Gewelddadig extremisme: De rol van religieuze en sociaal

advertisement
FACULTEIT
RECHTSGELEERDHEID
Gewelddadig extremisme:
De rol van religieuze en sociaalpsychologische determinanten
Masterproef neergelegd tot het behalen van
de graad van Master in de criminologische wetenschappen
door (01200518) (Koeleman Anne Maria)
Academiejaar 2015-2016
Promotor :
Prof. Dr. Pauwels Lieven
Commissaris :
Prof Dr. Janssens Jelle
Verklaring inzake toegankelijkheid van de
masterproef criminologische wetenschappen
Ondergetekende,
Koeleman Anne Maria (01200518)
geeft hierbij aan derden,
zijnde andere personen dan de promotor (en eventuele co-promotor), de commissarissen of leden van de
examencommissie van de master in de criminologische wetenschappen,
[de toelating] [geen toelating] (schrappen wat niet past)
om deze masterproef in te zien, deze geheel of gedeeltelijk te kopiëren of er, indien beschikbaar, een
elektronische kopie van te bekomen, waarbij deze derden er uiteraard slechts zullen kunnen naar
verwijzen of uit citeren mits zij correct en volledig de bron vermelden.
Deze verklaring wordt in zoveel exemplaren opgemaakt als het aantal exemplaren waarin de masterproef
moet worden ingediend, en dient in elk van die exemplaren ingebonden onmiddellijk na het titelblad.
Datum: 16-08-2016
Handtekening: ……………………………
1
WOORD VOORAF
Deze masterproef is geschreven voor het behalen van de Master of Science in de criminologische
wetenschappen aan de Universiteit van Gent. In de afgelopen vier jaar heb ik kennis mogen vergaren
binnen een zeer interessante opleiding. Op basis van de opgedane vaardigheden en kennis heb ik deze
masterproef dan ook kunnen neerschrijven. In het derde academiejaar heb ik een zeer leerrijke stage
mogen lopen aan de Universiteit van Gent binnen de onderzoeksgroep ‘Urban Crime & Policing’. Dit
onder leiding van mijn stagebegeleider en huidige promotor Prof. Dr. Pauwels. Via deze weg wil ik mijn
dank uitspreken naar Prof. Dr. Pauwels voor het aanleren van kwantitatieve vaardigheden en het
opstellen van wetenschappelijke rapporten. Tevens wil ik u hartelijk bedanken voor de goede
begeleiding van mijn masterproef. Via deze weg wil ik ook nog mijn studiegenoot Ann de Buck
bedanken voor de leerrijke overleggen en steun. Bij deze wens ik u veel leesplezier bij het doornemen
van de masterproef betreffende de rol van religieuze en sociaal-psychologische determinanten binnen
gewelddadig extremisme.
2
INHOUDSTAFEL
PAGINA
1. Lijst met begrippen en gebruikte afkortingen
5
2. Lijst met figuren en tabellen
6
3. Inleiding en probleemstelling
7
THEORETISCH LUIK
4. Theoretisch kader
14
4.1 Religie – christendom en islam
14
4.1.1
Christendom
15
4.1.2
Islam
16
4.2 Geweld
17
4.3 Religie en geweld
17
4.3.1
Is religie gewelddadig?
18
4.3.2
Rechtvaardigen
19
4.4 Belangrijkheid van religie
20
4.5 Religieus extremisme
21
4.5.1
Ingroup projection model
4.6 Sociaal-psychologisch model
22
23
4.6.1
Gepercipieerde onrechtvaardigheid
23
4.6.2
Polariserende factoren
24
4.6.2.1
Sociaal identiteitsperspectief
25
4.6.2.2
Religieus autoritarisme
28
4.6.2.3
Gepercipieerde legitimiteit van
29
de politie
4.6.2.4
4.7 Morele opvatting
Politieke machteloosheid
30
31
3
5. Voorgaande studies
33
5.1 Reeds bestaand onderzoek
33
5.2 Onderzoeken gelinkt aan deze studie
35
6. Samenvatting
38
THEORIETOETSEND LUIK
7. Methodologie
43
7.1 RADIMED-project
43
7.2 Samenstelling Steekproef
44
8. Meting van de centrale concepten
47
8.1 Afhankelijke variabele
47
8.2 Onafhankelijke variabelen
48
8.2.1
Demografische achtergrond variabelen
48
8.2.2
Verklarende variabelen
49
8.2.2.1
Religieuze factoren
49
8.2.2.2
Gepercipieerde
49
onrechtvaardigheid
8.2.2.3
Polariserende factoren
50
8.2.2.4
Morele opvatting
51
9. Bevindingen
52
9.1 Onderzoeksvraag 1
52
9.2 Onderzoeksvraag 2
55
9.3 Onderzoeksvraag 3
57
10. Conclusie en discussie
59
11. Bibliografie
63
12. Bijlagen
66
12.1 Schaalconstructen
67
12.2 Descriptives
72
12.3 Collineariteit
73
4
1. LIJST MET BEGRIPPEN EN GEBRUIKTE AFKORTINGEN
Begrip
Ingroup
Outgroup
Afkorting
NSM
UGent
UCL
IRR
Betekenis
De ingroup is de sociale groep waarmee een individu zichzelf identificeert.
De outgroup is een sociale groep waarmee een individu zichzelf niet
identificeert.
New Social Media
Universiteit van Gent
University City London
Incidence Rate Ratio
5
2. LIJST MET FIGUREN EN TABELLEN
Figuren
Figuur 1: Conceptueel model: Gewelddadig extremisme: De rol van religieuze en
sociaal-psychologische determinanten.
Afhankelijke variabele: Politiek/Religieus geweld op personen
Pagina
10
Figuur 2: Conceptueel model: Gewelddadig extremisme: De rol van religieuze en
sociaal-psychologische determinanten.
Afhankelijke variabele: Morele steun voor gewelddadig extremisme
11
Figuur 3: Conceptueel model: Gewelddadig extremisme: De rol van religieuze en
sociaal-psychologische determinanten.
Afhankelijke variabele: Religieus autoritarisme
12
Tabellen
Tabel 1: Achtergrondkenmerken van de steekproef van het RADIMED-project.
Pagina
45
Tabel 2: Negatief binomiale regressieanalyse met als afhankelijke variabele
‘politiek/religieus geweld op personen’.
54
Tabel 3: Lineaire regressieanalyse met als afhankelijke variabele ‘morele steun voor
gewelddadig extremisme’.
56
Tabel 4: Lineaire regressieanalyse met als afhankelijke variabele ‘religieus
autoritarisme’.
57
Tabel 5: Operationalisering van de centrale concepten
67
Tabel 6: Beschrijving van de centrale concepten
72
Tabel 7: Controle op collineariteit
73
6
3. INLEIDING EN PROBLEEMSTELLING
13 November 2015, de wereld is in shock! In Parijs vinden er terroristische aanslagen plaats vanuit een
religieus extremistische beweging genaamd ‘de IS’. Mensen worden gegijzeld, er vinden schietpartijen
plaats in cafés en restaurants en een mislukte aanslag op de Stade de France wordt gepleegd. Na deze
aanslagen worden er linken gelegd met de Brusselse achterstandswijk ‘Sint-Jans-Molenbeek’. Twee
zelfmoordterroristen van de aanslagen in Parijs waren uit deze wijk afkomstig. De achterstandswijk
wordt beschouwd als een ‘broedplaats voor terroristen’. Maar wat is er zo kenmerkend aan deze wijk?
Volgens het nieuwsbericht van Agnes de Goede (RTL Nieuws) leeft bijna de helft van de inwoners in
armoede en is één op drie van de inwoners werkloos. Molenbeek behoort tot één van de armste
gemeentes van België waar één op vier van de jongeren zijn middelbare school niet af maakt onder het
mom ‘Waarom een diploma halen als je toch geen baan kunt krijgen?’ Sinds deze aanslagen staat de
wijk volop in de schijnwerpers waardoor het beladen wordt met negativiteit. Als grootste probleem
wordt de sociale ongelijkheid benoemd. Mensen zijn gefrustreerd, voelen zich slecht en zouden geen
eerlijke kans in deze maatschappij krijgen. Naast de werkloosheid is er veel racisme en discriminatie
waardoor deze mensen geen enkele kans op de arbeidsmarkt zouden hebben. Inwoners hebben geen
eigenwaarde, voelen zich niet thuis en hebben te maken met grote sociale economische misère. Zij
voelen zich tweederangs burgers en zijn daardoor veel gevoeliger om geronseld te worden voor Syrië
en Irak (De Goede, 2015).
In het artikel van Agnes de Goede worden een aantal risicofactoren aangehaald die aan de grondslag
zouden kunnen liggen van radicaliserende jongeren in deze wijk. Deze risicofactoren hebben betrekking
op contextuele factoren zoals bijvoorbeeld de aanwezige werkloosheid en sociale economische misère.
Tevens worden er een aantal push factoren benoemd van sociaal-psychologische aard zoals het ervaren
van discriminatie wat duidt op de perceptie van onrechtvaardigheid. Een combinatie van
maatschappelijke omstandigheden kan een individu vatbaar maken voor extremistische ideeën. Echter
verschillen individuen in de mate waarin zij gevoelig zijn voor deze omstandigheden. De gedachte en
handelingen van een individu worden dan ook sterk gedetermineerd door de interpretatie van de situatie
waar zij zich in bevinden. Daarom is het van belang dat er aandacht besteed wordt aan hoe een individu
een situatie percipieert en welk gedrag een individu binnen deze context kan stellen. Dit is mogelijk
door sociaal-psychologische mechanismen te meten die een cruciale rol spelen in de verklaring van
gewelddadig extremisme (Pauwels et al., 2014).
Belangrijke
sociaal-psychologische
mechanismen
zijn
gepercipieerde
onrechtvaardigheid,
gepercipieerde groepsdreiging en gepercipieerde onzekerheid. Gepercipieerde onrechtvaardigheid doelt
op de perceptie dat iemands eigen groep onterecht benadeeld wordt in vergelijking met andere groepen.
Hierbij is gepercipieerde discriminatie een belangrijke factor. Gepercipieerde groepsdiscriminatie
schijnt dan ook een belangrijke voorspeller te zijn van een positieve morele opvatting ten aanzien van
7
gewelddadig extremisme. Het tweede mechanisme 'gepercipieerde groepsdreiging' verwijst naar
polariserende factoren en kunnen negatieve gevoelens ten aanzien van andere groepen versterken,
voornamelijk wanneer de eigen identiteit sterk gebaseerd is op de sociale groep. Groepsdreiging kan
sterke gevoelens van verontwaardiging opwekken dat kan uitmonden in woede. Het derde mechanisme
'gevoel van onzekerheid' over de eigen toekomst en die van de groep kan tot handelingen leiden.
Handelingen kunnen hiermee de gepercipieerde onzekerheid reduceren wat kan leiden tot morele steun
voor gewelddadig extremisme of zelfs tot het plegen van geweld. (Pauwels et al., 2014).
In deze masterproef wordt er vanuit een geïntegreerd theoretisch kader getoetst of religieuze en sociaalpsychologische intermediaire mechanismen aan de grondslag kunnen liggen van gewelddadig
extremisme. Deze toetsingen worden gedaan aan de hand van meervoudige regressieanalyses. Hierbij
wordt er gebruik gemaakt van de dataset afkomstig uit het RADIMED-project (Pauwels et al., 2014).
Naar voorbeeld van de onderzoeken van Doosje et al (2013) is er een sociaal-psychologisch model
opgesteld ter verklaring van gewelddadig extremisme. De opgenomen concepten zijn gebaseerd op
verschillende theorieën, namelijk het Ingroup projection model (Kessler et al., 2002), Soical identity
theory (Tajfel), Self-categorisation theory (Turner), Procedural justice theory (Tyler), General strain
theory (Agnew) en de Social control Theory (Hirschi). De opgenomen concepten worden schematisch
weergegeven in figuur 1, 2 en 3. In hoofdstuk 8 volgt de meting van de centrale concepten.
De probleemstelling die voor dit onderzoek geformuleerd kan worden is: “Op zoek naar religieuze en
sociaal-psychologische determinanten van gewelddadig extremisme”. Om deze probleemstelling op te
lossen moeten er een aantal onderzoeksvragen opgelost worden. Deze onderzoeksvragen hebben niet
enkel betrekking op gewelddadig extremisme maar ook op een aantal belangrijke factoren die een rol
spelen in gewelddadig extremisme. Deze factoren betreffen de morele opvatting en religieus
autoritarisme. Aangezien de morele opvatting van een individu een belangrijke indicatie geeft van de
mate waarin individuen gewelddadig extremisme steunen wordt er ook onderzocht welke religieuze en
sociaal-psychologische determinanten een rol spelen in de morele opvatting. Tevens is er uit de
toetsingen naar voren gekomen dat religieus autoritarisme een belangrijke rol speelt in gewelddadig
extremisme en andere factoren medieert, om deze reden is er ook een onderzoeksvraag opgesteld
betreffende religieus autoritarisme. De onderzoeksvragen luiden als volgt:
1. Wat zijn de religieuze en sociaal-psychologische determinanten van politiek/religieus geweld
op personen?
2. Wat zijn de religieuze en sociaal-psychologische determinanten van morele steun voor
gewelddadig extremisme?
3. Wat zijn de religieuze en sociaal-psychologische determinanten van religieus autoritarisme?
8
In de volgende figuren worden deze onderzoeksvragen schematisch weergegeven. Vervolgens zullen
de concepten in het geïntegreerd theoretisch kader nader toegelicht worden. Hierop volgend zal er een
korte bespreking volgen waarin de resultaten van voorgaande studies en een aantal gerelateerde studies
worden besproken. Het theoretische luik zal afsluiten met een samenvatting van de theoretische
achtergrond van de daarvoor besproken concepten om op deze manier een overgang te maken naar het
theorietoetsend luik. In het theorietoetsend luik zal allereerst de gehanteerde methodologie van het
RADIMED-project geïntroduceerd worden, waarna de meting van de verschillende concepten zal
volgen. Hierna zullen de bevindingen en resultaten van de toetsingen besproken worden. Deze
masterproef eindigt met een conclusie en discussie. De referenties kunnen gevonden worden in de
bibliografie en meer gedetailleerde informatie kan gevonden worden in de bijlagen.
9
10
11
12
Theoretische luik
13
4.THEORETISCH KADER
In dit theoretisch kader zal de theoretische achtergrond gegeven worden van de opgenomen concepten
uit het hiervoor getoonde conceptueel model. Allereerst wordt er een beeld geschetst van wat er met
religie wordt bedoeld, de religies ‘christendom’ en de ‘islam’ worden hierbij ook kort besproken.
Vervolgens wordt er vermeld wat ‘geweld’ inhoudt, waarna de link tussen religie en geweld gelegd kan
worden. Als laatste wordt er binnen dit religieuze deel besproken in welke mate religie belangrijk wordt
geacht in deze samenleving en wat voor effecten dit met zich mee kan brengen op gewelddadig
extremisme. In het volgende onderdeel wordt de hoofdzakelijke uitkomstvariabele ‘gewelddadig
extremisme’ toegelicht vanuit het religieus extremisme, waarna de toelichting van het sociaalpsychologisch model start. Binnen het sociaal-psychologisch model wordt eerst de gepercipieerde
onrechtvaardigheid toegelicht. Hierna volgen de polariserende factoren waarbij eerst het sociale
identiteitsperspectief wordt toegelicht ter verduidelijking van groepsprocessen die distincties tussen
groepen kunnen vergroten. Vervolgens worden de drie polariserende factoren besproken namelijk het
religieus autoritarisme, gepercipieerde legitimiteit van de politie en politieke machteloosheid. Het laatste
concept uit het conceptueel model dat besproken wordt betreft de morele opvatting waarbij de morele
steun voor gewelddadig extremisme verder wordt toegelicht. Na alle concepten uit het conceptueel
model te hebben besproken volgt er nog een korte bespreking van voorgaande studies en een aantal
studies die gelinkt kunnen worden aan dit onderzoek. Als laatste onderdeel binnen dit theoretische luik
wordt er een samenvatting gegeven van het daarvoor besproken theoretisch kader waardoor er een
overgang gemaakt kan worden naar het daarop volgend theorietoetsend luik.
4.1 Religie- Christendom en Islam
Volgens Durkheim is religie een uniform systeem van overtuigingen en handelingen die gerelateerd zijn
aan heilige zaken. Dit betreft zaken die apart zijn gemaakt en omgeven worden door verbodsbepalingen
waarbij overtuigingen en praktijken zijn aanhangers verenigd in een morele gemeenschap dat de kerk
wordt genoemd (Warfield Rawls, 2004). Clarke (2014) voegt hier nog het geloven in bovennatuurlijke
wezens aan toe. Hij beschrijft dat religie in oorsprong een combinatie is van een veronderstelling van
bovennatuurlijke wezens, participatie in rituelen en de relevantie van moraliteit. Alleen religie kan
gevonden worden in de intersectie van deze drie aspecten van menselijk gedrag (Clarke, 2014).
De oorsprong en evolutie van religie wordt hoofdzakelijk begrepen vanuit twee visies. Ten eerste vanuit
een adaptieve en evolutionaire oogpunt en ten tweede vanuit religie te begrijpen als een bijproduct.
Sommige geleerden stellen dat religie zich ontwikkeld heeft als adaptatie aan het probleem van
samenwerking tussen genetisch ongerelateerde anderen. Andere geleerden stellen dat religie zich
ontwikkeld heeft als bijproduct van reeds bestaande cognitieve capaciteiten maar dan door middel van
zowel biologische- als culturele evolutie zou zijn geëvolueerd in een systeem dat ontworpen is om
problemen met betrekking tot samenwerking op te lossen (Pyysiäinen & Houser, 2010). Religie zou dus
14
voor groepen van mensen het mogelijk maken om meer effectief samen te werken dan dat zij zonder
religie zouden doen. Mensen hebben zich ontwikkeld om in gemeenschappen te leven waarin het gedrag
van een individu geleid wordt door morele overwegingen. Religie bevorderd hierbij over het algemeen
de groepssolidariteit. Dit doen zij door middel van rituelen die een vorm van solidariteit promoten bij
de leden van de gemeenschap. Indirect bevorderen zij ook de moraliteit wat pro-sociaal gedrag bevordert
en dus positief is voor de groepssolidariteit. Meestal codificeren religies deze morele regels en bieden
zij een tal van rolmodellen aan die het vrome evenaren. De morele regels die religies hooghouden dragen
bij tot pro-sociaal gedrag en tot de reductie van free-riding. Ook het geloven in bovennatuurlijk wezens
die u kunnen straffen voor immoreel handelen zal bijdragen tot het moreel handelen binnen een
gemeenschap. Deze bovennatuurlijke wezens worden niet alleen als straf gezien maar ook als een grote
steun. Veel religies erkennen specifieke goden die hen bijvoorbeeld leiden bij oorlogen. Een goed
functionerende morele gemeenschap, waarbij leden van de gemeenschap elkaar helpen stelt hen in staat
om beter te overleven en meer te reproduceren dan anders (Clarke, 2014).
Religie is niet eerst ontstaan in een kathedraal of in een cultureel ontwikkelde samenleving. Het is
duidelijk dat de mens al in de prehistorie over godsdienst bezat. Religie heeft zich eerst ontwikkeld
binnen kleine groepen die rondtrokken voor voedsel en levensonderhoud (Stark et al., 1996). Deze jager/verzamelaarsculturen zagen geesten aanwezig in de natuur maar ook in de mens. Men probeerden met
deze geesten om te gaan via mythen, magie en rituelen (Hellemans, 2007).Wanneer religie al bestond
toen menselijke gemeenschappen slecht uit twintig tot vijftigtal leden bestonden en zij niet meer bezaten
dan stokken en geslepen stenen, dan valt er aan te nemen dat religie een basis is voor de menselijke
behoeften en activiteiten (Stark et al., 1996). De opkomst van wereldreligies begint pas wanneer er zich
agrarische civilisaties ontwikkelen (eerste millennium voor Christus) in het Midden-Oosten, NoordIndia en China. Door de groei van bovenlokale contacten en elites kwamen er ook meer
bovenlokale/imperiale religies. Een aantal van deze religies konden hiervan profiteren en wisten zich
als religieuze koepels boven de lokale en regionale culturen te vestigen in alliantie met de politieke
rijken (Hellemans, 2007).
4.1.1 Christendom
Het Christendom is een monotheïstische godsdienst, zij geloven in één God. God is de schepper van
hemel en aarde dat transcedent (bovenzinnelijk) en immanent (innerlijk) is (Winthagen, 2009). Een
belangrijke bron van het christendom is de Bijbel, dit wordt beschouwd als het woord van God zoals dat
geopenbaard is in het Oude- en Nieuwe Testament (Drs. Hoekstra, 2003). Het Oude Testament (de
Tenach) is de Bijbel van het jodendom, hierin staan verhalen over Mozes en de uittocht uit Egypte,
verschillende regels en wetten, verhalen over koningen en profeten, maar ook gedichten en wijze
spreuken (Christendom, z.j.). In één van de oudtestamentische profetieën werd er aan de joden een
nieuwe Messias beloofd. Volgens het christendom is Jezus Christus de nieuwe Messias, de zoon van
15
God die geroepen is om een rijk van vrede en gerechtigheid te vestigen. Het christendom is ontstaan na
de dood van Jezus Christus en is voortgekomen uit het jodendom. Het Nieuwe Testament is geschreven
door de volgelingen van Jezus, hierin staan de verhalen over Jezus zijn leven opgeschreven. Hij wordt
gezien als het ideale mens, een voorbeeld voor iedereen (Drs. Hoekstra, 2003).
