Bestraling (radiotherapie)

advertisement
Bestraling (radiotherapie)
Radiotherapie is de behandeling van kanker door middel van straling. De bestraling
gebeurt altijd plaatselijk en treft zowel gezonde cellen als kankercellen.
Kankercellen verdragen bestraling echter veel minder goed dan gezonde cellen. De
gezonde cellen zullen zich herstellen terwijl de kankercellen uiteindelijk doodgaan. Als de
bestraling succesvol is, gaan alle kankercellen uiteindelijk dood. Ook de omringende
gezonde cellen kunnen worden beschadigd. Deze herstellen zich na verloop van tijd
meestal wel.
Radiotherapie kan als enige behandeling worden gegeven of als aanvulling op een
operatieve verwijdering van een tumor. Voor de manier van bestralen maakt dit geen
wezenlijk verschil. De bestraling kan zowel vóór als na de operatie worden gegeven. In
beide gevallen is de behandeling gericht op het bereiken van genezing (een curatieve
behandeling). Radiotherapie kan ook in combinatie met chemotherapie worden gegeven.
Voordat de bestraling begint, heeft de patiënt eerst een afspraak met de bestralingsarts
(=radiotherapeut). Deze vertelt de patiënt onder andere hoe vaak hij/zij bestraald gaat
worden. Het totaal aantal bestralingen kan variëren van 16-36 keer.
Voordat de bestraling begint, moet een patiënt die zijn eigen gebit nog heeft, dat laten
controleren. Door bestraling kan het gebit beschadigd worden. Dit heeft vooral te maken
met de negatieve invloed van de straling op de productie en samenstelling van het
speeksel. Speeksel heeft een beschermende werking tegen tandbederf.
Vaak doet de tandarts van het ziekenhuis de controle. Hij bekijkt of behandeling nodig is.
Vaak wordt ook een mondhygiënist ingeschakeld.
Tumoren kunnen zowel van buitenaf (uitwendig) als in het lichaam (inwendig) worden
bestraald. Ook een combinatie van deze twee behandelingen is mogelijk. De behandelend
arts zal met de patiënt bespreken welke methode het meest geschikt is.
Uitwendige bestraling
Bij uitwendige bestraling richt men de bundel stralen van buitenaf op het tumorweefsel.
De totale dosis (hoeveelheid) straling kan niet in één keer worden gegeven. De
behandeling wordt daarom 'uitgesmeerd' over een langere periode waarbij men meestal
vier à vijf keer per week een deel van de dosis geeft. De bestralingsartsen kiezen daarbij
soms voor een schema waarbij meerdere keren per dag wordt bestraald. Alle
bestralingen samen vormen de bestralingskuur. De duur van de bestralingskuur kan
variëren van vijf tot zeven weken. Het volledig afmaken van de kuur is belangrijk.
Het is noodzakelijk dat de stralenbundel steeds hetzelfde gebied treft. Het is voor de
patiënt een moeilijke opgave om elke keer exact dezelfde houding aan te nemen.
Daarom krijgt de patiënt een plastic masker dat bevestigd kan worden op de
bestralingstafel. Het maken van het masker gebeurt in de mouldroom. Hier wordt eerst
een gipsafdruk gemaakt van het hoofd/hals gebied, die dient als mal voor het
uiteindelijke masker (zie foto). Het masker komt vlak vóór de bestraling over het gezicht
of over de hals. Daarna bevestigt men het aan de bestralingstafel. De mond en neus
worden vrijgelaten, zodat normaal ademhalen mogelijk is (zie foto).
Simulatie en bestraling
Twee tot drie dagen nadat het masker is gemaakt, gaat de patiënt naar de afdeling
simulatie.
Hier stelt de arts, samen met de laboranten, met behulp van een röntgenapparaat, het
precieze bestralingsveld vast. Vaak is hierbij een CT-scan nodig. Het bestralingsgebied
wordt op het plastic masker aangetekend zodat elke keer hetzelfde gebied wordt
bestraald. Het te bestralen gebied is doorgaans niet vierkant of rechthoekig, maar
onregelmatig van vorm. Gezond weefsel dat in het bestralingsveld ligt, kan met blokken
worden afgeschermd. Deze blokken, van materiaal dat op lood lijkt, kunnen in elke
gewenste vorm worden gegoten. Zo kan men heel precies de grenzen van het
bestralingsgebied afbakenen en blijft gezond weefsel zoveel mogelijk gespaard. Een
aantal dagen na de simulatie kan de eerste bestraling beginnen.
