Uploaded by guidobiebaut

Daniël 9 en de zeventig jaarweken - 2019

advertisement
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 1
Daniël 9 en de zeventig jaarweken
Deze oude stenen rol, is de Cyrus Cilinder. Het is ’s werelds eerste handvest voor de mensenrechten. De eerste vier artikelen van de De Universele Verklaring van de Rechten van de Mens
komen inhoudelijk overeen met die Cyrus Cilinder. Eigendom van het British Museum.
Dit zijn de Bijbelse verwijzingen naar de koning der Meden Cyrus/Kores: 2 Kron.36:22,23 / Ezra
1:1-4,7,8 / 3:7 / 4:3,5 / 5:13-17 / 6:3,14 / Jesaja 41:25 / 44:28–45:13 / Dan.1:21 / 6:28 / 10:1. Die
koning der Meden heeft iets te maken met de vervulling van Daniël 9:24-27. Natuurlijk is Jezus het
middelpunt in deze profetie!
YaHWeH zelf zegt over deze niet-joodse koning het volgende:
Jesaja 41:25: “25 IK DOE IEMAND OPSTAAN UIT HET NOORDEN en Hij zal komen: vanwaar de zon
opkomt zal Hij Mijn Naam aanroepen; Hij zal komen, de machthebbers als leem vertreden en
zoals een pottenbakker klei treedt.”
Jesaja 44:28: “28 DIE OVER KORES ZEGT: HIJ IS MIJN HERDER, en HIJ ZAL AL MIJN WELBEHAGEN
VOLBRENGEN, door tegen Jeruzalem te zeggen: Word gebouwd, en tegen de tempel: Word
gegrondvest.” [Herziene Statenvertaling hier en in het voorwoord.]
Allen die in de uitleg van Daniël 9 geen degelijke rekening houden met deze woorden gaan de mist
in. Hij is niet de sleutelfiguur in deze profetie, dat is de Messias, maar wel waar de start ligt.
Guido Biebaut, 7 maart 2019 (4de versie) Alle rechten voorbehouden Extra appendix vanaf blz.280.
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 2
Leest u ook regelmatig literatuur van en over de leer van de bedelingen, beter gekend als de
leer van het “dispensationalisme”? Dit zijn meestal 7 fasen (of zelfs negen volgens enkelen) waarin
God op verschillende manieren met Zijn schepselen omgaat. Verschillende manieren om Zijn
plannen en doel ten uitvoer te brengen. Dit is één van mijn kritische aantekeningen erbij. Het zullen
er rond de zeven of meer worden, naargelang hoe het verder verloopt. Bedenk wel, we hebben
geen enkel probleem met de scheiding Oud en Nieuw Verbond (Testament). Of dat er nog een
verbond was met Adam en Eva of met Noah. Daar gaat het dus niet om, u zal wel merken waarover
wel!
Een ander voorwoord
We publiceerden hier al: VINDEN WE ISRAEL IN DE APOCALYPS VAN JOHANNES.
Daaruit hebben we nu twee hoofdstukken ontkoppeld en plaatsen dit hier afzonderlijk:
Hoofdstuk 8, De zeventig jaarweken van Daniël 9:24-27
Hoofdstuk 9, Over dagen en maanden en jaren in Daniël en Openbaring.
Dat heeft een reden. We schuimen om de vijf jaar het Internet af, of er wat nieuws te vinden is in
verband met de profetie van Daniël over de 70 jaarweken = de 490 jaar. Dat was recent weer zo en
we verbazen er ons telkenmale over dat er steeds maar complexer en vreemder theorieën bij
komen. Het overgrote deel is echter maar kopieerwerk van wat anderen al eens bedacht hebben. Er
zijn slechts weinigen die wat dieper graven dan de oppervlakkigheden. Als we ooit een nieuwe
versie maken, wellicht nadat ons commentaar op het boek Openbaring klaar is, zullen bepaalde
zaken anders geformuleerd worden, met het grote risico dat het aantal bladzijden zich nog zal
uitbreiden. Maar ondertussen zetten we dit hier als een zelfstandig boek, daar is het lijvig genoeg
voor.
Laat ons een en ander opmerken als inleiding bij een moeilijk onderwerp bij wie dat tot in de
puntjes wil uitpluizen.
We citeren vooraf waarover het hier zal gaan uit de Herziene Statenvertaling © 2010 Stichting HSV
Daniël hoofdstuk 9:
24 Zeventig weken zijn er bepaald
over uw volk en uw heilige stad,
om de overtreding te beëindigen,
de zonden te verzegelen,
de ongerechtigheid te verzoenen,
om een eeuwige gerechtigheid tot stand te brengen,
om visioen en profeet te verzegelen,
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 3
en om de Heiligheid van heiligheden te zalven.
25 U moet weten en begrijpen:
vanaf de tijd dat het woord uitgaat
om te laten terugkeren en om Jeruzalem te herbouwen
tot op Messias, de Vorst, verstrijken er zeven weken en tweeënzestig weken.
Plein en gracht zullen opnieuw gebouwd worden,
maar wel in benauwde tijden.
26 Na de tweeënzestig weken
zal de Messias uitgeroeid worden, maar het zal niet voor Hemzelf zijn.
Een volk van een vorst, een volk dat komen zal,
zal de stad en het heiligdom te gronde richten.
Het einde ervan zal zijn in de overstromende vloed
en tot het einde toe zal er oorlog zijn,
verwoestingen waartoe vast besloten is.
27 Hij zal voor velen het verbond versterken,
één week lang.
Halverwege de week
zal Hij slachtoffer en graanoffer doen ophouden.”
9:24 eeuwige gerechtigheid - Letterlijk: gerechtigheid van eeuwigheden.
Over de gruwelijke vleugel zal een verwoester zijn, zelfs tot aan de voleinding, die, vast besloten,
uitgegoten zal worden over de verwoeste. Verwijzing(en) [9:27] Matt 24:15; Mark 13:14; Luk 21:20
Laten we in omgekeerde tekst, van achter naar voren, enkele inleidende aantekeningen maken. Als
u denkt dat we vooral kritiek uitoefenen op de leer van de dispensaties dan heeft u dat goed
gelezen. Daar zijn de grote problemen ook te vinden: bij een Bijbelexegese die vanuit een
vooropgestelde visie uitgaat. Maar ook de Adventkerk heeft naar onze overtuiging niet de goede
uitleg.
Vers 27 DE VRAAG IS DEZE: WIE IS HIJ IN DAT VERS?
De dispensatieleer zegt: dat wijst naar de antichrist, Satans volgeling
Wij leren: Satan heeft nooit een verbond gehad met Israël of er later één zal hebben
Vooraf enkele vertalingen:
[Staten vertaling, Luther vertaling en Leidsche vertaling samen op http://bijbel.opurk.nl/ ]
Die Afrikaans
Bybel 1953
Dié regeerder sal vir een tydperk 'n vaste ooreenkoms
Daniël 9:27
aangaan met die vooraanstaandes en teen die helfte van
dié tydperk sal hy die diereoffers en die graanoffers afskaf.
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 4
Hy sal op die een hoek van die tempel 'n ding sit wat 'n
gruwel is vir God en wat verwoesting aanrig, en dit sal daar
staan tot alles verby is. Dan sal oor dié regeerder wat soveel
verwoesting aangerig het, losbars wat oor hom besluit is.»
En hy sal een week lank met baie 'n sterk verbond sluit, en
Die Afrikaans
Bybel 1983
gedurende die helfte van die week sal hy slagoffer en
Daniël 9:27
spysoffer laat ophou; en op die vleuel van gruwels sal daar
'n verwoester wees, en wel tot aan die einde; en wat vas
besluit is, sal oor wat woes is, uitgestort word.
Hij zal een week lang met velen een innig verbond sluiten
en op de helft dier week slacht offer en meeloffer doen
Leidsche vertaling
Daniël 9:27
ophouden, en in de plaats daarvan komt een ontzettende
gruwel, totdat het voldongen en vastbesloten vonnis wordt
voltrokken over het ontzettende.
En hij zal velen het verbond versterken ééne week lang; en
midden in de week zal het slachtoffer en spijsoffer
Luther vertaling
Daniël 9:27
ophouden; en bij de vleugels zullen staan gruwelen der
verwoesting, en het is besloten, totdat het vast besloten
verderf zal uitgestort worden over de verwoesting.
En hij zal het verbond voor velen zwaar maken, een week
lang; in de helft van de week zal hij slachtoffer en spijsoffer
NBG-vertaling
1951
Daniël 9:27
doen ophouden; en op een vleugel van gruwelen zal een
verwoester komen, en wel tot aan de voleinding toe, en
waartoe vast besloten is, dat zal zich uitstorten over wat
woest is.
Met velen zal die vorst een vast verbond aangaan
gedurende een week. Op de helft van die week zal hij een
Willibrordvertaling
(1978)
Daniël 9:27
einde maken aan de slacht - en spijsoffers en op de vleugel
van de tempel de gruwel der verwoesting plaatsen totdat
de vernietiging, waartoe besloten is, zich aan de vernieler
voltrekt.’
Met velen zal hij een sterk verbond aangaan gedurende één
Willibrordvertaling
(herziene editie
Daniël 9:27
1995)
week. Op de helft van die week zal hij een einde maken aan
de slacht- en spijsoffers en op de vleugel de gruwel van de
verwoesting plaatsen, totdat de vernietiging, waartoe
besloten is, zich aan de vernieler voltrekt.'
Herziene
Statenvertaling
Daniël 9:27
Hij zal voor velen het verbond versterken, één week lang.
Halverwege de week zal Hij slachtoffer en graanoffer doen
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 5
ophouden.
In de “leer van de bedelingen” slaat dit gedeelte op de toekomst en heeft het te maken met de
Satan en de Antichrist die “het verbond versterkt” met Israël. Die Antichrist staat op het punt zich te
manifesteren zegt men in die kringen. Wat is het sleutelwoord in dit gedeelte?
“het verbond versterken” = Statenvertaling (Jongbloed-editie)
“het verbond voor velen zwaar maken” = NBG-vertaling 1951
“sterk verbond aangaan” = Willibrordvertaling (herziene editie 1995)
“voor velen van het volk bezwaarlijk maken” = Groot Nieuws Bijbel (herziene editie 1996)
“confirm the covenant” = King James Version (Authorized Version) (1611)
“make a firm covenant” = American Standard Version (1901)
“firm agreement with many” = Good News Bible (Today's English Version)
“a firm agreement” = Contemporary English Version
“a firm covenant” = World English Bible (versie 16-2-2002)
(Het Hebreeuws kan men zowel vertalen als “een” of als “het” verbond.)
Kijken we eens naar het begrip “verbond” bij de profeet Daniël in: Herziene Statenvertaling
Dan 9,4: “Ik bad tot de HEERE, mijn God, en deed belijdenis en zei: Och Heere, grote en
ontzagwekkende God, Die Zich houdt aan het verbond en de goedertierenheid ten aanzien van hen
die Hem liefhebben en Zijn geboden in acht nemen”
Dan 9,27: “Hij zal voor velen het verbond versterken, één week lang. Halverwege de week zal Hij
slachtoffer en graanoffer doen ophouden. Over de gruwelijke vleugel zal een verwoester zijn, zelfs
tot aan de voleinding, die, vast besloten, uitgegoten zal worden over de verwoeste.”
Dan 11,22: “De krachtige armen van de overstroming zullen vóór hem weggespoeld worden en ze
zullen gebroken worden, ook de vorst van het verbond.”
Dan 11,28: “En de koning van het noorden zal terugkeren naar zijn land, met grote bezittingen, en
zijn hart zal tegen het heilige verbond zijn. Hij zal zijn wil ten uitvoer brengen en terugkeren naar
zijn land.”
Dan 11,30: “Er zullen schepen van de Kittiërs tegen hem komen en hij zal terugschrikken. Hij zal
terugkeren en toornen tegen het heilige verbond en hij zal zijn eigen wil ten uitvoer brengen. Hij
zal, terwijl hij terugkeert, op hen letten die het heilig verbond verlaten.”
Dan 11,32: “En hen die goddeloos handelen tegen het verbond, zal hij doen huichelen door
vleierijen. Het volk echter, zij die hun God kennen, zullen zij grijpen, en zij zullen hun wil ten uitvoer
brengen.”
EN DAARUIT BLIJK, DAT ALLE TEKSTEN over het verbond bij Daniël, betrekking hebben op Gods
verbond met Israël. Natuurlijk beweren we niet dat er geen verbonden zijn van mensen onderling.
Ook daar zijn genoeg teksten van. Maar wat er niet is, nergens in het OT, blijft duidelijk: een
verbond van de Satan met Israël in de oudheid zodat het ook nog eens HERNIEUWD of VERSTERKT
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 6
KAN WORDEN!
Wie is de “hij” en die persoon moeten we bepalen? Dat kan onmogelijk Satan zijn want die heeft
NOOIT een verbond gehad met Israël. Satan heeft met Israël niets te HERNIEUWEN of te
VERSTERKEN. De enige persoon die het kan zijn gezien de context, en de historie, is: Jezus. VERGEET
NIET, maar dat doet men in de bedelingenleer: er is in het boek Openbaring geen enkele
rechtstreekse verwijzing terug te vinden naar Daniël 9:27. Dat maakt van Johannes geen slordige
schrijver en interpreet van de toekomst. Het geeft wel duidelijk weer dat men moet stoppen met de
Schrift geweld aan te doen. We moeten geen verbanden uitvinden die er niet zijn.
DE gruwelijkheid van het slot in die tekst heeft betrekking op de val van Jeruzalem, straf van God
voor de moord op Zijn zoon. Dat heeft te maken met het jaar 66-73 in het Israël van de eerste
apostelen en discipelen. Jezus, was daarin duidelijk met deze uitspraak van Lucas 21:22: “Want dit
zijn dagen van wraak, opdat al wat geschreven staat, vervuld wordt.” - Herziene Statenvertaling Of:
“Dagen van vergelding zijn dit, waarin alles wat er geschreven staat in vervulling gaat.” Willibrordvertaling (herziene editie 1995)
We citeren uit een boek van het bastion van de dispensatieleer. Uit Old Testament Quotations in the
New Testament, Gleason L. Archer and Gregory Chirichigno, The Moody Bible Institute of Chicago,
1983 (dat zijn uitgevers van literatuur van de bedelingenleer) geven ze volgende verwijzingen en
mogelijke citaten bij Daniël.
283
Dan 3:6 Dit is wederom niet een citaat, maar slechts een verwijzing in Mat.13:42,50,
waarin een profetische vervulling wordt uiteengezet van een eerdere historische
gebeurtenis.
284
Dan 7:13; Mt 24:30; 26:64; Mk 13:26; 14:62; Lk 21:27; 22:69
(zie ook Psalm 110:1 [185],a-e) [Onze opmerking: zeer terecht geeft men Psalm 110
aan, maar dat gaat sinds Pinksteren in vervulling.]
285
Dan 9:27; Mt 24:15; Mk 13:14 dit is gewoon de bekende uitdrukking, bdelugma (…)
die Jezus in de Olijfberg-rede als profetisch van de laatste dagen genoemd. De twee
evangelisten schrijven deze uitdrukking uitdrukkelijk toe aan Daniël als de
persoonlijke auteur. [Onze opmerking: De vraag is natuurlijk wannneer de laatse
dagen zijn begonnen. Daarin verschillen we met beide schrijvers, wij zeggen in de tijd
van Pinksteren begonnen, zij zeggen in onze tijd, wellicht nabije toekomst.]
Vers 26 DE VRAAG IS DEZE: HEEFT GOD DE KLOK MET ISRAEL GESTOPT?
De dispensatieleer zegt: Christus kwam op Palmzondag om zich aan Israël als koning aan te
bieden maar ze hebben Hem niet gewild en daarom is de klok voor hen gestopt en zal ze met de
komende 70ste week weer gaan lopen.
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 7
Wij leren: op Palmzondag zien we niet het hoogtepunt van de reis van Jezus naar Jeruzalem,
het hoogtepunt ligt bij het sterven aan het kruis en de opstanding gevolgd door Pinksteren.
Dan is Gods gemeente op aarde gesticht en het koninkrijk der hemelen begonnen.
Vooraf enkele vertalingen:
Staten vertaling, Luther vertaling en Leidsche vertaling staan samen op http://bijbel.opurk.nl/
Aan die einde van die twee en sestig tydperke sal 'n
regeerder onskuldig doodgemaak word. Die stad en die
Die Afrikaans
Bybel 1953
Daniël 9:26
heiligdom sal verwoes word deur die volk van 'n ander
regeerder wat op die toneel sal verskyn. Die einde sal kom
soos 'n oorstroming; daar sal oorlog wees tot die einde toe,
rampe soos besluit is.
En ná die twee en sestig sewetalle sal 'n Gesalfde uitgeroei
Die Afrikaans
Bybel 1983
word, maar sonder iets vir Hom; en die volk van 'n vors wat
Daniël 9:26
sal kom, sal die stad en die heiligdom verwoes, maar sy
einde sal met 'n oorstroming wees, en tot die einde toe sal
dit oorlog wees, vasbeslote verwoestings.
En na die twee en zestig weken zal een gezalfde worden
uitgeroeid, zonderdat iemand hem redt. En de stad en het
Leidsche vertaling
Daniël 9:26
heiligdom zullen verdorven worden door het volk van een
vorst die komen en wiens einde in den vloed zijn zal; en tot
het einde is er oorlog, duurt het besluit dat verwoestingen
zullen aangericht worden.
En na die tweeënzestig weken zal de Messias uitgeroeid
worden en niet meer zijn; en het volk van een vorst, die
Luther vertaling
Daniël 9:26
komen zal, zal de stad en het heiligdom verwoesten, dat het
een einde zal nemen als door een vloed; en tot het einde
van den strijd toe zal het woest blijven.
En na de tweeënzestig weken zal een gezalfde worden
uitgeroeid, terwijl er niets tegen hem is; en het volk van een
NBG-vertaling
1951
Daniël 9:26
vorst die komen zal, zal de stad en het heiligdom te gronde
richten, maar zijn einde zal zijn in de overstroming; en tot
het einde toe zal er strijd zijn: verwoestingen, waartoe vast
besloten is.
Willibrordvertaling
(1978)
Daniël 9:26
na die tweeenzestig weken zal een gezalfde gedood worden
zonder dat iemand hem opvolgt. De stad en de tempel
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 8
zullen verwoest worden door het leger van een vorst, die
komt en zijn einde zal vinden in een vloed van rampspoed.
Maar tot aan het einde zal er volgens het besluit een
verwoestende oorlog woeden.
na die tweeënzestig weken zal een gezalfde gedood worden
Willibrordvertaling
(herziene editie
zonder dat iemand hem opvolgt. De stad en het heiligdom
Daniël 9:26
zullen verwoest worden door het leger van een vorst die
komt en zijn einde zal vinden in een vloed van rampen.
1995)
Maar tot aan het einde zal er volgens het besluit een
verwoestende oorlog plaatsvinden.
Na de tweeënzestig weken zal de Messias uitgeroeid
worden, maar het zal niet voor Hemzelf zijn. Een volk van
Herziene
Daniël 9:26
Statenvertaling
een vorst, een volk dat komen zal, zal de stad en het
heiligdom te gronde richten. Het einde ervan zal zijn in de
overstromende vloed en tot het einde toe zal er oorlog zijn,
verwoestingen waartoe vast besloten is.
De uitleg van de bedelingen is hier bekend: met Palmzondag stopt God de klok voor Israël. Rare
uitleg, want God start ze dan toch wederom op met Pinksteren wanneer hij met Israëlieten een
splinternieuw verbond aangaat. Voor de zoveelste kern, maar ditmaal voor de laatste keer. Nu is het
welletjes geweest. Dit leren wij: dat het niet de bedoeling van Christus was om op Palmzondag naar
de macht te grijpen of koning te worden op dat moment. Dispensationalisten geven ook om deze
reden een verkeerd verhaal bij die Palmzondag. Dit zijn vijf onvervalste redenen waarom de “uitleg
volgens de bedeligenleer” fout is.
Dit is de eerste: profetie na profetie moest vervuld worden in die dagen. Ook dit, want Zacharia 9:9
had het voorspeld.
9 Verheug u zeer, dochter van Sion!
Juich, dochter van Jeruzalem!
Zie, uw Koning zal tot u komen,
rechtvaardig, en Hij is een Heiland,
arm, en rijdend op een ezel,
op een ezelsveulen, het jong van een ezelin.
Maar toen, op Palmzondag, koning worden was daar geen deel van.
De tweede reden waarom de uitleg van de dispensationalisten verkeerd is over Palmzondag is deze.
Er loopt namelijk nog een ander parallel verhaal in de evangeliën. Dat, van Israël waar men absoluut
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 9
geen oren heeft naar de boodschap van Jezus en toch is Hij hun koning, hun priester en hun profeet.
Hun ogen, oren en hart zijn afgesloten, verhard en onbekeerd. Met Pinksteren zal het veranderen.
Dit is de derde reden: Hij kwam om Zijn bloed = Zijn leven te geven voor zondaars.
Dispensationalisten geven ook om deze reden een verkeerde indruk van die Palmzondag. Hij moet
nog sterven en dat men in de dispensatieleer dat sterven ontkoppeld heeft uit de profetie van de
490 jaar is een kwalijke zaak. Want leren ze niet dat met die zondag de KLOK VOOR ISRAËL IS
GESTOPT. Maar Jezus sterft aldus tussen de 69ste en 70ste week, namelijk 5 dagen nadat men de
Messias heeft verworpen! Dat is een verkeerde uitleg van de profetie: want dan kan het vers 24 niet
vervuld worden, dat hangt ergens in het ijle.
De vierde reden waarom er geen overdreven nadruk mag liggen op de betekenis van het
Palmzondagfeest is hoe het evangelie van Johannes dat beschrijft. Palmzondag staat in de vier
evangeliën beschreven en Johannes geeft een theologische reden waarom dat feest niet is
uitgelopen op wat dispensationalisten er in leggen. [Zie onze uitleg daarover bij dat gedeelte.]
De vijfde reden waarom we geen overdreven nadruk mogen leggen op het Palmzondagfeest is wat
er profetisch gezegd is over de Messias en Zijn werk in deze wereld. Dat heeft namelijk niet slechts
met Israël te maken maar ook het offer van Zijn dood voor de NIET-JODEN. Dat vergeet men in de
dispensatieleer te vernoemen. God gaf Zijn zoon voor de wereld en niet alleen maar Israël.
Vers 25 DE VRAAG IS DEZE: BIJ WIE EN WANNEER START DE 490 JAREN?
De dispensatieleer zegt: de vervulling van Daniël 9:24-27 begint met Nehemia
[Adventisten beginnen met Ezra]
Wij zeggen: de vervulling van Daniël 9:24-27 moet met Kores beginnen
Vooraf enkele vertalingen:
Jy moet nou goed verstaan, vandat die opdrag gegee is dat
Jerusalem herstel en herbou moet word, totdat 'n
Die Afrikaans
Bybel 1953
Daniël 9:25
regeerder kom wat deur God uitverkies is, sal sewe
tydperke wees. Twee en sestig tydperke lank sal Jerusalem
opgebou bly, met strate en verdedigingslote, maar dit sal
moeilike tye wees.
Nou moet jy weet en verstaan: van die uitgang van die
Die Afrikaans
Bybel 1983
Daniël 9:25
woord af om Jerusalem te herstel en op te bou tot op 'n
Gesalfde, 'n Vors, is sewe sewetalle; en twee en sestig
sewetalle lank sal dit herstel en opgebou word, met pleine
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 10
en slote, maar in tye van benoudheid.
Gij moet dan weten en verstaan: van het ogenblik af
waarop het woord uitgesproken is om Jeruzalem te
Leidsche vertaling
Daniël 9:25
herstellen en te herbouwen, tot een gezalfde, een vorst, zijn
zeven weken; en twee en zestig weken lang zal het hersteld
en herbouwd worden, met pleinen en wallen, maar in den
druk der tijden.
Zo weet nu en geef acht: van dien tijd af als het bevel
uitgaat, dat Jeruzalem zal herbouwd worden, tot op den
Luther vertaling
Daniël 9:25
vorst Messias zijn zeven weken en tweeënzestig weken: dan
zullen de straten en muren herbouwd worden, hoewel in
een benauwden tijd.
Weet dan en versta: vanaf het ogenblik, dat het woord
NBG-vertaling
1951
uitging om Jeruzalem te herstellen en te herbouwen tot op
Daniël 9:25
een gezalfde, een vorst, zijn zeven weken; en tweeënzestig
weken lang zal het hersteld en herbouwd blijven, met plein
en gracht, maar in de druk der tijden.
Prent dit goed in je hoofd: Vanaf het ogenblik waarop het
woord gesproken werd over de terugkeer uit de
Willibrordvertaling
(1978)
ballingschap en de herbouw van Jeruzalem tot aan het
Daniël 9:25
optreden van de gezalfde vorst zullen er zeven weken
verlopen; eenmaal herbouwd met pleinen en wallen zal de
stad tweeenzestig weken lang zo blijven. Maar in de
benarde tijd
Prent dit goed in uw hoofd: vanaf het ogenblik waarop het
woord gesproken werd over de terugkeer uit de
Willibrordvertaling
(herziene editie
Daniël 9:25
1995)
ballingschap en de herbouw van Jeruzalem, tot aan het
optreden van de uitverkoren vorst, zullen er zeven weken
verlopen; eenmaal herbouwd met pleinen en wallen zal de
stad tweeënzestig weken lang zo blijven. Maar in de
moeilijke tijd
U moet weten en begrijpen: vanaf de tijd dat het woord
Herziene
Statenvertaling
Daniël 9:25
uitgaat om te laten terugkeren en om Jeruzalem te
herbouwen tot op Messias, de Vorst, verstrijken er zeven
weken en tweeënzestig weken. Plein en gracht zullen
opnieuw gebouwd worden, maar wel in benauwde tijden.
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 11
Let er goed op, op de twee werkwoorden, die verband houden met wat er te gebeuren staat in vers
Daniël 9:25a: “Jeruzalem te herstellen en te herbouwen” (NBG) of “weerkeren, en om Jeruzalem te
bouwen” (SV77). Alleen dan kunnen de juiste conclusies getrokken worden over waar de 70
jaarweken begonnen zijn. Hier moet het profetische woord van Daniël aan de profetie van Jesaja
gekoppeld worden. Daar lezen we in Jesaja 44:28 / 45:1,13:
“28 Die over Kores zegt: Hij is Mijn herder,
en hij zal al Mijn welbehagen volbrengen,
door tegen Jeruzalem te zeggen: Word gebouwd,
en tegen de tempel: Word gegrondvest.’”
“1 Zo zegt de HEERE tegen Zijn gezalfde,
tegen Kores, die Ik vastgrijp bij zijn rechterhand,
om de volken vóór hem neer te werpen,
en de lendenen van koningen zal Ik ontgorden;
om deuren voor hem te openen,
poorten zullen niet gesloten worden.”
“13 Ík heb Kores doen opstaan in gerechtigheid,
en al zijn wegen zal Ik recht maken.
Híj zal Mijn stad bouwen
en hij zal Mijn ballingen vrijlaten,
zonder betaling en zonder geschenk,
zegt de HEERE van de legermachten.”
Hoe oprecht zijn we nu? Mag ik Daniël 9:24-27 van start laten gaan in het jaar 457 v. Chr. met de
aankomst van Ezra in Jeruzalem? Of mag ik die start in het jaar 445/444 v. Chr. laten beginnen, met
Nehemia? Dat is uitgesloten! Het is duidelijk: dat Cyrus/Kores daartoe bevel gaf. Is het niet
hemeltergend dat ondanks de niet verkeerd te verstane uitspraken van Jesaja er zovelen zijn die
daar juist niet van start willen gaan. Maar als ze gelijk hebben dan is de profeet Jesaja verkeerd, en
heeft onze God YaHWeH een profetie onvervuld gelaten. Als de leraars van de dispensatieleer
zeggen dat er bijna niet werd gebouwd in de hoofdstad Jeruzalem dan zetten ze ons op een
verkeerde spoor. Wat verwijt de profeet Haggaï het volk: “Is het voor u wel de tijd om in
uw fraai overdekte huizen te wonen, terwijl dit huis verwoest ligt?” Men had dus meer aandacht
voor het eigen huisje dan voor Gods tempel. Wanneer was dat? Wel enkele jaren nadat ze
teruggekeerd waren, 520 v. Chr. of zo iets. Dat het in 445/444 v. Chr. toen met Nehemia de muur
OPNIEUW HERBOUWD WERD niet zo fraai was in de hoofdstad mag je niet op een verkeerd spoor
zetten. We zijn dan 92 jaar na de eerste terugkeer en 75 jaar na de aanklacht van Haggaï. We lezen
erover in vers 25: “Plein en gracht zullen opnieuw gebouwd worden, maar wel in benauwde tijden.”
Maar ook de muren en de stad zelf kregen het hard te verduren van de omwonende niet-Joden.
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 12
Daar moet u maar Ezra hoofdstukken 2-6 voor nalezen.
We gaan wat nader in op de woorden die gebruikt zijn in de Jesajaprofetie en Daniël 9:25 die
duidelijk maken dat daar het begin MOET liggen. Het gaat om wat Kores zal doen:
“door tegen Jeruzalem te zeggen: Word gebouwd,
en tegen de tempel: Word gegrondvest.”
“Herstellen” [in Daniël 9:25] is het begrip “lehâshîb”, en komt van “shûb” dat ook regelmatig
vertaald is als “weerkeren.” Dit geeft aan dat Jeruzalem “hersteld” is als hoofdstad van het rijk van
Juda en Benjamin. Uit het gebruik van het werkwoord “shûb” zien we dat Daniël 9:25 erop wijst dat
er een nieuwe regering is, gebaseerd op de theocratische wetten van de torah. “Herbouwen” is het
begrip “libnôth” en komt van “bânâh” dat ook als “bouwen” vertaald mag worden.
Dit is het onderscheid; het werkwoord “shûb” is niet gebruikt in het OT om een bouw te beschrijven
van een letterlijk gebouw. Dit woord geeft het herstel van Jeruzalem aan als stad van personen. Dat
wil zeggen: de terugkeer uit de ballingschap om opnieuw een volk te zijn in een bepaald geografisch
gebied zoals in Jer.12:15 / 23:3. Juda staat volgens dat begrip, opnieuw op de politieke kaart van zijn
dagen. “Bânâh” echter geeft een bouwen (eventueel herstellen of herbouwen) aan van letterlijke en
tastbare zaken: tempels, paleizen, huizen en muren.
We illustreren die begrippen met enkele Bijbelse voorbeelden. Een Aramees koning zei tot Ahab,
een koning van Israël, op een zekere plaats, 1 Kon.20:34: “Daarop zeide deze tot hem: De steden die
mijn vader aan uw vader ontnomen heeft, zal ik teruggeven (shûb); voorts moogt gij u een
handelswijk in Damascus aanleggen, zoals mijn vader in Samaria heeft aangelegd, en ikzelf moge
met een verbond afscheid van u nemen. Toen sloot hij een verbond met hem en nam afscheid van
hem.” Het gaat hier zoals in het “shûb” van Daniël 9:25, de teruggave van overwonnen gebied aan
de oorspronkelijke bezitter ervan. In dit geval van 1 Koningen is het zeer duidelijk, de steden werden
voordien niet verwoest, maar teruggegeven in een intacte toestand. In het verhaal van Azaria die
koning was, lezen we dit: “Hij versterkte (bânâh) Elat en bracht het aan Juda terug (shûb), nadat de
koning bij zijn vaderen te ruste was gegaan” (2 Kon.14:22 NBG). Zo lezen we het in de
Willibrordvertaling van 1995: “Het was deze Azarja die Elat versterkte (bânâh) en weer onder Juda
bracht (shûb). Dit gebeurde nadat de koning bij zijn vaderen was gaan rusten.” Dus een teruggave
van een voordien veroverd gebied. Niet het opstarten van een bouwwerf.
Nog een ander voorbeeld uit 1 Kon.12:21:
“Toen Rechabeam te Jeruzalem was gekomen, riep hij het gehele huis van Juda en de stam
Benjamin bijeen, honderdtachtigduizend strijdbare jonge mannen, om te strijden tegen het huis van
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 13
Israël en het koningschap terug te brengen (shûb) aan Rechabeam, de zoon van Salomo” NBG.
“Toen Rechabeam in Jeruzalem gekomen was, riep hij het hele huis van Juda en de stam Benjamin
bijeen; honderdtachtigduizend strijdbare mannen om de strijd aan te binden met het volk van Israël
en het koninkrijk te herwinnen (shûb) voor Rechabeam, de zoon van Salomo” Willibrordvertaling,
herziene editie 1995.
In Daniël 9:25 staan twee werkwoorden die aangeven wat er te gebeuren staat, sommigen hebben
er in slordigheid één werkwoord van gemaakt. Daarom een reeks vertalingen van Daniël 9:25a,
want wie dat verkeerd leest kan alle kanten op in één of andere niet Bijbelse uitleg als het hem/haar
wat uitkomt:
“om te doen weerkeren, en om Jeruzalem te bouwen” Statenvertaling, editie 1977.
“om Jeruzalem te herstellen en te herbouwen” Nederlands Bijbelgenootschap.
“over de terugkeer uit de ballingschap en de herbouw van Jeruzalem” Willibrordvertaling
(herziene editie 1995).
King James Version 1611, 1769: “the commandment to restore and to build Jerusalem.”
New King James Version, 1982: “the command To restore and build Jerusalem.”
New Living Translation, 1996: “the command is given to rebuild Jerusalem.” (1 werkwoord)
New International Version, 1984, “decree to restore and rebuild Jerusalem.”
The Holy Bible, English Standard Version, 2001: “the word to restore and build Jerusalem.”
New American Standard Bible, 1995: “a decree to restore and rebuild Jerusalem.”
Revised Standard Version, 1952: “word to restore and build Jerusalem.”
American Standard Version 1901: “commandment to restore and to build Jerusalem.”
Robert Young Literal Translation, 1898: “the word to restore and to build Jerusalem.”
Theoloog Vern Sheridan Poythress, schreef een prachtig artikel: Hermeneutical Factors in
Determining The Beginning Of The Seventy Weeks (Daniel 9:25), Trinity Journal 6:2 (Fall 1985),
blz.131-149. We citeren er wat uit in vertaling: “5. Het vraagstuk van het herbouwen van Jeruzalem
Het belangrijkste argument voor de datum 444 v. Chr gaat uit van het veronderstelde onderscheid
tussen het herstel van de tempel en het herstel van de stad Jeruzalem. Het decreet van Cyrus, zo
wordt gezegd, had alleen betrekking op het herstel van de tempel. Maar het beginpunt in Dan 9:25
heeft te maken met het herstel van de stad. Vandaar dat we moeten uitkijken naar de afgifte van
een decreet dat te maken heeft met de stad, en in het bijzonder met inbegrip van de bouw van
vestingwerken (cf. “gracht” of “sleuf” in Dan 9:25). De muur als gebouw van Nehemia, in opdracht
van Artaxerxes (Neh.2:7-8), komt overeen met deze eis.
Echter in antwoord op dit argument, moeten we eerst enkele zaken bekijken en punten die verband
houden met de omvang van het decreet van Cyrus.
(A) In enge interpretatie, moeten we er rekening mee houden dat de Israëlieten leefden in een sfeer
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 14
waar het herstel van de tempel, het herstel van de stad Jeruzalem, en het herstel van het land zelf
nauw met elkaar verbonden zijn. De stad vertegenwoordigde de hartslag en de veiligheid van het
land rondom, de tempel vertegenwoordigde de hartslag en de veiligheid van de stad (Jer.
7:4). Jeremia profeteerde verwoesting voor het land, voor de stad van Jeruzalem, en voor de
tempel. In het bijzonder, Jeremia's profetie over 70 jaar van verlatenheid spreekt uitdrukkelijk van
herstel van het volk naar het land (Jer.29:10,14), maar is natuurlijk geïnterpreteerd als herstel van de
stad (Dan.9:2,16,18) en dat impliceert herstel van de tempel (Dan.9:17).
(B) het decreet van Cyrus, zoals vastgelegd in Ezra 1:2-4 en 2 Kron.36:23, richt zich op de
wederopbouw van de tempel. Maar we hebben hier geen volledige tekst van het decreet. Ezra 6:3-5,
is een alternatief rapport van het decreet en dat bevat een niet aantal opgenomen details in Ezra
1:2-4. Misschien bestaan er nog meer details die niet zijn opgenomen in een van de beide
samenvattingen. Josephus de Joodse historicus vermeldt de inhoud van de brief van Cyrus aan de
stadhouders van Syrië als volgt:
“Koning Cyrus te Sisines en Sarabasanes, groet. Over deze onder de Joden wonende in mijn land, aan
die dit wensen, heb ik toestemming gegeven om terug te keren naar hun eigen land en om de stad
weer op te bouwen EN van de tempel van God in Jeruzalem te bouwen, op dezelfde plek waar hij
vroeger stond.” (Joodse Oudheden 11,12 [11.1.3], Loeb editie, cursivering is van mij Zie ook Joodse
Oudheden 11,6 [11.1.2]..)”
Josephus, de Joodse historicus, heeft dus in zijn werk een brief van Cyrus geschreven aan de
satrapen (rijksbeheerders) van Syrië. Hij zegt het volgende: “King Cyrus to Sisines and Sarabasanes,
greeting. To those among the Jews dwelling in my country, who so wished, I have given permission to
return to their native land and to rebuild the city and build the temple of God of Jerusalem on the
same spot on which it formerly stood” (wij onderlijnen uit ‘Jewish Antiquities’ 11.12 [ 11.1.3], Loeb
edition.) We hebben dus een aanwijzing van een historicus die de herbouw van de stad Jeruzalem
bij Kores laat beginnen. En de hoofdstukken 1-8 van het boek Ezra zijn daar een ondersteuning van,
de geschiedenis van het herstel speelt zich af rond Jeruzalem. Ezra 5:1: “Maar de profeet Haggaï, en
Zacharia, de zoon van Iddo, traden bij de Judeeërs die in Juda en Jeruzalem woonden, als profeten
op in de naam van de God van Israël.” Dat bewijst dat er mensen zijn in Jeruzalem die de boodschap
kunnen horen. Ezra 6:9: “En wat er nodig is: jonge stieren, rammen, lammeren voor de brandoffers
aan de God des hemels, tarwe, zout, wijn en olie, volgens de opgave van de priesters te Jeruzalem,
dat moet hun dag aan dag volledig ter beschikking worden gesteld.” Dat bewijst dat er priesters zijn
in Jeruzalem. Ezra 10:7 leest: “Daarop deed men een oproep uitgaan door Juda en Jeruzalem tot al
degenen die in de ballingschap geweest waren, om zich te Jeruzalem te verzamelen.” Er zijn dus
mensen in Jeruzalem die de oproep horen, het was geen oproep voor de katten en de honden. Zie
ook nog: Ezra 7:7,14,24 / 9:9 / 10:6. Dat was alles jaren voordat Nehemia er zijn voet zet. John F.
Walvoord en al zijn leerlingen moeten leren lezen wat er staat in de Schrift zonder bokkensprongen
te maken. Het is duidelijk dat je met behulp van retoriek de waarheid niet mag verdraaien. Vergeet
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 15
niet dat Jeruzalem, ondanks de beweringen van dispensationalisten, een relatief bruisende stad is in
die dagen. Men bouwt er aan de tempel, muren en huizen. Dat spreekt ook voor zichzelf, want toen
men terugkeerde zijn die mensen terug gaan wonen waar ze vroeger woonden. Wie woonden dan
permanent in de hoofdstad: enkele priesters, zangers, tempelhorigen en veel Benjaminieten en nog
enkelingen uit de andere stammen. Ieder in zijn eigen stad en op zijn eigen grondgebied (Ezra 2:1b /
2:70 / 1 Kron.7:28 / Neh.7:6 en 11:5,6). Dit lezen we in 1 Kronieken 9: “3 Te Jeruzalem woonden van
de zonen van Juda, Benjamin, Efraïm en Manasse: (…) 34 Dit waren de familiehoofden der Levieten,
krachtens hun afkomst hoofden. Dezen woonden te Jeruzalem.” Ook in 1 Kronieken 8 staat er wat
over: “28 Dit waren familiehoofden, hoofden over hun geslachten; zij woonden te Jeruzalem.” De
stam van Benjamin leefde dus zowel vóór als nà de ballingschap in de hoofdstad Jeruzalem. Men
ging toen niet in de morgen aan de tempel werken en s’avonds ergens anders naar huis, men
woonde in die stad, men leefde er. Wat niet wil zeggen dat ze er allemaal woonden, want ook de
grond werd bewerkt om te kunnen oogsten.
Vers 24 DE VRAAG IS DEZE:
De dispensatieleer zegt: al die zaken in dit vers zijn nog niet vervuld, maar slechts drie
Wij zeggen: alles is vervuld aan het kruis
Vooraf enkele vertalingen:
Daar is sewentig tydperke vir jou volk en vir jou heilige stad
vasgestel. In dié tyd sal daar aan die goddeloosheid en die
Die Afrikaans
Bybel 1953
sondes 'n einde gemaak word en sal daar versoening
Daniël 9:24
gedoen word vir die oortredinge. Dit is die tyd waarin 'n
blywende geregtigheid tot stand gebring sal word, waarin
die profesie en die visioen tot vervulling sal kom en die
tempel heringewy sal word.
Sewentig sewetalle is oor jou volk en jou heilige stad
Die Afrikaans
Bybel 1983
bepaal, om die goddeloosheid te voleindig en om die maat
Daniël 9:24
van die sondes vol te maak en om die ongeregtigheid te
versoen en om ewige geregtigheid aan te bring en om gesig
en profeet te beseël en om wat hoogheilig is, te salf.
Zeventig weken zijn vastgesteld voor uw volk en uw heilige
stad; opdat de afval voltooid en de maat der zonden
Leidsche vertaling
Daniël 9:24
volgemaakt, de schuld verzoend en eeuwige gerechtigheid
aangebracht, het gezicht van den profeet verzegeld en een
allerheiligst voorwerp gezalfd worde.
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 16
Zeventig weken zijn bestemd over uw volk en over uwe
heilige stad; dan zal de overtreding geweerd en de zonde
Luther vertaling
Daniël 9:24
verzegeld en de misdaad verzoend en de eeuwige
gerechtigheid aangebracht en de gezichten en profetiën
verzegeld en een allerheiligste gezalfd worden.
Zeventig weken zijn bepaald over uw volk en uw heilige
NBG-vertaling
1951
stad, om de overtreding te voleindigen, de zonde af te
Daniël 9:24
sluiten, de ongerechtigheid te verzoenen, en om eeuwige
gerechtigheid te brengen, gezicht en profeet te bezegelen
en iets allerheiligst te zalven.
Voor je volk en voor je heilige stad is een duur van zeventig
weken vastgesteld om aan de misdaad een eind te maken,
Willibrordvertaling
(1978)
Daniël 9:24
om de zonde te doen verdwijnen en om de ongerechtigheid
uit te boeten, om eeuwige gerechtigheid te brengen, om
het zegel te drukken op de openbaringen van de profeten
en om het hoogheilige te zalven.
Voor uw volk en voor uw heilige stad is een duur van
Willibrordvertaling
(herziene editie
zeventig weken vastgesteld om aan de misdaad en de zonde
Daniël 9:24
een eind te maken, om de ongerechtigheid uit te boeten,
om eeuwige gerechtigheid te brengen, de openbaringen
1995)
van de profeten te benadrukken en het hoogheilige te
zalven.
Zeventig weken zijn er bepaald over uw volk en uw heilige
stad, om de overtreding te beëindigen, de zonden te
Herziene
Statenvertaling
Daniël 9:24
verzegelen, de ongerechtigheid te verzoenen, om een
eeuwige gerechtigheid tot stand te brengen, om visioen en
profeet te verzegelen, en om de Heiligheid van heiligheden
te zalven.
We lezen op http://hijleeft.wordpress.com/syrie-en-iran-katalysatoren-van-grote-verdrukking/ “Dus
daarom is het mijn (nederige) mening, dat Daniël 9:24 niet volledig zal worden afgerond totdat
Christus 1000 jaar geregeerd heeft. Als 1000 jaar gezien kan worden als “één dag”, dan denk ik niet
dat Daniël 9:24 volledig vervuld zal worden tot het moment dat de Heer Jezus Christus 1000 jaar
geregeerd heeft. We moeten ook onthouden dat satan wordt opgesloten in de gevangenis voor
diezelfde periode van 1000 jaar en dan zal hij losgelaten worden voor een “korte tijd”om de naties
van de aarde te misleiden.” Zo zijn er veel van dat idee.
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 17

Jezus ging de hemel binnen met Zijn eigen bloed (Heb.9:12): “en dat niet met het bloed
van bokken en kalveren, maar met zijn eigen bloed, eens voor altijd binnengegaan in het
heiligdom, waardoor Hij een eeuwige verlossing verwierf.”