Door onenigheid (schisma) binnen het christendom zijn er verschillende stromingen ontstaan, een
oosterse en een westerse traditie. De westerse stroming bestaat uit het rooms-katholicisme en het
daarvan afgescheiden protestantisme. Binnen de Rooms-Katholieke Kerk wordt er een groot gezag
toegekend aan de Bijbel die het woord van God verkondigd. Daarnaast spelen kerkelijke tradities een
grote rol. Verder bestaat de Rooms-Katholieke Kerk uit een hiërarchische organisatie met de paus als
hoofd, hieronder volgen de kardinalen, bisschoppen en priesters. Binnen de Protestantse Kerk is er geen
hiërarchische organisatie en vervullen kerkelijke ambtsdragers de rol van verkondigers van het geloof
en van pastorale werkers. De oosterse stroming bevat Oriëntale-Orthodoxe Kerk en de Oosterse
Orthodoxe Kerk. De oosterse kerken wijken theologische weinig af van de Rooms-Katholieke Kerk
(Winthagen, 2009). België wordt vooral vertegenwoordigd door de Rooms-Katholieke Kerk, zo’n vijftig
procent van de Belgen gaf in 2009 aan katholiek te zijn (Abts et al., 2011).
De islam is een monotheïstische godsdienst die in de 7e eeuw na Christus is ontstaan in de Arabische
stad Mekka (Gordon, 2010). Het Arabische woord ‘islam’ wordt vertaald als ‘onderwerping’ of
‘overgave’ (Winthagen, 2009). Dit weerspiegeld de keuze van een moslim (iemand die zich onderwerpt
of overgeeft) om zich over te geven aan de wil van God (Allah)(Gordon, 2010). De overgave aan deze
god komt tot uiting via de vijf zuilen. Dit zijn de belangrijkste plichten voor een moslim. Deze vijf zuilen
zijn: 1) de geloofsbelijdenis, 2) het rituele gebed, 3) de religieuze belasting, 4) het vasten tijdens de
Ramadan en 5) de pelgrimage naar Mekka. De moskee wordt beschouwd als het centrum voor de
religieuze beleving van gelovigen waar het vijfmaal daagse gebed kan plaats vinden (Douwes et al.,
2005).
Muhammad ibn Abdallah (Mohammed) wordt gezien als de profeet die een aantal openbaringen van
God ontvangen heeft tussen de jaren 610 en 632 na Christus. Deze openbaringen zijn neergeschreven in
de Koran en worden door moslims beschouwd als Gods directe en onveranderbare woord. Als
aanvulling op de Koran is er een omvangrijk verslag opgesteld van Mohammed zijn leven, gekend als
de ‘Hadith’ die de Soenna overbrengt, oftewel de ‘traditie’. Dit betreft de manier waarop de profeet
dacht, sprak en hoe hij zijn zaken bestuurde. De Koran en de Hadith dienen als centrale bron van het
islamitische geloof en als wettelijk richtsnoer. De ulama (geleerden) hadden de taak om deze bronnen
te interpreteren en hieruit is de Sharia ontstaan wat de basis vormt van de islamitische wetgeving
(Gordon, 2010).
16
De twee grootste stromingen binnen de islam is het Sjiisme en het Soennisme. Deze twee stromingen
zijn ontstaan door het opvolgingsconflict na het overlijden van Mohammed in 632. Het overgrote deel
van de moslims, zo’n negentig procent, behoren tot de Soennieten en het overige deel tot de Sjiieten.
Zowel de Soennieten als de Sjiieten zijn geen monolithische groepen, elke branche bevat verschillende,
vaak concurrerende theologische stromingen. Sunni kan vertaald worden als ‘traditioneel’ of ‘orthodox’
en verwijst naar het politieke kamp (de Soennieten) dat na de dood van de profeet Mohammed ‘Abu
Bakr’ (kalief) als opvolger accepteerde. De keuze voor Abu Bakr als opvolger van de profeet knaagde
bij de aanhangers van Ali ibn Aboe Talib (de Sjiieten). Ali was de neef, schoonbroer en de facto broertje
van de profeet (Ali zijn vader ‘Abu Talib’ had Mohammed als achtjarige wees opgenomen in zijn gezin).
De aanhangers van Ali vonden dat de opvolging via een correcte familiale lijn moest verlopen. Na een
strijd zijn er uiteindelijk twee stromingen ontstaan namelijk het Sjiisme en Soennisme (Gonzalez, 2013).
De Soennieten hebben de neiging om de leiding van de kaliefen (degenen die de profeet opvolgt) als
menselijk en vatbaar voor onvolmaaktheden te beschouwen. Zij gunnen Ali geen enkel niveau van
goddelijke inspiratie of religieuze zuiverheid. De tendens binnen de soennitische islam is om zich
minder te richten op de leiding van de individuen maar meer op de letterlijke uiting van de religie.
Daarentegen krijgt de Imam (leider) bij de Sjiieten, waarbij Ali als hun eerste Imam wordt beschouwd,
een belangrijke plaatst. De Imam verwijst naar een officieel orgaan de dat menselijke feilbaarheid
overstijgt. Structureel bekeken behoudt het Sjiisme een hiërarchie dat bij de Soennieten niet te vinden
is. De Sjiitische geestelijken hebben een versie van de charismatische autoriteit in stand gehouden door
middel van de Imams. Tevens hebben zij ook een significante speelruimte in het interpreteren van de
islamitische wet (Gonzalez, 2013).
4.2 Geweld
De WHO (World Health Organization) werkgroep van 1996 heeft een definitie van geweld ontwikkeld
en wordt als volgt omschreven: Het intentionele gebruik van fysieke dwang of macht, bedreiging of
actuele, tegen zich zelf, iemand anders of tegen een groep of gemeenschap dat resulteert in, of een grote
kans heeft op het resulteren in een letsel, de dood, psychologische schade, ontwikkelingsstoornissen of
deprivatie. Dit is een zeer brede definiëring welke alle verschillende types van geweld omvat (Krug et
al., 2002). Binnen deze thesis wordt er vooral gefocust op geweld dat gepleegd wordt op personen vanuit
een politieke/religieuze beweging zoals beschreven in de operationalisering (H8.1)
4.3 Religie en geweld.
Het is aannemelijk dat religieuze overtuigingen een rol spelen in het ontwikkelen en vormgeven van het
gedrag voor sommige mensen. Hierbij kan een god of een ander bovennatuurlijk wezen als agent
fungeren, een morele wetgever en handhaver. De combinatie van religie en geweld is soms moeilijk te
17
aanvaarden omdat religie meestal wordt voorgesteld als iets dat vredelievend is. Toch wordt religie
doorheen onze geschiedenis te vaak betrokken bij gruwelijke daden. Een manier om religie te zuiveren
van deze daden is door de focus te verschuiven naar het individu die misbruik maakt van de
desbetreffende religie (Teehan, 2010).
Teehan (2010) stelt dat binnen de religieuze morele psychologie de pro-sociale moraliteit van de mens
door dezelfde processen wordt ontwikkeld als geweld tegen de outgroupleden. Morele systemen kunnen
dan ook dienen om de ingroupcohesie te bevorderen in dienst van de reproductive fitness.
Monotheïstische tradities, ondanks de verschillende uitingen, waarden en wetten zijn geconstrueerd op
basis van een gemeenschappelijk moreel psychologische raamwerk. De hoofdelementen van dit
complexe raamwerk zijn de neiging om verwanten te bevoorrechten en altruïsme naar de eigen groep.
Dit gaat samen met een diepe bezorgdheid over om hetzelfde behandeld te worden, maar ook een
gelijktijdige aanleg voor angst, wantrouwen en een verminderde morele gevoeligheid voor
outgroupleden. De morele tradities van het christendom en de islam zijn hier voorbeelden van. Deze
verschillende tradities zijn het resultaat van verschillende sociale, historische en milieuomstandigheden
die zijn verkregen tijdens ontwikkelingsperiodes in hun geschiedenis (Teehan, 2010).
4.3.1 Is religie gewelddadig?
Op 29 juni 2014 claimt de IS (Islamitische Staat) onder leiding van Abu Omar al-Baghdadi een
wereldwijd kalifaat te hebben gesticht (Melissen, 2015).In deze globale jihadistische beweging (Zelin,
2014) worden ook binnen Europa moslims gerekruteerd en geradicaliseerd. Na onder andere de recente
aanslagen in Parijs (13 November 2015) en Brussel (22 Maart 2016) die gepleegd zijn door aanhangers
van de IS, kunnen we ons afvragen of de islam een gewelddadige religie is. Maar niet alleen binnen de
islam vinden er gewelddadige feiten plaats, ook binnen andere religies is dit terug te vinden. Een bekend
voorbeeld hiervan is de Ku Klux Klan (sinds 1920) in Amerika. Dit is een politieke beweging die
vertrekt vanuit een protestants christelijke en racistische ideologie waarbij zij zich verzetten tegen de
‘schadelijke invloeden’ van de Afro-Amerikanen, joden, katholieken, regelovertreders en nieuwe
immigranten door middel van onder andere geweld wat soms geresulteerd heeft in lynchen en
bomaanslagen (Gitlin, 2009). Kunnen we ons dan niet afvragen of religie op zichzelf gewelddadig is?
Om dit te bepalen moet er naar de pure essentie van het geloof gekeken worden. Maar wat is deze
essentie? We kunnen niet zeggen dat een aanhanger van IS de islam hetzelfde beoefent als een gematigde
moslim. Dit zelfde geldt voor bijvoorbeeld katholieken, niet voor iedereen geldt dezelfde definiëring
voor het geloof. Maar we kunnen niet ontkennen dat er een causale band bestaat tussen het religieus
geloven en het uitoefenen van religie met geweld. Er kan dan ook een onderscheid gemaakt worden
tussen de aanhangers van een religie. Soenieten en Sjiiten hebben bijvoorbeeld verschillende ideeën
over wat een goede moslim is, maar ze kunnen wel beide gelinkt worden aan de Koran en de lessen van
Mohammed en niet aan dat van het Vaticaan (Teehan, 2010).
18
4.3.2 Rechtvaardigen
Religie kan gebruikt worden om geweld te rechtvaardigen. Religieuze argumenten die geweld
rechtvaardigen zijn structureel hetzelfde als seculiere argumenten. Echter zijn religieuze argumenten
beter in staat om garanties te bieden. Zij kunnen beroep doen op een god, zijn bevelen opvolgen of het
voordeel hebben om naar een hemel te gaan. Maar dit verzekerd niet dat religieuzen meer geweld plegen
dan niet-religieuzen. Religie voorziet namelijk ook in bronnen die het tegenovergestelde van geweld
aanmoedigen, namelijk religieuze doctrines die geweld willen voorkomen. Een religie wordt vaak ook
geleid door heilige boeken. Het moeilijke aan deze boeken is dat er geen definitieve interpretatie bestaat.
Wanneer het Oude Testament bekeken wordt, staat hier zeer veel geweld in wat wordt opgedragen door
God, er wordt er zelfs aangezet tot genocide. Ook in andere heilige boeken is dit terug te vinden, zoals
bijvoorbeeld de Koran. Het Nieuwe Testament is een stuk minder gewelddadig, maar ook daar worden
gewelddadige teksten in terug gevonden. Aangezien er geen definitieve interpretatie bestaat is het
moeilijk om te stellen dat religies begrepen moeten worden als een religie van vrede of geweld (Clarke,
2014).
Een andere vorm van rechtvaardiging is om leden van de outgroup te demoniseren en hen te beschrijven
als ongedierte. Dit lijkt een effectieve manier om iemands gevoel van afschuw te activeren en de neiging
om te denken dat deze outgroupleden een bedreiging vormen voor de gezondheid van de eigen
gemeenschap. Wanneer zij dan geweld plegen tegen deze outgroupleden doen zij dit vanuit de
overtuiging dat dit rechtvaardig is. Rechtvaardiging is dan ook een normatief proces. De normen die
bestaan komen voort uit de moraliteit wat tevens een afgeleide kan zijn van religie. Er kan gesteld
worden dat morele overtuigingen en praktijken grotendeels het product zijn van onze godsdienst. Religie
ontwikkelde zich binnen menselijke gemeenschappen met een minimale vorm van een morele structuur
(Clarke, 2014). Wanneer we vandaag de dag naar de normen van de Westerse samenleving kijken,
waaronder een land als België, kunnen we vaststellen dat deze normen en waarden in verband kunnen
worden gebracht met de Bijbel. Het christendom is dan ook een belangrijke basis van ons moreel
systeem, een voorbeeld hiervan zijn de tien geboden die Mozes ontvangen heeft van God (vb. ‘Gij zult
niet doden’ ‘Gij zult niet stelen’..). Echter kan dit genuanceerd worden aangezien deze geboden
waarschijnlijk niets meer zijn dan het codificeren van basisbeginselen die waarschijnlijk al in een
gemeenschap aanwezig waren. Maar zij kunnen wel die moraliteit met een zekere bron van autoriteit
versterken. Wanneer mensen geloven dat morele regels gelegitimeerd worden door een bovennatuurlijk
wezen hoeven zij niet meer te twijfelen over het wel of niet moreel te gedragen. Dit versterkt wanneer
de mensen geloven dat zij gestraft worden door een god of bang zijn voor de duivel bij immoreel
handelen (Clarke, 2014).
19
4.4 Belangrijkheid van religie in België
In het Europees waardenonderzoek (European Value Survey EVS) wordt er nagegaan hoe Europeanen
denken over het gezin, werk, ethiek, religie, politiek en de samenleving. Tussen 1981 en 2009 zijn er in
totaal vier onderzoeken uitgevoerd waardoor er een trend kan worden geschetst doorheen de tijd (Abts
et al., 2011). Echter moet er in acht worden genomen dat dit onderzoek dateert van het jaar 2009 en er
veranderingen in de opvolgende zeven jaren hebben kunnen zijn opgetreden.
In het begin van de jaren 80 van de vorige eeuw noemden 72 procent van de Belgen zich katholiek, in
2009 is dit gedaald naar 50 procent. In 2009 vonden Belgen godsdienst en politiek niet zo belangrijk als
andere levensdomeinen, vier op de tien Belgen vonden godsdienst belangrijk. Tevens blijkt er een
terugloop te zijn in de religieuze betrokkenheid en dit vooral onder de jongste generatie. Wanneer België
met zijn buurlanden wordt vergeleken zien we dat de Belgen religie belangrijker achten dan politiek, dit
in tegenstelling tot de buurlanden waarbij politiek belangrijker wordt geacht. Godsdienst wordt in
Vlaanderen (47%) belangrijker geacht dan in Wallonië (37%) en het meest in Brussel (47%). Het hogere
percentage in Brussel kan in verband worden gebracht met de grotere aanwezigheid van moslims. In
België kan dan ook gesproken worden van een religieuze pluraliteit. Zoals eerder vermeld beschouwd
50 procent van de Belgen zich als katholiek, aan de andere kant is er een toenemend aantal dat niet tot
een religieuze dominantie behoort. In 1981 was dit aantal 24 procent en in 2009 is dit gestegen naar 42
procent, waaronder een groeiend aantal atheïsten (1 op 10 Belgen in 2009, 1 op 25 Belgen in 1981).
Tevens is het vertrouwen in de kerk gedaald, in 1981 had de kerk nog de twee na hoogste score en in
2009 de laagste score (Abts et al., 2011).
In een aantal onderzoek zoals die van Koopmans (2015) en IMES (instituut voor Migratie- en Etnische
Studies, Universiteit Amsterdam) (Slootman & Tillie, 2006), wordt er aangetoond dat de mate van het
belangrijk achtten van religie wel degelijk een rol speelt in het proces tot gewelddadig extremisme. In
deze onderzoeken gaat het dan ook vooral om de extremere vormen, zoals een orthodoxe
geloofsopvatting of religieus fundamentalisten. Hierbij moet opgemerkt worden dat het extreem
belangrijk achtten van religie op zich niet determinerend is voor het plegen van gewelddadig
extremisme, wel kan het een individu meer ontvankelijk maken (Slootman & Tillie, 2006).
Nuancering
In de hedendaagse westerse wereld (België) moeten de invloeden van religie op een persoon zijn/haar
morele opvatting genuanceerd worden. De samenleving is geseculariseerd en individuen zijn vrij in het
beoefenen van welke religie dan ook. De kerkelijke normen hebben hun effect verloren op het
functioneren van subsystemen/instellingen binnen de maatschappij. Deze subsystemen hebben hun
autonomie ten aanzien van godsdienst weten te claimen door onder andere de scheiding tussen kerk en
staat en de ontwikkeling van de wetenschap als autonoom subsysteem. Tevens kan er aangenomen
20
worden dat door de stijging van het aantal atheïsten (1/10 van de Belgen in 2009) en het minder
belangrijk achten van religie (Abts et al., 2009), religie een minder grote rol speelt in het vormen van
een persoon zijn/haar morele opvatting.
4.5. Religieus extremisme
Religieus extremisme wordt in het RADIMED-project omschreven als "Individuen die sociale, politieke
en economische verandering promoten en/of afdwingen in het kader van religieus georiënteerde
verordeningen en die het gebruik van geweld ondersteunen om dit doel te bereiken" (Pauwels et al.,
2014, pp. 160). In dit onderdeel wordt er een korte theoretische achtergrond geschetst om het concept
‘gewelddadig extremisme’ vanuit het religieus extremisme beter te kunnen kaderen. Hierop volgend
wordt het ingroup projection model toegelicht om een verklaring te bieden waarom groepen elkaar als
extreem kunnen gaan beschouwen.
Om extremisme te begrijpen moet men eerst een gevoel van normaliteit en normativiteit ontwikkelen.
De sociale psychologie kan bijdragen aan het beter begrijpen waarom en hoe mensen een persoon
beoordelen of een bepaald gedrag als normaal of als extreem beschouwen. Extremisten tonen attitudes
en gedrag die mensen waarnemen als normoverschrijdend en onwettig gedrag. De perceptie van
extremisme hangt af van een geheel van normen die mensen gebruiken om normaliteit te definiëren.
Echter kan een dergelijke set van normen variëren tussen groepen, samenlevingen en tijden en daarmee
varieert ook de perceptie van normaliteit en extremisme. Bijvoorbeeld, in de 19e eeuw werden feministen
beschouwd als extreem, doorheen de tijd zijn de normen veranderd en vandaag de dag staat feminisme
voor een legitieme en actieve strijd voor gelijke participatie voor mannen en vrouwen in onze
samenleving (Kessler et al., 2002). Volgens Neuman (2010) kan extremisme gebruikt worden om te
verwijzen naar politieke ideologieën die zich verzetten tegen de kernwaarden en principes van een
samenleving. In de context van een liberale democratie kan dit worden toegepast op elke ideologie die
pleit voor raciale of religieuze superioriteit en/of zich verzet tegen de kernbeginselen van de democratie
en de universele mensenrechten (Neuman, 2010). Een duidelijk aspect in de perceptie van extremisme
lijkt te zijn dat de degenen die worden aangeduid als extremist vaak tot minderheidsgroepen behoren.
Het is veel moeilijker om meerderheden als extremisten te beschouwen, maar het is zeker niet
onwaarschijnlijk dat zij ook extremistisch gedrag stellen (Kessler et al., 2002).
Om tot religieus extremisme te komen gaan individuen volgens de literatuur vaak vier stadia door.
Individuen die zich in het eerste stadium bevinden zijn vatbaar voor radicaal gedachtegoed (Van den
Bos et al., 2009). Radicaal gedachtegoed is een gedachtegoed waarbij personen of groepen het gebruik
van geweld voor politieke of religieuze doeleinden goed keuren (Neuman, 2010). In het tweede stadium
bevinden zich sympathisanten voor radicaal gedachtegoed. In het derde stadium bevinden zich de meer
actieve aanhangers van het radicaal gedachtegoed en in het vierde stadium bevinden zich personen die
21
deel uit maken van een extremistische of terroristische organisatie. Terrorisme wordt hierbij beschouwd
als het extreme eindpunt van radicalisering (Van den Bos et al., 2009). Terrorisme bestaat uit
symbolische gewelddaden die bedoeld zijn om politiek gedrag van een doelgroep te beïnvloeden via het
opzettelijk creëren van angst. In internationale organisaties wordt terrorisme vaak beschreven als
politiek gemotiveerd geweld wat opzettelijk gericht is op burgers (Neuman, 2010). Volgens Buijs,
Demant en Hamdy is extremisme “geen gedachtesysteem die mensen plotseling omarmen, maar vormt
het eindresultaat van een langdurig, geslaagd en veelvormig proces” (Van den Bos et al., 2009, pp. 6).
Het proces tot gewelddadig extremisme kan worden opgevat als een proces waarin vertrouwen in de
gevestigde orde steeds sterker afneemt (Slootman & Tillie, 2006).
4.5.1 Ingroup projection model
Een theorie die helpt te verklaren waarom groepen elkaar als extreem kunnen gaan beschouwen is het
ingroup projection model. Volgens het ingroup projection model zorgen groepen voor een
referentiekader van normen en waarden voor opgenomen individuen en subgroepen. Het ingroup
prototype definieert wat wordt beschouwd als normaal en wat wordt beschouwd als afwijkend of
extreem binnen deze groep. Personen of groepen die niet passen binnen deze prototypische kenmerken
worden gedevalueerd of zelfs uitgesloten. Dit proces van normatieve differentiatie kan vooral
problematisch zijn tussen groepen die een gemeenschappelijk overkoepelende groep delen waarbij elke
subgroep hun eigen attributen proberen te generaliseren in het referentiekader voor de
gemeenschappelijke overkoepelende groep. Deze normatieve differentiatie kan misverstanden en
conflicten tussen groepen veroorzaken. Tevens kunnen de leden van verschillende groepen het oneens
zijn over wat een aanvaardbare reactie is op deze normatieve verschillen. Ook de mate waarin een groep
het gedrag van een andere groep beschouwd als legitiem kan tot een wederzijdse perceptie van extreem
gedrag leiden (Kessler et al., 2002).
