Toen de zoon van rabbi Johoshua met koorts te bed lag, had hij een

advertisement
C – Christus Koning – 20 november 2016 (Sint-Pieter)
2 Samuel 5,1-3; Psalm 122; Col 1,12-20; Lc 23,35-43
Vandaag is het feest van Christus Koning. Maar Jezus zelf wilde geen koning zijn. Of toch?
Maar wat voor soort koning? Er zijn tegenwoordig weinig koningen meer. De koningen die
er nog zijn, die van Nederland, België, Groot-Brittannië, hebben geen politieke macht. De
macht ligt nu bij de politici. Wat moeten wij ons dus voorstellen bij het feest van Christus
Koning? Een koning die geen macht heeft. Dat zeker. Maar het gaat niet over macht. Het
gaat over de manier waarop iedereen van ons met medemens moet omgaan. Wij dus.
Hoe koning zijn?
Het is u niet ontgaan dat in een aantal landen – we hebben het onlangs nog gezien – de
democratie in crisis is, dat kiezers geen vertrouwen meer hebben in de zittende politici, in de
gevestigde politieke partijen, en stemmen op kandidaten die voortkomen uit nieuwe
bewegingen, of op populistische kandidaten die inspelen op de ontevreden gevoelens van
de mensen, van alles beloven, en die beloftes terugtrekken zodra ze gekozen zijn. We
hebben er onlangs weer een mooi voorbeeld van gezien.
Politici wordt tegenwoordig vaak verweten dat ze geen contact hebben het volk, dat ze
niet weten wat de gewone man van de middenklasse allemaal beleeft, en dat ze niet
opkomen voor de mensen die het écht nodig hebben, omdat ze teveel met zichzelf en met
hun carrière bezig zijn, en vastzitten in het systeem. In Frankrijk, waar op het ogenblik de
verkiezingscampagne al volop bezig is, stellen journalisten soms, met een heimelijk plezier,
vragen aan kandidaten over het dagelijks leven van de gewone man. Bijvoorbeeld: “weet u
hoeveel een kaartje van de metro in Parijs kost?” “Weet u hoeveel een chocoladebroodje
kost?” En dan blijkt iedere keer weer dat politici geen flauw idee hebben van het dagelijks
leven van de gewone burger. In veel landen is momenteel de verhouding politici – burgers
in crisis.
Ja, hoe zou dan een koning, een president, een minister, een regering, een politiek
apparaat, ten opzichte van de burger, de gewone man, moeten zijn? Het is een van de
vragen die wij ons vandaag, op het feest van Christus Koning, kunnen stellen. Hoe moet
men koning zijn? Hoe moet men leider zijn?
Het feest van Christus Koning hebben wij in onze kerk lang gevierd als iets triomfantelijks.
Het feest is in 1925 ingesteld door paus Pius XI, dus vlak na de slachting van de Eerste
Wereldoorlog (10 miljoen doden), waarmee een periode van verwarring, onrust en rumoer
in heel de wereld begon, die al snel leidde tot een Tweede Wereldoorlog (50 miljoen doden).
In een totaal verwarde wereld, waar overal wereldrijken ineen stortten, waar bolsjevisme en
communisme, en daarna ook nazisme de mensen verleidden, wilde paus Pius XI de persoon
van Christus plaatsen als een vast baken, een rots in de onstuimige branding der volkeren,
de uiteindelijke overwinnaar. En wij zongen uit volle borst: Christus vincit, Christus regnat,
Christus imperat (Christus overwinnaar, koning, keizer). Een triomfantelijke Christus.
Zou Jezus dat zelf gewild hebben? Ja, koning was Hij, maar dat zei Hij pas toen Hij bij
Pilatus was. Pilatus heeft toen wel moeten lachen, want Jezus was toen niet bepaald een
koning naar de maatstaven van de wereld. Daarom heeft onze kerk er ook goed aan gedaan
om voor dit feest van Christus Koning als Evangelielezing een stuk te nemen uit het relaas
van Jezus aan het kruis. Daar was Hij écht koning. Het stond dan ook op het bordje dat
boven zijn hoofd aan het hout gespijkerd was: “Jezus, de Nazorener, de Koning van de
Joden”. Het koningschap van Jezus was dat van een omgekeerde wereld, een wereld op de
kop.
Onze kerk vraagt ons vandaag óók, als eerste lezing, een stukje te lezen uit het Tweede Boek
van Samuel, over het koningschap van David. David, die niet van koninklijke huize was,
geen politieke carrière ambieerde, niet ingebed zat in het politiek systeem, maar een gewone
burger. Maar waarom wordt juist hij dan gekozen om koning te worden over Israël? Omdat
hij een herder is. En als koning moet hij ook een herder zijn over zijn volk. Als onze politici
daar eens een voorbeeld aan zouden kunnen nemen… Hun functies zien als de inzet, het
werk van herders…
David mag óók koning zijn, niet alleen omdat hij een herder is, maar ook omdat hij zich
voedt uit de Heilige Schrift. Hij kent de psalmen. Een oude traditie beweert zelfs dat hij ze
allemaal geschreven heeft. Er zijn enkele psalmen die heel mooi zeggen hoe het beleid van
een koning moet zijn. Psalm 72 bijvoorbeeld:
1 God, laat de koning regeren zoals U.
4 Hij komt op voor de armen van zijn volk; hij zal de misdeelden redden.
12 Hij redt de misdeelde die om hulp smeekt, de verdrukte, door niemand geholpen.
13 Wie achtergesteld zijn, toont hij erbarmen, wie zwak en onderdrukt is, redt hij het leven.
Welk koningschap? Welk leiderschap? Zoals de psalm ons leert, met prioriteit voor de kleine
man, de arme, de hulpbehoevende. Mogen alle politici aan deze psalm een voorbeeld
nemen.
Wat geldt voor koningen en groten, geldt vandaag ook voor de gewone man. Het gaat ook
over ons, en over de manier waarop wij omgaan met de medemens, onze aandacht voor de
minder bedeelde, voor wie achtergesteld is, voor degene waar niemand naar omkijkt. Ieder
van ons is voor zijn medemens ook een herder. Een koning.
Régis de la Haye, diaken
Download