Hij verscheen in Gods tegenwoordigheid (Heb.9:24): “Want Christus is niet binnengegaan
in een heiligdom met handen gemaakt, een afbeelding van het ware, maar in de hemel
zelf, om thans, ons ten goede, voor het aangezicht Gods te verschijnen.”
Deze beide teksten zijn maar een inleiding tot deze zes onderdelen: lees verder vanaf blz.122-130.
Graf van Cyrus de Grote, Pasargadae, Iran, het Midden Oosten
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 18
Hoofdstuk 8
De zeventig jaarweken van Daniël 9:24-27
Een inleiding en samenvatting van het probleem
In deze korte inleiding willen we op de twee punten wijzen waar in onze overtuiging de
dispensatieleer de verkeerde conclusies heeft gemaakt over Daniël 9:24-27.
De eerste vraag: Heeft het decreet dat Cyrus uitvaardigde betrekking op de wederopbouw
van de stad EVENALS van de tempel?
Dispensationalisten dringen erop aan dat het decreet van Cyrus in 538 niet het begin kan zijn
van de 70 weken. Want zegt men: zijn decreet heeft geen verwijzing naar de wederopbouw van de
stad, alleen de tempel is genoemd. Op deze beschuldiging willen we een reactie formuleren.
Moeten we niet vooraf toegeven, zonder enige mogelijke tegenspraak, dat de gelovige Israëlieten,
terwijl ze in gevangenschap waren in Babylon, ze in een sfeer leefden van herstel dat God beloofd
had. Ik heb het dan niet over de wellicht honderdduizenden die ondertussen opgegaan waren in de
volkeren rondom hen. Die hadden hun God verlaten en wilden ook niet meer teruggaan naar het
land van hun vaderen. Dat de gelovige Joden in die dagen droomden van de restauratie van de
tempel, de restauratie van de stad Jeruzalem, en het herstel van een regering in hun land is gewoon
Bijbels te bewijzen. Het is zelfs zo dat deze drie zaken nauw verbonden waren en samen één geheel
vormden. De stad Jeruzalem vertegenwoordigde de hartslag van het volk volgens Jeremia 7:4: “Stelt
uw vertrouwen niet op bedrieglijke woorden: Des HEREN tempel, des HEREN tempel, des HEREN
tempel is dit!” De tempel in die stad vertegenwoordigde de hartslag van het religieuze leven.
Het was ook Jeremia, onheilsprofeet maar ook profeet van de hoop, die verwoesting
profeteerde voor zowel het land, de stad Jeruzalem, als de tempel. Het bijzondere van de profetie
van Jeremia over de 70 jaar van verlatenheid spreekt ook duidelijk en uitdrukkelijk van het herstel
van het volk in het land. We lezen in Jeremia 29:10,14: “10 Want zo zegt de HERE: Neen, als voor
Babel zeventig jaren voorbij zullen zijn, dan zal Ik naar u omzien en mijn heilrijk woord aan u in
vervulling doen gaan door u naar deze plaats terug te brengen. (…) Dan zal Ik Mij door u laten
vinden, luidt het woord des HEREN, en in uw lot een keer brengen; dan zal Ik u verzamelen uit alle
volkeren en van alle plaatsen waarheen Ik u verstoten heb, luidt het woord des HEREN, en u
terugbrengen naar de plaats vanwaar Ik u in ballingschap heb doen wegvoeren.” Daniël heeft in
deze periode geleefd en heeft troost geput uit wat de profeet Jeremia had voorzegd. Daarom gaat
hij ook in gebed en wil van zijn God, YaHWeH, weten wat de nabije toekomst zal brengen. Want de
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 19
70 jaren zijn bijna voorbij. In Daniël 9 lezen we dan: “2 in het eerste jaar van zijn koningschap lette
ik, Daniël, in de boeken op het getal van de jaren, waarover het woord des HEREN tot de profeet
Jeremia gekomen was, dat Hij over de puinhopen van Jeruzalem zeventig jaar zou doen verlopen.”
We horen ook glashelder uit zijn woorden dat het herstel VAN DE STAD door hem impliciet
en expliciet verwacht wordt. We citeren terug uit zijn gebed in Dan.9:
“16 Here, mogen naar al uw gerechtigheid uw toorn en uw grimmigheid zich toch afwenden van uw
stad Jeruzalem, uw heilige berg; want om onze zonden en om de ongerechtigheden onzer vaderen
zijn Jeruzalem en uw volk tot een smaad geworden voor allen om ons heen.”
“18 Neig, mijn God, uw oor en hoor; open uw ogen en zie onze verwoestingen en de stad waarover
uw naam is uitgeroepen; want niet op grond van onze gerechtigheden storten wij onze smeekbeden
voor U uit, maar op grond van uw grote barmhartigheden.”
Maar Daniël heeft ook een vraag OVER DE TEMPEL: “17 Nu dan, hoor, o onze God, naar het gebed
van uw knecht en naar zijn smeking en doe uw aangezicht lichten over uw verwoest heiligdom, – om
des Heren wil.” - (Dan.9:17) Het gaat in Daniel 9 wel degelijk om het verbond van God en Zijn volk.
In dit gebed staat als enige in dit boek de naam YaHWeH en dat wijst op het belang ervan.
Deze profeet die het type Jood is dat zijn Bijbel kent wil duidelijk weten: God van onze
vaderen, alle gelovige Joden hopen en verwachten dat Gij het herstel zult bewerken van de stad en
de tempel! Naar mijn overtuiging heeft het decreet in Ezra 1:2-4 en 2 Kron.36:23 inderdaad
betrekking op zowel de tempel als de stad Jeruzalem. Wat belangrijk is te weten in deze zaak, is dat
deze passages ons NIET de volledige tekst van het decreet geven. Dat is duidelijk wanneer we er
Ezra 6:3-5 bij lezen. Je krijgt er “zogezegd” een kopie van het verslag van het decreet van Cyrus. De
“kopie” is driemaal langer dan wat in Ezra 1 staat en daar moet rekening mee gehouden worden.
Dat gedeelte bevat gegevens die niet zijn genoemd in Ezra 1:2-4. We zullen ook de bewijsvoering
aangeven dat er in dat verslag van Ezra 6 mogelijk nog een laatste deel ontbreekt, dat specifiek
betrekking heeft op het bouwen van de stad en de muur rond de stad. Wanneer Josephus, de
Joodse historicus uit de dagen van de val van Jeruzalem in het jaar 70, verwijst naar het decreet
geeft hij degelijk een verwijzing naar de bouw van de stad. Wanneer we omwille van het argument
en het bezwaar dat dispensationalisten hier zullen invoeren, zelfs toegeven dat Josephus verkeerd
was in dat citeren van het decreet van Cyrus dan hebben ze het pleit nog niet gewonnen.
Er zijn expliciete verwijzingen naar de wederopbouw van de stad vóórdat Nehemia er
aankwam. Het herstel van de stad, is een begeleidend element bij het herstel van de tempel. Men
kan toch niet beweren dat men een tempel bouwt zonder dat er mensen in de stad rondlopen om
die te bouwen. Als de tempel er staat zou dat bovendien weinig zin hebben dat hij er is, zonder een
groep van priesters om er hun dienst in te verrichten. In Jeruzalem waren priesters en die sliepen
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 20
toch niet in tentjes even buiten de stad. Zeggen dat het herstel van de stad moest wachten tot de
tijd van Nehemia, dat is waar het dispensationalisme op aandringt, meer het is een ontkenning van
de geldigheid van de profetie van Jeremia. Het herstel van de stad, evenals de tempel, zou beginnen
nadat de 70 jaar voltooid waren. Dat Jes.44:28 en 45:13, onder verwijzing naar de wederopbouw
van de stad over Cyrus, als een gezalfde van God spreken mag men niet verdonkermanen. Bijgevolg
is één van de belangrijkste grondslagen voor de interpretatie van de dispensationele uitleg van
Daniël 9 gewoon als een kaartenhuisje ingevallen. De historisch beschreven resultaten uit het boek
Ezra zijn voor ons allen goede beschikbare gegevens. Het leert onder andere dat de vervulling van
Dan.9:25 met Cyrus in 538/537 v. Chr. begon. In de termen van de uitleggers, de terminus a quo =
startdatum, van de 70 weken.
De snelrekenaars onder u, zullen dan opmerken dat de 490 jaar uit de profetie dan niet meer
overeenkomen met zaken die Jezus aanbelangen. Dat klopt natuurlijk, maar er is een andere uitleg
mogelijk: wanneer men aan deze cijfers een symbolische waarde geeft. Want als puntje bij paaltje
komt is 490 = 7 x 7 x 70 of = 49 x 10. De opgegeven cijfers 7 en 10 kunnen beide symbolisch
“volheid” of “volledigheid” of “perfectie” voorstellen. Beeld van God die Zijn plan tot in de puntjes
uitvoert. Dat lijkt u nu wellicht een ver-van-mijn-bed-show maar neem a.u.b. een stelling na de
argumenten gelezen te hebben. Mag ik u er nu al op wijzen dat in de kringen van de
dispensationalisten er momenteel 4 diverse uitleggingen zijn voor de cijfers uit de profetie. Ze
beweren alle 4 dat hun uitleg van de profetie een vervulling geeft tot-op-de-dag nauwkeurig.
Onderling verschillen ze van ofwel een start in 445 of 444 v. Chr. en begin en einddatum zijn ook nog
eens verschillend. Schiet niet op ons, de pianist, voordat u het stuk gehoord heeft! Lees dus gewoon
verder!
De tweede vraag is: Wie is de komende “prins” uit Dan.9:26?
Dispensationalisten geloven dat deze “prins” de laatste antichrist is, die zal verschijnen aan
het einde van deze tijd. Maar in vers 26 worden we echter verteld dat de stad en het heiligdom
vernietigd worden door “het volk (= de mensen) van de prins”, dat zal komen. De stelling van het
dispensationalisme dringt er terecht op aan dat dit verwijst naar de Romeinse legers die in 70 na
Christus Jeruzalem innemen en de tempel verwoesten. Men is daarna niet consequent meer. Maar
zegt men dan in het dispensationalisme: “de prins”, aan wie deze legers of mensen behoren,
verwijst niet naar Titus, de Romeinse generaal. De tekst, zo zeggen ze, verwijst naar “een prins” die
nog moet komen uit een hersteld Romeins rijk. We zijn 2000 jaar later en de mensen uit de jaren 70
zijn allen gestorven. Maar in onze dagen, zegt de dispensationalist, zijn ook de mensen van de
nieuwe prins aan het opkomen en ze zullen zoals vroeger Israël aanvallen. Daar moeten we toch op
reageren.
Het is onmogelijk te spreken van de Romeinse legers die Jeruzalem aanvallen in 70 na Christus en
dan nog eens in de nabije toekomst opnieuw. Er staat toch niet in de tekst dat er TWEE
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 21
VERVULLINGEN zullen plaats hebben van vers 26. Daar komt het dan eigenlijk op neer. Want van
wat nog zou moeten geschieden, kunnen de legers toch niet gezegd worden te behoren tot een
prins uit de jaren 70. Of is de “prins” die nu nog niet verschenen is, een incarnatie van generaal
Titus. Dan zou het gelijk aan uw kant zijn, maar u leert geen incarnatie of transmigratie van zielen. U
zit dus vastgeroest in een dogma. Nu bijna tweeduizend jaar zijn verstreken kan, als we naar de
tekst kijken, de genitivieve relatie (= de mensen van een prins) niet waar gemaakt worden. Men
verwisselt begrippen en wil iets mee aanvangen dat ingaat tegen de tekst. Het is duidelijk dat “de
mensen” EN “de prins” zondermeer tijdgenoten zijn. De mensen die behoren tot de prins, zijn het
volk van de prins. De Romeinen van het jaar 70 en de prins Titus zijn het onderwerp van de tekst.
De hedendaagse Romeinen zijn niet zijn volk, er ligt maar eventjes negentienhonderd jaar tussen
hen in. Ook als de huidige Romeinen zullen behoren tot “een prins” die Israël zal aanvallen hun
relatie is niet deze van vers 26. Veronderstel eens dat er een prins moet verschijnen op het toneel
van de geschiedenis die een Nieuw Romeins rijk zal aanvoeren, dan is het GEEN vervulling van vers
26. Ofwel moeten de legers van Titus en de generaal nog eens opnieuw uit de doden opstaan en
Jeruzalem aanvallen. De zeer duidelijk taal van het vers geeft slechts deze mogelijke interpretatie,
“het volk” en “de prins” horen bij elkaar. Iets ervan uitknippen en naar een andere toekomst
overhevelen is theologisch knutselwerk en toont geen respect voor de tekst van de Schrift.
Diverse problemen
In wat volgt gaan we niet alleen de visies nagaan van verscheidene dispensatieleraars, maar
ook van andere interpretaties zodat dit hoofdstuk ook als een apart geheel mag gezien worden in
wat Daniël 9:24-27 leert. William H. Shea, een zevendedagsadventist, is een voorvechter van het
jaar 457 voor Christus als het begin van de 70 jaarweken. We citeren uit zijn Internetartikel: ‘When
Did the Seventy Weeks of Daniel 9:24 Begin?’ “De specifieke vermelding van de naam “Jeruzalem”
helpt voorkomen dat er verwarring ontstaat met de herbouw van de tempel in Jeruzalem. Een stad is
niet een tempel en een tempel is niet een stad, maar een stad kan een tempel bevatten of er in de
buurt gevestigd zijn. Dit onderscheid is belangrijk omdat het decreet van Cyrus in Ezra 1:2-4
uitdrukkelijk de toestemming vermeldt voor de herbouw van de tempel, maar er is geen vermelding
van de stad. Naar aanleiding van dit decreet en een aanvullend decreet van Darius I, werd de tempel
herbouwd (Ezra 6:14-16), maar ook na de wederopbouw ervan lag de stad nog in puin. Dit was de
toestand waarin Nehemia haar ongeveer 70 jaar later vond, in het twintigste jaar van Artaxerxes I.
De tempel werd voltooid in het zesde jaar van Darius I, 516 BC, maar de stad was nog niet herbouwd
in de tijd van Artaxerxes in het midden van de volgende eeuw.” Dit is, om spaarzaam te zijn met wat
we willen uitdrukken, een verbastering van de feiten zoals de Schrift ze ons vermeld. De schrijver
gaat van een verkeerd standpunt uit, door de volle nadruk te leggen op wat we vinden in Ezra 1:2-4.
Als zijn visie de werkelijkheid is, dat er namelijk nog geen herstel werd gemaakt met het bouwen
van de stad, dan heeft de profeet Jesaja fouten gemaakt. Ofwel, ik geef die theoloog de keuze, dan
is God fout geweest in Zijn profetie. Want wat staat er over koning Cyrus (Kores) voorspeld? We
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 22
gaan naar Jesaja 44 waar: “de HEER, uw verlosser” aan het woord is. In vers 28 (Willibrordvertaling)
lezen we: “Die over Kores zegt: “Hij is mijn herder, en alles wat Mij behaagt brengt hij tot stand”, die
over Jeruzalem zegt: “Het zal herbouwd worden”, en tegen de tempel: “Word opnieuw gevestigd.”” Is
hier iets onduidelijks beschreven: 1° “herbouw” van Jeruzalem en 2° “vestiging” van de tempel?
Neen toch! Zodat we de redenering van William H. Shea niet mogen aannemen. Het is Kores die de
start geeft voor de bouw van zowel het een als het ander.
Zeg me niet: ja maar, want er staat nog meer daarover in het volgende hoofdstuk, in 45! “1 Zo
spreekt de HEER tot Kores, zijn gezalfde, die Ik bij de rechterhand heb genomen, (…) 2 ‘Ik zal voor u
uit gaan, (…) 13 Ik heb hem laten opstaan voor de overwinning en al zijn wegen maak Ik vlak; HIJ IS
HET DIE MIJN STAD ZAL HERBOUWEN en mijn verbannenen zal laten gaan, zonder betaling en niet
voor loon’.” We moeten daaruit nog wat herhalen: “hij is het die MIJN STAD zal herbouwen.” Dat
laat ons niet toe om met God te kibbelen. Als u bij de uitdrukking MIJN STAD iets anders kan
bedenken dan de stad Jeruzalem laat het me a.u.b. toch weten!
De argumenten hierboven van William H. Shea zullen voor een dispensationalist ongeveer op
hetzelfde neerkomen. Bij hem gaat de start dan in met het jaar 445 of 444 voor Christus, want de
herbouw van de stad plaatsen ze daar. Ze vinden geen herbouwde stad terug in Ezra. Omdat men
het boek niet goed leest en niet wil aannemen dat er al mensen gehuisvest waren. We hebben bij
een dergelijke redenering hetzelfde als kritiek. God liegt niet, de ingewikkelde theologische
constructies van geen van beiden deugt. U merkt het al, we gaan een zwaar debat aanzwengelen.
Laten we God maar spreken over deze zaken, zodat we onze stellingen verlaten als ze met de Bijbel
niet overeenstemmen. Wie echt niet kan wachten om de Schrift er nu al bij te halen, hier zijn een
reeks teksten die aantonen dat men met het bouwen van de stad geruime tijd bezig was voordat
Ezra er kwam of toen Nehemia er kwam. Dus kijk naar: Ezra 5:1 / 6:9 / 4:6 /
Neh.3:20,21,23,24,25,28,29 / 7:3 / Hag.1:4,9).
Lees vooral Haggaï, dat is duidelijk genoeg op zichzelf. Haggaï zei dit: “4 Is het voor ú de tijd
om in uw weldoortimmerde huizen te wonen, terwijl dit huis verwoest ligt? 9 Gij hebt op veel
gerekend, maar zie, het liep op weinig uit, en toen gij het binnengehaald hadt, blies Ik erin. Waarom
dat? luidt het woord des HEREN der heerscharen. Om mijn huis, dat verwoest ligt, terwijl gij draaft,
ieder voor zijn eigen huis.” Over deze profetie van Haggaï heeft John Walvoord het volgende te
zeggen. “Het is waar dat de kinderen van Israël huizen hadden gebouwd, maar blijkbaar stonden die
niet in Jeruzalem. De tempel van God woest laten liggen, terwijl ze in comfortabele woningen
leefden was een belediging voor God. Daarom draagt Haggaï ze op de tempel te bouwen. De vraag
of Jeruzalem werd herbouwd wordt beantwoord in de grafische beschrijving uit het boek Nehemia,
(…), die de stad als een volslagen volledige ruïne schetst (Nehemia 2:12-15). Hij beschrijft de
afgebroken muren, de poorten verteert door vuur, en de straten zo vol puin, dat het beest dat hem
droeg er niet door kon. In zijn uitdaging aan de kinderen van Israël, zegt Nehemia: “Nu zei ik tegen
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 23
hen: ‘Jullie zien in wat voor een ellendige toestand wij verkeren: Jeruzalem is verwoest en de
stadspoorten zijn door vuur verteerd. Kom, laat ons de muur van Jeruzalem weer opbouwen, zodat
wij die schande niet langer hoeven te dragen.’” (Nehemia 2:17 Willibrord). Verder is in Nehemia 11,
is het lot geworpen tot het indelen van de partijen, zodat een op de tien zou moeten verhuizen naar
Jeruzalem om er een huis (Nehemia 11:1) te bouwen.”
Walvoord heeft er de tekst niet uitgeschreven, maar hier is hij: “De leiders van het volk
vestigden zich in Jeruzalem. Het overige volk wees door loting van elke tien mensen er een aan om
in Jeruzalem, de heilige stad te gaan wonen, terwijl de negen overigen in de andere steden konden
blijven wonen.” – Nehemia 11:1 Willibrord. Vergeet er ook niet bij dat elke stam voordien al een
gedeelte van het land was toegewezen en dat ze nu opnieuw op dezelfde plaatsen gaan wonen. Een
groot deel van de stam Benjamin was de hoofdstad toegewezen en die woonden er nu ook weer.
Walvoord komt tot dit besluit: “Het is zeer belangrijk te begrijpen dat géén van de profetieën in 2
Kronieken of Ezra melding maakt van de stad, maar alleen de tempel. Bijgevolg is de beste
verklaring deze: dat het decreet met betrekking tot de wederopbouw van de stad is gegeven aan
Nehemia in 445 v. Chr., ongeveer negentig jaar na de eerste gevangenen terug en begon de bouw
van de tempel.” Over de andere conclusie van Walvoord, dat de huizen die gebouwd werden
volgens Haggaï 1, deze opmerking. We weten niet over welke huizen het gaat, deze in Jeruzalem of
daar buiten, omdat de tekst het niet te kennen geeft. Maar het is duidelijk uit wat we in de
volgende bladzijden citeren uit de Bijbel, dat er wel degelijk huizen gebouwd werden in de
hoofdstad. Dat maakt het vergelijk van Haggaï nog scherper: terwijl de bouw van de tempel stil ligt
is men bezig zich een mooi optrekje aan het maken.
De bewering van de dispensatieleer dat de zeventig weken met de wederopbouw van
Jeruzalem begint in de tijd van Nehemia (444 v. Chr. of 445) is totaal onjuist. Wanneer we wat
verder de toestemming van Artaxerxes aan Nehemia bekijken zien we dit: het staat niet in de vorm
van een afkondiging of een decreet. De brieven die Nehemia heeft ontvangen waren in de eerste
plaats vrijbrieven voor een veilige doortocht in de verschillende Perzische provincies, op weg naar
Juda (Nehemia 2:7). Bovendien is er een brief van “houtkap” dat is de toestemming van het gebruik
van hout uit de Koninklijke bossen. Die zijn bedoeld voor het specifieke bouwprogramma,
poortdeuren, dat hij zou laten uitvoeren (Nehemia 2:8). Nehemia heeft NOOIT een Koninklijke
specifieke uitvaardiging ontvangen die hem toeliet om Jeruzalem te herbouwen. Hij vroeg en kreeg
van koning Artaxerxes de toestemming om het gemeenschapsleven in Jeruzalem uit te bouwen. Hij
had géén toestemming voor de wederopbouw van een volledig verlaten stad want dat was niet
nodig aangezien dat begon met koning Cyrus. De stad was niet verlaten dan alleen, alles verliep er
nogal ongeordend.
Wanneer we de sombere beschrijving over de stad Jeruzalem in Nehemia 1er op nalezen,
merk je enkele dingen op. Zeer waarschijnlijk had hij de stad nooit eerder bezocht, maar had
meldingen ontvangen van anderen, hoe het er aan toeging. Je krijgt in dat hoofdstuk 1 in ieder
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 24
geval de indruk dat er een gemeenschap in Jeruzalem is, maar je loopt er zomaar binnen en buiten
want de muren zijn in een hopeloze staat. Anders dan de steden in die dagen lijkt het een open
stad. Feit is dat de stad bewoond is, maar nog niet hersteld zoals in zijn oude glorie, maar toch
bewoond. We moeten concluderen met de woorden van Jesaja, dat door koning Cyrus de feitelijke
opdracht Jeruzalem te herbouwen is gegeven. - Zie Ezra 1:1-8 / 6:1-5. De Schrift leert dat met Cyrus,
de herbouw van de stad begon, gesymboliseerd met de herbouw van de tempel. Die werd voltooid
rond 516 v. Chr. zeventig jaar na de vernietiging van de eerste tempel.
In de tijd van Nehemia zijn het - en lees dat a.u.b. – ook en wellicht vooral de inwoners van
Jeruzalem die deelnamen aan de wederopbouw van de muren (Nehemia 3:1-32). Er zijn bovendien
meerdere aanwijzingen dat er veel huizen in Jeruzalem zijn op dit moment ondanks dat de
dispensationalisten het tegendeel beweren. Maar stukken uit de Bijbel niet lezen is geen afdoende
bewijs er niet op te wijzen. Lees dus dit:
 Nehemia 3:10 zegt: “Daarnaast was bezig Jedaja, de zoon van Charumaf, en wel
TEGENOVER zijn eigen huis.”
 Nehemia 3:23: “Verderop waren bezig Benjamin en Chassub TEGENOVER hun huis.”
 Nehemia 3:26: “26 de tempelhorigen woonden op de Ofel – tot bij de Waterpoort aan de
oostzijde.”
 Nehemia 3:28: “Vanaf de Paardenpoort waren de priesters bezig, ieder TEGENOVER zijn
huis.”
 Nehemia 3:29: “Verderop was bezig Sadok, de zoon van Immer, TEGENOVER zijn huis.
Verderop weer was bezig Semaja, de zoon van Sekanja, de wachter van de Oostpoort.”
 Nehemia 3:30: “Verderop was bezig Mesullam, de zoon van Berekja, TEGENOVER zijn
kamer.”
Wie hebben dan al huizen in de stad van de grote koning: gewone burgers, priesters,
tempelhorigen en poortwachters. Dus vertel het argument van de dispensatieleer, over de lege
stad, in dat verband niet verder. De kritiek die men ook nog geeft is deze van Nehemia 7: “4 De stad
nu was ruim en groot, maar het inwonertal was gering, en er waren geen huizen gebouwd.” Maar
laten we niet te hard van stapel lopen en zeker niet vergeten wat er vooraf gezegd wordt in vers 3:
“En gij zult wachtposten opstellen van de inwoners van Jeruzalem, ieder op zijn post, ieder
tegenover zijn huis.” Ja, men verzekerde de wacht in de omgeving van zijn EIGEN HUIS. Zijn het vers
3 en 4 dan niet tegenstrijdig? Op het eerste zicht wel! De diverse uitleggingen gaan we niet
opsommen, maar je kunt dat vers 4 niet laten primeren tegenover vers 3 en wat we al citeerden uit
hoofdstuk 3. De uitleg van Adam Clarke bij deze tekst lijkt ons nog de beste uitleg: de stad is zeer
groot en men heeft de muren herbouwd op dezelfde plaatsen als waar ze vroeger stonden. Gezien
er weinig inwoners in de stad zijn lijkt ze totaal verlaten. Wie er woont (in een huis of tent) doet dat
dicht bij de muur om ze te kunnen beveiligen. De bebouwde kom was niet groot en veel van de stad
lag nog in puin, en op een bepaalde plaats kon zelfs het rijdier van Nehemia er niet door. L. Allen
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 25
merkt hierbij op dat de stad méér leek op een spookstad, want nadat de muren gebouwd waren
gingen allen die uit andere steden kwamen na de bouw van de muren terug naar huis. L. Allen and
T. Laniak, ‘Ezra, Nehemiah, Esther’, Hendrickson, 2003, blz.122.
We willen nog eens opmerken dat het “besluit” om Nehemia naar Jeruzalem te laten gaan door
de Perzische koning, opgenomen is in Nehemia 2. Dat heeft niet hetzelfde niveau als het officiële
decreet eerder gegeven aan Ezra. We moeten daar oprecht in zijn. Het verhaal van Nehemia staat in
relatie tot het voorgaande (= antecedente) decreet van Ezra. In werkelijkheid is wat in Nehemia
staat een “mededeling” aan wie de man ooit zou willen tegenwerken. Nehemia kreeg een brief
waarin stond dat hij gemachtigd was om erkenning te hebben in het werk dat beschreven stond. Hij
kreeg er het recht door, hulp te ontvangen voor de taken die de koning hem toeliet uit te voeren.
Het had iets van een decreet, maar het was niet helemaal hetzelfde als wat voordien al beschreven
was door Cyrus en de daaropvolgende koningen. Het klopt dat naarmate men de stukken leest in de
betrokken Bijbelboeken, dat er precies aan de mededelingen van de wederopbouwprojecten wat
bijgevoegd wordt. Maar de oorspronkelijke vergunning en de aanvullende vergunningen zijn niet
anders uit te leggen alsdat het gaat om het bouwen van zowel de tempel als de stad. Door allerlei
omstandigheid is wat moest uitgevoerd worden door de jaren heen voltooid door Nehemia. Maar
dan een gedeeltelijke afwerking. Want er is dan nog dit: men is zowel aan de tempel als de stad
permanent blijven werken tot in de dagen van Jezus. Het was er toen zelfs permanent een
bouwwerf door de toenmalige koningen, vooral Herodes de Grote.
We willen omwille van de aard van onze aanpak vooraf uitgebreide achtergronden bekijken van
de geschiedkundige tijd en taalgebruik voordat we naar de tekst zelf gaan kijken. U leest dit dan in
twee opeenvolgende delen. Langdradig, zult u wellicht zeggen naar het einde toe. Maar John
Walvoord, de verdediger van het dispensationalisme, schreef jaren geleden het volgende: ”De uitleg
van de openbaring van de zeventig weken (Daniël 9:24-27) is één van de beslissende factoren uit het
ganse systeem van de profetie. De aandacht die alle scholen van Bijbeluitleg en de aanvallen op de
authenticiteit van het boek zelf is als een baken van licht op dit onderzoek. De uitleg van dit
gedeelte kleurt zondermeer alle andere profetische inzichten en een goed verstaan ervan is het
sine qua non van elke student van de profetie” (Bibliotheca Sacra, volume 101, blz.30, Jan-Mar,
1944, wij onderlijnen). We gaan nog veel dieper graven in die tekst, dan wat Walvoord gedaan heeft
en zijn zwakke punten belichten als volgeling van de leer van de bedelingen.
Wij citeren wat van Harold Camping en zijn kritiek om te starten bij Kores als het begin van de
70 jaarweken, uit zijn brochure ‘The Seventy weeks of Daniel 9’ (blz.4, versie van Internet uit 2005).
“Helaas is er een fatale fout om deze kandidatuur onder beschouwing te nemen als het begin van de
70 weken. Er is geen enkele mogelijke manier, op een 70jarenweek basis, om een verband te leggen
tussen de jaren 537 voor Christus, van de Heere Jezus, die werd gedoopt in het jaar 29 na Christus
gekruisigd en in het jaar 33 na Chr.” Dat Harold Camping geen manier heeft gevonden bij onze
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 26
uitleg, wil nog niet zeggen dat die er niet is.
Als ik een korte uitleg mag geven van wat volgt dan is het dit. Het is zondermeer duidelijk dat
we de bouw van de tempel en van de stad Jeruzalem moeten zetten in de vervulling van wat er
gebeurde in de tijd van koning Kores. In de ogen van God is deze man: “een gezalfde koning”,
iemand die Gods goedkeuring wegdraagt en is aangesteld door God om een bepaald werk te doen.
Jesaja 45:1 NBG is daar duidelijk in: “Zo zegt de HERE tot zijn gezalfde, tot Kores, wiens
rechterhand Ik gevat heb om volken vóór hem neer te werpen.” Kores is een gezalfde van God om
het herstel van Israël te laten uitvoeren en de bouw van de tempel te laten plaatsvinden. Wanneer
we Daniel 9:24-27 niet hier, maar ergens anders laten beginnen dan hebben woorden hun echte
betekenis verloren. Want we lezen in de Bijbel duidelijk dat:

Jesaja 44:28 NBG: “die tot Kores zeg: Mijn herder, hij zal al mijn welbehagen volvoeren
door TOT JERUZALEM te zeggen: Het worde herbouwd EN DE TEMPEL worde gegrondvest.”

2 Kron.36:22,23 SV77: “Maar in het eerste jaar van Kores, koning van Perzië, opdat
volbracht zou worden het woord des HEEREN, door de mond van Jeremía, verwekte de
HEERE de geest van Kores, koning van Perzië, dat hij een stem liet doorgaan door zijn
ganse koninkrijk, zelfs ook in geschrift, zeggende: 23 Zo zegt Kores, koning van Perzië: De
HEERE, de God des hemels, heeft mij alle koninkrijken der aarde gegeven; en Hij heeft mij
bevolen Hem een huis te bouwen te Jeruzalem, dat in Juda is; wie is onder u van al Zijn
volk? De HEERE, zijn God, zij met hem, en hij trekke op.”

Ezra1:1-5 SV77: “In het eerste jaar nu van Kores, koning van Perzië, opdat volbracht zou
worden het woord des HEEREN, uit de mond van Jeremía, verwekte de HEERE de geest
van Kores, koning van Perzië, dat hij een stem liet doorgaan door zijn ganse koninkrijk,
zelfs ook in geschrift, zeggende: Zo zegt Kores, koning van Perzië: De HEERE, de God des
hemels, heeft mij alle koninkrijken der aarde gegeven; en Hij heeft mij bevolen Hem een
huis te bouwen te Jeruzalem, dat in Juda is. Wie is onder u van al Zijn volk? Zijn God zij
met hem, en hij trekke op naar Jeruzalem, dat in Juda is, en hij bouwe het huis van de
HEERE, de God van Israël; Hij is de God, Die te Jeruzalem woont. En al wie achterblijven
zou in enige plaatsen, waar hij als vreemdeling verkeert, hem zullen de lieden van zijn
plaats bevoordelen met zilver, en met goud, en met have, en met beesten; benevens een
vrijwillige gave, voor het huis Gods, Die te Jeruzalem woont. Toen maakten zich op de
hoofden der vaderen van Juda en Benjamin, en de priesters en de Levieten, benevens een
ieder, wiens geest God verwekte, dat zij optrokken om te bouwen het huis des HEEREN,
die te Jeruzalem woont.”
In de NBG-vertaling van 1951, zijn er 19 vindplaatsen in 18 verzen voor het begrip “BEVEL” in
de boeken Ezra en Nehemia. De teksten die niets te maken hebben met de bouw van de stad
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 27
Jeruzalem, de tempel in de stad en de muur ter bescherming geven we niet weer, maar hier is de
rest onderverdeeld in twee zaken. Enkele ervan hebben betrekking op de buren van de
teruggekeerde Joden uit de Babylonische gevangenschap. Ze willen een verbod uitvaardigen tegen
de bouw van de stad en de tempel. Dit zijn er enkele van.
Teksten van tegenstanders:

Ezra 4:19: “en door mij is BEVEL gegeven, en men heeft onderzoek gedaan en bevonden,
dat deze stad sinds de dagen van ouds tegen de koningen opstandig is geweest, en dat
men wederspannigheid en oproer in haar stookte.”

Ezra 4:21: “Geeft dan nu BEVEL, deze lieden de arbeid te doen staken, opdat deze stad niet
herbouwd worde, aleer door mij BEVEL wordt gegeven.”

Ezra 5:3: “In diezelfde tijd echter kwam Tattenai, de stadhouder van het gebied over de
Rivier, tot hen met Setar-Boznai en hun ambtgenoten en zij spraken tot hen aldus: Wie
heeft u BEVEL gegeven dit huis te bouwen en deze muur te voltooien?”

Ezra 5:9: “Daarop hebben wij die oudsten ondervraagd; wij hebben tot hen aldus gezegd:
Wie heeft u BEVEL gegeven dit huis te bouwen en deze muur te voltooien?”
Men onderzoekt later in de koninklijke archieven of Kores (of een andere koning) het bevel
heeft gegeven tot het herbouwen van Jeruzalem als stad en er een tempel in op te richten. Dat blijkt
waar te zijn, die documenten bestaan. Zodat er geen enkele reden is om de mensen die aan het
bouwen zijn in Jeruzalem ook maar iets te verbieden. Er zijn zelfs bevestigingen bij dat het originele
bevel van Kores afkomstig is. We citeren deze teksten die betekking hebben op de stad, de tempel
en de muren rond de stad, dus de burgerlijke (huizen en muren) en religieuze (tempel en
priesterschap) zaken die hersteld werden.

Ezra 5:13: “Maar in het eerste jaar van KORES, de koning van Babel, gaf koning KORES
BEVEL dit huis Gods te herbouwen.”

Ezra 5:17: “Welnu, indien het de koning goeddunkt, dan moge er een onderzoek worden
ingesteld in de schatkamer des konings, aldaar, namelijk in Babel, of werkelijk vanwege
koning KORES BEVEL is gegeven tot herbouw van dit huis Gods te Jeruzalem; en de koning
moge ons zijn beslissing hieromtrent doen toekomen.”

Ezra 6:3: “In het eerste jaar van koning KORES gaf koning KORES dit BEVEL: Wat betreft het
huis Gods te Jeruzalem, dat huis moet worden herbouwd tot een plaats waar men
slachtoffers brengt; en zijn fundamenten moeten gelegd worden; zijn hoogte moet zestig
el bedragen, zijn breedte zestig el.”
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 28

Ezra 6:8: “Tevens is door mij BEVEL gegeven aangaande hetgeen gij doen zult aan deze
oudsten der Judeeërs bij de bouw van dit huis Gods: uit de koninklijke inkomsten, uit de
schatting van het gebied over de Rivier, zal nauwkeurig en zonder uitstel uitbetaling aan
die mannen worden gedaan.”

Ezra 6:11: “Voorts is door mij BEVEL gegeven, dat er van ieder die dit besluit overtreedt,
een paal uit zijn huis zal worden gerukt, opdat hij daaraan gehangen en vastgeslagen
worde, en dat daarom zijn huis tot een puinhoop zal gemaakt worden.”

Ezra 6:12: “De God nu, die zijn naam daar heeft doen wonen, stote iedere koning en elk
volk neder, die als overtreders hun hand uitstrekken om dit huis Gods te Jeruzalem te
verwoesten. Ik, Darius, heb BEVEL gegeven; het worde nauwkeurig uitgevoerd!”

Ezra 6:14: “De oudsten der Judeeërs bouwden voorspoedig voort tijdens het profeteren van
de profeet Haggai en van Zacharia, de zoon van Iddo; zij voltooiden de bouw volgens het
gebod van de God van Israël en volgens het BEVEL van KORES, Darius en Artachsasta,
koning van Perzië.”

Ezra 7:13: “Door mij is BEVEL gegeven, dat ieder die in mijn koninkrijk tot het volk Israël,
zijn priesters of de Levieten behoort, en zich bereid verklaart naar Jeruzalem te gaan, met
u mag meegaan.”

Ezra 7:21: “Voorts is door mij, koning Artachsasta, BEVEL gegeven aan alle
schatbewaarders van het gebied over de Rivier: alles wat de priester Ezra, de geleerde in
de wet van de God des hemels, u zal vragen, zal stipt worden uitgevoerd.”

Nehemia 13:9: “Op mijn BEVEL reinigde men de vertrekken, en ik bracht het gerei van het
huis Gods, het spijsoffer en de wierook daarin terug.”