De groep waartoe men behoort is zeer belangrijk bij het verstrekken van informatie over
gemeenschappelijke normen en waarden. Deze groepen wordt de ingroup genoemd. Hoe meer leden
zich identificeren met de ingroup, hoe belangrijker de set van normen en waarden wordt. Bovendien
hebben leden van de groep de neiging om andere ingroupleden hetzelfde als zichzelf te beschouwen en
gedragen zich dan ook op dezelfde manier naar deze ingroupleden. Op deze manier kan een gedeeld
lidmaatschap een basis vormen voor wederzijdse beïnvloeding van groepsleden (Kessler et al., 2002).
Waargenomen afwijkend gedrag van subgroepen leidt tot assimilatie van individuele groepsleden naar
het imago van de subgroep in het geheel, en visa versa, de evaluatie van afwijkende leden van een
subgroep wordt gegeneraliseerd over de gehele subgroep. Tevens, wanneer de groep geconfronteerd
wordt met een afwijkende subgroep, raken de prototypische kenmerken van de ingroup verder
verwijderd van de afwijkende subgroep (outgroup) waardoor de eigen groep extremer wordt. Dit proces
leidt tot groepspolarisatie dat verder kan leiden tot verschillende vormen van denken. Dit is een
22
fenomeen dat optreedt binnen een groep van mensen waarbij het verlangen naar conformiteit resulteert
in een irrationele, extreme of dysfunctionele keuze (dit wordt in ieder geval zo gepercipieerd door de
outgroup). Ook verandert het de structuur van de ingroup omdat meer extremere ingroupleden als
typisch worden gezien voor de groep in het geheel en daardoor het groepsgedrag leiden. Dus beide
groepen hebben de neiging om meer extreem te worden en tonen een vorm van denken binnen de groep
met een neiging om alle kritieken op hun handelingen af te wijzen als vooroordelen tegen hun groep.
Het is van belang om te beseffen dat elke groep hun eigen acties als rationeel beschouwd en alleen de
outgroup een extremistische groep is (Kessler et al., 2002).
4.6 Sociaal-psychologische model
De sociale psychologie is een wetenschappelijke discipline die bestudeert wat mensen denken, doen,
voelen en wat de invloed van andere personen op de menselijke reactie is (Van den Bos et al., 2009).
Het sociaal-psychologisch model stelt dat sociaal psychologische mechanismen bepalen hoe gevoelig
individuen zijn voor bepaalde maatschappelijke omstandigheden (Pligt & Koomen, 2009). Het komen
tot gewelddadig extremisme wordt omschreven als een verandering in attitudes, gevoelens en
gedragingen in een richting die in toenemende mate geweld tussen groepen rechtvaardigt en een steeds
grotere inzet vereist ter verdediging van de eigen groep (Van den Bos et al., 2009).Gewelddadig
extremisme is vaak een groepsgerelateerd fenomeen, waarbij groepsdynamieken het gedrag van deze
extremisten kan helpen te verklaren (Borum, 2011). In dit theoretische onderdeel zullen de opgenomen
sociaal-psychologische intermediaire mechanismen, zoals weergeven in het conceptueel model (H3, blz.
10), een theoretische achtergrond krijgen. Allereerst zal de gepercipieerde onrechtvaardigheid
besproken worden waar de gepercipieerde persoonlijke- en gepercipieerde groepsdiscriminatie aan bod
komen. Hierna zullen de polariserende factoren volgen, deze hebben betrekking op religieus
autoritarisme, gepercipieerde legitimiteit van de politie en politieke machteloosheid.
4.6.1 Gepercipieerde onrechtvaardigheid
Gepercipieerde onrechtvaardigheid wijst op een perceptie van individuele- en groepsdiscriminatie en
speelt een belangrijke rol in het sociaal-psychologisch proces tot gewelddadig extremisme.
Gepercipieerde onrechtvaardigheid kan een individu boos maken op de maatschappij en deze negatieve
gevoelens kunnen zich omzetten in intenties van gewelddadig of kwetsend gedrag (Van den Bos et al.,
2009).
Het proces tot gewelddadig extremisme begint vaak met daadwerkelijke of vermeende achterstelling.
Achterstelling vormt een dreiging voor het individu of de groep waartoe hij of zij behoort, het is dan
ook een negatief gebeuren. Mensen die zich onderaan de samenleving bevinden met bijvoorbeeld
financiële problemen, minder aantrekkelijke woonbuurt, gezondheidsproblemen, onzekere toekomst,
een gemis aan waardering van anderen, kunnen rijp gemaakt worden voor extremistische ideologieën.
23
Deze achterstelling gaat vaak samen met gepercipieerde discriminatie waardoor zij zich ongelijk
behandeld voelen in tegenstelling tot andere personen. De ontevredenheid met de eigen situatie is niet
absoluut maar hangt van subjectieve standaarden af. Mensen vormen een oordeel over hun eigen situatie
door zich met anderen te vergelijken. Deze beoordelingen zijn daarom ook relatief. Deze vergelijking
kan er toe leiden dat zij het gevoel hebben dat zij minder krijgen dan dat waar zij recht op hebben. Men
ervaart dit als discriminatie. Deze beoordeling is afhankelijk van met welke referentiegroep het individu
zich vergelijkt. Wanneer een individu zich vergelijkt met een persoon die dezelfde opleiding heeft
gedaan maar hoger geplaatst is in de maatschappij dan het individu zelf, leidt dit tot een groter gevoel
van onrecht. Hierdoor is het aannemelijk dat personen met een hogere positie binnen een groep eerder
over gaan tot gewelddadig extremisme(Pligt & Koomen, 2009).
Er kunnen twee vormen van gepercipieerde discriminatie worden onderscheiden. De eerste vorm is de
gepercipieerde persoonlijke discriminatie. Dit komt voort uit de vergelijking van de eigen individuele
situatie met de directe andere personen om iemand heen (binnen eigen groep). Deze waargenomen
deprivatie kan stress of inspanning ter persoonlijke verbetering veroorzaken. De tweede vorm is
gepercipieerde groepsdiscriminatie wat een gevolg is van de vergelijking van de eigen groep met andere
groepen in de samenleving (Van den Bos et al., 2009). Gepercipieerde groepsdiscriminatie is het oordeel
dat iemands ingroup benadeeld wordt in vergelijking met andere groepen, een positie dat als oneerlijk
wordt geacht (Van Bergen et al., 2015). Dit kan aanzetten tot sociaal protest en vijandigheid ten opzichte
van de andere groepen. Wanneer de waargenomen deprivatie als blokkade wordt beschouwd voor het
behalen van de eigen doelen kan dit leiden tot boosheid en collectieve actie. Tevens blijkt uit onderzoek
dat gepercipieerde groepsdiscriminatie tot meer hechting en positievere gedachtes leidt over de eigen
groep (Van den Bos et al., 2009) waarbij er hogere percepties van religieus autoritarisme ontstaan. Men
verwacht dat dit geassocieerd kan worden met een positievere morele opvatting ten aanzien van
gewelddadig extremisme ter bescherming van de eigen groep (Van Bergen et al., 2015).
Deze gepercipieerde discriminatie hangt sterk samen met een waargenomen conflict van belangen tussen
twee groepen. Volgens de Realistic Group Conflict Theory is dit een belangrijke motivator voor
etnocentrisme en collectief verzet. De waargenomen groepsdreiging kan het gevoel geven dat de groep
waartoe men behoort achtergesteld wordt in vergelijking met de outgroup. De gepercipieerde
groepsdiscriminatie kan dus worden gezien als een bedreiging voor de sociale identiteit, maar die
dreiging zorgt tegelijkertijd ook voor het versterken van het collectivistische karakter in een bepaalde
situatie (Van den Bos et al., 2009).
4.6.2 Polariserende factoren
Polarisatie verwijst naar het verscherpen van tegenstellingen tussen groepen mensen, in dit geval het
verscherpen van tegenstellingen tussen religieuze groepen. Het groepspolarisatie effect werd
24
geïdentificeerd door Moscovici en Zavalloni. Zij omschrijven het polarisatieproces als een verschuiving
in het oordeel en mening na een interactie in een extreme richting (Moscovici et al., 1972). Moscovici
en Zavalloni observeerden Franse universiteitsstudenten en zagen dat er na een discussie soms meer
extreme attitudes vertoond werden dan voor de discussie (Moscovici & Doise, 1994). In dit theoretisch
gedeelte wordt eerst het sociale identiteitsperspectief toegelicht ter verduidelijking van groepsprocessen
die distincties tussen groepen kunnen vergroten. Daarna zal er een theoretische achtergrond gegeven
worden van de opgenomen polariserende factoren die van invloed kunnen zijn op de verdere distincties
tussen religieuze groepen. De eerste polariserende factor is ‘religieus autoritarisme’, dit verwijst naar de
mate waarin groepen zichzelf als superieur beschouwen ten aanzien van ander groepen. De tweede
polariserende factor is ‘gepercipieerde legitimiteit van de politie’ en de laatste polariserende factor die
besproken wordt is ‘politieke machteloosheid’.
4.6.2.1 Sociale identiteitsperspectief
Het sociale identiteitsperspectief is een zeer invloedrijke theorie betreffende groepsprocessen en
intergroepsrelaties. Dit perspectief verwijst naar twee theorieën die ontwikkeld zijn vanuit een zelfde
ideologisch en metatheoretisch perspectief. Het betreft hier de ‘Sociale identiteitstheorie’ en de
‘Zelfcategorisatietheorie’. De sociale identiteitstheorie richt zijn focus op hoe de sociale context de
intergroepsrelaties beïnvloedt. De zelfcategorisatietheorie gaat hierbij een stap verder en richt zich ook
op intragroepsprocessen. Allereerst zal er een stukje historiek besproken worden van waaruit de twee
invloedrijke theorieën zijn ontstaan. Vervolgens zullen de principes van elke theorie kort worden
toegelicht (Hornsey, 2008).
Historiek
Tajfel en collega’s publiceerden een serie van onderzoeken in de vroege jaren ’70 waarbij deelnemers
op basis van arbitraire criteria werden toegewezen aan een groep. Naderhand werd er aan de
participanten verteld dat zij punten moesten toewijzen aan leden van hun eigen groep (de ingroup) en
leden van de andere groep (de outgroup). Vanuit het perspectief van de deelnemer is dit een absurde
taak. De groepen hadden geen houvast aangezien zij op betekenisloze wijze werden ingedeeld. Tevens
was er geen interactie tussen de groepsleden en feitelijk wisten de participanten niet wie er deel uit
maakten van hun groep. De groepen hadden samen geen geschiedenis en toekomst buiten het
laboratorium. Ook werd er aan de deelnemers expliciet vermeld dat zij geen voordelen of verliezen
konden ervaren bij hun puntentoewijzingsstrategie (Hornsey, 2008).
Opvallend was dat deelnemers hun eigen groepsleden meer punten gaven dan leden van de outgroup. In
feite was er enig bewijs dat deelnemers bereid waren om relatief weinig punten te geven aan beide
groepen indien zij de ingroup maximaal konden begunstigen. Tajfel en collega’s beargumenteerden dat
deelnemers aan een norm van competitief groepsgedrag gehoorzaamden. Maar waar kwam deze norm
25
vandaan? Waarom werd er gekozen voor competitie en niet voor een eerlijke strategie? Het antwoord
op deze vraag wordt geformuleerd in de sociale identiteitstheorie (Hornsey, 2008).
Sociale identiteitstheorie
Tajfel beargumenteert dat menselijke interactie op een spectrum varieert van een pure interpersoonlijk
interactie aan de ene kant tot een pure intergroepsinteractie aan de anderen kant. Een pure
interpersoonlijke interactie bevat mensen als volledige individuen met geen besef van sociale
categorieën. Een pure intergroepsinteractie is wanneer mensen zichzelf volledig beschouwen als
vertegenwoordigers van hun groep en waarin iemands eigenzinnigheden en individuele kwaliteiten
worden overweldigd door de karakteristieken van het lidmaatschap aan een groep. Er werd
beargumenteerd dat verschuivingen op het spectrum van interpersoonlijke- naar intergroepsinteractie
resulteert in een verschuiving van hoe mensen zichzelf en anderen beschouwen (Hornsey, 2008).
Tajfel betoogd dat het onderscheidingsproces tussen ‘wij’ en ‘zij’ de manier verandert waarop mensen
elkaar zien. Wanneer een categorische onderscheiding opgemerkt wordt zien mensen meer
overeenkomsten binnen hun eigen groep (‘we zijn allemaal hetzelfde’) en worden verschillen met de
outgroup versterkt (‘wij zijn anders dan zij’). Categorisatie verandert ook de manier waarop mensen
zichzelf zien, in die zin dat het een ander niveau van iemands zelfbeeld activeert. Op het
interpersoonlijke spectrum zal het zelfbeeld van de mensen vooral bestaan uit de attitudes,
herinneringen, gedragingen en emoties die hen definiëren als eigenzinnige individuen die van andere
individuen onderscheiden kunnen worden. Op het intergroepsspectrum wordt het zelfbeeld meestal
bepaald door iemands sociale identiteit, gekenmerkt door die aspecten van een individu zijn zelfbeeld
dat voortvloeit uit de sociale categorie waartoe het individu behoort (Hornsey, 2008).
Dus waarom bevoordelen mensen hun eigen groep ten opzichte van outgroups? Tajfel en Turner
beargumenteren dat de achterliggende motivatie voor competitief intergroepsgedrag een verlangen is
naar een positief zelfbeeld. Wanneer we aannemen dat mensen gemotiveerd zijn om een positief
zelfbeeld te hebben, is het een natuurlijk gevolg dat mensen gemotiveerd zijn om hun eigen groep als
een goede groep te beschouwen. Tevens werd er beargumenteerd dat mensen hun eigen groep evalueren
aan de hand van relevante outgroups. Bij het streven naar een positieve sociale identiteit zijn groepsleden
gemotiveerd om te denken en zich te gedragen op een manier waarop zij zich als groep zijnde op een
positieve manier kunnen onderscheiden van een relevante outgroup. Het is dit proces dat werd
verondersteld als onderliggende verklaring van intergroupsdifferentiatie en outgroupderogatie
(Hornsey, 2008).
26
Zelfcategorisatietheorie
De sociale identiteitstheorie beargumenteerd dat intergroepsrelaties worden gestuurd door een interactie
van cognitieve, motivationele en socio-historische overwegingen. Na Tajfel’s dood in 1982, zochten
Turner en zijn collega’s naar een verfijning van de cognitieve elementen in de theorie (Hornsey, 2008).
Turner herzag de rol van de sociale categorisatie in intergroepsrelaties en de bevindingen betreffende
het minimale groepsparadigma (Turner & Reynolds, 2011).
In de zelfcategorisatietheorie keren Turner en zijn collega’s terug naar het categorisatieproces dat als
fundamenteel werd beschouwd in de sociale identiteitstheorie. Maar in plaats van interpersoonlijke- en
intergroepsdynamieken te zien als uiteinden van een bipolaire spectrum, beschouwen zij ‘identificatie’
door middel van het zelfcategorisatieproces op verschillende niveaus (Hornsey, 2008). Turner stelt dat
een individu zijn zelfbeeld wordt bepaald door zowel een persoonlijke identiteit als een sociale identiteit
(Turner & Reynolds, 2011). Er worden drie niveaus van zelfcategorisatie genomineerd die belangrijk
zijn voor het zelfbeeld. Dit betreft de overkoepelende categorie van de zelfcategorisatie als mens zijnde
(menselijke identiteit), het intermediaire niveau van de zelfcategorisatie als een lid van een sociale
ingroup gedefinieerd ten op zichtte van andere groepen mensen (sociale identiteit) en het onderschikte
niveau van persoonlijke zelfcategorisatie dat gebaseerd is op interpersoonlijke vergelijkingen
(persoonlijke identiteit). Volgens de theorie is de sociale categorisatie een dynamisch proces dat varieert
naargelang de context en wordt altijd relatief bepaald door de waarnemer (Hornsey, 2008).
Sociale categorisatie definieert de plaats van mensen in de samenleving. Door middel van subjectieve
sociale vergelijkingen kunnen sociale identiteiten geïdentificeerd worden en kan er een positieve
onderscheiding van een groep in vergelijking met andere groepen geboden worden. Het motief voor een
positieve onderscheiding kan onder bepaalde omstandigheden leiden tot het bevoorrechten van de
ingroup (Turner & Reynolds, 2011). ) De zelfcategorisatietheorie suggereert dat extremisten de wereld
in meer polariserende termen voorstelt omdat dat zij gelijke anderen meer gelijk zien aan hen zelf en dat
verschillende anderen meer van hen verschillen dan het geval is bij niet-extremisten (Haslam & Turner,
1995).
Een belangrijk aspect in de zelfcategorisatietheorie is de notie van depersonalisatie. Voorstanders van
de theorie beweren dat mensen hun eigen groep in temen van prototypes voorstellen. Wanneer een
categorie in het oog springt zien mensen hun zelf en andere leden van de categorie minder als individuen
en meer als inruilbare exemplaren van groepsprototypes. De groepsidentiteit beschrijft niet alleen wat
het is om een groepslid te zijn maar schrijft ook voor welke soort attitudes, emoties en gedragingen
passend zijn in een bepaalde context. De notie van depersonalisatie werd verondersteld als basis voor
een reeks van groepsprocessen zoals cohesie, invloed, conformiteit en leiderschap (Hornsey, 2008).
27
Het stigmatiseren van prototypes kan leiden tot ongewenste effecten waarbij individuen zich tegen de
maatschappij kunnen gaan keren. Hoe meer de identificatie met de eigen groep toeneemt, hoe meer de
leden van de outgroup gegeneraliseerd worden. De groep kan zich hierbij afkeren tegen de outgroups
maar kunnen de eigen regels en wetten ook sterk afkeren tegen de bijvoorbeeld de Belgische rechtsorde.
Hierdoor kan het zelf-identificeren met een extremistische groep bijdragen aan grotere polarisatie tussen
groepen in de samenleving (Van den Bos et al., 2009).
4.6.2.2 Religieus autoritarisme
Religieus autoritarisme verwijst naar de mate waarin een individu zijn/haar eigen religieuze groep als
superieur beschouwd ten aanzien van andere groepen in de samenleving. Op basis van de sociale
identiteitstheorie tonen empirische studies aan dat een hogere mate van persoonlijke identificatie met
een religieuze ingroup de ontwikkeling van een sterke collectieve identiteit beïnvloedt en een
voorwaarde vormt voor het ervaren van groepsdreigingen tegen de ingroup. Gevoelens van superioriteit
kunnen hierbij opkomen als copingmechanisme ter bescherming van een achteruitgang van het
zelfbeeld. Verder kunnen individuen die op gepercipieerde groepsdreigingen reageren, door hun eigen
groep als superieur te beschouwen, hun gevoelens van agressie en wrok ten aanzien van de outgroup
vervangen door wraak. Daarom wordt er verwacht dat grotere gevoelens van gepercipieerde
groepsdreigingen geassocieerd worden met hogere percepties van groepssuperioriteit, waarvan weer
verwacht wordt dat dit geassocieerd kan worden met een positieve attitude ten aanzien van gewelddadig
extremisme (Van Bergen et al., 2015).
Voor het zelfbeeld van mensen is het belangrijk dat zij tot een positief gewaardeerde groep behoren, de
groepswaardering steunt het zelfbeeld. Dit is moeilijker voor leden van een minderheidsgroep doordat
de ervaren waardering van de meerderheid vaak niet groot is. Uit onderzoek (Amsterdamse
burgermonitor 2007) blijkt dan ook dat Amsterdammers het minst positieve beeld hebben over
Marokkanen dan andere minderheidsgroepen. Hierdoor is het moeilijker om over je eigen groep een
positief gevoel te bewaren. Marokkanen hadden dan ook een negatiever beeld over de eigen groep dan
andere minderheidsgroepen en ervaarden een groepswaarderingsdreiging. Zulke dreigingen zijn
negatieve gebeurtenissen in een persoon zijn leven dat kan leiden tot frustratie en gevoelens van
bezorgdheid en vrees waardoor negatieve attitudes ten opzichte van andere groepen kunnen worden
versterkt (Van der Pligt & Koomen, 2009).
Individuen kunnen aansluiting bij een groep zoeken vanuit onzekerheid over de sociale identiteit. Deze
onzekerheid is vaak aanwezig bij adolescenten aangezien zij zich bevinden in een psychosociaal stadium
van een zoektocht naar hun identiteit. Tevens geldt er voor niet-westerse allochtonen dat zij te maken
krijgen met een nieuwe cultuur en dus ook onzekerheid ervaren over hun identiteit. Een manier om
onzekerheid te reduceren is aansluiting te vinden bij een groep. Een groep biedt regels over hoe te
28
reageren op anderen en wat je van hen moet verwachten. Tevens creëert het zekerheid over het
zelfconcept aangezien de persoon zich kan vergelijken met gelijkgestemden (Van der Pligt & Koomen,
2009). Een groep kan een politiek-activistisch antwoord geven op de ervaren onrecht en bieden sociale
acceptatie zodat zij een gevoel van ‘thuis zijn’ ervaren. Gewelddadige extremistische groepen kunnen
dan ook zeer aantrekkelijk zijn voor jongeren die deze zaken niet gevonden hebben in de algemene
samenleving (Pauwels et al., 2014). Vanuit deze onzekerheid kan men de eigen godsdienst als superieur
gaan beschouwen (religieus autoritarisme). De met dreigingen verbonden onzekerheid bevat ook
negatieve affecten waardoor boosheid en woede versterkt wordt. Dit kan ook wraakgevoelens oproepen
ten op zichtte van de groep(en) die als veroorzaker van deze dreigingen worden beschouwd. Wraak kan
hier gezien worden als het rechtzetten van het waargenomen onrecht, het herstel van de eigenwaarde en
het afschrikken van toekomstig onrecht (Van der Pligt & Koomen, 2009).Uit onderzoeken van Doosje
en collega’s (Van Bergen et al., 2016) komt naar voren dat Turks-Nederlandse moslims die meer
verbonden zijn met de Nederlandse samenleving, hun eigen moslimgroep als minder superieur
beschouwen. Dit zou te maken kunnen hebben met dat zij meer contacten hebben met outgroupleden
waardoor angst voor dreiging weggenomen wordt en vertrouwen wordt bevordert. Uit een onderzoek
van Pettigrew en Tropp (2006) betreffende intergroepscontacten en intergroepsrelaties komt dan ook
naar voren dat vooroordelen ten aanzien van outgroupleden versterkt worden door middel van
intergroepscontacten. Hieruit valt dan ook te veronderstellen dat het contact met outgroupleden deze
vooroordelen weg zou nemen en religieus autoritarisme afneemt (Van Bergen et al., 2015).
