2006 was er een grote epidemie in het Indische subcontinent
[3,5]. In 2007 was er voor het eerst plaatselijke overdracht van het virus in
Europa, meer bepaald in Noordoost-Italië en later ook in Frankrijk [5]. Eind 2013
bereikte het virus de Caraïben en vervolgens verspreidde het zich verder in ZuidAmerika [6,7]. Sinds eind 2014 zijn ook opflakkeringen gemeld op de eilanden
in de Stille Oceaan.
De mobiliteit van de bevolking, de uitwisseling van koopwaar en de
klimaatopwarming bevorderen de proliferatie van de vectoren en de toename van
de incidentie van chikungunya [5]. De voornaamste vectoren (Aedes albopictus
en Aedes aegypti) hebben zich tot op heden niet in België gevestigd maar
sporadisch worden larven en muggen van Ae. albopictus op het grondgebied
aangetroffen na de import van gebruikte banden en bamboeplanten [8,9].
Methode
In Vlaanderen en Brussel moet elk geval van chikungunya verplicht worden
gemeld, in Wallonië moeten alleen de autochtone gevallen worden
gerapporteerd. Sinds 2002 maakt de ziekte ook het voorwerp uit van een
surveillance uitgevoerd door het Instituut voor Tropische Geneeskunde, dat
tot 2010 het referentielaboratorium was en in 2011 het NRC geworden is. De
diagnose van chikungunya wordt gesteld door middel van serologie en PCR.
Resultaten
Figuur 1 toont de evolutie van het aantal infecties in de periode 2006-2014
gebaseerd op de gegevens van het referentielaboratorium/NRC. In die periode
werden er twee pieken vastgesteld: de eerste in 2006, tijdens de epidemie in de
regio van de Stille Oceaan en de tweede in 2014, na de introductie van het virus
in de Caraïben.
In 2013-2014 werden slechts 4 gevallen, waarvan één uit Wallonië en 3 uit
Vlaanderen, gerapporteerd via de verplichte melding.
Figuur 1 | Aantal gerapporteerde gevallen van chikungunya per jaar,
België, 2006-2014
(Bron: referentielaboratorium/NRC voor chikungunya)
Number of cases
60
50
40
30
20
10
0
2006
2007
2008
2009
2010
2011
2012
2013
2014
De man-vrouwverhouding van de gerapporteerde gevallen in 2013 en 2014
bedraagt 0,78. De mediane leeftijd van de patiënten is 38 jaar (spreiding 3-75
jaar). Deze mediane leeftijd ligt iets hoger dan de 35 jaar (spreiding 13-54 jaar)
vastgesteld in 2012.
Alle gevallen van chikungunya die tot op heden in België zijn gediagnosticeerd,
waren geïmporteerde gevallen. In 2014 was de belangrijkste plaats van infectie
de Caraïben, gevolgd door Zuid-Amerika en Afrika. In 2013 waren de plaatsen
van infectie veeleer Azië en de Stille Oceaan (Cambodja, Indonesië, Filippijnen)
(Figuur 2).
3.2
70
Ziekten die worden overgedragen
door muggen
80
77
Figuur 2 | Aantal gerapporteerde gevallen van chikungunya per plaats van
infectie, België, 2013-2014
(Bron: referentielaboratorium/NRC voor chikungunya)
Caribbean
South America
2013
Asia-Pacific
2014
Africa
3.2
Ziekten die worden overgedragen
door muggen
Unknown
78
0
10
20
30
40
50
60
70
Number of cases
Bespreking
Alle gevallen van chikungunya gerapporteerd in België kunnen in verband
gebracht worden met reizen naar landen waar het virus epidemisch of
endemisch is. Na de epidemie in de Stille Oceaan was het aantal gerapporteerde
gevallen van chikungunya in België stabiel, tot in 2014, toen een groot aantal
gevallen werd gerapporteerd na een verblijf in de Caraïben.
De verdeling volgens leeftijd en geslacht van de gevallen van chikungunya
gediagnosticeerd in België is gelijkaardig aan wat elders wordt vastgesteld en
heeft hoogstwaarschijnlijk te maken met de reisgewoonten en voorkeuren.
Voorheen waren Centraal-Afrika en Zuidoost-Azië de regio’s waar de meeste
gevallen werden opgelopen. Sinds de introductie van het virus in de Caraïben in
december 2013 heeft het zich snel over Latijns-Amerika kunnen verspreiden door
de aanwezigheid van de juiste vectoren en de afwezigheid van immuniteit bij de
bevolking. De epidemie is nog aan de gang en dus is permanente waakzaamheid
nodig om elke import van het virus door personen die terugkomen van een reis
in de getroffen regio’s op te sporen.
Ook Europa is kwetsbaar voor de autochtone overdracht van het
chikungunyavirus. Dergelijke overdracht is mogelijk wanneer viremische
patiënten in een regio komen waar de vectoren (bv. Aedes albopictus)
aanwezig zijn [5,6]. Aedes albopictus heeft zich in verschillende Zuid-Europese
landen gevestigd (Frankrijk, Italië, Griekenland) [4]. In september en oktober
2014 werden 15 autochtone gevallen van chikungunya geïdentificeerd in ZuidFrankrijk, in de regio Provence-Alpes-Côte d’Azur en in Montpellier [10].
Tot op heden hebben de vectoren zich nog niet in België gevestigd, maar door
klimaatveranderingen en de aanpasbaarheid van de vector aan het stedelijke
milieu wordt een verdere geografische spreiding van de vectoren in Europa
verwacht [11]. Dit onderstreept het belang en de noodzaak van de voortzetting
van de surveillance van de ziekte bij de mens en de vector, zowel in Europa als
in België.
Referenties
1. European Center for Disease Prevention and Control (ECDC). Fact sheet: Chikungunya.
Beschikbaar via: http://www.ecdc.europa.eu/en/healthtopics/chikungunya_fever/Pages/
index.aspx
4. European Center for Disease Prevention and Control (ECDC). Aedes albopictus. Beschikbaar
via: http://ecdc.europa.eu/en/healthtopics/vectors/mosquitoes/Pages/aedes-albopictus.aspx
5. Thiboutot MM, Kannan S, Kawalekar OU, Shedlock DJ, et al. Chikungunya: A Potentially
Emerging Epidemic? PLoS Negl Trop Dis. 2010 April; 4(4): e623.
6. Pan American Health Organization (PAHO). Number of reported cases of chikungunya fever
in the Americas, by country or territory, 2014. Beschikbaar via: http://www.paho.org/hq/
index.php?option=com_docman&task=doc_download&Itemid=270&gid=30198&lang=en
7. European Center for Disease Prevention and Control (ECDC). Epidemiological update:
autochthonous cases of chikungunya fever in the Caribbean region and South America.
Beschikbaar via: http://ecdc.europa.eu/en/press/news/_layouts/forms/News_DispForm.
aspx?ID=1018&List=8db7286c-fe2d-476c-9133-18ff4cb1b568&Source=http%3A%2F%2Fe
cdc%2Eeuropa%2Eeu%2Fen%2Fhealthtopics%2Fchikungunya_fevers%2Findex%2Easpx
8. Instituut voor Tropische Geneeskunde. Gevreesde tijgermug in België gesignaleerd.
Beschikbaar via: http://www.itg.be/itg/GeneralSite/Default.aspx?L=N&WPID=688&MIID=63
7&IID=323
9. Boukraa S, Raharimalala FN, Zimmer JY, Schaffner F, Bawin T, Haubruge E et al.
Reintroduction of the invasive mosquito species Aedes albopictus in Belgium in July 2013.
Parasite 2013;20:54.
10. Institut de Veille Sanitaire (InVS). Chikungunya. Données épidémiologiques. Données de
la surveillance renforcée en 2014. Beschikbaar via: http://www.invs.sante.fr/Dossiersthematiques/Maladies-infectieuses/Maladies-a-transmission-vectorielle/Chikungunya/
Donnees-epidemiologiques
11. European Centre for Disease Prevention and Control (ECDC). The climatic suitability for
dengue transmission in continental Europe. Beschikbaar via: http://ecdc.europa.eu/en/
publications/publications/ter-climatic-suitablility-dengue.pdf
3.2
3. Instituut voor Tropische Geneeskunde. Illustrated lecture notes on Tropical Medicine:
Arboviruses - Chikungunya. Beschikbaar via: http://itg.content-e.eu/Generated/pubx/173/
arboviruses/chikungunya.htm
Ziekten die worden overgedragen
door muggen
2. Wereldgezondheidsorganisatie (WGO). Fact sheet: Chikungunya virus. Beschikbaar via:
http://www.who.int/mediacentre/factsheets/fs327/fr/
79
Dengue (Denguevirus)
J. Rebolledo, M. Van Esbroeck
Hoofdpunten
• In België zijn er in 2013 en 2014 respectievelijk 139 en 110 gevallen van dengue
gerapporteerd.