Nehemia 13:19: “Zodra het dan in de poorten van Jeruzalem donker werd, vóór de sabbat,
sloot men op mijn BEVEL de deuren, en ik beval, dat men ze niet zou openen tot na de
sabbat. En ik stelde enige van mijn knechten bij de poorten op, – er zou geen vracht op de
sabbatdag binnenkomen.”
Zonder enige twijfel kunnen drie conclusies getrokken worden uit al deze teksten:
1°) Kores geeft TWEE opdrachten aan de Joodse bevolking in zijn rijk:
door tot Jeruzalem te zeggen:
a) Het worde herbouwd (dat is een stad bestaande uit huizen en verdedigingsmuren)
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 29
b) en de tempel worde gegrondvest (dat is een tempel en een dienstdoende klerus)
2°) Het bevel van Kores krijgt een onmiddellijke opvolging, zodat we niet naar een latere
datum moeten zoeken waar Daniël 9:24-27 zou kunnen starten. Absoluut niet of we
maken van wat daar staat, geankerd aan Jesaja hoofdstukken 44 en 45 een profetie die
onvervuld is. Gezien er sprake is over de Kores uit de 6ste eeuw vóór Christus moet
men daar de start nemen van de profetie. Je kunt het dan niet meer uitsmeren naar een
verre of nabije toekomst. We zeggen dit met het oog op de Joden.
3°) Zodat de uitleg van de Adventisten, waar men start in 457 v. Chr., of de dispensationalisten, waar men start in 445 of 444 v. Chr., van Jesaja hoofdstukken 44 en 45 een valse
profetie maakt.
We lopen even uit naar wat we later uitleggen. Bijna allen zijn het erover eens dat de eerste
twee eenheden in de tijdsperiode (zeven en tweeënzestig) onmiddellijk na elkaar volgen. Waarom
zou de laatste periode van zeven dat niet zijn? John Walvoord, de dispensationalist, bekritiseert
Philip Mauro omdat hij de laatste zeven jaar als een onbepaalde tijd ziet. Hij zegt: “In het licht van
de nauwkeurigheid van de zeventig jaar van de gevangenschap, vermeld in hetzelfde hoofdstuk,
blijkt uit de context de waarschijnlijkheid van een letterlijke bedoeling van de openbaring.” - Volgens
Walvoords commentaar op vers 24. Mauro, advokaat van beroep, maakt van de zeventigste week
een periode van veertig jaar. Hij verlengt Gods genadige lankmoedigheid tegenover Israël als deel
van die laatste week. Walvoord en de andere dispensationalisten hebben een kloof van bijna 2000
jaar lang. Dat lijkt ons als het ontkennen van de mogelijkheid van de tijdsmeting. Waarom heeft
Walvoord dan kritiek op Mauro, hij is toch zelf niet “meer letterlijk?” De mening van Ph. Mauro is
hoe dan ook nauwkeuriger dan wat Walvoord schrijft. Bij Mauro zijn de gebeurtenissen van dat
laatste vers gerekend bij de tijdperiode van een mensengeslacht in dezelfde eeuw! In Walvoord’s
gedachten is het gescheiden door bijna twee millennia!
Iedereen is het er over eens dat er een decreet tot het herbouwen van de tempel, gegeven
is door Kores = Cyrus in ongeveer 538 (537 of 536) voor Christus. De vraag is: of dit decreet ook de
toestemming aan de wederopbouw ‘van de stad’ geeft? We geven in wat volgt het duidelijke bewijs
dat ook de stad werd herbouwd sinds die tijd. Dit geven echter dezen aan die zeggen dat er van een
herstel van de stad hier geen sprake is: de precieze formulering van de drie decreten zoals
opgetekend in 2 Kronieken 36 en in Ezra lijken alleen met de tempel wat te maken te hebben. Aan
een wederopbouw van de stad werd niet voldaan tot de tijd van Nehemia. Deze man kreeg volgens
het decreet in Nehemia 2:1-8 duidelijk de opdracht de stad als geheel te bouwen. Tot zover wat
dispensationalisten er in het kort over leren.
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 30
Dit is wat John Walvoord, de dispensationalist, hierover schrijft in zijn commentaar op
Daniel als bewijsvoering hierbij: “Men gebruikt als argument wat uit Ezra 4:12-21 geleerd zou
worden: dat de muren van de stad herbouwd waren op dat moment en dat de verwijzing naar “een
muur in Juda” in Ezra 9:9 betekent dat ze tot voltooiing gekomen waren. Er is geen bewijs dat de
bouw van de muur opnieuw was toegestaan in 457 v. Chr. Een zorgvuldig onderzoek van deze
passages bewijst niet met alle duidelijkheid dat de muur ooit werd voltooid of zelfs begonnen. De
beschuldigingen van de vijanden van Israël waren grotendeels onjuist, omdat uit de gegevens
uitdrukkelijk blijkt dat ze alleen een tempel aan het bouwen waren. De omvang van de puinhopen in
de stad Jeruzalem en “van de muur” die twaalf jaar later, vermeld in Nehemia, zijn zodanig van aard
dat de beste interpretatie is: ze te verwijzen naar de verwoesting van Jeruzalem in 586 voor Christus.
Eventueel een eerdere datum dan 445 v. Chr. aangeven voor de wederopbouw van de muur is
gebaseerd op onvoldoend bewijs.” We gaan zijn argumenten nauwkeurig na in wat volgt, maar
weten u nu al te zeggen dat ze niet al te zwaar wegen.
Voor enkele Amerikaanse evangelische theologen die van opvatting zijn dat begin van de
zeventig weken in 457 v. Chr. valt zie: G. L. Archer, Jr., ‘A Survey of Old Testament Introduction’,
blz.387; J. B. Payne, artikel ‘Daniel,’ Zondervan Pictorial Bible Dictionary’, blz.198; J. B. Payne, ‘The
Theology of the Older Testament’, blz.521.
Deel een: de achtergrond
In Daniël 9:24-27 NBG staat: “Zeventig weken zijn bepaald over uw volk en uw heilige stad,
om de overtreding te voleindigen, de zonde af te sluiten, de ongerechtigheid te verzoenen, en om
eeuwige gerechtigheid te brengen, gezicht en profeet te bezegelen en iets allerheiligst te zalven.
Weet dan en versta: vanaf het ogenblik, dat het woord uitging om Jeruzalem te herstellen en te
herbouwen tot op een gezalfde, een vorst, zijn zeven weken; en tweeënzestig weken lang zal het
hersteld en herbouwd blijven, met plein en gracht, maar in de druk der tijden. En na de tweeënzestig
weken zal een gezalfde worden uitgeroeid, terwijl er niets tegen hem is; en het volk van een vorst
die komen zal, zal de stad en het heiligdom te gronde richten, maar zijn einde zal zijn in de
overstroming; en tot het einde toe zal er strijd zijn: verwoestingen, waartoe vast besloten is. En hij
zal het verbond voor velen zwaar maken, een week lang; in de helft van de week zal hij slachtoffer
en spijsoffer doen ophouden; en op een vleugel van gruwelen zal een verwoester komen, en wel tot
aan de voleinding toe, en waartoe vast besloten is, dat zal zich uitstorten over wat woest is.”
En dit is de HSV: “24 Zeventig weken zijn er bepaald over uw volk en uw heilige stad, om de
overtreding te beëindigen, de zonden te verzegelen, de ongerechtigheid te verzoenen, om een
eeuwige gerechtigheid tot stand te brengen, om visioen en profeet te verzegelen, en om de
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 31
Heiligheid van heiligheden te zalven. 25 U moet weten en begrijpen: vanaf de tijd dat het woord
uitgaat om te laten terugkeren en om Jeruzalem te herbouwen tot op Messias, de Vorst, verstrijken
er zeven weken en tweeënzestig weken. Plein en gracht zullen opnieuw gebouwd worden, maar wel
in benauwde tijden. 26 Na de tweeënzestig weken zal de Messias uitgeroeid worden, maar het zal
niet voor Hemzelf zijn. Een volk van een vorst, een volk dat komen zal, zal de stad en het heiligdom te
gronde richten. Het einde ervan zal zijn in de overstromende vloed en tot het einde toe zal er oorlog
zijn, erwoestingen waartoe vast besloten is. 27 Hij zal voor velen het verbond versterken, één week
lang. Halverwege de week zal Hij slachtoffer en graanoffer doen ophouden. Over de gruwelijke
vleugel zal een verwoester zijn, zelfs tot aan de voleinding, die, vast besloten, uitgegoten zal worden
over de verwoeste.”
Een harde noot om te kraken omdat er nogal wat onkruid in de theologische hof staat,
zogezegd gebaseerd op de “enige” juiste uitleg van dat Bijbelgedeelte. We zullen enkele zaken met
wortel en tak moeten uit de grond halen voor verbranding!
De tabel onderaan komt uit een artikel van Marc Verhoeven, ‘De 70 jaarweken in het boek
Daniël’ van het Internet. Update 28-01-2007. Dat leert men in de dispensaties, een breuk van
honderden jaren tussen de dood van Jezus en Zijn Wederkomst. Maar dit kan theologisch niet. De
redenen waarom geven we ook later aan.
geboorte hemelvaart
445 vC
?
0 30 nC
opname
Satan
komst van de
Heer
einde tijden der
heidenen
49
434 jaren
Gemeente
jaren
3,5 jaren (1)
3,5 jaren (2)
Antichrist
grote
1000 jaren eeuwigheid
verdrukking
7
62 weken
weken
verborgen
70ste jaarweek
heid
483 prof.
7 prof. jaren
jaren
70 jaarweken van Daniël 9:24 = 490 profetische jaren
Als de kloof tussen de weken 69 en 70, in de leer van dispensaties met betrekking tot de
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 32
zeventigste week er echt is, dan is de kloof tussen de zeventigste week en de negenenzestigste week
bijna 2000 jaar lang. Dat is dus vier keer de hele periode van de zeventig weken of 490 jaar! Hoe
kunnen dispensationalisten verwachten dat we hen geloven wanneer ze zeggen: we nemen de tekst
letterlijk! In werkelijkheid zijn er drie berekeningen, met een andere begindatum en een andere
einddatum. Toch beweren alle drie voor de exacte vervulling van de eerste 69 weken: tot op de dag
nauwkeurig! Maar dan vragen ze ons dat een onderbreking van duizenden jaren na die 69 weken
gewoon in de lijn van de letterlijke uitlegt ligt. Charles Ryrie, lacht zelfs met amillennialisten voor de
datering van het decreet van Dan.9:24 in 538 v. Chr. Hij doet het omdat: “dit het effect heeft van het
toestaan dat de zeventig zevens een onnauwkeurig duur” hebben. Later in zijn uitleg draait hij
echter bij door op te merken: “Er is een interval van onbepaalde duur tussen de eerste
negenenzestig weken die elk zeven jaar duren en de laatste of de zeventigste week van zeven jaar!”
Aanhangers van de leer dat er een kloof is tussen de laatste en voorlaatste week zullen
hierbij opmerken dat er al kerkvaders waren die dat leerden. Men beroept zich op Hippolytus van
Portus Romanus (derde eeuw) of Apollinaris van Laodicea (vierde eeuw). Dat vereist een onderzoek
naar deze bewering. In de eerste plaats hadden, deze twee mannen opvattingen waarvan de
meerderheid in de vroege kerk zijn wenkbrouwen zou fronsen. Ze hadden in hun interpretatie
uiteenlopende elementen die weliswaar niet worden opgevolgd door de huidige futuristische
uitleggers van de dispensatieleer. Je kunt die kerkvaders niet als voorlopers zien. Zo rekent
Hippolytus de jaren vanaf Cyrus (of vanaf Darius de Meed) als het begin van de periode tot de
incarnatie van Christus. Dat is natuurlijk een chronologische onmogelijkheid want men verlengt de
tijdsperiode. Het gaat niet om letterlijke jaren. Een twee punt: allen die Hippolytus citeren voor de
interpretatie van een “kloof” volgen de details van zijn theorie niet. Net zomin zullen zij instemmen
met zijn verwachting van de Wederkomst van Jezus omstreeks het jaar 500. Van historische
precedenten voor de leer van een “kloof” is dus geen sprake.
De Revised Scofield Reference Bible geeft bij Dan.9:24 een lange voetnoot bestaande uit
zeven punten om deze Messiaanse profetie als volgt te verklaren:
“1. De 70-weken profetie heeft met name betrekking op Daniël's 'volk' en de 'heilige stad', d.w.z. op
Israël en Jeruzalem.
2. Er wordt melding gemaakt van twee vorsten: de eerste wordt 'de Messias, de Vorst' (vs 25)
genoemd, de tweede de 'vorst die komen zal' (vs.26). De tweede is de 'kleine hoorn' uit hoofdstuk 7
en 8, die het herbouwde Jeruzalem zal verwoesten, nadat de gezalfde vorst gedood is (vs.26).
3. De zeventig weken zijn 'jaarweken', een belangrijke op de sabbat gebaseerde tijdspanne in de
joodse kalender
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 33
4. De 70 weken zijn 490 profetische jaren van 360 dagen, want 'tijd, tijden en een halve tijd'
(Dan.7:25) is volgens Openbaring 11:2 en 13:5 gelijk aan 42 maanden en volgens Openb. 12:6 en
13:3 aan 1260 dagen.
5. De aanvang van de 70 weken wordt gesteld op 'vanaf het ogenblik, dat het woord uitging om
Jeruzalem te herstellen' (vs 25). Het enige bevel om Jeruzalem te herstellen dat we in de Bijbel
vinden, wordt gemeld in Nehemia 2: de maand Nisan in het 20e jaar van koning Artaxerxes (= 445
v.Chr.)
6. Na 69 weken (62+7) gebeuren er twee belangrijke dingen: 1. Een gezalfde wordt uitgeroeid en 2.
De herbouwde stad en het heiligdom worden verwoest door het volk van een andere vorst, die nog
zal komen. Over het algemeen wordt aangenomen dat deze gebeurtenissen vervuld werden in het
sterven van Christus en de verwoesting van Jeruzalem (70 n.Chr).
Er ligt dus een tijd (van ongeveer 40 jaar) tussen de dood van Jezus en de verwoesting van de stad en
ook een tussen de 69e en de 70e jaarweek.
7. De hoofdgebeurtenissen van de laatste jaarweek zijn (vs 27):
i. Een verbond van 7 jaar wordt door de toekomstige Romeinse vorst (de 'kleine hoorn' uit hfst 7 en
8) met de Joden gesloten.
ii. Halverwege de 7 jaar wordt de joodse godsdienst gewelddadig onderbroken door een vorst die
een 'gruwel van verwoesting' aanricht en het heiligdom verwoest.
iii. Tegelijkertijd laat hij de joden vervolgen.
iv. Aan het einde van de 7 jaar zal er een oordeel komen over deze verwoester (vs 27) en zal er een
eeuwige gerechtigheid aanbreken (vs 24).
Dat deze laatste jaarweek nog niet is aangebroken, zien we in het gegeven dat Jezus deze
gebeurtenissen in Matt. 24 (vs 6 en 15) verbindt met zijn tweede komst. Dus moet tussen de 69e en
de 70e week de tijd van de gemeente liggen, zoals deze in het NT naar voren komt. Het komen van
deze tijd is in het OT niet geopenbaard.” Einde citaat uit de Scofield Reference Bible.
Er is in verband met de Scofield Reference Bible vooraf wat op te merken. Albertus Pieters
schreef ergens: “Van start tot finish is het [de Scofield Bijbel] zeker een partijdig boek, zowel openlijk
als onder bedekte termen, een instrument van propaganda in het voordeel van een uiterst
twijfelachtige eschatologie (…) Als Darby en zijn school gelijk hebben, dan had de hele christelijke
kerk het mis op een essentieel onderdeel van het christelijk geloof: achttienhonderd jaar lang.” –
‘Candid Examination of the Scofield Bible’, Albertus Pieters, (Union City, PA, Bible Truth Depot, 1932)
blz.25,27 Dr. T. T. Shields merkte humoristisch op: “Vanuit een positie van gehele onwetendheid van
de Schrift naar een positie van orakelachtig religieuze zekerheid - vooral op het
gebied van eschatologisch aangelegenheden - voor sommige mensen lukt het, met maar drie tot zes
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 34
maanden een Scofield Bijbel bestudeerd te hebben.” – ‘The Gospel Witness’ (Toronto Canada, April
7th, 1932).
J.N. Darby
We citeren wat uit het artikel: ‘Verbondsleer versus Dispensationalisme, Een kwestie van
Wet versus Genade’ naar een artikel van: Bob Nyberg, vertaald en bewerkt D.T. Brinkman vanuit
www.scofieldbijbelcollege.nl Het leert ons wie de grondlegger is van de dispensatieleer.
“Darby ging uit van een letterlijke, historisch-grammaticale, methode van Bijbeluitleg. Bij zijn studie
van Gods Woord, in dit licht, leek het onderscheid tussen Israël en de Gemeente “van de pagina’s af
te druipen”” Hij, samen met zijn tijdgenoten, aanvaarde de waarheid van het ‘dispensationalisme’ –
en werkte het uit tot een meer systematische, theologische, vorm. God gebruikte dit om de kerk niet
alleen terug te laten keren naar de principes van genade als grondslag voor het Christelijke leven,
maar ook te wijzen op de aanstaande, premilleniale, komst van Christus.”
We moeten voor we verder gaan wat zeggen over de kritiek die degenen gebruiken die geloven in
het jaar 457 (456) v. Chr. als de start van de 70 weken contra de dispensatieleer. Dat heeft te maken
met de opmerkingen van Ezra over zijn opdracht die hij door de koning heeft ontvangen. Nu geeft
zijn commentaar opgenomen in Ezra 9:9 duidelijk aan dat hij begreep dat in zijn opdracht ook de
wederopbouw van de stadsmuur van Jeruzalem inbegrepen was.
Ezra 9:9 NBG zegt: “want wij zijn wel slaven, maar in onze slavernij heeft onze God ons niet
verlaten; Hij heeft ons gunst doen vinden bij de koningen van Perzië, dat zij ons verademing gaven
om het huis van onze God te doen herrijzen en zijn puinhopen te herstellen, en ons een omtuining
gaven in Juda en in Jeruzalem.” De Willibrord vertaling zegt nog duidelijker: “Want slaven zijn wij,
maar in onze slavernij heeft onze God ons niet verlaten, maar Hij heeft ons genade laten vinden bij
de koningen van Perzië. Zij hebben ons steun gegeven om het huis van onze God weer op te bouwen
EN uit de puinhopen te laten herrijzen en onze woonplaatsen in Juda en Jeruzalem te ommuren.”
Ezra geeft hier de eigen interpretatie van zijn opdracht door koning Artaxerxes gegeven. Daaruit
blijkt dat hij wist dat het meer dan alleen met de tempel te maken had. Hij noemt het herstel van
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 35
de Tempel maar ook de wederopbouw van de muur rond de heilige stad Jeruzalem en zelfs bakens
rond het landsgebied. Als de dispensationalisten het decreet van Artaxerxes uit 457 v. Chr. niet
aannemen als met betrekking de bouw van de muren is zondermeer wat Ezra 9:9 leert ons als
onjuiste informatie doorgegeven. De Bijbel zou dan verkeerde informatie bevatten, of zeggen we
het dan maar gewoon: leugens vertellen. Als dispensationalisten 445 v. Chr. als uitgangspunt
gebruiken en als start nemen om terug te keren naar Jeruzalem en de muren van de stad te
herbouwen is geen rekening gehouden met Ezra 9:9.
Laten we dan maar starten met deze voor velen wellicht zware taak. We hebben een
zoekwerk uitgevoerd in de boeken Ezra en Nehemia met de vertaling van het Nederlandse
Bijbelgenootschap van 1951. We bekijken enkele begrippen die te maken hebben met het herstel
van Jeruzalem na de gevangenschap in Babylon; van de stad, tempel, poorten en muren. We doen
dat vooraf omdat dispensationalisten zeer laks omspringen met die gegevens en vanuit “een muur”
die gebouwd wordt in Nehemia de ganse profetie van Daniël 9:24-27 willen uitleggen. Dat is niet
mogelijk. Het afwerken van de muur is het slot het eerste deel van de profetie (7 jaarweken) en niet
het begin ervan. Dit is het resultaat van dat opzoeken, conclusies volgen hierop. U hoeft al die
teksten niet te lezen, dan gaat u vier bladzijden verder. Je kunt er naar een tekst zoeken die we
aanhalen. Alles lezen heeft een voordeel, je merkt dan onmiddellijk dat dispensationalisten EN
ANDEREN wat beweren over de start van de 70 jaarweken die absoluut niet klopt.
“Herstellen”, 1 vindplaats in 1 vers
Ezra 9:9: “want wij zijn wel slaven, maar in onze slavernij heeft onze God ons niet verlaten; Hij
heeft ons gunst doen vinden bij de koningen van Perzië, dat zij ons verademing gaven om het huis
van onze God te doen herrijzen en zijn puinhopen te herstellen, en ons een omtuining gaven in
Juda en in Jeruzalem.”
xxxxxxxxxxxx
“Herbouwen”, 8 vindplaatsen in 8 verzen
Ezra 4:12: “Welnu, het zij de koning bekend, dat de Judeeërs, die van u naar ons zijn opgetrokken,
te Jeruzalem gekomen zijn; zij zijn bezig die oproerige en slechte stad te HERBOUWEN; zij
voltooien de bouw der muren en graven de fundamenten uit.”
Ezra 5:11: “Zij hebben ons nu het volgende antwoord gegeven: Wij zijn dienaren van de God van
hemel en aarde en wij HERBOUWEN het huis dat vele jaren geleden gebouwd werd; een groot
koning van Israël heeft het gebouwd en voltooid.”
Ezra 5:13: “Maar in het eerste jaar van Kores, de koning van Babel, gaf koning Kores bevel dit huis
Gods te HERBOUWEN.”
Nehemia 2:5: “En ik zeide tot de koning: Dat gij, indien het de koning goeddunkt en indien uw
knecht u welgevallig is, mij zendt naar Juda, naar de stad waar de graven mijner vaderen zijn, om
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 36
haar te HERBOUWEN.”
Nehemia 2:17: “Toen zeide ik tot hen: Gij ziet de rampspoed, waarin wij verkeren, dat Jeruzalem
verwoest is en zijn poorten met vuur verbrand zijn. Komt, laat ons de muur van Jeruzalem
HERBOUWEN, zodat wij niet langer een voorwerp van smaad zijn.”
Nehemia 4:1: “Maar toen Sanballat gehoord had, dat wij de muur aan het HERBOUWEN waren,
ontstak hij in woede en ergerde zich zeer; hij bespotte de Joden.”
Nehemia 4:5: “Bedek hun ongerechtigheden niet en laat hun zonde niet uitgewist worden voor
uw aangezicht, omdat zij krenkend zijn opgetreden tegen hen die HERBOUWEN.”
Nehemia 6:6: “Daarin stond geschreven: Onder de volken gaat een gerucht en Gesem bevestigt
het, dat gij en de Joden van plan zijt in opstand te komen; daarom zijt gij bezig de muur te
HERBOUWEN, en gij wilt volgens dat zeggen hun koning worden.”
xxxxxxxxxxxx
“Bouwen”, 14 vindplaatsen in 14 verzen
Ezra 1:2: “Zo zegt Kores, de koning van Perzië: alle koninkrijken der aarde heeft de HERE, de God
des hemels, mij gegeven en Hij heeft mij opgedragen Hem een huis te BOUWEN in Jeruzalem, in
Juda.”
Ezra 1:5: “Toen maakten de familiehoofden van Juda en Benjamin, ook de priesters en de
Levieten, zich gereed, allen wier geest God had gewekt om op te trekken teneinde het huis van de
HERE, die in Jeruzalem woont, te BOUWEN.”
Ezra 4:2: “kwamen zij tot Zerubbabel en de familiehoofden en zeiden tot hen: Laat ons met u
BOUWEN, want wij zoeken uw God evengoed als gij; Hem toch brengen ook wij offers sinds de
dagen van Esarhaddon, de koning van Assur, die ons hierheen heeft doen optrekken.”
Ezra 4:3: “Maar Zerubbabel, Jesua en de overige familiehoofden van Israël zeiden tot hen: Het
gaat niet aan, dat gij met ons een huis voor onze God bouwt, want wij alleen willen voor de HERE,
de God van Israël, BOUWEN, zoals koning Kores, de koning van Perzië, ons geboden heeft.”
Ezra 4:4: “Toen ontmoedigde de bevolking des lands het volk van Juda en schrikte hen af van het
BOUWEN.”
Ezra 5:2: “Toen maakten Zerubbabel, de zoon van Sealtiël, en Jesua, de zoon van Josadak, zich op
en begonnen te BOUWEN aan het huis van God, die in Jeruzalem woont; en de profeten Gods
stonden hun met hun hulp terzijde.”
Ezra 5:3: “In diezelfde tijd echter kwam Tattenai, de stadhouder van het gebied over de Rivier, tot
hen met Setar-Boznai en hun ambtgenoten en zij spraken tot hen aldus: Wie heeft u bevel
gegeven dit huis te BOUWEN en deze muur te voltooien?”
Ezra 5:4: “Daarna zeiden zij aldus tot hen: Wat zijn de namen van de mannen die dit gebouw
BOUWEN?”
Ezra 5:9: “Daarop hebben wij die oudsten ondervraagd; wij hebben tot hen aldus gezegd: Wie
heeft u bevel gegeven dit huis te BOUWEN en deze muur te voltooien?”
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 37
Ezra 6:7: “laat de arbeid aan dat huis Gods toe; de stadhouder der Judeeërs en hun oudsten
mogen dat huis Gods op zijn plaats BOUWEN.”
Nehemia 2:20: “Maar ik diende hen van antwoord en zeide tot hen: De God des hemels, Hij zal het
ons doen gelukken, en wij, zijn knechten, zullen ons gereedmaken en BOUWEN; gij echter hebt
deel noch recht noch gedachtenis in Jeruzalem.”
Nehemia 4:3: “De Ammoniet Tobia nu stond naast hem en zeide: Al BOUWEN zij ook, als er maar
een vos tegen hun stenen muur opspringt, doet hij hem afbrokkelen.”
Nehemia 4:10: “Juda zeide: De kracht der dragers schiet te kort en puin is er te veel; wij zijn niet in
staat de muur te BOUWEN.”
Nehemia 4:18: “de bouwers hadden ieder zijn zwaard aan de heup gegord, terwijl zij aan het
BOUWEN waren. De hoornblazer stond naast mij.”
xxxxxxxxxxxx
“Muur” (enkelvoud) 32 vindplaatsen in 29 verzen
Ezra 5:3: “In diezelfde tijd echter kwam Tattenai, de stadhouder van het gebied over de Rivier, tot
hen met Setar-Boznai en hun ambtgenoten en zij spraken tot hen aldus: Wie heeft u bevel
gegeven dit huis te bouwen en deze MUUR te voltooien?
Ezra 5:9: “Daarop hebben wij die oudsten ondervraagd; wij hebben tot hen aldus gezegd: Wie
heeft u bevel gegeven dit huis te bouwen en deze MUUR te voltooien?”
Nehemia 1:3: “Zij zeiden tot mij: De overgeblevenen, die daar in het gewest uit de gevangenschap
zijn overgebleven, verkeren in grote rampspoed en smaad, en de MUUR van Jeruzalem is
afgebroken, en zijn poorten zijn met vuur verbrand.”
Nehemia 2:8: “ook een brief aan Asaf, de houtvester des konings, dat hij mij hout geve om de
poorten van de burcht die bij de tempel behoort, van zolders te voorzien, en voor de MUUR van
de stad en voor het huis, waar ik mijn intrek nemen zal. En de koning gaf ze mij, daar de goede
hand van mijn God over mij was.”
Nehemia 2:15: “Daarom klom ik in de nacht door het dal naar boven, en stelde een onderzoek in
naar de MUUR. Daarop ging ik weer door de Dalpoort en zo keerde ik terug.”
Nehemia 2:17: “Toen zeide ik tot hen: Gij ziet de rampspoed, waarin wij verkeren, dat Jeruzalem
verwoest is en zijn poorten met vuur verbrand zijn. Komt, laat ons de MUUR van Jeruzalem
herbouwen, zodat wij niet langer een voorwerp van smaad zijn.”
Nehemia 3:8: “Daarnaast was bezig Uzziël, de zoon van Charhaja, een van de goudsmeden.
Daarnaast was bezig Chananja, een zalfbereider; en zij behoefden aan Jeruzalem bij de brede
MUUR niets te doen.”
Nehemia 3:13: “De Dalpoort herstelden Chanun en de inwoners van Zanoach; zij herbouwden
haar en brachten de deuren, sluitbalken en grendels aan; bovendien (herbouwden zij) duizend el
van de MUUR tot aan de Aspoort.”
Nehemia 3:15: “De Bronpoort herstelde Sallum, de zoon van Kolchoze, de overste van het district
Mispa; hij herbouwde haar en voorzag haar van een dak en bracht de deuren, sluitbalken en
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 38
grendels aan; bovendien (herbouwde hij) de MUUR van de waterleidingvijver bij de tuin van de
koning, tot aan de trappen die afdalen van de stad Davids.”
Nehemia 3:27: “Verderop herstelden de Tekoïeten een volgend stuk van bij de grote uitspringende
toren tot aan de MUUR van de Ofel.”
Nehemia 4:1: “Maar toen Sanballat gehoord had, dat wij de MUUR aan het herbouwen waren,
ontstak hij in woede en ergerde zich zeer; hij bespotte de Joden.”
Nehemia 4:3: “De Ammoniet Tobia nu stond naast hem en zeide: Al bouwen zij ook, als er maar
een vos tegen hun stenen MUUR opspringt, doet hij hem afbrokkelen.”
Nehemia 4:6: “Maar wij herbouwden de MUUR, en de gehele MUUR werd tot zijn halve hoogte
voltooid, want het volk had lust om te werken.”
Nehemia 4:10: “Juda zeide: De kracht der dragers schiet te kort en puin is er te veel; wij zijn niet in
staat de MUUR te bouwen.”
Nehemia 4:13: “liet ik, op de laagst gelegen gedeelten van het terrein achter de MUUR, het volk
zich, naar hun geslachten geordend, opstellen met hun zwaarden, speren en bogen.”
Nehemia 4:15: “Toen nu onze vijanden gehoord hadden, dat wij op de hoogte gekomen waren en
dat God hun plan verijdeld had, konden wij allen terugkeren naar de MUUR, ieder tot zijn werk.”
Nehemia 4:17: “dat aan de MUUR bouwde. De lastdragers verrichtten hun arbeid zo, dat zij met
de ene hand het werk deden en met de andere hand de werpspies vasthielden.”
Nehemia 4:19: “En ik zeide tot de edelen, de leiders en het overige volk: Het werk is groot en
uitgebreid en wij zijn langs de MUUR verspreid, ver van elkander.”
Nehemia 5:16: “Ook het werk aan deze MUUR nam ik zelf ter hand, zonder enig veld in eigendom
te verwerven; en al mijn knechten waren daar bij het werk bijeen.”
Nehemia 6:1: “Toen Sanballat, Tobia, de Arabier Gesem, en de rest van onze vijanden vernamen,
dat ik de MUUR herbouwd had en dat daarin geen bres meer was overgebleven, hoewel ik tot die
tijd nog geen deuren in de poorten aangebracht had.”
Nehemia 6:6: “Daarin stond geschreven: Onder de volken gaat een gerucht en Gesem bevestigt
het, dat gij en de Joden van plan zijt in opstand te komen; daarom zijt gij bezig de MUUR te
herbouwen, en gij wilt volgens dat zeggen hun koning worden.”
Nehemia 6:15: “De MUUR nu was voltooid op de vijfentwintigste Elul, in tweeënvijftig dagen.”
Nehemia 7:1: “Toen dan de MUUR herbouwd was, bracht ik de deuren aan, en werden de
poortwachters, de zangers en de Levieten aangesteld.”
Nehemia 12:27: “Bij de inwijding van Jeruzalems MUUR riep men de Levieten uit al hun
woonplaatsen op en deed hen naar Jeruzalem komen, om de feestelijke inwijding te verrichten,
met lofzangen en liederen bij cimbalen, harpen en citers.
Nehemia 12:30: “En de priesters en de Levieten reinigden zich en zij reinigden het volk, de
poorten en de MUUR.”
Nehemia 12:31: “Toen liet ik de oversten van Juda de MUUR beklimmen en stelde twee grote
zangkoren op om in optocht voort te trekken; één naar rechts over de MUUR in de richting van de
Aspoort.”
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 39
Nehemia 12:37: “Langs de Bronpoort beklommen zij, recht tegenover zich, de treden van de stad
Davids, waar de MUUR omhoog gaat, langs het paleis van David, en zij trokken tot aan de
Waterpoort in het oosten.”
Nehemia 12:38: “Het tweede zangkoor, dat in tegenovergestelde richting ging en dat ik met de
helft van het volk volgde, (trok) over de MUUR langs de Bakoventoren tot aan de brede MUUR.”
Nehemia 13:21: “En ik waarschuwde hen en zeide tot hen: Waarom overnacht gij vóór de MUUR?
Indien gij dat nog eens doet, zal ik de hand aan u slaan. Van die tijd af kwamen zij niet meer op de
sabbat.”
xxxxxxxxxxxx
“Muren”, meervoud 5 vindplaatsen in 5 verzen
Ezra 4:12: “Welnu, het zij de koning bekend, dat de Judeeërs, die van u naar ons zijn opgetrokken,
te Jeruzalem gekomen zijn; zij zijn bezig die oproerige en slechte stad te herbouwen; zij voltooien
de bouw der MUREN en graven de fundamenten uit.”
Ezra 4:13: “Nu zij het de koning bekend, dat, als deze stad herbouwd is en de MUREN voltooid
zijn, men geen belasting, cijns of tol meer zal betalen, zodat zij ten slotte de koningen schade zal
berokkenen.”
Ezra 4:16: “Wij doen de koning weten, dat, als deze stad herbouwd is en de MUREN voltooid zijn,
gij daardoor het gebied over de Rivier niet zult kunnen behouden.”
Nehemia 2:13: “Ik trok des nachts uit door de Dalpoort, in de richting van de Slangebron en naar
de Aspoort en ik stelde een onderzoek in naar de MUREN van Jeruzalem, die afgebroken waren,
en naar zijn poorten, die door vuur verteerd waren.”
Nehemia 4:7: “Maar toen Sanballat, Tobia, de Arabieren, de Ammonieten en de Asdodieten
gehoord hadden, dat de herstelling van de MUREN van Jeruzalem vorderde, dat de bressen zich
begonnen te sluiten, ontstaken zij in hevige woede.”
xxxxxxxxxxxx
“Poorten” 13 vindplaatsen in 12 verzen
Nehemia 1:3: “Zij zeiden tot mij: De overgeblevenen, die daar in het gewest uit de gevangenschap
zijn overgebleven, verkeren in grote rampspoed en smaad, en de muur van Jeruzalem is
afgebroken, en zijn POORTEN zijn met vuur verbrand.”
Nehemia 2:3: “en zeide tot de koning: De koning leve in eeuwigheid! Hoe zou mijn gezicht niet
somber staan, daar de stad, de plaats waar de graven mijner vaderen zijn, verwoest is en haar
POORTEN door vuur verteerd zijn?”
Nehemia 2:8: “ook een brief aan Asaf, de houtvester des konings, dat hij mij hout geve om de
POORTEN van de burcht die bij de tempel behoort, van zolders te voorzien, en voor de muur van
de stad en voor het huis, waar ik mijn intrek nemen zal. En de koning gaf ze mij, daar de goede
hand van mijn God over mij was.”
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 40
Nehemia 2:13: “Ik trok des nachts uit door de Dalpoort, in de richting van de Slangebron en naar
de Aspoort en ik stelde een onderzoek in naar de muren van Jeruzalem, die afgebroken waren, en
naar zijn POORTEN, die door vuur verteerd waren.”
Nehemia 2:17: “Toen zeide ik tot hen: Gij ziet de rampspoed, waarin wij verkeren, dat Jeruzalem
verwoest is en zijn POORTEN met vuur verbrand zijn. Komt, laat ons de muur van Jeruzalem
herbouwen, zodat wij niet langer een voorwerp van smaad zijn.”
Nehemia 6:1: “Toen Sanballat, Tobia, de Arabier Gesem, en de rest van onze vijanden vernamen,
dat ik de muur herbouwd had en dat daarin geen bres meer was overgebleven, hoewel ik tot die
tijd nog geen deuren in de POORTEN aangebracht had.”
Nehemia 7:3: “en ik zeide tot hen: De POORTEN van Jeruzalem mogen niet geopend worden,
voordat de zon heet wordt; en, terwijl men op zijn post staat, moet men de deuren sluiten, en gij
moet ze grendelen. En gij zult wachtposten opstellen van de inwoners van Jeruzalem, ieder op zijn
post, ieder tegenover zijn huis.”
Nehemia 11:19: “En de poortwachters: Akkub, Talmon en hun broeders, die de wacht hielden in
de POORTEN: honderd tweeënzeventig.”
Nehemia 12:25: “Mattanja, Bakbukja en Obadja. Poortwachters waren Mesullam, Talmon en
Akkub, die de wacht hielden bij de voorraadkamers der POORTEN.”
Nehemia 12:30: “En de priesters en de Levieten reinigden zich en zij reinigden het volk, de
POORTEN en de muur.”
Nehemia 13:19: “Zodra het dan in de POORTEN van Jeruzalem donker werd, vóór de sabbat, sloot
men op mijn bevel de deuren, en ik beval, dat men ze niet zou openen tot na de sabbat. En ik
stelde enige van mijn knechten bij de POORTEN op, – er zou geen vracht op de sabbatdag
binnenkomen.”
Nehemia 13:22: “Ook beval ik de Levieten, dat zij zich zouden reinigen en de POORTEN zouden
komen bewaken, om de sabbatdag te heiligen. Gedenk mij ook hierom, mijn God, en ontferm U
over mij naar uw grote goedertierenheid.”
xxxxxxxxxxxx
“Poort”, twee vindplaatsen in twee verzen
Nehemia 3:6: “De Oude POORT herstelden Jojada, de zoon van Paseach, en Mesullam, de zoon
van Besodja. Zij voorzagen haar van een zoldering en brachten de deuren, sluitbalken en grendels
aan.”
Nehemia 12:39: “langs de EfraïmPOORT, de Oude POORT en de VisPOORT, en langs de
Chananeltoren en de Meatoren tot de SchaapsPOORT; zij bleven staan bij de GevangenPOORT.”
1°) DE START VAN DE HERBOUW VAN JERUZALEM EN DE TEMPEL,
OP BEVEL VAN KORES
Op de Internetsite GoedBericht Forum lezen we dit, geschreven door een zekere Jan, Gepost:
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 41
Jan 10, 2005. “Jeruzalem werd onder Nehemia COMPLEET herbouwd. Muren, poorten, huizen,
pleinen, straten, grachten, verdedigingswerken. Er is niet de GERINGSTE aanwijzing in de Schrift te
vinden dat er bouwactiviteiten waren tussen 521 BC en 445 BC. Nehemia is degene die de
uitdrukkelijke koninklijke verordening ontving, inclusief financiële middelen, om de stad Jeruzalem te
herbouwen. De 70 weken zijn dus begonnen in 445/444 BC en zijn vervuld met profetische jaren van
360 dagen.” NEEN, we geloven dat niet, om méér dan één argument. Wie alle stukken van de puzzel
in elkaar past zonder ergens wat af te knippen aan die stukjes of aan toe te plakken moet
aannemen, dat waar de start van de herbouw van Jeruzalem en de tempel begon, het herstel
begon. Dat is onmiddellijk na de terugkeer uit de ballingschap. In Jesaja 44:28 Willibrord 1995 lezen
we dat koning Kores twee bevelen zal geven aan wie uit de ballingschap komt:
“28 Die over Kores zegt: “Hij is mijn herder,
en alles wat Mij behaagt brengt hij tot stand”,
die over Jeruzalem zegt: “Het zal herbouwd worden”,
en tegen de tempel: “Word opnieuw gevestigd.” ’”
In strijd met wat hier staat leren de dispensationalisten dat Jeruzalem NIET herbouwd is geworden
in die dagen maar dat alleen de tempel; “opnieuw gevestigd” is.
John F. Walvoord, leraar uit de bedelingen zegt in zijn boek Daniel: ‘The Key to Prophetic Revelation’,
Moody Press, 1971, blz.226: “the children of Israel had built houses, but apparently they were not in
Jerusalem. = de kinderen van Israël hebben huizen gebouwd, maar het is duidelijk dat ze niet in
Jeruzalem gebouwd waren.” Deze man kent zijn Bijbel niet, ofwel, hij wil mensen wat wijsmaken
zodat zijn andere argumenten enige ondersteuning krijgen. Toen Nehemia er kwam waren er zoals
beschreven in hoofdtsuk drie van zijn boek, individuele huizen in Jeruzalem volgens
Neh.3:20,21,23,24,28,29 / 7:3. Dat men toen in huizen woonde in Jeruzalem geeft ook het boek
Haggaï te kennen, waar de profeet opmerkt dat men zijn eigen huis bouwt en dat van God vergeten
is. Jeruzalem was al bewoond toen Nehemia er kwam en hij kreeg van zijn koning dus geen bevel
om de stad te bouwen. Het jaar 444 (of 445) is dus NIET het begin van de profetie van Daniël 9.
Nehemia 3:25 WIL95 spreekt over een koninklijk paleis, maar wat we er moeten onder verstaan is
wat anders, gezien er toen geen koning was. Daar staat: “Palal, de zoon van Uzai, werkte aan het
muurpand tegenover de hoek, met de hoge uitspringende toren van het koninklijk paleis vanwaar
men uitziet op het binnenplein van de wacht. Daarnaast werkte Pedaja, de zoon van Paros.”
We gaan in wat volgt uit van de stelling dat de Bijbelboeken Ezra en Nehemia in deze
volgorde moeten gelezen worden; als oudste Ezra en later Nehemia. Zie daarover enkele inleidingen
op deze boeken. Er zijn nog slechts weinige die de volgorde omkeren. Er zijn twee belangrijke
artikelen die ons bij deze studie enorm geholpen hebben:
1°) Vern Sheridan Poythress, ‘Hermeneutical Factors In Determining The Beginning Of The Seventy
Weeks (Daniel 9:25)’, Trinity Journal 6:2 (Fall 1985), blz.131-149. Zijn conclusie is dat voordat
Nehemia in Jeruzalem aankwam er al aan de muur was gewerkt. Staat op de site van
http://www.biblicalstudies.org.uk/
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 42
2°) Meredith G. Kline, ‘The covenant of the seventieth week, The Covenant of the Seventieth Week’,
in ‘The Law and the Prophets: Old Testament Studies in Honor of Oswald T. Allis’, ed. by J.H. Skilton,
Presbyterian and Reformed, 1974, blz.452-469. Waarom er geen Antichrist beschreven is in vers 27!
Dit staat op http://www.covopc.org/Index.html samen met nog andere artikelen van hem.
Wie dit niet gelezen heeft weet niet hoe zwak de leer van de bedelingen is in verband met de 70
jaarweken. Jammer dat het meestal zo is. Dit komt alleen doordat de dispensationalisten de goede
zaken ondersneeuwen, met de grote hoeveelheid artikelen die ze op Internet hebben staan. Leugen
die permanent herhaald is blijft echter toch een leugen!
Let er goed op, op de twee werkwoorden, die verband houden met wat er te gebeuren staat
in vers Daniël 9:25a: “herstellen en te herbouwen” (NBG) of “weerkeren, en om Jeruzalem te
bouwen” (SV77). Alleen dan kunnen de juiste conclusies getrokken worden over waar de 70
jaarweken begonnen zijn. Dat is duidelijk: toen Kores daartoe bevel gaf. Het jaar 445/444 is
uitgesloten ondanks de niet verkeerd te verstane uitspraak van “Jan” hierboven.
“Herstellen” is het begrip “lehâshîb”, en komt van “shûb” dat ook regelmatig vertaald is als
“weerkeren.” Dit geeft aan dat Jeruzalem “hersteld” is als hoofdstad van het rijk van Juda en
Benjamin. Uit het gebruik van het werkwoord “shûb” zien we dat Daniël 9:25 erop wijst dat er een
nieuwe regering is, gebaseerd op de theocratische wetten van de torah. “Herbouwen” is het begrip
“libnôth” en komt van “bânâh” dat ook als “bouwen” vertaald mag worden.
Dit is het onderscheid; het werkwoord “shûb” is niet gebruikt in het OT om een bouw te
beschrijven van een letterlijk gebouw. Dit woord geeft het herstel van Jeruzalem aan als stad van
personen. Dat wil zeggen de terugkeer uit de ballingschap om opnieuw een volk te zijn in een
bepaald geografisch gebied zoals in Jer.12:15 / 23:3. Juda staat volgens dat begrip opnieuw op de
politieke kaart van zijn dagen. “Bânâh” echter geeft een bouwen (eventueel herstellen) aan van
letterlijke en tasbare zaken; tempels, paleizen, huizen en muren.
We illustreren die begrippen met Bijbelse voorbeelden. Een Aramees koning zei tot Ahab,
koning van Israël, op een zekere plaats, 1 Kon.20:34: “Daarop zeide deze tot hem: De steden die
mijn vader aan uw vader ontnomen heeft, zal ik teruggeven (shûb); voorts moogt gij u een
handelswijk in Damascus aanleggen, zoals mijn vader in Samaria heeft aangelegd, en ikzelf moge
met een verbond afscheid van u nemen. Toen sloot hij een verbond met hem en nam afscheid van
hem.” Het gaat hier zoals in het “shûb” van Daniël 9:25, de teruggave van overwonnen gebied aan
de oorspronkelijke bezitter ervan. In dit geval van 1 Koningen is het zeer duidelijk, de steden werden
voordien niet verwoest, maar teruggegeven in een intacte toestand. In het verhaal van Azaria die
koning was, lezen we dit: “Hij versterkte (bânâh) Elat en bracht het aan Juda terug (shûb), nadat de
koning bij zijn vaderen te ruste was gegaan” (2 Kon.14:22 NBG). Zo lezen we het in de
Willibrordvertaling van 1995: “Het was deze Azarja die Elat versterkte (bânâh) en weer onder Juda
bracht (shûb). Dit gebeurde nadat de koning bij zijn vaderen was gaan rusten.” Dus een teruggave
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 43
van een voordien veroverd gebied. Niet het opstarten van een bouwwerf.
Nog een ander voorbeeld uit 1 Kon.12:21:
“Toen Rechabeam te Jeruzalem was gekomen, riep hij het gehele huis van Juda en de stam
Benjamin bijeen, honderdtachtigduizend strijdbare jonge mannen, om te strijden tegen het huis
van Israël en het koningschap terug te brengen (shûb) aan Rechabeam, de zoon van Salomo” NBG.
“Toen Rechabeam in Jeruzalem gekomen was, riep hij het hele huis van Juda en de stam Benjamin
bijeen; honderdtachtigduizend strijdbare mannen om de strijd aan te binden met het volk van
Israël en het koninkrijk te herwinnen (shûb) voor Rechabeam, de zoon van Salomo”
Willibrordvertaling, herziene editie 1995.
Daarom een reeks vertalingen van Daniël 9:25a, want wie dat verkeerd leest kan alle kanten op
in één of andere onbijbelse uitleg als het hem/zij wat uitkomt:
“om te doen weerkeren, en om Jeruzalem te bouwen” Statenvertaling, editie 1977.
“om Jeruzalem te herstellen en te herbouwen” Nederlands Bijbelgenootschap.
“over de terugkeer uit de ballingschap en de herbouw van Jeruzalem” Willibrordvertaling
(herziene editie 1995).
King James Version 1611, 1769: “the commandment to restore and to build Jerusalem.”
New King James Version, 1982: “the command To restore and build Jerusalem.”
New Living Translation, 1996: “the command is given to rebuild Jerusalem.”
New International Version, 1984, “decree to restore and rebuild Jerusalem.”
The Holy Bible, English Standard Version, 2001: “the word to restore and build Jerusalem.”
New American Standard Bible, 1995: “a decree to restore and rebuild Jerusalem.”
Revised Standard Version, 1952: “word to restore and build Jerusalem.”
American Standard Version 1901: “commandment to restore and to build Jerusalem.”
Robert Young Literal Translation, 1898: “the word to restore and to build Jerusalem.”
John Darby Translation, 1890: “word to restore and to build Jerusalem.”
Noah Webster Version, 1833: “commandment to restore and to build Jerusalem.”
Hebrew Names Version, 2000: “the mitzvah to restore and to build.”
Josephus de Joodse historicus heeft in zijn werk een brief van Cyrus geschreven aan de
satrapen (rijksbeheerders) van Syrië. Hij zegt het volgende: “King Cyrus to Sisines and Sarabasanes,
greeting. To those among the Jews dwelling in my country, who so wished, I have given permission
to return to their native land and to rebuild the city AND build the temple of God of Jerusalem on
the same spot on which it formerly stood” (wij onderstepen uit ‘Jewish Antiquities’ 11.12 [ 11.1.3],
Loeb edition. Zie ook zijn ‘Jewish Antiquities’ 11.6 [11.1.2]). We hebben dus een aanwijzing van een
historicus die de herbouw van de stad Jeruzalem bij Kores laat beginnen. En de hoofdstukken 1-8
van het boek Ezra zijn daar een ondersteuning van, de geschiedenis van het herstel speelt zich af
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 44
rond Jeruzalem. Ezra 5:1: “Maar de profeet Haggai, en Zacharia, de zoon van Iddo, traden bij de
Judeeërs die in Juda en Jeruzalem WOONDEN, als profeten op in de naam van de God van Israël.”
Dat bewijst dat er mensen zijn in Jeruzalem die de boodschap kunnen horen. Ezra 6:9: “En wat er
nodig is: jonge stieren, rammen, lammeren voor de brandoffers aan de God des hemels, tarwe,
zout, wijn en olie, volgens de opgave van de priesters te Jeruzalem, dat moet hun dag aan dag
volledig ter beschikking worden gesteld.” Dat bewijst dat er priesters zijn in Jeruzalem. Ezra 10:7
leest: “Daarop deed men een oproep uitgaan door Juda en Jeruzalem tot al degenen die in de
ballingschap geweest waren, om zich te Jeruzalem te verzamelen.” Er zijn dus mensen in Jeruzalem
die de oproep horen, het was geen oproep voor de katten en de honden. Zie ook nog; Ezra
7:7,14,24 / 9:9 / 10:6. Dat was alles jaren voordat Nehemia er zijn voet zet. John F. Wolvoord en al
zijn leerlingen moeten leren lezen wat er staat in de Schrift zonder bokkensprongen te maken. Het is
duidelijk dat je met behulp van retoriek de waarheid niet mag verdraaien. Vergeet niet dat
Jeruzalem, ondanks de beweringen van dispensationalisten, een relatief bruisende stad is in die
dagen. Men bouwt er aan de tempel, muren en huizen. Dat spreekt ook voor zichzelf, want toen
men terugkeerde zijn die mensen terug gaan wonen waar ze vroeger woonden. Wie woonden dan
permanent in de hoofdstad: enkele priesters, zangers, tempelhorigen en veel Benjaminieten en nog
andere stammen. Ieder in zijn eigen stad en eigen grondgebied (Ezra 2:1b / 2:70 / 1 Kron.7:28 /
Neh.7:6 en 11:5,6). Dit lezen we in 1 Kronieken 9: “3 Te Jeruzalem woonden van de zonen van Juda,
Benjamin, Efraïm en Manasse: (…)34 Dit waren de familiehoofden der Levieten, krachtens hun
afkomst hoofden. Dezen woonden te Jeruzalem.” Ook in 1 Kronieken 8 staat er wat over: “28 Dit
waren familiehoofden, hoofden over hun geslachten; zij woonden te Jeruzalem.” De stam van
Benjamin leefde dus zowel vóór als nà de ballingschap in de hoofdstad Jeruzalem. Men ging toen
niet in de morgen aan de tempel werken en s’avonds ergens anders naar huis, men woonde in die
stad, men leefde er.
Een andere leraar van de bedelingen, Sir Robert Anderson, heeft een speciale betekenis
gegeven aan de profetieën van de gevangenschap in Babylon. Zijn argumentatie is dat er aan de
tempel niet gewerkt werd dan in het jaar 520 voor Christus en baseert zich op Haggaï 2:18,19 Maar
hoe hij het uitlegt is in strijd met deze teksten:
Ezra 3:10: “Toen nu de bouwlieden het fundament van de tempel des HEREN legden, stelden zij de
priesters op, gekleed in ambtsgewaad, met trompetten, en de Levieten, de zonen van Asaf, met
cimbalen, om de HERE te loven naar de aanwijzing van David, de koning van Israël.”
Zacharia 4:9: “De handen van Zerubbabel hebben dit huis gegrondvest, zijn handen zullen het ook
voltooien, en gij zult weten, dat de HERE der heerscharen mij tot u gezonden heeft.”
Ezra 6:15,16: “en zij waren met dit huis GEREED tegen de derde dag van de maand Adar, en wel in
het zesde jaar van de regering van koning Darius. Toen vierden de Israëlieten, de priesters, de
Levieten en de overigen die in de ballingschap geweest waren, de inwijding van dit huis Gods met
vreugde.”
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 45
Dit is de goede conclusie: het grootste werk aan de tempel is gedaan tijdens de periode van
Zerubabel. Dat zegt Zacharia 4:9 over hem: “gegrondvest, (en) zijn handen zullen het ook
voltooien.” Ik zal dus niet wat anders beweren dan wat hier geschreven staat. Zo oprecht moeten
we de Bijbel toch lezen!
De gebeurtenissen in 539 voor Christus, en in de geschiedenis van Babylon, hebben het
startsein gegeven van de terugkeer van de gelovige Joden. Het zijn de Meden en de Perzen die dat
mogelijk maken. Dit zijn enkele data uit dat jaar overgenomen van Wikipedia:
“4 april: Het Nieuwjaarsfeest wordt voor het eerst in lange tijd weet naar behoren gevierd in
Babylon, maar de priesters zijn niet blij dat de koning alle goden van de andere steden ook de
poorten heeft binnengehaald.
11 oktober: Na de Slag van Opis brandt Cyrus II een stuk van Akkad plat. De burgers van Sippar
geven zich zonder tegenstand gewonnen.
13 oktober: Gobrias van Gutium trekt Babylon binnen. Daarmee valt de stad in handen van de
Perzen van Cyrus II. Einde van het Nieuw-Babylonische rijk.”
Volgens Ezra 9:9 hebben meerdere Perzische koningen de Joden: “een omtuining gegeven in
Juda en in Jeruzalem.” Deze omtuining kan niet anders worden uitgelegd als de symbolische
grenzen van Juda. Men had rondom dat land géén muur gebouwd, zoals men ooit in China heeft
gedaan. De omtuining geeft aan dat ze als een zelfstandige natie bestaan, weliswaar met verdragen
en verplichtingen tegenover Perzië. Dat is de “shûb,” herstel van geestelijk en sociaal leven.
De lijst van deze Perzische koningen (de koningen van de Achemeniden) staat hieronder zodat u een
idee heeft over wie we spreken:

Cyrus de Grote, (de Bijbelse Kores) ca 550 v. Chr. - 530 v. Chr. De Bijbel rekent echter niet
vanuit zijn vroeger koningschap. Zijn eerste (bijbel)jaar is 538 of 537 voor Christus.

Cambyses, 530 v. Chr. - 521 v. Chr.

Smerdis, 521 v. Chr.

Darius I, 521 v. Chr. - 486 v. Chr.

Xerxes I, 486 v. Chr. - 465 v. Chr.

Artexerxes I, 464 v. Chr. - 424 v. Chr.

Darius II, 423 v. Chr. - 404 v. Chr.

Artexerxes II, 404 v. Chr - 358 v. Chr.
En datzelfde met enkele Bijbelverwijzingen:
EZRA-NEHEMIA
PERZISCHE GESCHIEDENIS
Kores (Cyrus) (Ezra 1:4 / 4:3 / Cyrus (539-530 v. Chr.)
5:13 / 6:3,14)
Cambyses (530-521 v. Chr.)
Pseudo Smerdis (521 v. Chr.)
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 46
Darius (Ezra 4:5,24 /
Darius (521-486 v. Chr.)
5:6 / 6:1,13)
Xerxes (Ezra 4:6)
Xerxes (486-465 v. Chr.)
Artaxerxes I (Ezra 4:7,8,
Artaxerxes I (465-423 v. Chr.)
11,23 / 6:14 / 7:1 / 8:1
Neh.2:1 / 5:14 / 13:6)
Darius II (Neh.12:22)
Darius II (423-404 v. Chr.)
Artaxerxes II (404-359 v. Chr.)
Ezra 4:12 is een zeer belangrijke tekst om te begrijpen wat er gaande is vanaf het prille begin
van de mensen die teruggekomen zijn. We lezen daar het volgende: “Welnu, het zij de koning
bekend, dat de Judeeërs, die van u naar ons zijn opgetrokken, te Jeruzalem gekomen zijn; zij zijn
bezig die oproerige en slechte stad te herbouwen; zij voltooien de bouw der muren en graven de
fundamenten uit.” Dit is één van de belangrijkste teksten uit gans dit probleem van het bepalen
waar de 490 jaar beginnen. Wanneer de herbouw begon weten we zeer precies namelijk, in de
dagen van koning Kores. Een ander begin vooropstellen zou dit profetische woord van Jesaja
hieronder weergegeven tegenspreken. Er zijn weinig heidenen te noemen die door God op zo een
manier persoonlijk zijn aangesproken.

Jesaja 44:24-28: “Zo zegt de HERE, uw Verlosser, en uw Formeerder van de moederschoot
aan: Ik ben de HERE, die alles gemaakt heb; die de hemel heb uitgespannen, Ik alleen; die
de aarde uitgebreid heb door eigen kracht; die de tekenen der leugenprofeten tenietdoe
en de waarzeggers als dwazen aan de kaak stel; die de wijzen doe terugwijken en hun
kennis tot dwaasheid maak; die het woord van mijn knecht gestand doe en de
aankondiging mijner boden volvoer; die tot Jeruzalem zeg: Het worde bewoond; tot de
steden van Juda: Laten zij herbouwd worden, haar puinhopen richt Ik weer op; die tot de
diepte zeg: Verdroog, uw rivieren doe Ik opdrogen; die tot Kores zeg: Mijn herder, hij zal al
mijn welbehagen volvoeren door tot Jeruzalem te zeggen: Het worde herbouwd en de
tempel worde gegrondvest.”

Jesaja 45:13: “Ik ben het, die hem verwekt heb in gerechtigheid, en al zijn wegen zal Ik
effen maken; hij is het, die mijn stad herbouwen zal en mijn ballingen vrijlaten, zonder
koopprijs en zonder geschenk, zegt de HERE der heerscharen” (NBG). En zo staat het in de
Willibrord van 1995: “Ik heb hem laten opstaan voor de overwinning en al zijn wegen
maak Ik vlak; hij is het die mijn stad zal herbouwen en mijn verbannenen zal laten gaan,
zonder betaling en niet voor loon’, zegt de HEER van de machten.” DE ENIGE MENSELIJKE
BOUWER VAN DE STAD IS KORES, allen die dat werk uitvoeren doen het onder zijn bevel. Een
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 47
bevel op last van God die de eigenlijke bouwer is. Maar niet Ezra is de bouwer en niet
Nehemia is de bouwer, dat zijn de werklieden in dienst van God en Kores.

We lezen over de vervulling van deze profetie in Jesaja in Ezra 1:1-5 SV77: “In het eerste jaar
nu van Kores, koning van Perzië, opdat volbracht zou worden het woord des HEEREN, uit
de mond van Jeremía, verwekte de HEERE de geest van Kores, koning van Perzië, dat hij
een stem liet doorgaan door zijn ganse koninkrijk, zelfs ook in geschrift, zeggende: Zo zegt
Kores, koning van Perzië: De HEERE, de God des hemels, heeft mij alle koninkrijken der
aarde gegeven; en Hij heeft mij bevolen Hem een huis te bouwen te Jeruzalem, dat in Juda
is. Wie is onder u van al Zijn volk? Zijn God zij met hem, en hij trekke op naar Jeruzalem,
dat in Juda is, en hij bouwe het huis van de HEERE, de God van Israël; Hij is de God, Die te
Jeruzalem woont. En al wie achterblijven zou in enige plaatsen, waar hij als vreemdeling
verkeert, hem zullen de lieden van zijn plaats bevoordelen met zilver, en met goud, en met
have, en met beesten; BENEVENS EEN VRIJWILLIGE GAVE, VOOR HET HUIS GODS, Die te
Jeruzalem woont. Toen maakten zich op de hoofden der vaderen van Juda en Benjamin, en
de priesters en de Levieten, benevens een ieder, wiens geest God verwekte, DAT ZIJ
OPTROKKEN OM TE BOUWEN HET HUIS DES HEEREN, DIE TE JERUZALEM WOONT.”

We beweren dat de start van de 70 jaarweken bij Kores moet liggen. De critici van onze visie
zeggen dat er slechts het bevel is de tempel te bouwen en een terugkeer van mensen. Dat is
een spijker op laag water zoeken, want als het zo is dan moeten we ook leren dat er géén
herstel is van de tempeldienst. Dat er ook dan moet geleerd worden dat de mensen niet in
Jezuzalem mogen wonen, want ook dat zit niet in dat bevel. Of dat geen onzin zou zijn!
Nehemia is een relatief hoge ambtenaar aan het hof en we veronderstellen dat hij op de
hoogte was van de terugkeer, 13 jaar tevoren onder Ezra. Nehemia is aangeslagen door het
recente nieuws dat de muur van Jeruzalem is afgebroken en de poorten met vuur zijn
verbrand. Deze opmerking is ongerijmd indien Nehemia tegenover de koning zou verwijzen
naar een gebeurtenis uit de tijd van DARIUS méér dan anderhalve eeuw voordien. (Zie
verder punt 3.) Als u me zegt dat Kores de voorstelling is van de totaliteit van het herstel
over een zo lange periode van 537 v. Christus tot 444 v. Christus, dan kunnen we met zo een
uitspraak leven. Maar alles begon MET HET BEVEL VAN KORES. God liegt toch niet in Jesaja
44 en 45.
 Ds. H. H. Grosheide schreef in een brochure over dit onderwerp getiteld ‘De terugkeer
uit de Ballingschap’, Van Keulen, 1957: “B. Het eerste edict (Ezra 1 :2-4). Het edict
spreekt in bevelende vorm. Op andere wijze konden Oosterse heersers niet spreken.
Maar natuurlijk gaat het om “vergunning, “verlof” tot terugkeer en tempelbouw. Dat
blijkt uit heel het verband, zie m.n. vs 5. In Sept. en L.,(Septuaginta en Latijnse GB)
wordt het in vs 3 zelfs uitdrukkelijk gezegd, maar dat zal wel een verduidelijkende
aanvulling zijn. (…) 2. Het doel van deze terugkeer is vooral de herbouw van de
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 48
tempel. Door de Joden tot deze herbouw toestemming te geven wil Cyrus ze gunstig
voor zich stemmen, ze zeer loyale onderdanen van zijn rijk maken” (blz.30).
Er is ook in die tijd al een grote weerstand van dezen die overgebleven zijn in de streek van
Jeruzalem vooral Samaritanen. Weerstand hebben ze trouwens die ganse periode door. We geven
deze opmerking omdat dispensationalisten de profetie uitleggen en samenbinden aan de woorden
van de profetie: “zal het hersteld en herbouwd blijven, met plein en gracht, maar in de druk der
tijden” (Dan.9:25). Wie volgens de bedelingenleer dit vooral opde laatste 52 dagen - de duur van de
afwerking van de muur - laat slaan, geeft een verwrongen uitleg. De vijanden waren géén andere
Israëlieten, ze hadden geen ruzie over het bouwen. Maar de tegenstand kwam meestal van
Samaritanen, hoewel dat nog niet hun naam is in die dagen. We lezen er dit van en de
daaropvolgende oplossing die van rechtswege (de Perzische koning) gegeven wordt.