Voordat de bestraling begint, krijgt de patiënt het masker op. Dit masker wordt
bevestigd aan de bestralingstafel met behulp van een clicksysteem. De laboranten stellen
het bestralingsgebied in en verlaten de kamer. Gedurende de bestraling is de patiënt
alleen in de kamer, maar wordt via een televisiescherm door de laboranten in het oog
gehouden.
Tijdens de bestralingsperiode bezoekt de patiënt ongeveer 1 maal per week de
radiotherapeut op de polikliniek. Eventuele bijwerkingen kunnen dan worden besproken
met de arts, zodat deze kunnen worden behandeld.
Inwendige bestraling
Inwendige bestraling, ook wel brachytherapie genoemd, begint met een zogenoemde
implantatie. Hierbij worden, meestal onder algehele narcose, op de plaats van het gezwel
dunne, nylon katheters ingebracht. Dit zijn holle buisjes die men later vult met een
radioactieve stof. Deze stof zorgt voor de feitelijke bestraling. Soms is een continue
bestraling nodig van twee à drie dagen; soms ook gebeurt de behandeling door middel
van korte bestralingen van steeds enkele minuten met daartussen enkele uren rust
('gepulseerde' bestraling).
Gedurende de inwendige bestraling moet de patiënt in een speciale behandelruimte
verblijven. Als het radioactief materiaal is verwijderd, is er geen straling meer in het
lichaam.
Bijwerkingen
De reacties van het lichaam hangen samen met het gebied dat bestraald wordt. Toch is
er een aantal algemene reacties dat meestal in de loop van de behandeling optreedt,
zoals vermoeidheid, meer behoefte aan slaap en minder eetlust. Na het beëindigen van
de bestralingskuur zal de verminderde eetlust verdwijnen. Vermoeidheid wordt de laatste
jaren door steeds meer patiënten gemeld. Sommige mensen hebben ook na afloop van
de behandeling last van vermoeidheid. Die vermoeidheid kan lang aanhouden.
De patiënt kan de klachten het best met de arts bespreken. De arts geeft advies hoe de
patiënt met deze klachten kan omgaan, verwijst naar de diëtiste of geeft eventueel
medicijnen.
De bijwerkingen zeggen niets over het effect van de behandeling, maar zijn een reactie
van het lichaam op de bestraling.
Het kan zijn dat de regelmatige gang naar het ziekenhuis een patiënt tegen gaat staan.
De patiënt kan dit het beste met de laboranten of de arts bespreken.
Huidproblemen
Bij elke vorm van uitwendige bestraling ligt wel een gedeelte van de huid in het te
bestralen gebied. Dit vraagt speciale aandacht. Hoewel bij het maken van het
behandelplan hiermee zorgvuldig rekening gehouden wordt, kan toch niet voorkomen
worden dat de huid als gevolg van de bestraling beschadigd wordt. In de loop van de
behandeling wordt de huid eerst rood en gaat vervolgens schilferen. Soms verschijnen er
kleine blaasjes of treedt jeuk op. Uiteindelijk kan de huid plaatselijk stuk gaan en vocht
afscheiden. Ongeveer 3 weken na de bestraling is de huid weer genezen. De patiënt
moet er rekening mee houden dat de kleur van de huid enigszins (blijvend) verandert.
Verzorging van de huid in het bestralingsveld
Onderstaand wordt een aantal adviezen gegeven over het verzorgen van de bestraalde
huid.




vanaf de eerste bestraling iedere dag twee keer poederen met
ongeparfumeerde talkpoeder; tenzij de arts anders adviseert
als de huid erg droog wordt kan de talkpoeder vervangen worden door
babyolie
uitsluitend wassen met lauw water
droog deppen met een zachte handdoek







niet in aanraking brengen met lotions en dergelijke
geen schurende kleding dragen
niet blootstellen aan felle zon of extreme koude
geen pleisters op de bestraalde huid plakken
(voor mannen): voorzichtig scheren met een elektrisch scheerapparaat
(geen aftershave gebruiken)
niet krabben bij jeuk
geen zeep gebruiken op de bestraalde huid bij het douchen
Het is de bedoeling de bestraalde huid droog en stevig te houden. De patiënt kan echter
wel gebruik maken van babyolie. Mocht de huid toch open gaan en vochtig worden, stop
dan met poederen. Vraag de arts om een recept voor zalf, plus bijbehorend verband en
pleisters. Als de patiënt moeite heeft met het verbinden, zeg het de laboranten. Zij
helpen graag.
