Uploaded by Saskia van Haaren

23-2-20 Hask

advertisement
DE SCHRIFTELIJKE PRESENTATIE EXACTE VAKKEN
Schrijf een schriftelijke presentatie zó, dat iemand die niets van het onderwerp afweet na
lezing van het verslag begrijpt wat je gedaan hebt.
1.
Opbouw
Een schriftelijke presentatie voor de vakken Natuurkunde, Scheikunde en Biologie moet
de volgende opbouw hebben:








Voorkant en titel
Inhoudsopgave en paginanummer
Inleiding
Onderzoeksvraag/hypothese/theorie
Opstelling
Experiment
Resultaten
Conclusie
1.
Inleiding
Op het eerste gezicht lijkt het wellicht vreemd, maar de inleiding schrijf je pas als de rest
van je verslag klaar is! Met de inleiding wek je de interesse van je lezers, moet je je
lezers nieuwsgierig maken. In je inleiding moet je de volgende dingen vermelden:
a. De reden van het onderzoek.
De reden van je onderzoek is nooit omdat het van de leraar moest! De reden is
bijvoorbeeld omdat je/men een bepaald verschijnsel nader wil onderzoeken. Er moet
natuurlijk wel worden uitgelegd waarom er voor dit verschijnsel is gekozen
(maatschappelijk belangrijk? Zeldzaam? Veel toegepast? Veelbelovend? Belangrijke
geschiedenis? …etc…)
b. Hoe heb je het onderzocht.
c. Wat heb je onderzocht (doelstelling/hoofdvraag)
d. Tot welke conclusie(s) ben je gekomen.
2.
Onderzoeksvraag/hypothese/theorie
a. Onderzoeksvraag: wat is je doel, wat wil je te weten komen?
b. Theorie: welke theorie speelt bij jouw onderzoek waarschijnlijk een rol?
c. Hypothese: welke uitkomst verwacht je op grond van de theorie?
3.
Opstelling
a. schema’s
Gebruik juiste, duidelijke symbolen.
b. tekeningen
Geef alleen weer wat van belang is voor het begrijpen van het uitgevoerde experiment.




4.
Geef, indien van toepassing, de schaal van de tekening weer, maak de tekening
niet te klein.
Benoem de onderdelen (met nummertjes + toelichting, met tekst in de tekening
of met rechte aanwijslijntjes).
Geef de tekening een titel.
Gebruik bij dit alles een scherp potlood of het liefst een computerprogramma
(Paint, Excel)
Experiment
Beschrijf nauwkeurig hoe je wat waarom gedaan hebt.
5.
Resultaten
a.
tabellen
 Zet de gegevens van de linkerkolom in een logische volgorde (vaak van klein naar
groot);
 Zet in de kop van de tabel de grootheid met, tussen haakjes, de eenheid en
onderstreep deze;
 Geef de tabel een titel;
 Zorg voor een goede opmaak;
 Zet (bij een verticale) tabel links de door jou ingestelde grootheid, daarnaast de
door jou gemeten grootheid en daarnaast eventuele bewerkingen van deze
getallen, waarbij je de formule van deze bewerking in de kop van de tabel
vermeldt.
Bijvoorbeeld:
Titel
gemiddelde snelheid = afstand/tijd
tijd (s)
afstand (m)
gemiddelde snelheid (m/s)
0
0
-
1,0
15
15
2,0
35
17,5
3,0
60
20
b.
grafieken en diagrammen
 (Let op: in de praktijk worden diagrammen vaak grafieken genoemd).
 Kies voor een soort diagram (lijn-, staaf-, sector-) en leg uit waarom je deze
keuze gemaakt hebt.
 Gebruik voor lijndiagrammen altijd ruitjespapier (liefst Excel)
 Geef het diagram goede afmetingen (niet te klein en een min of meer vierkante
vorm; zorg bij een ijklijn of een recht evenredig verband dat de lijn een hoek van
+ 45º met de horizontale as maakt).
 Geef het diagram een titel die duidelijk maakt wat het diagram weergeeft;
 Zet goede informatie bij de assen.
 Zet langs de horizontale as de door jou ingestelde grootheid, langs de verticale as
de gemeten grootheid (de tijd staat bijv. meestal horizontaal).
 Als er meerdere grafieken in één diagram staan, geef dan weer welke grafiek
waar bij hoort.
 Geef de assen een handige schaalverdeling (met niet teveel getalletjes), gebruik
eventueel een scheurlijn/gebroken as.
 Zorg ervoor dat na het tekenen van de grafiek de eigenlijke meetpunten goed
zichtbaar blijven.
 Trek een (echt) rechte lijn of een (echt) vloeiende lijn, waarbij je sterk afwijkende
(waarschijnlijk foute) meetpunten niet meeneemt.
 Gebruik bij dit alles een scherp potlood.
 In de meeste gevallen kan gebruik gemaakt worden van Microsoft Excel
6.
Conclusie
a. Het leggen van verbanden
 Maak een goed onderscheid tussen oorzaak en gevolg;
 Kun je het verband (bij benadering) wiskundig beschrijven (lineair,
kwadratisch, exponentieel enz.)?
b. Conclusies trekken
 Beantwoord de onderzoeksvraag, waarbij je verwijst naar je resultaten;
 Wees objectief (= eerlijk), je conclusie moet in overeenstemming zijn met je
waarnemingen;
 Zorg dat je conclusie volledig is, dat je niets “vergeet”.
c. Evaluatie/discussie
 Eventuele verklaring van een uitkomst die anders is dan je had verwacht.
 Suggestie voor verbetering van en/of vervolg op het experiment.
BEOORDELINGSMODEL PRAKTISCHE OPDRACHT NATUURKUNDE
GEBASEERD OP VAARDIGHEID 12: DE SCHRIFTELIJKE PRESENTATIE EXACTE VAKKEN
VERSLAG:
INLEIDING
ONDERZOEKSVRAAG
THEORIE
HYPOTHESE
OPSTELLING en beschrijving
EXPERIMENT
TABELLEN
DIAGRAMMEN
Verwerking resultaten:
algemeen
CONCLUSIE
UITVOERING/presentatie
3
2
4
1
2
3
3
3
3
3
3
*VOOR ELKE WERKDAG TE LAAT WORDEN 3 PUNTEN IN MINDERING GEBRACHT.
Download