4.6.2.3 Gepercipieerde legitimiteit van de politie
Gepercipieerde legitimiteit van de politie verwijst naar de mate waarin burgers de politie als eerlijk of
juist percipiëren. Dit kan een belangrijke rol spelen in het ontwikkelen van radicale of gewelddadig
attitudes. Legitimiteit heeft binnen de procedural justice theory van Tyler een centrale plaats en wordt
vaak gedefinieerd als de overtuiging dat autoriteiten hun werk goed doen en daarom het recht hebben
om gehoorzaamd te worden. Het is een oordeel dat mensen hebben over of de status van een organisatie
als legitiem wordt beschouwd. Wanneer instanties als legitiem worden beschouwd hebben mensen het
gevoel dat zij moeten gehoorzamen aan de genomen beslissingen en regels. Zij volgen deze regels
eerder vrijwillig dan vanuit een verplichting uit angst voor een straf. Dus wanneer de politie een hogere
mate van legitimiteit opbouwt is er een grotere kans dat mensen vrijwillig willen samenwerken en willen
gehoorzamen aan de politie omdat zij geloven dat dit juist is om te doen. Gepercipieerde legitimiteit van
de politie omvat zowel instrumentele als normatieve aspecten. Het instrumentele perspectief suggereert
dat de politie gepercipieerde legitimiteit kan opbouwen door effectief misdaad en onrust binnen de
gemeenschap te controleren. Het normatieve perspectief betreft de gepercipieerde eerlijkheid en
kwaliteit van de behandeling die mensen ontvangen van de politie (Murphy & Cherney, 2010). De reden
dat procedurele rechtvaardigheid er zoveel toe doet is omdat het laat zien dat een individu een
gerespecteerd lid is van de maatschappij en het verdient om naar geluisterd te worden. Het is een fout
29
om aan te nemen dat procedurele onjuistheid tegen één persoon enkel die persoon zijn oordeel
beïnvloedt. Integendeel, de impact van het ervaren of observeren van oneerlijkheid in beslissingen dat
vertaald wordt naar iemands sociale groep kan een groep motiveren om aan de legitimiteit en macht van
een specifieke autoriteit te twijfelen. Dit kan een defensief tussen sociale groepen creëren waardoor zij
niet meer willen samen werken met deze legale autoriteiten (Murphy & Cherney, 2013). Een
gewelddadig extremistische groep kan hierbij een antwoord vormen op het falen van deze autoriteiten.
De groep kan hiermee middelen voorzien om de machtsverhouding tussen het individu en de autoriteiten
weer te herstellen. Tevens kunnen individuen hun sociale omgeving verlaten wanneer hun fundamentele
behoeften niet vervuld wordt door de normale set van morele regels en gaan hierbij dan op zoek naar
een andere set van morele regels die deze fundamentele behoeften wel kunnen vervullen (Pauwels et al.,
2014).
4.6.2.4 Politieke machteloosheid
Politieke machteloosheid verwijst naar de afbreking van het individu zijn hechting aan de maatschappij.
Minderheden die minder macht en invloed hebben dan de meerderheid hechten vaak meer aan hun
culturele- groepsidentiteit. Zij richten zich op de eigen groep en zijn kritischer over de rechtvaardigheid
aangaande de positie en kansen voor leden van de betreffende (minderheids)groep binnen de
maatschappij. Hierbij kunnen de aanwezige sociale- en economische problemen worden toegeschreven
aan de dominantie van de heersende macht (Pligt & Koomen, 2009). Een gevoel van onzekerheid over
de eigen toekomst en die van de groep kan tot handelingen leiden die deze gepercipieerde onzekerheid
trachten te reduceren (Pauwels et al., 2014). Volgens de General strain theory van Agnew leiden
gevoelens van strain tot zwakke banden met de samenleving wat de persoonlijke overtuiging en
blootstelling aan extremistische settings kan beïnvloeden. Volgens de theorie ervaren individuen deze
gevoelens van strain omdat zij negatief behandeld worden door anderen wat kan leiden tot negatieve
emoties, vooral woede en frustratie. Hierdoor raken zij verder verwijderd van de samenleving en wordt
gewelddadig extremisme beschouwd als een probleemoplossende reactie op die frustraties in de sociale
omgeving (Pauwels et al., 2014). Daarentegen stelt de social control theory van Hirschi dat de
afwezigheid van bindingen met de maatschappij of niet-deviante anderen tot regelovertedend gedrag zal
leiden. In dit theoretische deel wordt de social control theory toegepast op gewelddadig extremisme.
Deze bindingen hebben betrekking op vier componenten. Het eerste component betreft ‘attachment’, dit
is de gevoeligheid voor de mening van anderen (Hirschi, 2002). Wanneer dit toegepast wordt op
gewelddadig extremisme kunnen we stellen dat wanneer een individu niet gevoelig is voor de mening
van anderen dit hem/haar niet weerhoudt om over te gaan tot gewelddadig extremisme. Het tweede
component betreft commitment. Hierbij wordt er verondersteld dat wanneer een individu tijd en energie
investeert in allerlei activiteiten, deze persoon een grote kosten- en baten analyse (Hirschi, 2002) moet
maken betreffende het plegen van gewelddadig extremisme. Hierbij kan er verondersteld worden dat
wanneer een individu weinig geïnvesteerd heeft in verschillende activiteiten dit hem/haar minder
weerhoudt om over te gaan tot gewelddadig extremisme. Het derde component betreft involvement¸
30
hierbij hebben individuen gewoonweg geen tijd en energie (Hirschi, 2002) om zich bezig te houden met
gewelddadig extremisme. Individuen die meer vrije tijd hebben zullen ook meer tijd hebben om zich
bezig te houden met extremistische ideeën. Het laatste component betreft belief, de control theory
gelooft dat er een gemeenschappelijk waardesysteem bestaat binnen een gemeenschap of groep (Hirschi,
2002), dus wanneer een individu hetzelfde waardesysteem aanhangt is de kans kleiner dat de persoon
gewelddadig extremistisch gedrag zal stellen. Andersom, wanneer een individu een ander
waardesysteem aanhangt zoals bijvoorbeeld enkel de waarden binnen een religie, neemt de kans toe dat
de persoon in kwestie toleranter wordt voor religieus gewelddadig extremisme.
Geconfronteerd met gepercipieerde onrechtvaardigheid en een gebrek aan sociale banden, kunnen
individuen een afstand of vervreemding ervaren van de samenleving en dit kan zich ontwikkelen tot een
perceptie van het niet behoren tot de maatschappij. Srole (1956) beschrijft deze politieke machteloosheid
als een individuele ervaring van sociale scheiding en desintegratie die ontstaan is vanuit sociale en
persoonlijke factoren. Het verwijst meer specifiek naar de afbreking van het individu zijn hechting aan
de maatschappij. Deze individuen ervaren vaak gevoelens van hulpeloosheid en machteloosheid. Zij
hebben dan ook een grotere kans om een negatieve houding te ontwikkelen ten aanzien van outgroups.
Sommige empirische studies hebben linken gevonden tussen gevoelens van politieke machteloosheid
en gewelddadig extremisme (Schils & Pauwels, 2016).
4.7 Morele opvatting
In dit deel wordt de theoretische achtergrond gegeven betreffende de morele opvatting, namelijk de
morele steun voor gewelddadig extremisme. De morele opvatting betreft de houding van individuen ten
opzichte van mensen, gedragingen, situaties en andere stimuli. Deze opvatting wordt gevormd door
evaluaties van cognitieve en emotionele aard (Van den Bos et al., 2009). In het kader van deze
masterproef betreft dit evaluaties van geweld dat gebruikt wordt door rechtsextremisten,
linksextremisten en religieuze extremisten. De extremiteit van deze morele opvatting geeft een indicatie
van de mate waarin individuen gewelddadig extremisme steunen en kan dus niet als oorzaak van
gewelddadig extremisme worden beschouwd (Van den Bos et al., 2009). De hiervoor besproken sociaalpsychologische componenten vormen een sturende dimensie die mee richting geven aan de morele
opvatting en het daarop volgend gewelddadig extremisme
Groepscontexten kunnen extreme attitudes in de hand werken. De gemiddelde denkwijze van een
individu heeft de neiging om binnen een groepscontext meer extreem te worden. Tevens neigen de
groepsattitudes ook meer extreem te zijn dan die van individuele leden (Borum, 2011). Hoe groter de
tegenstellingen tussen verschillende groepen worden, hoe meer steun er kan ontstaan voor gewelddadig
extremisme. Minderheidsgroepen hebben vaak andere risico- en beschermende factoren dan de
meerderheid in de samenleving. Deze factoren bevatten de sociale status van een minderheidsgroep en
31
de sociale cohesie binnen deze gemeenschappen. Minderheidsgroepen die een lagere positie binnen de
etnische hiërarchie hebben ervaren vaak de meeste deprivatie. Ervaren deprivatie wordt geassocieerd
met identiteitscategorieën dat tevens geassocieerd kan worden met intergroepsdreigingen. De perceptie
van groepsdiscriminatie en verbondenheid met de ingroup waarbij de perceptie van groepssuperioriteit
kan stijgen zijn belangrijke achtergrondvariabelen voor de morele steun van gewelddadig extremisme
ter verdediging van de eigen groep (van Bergen et al., 2015). Aangezien het emotionele component een
belangrijke rol speelt in het vormen van de morele opvatting, kunnen emoties zoals woede en wrok die
veroorzaakt worden door gepercipieerde onrechtvaardigheid van invloed zijn op de vorming van een
individu zijn morele opvatting ten aanzien van gewelddadig extremisme. Tevens kan er onder invloed
van steunbetuigingen uit de directe of wijdere omgeving radicalisering versterkt worden en
groepsvorming worden geïntensiveerd (Pligt & Koomen, 2009).
Deelbesluit
Na het uitvoerig behandelen van de opgenomen concepten in deze masterproef, zal er in het volgende
onderdeel enkele voorgaande studies besproken worden. Daarna volgt er nog een samenvatting van de
belangrijkste veronderstellingen die in dit theoretisch luik aan bod zijn gekomen waarna er een link
wordt gelegd met het daarop volgend theorietoetsend luik.
32
5. VOORAFGAANDE STUDIES
Onderzoek naar religieuze- en sociaal-psychologische mechanismen in gewelddadige extremisme is een
onderzoekstraditie in wording. Dit heeft tot gevolg dat er nog weinig bestaand empirisch onderzoek
beschikbaar is. In dit onderdeel zal er getracht worden om een samenvatting te geven van reeds
bestaande onderzoeken en worden er linken gelegd met een aantal andere onderzoeken die betrekking
hebben op religie. Deze onderzoeken hebben bijvoorbeeld betrekking op de relatie tussen religie en
jeugddelinquentie of de relatie tussen religie en de opvatting over democratie. Eerst te beginnen met
sociaal-psychologische onderzoeken naar gewelddadig extremisme, daarna worden enkele onderzoeken
besproken die een link hebben met deze studie.
5.1 Reeds bestaand onderzoek
Zoals in de inleiding van deze masterproef is aangegeven, is dit onderzoek gebaseerd naar voorbeeld
van de onderzoeken van Doosje et al (2013). Deze onderzoeken zullen hier dan ook als eerst worden
toegelicht. Daarna wordt de studie van Van der Pligt en Koomen (2009) betreffende theoretische
achtergronden van een sociaal-psychologisch model ter verklaring van radicalisering en terrorisme
gegeven worden.
In de studie van Doosje et al. (2013) werden Nederlandse moslim jongeren (N = 131) onderzocht in het
proces tot radicaliseren. In dit onderzoek wordt als hypothese gesteld dat het proces tot radicaliseren
door drie hoofdfactoren wordt aangedreven: a) persoonlijke onzekerheid, b) gepercipieerde
onrechtvaardigheid en c) gepercipieerde groepsdreiging. Deze factoren kunnen er toe leiden dat
individuen ontvankelijk worden voor radicale ideeën en aansluiting kunnen gaan zoeken bij radicale
groepen. Via de structural equation modeling (SEM) methode werd er aangetoond dat deze factoren
belangrijke determinanten zijn in het radicale geloofssysteem. Dit radicale geloofssysteem bevat de
volgende factoren: gepercipieerde superioriteit van moslims, gepercipieerde illegaliteit van Nederlandse
autoriteiten, gepercipieerde afstand tot anderen, en gevoelens van niet verbonden te zijn met de
maatschappij. Dit radicale geloofssysteem op zijn beurt voorspelt de attitudes ten aanzien van geweld
dat door andere moslims wordt gepleegd, wat dan weer een determinant is voor de eigen gewelddadige
intenties. Een aantal sociaal-psychologische factoren uit dit onderzoek vormen een overeenkomst met
de opgenomen concepten in deze masterproef. Dit betreft bijvoorbeeld de gepercipieerde
onrechtvaardigheid met gepercipieerde discriminatie, de gepercipieerde superioriteit van moslims met
religieus autoritarisme, gepercipieerde illegaliteit van Nederlandse autoriteiten met gepercipieerde
legitimiteit van de politie, en gevoelens van niet verbonden te zijn met de maatschappij met politieke
machteloosheid. Opgemerkt moet worden dat dit het onderzoek van Doosje et al zich enkel richt op de
moslimgemeenschap en deze masterproef richt zich op Belgische islamitische- en christelijke
adolescenten
33
In een ander onderzoek van Doosje en collega’s (Van Bergen et al., 2015) wordt er onderzoek gedaan
naar Nederlandse islamitische jeugd van Turkse of Marokkaanse afkomst. Hierbij wordt gemeten wat
de relatie is tussen collectieve deprivatie, verbondenheid met de samenleving en ingroupidentiteitsfactoren (i.e. de sterkte van de ingroupsidentiteit en gepercipieerde ingroupssuperioriteit) met
hun attitude ten aanzien van geweld ter verdediging van religie of etniciteit en de bereid om dit soort
geweld te plegen. De data is afkomstig uit een steekproef van 398 studenten tussen de 14 en 18 jaar oud.
Uit de resultaten komt naar voren dat de perceptie van ingroupssuperioriteit werd voorspeld door een
sterkere verbondenheid met de ingroup en een zwakkere verbondenheid met de Nederlandse
samenleving in alle twee de etnische groepen en door collectieve deprivatie bij de MarokkaansNederlandse participanten. In beide groepen werd de attitude ten aanzien van geweld ter verdediging
van de eigen groep en de bereidheid om geweld te plegen voorspeld door de perceptie van
ingroupssuperioriteit. Collectieve relatieve deprivatie werd voorspeld door een meer positievere attitude
ten aanzien van geweld ter verdediging van de eigen groep door Turks-Nederlandse jeugd, maar ook
indirect (via ingroupssuperioriteit) onder Marokkaans-Nederlandse jeugd. Verbondenheid met de
ingroup voorspelt de bereidheid om geweld te gebruiken ter verdediging van de eigen groep bij TurksNederlandse participanten en wederom indirect (via ingroupssuperioriteit) bij MarokkaanseNederlandse participanten. De resultaten onderstrepen het belang van collectieve identificatie processen
in de attitudes ten aanzien van geweld ter verdediging van de eigen groep voor jonge moslims van de
tweede generatie in een gespannen sociaal-politieke omgeving. De studieresultaten benadrukken het
belang van onderzoek naar dynamieken tussen verschillende moslimgroepen. De unieke acculturatie
patronen leveren verschillende paden op tot het bekomen van bepaalde attitudes ten aanzien van geweld
ter verdediging van de eigen groep en de bereidheid om geweld te plegen (Van Bergen et al., 2015). In
dit onderzoek komen de uitkomstvariabelen ‘attitude ten aanzien van geweld ter verdediging van religie
of etniciteit’ en ‘de bereidheid om dit geweld te plegen’ overeen met twee uitkomstvariabelen uit deze
masterproef, namelijk ‘morele steun voor gewelddadig extremisme’ en ‘politiek/religieus geweld’. Ook
een aantal sociaal-psychologische factoren uit dit onderzoek komen overeen met een aantal opgenomen
concepten uit deze masterproef. Dit betreft de collectieve deprivatie met gepercipieerde discriminatie,
gepercipieerde ingroupsuperioriteit met religieus autoritarisme en verbondenheid met de samenleving
met politieke machteloosheid. Opgemerkt moet worden dat Doosje en collega’s zich alleen richten op
Nederlandse islamitische jeugd van Turkse of Marokkaanse afkomst en deze masterproef richt zich op
Belgische islamitische- en christelijke adolescenten.
In het onderzoek van Van der Pligt & Koomen (2009) wordt er een overzicht geboden van factoren die
een mogelijke rol spelen bij radicalisering en terrorisme. In het onderzoek wordt verondersteld dat precondities of achtergrondfactoren zoals discriminatie, maatschappelijke achterstelling, isolatie en
marginalisering door groepen als dreiging wordt ervaren. Hierin speelt relatieve deprivatie via sociale
vergelijking een belangrijke rol. Ook culturele waarden en opvattingen of het sociale klimaat waarin een
34
groep verkeerd kan van invloed zijn op radicalisering en terrorisme. Tevens kunnen katalyserende
gebeurtenissen zoals bijvoorbeeld geweld tegen een individu zijn/haar familie het proces tot
radicalisering intensifiëren. Ten slotte kunnen ook achtergrondfactoren, de persoonlijkheid en
demografische kenmerken van personen het proces versnellen. De dreiging zelf heeft onzekerheid en
het besef van onrecht tot gevolg waarbij wraak en haat ook betrokken worden. Deze ervaren emoties
zullen een faciliterende werking hebben op de polarisatie tussen groepen. Deze dreiging heeft een effect
op het groepsgevoel, men richt zich namelijk meer op de eigen groep en neemt afstand van de groep die
als veroorzaker van de dreiging wordt beschouwd. Voorts kan radicalisering gebaseerd zijn op een
interpretatie van godsdienst of een ideologie. Door steunbetuigingen en andere sociale beloningen kan
radicalisering worden versterkt en groepsvorming worden geïntensiveerd. Tevens wordt er in het rapport
de rol van groepsprocessen besproken. Groepen kunnen door contacten en discussies extremer worden
(groepspolarisatie) en zichzelf als superieur gaan beschouwen. Hierbij isoleren zij hun eigen groep en
worden zij geleid door charismatische leiders. Tevens wordt er ingegaan op de rol van
rechtvaardigingsprocessen zoals het dehumaniseren van tegenstanders (Van der Pligt & Koomen,
2009).Het onderzoek van Van der Pligt en Koomen (2009) biedt ook een aantal sociaal-psychologische
factoren die overeenkomen met de opgenomen concepten in deze masterproef. Dit betreft bijvoorbeeld
de relatieve deprivatie met de gepercipieerde discriminatie, de genoemde steunbetuigingen kunnen in
verband worden gebracht met de morele steun voor gewelddadig extremisme, ook wordt er benoemd
dat groepen zichzelf superieur kunnen gaan beschouwen wat overeenkomt met het religieus
autoritarisme.
5.2 Onderzoeken gelinkt aan deze studie.
In dit onderdeel worden drie onderzoeken besproken die een link vormen met het onderzoek naar
religieuze en sociaal-psychologische determinanten in gewelddadig extremisme. Het eerste onderzoek
betreft het onderzoek van Hirschi en Stark (Van Stokkom, 2011) waarbij voor het eerste de relatie tussen
religie en delinquentie werd onderzocht. Het tweede onderzoek betreft het onderzoek van Koopmans
(2015) waarbij de link wordt gelegd tussen fundamentalistische gelovigen en het verwerpen van een
aantal democratische normen en waarden. Het laatste onderzoek dat hier nog kort weergegeven wordt
betreft het onderzoek vanuit IMES (instituut voor Migratie- en Etnische Studies, Universiteit
Amsterdam). Uit dit onderzoek komen twee belangrijke dimensies naar voren in het proces van
radicalisering welke een link vormen met aspecten uit het sociaal-psychologisch model. Dit betreft de
religieuze dimensie (orthodoxe geloofsinvulling) en de politieke dimensie (onrechtvaardigheid)
(Slootman & Tillie, 2006).
In de jaren ’60 heeft het bekende artikel ‘Hellfire and delinquency’ van Hirschi en Stark (1967) een
grote invloed gehad op de visie betreffende de relatie tussen religie en delinquentie. Zij waren de eerste
onderzoekers die de effecten tussen religie en delinquentie onderzocht hebben. De auteurs gingen er van
35
uit dat het kerkbezoek een negatief effect zou hebben op het plegen van delicten. Echter kwamen er uit
de resultaten naar voren dat religie geen bijdrage gaf aan de preventie van delinquent gedrag en daarom
irrelevant zou zijn. Inmiddels wordt dit onderzoek als achterhaald beschouwd. Uit verdere onderzoeken
in de jaren ’80 komt er namelijk verscheidene keren naar voren dat gelovigen toch minder crimineel
gedrag vertonen dan niet-gelovigen (Van Stokkom, 2011). De tegensprekende resultaten zou er mee te
maken kunnen hebben dat religie in het onderzoek van Hirschi en Stark misschien wel te zwak gemeten
is. Tevens is het van belang om te weten welke factoren gemeten worden om de mate van religie te
bepalen. Hierbij kunnen enkele vragen gesteld worden zoals: Gaat het enkel om het geloven op zich?