Plak pleisters alleen op plaatsen waar niet bestraald wordt.
Als de bestraling is gestopt werkt de behandeling nog een paar weken door. De huid
geneest veelal in twee tot vier weken na de bestraling. Als de patiënt tijdens de
behandeling en de eerste weken na de bestraling in de zon gaat zitten, moet hij het
bestraalde gebied zo veel mogelijk met een sjaaltje of ander kledingstuk bedekken.
Haaruitval
Een patiënt kan alleen (vaak tijdelijk) haaruitval krijgen wanneer het haar binnen het
bestralingsgebied valt. De mate van haaruitval is afhankelijk van de dosis en van de
grootte van het bestralingsgebied.
Slikklachten, vieze smaak, droge mond
In de loop van de bestralingsserie gaan de slijmvliezen enigszins zwellen, rood/wit
verkleuren en worden gevoeliger. Dit kan last geven bij kauwen, slikken en praten.
Tevens kunnen smaakveranderingen optreden zoals vieze smaak en smaakverlies.
Enkele weken na de bestralingen herstellen de slijmvliezen zich weer.
Bij bestraling is de kans aanwezig dat de droge mond, het smaakverlies en de
slikklachten deels van blijvende aard zijn. Het speeksel blijft vaak taaier en dikker.
Heesheid
Als de stembanden in het bestraalde gebied liggen, kunnen stemveranderingen optreden
als heesheid, krakende stem, toonhoogteverandering en volumevermindering. Dit wordt
veelal veroorzaakt door vochtophoping in de weefsels en kan zelfs nog tot enkele
maanden na de bestraling voortduren. Bij langdurige bestraling kunnen soms, ten gevolg
van littekenweefsel, blijvende veranderingen optreden van de stem wat betreft bereik,
volume en kwaliteit.
Droge mond
De speekselklieren kunnen slecht tegen bestraling. Als zij in het bestralingsveld liggen
vermindert de hoeveelheid speeksel en verandert de samenstelling van het speeksel. Het
speeksel wordt taaier en dikker. Er is voor dit probleem nog geen afdoende oplossing
voorhanden. Wanneer de patiënt veel last heeft van een droge mond kan hij echter wel
advies vragen aan de diëtist of aan de mondhygiënist. Bij de apotheek is kunstspeeksel
verkrijgbaar. Ook kan de patiënt een bidon met water bij zich dragen (zie ook:
Voedingstips bij mond en keelproblemen na behandeling).
Oedeem
Het bestraalde gebied houdt tijdens de behandeling vaak vocht vast. Het vocht hoopt
zich onder de huid op, waardoor het gezicht en de hals dikker worden. Vooral patiënten
die ook zijn geopereerd, hebben er last van. De vochtophoping noemt men oedeem. Het
verdwijnt meestal weer als de behandeling is afgelopen.
Na de bestraling
Een patiënt die is bestraald zal nog geruime tijd last hebben van de uitwerking van de
bestraling. Vooral praten en eten zal in deze periode moeilijk zijn. Na verloop van tijd
zullen de bijwerkingen verminderen. Normaal spreken is bij een aantal patiënten weer
mogelijk. Wat de voeding betreft zijn soms blijvende aanpassingen nodig, bijvoorbeeld
de noodzaak om blijvend vloeibare en/of gemalen voeding te gebruiken.
Veel patiënten zullen merken dat de algemene conditie langzaam verbetert en zullen
leren omgaan met de beperkingen die door de behandeling zijn veroorzaakt.
Palliatieve bestraling
De arts kan ook een bestralingskuur adviseren met de bedoeling om de klachten te
verminderen, ook als genezing niet (meer) mogelijk is (palliatieve bestraling). Zo kan
met bestraling pijn worden bestreden. Ook kunnen kortademigheid en problemen met
het doorslikken van voedsel met deze behandeling worden verminderd. Een
bestralingskuur bedoeld om de klachten te beperken duurt meestal korter, bijvoorbeeld
twee tot drie weken.
Download