• Alle gevallen werden opgelopen in het buitenland, voornamelijk in de westelijke
Stille Oceaan, Amerika en Zuidoost-Azië.
3.2
Ziekten die worden overgedragen
door muggen
Inleiding
80
Het denguevirus maakt deel uit van de arbovirussen (arthropod borne virussen).
De voornaamste reservoirs van het virus zijn de mens en andere primaten.
Dengue is een infectie die wordt overgedragen door de beet van een mug
behorend tot het geslacht van de Aedes (Aedes aegypti en Aedes albopictus).
De belangrijkste symptomen van de ziekte zijn koorts, huiduitslag, hoofdpijn,
retro-orbitale pijn en spier- en gewrichtspijn. Buikpijn, aanhoudend braken en
bloedingen van het slijmvlies zijn enkele van de alarmtekenen voor een meer
ernstige vorm van de ziekte die potentieel dodelijk is [1]. Er bestaat geen vaccin
en geen specifieke antivirale behandeling voor dengue.
Dengue komt voor in tropische en subtropische gebieden. De laatste decennia
is de incidentie van dengue wereldwijd sterk gestegen, met een grotere
geografische uitbreiding, in het bijzonder in stedelijke en voorstedelijke
gebieden in Latijns-Amerika, Zuidoost-Azië en de westelijke Stille Oceaan
[1]. Ook in Europa (Madeira en Zuidoost-Frankrijk) worden sinds enkele jaren
gevallen gemeld [2-5]. De voornaamste vectoren van de ziekte hebben zich tot
op heden niet in België gevestigd maar sporadisch worden larven en muggen
van Ae. albopictus op het grondgebied aangetroffen na de import van gebruikte
banden en bamboeplanten [6,7].
Methode
In Vlaanderen en Brussel moet elk geval van dengue worden gerapporteerd via
de verplichte melding, terwijl in Wallonië alleen autochtone gevallen moeten
worden gemeld. Verder staat ook het Instituut voor Tropische Geneeskunde
(ITG) sinds 2002 in voor de surveillance van dengue in België, tot 2010 als
referentielaboratorium en sinds 2011 als NRC.
Resultaten
Tot op heden werd in België geen enkele autochtone denguevirusinfectie
gediagnosticeerd.
In 2013 en 2014 werden door het NRC respectievelijk 139 en 110 gevallen van
dengue gerapporteerd (Figuur 1). Dit is een toename vergeleken met 2012,
maar vergelijkbaar met 2010.
Figuur 1 | Aantal gerapporteerde gevallen van dengue per jaar,
België, 2002-2014
(Bron: referentielaboratorium/NRC voor dengue)
140
Number of cases
120
100
80
60
40
De man-vrouwverhouding voor 2013 en 2014 bedroeg 1,1. De mediane leeftijd
van de gevallen was 37 jaar (spreiding 3-73 jaar).
De besmettingen in 2013 en 2014 werden hoofdzakelijk opgelopen in ZuidoostAzië (117 gevallen), gevolgd door Latijns-Amerika (49 gevallen), Afrika (34
gevallen) en de westelijke Stille Oceaan (22 gevallen) (Figuur 2). Dit is in lijn met
de voorgaande jaren.
3.2
2014
2013
2012
2011
2010
2009
2008
2007
2006
2005
2004
2003
2002
0
Ziekten die worden overgedragen
door muggen
20
81
Figuur 2 | Aantal gevallen van dengue gerapporteerd per reisgebied,
België, 2013 en 2014
(Bron: referentielaboratorium/NRC voor dengue)
Western Pacific
Africa
2013
America
2014
Southeast Asia
3.2
Ziekten die worden overgedragen
door muggen
Unknown
82
0
10
20
30
40
50
60
70
80
Number of cases
Zowel in 2013 als in 2014 werden de meeste gevallen tussen juli en oktober
gediagnosticeerd.
Van de 249 gevallen van dengue gediagnosticeerd in 2013 en 2014 werden
er 63 (25,3%) met PCR opgespoord (al dan niet in combinatie met serologie).
De andere gevallen werden enkel met serologie gediagnosticeerd. Het type
1 denguevirus werd vastgesteld in 33 (52,4%) van de 63 stalen, type 2 in 17
(27%), type 3 in 11 (17,5%) en type 4 in 2 (3,2%) stalen.
Aangezien er in Wallonië alleen meldingsplicht geldt voor autochtone infecties,
werd er in 2013 en 2014 geen enkel geval gemeld. In Brussel zijn er evenmin
gevallen gerapporteerd. In Vlaanderen werden er in 2013 29 gevallen gemeld,
waarvan 14 bevestigd werden door het NRC. In 2014 werden er 12 gevallen
gerapporteerd, waarvan er 7 zijn bevestigd door het NRC.
Bespreking
Hoewel het aantal gediagnosticeerde gevallen van dengue in België van jaar
tot jaar behoorlijk schommelt [8], is er algemeen een toenemende trend van
gevallen geïmporteerd uit het buitenland. Dit wordt ook in de rest van de
Europese Unie vastgesteld en sluit enerzijds aan bij de toename van het aantal
personen die reizen naar landen waar dengue endemisch is en anderzijds bij de
toename in de geografische verspreiding van het virus en van de incidentie van
dengue in de endemische landen [1].
Het merendeel van de gevallen werd via serologie gediagnosticeerd. PCR is
alleen nuttig tijdens de eerste week van de ziekte wanneer het virus aanwezig is
1. World Health Organization (WHO). Dengue: guidelines for diagnosis, treatment, prevention
and control. WHO/HTM/NTD/DEN/2009.1 ed. 2009. Beschikbaar via: http://www.who.int/
tdr/publications/documents/dengue-diagnosis.pdf
2. Sousa CA, Clairouin M, Seixas G, Viveiros B, Novo MT, Silva A C et al. Ongoing outbreak
of dengue type 1 in the autonomous region of Madeira, Portugal: preliminary report.
Eurosurveillance 17(49): 15-18.
3. European Centre for Disease Prevention and Control (ECDC). Mission report: Dengue
outbreak in Madeira, Portugal. October – November 2012. Beschikbaar via: http://
ecdc.europa.eu/en/publications/Publications/dengue-outbreak-madeira-mission-reportnov-2012.pdf
4. La Ruche G, Souares Y, Armengaud A, Peloux-Petiot F, Delaunay P, Despres P et al. First
two autochthonous dengue virus infections in metropolitan France, September 2010. Euro
Surveill 2010 Sep 30;15(39):19676
5. Marchand E, Jeannin C, Lafont E, Bergmann T, Flusin O et al. Autochthonous case of dengue
in France, october 2013. Rapid communications. Eurosurveillance, Volume 18, Issue 50, 12
December 2013.
6. Boukraa S, Raharimalala FN, Zimmer JY, Schaffner F, Bawin T, Haubruge E et al.
Reintroduction of the invasive mosquito species Aedes albopictus in Belgium in July 2013.
Parasite 2013;20:54.
7. Instituut voor Tropische Geneeskunde. Gevreesde tijgermug in België gesignaleerd.
Beschikbaar via: http://www.itg.be/itg/GeneralSite/Default.aspx?L=N&WPID=688&MIID=63
7&IID=323
Ziekten die worden overgedragen
door muggen
Referenties
3.2
in het bloed. In urine kan het virus iets langer gedetecteerd worden [9]. PCR laat
ook toe het serotype te bepalen.
De waargenomen seizoenspreiding met meer gediagnosticeerde gevallen in de
zomer en in de herfst stemt overeen met wat in de andere Europese landen
wordt vastgesteld en heeft vermoedelijk te maken met de vakantieperiode. Zo is
dengue, na malaria, in Europa de tweede oorzaak van alle ziekenhuisopnames
na terugkeer van reizigers.
Net zoals voorgaande jaren is de overgrote meerderheid van de gevallen besmet
in Zuidoost-Azië en Amerika.