Om welke aard van geloof gaat het? Met wie wordt dit geloof beleefd? Hoe intens is deze beleving?..
Er kan hieruit in ieder geval geconcludeerd worden dat het zoeken naar een verband tussen religieuze
affiliatie en deviant gedrag moeilijk is. Daarmee kan direct een link gelegd worden met gewelddadig
extremisme. Er moet in acht worden gehouden dat het verband tussen religie en gewelddadig
extremisme niet als een één op één relatie beschouwd kan worden en de meting van de concepten zeker
een invloed hebben op de uitkomsten van het onderzoek.
Een ander onderzoek dat verband houdt met religie is het onderzoek van Koopmans (2015). In dit
onderzoek wordt er onderzocht of fundamentalisme een effect heeft op vijandigheid ten aanzien van
outgroups. In deze studie wordt er een vergelijking gemaakt tussen native christenen en moslim
immigranten in West-Europa. De data is afkomstig uit een enquête in 2008 waarbij mensen van vooral
Turkse en Marokkaanse afkomst en autochtone respondenten zijn bevraagd in zes West-Europese landen
namelijk Duitsland, Frankrijk, België, Nederland, Oostenrijk en Zweden. Fundamentalisme wordt
volgens academisch gebruik gedefinieerd door middel van de volgende drie samenhangende attitudes:
1) De religieuzen willen terugkeren naar de onveranderlijke regels die vastgelegd zijn in het verleden,
2) er is slechts één interpretatie van deze regels die bindend is voor alle gelovigen en 3) de religieuze
regels hebben voorrang op de seculiere wetten. Met vijandigheid wordt er verwezen naar vijandigheid
ten aanzien van homoseksuelen, joden, islamieten willen de westerse cultuur vernietigen (vanuit de
autochtonen) en westerse landen willen de islam vernietigen (vanuit de moslims).Uit de resultaten van
het onderzoek komt naar voren dat zowel bij de christenen als bij de moslims sterke religiositeit niet (bij
de christenen) of enkel mild (bij de moslims) gerelateerd is aan vijandigheid tegen outgroups. Echter
tonen de resultaten bij fundamentalistische gelovigen een hoog niveau van vijandigheid tegen
outgroups, vooral bij moslims (Koopmans, 2015). Hieruit kan geconcludeerd worden dat hoe extremer,
dus hoe zwart-witter mensen denken hoe groter de kans dat zij democratische normen en waarden
verwerpen. Dit kan gelinkt worden aan hen specifieke interpretatie en de ideologie die zij aanhangen.
Dit kan dan ook van invloed zijn op de resultaten van deze masterproef en dus de mate waarin
respondenten morele steun hebben voor gewelddadig extremisme of daadwerkelijk gepleegde
politiek/religieus geweld.
36
In het onderzoek dat door IMES (instituut voor Migratie- en Etnische Studies, Universiteit Amsterdam)
is uitgevoerd wordt er onderzocht wat radicalisering is en welke factoren bepalen of iemand ontvankelijk
is voor radicaliseringsprocessen. Hierbij wordt er vooral gefocust op de aanwezigheid van opvattingen
en denkbeelden van niet-radicaliserende Amsterdamse moslims die tot radicalisering kunnen leiden. In
dit onderzoek wordt er gebruik gemaakt van gegevens uit de Amsterdamse Burgermonitor 2005 waarbij
er onder de Amsterdamse bevolking bij 321 moslims enquêtes zijn afgenomen. Tevens wordt er in het
onderzoek aandacht besteed aan 12 islamitische jongeren uit de periferie van de Hofstadgroep die het
radicaliseringsproces hebben doorlopen maar geen strafbare feiten hebben gepleegd. Uit de analyses
komt naar voren dat er twee centrale dimensies van belang zijn voor radicalisering. De eerste dimensie
betreft de religieuze dimensie wat wijst op een zeer orthodoxe geloofsinvulling en de andere dimensie
betreft de politieke dimensie wat wijst op het idee dat er door de politiek en de maatschappij
onrechtvaardig wordt omgegaan met moslims en dat de islam daardoor bedreigd wordt. Hoe hoger men
scoort op de combinatie van de religieuze en de politieke dimensie, hoe groter de kans is dat men
daadwerkelijk radicaliseert. Echter moet er in acht worden genomen dat hoge scores op deze twee
dimensies niet voldoende is om te stellen dat deze personen daadwerkelijk radicaliseren, maar zij zijn
potentieel wel het meest ontvankelijk voor radicalisering. Tevens moet er rekening gehouden worden
met dat deze twee dimensies onafhankelijk zijn van elkaar. Het orthodoxe leidt niet automatisch tot het
gevoel van politieke onrechtvaardigheid en andersom. In het onderzoek onder de 12 radicale
moslimjongeren wordt er nog een derde dimensie aan toegevoegd: een sociale dimensie dat betrekking
heeft op de behoefte aan acceptatie, waardering en geborgenheid. Er moet hierbij opgemerkt worden dat
de drie dimensies bij radicalisering een rol spelen, maar op individueel niveau verschillen de accenten
en de duur van het proces. Radicalisering is dan ook een sociaal proces en speelt zich niet af in een
individueel isolement (Slootman & Tillie, 2006). Dit onderzoek vormt tevens een link met het
opgenomen concept ‘belangrijkheid van religie’ in deze masterproef. De religieuze dimensie (orthodoxe
geloofsinvulling) kan een vertaling zijn van de mate waarin gelovigen religie belangrijk achten. Ook de
politieke dimensie vormt een link met de opgenomen ‘gepercipieerde onrechtvaardigheid’ en ‘politieke
machteloosheid’.
37
6. SAMENVATTING
Hier volgt een korte samenvatting van de belangrijkste veronderstellingen die in het voorgaande
theoretische kader (H.4) besproken werden. Deze samenvatting vormt de overgang naar het
theorietoetsend luik. Allereerst worden de belangrijkste twee uitkomstvariabelen kort besproken,
namelijk politiek/religieus geweld en de morele steun voor gewelddadig extremisme. Vervolgens komen
de onafhankelijke variabelen aan bod onder de categorieën religie (religie, belangrijkheid religie),
gepercipieerde onrechtvaardigheid (gepercipieerde discriminatie) en polariserende factoren (religieus
autoritarisme, gepercipieerde legitimiteit van de politie en politieke machteloosheid). In acht moet
worden gehouden dat religieus autoritarisme in het theorietoetsend luik ook als uitkomstvariabele wordt
getoetst.
De eerste uitkomstvariabele ‘gewelddadig extremisme’ (oftewel ‘politiek/religieus geweld op
personen’) verwijst naar religieus extremisme en wordt omschreven als: "individuen die sociale,
politieke en economische verandering promoten en/of afdwingen in het kader van religieus
georiënteerde verordeningen en die het gebruik van geweld ondersteunen om dit doel te bereiken"
(Pauwels et al., 2014). Volgens de sociaal-psychologische literatuur hangt de perceptie van extremisme
af van het geheel van normen die mensen gebruiken om normaliteit en dus ook afwijkend gedrag te
definiëren. Extremisme krijgt dus binnen verschillende samenlevingen en in verschillende tijden een
andere invulling (Kessler et al., 2002). De tweede uitkomst variabele betreft de ‘morele opvatting’(
oftewel 'morele steun voor gewelddadig extremisme') verwijst in deze masterproef naar evaluaties van
geweld dat gebruikt wordt door rechtsextremisten, linksextremisten en religieuze extremisten. Deze
opvatting geeft een indicatie van de mate waarin individuen het plegen van gewelddadig extremisme
steunen en kan dus niet als oorzaak van gewelddadig extremisme beschouwd worden (Van den Bos et
al., 2009). De hierna besproken sociaal-psychologische componenten geven een sturende dimensie aan
deze morele opvatting en het daarop volgend gewelddadig extremisme.
Volgens Clarke (2014) is religie een combinatie van een veronderstelling van bovennatuurlijke wezens,
participatie in rituelen en de relevantie van moraliteit. In deze masterproef worden er slecht twee religies
behandeld namelijk het christendom en de islam. De combinatie van religie en geweld is soms moeilijk
te aanvaarden omdat religie meestal wordt voorgesteld als iets dat vredelievend is. Toch wordt religie
doorheen onze geschiedenis te vaak betrokken bij gruweldaden. Teehan (2010) stelt dat binnen de
religieuze morele psychologie de pro-sociale moraliteit van de mens door dezelfde processen wordt
ontwikkeld als geweld tegen outrgoupleden, namelijk in dienst van de reproductive fitness. Hierbij
worden eigen verwanten bevoorrecht en bestaat er een vorm van altruïsme naar de eigen groep. Maar
tegelijkertijd bestaat er een aanleg voor angst, wantrouwen en een verminderde morele gevoeligheid
voor outgroupleden waarbij geweld niet vermeden wordt ter bescherming van de eigen groep. Religie
kan hierbij dienen als rechtvaardiging van het geweld waarbij er beroep gedaan kan worden op een
38
bovennatuurlijk god (Teehan, 2010). Tevens kan de mate waarin een persoon religie belangrijk acht een
rol spelen in het proces tot gewelddadig extremisme. Extreme vormen van religiositeit zoals
bijvoorbeeld een orthodoxe geloofsopvatting of religieus fundamentalisten schijnen individuen meer
ontvankelijk te maken voor een religieus extremistische gedachtegoed (Koopmans, 2015; Slootman &
Tillie, 2006).
Sociaal psychologisch intermediaire mechanismen kunnen helpen verklaren waarom individuen tot
politiek/religieus geweld komen. De sociale psychologie is dan ook een wetenschappelijke discipline
die bestudeert wat mensen denken, doen, voelen en wat de invloed van andere personen op de menselijke
reactie is (Bos et al., 2009). Gewelddadig extremisme is vaak een groepsgerelateerd fenomeen waarbij
groepsdynamieken het gedrag van deze extremisten kan helpen verklaren (Borum, 2011).
Een eerste factor binnen dit sociaal-psychologische model is de 'gepercipieerde onrechtvaardigheid' wat
wijst op een perceptie van individuele- en groepsdiscriminatie. Het proces tot gewelddadig extremisme
begint meestal met daadwerkelijke of vermeende achterstelling. Deze achterstelling gaat vaak gepaard
met gepercipieerde discriminatie waardoor zij zich ongelijk behandeld voelen in tegenstelling tot
anderen (Van der Pligt & Koomen, 2009). Er kunnen twee vormen van gepercipieerde discriminatie
onderscheiden worden: 1) gepercipieerde persoonlijke discriminatie en 2) gepercipieerde
groepsdiscriminatie. Gepercipieerde persoonlijke discriminatie komt voort uit de vergelijking van de
eigen individuele situatie met de directe andere personen in iemands omgeving. Gepercipieerde
groepsdiscriminatie is een gevolg van de vergelijking van de eigen groep met andere groepen in de
samenleving (Van den Bos et al., 2009). Dit betreft het oordeel dat iemands ingroup benadeeld wordt in
vergelijking met andere groepen wat kan aanzetten tot sociaal protest en vijandigheid ten opzichte van
deze andere groepen. Wanneer de waargenomen deprivatie als blokkade wordt beschouwd voor het
behalen van de eigen doelen kan dit leiden tot boosheid en collectieve actie (Van Bergen et al., 2015).
Polariserende factoren verscherpen de tegenstelling tussen groepen mensen waardoor vijandigheden
tussen deze groepen versterkt worden en de kans op gewelddadig extremisme toeneemt. Vanuit het
sociale identiteitsperspectief kan er verklaard worden waarom distincties tussen groepen versterken. Een
belangrijke veronderstelling die hier uit naar voren komt is dat mensen een verlangen hebben naar een
positieve sociale identiteit en vanuit dit perspectief zijn zij gemotiveerd om hun eigen groep te
bevoordelen ten opzichte van outgroups. Tevens wordt er in de zelfcategorisatietheorie gesteld dat
sociale categorisatie de plaats van een mens in de samenleving bepaalt. Door middel van subjectieve
sociale vergelijkingen kunnen sociale identiteiten geïdentificeerd worden en kan er een positieve
onderscheiding van een groep in vergelijking met andere groepen geboden worden (Turner & Reynolds,
2011). Hoe meer de identificatie met de eigen groep toeneemt, hoe meer leden van de outgroup
gegeneraliseerd worden. Het stigmatiseren van prototypes kan leiden tot ongewenste effecten waarbij
39
individuen zich tegen de maatschappij kunnen gaan keren en dus polarisatie in de hand wordt gewerkt
(Van den Bos et al., 2009).
De eerste polariserende factor betreft religieus autoritarisme en verwijst naar de mate waarin een
individu zijn/haar eigen religieuze groep als superieur beschouwd ten aanzien van andere groepen in de
samenleving. Op basis van de sociale identiteitstheorie tonen empirische studies aan dat een hogere mate
van persoonlijke identificatie met een religieuze ingroup de ontwikkeling van een sterke collectieve
identiteit beïnvloedt en een voorwaarde vormt voor het ervaren van groepsdreigingen tegen de ingroup.
Gevoelens van superioriteit kunnen hierbij opkomen als copingmechanisme ter bescherming van een
achteruitgang van het zelfbeeld. Verder kunnen individuen die op gepercipieerde groepsdreigingen
reageren hun gevoelens van agressie en wrok ten aanzien van de outgroup vervangen door wraak (van
Bergen et al., 2015). Individuen kunnen aansluiting bij een groep zoeken vanuit onzekerheid over de
sociale identiteit. Deze onzekerheid is vaak aanwezig bij adolescenten aangezien zij zich bevinden in
een psychosociaal stadium van een zoektocht naar hun identiteit. Tevens geldt er voor niet-westerse
allochtonen dat zij te maken krijgen met een nieuwe cultuur en dus ook onzekerheid ervaren over hun
identiteit. Een manier om onzekerheid te reduceren is door aansluiting te vinden bij een groep. Een groep
biedt regels over hoe te reageren op anderen en wat je van hen moet verwachten. Tevens creëert het
zekerheid over het zelfconcept aangezien de persoon zich kan vergelijken met gelijkgestemden. (Van
der Pligt & Koomen, 2009).
De tweede polariserende factor betreft de gepercipieerde legitimiteit van de politie en is afkomstig uit
de procedural justice theory van Tyler. Deze factor verwijst naar de mate waarin burgers de politie als
eerlijk of juist percipiëren en speelt een belangrijke rol in het ontwikkelen van radicale of gewelddadige
attitudes. De reden dat procedurele rechtvaardigheid er zoveel toe doet is omdat het laat zien dat een
individu een gerespecteerde lid is van de maatschappij en het verdient om naar geluisterd te worden.
Het is een fout om aan te nemen dat procedurele onjuistheid tegen één persoon, enkel die persoon zijn
oordeel beïnvloedt. Integendeel, de impact van het ervaren of observeren van oneerlijkheid in
beslissingen dat vertaald wordt naar iemands sociale groep kan een groep motiveren om aan de
legitimiteit en macht van een specifieke autoriteit te twijfelen. Dit kan een defensief tussen sociale
groepen creëren waardoor zij niet meer willen samenwerken met deze legale autoriteiten (Murphy &
Cherney, 2013) en de morele steun voor politiek/religieus geweld versterkt kan worden.
De laatste polariserende factor betreft politieke machteloosheid. Srole (1956) beschrijft deze politieke
machteloosheid als een individuele ervaring van sociale scheiding en desintegratie die ontstaan is vanuit
sociale en persoonlijke factoren. Het verwijst meer specifiek naar de afbreking van het individu zijn
hechting aan de maatschappij. Deze individuen ervaren vaak gevoelens van hulpeloosheid en
machteloosheid. Zij hebben dan ook een grote kans om een negatieve houding te ontwikkelen ten
aanzien van outgroups. Deze gevoelens komen vaak voor doordat deze individuen geconfronteerd
40
worden met gepercipieerde onrechtvaardigheid en een gebrek aan sociale banden (General strain theory
& social control theory). Sommige empirische studies hebben linken gevonden tussen gevoelens van
politieke machteloosheid en gewelddadig extremisme (Schils & Pauwels, 2016).
Deelbesluit
In het hierop volgend theorietoetsend luik wordt de achtergrond van het RADIMED-project kort
weergegeven. Daarna zullen de hiervoor besproken concepten meetbaar worden gemaakt en worden de
effecten van de religieuze factoren, gepercipieerde onrechtvaardigheid en de polariserende factoren op
gewelddadig extremisme, de morele opvatting en religieus autoritarisme getoetst aan de hand van de
meervoudige regressieanalyse. In hoofdstuk 9 worden de bevindingen van deze toetsingen besproken.
41
THEORIETOETSEND LUIK
42
7. METHODOLOGIE
In dit hoofdstuk wordt de methodologie besproken die betrekking heeft op de gebruikte dataset. De
dataset is afkomstig uit het RADIMED-project en richt zich op de invloeden van social media op
gewelddadige radicalisering. Dit is niet dezelfde doelstelling als de desbetreffende masterproef, maar er
worden wel een aantal concepten opgenomen die bruikbaar zijn voor het religieus en sociaalpsychologisch model. In de beschrijving van het RADIMED-project wordt de doelstelling en
gehanteerde methodes van dataverzameling besproken. In het tweede onderdeel volgt er een voorstelling
van de effectieve steekproef. Als laatste wordt de meting van de centrale concepten besproken.
7.1 RADIMED-Project
In opdracht van het Federaal Wetenschapsbeleid (Belspo) werd het onderzoeksproject RADIMED
uitgevoerd door een samenwerkingsverband tussen de vakgroep Sociale Veiligheidsanalyse (Ugent) en
de vakgroep Criminologie (UCL). De data werd op twee manieren verzameld. De eerste manier is via
een zelfrapportage studie die met paper and pencil werd afgenomen en de tweede manier via een
websurvey. In dit onderdeel zal de doelstelling, de zelfrapportage survey en de websurvey besproken
worden. Deze gegevens zijn gebaseerd op het rapport van Pauwels et al. (2014) ‘Explaining and
Understanding the Role of Exposure to New social Media on Violent Extremism. An integretive
quantitative and qualitative approach’.
7.1.1 Doelstelling.
Het RADIMED-project heeft tot doel om de relatie tussen de blootstelling aan gewelddadig
extremistische inhoud via NSM (nieuw sociale media) op gewelddadig extremisme onder Belgisch
adolescenten te meten. Hierbij wordt er gefocust op de rol van NSM in het proces van gewelddadige
radicalisering. Om deze doelstelling te verwezenlijken is er een kwantitatief en een kwalitatief
onderzoek uitgevoerd. Echter zal hier enkel de methode van het kwantitatief onderzoek worden
toegelicht, dit in verband met de relevantie tot deze masterproef. Onderzoek naar de blootstelling aan
gewelddadig extremistische inhoud en radicalisering is van belang voor een beter begrip van hedendaags
gewelddadig extremisme en bijgevolg om effectiever en efficiënter gewelddadig extremisme te kunnen
aanpakken, zowel online als offline (Pauwels et al., 2014).
7.1.2 Zelfgerapporteerde studie
Uit vele onderzoeken komt naar voren dat deviant gedrag zich concentreert in de grootsteden. De crosssectionele zelfrapportage studie is dan ook afgenomen in de steden Luik en Antwerpen. Dit zijn de twee
grootste steden (+100.000 inwoners) ,naast Brussel, in België. De volgende strategie is gehanteerd om
de variatie in zelfgerapporteerd daderschap te maximaliseren: Alle scholen in de derde graad van het
secundaire onderwijs in Antwerpen en Luik werden gecontacteerd en uitgenodigd om deel te nemen aan
de studie. In totaal waren dit 34 scholen in Antwerpen en 32 scholen in Luik. Het eerste verzoek dat via
43
de post of e-mail verzonden werd naar de schooldirecteuren vond plaats in de tweede helft van Augustus
2012. Wanneer scholen na het tweede verzoek niet antwoordden werd er telefonisch contact opgenomen
(max. 5 keer). Enkel drie scholen in Antwerpen (470 studenten) waren bereid om te deel te nemen aan
de paper and pencil vragenlijst. Wanneer scholen weigerden om deel te nemen aan de survey werd aan
de school de optie gegeven om de survey aan te bieden via het online studieplatform van de school.
Hierdoor waren de onderzoekers verplicht om ook adolescenten in het voortgezet onderwijs op te nemen
waardoor de oorspronkelijke doelpopulatie verruimd werd. Doordat deze methode bijna geen
organisatie en verlies van lesuren veroorzaakt, hebben de onderzoekers nog 6 scholen in Antwerpen (in
totaal dus 9) en 6 scholen in Luik (1500 mogelijke respondenten) weten te verwerven. Om de deelname
aan de survey te blijven stimuleren werd er aan de docenten gevraagd of zij flyers en posters wilden op
hangen. Dit werd ook gevraagd aan scholen die bleven weigeren om deel te nemen aan de survey (bij 6
scholen in Antwerpen en 3 scholen in Luik).
7.1.3 Websurvey
De websurvey werd ontwikkeld door gebruik te maken van het software programma thesistools.com.
Om de survey te kunnen verspreiden is er een facebookpagina (zowel Nederlandstalig als Franstalig)
aangemaakt. Op deze pagina stond een directe link naar de vragenlijst en informatie over het project, de
onderzoekers en contactgegevens. De pagina’s werden beheerd door de onderzoekers die regelmatig
video’s, links en artikels plaatsten. Daarnaast is er een e-mailadres aangemaakt waar jongeren hun
vragen naar toe konden sturen. De bedoeling van deze survey is om studenten en niet-studerende
adolescenten te bereiken. Daarom werden er posters op verscheidene zichtbare plaatsen gehangen waar
de doelgroep vaak komt zoals in kroegen en cafés in Antwerpen, Gent en Luik. Bovendien werden er
ook flyers verspreid in de gebouwen van bijna alle faculteiten van de universiteiten en colleges in
Antwerpen, Gent, Louvain la Neuve en Luik. Aan de centrale faculteiten en studentenadministraties van
alle universiteiten in Vlaanderen, Luik en Louvain la Neuve werd via een e-mail een uitnodiging
verstuurd met een verzoek om de weblink van de facebookpagina te laten circuleren. Deze methode
bleek erg effectief te zijn. Doordat de vragenlijst zichtbaar en gedeeld kon worden op facebook werden
er veel respondenten bereikt. De survey was online tussen September en December 2012, de respons
was enorm met 3653 respondenten in Vlaanderen (incl. paper and pencil survey 470) en 2367
respondenten in Wallonië.