Ezra 4:1-5,11-23: “Toen de tegenstanders van Juda en Benjamin hoorden, dat zij die in
ballingschap waren geweest, een tempel voor de HERE, de God van Israël, bouwden,
kwamen zij tot Zerubbabel en de familiehoofden en zeiden tot hen: Laat ons met u
bouwen, want wij zoeken uw God evengoed als gij; Hem toch brengen ook wij offers sinds
de dagen van Esarhaddon, de koning van Assur, die ons hierheen heeft doen optrekken.
Maar Zerubbabel, Jesua en de overige familiehoofden van Israël zeiden tot hen: Het gaat
niet aan, dat gij met ons een huis voor onze God bouwt, want wij alleen willen voor de
HERE, de God van Israël, bouwen, zoals koning Kores, de koning van Perzië, ons geboden
heeft. Toen ontmoedigde de bevolking des lands het volk van Juda en schrikte hen af van
het bouwen. Zelfs kochten zij raadslieden tegen hen om, teneinde hun plan te verijdelen,
zolang Kores, de koning van Perzië, leefde, tot de regering van Darius, de koning van
Perzië, toe. (…) aldus luidt het afschrift van de brief die zij hem zonden – aan koning
Artachsasta, uw dienaren, de mensen van het gebied over de Rivier. Welnu, het zij de
koning bekend, dat de Judeeërs, die van u naar ons zijn opgetrokken, te Jeruzalem
gekomen zijn; zij zijn bezig die oproerige en slechte stad te herbouwen; ZIJ VOLTOOIEN DE
BOUW DER MUREN EN GRAVEN DE FUNDAMENTEN UIT. Nu zij het de koning bekend, dat,
als deze stad herbouwd is en de muren voltooid zijn, men geen belasting, cijns of tol meer
zal betalen, zodat zij ten slotte de koningen schade zal berokkenen. Aangezien wij aan het
paleis verbonden zijn, en het voor ons niet aangaat toe te zien bij de smaad welke de
koning wordt aangedaan, daarom hebben wij de koning bericht gezonden, opdat men
onderzoek doe in het gedenkboek uwer vaderen. Gij zult in het gedenkboek vinden en
ontdekken, dat deze stad een oproerige stad is, dat zij aan koningen en gewesten schade
heeft toegebracht en dat men in haar oproer gestookt heeft sinds de dagen van ouds.
Daarom is deze stad verwoest. Wij doen de koning weten, dat, als deze stad herbouwd is
en de muren voltooid zijn, gij daardoor het gebied over de Rivier niet zult kunnen
behouden.
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 49
o De koning zond als antwoord: Aan Rechum, de landvoogd, Simsai, de schrijver, en
hun overige ambtgenoten, die wonen in Samaria en in het verdere gebied over de
Rivier, heil! Welnu, de brief, welke gij ons gezonden hebt, is mij duidelijk
voorgelezen; en door mij is bevel gegeven, en men heeft onderzoek gedaan en
bevonden, dat deze stad sinds de dagen van ouds tegen de koningen opstandig is
geweest, en dat men wederspannigheid en oproer in haar stookte. Er zijn zelfs
machtige koningen over Jeruzalem geweest, die heersten over het gehele gebied
aan de overzijde der Rivier en aan wie men belasting, cijns en tol betaalde. Geeft
dan nu bevel, deze lieden de arbeid te doen staken, opdat deze stad niet herbouwd
worde, aleer door mij bevel wordt gegeven. En wacht u ervoor nalatigheid in deze
zaak te betonen; waarom zou het nadeel tot schade van de koningen groter
worden?
Nadat nu het afschrift van de brief van koning Artachsasta voorgelezen was aan Rechum,
Simsai, de schrijver, en hun ambtgenoten, begaven zij zich in allerijl naar Jeruzalem tot de
Judeeërs en deden hen met kracht en geweld de arbeid staken.”
Het begrip voor “muur” hier in Ezra hoofdstuk vier is niet hetzelfde woord als voor de
“muur” van het boek Nehemia. In Ezra 4:12 staat Strong’s nummer H7792, het begrip “shuwr”
(Aramees) en is drie maal gebruikt: Ezra 4:12 / Ezra 4:13 / Ezra 4:16. Strong’s nummer H7791 heeft
gelijkenis met “shuwr” (met een andere uitspraak) en is 4 maal gebruikt in het OT; Gen.49:22 / 2
Sam.22:30 / Job 24:11 / Ps.18:29. De “muur” in het boek Nehemia is Strong’s nummer H2346 =
chowmah. Totaal 133 maal gebruikt in het OT en als muur of omwalling weergegeven. Ondanks een
andere naam gaat het in beide Bijbelboeken om DEZELFDE muur. De uitdrukking “tussen de twee
muren” wijst erop dat er later zelfs twee muren en in de dagen van derde tempel (van Herodes) drie
muren rond de stad Jeruzalem waren. Zie bijvoorbeeld naar: 2 Kon.25:4 / Jesaja 22:11 / Jeremia
39:4. De derde muur was er één rond de tempel om de heidenen er buiten te houden. Ik denk dat
Philip Mauro het dichtst de waarheid benaderd door op te merken dat wat Nehemiah 1:13
beschrijft, naar een recente vernietiging van de muren verwijst. Ook toen waren er nog vijanden in
die streken. Zie: ‘The Seventy Weeks and the Great Tribulation: A Study of the Last Two Visions of
Daniel, and of the Olivet Discourse of the Lord Jesus Christ’, Swengel, PA: Bible Truth Depot, 1944,
blz.38.
Uit Ezra 4:24 blijkt dat Israël gebouwd heeft tot en met het tweede jaar van Darius en dat is
519 v. Chr. Men is aan de werken begonnen in waarschijnlijk 537 v. Chr., het jaar van de terugkeer of
een jaar later, afhankelijk van het berekenen van het begin van het jaar in de lente of in de herfst.
Dat wil zeggen dat er al jaren gewerkt is aan zowel de tempel, de stad (met huizen) en de muur (of
muren). Alles bleef niet zonder enig herstel tot aan de periode van Nehemia, negentig jaar later. Het
zou onwaarschijnlijk zijn omdat de afwerking van de muur door Nehemia slechts 52 dagen in beslag
nam. God is op geen enkel moment tijdens die bouw persoonlijk of in positieve zin opgetreden. Ook
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 50
in die tijd van Nehemia is er een tegenstand van de omringende volkeren evenals bij Ezra. Beider
opmerking in dat verband is duidelijk; jullie hebben geen deel aan Israëls erfdeel of gedachten (Ezra
4:2,3 / Nehemia 2:20).
We komen nog enkele malen het begrip “bevel” tegen in de boeken Ezra en Nehemia en dat
is belangrijk, want daar moet ook gedacht worden aan wat in het begin staat van de profetie van
Daniël 9:24-27. De zoekterm “BEVEL” in de boeken Ezra en Nehemia, Statenvertaling, 1977 geeft het
volgende resultaat.
21 vindplaatsen in 19 verzen
1.
Ezra 4:19: “En toen door mij BEVEL gegeven was, hebben zij gezocht en gevonden, dat deze
stad zich van oude tijden af tegen de koningen heeft verheven, en rebellie en afval daarin gesticht
is.”
2.
Ezra 4:21: “Geeft dan nu BEVEL, om die mannen te beletten, dat die stad niet opgebouwd
wordt, totdat door mij BEVEL zal worden gegeven.”
3.
Ezra 5:3: “In die tijd kwam tot hen Thathnai, de landvoogd aan deze zijde van de rivier, en
Sthar-Boznai, en hun gezelschap, en zeiden aldus tot hen: Wie heeft u BEVEL gegeven dit huis te
bouwen, en deze muur te voltrekken?”
4.
Ezra 5:9: “Toen hebben wij die oudsten gevraagd, en aldus tot hen gezegd: Wie heeft u BEVEL
gegeven dit huis te bouwen, en deze muur te voltrekken?”
5.
Ezra 5:13: “Doch in het eerste jaar van Kores, koning van Babel, heeft de koning Kores BEVEL
gegeven dit huis Gods te bouwen.”
6.
Ezra 5:17: “Zo het dan nu de koning goeddunkt, laat er gezocht worden in het schathuis van
de koning aldaar, dat te Babel is, of het zo is, dat een BEVEL van de koning Kores gegeven is, om
dit huis Gods te Jeruzalem te bouwen; en dat men het believen van de koning hiervan tot ons
zende.”
7.
Ezra 6:1: “Toen gaf de koning Daríus BEVEL; en zij zochten in de kanselarij, waar de schatten
waren weggelegd, in Babel.”
8.
Ezra 6:3: “In het eerste jaar van de koning Kores, gaf de koning Kores dit BEVEL: Het huis Gods
te Jeruzalem, dat huis zal gebouwd worden, ter plaatse, waar zij offeranden offeren, en de
fundamenten daarvan zullen zwaar zijn; zijn hoogte van zestig ellen, en zijn breedte van zestig
ellen.”
9.
Ezra 6:8: “Ook wordt door mij BEVEL gegeven, wat gij doen zult aan de oudsten van deze
Joden, om dit huis Gods te bouwen; te weten, dat uit de goederen van de koning, van de schatting
aan gene zijde van de rivier, de onkosten aan deze mannen spoedig gegeven worden, opdat men
hen niet belette.”
10. Ezra 6:11: “Voorts wordt BEVEL door mij gegeven, dat van ieder, die dit woord zal veranderen,
een hout uit zijn huis zal gerukt en opgericht worden, waaraan hij zal worden opgehangen; en zijn
huis zal om diens wil tot een drekhoop gemaakt worden.”
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 51
11. Ezra 6:12: “De God nu, die Zijn Naam aldaar heeft doen wonen, werpe ter neer alle koningen
en volken, die hun hand zullen uitstrekken, om te veranderen en te verderven dit huis Gods, dat
te Jeruzalem is. Ik, Daríus, heb het BEVEL gegeven, dat het spoedig gedaan worde.”
12. Ezra 6:14: “En de oudsten der Joden bouwden en gingen voorspoedig voort, door de profetie
van de profeet Haggaï en Zacharía, de zoon van Iddo; en zij bouwden en voltrokken het, naar het
BEVEL van de God Israëls, en naar het BEVEL van Kores, en Daríus, en Arthahsasta, koning van
Perzië.”
13. Ezra 7:13: “Door mij wordt BEVEL gegeven, dat al wie vrijwillig is in mijn koninkrijk, van het
volk van Israël, en van zijn priesters en Levieten, om te gaan naar Jeruzalem, dat hij met u ga.”
14. Ezra 7:21: “En door mij, mij, koning Arthahsasta, wordt BEVEL gegeven aan alle
schatmeesters, die aan gene zijde van de rivier zijt, dat alles, wat Ezra, de priester, de
schriftgeleerde van de wet van de God des hemels, van u zal begeren, spoedig gedaan worde.”
15. Ezra 7:23: “Al wat naar het BEVEL van de God des hemels is, dat het vlijtig gedaan worde, voor
het huis van de God des hemels; want waartoe zou er grote toorn zijn over het koninkrijk van de
koning en van zijn kinderen?”
16. Ezra 8:17: “En ik gaf hun BEVEL aan Iddo, het hoofd in de plaats Kasífja; en ik legde de
woorden in hun mond, om te zeggen tot Iddo, zijn broeder, en de Nethínim, in de plaats Kasífja,
dat zij ons brachten dienaars voor het huis van onze God.”
17. Neh.7:2: “En ik gaf BEVEL aan mijn broeder Hanáni, en aan Hanánja, de overste van de burcht
te Jeruzalem, want hij was als een man van getrouwheid, en godvrezend boven velen.”
18. Neh.13:9: “Voorts gaf ik BEVEL, en zij reinigden de kamers; en ik bracht daar de vaten van
Gods huis weer in, met het spijsoffer en de wierook.”
19. Neh.13:19: “Het geschiedde nu, toen de poorten van Jeruzalem schaduw gaven, voor de
sabbat, dat ik BEVEL gaf, en de deuren werden gesloten; en ik beval, dat zij ze niet zouden
opendoen tot na de sabbat; en ik stelde van mijn jongens aan de poorten, opdat er geen last zou
inkomen op de sabbatdag.”
We wijzen hierbij op vier zaken:
1°) Niet alle teksten hier spreken over het bevel van een Perzische koning.
2°) Daar waar het bevel gegeven is van een Perzische koning zijn ze allen te herleiden tot deze
van Kores, alle andere steunen daarop. We beginnen dus daar de vervulling van de 70
jaarweken.
3°) Daar waar het bevel gegeven is van een Perzische koning is het ook het bevel van God
(Ezra 6:14).
4°) In het boek Nehemia is wat de koning hem toelaat te doen, GEEN BEVEL GENOEMD.
2°) WIE KWAM TERUG UIT BALLINGSCHAP?
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 52
Laten we vooraf als eerste punt, wat ingaan op de geschiedenis van de 10 stammen, de 2
stammen en dat aparte “koninkrijk” waaruit ze kwamen, van David en Salomo, Gods theocratie
op aarde.
Rond het jaar 975 v. Chr. scheurde tien stammen af zich van de twaalf stammen. Het ging samen
met oprichten van een apart koninkrijk waar de eerste koning Jerobeam werd. Wat er op volgt is
geen fraai verhaal: zelfs na een lange lijst van profeten die predikten tegen deze anarchie en het
geloofsafval van deze 10 stammen viel het rijk in handen van de Assyriërs. De vele waarschuwingen
en oordelen hebben niet geholpen, deze afvalligen tot God te brengen. Hun hoofdstad Samaria
werd verwoest en een groot deel van de bevolking werd als slaven weggevoerd. Ze werden
gedwongen te wonen in: “Chalach, aan de Chabor, de rivier van Gozan en in de steden der Meden”
(2 Kon.17:6 en 1 Kron.5:26). We geven aandacht aan drie punten van belang:
1° Na de scheuring bestond het koninkrijk van Juda uit de stammen Juda en Benjamin, en de
Levieten die trouw waren gebleven aan het huis van David, zodat het godsdienstige centrum in
Jeruzalem bleef. Een gedeelte van de Levieten die in de noordelijke delen van het land woonden,
verhuisden naar de streken rond Jeruzalem. We lezen het in 2 Kronieken 11:5,13,14 SV77:
“Rehábeam nu woonde te Jeruzalem; en hij bouwde steden tot vestingen in Juda. (...) Daartoe de
priesters en de Levieten, die in het ganse Israël waren, stelden zich bij hem uit heel hun gebied.
Want de Levieten verlieten hun weidegronden en hun bezitting, en kwamen in Juda en in
Jeruzalem; want Jerobeam en zijn zonen hadden hen verstoten, van het priesterdom des HEEREN
te mogen bedienen.”
Priester zijn van de cultus van YaHWeH was gebonden aan afstamming van Levi, maar onder de
heidenen ging dat gemakkelijk en wel als volgt: “U hebt de priesters van de HEER verdreven, de
zonen van Aäron en de Levieten, en u hebt priesters over u aangesteld zoals de andere volken
overal doen: als iemand met een stier en zeven rammen komt om tot priester gewijd te worden,
kan hij priester worden van wat geen goden zijn.” – 2 Kron.13:9 Willibrord
2° Behalve Juda, Benjamin en Levi waren er ook individuen uit het tienstammenrijk, die trouw
bleven aan de Heer en aan Jeruzalem als plaats voor aanbidding. We lezen dat nogal vlug na de
opstand er “na hen” (de Levieten uit 2 Kronieken 11:14): “De priesters en Levieten werden gevolgd
door velen uit alle stammen van Israël, die vastbesloten waren de HEER, de God van Israël, te
blijven vereren, en die naar Jeruzalem kwamen om offers op te dragen voor de HEER, de God van
hun voorouders. Ze versterkten het koninkrijk van Juda en waren drie jaar lang een steun voor
Rechabeam, de zoon van Salomo, want drie jaar lang bewandelden zij de weg van David en
Salomo.” (2 Kron.11:16,17 Willibrord) Tijdens de periode van het bestaan van het rijk van de twee
stammen – tot hun gevangenschap door de Babyloniërs - hebben gelovige Israëlieten uit de tien
stammen zich afgescheiden en zich daarop aangesloten bij 'Juda.' In de perioden van nationale
opleving van het zuidelijke koninkrijk en tijdens de regeringen van koningen die de Heer vreesden
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 53
zochten ze zich opnieuw als gelovigen te identificeren (zie 2 Kron.15:9-15).
3° We lezen dat: “de koning van Assur Samaria innam en Israël (= de 10 stammen) in ballingschap
voerde naar Assur.” Maar hij heeft niet het gehele volk met zich meegevoerd. Zeer waarschijnlijk de
notabelen en meer invloedrijke personen. Het is bijna zeker dat velen in het land achterbleven
hoewel we er geen echt Bijbels bewijs voor hebben. We mogen dat veronderstellen omdat later in
het geval van de omverwerping van het zuidelijk tweestammenkrijk door de Babyloniërs ook slechts
een deel is weggevoerd. We lezen in 2 Kon.25:12 SV77 het volgende: “Maar van de armsten des
lands liet de overste der lijfwachten enigen over tot wijngaardeniers en tot akkerlieden.” Er zijn
bovendien aanduidingen voor het eerste, omdat tijdens de regering van koning Josia – dat is wel
100 jaar na de val van Samaria - een gedeelte van de stammen Manasse en Efraïm en “een
overblijfsel vanuit geheel Israël” die nog in het land waren bijdragen leverden voor de
wederopbouw van de Tempel. Dat was tijdens een inzameling gedaan door de Levieten. Ook vierden
zij het Pascha mee tijdens het 18e jaar van de regering van de jonge koning: “Sinds de dagen van de
profeet Samuël was Pasen in Israël nog nooit zo gevierd; geen van de koningen van Israël had
Pasen gevierd zoals koning Josia het vierde met de priesters en Levieten, met alle aanwezigen van
Juda EN ISRAËL en de inwoners van Jeruzalem.” - 2 Kron.35:18 Willibrord. Maar ook het zuidelijk
koninkrijk van 'Juda' komt het punt te bereiken dat er, vanwege hun afgoderij en geloofsafval, geen
herstel meer mogelijk is. In 2 Kron.36:16 Willibrord is het beschreven: “Maar ze overlaadden de
gezanten van God met smaad, sloegen hun waarschuwingen in de wind, en spotten met de
profeten, zodat de toorn van de HEER wel onverbiddelijk moest neerkomen op zijn volk.” Het
zuidelijk koninkrijk en Jeruzalem worden uiteindelijk door Nebukadnezar ingenomen, ongeveer 130
jaar na de verovering van Samaria door de Assyriërs. Het grote Assyrische Rijk is dan al opgevolgd
door het Babylonische Rijk. De landen waar Nebukadnezar over regeerde waren ongeveer dezelfde
als waarover Salmanezer en Sargon tijdens het Assyrische Rijk regeerden. Er was een iets
uitgebreider territorium. Een opmerking van 2 Kon.23:29: waar de koning van Babel de koning van
Assur wordt genoemd geeft aan wat we willen zeggen.
Tweede belangrijk punt in deze zaak: de stammen waren in de ballingschap weer bij elkaar.
Waar de exacte verblijfplaats van de ballingen uit het twee stammenrijk was wordt niet genoemd in
de Bijbel. De Schrift geeft wel duidelijk aan dat er drie verschillende groepen van ballingen door
Nebukadnezar worden meegenomen ‘naar Babel’. De eerste groep tijdens de regering van Jojakim
in 606 v. Chr., de tweede tijdens de regering van Joachin in 599 voor Christus. De derde groep, die
ook de grootste is, bij de uiteindelijke omverwerping van Jeruzalem in de regering van koning
Zedekia in 588 v. Chr. (zie 2 Kon.24 en 25 / Dan.1). Ezechiël was één van de 10.000 ballingen, die
door Nebukadnezar samen met Joachin was meegenomen en die leefde in ballingschap bij de rivier
Chabor in Gozan. Meer dan een eeuw voordien werden daar al, door de Assyriërs, ballingen van de
tien stammen gebracht. Met al die perikelen in de beide koninkrijken kwam er een einde aan de
verdeeldheid en rivaliteit tussen ‘Juda’ en ‘Israël.’ Toen, in die dagen, waren geen van beide nog
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 54
belangrijk, maar een speelbal van de groten: Egypte, Assyrië en Babylon. In die dagen was er wel
hoop, iets waar velen naar uitkeken: het door profeten beloofde nationale herstel. Amos, Hosea,
Joël, en enkele andere profeten tot aan de val van Samaria hadden dat beeld in hun vaandel. Dat
beeld van opnieuw hersteld te worden bevorderde ook in grote mate de eenheid onder het volk.
Althans voor dezen die zich ondertussen niet geassimileerd totaal hadden met de heidenen rondom
hen. Later horen we van Daniël, Jeremia en Ezechiël - de profeten uit de Babylonische ballingschap die gezamenlijke hoop van de leden van de twee koninkrijken beschrijven en bezingen. Het mooiste
voorbeeld hiervan staat in Ezechiël 37:15-28.
Bekijken we eens in het kort het verhaal van dezen die uit de ballingschap komen om de tempel te
herbouwen en de profetie van Jesaja 44 en 45 in vervulling te laten gaan. Het volk dat op dat
moment in de omgeving van Jeruzalem woont, grotendeels Samaritanen, dus met gedeeltelijke
Israëlische wortels, tracht het herstel van Israël te verhinderen op drie manieren;
1°) Ze willen meebouwen en zo iets van de eer opstrijken Ezra 4:2,3 (2 Kon.17:25-41 geeft aan dat
ze geen echte aanbidders van YaHWeH zijn.)
2°) Ontmoedigen de Israëlieten te bouwen Ezra 4:4.
3°) De Perzische koningen worden overstelpt met leugenachtige taal Ezra 4:5,6.
De bouw van de muur zien ze als een bedreiging tegenover Perzië Ezra 4:12. We leren ook uit
deze zaak: dat er geen totale leegloop was in Israël, alleen het gebied van Juda had te maken
met de straf van 70jarig verwoest liggen van het land, letterlijk en figuurlijk.
Een derde belangrijk punt: er was een gezamenlijke terugkeer naar het land van alle
stammen.
In de zesde en vijfde eeuw voor Christus zijn meerdere bannelingen teruggekeerd naar het land van
de hoop. In het jaar 538 v. Chr. had Kores, de koning van Perzië, Babylon veroverd. De eerste groep
ballingen die in het jaar 606 v. Chr. door Nebukadnezar naar Babylon waren weggevoerd, waren er
ondertussen ongeveer 70 jaren. Profetisch stond er wat te gebeuren. We lezen in Ezra 1:1-3 NBG:
“1 In het eerste jaar van Kores, de koning van Perzië, wekte de HERE, opdat het woord des HEREN,
door Jeremia verkondigd, zou worden voltrokken, de geest van Kores, de koning van Perzië, op,
om door zijn gehele koninkrijk, ook in geschrifte, deze oproep te doen uitgaan: 2 Zo zegt Kores, de
koning van Perzië: alle koninkrijken der aarde heeft de HERE, de God des hemels, mij gegeven en
Hij heeft mij opgedragen Hem een huis te bouwen in Jeruzalem, in Juda. 3 Wie nu onder u tot
enig deel van zijn volk behoort – zijn God zij met hem, hij trekke op naar Jeruzalem, in Juda, en
bouwe het huis van de HERE, de God van Israël, dat is de God, die in Jeruzalem woont.”
De zaak van hierboven moeten we nog eens benadrukken, zowel tegen wat dispensationalisten
zeggen als de Brits-Israël verenigingen, die in een terugkeer geloven van alleen de 2 stammen en
niet de 10 anderen. Wij leren: de terugkeer van Israël als één geheel. Het profetische verhaal uit
Ezechiël, van de twee stokken, is vervuld en moet geen tweede maal gerealiseerd worden in een
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 55
duizendjarig rijk.
Ze keren in drie groepen terug. Dit zijn enkele details.
De eerste terugkeer:
Dit werd mogelijk na een toelating van koning Kores. Zijn decreet had betrekking op het gehele volk,
dus alle onderdanen van het koninkrijk, de 10 en de 2 stammen. In het jaar 537 v. Chr., twee jaar na
de verovering van Babel door Kores, werd dit uitgevaardigd. Het ‘gehele koninkrijk’ waarover hij
regeerde omvat het gebied waarover Nebukadnezar en zijn opvolgers op de troon zaten. Aangezien
het rijk van Babel identiek was aan dat van Assur, waar het tienstammenrijk naar was afgevoerd,
had dit tevens betrekking op de 10 stammen. We hebben daar Bijbels ook een aanduiding voor:
Kores en Darius l worden zonder onderscheid aangeduid met de titels, ‘Koning van Perzië’ (Ezra 4:5),
‘Koning van Babel’ (Ezra 5:13) en ‘Koning van Assur’ (Ezra 6:22). Na de oproep van Kores verzameld
zich een karavaan naar het beloofde land Ezra 2:64,65 en bij telling krijgen we volgende cijfers:
“64 De gehele gemeente tezamen was tweeënveertigduizend driehonderd zestig, 65 afgezien van
hun slaven en slavinnen, van welke er zevenduizend driehonderd zevenendertig waren; zangers
en zangeressen hadden zij tweehonderd.” Het is onder de leiding van een afstammeling uit het
koningshuis van David, de man Zerubbabel, dat ze van Babel op weg naar Jeruzalem gaan. De
leiders van de teruggekeerden zijn “Toen maakten de familiehoofden van Juda en Benjamin, ook
de priesters en de Levieten, zich gereed.” (Ezra 1:5) Maar onder hun leiding reisden ook ballingen
uit de andere stammen mee. “Toen maakten de familiehoofden van Juda en Benjamin, ook de
priesters en de Levieten, zich gereed, allen wier geest God had gewekt om op te trekken teneinde
het huis van de HERE, die in Jeruzalem woont, te bouwen.” (Ezra 1:5). Hier hebben we ook te
maken met een nieuwigheid in Bijbelse terminologie: mensen worden niet langer genoemd naar de
stam waartoe zij behoren, maar naar hun families en naar hun steden waar zij vroeger gewoond
hadden. Wanneer we dat opzoeken in de tijden waar ze woonden VOOR DE BALLINGSCHAPPEN, is het
niet zo moeilijk vast te stellen hoeveel er tot Juda en hoeveel er tot Israël behoorden. In het gezelschap
van dezen die terugkeerden waren 223 mannen van Bethel en Ai (Ezra 2:28) die duidelijk uit het
noordelijke komen. Bethel dat op de grens van Benjamin lag, behoorde tot de stam Efraïm en die stad
was het centrum van aanbidding van heidense goden ingesteld door Jerobeam. Een mogelijke latere
aanwijzing zou het boek Jacobus in het NT kunnen zijn. Is het een brief gericht aan de twaalf stammen
die in de verstrooiing (letterlijk de ‘diaspora’) zijn (Jac.1:1)? Als het om de letterlijke stammen gaat zijn
de “twaalf stammen” dus geen verloren stammen. Maar het zou ook kunnen slaan op de gelovigen van
het NT die op dat moment al verdrukt zijn en overal verspreid over de toen gekende wereld: ze zijn
door de verdrukking in verstrooiing gegaan.
Dus: in 537 v. Chr., is er een belangrijkst en grote terugkeer. Onder leiding van Zerubbabel keren
42.360 Joden terug met nog eens 7.337 dienaren en 200 zangers. En daarboven duizenden slaven
en slavinnen (Ezra 2:65).
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 56
De tweede groep:
Na een toelating van Artaxerxes Longimanus in het jaar 458 v. Chr. is Ezra uit Babel getrokken met nog een
andere groep Joden. Dit staat onder andere in dit Koninklijke besluit, in Ezra 1:3: “Wie nu onder u tot
enig deel van zijn volk behoort – zijn God zij met hem, hij trekke op naar Jeruzalem, in Juda, en
bouwe het huis van de HERE, de God van Israël, dat is de God, die in Jeruzalem woont.” Het
resultaat is beschreven in: “Zo trokken ook een aantal Israëlieten en priesters, Levieten, zangers,
poortwachters en tempelhorigen naar Jeruzalem, in het zevende jaar van koning Artachsasta.” Ezra 7:7 Deze groep keert terug onder leiding van Ezra bestaande uit 1.754 mannen. Hun reis neemt
vier maanden in beslag. Hoeveel vrouwen erbij waren weten we niet. In Ezra 8:27 is vermeldt dat ze
meekwamen maar het aantal wordt niet vernoemd. Men mag aannemen ongeveer eenzelfde aantal
en bovendien ook nog hun kinderen. Een bont gezelschap dat bestond uit ongeveer 1800 families, de
priesters, de Levieten en de tempelhorigen niet meegerekend. Het waren ‘de kinderen Israëls’
ongeacht uit welke stam. (Zie het bijvoegsel.) Zij kwamen uit alle delen van het Assyrische of
Babylonische rijk waar ze naar toe gebracht waren. Tegen de tijd van Jezus was de Joodse populatie in
Palestina uitgegroeid tot enkele miljoenen.
De derde terugkeer:
is onder Nehemia die begeleiding krijgt van een legerescorte. Hij komt terug om de herbouw af te
werken, opnieuw met de financiële steun van de Meden en de Perzen.
Een totaal dus van ruim 50.000 personen ging terug naar Juda. Dat zijn meer dan 42.000 personen
van de stammen Juda en Benjamin en nog wel 11.000 anderen. We moeten dus niet spreken van
het raadsel van de verloren stammen.
Een vierde punt is: de situatie in de dagen van Christus bevestigd dat de 12 stammen toen
opnieuw verenigd waren.
Het gedeeltelijk herstel van Israël in de dagen van Cyrus en zijn opvolgers, in de zesde en vijfde
eeuw voor Christus, had de nakomelingen van Jacob opnieuw tot één volk gemaakt. De stammenen geslachtsregisters, vooral van de inwoners van het land tot aan de verwoesting van de tweede
Tempel (586 v. Chr.) waren grotendeels bewaard waren gebleven.
De overgrote meerderheid bleef nog in de diaspora, ze waren er aan het werk en hadden
gemeenschappen gevormd. Want ook in de verstrooiing blijven mensen van hetzelfde ras dicht bij
elkaar, letterlijk en geestelijk. Natuurlijk zijn er die zich geassimileerd hadden. Dat wil niet zeggen
dat er tijdens de feesten van Pesach, Pinksteren en het Loofhuttenfeest, geen pelgrimstochten naar
Jeruzalem gemaakt werden, waar de mannen die feesten moesten vieren. Philo, de Egyptische Jood
schrijft eens aan de Romeinse Keizer Caligula dat: “Jeruzalem niet alleen als hoofdstad van Judea
beschouwd moest worden, maar als het centrum van een natie, verspreid over oneindig veel
plaatsen, die hem bekwame versterking kon leveren voor zijn verdediging.” Waar verbleven toen
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 57
de meeste Joden: de landen Egypte, Macedonië, Bythinië, en enkele steden in het rijk van de
Perzen en van Babylon alsook de eilanden Cyprus en Kandia. Dus meestal waarnaar ze in
gevangenschap gingen of gevlucht waren en bij dat laatste hoort Egypte. Daar was een massa naar
toegegaan na de vernietiging van de tempel en ze centreerden zich vooral rond Alexandria. Philo is
ook de tijd van het boek Handelingen en in hoofdstuk twee zien we deze beschrijving van mensen
uit andere gebieden dan Palestina: “8 Hoe is het dan mogelijk dat ieder van ons de taal van zijn
geboortestreek hoort? 9 Parten en Meden en Elamieten, en bewoners van Mesopotamië, Judea
en Kappadocië, Pontus en Asia, 10 Frygië en Pamfylië, Egypte en het Libische gebied bij Cyrene,
en hier woonachtige Romeinen, 11 Joden en proselieten, Kretenzen en Arabieren, wij horen hen
in onze eigen taal spreken over de grote daden van God.” – Willibrordvertaling Zij worden allen
Joden genoemd en ondanks hun afstand waar ze echt leven en werken is Jeruzalem hun nationale
hoofdstad.
Nu even terug naar de 5de eeuw voor Christus. Ds. H. H. Grosheide schreef een brochure over
dit onderwerp getiteld ‘De terugkeer uit de Ballingschap’, Van Keulen, 1957. Hij zegt bijvoorbeeld
dit: “Bij juiste opvatting van vs 3-14 komen alle twaalf in deze verzen genoemde geslachten in Ezra 2
voor. (…) Verreweg het grootste deel van de teruggekeerden behoorde dus tot de stammen Juda,
Benjamin en Levi” (blz.38). En ook dit: “De som der afzonderlijke getallen is in Ezra (volgens M.T.)
29818, in Neh. (volgens M.T.) 31089 in III. 30143. Alle drie noemen als totaal 42360 (2:64); Neh.7:66
– met kleine verschillen in de tekstoverlevering, zo leest Sept.B. 42308 – en III. 4:41). Dit totaalcijfer
staat dus tekstkritisch zeer vast, het zal wel juist zijn” (blz.53). Waarop hij ingaat op de totaliteit van
de cijfers; met of zonder vrouwen, met alle kinderen of slechts met deze boven de twaalf jaar, maar
nog niet volwassen. Moeilijke beslissingen zijn hier te maken maar we gaan er ook niet verder op in.
In 1 Kronieken 9:1-9 is ons iets duidelijk gemaakt, namelijk, dat er méér dan twee stammen en
de levieten zijn teruggekeerd uit de Babylonische gevangenschap. Bij het herstel van de offerdienst
worden voor alle twaalf stammen offers gebracht! We lezen er dit: “Geheel Israël was in registers
opgenomen; zij waren opgeschreven in het boek der koningen van Israël. De Judeeërs werden
naar Babel weggevoerd om hun ontrouw. En de eersten, die zich weer op hun bezitting in hun
steden kwamen vestigen, waren gewone Israëlieten, de priesters, de Levieten, en de
tempelhorigen. Te Jeruzalem woonden van de zonen van Juda, Benjamin, Efraïm en Manasse:
Utai, de zoon van Ammihud, de zoon van Omri, de zoon van Imri, de zoon van Bani, uit de zonen
van Peres, de zoon van Juda; van de Silonieten: Asaja, de eerstgeborene, en zijn zonen; en van de
zonen van Zerach: Jeüel, en hun broeders; zeshonderd negentig. Van de zonen van Benjamin:
Sallu, de zoon van Mesullam, de zoon van Hodawja, de zoon van Hassenua; Jibneja, de zoon van
Jerocham; Ela, de zoon van Uzzi, de zoon van Mikri; en Mesullam, de zoon van Sefatja, de zoon
van Reüel, de zoon van Jibnia; voorts hun broeders, naar hun afstamming, negenhonderd
zesenvijftig. Al deze mannen waren hoofden van hun families.” We herhalen nog eens een
gedeelte uit het vers drie: “te Jeruzalem woonden van de zonen van Juda, Benjamin, Efraïm en
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 58
Manasse.” Efraïm en Manasse zijn teruggekeerd en zijn dus géén verloren stammen. We weten uit
het NT dat er ook nog van de stam van Aser aanwezig waren in het Israël van die dagen. Luc.2:36:
“Ook was daar Hanna, een profetes, een dochter van Fanuël, uit de stam Aser. Zij was op hoge
leeftijd gekomen, nadat zij met haar man na haar huwelijksdag zeven jaren had geleefd.” En het is
zeker dat er nog van de andere stammen aanwezig waren, alleen ze konden niet meer bewijzen uit
welke stam, hun stamregister was verloren. Dat is ook duidelijk uit Ezra 6:17: “En zij offerden, ter
inwijding van dit huis Gods, honderd runderen, tweehonderd rammen, vierhonderd lammeren en
twaalf geitenbokken, ten zondoffer voor gans Israël, naar het getal van de stammen Israëls.” De
“twaalf geitenbokken, ten zondoffer voor gans Israël” geven aan dat er van alle twaalf stammen
aanwezig waren in de terugkerende of dat er al zoveel getrouwd is onder elkaar dat dit symbolische
verwijst naar alle twaalven. We zien het ook nog eens in Ezra 8:35: “En de weggevoerden, die uit de
gevangenschap gekomen waren, offerden de God Israëls brandoffers; twaalf varren voor gans
Israël, zes en negentig rammen, zeven en zeventig lammeren, twaalf bokken ten zondoffer; alles
ten brandoffer voor de HEERE.”
Wie zijn die mensen dan? Het is het “overblijfsel” volgens Hag.1:12 / Zach.8:11,12 /
Jer.42:2,15,19 / Jes.43:5 / 44:7,12,14. Uit Zacharia 2:16 en 8:7,8 krijg je zelfs de indruk dat er nog
geen terugkeer is, maar dat is omdat het aantal zo klein is naar zijn mening. In dat boek staat
duidelijk dat er mensen van Israël en van Juda teruggekeerd zijn (Zach.8:13), maar het merendeel is
van “Juda” of het “huis van Juda” (Zach.2:16 / 8:19). Maar er is ook deze terminologie: “Israëls
families” (Ezra 8:29), “volk Israël” (Ezra 9:1), “schare van Israël” (Ezra 10:1). Volgens Ezra is het
duidelijk dat men zich nog steeds als “slaven” van Perzië ziet in die dagen (Ezra 9:9).
Uit de Bijbel is het duidelijk dat er een herstel was van het sociale leven vanaf het prille begin
van de terugkeer. Men laat mensen wonen in hun eigen stad waar men vroeger woonde. Waar de
stam recht op had sinds de verdeling in de tijd van Jozua, daar ging wie teruggekeerd was opnieuw
wonen.
Ezra 2:70: “De priesters nu en de Levieten, alsook sommigen van het volk, de zangers, de
poortwachters en de tempelhorigen, gingen wonen in hun steden, en alle andere Israëlieten in
hun steden.”
Ezra 3:1: “Toen nu de zevende maand aanbrak, terwijl de Israëlieten in hun steden waren,
verzamelde het volk zich als één man te Jeruzalem.”
Nehemia 7:72: “De priesters nu en de Levieten, de poortwachters, de zangers, alsook sommigen
van het volk, en de tempelhorigen en alle andere Israëlieten gingen wonen in hun steden.”
Nehemia 11:1: “De oversten van het volk gingen te Jeruzalem wonen, maar het overige volk wierp
het lot, om een op de tien aan te wijzen in Jeruzalem, de heilige stad, te gaan wonen, en negen
tienden in de andere steden.”
Nehemia 11:3: “Dit zijn de hoofden van het gewest, die zich in Jeruzalem vestigden; – in de steden
van Juda woonden, ieder op zijn bezit, in hun steden: Israël, de priesters, de Levieten, de
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 59
tempelhorigen en de nakomelingen van Salomo’s knechten.”
Nehemia 11:20: “Het overige Israël, de priesters, de Levieten, woonde in al de steden van Juda,
ieder in zijn erfdeel.”
Van velen wist men de afkomst niet meer zoals in Ezra 2:61-65 SV77 beschreven is: “En van de
kinderen van de priesters, de kinderen van Habája, de kinderen van Koz, de kinderen van Barzillai,
die van de dochters van Barzillai, de Gileadiet, een vrouw genomen had, en naar hun naam
genoemd was. Dezen zochten hun register, onder hen, die in het geslachtsregister gesteld waren,
maar zij werden niet gevonden; daarom werden zij als onreinen van het priesterdom geweerd. En
Hattirsátha zeide tot hen, dat zij van de heiligste dingen niet zouden eten, totdat er een priester
stond met urim en met tummim. Deze ganse gemeente te zamen was twee en veertig duizend
driehonderd zestig. Behalve hun knechten en hun maagden, die waren zeven duizend
driehonderd zeven en dertig; en zij hadden tweehonderd zangers en zangeressen.” Voor de stam
Juda, de koningsstam, en Levi, de stam van de priesters, was het bewijs van afstamming zonder
meer een noodzakelijkheid.
Het herstel van de tempeldienst, nodig voor het sociale leven van die mensen, is als volgt
beschreven door Ezra 3:1,6,8 SV77: “Toen nu de zevende maand aankwam, en de kinderen Israëls
in de steden waren, verzamelde zich het volk, als een enig man, te Jeruzalem. (…) VAN DE EERSTE
DAG AF VAN DE ZEVENDE MAAND BEGONNEN ZIJ DE HEERE BRANDOFFERS TE OFFEREN; DOCH DE
GROND VAN DE TEMPEL DES HEEREN WAS NIET GELEGD. (…) In het tweede jaar nu van hun
aankomst ten huize Gods te Jeruzalem, in de tweede maand, begonnen Zerubbábel, de zoon van
Sealthiël, en Jésua, de zoon van Józadak, en de overigen van hun broeders, de priesters en de
Levieten, en allen, die uit de gevangenschap naar Jeruzalem gekomen waren; en zij stelden de
Levieten aan, van twintig jaren oud en daarboven, om opzicht te nemen over het werk van het
huis des HEEREN.” De tempel die men toen bouwde was niet erg groot van formaat, slechts zestig el
hoog en zestig el breed, dat is ongeveer 26 x 26 meter. Dus zeker niet zo indrukwekkend als deze van
Salomo of deze van Herodes. Voor de bouw van de tempel van Salomo was het beste hout gebuikt,
cederhout uit de Libanon. Nu werd gewoon het lokale hout gekapt (Haggaï 1:8). Alles op de kosten
van Kores en Darius, de koningen van de Perzen!
IS ER DAN VERSCHIL IN DE TERMEN: JOOD EN ISRAËLIET?
Het zal u ondertussen al duidelijk geworden zijn dat de namen “Jood” en ‘Israëliet’ grotendeels ook
synoniem aan elkaar zijn SINDS DE TIJD VAN DE BALLINGSCHAP. Het is geen Bijbelse theologie te
veronderstellen dat de term “Jood” slechts verwijst naar de biologische afstammelingen van Juda.
Als het woord “Jood” gebruikt is werd regelmatig iedere nakomeling van Jacob aangeduid als hij
zichzelf maar rekende tot het koninkrijk van Juda. Het is dat “overblijfsel van echte gelovigen” die
verwachten dat de beloofde “Zoon van David”, komt om Juda te herstellen. We lezen over Zijn
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 60
heerschappij: “DAN KONDIGT HIJ VREDE AAN ONDER DE VOLKEREN, EN GAAT ZIJN HEERSCHAPPIJ
VAN ZEE TOT ZEE EN VAN DE RIVIER TOT DE GRENZEN VAN DE AARDE.” - Zach.9:10
De tien stammen bestonden dus niet langer als een eigen onafhankelijk gebied en daarom
werd het begrip “Jood” de algemene naam voor alle Israëlieten. Wanneer, bijvoorbeeld, iemand
van de stam Ephraïm zich “verenigde” met de kerngedachte van de Judeërs (= er komt een Messias
en een nieuw rijk) die zag men als een “Jood.” In de kringen van dezen die zeggen dat de verloren
stammen zijn opgegaan naar bijvoorbeeld Engeland en van daaruit naar de Verenigde Staten maken
bezwaar bij onze uitleg. Ze beweren dat leden van de tien stammen nooit Joden genoemd werden
of dat Joden geen Israëlieten zijn. Dat is een verkeerd kijk op de zaak en verwijzen nog eens naar
het bijvoegsel. Het is er duidelijk dat niet alleen de ballingen van het zuidelijke koninkrijk die uit
Babel terugkeerden de naam ‘Joden’ droegen maar ook de anderen die ook als ze geen echte
afstamming meer konden bewijzen toch tot “Israël” hoorden. Niet minder dan veertig keer is in het
boek Ezra, het overblijfsel als “Israël” beschreven en niet steeds als “Joden” (= van de stam Juda). In
Nehemia worden ze 11 keer ‘Joden’ genoemd en 22 keer “Israël.” Het boek Esther, dat ongeveer
dezelfde periode beschrijft heeft dezelfde manier van weergeven. Daar worden dezen die in 127
provincies van het Perzische Rijk achterbleven, 45 keer “Joden” genoemd. Maar er waren veel
Judeeërs (= van de 2 stammen) achtergebleven in die streken en toch horen we niet één keer
“Israël” als omschrijving.
Wanneer we dat principe toepassen op het NT is het ook niet zo verwonderlijk dat men OM
HETZELFDE VOLK te beschrijven: ze 174 keer als “Joden zijn genoemd en 75 keer “Israël.”
Een voorbeeld wat dat allemaal wil zeggen zonder te morren met de inhoud van een
Bijbeltekst. De Brits-Israël beweging beweerd dat slechts afstammelingen van de stam Juda “Joden”
mogen genoemd worden. Paulus, die weet wat men als termen hanteerde in die dagen heeft daar
geen weet van: hij noemt zichzelf nu eens “een Jood” en een andere keer “een Israëliet”
(Hand.21:39 / Rom.11:1 / 2 Cor.11:22 / Phil.3:5). Beide termen zijn op hem van toepassing en de
Brits-Israël beweging heeft alleen maar verwarring rondgestrooid met enkele van die teksten in te
kleuren met de inkt die er niet bij hoort. Wanneer we lezen dat Jezus uit het geslacht van David was
gaat het om letterlijk afstamming van die koning gaat. Maar evenwaardig zegt Paulus van Hem dat
Hij wat het vlees betreft uit “hen” (= de Israëlieten) is. - Rom.9:4,5 En ook de gelovige Anna was een
“Jodin” in Jeruzalem, maar zegt Lukas tegelijk “uit de stam Aser”, die tot het noordelijke
tienstammenrijk behoorde. - Luk.2:36
BIJVOEGSEL
Uit de Willibrordvertaling (herziene editie 1995), geven we u de 26 teksten uit Ezra en de 9
teksten uit Nehemia waarin het begrip “Israël” voorkomt. De bedoeling is dat u een aanwijzing over
mag houden waaruit blijkt dat die 12 stammen voor God en de profeten niet verloren zijn maar in
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 61
die dagen ook in het land en des stad Jeruzalem aanwezig zijn. Dat het om een kleine groep gaat dat
zullen we niet betwisten, maar zij zijn het toch die de stammen vertegenwoordigen. Velen in Israël
zijn ondertussen al opgegaan in de massa heidenen rondom hen. De conclusie is dat de 12 stammen
niet zijn verloren gegaan.
946.
Ezra 1,3
Laten al degenen onder u die tot zijn volk behoren – moge zijn God hem bijstaan – onder
zijn hoede optrekken naar Jeruzalem in Juda en een huis bouwen ter ere van de HEER, de God van
Israël, de God die in Jeruzalem woont.
947.Ezra 3,10
Terwijl de bouwlieden de fundering legden voor de tempel van de HEER, stelden de
priesters, uitgerust met trompetten, en de Levieten, de zonen van Asaf, uitgerust met cimbalen, zich
op om de HEER te loven volgens de aanwijzingen van David, de koning van Israël.
948.
Ezra 3,11
In beurtzang loofden zij de HEER met het danklied: ‘Want Hij is goed, want in eeuwigheid
duurt zijn barmhartigheid voor Israël’, en heel het volk begon luid te juichen en de HEER te prijzen,
omdat er een begin gemaakt werd met de oprichting van het huis van de HEER.
949.
Ezra 4,1
Toen de vijanden van Juda en Benjamin hoorden dat de teruggekeerde ballingen een
tempel bouwden voor de HEER, de God van Israël,
950.
Ezra 4,3
Maar Zerubbabel, Jesua en de overige familiehoofden van Israël antwoordden: ‘Een huis
bouwen voor onze God is geen zaak voor u en ons samen. Voor de HEER, de God van Israël, moeten
wij alleen bouwen, want zo heeft koning Kores, de koning van Perzië, ons bevolen.’
951.Ezra 5,11
Zij hebben ons het volgende antwoord gegeven: “Wij zijn dienaren van de God van hemel
en aarde en wij bouwen het huis dat vele jaren geleden door een groot koning van Israël gebouwd
en voltooid werd.
952.Ezra 6,14
De oudsten van de Judeeërs zetten de bouw voort. Deze verliep voorspoedig, dankzij het
optreden van de profeten Haggai en Zacharia, de zoon van Iddo. Zij voltooiden het werk dat hun
opgelegd was door de God van Israël, door Kores en Darius, en door Artachsasta, de koning van
Perzië.
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 62
953.Ezra 6,17
Bij de inwijding van het huis van God offerden zij honderd stieren, tweehonderd rammen,
vierhonderd lammeren en twaalf geitenbokken als zondeoffer voor heel Israël, evenveel als het
aantal stammen.
954.
Ezra 6,21
Het werd gegeten door de Israëlieten en door iedereen die zich had afgekeerd van de
onreinheid van de heidenen, om de HEER, de God van Israël, te dienen, en de ongerechtigheden van
de heidenen in het land af te zweren.
955.Ezra 6,22
Vol vreugde vierden zij zeven dagen lang het feest van de ongezuurde broden, want de
HEER had hun vreugde gebracht door koning Assur gunstig te stemmen, zodat hij hen had gesteund
bij de bouw van het huis voor de God van Israël.
956.
Ezra 7,6
Hij was een schriftgeleerde, zeer bedreven in de Wet van Mozes, de Wet die de HEER aan
Israël geschonken heeft. En de koning was Ezra in alles ter wille, want de HEER zijn God was met
hem.
957.Ezra 7,10
want Ezra had zich toegelegd op de studie van de Wet van de HEER en op de naleving
ervan, om haar voorschriften en bepalingen in Israël te onderwijzen.
958.
Ezra 7,11
Hier volgt een afschrift van de brief die Artachsasta meegaf aan Ezra, de priester en
schriftgeleerde, bedreven in de wetten en geboden van de HEER, voor Israël.
959.
Ezra 7,13
Hierbij bepaal ik dat allen in mijn koninkrijk die behoren tot het volk van Israël, evenals de
priesters en Levieten, en degenen die vrijwillig naar Jeruzalem willen trekken, met u mee kunnen
gaan.
960.
Ezra 7,15
Bovendien moet u het zilver en het goud meenemen dat de koning en zijn raadslieden
willen offeren aan de God van Israël, die zijn woning heeft in Jeruzalem,
961.
Ezra 7,28
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 63
en die mij genade heeft laten vinden bij de koning en zijn raadslieden en bij alle invloedrijke
ambtenaren van de koning. Ik vatte moed, omdat de HEER mijn God met mij was, en ik verzamelde
leiders uit het volk van Israël om met mij mee te gaan.’
962.Ezra 8,18
Omdat God ons welgezind was, brachten ze ons een verstandig man, een afstammeling van
Machli, de zoon van Levi, de zoon van Israël, namelijk Serebja, met zijn zonen en broeders, achttien
in getal;
963.
Ezra 8,29
Bewaar dat alles dus zorgvuldig, tot u het in Jeruzalem, in de ruimten van het huis van de
HEER, overdraagt aan de leiders van de priesters en Levieten en aan de voornaamste familiehoofden
van Israël.’
964.
Ezra 8,35
De ballingen die uit de gevangenschap waren teruggekeerd, droegen brandoffers op aan de
God van Israël: twaalf stieren voor heel Israël, zesennegentig rammen, zevenenzeventig lammeren,
en als zondeoffer twaalf bokken. Het was een groot brandoffer ter ere van de HEER.
965.
Ezra 9,1
Na afloop van dit alles kwamen de leiders naar mij toe en zeiden: ‘Het volk van Israël, de
priesters en de Levieten, hebben de omgang met de omwonende volken niet gemeden, maar zich
schuldig gemaakt aan de gruweldaden van de Kanaänieten, Hethieten, Perizzieten, Jebusieten,
Ammonieten, Moabieten, Egyptenaren en Amorieten.
******
972. Neh 1,6
buig uw oor, open uw ogen en luister naar het gebed dat ik, uw dienaar, nu dag en nacht
tot U richt voor de zonen van Israël, uw dienaren. Ik belijd de zonden die wij, zonen van Israël, ook
ikzelf en mijn familie, tegenover U begaan hebben.
973.Neh 7,72
De priesters, de Levieten, de poortwachters en de zangers, een gedeelte van het volk en de
tempelknechten vestigden zich in hun eigen steden; de anderen van Israël vestigden zich ook in hun
steden. En de zevende maand was aangebroken. Alle Israëlieten die zich in de steden gevestigd
hadden,
974. Neh 8,1
stroomden samen op het plein voor de Waterpoort en verzochten Ezra, de schriftgeleerde,
om het boek te gaan halen van de leer van Mozes, die de HEER aan Israël opgelegd heeft.
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 64
975.Neh 8,14
En zij ontdekten dat er in de leer, die de HEER via Mozes gegeven heeft, geschreven staat
dat de kinderen van Israël tijdens het feest van de zevende maand in loofhutten moeten wonen
976. Neh 10,34
voor de toonbroden, het dagelijkse spijs- en brandoffer, voor de sabbatdagen, de nieuwemaanfeesten en de hoogtijdagen, voor de heilige gaven en zondeoffers voor de verzoening voor
Israël, voor heel de eredienst in het huis van onze God.
977.Neh 12,47
Ten tijde van Zerubbabel en Nehemia bracht Israël de dagelijkse rantsoenen op voor de
zangers en de poortwachters; zij schonken de gewijde gaven aan de Levieten en de Levieten op hun
beurt gaven daarvan de zonen van Aäron hun deel.
978.Neh 13,3
Toen men deze bepaling vernam, zonderde men iedereen die tot een gemengde
afstamming behoorde van Israël af.
979.Neh 13,18
Hebben uw vaders ook niet dergelijke dingen gedaan en heeft onze God daarom niet al die
rampen over ons en onze stad gebracht? En wilt u nu opnieuw woede over Israël afroepen door de
sabbat te schenden?’
980.
Neh 13,26
Ik zei tegen hen: ‘Heeft Salomo, de koning van Israël, zich immers ook niet hieraan schuldig
gemaakt? Onder alle volken was er geen koning als hij; hij werd bemind door God, en God heeft
hem tot koning gemaakt over heel Israël. Maar zijn buitenlandse vrouwen hebben zelfs hem tot
zonde verleid!
3°) WAAROM GEEN START MET NEHEMIA?
Dit lezen we in Nehemia 1:2-4 SV77: “Zo kwam Hanáni, een van mijn broeders, hij en sommige
mannen uit Juda, en ik vroeg hen naar de Joden, die ontkomen waren (die overgebleven waren
van de gevangenschap), en naar Jeruzalem. En zij zeiden tot mij: De overgeblevenen, die van de
gevangenschap aldaar in het landschap zijn overgebleven, zijn in grote ellende en in
versmaadheid; en JERUZALEMS MUUR IS VERSCHEURD, EN HAAR POORTEN ZIJN MET VUUR
VERBRAND. En het geschiedde, toen ik deze woorden hoorde, zo zat ik neer, en weende en
bedreef rouw, enige dagen; en ik was vastende en biddende voor het aangezicht van de God des
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 65
hemels.”
En wat erop volgt is dit, Nehemia 2:1-8 SV77: “Toen geschiedde het in de maand Nisan, in het
twintigste jaar van de koning Arthahsasta, toen er wijn voor zijn aangezicht was, dat ik de wijn
opnam, en hem aan de koning gaf; nu was ik nooit treurig geweest voor zijn aangezicht. Zo zeide
de koning tot mij: Waarom is uw aangezicht treurig, zo gij toch niet krank zijt? Dit is niet dan
treurigheid des harten. Toen vreesde ik gans zeer. En ik zeide tot de koning: De koning leve in
eeuwigheid! HOE ZOU MIJN AANGEZICHT NIET TREURIG ZIJN, DAAR DE STAD, DE PLAATS VAN DE
BEGRAFENISSEN VAN MIJN VADEREN, WOEST IS, EN HAAR POORTEN MET VUUR VERTEERD ZIJN?
En de koning zeide tot mij: Wat verzoekt gij nu? (…) Voorts zeide ik tot de koning: Zo het de koning
goeddunkt, dat men mij brieven geve aan de landvoogden aan gene zijde der rivier, dat zij mij
laten doortrekken, totdat ik in Juda zal gekomen zijn; Ook een brief aan Asaf, de bewaarder van
de lusthof, die de koning heeft, DAT HIJ MIJ HOUT GEVE OM TE ZOLDEREN DE POORTEN VAN HET
PALEIS, DAT AAN HET HUIS IS, EN VOOR DE STADSMUUR, EN VOOR HET HUIS, WAAR IK
INTREKKEN ZAL. En de koning gaf ze mij, naar de goede hand van mijn God over mij.” (Tussen
haakjes, de vrouw in Nehemia 2:6 die samen aan het gastmaal zit met de koning is NIET Esther zoals
men wel eens beweerd, maar één van zijn bijvrouwen. De Septuaginta heeft het begrip “pallakh”
hier gebruikt = hoer.)
We geven nog enkele andere vertalingen bij dat vers acht om de zin te achterhalen van: “DE
POORTEN VAN HET PALEIS.” WE DOEN DAT, OMDAT WE ZOWEL IN EZRA ALS NEHEMIA NIETS MEER
HOREN VAN EEN PALEIS IN JERUZALEM.
Dit is de Nieuwe Bijbelvertaling, 2004: “Ook verzocht ik om een brief voor Asaf, het hoofd van de
koninklijke houtvesterijen, om mij hout te leveren voor de balken van de poorten van de
tempelburcht, voor de stadsmuur en voor de woning waarin ik mijn intrek zou nemen. Omdat
mijn God mij bescherming bood, gaf de koning mij de verlangde brieven.”
Dit is de NBG-vertaling, 1951: “ook een brief aan Asaf, de houtvester des konings, dat hij mij hout
geve om de poorten van de burcht die bij de tempel behoort, van zolders te voorzien, en voor de
muur van de stad en voor het huis, waar ik mijn intrek nemen zal. En de koning gaf ze mij, daar de
goede hand van mijn God over mij was.”
Dit is de Willibrordvertaling, herziene editie 1995: “En ook een brief voor Asaf, de koninklijke
houtvester, dat hij mij boomstammen zal leveren om er balken van te maken voor de poorten van
de tempelburcht, voor de stadsmuur en voor een huis voor mijzelf.’ Omdat mijn God mij genadig
was, voldeed de koning aan mijn verzoek.”
Het gaat dus niet om een paleis in de ware zin van het woord. Wat het wel is blijkt niet zo duidelijk.
Maar de uitleg van de Statenvertaling is deze: “Versta, het huis Gods, dat is, de tempel, welks
voorhof [hier, gelijk enigen menen, het paleis genoemd] tot dezen tijd toe open heeft gelegen.
Vergelijk Ezra 10:9; 1 Kron. 29:1.” Maar je kunt er in het boek Nehemia niet uit opmaken dat er toen
iets aan de tempel zelf gedaan werd. De tempeldienst is begonnen in het eerste jaar dat ze
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 66
terugkeren uit de Babylonische gevangenschap en aan de tempel zelf is men beginnen bouwen
vanaf het tweede jaar. Dat is in het jaar 536 of 535 vóór Christus. Dat is negentig jaar voordat
Nehemia naar Juda gaat. Wanneer we, zoals de dispensationalisten doen, hier bij Nehemia de
sleutel willen vinden om de 490 jaren van Daniël 9:24-27 te laten starten dan doen we de Schrift
geen eer aan. Er is géén echt volk zonder dat er offers gebracht worden. Ook dat geeft Daniël negen
aan, wanneer de stad hersteld wordt heeft het volk zijn rechten teruggekregen! Dat was JAREN
voordat Nehemia naar Jeruzalem gaat. Nehemia is aangeslagen door het laatste nieuws van de
muur in Jeruzalem. Het heeft geen zin om te beweren, zoals men doet in de kringen van de
dispensationalisten, dat hier naar een periode van VIJFTIG JAAR VOORDIEN VERWEZEN WORDT. Dat
is ongerijmd want er was veel handelsverkeer in die landen onderling en nieuws van Jeruzalem zal
niet meer dan een half jaar na de feiten gekend zijn in Perzië.
Dit is wat Daniël 9:25 zegt in de Statenvertaling: “Weet dan, en versta (80) van den uitgang des
woords, (81) om te doen wederkeren, en om Jeruzalem te bouwen, tot op Messias (82) den Vorst,
(83) zijn zeven weken, en twee en zestig weken; de straten, (84) en de grachten zullen wederom
gebouwd worden, doch in benauwdheid der tijden. (85)”
Dit zijn de voetnoten erbij:
81) van den uitgang des woords,
Dat is, van dien tijd af, dat er een bevel zal uitgaan dat men het volk, [te weten het Joodse volk]
wederbrengen, dat is loslaten zal uit de Babylonische gevangenschap, en hetzelve Jeruzalem
herbouwen zal. Versta hier door het woord het bevel, gelijk Dan. 9:23, te weten het bevel van Cyrus,
naar sommiger gevoelen. Zie 2 Kron. 36:22,23, en Ezra 1:1, en boven de aantekening Dan. 9:24, van
het begin der zeventig weken. Anders: om weder te brengen; dat is, om weder ter hand te stellen; te
weten de vaten des tempels, die uit den tempel naar Babel gevoerd waren. Anders: om te herstellen,
namelijk den staat der kerk en der regering.
82)
Messias
Dat is, tot op Christus, het Hebreeuwse woord Messias, [hetwelk even hetzelfde, dat Christus
betekent, namelijk een gezalfde] staat ook Joh. 1:42, en Joh. 4:25.
83) den Vorst,
Of, leidsman, gelijk Jes. 55:4, of hertog, gelijk 2 Sam. 7:8, en 2 Kon. 20:5.
84) de straten,
Hebreeuws, de straat en de gracht. Anders: uitgehouwen gracht. Versta dit van de stadsgrachten.
85) in benauwdheid der tijden.
Want al wat onder Ezra aan de muren gebouwd was, dat werd kort daarna door de vijanden der
Joden weder omvergeworpen, en de poorten met vuur verbrand. En onder Nehemia moesten zij
bouwen met den troffel in de ene en het geweer in de andere hand, Neh. 4:17; waarom de Joden
zich zozeer haastten, dat zij het gebouw van den muur optrokken in twee en vijftig dagen.
Dat laat terecht niets aan onduidelijkheid over. Wat gaat Nehemia doen? Niets anders dan de
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 67
muren afwerken, want daar is men al jaren voordien aan begonnen. Hoe de brand van de poorten
ontstaan is weten we niet. Maar wanneer de poorten nog rechtstaan dan staan ook grote gedeelten
van de muren nog recht. Want wat zijn die twaalf poorten (waarvan we er negen met naam
kennen)? Het zijn openingen in de muren om mensen en dieren binnen en buiten te laten. We
kennen de omtrek niet van de stad in die dagen, maar herhalen het nog eens, dat Nehemia dat alles
in 52 dagen heeft HERSTELD. Je kunt dat bouwen noemen, maar niet vanaf de grond, NIET vanaf nul
beginnend. De start van de profetie MOET, indien we oprecht zijn, beginnen bij het “WEDERKEREN,
EN OM JERUZALEM TE BOUWEN.” DAT IS IN 536 VOOR CHRISTUS (EVENTUEEL 537 OF 535). HET
STARPUNT IS WANNEER KONING KORES DAARTOE HET BEVEL GEEFT. ZO SPRAK DE PROFETIE VAN
JESAJA EN WE KUNNEN ZE NIET OMZEILEN MET EEN ARGUMENT DAT GEEN HOUT SNIJDT.
DIT IS DE PROFETIE VOOR EEN TWEEDE MAAL, WANT DAT IS ZEER BELANGRIJK:

Jesaja 44:24-28: “Zo zegt de HERE, uw Verlosser, en uw Formeerder van de moederschoot
aan: Ik ben de HERE, die alles gemaakt heb; die de hemel heb uitgespannen, Ik alleen; die
de aarde uitgebreid heb door eigen kracht; die de tekenen der leugenprofeten tenietdoe
en de waarzeggers als dwazen aan de kaak stel; die de wijzen doe terugwijken en hun
kennis tot dwaasheid maak; die het woord van mijn knecht gestand doe en de
aankondiging mijner boden volvoer; die tot Jeruzalem zeg: Het worde bewoond; tot de
steden van Juda: Laten zij herbouwd worden, haar puinhopen richt Ik weer op; die tot de
diepte zeg: Verdroog, uw rivieren doe Ik opdrogen; die tot Kores zeg: Mijn herder, hij zal al
mijn welbehagen volvoeren door tot Jeruzalem te zeggen: Het worde herbouwd en de
tempel worde gegrondvest.”
Wat doet Nehemia? Hij doet de laatste afwerking! Wanneer we spreken over de bouw van de derde
tempel (deze van Herodes) zeggen we toch ook, dat men begon in 18 voor Christus en bouwde tot
62 na Christus. Zodat wie persé de start van de bouw van de tempel en de stad Jeruzalem zoekt bij
de laatste 52 dagen dat men aan het bouwen was, géén besef heeft wat betreft taalgebruik en de
vervulling van profetie. Dat is exegetisch geklungel.
Laten we ook wat zeggen over de poorten rond de stad Jeruzalem een begrip dat zovele malen
in Nehemia terugkeert. Waar vinden we zoal poorten?
1°) Een poort rond een stad als Jeruzalem in Jeremia 37:13, of Sodom zoals in Genesis 19:1,
of Gaza zoals in Richteren 16:3.
2°) Of zoals voor een koninklijk paleis (Nehemia 2:8).
3°) Of voor de tempel van Salomon (1 Kon.6:34-36 / 2 Kon.18:16); van een heilige plaats
(1 Kon.6:31,32 / Ezech.41:23,24); aan de uiterlijke muur van de tempel Handelingen 3:2.
4°) Gevangenissen Handelingen 12:10 / 16:27.
5°) Grotten 1 Koningen 19:13.
6°) Legerkampen Exodus 32:26,27 / Hebreeën 13:12.
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 68
Deze poorten werden in de volgende materialen gebouwd:
1°) Ijzer en brons Psalm 107:16 / Jesaja 45:2 / Handelingen 12:10.
2°) Stenen met bezetting Jesaja 54:12 / Openbaring 21:12.
3°) Hout Richteren 16:3.
4°) HET TWEEDE EN DERDE BEVEL (afkondiging, decreet)
In het boek Ezra kunnen we ook de twee andere bevelen vinden die later na Kores nog aan de
mensen in Juda gegeven zijn. De omstandigheden van die vernieuwde decreten zijn er gekomen
omdat Israëls vijanden bezwaar hadden aangetekend tegen de bouw van de tempel of het bouwen
van huizen in Jeruzalem. Beide malen krijgen ze geen gelijk bij de koning van Perzië. Integendeel,
men moet er zo vlug mogelijk mee verder gaan de tempel te bouwen. Dat komt allemaal overeen
met wat in Daniël 9 staat: de tempel en de stad zullen in moeilijke tijden herbouwd worden. Welke
juridische en politieke middelen de vijanden hebben gekozen om de herbouwactiviteiten te
dwarsbomen, het is hun niet gelukt.
De eerste belangrijke teksten in dat verband zijn Ezra 4:12,13. Men krijgt daar een verhaal van
de vijanden van de Joden die een brief schrijven aan de koning van Perzië. Hun vraag is: laat de
Joden stopppen met hun bouwen van de muur en de fundamenten. Maar wanneer we zeggen
“bouwen” dan zijn er andere vertalingen die het hebben over voltooien of herstellen. Enkele
Engelse vertalingen zeggen; are finishing (NKJV,NASB), have finished (YOUNG), they complete
(DARBY). Dat zijn allemaal mogelijkheden van vertaling.
Ezra 4:12,13 NBG: “Welnu, het zij de koning bekend, dat de Judeeërs, die van u naar ons zijn
opgetrokken, te Jeruzalem gekomen zijn; zij zijn bezig die oproerige en slechte stad te herbouwen;
zij voltooien de bouw der muren en graven de fundamenten uit.”
Ezra 4:12,13 WV 95: “De koning moet weten dat de Judeeërs die uit uw land naar hier gekomen
zijn en naar Jeruzalem zijn vertrokken, de opstandige, trouweloze stad weer opbouwen; zij
trekken de muren weer op en herstellen de fundamenten.”
Ezra 4:12,13 SV77: “Welnu, het zij de koning bekend, dat de Judeeërs, die van u naar ons zijn
opgetrokken, te Jeruzalem gekomen zijn; zij zijn bezig die oproerige en slechte stad te herbouwen;
zij voltooien de bouw der muren en graven de fundamenten uit.”
Ezra 4:12,13 NBV: “Het zij de koning bekend dat de Judeeërs die bij u zijn weggegaan bij ons in
Jeruzalem zijn aangekomen, en dat zij deze opstandige en slechte stad aan het herbouwen zijn: ze
herstellen de muren en repareren de fundamenten.”
Dit zijn enkele vertalingen uit het Engelse repertoire voor Ezra 4:12c:
King James Version 1611, 1769: “and have set up the walls [thereof], and joined the foundations.”
New King James Version, 1982 Thomas Nelson: “and are finishing its walls and repairing the
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 69
foundations.”
New Living Translation, 1996 Tyndale Charitable Trust: “They have already laid the foundation for
its walls and will soon complete them.”
New International Version, 1984, International Bible Society: “They are restoring the walls and
repairing the foundations.”
The Holy Bible, English Standard Version, 2001 Crossway Bibles: “They are finishing the walls and
repairing the foundations.”
New American Standard Bible, 1995 Lockman Foundation: “and are finishing the walls and
repairing the foundations.”
Revised Standard Version, 1952: “they are finishing the walls and repairing the foundations.”
American Standard Version, 1901: “and have finished the walls, and repaired the foundations.”
Robert Young Literal Translation, 1898: “and the walls they have finished, and the foundations they
join.”
J.N.Darby Translation, 1890: “and they complete the walls and join up the foundations.”
Noah Webster Version, 1833: “and have set up its walls, and joined the foundations.”
Hebrew Names Version: “and have finished the walls, and repaired the foundations.”
De conclusie van dat alles is dat men de start van de bouw niet in die periode moet plaatsen, maar
ver daarvoor: met KORES. Ook niet op een latere datum.
Ezra 4:1 SV77: “Toen nu de tegenpartijders van Juda en Benjamin hoorden, dat de kinderen
der gevangenschap de HEERE, de God Israëls, de tempel bouwden; Zo kwamen zij aan tot
Zerubbábel, en tot de hoofden der vaderen, en zeiden tot hen: Laat ons met u bouwen, want wij
zullen uw God zoeken, gelijk gij; ook hebben wij Hem geofferd sinds de dagen van Esar-Haddon,
de koning van Assur, die ons hierheen heeft doen optrekken. Maar Zerubbábel, en Jésua, en de
overige hoofden der vaderen van Israël zeiden tot hen: Het betaamt niet, dat gij en wij voor onze
God een huis bouwen; maar wij alleen zullen het de HEERE, de God Israëls, bouwen, zoals de
koning Kores, koning van Perzië, ons geboden heeft. Evenwel maakte het volk des lands de
handen van het volk van Juda slap, en verstoorde hen in het bouwen; En zij huurden tegen hen
raadslieden, om hun raad te vernietigen, al de dagen van Kores, koning van Perzië, tot aan het
koninkrijk van Daríus, de koning van Perzië. En onder het koninkrijk van Ahasvéros, in het begin
van zijn koninkrijk, schreven zij een aanklacht tegen de inwoners van Juda en Jeruzalem.”
Het resulaat is dat men de bouw onmiddellijk moet stoppen, de leugen heeft het op dit
moment gehaald. Ezra 4:21-24 SV77 zegt: “Geeft dan nu bevel, om die mannen te beletten, dat die
stad niet opgebouwd wordt, totdat door mij bevel zal worden gegeven. Weest gewaarschuwd,
van verzuim in dezen te begaan; waarom zou het verderf tot schade der koningen aangroeien?
Toen, van dat het afschrift van de brief van de koning Arthahsasta voor Rehum, en Simsai, de
schrijver, en hun gezelschappen gelezen was, trokken zij met haast naar Jeruzalem tot de Joden,
en beletten hen met arm en geweld. Toen hield het werk op van het huis Gods, Die te Jeruzalem
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 70
woont, ja, het hield op tot in het tweede jaar van het koninkrijk van Daríus, de koning van Perzië.”
Maar volgens Ezra heeft men in de koninklijke bibliotheek een document gevonden dat de
Joden wel het recht hebben om Jeruzalem te herbouwen. Men weet: “dat een bevel van de koning
Kores gegeven is.” Ezra 5:1-3,13,14,17 SV77 zegt: “Haggaï nu, de profeet, en Zacharía, de zoon van
Iddo, profeten, profeteerden tot de Joden, die in Juda en te Jeruzalem waren; in de naam van de
God van Israël profeteerden zij tot hen. Toen maakten zich op Zerubbábel, de zoon van Sealthiël,
en Jésua, de zoon van Józadak, en begonnen te bouwen het huis Gods, Die te Jeruzalem woont;
en met hen de profeten Gods, die hen ondersteunden. In die tijd kwam tot hen Thathnai, de
landvoogd aan deze zijde van de rivier, en Sthar-Boznai, en hun gezelschap, en zeiden aldus tot
hen: Wie heeft u bevel gegeven dit huis te bouwen, en deze muur te voltrekken? (…) Doch in het
eerste jaar van Kores, koning van Babel, heeft de koning Kores bevel gegeven dit huis Gods te
bouwen. Ja, de vaten van Gods huis, die van goud en zilver waren, die Nebukadnézar uit de
tempel, die te Jeruzalem was, had weggenomen en ze gebracht in de tempel van Babel, die heeft
de koning Kores gehaald uit de tempel van Babel, en zij zijn gegeven aan een, wiens naam was
Sesbazar, die hij tot landvoogd had gesteld. (…) Zo het dan nu de koning goeddunkt, laat er
gezocht worden in het schathuis van de koning aldaar, dat te Babel is, of het zo is, dat een bevel
van de koning Kores gegeven is, om dit huis Gods te Jeruzalem te bouwen; en dat men het
believen van de koning hiervan tot ons zende.”
Zodat de nieuwe koning, nog eens opnieuw verwijzende naar wat Kores al had
uitgevaardigd, de bouw van de tempel en herstel van Jeruzalem niet slechts toelaat maar ook
daadwerkelijk zijn steun geeft. Ezra 6:1-4,7-15 SV77: “Toen gaf de koning Daríus bevel; en zij
zochten in de kanselarij, waar de schatten waren weggelegd, in Babel. En te Achmetha, in de
burcht, die in het landschap Medië is, werd een rol gevonden; en daarin was aldus geschreven:
GEDACHTENIS: In het eerste jaar van de koning Kores, gaf de koning Kores dit bevel: Het huis Gods
te Jeruzalem, dat huis zal gebouwd worden, ter plaatse, waar zij offeranden offeren, en de
fundamenten daarvan zullen zwaar zijn; zijn hoogte van zestig ellen, en zijn breedte van zestig
ellen; Met drie rijen van grote steen, en een rij van nieuw hout; en de onkosten zullen uit het huis
des konings gegeven worden. (…) LAAT HEN AAN DE ARBEID VAN DIT HUIS GODS; dat de
landvoogd der Joden en de oudsten der Joden dit huis Gods bouwen aan zijn plaats. Ook wordt
door mij bevel gegeven, wat gij doen zult aan de oudsten van deze Joden, om dit huis Gods te
bouwen; te weten, dat uit de goederen van de koning, van de schatting aan gene zijde van de
rivier, de onkosten aan deze mannen spoedig gegeven worden, OPDAT MEN HEN NIET BELETTE.
En wat nodig is, als jonge runderen, en rammen, en lammeren, tot brandoffers aan de God des
hemels, tarwe, zout, wijn en olie, naar het zeggen der priesters, die te Jeruzalem zijn, dat het hun
dag bij dag gegeven worde, DAT ER GEEN VERZUIM ZIJ; Opdat zij offeranden van liefelijke reuk
aan de God des hemels offeren, en bidden voor het leven van de koning en van zijn kinderen.
Voorts wordt bevel door mij gegeven, dat van ieder, die dit woord zal veranderen, een hout uit
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 71
zijn huis zal gerukt en opgericht worden, waaraan hij zal worden opgehangen; en zijn huis zal om
diens wil tot een drekhoop gemaakt worden. De God nu, die Zijn Naam aldaar heeft doen wonen,
werpe ter neer alle koningen en volken, die hun hand zullen uitstrekken, om te veranderen en te
verderven dit huis Gods, dat te Jeruzalem is. IK, DARÍUS, HEB HET BEVEL GEGEVEN, DAT HET
SPOEDIG GEDAAN WORDE. Toen deden Thathnai, de landvoogd aan gene zijde van de rivier,
Sthar-Boznai, en hun gezelschap, spoedig alzo, naar hetgeen de koning Daríus gezonden had. En
de oudsten der Joden bouwden en gingen voorspoedig voort, door de profetie van de profeet
Haggaï en Zacharía, de zoon van Iddo; en zij bouwden en voltrokken het, naar het bevel van de
God Israëls, en naar het bevel van Kores, en Daríus, en Arthahsasta, koning van Perzië. En dit huis
werd voltooid op de derde dag van de maand Adar; dat was het zesde jaar van het koninkrijk van
de koning Daríus.” We zijn nu in het jaar 520 voor Christus.
DERDE BEVEL
De Zevendedagsadventisten zeggen dat we de 70 jaarweken moeten beginnen in 457 voor
Christus. Laat ons dat eens verder bekijken. Dat is het derde bevel in het boek Ezra. Hier enkele
details erover. Ezra 7:11-17 SV77: “Dit is nu het afschrift van de brief, die de koning Arthahsasta gaf
aan Ezra, de priester, de schriftgeleerde; de schriftgeleerde van de woorden van de geboden des
HEEREN, en Zijn inzettingen over Israël: Arthahsasta, koning der koningen, aan Ezra, de priester,
de schriftgeleerde van de wet van de God des hemels, volkomen vrede en op zulke tijd. Door mij
wordt bevel gegeven, dat al wie vrijwillig is in mijn koninkrijk, van het volk van Israël, en van zijn
priesters en Levieten, om te gaan naar Jeruzalem, dat hij met u ga. Omdat gij van voor de koning
en zijn zeven raadsheren gezonden zijt, om onderzoek te doen in Judéa, en te Jeruzalem, naar de
wet van uw God, die in uw hand is; En om heen te brengen het zilver en goud, dat de koning en
zijn raadsheren vrijwillig gegeven hebben aan de God Israëls, Wiens woning te Jeruzalem is;
Alsook al het zilver en goud, dat gij vinden zult in het ganse landschap van Babel, met de
vrijwillige gave van het volk en van de priesters, die vrijwillig geven, voor het huis van hun God,
dat te Jeruzalem is; Opdat gij spoedig voor dat geld koopt runderen, rammen, lammeren, met hun
spijsoffers, en hun drankoffers, en die offert op het altaar van het huis van uw God, dat te
Jeruzalem is. Daartoe, wat u en uw broeders goeddunken zal, met het overige zilver en goud te
doen, zult gij doen naar het welgevallen van uw God.”
Ezra 8:21-24 SV77: “Toen riep ik aldaar een vasten uit aan de rivier Ahava, opdat wij ons
verootmoedigden voor het aangezicht van onze God, om van Hem te verzoeken een rechte weg,
voor ons, en voor onze kinderkens, en voor al onze have. Want ik schaamde mij van de koning een
leger en ruiters te begeren, om ons te helpen tegen de vijand, op de weg; omdat wij tot de koning
hadden gesproken, zeggende: De hand van onze God is ten goede over allen, die Hem zoeken,
maar Zijn sterkte en Zijn toorn over allen, die Hem verlaten. Alzo vastten wij; en verzochten zulks
van onze God; en Hij liet zich door ons verbidden. Toen zonderde ik twaalf af van de oversten der
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 72
priesters: Sérebja, Hasábja, en tien van hun broeders met hen.”
Een grote groep van zowel Adventisten als evangelische gelovigen (want ze zijn niet allemaal
uit het kamp van de dispensationalisten) zeggen dat men hier moet starten met de berekening van
het herstel van de tempel enz. Dat is dan het jaar 457 (of 456) voor Christus. In het bevel gegeven
door Artaxerxes staan de volgende zaken beschreven:
1°) De Joden die nog willen terugkeren kunnen dat doen (Ezra 7:13),
2°) Men krijgt zelfs fondsen uit de koninklijke schatkamers om de bouw van de tempel
af te werken (Ezra 7:15,16,21,22),
3°) Volgens een regeling zullen de priesters en het personeel van de tempeldienst géén
belastingen betalen (Ezra 7:24),
4°) Ezra moet een onderzoek doen naar wat het volk doet op moreel gebied en zo nodig daarover regelingen treffen van aanpassing (Ezra 9:1,2, bijvoorbeeld de vreemde vouwen die
uitgezet worden),
5°) Er moet een wettelijk systeem bedacht worden dat alles in regel is met de Torah en dat
zal gelden voor alle Joden in dat gebied (Ezra 7:25,26).
Dit krijgt een volgende bekrachtiging achteraan dat bevel in Ezra 7:26:
“Aan ieder die de wet van uw God en de wet van de koning niet volbrengt, zal stipt recht geoefend
worden: hetzij ter dood, hetzij tot verbanning, hetzij tot geldboete of tot gevangenzetting” (NBG).
“Mocht iemand de Wet van uw God en de wet van de koning niet gehoorzamen, dan moet een
streng oordeel over hun geveld worden, hetzij de doodstraf, hetzij de verbanning, met
verbeurdverklaring van zijn bezit, of met gevangenschap” (Willibrord 1995).
We willen dus niets afdoen aan het belang van die bevelende uitspraken. Maar er ontbreekt wat
aan de argumenten van de Adventisten en al wie hier de start legt van de 70 jaarweken. Want de
tempel WAS AL HERBOUWD. En ook leefde men met min of meer een gelovig godsdienstig gevoel,
in elk geval werden er offers gebracht. De priesters wisten wanneer die gebracht werden en er was
dus een religieuze opvoeding! Dat alles niet perfect verliep kan niemand betwisten. Ezra is als
wetsgeleerde er om de puntjes op de “i” te zetten. Hier de start van de profetie van de zeventig
jaarweken zetten is niet mogelijk. Wat hier aan de orde is, is allemaal al gebaseerd op wat er door
Kores was goedgekeurd in 537 voor Christus. HE IS DUS EEN HERHALING, VAN EEN VROEGER BEVEL.
Er is één tekst die hier niet lijkt te passen in deze redeneringen. Dat is Ezra 6:14,15 waar dit
staat: “De oudsten der Judeeërs bouwden voorspoedig voort tijdens het profeteren van de
profeet Haggai en van Zacharia, de zoon van Iddo; zij voltooiden de bouw volgens het gebod van
de God van Israël en volgens het bevel van Kores, Darius en Artachsasta, koning van Perzië, en zij
waren met dit huis gereed tegen de derde dag van de maand Adar, en wel in het zesde jaar van de
regering van koning Darius.” Dat moet gelezen worden met de leestekens tussen haakjes alsdat de
twee laatste koningen die het bevel van Kores herhaald hebben. Dus op deze wijze: “volgens het
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 73
bevel van Kores, (en later Darius en Artachsasta), koning van Perzië.” Dat moet zo zijn omdat er
slechts over één bevel gesproken wordt en over één koning. Meer dan dat moet men er niet achter
zoeken.
Ds. H. H. Grosheide schreef een mooie brochure (van 60 bladzijden) over dit onderwerp getiteld
‘De terugkeer uit de Ballingschap’, Van Keulen, 1957. Dit lees ik op bladzijde 18: “In geen geval kan
men uit Hag. en Zach. afleiden dat er in 536 beslist geen begin met de tempelbouw is gemaakt. 1.
Hag. 1:4,9: Het huis ligt “verwoest”. Kort nadat de bouw in 536 was begonnen is hij weer gestaakt.
Er was dus in 520 niet veel meer te zien van de ruïne van de oude tempel, een ruïne, waarover 16
jaar lang regen en storm gegaan waren. Hierop past “verwoest” uitstekend. 2. Sommigen menen,
dat er volgens Hag. en Zach. In 520 een “eerste steen” voor de tempel is gelegd. De argumentatie
voor deze opinie berust voor een deel op een sterk m.i. onverantwoord ingrijpen in de tekst van Hag.
De enige tekst, die naar mijn mening op een grondlegging kan wijzen is Zach. 8:9,10 (Zach. 4:9 kan
op 536 slaan.) Tegenwoordig houden velen vs 9b (juist de woorden, waar het op aankomt) voor een
glosse (= toegevoegde tekst GB). O.i. is het niet zeer waarschijnlijk, dat in 520 een “eerste
steenlegging” heeft plaats gehad. Ezra 5 spreekt er niet van…”
5°) DE SITUATIE NA DE BALLINGSCHAP
De laatste drie profeten die profeteerden ná de ballingschap zijn Haggaï, Zacharia en Maleachi.
Daar gaan we ook wat over zeggen, het is ten slotte de periode van Daniel hoofdstuk 9. Haggaï en
Zacharia worden beiden genoemd in Ezra 5 en 6 en herkend als de toenmalige profeten Gods.
“Maar de profeet Haggaï, en Zacharia, de zoon van Iddo, traden bij de Judeeërs die in Juda en
Jeruzalem woonden, als profeten op in de naam van de God van Israël” (Ezra 5:1). “De oudsten
der Judeeërs bouwden voorspoedig voort tijdens het profeteren van de profeet Haggaï en van
Zacharia, de zoon van Iddo” (Ezra 6:14). Beiden hebben nogal kritiek over hoe het herstel verloopt.
Haggaï spoort de mensen aan eerst de tempel te herbouwen. De uit ballingschap gekomen mensen
waren druk doende aan het bouwen van hun eigen huizen. De tempel was toen niet meer dan een
bouwwerf. Men was er aan begonnen maar gestopt, want hun eigen zaak had in hun ogen voorrang.
Dit zijn drie teksten uit de profeet die het duidelijk maken.
Hag.1:2: “Zo zegt de HERE der heerscharen: Dit volk zegt: de tijd is nog niet gekomen, de tijd, dat
des HEREN huis herbouwd worde.”
Hag.1:4: “Is het voor ú de tijd om in uw weldoortimmerde huizen te wonen, terwijl dit huis
verwoest ligt?”
Hag.1:8: “Beklimt het gebergte, haalt hout en herbouwt dit huis; dan zal Ik er welgevallen aan
hebben en verheerlijkt worden, zegt de HERE.”
Het profetische optreden van Haggaï heeft effect: het volk gaat de tempel verder afwerken! De
bouw van de tempel neemt nog ongeveer 4 jaar in beslag. Van het tweede regeringsjaar van Darius
(de koning van de Perzen) tot in het zesde jaar van zijn regeerperiode (zie Ezra 6:15). De
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 74
teruggekeerde Joden hadden het zwaar te verduren, zij leden onder; droogte, ziekte en misoogsten,
straffen van God volgens de profeet Haggaï. God laat ook zien waarom: het volk was ongehoorzaam
aan de opdracht een tempel voor Hem te bouwen!
Over het “hout” van de tempel in die dagen een opmerking. We hebben dat begrip in
zoekfunctie gezet voor de boeken Ezra en Nehemaia. Dat leert dat er later beter hout gebruikt werd
en dat het hier gaat om een voorlopige bouw. Nadien heeft men het gewone hout vervangen door
het beste wat er was, cederhout van de Libanon.
“Daarom gaven ze geld aan de steenhouwers en de steenbewerkers, evenals voedsel en drank en
olie aan de Sidoniërs en Tyriërs, om ceders van de Libanon over zee te vervoeren naar Jafo,
overeenkomstig de toestemming die ze van Kores, de koning van Perzië, verkregen hadden”
Willibrordvertaling, 1995. Ezra 3:7 SV heeft het begrip “vergunning” een term die we nu nog
gebruiken in die zaken.
Zoekfunctie “hout” in: SV77: 6 vindplaatsen in 6 verzen
1. Ezra 5:8: “De koning zij bekend, dat wij getrokken zijn naar het landschap Juda, ten huize van de
grote God, dat gebouwd wordt met grote stenen, en het hout wordt gelegd in de wanden; en dat
werk wordt ras gedaan, en gaat voorspoedig door hun handen voort.”
2. Ezra 6:4: “Met drie rijen van grote steen, en een rij van nieuw hout; en de onkosten zullen uit
het huis des konings gegeven worden.”
3. Ezra 6:11: “Voorts wordt bevel door mij gegeven, dat van ieder, die dit woord zal veranderen,
een hout uit zijn huis zal gerukt en opgericht worden, waaraan hij zal worden opgehangen; en zijn
huis zal om diens wil tot een drekhoop gemaakt worden.”
4. Neh.2:8: “Ook een brief aan Asaf, de bewaarder van de lusthof, die de koning heeft, dat hij mij
hout geve om te zolderen de poorten van het paleis, dat aan het huis is, en voor de stadsmuur, en
voor het huis, waar ik intrekken zal. En de koning gaf ze mij, naar de goede hand van mijn God
over mij.”
5. Neh.10:34: “Ook wierpen wij de loten, onder de priesters, de Levieten en het volk, over het
offer van het hout, dat men brengen zou in het huis van onze God, naar het huis van onze
vaderen, op bestemde tijden, jaar op jaar, om te branden op het altaar van de HEERE, onze God,
gelijk het in de wet geschreven is.”
6. Neh.13:31: “Ook voor het offer van het hout, op bestemde tijden, en voor de eerstelingen.
Gedenk mij, mijn God, ten goede.”
Haggaï krijgt een boodschap van God voor Zerubbabel. Wie is die man? We vinden in
Mattheus 1:12 duidelijkheid over hem: “Na de Babylonische ballingschap verwekte Jechonja
Sealtiël, Sealtiël verwekte Zerubbabel.” Zerubbabel is in zijn dagen de gouverneur van Juda. Dat
was zijn “Babylonische naam.” Het was het gebruik van de Joden in die dagen een andere naam te
krijgen, wanneer zij taken verrichten onder het bewind van Babylon of Perzië. Daniël, werd
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 75
Belsassar genoemd door Nebukadnezar. Het koningshuis van Israël was NIET hersteld, maar het was
tóch een nakomeling van David die “landvoogd” was. De profeet Haggai heeft een goddelijke
boodschap voor hem: “Gij hebt op veel gerekend, maar zie, het liep op weinig uit, en toen gij het
binnengehaald hadt, blies Ik erin. Waarom dat? luidt het woord des HEREN der heerscharen. Om
mijn huis, dat verwoest ligt, terwijl gij draaft, ieder voor ZIJN EIGEN HUIS. Daarom heeft de hemel
over u de dauw ingehouden en de aarde haar opbrengst. Ook riep Ik een droogte over het land en
de bergen, over het koren, de most, de olie en wat de aardbodem voortbrengt, over mens en dier
en alle arbeid der handen. Toen hoorden Zerubbabel, de zoon van Sealtiël, en Jozua, de zoon van
Josadak, de hogepriester, en al het overblijfsel des volks naar de stem van de HERE, hun God, en
naar de woorden waarmede de HERE, hun God, de profeet Haggaï gezonden had, en het volk
vreesde voor het aangezicht des HEREN. En Haggaï, de bode des HEREN, zeide, krachtens de
boodschap des HEREN, tot het volk: Ik ben met u, luidt het woord des HEREN” (Haggaï 1:9-13). De
herbouw wordt hervat en later is de tempel ingewijd.
De profeet heeft nog een andere boodschap: “Te dien dage, luidt het woord van de HERE der
heerscharen, zal Ik u, Zerubbabel, zoon van Sealtiël, mijn knecht, nemen, luidt het woord des
HEREN, en Ik zal u tot een zegelring maken, want u heb Ik uitverkoren, luidt het woord van de
HERE der heerscharen” (Haggaï 2:24). Dit is niet onmiddellijk aan hem persoonlijk beloofd. De
uitdrukking “te dien dage” is namelijk een aanduiding van wat in de toekomst zal gebeuren. Uit zijn
geslacht zal een directe nakomeling komen van wereldformaat: de Messias Jezus van Nazaret.
Een groot problem was toen dat mannen uit Israël zich vrouwen namen uit de heidense
volkeren. Met alle risico dat ze hun geloof konden verliezen en ook Gods wet overtraden. Dit is de
beschrijving van die toestand en hoe de oplossing er kwam. Ezra 9:1-3 SV77 zegt: “Toen nu deze
dingen voleindigd waren, traden de vorsten tot mij toe, zeggende: Het volk Israëls en de priesters,
en de Levieten, zijn niet afgezonderd van de volken van deze landen, naar hun gruwelen, (…).
Want zij hebben van hun dochters genomen voor zichzelf en voor hun zonen, zodat zich vermengd
hebben het heilige zaad met de volken van deze landen; ja, de hand der vorsten en overheden is
de eerste geweest in deze overtreding. Toen ik nu deze zaak hoorde, scheurde ik mijn kleed en
mijn mantel; en ik trok van het haar van mijn hoofd en van mijn baard uit, en zat verbaasd neer.”
En verder Ezra 10:3-5,12 SV77: “Laat ons dan nu een verbond maken met onze God, dat wij al die
vrouwen, en wat uit hen geboren is, zullen doen uitgaan, naar de raad van de HEERE, en van hen,
die beven voor het gebod van onze God; en laat er gedaan worden naar de wet. Sta op, want deze
zaak ligt op u; en wij zullen met u zijn; wees sterk en doe het. Toen stond Ezra op, en deed de
oversten der priesters, de Levieten en gans Israël zweren, te zullen doen naar dit woord; en zij
zwoeren. (…) En de ganse gemeente antwoordde en zeide met luider stem: Naar uw woorden,
alzo ligt het op ons te doen.”
Wie is de Ahasveros waarover sprake is in het boek Esther, de Perzische koning ook iemand
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 76
uit die dagen? De ‘Bijbelse encyclopedie’, uitgeverij Kok geeft aan: Ahasveros = Hebreeuwse vorm
voor het Griekse Xerxes. Zeer waarschijnlijk is ‘Ahasveros’ een titel zoals ‘Farao’ = koning of heerser.
Het kan dus op meerdere koningen betrekking hebben. Dan zou de koning uit Esther 1:1: “hij is de
Ahasveros”, de zelfde zijn als Xerxes I. De kanttekeningen op de Statenvertaling geeft het als
mogelijkheid, de kanttekeningen op de NBG gaan er gewoon van uit. Men meent dus dat hij
dezelfde Ahasveros was als tijdens Esther. Dan.9:1 SV: “In het eerste jaar van Daríus, den zoon van
Ahasvéros, uit het zaad der Meden, die koning gemaakt was over het koninkrijk der Chaldeeën.”
In die dagen was er nog een ander profeet: Zacharia. De naam Zacharia betekent letterlijk
‘YaHWeH wordt herinnerd.’ Hij leefde in de zesde eeuw v. Chr. Hij is een ‘zoon van Berechja, zoon
van Iddo.’ In het boek Ezra eenvoudigweg ‘zoon van Iddo’ genoemd. Zijn boek beschrijft een periode
van 520-518 v. Chr., maar bevat tevens veel profetische hoofdstukken. Hij profeteerde dus in het
tweede, derde en vierde regeringsjaar van koning Darius I. Hij is ook de tijdgenoot van Haggai wiens
profetisch werk om de tempel te bouwen hij onderschrijft. De grote klacht van Zacharia is dat het
Joodse volk te weinig vertrouwen heeft in zijn God. Geestelijk moet men zich herstellen en bekeren
van zijn zonden. Er is in die dagen ook ruzie onder de twee stammen en hij tracht dat te sussen.
Voor ons is dit gedeelte van het profetische woord van deze “ziener” het belangijkste, Israël
is ondanks zijn herstel niet bezig met de dingen Gods maar zoekt zijn eigen zaken eerst af te
handelen. Zacharia 1:7-17 SV77: “Op de vier en twintigste dag, in de elfde maand (die de maand
Schebat is), in het tweede jaar van Daríus, geschiedde het woord des HEEREN tot Zacharía, de
zoon van Beréchja, de zoon van Iddo, de profeet, zeggende: Ik zag des nachts, en ziet, een Man
rijdende op een rood paard, en Hij stond tussen de mirten, die in de diepte waren; en achter Hem
waren rode, bruine en witte paarden. En ik zeide: Mijn Heere! wat zijn deze? Toen zeide tot mij de
Engel, Die met mij sprak: Ik zal u tonen, wat deze zijn. Toen antwoordde de Man, Die tussen de
mirten stond, en zeide: Deze zijn het, die de HEERE uitgezonden heeft, om het land te
doorwandelen. En zij antwoordden de Engel des HEEREN, Die tussen de mirten stond, en zeiden:
Wij hebben het land doorwandeld, en ziet, het ganse land zit en het is stil. Toen antwoordde de
Engel des HEEREN, en zeide: HEERE der heerscharen! hoe lang zult Gij U niet ontfermen over
Jeruzalem, en over de steden van Juda, op welke Gij gram geweest zijt, deze zeventig jaren? En de
HEERE antwoordde de Engel, Die met mij sprak, goede woorden, troostrijke woorden. En de
Engel, Die met mij sprak, zeide tot mij: Roep uit, zeggende: Alzo zegt de HEERE der heerscharen: Ik
ijver over Jeruzalem en over Sion met een grote ijver. En Ik ben met een zeer grote toorn
vertoornd tegen die geruste heidenen; want Ik was een weinig toornig, maar zij hebben ten
kwade geholpen. Daarom zegt de HEERE alzo: Ik ben tot Jeruzalem weergekeerd met
ontfermingen; Mijn huis zal daarin gebouwd worden, spreekt de HEERE der heerscharen, en het
richtsnoer zal over Jeruzalem uitgestrekt worden. Roep nog, zeggende: Alzo zegt de HEERE der
heerscharen: Mijn steden zullen nog uitgebreid worden vanwege het goede; want de HEERE zal
Sion nog troosten, en Hij zal Jeruzalem nog verkiezen” (wij onderstrepen).
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 77
De naam Maleachi betekent: “Mijn Boodschapper.” Maleachi was de láátste boodschapper
van het Oude Testament. Na hem zijn er geen meer. De eerstvolgende profeet is Johannes de Doper,
die de komst van de Messias, voorbereidde als een heraut. Over het persoonlijke leven van
Maleachi is niets bekend. Hij was een man zonder aanzien des persoons en predikte zonder angst
zijn boodschap van God. De tijd waarin hij preekt is ongeveer deze van Nehemia en Ezra
hoofdstukken zeven tot tien, ongeveer 445 tot 425 v. Chr. Hij heeft veel kritiek op de handelingen
van zijn geloofsgenoten:
1°) De gewone mensen houden zich niet aan de wet. Ze verwaarlozen hun plicht om gave dieren
te offeren, (Mal.1:6-14)
2°) Priesters verwaarlozen en negeren hun plichten en dienst in de tempel, (Mal.2:1-9)
3°) het volk twijfelt openlijk aan God’s goedheid, (Mal.3:6-12,14)
4°) Echtscheiding en overspel was een ‘normale zaak’ geworden, (Mal.2:10-16)
5°) De Messias zal verschijnen in de tempel. Dat vervulde zich doordat de Here Jezus in deze tem
pel vele uren predikte! God is in eigen persoon, naar deze tempel gekomen en het volk heeft
het niet gemerkt! (Mal.3:1-6) Jezus gaf wanneer hij in Jeruzalem was dagelijks onderwijs in de
tempel (Lucas 19:45-47). Jezus noemde het ook: “het Huis van Zijn Vader.” Jezus zond zijn
discipelen uit volgens Mattheus 10:5-7, naar de “verloren schapen van het huis Israëls.”
Maar er komt ook een tijd dat de tempel van geen tel meer is. Aan de Samaritaanse legt Jezus
uit dat de tijd nu is aangebroken God in waarheid en geest te dienen, niet méér in tempels
(Johannes 4). Nadat het evangelie gepreekt wordt in Jeruzalem, onder het Joodse volk, komt
hetzelfde verhaal dat Jezus de Messias is, naar de Samaritanen in Handelingen 8. En enkele tijd later
gaat dit verhaal van verlossing naar de heidenen. “En Petrus opende zijn mond en zeide: Inderdaad
bemerk ik, dat er bij God geen aanneming des persoons is, maar onder elk volk is wie Hem
vereert en gerechtigheid werkt, Hem welgevallig, naar het woord, dat Hij heeft doen brengen aan
de kinderen Israëls om vrede te verkondigen door Jezus Christus. DEZE IS ALLER HEER”
(Handelingen 10:34-36). Het is nu nooit meer als vroeger! Daarom is de Schrift ook duidelijk: “er is
geen onderscheid” meer tussen de volkeren en de afstamming (Rom.10:12 / Gal.3:28 / Col. 3:11).
Over de tempel zei Jezus nog dit in Lucas 19:41-44: “En toen Hij nog dichterbij gekomen was en de
stad zag, weende Hij over haar, en zeide: Och, of gij ook op deze dag verstondt wat tot uw vrede
dient; maar thans is het verborgen voor uw ogen. Want er zullen dagen over u komen, waarin uw
vijanden een bolwerk tegen u zullen opwerpen en u omsingelen en u van alle zijden in het nauw
brengen, en zij zullen u en uw kinderen in u vertreden en zij zullen in u geen steen op de andere
laten, omdat gij de tijd niet hebt opgemerkt, dat God naar u omzag.”
Er is ook nog dit: orthodoxe Joden houden nog steeds de gedachte van een herstel, levend in
hun gebeden. Het Achttiengebed (Sjemonee esree) is het centrale gebed in de eredienst van de
synagoge. Daarin wordt ook gebeden om de verlossing van Israël. Dit gebed spreekt
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 78
achtereenvolgens van:

de bevrijding en inzameling der ballingen in het beloofde land,

het herstel van de geestelijke leiders en van het koningschap van God,

het herstel van Jeruzalem,

het herstel van het huis van David en

het herstel van de offerdienst in de tempel.
De traditionele verwachting van een Jood, aangaande het herstel van Israël is dat dit zal gebeuren in
de genoemde volgorde van dit gebed. Nadat de staat Israël is opgericht is aan dit gebed nog een 19e
bede toegevoegd: “Onze Vader in de hemel, zegen de Medienat Jisraeel, de staat Israël, het
ontluikend begin van onze verlossing.” Dit is een gebed om het welzijn van deze jonge staat maar we
moeten één en ander retaliveren. In het verhaal ontbreekt dat Israël zich eerst MOET bekeren
voordat ze hersteld kunnen worden. Dat is duidelijk in Deuteronomium 30 en die opmerking van
Mozes verdwijnt bij velen gewoon in het onbekende.
Hoe dacht men over herstel van de Joden onder de reformatoren? Luther heeft een bekering
van de Joden zeker verwacht. Hij was er zich wel van bewust dat zij niet massaal christen zullen
worden. Later hebben lutheranen en evangelischen, piëtisten en puriteinen deze gedachte
ontwikkeld. Zowel Turken, Joden als ketters en valse christenen zijn in gemeenschap onder het
schild van de Antichrist. Volgens Luther zal de “rest”, waarvan het behoud door Jesaja is voorzegd
(Jes. 10:20-22) toegang hebben tot de bekering in Jezus. We moeten de Joden niet onvriendelijk
behandelen: “want er zijn christenen onder hen op komst.” (Zie, H.A. Oberman, ‘Wortels van het
antisemitisme’, Kampen 1983, blz.109 v.) Bij Calvijn vinden we een dubbele lijn. Nu eens blijkt dat
hij geen oog heeft voor een heilvolle toekomst voor Israël. Ze hebben toch de Christus afgewezen.
Maar een andere maal dan weer pleit hij op voor een blijvende plaats voor de Joden in het
heilshandelen van God omdat Hij Zijn verbond getrouw blijft. Men heeft erop gewezen dat Calvijn
Rom.11 niet los van Rom.9 leest: Gods verbond en verkiezing liggen op eenzelfde lijn. Vanwege hun
ongeloof is het merendeel der Joden verworpen. Toch is de blijvende geldigheid van de beloften
voor Israël en het behoud van de uitverkoren een centraal punt in zijn theologie. (Zie, M. van
Campen, ‘Het verbond en Israël bij Calvijn en de Nadere Reformatie’, in: Zicht op Israël 3, 'sGravenhage 1988, blz.161 v.) Voor Calvijn is er alleen toekomst met een niet-nationale bekering van
de Joden. Eenmaal benadrukt hij dat Joden binnen de christelijke gemeente de eerste plaats
behouden. (Zie, W.J. op't Hof, ‘De visie op de joden in de Nadere Reformatie’, Amsterdam 1984,
blz.52.)
Beza, opvolger van Calvijn in Zwitserland, was wat betreft die toekomstige bekering nog
beslister. (Zie idem als hierboven.) De vertalers van de Statenbijbel (1626-1637) dachten in de lijn
van Calvijn. C.J. Meeuse, komt tot de slotsom daarover, dat zij wel duidelijk een bekering van de
joden verwachten maar geen nationale bekering. (C.J. Meeuse, ‘De toekomstverwachting van de
Nadere Reformatie in het licht van haar tijd’, Kampen 1990, blz.33.) Onder invloed van de
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 79
geschriften van de Engelse puriteinen zijn een aantal Nederlandse predikanten van de Nadere
Reformatie ruimte gaan geven voor Israël. De commentaren van M. Bucer en P. Martyr Vermigli op
Romeinen (vooral hoofdstuk 11!) hebben de toekomstige bekering der Joden benadrukt. (Zie, P. den
Butter, ‘Volk tussen eeuwigheid en eenzaamheid’, Lisse 1978, blz.125-149.)
Nog een woordje apart over Martin Luther. Hij was diep teleurgesteld over het feit dat de
Joden niet tot het protestantisme wilden overgaan. In die dagen van de boekdrukkunst verschenen
ook kritische geschriften tegen het christendom vanuit Joodse hoek. Jezus was een Joodse afvallige,
de zoon van een overspelige vrouw. In 1546 publiceert Luther zijn antisemitische studie: 'Over de
Joden en hun Leugens.' Hij schreef er bijvoorbeeld dit: “Verbrandt hun synagogen en scholen, wat
niet wil branden, begraaf dat in de grond zodat er geen stenen of rommel overblijft. Breek op
dezelfde manier in hun huizen en vernietig ze. Neem weg hun gebedsboeken en Talmoeds waarin
niets anders dan goddeloosheid staat en leugens, vloeken en zweren. Verbied hun rabbi’s te leren
over pijn in lijf en leden. Verbied ze te reizen, wat ze ook zijn, landheer, hoogwaardigheidsbekleder of
koopman ze moeten thuis blijven.” We moeten dat plaatsen in die tijd en onder die omstandigheden
van de Joodse aanvallen op Jezus. Doe je dat niet dan leg je Luther verkeerd uit.
Deel twee: de tekst
Enkele ongewone vertalingen als inleiding, jammer maar niet omgezet in het Nederlands:
www.csg.net/esch
atology/DanielInstitute for Scripture
Hebrew text
Verse
JPS 1917 VERSION
Hebrew text
Research
Mesorah Heritage
http://www.eliyah.com
Foundation
/
9.htm
Isaac Newton,
Observations Upon
the Prophecies of
Daniel and the
Apocalypse of St.
John, 1733.
24. Seventy weeks24 Seventy septets have
24“Seventy
are decreed uponbeen decreed upon your decreed
Dan
9:24
thy
people
weeks are 24 Seventy weeks
for
your are cut upon thy
andpeople and upon your people and for your set- people, and upon
upon thy holy city,holy city to terminate apart city, to put an end the holy city, to
to
finish
thetransgression, to end sin, to the transgression, finish
transgression, andto wipe away iniquity, to and to seal up sins, transgression, and
to make an end ofbring
everlasting and
to
cover to make an end of
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 80
sin, and to forgiverighteousness, to confirm crookedness, and to sins, to expiate
iniquity,
and
tothe
visions
and
the bring
in
everlasting iniquity, and to
bring in everlastingprophets, and to anoint righteousness, and to bring in everlasting
righteousness, andthe Holy of Holies.
seal
up
vision
and righteousness, to
to seal vision and
prophet,
and
to consummate the
prophet,
anoint the Most Set- Vision and the
anoint
and
the
to
most
apart.
Prophet, and to
holy place.
anoint the most
Holy.
25. Know therefore
and discern, that 25
from
the
Know
and
going comprehend: From the
forth of the word to emergence of the word
restore and to build to return and to rebuild
Jerusalem unto one Jerusalem
Dan
9:25
anointed, a prince, anointment
shall
weeks;
be
until
the
of
the
seven prince will be seven
and
for septets, and for sixty-
threescore and two two septets it will be
weeks, it shall be rebuilt,
built
again,
broad
place
moat,
but
street
and
with moat, but in troubled
and times.
25“Know,
then,
and
understand: from the 25 Know also and
going forth of the understand, that
command
to
and
restore from the going
build forth of the
Yerushalayim
Messiah
is
until commandment to
the Prince cause to return and
seven
weeks to build Jerusalem,
and sixty-two weeks. unto the Anointed
It shall be built again, the Prince, shall be
with streets and a seven weeks.
trench, but in times of
affliction.
in
troublous times.
26. And after the 26 Then, after the sixtythreescore and two two
weeks
shall
septets,
26“And
the two
after the sixty- 26 Yet threescore
weeks
Messiah and two weeks
an anointed one will be cut shall be cut off and have shall it return, and
anointed one be off and will exist no naught. And the people the street be built
cut off, and be no longer; the people of of a coming prince shall and the wall; but in
Dan
more;
9:26
people of a prince destroy the city and the set-apart place. And the and after the
that
and
shall
the the prince will come will destroy the city and the troublesome times:
come Sanctuary; but his end end of it is with a flood. threescore and two
shall destroy the will be [to be to be And
city
and
wastes
are weeks, the
the swept away as ] in a decreed, and fighting Anointed shall be
sanctuary; but his flood. Then, until the until the end.
cut off, and it shall
end shall be with a end
not be his; but the
of
the
war,
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 81
flood; and unto the desolation is decreed.
people of a Prince
end of the war
to come shall
desolations
destroy the city
are
determined.
and the Sanctuary:
and the end
thereof shall be
with a flood, and
unto the end of the
war, desolations
are determined.
27. And he shall
make
a
firm
covenant
27 Yet shall he
with
many for one week; 27 He will forge a strong
and for half of the covenant with the great
week he shall cause ones for one septet; but
the sacrifice and for half of that septet
the
offering
to he will abolish sacrifice
cease; and upon and meal-offering, and
Dan
the
wing
9:27
detestable
of the mute abominations
things will be upon soaring
shall be that which heights,
until
causeth appalment; extermination
as
and that until the decreed will pour down
extermination
upon
the
wholly determined [abomination].
be
poured
out
mute
27“And
he shall confirm confirm
the
a covenant with many covenant
for one week. And in many
with
for
one
the middle of the week week: and in half a
he shall put an end to week he shall cause
slaughter- ing and meal the sacrifice and
offering. And on the oblation to cease:
wing of abominations and upon a wing of
he shall lay waste, even abominations
until the complete end shall
and
that
which
make
he
it
is desolate, even until
decreed is poured out the consummation,
on the one who lays and that which is
waste.”
upon that which
causeth
determined
be
poured upon the
desolate.
appalment.'
Wat zij op dat gebied zeggen
In een ‘min of meer’ letterlijke weergave van een lezing van D. Steenhuis met als titel
‘WIKKEN EN WEKEN’gevonden op Internet, staat het volgende:
“Daniel 9 is moeilijk. Gods gedachten zijn altijd moeilijk. De gedachten van God zijn hoger dan onze
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 82
gedachten. Dat is voor ons niet makkellijk. Het gaat erom dat wij begrijpen dat alle zegen alleen
maar komen kan om dat Hij, mijn Heiland en mijn Verlosser, het avondoffer is. God hanteert de tijd
en die is door niets en niemand te beïnvloeden. Wij hebben een geweldige Here en onze tijden zijn in
Zijn hand. Hij maakt waar wat Hij ooit heeft gezegd. Wij mogen blij zijn met het feit dat wij bij de
Gemeente horen die nu (nog) op aarde en straks bij de Here Jezus zal zijn. Vanaf het moment dat de
Gemeente niet meer hier is zal de tijd van Israël, hier op aarde, verdergaan met de zeven jaren die
nog restten.”
Op http://www.bijbelarchief.nl/default.asp?id=1003 schreef de Werkgroep ‘Bijbel: Aktueel!’,
een artikel over Daniël twee. We citeren uit de laatste bewerking van 10-3-2002, onderstrepingen
zijn door onszelf aangebracht: “De eerste vier delen zijn vervuld;
1e Het hoofd van goud was Babylon
2e De schouders en armen Medo-Perzië.
3e De twee armen, een voor Media en een voor Perzië.
4e De buik en de lendenen van koper verbeeldden het Griekse rijk onder Alexander de Grote
Dit waren de belangrijkste delen van het beeld. Dan komen we aan de benen van ijzer en zij stellen
het Romeinserijk voor, maar merk op dat er twee benen waren. Het Romeinse rijk was verdeeld in
twee delen. West-Rome met de hoofdstad Rome en Oost-Rome met de hoofdstad Byzantium. Het is
van belang, want als dit imperium wordt gereproduceerd, moeten beide benen gereproduceerd
worden. Dus Europa zoals we het nu kennen, kan niet de uiteindelijke vervulling zijn.
Dan komen we tot de voeten van ijzer en leem en die moeten de uiteindelijke heidense macht zijn,
want de steen die zonder mensenhand losraakt (het koninkrijk van Jezus) valt op die voeten en
verbrijzelde ze (Daniël 2:34). Dat moet dus het heidense dominium zijn dat Jezus verbreekt bij Zijn
wederkomst. De tien tenen moeten overeenkomen met de tien koningen, want beide zijn de laatste
toestanden van de heidense rijken. Als we dus iets gaan zien van het herstel van het Romeinse rijk,
moeten het beide benen zijn. Mensen spreken nu over de huidige stand van Europa als de
uiteindelijke staat, maar dat lijkt op een been met alle tien de tenen aan één voet. Ook is Europa niet
de finale van de uiteindelijke Bijbelse vervulling. Europa is belangrijk, maar het is niet het uiteindelijk
centrum van het toekomstbeeld.
Het centrum moet zijn in het Midden-Oosten. Jezus’ wederkomst zal op de berg bij Jeruzalem zijn en
als de antichrist Hem succesvol wil imiteren, zal dat ook daar zijn. Als we dus twee benen en tien
tenen hebben, zijn vijf staten van het oude Romeinse machtgebied in Europa, maar laten we nagaan
wat de vijf tenen zijn van de rechtervoet. Dan moeten wij vijf namen noemen in het Midden-Oosten:
Griekenland, Turkije, Syrië, ‘Palestina’ en Egypte. Dat is het beeld van het oostelijke Romeinse rijk.
Een ding dat dit bevordert is een één-wereld-religie die kan makkelijk komen. Israël is het centrum
van drie monotheïstische wereldreligies, judaïsme, christendom en islam. Als die drie verenigd
zouden worden, beslaan zij dat hele gebied. Er is slechts één probleem dat die vereniging belemmert:
Jezus van Nazareth. Als die uit de weg geruimd zou kunnen worden, is er niets dat die drie religies in
de weg staat. En men is druk bezig die Jezus uit de weg te krijgen. Zowel de leiders van de rooms-
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 83
katholieke kerk als de anglicaanse kerk hebben in hun kerken diensten uitgevoerd waarbij zij
vertegenwoordigers van de islam, het hindoeïsme, het boeddhisme en andere heidense religies
samen brachten en zich richtten tot één God (!)”(wij onderstrepen).
Eén van de problemen wanneer profetie aan bod komt is: in hoeverre moet dat “redelijk”
zijn. Moeten we dat kunnen begrijpen tot in alle details en verstandelijk kunnen afwegen. We
denken het niet en citeren hiervoor de twee grote Reformatoren. Geloof is méér dan wat wij
menselijke rede noemen. Over “de Rede” zegt Calvijn o.a. het volgende:
“Maar aangezien wij, door een valse mening aangaande ons inzicht beneveld, ons met de grootste
moeite laten overtuigen, dat dat inzicht in Goddelijke zaken geheel blind en verstompt is, zal het,
meen ik, beter zijn dit te bewijzen met getuigenissen der Schrift dan met redeneringen. Johannes
leert dit zeer schoon op de plaats, die ik kort te voren aanhaalde (Joh.1:4), wanneer hij schrijft, dat
het leven van den beginne in God geweest is, en wel dat leven, dat het licht der mensen was; dat
licht schijnt in de duisternis, maar dat het door de duisternis niet begrepen is. Hij geeft te kennen,
dat de ziel des mensen wel door de glans van het Goddelijk licht bestraald wordt, zodat ze nooit
geheel van een althans geringe vlam of althans een vonkje daarvan beroofd is, maar dat ze toch
door die verlichting God niet begrijpt. Waarom dat? Omdat haar scherpzinnigheid, voor wat de
kennis Gods aangaat, louter duisternis is. Want wanneer de Geest de mensen duisternis noemt,
berooft Hij hen eens en voor al van alle vermogen van geestelijk verstand. Daarom betuigt Hij, dat
de gelovigen, die Christus omhelzen, niet uit bloed, noch uit de wil des vleses of des mans, maar uit
God geboren zijn (Joh.1:13). Alsof Hij wilde zeggen, dat het vlees een zo verheven wijsheid niet kan
bevatten, dat het God en wat van God is, zou kunnen begrijpen, wanneer het niet door Gods Geest
verlicht werd. Gelijk Christus getuigd heeft (Mat.16:17), dat wat Petrus van Hem beleed een
bijzondere openbaring des Vaders was.” Uit ‘Institutie van Calvijn’, vert. Dr. A. Sizoo, W.D. Meinema
Delft, Boek II, Hoofdstuk II, 19, z.j. (wij onderstrepen).
De Franse filosooftheoloog P.E. Metzger schrijft in de Revue Réformée van maart 1999 over
de visie van Luther op “de Rede” als volgt:
“In de laatste prediking van Luther in Wittenberg, één maand voor zijn dood, gaat hij een hevige
kritiek uitoefenen op “de Rede” en noemt haar: “de verloofde van de duivel”, “de grootste hoer van
de duivel”, “een door melaatsheid aangetaste hoer”, “een vervloekte hoer” en zo verder. Hoe moeten
we dat begrijpen? De bedoeling van de preek, een uitleg van Rom.12:3, is zoals Paulus zegt
christenen te waarschuwen voor pretentie. Luther zegt o.a.: “we moeten ons hoeden, niet slechts
voor grove verlangens maar ook voor (zogeheten) hogere verlangens die de eenheid van het geloof
uit elkaar scheuren en die ons voeren naar prostitutie, t.t.z. naar afgoderij”, want “alles moet
onderworpen zijn aan het geloof.
Luther maakt over pretentie de volgende analyse: het is een vleselijke lust die haar zetel heeft in het
verstand, in de Rede die zich niet aan het Woord van God onderwerpt, en de heerschappij van het
geloof niet aanneemt. De Rede verlangt zelf God-te-zijn, ze is afgoderij. Merken we tevens op dat
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 84
Luther klaar en duidelijk verband legt tussen de term prostitutie om afgoderij te beschrijven, en volgt
hierin Bijbelse voorbeelden. De heftige kritiek op de Rede in deze tekst geeft dus niet meer of niet
minder aan dat de algemene fundamentele natuurlijke Rede slechts afgoderij is. Dat had Luther
trouwens op andere plaatsen in zijn geschriften al duidelijk gemaakt.” De titel van dit artikel over de
rede is: ‘De hoer van de Duivel.’
Calvijn schreef o.a. dit in zijn vijftigste lezing op het boek Daniël (verschenen in 1561): “Hoe
komen we tot een bepaalde conclusie? Het is niet genoeg om de onwetendheid tot weerleggen van
de anderen, tenzij dat de waarheid laat uitschijnen en ze bewezen wordt door klare en afdoende
redeneringen” (onze vertaling). Een raad die we ook zullen opvolgen.In de bundel gezangen ‘Uit het
‘Liedboek voor de Kerken’ lied n° 322 vers 3 staat wat in die aard en we citeren het in de hoop dat
we het allen oprecht mogen meezingen:
Gij ziet en hoort
wat onze mond wil spreken,
het is een staamlend, ontoereikend teken,
een zwak en machtloos mensenwoord.
In de Bijbel zijn er twee boeken die al eeuwenlang het spotpunt zijn van hogere kritiek, het
boek Jesaja en dat van Daniël. Hoe dit komt is niet moeilijk te begrijpen. Beide schriftgedeelten
bevatten namelijk enkele profetieën welke bij hun latere vervullingen de waarachtigheid van de
Schrift waarborgen. Eén bepaalde profetie zal ons nu bezighouden: de profetie der 70 jaarweken
opgetekend in Dan.9:24-27. Vóór we een vers voor vers bespreking hierover houden is het nochtans
interessant om enkele punten te onderzoeken welke door de hogere kritiek tegenover het boek
Daniël worden ingebracht. De éérste die de authenticiteit van Daniël in twijfel heeft getrokken was
de Griekse filosoof Porphyrius (omstreeks 233-304 na Chr.). Deze persoon was een christenhater en
schreef een boek met de titel ‘Tegen de christenen.’ Omdat verschillende dingen in het boek Daniël
zo nauwkeurig waren beschreven wou deze Porphyrius niet geloven dat dit boek was geschreven
door de Daniël die in de zesde eeuw vóór Christus leefde en werkte in de steden Babel en Susa
onder de Babylonische en Medo-Perzische koningen uit die tijd. Porphyrius zei, dat aangezien in dit
boek het leven van de Syrische koning Antiochus IV Epiphanes zo nauwkeurig was beschreven, hij
niet kon aannemen dat het profetie was. Om deze reden klasseerde hij het boek Daniël ná deze
Antiochus: nl. rond plus/min 160 voor Chr. Het zou geschreven zijn door een schrijver (zeg maar
bedrieger!) die met gebruikmaking van Daniël’s naam het boek zou hebben opgetekend.
Dit standpunt is dan later door hogere critici aanvaard en verder uitgewerkt. Dit is thans ook
de visie van de Rooms Katholieke Kerk en moderne Protestantse exegeten. De oppervlakkigheid van
zulke beweringen is echter groot. Het feit alléén dat ná 160 voor Chr. profetieën vervuld werden die
in Daniël staan opgetekend is een waarborg dat Daniël’s boek werkelijk in de 6de eeuw vóór
Christus kan opgetekend zijn. Ook, en dit is wel doorslaggevend: dat Jezus Christus zelf Daniël heeft
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 85
aanvaard als een geïnspireerde Bijbelschrijver. Hij zegt in Mat.24:15,16: “Wanneer gij dan de gruwel
der verwoesting, waarvan door de profeet Daniël gesproken is, op de heilige plaats ziet staan wie het leest, geve er acht op - laten dan wie in Judea zijn, vluchten naar de bergen.” Verder is
belangrijk dat Daniël tijdens zijn leven zulke beroemdheid had verkregen dat de profeet Ezechiël
hem vernoemd in Ezech.14:14: “en er zouden dan deze drie mannen zijn: Noach, Daniël en Job (...)
” Hier wordt Daniël dus met twee andere beroemde mannen genoemd. Slechts Mozes en Samuël
zijn nog de twee grote andere profeten volgens Ps.99:6.
Uit Bijbelmanuscripten weten we dat het Bijbelboek van Daniël ook behoorde tot de
oorspronkelijke stukken van de Septuaginta uit de 3de/2de eeuw VC. Men heeft ook tesamen met de
Dode-zee-rol van Jesaja gedeelten gevonden van Daniël. Geleerden hebben dit nu zelf geklasseerd
als geschreven tussen 150 en 100 VC (Deze gedeelten komen uit de grotten n°4 en n°6.) Indien het
boek Daniël rond plus/min 160 VC geschreven zou zijn dan moeten we hieruit besluiten, dat wat
men daar heeft gevonden misschien wel gedeelten van het oorspronkelijke manuscript kunnen zijn
of één van de eerste afschriften en dit is zeer onwaarschijnlijk. Joden hebben ook nooit problemen
gehad met de authenticiteit van het boek Daniël. Typerend is dat toen de hogepriester werd
voorbereid tot de dienst op de dag van de Verzoening hem behalve de Tora ook gedeelten van het
boek Daniël werden voorgelezen, maar welke het waren weten we niet. Zie de Mishnah Yoma 1:6.
Ook van belang is wat de Joodse geschiedschrijver Flavius Josephus vermeld. Dat in 332 voor
Chr. wanneer Alexander de Grote de stad Jeruzalem binnentrad, de hogepriester hem de profetie
toonde uit Dan.8:21,22 waarin er voorzegd was dat Alexander naar Jeruzalem zou komen. Alexander
was hierdoor zo geëerd schrijft Flavius Josephus dat hij tot het volk zei, dat hij wat ze van hem
zouden verlangen, zou voldoen. We kunnen hieruit dan moeilijk de gevolgtrekking trekken dat het
boek later dan Alexander de Grote zou geschreven zijn. Nog twee feiten willen we aanhalen. Ten
eerste dat ten tijde van Antiochus (dus plus/min 160 voor Chr.) bijna geen enkele persoon onder het
volk de Hebreeuwse taal meer kende maar slechts de volkstaal, het Aramees. We zouden dus als
schrijver van Daniël iemand dienen te vinden bij de priesterklasse die wél nog Hebreeuws kende en
dit is onmogelijk want geen enkele priester van de Levitische orde zou het ooit gewaagd hebben
zulk een boek op te stellen. Hogere critici van de Bijbel storen zich niet aan dit argument. (Zie o.a.
J.G. Baldwin, ‘Is there pseudonomity in the Old Testament’, in het Engelse tijdschrift ‘Themelios’, 4.1
september 1978, blz.6-12.)
Het andere feit is dat de studie van een ander Joods boek namelijk Makkabeeën, spreekt
over het boek Daniël en zoals alle hogere critici toegeven is dit boek rond plus/min 160 voor Chr.
geschreven. Zo zou de verwijzing naar “de gruwel van de verwoesting” in 1 Mak.1:54,59 gebaseerd
zijn op Dan.9:27. En een andere belangrijke verwijzing van Josephus staat in ‘De Oudheden’ Boek X.
Hij verwijst naar Dan.9:27 dat voor hem tweemaal is vervuld, éénmaal met Antiochus en een
tweede maal bij de vernietiging van de tempel in 70 A D. Maar zegt ons 1 Mak.9:27, dat toen dat
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 86
boek werd geschreven, er in Israël geen enkele profeet te vinden is. Hoe zou dan iemand de profetie
der 70 jaarweken hebben opgetekend of nog andere profetieën zoals Daniël hoofdstukken 11 en 12,
welke voor het grootste deel op latere tijden betrekking hebben. Dit is dus onmogelijk. We zeggen
dat omdat moderne Bijbelcritici niet twijfelen aan de echtheid van de geschriften van de
Makkabeeën.
Er zijn bij de vroege kerkvaders regelmatig aanwijzingen dat ze het boek Daniël kennen:
Clemens Romanus (97,98 na Christus)
Brief van Barnabas (100-150 na Christus)
Justinus de Martelaar (138-165 na Christus)
Melito van Sardis (170-180 na Christus)
Irenaeus van Lyon (182-188 na Christus)
Tertullianus (200-240 na Christus)
Clemens Alexandrinus (193-220 na Christus)
Hippolytus heeft een commentaar op hoofdstukken 1, 2, 3, 7, 9, 10, 12 (222-236 na Christus)
Origenes (225-254 na Christus)
Anoniem geschrift tegen Novatianus (rond 248-258 na Christus)
Cyprianus, bisschop van Carthago (248-258 na Christus)
Firmilianus van Caesarea aan Cyprianus (256 na Christus)
Victorinus van Petau (martelaar in 304 na Christus)
Methodius van Olympus aan Patara (260-312 na Christus)
Lactantius (315-325/330 na Christus)
Hoe zit het met andere zaken en documenten? Bijvoorbeeld deze uit de Dode Zee? En de grote
Bijbelmanuscripten?
4QDan is uit de late Hasmoneaanse periode of de vroeg Herodiaanse periode en heeft gedeelten
van Daniël 1:16-20 / 2:9-11,19-49 / 3:1-2 / 4:29-30 / 5:5-7,12-14,16-19 / 7:5-7,25-28 / 8:1-5 / 10:1620 / 11:13-16.
4QDan b is uit 20-50 na Christus en heeft gedeelten van Daniël 5:10-12,14-16,19-22 / 6:8-22,27-29 /
7:1-6,11(?),26-28 / 8:1-8,13-16.
4QDan c is uit 125-100 voor Christus en heeft gedeelten van Daniël 10:5-9, 11-16, 21 / 11:1-2,1317,25-29.
4QCan d / 4QDan heeft kleine snippers.
6QPapDan (6Q7) heeft gedeelten van Daniël 8:16,17(?),20,21(?) / 10:8-16 / 11:33-36,38.
Deze gedeelten komen zeer goed overeen met de proto-Massoretische text.
Theodotion, zelf een Jood (na Christus), heeft een nieuwe Griekse vertaling gemaakt omdat de
Christenen teveel citeerden uit de voorgaande Griekse Septuaginta. We hebben van hem
bijvoorbeeld ook Daniël en enkele andere Bijbelboeken.
Het Chester Beatty Papyrii IX and X (3de/4de eeuw) heeft bijvoorbeeld Ezechiël en Daniël.
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 87
Het Vaticanus-manuscipt (325-350 A.D.) heeft gans het boek Daniël.
In de Sinaïticus (340-350 na Chr.) staat het niet, maar daar ontbreekt meer dan dat.
Alexandrinus (rond 450 na Christus) heeft ook Daniël.
We moeten dan tot dit besluit komen, en evenals Christus zeggen, dat er rond plus/min 605537 voor Chr. in Babylon een profeet leefde die dit alles heeft te boek gesteld. Behalve dat zijn er
veel uit Daniël’s verklaringen door de oudheidkundigen bevestigd. Zo is bijvoorbeeld een vurige
oven, zoals deze waarin de jongelingen geworpen zijn, door de archeologen ontdekt. Ook een
leeuwenkuil als deze waarin Daniël later is geworpen is ontdekt enzovoort. (Zie over de echtheid
van het boek Daniël o.a.: G. Hasel, ‘The book of Daniël and matters of language: Evidences relating
to Names, Words and the Aramaic language’, Andrews University Seminary Studies, Vol.19, Spring
1981, n°1 en G. Hasel, ‘The book of Daniël: Evidences relating to Persons and chronology’, idem.,
Vol.19, Autumn 1981, n°3. En van W. Shea, ‘Extra biblical texts and the convocation of the Plain of
Dura’, idem, Vol.20, Spring 1982, n°1.)
Daarom ook als inleiding op wat volgt een lijstje van de manier waarop Joodse theologen
profetie in verband met de Messias bekijken.
PROFETIE OT
VERVULLING NT
MESSIAANSE UITLEG VOLGENS
RABBIJNEN
Gen.3:15
Rom.16:20
Targum Pseudo-Jonathan
Deut.18:15-18
Hand.3:19-23
Ralbag (Gersonides)
Jes.7:14
Mat.1:22,23
Jes.9:5
1 Cor.1:24 / Rom.9:5 / Joh.8:58
Targum Jonathan
Eph.2:14
Pereq Shalom
Midrash Mishle
Jes.52:13-53:12
Joh.12:37,38 / Hand.8:30-35 /
1 Pet.2:21-25
Jer.31:31-34
Mat.26:27,28
/
Luc.22:20
/
Heb.8:7-13
Micha 5:1
Mat.2:4-6
Zach.9:9
Mat.21:1-5
Sanhedrin 98 a
Joh.12:14,15
Berachot 56 b
Zach.12:10
Joh.19:33-37
Sukkah 52 a
Ps.22
Mat.27:46
/
Marc.15:34
/ Pesikta Rabbati
Heb.2:11,12
Dan.9:24-27
Gal.4:4
In Sanhedrin 97 b staat het verbod om
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 88
de
komst
van
de
Messias
te
berekenen.
De tekst van Daniël 9:24-27
Deze nogal lange inleiding zal door sommigen wellicht overbodig bevonden zijn maar het
was vooral nodig om de belangrijkheid en juistheid van het Bijbelboek Daniël te bevestigen. Met dit
in gedachten kunnen we onze Bijbel dan openslaan bij Dan.9:24-27. Hieronder de NBG-vertaling:
“Zeventig weken zijn bepaald over uw volk en uw heilige stad, om de overtreding te voleindigen,
de zonde af te sluiten, de ongerechtigheid te verzoenen, en om eeuwige gerechtigheid te
brengen, gezicht en profeet te bezegelen en iets allerheiligst te zalven. Weet dan en versta: vanaf
het ogenblik, dat het woord uitging om Jeruzalem te herstellen en te herbouwen tot op een
gezalfde, een vorst, zijn zeven weken; en tweeënzestig weken lang zal het hersteld en herbouwd
blijven, met plein en gracht, maar in de druk der tijden. En na de tweeënzestig weken zal een
gezalfde worden uitgeroeid, terwijl er niets tegen hem is; en het volk van een vorst die komen zal,
zal de stad en het heiligdom te gronde richten, maar zijn einde zal zijn in de overstroming; en tot
het einde toe zal er strijd zijn: verwoestingen waartoe vast besloten is. En hij zal het verbond voor
velen zwaar maken, een week lang; in de helft van de week zal hij slachtoffer en spijsoffer doen
ophouden; en op een vleugel van gruwelen zal een verwoester komen, en wel tot aan de
voleinding toe, en waartoe vast besloten is, dat zal zich uitstorten over wat woest is.”
Wat is een jaarweek?
Drie definities van het woord “shabu’a”
“[Dn 9:24]. ... Zeventig zevens] letterlijk ‘ Zevens zeventig.’ het woord ‘zevens’ wordt meestal
vertaald –week – en staat er als eerste omwille van de nadruk. Dat vormt het grote thema van de
passage. Om dezelfde reden staat het cijfer hier na het zelfstandig naamwoord, en niet daaraan
voorafgaande, zoals meestal het geval is. De gedachte van de auteur kan dan geparafraseerd
worden: “zevens” - en in feite zeventig van hen - zijn afgekondigd, enz. Het woord “zevens” hier
komt voor in de m.m. [Mannelijk meervoud], terwijl het woord normaal een v.m. [Vrouwelijk
meervoud] heeft (...) Wat bracht Daniël ertoe het mannelijke te gebruiken in plaats van het
vrouwelijke. Het is zeker niet duidelijk, tenzij het is om een doelbewuste aandacht te vragen voor het
feit, dat het woord “zevens” hier in een ongewone betekenis gebruikt word. (...) Het lijkt
vanzelfsprekend dat geen gewone weken van 7 dagen aan de orde zijn.” (E. J. Young, ‘A
Commentary on Daniel’, Eerdmans, 1949, Reprinted Banner of Truth, 1978, blz.195,196).
“Terwijl in Deut 16:9, hierboven besproken, shabu’a een periode van zeven dagen
vertegenwoordigt, in Dan 9:24,25,26,27 duidt het op een periode van zeven jaar in elk van deze vier
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 89
verzen. Dit wordt bewezen door de context, waarin Daniël erkent dat de zeventig jaar van
gevangenschap bijna voorbij is. Het land lag zeventig jaar braak en aldus betaalden de Joden
zeventig sabbatsjaren aan de Heer terug. Dat waren ze Hem verschuldigd voor de voorafgaande
zeventig perioden van zeven jaar (Dan 9:2; Jer 25:12, zie. II Chr 36:21!). Net als Daniel in gebed is
over dit onderwerp, verschijnt de engel Gabriël hem en vertelt dat het herstel van Israël niet
compleet zal zijn totdat een andere periode van zeventig-zevens, (“shabua”) vervuld gaat worden
(Dan 9:24)! Let ook op de schijnbare verwijzing in Dan 12:11 van de helft van de laatste zeventig
Daniel’s (9:27), het is 1290 dagen, ongeveer drie en een half jaar. Dus zijn dit hier jaren. Shabua `
wordt ook gebruikt als een technische term in Deuteronomium 16:10,16 waar het staat voor het
Wekenfeest (hag
Shabu `ot), dat wil zeggen het Feest van de Zeven-perioden.” (R.L. Harris,
G.L.Archer, & B.K Waltke., eds, ‘Theological Wordbook of the Old Testament’, Moody Press, 1980,
Twelfth Printing, 1992, Vol. II, blz.899.)
“Het woord voor “week” sabuac, dat van seba` afgeleid is: het woord voor “zeven.” Het normale
vrouwelijk meervoud is in de vorm: “sebu `ot.” Alleen in dit hoofdstuk van Daniël staat het er in het
mannelijk meervoud sabu`im. (De enige andere gebeurtenis in de combinatie sebu `e sebu` ot
[‘heptaden of weken’] in Ezechiël 21:28 [21:23 Engels tekst]). Daarom is het sterk suggestief voor
het idee van een “heptade” (een serie of een combinatie van zevens), in plaats van een “week” in de
zin van een serie van zeven dagen. Er is geen twijfel over dat we het in dit geval worden
gepresenteerd met zeventig zevens van jaren, eerder dan van dagen. Dit leidt tot een totaal van 490
jaar.” (G.L. Archer,’Encyclopedia of Bible Difficulties’, Zondervan, 1982, blz.289).
Eerst dienen we er nota van te nemen wat de betekenis is van de uitdrukking “zeventig
weken.” - [In het oorspronkelijk = shavu'im shiv'im] Het Hebreeuws woord dat hier in Daniël 9:2427 regelmatig met “weken” is vertaald is “shabuîm” het enkelvoud ervan is “shabua.” Er is een
overweldigende consensus van de wetenschappers dat de tijd die de eenheid “shabua” moet
voorstellen wordt beschouwd als een jaar. Het ligt in het verlengde dat lexicografen op het gebied
van het Hebreeuws deze tijdseenheid definiëren als een “periode van zeven (dagen, jaren),” of
“zevental” = “heptaden, weken.” - Brown, Driver, and Briggs, ‘A Hebrew and English Lexicon of the
Old Testament’, blz.988.
Het woord “shabua” betekent een éénheid van zeven; dus zowel zeven dagen als zeven
jaren. Deze Hebreeuwse uitdrukking is later in de Septuaginta vertaald met “hebdomas.” Het
betekent hetzelfde als de Hebreeuwse uitdrukking namelijk: een éénheid van zeven. We dienen dus
trachten uit te maken of hier een éénheid van zeven dagen of zeven maanden of zeven jaren is
bedoeld. Deze uitdrukking “shabua” komt behalve de 6 maal dat het in Dan.9:24-27 is gebruikt ook
nog voor in Dan.10:2,3. Het interessante in die schriftuurplaats is dat hier het woord “shabua” is
gevolgd door het Hebreeuwse woord “yamîm.” Dit laatste betekent: “van dagen.” In Dan.10:2,3
kunnen we dus met alle recht de vertaling gebruiken “drie weken van dagen.” Omdat deze nadere
verklaring “yamîm” niet voorkomt in Dan.9:24-27 kunnen we daar dan vertalen als “jaarweken”
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 90
zoals vele vertalingen doen, want door het dubbele gebruik van “shabua” en “shabua yamîm” geeft
Daniël ons te kennen dat er “twee eenheden” worden gebruikt die in betekenis verschillen. Een
tweede reden waarom we dit zo kunnen vertalen is dat we dit gebruik aldus kunnen vinden in
verschillende Joodse overgeleverde manuscripten van vóór Jezus Christus en daarna in de Talmoed,
de Mishnah en de Middrash. Een derde reden waarom we dit mogen vertalen als jaarweken is dat
dit overeenstemt met de feiten. Dit zou niet het geval zijn moesten we het interpreteren als 70
gewone weken of maanden. Zeventig gewone weken zouden aldus vermenigvuldigd 7 x 70 = 490
weken vormen of ongeveer negen jaren en zes maanden. Uit wat we nu weten is die berekening
onmogelijk. Want aan de herbouw van de muren van Jeruzalem en de stad heeft men niet ongeveer
negenenveertig jaren gewerkt (7 jaarweken) maar van 535 tot 444 v. Chr. In deze periode dient
volgens de profetie in de periode van de “70 shabuîm” te vallen.
Otto Zöckler, was hoogleraar theologie aan de universiteit van Greifswald in Pruisen in de
19e eeuw. Hij voerde interne bewijzen binnen het boek Daniël aan, om te zeggen dat de
Hebreeuwse term die staat voor een “week” als een periode van zeven jaar vertaald dient te
worden. “Dit kan onmogelijk zeventig weken aanduiden in de gewone zin van het begrip, dus 490
dagen. Want het cijfer heeft een duidelijke relatie tot de zeventig jaar van Jeremia 5:2. Een korte
termijn van 490 dagen zou niet geschikt zijn om als mystieke parafrase te dienen van de periode van
drie en een half jaar. Bovendien is volgens de beschrijvingen uit de hoofdstukken 7 en 8, de drie en
een half jaar een periode van lijden en onderdrukking, terwijl in 9:25 e.v. de laatste en meer
uitgebreide indeling van de zeventig weken (ten beloop van tweeënzestig weken) wordt gekenmerkt
als relatief vrij zijnde van moeilijkheden. Ten slotte, de drie en een half jaar komen blijkbaar weer
tevoorschijn in 9:27, in de vorm van de “halve-week” waarin de offers gestaakt worden. Deze
onmiskenbare identiteit van die kleine tijdsfractie aan het eind van de zeventig weken, met de drie
en een half jaar van verdrukking, voorheen beschreven, verwijdert dan de reden van twijfel dat de
zeventig weken zijn te beschouwen als zeventig weken in een jaar, en dus als een versterking van de
zeventig jaar van Jeremia.” – We citeren en vertalen deze opmerking uit het commentaar van John
Walvoord.
De enige aannemelijke en mogelijke verklaring is dat hier sprake is over 70 jaarweken of
vermenigvuldigt een periode over 490 jaren. Voor ons kan het slechts een symbolische tijd van 490
jaar zijn. Het is een VOLLE tijd van Gods handelen in de geschiedenis van Israël, want 7 x 7 x 10 is de
vermenigvuldiging van enkele “volmaakte” getallen. Want dit moeten we onthouden: de profetie
ergens anders beginnen dan met Kores komt niet overeen met de werkelijkheid. De realiteit dwingt
ons tot deze symbolische verklaring. Ook in het NT krijgen we van Jezus te horen dat getal van 7 x
70 (490 in totaal) in symbolische zin gebruikt kan worden! Dit staat in Mattheus 18: “21 Toen kwam
Petrus bij Hem en zeide: Here, hoeveel maal zal mijn broeder tegen mij zondigen en moet ik hem
vergeven? 22 Tot zevenmaal toe? Jezus zeide tot hem: Ik zeg u, niet tot zevenmaal toe, maar tot
zeventig maal zevenmaal.” Dit laat geen letterlijke uitleg toe, veronderstel eens dat je letterlijk 490
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 91
maal vergeeft, moet het dan nog niet een volgende keer? Sommige amillennaristen gebruiken
echter wel een letterlijke tijdseenheid in jaren, voor alles of gedeeltelijk. Voor de eerste
negenenzestig weken heeft Philip Mauro een letterlijke tijd in jaren maar geeft een onbepaalde
periode voor de laatste zeven jaar (blz.232-237).
De eerste periode was NIET exact 49 jaar, symbolisch interpreteren is dus geen probleem.
“De ene combinatie die samenvalt met de haar bekende geschiedenis, begint met het decreet
van Artaxerxes in zijn zevende jaar: 457 BC. Een periode van zeven weken of negenenveertig jaar
kwam ten einde in 408 voor Chr., en de reformatie onder Ezra en Nehemia werd uitgevoerd
gedurende deze periode en wordt gekenmerkt als één geheel. Wanneer deze hervorming ten einde
was en we niet langer het dominerende kenmerk van Gods regering hebben in deze zaken is
onbekend. Want de opvolger van Nehemia [dat is Bagoas], was een Pers en natuurlijk niet een
onderhouder van de exclusieve religie van Jehovah en die kwam in functie in 411 voor Christus,
VÓÓR HET AFSLUITEN VAN DE ZEVENDE WEEK.” (J.D. Davis, 1924, ‘A Dictionary of the Bible,’
[1898], Baker, Fourth Edition, Fifteenth Printing, 1966, blz.163).
“De boeken van Ezra en Nehemia geven de uitleg erbij. Ezra kwam naar Jeruzalem, in v.Chr.
457; hij werkte bij het herstel van het Joodse staatsbestel, binnen en buiten, voor 13 jaar, voordat
Nehemia werd gezonden door Artaxerxes, BC 444. [Neh 2:1 e.v.] ... We hebben zondermeer voor
deze periode de twee grote restauratoren van het Joodse staatsbestel, Ezra en Nehemia werken
eensgezind, OVER EEN TIJD VAN IETS MEER DAN 45 JAAR; zodat we weten dat het herstel werd
voltooid in het laatste deel van de 7de week van de jaren. Het is waarschijnlijk dat het niet was
afgesloten vóór het eind ervan. Met betrekking tot “de druk der tijden” te midden waarvan dit
herstel zou plaatsvinden, daar geven de boeken van Ezra en Nehemia het commentaar bij. Tot aan
de voltooiing van de muren, was er een opeenvolging van tegenwerkingen van de kant van de
vijanden van de Joden.” (E.B. Pusey, ‘Daniel the Prophet’, ‘Nine Lectures, Delivered in the Divinity
School of the University of Oxford. With Copious Notes.’ Funk & Wagnalls, 1885, blz.189-191).
Mensen van de dispensatieleer zeggen dat een symbolische uitleg van de 70 jaarweken niet
mogelijk is. Men neemt dan ofwel Daniël als voorbeeld, maar aangezien ze geen conformiteit
hebben in de uitleg van de cijfers uit Daniël12 neemt men dan maar meestal de Openbaring van
Johannes als voorbeeld. Volgens Robert L. Thomas, in zijn ‘Revelation 8 to 22: An Exegetical
Commentary,’ (Chicago: Moody Press, 1992), blz.408 staan er in het boek Openbaring geen teksten
met een symbolische betekenis van cijfers. “No verifiably symbolic numbers” = zegt hij, zodat het
niet-symbolische voor hem de norm is. Dat geloven we niet en de redenen staan in het volgende.
We nemen ook het boek Openbaring als tekst hierbij.
Het getal ”1” vinden we als symbool niet in dit boek. Maar in bepaalde uitdrukkingen zoals ”de
alpha en de omega” zien we toch het idee van éénheid. Het is in Opb.1:8 op YaHWeH van
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 92
toepassing en in Opb.1:17,18 / 2:8 en 22:13 op Christus. Aangezien alpha en omega de eerste en
laatste letter is van het Griekse alfabet wijst dit erop dat God en Christus beiden een éénheid zijn
die alomvattend is. Bij God is het zijn eeuwigheid welke er door aangegeven is (Jes.44:6) en bij
Christus de ”enigzijnde” (unieke, énige, éne), volgens de letterlijke vertaling van het gebeuren bij de
opstanding aangezien alle opstanding door hem zal komen.
Het getal ”2” is niet dikwijls gebruikt in het boek Openbaring. We vinden het in Opb.11:3-12
waar sprake is van de twee getuigen. Het is het symbool van gecombineerde macht (Pred.4:9-12).
Christus zond zijn discipelen per twee uit (Marc.6:7) en bij de opstanding en Hemelvaart waren er
telkens twee engelen zichtbaar (Luc.24:4 / Hand.1:10). Het symbool van getuigenis vinden we terug
in het begrip twee van het O.T. (Deut.17:6). In de dagen van de schepping is twee de schepping van
een dualiteit volgens Gen.1:6-8.
Het getal ”3” is niet altijd een goddelijk getal. Het herhalen van de lofprijzing ”Heilig”, tot
driemaal toe is hier het belangrijkste (Opb.4:8 / vgl. Jes.6:3). Driedelig was ook de zegen van Aäron
(Num.6:24-26). En drie maal per jaar op de grote feestdagen moest de gelovige naar Jeruzalem
optrekken om er te aanbidden. In het boek Openbaring is het soms een aards en satanisch getal.
Johannes zegt o.a. dat het derde deel van de aarde brand (Opb.8:7) het derde van de zee wordt
bloed (Opb.8:8-11 het derde van de hemelen is getroffen (Opb.8:12,13). Gedurende het tweede
wee sterft het derde der mensheid (Opb.9:13 e.v.) en drie onreine geesten zijn de aanstichters van
de oorlog van Armageddon (Opb.16:12-16).
Het getal ”4” is een aards getal. In dit boek vinden we aanwijzingen over vier paardrijders
(Opb.6), vier engelen die winden van vernietiging vasthouden (Opb.7:13 / Jer.49:36 / Ezech.37:9), de
aarde die vier richtingen heeft (Opb.20:8 / Ezech.7:2 enz...). Alleen in Opb.4:6,7 waar sprake is van
vier levende wezens is het getal ”4” hemels te noemen. Maar anderzijds ook aards omdat ze Gods
eigenschappen afbeelden zoals we ze kennen in de aardse schepping. M. Wilcock merkt ook hier op
dat we niet te ver moeten gaan bij het interpreteren. Zo moet het tafelkleed dat Petrus ziet in een
visioen niet uitgelegd worden als een beeld van de wereld. Een tafelkleed had ook in die tijden
gewoon vier hoeken. Zie naar Handelingen 10. Het nieuwe Jeruzalem dat uit de hemel nederdaalt,
is een volledige kubus of een piramide, waar de hoogte en de zijden gelijk zijn (Opb. 21:16).
Het getal ”5” is ook een aards getal. Symbolisch is waarschijnlijk het gebruik ervan in Jes.19:18,
de vijf steden een voorstelling zijnde van de totaliteit van de heidense gelovigen. Samen met ”vier”
een symbool van een kleine hoeveelheid in Jes.17:6. Maar in Gen.43:34 / 45:22 beeld van
overvloed. Als collectief beeld staat het gebruikt in Gen.47:2. En wellicht zijn de vijf koningen van
Kanaän beeld van alle vijanden van Israël (Jozua 10:1-27). In Opb.9:1-12 is sprake van een
sprinkhanenplaag die vijf maanden duurt. Deze sprinkhanen zijn satanische krachten zoals we later
zien.
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 93
Het getal ”6” is het teken van het kwade en zonde. Het nummer van het beest in Opb.13:18 is
”666.” Dit wil zeggen, zes maal honderd, zes maal tien en zes; de volledigheid van zonde. Kwaad in al
zijn macht. Op de zesde dag van de schepping is de mens geschapen. Goliath was zes kubits lang.
Het beeld dat Nebukadnessar laat bouwen is zestig kubits hoog en zes kubits breed.
Het getal ”7” is het meest gekende Bijbelse symbool. In de Openbaring alleen is het al 54 maal
gebruikt. Het is de afbeelding van volledigheid soms aards, soms hemels. Wanneer Johannes aan
zeven gemeenten schrijft wil dit zeggen, alle gemeenten (Opb.2,3). Er zijn zeven lampenstaanders
en zeven afbeeldingen van engelen van Gods volledige gemeente en de leiding van Gods gemeente
Opb.1:20. Zoals men het in beeldspraak heeft over het bevaren van de zeven zeeën zo spreekt de
Heer over Zijn zeven gemeenten.
Het is ook opvallend dat de profetische gedeelten van Openbaring tot zeven delen te herleiden
zijn, zoals hieronder afgebeeld.
1°) Zeven zegels 6:1 tot 8:6.
2°) Zeven trompetten 8:7 tot 11:19.
3°) Zeven visioenen van Satans koninkrijk 12:1 tot 13:18.
4°) Zeven visioenen van aanbidders van God en Satan 14:1-20.
5°) Zeven schalen van toorn 15:1 tot 16:21.
6°) Zeven visioenen van de val van Babylon 17:1 tot 19:10.
7°) Zeven visioenen van het einde van Satan, Gods koninkrijk en
het eeuwige leven daarna 19:11 tot 21:8.
Het getal zeven is in de rest van de Schrift zo belangrijk dat we nog enkele andere voorbeelden
willen geven. In het modelgebed staan zeven verscheidene dingen (Mat.6:9-13), over de Farizeeën
worden zeven weeën uitgesproken (Mat.23:13,15,16,23,25,27,29). In Rom.8:35 staan zeven soorten
verdrukking, in Rom.12:68 zeven giften, in Jac.3:17 zeven soorten hemelse wijsheid, in 2 Pet.1:5-8
zeven vruchten voortkomende uit geloof enz... Iemand die de zeven zeeën bevaart is iemand die
overal op de wereld is geweest
Sommigen trachten door enkele dingen aan te passen nog grotere nadruk te leggen op het
getal zeven. J.H. Alexander, Zwitser en dispensationalist, schreef een commentaar op Openbaring en
spreekt op blz.43 van 49 maal of 7 x 7, dat het is gebruikt (in plaats van 54 maal).
Dan het getal ”12” wat een afbeelding is van organisatie. Zoals in de oudheid er twaalf
stammen waren zo zijn er twaalf apostelen. De vrouw van Openbaring heeft 12 sterren. Het Nieuwe
Jeruzalem heeft 12 poorten, twaalf fundamenten enz... (Opb.21:12,14). Ook in de 24 ouderlingen
wat 2 x 12 is, zien we dit symbool (Opb.4:4). In de 144.000 of 12 x 12 x 1000 zien we ook een
organisatorisch geheel van heiligen (Opb.7:4).
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 94
Zie ook op http://catholic-resources.org/Bible/Revelation_Numbers.htm wat een katholieke
theoloog Felix Just, Jezuïet, schreef over de cijfers in het boek Openbaring. Ja, er staan
symboolcijfers in het boek Openbaring. Robert L. Thomas heeft in zijn ‘Revelation 8 to 22: An
Exegetical Commentary,’ de verkeerde conclusie getrokken. Maar genoeg over Openbaring, want
het was maar een aanzet om te zeggen dat er wel degelijk symboliek zit in bepaalde Bijbelse cijfers.
Leupold, was lutheraan prof en amillennarist (geloofde niet in een toekomstig duizendjarig rijk). Hij
zei in dat verband: “Sinds de scheppingsweek, heeft ‘zeven’ altijd al het merkteken van goddelijk
handelen in de symboliek van getallen. ‘Zeventig’ bevat zeven vermenigvuldigd met tien en
aangezien het een rond getal is perfectie betekend of voltooiing. Daarom zijn ‘zeventig heptads’ dat is 7x7x10 - de periode waarin het goddelijke werk van het grootste moment tot in de perfectie
wordt gebracht. Er is niets fantastisch of ongewoon daarover voor deze vertolker gezien hoe vaak de
symboliek van getallen een belangrijke rol speelt in de Schrift.” – Leupold’s commentaar, blz.409.
Gezien de belangrijkheid van het Hebreeuwse woord “shabua” hierover nog dit. Zo is het
mogelijk door vergelijking met Lev.25:8 te zien dat “shabua” ook daar als een periode van zeven
jaren is weergegeven. Men leest er (wij onderstrepen): “En gij moet u zeven jaarsabbatten tellen,
zeven maal zeven jaren en de dagen van de zeven jaarsabbatten moeten negenenveertig jaren
voor u bedragen.” Door vergelijking zien we dat;
zeven jaarsabbatten = zeven maal zeven jaren, en
zeven jaarsabbatten = negenenveertig jaren.
In de bovenaan weergegeven vertaling van de Wachttoren hebben de vertalers vertaald door
“jaarsabbatten” maar meestal spreken andere Bijbels hierover als “week.” Dit aangezien het
Hebreeuwse woord hier “shabua” is. Maar in elk geval is 7 x 7 = 49, en in dit geval 49 jaren.
Een ander Bijbels voorbeeld - ofschoon hierover geen zekerheid bestaat - is Gen.29:27. Hier
is het huwelijk van Jacob en Lea aan de orde. De schoonvader van Jacob had hem bedrogen, want
zijn liefde ging tot diens jongste dochter Rachel. Jacob’s schoonvader doet dan de suggestie: “Breng
de bruiloftsweek met deze ten einde, dan zal u ook de andere gegeven worden voor den dienst,
waarmede gij nog eens zeven jaren bij mij dienen zult.” In deze tekst is het woord “week”
nogmaals: “shabua.” Sommigen verklaren deze “shabua” als “zeven dagen”, doelende op de lengte
van de bruiloftsweek zoals normaal was bij de Joden uit dien tijd (vergelijk Richt.14:12). Maar het is
waarschijnlijker dat deze “shabua” een verwijzing is naar de zeven jaren van dienst die Jacob moet
volbrengen voor Rachel. Voor het gebruik van “shabua” als een periode van zeven dagen vergelijk
Deut.16:9 en Ex.34:22 waar het woord als “week” is vertaald.
Ex.20:8-10 Weeksabbat
“Gedenk den sabbatdag, dat gij dien heiligt; zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar
de zevende dag is de sabbat van den HERE, uw God; dan zult gij geen werk doen”
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 95
Lev.25:2-4 Jaarsabbat
“dan zal het land rusten, een sabbat voor den HERE. Zes jaar zult gij uw akker bezaaien; en zes jaar
zult gij uw wijngaard snoeien maar in het zevende jaar zal het land een volkomen sabbat hebben,
een sabbat voor den HERE.”
Het is echter vooral door het gebruik in buiten-Bijbelse geschriften dat we weten dat men
zowel bij de Joden als de Grieken een woord had dat een zevendelige gedachte weergaf. Bij de
Grieken was dit het woord “hebdomas” en dit is ook het woord dat voor “shabua” vertaald is in de
Griekse Septuagintavertaling. “Hebdomas” als een periode van zeven dagen of zeven jaren vinden
we bij de Griekse schrijvers Solon, Aristoteles, Herodotos en Plutarchus. Ook de Joden zelf die in de
Griekse taal schreven, Josephus en Philo van Alexandrië, gebruiken “hebdomas” als een periode van
zeven jaren. Zo spreekt Josephus over de tijd dat Nebukadnessar zwakzinnig was als een
“hebdomas” van zeven jaren. Philo van Alexandrië gebruikt “hebdomas” beide voor een periode
van zeven dagen of zeven jaren. Voor het sabbatjaar gebruikt hij het woord in zijn boek ‘De
decaloog’ (De Tien geboden) hoofdstuk 30 par.158,159.
Zelfs de Joden hebben bijna altijd de “shabuîm” (meervoud van “shabua”) van Dan.9:24-27
verklaard als jaren. Het Midrash commentaar van Klaagliederen 3:4 verklaart het zo. Ook in de
Talmoed, volgens het traktaat Nedarim 8:1 en Sanhedrin 5:1. Zie ook Nazir 32b en Yoma 54a. De
moderne ‘The Universal Jewish Encyclopedia’ geeft te kennen dat Dan.9 mogelijks kan spreken over
490 jaren. Zie het artikel ‘Daniël’ in deel 3, blz.462. Het is dan niet te verwonderen dat vele
Bijbelvertalingen spreken over “70 jaarweken” zoals in de Revised Standard Version, Moffatt,
Goodspeed, Sharpe, Amplified, J.P.S. voetnota, Canisius, Willibrord. Meestal staat er echter “70
weken” zoals in de KJV, ERV, NEB, NAB. In de Zuid-Afrikaanse ‘Die bybel, Nuwe vertaling’ van 1984,
staat: “Sewentig tydperke.” Maar, zowel van de 19de als de 20ste eeuw zijn er uitleggers geweest die
zeggen dat de “shabuîm” naar “perioden” verwijzen en niet naar JAAR-weken. Zie o.a.; Keil, C.F. & F.
Delitzsch, red., ‘Commentary on the Old Testament’, vol IX reprint, Eerdmans, 1975, blz.338,339 en
Young E.J., ‘The Prophecy of Daniel’, Eerdmans 1949, blz.195-197. In zijn artikel, ‘Hermeneutical
Factors In Determining The Beginning Of The Seventy Weeks’ (Daniel 9:25)’, zegt Vern Sheridan
Poythress dat in het Boek Enoch de “weken” niet steeds eenzelfde lengte hebben. Hij heeft ook
enkele goede opmerkingen over wat het Boek Jubileeën zegt. Zie; Trinity Journal 6:2 (Fall 1985),
vanaf blz.143. Zoiets moet u lezen! Het staat op de site van http://www.biblicalstudies.org.uk/
En daarom nog eens samengevat, de Griekse Septuaginta van Daniel heeft “jaren” in plaats
van “weken” voor Dan.9:25-27 en “jaren” in plaats van “tijden” in Dan.4:16,32. Na de tijd van Jezus
volgden zowel Joden als christenen meestal die visie: R. Akiba b. Joseph (130) / Clement of
Alexandria (200) / Hippolytus (240) / Julius Africanus (240) / Eusebius (340) / Athanasius (370) / Cyril
(385) / Hieronymus (420) / Augustinus (430) / Polychronius (430) / Theodoret (455) / Sardis (640) /
Bede (730) / Saadia (900) / Solomon b. Jehoram (955) / Jephet b. Ali (970) / Rashi (1080) / Abraham
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 96
b. Hiyya Hanasi (1130) / Abr. b. Ezra (1160) / Nachmanides (1265) / Aquinas (1270) / Arnulf (1190) /
d’Olivi (1295) / Brute (1393) / Savonarola (1497) / Abravanel (1505) / Luther (1522) /
Oecolampadius (1530) / Melanchthon (1543) / Bullinger (1557) / the Geneva Bible of Knox &
Whittingham (1560) / Calvin (1561) / Ribera (1590) / Napier (1593) / Bellarmine (1593) /
Statenvertaling (1637) / Mede (1631) / Parker (1646) / Tillinghast (1655) / Matthew Poole (1685) /
Lowth (1700) / Cocceius (1701) / Fleming (1701), Matthew Henry (1707) / Sir Isaac Newton (1727) /
Bengel (1740) / Bisschop Thomas Newton ((1754) / Bellamy (1758) / Petri (1768) / Langdon (1774) /
Priestley (1794) / Faber (1804) / Thomas Scott (1809) / Adam Clarke (1813) / Horne (1818) / Keith
(1828) / Drummond (1830) / Bisschop Daniel Wilson (1836) / Bickersteth (1836) / Albert Barnes
(1851) / Van Proosdij (1901) / B.H. Carroll (1948) / E.J. Young (1949) en enkele moderne Joodse
geleerden als Slotki en Isaac Leeser. Deze zaken zijn samengesteld aan de hand van de 4 boeken
over profetie van de Adventist Leroy Froom.
Een laatste opmerking, veeleer een vraag: heeft dit gedeelte uit Daniël 9 iets te maken met
het begrip van het zevenvoudig straffen door God in Lev.26:18? S.R. Driver zegt dat zijn collega
Bevan deze twee zaken aan elkaar heeft verbonden en hij doet hetzelfde. De zeventig jaar van 2
Kron.36:20 e.v. worden met zeventig vermenigvuldigd om Gods straf compleet te maken. Maar zo
een uitleg zegt ons persoonlijk niet zoveel. Om de reden: Daniël 9 beschrijft in de eerste plaats
herstel en géén straf, Daniël 9 is een troostwoord!
Hoe te berekenen: vier interpretaties
In een ‘min of meer’ letterlijke weergave (dat zegt men zelf) van een lezing van D. Steenhuis
met als titel ‘WIKKEN EN WEKEN’gevonden op Internet, staat het volgende:
“Over de 70 jaarweken van Daniël is al heel veel gezegd en geschreven. Voor een ieder die
geïnteresseerd is in de profetie, zal het duidelijk zijn dat je niet om de 70 jaarweken van Daniël heen
kunt. Bij de uitleg van de profetie zijn de 70 jaarweken van Daniël namelijk van essentieel belang.
Uitgangspunt blijft altijd Gods genade en Gods voorziening; op grond van Gods voorziening kan er
überhaupt iets gebeuren in ons leven maar ook in dat wat van Israël geschreven staat.
‘70 weken zijn bepaald over uw volk, over uw heilige stad’ (vers 24). Hier gaat het over Israël, niet
over u of over de gemeente; Daniëls volk wordt genoemd. Het zijn geen weken van 7 dagen elk,
maar ‘zeventig zevens’. Zeventig perioden van 7 jaar elk; 490 jaar dus. Alhoewel de Bijbel geen
puzzelboek is, worden toch veel stukjes aan elkaar gelegd in dit stuk. Deze ‘zeventig zevens’ zien als
een symbolisch getal, is onjuist” (wij onderstrepen). Maar wat als het getal zeven hier symbolisch
(490 = 7 x 7 x 10) is en al de rest letterlijk?
De uitleggingen van de 70 jaarweken zijn te herleiden tot de volgende vier. We baseren ons
voor deze indeling op de prachtige brochure (ondanks dat we met hem verschillen in de uitleg) van
G. Hasel, ‘The Seventy weeks of Daniël 9:24-27’, extra nummer bij een tijdschrift van de Adventkerk,
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 97
‘The Ministry’, May 1976, blz.7.
1) De Symbolische
7 weken: van 538 voor Chr. tot 1ste Komst van Jezus
62 weken: van 1é komst tot 2de komst in relatie tot de zichtbare Kerk
7 weken: de onzichtbare Kerk van de eindtijd voorafgaande aan de 2de komst
H.C. Leupold (Lutheraan) zegt over deze visie in zijn ‘Exposition of Daniel’, Augsburg Publishing
House, reprint 1961, blz.409: “Daarom zijn zeventig heptaden – 7 x 7 x 10 - de periode waarin Gods
werk op een groots moment tot zijn voltooiing gebracht wordt. Voor de uitlegger is hierin niets
fantastisch of abnormaal gezien in de Schriften, symbolen van cijfers een belangrijke plaats
innemen.”
2) De half symbolische
van de voorstanders van de leer der bedelingen, t.t.z. die een toekomstige Millennium leren.
69 weken: van 445 voor Chr. tot de intocht van Jezus in Jeruzalem op 6 april 32 na Chr.
of van 444 voor Chr. tot de intocht van Jezus in Jeruzalem in 33 na Chr.
daarna een niet nader gekende tijd van onderbreking: tot opname van de gemeente
1 week: in de toekomst
3) De historisch-kritische
De langste berekening die start in 605 voor Chr., toen Jeremiah zijn profetie der 70 jaren verdrukking
predikte tot 146 voor Chr. beloopt slechts 441 jaar, geen 490 letterlijke jaren. Maar meestal rekent
men vanaf 587 voor Chr. als volgt:
7 weken: van 587 voor Chr. tot 539 voor Chr. vanaf val van Jeruzalem tot val van Babylon
62 weken: van 539 voor Chr. tot 171 voor Chr. vanaf val van Babylon tot de moord op de
hogepriester Onias III
1 week: van 171 voor Chr. tot 164 voor Chr. de aanval van Antiochus Epiphanes en verontreiniging van de tempel
Volgens J. Baldwin, ‘Le livre de Daniël’, Farel/Sator, 1986, blz.169 is er een eerste vervulling in de tijd
van Antiochus en een tweede vervulling in de toekomst. Maar zo een positie is uitzonderlijk.
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 98
4) De traditionele
Visie van Adventisten: vanaf 7de jaar van Artaxerxes Ezra 7:7-26.
7 weken: van 457 voor Chr. tot 408 voor Chr. bouw van de muur en de stad
62 weken: 408 voor Chr. tot 27 na Chr. tot aan de doop van Jezus
1 week: vanaf de doop van Jezus totaan de prediking bij Cornelius in 34 na Chr.
Jezus sterft in het midden van deze week.
Gezien de grote verscheidenheid van meningen die geen christologische vervulling vinden in deze
passage, moet de exegeet (= de vertolker) noodzakelijkerwijs de aanpak van de christologische
interpretatie met enige voorzichtigheid benaderen. Ook hier is echter ondanks de diversiteit van
meningen aangetoond, dat men het er bijna steeds over eens is, dat de profetie betrekking heeft op
de Messias van Israël. Young heeft een niet-christologische interpretatie van dit gedeelte en ook
het orthodoxe Jodendom heeft geconcludeerd dat de periode eindigt met de verwoesting van
Jeruzalem in het jaar 70. Maar in de tekst is er geen afdoende verklaring voor. Christologische
interpretaties zijn te verdelen in twee grote categorieën. Alle christologische interpretaties zijn
geneigd de eerste negenenzestig zevens te interpreteren als letterlijk. De scheiding der
interpretaties komt bij de betekenis van de zeventigste week of “zevens.” Amillennaristen
beschouwen de zeventigste “zevens” aldus: het volgt onmiddellijk op de negenenzestigste “zevens”
en daarom is het al vervuld. Het andere standpunt is van een andere mening met betrekking tot de
zeventigste zeven: ze is gescheiden van de eerdere reeks van 483 jaren. De laatste week is gepland
om in de toekomst voor vervuld te worden. Het zijn de zeven jaar onmiddellijk voorafgaande aan de
tweede komst van Christus.
Het nog steeds onovertroffen commentaar van E.W. Hengstenberg (in Duits of Engels) geeft 200
bladzijden lang deze visie. (Zijn chronologie is wel verkeerd!) De recente Engelse uitgave van Kregel
is sterk ingekort! En E.B. Pusey, ‘Daniel the Prophet’, Funk and Wagnalls, 1891. Ook van dit werk is
meerdere herdruk verschenen. Maar we hebben bezwaren tegen deze oplossing gezien de
opmerking van een adventist (Bob Pickle, ‘An Examination of Anderson’s Chronological Errors
Regarding Daniel 9’s First 69 Weeks.’ Op http://www.pickle-publishing.com/ .) Hij schrijft: “Het bevel
van Kores, Darius en deze van Artaxerxes in het zevende jaar uit Ezra 6:1 zijn in werkelijkheid één
toelating. Het is alsof men na de toelating van Cyrus eraan begon en na Artaxerxes alles afwerkte.
Om die reden staat er in Daniël 9:25: “dat het woord uitging om Jeruzalem te herstellen en te
herbouwen.” Eénmaal dit proces voltooid is KUNNEN DE 70 WEKEN BEGINNEN.” Bob Pickle schreef
een prachtige weerlegging tegen de leer van de bedelingen van dat Bijbelgedeelte uit Daniël 9:2427, maar slaat hier zelf de bal mis. De profeet, eigenlijk de engel, is hier duidelijk; vanaf het
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 99
“herstellen en herbouwen” is de profetie begonnen, nadien starten is een andere zin aan de
profetie geven. Wie niet met Kores start zit fout!
De vier mogelijke startpunten die gegeven zijn als begin van de 70 jaarweken zijn dus mogelijk de
volgende:
1°) een BEVEL van Kores in 538/537 v. Chr. (Ezra 1:1-4 / Jesaja 45:1),
2°) een BEVEL van Darius in 520 v. Chr. (Ezra 6:1-12),
3°) een BEVEL van Artaxerxes in 457 v. Chr. (Ezra 7:12-26),
4°) een TOELATING (en u leest goed want dit is géén bevel) van Artaxerxes aan Nehemiah de
muur van Jeruzalem af te werken in 446/445/444 v. Chr. (Nehemia 2).
Laat ons eens kijken naar de argmenten van mogelijkheid drie en vier.
457 voor Christus als start: HET ENIGE HAALBARE DECREET,
GEWELDIGE PRECISIE, VOLGENS SOMMIGEN, OF OOK WEER NIET?
“Hoe kunnen we iets zinnigs maken uit de profetie van Daniël van de zeventig weken? De
profetie van de zeventig weken in Daniël 9:24-27 is ÉÉN VAN DE MEEST OPMERKELIJKE
VOORSPELLINGEN OVER LANGE AFSTAND in de hele Bijbel. Dit is waarschijnlijk een van de meest
besproken zaken, door studenten en geleerden van elke overtuiging in het spectrum van de
christelijke kerk. En toch, als het zorgvuldig wordt onderzocht in het licht van alle relevante
gegevens van de geschiedenis en de beschikbare informatie uit andere delen van de Schrift: het is
heel duidelijk EEN NAUWKEURIGE VOORSPELLING van het moment van de komst van Christus en
een vooruitblik van de bloedstollende laatste akte van het drama van de menselijke geschiedenis
vóór die wederkomst.” (G.L. Archer,’Encyclopedia of Bible Difficulties’, Zondervan, 1982, blz.289).
“Als, dan, het decreet van 457 toegekend aan Ezra, als de terminus a quo is genomen, dat is de
aanvang - voor de 69 heptaden - of 483 jaar, komen we uit bij het PRECIEZE JAAR van de
verschijning van Jezus van Nazareth als Messias (of Christus): 483 minus 457 komt uit op AD 26. (...)
Een zeer OPMERKELIJKE NAUWKEURIGHEID in de vervulling van een dergelijke oude profetie.
Alleen God kon met een dergelijke GEWELDIGE PRECISIE iets voorspeld hebben over de komst van
zijn zoon: het TART ALLE RATIONALISTISCHE UITLEG.” (G.L. Archer, ’Encyclopedia of Bible
Difficulties’, Zondervan, 1982, blz.290,291.)
“(...) Wij merken op dat vers 25 - de herbouw van de stad Jeruzalem met straten en grachten zal worden afgerond binnen negenenveertig jaar en specificeert de terminus a quo. ( ...) Als, dan, het
a quo (begin) voor het decreet in vers 25 gerekend wordt als 457 v.Chr. (De datum van Ezra’s
terugkeer naar Jeruzalem), dan kunnen we berekenen dat de eerste zeven heptaden lopen van 457
tot 408. De tijd binnen welke de herbouw van de muren, straten en grachten werden voltooid. Dan
tellen we van 408 de tweeënzestig heptaden uit, ook vermeld in vers 25, en komt tot AD 26 (408 is
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 100
26 jaar minder dan 434). Maar eigenlijk kunnen we toch uitkomen met AD 27, sinds een jaar
ongedaan is gemaakt met onze rekening want als we rechtstreeks van 1 v.Chr. op n.Chr 1 gaan, is er
geen jaar nul tussenin. Als Christus gekruisigd werd op 14 Abib 30 AD, zoals algemeen wordt
aangenomen (…) zou dit uitkomen op EEN OPMERKELIJK EXACTE VERVULLING van de voorwaarden
van vers 25. Het openbaar leven van Christus, vanaf het moment van zijn doop in de Jordaan tot aan
zijn dood en opstanding in Jeruzalem, moet ongeveer drie jaar hebben geduurd. De 483 jaar na de
start van het decreet van Artaxerxes tot het einde is dan AD 27, het jaar van de “komst van de
Messias” als heerser (nasi). Het was inderdaad “na de tweeënzestig” zevens” - drie jaar nadien - dat
“de Gezalfde” werd “afgesneden.” (G.L. Archer, 1985, ‘Daniel’, in Gaebelein, F.E., ed., ‘Expositor's
Bible Commentary, Vol. 7: Daniel and the Minor Prophets, Zondervan, blz.113,114.)
“Met behulp van de datum van 457 vóór de christelijke rekening als uitgangspunt, zoals
voorgesteld door sommige geleerden, en de twee reeksen weken opgeteld (7 x 7 + 7 x 62), dan
komen we bij een totaal van 483 jaar, eindigend op 27 van de christelijke rekening, het duidelijke
jaar dat Jezus begon aan zijn openbaar getuigenis. [De reden dat er slechts 483 jaar van 457 v.Chr.
tot en met 27 CE zijn - in plaats van 484 jaar - is omdat er geen “nul-jaar” bestaat. Met andere
woorden, wij rekenen direct met ingang van 1 voor in de christelijke rekening tot 1 na de christelijke
rekening.] WAT EEN ONGELOFELIJK NAUWKEURIGE PROFETIE ZOU DIT ZIJN!” (Michael L. Brown,
‘Answering Jewish Objections to Jesus, Objections to Messianic Prophecy,’ Vol. 3, Baker, Third
printing, 2006, blz.102,220).
“… maar de WERKELIJKE FEITEN van deze profetie zijn het meest VERBAZING-WEKKEND en wel
als volgt: De datum waarop de 70 weken moesten worden geteld was het decreet om Jeruzalem
weer op te bouwen. Er waren drie decreten uitgevaardigd door de Perzische koningen voor dit doel
(536 vC, 457 vC, 444 vC, zie onder Ezra). De belangrijkste opdrachtgever was deze van 457 v.Chr. De
70 weken zijn onderverdeeld in 7 weken, 62 weken en 1 week (25,27). Het is moeilijk de toepassing
van de “7 weken” in te zien, maar de 69 weken (met inbegrip van de 7) zijn gelijk aan 483 dagen,
dat wil zeggen, vanuit de jaar=dag theorie (Ezechiël 4:6), is dat in de algemeen aanvaarde
interpretatie = 483 jaar. Deze 483 jaar is de periode tussen het decreet om Jeruzalem te herbouwen
en de komst van de “Gezalfde” (25). Het decreet om Jeruzalem te herbouwen, zoals hierboven
vermeld, is 457 v.Chr. Het toevoegen van 483 jaar aan het jaar 457 v.Chr. brengt ons bij AD 26, het
jaar dat Jezus werd gedoopt en begon met zijn openbare bediening. EEN ZEER OPMERKELIJKE
VERVULLING VAN DE PROFETIE VAN DANIËL, ZELFS OP HET JAAR NAUWKEURIG. Verder werd
Jezus gekruisigd binnen 3 ½ jaar, dat wil zeggen “in het midden van de ene week “de Gezalfde” werd
“afgesneden” maar het was een zuivering “en de zonde werd weggedaan en eeuwige gerechtigheid
kwam tot stand” (24,26,27). ZO VOORSPELDE DANIEL NIET ALLEEN HET TIJDSTIP WAAROP DE
MESSIAS ZOU VERSCHIJNEN, MAAR OOK DE DUUR VAN ZIJN OPENBAAR OPTREDEN, en zijn
verzoenende dood voor de zonde van de mens.” (H.H. Halley, ‘Halley's Bible Handbook: An
Abbreviated Bible Commentary,’ [1927], Oliphants, Twenty-fourth edition, 1965, blz.349).
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 101
“De “zeventig zevens” worden meestal verstaan als “weken van jaren (het woord “zeven” kan
ook betekenen “week”, zie. NIV noot), maar de gebruikelijke vrouwelijke vorm voor “week” die
optreedt op een andere plaats in het OT, wordt hier niet gebruikt. Bovendien, in overeenstemming
met het gebruik elders gevonden in dit boek, wil Daniël ons door deze zeventig “heptaden” zegen
dat het is als zeventig eenheden van zeven jaar, of zeventig keer zeven jaar (dat wil zeggen, 490
jaar). Deze jaren zijn “afgekondigd” door Gods vooraf bepaalde plan door de eeuwen heen en nu
worden geconfronteerd, tot Daniel aangekondigd in EEN VAN DE MEEST VERBAZINGWEKKENDE
ONTHULLINGEN van de toekomst om te vinden in het OT. Maar let er op dat de “heptaden” voor het
volk van Daniël Israël bestemd zijn en voor hun hoofdstad, Jeruzalem.” (W.C. Kaiser Jr., ‘The Messiah
in the Old Testament’, Zondervan, 1995, blz.202).
“De terminus a quo, de aanvang, van deze negenenzestig weken van het jaar wordt verklaard
met het starten van de uitspraak van het woord (of decreet) om Jeruzalem te herstellen en te
bouwen (ver 25). Dit kan verwijzen naar het goddelijke decreet, of een van de drie historische
uitvoeringsdecreten: (1) decreet van koning Cyrus in 538 voor Christus (Ezra 1-4), (2) de brief van
ARTAXERXES AAN EZRA IN 457 v. Chr (Die blijkbaar ook de bevoegdheid omvat de muren rond
Jeruzalem te bouwen, cfr. Ezra 7.6, 7; 9,9), (3) het bevel tot Nehemia in 445 vóór Christus voor het
uitvoeren van de herbouw van de muren (dat Ezra niet had kunnen bereiken). Van deze keuzes moet
(1) worden uitgesloten omdat ze nergens in de tijd van Christus uitkomt, (3) komt te laat, tenzij
maanjaren gebruikt zijn in de berekening. Alleen (2) komt volgens het gebruik van regelmatige
zonnejaren uit, want het geeft het resultaat van AD 27, of het begin van de bediening van Christus.
Ezra en Nehemia zijn een verslag van de herbouw van Jeruzalem in negenenveertig jaar in een
benauwdheid der tijden. Vervolgens komen de tweeënzestig weken, waarna de Messias werd
afgesneden voor de zonde.” (H. Lindsell, ed., ‘Harper Study Bible,’ Revised Standard Version,
Zondervan, 1964, Nineteenth printing, 1983, blz.1312,1313).
“”Tot Messias, de Prins”, zijn zeven weken en zestig en twee weken [vers 25], dat zijn de eerste
483 jaar van de periode, waarbij de laatste 7 uitgeschakeld worden. Maar 483 jaar vanaf het BEGIN
VAN 457 v.Chr. werden afgesloten tijdens het begin van 27 AD, die (sinds de geboorte van Jezus 4
jaar eerder was dan onze jaartelling) wat zou samenvallen met Zijn doopsel, “van ongeveer 30 jaar
oud,” wanneer de afdaling van de Heilige Geest op hem geopenbaard werd en de zalving met de
Heilige Geest, de Christus plaats had. Meer nog, de gehele periode van 70 weken is verdeeld in drie
opeenvolgende perioden, 7, 62, 1 (...) Elk woord in deze gecondenseerde profetie heeft zijn plaats en
betekenis en de verdeling zou nietszeggend zijn, tenzij er iets aan werd toegewezen in dit eerste
gedeelte. De tekst gaat er toe wijzen. Die zegt: “hersteld en herbouwd blijven, met plein en gracht,
maar in de druk der tijden.” De boeken van Ezra en Nehemia geven de uitleg erbij. Ezra kwam naar
Jeruzalem, in v.Chr. 457; hij werkte bij het herstel van het Joodse staatsbestel, binnen en buiten,
voor 13 jaar, voordat Nehemia werd gezonden door Artaxerxes, BC 444. [Neh 2:1 e.v.] ... We hebben
zondermeer voor deze periode de twee grote restauratoren van het Joodse staatsbestel, Ezra en
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 102
Nehemia werken eensgezind, OVER EEN TIJD VAN IETS MEER DAN 45 JAAR...” (E.B. Pusey, ‘Daniel
the Prophet’, ‘Nine Lectures, Delivered in the Divinity School of the University of Oxford. With
Copious Notes.’ Funk & Wagnalls, 1885, blz.189-191).
“Waarschijnlijk was het Ezra, de schrijver, die het woord gaf van herstellen en om Jeruzalem te
bouwen in het voorjaar van 457 v. Chr. (...) Dit is de terminus a quo van de passage. Gerekend vanaf
die datum - zeven zevens en tweeënzestig zevens jaren - zou het duren voordat de Messias-Prins zou
verschijnen. Zeven jaar zevens zijn gelijk 49 jaar: tweeënzestig zeventallen gelijk aan 434 jaar. (...)
483 jaar afgetrokken VAN HET UITGANGSPUNT VAN 457 VOOR CHRISTUS dan is het jaar 27 n.Chr
bereikt. In het moderne systeem van het tellen van jaren is er geen jaar nul. Van daaruit moet het
jaar AD 27 worden verminderd met één jaar voor chronologische nauwkeurigheid. Volgens Daniel,
zou de Messias-Prins verschijnen in AD 26. Het is TOCH MEER DAN TOEVAL DAT HET DOOPSEL VAN
JEZUS ZICH IN AD 26 VOLTROK. [Finegan (HBC, pp. 259-69) dateert het doopsel van Jezus in
november, AD 26.] Op dat moment stelde Johannes Hem voor aan de natie, als hun Messias, het
Lam van God dat de zonden van de wereld wegneemt.” (J.E. Smith, ‘What the Bible teaches about
the promised Messiah: An In-depth Study of 73 Key Old Testament Prophesies About the Messiah,’
Thomas Nelson, 1993, blz.386).
“De Traditionele interpretatie. Dit standpunt wordt vertegenwoordigd door E. B. Pusey, ‘Daniel
the Prophet’, een uitstekend commentaar dat is afgedrukt in de Barnes Notes serie. Pusey begint het
tellen van de zeventig weken in 458 voor Christus, het decreet van Artaxerxes aan Ezra. De eerste
negenenveertig jaar, die ook het werk van Nehemia omvatten, beëindigen in 409 voor Christus. De
gezalfde is Christus, die gedoopt werd in AD 26 en onmiddellijk daarna begon zijn Messiaanse
bediening. Hij was afgesneden door zijn dood aan het kruis. De prins, die is genoemd om te komen
tot het oordeel over Jeruzalem: is Christus of Titus, die dan fungeert als een vertegenwoordiger voor
Christus. Het verbond dat moet worden bevestigd is het Nieuwe Verbond (Testament) van Christus.
Het Oude Testamentische systeem van offergaven eindigde in het midden van de zeventigste week,
toen Christus aan het kruis stierf (AD 30). De zeventigste zeven eindigt met de steniging van
Stefanus, de joodse afwijzing van het Nieuwe Testament, en de roeping van Paulus (AD 33).” (J.E.
Smith, ‘What the Bible teaches about the promised Messiah: An In-depth Study of 73 Key Old
Testament Prophesies About the Messiah,’ Thomas Nelson, 1993, blz.390).
“Daniël 9:25- Het uitgangspunt van de zeventig weken staat vermeld in vers 25: een decreet om
Jeruzalem te herbouwen. “De opdracht” moet zijn “een opdracht.” De Perzische keizers hebben in
totaal vier decreten gegeven, dus hebben we een keuze te maken van wat het beste past bij de
feiten. HET ENIGE HAALBARE DECREET is deze gemaakt door ARTAXERXES I IN 457 v.Chr. Dat is de
terugkeer onder Ezra, de schrijver (Ezra 7:1-10). Gabriël splitst de eerste negenenzestig weken in
zeven weken (negenenveertig jaar) en tweeënzestig weken (434 jaar). Tijdens de negenenveertig
jaar 457 tot 408 voor Christus, werd Jeruzalem herbouwd. Na deze tijd was Jeruzalem een volledig
functionerend handelscentrum in een fort. DAT VOLDOET PRECIES AAN DE PROFETIE.” Uit
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 103
Forerunner Commentary op bibletools.org/index.cfm/
Zevende dags-Adventisten hebben een site http://www.dagelijksmanna.net/index.html
“De grootste tijdsprofetie Les 14
Zeven weken en twee en zestig weken zijn negen en zestig weken of 483 profetische dagen (483
letterlijke jaren). Gerekend vanaf de herfst van 457 voor Christus brengen 483 jaren ons tot de herfst
van 27 A. D. Volgens de profetie verschijnt dan de Messias. “Messias” is het Hebreeuwse woord voor
gezalfde. De Bijbel vertelt ons “hoe God Hem (Jezus Christus)met de Heilige Geest en met kracht
heeft gezalfd.” Handelingen 10:38. Deze zalving vond plaats bij Zijn doop (Joh. 1:32). Jezus werd
gedoopt in de herfst van 27 A. D., op HET PRECIEZE TIJDSTIP voorzegd in de profetie van Daniel.”
********
445 of 444 voor Christus als start: EXACTE TIJD VOORSPELD,
BOVEN ELKE REDELIJKE TWIJFEL, VOLGENS SOMMIGEN, OF OOK WEER NIET?
Het volgende is een citaat uit ‘The Wonders of Prophecy’, van John Urquhart, Charles C. Cook,
Fifth Edition. “Een woord of twee van uitleg zal het nu volledig duidelijk maken. De 476 jaren van
toepassing brengen op de voorspelling van dit punt (446 jaar vóór de geboorte van onze Heer)
vinden we dat we zijn teruggebracht tot die gebeurtenis en is er meer dan 30 jaar over gelaten. Dat
het jaar 30 AD is opgegeven als dat van het afsnijden van de Heiland in zijn kruisiging. Terwijl
iedereen zal voelen HOE ONGEWOON HET IS – dat het jaar en de betrokken maand, de maand
Nisan - van de dood van onze Heer eeuwen tevoren voorzegd was, kunnen sommige veronderstellen
dat er toch een lichte onnauwkeurigheid was. Er wordt ons verteld (Lucas 3:23) dat Jezus met dit
getuigenis begon toen hij ongeveer 30 jaar oud was. Het jaar 30 AD zou derhalve het jaar zijn
waarin zijn openbaar leven zou beginnen en niet het jaar van zijn kruisiging zijn. DE SCHRIFT IS
ABSOLUUT NAUWKEURIG. Wanneer de scheiding tussen de tijd voor Christus en de tijd na Christus
werd gemaakt, was het jaar 1 na Christus, in werkelijkheid het jaar 5 na Christus. Het jaar 10 in feite
het jaar 14 AD, en het jaar 30 het jaar 34 na Christus. En zo is het jaar 30 na Christus in onze
tijdrekening echt het jaar van onze Heer de dood. De chronologie heeft gedwaald, ER WAS GEEN
FOUT IN DE SCHRIFT; en het offer dat werd aangeboden OP DE AFGESPROKEN TIJD, dat zal
herdacht en gevierd worden tot in de eeuwigheid.”
Op http://www.tribulationperiod.com/ staat een artikel van 30 november, 2007, ‘Daniel’s 70
Weeks of Years Prophetic Wall Uncovered!’ We citeren: “De profetie van 70 jaarweken in Daniël
9:24-27 is misschien wel de MEEST VERBAZINGWEKKENDE PROFETIE IN HET OUDE TESTAMENT.
(...) Al deze dingen maken het moeilijk om te beslissen welke van de vier decreten van toepassing is
op Daniël 9:25. Waren wat Daniël aangeeft, zonnejaren van 365,25 of profetische maanjaren van
360 dagen? WAARSCHIJNLIJK BEDOELDE HIJ JAREN VAN 360 DAGEN.”
Op http://ldolphin.org/70weeks.html er is een artikel uit NW Hutchings, ‘Seventy Prophetic
Weeks of Daniel.’ We citeren: “Door de overgrote meerderheid van de Bijbelse autoriteiten is het
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 104
aangenomen dat Christus gekruisigd werd op de leeftijd van 33 1 / 2 jaar. Daarom vond deze plaats
in n.Chr 34. Er is ontdekt en dat is op grote schaal gemeld in duizenden betrouwbare publicaties, dat
er een fout van 4 jaar werd gemaakt door de Romeinen bij het opzetten van hun kalender, dezelfde
kalender die we nu nog gebruiken. Dit was een plus factor, daarom hebben wij aan de 34 jaar, 4 jaar
toe gevoegd. Vervolgens hebben 483 jaar van de 69 weken afgetrokken, de som van 34 jaar en 4
jaar, en KOMEN WE UIT OP 445 JAAR. Artaxerxes ondertekende toen het decreet om Jeruzalem te
herbouwen in 445 voor Christus, waaruit BOVEN ELKE REDELIJKE TWIJFEL dat Jezus Christus de
Messias van Israël. De Messias moest worden afgesneden in AD 34, en Christus is de enige persoon
die de geschiedenis inging met de bewering dat hij de Beloofde was.”
Van Thomas Ice vonden we op The Seventy Weeks of Daniel’, Part VI, on http://ldolphin.org: “Ik
denk dat ik aangetoond heb in mijn vorig artikel dat het uitgangspunt voor de profetie in Daniël 9:25
het decreet van Artaxerxes (Nehemia 2:5-8,17,18) is om Jeruzalem te herbouwen. In dit artikel hoop
ik aan te tonen dat het decreet werd gegeven aan Nehemia OP 5 MAART, 444 BC (...) Een andere
waarde van de letterlijke benadering komt van Dr Hoehner waar deze profetie een EXACTE TIJD
VOORSPELD waarin de Messias van Israël te voorschijn zou komen in de geschiedenit. “41 En toen
Hij nog dichterbij gekomen was en de stad zag, weende Hij over haar, 42 en zeide: Och, of gij ook op
deze dag verstondt wat tot uw vrede dient; maar thans is het verborgen voor uw ogen. 44 en u
omsingelen en u van alle zijden in het nauw brengen, en zij zullen u en uw kinderen in u vertreden en
zij zullen in u geen steen op de andere laten, omdat gij de tijd niet hebt opgemerkt, dat God naar u
omzag.” (Lucas 19:41-42, 44). Hoe kon Israël kennis hebben van de tijd van hun bezoeking? Van een
letterlijke interpretatie van de profetie van Daniël.”
In tabelvorm ziet het er zo uit BRON: Bijbels-panorama.nl
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 105
John Walvoord publiceerde: ‘EVERY PROPHECY OF THE BIBLE’, Chariot Victor Publishing, 1999.
Pagina's 248-259 hebben met 'Daniel's Zeventig weken' te maken heeft: “Geleerden verschillen van
mening over de vraag of de precieze datum is de laatste maand van 445 voor Christus of de eerste
maand van 444 voor Christus. Hoewel wetenschappers blijven verschillen over het onderwerp is de
meest plausibele verklaring de 444 v.Chr. datum, omdat DEZE PRECIES WERKT met de vervulling
van de profetie en ook samen valt met de werkelijke wederopbouw van de stad. Deze interpretatie
biedt de meest letterlijke uitleg zonder daarbij een aantal van de specifieke kenmerken van de
profetie.”
Op http://home.insightbb.com/~callihan/24Jul05Sermon%20Daniel.htm vonden we van John
E. Callihan, ‘Daniel 9:20-27, Seventy Sevens’, versie van 24 July 05 en de man zegt er dit: “Hoe
geweldig is het dat wanneer we HET MEEST WAARSCHIJNLIJKE DECREET kiezen en gebruik maken
van het maanjaar (soms ook wel profetische jaar genoemd), en de 69 zevens tellen, we ongeveer
belanden bij het tijdstip van de kruisiging.” Hij kiest 445 of 444 als de start van de vervulling van
Daniël 9.
Norbert Lieth, schreef over Daniël 9 de brochure: ‘Profetie - kort en krachtig De 70 jaarweken
van Daniël Een bewijs voor de waarheid van de Bijbel’ Het verscheen bij Middernachtsroep waar
men er volgende reklame over maakt. “De openbaring van de 70 jaarweken in Daniël 9 is een van de
sterkste bewijzen om te laten zien hoe nauwkeurig Gods Woord in vervulling gaat. Heel precies
wordt daarin het verloop van de heilsgeschiedenis, het lot van Israel, de komst van de Messias en het
handelen van God met de naties voorzegd. De exacte overeenstemming van reeds plaatsgevonden
gebeurtenissen met de profetieën van Daniël 9 IS ADEMBENEMEND. Wat de levende God in
gecomprimeerde vorm door de profeet Daniël openbaart, is een bemoediging voor elke christen en
moet iedere scepticus aan het denken zetten.”
We citeren van http://www.allabouttruth.org/dutch/bijbelse-profetie.htm in het artikel Bijbelse
Profetie - Goddelijk Geïnspireerd: “De profetie stelt: 69 weken van jaren (69 x 7 = 483 jaar) zouden
voorbijgaan tussen de verordening om Jeruzalem te herbouwen en de komst van de Messias. Dit is
volgens de Babylonische kalender die 360 dagen telt, omdat het boek Daniël in Babylon werd
geschreven tijdens het Joodse gevangenschap na de val van Jeruzalem. Dus, 483 jaren x 360 dagen =
173,880 dagen. Volgens de verslagen die door Sir Henry Creswicke Rawlinson in het Shushan (Susa)
Paleis werden gevonden, en die door Nehemia 2:1 worden bevestigd, werd DEZE VERORDENING OP
14 MAART, 445 VOOR CHRISTUS, uitgevaardigd door Artaxerxes Longimanus. PRECIES 173,880
dagen later, op 6 April, 32 na Christus, rijdt Jezus op een ezel Jeruzalem binnen (hiermee de profetie
in Zacharia 9:9 vervullend).”
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 106
Op http://www.windmillministries.org/frames/NL-CH24-8A.htm staat een artikel:
‘Bewijsstuk #13: Daniel’s “zeventig weken”’ We citeren uit het bijna slot: “Voor de
volledigheid volgen hieronder nog paar opmerkingen over deze analyse om in
overweging te nemen:

De exacte dag in het jaar dat de profetie van start ging is niet bekend. We
weten alleen dat dit de Joodse maand Nisan was. De berekende datum van 6
maart, 444 BC lijkt met de gegeven informatie overeen te komen. (…)
Analyse van de profetie:

Zelfs de meest extreem voorgestelde late datering van Daniël, van de tweede
eeuw BC, gecombineerd met het bewijs van de Dode Zeerollen en de
Septuagint, leidt nog steeds tot de conclusie dat deze profetie eeuwen voor
haar vervulling was geschreven.

HET IS EXPLICIET EN GEDETAILLEERD. Het specificeert een startpunt, een
tijdsperiode en de voorspelde gebeurtenis zelf.”
APPENDIX I: Enkele wiskundige problemen in de leer dat 1 profetisch jaar = 360 dagen.
Anderson, een onderzoeker bij Scotland Yard, heeft met
behulp van een leer van 360-dagen per jaar, berekent dat er
173.880 dagen van het decreet zijn om de stad Jeruzalem te
herstellen tot op de triomfantelijke intocht van Jezus in de stad. Dit
is wat Walvoord erover zei: “Het is gebruikelijk dat de Joden
rekenden met twaalf maanden van elk 360 dagen en daarbij af en
toe een dertiende maandaan toegevoegd wanneer het nodig is de
kalender te corrigeren.” Walvoord liegt hier minstens tweemaal in
eenzelfde zin. Zie verder. De dispensationalisten (zoals Clarence
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 107
Larkin, Tim LaHaye, Hall Lindsey, enz.) nemen de start van de profetie van Daniël 9:24-27 vanaf
Nehemiah 2. We geloven dat men hier niet moet starten met de profetie. Ze hebben trouwens
enkele variaties op die berekening, een start in 446 of 445 of 444 v. Chr. Opgepast er bestaat géén
jaar “nul.” Want van 1 voor Chr. tot 1 nà Christrus is slechts één jaar en geen twee zoals wel eens
gedacht wordt. We denken dat men niet vanaf Ezra 7:12-26 mag tellen, zoals men doet onder het
dispensationalisme omdat dit, in onze visie, niet overeenkomt met wat de profetie zegt in Jesaja
44/45. Het bevel tot herstel van JERUZALEM als stad is gegeven door Kores in 538 v. Christus.
Van Dr. Thomas Ice voorvechter van de bedelingenleer verscheen op de site van www.pretrib.org/ ‘The Seventy Weeks of Daniel.’ Hij bespreekt er onder andere de nieuwe stelling van
Harold Hoehner dat Nehemia start in 444 v. Chr. en heeft er enkele hoogdravende woorden: “Dr.
Hoehner heeft een waterdicht bewijs gegeven voor het verstaan van het begin en einde van de
eerste negenenzestigste weken van Daniël. (…) Tot op heden heeft niemand het werk dat Dr.
Hoehner heeft gedaan, degelijk weerlegd. Het is de volle ondersteuning van de letterlijke
interpretatie van de profetie van Daniël en is voor zover de enige aanpak die de cijfers laat
kloppen” (wij onderlijnen en zetten in zwart). Maar dat is niet zo en doet de echte waarheid geweld
aan. Dr. Hoehner is op zijn minst driemaal verkeerd. Zie de slottabel verderop of ga naar het
Internet voor Bob Pickle, ‘An Examination of the Chronological Difficulties of Hoehner and Ice’s
Calculations of Daniel 9’s First 69 Weeks.’ Op http://www.pickle-publishing.com/
Men rekent dus in sommige kringen, vrij recent zo:
“Bij gebruikmaking van de (geaccepteerde) 360 dagen [maand] rekening verkrijgen we dit resultaat.
De vermenigvuldiging van 69 weken X zeven dagen voor elke week geeft een totaal van 173.880
dagen. Het verschil tussen 444 n. Chr. en 33 na Chr. is 476 zonnejaren. Door de vermenigvuldiging
van 476 met de lengte van een ZONNEJAAR, dat is 365,24219879 of 365 dagen, 5 uren, 48 minuten,
45,975 seconden, bekomt men 173.855,28662404 dagen of 173.855 dagen, 6 uren, 52 minuten en
44 seconden. Zodat we nog slechts 25 dagen moeten toevoegen tussen 444 n. Chr. en 33 na Chr.
Wanneer we de 25 dagen van 5 maart (van 444 v. Chr.), rekenen tot 30 maart (van 33 na Chr.), dan is
dat 10 Nissan [van de Joodse kalender] van het jaar 33 na Christus. De dag van de triomfantelijke
tocht van Jezus in Jeruzalem…” (we parafraseren Hoehner).
Dat klopt allemaal natuurlijk niet met de werkelijkheid van 1 jaar = 365 1/4 dagen. Maar ook
360 dagen interpreteren als dagen van een “profetisch” jaar doet de Bijbel NERGENS EN NOOIT.
Door een jaar aan te passen als een profetisch jaar van 360 dagen, zijn 476 gewone jaren gelijk aan
483 profetische jaren. De dispensationalisten hebben hun rekening laten kloppen. Dat kan natuurlijk
slechts indien er werkelijk zoiets bestaat als een profetisch jaar van 360 dagen. Die visie trachten ze
als volgt te bewijzen. Dispensationalisten zeggen dat Mozes een kalender had van 360 dagen in een
jaar van 30 dagen in één maand. Hij zou die gebruikt hebben in het verslag van de zondvloed. De
argumentatie die men gebruikt zijn dan de volgende:
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 108
Genesis 7:11: “In Noachs zeshonderste levensjaar, in de tweede maand op de zeventiende dag der
maand, op die dag braken alle sluizen der grote waterdiepte open en werden de sluizen des
hemels geopend.”
Genesis 7:24: “En de wateren hadden de overhand over de aarde, honderd vijftig dagen lang.”
Genesis 8:3,4: “en de wateren vloeiden gestadig van de aarde weg. Aldus namen de wateren na
verloop van honderd vijftig dagen af. En in de zevende maand, op de zeventiende dag der maand,
bleef de ark vastzitten op het gebergte van Ararat.”
Van de 17de dag van de tweede maand tot de 17de dag van de zevende maand is volgens
deze rekening (van Mozes of van diegenen van wie Mozes het verhaal overschreef) gewoon, 5
maanden = 150 dagen. Daar valt niets op aan te merken. Alleen mogen we niet zeggen dat hier zou
staan dat één maand = 30 dagen. Want dat staat niet in het verslag. Stel dat men toen rekende
met alternatief maanden van 29 dagen en 31 dagen. Ook dan is de som van 5 maanden = 150
dagen. Wat denkt u van deze rekening die de onze is:
Februari = 28 dagen
Maart
= 31 dagen
April
= 30 dagen
Mei
= 31 dagen
Juni
= 30dagen
Juli
= 31 dagen, een mooie optelling van bijna 180 dagen (181 inclusief?), zes maanden in
het totaal of 6 x 30!
Mozes was echter ook geen dommerik: zelfs indien hij rekende met maanden van 30 dagen dan
moet hij om het jaar rond te maken op het einde van die 12 maanden van 30 dagen nog de
ontbrekende dagen invoeren. Want Mozes heeft van God in de Thora een instructie gekregen te
rekenen volgens de maan EN de zon. Dat is wat men gedaan heeft in Egypte honderden jaren lang:
een jaar van 360 dagen rond, maar ze haddan geen feesten die berekend waren op de stand van de
maan, de Joden wel. Bij de Joden heeft zo een jaar van 360 dagen NOOIT bestaan, niet bij Mozes en
niet in de rest van het OT. We gaan nu nog een stap verder. Er staat niet dat daarom in die tijd één
jaar gelijk is aan 360 dagen. En er staat ook niet dat daarom één profetisch jaar = 360 dagen. Dat
zijn twee conclusies die voortijdig en zonder énige dwingende reden door de leerlingen van het
dispensationalisme gemaakt worden. Wanneer we schrift-met-schrift vergelijken dan is er nog een
tekst dwingend aan de orde. Dit staat in Handelingen 7:22: “En Mozes werd onderwezen in alle
wijsheid der Egyptenaren en was machtig in zijn woorden en werken.”
In de astronomische rekeningen van de Egyptenaren duurde één jaar 365 1/4 dagen lang en
niet 360 dagen lang. Egyptenaren hebben een tijd de rekening gehad van 360 dagen maar dat was
niet de werkelijke kalender maar een berekening vanuit een religieuze overweging. Wat men wel
had, waarschijnlijk om praktische redenen; is dat één jaar bestond uit 12 x 30 dagen plus 5
supplementaire dagen. En dat 1/4 dagen schoof gewoon op. Mozes opgevoed als een prins der
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 109
Egyptenaren moet dat geweten hebben. Maar dat is niet de BIJBELKALENDER. Hij zal in Genesis dus
niet zomaar over profetische jaren gesproken hebben van 360 dagen. Dat gedeelte heeft niets met
profetie te maken heeft. De vloed was de vervulling van een profetie. Want het verhaal van de vloed
begint wanneer God aan Noach laat weten dat er 120 jaar later een vloed komt om de
goddeloosheid van de aarde te vegen. Dát is een profetie. En indien er zoiets bestaat als een
profetisch jaar dan moet het hier gerekend worden; 120 x 360. Maar al dezen die zo een jaar willen
aannemen rekenen voor deze profetie van 120 jaar niet volgens de kalender van 360 dagen per jaar.
Ik ken er geen enkele. Dat wil zeggen dat men het niet toepast waar het hoort en gebruikt waar er
geen profetie aan te pas komt. Begrijpt u het? Ik niet! Dit staat er in de Bijbel over die vloedperiode:
DATUM
vanaf
de
ouderdom van Noah
Jaar 480.
Jaar 600: 10de
van de 2de maand.
GEBEURTENIS
BRONTEKST
God gebied Noah een ark te bouwen, om later
dieren in te verzamelen.
Noah moet de ark vullen met dieren. De vloed zal
beginnen in 7 dagen.
Jaar 600: 17de van Waterdiepten gaan open. De regens beginnen te
de 2de maand.
stromen. Ze vallen voor veertig dagen en veertig
nachten.
Jaar 600: 27st van de
3de maand.
De regen stopt.
ark komt tot rust op de bergen van Ararat en de
wateren beginnen te zakken.
Jaar 600: 1st van de De wateren trekken terug tot deze datum. Toppen
10de maand.
der bergen worden zichtbaar.
Jaar 600: 11de van Noach zend een raaf uit en blijft nog 40 dagen in
de 11de maand.
Jaar 600: 18de van
de 11de maand.
de ark.
Noach zend een duif uit die terugkeert.
Noach zend opnieuw de duif uit die terugkeert
de 11de maand.
met een tak in de bek.
12de maand.
Jaar 601: 1st van de
1st maand.
niet
terugkeert.
De aarde is bijna gedroogd. Noah opent de ark.
Jaar 601: 27st van de De aarde is droog en men verlaat de ark.
Genesis
7:4
en
10,11.
Genesis 7:24
8:3,4.
Genesis 8:5.
Genesis 8:6,7.
Genesis 8:8,9.
Jaar 600: 25st van
Jaar 600: 2st van Noach zend een derde maal de duif uit die
Genesis 7:4.
Genesis 7:12.
Jaar 600: 17de van De aarde staat onder water voor 150 dagen. De
de 7demaand.
Genesis 6:14-21.
Genesis 8:10,11.
Genesis 8:12.
Genesis 8:13.
Genesis 8:14-19.
en
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 110
2de maand.
De profeten Daniël, Ezra, en Nehemiah leefden allen in de periode van het Babylonisch en
Medo-Perzisch rijk. De kalenders die men dan gebruikte zijn gekend als de lunisolare rekening. Één
jaar bestond er uit 12 of 13 perioden van 29-dagen of 30-dagen, maanden genoemd. Men moest zo
wel rekenen omdat men keek naar de stand van de maan en de zon om de kalender te rekenen. En
gezien de maan 29 ½ dag nodig heeft om rond de aarde te draaien en op hetzelfde punt terug te
keren, moet men nu eens 29 en een ander maal 30 dagen rekenen. Maar dat is niet alles. Men heeft
dan slechts 354 dagen per jaar wanneer men 12 maanden rekent. Rekent men er één maand meer
bij (dus 13 per jaar) dan klopt het niet, want dan zit men vlug aan één volle maan teveel over een
periode van 3 jaar. Men had dan het systeem bedacht om over een periode van 19 jaar zeven maal
een dertiende maand in te voeren. En dan klopt alles ongeveer op enkele minuten na, de
omwentelingen van de aarde rond de zon en deze van de maan rond de aarde lopen dan ongeveer
gelijk of synchroon. Deze manier van maand-jaar berekening gebruiken de Joden nu nog.
De stelling waarvan we dan moeten uitgaan is deze: er is geen enkele reden om een
profetisch jaar van 360 dagen aan te houden. Dat bestaat niet dan slechts in de verbeelding van
enkelen. Men staat niet meer op de vaste grond. En daar een theologisch bouwwerk op bouwen is
ondoordacht. In ‘The Cambridge History of Iran’ Volume 2, The Median and Achaemenian Periods,
(Edited by Ilya Gershevitch, Cambridge, MA, USA: Cambridge University Press, 1985, blz.750 staat
het volgende: “Er is geen reden aan te nemen dat er iets is als een ”rond jaar” van 360 dagen (…)
niet in de Perzische mythologische lijst van regeerders of ergens anders in Iran. Het is een geleerde
constructie, zonder historische gronden, maar niettemin wijdverspreid ook onder recente historici.”
Archeoloog Cyrus Gordon zegt in ‘Opgravingen in Bijbelse grond’: “Ook het Egyptische zonnejaar van
365 dagen heeft ons bereikt, zij het dan met Juliaanse en Gregoriaanse verbeteringen. Met het
zonnejaar hebben we ook de maand van Egyptenaren geërfd, onafhankelijk van de fasen van de
maan. Bovendien komt onze dagindeling in vierentwintig uur, zoals zovele westerse
beschavingsvormen uit het land van de Farao’s ” (Het Spectrum, Aulapocket n°553, 1960, blz.12.)
Berekening van Sir Robert Anderson
Sir Robert Anderson, geeft in The Coming Prince (Kregel, 1957, 10de uitgave), blz.128 de volgende
data :
START
14 maart 445 voor Chr. (1 Nissan)
EINDE
6 april 32 na Chr. (10 Nissan)
476 jaren x 365 dagen (per jaar) = 173.740 dagen
173.740 dagen
116 dagen (schrikkeljaren)
24 dagen (14 maart tot 6 april, inclusief) =173.880 dagen
----------------
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 111
173.880 dagen
÷
360 dagen (voor een “profetisch” jaar)
--------------483 jaren (of 360-dagen lengte)
In deze rekening moet men van één en ander uitgaan waar geen echte zekerheid over
bestaat. Spreekt Nehemiah 2:1 over een gebeurtenis die op de eerste Nisan plaats vond? Gewoon
elke dag van de maand zou passen in dit verhaal zonder iets uit de tekst tegen te spreken! Dus
opgepast met dit axioma! Wanneer iets zeer belangrijk is moeten we ervan uitgaan dat de Bijbel ons
dat ook weet te vertellen. In Nehemiah 8:2 wordt dan iets gemeld op de eerste dag van de zevende
maand. Waarom? Omdat de Schrift die informatie belangrijk acht. Dan moeten we ook vanuit
Neh.2:1 besluiten dat de dag van de gebeurtenis niet belangrijk is; de profetie komt niet in het
geding indien de start ervan enkele dagen later zou zijn. Het gaat niet om het rekenen van de dagen,
maar van de jaren! Daar gaat het dispensationalisme in de fout wat betreft het begin van de
periode. Want de 173.880 dagen zijn hier als een “wettekst” in het systeem ingebakken.
En er is nog wat anders waarover onzekerheid bestaat. Sir Robert Anderson telt van 14 maart
tot 6 april geen 23 dagen maar 24. Hij rekent beide dagen inclusief. Laat ons een beetje
mathematisch te werk gaan. Indien we zeggen: we zullen elkaar morgen over deze zaak verder zien
dan bedoelen we één dag later en geen twee. Stel het is vandaag zondag en u spreekt af: ik zie je
daarover volgende week, dan bedoelen we zeven dagen later en niet acht dagen later. Jaren,
maanden en dagen worden niet inclusief opgeteld. Bijvoorbeeld 1 Nisan van het jaar 5 tot 1 Nisan
van het jaar 10 is niet = 6 jaren maar in werkelijkheid 5 jaren. Het is de onderliggende
(tussenliggende) periode die men moet optellen. (Sommige dingen zijn natuurlijk afhankelijk van
het taalgebruik want in het Frans in “une quizaine” = letterlijk 15 dagen, maar het is in werkelijkheid
slechts 14 dagen.)
Dit maakt de berekening van Anderson totaal onmogelijk als interpretatie; Christus sterft
nadat de 69ste week is gestopt (op Palmzondag) maar die dood valt niet zelf in de 70 ste week. David
Guzik, is één van de schrijvers die een groot aandeel hebben in de Blue Letter Bible. Hij schreef ook
een ‘Study Guide for Daniel 9’: “Niemand vandaag is in staat dogmatisch te verklaren dat Sir
Robert Anderson’s berekeningen ONMOGELIJK zijn.” Dit is een citaat van Walvoord, dat we
tevergeefs hebben trachten terug te vinden, maar we hebben ook maar 4 boeken van deze man. Als
het waar is wat Guzik schrijft en ik heb geen reden eraan te twijfelen, dan het merendeel van dezen
die in de dispensatieleer geloven fout. De meesten onder hen hebben namelijk ondertussen een
andere uitleg dan wat Anderson beweerde.
Berekening van Sir Robert Anderson AANGEPASTE VERSIE (die ook fout is)
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 112
Er zijn in de berekeningen van R. Anderson slechts enkele varianten aan te brengen en het
systeem klopt nog minder dan wat hij beweert. Veronderstel dat Nehemiah de brieven op 7 Nisan
krijgt dus slechts één week later dan wat R. Anderson zegt. Dan moeten we één week later starten
na 14 Nisan: namelijk 20 Nisan. Zodat er dan ook minder dagen zijn in het jaar 32 na Chr. tussen 20
maart en 6 april.
START 20 maart 445 voor Chr. (7 Nisan)
EINDE 6 april 32 na Chr. (10 Nisan)
476 jaren
x
365 dagen (per jaar) = 173.740 dagen
173.740 dagen
116 dagen (schrikkeljaren)
+ 17 dagen (20 maart tot 6 april) = 173.873 dagen
--------------173.864 dagen
-
360 dagen (per “profetisch” jaar)
--------------482 jaren (of 360-dagen lengte)
(plus 353 dagen)
Volgens deze telling is de laatste dag van de 69st week 17 Nisan, de dag van de opstanding
van Christus. Nu zegt de profetie van Daniël dat de Messias afgesneden wordt NA de 69ste week.
Wat we hier voorstellen klopt dus ook niet met de voorzegging. Dat wil ook zeggen dat deze van
Anderson in zijn geheel niet klopt. Slechts indien we zeggen dat de aanvang van de voorspelling
begint VÓÓR 5 NISAN kan de profetie juist zijn. Natuurlijk dan nog steeds gerekend met de
verkeerde visie dat één profetisch jaar = 360 dagen.
De visie van R. Anderson is dus verkeerd omwille van de volgende punten:
1°) De begindatum in Nisan is verkeerd.
2°) Een jaarkalenderrekening van 360 dagen bestaat niet.
3°) De einddatum is dus ook verkeerd.
4°) De inclusieve telling die hij gebruikt, is verkeerd.
5°) Christus sterft in de periode die de breuk is tussen week 69 en 70.
Berekening van Gavin Finley volgeling van R. Anderson, AANGEPASTE VERSIE (ook fout)
Op http://endtimepilgrim.org/ staan een reeks artikelen van Gavin Finley MD, over ‘THE 70
WEEKS OF DANIEL’ (130 bladzijden A4, we citeren enkele zaken, soms zonder vertaling). Daar dienen
we wat over te zeggen. De schrijver is de belangrijkste verdediger van de berekeningen van Sir
Robert Anderson die we kennen. Het is een leerling van deze gewezen inspecteur van Scotland Yard,
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 113
maar gaat ook nog verder dan hem. Volgens Finley is Anderson slechts een twee- of drietal dagen
mis in zijn berekeningen. Dit is één van zijn conclusies: “All this notwithstanding, Sir Robert
ANDERSON'S REMARKABLY ACCURATE AND FAITHFUL WORK, perhaps set back in time by no more
than 2-3 days is recorded in his book, now available online, "The Coming Prince". IT IS A LANDMARK
PIECE OF SCHOLARSHIP still being published today long after the first edition came out in 1894. His
book should put to rest any historicist or preterist notions that 70 weeks or 69.5 weeks have already
been completed” (wij onderlijnen en onze hoofdletters). Robert Anderson (later ‘Sir’) schreef in
1877 een brief naar informatie over maanstanden in de tijd van Nehemia aan de Astronomer Royal
of Greenwich Observatory. Dit was het antwoord:
“ROYAL OBSERVATORY, GREENWICH.”
June 26th, I877.
“SIR,
– I have had the moon's place calculated from Largeteau's Tables in Additions to the Connaisance
des Tems 1846, by one of my assistants, and have no doubt of its correctness. The place being
calculated for – 444, March 12d. 20h., French reckoning, or March 12d. 8h. P. M., it appears that the
said time was short of New Moon by about 8h. 47m., and therefore the New Moon occurred at 4h.
47m. A. M., March 13th, Paris time.”
I am, etc.,
“ (Signed,) G. B. AIRY.”
(Opgepast in wat volgt: in de Engelse taal is een komma = een punt voor ons en is punt = komma.)
Gavin Finley rekent als volgt:
“Let us not immediately assume that these 'years' are earthly years of 365.2422 days. This is where
many have gone wrong in their calculations of the 70 weeks of Daniel. Remember that these
'seventy weeks (sevens) of years' are issued to us from the throne of God.”
Dit moet het volgens hem zijn:
Het eerste deel van de 70 weken omvat 7 + 62 = 69 weken (heptaden).
Je moet het rekenen als 69 “zevens” of Bijbelse jaren.
Die 69 weken tijdspanne = 69 x 7 = 483 Bijbelse jaren.
483 Bijbelse jaren = 483 x 360 dagen = 173.880 dagen.
“This is the all important time span. Our task now is to insert this time segment between two
auspicious dates in holy history.” Hij laat het inpassen in zijn schema als volgt: “As we trace out the
first 69 of the 70 weeks through time we see that the time span began very early in the month of
Nisan in the 20th year of Artaxerxes Longinus. (Nehemiah 2) This was the spring of 445 B.C. We
know that it was soon after the new moon of Nisan because 173,880 days is 5,888 moons plus 8
days. Going back 8 days from Nisan 10, (Palm Sunday) we get Nisan 2, (Sir Robert Anderson said it
was Nisan 1 but this difference is of little consequence)” (wij onderstrepen). Wij zeggen: het bouwen
van de muur (muren) in Nehemia is NIET DE SLEUTEL om de profetie te begrijpen. De sleutel is dat
Kores de toelating geeft om naar Juda terug te keren en een nieuwe tempel te bouwen. Jesaja
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 114
hoofdstukken 44 en 45 zijn véél belangrijker dan Nehemia 2.
Toch blijft Finley beweren: “As we have determined above, the 69 weeks is a timespan of
173,880 days inclusive. This is 173,879 days for the difference between the first and last days of the
173,880 days. The true solar year astronomically is 365.242199 or 365.2422 days. How many years
then is in this interval of 69 "weeks"/sevens/173,879 days? Let us pull out our calculators and see.
173,879 days divided by 365.2422 days
= 476.0649 years.
So the 69 weeks/sevens = 476 years plus a small fraction of a year.
That small fraction is 0.06492 of a year.
0.06492 x 365.2422 days per year = 23.7 days or 24 days.”
“And when is our finishing day? As we shall see the 173,880 day time line comes to its terminus on a
very auspicious day in the Passover month of Nisan in 32 A.D., specifically Nisan 10 of that year. As
we shall discover, it was 5,888 moons and 8 days later.” (…)
“Having established a well fixed terminus for the 173,880 days let us remember that this April 9 Palm
Sunday date is 24 days further down the solar year than the day of Nehemiah's edict 476 years and
24 days before. So if we back up 24 days from April 9 we shall get to our Gregorian calendar date in
which Nehemiah went before the king and made his appeal to rebuild Jerusalem. April 9 minus 24
days = March 16 of 445 B.C.
The question we must ask ourselves now is what date on the Hebrew calendar is March 16? Well
again we shall need to determine when the new moon for Nisan 445 B.C. came through. Sir Robert
Anderson's own data from the Astronomer Royal of Greenwich gives us a new moon time of 0709
hrs. or 7:09 a.m. on March 13. Nehemiah was at Susa in Persia and 700 miles to the east. This would
give a new moon time for Susa about 45 minutes earlier than this Jerusalem time. Would
the new moon have been seen the following morning when it was 24 hours old? It may well have
been. Sir Robert Anderson tagged this March 14 date as Nisan 1. But it might well have been
reckoned as Nisan 2. Again, this is not a big issue. A forty-eight hour window after a passage of 476
years is exceedingly good accuracy!” (wij onderstrepen). Onthouden dus, dat Anderson, exinspecteur van Scotland Yard, wel eens twee dagen mis zou kunnen zijn. Maar dan moeten we ook
de SUPERLATIEVEN WEG-LATEN, DAT ALLES TOT OP DE DAG NAUWKEURIG KLOPT IN DANIEL 9:2427. Volgens Anderson’s cijfers natuurlijk, want de profetie klopt om gans andere redenen niet. Men
moet zich niet achter zijn beroep verschuilen en beweren, zoals men ook nu nog doet, dat hij alles
nauwkeurig heeft onderzocht zoals een dedective het zou gedaan hebben en tot die verbluffende
oplossing kwam.
Zoals zoveel kalenders uit vroegere tijd was die van de Joden gebaseerd op de standen van
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 115
de maan. Zodat iedereen die het geleerd was, aan de stand van de maan (des nachts) je kon
vertellen welke dag van de maand het ongeveer was. Een geoefend oog kon dat met een zekere
nauwkeurigeheid zeggen. Maar het grootste probleem was het vaststellen van de eerste dag van die
nieuwe maanmaand. Bij slecht weer kon je het niet en wie geen echte telling gevolgd had van de
vorige maanmaanden (die allen 29,5 dagen duurden) was één of twee dagen mis. Normaal was de
nieuwe maan slechts 24 uur nadien echt zichtbaar. Op de Islamietische website moonsighting.com/
kan je er veel over te weten komen. Die rekenen namelijk liturgisch met dat soort maandagen, maar
passen alles aan de wereldse kalender aan voor het gewone leven.
Hieronder een ander argument en illustratie van Finley. Dit is nog niets vergeleken bij de
twee verschillen tussen Gavin Finley en Robert Anderson’s berekeningen.
BIBLICAL TIME
AND THE
SEVENTY WEEKS
OF DANIEL
360 DEGREES TO
A SIÈCLE,
AND 360 DAYS TO
A YEAR.
12 SECTORS OF 30
DEGREES,
AND 12 MONTHS
OF 30 DAYS.
THE
SOLAR
CYCLES
AND
LUNAR CYCLES IN
THE
MATHEMATICAL
AND GEOMETRIC
PERFECTION
OF
GOD.
Gavin Finley komt met een kalender aanzetten van 360 dagen = Gods superkalender. (Finley
is niet de énige die met zo een superkalender werkt maar ook bijvoorbeeld de leiders van
www.360calendar.com) Dit lezen we bij G. Finley:
“In Genesis we are told that the flood of Noah began on the 17th day of the 2nd month. -Gen.7:11)
On that day the "fountains of the deep were broken up and the windows of heaven were opened".
Exactly five months later on the 17th day of the 7th month "the floodwaters receded and the ark
came to rest on Mount Ararat". This five month span of time is stated twice in Genesis to be 150
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 116
days. -Gen.7:24 and 8:3)
150 divided by 5 = 30 days.
This is a bit different from what we see in our damaged solar system today. Five of our present
months/lunar cycles would be 5 x 29.530 = 147.5 days. But the Genesis account records a span of
precisely 150 days. So we must conclude that edicts coming to us from the throne of God up in the
third heaven regarding time involve perfect months containing 30.0000000000 days each.” Wanneer
Finley gaat schrijven over het jaar van 365,2422 dagen gebruikt hij; éénmaal de uitdrukking
“damaged and imperfect cosmos” en tweemaal “damaged cosmos.” En daarbij heeft hij in zijn
artikelen met regelmaat een tabel die ons dat moet duidelijk maken. Met de vloed is de dagindeling
van de aarde rond de zon veranderd van 360 dagen naar 365,2422 dagen. Dit is zijn besluit: “This is
a bit different from what we see in our damaged solar system today. Five of our present
months/lunar cycles would be 5 x 29.530 = 147.5 days. But the Genesis account records a span of
precisely 150 days. So we must conclude that edicts coming to us from the throne of God up in the
third heaven regarding time involve perfect months containing 30.0000000000 days each.”
Hier een andere tabel van Finley, die op die manier zijn zaak wil halen tegenover Anderson en
Dr. Harold Hoehner.
Het is waarschijnlijk bij een eerste oogopslag voor velen niet duidelijk wat het verschil is. Het
is dit: Finley is er van uitgegaan dat het jaar waar Nehemia toelating krijgt van Artaxerxes om naar
Jeruzalem te gaan er één was van 13 MAANDEN. Wetenschappelijke term hiervoor: een
embolysmaal jaar. U merkt op de tekening dat er 3 varianten zijn;
1°) Gavin Finley
2°) Robert Anderson
3°) Harold Hoehner (hierover later meer)
In wat volgt gebruiken we enkele malen een term uit de astronomie “embolistisch” en heeft
deze betekenis: “Embolistisch betekent ‘er tussen gevoegd.’ Een embolistische maand is een extra
maand die alleen in sommige jaren aan een kalender wordt toegevoegd, meestal om een
maankalender in de pas te laten lopen met het tropische jaar. Een embolistische dag heet ook wel
schrikkeldag.” http://www.astro.uu.nl/~strous/AA/nl/woordenboek.html
En de betekenis van een ander begrip dat we nog enkele malen tegenkomen, “equinox”: van
http://www.astro.uu.nl/~strous/AA/nl/woordenboek.html#E
“De equinox is
het tijdstip waarop de Zon de hemelevenaar oversteekt. Dit wordt ook wel de nachtevening
genoemd. Rond zo'n tijd zijn de dag en nacht overal op Aarde bijna even lang. Het begin van de
(astronomische) seizoenen van lente en herfst worden door een equinox aangegeven (waar die
seizoenen relevant zijn).”
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 117
Dit is een gedeelte van het commentaar van Gavin Finley bij de illustratie. Wij wijzen erop
dat dit niet onze visie is, maar het bewijst dat de argumentatie tussen de aanhangers van Nehemia
als het startsein van de 69 weken niet verschoond is van harde onderlinge kritiek. Dit zegt Finley:
“In de tabel zien we dat de periode van 173.880 dagen in onze tijdsberekening bijna een maand
langer duurt van de 476 jaar, gerekend van equinox tot equinox. Dat is een lange tijdsperiode en het
moet beginnen in de maand van Pasen, de maand nisan in de dagen van Nehemia en eindigend in
de maand nisan van het jaar van de kruisiging. Men ziet dat slechts in het geval van een late Pasen
van de kruisiging zoals in een embolistisch-jaar (een jaar met een extra dertiende maand “Adar”),
deze extra lengte kan opleveren.
Dit zijn de feiten in dat verband. Slechts het jaar 32 na Christus past in dit plaatje. Elke andere
berekening eindigende in 30, 31, 33 of 34 na Christus is foutief. Zowel de periode eindigend in 31 en
33 na Christus komen te vroeg in die jaren om de 173.880 dagen vol te maken. En deze tijdslijnen
beginnen werkelijk ook in een embolistisch-jaar. Men start dus te laat. De tussentijd van de éne
nisan naar de andere is in werkelijkheid te kort. In het totaal is die tijdspanne te kort voor het aantal
dagen van de 69 jaarweken. Elke periode, anders dan deze van 32 na Christus, kan geen 173.880
dagen volmaken door de 25 dagen extra van die 476 jaren te vullen.
We zien dat de tijdspanne #2, beginnend in het jaar 445 v. Chr. en eindigend in 32 na Christus alles
laat kloppen. Dat is de tijdspanne voorgesteld door Sir Robert Anderson in zijn klassiek werk, ‘The
coming Prince.’ Slechts deze tijdslijn kan een verbinding maken tussen de twee maanstanden van de
maand nisan, de nisan beginnend bij Nehemia en het einde met de nisanmaand van de kruisiging
van de Heer en Pasen.
Bekijk eens de details. Een waarachtige en correcte tijdspanne van de 69 weken van Daniël moet
goed uitgelegd worden. De 69 weken (of zevenen) zijn 69 x 360 = 173.880 dagen. De tijdspanne van
173.880 dagen moet de overbrugging zijn van de nisanmaand van Nehemia hoofstuk twee en de
nisanmaand rond Palmzonsdag van de paastijd in het jaar van de kruisiging. Dat is deze tijd:
173.880 dagen of 476 jaar plus een extra aan 25 dagen. Deze extra 25 dagen maken het een
moeilijke taak. We moeten de lange lijn van nisan van “punt A” naar de nisan van “punt B” doorgaan
en slechts een late Pasen (en late nisan) lost dat allemaal. Je kunt dat zien in het diagram voor het
jaar 32 na Christus, daar heb je zo een late Pasen op weergegeven. Dat was een embolistisch-jaar
met een extra maand “Adar.” Dat krijg je in een regelmaat van 7 maal over een periode van 19 jaren.
En de nisan van het jaar 32 na Christus is zo een jaar. Daarom klopt alles hier exact. Alleen wanneer
de terminus van de 173.880 dagen eindigen in 32 na Chr., zullen de 173.880 dagen passen in een
kader tussen twee nisanmaaanden en 476 jaar omvatten.
En de reden waarom het einde in 32 na Christus valt is ook eenvoudig, 32 na Christus is namelijk een
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 118
embolistisch-jaar. De twee of drie jaar voordien waren dat niet. In 32na Christus kwam de maand
nisan dus aan de late kant zodat er extra dagen waren om in te voegen.
Zowel het begin van de periode als het slot ervan moet in een nisanmaand vallen. De Heilige Schrift
is daar zeer duidelijk in, het is een absoluutheid en verplichting om de 69 weken, of de 173.880
dagen nauwkeurig te laten passen (…) Wanneer we de tijdslijn afgaan van 25 dagen en 476 jaren
dan is er een verbinding van paasgebeurtenissen, en Palmzondag moet in een late nisan vallen. Het
moet zondermeer een embolistisch jaar zijn.
Was er in 32 na Christus een extra maand “adar” en was daardoor de vroege maand nisan
verschoven naar een latere tijd? Was 32 na Christus een embolistisch jaar? Ja, zondermeer!”
Dus straffe taal van Finley: “One year = 360 days = 12 months.
And each month is a time period of precisely 30 days.
The biblical or prophetic year is made up of twelve 30 day months.
So the biblical year does not match our present cosmos. It is not 365 days, 5 hours, 48 minutes and
45.51 seconds. It is not 365.2422 days.
It is precisely 360 days.
This matches perfectly the 360 degrees of a circle” (wij onderstrepen).
Berekening van Gavin Finley, volgeling van R. Anderson CONTRA Dr. Harold Hoehner
Dr. Harold Hoehner heeft volgens Gavin Finley een fout van één jaar in zijn berekeningen en
die aantekeningen zijn interresant genoeg om te vertalen. Vergeet het niet; wie niet de leer van
Anderson volgt, is meestal leerling van deze man. Dit zegt Gavin Finley als kritiek op H. Hoehner:
“Laat ons nu gaan kijken naar de derde oplossing, deze van Dr. Harold Hoehner.
Hij stelt voor dat de 173.880 dagen in hun tijdslijn eindigen in Nisan van het jaar 33 na Christus.
Maar zoals u kunt merken in de grafische voorstelling was het jaar na Christus géén embolistisch
jaar. Wanneer de tijdspanne doorlopen wordt zal ze eindigen in het jaar 33 na Christus, met een
vroege nisanmaan. Bovendien, terugrekenend naar het begin van de 476 jaren en 25 dagen kom je
in 444 v. Christus terecht in een vroege lente, dan ben je 15 dagen verkeerd, 15 dagen vóór de lente
equinox. Die maan zou te vroeg zijn om als een nisanmaand gebruikt te kunnen worden. Je zit in
werkelijkheid in de twaalfde maand, de maand “adar.”
Wat zien we in de bovenstaande diagramvoorstelling, de nieuwe maan van die bepaalde maand zou
in de vroege uren vallen van 2 maart. De volle maan zou 14 dagen later vallen op 16 maart. Deze
lentemaand zou zijn volheid bereiken op 16 maart en zou 5 dagen vroeger zijn dan de werkelijke
lente-equinox (punt 'E' en dat is 21 maart). Een fout van dien aard geeft aan dat deze maand in dat
jaar geen kandidaat kan zijn voor de maand nisan. Er zou een deriende maand moeten aan zijn
toegevoegd en een embolistiche maand zijn. Een kalenderjaar met een tweede “adarmaand.”
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 119
Ons besluit is dan, dat Professor Hoehner gefaald heeft om de werkelijke verbinding te leggen tussen
de maand nisan uit de tijd van Nehemia en de 173.880 dagen. Nehemia zou op geen enkele wijze de
tweede maand, de maand “nisan” genoemd hebben, maar zondermeer “adar.” Een Rabbijn of elke
goede onderzoeker zou in het verband van de maan tegenover de lenteequinox, geen fout hebben
gemaakt van zo een groot kaliber.”
Trouwens er is nog wat anders. De Bijbel is geschreven onder toezicht van de Heilige Geest. De
Heilige Geest maakt géén fouten. Het is onmogelijk dat de Heilige Geest zo een fout zou maken in
het bepalen van een Hebreeuwse kalendertijd. Zowel de Schriften als de astronomische gegevens
hebben gesproken. De tijdslijn tussen 444 v. Chr. 33 na Christus van de 69 weken van Daniël is te
kort. De feiten die we hebben uit de Schrift en de astronomische gegevens over de standen van de
zon en de maan in de hemel komen niet overeen met de uitleg van Hoehner.
Dit hebben we gezien, 444 v. Chr. kan niet de start zijn van Nehemia die naar de koning gaat. En 33
na Chr. was niet het jaar waar we de passie van Jezus moeten zetten. Deze tijdspanne geeft géén
nisanmaanden in de betrokken jaren. Dat alles is één jaar te laat en slechts de tijdslijn tussen 445 v.
Chr en 32 na Chr. komt overeen met alle feiten. Er zijn nog andere schriftuurlijke gegevens die hier bij
aansluiten. Er is in de geschiedenis genoeg bewijs voor het 20ste jaar van Artaxerxes Longinus uit
Nehemia 2 als 445 v. Chr.”
Het is duidelijk: men moet rekening houden met die embolistische-jaren. Want wat we ook
mogen beweren, de kalender moet steeds aangepast worden aan de werkelijkheid. De reden
daartoe is zeer eenvoudig. Joden hebben jaarlijks meerdere feesten en op die feesten moeten offers
gebracht worden van producten uit de landbouw. Je kunt niet doen zoals men het heeft geregeld in
de Islam waar met een maankalender gerekend wordt van 354 dagen en waar de ramadanmaand
gewoon mag opschuiven. Dat kan niet onder de Joodse wet. Men heeft dus de volgende vorm van
aanpassing gevonden: in een periode van 19 jaar moet zevenmaal een DERTIENDE MAAND
TOEGEVOEGD WORDEN AAN DE KALENDER. Op die wijze heeft een maanjaarkalender dezelfde
lengte als een zonnejaarkalender. En daar zit ook de fout van alle berekenaars (Finley incluis) van
jaren van 360 dagen: dat klopt niet met de werkelijkheid. Bereken je aan de hand van een maanjaar
dan ben je 11,24 dagen kwijt gerekend naar het astronomische jaar. Reken je aan een zogezegd
“Bijbels profetisch jaar van 360 dagen” dan ontbreken er nog 5,24 dagen om het astronomische
jaar vol te maken. Wat Finley of anderen van deze leer ook mogen beweren de uitleg van Anderson
is NIET:“the “Rosetta Stone” of biblical/prophetic time” (uitspraak van Finley.) Deze slotbewering
van Finley is niet Bijbels te verantwoorden en bovendien niet op astronomische gronden te
verklaren: “John the Beloved in two sentences eight verses apart gives two different descriptions of
the flight of the woman and her subsequent exile at a wilderness place of safety and nurturing. In
the first instance the time period is stated in terms of days. Then, eight verses later, in the same
chapter the Holy Spirit restates the very same story using 'times' (or years) rather than days. Surely
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 120
God did this to inform His people that one 'time' or one year, whenever it is issued to us as a period
of years in scripture equals 360 days and not the 365.24 days presently observed in our solar system.
This is the pattern or the Biblical 'code' for time. This is the biblical standard for time which is being
consistently kept throughout God's Holy Word from Genesis to Revelation.”
Finley komt tot de verklaring van zijn afwijkingen met Anderson’s berekeningen:
“This is an amazing solution to the prophecy of the 69 weeks.
Sir Robert Anderson's timeline for the 69 weeks/173,879 days was
March 14, 445 B.C <------> April 6, 32 A.D.
Nisan 1, 445 B.C. <------> Nisan 10, 32 A.D.
This author's timeline, using the astronomical data of the solar and the lunar cycles, was very close
to that of Sir Robert Anderson.
March 16, 445 B.C. <------->April 9, 32 A.D. (476 years plus 24 days (inclusive))
Nisan 2, 445 B.C. <------->Nisan 10, 32 A.D. (5888 moons plus 8 days (inclusive))”
(…) “One online resource that gives some lunar data is the U.S. Naval Observatory. Unfortunately it
does not go back further than the year 1700. I have used Sir Robert Anderson's new moon data for
445 B.C. and 32 A.D. for this study. Armed with this lunar information we can then construct a
combined Gregorian/Hebrew calendar on which to lay out the 69 weeks.”
Berekeningen van Clarence Larkin, volgeling van R. Anderson, die niet meer zo populair is, maar
het vijftig jaar terug wel was. (En zijn boeken zijn nog steeds in herdruk.)
Clarence Larkin, geeft in ‘Dispensational Truth’ (1920), blz.70,71 de volgende data.
14 maart 445 voor Chr. (1 Nisan)
2 april 30 na Chr. (Palmzondag)
445 B.C.
+30 A.D.
--------------476 jaren (inclusief)
476 jaren
x
365 dagen (per jaar)
--------------173.740 dagen
173.740 dagen
119 dagen (schrikkeljaren)
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 121
+
20 dagen (14 maart tot 2 april, inclusief)
--------------173.879 dagen
173.879 dagen
-
360 dagen (voor een “profetisch” jaar)
--------------483 jaren (of 360-dagen lengte)
Clarence Larkin was een ingenieur mechanica en architect. Hoe komt het dan dat hij zoveel fouten
maakt in zijn berekeningen.? Hier zijn ze;
1°) Ten eerste: van 445 voor Chr. tot 30 na Chr. is niet 476 jaar inclusief gerekend, want er bestaat
géén jaar 0. Wanneer je Larkin goed volgt moet Jezus sterven in het jaar 31 na Chr., maar
hij zegt dat het 30 na Chr is.
2°) Ten tweede: welke formule is er om jaren inclusief te tellen? Is dat op alles toepasselijk of
slechts in dit éné geval?
3°) Ten derde: welke formule is er om dagen inclusief te tellen? Zodat Larkin de fout maakt van
TWEE JAAR EN ÉÉN DAG! Moet je de profetie geloven of de berekenaars?
Contra de berekeningen van de leer van de bedelingen volgens een Adventist
Over de berekening van Sir Robert Anderson één van de geestelijke vaders van de redenering
dat er nog een toekomstige 70ste jaarweek te vervullen valt (zie de tweede uitleg en berekening)
kunnen we de kritiek overnemen die G. F. Hasel (blz.7) hierover gaf. Hij zegt: “De nauwkeurige
chronologie van Sir Robert Anderson rekent 173.880 dagen, van 14 maart (1 Nisan) 445 voor Chr. tot
6 april (10 Nisan) 32 na Chr., de intocht in triomf van Jezus op Palmzondag. Deze berekening kan
slechts aangehouden worden (1°) bij de veronderstelling dat de jaren hier geen zonnejaren zijn maar
profetische jaren van 360 dagen (2°) de veronderstelling dat de uitvaardiging van het decreet op 1
Nisan 445 voor Chr. was (3°) de veronderstelling dat Christus stierf in het jaar 32 A.D. (4°) de
hypothese dat de 70ste week naar een verdere toekomst verschoven wordt (5°) aanvaarden dat er
geen overeenkomst is tussen zonnejaren en profetische jaren zonder dat er willekeurig extra dagen
worden toegevoegd.”
En we geven in het kort nog de rest van zijn bezwaren (zie blz.8-10) tegen R. Anderson, hier
en daar door ons aangevuld.
1°) Er is geen rekening gehouden met de verschillen tussen de Juliaanse en Gregoriaanse kalenders.
Er worden in de rekening 130 dagen toegevoegd zonder veel argumenten.
2°) Anderson (en zijn opvolger Hoehner) nemen 1 Nisan als uitgangspunt van Neh.2:1. Maar die
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 122
tekst zelf geeft niet aan dat het de eerste dag is van de maand. Men rekent dus vanaf het begin met
een hypothese.
3°) Het verschil tussen 69 weken volgens de zonnejaarberekening en de profetische jaarrekening
van 360 dagen beloopt over die periode bijna 7 jaar. Een berekening van zonnejaren levert voor
Anderson dan de jaartallen 445 voor Chr. tot 39 na Chr. op. Het is niet mogelijk om 173.880
profetische dagen (69 weken x 7 jaren x 360 dagen) en 173.855 zonnedagen (van 444 voor Chr. tot
33 na Chr.) elkaar te laten overlappen. In de rekening van Anderson is er een verschil van 140 dagen.
In de vernieuwde berekening van Hoehner nog steeds 25 dagen. Maar opgepast, slechts één volk
had in die tijd een rekening van 360 dagen en 5 supplementaire dagen, dat waren de Egyptenaren.
Heeft Israël daar zijn profetische rekening gehaald? Mocht Gods volk dat? Berekeningen van dien
aard hebben de Joden niet. En nog een historische notitie in dit verband. Rond het jaar 200 na Chr.
schreef Julius Africanus een soort ‘Kerkgeschiedenis’ waarin ook Dan.9 besproken wordt. Daarin
rekent hij voor 1 jaar = 356 dagen, dus een gewoon maanjaar. De 490 zonnejaren zijn dan in
werkelijkheid slechts 475 maanjaren geworden.
4°) Het jaar van de dood van de Heer nemen in 32 (Anderson) of 33 na Chr. (Hoehner) geeft
moeilijkheden met de chronologie van het NT.
5°) Aannemen dat er een breuk is tussen de 69ste en 70ste week schept problemen. Waarom geen
breuk tussen de eerste 7 (jaar)weken en de 62 (jaar)weken? Gezien dat niet kan op basis van de
exegese van de tekst zelf moet men gewoon lezen wat er staat. De 70 jaarweken volgen elkaar op
zonder onderbreking.
6°) De suggestie van H. A. Ironside, A. J. McClain en anderen dat er nog meer profetie is waar een
breuk is aangegeven in de profetische uitspraak bewijst nog niet dat die regel van toepassing zou
zijn op Dan.9:24-27. Als regel moet veeleer gelden dat waar een profetie een tijdselement bevat,
men moet rekenen met een ononderbroken lijn van tijd. Voorbeelden zijn:
de 430 jaar van Gen.15:13 = Ex.12:40 / Gal.3:17
de 40 jaren in de wildernis = Num.14:34
de 7 hongerjaren van Gen.45:6
de 3 dagen van Jezus in het graf Mat.12:38-40
Dan.9:24-27 zou hierop de enige uitzondering zijn!
7°) Men tracht vers 26 te scheiden van vers 27. Vers 26 is te vervullen in de dagen van Jezus en vers
27 is toekomstig, honderden jaren later. Maar hier is geen enkele bewijsvoering voor aan te geven
vanuit Dan.9:24-27. De context wijst niet in de richting van een gescheiden profetische uitspraak
maar van één ononderbroken profetie.
8°) De dominante uitleg van dezen die geloven in de breuk tussen de 69ste en 70ste week berust op
de gedachte dat er een toekomstige regering van de Satan komt. Maar dat is een gedachte die
vreemd is aan de theologie van het OT. Daarin lezen we alleen over een toekomstige regering van de
Messias, niet van Satan. Daarom is de persoon beschreven in Dan.9:26 = de persoon uit Dan.9:27.
9°) In vers 26 ligt de nadruk op “het volk” in vers 27 op “de prins.” Beide uit elkaar halen maakt de
profetie onverklaarbaar moeilijk. Het volk is natuurlijk Israël (letterlijk en/of geestelijk) zodat de
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 123
“prins” ofwel een koning is over Israël of de Messias, maar zeker niet de Satan of een “prins” van
Satan. En daarenboven, “het volk” en “de prins” leven in hetzelfde tijdperk en niet gescheiden door
honderden jaren. (Einde argumentatie van G. Hasel.)
We denken niet dat de uitleg van één dag = één jaar een goede visie is op, hoe het OT
spreekt over tijd. Wanneer in verband met een voorzegging, een tijd gekoppeld is lijkt het voor ons,
dat de tijd letterlijk moet opgevat worden. We geven enkele voorbeelden:
PROFETIE
VERVULLING
Aankondiging van de zondvloed (zeven dagen) (*)
Gen.7:4 en 7:10
Duur van de zondvloed (40 etmalen)
Gen.7:4b en 7:12
Omtrent de schenker en de bakker (3 dagen)
Gen.40:13 / 40:20 / 40:22
Zeven jaren van overvloed en honger (later)
Gen.41:29,30 / 41:53,54
De hagelplaag van Egypte (morgen)
Ex.9:18 en 9:22-28
40 jaar in de woestijn
Num.14:34 / Heb.3:17
Rondtrekking om Jericho
Joz.6:3,4 en 6:14,15
Geen regen of dauw (3 ½ jaar)
1 Kon.17:1 / Jac.5:17
Hongersnood in Samaria (morgen)
2 Kon.7:1 / 7:18
Ballingschap van Juda (duur) (70 jaar)
Jer.29:10 / Dan.9:2
(*) Zijn we consequent dan moeten we dit rekenen volgens het dag = jaar beginsel of
120 jaar x 360. Dus een voorspelling van hoevele jaren?
NOTA: Om alles niet nog complexer te maken hebben we het niet over de jaarkalender, die
sommigen gebruikten in de tijd van Jezus, die 364 dagen telde. Eén jaar was verdeeld in vier delen
van 90 dagen + 1 supplementaire dag. En uiteindelijk had men in elk jaar een tekort van 11/2 dag.
Er zit wat symboliek achter van; 52 weken x 7 dagen. De extra dagen werden volgens het apocriefe
boek Jubileeën 6:23 gerekend na de 1ste, 4de,7de en 10de maand. (Dr. Shemaryahu Talmon de grote
specialist van kalenders uit die periode van Christus geeft aan dat deze sekte elke zeven jaar een
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 124
extra week invoegde en twee weken elke 28 jaar. Zie Talmon, Shemaryahu, ‘The World of Qumran
from Within: Collected Studies’ Jerusalem: Magnes Press, 1989, blz.147-185.)
En we gaan ook niet verder uitwerken wat er allemaal aan de orde kwam op chronologisch
gebied in de 1ste en 2de eeuw voor Christus. Maar vernoemen we toch deze: de menselijke
geschiedenis telt 4.900 jaar.
Volgens het boek Enoch 93:3-10 / 91:12-16
Begin schepping 3.668 voor Chr.
Herstel van de tempel 253 na Chr.
Het Laatste oordeel 1.233 na Chr.
Latere aanpassingen volgens de boeken Maccabeën
Begin schepping 4.088 voor Chr.
Herstel van Israël 168 voor Chr. (volgens Dan.9:24)
Derde aanpassing (Testament van Levi 17)
Begin schepping 3.941 voor Chr.
Begin laatste Millennium in 41 voor Chr. (jaar 3.900 na schepping)
Laatste oordeel 960 na Chr. (jaar 4900 na Chr.)
Men speelt dus met veelvouden van 7 x 10 x 70 = 4.900 of 490 x 10.
APPENDIX II: de leer van de bedelingen hierover in tabelvorm
Zeventig Wekenprofetie = 490 jaar
Daniël 9:24-27 gerekend aan letterlijke jaren van 360 dagen,
volgens dispensationalisten (Bijbels gezien een onbestaande jaartijd).
BEVEL
IN HET JAAR
Van Artaxerxes I in
445 v. Chr. [1]
LEIDER VAN DE
VERSCHIJNING VAN DE
TERUGKEER
MESSIAS OP
EN START
PALMZONDAG
DOOD VAN JEZUS
Nehemia
Nehemia 2:1-11
10 nisan = 14 maart
6 april 32 na Chr.
Vrijdag daarop
30 maart 33 na Christus
Vrijdag daarop
445 v. Chr.
Van Artaxerxes I in
444 v. Chr. [2]
Nehemia
Nehemia 2:1-11
1 Nisan = 4 of 5 maart
444 v. Chr.
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 125
Van Artaxerxes I in
Nehemia
444 v. Chr. [3]
Nehemia 2:1-11
30 maart 33 na Christus
Vrijdag daarop
Nehemia 2:1-11
Palmzondag niet
3 april 33
24 november 446
aangegeven.
na Christus
5 Nisan
Van Artaxerxes I in
446 v. Chr. [4]
Nehemia
v. Chr.
[1] Sir Anderson R., ‘The Coming Prince’ 10th ed., Kregel, rep. 1980.