De epidemie van dengue eind 2012 in Portugal [2,3] en de autochtone
overdracht van dengue in het zuiden van Frankrijk in 2010 en 2013 [4,5]
onderstrepen de kwetsbaarheid van Europa, waar de vectoren in verschillende
landen aanwezig zijn. Hoewel de vector zich (nog) niet heeft gevestigd in
België, is zijn aanwezigheid al waargenomen. Daarenboven gaat men ervan uit
dat muggen behorend tot het geslacht Aedes zich de volgende jaren verder
geografisch zullen uitbreiden in Europa, als gevolg van de klimaatveranderingen
en de aanpasbaarheid van de vector aan het stedelijke milieu [10-12]. Dit
onderstreept het belang en de noodzaak van de voortzetting van de surveillance
van de ziekte bij de mens en van de intensivering van het toezicht op de vector.
83
8. Verschueren J, Cnops L, van Esbroeck M. Twelve years of dengue surveillance in Belgian
travellers and significant increases in the number of cases in 2010 and 2013. Clin Microbiol
Infect. 2015 Sep;21(9):867-72.
9. Van den Bossche D, Cnops L, Van Esbroeck M. Recovery of dengue virus from urine samples
by real-time RT-PCR. Eur J Clin Microbiol Infect Dis. 2015 Jul;34(7):1361-7.
10. Zeller H, Marrama L, Sudre B, Van Bortel W, Warns-Petit E. Mosquito-borne disease
surveillance by the European Centre for Disease Prevention and Control. Clin Microbiol
Infect 2013; 19: 693–698.
11. Schaffner F, Medlock JM, Van Borte Wl. Public health significance of invasive mosquitoes in
Europe. Clin Microbiol Infect 2013; 19: 685–692.
3.2
Ziekten die worden overgedragen
door muggen
12. European Centre for Disease Prevention and Control (ECDC). The climatic suitability for
dengue transmission in continental Europe. Beschikbaar via: http://ecdc.europa.eu/en/
publications/publications/ter-climatic-suitablility-dengue.pdf
84
Malaria (Plasmodium spp.)
J. Rebolledo, J. Jacobs
Hoofdpunten
• Het referentielaboratorium rapporteerde in 2013 en 2014 respectievelijk 218 en
215 infecties met Plasmodium spp. en het netwerk van peillaboratoria 103 en
105 gevallen.
• P. falciparum is de meest gediagnosticeerde soort.
• Alle gevallen zijn geïmporteerd en de meeste infecties werden waarschijnlijk in
Afrika opgelopen.
Methode
In België geldt er meldingsplicht voor autochtone malaria. De surveillance
wordt aangevuld met de rapportering van de (autochtone en geïmporteerde)
malariagevallen, door de peillaboratoria sinds 1993 en door het referenti­
laboratorium van het Instituut voor Tropische Geneeskunde (ITG) sinds 2003.
3.2
Malaria is een infectieziekte veroorzaakt door een parasiet van het geslacht
Plasmodium, die van persoon tot persoon overgedragen wordt via de beet
van een besmette mug van het geslacht Anopheles. Er bestaan vijf soorten
Plasmodium verantwoordelijk voor malaria bij de mens: P. falciparum, P. vivax,
P. malariae, P. ovale en P. knowlesi, recent erkend als een agens van malaria in
Maleisië. P. falciparum en P. vivax zijn de meest verspreide soorten in de wereld
[1].
De uiting en de ernst van de klinische symptomen van malaria zijn divers en
afhankelijk van de plasmodiale soort maar ook van de gastheer. De ziekte
wordt gekarakteriseerd door acute febriele episodes die vaak gepaard gaan
met hoofdpijn, rillingen en braken. Het optreden van neurologische stoornissen
is een teken van ernst voor malaria. In geval van malaria ten gevolge van P.
falciparum kan de ziekte tot de dood leiden als er niet snel een behandeling
wordt gestart. Bepaalde bevolkingsgroepen lopen een veel groter risico dan
andere om malaria op te lopen en aan een ernstige vorm te lijden: zuigelingen,
kinderen jonger dan vijf jaar, zwangere vrouwen, hiv- en aidspatiënten, niet
geïmmuniseerde migranten en reizigers.
De strijd tegen de vector is het belangrijkste middel om de overdracht van
malaria in de endemische gebieden te voorkomen en te verminderen. De
preventie van malaria gebeurt ook op individueel niveau door enerzijds zoveel
mogelijk muggenbeten te voorkomen en anderzijds de chemoprofylaxe aan de
bestemming aan te passen.
Malaria komt voor in gebieden waar malariamuggen gedijen, met andere
woorden in tropische en subtropische gebieden in Afrika, Azië en Amerika [2].
In België komt de vector niet voor.
Ziekten die worden overgedragen
door muggen
Inleiding
85
Het referentielaboratorium stelt de diagnose en bevestigt gevallen. Sinds 2008
staat het ook in voor de serotypering om de gevallen volgens soort in te delen: P.
falciparum, P. vivax, P. ovale en P. malariae. Alle stalen die na een microscopisch
onderzoek of een antigeentest positief blijken worden door middel van PCR
geanalyseerd, voor zover er een bloedstaal met EDTA beschikbaar is [3].
Figuur 1 | Aantal gerapporteerde gevallen van malaria per jaar en per bron,
België, 1993-2014
(Bronnen: peillaboratoria en referentielaboratorium voor Plasmodium spp.)
450
400
Number of cases
350
300
250
200
150
100
50
Sentinel laboratory
2014
2013
2012
2011
2010
2009
2008
2007
2006
2005
2004
2003
2002
2001
2000
1999
1998
1997
1996
1995
0
1994
86
In 2013 werden er 192 gevallen van malaria gerapporteerd door het
referentielaboratorium en 103 door de peillaboratoria. In 2014 werden
er respectievelijk 191 en 105 gevallen gerapporteerd door het referentie­
laboratorium en de peillaboratoria. In 2013-2014 werd geen enkel autochtoon
geval gerapporteerd via de systemen van de verplichte melding in België.
Het gerapporteerde aantal gevallen van malaria blijft de laatste jaren redelijk
stabiel maar in vergelijking met de voorgaande jaren wordt er een lichte
toename vastgesteld van het aantal gerapporteerde gevallen in 2013 en 2014,
zowel voor de peillaboratoria als het referentielaboratorium (Figuur 1).
1993
3.2
Ziekten die worden overgedragen
door muggen
Resultaten
Reference Laboratory
Net zoals voorgaande jaren waren de meeste gevallen in 2013 en 2014 mannen,
de man-vrouwverhouding bedroeg 1,9. De mediane leeftijd van de gevallen
was 35 jaar (spreiding 4 maanden-85 jaar). De overgrote meerderheid van de
gevallen behoorde tot de leeftijdsgroep van 25 tot 39 jaar.
Sinds de invoering, in 2008, van de serotypering door het referentielaboratorium
stelt men vast dat in de overgrote meerderheid van de gediagnosticeerde
gevallen P. falciparum betrokken is. Deze gevallen stegen elk jaar lichtjes, tot
2011, en sindsdien wordt een lichte en constante daling waargenomen. In
2013 en 2014 is de overgrote meerderheid (78%) van de infecties waarvoor een
typering is uitgevoerd, veroorzaakt door P. falciparum met respectievelijk 169
en 158 gevallen, gevolgd door P. ovale met respectievelijk 27 en 21 gevallen,
terwijl het aantal infecties met P. malariae en P. vivax heel laag blijft (Figuur 2).
Figuur 2 | Aantal gerapporteerde gevallen van malaria per type Plasmodium,
België, 2008-2014
(Bron: referentielaboratorium voor Plasmodium spp.)
Number of cases
200
P. ovale
150
P. vivax
100
P. malariae
P. falciparum
50
0
2008
2009
2010
2011
2012
2013
2014
In 2013 en 2014 werd er in België geen enkel autochtoon geval van malaria
gerapporteerd. In de overgrote meerderheid (96%) van de gevallen was de
infectie waarschijnlijk in Afrika opgelopen, voornamelijk in de Democratische
Republiek Congo, Ghana, Kameroen, Guinee, Ivoorkust en Nigeria.
Er werden het hele jaar door gevallen gerapporteerd, met een meerderheid
tussen juli en november.
Bespreking
Hoewel het aantal gevallen van malaria dat in 2013 en 2014 in België werd
gerapporteerd lichtjes hoger ligt dan in 2012, blijft het aantal globaal relatief
stabiel.