7.2 Samenstelling steekproef.
In dit onderdeel volgt een korte weergave van de effectieve steekproef die gebruikt wordt in deze
masterproef. Via een tabel waarin de inhoud van de achtergrondkenmerken, de missings en valide
percentages weergeven worden, aangevuld met een schriftelijke toelichting zullen de volgende
achtergrondmerken aan bod komen: geslacht, leeftijd, afkomst, religie en gewest.
44
Tabel 1: Achtergrondkenmerken van de steekproef van het RADIMED-project.
Achtergrondkenmerken
Geslacht
N = 6020
Valid percentage (absoluut aantal)
Missing: 0,6%(37)
Jongens
35,3% (2112)
Meisjes
64,7% (3871)
Leeftijd
Missing: 0,3%(20)
16 jaar en jonger
2,6% (157)
17-18 jaar
22,6% (1355)
19-20 jaar
34,0% (2037)
21-22 jaar
25,4% (1523)
23-24 jaar
11,9% (711)
25 jaar en ouder
3,6% (217)
Afkomst
Missing: 0,0% (3)
Andere afkomst
23,8% (1430)
Belg (Vader en moeder)
76,2% (4587)
Religie
Missing: 0,1% (4)
Katholicisme
45,6% (2709)
Protestantisme
1,4% (83)
Islam
4,8% (287)
Hindoeïsme
0,2% (11)
Boeddhisme
0,4% (23)
Jodendom
0,2% (12)
Niet gelovig
45,4% (2701)
Andere
2,0% (118)
Gewest
Missings: 0,0%
Vlaams
60,7% (3653)
Waals
39,3% (2367)
De totale effectieve steekproefomvang van het RADIMED-project telt 6020 respondenten. Hiervan zijn
35,3 procent jongens en 64,7 procent meisjes. De leeftijdscategorieën variëren van jonger dan 16 jaar
tot ouder dan 25 jaar oud. Slechts 2,6 procent van de respondenten zijn jonger dan 16 jaar oud, 22,6
procent vielen binnen de categorie 17 tot 18 jaar oud, 34,0 procent binnen 19 tot 20 jaar oud, 25,4 procent
binnen 21 tot 22 jaar oud, 11,9 procent binnen 23 tot 24 jaar oud en 3,6 procent is 25 jaar of ouder. 76,2
procent van de respondenten is Belg, dit wil zeggen dat de respondent en zijn/haar beide ouders geboren
zijn in België. 23,8 procent behoort tot de categorie ‘andere afkomst’, wat dus wil zeggen dat de
respondent of één van de beide ouders niet geboren is in België. Hierbij kan opgemerkt worden dat de
afkomst dus niet verwijst naar de nationaliteit van de respondent wat een juridische band met het land
45
zou indiceren. Het achtergrondkenmerk ‘religie’ is onderverdeeld in 8 categorieën. 45,6 procent van de
respondenten geeft aan katholiek te zijn, 1,4 procent behoort tot het protestantisme, 4,8 procent tot de
islam, 0,2 procent tot het hindoeïsme, 0,4 procent tot het boeddhisme, 0,2 procent tot het jodendom,
45,4 procent geeft aan niet gelovig te zijn en 2,0 procent geeft een religie aan die niet tussen de
voorgaande categorieën staat. In deze masterproef worden enkel de respondenten die geloven in de
islam, het christendom en niet-gelovigen openomen in de toetsingen. Dit omdat er te weinig
respondenten voor de overige religies beschikbaar zijn. Als laatste bijkomende achtergrondkenmerk
geeft 60,7 procent van de respondenten aan Vlaams te zijn en 39,3 procent geeft aan Waals te zijn.
46
8. METINGEN VAN CENTRALE CONCEPTEN
In dit onderdeel worden alle concepten en variabelen die in deze masterproef gebruikt worden
geoperationaliseerd. De operationalisering dient om abstracte begrippen meetbaar te maken. Hierbij
worden concepten uit het conceptueel model omgezet in empirische termen en relaties (Van Damme et
al., 2013a). Er wordt hierbij verwezen naar de vragen die geformuleerd zijn in het RADIMED-project.
De opgenomen concepten worden via likertschalen gemeten. De validiteit van deze schalen worden
getest door middel van Cronbach’s Alpha (α), wat een schatting geeft van de interne consistentie. In de
praktijk wordt een waarde van 0,60 beschouwd als intern consistent (Van Damme et al. 2013a). We
starten met de operationalisering van de afhankelijke variabelen politiek/religieus geweld op personen,
morele steun voor gewelddadig extremisme en religieus autoritarisme. Daarna volgt de
operationalisering van de onafhankelijke variabelen waarbij eerst een aantal achtergrondkenmerken aan
bod komen (geslacht, leeftijd en afkomst). Daarna zullen de verklarende variabelen volgen namelijk: de
islam, het christendom, belangrijkheid van religie, gepercipieerde discriminatie, religieus autoritarisme,
legitimiteit, politieke machteloosheid en morele steun voor gewelddadig extremisme. Voor een
schematisch overzicht van de schaalconstructen, corresponderende factorladingen en Cronbach’s Alpha
wordt er verwezen naar de bijlagen (H12.1).
8.1 Afhankelijke variabelen
De volgende afhankelijke variabelen komen aan bod: Politiek/religieus geweld op personen, morele
steun voor gewelddadig extremisme en religieus autoritarisme.
Politiek/religieus geweld op personen: Aan de respondenten wordt gevraagd naar de frequentie ‘Hoe
vaak heb je al eens…’: - Met iemand gevochten omwille van je politieke of religieuze overtuiging? –
Iemand bedreigd op het internet omwille van je eigen overtuigingen? – Iemand bedreigd op straat
omwille van je eigen overtuigingen? – Een vreemdeling geslagen? – Een racist geslagen? – Een
kapitalist geslagen? De respondenten kunnen antwoorden met 0, 1, 2 tot 3, of meer dan 3 keer. Hoge
waarden wijzen op een hogere mate van politiek/religieus geweld op personen (α = ,89).
Morele steun voor gewelddadig extremisme wordt gemeten aan de hand van een sommatie van 3
subschalen. De eerste subschaal heeft betrekking op rechtsextremisme, de tweede subschaal op religieus
extremisme en de derde op links-extremisme. Aan de respondenten wordt gevraagd hoe zij denken over
mensen die een extreme politieke of religieuze mening er op na houden. Hierbij kunnen de respondenten
antwoorden op een vijfpuntenschaal van ‘helemaal oneens’ tot ‘helemaal mee eens’, hoge waarden
wijzen op een positievere attitude ten op zichtte van gewelddadig extremisme (α = .92). De vragen met
betrekking tot rechts-extremisme luiden als volgt: - Ik begrijp dat sommige rechts-extremisten geweld
gebruiken tegen de mensen die macht hebben in België. – Ik kan rechts-extremisten die de orde verstoren
wel begrijpen. – Ik kan rechts-extremisten die geweld gebruiken tegen anderen wel begrijpen. De vragen
47
met betrekking tot. religieus extremisme luiden: - Ik begrijp dat sommige religieus fundamentalisten
geweld gebruiken tegen de mensen die de macht hebben in België. – Ik kan religieuze fundamentalisten
die de orde verstoren wel begrijpen. – Ik kan religieuze fundamentalisten die geweld gebruiken tegen
anderen wel begrijpen. De vragen met betrekking tot links-extremisme luiden: Ik begrijp dat sommige
andersglobalisten geweld gebruiken tegen de mensen die de macht hebben in België. – Ik kan
andersglobalisten die de orde verstoren wel begrijpen. – Ik kan andersglobalisten die geweld gebruiken
tegen anderen wel begrijpen.
Religieus autoritarisme: Bij dit concept wordt er aan de respondenten gevraagd wat voor mening zij
hebben over een reeks van uitspraken die over verschillende visies over de samenleving gaan. Hierbij
kunnen zij antwoorden op een vijfpuntenschaal van ‘helemaal oneens’ tot ‘helemaal eens’, hoge
waarden wijzen op een hoge mate van religieus autoritarisme (α = .87). De volgende uitspraken worden
voorgelegd: - Mensen zouden minder aandacht moeten hebben voor religie en in plaats daarvan meer
hun eigen morele standaarden moeten ontwikkelen. – God heeft voor de mensheid een foutloze en
complete weg naar geluk en verlossing gegeven. – Deze weg moet zonder uitzondering gevolgd worden.
– Geen enkel religieus boek bevat de volledige waarheid over het leven. – Een figuur zoals ‘Satan’
bestaat niet. – Het is belangrijker een goede persoon te zijn dan te geloven in God en religie. – Er
bestaan religieuze wetten die wij rechtstreeks van God ontvangen hebben. Geen enkele waarheid is
absoluter dan deze wetten. – In feite zijn er slechts twee soorten mensen: rechtschapen mensen die door
God beloond zullen worden en de anderen die dit niet zullen worden. – De verhalen in de heilige boeken
(Bijbel, Koran…)moeten niet van het begin tot het einde letterlijk genomen worden ook al bevatten ze
algemene waarheden. – Om het beste en meest zinvolle leven te leiden moet met zicht aansluiten bij de
authentieke religie, deze die de waarheid bevat.
8.2 Onafhankelijke variabelen
8.2.1 Demografische achtergrondvariabelen
In dit onderdeel zullen de demografische achtergrondvariabelen aan bod komen die dienen als controle
variabelen. De volgende onafhankelijke variabelen komen aan bod: geslacht, leeftijd en afkomst.
Geslacht: Mannen worden gecodeerd als 1 = man en vrouwen worden gecodeerd als 0 = vrouw.
Leeftijd: De respondenten worden onderverdeeld in 5 leeftijdscategorieën (16 jaar en jonger, 17 tot 18
jaar, 19 tot 20 jaar, 21 tot 22 jaar, 23 tot 24 jaar en 25 jaar en ouder). Voor de toetsingen is de variabele
trichotoom gemaakt ( 0 = 18 tot 22 jaar oud, 1 = 22 jaar en ouder en 2 = jonger dan 18 jaar oud ).
Niet- Belgische achtergrond: Wordt gemeten door de respondenten te verdelen in 2 subgroepen, er
wordt hierbij verwezen naar de respondent en de immigratieachtergrond van beide ouders. Belg-zijn
48
verwijst naar de situatie waarin de respondent en de beide ouders afkomstig zijn uit België. Immigrant
zijn verwijst naar een andere afkomst in overige situaties. De variabele is dichotoom ( 0 = Belg, 1 =
andere).
8.2.2Verklarende variabelen.
De volgende concepten hebben betrekking op de verklarende variabelen. Binnen het eerste model vallen
de religieuze factoren, namelijk het geloven in de islam, het geloven in het christendom en de
belangrijkheid van het geloof. In het tweede model behoort de gepercipieerde discriminatie, in het derde
model de polariserende factoren religieus autoritarisme, gepercipieerde legitimiteit van de politie en
politieke machteloosheid. Het laatste model bevat de moreel opvatting, namelijk de morele steun voor
politiek/religieus geweld. Met exceptie van de islam en christendom zijn alle andere onafhankelijke
variabelen gestandaardiseerd.
8.2.2.1Religieuze factoren
Islam: De variabele religie bevat 8 categorieën, namelijk de katholicisme, protestantisme, islam,
hindoeïsme, boedisme, jodendom, niet gelovig en andere. Uit deze variabele is een dummy variabele
‘islam’ gemaakt waarbij 1 = islam en 0 = niet- gelovig is.
Christendom: De variabele religie bevat 8 categorieën, namelijk het katholicisme, protestantisme, islam,
hindoeïsme, boedisme, jodendom, niet gelovig en andere. Uit deze variabele is een dummy variabele
‘christendom’ gemaakt waarbij 1 = katholicisme en protestantisme en 0 = niet- gelovig is.
Belangrijkheid
geloof
meet
in
hoeverre
de
respondent
religie
belangrijk
vindt.
De
antwoordmogelijkheden gaan van ‘helemaal niet belangrijk’ tot ‘zeer belangrijk’.
8.2.2.2Gepercipieerde onrechtvaardigheid
Gepercipieerde discriminatie wordt gemeten aan de hand van een sommatie van 2 subschalen die hoog
met elkaar correleren (r = .81, p<.01). De eerste subschaal betreft gepercipieerde persoonlijke
discriminatie (α = .89) en de tweede subschaal betreft gepercipieerde groepsdiscriminatie (α = .95). De
items zijn afkomstig uit de studie van Van den Bos, Loseman en Doosje (2009). Aan de respondenten
wordt er gevraagd over de eigen ervaring met het rechtvaardig behandeld te worden door de politie.
Hierbij kunnen zij antwoorden op een vijfpuntenschaal van ‘helemaal oneens’ tot ‘helemaal eens’, hoge
waarden wijzen op een hoge mate van de perceptie van discriminatie. De vragen met betrekking op
gepercipieerde persoonlijke discriminatie luiden als volgt: - Het maakt me boos als ik denk aan hoe ik
behandeld word in vergelijking met anderen in België. – Ik denk dat ik het minder goed heb dan anderen
in België. – Ik heb het gevoel dat ik gediscrimineerd word. – Als ik mezelf met anderen in België
vergelijk, heb ik het gevoel dat ik oneerlijk behandeld word. De vragen betreffende gepercipieerde
49
groepsdiscriminatie luiden: - Ik denk dat de groep waar ik bij hoor het minder goed heeft dan andere
groepen in België. – Het maakt me boos als ik denk aan hoe de groep waar ik bij hoor behandeld wordt
in vergelijking met andere groepen in België. – Volgens mij wordt de groep waartoe ik behoor
gediscrimineerd. – Als ik de groep waartoe ik behoor vergelijk met andere groepen in België, dan heb
ik het idee dat wij oneerlijk behandeld worden.
8.2.2.3Polariserende factoren
Religieus autoritarisme: Bij dit concept wordt er aan de respondenten gevraagd wat voor mening zij
hebben over een reeks van uitspraken die over verschillende visies over de samenleving gaan. Hierbij
kunnen zij antwoorden op een vijfpuntenschaal van ‘helemaal oneens’ tot ‘helemaal eens’, hoge
waarden wijzen op een hoge mate van religieus autoritarisme (α = .87). De volgende uitspraken worden
voorgelegd: - Mensen zouden minder aandacht moeten hebben voor religie en in plaats daarvan meer
hun eigen morele standaarden moeten ontwikkelen. – God heeft voor de mensheid een foutloze en
complete weg naar geluk en verlossing gegeven. – Deze weg moet zonder uitzondering gevolgd worden.
– Geen enkel religieus boek bevat de volledige waarheid over het leven. – Een figuur zoals ‘Satan’
bestaat niet. – Het is belangrijker een goede persoon te zijn dan te geloven in God en religie. – Er
bestaan religieuze wetten die wij rechtstreeks van God ontvangen hebben. Geen enkele waarheid is
absoluter dan deze wetten. – In feite zijn er slechts twee soorten mensen: rechtschapen mensen die door
God beloond zullen worden en de anderen die dit niet zullen worden. – De verhalen in de heilige boeken
(Bijbel, Koran…)moeten niet van het begin tot het einde letterlijk genomen worden ook al bevatten ze
algemene waarheden. – Om het beste en meest zinvolle leven te leiden moet met zicht aansluiten bij de
authentieke religie, deze die de waarheid bevat.
Gepercipieerde legitimiteit van de politie wordt gemeten aan de hand van een sommatie van twee
subschalen die hoog met elkaar correleren (r = .80, p<.001). De eerste subschaal heeft betrekking op
gehoorzaamheid ten aanzien van de politie (α = .77) en de tweede subschaal betreft de morele
overeenstemming met de beslissing en acties van de politie (α = .77). Aan de respondenten werd
gevraagd in welke mate zij het eens zijn over bepaalde uitspraken. Hierbij konden zij antwoorden op
een vijfpuntenschaal van ‘helemaal oneens’ tot ‘helemaal mee eens’, hoge scores wijzen op een hoge
mate van legitimiteit. De uitspraken die betrekking hebben op gehoorzaamheid luiden als volgt: Bevelen van de politie moeten altijd opgevolgd worden, zelfs als we het er niet mee eens zijn. – Het is
altijd onaanvaardbaar om de politie niet te gehoorzamen. – Ik aanvaard de beslissingen die de politie
neemt, zelfs al ga ik niet akkoord met de genomen beslissingen. – Wanneer de politie iets van mij vraagt,
dien ik dit te doen, ook al word ik respectloos behandeld. De vragen met betrekking tot morele
overeenstemming luiden: - De politie hecht belang aan waarden die ik zelf belangrijk vind. – Als de
politie iemand niet arresteert, zal zij daar een legitieme reden voor hebben. – Ik sta achter de manier
waarop de politie handelt. – Ik heb respect voor de politie.
50
Politieke machteloosheid wordt gemeten aan de hand van een schaal die de gepercipieerde politieke
machteloosheid meet (afkomstig uit de studie van Srole (1956) over persoonlijke vervreemding). Aan
de respondenten wordt gevraagd welke uitspraak het beste bij zichzelf past. Hierbij kunnen zij
antwoorden op een vijfpuntenschaal van ‘helemaal niet akkoord’ tot ‘helemaal akkoord’ waarbij hoge
waarden op een hoge mate van gepercipieerde politieke machteloosheid (α = .85) wijst. De volgende
uitspraken worden voorgelegd: - Gaan stemmen heeft geen zin, de partijen doen tocht wat ze willen. –
Bij de verkiezingen belooft de ene partij al meer dan de andere, maar uiteindelijk komt er weinig van
terecht. – De politieke partijen zijn alleen maar geïnteresseerd in mijn stem, niet in mijn mening. – Er
stemmen zoveel mensen bij de verkiezingen dat mijn stem er niet toe doet. – De politici hebben nooit
geleerd te luisteren naar mensen zoals ik.
8.2.2.4 Morele opvatting
Morele steun voor gewelddadig extremisme wordt gemeten aan de hand van een sommatie van 3
subschalen. De eerste subschaal heeft betrekking op rechst-extremisme, de tweede subschaal op
religieus extremisme en de derde op links-extremisme. Aan de respondenten wordt gevraagd hoe zij
denken over mensen die een extreme politieke of religieuze mening er op na houden. Hierbij kunnen de
respondenten antwoorden op een vijfpuntenschaal van ‘helemaal oneens’ tot ‘helemaal mee eens’, hoge
waarden wijzen op een positievere attitude ten op zichtte van gewelddadig extremisme (α = .92). De
vragen met betrekking tot rechts-extremisme luiden als volgt: - Ik begrijp dat sommige rechtsextremisten geweld gebruiken tegen de mensen die macht hebben in België. – Ik kan rechts-extremisten
die de orde verstoren wel begrijpen. – Ik kan rechts-extremisten die geweld gebruiken tegen anderen
wel begrijpen. De vragen met betrekking tot religieus extremisme luiden: - Ik begrijp dat sommige
religieus fundamentalisten geweld gebruiken tegen de mensen die de macht hebben in België. – Ik kan
religieuze fundamentalisten die de orde verstoren wel begrijpen. – Ik kan religieuze fundamentalisten
die geweld gebruiken tegen anderen wel begrijpen. De vragen met betrekking tot links-extremisme
luiden: Ik begrijp dat sommige andersglobalisten geweld gebruiken tegen de mensen die de macht
hebben in België. – Ik kan andersglobalisten die de orde verstoren wel begrijpen. – Ik kan
andersglobalisten die geweld gebruiken tegen anderen wel begrijpen.
51
9. BEVINDINGEN
Om de centrale probleemstelling in deze masterproef “Op zoek naar religieuze en sociaalpsychologische determinanten van religieus extremisme” te behandelen, is het van belang om een
antwoord te bieden op de drie gestelde onderzoeksvragen. Om dit verder te specificeren zijn er per
onderzoeksvraag een aantal hypotheses opgesteld welke in de volgende koppen per onderzoeksvraag
aan bod komen. De onderzoeksvragen worden getoetst door middel van meervoudige regressieanalyses.
Meervoudige regressieanalyses laten toe om de afhankelijke variabele te voorspellen op basis van een
model ingevoegde wijze van voorspellende onafhankelijke variabelen. Dit laat toe om de directe-of
indirecte effecten van de theoretische concepten in opeenvolgende stappen te evalueren (Warner, 2012).
De voorspellende onafhankelijke variabelen zijn voor de analyses gestandaardiseerd om de interpretatie
van de effectparameters eenduidiger te maken.
Voor de eerste onderzoeksvraag wordt er gebruikt gemaakt van een negatief binomiale regressieanalyse.
Er is gekozen voor deze methode omdat de afhankelijke variabele een count (tel) variabele is. De
onafhankelijke variabelen worden aan de hand van de IRR (incidence rate ratio) geanalyseerd, dit is de
mate waarin de kans op de afhankelijke variabele gemultipliceerd wordt wanneer de onafhankelijke
variabele met 1 stijgt. Tevens wordt er ter evaluatie van de statistische modellen de AIC en BIC waarden
weergegeven, hoe lager de waarden hoe beter de model fit. Bij de tweede en derde onderzoeksvraag
wordt er gebruik gemaakt van het lineaire regressiemodel dat deel uit maakt van generalized linear
models (GLM). De onafhankelijke variabelen worden aan de hand van de ongestandaardiseerde
richtingscoëfficiënt B geanalyseerd, dit is de toename in de afhankelijke variabele wanneer de
voorspellende onafhankelijke variabele met 1 stijgt. De evaluatie van de statistische modellen voor
onderzoeksvraag twee en drie gebeurt aan de hand van de determinatie-coëfficiënt adjusted R square.