De verdeling van de malariagevallen volgens leeftijd en geslacht stemt overeen
met wat in andere Europese landen wordt vastgesteld: personen van 20
tot 40 jaar zijn het meest getroffen en het aantal gevallen bij mannen ligt
meer dan twee keer hoger dan bij vrouwen [4]. Waarschijnlijk weerspiegelt
3.2
P. falciparum
& P. spp.
250
Ziekten die worden overgedragen
door muggen
300
87
Ziekten die worden overgedragen
door muggen
3.2
88
deze verdeling voorkeuren en reisgewoonten [4]. Ook de waargenomen
seizoensschommelingen kunnen verklaard worden door de periode van reizen
(lente en zomer).
Malaria blijft de hoofdoorzaak van koorts bij personen die naar tropische
gebieden reizen [5]. De meerderheid van de malariagevallen gediagnosticeerd
in België werden in Afrika opgelopen. Dit stemt overeen met de wereldwijde
verspreiding van malaria, gezien 89% van de gevallen in 2015 in Subsaharaans
Afrika optraden [1]. Dit verklaart ook waarom de meerderheid (vaak meer
dan 90%) van de gediagnosticeerde gevallen van malaria te wijten is aan P.
falciparum, gevolgd door P. vivax en P. ovale [2].
Wat het aantal infecties ten gevolge van andere plasmodiumsoorten betreft,
stellen we sinds 2011 een graduele daling van P. malariae vast, in tegenstelling
tot de stijging die in vergelijking met voorgaande jaren voor P. ovale en P. vivax
wordt waargenomen. P. ovale wordt hoofdzakelijk in West-Afrika aangetroffen
[6], wat ook coherent is met het land van oorsprong van de gevallen
gediagnosticeerd in België. Deze schommelingen van de verschillende types
Plasmodium in de tijd onderstrepen het belang van de serotypering. Vooral
omdat studies aantonen dat P. falciparum één van de hoofdoorzaken is voor de
mortaliteit onder personen die na hun reis koorts ontwikkelen [7] en dat P. vivax
een belangrijke oorzaak is van het laattijdig (meer dan een maand) optreden
van koorts na hun terugkeer [6]. Dit benadrukt het belang van de vroegtijdige
diagnose van malaria evenals de noodzaak om de surveillance van de ziekte
voort te zetten.
Referenties
1. Wereldgezondheidsorganisatie (WGO). Fact sheet: Malaria. Beschikbaar via: http://www.
who.int/mediacentre/factsheets/fs094/en/
2. Wereldgezondheidsorganisatie (WGO). Vaccine-preventable diseases and vaccines. Yellow
fever vaccination and malaria situation. Beschikbaar op: http://www.who.int/ith/2015-ithchapter7.pdf?ua=1
3. Cnops L, Jacobs J, Van Esbroeck M. Validation of a four-primer real-time PCR as a diagnostic
tool for single and mixed Plasmodium infections. Clin Microbiol Inf 2011Jul; 17(7): 1101-7.
4. European Centre for Disease Prevention and Control (ECDC). Annual epidemiological
report Emerging and vector-borne diseases, 2014. Beschikbaar via: http://ecdc.europa.
eu/en/publications/Publications/emerging-vector-borne-diseases_annual-epidemiologicalreport-2014.pdf
5. Wilson ME, Freedman DO. Etiology of travel-related fever. Curr Opin Infect Dis. 2007
Oct;20(5):449-53.
6. Instituut voor Tropische Geneeskunde. Illustrated lecture notes on Tropical Medicine:
Malaria. Beschikbaar via: http://itg.author-e.eu/Generated/pubx/173/malaria/geographical_
distribution.htm
7. Bottieau E, Clerinx J, Schrooten W, Van den Enden E, Wouters R et al. Etiology and outcome
of fever after a stay in the tropics. Arch Intern Med. 2006 Aug 14-28;166(15):1642-8.
West-Nile koorts (West-Nile virus)
J. Rebolledo, M. Van Esbroeck
Hoofdpunten
• In België is er sinds 2012 geen enkel geval van West-Nile koorts meer
gerapporteerd.
• Alle gevallen die ooit in België zijn gediagnosticeerd, waren geïmporteerde
gevallen.
Methode
In België is West-Nile koorts een meldingsplichtige ziekte. Daarnaast staat het
Instituut voor Tropische Geneeskunde (ITG) sinds 2002 in voor de surveillance
van het WNV. Het ITG was tot 2010 het referentielaboratorium en is sinds 2011
het NRC. De diagnose van het WNV wordt door middel van PCR en serologie
gesteld.
Resultaten
In België is er sinds 2012 geen enkel autochtoon of geïmporteerd geval van
West-Nile koorts meer gediagnosticeerd. In dat jaar werd een geïmporteerde
WNV-infectie vastgesteld bij 3 patiënten (na een reis in Griekenland, de
Democratische Republiek Congo en Soedan) [1,2].
1 Endemische ziekte die één of meerdere diersoorten in hetzelfde gebied treft
3.2
Het West-Nile virus (WNV) is een flavivirus dat wordt overgedragen door
muggen, hoofdzakelijk van het geslacht Culex. Humane infecties ten gevolge
van orgaantransplantaties, bloedtransfusies of borstvoeding werden ook
beschreven.
Het virus handhaaft zich in de natuur door een enzoötische cyclus1 waarbij er
overdracht plaatsvindt tussen vogels en muggen (muggen/vogels/muggen).
Mensen en paarden zijn accidentele eindgastheren. De meeste infecties bij de
mens verlopen asymptomatisch (80%). De meerderheid van de symptomatische
klinische gevallen zijn lichte vormen en vertonen pseudogriepale symptomen:
koorts, hoofdpijn, spierpijn. Minder dan één procent van de getroffen personen,
meestal personen op leeftijd, ontwikkelt een ernstige vorm met meningitis,
encefalitis of acute verlamming. In zeldzame gevallen leidt de infectie tot de
dood.
Er bestaat noch een specifieke behandeling, noch een vaccin voor WNVinfecties. Een muggenbeet voorkomen, is de beste preventieve maatregel in
landen waar het virus voorkomt.
Ziekten die worden overgedragen
door muggen
Inleiding
89
3.2
Ziekten die worden overgedragen
door muggen
Bespreking
90
In België is er tot op heden geen enkele autochtone WNV-infectie gemeld bij de
mens, de wilde fauna, vogels of bij paarden. Gezien de evolutie die de laatste
jaren in Europa is waargenomen, waarbij het WNV zich in sommige landen
vestigt en in andere landen intermitterend epidemieën veroorzaakt, kan echter
niet worden uitgesloten dat het WNV in de toekomst ook in ons land opduikt.
Op Europees niveau hebben landen zoals Kroatië, Kosovo, Bulgarije en Servië
evenals regio’s in Italië, Griekenland, Hongarije en Roemenië, voorheen vrij van
het WNV, in 2011, 2012 en 2013 gevallen gemeld. In 2014 werd een versterkte
surveillance opgestart met onmiddellijke melding van gevallen tijdens het
overdrachtsseizoen (in het algemeen van juni tot november) en de wekelijkse
actualisering van een kaart met de ruimtelijke spreiding van het WNV in Europa
en in de buurlanden [3]. De eerste gevallen van West-Nile koorts in 2014
werden door Bosnië-Herzegovina gerapporteerd. Deze gevallen zijn opgetreden
nadat de cycloon Tamara ernstige overstromingen in Bosnië, Kroatië en Servië
had veroorzaakt. In 2014 werden er in totaal 74 humane gevallen van WestNile koorts (waarvan 66 neuro-invasieve infecties) gerapporteerd in Oostenrijk,
Griekenland, Hongarije, Italië en Roemenië. In de buurlanden (BosniëHerzegovina, Israël, Palestina, Servië en de Russische Federatie) werden er 136
gevallen gemeld.
Hoewel in 2014 een daling van het aantal gevallen werd vastgesteld in
vergelijking met 2013, evolueert het aantal gevallen globaal beschouwd in
stijgende lijn en neemt de geografische spreiding toe. Dit zou deels kunnen
worden toegeschreven aan de grote inspanningen die worden geleverd om het
opsporingsniveau in de getroffen landen te verhogen zodra de eerste gevallen
zijn geïdentificeerd.
De muggen, de reservoirs (vogels) en de ecologische omstandigheden die
nodig zijn voor het overleven van het virus, zijn allemaal aanwezig in België. Dit
onderstreept het belang en de noodzaak van de surveillance van de ziekte, de
vector en het reservoir. Sinds 2010 voert het CODA-CERVA, in samenwerking
met het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen (KBIN), in
opdracht van het FAVV, een surveillanceprogramma uit dat gebaseerd is op
enerzijds, een passieve surveillance van de abnormale sterfte van wilde vogels
en anderzijds, een actieve serologische en virologische surveillance [4]. Uit de
beschikbare resultaten blijkt dat er tot op heden geen aanwijzingen zijn voor de
aanwezigheid van WNV in België maar dat het belangrijk is om de surveillance
in de toekomst verder te zetten.
Referenties
1. Cnops L, Papa A, Lagra F, Weyers P, Meersman K et al. West Nile virus infection in Belgian
traveler returning from Greece. Emerg Infect Dis. 2013 19(4):684-5.
2. Van den Bossche D, Cnops L, Meersman K, Domingo C, Van Gompel A, Van Esbroeck
M. Chikungunya virus and West Nile virus infections imported into Belgium, 2007–2012.
Epidemiol. Infect. 2015 Jul;143(10):2227-36.
3. European Center for Disease Prevention and Control (ECDC). Epidemiological update: End
of West Nile virus transmission season in Europe. Beschikbaar via: http://ecdc.europa.eu/
en/press/news/_layouts/forms/News_DispForm.aspx?ID=1123&List=8db7286c-fe2d-476c9133-18ff4cb1b568&Source=http%3A%2F%2Fecdc%2Eeuropa%2Eeu%2Fen%2Fhealthto
pics%2Fwest%5Fnile%5Ffever%2FPages%2Findex%2Easpx
3.2
Ziekten die worden overgedragen
door muggen
4. Trends and sources 2010-2011. Report on zoonotic agents in Belgium. Working group
on foodborne infections and intoxications. Beschikbaar via: http://www.afsca.be/
publicationsthematiques/_documents/2012-12-06_ts_2010_2011_s.pdf
91
3.3 Ziekten die worden overgedragen
door andere vectoren
Leishmaniose (Leishmania spp.)
J. Rebolledo, M. Van Esbroeck
Hoofdpunten
• In 2013 en 2014 diagnosticeerde het referentielaboratorium respectievelijk 18 en
11 nieuwe infecties met Leishmania spp. in België.
• De overgrote meerderheid van de infecties zijn cutane en mucocutane
leishmaniosen.
3.3
Ziekten die worden overgedragen
door andere vectoren
• Alle gevallen zijn geïmporteerd en de meerderheid is afkomstig van het
Middellandse Zeegebied en Latijns-Amerika.
92
Inleiding
Leishmaniose is een ziekte die wordt veroorzaakt door een protozoaire parasiet
van het geslacht Leishmania. Er zijn meer dan 20 verschillende soorten die op
de mens kunnen worden overgedragen via een steek van een besmet wijfje van
de zandvlieg (klein hematofaag insect). De reservoirs zijn wilde dieren, tamme
dieren (vooral zwerfhonden) en de mens.
Leishmaniose komt in drie vormen voor: cutane leishmaniose (CL), mucocutane
leishmaniose (MCL) en viscerale leishmaniose (VL). CL, de frequentste vorm,
beperkt zich tot huidwonden die vaak na enkele maanden spontaan genezen
maar soms littekens achterlaten. Bij MCL worden ook de slijmvliezen van neus,
mond en keel aangetast. VL is een systemische ziekte die gepaard gaat met
koorts, gewichtsverlies, pancytopenie (daling van het aantal rode en witte
bloedcellen en bloedplaatjes) en zwelling van de milt, de lever en de lymfeklieren.
Er bestaat geen vaccin om leishmaniose te voorkomen. De behandeling verschilt
volgens het klinische beeld en het species dat de infectie veroorzaakt.
VL is een wereldwijd verspreide tropische/subtropische ziekte, die ook in de
regio van de Middellandse Zee voorkomt [1]. VL is endemisch in negen landen
van de Europese Unie (Bulgarije, Spanje, Griekenland, Kroatië, Italië, Frankrijk,
Slovenië, Portugal en Spanje) [2]. De meerderheid van alle gemelde gevallen in
de wereld doen zich voor in Bangladesh, Brazilië, India, Nepal en Soedan.
In België zijn de vectoren van leishmaniose niet aanwezig.
Methode
In België is leishmaniose geen ziekte waarvoor meldingsplicht geldt. De
surveillance wordt uitgevoerd door het referentielaboratorium van het Instituut
voor Tropische Geneeskunde (ITG) in Antwerpen. De diagnose van leishmaniose
gebeurt met microscopie en PCR en voor VL ook met serologie.
Resultaten
In 2013 en 2014 diagnosticeerde het referentielaboratorium respectievelijk 18
en 11 gevallen van leishmaniose. Figuur 1 toont de jaarlijkse evolutie van het
aantal infecties sinds 2003.
Net zoals voorgaande jaren waren de meerderheid van de gerapporteerde
gevallen in 2013 en 2014 mannen (verhouding man/vrouw van 2,1). De mediane
leeftijd van de gerapporteerde gevallen was 35 jaar (spreiding 2-73 jaar).
Figuur 1 | Aantal gerapporteerde gevallen van leishmaniose per geslacht
en per jaar, België, 2003-2014
(Bron: referentielaboratorium voor Leishmania spp.)
18
16
8
6
4
2
2014
2013
2012
2011
2010
2009
2008
2007
2006
2005
2004
0
3.3
10
2003
Number of cases
Men
12
Ziekten die worden overgedragen
door andere vectoren
Women
14
93
Van de 18 gediagnosticeerde gevallen in 2013 vertoonden er 12 patiënten een
cutane/mucocutane leishmaniose (CL/MCL), 1 persoon had een viscerale vorm
(VL) en voor 5 gevallen was de klinische vorm onbekend. In 2014 vertoonden
6 van de 10 gevallen voor wie de informatie beschikbaar was, een cutane/
mucocutane leishmaniose en 4 personen leden aan viscerale leishmaniose
(Figuur 2).
Figuur 2 | Aantal gerapporteerde gevallen van leishmaniose per klinische vorm
en per jaar, België, 2008-2014
(Bron: referentielaboratorium voor Leishmania spp.)
18
16
3.3
94
Number of cases
Ziekten die worden overgedragen
door andere vectoren
14
Unknown
12
Visceral
leishmaniasis
10
8
(Muco)cutaneous
leishmaniasis
6
4
2
0
2008
2009
2010
2011
2012
2013
2014
In 2013 werden 15 van de 18 gevallen gediagnosticeerd door middel van PCR
en in 2014, alle gevallen. Figuur 3 toont de resultaten van de species typering
met behulp van sequentie-analyse. De species weerspiegelen de klinische vorm
waarmee de patiënten zich aanbieden en het land waar ze geïnfecteerd werden.
Figuur 3 | Aantal gevallen van leishmaniose gerapporteerd per jaar
en per soort, België, 2011-2014
(Bron: referentielaboratorium voor Leishmania spp.)
14
L. tropica
8
L. infantum
6
L. guyanensis
4
L. donovanicomplex
2
0
L. brasiliensis
2011
2012
2013
2014
Net zoals de voorgaande jaren werd de meerderheid van de gediagnosticeerde
gevallen in 2013 en 2014, waarvoor informatie over de oorsprong beschikbaar
was, besmet in Noord-Afrika (Marokko en Tunesië), het Nabije Oosten (Syrië en
Iran) of Latijns-Amerika (Brazilië en Frans Guyana).
Bespreking
Het jaarlijks aantal gevallen van leishmaniose gerapporteerd in België schommelt
en evolueerde de voorgaande jaren lichtjes in stijgende lijn. Dit stemt overeen
met de wereldwijd sterke uitbreiding van de ziekte in de afgelopen jaren [2].
Leishmaniosen zijn vandaag ontegensprekelijk wijder verspreid dan vroeger,
er worden tegenwoordig ook gevallen gemeld in gebieden waar de ziekte
voorheen niet endemisch was [2]. Deze verspreiding van de ziekte heeft te
maken met veranderingen in het leefmilieu zoals de ontbossing, de bouw van
dammen, de irrigatiesystemen en de verstedelijking, die leiden tot een grotere
nabijheid van de vectoren tot de bevolking.