Voorafgaand aan de regressieanalyses zijn de onafhankelijke variabelen getoetst op multicollineariteit.
Hierbij wordt er gemeten in welke mate de onafhankelijke variabelen met elkaar samenhangen. Wanneer
de correlatie tussen twee onafhankelijke variabelen hoger is dan 0,8 mag er geen regressieanalyse
worden uitgevoerd (Tacq, 1991). Uit de controle op multicollineariteit wordt er besloten dat er geen
problemen zijn (zie bijlage 12.3). In dit onderzoek zijn er in totaal 4224 respondenten opgenomen. In
de volgende koppen worden de drie onderzoeksvragen en bijbehorende hypotheses voorgesteld en zullen
resultaten van de toetsingen met bijbehorende tabellen per onderzoeksvraag besproken worden.
9.1 Onderzoeksvraag 1
De eerste onderzoeksvraag die dient beantwoord te worden betreft ‘Wat zijn de religieuze en sociaalpsychologische determinanten van politiek/religieus geweld op personen?’ Om deze vraag verder te
specificeren zijn er vier hypotheses opgesteld en luiden als volgt:
52

H1: Religie (islam, christendom, belangrijkheid van religie) heeft een positief effect op
politiek/religieus geweld op personen.

H2:Gepercipieerde onrechtvaardigheid (gepercipieerde discriminatie) heeft een
positief effect op politiek/religieus geweld op personen.

H3: Van de Polariserende factoren hebben religieus autoritarisme en politieke
machteloosheid een positief effect op politiek/religieus geweld op personen en
gepercipieerde legitimiteit van de politie een negatief effect..

H4: Morele steun
voor politiek/religieus geweld heeft een positief effect op
politiek/religieus geweld op personen.
Deze hypotheses zijn getoetst via de negatief binomiale regressie analyse met als afhankelijke variabele
‘politiek/religieus geweld op personen’. Er zijn in totaal 11 verschillende onafhankelijke variabelen
toegevoegd in vijf modellen. Het eerste model betreft de demografische achtergrondvariabelen
(geslacht, leeftijd en niet-Belgische achtergrond) welke dienen als attributen om de daarop volgende
variabelen statistisch te controleren. In het tweede model worden de religieuze factoren (islam,
christendom en belangrijkheid van religie) toegevoegd. In het derde model volgt de gepercipieerde
onrechtvaardigheid (gepercipieerde discriminatie) en in het vierde model worden de polariserende
factoren toegevoegd (religieus autoritarisme, gepercipieerde legitimiteit van de politie en politieke
machteloosheid). Als laatste wordt er in het vijfde model de morele opvatting (morele steun voor
gewelddadig extremisme) getoetst op politiek/religieus geweld op personen. In tabel 2 worden de
resultaten weergegeven en zullen worden geanalyseerd aan de hand van de IRR (incidence rate ratio).
53
Tabel 2: Negatief binomiale regressieanalyse met als afhankelijke variabel ‘politiek/religieus geweld op personen’.
Onafhankelijke variabele
Model 1
Model 2
Model 3
Model 4
Model 5
B
B
B
B
B
IRR
Demografische achtergrond variabelen
Geslacht (jongen)
1.70 5.48
Leeftijd (2) <18 jaar oud
.63 1.88
Leeftijd (1) >22 jaar oud
-.11
.90
Niet-Belgische achtergrond
.87 2.38
Religie
Islam
Christendom
Belangrijkheid van religie
Gepercipieerde onrechtvaardigheid
Gepercipieerde discriminatie
Polariserende factoren
Religieus autoritarisme
Gepercipieerde legitimiteit
van de politie
Politieke machteloosheid
Morele opvatting
Morele steun voor
gewelddadig extremisme
4224
N:
Model fit:
4846.11
AIC:
4877.86
BIC:
IRR
IRR
IRR
IRR
1.71
.49
-.14
.46
5.50
1.63
.87
1.59
1.53
.41
-.16
.34
4.60
1.50
.86
1.41
1.49
.35
-.07
.33
4.44
1.42
.94
1.39
1.43
.30
-.11
.38
4.16
1.35
.90
1.46
.53
-.30
.25
1.70
.74
1.28
.34
-.24
.19
1.40
.79
1.21
.03
-.16
-.05
1.03
.85
.96
.28
-.08
-.08
1.33
.93
.92
.57
1.77
.38
1.46
.35
1.42
.46
-.35
1.58
.71
.31
-.31
1.37
.73
.23
1.25
.17
1.18
.31
1.36
4224
4224
4224
4224
4728.46
4779.25
4438.67
4495.81
4143.66
4219.84
4064.96
4147.49
Cijfers vetgedrukt : p < 0.05 of beter
Uit de resultaten komt naar voren dat de eerste hypothese betreffende de religieuze factoren niet
ondersteund wordt door dit onderzoek. In eerste instantie hebben de religieuze factoren in model 2 een
significant effect op politiek/religieus geweld. Het geloven in de islam vergroot hierbij de kans (IRR:
1.70) en het geloven in het christendom verlaagd de kans (IRR: .74) op politiek/religieus geweld op
personen. De mate van het belangrijk vinden van religie geeft slechts een matig verhoogde kan op het
plegen van politiek/religieus geweld op personen. Opvallend is dat wanneer de polariserende factoren
in model 3 worden toegevoegd, de effecten van de religieuze factoren volledig verdwijnen en niet meer
significant zijn. Dit toont aan dat de religieuze factoren op zichzelf niet voldoende zijn voor het plegen
van politiek/religieus geweld op personen, maar gemedieerd worden door middel van de polariserende
factoren. De tweede hypothese betreffende het effect van gepercipieerde discriminatie op
politiek/religieus geweld op personen kan bevestigd worden. Uit de resultaten komt inderdaad naar
voren dat het percipiëren van discriminatie (IRR: 1.42) de kans verhoogd op het plegen van
politiek/religieus geweld op personen. Ook deze factor heeft een licht mediërend effect onder controle
van de polariserende factoren en de morele opvatting. De derde hypothese betreffende de effecten van
de polariserende factoren op politiek/religieus geweld op personen kan ook bevestigd worden.
Respondenten die zich religieus autoritair voelen (IRR: 1.37) en respondenten die zich politiek
machteloos voelen (IRR: 1.18) hebben een verhoogde kans op het plegen van politiek/religieus geweld
54
op personen. De politie als legitiem beschouwen (IRR: .73) verlaagd de kans op het plegen van
politiek/religieus geweld op personen. Deze effecten worden slechts licht gemedieerd door de morele
opvatting. De laatste hypothese van deze onderzoeksvraag betreffende het effect van de morele
opvatting op politiek/religieus geweld op personen kan ook bevestigd worden. Het moreel steunen van
gewelddadig extremisme (IRR: 1.36) verhoogd de kans op het plegen van politiek/religieus geweld op
personen.
9.2 Onderzoeksvraag 2
De tweede onderzoeksvraag die dient beantwoord te worden betreft ‘Wat zijn de religieuze en sociaalpsychologische determinanten van morele steun voor gewelddadig extremisme?’ Om deze vraag verder
te specificeren zijn er drie hypotheses opgesteld en luiden als volgt:

H1: Religie (islam, christendom, belangrijkheid van religie) heeft een positief effect op
de morele steun voor gewelddadig extremisme.

H2: Gepercipieerde onrechtvaardigheid (gepercipieerde discriminatie) heeft een
positief effect op de morele steun voor gewelddadig extremisme.

H3: Van de Polariserende factoren hebben religieus autoritarisme en politieke
machteloosheid een positief effect op de morele steun voor gewelddadig extremisme en
gepercipieerde legitimiteit van de politie een negatief effect.
Deze hypotheses zijn getoetst via de lineaire regressie analyse met als afhankelijke variabele ‘morele
steun voor gewelddadig extremisme’. Er zijn in totaal tien verschillende onafhankelijke variabelen
toegevoegd in vier modellen. Het eerste model betreft de demografische achtergrondvariabelen
(geslacht, leeftijd en niet-Belgische achtergrond) welke dienen als attributen om de daarop volgende
variabelen statistisch te controleren. In het tweede model worden de religieuze factoren (islam,
christendom en belangrijkheid van religie) toegevoegd. In het derde model volgt de gepercipieerde
onrechtvaardigheid (gepercipieerde discriminatie) en in het vierde model worden de polariserende
factoren (religieus autoritarisme, gepercipieerde legitimiteit van de politie en politieke machteloosheid)
getoetst op de morele steun voor gewelddadig extremisme. In tabel 3 worden de resultaten weergegeven
en zullen worden geanalyseerd aan de hand van ongestandaardiseerde richtingscoëfficiënt B.
55
Tabel 3: Lineaire regressieanalyse met als afhankelijke variabele ‘Morele steun voor gewelddadig extremisme’.
Onafhankelijke variabele
Model 1
Model 2
Model 3
Model 4
B
B
B
B
Demografische achtergrond variabelen
Geslacht (jongen)
.14
Leeftijd (1) < 18 jaar oud
.32
Leeftijd (2) >22 jaar oud
-.13
Niet-Belgische achtergrond
.09
Religie
Islam
Christendom
Belangrijkheid van religie
Gepercipieerde onrechtvaardigheid
Gepercipieerde discriminatie
Polariserende factoren
Religieus autoritarisme
Gepercipieerde legitimiteit
van de politie
Politieke machteloosheid
Model fit
AIC
11779.12
BIC
11817.21
Adjusted R square
.02
R square change
.16
.29
-.12
.00
.11
.27
-.11
-.04
.15
.16
-.04
-.08
.19
.07
.11
.07
.09
.10
-.47
.00
-.03
.20
.11
.40
-.05
.10
11702.53
11759.67
.04
.02
11535.01
11598.50
.08
.04
10980.98
11063.43
.20
.12
Nummers vetgedrukt : p < 0.05 of beter
Uit de resultaten komt naar voren dat de eerste hypothese betreffende het effect van religieuze factoren
op de morele steun voor gewelddadig extremisme niet bevestigd wordt. In eerste instantie hebben de
religieuze factoren in model 1 slechts een matig positief effect (islam B: .19, christendom B: .07 en
belangrijkheid van religie B: .11) op de morele steun voor gewelddadig extremisme. Onder controle van
de gepercipieerde onrechtvaardigheid en de polariserende factoren vallen de effecten van het aanhangen
van het christendom en de mate van het belangrijk vinden van religie weg. Het geloven in de islam (B:
-.47) krijgt echter onder controle van de polariserende factoren een negatief effect op politiek/religieus
geweld, wat betekent dat het geloven in de islam binnen deze context de morele steun voor gewelddadig
extremisme zou verminderen. De tweede hypothese betreffende het effect van de gepercipieerde
onrechtvaardigheid op het moreel steunen van gewelddadig extremisme kan deels bevestigd worden.
Het percipiëren van discriminatie (B: .11) heeft namelijk slechts een zwak positief effect dat als
verwaarloosbaar beschouwd kan worden, het effect werd tevens gemedieerd door de daarop volgende
polariserende factoren. De laatste hypothese betreffende het effect van de polariserende factoren op het
moreel steunen van gewelddadig extremisme kan ook slechts gedeeltelijk bevestigd worden. Opvallend
is dat religieus autoritarisme (B: .40) een relatief sterk positief effect heeft. Het gevoel van politiek
machteloos te zijn (B: .10) en de politie als legitiem te beschouwen (B: -.05) hebben slechts
verwaarloosbare effecten op het moreel steunen van gewelddadig extremisme. Het gehele model
verklaard twintig procent van de totale variantie.
56
9.3 Onderzoeksvraag 3
De derde onderzoeksvraag die dient beantwoord te worden betreft ‘Wat zijn de religieuze en sociaalpsychologische determinanten van religieus autoritarisme?’ Om deze vraag verder te specificeren zijn
er twee hypotheses opgesteld en luiden als volgt:

H1: Religie heeft een positief effect op religieus autoritarisme.

H2:Gepercipieerde onrechtvaardigheid (gepercipieerde discriminatie) heeft een
positief effect op religieus autoritarisme.
Deze hypotheses zijn getoetst via de lineaire regressie analyse met als afhankelijke variabele ‘religieus
autoritarisme’. Er zijn in totaal zeven verschillende onafhankelijke variabelen toegevoegd in drie
modellen. Het eerste model betreft de demografische achtergrondvariabelen (geslacht, leeftijd en nietBelgische achtergrond) welke dienen als attributen om de daarop volgende variabelen statistisch te
controleren. In het tweede model worden de religieuze factoren (islam, christendom en belangrijkheid
van religie) toegevoegd en in het derde model wordt de gepercipieerde onrechtvaardigheid
(gepercipieerde discriminatie) getoetst op religieus autoritarisme. In tabel 4 worden de resultaten
weergegeven en zullen worden geanalyseerd aan de hand van ongestandaardiseerde richtingscoëfficiënt
B.
Tabel 4: Lineaire regressieanalyse met als afhankelijke variabele ‘religieus autoritarisme’.
Onafhankelijke variabele
Model 1
Model 2
Model 3
B
B
B
Demografische achtergrond variabelen
Geslacht (jongen)
-.10
Leeftijd (1) < 18 jaar oud
.40
Leeftijd (2) >22 jaar oud
-.19
Niet-Belgische achtergrond
.55
Religie
Islam
Christendom
Belangrijkheid van religie
Gepercipieerde onrechtvaardigheid
Gepercipieerde discriminatie
Model fit
AIC
11768.82
BIC
11807.05
Adjusted R square
.09
R square change
-.05
.24
-.16
.14
-.09
.23
-.16
.11
1.29
.24
.35
1.20
.26
.34
.15
10175.92
10233.26
.37
.29
10026.17
10089.88
.39
.02
Nummers vetgedrukt : p < 0.05 of beter
Uit de resultaten komt naar voren dat de eerste hypothese betreffende het effect van de religieuze
factoren op het religieus autoritair voelen bevestigd wordt. Opvallend is dat het geloven in de islam (B:
1.20) een sterk positief effect heeft. Het christendom (B: .26) en de mate van het belangrijk vinden van
religie (.34) hebben een zwakker significant positief effect op religieus autoritarisme. Tevens stijgt de
totaal verklaarde variantie met 29 procentpunten door de introductie van de religieuze factoren
57
(Adjusted R square: .37). De tweede hypothese betreffende het effect van gepercipieerde
onrechtvaardigheid op het religieus autoritair voelen wordt ook bevestigd. Het percipiëren van
discriminatie (B:.15) heeft een significant maar eerder zwak positief effect op religieus autoritarisme.
Het gehele model verklaard 39 procent van de totale variantie.
Deelbesluit
De hiervoor besproken resultaten zullen in het hierop volgende onderdeel ‘conclusie en discussie’
teruggekoppeld worden aan het theoretische luik waarbij er een aantal bedenkingen geplaatst worden.
58
10. CONCLUSIE EN DISCUSSIE
In deze masterproef is er op basis van een meervoudige regressieanalyse onderzoek gedaan naar de rol
van religieuze en sociaal-psychologische determinanten in gewelddadig extremisme. Hierbij is er
gebruik gemaakt van de dataset die afkomstig is uit het RADIMED-project (Pauwels et al., 2014). Naar
voorbeeld van de onderzoeken van Doosje et al (2013) en van Van der Pligt & Koomen (2009) is er een
sociaal-psychologisch model opgesteld ter verklaring van gewelddadig extremisme. Aangezien de
morele opvatting van een individu een belangrijke indicatie geeft van de mate waarin individuen
gewelddadig extremisme steunen, wordt er ook onderzocht welke religieuze en sociaal-psychologische
determinanten een rol spelen in de morele opvatting. Tevens is er uit de toetsingen naar voren gekomen
dat religieus autoritarisme een belangrijke rol speelt in gewelddadig extremisme en ook andere factoren
medieert, om deze reden is er een meervoudige regressieanalyse uitgevoerd op religieus autoritarisme.
Uit de resultaten komt naar voren dat religieuze affiliatie zelf niet voldoende is voor het verklaren van
gewelddadig extremisme. De religieuze affiliatie wordt gemedieerd door middel van polariserende
factoren. Van deze polariserende factoren heeft vooral religieus autoritarisme een belangrijk effect op
het plegen van gewelddadig extremisme. Interessant is dat uit de toetsingen op religieus autoritarisme
naar voren komt dat religieuze affiliatie wel degelijk een rol speelt. Hierbij is het opvallend dat het
geloven in de islam een sterk positief effect heeft op religieus autoritarisme. Het geloven in het
christendom en de belangrijkheid van religie verhogen in veel mindere mate de kans op religieus
autoritarisme. Een andere belangrijke factor die een rol speelt in het plegen van gewelddadig extremisme
is het percipiëren van discriminatie. Het percipiëren van discriminatie verhoogd de kans aanzienlijk op
het plegen van gewelddadig extremisme. Politieke machteloosheid speelt een kleinere maar doch een
significante rol waardoor de kans op het plegen van extremisme tevens verhoogd wordt. Wanneer
individuen de politie als legitiem beschouwen verkleind dit de kans op het plegen van religieus
extremisme. Ook komt er uit de resultaten naar voren dat de morele opvatting waarbij er morele steun
bestaat voor gewelddadig extremisme de kans aanzienlijk verhoogd op het plegen van gewelddadig
extremisme. Echter moet er hierbij wel in acht worden genomen dat de morele opvatting zelf niet als
oorzaak kan worden beschouwd van het plegen van gewelddadig extremisme maar wel een indicatie
geeft van de mate waarin individuen gewelddadig extremisme steunen en waardoor dus de kans op het
plegen van politiek/religieus geweld stijgt. Wanneer er gekeken wordt naar welke religieuze en sociaalpsychologische factoren van invloed zijn op deze morele opvatting speelt wederom het religieus
autoritarisme een belangrijke rol, waarbij dus de mate waarin een persoon zijn/haar eigen groep als
superieur beschouwd de kans verhoogd op het moreel steunen van gewelddadig extremisme. Wanneer
er gekeken wordt naar de invloed van religieuze affiliatie kan er gesteld worden dat het geloven in de
islam zorgt voor minder morele steun voor gewelddadig extremisme. Het geloven in het christendom en
de mate waarin gelovigen religie belangrijk achten hebben geen invloed op de morele steun voor
gewelddadig extremisme.
59
Op basis van deze resultaten kan er gesteld worden dat de belangrijkste factoren in het plegen van
gewelddadig extremisme vooral bepaald worden door gepercipieerde onrechtvaardigheid en de
polariserende factoren en niet zozeer door religieuze factoren. Vooral de polariserende factor ‘religieus
autoritarisme’ speelt een belangrijke rol. Wanneer dit teruggekoppeld wordt naar het theoretische luik
kunnen de volgende assumpties ter preventie van gewelddadig extremisme gemaakt worden. Met
betrekking tot de gepercipieerde onrechtvaardigheid is het van belang dat er door het beleid ingewerkt
wordt op daadwerkelijke of vermeende achterstelling. Dit kan betrekking hebben op bijvoorbeeld een
gemis aan waardering door anderen, financiële problemen, een minder aantrekkelijke woonbuurt,
minder baankansen of een onzekere toekomst. Deze achterstelling gaat vaak gepaard met gepercipieerde
discriminatie waardoor zij zich ongelijk behandeld voelen in tegenstelling tot anderen (Van der Pligt &
Koomen, 2009). Wanneer deze personen zich als groep zijnde gediscrimineerd voelen kan dit aanzetten
tot sociaal protest en vijandigheid. Tevens blijkt uit onderzoek dat gepercipieerde groepsdiscriminatie
tot meer hechting en positievere gedachtes leidt over de eigen groep waarbij er hogere percepties van
religieus autoritarisme bestaat (Van Bergen et al., 2015). Aangezien religieus autoritarisme een grote rol
speelt in het plegen van gewelddadig extremisme, is het van belang dat deze gevoelens van superioriteit
niet verder gevoed worden door onder andere gepercipieerde onrechtvaardigheid. Het is dan ook van
belang dat wanneer er bepaalde preventiestrategieën worden opgesteld om gewelddadig extremisme te
voorkomen dat bijvoorbeeld afkomstig is uit bepaalde wijken (bv. Sint-Jans-Molenbeek), er eerst
verkennend onderzoek moet worden gedaan naar de desbetreffende achterstellingen die de inwoners van
deze wijk ervaren. Vervolgens kunnen er preventiestrategieën opgesteld worden die inwerken op deze
achterstellingen waardoor de perceptie van discriminatie zoveel mogelijk verkleind wordt. Wanneer er
gekeken wordt naar de polariserende factor ‘religieus autoritarisme’ is het van belang dat het beleid zich
richt op adolescenten die zich in een psychosociaal stadium bevinden van een zoektocht naar hun
identiteit. Vooral niet-westerse allochtonen schijnen veel onzekerheid te ervaren over hun identiteit
omdat zij te maken krijgen met een nieuwe cultuur (Van der Pligt & Koomen, 2009). Het is dan ook van
belang dat zij begeleid worden in deze zoektocht en niet verzeild raken in religieus extremistische
groepen die een antwoord trachten te bieden op deze onzekerheid en zichzelf als superieur beschouwen.
Een remedie tegen religieus autoritarisme zou kunnen zijn door groepen met elkaar in contact te laten
komen op een vriendschappelijke manier. In onderzoeken betreffende intergroepscontacten komt naar
voren dat vooroordelen ten aanzien van de outgroup versterkt worden door middel van
intergroepscontacten. Daarom kunnen positieve contacten met outgroupleden als beschermende factor
dienen waardoor geweld tegen deze outgroupleden minder wordt gesteund (Van Bergen et al., 2015).