In Europa gaat het om een verwaarloosde ziekte en tal van artsen en specialisten
op het gebied van de volksgezondheid beschouwen leishmaniose nog altijd als
een tropische ziekte. Toch is leishmaniose endemisch in verschillende landen van
Zuid-Europa [2,3]. Twee soorten Leishmania (L. infantum en L. tropica) zijn in
Ziekten die worden overgedragen
door andere vectoren
L. major
10
3.3
Number of cases
12
95
verband gebracht met meerdere soorten endemische zandvliegjes in het zuiden
van Europa [3,4].
Hoewel het in België om een importpathologie gaat, onderstrepen de ernst
van de ziekte en haar potentieel om zich te verspreiden het belang van de
surveillance van de ziekte bij de mens. De typering is van belang voor het kiezen
van de juiste therapie en is daarenboven interessant voor de identificatie van de
oorsprong van de infectie.
Referenties
1. Wereldgezondheidsorganisatie (WHO). Fact sheet: Leishmaniasis. Beschikbaar via: http://
www.who.int/mediacentre/factsheets/fs375/en/
2. Alvar J, Vélez ID, Bern C, Herrero M, Desjeux P et al. Leishmaniasis worldwide and global
estimates of its incidence. PLoS ONE. 2012 May; 7(5): e35671.
3.3
Ziekten die worden overgedragen
door andere vectoren
3. Gradoni L. Epidemiological surveillance of leishmaniasis in the European Union: operational
and research challenges. EuroSurveillance. 2013; 18(30).
96
4. Instituut voor Tropische Geneeskunde. Illustrated lecture notes on Tropical Medicine:
Leishmaniosis. Beschikbaar via: http://itg.author-e.eu/Generated/pubx/173/leishmaniasis/
distribution.htm
Rickettsiose (Rickettsia spp.)
A. Litzroth, M. Van Esbroeck
Hoofdpunten
• In België werden in 2013 en 2014 respectievelijk 19 en 20 gevallen van rickettsiose
gediagnosticeerd, wat vergelijkbaar is met het aantal gevallen in de vorige jaren.
• De infectie werd meestal opgelopen tijdens een verblijf in Zuid-Afrika of in
Marokko.
Methode
Rickettsioses zijn aangifteplichtig in Vlaanderen (vlektyfus veroorzaakt door R.
typhi en R. prowazekii) en Wallonië (autochtone rickettsiosen), maar niet in
Brussel. Binnen het NRC Rickettsia – Anaplasma, dat bestaat uit een consortium
3.3
Rickettsia is een obligate intracellulaire bacterie, die hoofdzakelijk wordt
teruggevonden bij arthropoden (vooral hematofage arthropoden: teken, luizen
en mijten), die als vector fungeren voor de bacterie. Rickettsia wordt klassiek
ingedeeld in 3 groepen: de ‘spotted fever’-groep (meerdere species, waaronder
R. conorii en R. africae), de tyfusgroep (epidemische en endemische vlektyfus)
en de scrubtyfusgroep (Orientia). Deze laatste groep wordt tegenwoordig als
een nieuw geslacht beschouwd, maar de ziekten veroorzaakt door deze species
worden nog vaak tot de rickettsiosen gerekend. Het belangrijkste symptoom
van rickettsiose is koorts, die gepaard kan gaan met huiduitslag, een necrotische
wonde op de plaats van inoculatie en plaatselijke lymfadenopathieën. De ernst
van de ziekte verschilt naargelang de verwekker. De behandeling bestaat uit een
snelle toediening van antibiotica [1].
R. conorii komt voor in het Middellandse Zeegebied en veroorzaakt
mediterrane tekenkoorts (“fièvre boutonneuse”). De bacterie wordt op de mens
overgedragen door de bruine hondenteek (Rhiphicephalus sanguineus). De
gevallen doen zich lokaal hoofdzakelijk in de zomermaanden voor en in België
als importaandoening bij mensen die terugkeren van een reis in de landen van
het Middellandse Zeegebied [1,2].
R. africae is momenteel de belangrijkste oorzaak van rickettsiose in zwart Afrika
en gezien zijn incidentie één van de frequentste oorzaken van tekenkoorts.
Toeristen worden meestal blootgesteld tijdens een bezoek aan een dierenpark.
Deze rickettsiose geneest altijd spontaan [1,3].
R. typhi veroorzaakt murine vlektyfus. De bacterie komt wereldwijd voor in
tropische kustgebieden, maar ook in enkele Europese landen (Griekenland,
Spanje en de Canarische eilanden en Portugal). Het reservoir is de rat.
Geïnfecteerde rattenvlooien zorgen voor verspreiding naar andere ratten en af
en toe naar mensen. Er kunnen symptomen van het centrale zenuwstelsel en
andere complicaties optreden, maar deze zijn zeldzaam en de ziekte is zelden
dodelijk [4,5].
Ziekten die worden overgedragen
door andere vectoren
Inleiding
97
van het Militair Hospitaal Koningin Astrid en het Instituut voor Tropische
Geneeskunde (ITG), staat het ITG in voor de epidemiologische surveillance van
Rickettsia sinds 2011.
Resultaten
3.3
98
Figuur 1 | Aantal gerapporteerde gevallen van rickettsiose, volgens
gevalsdefinitie en per jaar, België, 2009-2014
(Bron: NRC voor Rickettsia)
30
25
Number of cases
Ziekten die worden overgedragen
door andere vectoren
In 2013 werden er in totaal 19 Rickettsia-infecties gediagnosticeerd (allemaal
bevestigd of waarschijnlijk), waarvan 5 met PCR en serologie, 2 enkel met
PCR en 12 alleen via serologie. In 2014 werden er 20 Rickettsia-infecties
gediagnosticeerd (16 bevestigde of waarschijnlijke en 4 mogelijke gevallen)
waarvan 1 met PCR en serologie, 1 enkel met PCR en 18 alleen via serologie.
Figuur 1 toont een vergelijking van het aantal gevallen met de voorbije jaren.
20
15
10
5
0
2009
Possible
2010
2011
2012
2013
2014
Confirmed and probable
Zowel in 2013 als in 2014 werden meer gevallen vastgesteld bij mannen dan bij
vrouwen. In 2013 bedroeg de man-vrouwverhouding 1,7/1 en in 2014 1,2/1.
De mediane leeftijd was vergelijkbaar in 2013 (53, spreiding 37-69) en in 2014
(52, spreiding 14-82).
Gevallen van rickettsiose worden het ganse jaar door gediagnosticeerd. Zowel
in 2013 als in 2014 was er een kleine piek merkbaar tijdens en vlak na de
zomervakantie (Figuur 2).
Figuur 2 | Aantal gerapporteerde gevallen van rickettsiose per maand,
België, 2013-2014
(Bron: NRC voor Rickettsia)
6
2013
Number of cases
5
2014
4
3
2
Jan Feb Mar Apr May June July Aug Sept Oct Nov Dec
In 2013 was voor 17 van de 19 gevallen bekend in welk land ze vermoedelijk
geïnfecteerd werden. Al deze gevallen raakten besmet in het buitenland, met als
meest genoemde landen Zuid-Afrika (8 gevallen) en Marokko (4 gevallen). Voor
de 16 gevallen in 2014 waarvoor het land van besmetting gekend was, werden
opnieuw Zuid-Afrika (11 gevallen) en Marokko (2 gevallen) het vaakst genoemd.
Voor één geval werd België opgegeven als vermoedelijk land van infectie. Het
ging hier om een patiënt blootgesteld aan teken in België maar waarvan de
serologische resultaten niet met zekerheid wezen op een recente infectie.
In 2013 en 2014 kon het species bepaald worden voor 7 gevallen in totaal.
Voor 5 personen ging het om een Afrikaanse koorts door R. africae, waarbij
de besmetting werd opgelopen via een tekenbeet in Zuid-Afrika (n=4) en in
Zimbabwe (n=1). Eén persoon ontwikkelde mediterrane tekenkoorts veroorzaakt
door R. conorii na een verblijf in Marokko, en een persoon met murine vlektyfus,
veroorzaakt door R. typhi, werd vermoedelijk besmet in Indonesië.
Bespreking
Het aantal gevallen van rickettsiose dat in 2013 en 2014 werd gerapporteerd,
was niet significant hoger dan de vorige jaren. Rickettsiosen zijn ziekten waar
je aan moet denken bij patiënten die terugkeren uit een endemisch land,
hoofdzakelijk Afrika, maar ook uit landen van het Middellandse Zeegebied en
in Zuidoost Azië.
Er kan niet met zekerheid gezegd worden of we in 2014 met een autochtone
rickettsiose te maken hadden. Hoewel een studie uit 2013 heeft aangetoond
dat ongeveer 14% van de Ixodes-teken teruggevonden op honden en katten
3.3
0
Ziekten die worden overgedragen
door andere vectoren
1
99
in België besmet was met Rickettsia helvetica [6], bestaat er verder weinig
informatie over de prevalentie van Rickettsia-besmettingen bij teken in België.
Referenties
1. Raoult D. Introduction to rickettsioses and ehrlichioses. In: Mandell GL, Bennett JE, Dolin R.
Principles and Practice of Infectious Diseases. 7th ed. Elsevier; 2009.
2. Demeester R, Claus M, Hildebrand M, Vlieghe E, Bottieau E. Diversity of life-threatening
complications due to mediterranean spotted fever in returning travellers. Journal of Travel
Medicine. 2010;17(2):100-4.
3. Aix-Marseille Université. Fiches d’information du domaine du CNR des Rickettsies. Rickettsia
Africae. 2013. Beschikbaar via: http://ifr48.timone.univ-mrs.fr/Fiches/Rickettsia_africae.html
3.3
Ziekten die worden overgedragen
door andere vectoren
4. Peniche LG, Dzul-Rosado KR, Zavala Velazquez JE, Zavala-Castro J. Murine typhus: Clinical
and epidemiological aspects. Colomb Med (Cali ). 2012;43(2):175-80.
100
5. European centre for Disease Prevention and Control (ECDC). Epidemiological situation
of rickettsioses in EU/EFTA countries. 2013. Beschikbaar via: http://ecdc.europa.eu/en/
publications/Publications/Rickettsioses_2010_final.pdf
6. Claerebout E, Losson B, Cochez C, Casaert S, Dalemans AC, De Cat A et al. Ticks
and associated pathogens collected from dogs and cats in Belgium. Parasit Vectors.
2013;19(6):183.
Pest (Yersinia pestis)
D. Van Beckhoven, P. Wattiau
Hoofdpunten
• In België zijn er al meer dan 80 jaar geen gevallen van pest meer gerapporteerd.
• Pest komt in veel werelddelen voor, hoofdzakelijk in Afrika.
• Gezien het risico op import en de internationale meldingsplicht blijft pest een
verplicht aan te geven ziekte.
3.3
Pest wordt veroorzaakt door de bacterie Yersinia pestis. Het is een infectieziekte
die voorkomt bij mens en dier. De mens wordt doorgaans besmet via een beet
van een vlo van een knaagdier dat drager is van de bacterie of door contact met
een besmette gastheer. De ziekte komt het frequentst voor onder de vorm van
builenpest, gekenmerkt door het plotse optreden van koorts, rillingen, flauwte,
hoofdpijn en gepaard gaand met een pijnlijke zwelling van de lymfeklieren
(‘builen’), gewoonlijk in de liezen, oksels of hals. Er bestaat ook een pulmonale
of septicemische vorm. Zonder behandeling leidt de ziekte in 40 tot 70% van
de gevallen tot de dood. Wanneer de diagnose vroegtijdig wordt gesteld en de
antibioticabehandeling snel wordt gestart, daalt de letaliteit tot minder dan 5%
in geval van builenpest en blijft de letaliteit hoog (tot meer dan 50%) in geval
van een pulmonale vorm [1,2].
In West-Europa is er nu al meer dan 80 jaar geen pest meer. De ziekte komt
echter nog in veel werelddelen voor, hoofdzakelijk op het platteland in Afrika
maar ook in het Verre Oosten, Centraal-Azië, Noord en Zuid-Amerika [3,4].
De spreiding van de pest stemt overeen met de geografische spreiding van de
knaagdieren die kwetsbaar zijn voor de infectie en op alle continenten worden
aangetroffen met uitzondering van Australië [5]. Epidemische opstoten die
herhaaldelijk voorkomen en in sommige regio’s opnieuw opduiken, tonen
aan dat de ziekte opnieuw kan optreden in gebieden die lang vrij van pest zijn
gebleven [3,6].
Ziekten die worden overgedragen
door andere vectoren
Inleiding
Methode
Pest is een meldingsplichtige ziekte in België. Het referentielaboratorium
voor Yersinia pestis is het Centrum voor Onderzoek in Diergeneeskunde en
Agrochemie (CODA-CERVA).
Resultaten
In 2013 et 2014 werden er in België geen gevallen van pest gerapporteerd
(geen enkel verdacht geval en geen enkel staal getest sinds meer dan 5 jaar).
101
3.3
Ziekten die worden overgedragen
door andere vectoren
Bespreking
102
Door de verbetering van onze levensstandaard en de gezondheidszorg, is het
aantal gevallen van pest fel gedaald sinds het begin van de twintigste eeuw,
toen epidemieën nog tientallen miljoenen sterfgevallen veroorzaakten. In ons
land is er nu al meer dan 80 jaar geen geval meer gerapporteerd. In 2013 zijn
wereldwijd 783 gevallen van pest en 126 sterfgevallen gerapporteerd [4]. Dit
cijfer is hoogstwaarschijnlijk onderschat omdat de surveillancesystemen in
sommige landen niet optimaal zijn en omdat er terughoudendheid heerst om
gevallen van pest officieel te rapporteren [8].
Op dit moment is Madagaskar het meest getroffen land wereldwijd, met 482
gemelde gevallen in 2014 [9]. Op de tweede plaats komt de Democratische
Republiek Congo [5,6]. In 2013 en 2014 werden er sporadisch gevallen van
pest gerapporteerd in China, Bolivia, Peru, Kirgizië, Rusland (Dagestan) en in
het zuidwesten van de Verenigde Staten, waar pest werd vastgesteld bij 14
personen, waaronder 1 sterfgeval [10,11].
Gezien pest nog altijd voorkomt in een aantal landen, de letaliteit hoog blijft
en gevallen van antibioticaresistentie werden gerapporteerd, is het belangrijk
om de surveillance voort te zetten, in het bijzonder onder de populaties die in
endemische gebieden wonen of er naartoe reizen [8]. Pest blijft een verplicht
aan te geven ziekte in België gezien het risico op import van gevallen (bij reizen
een endemische regio) en de internationale meldingsplicht in het kader van de
International Health Regulations (IHR).
Referenties
1. Dennis D, Mead P. Yersinia species, including plague. In: Mandell GL, Bennett JE, Dolin R.
Principles and Practice of Infectious Diseases. 7th ed. Elsevier; 2010.
2. Prentice M. Plague. Lancet 2007; 369:1196-207.
3. Centrum voor Onderzoek in Diergeneeskunde en Agrochemie (CODA-CERVA). Pest (Yersinia
pestis). 2015. Beschikbaar via: http://www.coda-cerva.be/index.php?option=com_content&
id=143&Itemid=242&lang=nl
4. Raoult D, Mouffok N, Bitam I, Piarroux R, Drancourt M. Plague: History and contemporary
analysis. Journal of Infection. 2013 Jan; 66(1): 18–26.
5. World Health Organization. Plague. Fact sheet. Updated November 2014. Published on
February 19, 2015. Beschikbaar via: http://www.who.int/mediacentre/factsheets/fs267/en/
6. Butler T. Plague gives surprises in the first decade of the 21st century in the United States
and worldwide. American Journal of Tropical Medicine and Hygiene. 2013 Oct; 89(4): 78893.
7. European Centre for Disease Prevention and Control (ECDC). Annual Epidemiological Report
2014. Beschikbaar via: http://ecdc.europa.eu/en/publications/Publications/emerging-vectorborne-diseases_annual-epidemiological-report-2014.pdf
8. World Health Organization. WHO Report on Global Surveillance of Epidemic-prone
Infectious Diseases. WHO 2000. Beschikbaar via: http://www.who.int/csr/resources/
publications/surveillance/plague.pdf?ua=1
9. Bertherat EG. Plague in Madagascar: overview of the 2014-2015 epidemic season. Wkly
Epidemiol Rec. 2015 May 15;90(20):250-2. Beschikbaar via: http://www.ncbi.nlm.nih.gov/
pubmed/25980039
10. International Society for Infectious Diseases. ProMED mail. Accessed on 2015 September
14. Beschikbaar via: http://www.promedmail.org/
3.3
Ziekten die worden overgedragen
door andere vectoren
11. Centers for Disease Control and Prevention (CDC). Notifiable Diseases and Mortality Tables.
MMWR Report 2015; 64(34): 598.