Uit de studie van Van Bergen et al (2016) kwam dan ook naar voren dat Turks-Nederlandse moslims
die meer verbonden waren met de Nederlandse samenleving hun eigen moslimgroep als minder
superieur beschouwden (Van Bergen et al, 2015). Tevens hangt deze verbondenheid met de samenleving
samen met gevoelens van politieke machteloosheid. Het is van belang dat individuen in de samenleving
60
betrokken blijven en niet door bepaalde persoonlijke of sociale omstandigheden onthecht raken.
Onthechting aan de samenleving kan gevoelens van politieke machteloosheid in de hand werken
waardoor zij een negatieve attitude kunnen ontwikkelen ten aanzien van de staat en de kans op
gewelddadig extremisme toeneemt. Een laatste polariserende factor dat in dit onderzoek een rol speelt
betreft de gepercipieerde legitimiteit van de politie. Het is van belang dat een individu zich rechtvaardig
behandeld voelt door autoriteiten zodat eventuele steun voor gewelddadig extremisme niet in de hand
wordt gewerkt.
Discussie
Gewelddadig extremisme is een zeer actueel probleem binnen onze huidige samenleving en hier dient
dan ook adequaat mee om te worden gegaan. Meer wetenschappelijk onderzoek naar factoren die van
invloed zijn op dit proces is dan ook zeer belangrijk. Onderzoek vanuit een sociaal-psychologisch
perspectief is een onderzoekstraditie in wording waardoor er nog weinig bestaand empirisch onderzoek
beschikbaar is. Voor de verificatie van de resultaten uit dit onderzoek en het voorgaande onderzoek van
Doosje et al (2013) is verder empirisch onderzoek vanuit dit perspectief een pre. Door meer inzicht te
verwerven in gedragswetenschappelijke en sociaal-psychologische inzichten kan er beter begrepen
worden hoe Belgische jongeren zich gedragen en hoe zij betrokken kunnen raken bij gewelddadig
extremisme. Door deze inzichten kunnen de preventiestrategieën van het beleid beter onderbouwd
worden (Van den Bos et al., 2009). In dit sociaal-psychologisch onderzoek is er enkel gericht op
christenen en moslims, omwille van de kleine aantallen binnen de steekproef zijn andere religies niet
opgenomen. Het zou dan ook interessant zijn voor de toekomst om ook andere geloven zoals het
jodendom, het hindoeïsme en boeddhisme op grotere schaal te onderzoeken. Tevens moet er vermeld
worden dat de cross-sectionele survey enkel is afgenomen in Luik en Antwerpen, de resultaten kunnen
dan ook niet veralgemeniseerd worden over de gehele Belgische bevolking. Ook wordt er in de survey
aan respondenten gevraagd om zichzelf te incrimineren wat tot gevolg kan hebben dat respondenten
sociaal wenselijke antwoorden kunnen gaan geven, toegeeflijk (agreeing bias) of voortdurend neutraal
beantwoorden (midpoint responding) waardoor veel bruikbare informatie verloren kan gaan. Het
bedreigende karakter van bepaalde vragen kan leiden tot overraportage van ‘triviale’ feiten en
onderrapportage van ernstige feiten. Het is dan ook van belang dat de resultaten met voorzichtigheid
worden geïnterpreteerd. Tevens moet er opgemerkt worden dat het onderzoek een cross-sectionele
survey betreft waarbij respondenten dus op één moment in de tijd worden bevraagd. Causale relaties
tussen variabelen kunnen aan de hand van een dergelijk design niet aangetoond worden, wel kunnen er
verbanden worden gelegd. Voor toekomstig onderzoek zou het ook interessant zijn om afzonderlijke
categorieën respondenten te onderzoeken. Dit kan bijvoorbeeld betrekking hebben op de vergelijking
tussen verschillende leeftijdsgroepen waarbij er verder getoetst kan worden of adolescenten
daadwerkelijk het meest vatbaar zijn voor het lid worden van religieus extremistische groepen. Als
afsluiting valt er te vermelden dat factoren die een rol spelen in gewelddadig extremisme complex en
61
veelvoudig zijn. Religieuze affiliatie en het handelen van individuen zijn soms aan elkaar gerelateerd,
maar zeker niet altijd. Mensen bewandelen verschillende paden en mechanismen ontwikkelen zich op
verschillende manieren voor verschillende mensen op verschillende tijdstippen in misschien wel
verschillende contexten (Borum, 2011). Een één op één relatie zal nooit vastgesteld kunnen worden, wel
kunnen er gemeenschappelijke factoren in beeld worden gebracht die het fenomeen ‘gewelddadig
extremisme’ beter helpen te verklaren.
62
11. BIBLIOGRAFIE
Abts, K., Dobbelaere, K., & Voyé, L. (2011). Nieuwe tijden nieuwe mensen. Belgen over arbeid, gezin,
ethiek, religie en politiek. Tielt: Lannoo.
Borum, R. (2011). Radicalization into violent extremism I: A review of social science theories. Journal
of Strategic Security, 4(4), 7.
Christendom. (z.j.). Christendom. Retrieved from http://www.samenleven.info/
Clarke, S. (2014). The justification of religious violence (Vol. 49). Chichester: Wiley-Blackwell.
De Goede, A. (2015). Wat is er mis in Molenbeek, broedplaats voor terroristen?
Retrieved from
http://www.rtlnieuws.nl/nieuws/buitenland/wat-er-mis-molenbeek-broedplaats-voorterroristen
Doosje, B., Loseman, A., & Bos, K. (2013). Determinants of radicalization of Islamic youth in the
Netherlands: Personal uncertainty, perceived injustice, and perceived group threat. Journal of
Social Issues, 69(3), 586-604.
Douwes, D., Koning de, M., & Boender, W. (2005). Nederlandse moslims. Van migrant tot burger.
Amsterdam: Amsterdam University Press.
Drs. Hoekstra, E. G. (2003). Christendom. Kampen: Uitgeverij Kok.
Gitlin, M. (2009). The Ku Klux Klan. A Guide to an American Subculture. Santa Barbara: ABC-CLIO.
Gonzalez, N. (2013). The Sunni-Shia Conflict: Understanding Sectarian Violence in the Middle East.
Mission Viejo, California: Nortia Press.
Gordon, M. S. (2010). Islam. New York: The Rosen Publishing Group.
Haslam, S. A., & Turner, J. C. (1995). Context‐dependent variation in social stereotyping 3: Extremism
as a self‐categorical basis for polarized judgement. European Journal of Social Psychology,
25(3), 341-371.
Hellemans, S. (2007). Het tijdperk van de wereldreligies. Zoetermeer: Uitgeverij Meinema.
Hirschi, T. (2002). Causes of delinquency. New Brunswick: Transaction publishers.
Hirschi, T., & Stark, R. (1969). Hellfire and delinquency. Social Problems, 17(2), 202-213.
Hornsey, M. J. (2008). Social identity theory and self‐categorization theory: A historical review. Social
and Personality Psychology Compass, 2(1), 204-222.
Kessler, T., Harth, N. S., & Nägler, L. A. (2002). Prejudice and extremism: Explanations based on
ingroup projection, perspective di-vergence, and minimal standards. Social Psychology, 82,
359.
Koopmans, R. (2015). Religious fundamentalism and hostility against out-groups: A comparison of
Muslims and Christians in Western Europe. Journal of Ethnic and Migration Studies, 41(1), 3357.
Krug, E. G., Mercy, J. A., Dahlberg, L. L., & Zwi, A. B. (2002). The world report on violence and
health. The Lancet, 360(9339), 1083-1088.
Melissen, H., J. (2015). Tot alles IS in staat. De opmars van een terreurbeweging. Amsterdam: Carrera.
63
Moscovici, S., & Doise, W. (1994). Conflict and consensus: A general theory of collective decisions:
Sage.
Moscovici, S., Zavalloni, M., & Louis‐Guerin, C. (1972). Studies on polarization of judgments: I. Group
effects on person perception. European Journal of Social Psychology, 2(1), 87-91.
Murphy, K., & Cherney, A. (2010). Policing ethnic minority groups with procedural justice: an
empirical study. Geelong: Alfred Deakin Research Institute.
Murphy, K., & Cherney, A. (2013). Policing terrorism with procedural justice: The role of police
legitimacy and law legitimacy. Australian & New Zealand journal of criminology.
Neumann, P. R. (2010). Prisons and terrorism: Radicalisation and de-radicalisation in 15 countries.
London: ICSR, King's College London.
Pauwels, L., Brion, F., Schils, N., Laffineur, J., Verhage, A., De Ruyver, B., & Easton, M. (2014).
Explaining and understanding the role of exposure to new social media on violent extremism:
an integrative quantitative and qualitative approach.
Pettigrew, T. F., & Tropp, L. R. (2006). A meta-analytic test of intergroup contact theory. Journal of
personality and social psychology, 90(5), 751.
Pyysiäinen, I., & Hauser, M. (2010). The origins of religion: evolved adaptation or by-product? Trends
in cognitive sciences, 14(3), 104-109.
Schils, N., & Pauwels, L. J. (2016). Political Violence and the Mediating Role of Violent Extremist
Propensities. Journal of Strategic Security, 9(2), 72-93.
Slootman, M., & Tillie, J. (2006). Processen van radicalisering. Waarom sommige Amsterdamse
moslims radicaal worden. 136.
Srole, L. (1956). Social integration and certain corollaries: An exploratory study. American sociological
review, 709-716.
Stark, R., Bainbridge, W. S., & Hadden, J. K. (1996). A theory of religion. New Brunswick: Rutgers
University Press.
Tacq, J. J. (1991). Van probleem naar analyse: de keuze van een gepaste multivariate analysetechniek
bij een sociaal-wetenschappelijke probleemstelling: Academisch Boeken Centrum.
Teehan, J. (2010). In the Name of God: The Evolutionary Origins of Religious Ethics and Violence.
Chichester: Wiley-Blackwell.
Turner, J. C., & Reynolds, K. J. (2011). Self-categorization theory. Handbook of theories in social
psychology, 2, 399-417.
Van Bergen, D. D., Ersanilli, E. F., Pels, T. V., & De Ruyter, D. J. (2016). Turkish-Dutch youths’
attitude toward violence for defending the in-group: What role does perceived parenting play?
Peace and Conflict: Journal of Peace Psychology, 22(2), 120.
Van Bergen, D. D., Feddes, A. F., Doosje, B., & Pels, T. V. (2015). Collective identity factors and the
attitude toward violence in defense of ethnicity or religion among Muslim youth of Turkish and
Moroccan Descent. International Journal of Intercultural Relations, 47, 89-100.
64
Van Damme, A., Pauwels, L., & Svensson, R. (2013). Why do Swedes cooperate with the police? A
SEM analysis of Tyler’s procedural justice model. European Journal on Criminal Policy and
Research, 21(1), 15-33.
Van den Bos, K. V., Loseman, A., & Doosje, B. (2009). Waarom jongeren radicaliseren en sympathie
krijgen voor terrorisme. Universiteit Utrecht, Faculteit Sociale Wetenschappen
Van der Pligt, J., & Koomen, W. (2009). Achtergronden en determinanten van radicalisering en
terrorisme. K. van den Bos, A. Loseman & B. Doosje, Waarom jongeren radicaliseren en
sympathie krijgen voor terrorisme, 14.
Van Stokkom, B. (2011). Religie, criminaliteit en geweld: ambivalente bevindingen. Tijdschrift voor
Religie, Recht en Beleid, 2, 36.
Warfield Rawls, A. (2004). Epistemology and practice. Durkheim's The Elementary Forms of Religious
Life. Cambridge: Cambridge University Press.
Warner, R. M. (2012). Applied statistics: from bivariate through multivariate techniques: from bivariate
through multivariate techniques: Sage.
Winthagen, H. (2009). Wie is gewelddadig: God, religie of de mens? : Harry Winthagen.
Zelin, A., Y. (2014). The War between ISIS and al-Qaeda for Supremacy of the Global Jihadist
Movement. The Washington Institue for Near East Policy, 20, 11.
65
12. BIJLAGEN
Bijlage
Pagina
12.1 Schaalconstructen
67
12.2 Descriptives
72
12.3 Collineariteit
73
66
12.1 Schaalconstructen
Tabel 5: Operationalisering van de centrale concepten
Schaalconstruct
Gebruikte items
Gepercipieerde discriminatie
Gepercipieerde
5 puntenschaal (helemaal oneens - helemaal eens)
persoonlijke
discriminatie.
Het maakt me boos als ik denk aan hoe ik
behandeld word in vergelijking met anderen in
België.
Gepercipieerde
groepsdiscriminatie
Factor
lading
α = .89
.665
Ik denk dat ik het minder goed heb dan anderen in
België.
.814
Ik heb het gevoel dat ik gediscrimineerd word.
.863
Als ik mezelf met anderen in België vergelijk, heb
ik het gevoel dat ik oneerlijk behandeld word.
.929
α = .95
5 puntenschaal (helemaal oneens - helemaal eens)
Ik denk dat de groep waar ik bij hoor het minder
goed heeft dan andere groepen in België.
.871
Het maakt me boos als ik denk aan hoe de groep
waar ik bij hoor behandeld wordt in vergelijking
met andere groepen in België.
.876
Volgens mij wordt de groep waartoe ik behoor
gediscrimineerd.
.935
Als ik de groep waartoe ik behoor vergelijk met
andere groepen in België, dan heb ik het idee dat
wij oneerlijk behandeld worden.
.942
Religieus autoritarisme
Religieus autoritarisme 5 puntenschaal (helemaal oneens - helemaal eens)
Mensen zouden minder aandacht moeten hebben
voor religie en in plaats daarvan meer hun eigen
morele standaarden moeten ontwikkelen.
ALPHA
Waarde
α = .87
-.609
God heeft voor de mensheid een foutloze en
complete weg naar geluk en verlossing aangegeven.
Deze weg moet zonder uitzondering gevolgd
worden.
.652
Geen enkel religieus boek bevat de volledige
waarheid over het leven.
-.785
67
Schaalconstruct
Gebruikte items
Factor
lading
Een figuur zoals ‘Satan’ bestaat niet.
-.648
Het is belangrijker een goede persoon te zijn dan te
geloven in God en religie.
-.734
Er bestaan religieuze wetten die wij rechtstreeks
van God ontvangen hebben. Geen enkele waarheid
is absoluter dan deze wetten.
.730
In feite zijn er slechts twee soorten mensen:
rechtschapen mensen die door God beloond zullen
worden en de anderen die dit niet zullen worden.
.686
De verhalen in de heilige boeken (Bijbel, Koran…)
moeten niet van het begin tot einde letterlijk
genomen worden ook al bevatten ze algemene
waarheden.
-.490
Om het beste en meest zinvolle leven te leiden moet
men zich aansluiten bij de authentieke religie, deze
die de waarheid bevat.
.644
Gepercipieerde legitimiteit van de politie
Gehoorzaamheid aan
5 puntenschaal ( helemaal oneens – helemaal mee
de politie.
eens).
Bevelen van de politie moeten altijd opgevolgd
worden, zelfs als we het er niet mee eens zijn.
Morele
overeenstemming met
de beslissingen en
acties van de politie.
ALPHA
Waarde
α = .77
.77
Het is altijd onaanvaardbaar om de politie niet te
gehoorzamen.
.68
Ik aanvaard de beslissingen die de politie neemt,
zelfs al ga ik niet akkoord met de genomen
beslissingen.
.74
Wanneer de politie iets van mij vraagt, dien ik dit
te doen, ook al word ik respectloos behandeld.
.52
α = .77
5 puntenschaal (helemaal oneens- helemaal mee
eens).
De politie hecht belang aan waarden die ik zelf
belangrijk vind.
.64
Als de politie iemand niet arresteert, zal zij daar
een legitieme reden voor hebben.
.58
68
Schaalconstruct
Gebruikte items
Factor
lading
Ik sta achter de manier waarop de politie handelt.
.89
Ik heb respect voor de politie.
.59
Politieke machteloosheid
Gepercipieerde
5 punten schaal( helemaal niet akkoord - helemaal
politieke
akkoord).
machteloosheid.
Bij de verkiezingen belooft de ene partij al meer
dan de andere, maar uiteindelijk komt er weinig
van terecht.
Steun voor religieus
extremisme
.761
.796
Er stemmen zoveel mensen bij de verkiezingen dat
mijn stem er niet toe doet.
.622
De politici hebben nooit geleerd te luisteren naar
mensen zoals ik.
.739
α = .89
.879
Ik kan rechts-extremisten die de orde verstoren
wel begrijpen.
.824
Ik kan rechts-extremisten die geweld gebruiken
tegen anderen wel begrijpen.
.856
5 puntenschaal (helemaal oneens - helemaal mee
eens)
Ik kan religieuze fundamentalisten die de orde
verstoren wel begrijpen
Ik kan religieuze fundamentalisten die geweld
gebruiken tegen anderen wel begrijpen.
Steun voor linksextremisme
α = .85
De politieke partijen zijn alleen maar
geïnteresseerd in mijn stem, niet in mijn mening.
Morele steun voor gewelddadig extremisme
Steun voor rechts5 puntenschaal (helemaal oneens - helemaal mee
extremisme
eens)
Ik begrijp best dat sommige rechts-extremisten
geweld gebruiken tegen de mensen die de macht
hebben in België.
5 puntenschaal (helemaal oneens - helemaal mee
eens)
Ik begrijp best dat sommige andersglobalisten
geweld gebruiken tegen de mensen die de macht
hebben in België.
ALPHA
Waarde
α = .91
.829
.913
α = .83
.851
69
Schaalconstruct
Steun voor
gewelddadig
extremisme
Rechts
Religieus
Links
Gebruikte items
Factor
lading
Ik kan andersglobalisten die de orde verstoren wel
begrijpen.
.651
Ik kan andersglobalisten die geweld gebruiken
tegen anderen wel begrijpen.
.828
5 punten schaal (helemaal oneens - helemaal mee
eens)
Opsomming van de hiervoor genoemde vormen van
steun voor extremisme.
Ik begrijp best dat sommige rechts-extremisten
geweld gebruiken tegen de mensen die de macht
hebben in België.
ALPHA
Waarde
α = .92
.764
Ik kan rechts-extremisten die de orde verstoren
wel begrijpen.
.706
Ik kan rechts-extremisten die geweld gebruiken
tegen aderen wel begrijpen.
.815
Ik begrijp dat sommige religieuze
fundamentalisten geweld gebruiken tegen de
mensen die de macht hebben in België.
.849
Ik kan religieuze fundamentalisten die de orde
verstoren wel begrijpen.
.760
Ik kan religieuze fundamentalisten die geweld
gebruiken tegen anderen wel begrijpen.
.836
Ik begrijp best dat sommige andersglobalisten
geweld gebruiken tegen de mensen die de macht
hebben in België.
.790
Ik kan andersglobalisten die de orde verstoren wel
begrijpen.
.553
Ik kan andersglobalisten die geweld gebruiken
tegen anderen wel begrijpen.
.838
Politiek/religieus geweld tegen personen
Politiek geweld tegen
personen.
Hoe vaak heb je zelf al eens? (0, 1, 2 tot 3, of meer
dan 3 keer)
… met iemand gevochten omwille van je politieke
of religieuze overtuiging?
.87
.658
70
Schaalconstruct
Gebruikte items
… iemand bedreigd op het internet omwille van je
eigen overtuigingen?
Factor
lading
.680
…iemand bedreigd op straat omwille van je eigen
overtuigingen?
.837
… een vreemdeling geslagen?
.752
… een racist geslagen?
.626
… een kapitalist geslagen?
.521
ALPHA
Waarde
Alpha waarden vetgedrukt : p < 0.05 of beter
71
12.2 Descriptives
Tabel 6: Beschrijving van de centrale concepten.
N
Geslacht
Leeftijd
Niet-Belgische achtergrond
Islam
Christendom
Belangrijkheid religie
Gepercipieerde
discriminatie
Religieus autoritarisme
Gepercipieerde legitimiteit
van de politie
Politieke machteloosheid
Morele steun voor
gewelddadig extremisme
Valid N (listwise)
Minimum Maximum
Mean
Std. Deviation
5983
6000
6017
5944
6020
5976
,00
,00
,00
,00
,00
-,89753
1,00
2,00
1,00
1,00
1,00
2,55581
,3530
,6587
,2377
,0483
,4638
,0000000
,47794
,85378
,42569
,21438
,49873
1,00000000
4859
-,87298
3,33378
,0000000
1,00000000
4426
-1,17183
3,91491
,0000000
1,00000000
4903
-3,46333
2,68830
,0000000
1,00000000
4434
-2,21078
2,18997
,0000000
1,00000000
4401
-,58785
4,30973
,0000000
1,00000000
4225
72
12.3 Collineariteit
Tabel 7: Controle op collineariteit
1
1. Geslacht
2. Leeftijd
2
3
4
5
6
7
8
9
10
1
.03
1
3. Niet-Belgische
achtergrond
-.04
.07
1
4. Islam
-.01
.11
.36
1
5. Christendom
-.08
-.01
-.13
-.21
1
6. Belangrijkheid religie
-.05
.10
.26
.48
.27
1
.11
.06
.15
.20
-.08
.14
1
-.06
.17
.25
.47
.15
.55
.25
1
-.07
-.01
-.09
-.07
.14
.01
-.24
-.03
1
10. Politieke
machteloosheid
.00
.10
.05
.12
-.06
.02
.22
.15
-.19
1
11. Morele steun voor
gewelddadig extremisme
.07
.13
.05
.12
.05
.16
.23
39
-.11
.19
7. Gepercipieerde
discriminatie
8. Religieus autoritarisme
9. Gepercipieerde
legitimiteit van de politie
11
Cijfers vetgedrukt : p < 0.05 of beter
73
1
Download