103
BIJLAGEN
Bijlage 1: Contactgegevens voor de
melding van infectieziekten
Inspectie voor hygiëne van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest:
0478 77 77 08
Dienst surveillance van infectieziekten – Agence pour une Vie de Qualité
(AVIQ), regio Wallonië:
071 205 105
Arts infectieziektebestrijding van het Agentschap Zorg en Gezondheid:
Kantooruren:
Antwerpen: 03 224 62 04
Limburg: 011 74 22 40
Oost-Vlaanderen: 09 276 13 80
Vlaams-Brabant: 016 66 63 50
West-Vlaanderen: 050 24 79 00
02 512 93 89
BI J LAGE n
Buiten de kantooruren: 105
Bijlage 2: Rapportering van het aantal
gevallen per regio
De onderstaande tabel geeft het aantal waarschijnlijke en bevestigde gevallen
weer per regio, voor alle pathogenen die voorgesteld werden in dit rapport.
Enkel gevallen waarvan de woonplaats (postcode of regio) gekend was werden
weerhouden.
Zoönosen
BI J LAGE n
Ziekten
overgedragen
door teken
106
Ziekten
overgedragen
door muggen
Ziekten
overgedragen
door andere
vectoren
Ziekte
Bron
Bartonellose
RL
Brucellose
Alveolaire
echinococcose
Q-koorts
Wallonië
Brussel
Vlaanderen
2013
2014
2013
2014
2013
2014
303
283
20
26
147
143
NRC
0
0
2
1
0
1
RL
3
3
0
0
0
0
NRC
2
4
0
1
4
5
Hantavirose
Peillaboratoria
13
44
2
8
9
21
Leptospirose
RL
4
18
1
0
10
15
Miltvuur
RL
0
0
0
0
0
0
Psittacose
Peillaboratoria
/VM
8
1
0
0
12
20
Hondsdolheid
NRC
0
0
0
0
0
0
Tularemie
NRC
1
1
0
0
0
0
Anaplasmose
NRC
13
7
0
0
7
8
Tekenencefalitis
NRC
0
0
0
0
1
0
Ziekte van Lyme*
Peillaboratoria
625
889
151
202
1041
1180
Chikungunya
RL
2
25
2
10
3
39
Dengue
NRC
27
27
29
20
82
63
Malaria
Peillaboratoria
35
38
32
22
33
39
West-Nile koorts
NRC
0
0
0
0
0
0
Leishmaniose
RL
5
1
3
5
10
7
Pest
RL
0
0
0
0
0
0
Rickettsiose
NRC
1
2
3
4
15
14
* Positieve serologie resultaten voor Borrelia burgdorferi
Bijlage 3: Lijst van interessante websites
(in alfabetische volgorde)
Agentschap Zorg en Gezondheid:
http://www.zorg-en-gezondheid.be/per-domein/infectieziektes-en-vaccinaties
Centrum voor onderzoek in diergeneeskunde en agrochemie (CODA):
http://www.coda-cerva.be/
Dienst Epidemiologie van infectieziekten, Wetenschappelijk Instituut
Volksgezondheid:
https://epidemio.wiv-isp.be/ID/Pages/default.aspx
Europees centrum voor ziektepreventie en -controle:
http://www.ecdc.europa.eu
Federaal agentschap voor de veiligheid van de voedselketen:
http://www.FAVV.be/professionelen/
Federaal kenniscentrum voor de gezondheidszorg (KCE):
https://kce.fgov.be/nl
Federale overheidsdienst Volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en
leefmilieu:
http://www.health.belgium.be/eportal/index.htm
Huisartsenpeilpraktijken:
https://www.wiv-isp.be/epidemio/epinl/index10.htm
Operationele directie Overdraagbare en Besmettelijke Ziekten, Wetenschappelijk
Instituut Volksgezondheid:
https://www.wiv-isp.be/odobz-domti/nl/index.html
Referentielaboratoria:
http://nrchm.wiv-isp.be/nl/default.aspx
Verplichte aangifte van infectieziekten in de gemeenschappen:
• Vlaanderen:
http://www.zorg-en-gezondheid.be/een-meldingsplichtige-infectieziekte-aangeven
• AVIQ (Fédération Wallonie-Bruxelles) :
https://www.wiv-isp.be/matra/cf/connexion.aspx
• Gemeenschappelijke gemeenschapscommissie van Brussel hoofdstad (GGC):
http://www.ccc-ggc.irisnet.be/nl/erkende-instellingen/gezondheidzorg
Wereldgezondheidsorganisatie:
http://www.who.int/en/
Wereldgezondheidsorganisatie, regionaal kantoor voor Europa (WGO Europa):
http://www.euro.who.int
Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid (WIV-ISP):
http://www.wiv-isp.be
BI J LAGE n
Peillaboratoria:
https://nrchm.wiv-isp.be/nl/peillabo/default.aspx
107
Laboratorium voor klinische biologie
Laboratorium voor klinische biologie
WIV-ISP
Militair hospitaal Koningin Astrid
Instituut voor Tropische
Geneeskunde
Rabiësvirus
Rickettsia spp.
en Anaplasma
phagocytophilum
Dr. Marjan Van Esbroeck
Dr. Mony Hing
Dr. Steven Van Gucht
Dr. Marc Van Ranst
Dr. Benoît Kabamba-Mukadi
Dr. Marcella Mori
Dr. Marjan Van Esbroeck
Laboratorium voor klinische biologie
Operationele directie Bacteriële
ziekten
Secteur des sciences de la santé Pôle de Microbiologie Médicale
Departement
Laboratoriumgeneeskunde Laboratorium voor Klinische
Virologie
OD Overdraagbare en besmettelijke
ziekten - Wetenschappelijke dienst
voor virale ziekten
Dr. Marjan Van Esbroeck
[email protected]
[email protected]
[email protected]
[email protected]
[email protected]
[email protected]
[email protected]
[email protected]
[email protected]
[email protected]
Dr. Veroniek Saegeman
Dr. Marcella Mori
[email protected]
[email protected]
E-mail
Dr. Benoît Kabamba-Mukadi
Dr. Marjan Van Esbroeck
Contactpersoon
Laboratorium voor klinische biologie
UZ Leuven/KU Leuven
Université Catholique de Louvain
(UCL)
CODA-CERVA
Instituut voor Tropische
Geneeskunde
Instituut voor Tropische
Geneeskunde
CODA-CERVA
Hantavirus spp.
Coxiella burnetii en
Bartonella spp.
Brucella spp.
Secteur des sciences de la santé Pôle de Microbiologie Médicale
Microbiologie & Immunologie
Operationele directie Bacteriële
ziekten
Laboratorium voor klinische biologie
Instituut voor Tropische
Geneeskunde
Université Catholique de Louvain
(UCL)
UZ Leuven/KU Leuven
Departement
NRC
108
Borrelia burgdorferi
(Lyme disease)
Pathogeen
Arbovirussen (WNV,
chikungunyavirus,
denguevirus, TBEV)
BI J LAGE n
Bijlage 4: Lijst van de nationale referentiecentra
per pathogeen vanaf oktober 2015
Dr. Marcella Mori
Vakgroep Dierlijke productie
Laboratoire de parasitologie
Operationele directie Bacteriële
ziekten
Laboratorium voor klinische biologie
Universiteit Gent
Université Libre de Bruxelles –
Hôpital Erasme
CODA-CERVA
Instituut voor Tropische
Geneeskunde
Chlamydia psittaci
Echinococcus
multilocularis
Francisella tularensis
Plasmodium spp.
BI J LAGE n
Dr. Carine Truyens
Laboratorium voor klinische biologie
Instituut voor Tropische
Geneeskunde
Leishmania spp. en
Leptospira spp.
Dr. Jan Jacobs
Dr. Daisy Vanrompay
Dr. Marjan Van Esbroeck
Dr. Pierre Wattiau
Operationele directie Bacteriële
ziekten
CODA-CERVA
Bacillus antracis en
Yersinia pestis
Contactpersoon
Departement
Referentielaboratorium
Pathogeen
[email protected]
[email protected]
[email protected]
[email protected]
[email protected]
[email protected]
E-mail
Bijlage 5: Lijst van referentielaboratoria
per pathogeen
109
© WIV-ISP
Volksgezondheid en Surveillance
Juliette Wytsmanstraat 14
1050 Brussel | België
www.wiv-isp.be
Verantwoordelijke uitgever: Dr. Johan Peeters
Depotnummer: D/2015/2505/74
Download