Goede kritiek op R. Anderson is: Bob Pickle, ‘An Examination of Anderson’s Chronological
Errors Regarding Daniel 9’s First 69 Weeks.’ Op http://www.pickle-publishing.com/

Recente Babylonische kalenders tonen aan dat 1 Nisan in 445 v. Chr. viel in een SCHRIKKELJAAR en dat 1 Nisan = 13 april. Dat is niet wat Sir R. Anderson leert. Zodat ook de
Palmzondagdatum van die schrijver niet klopt in de berekening. Zie: Richard A. Parker and
Waldo H. Dubberstein, ‘Babylonian Chronology 626 BC - AD 75’, Brown University Press,
1956, blz.32. Op ‘The Shepherd's Page’ (http://www.abdicate.net/cal.aspx) staat een
programma om de omrekening te maken van een Joodse dag naar de Juliaanse of
Gregoriaanse kalenderdag.

De zondag 6 april was geen 10de Nisan, maar waarschijnlijk 6 Nisan, en Pasen acht dagen
later op maandag 14 Nisan.

Vern Sheridan Poythress, ‘Hermeneutical Factors In Determining The Beginning Of The
Seventy Weeks (Daniel 9:25)’, Trinity Journal 6:2 (Fall 1985), blz.146-149 heeft nog een
andere kritiek op Anderson, namelijk zijn berekeningen van de 70 jaren van ballingschap.
Neen, er zijn geen twee of zelfs drie perioden hierin te onderscheiden. Zie dit op
http://www.biblicalstudies.org.uk/

Chuck Missler schreef op www.khouse.org/articles/2004/552/ een artikel, ‘Daniel’s 70
Weeks’ en zegt er bijvoorbeeld dit:
“De nauwkeurigheid van profetie
Wanneer we de periode bekijken van 14 maart 445 v. Chr. tot 6 april 32 na Chr. en de
correcties maken voor de schrikkeljaren hebben we exact 173.880 dagen! Hoe kon Daniël
zoiets van tevoren weten? Hoe zou iemand zo een gedetailleerde voorzegging kunnen
geweten hebben.” Dit is een ingekort artikel van zijn boek met dezelfde titel verschenen bij
Koinonia House, 2004. Dus vrij recent, een promotie voor Anderson’s berekeningen. Deze
Chuck Missler is één van de schrijvers voor ‘The Blue letter Bible.’ Heeft hij nog niets gehoord
van al de fouten in de zaak die R. Anderson heeft bedacht?

In ‘A Bible Study’ van Jack Kelley ‘The 70 Weeks of Daniel’ geschreven in de laatste jaren
vóór het jaar 2.000 àp www.gracethrufaith.com/ikvot/the-70-weeks-of-daniel lezen we:
“Maar volgens Nehemia 2:1 is het bevel gegeven om Jeruzalem te herbouwen in de eerste
maand van het 20ste jaar van de regering van koning Artaxerxes van Perzië (maart van 445 v.
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 126
Chr. op onze kalender… ). Exact 483 jaar daarna reed de Heer Jezus in Jeruzalem op een ezel
en riep men “Hosanna.” Dat was de enige dag in Zijn leven dat Hij toeliet dat zijn discipelen
hem koning van Israël noemden, zodat de profetie van Daniël tot op de dag vervult werd.”
We hebben hier eenzelfde vraag: heeft hij nog niet gehoord van al de fouten in de zaak die
R. Anderson heeft bedacht? Hij was geen goede rechercheur, want uitgaande van een
verkeerde inlichting kwam hij tot een verkeerde uitslag.

Op http://www.harvardhouse.com/prophetictech/elephantine.htm#elephantine staat een
vertaling van enkele documenten uit Elephantine (Egypte) waar de datum van Koning
Artaxerxes' 20ste jaar begon op 18 september 446 v. Chr. en liep tot 5 september 445 v. Chr.
(Hebreeuwse kalender). Hoe dit past met het vorige is ons een raadsel. Wellicht heeft
Egypte op dat moment een andere maand in zijn kalender dan Suza waar Nehemia is! Maar
het zou eenvoudiger kunnen zijn dan dat. De schrijver is tweemaal gezalfd met de Heilige
Geest, heeft telepatische gaven en heeft uit-het-lichaam ervaringen. En dergelijke zaken
klasseer ik in een bepaald verband, maar niet in Bijbels verband. Bovendien staan er zaken
in, die doen denken aan valse profetie, die de schrijver na het evenement met veel verve
weet te minimaliseren. U hoeft het artikel dus niet echt te lezen tenzij u alle rarigheden over
Daniël 9 moet onder ogen hebben gehad, zoals wijzelf.
[2] Dr. Hoehner H. W., ‘Chronological Aspects of the Life of Christ’, Zondervan, 1977.

Dr. Hoehner zegt dat de datum 445 v. Chr. zoals Anderson die geeft niet historisch juist is.
Want het 20ste jaar van Artaxerxes is 444 v. Chr. Dr. Hoehner geeft een ander probleem aan
van Anderson, men mag niet eindigen in 32 na Christus. Hij toont aan dat wanneer we
uitgaan van de 10de Nisan, zoals Sir Robert Anderson doet, Christus gestorven zou zijn op
een zondag of maandag. Wie rekent op een sterven van de Heer op een vrijdag komt met
Anderson verkeerd uit. Wie rekent zoals anderen doen dat Christus stierf op een woensdag
komt ook verkeerd uit met de berekeningen van Anderson.
o De beste kritiek op H. Hoehner is: Bob Pickle, ‘An Examination of the Chronological
Difficulties of Hoehner and Ice’s Calculations of Daniel 9’s First 69 Weeks.’ Op
http://www.pickle-publishing.com/

Volgens Richard A. Parker and Waldo H. Dubberstein, ‘Babylonian Chronology 626 BC - AD
75’, (Providence: Brown University Press, 1956), blz.17, was het eerste jaar van Arthaxerxes
niet december 465 v. Christus maar augustus. Dus hier ook een fout. In ‘The Cambridge
Ancient History, Second Ed., Vol V, The Fifth Century BC.’ (Cambridge University Press, 1992)
staat, “de dood van Xerxes is recent duidelijk bevestigd als augustus 465” (blz.13), “ergens
tussen 4 en 8 augustus” (blz.13, voetnoot 47). Zie ook van Stolper, M. W. ‘Some Ghost Facts
About Achaemenid Babylonian Texts’, Journal of Hellenic Studies 108 (1988), blz.196-8.

Maar met de schrikkelmaand in dat jaar zou dat op 3 of 4 april moeten zijn en niet 4 maart.
Zie: Richard A. Parker and Waldo H. Dubberstein, ‘Babylonian Chronology 626 BC - AD 75’,
(Providence: Brown University Press, 1956), blz.32.
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 127

(We plaatsen nog een recente nota bij deze studie van Edwin Yamauchi die behoort tot de
belangrijkste deskundigen van het Oud Testament. Zijn bijdrage over de Bijbelboeken Ezra
en Nehemia aan, Zondervan Illustrated Bible Backgrounds (enig in zijn soort), geeft ons
bijvoorbeeld deze datum: 25 ellul, de dag dat de muren klaar zijn komt overeen met 27
oktober 445 v. Chr. Het jaar 444 komt bij hem niet te pas in enige berekening. Zie volume 3
blz.438. The ZIBBC Old Testament volumes verschenen november 2009.)
[3] Dr. Ron J. Bigalke Jr. (Chafer Theological Seminary)

Dr. Ron J. Bigalke Jr. zet het begin van het jaar van Artaxerxes in augustus 465 v. Chr., in
tegenstelling van R. Anderson en H. Hoehner die december 465 v. Chr. nemen.

Zie naar http://www.eternalministries.org/articles/weeks.html

Kritiek hierop, ja! Zie punt 1 en 2 hierboven.
[4] Op de site van The Moorings (USA) staat nog een andere uitleg die weinigen zullen aannemen.

Nehemia hoofdstuk één start op 24 november in 446 v. Chr. Daar rekenen we nog 173.880
dagen aan toe en dat geeft 15 december 31 na Christus, de dag van de tranfiguratie =
verheerlijking op de berg. Daar bovenop een periode van 62 gewone weken van 7 dagen die
eindigen wanneer Jezus, Lazarus opwekt uit de doden. Dat is dan 20 februari van het jaar 33
na Christus. Onmiddellijk daarop veroordelen de Joodse leiders Jezus, Hij moet sterven
(Joh.11:45-57). Daarbij moet men volgens een Joodse regeling in de Talmud veertig dagen
rekenen van de “verdediging.” Jezus mag personen oproepen ter zijner verdediging, mensen
laten spreken als getuigen vóór hem. De 42 dagen later (begin en einddag van die 40 dagen)
brengen ons op 3 april 33 na Christus, de dag van de kruisiging.

Zie naar http://www.themoorings.org/apologetics/prophecy/69weeks/weeks1.html
En ook dit hebben we gevonden, Nehemia gecombineerd met het jaar 446 v Chr. Op het
Internet: http://www.morgenster.org/profetie.htm Hun uitleg is deze:
“Vervulling: Nehemia kreeg in het 20e regeringsjaar van de Perzische koning Artaxerxes
toestemming om Jeruzalem te herbouwen (Nehemia 2:1-6). Dat was omstreeks 446 v Chr. De tijd
tot de Gezalfde (Messiach in het Hebreeuws en Christos in het Grieks) bedraagt dan 7 + 62 = 69
(jaar)weken (letterlijk zevens of zeven tijden). De tijdseenheid van Daniël is net iets korter dan
een jaar, namelijk 360 dagen. De tijd tot de Messias bedraagt dan 69 x 7 x 360 = 173880 dagen =
476 jaar en 21 dagen, vanaf 446 v Chr:
446 v Chr
.
1
445 v Chr
2
...
1 v Chr
...
446
1 AD
447...
...
30 AD
...
476
31 AD
.
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 128
Zelfs het jaar 30 als eind-datum van de 69 weken is nog in zwang. Van Wayne Jackson onder
andere is dit zijn ‘Daniel’s Prophecy of the Seventy Weeks’, November 9, 1998’: op
www.christiancourier.com/articles/read/daniels_prophecy_of_the_seventy_weeks lezen we
“In werkelijkheid is deze chronologie verdeeld in drie stukken, waar het totaal 486½ jaar beslaat. Dat
is de periode tussen het bevel Jeruzalem te bouwen en de dood van de Messias. (…) Inderdaad.
Wanneer we starten in 457 v. Chr. en 486 ½ jaar verder gaan komen we in 30 na Chr. het ware jaar
van de kruisiging van Christus! Dat is de algemene opvatting (Scott, blz.364 [1]). (…) In het midden
van de zeventigste week, na de vervulling van de 486½ jaren wordt de Gezalfde “afgesneden.” Dat
wijst naar de dood van Jezus. Ook Jesaja voorzei dat op eenzelfde wijze, dat Christus zou afgesneden
worden van de levenden” (Jesaja 53:8). (…)
Het tweede segment van de tweeënzestig weken (434 jaar), opgeteld bij de vroegere negenenveertig
geven een resultaat van 483 jaren. Dat cijfer mogen we rekenen vanaf 457 v. Chr., en loopt tot 26 na
Chr. Dat was het jaar dat Jezus werd gedoopt en begon aan zijn openbaar leven.
Tot slot, “het midden van de week” (3½ jaar) geeft de tijd aan hoelang de prediking duurde. Dat
gedeelte stopt in 30 na Chr. Het jaar van de dood van de Verlosser.”
[1] Scott J.B., Seventy Weeks, ‘Zondervan Pictorial Encyclopedia of the Bible’ ed. Merrill C. Tenney,
Zondervan, 1975. (Over het jaar 29 als eind-datum van de 69 weken, in zwang in de 18de tot begon
20ste eeuw, zie naar de vroegere publicaties daarover.)
Er is één conclusie bij dit alles: het Internet en de boeken van de dispensationalisten die
handelen over de 490 jaar baseren zich in hun uitleg voor waarschijnlijk nog 60% op wat Sir Robert
Anderson zegt (of de latere Clarence Larkin). Zonder énige wijziging krijgen we dat steeds te lezen.
Maar het is duidelijk dat zijn berekeningen TOTAAL FOUT ZIJN. De begindatum van de rekening is
namelijk verkeerd, dus ook het slot klopt niet. Hoe oprecht is men dan in dit alles? Of heeft men
gewoon wat horen klingelen en hebben die leerlingen van hem, zonder wat anders gehoord te
hebben dit vastgegrepen als het enige dat zinnig is? Verbazingwekkend is de slordigheid van Josh
McDowell, in de regel iemand die zijn zaken goed onderzoekt, in zijn ‘The New Evidence that
Demands a Verdict’, blz.197-201. Bij hem is het niet belangrijk of men de start neemt in 445 v. Chr.
of 444 v. Chr. Dat is gewoon het belang van de zaak onder de mat vegen.
De verklaring en de teksten
Vers 24
STATENVERTALING DAN.9:24
LUTHERVERTALING DAN.9:24
LEIDSCHEVERTALING DAN.9:24
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 129
“Zeventig weken zijn bestemd “Zeventig weken zijn bestemd “Zeventig
weken
zijn
over uw volk, en over uw over uw volk en over uwe vastgesteld voor uw volk en
heilige
stad,
om
de heilige stad;
dan zal
de uw heilige stad; opdat de
overtreding te sluiten, en om overtreding geweerd en de afval voltooid en de maat der
de zonden te verzegelen, en zonde
verzegeld
om de ongerechtigheid te misdaad
verzoenen,
en
om
een eeuwige
verzoend
en
de zonden volgemaakt, de schuld
en
de verzoend
gerechtigheid gerechtigheid
en
eeuwige
aangebracht,
eeuwige gerechtigheid aan te aangebracht en de gezichten het gezicht van den profeet
brengen, en om het gezicht, en profetieën verzegeld en verzegeld en een allerheiligst
en den profeet te verzegelen, een
allerheiligste
gezalfd voorwerp gezalfd worde.”
en om de heiligheid der worden.”
heiligheden te zalven.”
We moeten in het oog houden dat God van Zijn volk wil, dat ze: “het verbond in gedachten
houden” en Zijn raad is “gedenk het verbond gesloten met de vaderen” (Leviticus 26:42,45). Dat is
dan ook wat Daniël beleden heeft in zijn gebed aan het begin van hoofdstuk 9. En het antwoord is
de profetie van de zeventig jaarweken. Het heeft dus betrekking op Israël.
1. Terugkeren naar YaHWeh (Deuteronomium 30:2 / Daniël 9:13 / 9:4)
2. Zijn hart openstellen voor God (Leviticus 26:41 / Daniël 9:5)
3. Begrijpen en aanvaarden dat God met reden straft (Leviticus 26:41 / Daniël 9:7,11,12)
4. Luisteren naar God (Deuteronomium 30:10)
5. Alle persoonlijke zonden belijden (Leviticus 25:40 / Daniël 9:4,14-15)
6. Zonden van de vaderen belijden (Leviticus 26:40 / Daniël 9:4)
7. Wetten en geboden onderhouden (Deuteronomium 30:2,16)
8. God liefhebben (Deuteronomium 30:15,20)
9. In Gods wegen wandelen (Deuteronomium 30:16)
Hieronder de voetnoten en aantekeningen van de Statenvertaling bij Dan.9:24.
69) Zeventig
Daniël had maar gebeden om de verlossing van zijn volk uit Babel, de Heere geeft hem dat niet
alleen, maar oneindig meer, want Hij openbaart hem daarenboven den tijd, wanneer niet alleen
de Joden, maar ook zijn ganse volk uit de macht des duivels en der eeuwige verdoemenis door
den Messias zou verlost worden.
70) weken
Versta hier jaarweken, gelijk Lev. 25:8; elke week van zeven jaren, tezamen makende vier
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 130
honderd en negentig jaren; waar nu deze vier honderd en negentig jaren beginnen en waar zij
eindigen, daarvan is verscheiden gevoelen. Sommigen beginnen ze van het eerste jaar der
monarchie van Cyrus, en eindigen ze in den dood van Christus; hetwelk wel de eenvoudigste
mening schijnt te zijn, uit Jes. 44:28, en Jes. 45:13; 2 Kron. 36:22,23; Ezra 1:1, enz.; doch
anderen beginnen ze van het zevende jaar van Artaxerxes Longimanus, en eindigen ze ook in
den dood van Christus. Anderen beginnen ze van het tweede jaar van Darius Nothus, en
eindigen ze in de verstoring van Jeruzalem door Titus. Van welk alles de verstandige lezer zal
mogen oordelen.
71) zijn bestemd
Te weten van God. Hebreeuws, zijn afgehouwen, of afgesneden; dat is bescheiden, besloten.
72) over uw volk,
Gedurende welke uw volk en uw heilige stad zal overkomen hetgeen ik u straks zal openbaren.
73) om de overtreding te sluiten,
Of, om op te sluiten, of om te bedwingen de overtreding. Anders: dat Hij, te weten Christus] de
overtreding besluit; dat is, dat hij voor de zonden des volks genoeg doe, opdat dezelve als in een
kerker besloten worden, dat zij niet meer voor Gods aangezicht komen.
74) om de zonden te verzegelen,
Dat is, om te bedekken de zonden der uitverkorenen, dat zij voor het aangezicht van God niet
komen. Dit heeft Christus door zijnen dood teweeg gebracht. Anders: om de zonden te
verdelgen.
75) om de ongerechtigheid te verzoenen,
Te weten door de offerande van Christus aan het kruis.
76) om een eeuwige gerechtigheid aan te brengen,
Hebreeuws, ene gerechtigheid der eeuwigheden, door welke alleen zij, die ooit gerechtvaardigd
zijn en rechtvaardig zullen worden, moeten gerechtvaardigd worden voor God, Hebr. 9:12. Deze
gerechtigheid is gelegen in de vergeving der zonden en toerekening der gerechtigheid van Jezus
Christus.
77) den profeet te verzegelen,
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 131
Dat is, de profetie, te weten de profetieën der profeten van Christus' lijden en de heerlijkheid
daarop volgende, 1 Petr. 1:11, welke God den profeten door gezichten heeft geopenbaard.
78) de heiligheid der heiligheden
Dat is, den Heere Christus, die daar is het waarachtige heilige der heiligen, omdat in Hem al de
schatten van heiligheid, rechtvaardigheid, en ook van wijsheid en kennis van God verborgen zijn,
ons ten goede; en dat Hij is de ware ark des verbonds, door welken God de woorden des levens
tot de wereld spreekt; de rechte genadestoel, door welken wij de verzoening hebben, enz.
79) te zalven.
Te weten met den Heiligen Geest; dat is als in te wijden en te bereiden tot zijn zaligmakend
ambt.
Wat zij op dat gebied zeggen
Dit eerste vers is in 6 delen verdeeld of in 6 verschillende gebeurtenissen die ten tijde van de
70 jaarweken of 490 jaren moeten geschieden. Deze dingen moeten gebeuren aan het Joodse volk
en haar stad Jeruzalem en niet aan de heidense natiën. En volgens E. Bullinger (een hyperdispensationalist) Appendix 91 zou dit slechts “ten volle” in de 70ste toekomende week zijn. P.A.
Slagter die hierover dezelfde visie heeft schrijft in ‘Israël en de Bijbel’, oktober 1993, blz.9 het
volgende over Daniël 9:24:
“Er worden zes zaken genoemd, die vervuld zullen zijn c.q. vervuld zullen worden als deze periode
voleindigd is. De eerste drie hebben vooral te maken met het afronden / verdwijnen van iets; de
laatste drie spreken over het volbrengen / voltooien van iets. Anders gezegd: Drie negatieve dingen
worden beëindigd en drie positieve zaken worden tot stand gebracht... De tweede conclusie is dus,
dat het herstel van Israël eerst plaatsvindt nadat deze dingen, t.w. de overtreding, de
ongerechtigheid en de zonde, zijn weggedaan. Met andere woorden: voordat de 70 weken ten einde
zijn en bovengenoemde dingen zijn voleindigd is er geen sprake van het door God beloofde herstel
van Israël! Dat is ook wat elders in het profetisch Woord duidelijk wordt bevestigd” (wij
onderstrepen). Het NT leert het toch nog anders: wat de Messias bewerkt voor de Joden, werpt zijn
vruchten af voor de Heidenen. Want het gaat NIET om de vervulling van het verbond met de
aanwezigen (of de afstammelingen) dat op de Sinaï gesloten is. Het gaat om het verbond met
Abraham. Over Dan.9:24 zegt een Amerikaanse theoloog dat dit vers een beschrijving geeft van het
priesterlijke werk van de Messias. En dat is een terechte opmerking. (Zie J. Barton Payne, ‘The
theology of the Older Testament’, Zondervan, 8ste druk 1975, blz.276.)
In een ‘min of meer’ letterlijke weergave van een lezing van D. Steenhuis met als titel
‘WIKKEN EN WEKEN’gevonden op Internet, staat het volgende:
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 132
“Daniël 9 wordt niet meer besproken en de sleutel tot het verstaan der profetie wordt niet meer
gezien. Het wordt allemaal grijs. Dit komt alleen maar doordat de Gemeente niet meer gezien wordt
als het geheimenis. Het wordt niet meer gezien dat de gelovigen uitverkoren zijn van voor de
grondlegging der wereld. Israël is uitverkoren vanaf de grondlegging der wereld en de Gemeente van
voor die tijd. Onze plaats is niet hier, niet in Jeruzalem, niet op de heilige berg Sion; onze plaats is in
het huis van de Vader. Ook al zou u letterlijk wonen in Jeruzalem, u hoort er niet. U bent een
vreemdeling, een bijwoner, u hoort in het huis van de Vader. Daar waar de Here Jezus Zijn plaats
heeft, daar horen wij!
Wij moeten wennen aan de idee dat wij niet Israël zijn. Het unieke van de Gemeente is niet om te
wisselen of te vergelijken met het unieke van Israël. Er komt een moment waarop Gods Zoon zal
zeggen: “Kom Gemeente.” De Here Jezus is heengegaan om u plaats te bereiden. Als Hij plaats
bereid heeft komt Hij weer, opdat wij zullen zijn waar Hij is. Hij is in het huis van de Vader, daar gaan
wij naar toe, daar horen wij, dat is ons tehuis, onze eeuwige bestemming. Vanaf het moment dat de
Gemeente van de aarde weg is, gaat Gods ‘tijdklok’ weer tikken. De hele tijdsperiode van de
Gemeente hier op aarde is een interim-periode” (wij onderstrepen). Wat deze leraar zegt is in strijd
met die tekst Daniël 9:24-27. Zijn argumenten zijn gemaakt vanuit het aannemen van de leer van de
dispensaties en de breuk tussen de 69ste en 70ste week.
P. Beker schrijft in ‘Israël en de Bijbel’, april 2003, blz.15 na eerst de zes onderdelen van
Daniël 9:24 te hebben geciteerd: “Aan het eind van die 490 jaren zal de overtreding van Israël ten
einde zijn en hun zonden verzoend, omdat de Messias verzoening voor hun ongerechtigheden heeft
aangebracht. De periode van Israëls lijden zal voorbij zijn en er zal een eeuwige gerechtigheid zijn
aangebracht. Dit alles heeft betrekking op het komende Messiaanse rijk, zoals omschreven in Jer.31:
“Ziet de dagen komen, spreekt de Heere, dat Ik met het huis van Israël en met het huis van Juda een
nieuw verbond zal maken”. “Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven, en zal die in hun hart schrijven;
en Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn” (vs.31 en 33).”
Een onderbreking
De beschrijving die Daniël geeft, maakt duidelijk dat er een onderbreking is in de tijdsorde. Er is een
indeling in 7 weken, 62 weken en tenslotte een laatste week die valt na de 69e, , de 70e week dus.
Uit de tekst blijkt dat deze 70e jaarweek niet direct op de 69e week volgt, want de vervulling ervan
heeft nooit plaats gevonden. De periode tussen de 69e en 70e jaarweek duurt dus ondertussen al
bijna 2000 jaar. Uit de tekenen der tijd kunnen we echter opmaken dat de aanvang van deze 70e
jaarweek niet lang meer op zich zal laten wachten” (wij onderstrepen).
Wat wij op dat gebied zeggen
WIJ GELOVEN NIET DAT DEZE ZES ONDERDELEN VAN DE PROFETIE SLECHTS IN DE TOEKOMST
TEN VOLLE VERVULD ZULLEN WORDEN. TOCH IS HET DIT WAT DISPENSATIONALISTEN BEWEREN. ZE
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 133
ZIJN – NAAR ONZE OVERTUIGING - REEDS VERVULD IN HET EEN-MALIGE OFFER VAN DE DOOD VAN
JEZUS. DE UITWERKING ERVAN IS NOG STEEDS IN UITVOERING.
Bekijken we de details:
1) “Om de overtreding te voleindigen.” Dit kan twee betekenissen hebben.
Een eerste is wanneer we dit opvatten alsof de overtreding zou worden doorgevoerd tot een
hoogtepunt. Dan kunnen we dit begrijpen als dat het Joodse volk door hun verwerping van de
Messias de overtreding tot een hoogtepunt hebben gevoerd (Mat.23:32 / 1 Thes.2:15,16). We
mogen dit zeker niet bezien als iets dat nu nog moet vervuld worden.
De tweede mogelijke betekenis is deze en dit is voorzeker duidelijker in verband met het volgende:
dat door het offer van Christus de overtreding van Adam die hij heeft begaan is voleindigd. Ofwel
dat er een verzoenende waarde voor in de plaats is gegeven (Joh.1:29 / Rom.5:20). De woorden die
Zacharias sprak, toen zijn zoon Johannes (later de doper genoemd) werd opgedragen, zouden dan
een goede betekenis voor ons krijgen. Hij zei volgens Luc.1:68: “Geloofd zij de Here, de God van
Israël, want Hij heeft omgezien naar zijn volk en heeft het verlossing gebracht.” Door deze
woorden profeteerde Zacharias dat Jezus Christus de overtreding zal voleindigen en daardoor de
weg tot het echte zoonschap met God terug zou vrijmaken. En daartoe heeft Jezus alle nodige
eigenschappen (Jes.61:1).
2) “de zonde af te sluiten.” Andere vertalingen zeggen dit als volgt: “om een einde te maken
aan de zondoffers” en dit omdat hier het Hebreeuwse woord “chatta’th” gebruikt werd. Het heeft
betrekking op het offer dat onze Heer Jezus Christus op de Calvarieberg heeft gebracht en daardoor
het offer werd dat de zonden der wereld zou vrijkopen of afsluiten (Joh.1:29). Door zijn komst
hebben we kans op vergeving indien we Hem aanvaarden tot onze redding. Het Hebreeuwse woord
voor “afsluiten” vinden we in die betekenis ook in 1 Kon.21:8 en Ester 8:8. Ook dit voorspelde
Zacharias volgens Luc.1:77: “om aan zijn volk te geven kennis van heil in de vergeving hunner
zonden.” En zie ook Joh.3:33 en 6:27.
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 134
3) “de ongerechtigheid te verzoenen.” Paulus zegt ons over Christus in Col.1:20: “en door
Hem, vrede gemaakt hebbende door het bloed zijns kruises, alle dingen weder met Zich te
verzoenen, door Hem, hetzij wat op de aarde, hetzij wat in de hemelen is.” Of volgens Rom.3:25:
“de zonden (...) die te voren (...) gepleegd waren” zijn verzoend. God was in Christus en verzoende
zich tot de wereld (2 Cor.5:19). Zie ook Rom.5:10 en Heb.10:26 vergeleken bij Zach.3:4. Het offer dat
Christus bracht heeft de ongerechtigheid, van de zondige Adam en diens afstammelingen verzoend,
waardoor we vrede met God kunnen krijgen.
Het Hebreeuwse “kaphar” of “verzoenen” vinden we o.a. in Ex.30:10 / Lev.4:20. Wanneer
alles verzoend zal zijn, is de verzoening opgehouden. Greijdanus zegt in, ‘De Openbaring des Heren
aan Johannes’, (uitgave van 1925, blz.136): “Hij staat daar,” als Lam, dat geslacht is, d.w.z. Zijn
verzoenings-arbeid, in het midden, om de verterende werkingen van Gods heilige gerechtigheid, ook
die door middel van het schepsel en van de schepping, van Zijn gemeente af te keren, en haar als
Zijn verloste kerk, in heiligheid en vrede en zaligheid te doen leven vóór Gods troon en heerlijke
majesteitsopenbaring.” En er zijn ook Gereformeerde theologen die geloven dat elke vorm van
middelaarschap zal ophouden. Zo bijvoorbeeld Calvijn, ‘Institutie’, Boek II, XV, 5 en A. Kuyper,
Collegedictaten, De Christo III. Dat is als alles verzoend is geweest!
4) “en om eeuwige gerechtigheid te brengen.” Dit wil zeggen dat er door dit
verzoeningsoffer van Christus over de hemelen en aarde een eeuwige gerechtigheid zal komen. Dat
offer geeft ons de kans om voor eeuwig in Gods ogen gerechtvaardigd te worden. Het hangt alleen
van onszelf af (en Gods genade) of we dit zullen worden of niet. Vergelijk met Mat.1:21 / 1 Cor.1:31
/ Titus 3:5 / Rom.3:25 / Mat.3:15. De knecht des Heren zal voor “eeuwig onze ongerechtigheid
dragen” (Jes.53:11). Over die rechtvaardige God gaat het ook in het gebed van Daniël. Dat gaat
vooraf aan de openbaring van deze profetie. Zie Dan.9:7,14,16 en vergelijk met Jer.23:6.
P.A. Slagter die de 2de visie aanhangt hierboven beschreven (de bedelingen), schrijft in
‘Israël en de Bijbel’, november/december 1993, blz.7, het volgende over dit gedeelte:
“4) Eeuwige gerechtigheid wordt gebracht; De gerechtigheid zorgt ervoor, dat Israël ‘recht’ komt te
staan tegenover God. En dat kan alleen in verbinding met de Here Jezus Christus. Het volbrachte
werk van de Messias, nu bijna 2.000 jaar geleden, is de grondslag voor het behoud van Israël als
volk. Als een overblijfsel in de toekomst de Naam des HEREN aanroept zal het behouden worden. Dat
betekent: het zal gerechtvaardigd worden in en door het verlossingswerk van Christus. Niet door
eigen inspanning, niet door de werken (der Wet), maar door geloof zal Israël deel krijgen aan het
heil. Als de verzoening met God heeft plaatsgevonden, en Israël vergeving ontvangt in het reinigende
bloed van het Lam, zal er een nieuw begin zijn.”
Dat is geen terechte opmerking. Waarom de verlossing van Israël verzetten naar een
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 135
toekomst 2.000 jaren later? Jezus, gaf zijn discipelen de opdracht dat wanneer ze zouden prediken,
zich eerst tot de Joden moesten wenden en dan met dezelfde boodschap naar de heidenen
moesten gaan (Mat.28:19 / Hand.1:8 / Rom.15:19). Wanneer een X aantal Joden - het grootste deel
jammer genoeg - zijn Messias verwerpt geeft ons dat toch niet het recht om nog een aparte
verzoening voor dezen te prediken. De stelling: eerst de Jood, dan de Griek blijft als een paal boven
water staan in alle eeuwen (Rom.1:16 / 2:9,10). Het is op die manier vervuld. Een nieuwe hoeft niet
want er is nooit een breuk geweest in Gods roep tegenover Zijn volk. De tijd van genade is zowel
voor Israël als voor de heidenen gegeven in het NU, het HEDEN, en niet na een onderbreking van
een 69st week in Gods roeping. Het zou erop neer komen dat het offer van Christus niet goed
genoeg zou geweest zijn. Wat begon aan het kruis loopt in zijn vervulling gewoon zonder
onderbreking door tot alle mensen die het verdienen gered te worden, vanuit Gods genade gered.
5) “gezicht en profeet te bezegelen.” Dit betekent dat de komst en dood van Christus de
bezegeling of vervulling betekende van gezicht en profetie die is opgetekend, en allen die deze
profetieën later hebben bekendgemaakt of profeten. Lees eens bijvoorbeeld voor uzelf wat Jesaja in
zijn 53ste hoofdstuk over de Messias profeteerde en dan zul je merken dat Christus dit ganse
gedeelte door zijn lijden en dood heeft bezegeld of vervuld. Zie in dit verband Mat.11:13 / Luc.24:44
/ Hand.3:19-25. Door de dood van de Heer is met Israël een nieuw verbond gesloten en aangegaan
(Heb.9:17).
 Wanneer we Hand.3:19-25 bespreken dan moet dat ook gedaan worden met Hand.1:6
erbij. Daar vragen de discipelen naar het “herstel.” De gelijkluidende term kwam al voor in
de Griekse Septuaginta. Het begrip “apokathistanai” is er gebruikt om zowel het letterlijke
als het geestelijk herstel van Israël te beschrijven. Zie o.a. Jer.15:19 / 16:15 / 23:8 / 24:6 /
27:19 / Ezech.16:55 en Mal.3:23. Deze laatste tekst is in onze Bijbels weergegeven in
Mal.4:6. En we drukken er nog eens op; het gaat om zowel geestelijk als letterlijk herstel,
de context laat ons meestal weten waar de nadruk op ligt. En zo ook Hand.3:19 waar we
dan “apokatastasis” vinden, slechts éénmaal in gebruik in het NT. Waar ligt de nadruk in
dit gedeelte, op het letterlijke of het geestelijke herstel? Duidelijk het laatste want dat
volgt uit het vers 22. Er staat dat de wederoprichting komt nadat Christus is opgenomen,
en dan volgt een verwijzing naar Deut.18:15-19, de tekst over de profeet zoals Mozes naar
wie moet geluisterd worden. Dat wordt ingeleid door de woorden “Mozes toch heeft
gezegd (...)”, zodat het “toch” wijst naar het verband van vers 21 en 22. Wat wil dat
zeggen? Gezien men in de Messias moet geloven vóórdat Jezus werkelijk de tweede maal
zal terugkeren om dingen te herstellen, is door/in geloof dat herstel al op geestelijke wijze
begonnen. En dezelfde opmerking mag gemaakt worden voor vers 24. “Deze dagen” die
aangekondigd zijn wijzen op de tijd van Petrus en niet naar de toekomst. Dus is het
geestelijk herstel vanaf Pinksteren begonnen. En ook de wederoprichting van alle dingen,
want herstellen houdt dat al in. Hierover later nog iets meer.
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 136
6) “en iets allerheiligst te zalven.” De uitdrukking “allerheiligst” is volgens sommige
vertalingen “het heilige der heiligen” anderen nog zeggen “een heilige plaats.” Dit heeft dus méér
betrekking dan alleen op de zalving van Jezus Christus, in de Jordaan. We dienen op te merken dat
nergens in de ganse Schrift de uitdrukking “heilige der heiligen” gebruikt is in verband met een
individuele persoon. Nochtans is hier ook niet de tempel van Jeruzalem bedoeld die door God wordt
geheiligd. We moeten beseffen dat deze tempel een voorbeeld was van iets wat later nog diende te
komen. Want God zalfde op Pinksteren de eerste levende stenen van zijn geestelijke tempel
(Hand.2:33 / Heb.6:20). Het is Jezus Christus en met hem als fundamentsteen, dat de door de
Heilige Geest gezalfde discipelen van Christus als tempel Gods, vanaf die tijd dienst verrichten. De
zalving van deze leden van Gods tempel is niet gebeurd zoals de zalving van het eerste tabernakel
namelijk door middel van welriekende olie. Deze leden zijn gezalfd door iets veel belangrijker,
namelijk Gods Heilige Geest (2 Cor.1:21,22 / Eph.1:11-14 / Eph.4:30). Hoe we ook vertalen of hoe
we het ook mogen uitleggen, in elk geval is Christus “meer dan de tempel” (Mat.12:6). Het heeft
géén zin te beweren, zoals dispensationalisten doen, dat dit zou verwijzen naar een nog
toekomstige tempel in het millennium, want God gaat niet meer wonen in één aardse tempel. Hij
woont in de gemeente. In tabelvorm ziet de werkelijke vervulling er zo dus uit vergeleken bij wat de
schrijvers van het NT hierover zeggen. De zwarte tekst is de Bijbeltekst zoals in de SV77.
Daniël 9:24-27
Hebreeën 1:1-3
Hebreeën 9:26
1 Petrus 1:19,20
“God, voortijds veelmaal
“en om het gezicht, en en op velerlei wijze, tot
de
profeet
te de vaderen gesproken
verzegelen”
hebbende
door
de
“van de grondlegging der “Die wel voorge-kend
wereld af”
is geweest”
profeten”
“tot op Messías, de
Vorst”
“heeft tot ons gesproken
door
de
Zoon
…
Erfgenaam van alles”
“maar nu is Hij eenmaal “maar geopenbaard
geopenbaard”
“En na die twee en
zestig weken zal de
Messías
uitgeroeid
“in deze laatste dagen”
“in de voleinding der
eeuwen”
worden”
“nadat
Hij
“(vóór
de
grond-
legging der wereld) in
deze laatste tij-den”
de
“maar het zal niet reinigmaking
voor Hemzelf zijn”
is”
onzer “door de offerande van
zonden door Zichzelf te Zichzelf”
“om uwentwil”
weeg gebracht heeft”
“en om de zonden te “is
gezeten
verzegelen, en om de rechter
aan
hand
de “om de zonde te niet te “(als van een onbeder doen,”
straffelijk en onbe-
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 137
ongerechtigheid
te Majesteit in de hoogste
verzoenen.”
hemelen”
vlekt)
Lam
om
uwentwil”
Over de Hebreeuwse uitdrukking “qodesh qodashin” willen we nog iets verder uitweiden.
Deze term wil letterlijk vertaald zeggen “iets zeer heilig” en is normaal weergegeven als
“allerheiligst” of “heilige der heilige.” Het begrip is 44 maal gebruikt in het OT, waarvan er 14
betrekking hebben op het binnenste kubusgedeelte van het tabernakel, de tempel en de nieuwe
tempel (Ex.30: 26-29 / Ezech.41:4).
Andere heilige dingen waren:
Het altaar der brandoffers Ex.30:10.
De zalfolie Ex.30:30-36.
Het overblijfsel van offers Lev.2:3 / 6:15-17 / 10:12,17.
Het zondoffer Lev.6:25,26,29.
Het schuldoffer Lev.7:1,6.
Het toonbrood Ex.25:30 / Lev.24:9.
Elk offer aan God Lev.27:28 enz... enz...
De Schrift heeft ook nog een belangrijk onderscheid in verband met deze zaken. Er waren
namelijk “gezalfde” heilige dingen en “ongezalfde” heilige dingen met betrekking tot de tempel en
de dienst daar.
De dertien “gezalfde” dingen zijn:
1°) De tabernakel in zijn geheel Ex.30:26-29 / 40:9 / Lev.8:10.
2°) De ark des verbond Ex.30:26-29.
3°) De tafel der toonbroden Ex.30:26-29.
4°) Het gerei der tafel Ex.30:26-29.
5°) De gouden kandelaar Ex.30:26-29.
7°) Het reukaltaar Ex.30:26-29.
8°) Het brandofferaltaar Ex.29:36,37 / 40:10,16 / Num.7:1.
9°) Het gerei van het brandofferaltaar Ex.30:26-29.
10°) Het wasbekken Ex.30:26-29.
11°) Het voetstuk van het wasbekken Ex.30:26-29.
12°) Het voorhof Num.18:10.
13°) Het ganse bovengenoemde bij elkaar Ex.26:33,34 / 40:9,16 / Lev.8:10 /
Num.7:1 / vergelijk met Heb.9:3.
De zeven “ongezalfde” dingen zijn:
1°) De zalfolie Ex.30:31,35,36.
2°) Overblijfsel van spijsoffers Lev.2:3 / 6:15-17 / 10:12.
3°) Zondoffers Lev.6:25,26,29 / 10:17.
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 138
4°) Schuldoffers Lev.7:1,6.
5°) Toonbrood Ex.25:30 / Lev.24:5-9.
6°) Alle gaven aan God gegeven Lev.27:28.
7°) Gaven aan de Levitische dienst Num.18:9.
Zoals we hebben opgemerkt is er geen enkele schriftuurplaats die over een “allerheiligst
gezalfde persoon” spreekt, het gaat altijd om zaken en offers. Zelfs 1 Kron.23:13 is hierop geen
uitzondering, hoewel sommige vertalingen hier zeggen dat Aäron een “allerheiligst gezalfde” is.
Deze vertaling, zoals we ze vinden in de NBG onder andere, is echter fout. Een juiste vertaling is
bijvoorbeeld de Statenvertaling die zegt dat Aäron de allerheiligste dingen heiligde. Dat wil
natuurlijk niet zeggen dat er geen personen werden gezalfd in het OT. Hieronder een lijst van
gezalfde personen:
1) koningen in Israël, 1 Sam.9:16 / 1 Sam.10:1 / 2 Sam.2:4 / 5:3.
2) de hogepriesters, Lev.4:3,5,16 / 6:15
3) de vorst van Dan.9:25. Jezus, werd gezalfd met het oog op zijn sterven aan het kruis,
volgens de uitspraak in Mat.26:6-12 en Joh.12:3. Ook zijn voeten werden gezalfd bij een
voorafgaande gelegenheid (Luc.7:37-46).
4) de aartsvaders, Ps.105:15 vergeleken bij 1 Kron.16:22
5) Cyrus koning van Meden en Perzen een heiden is Gods gezalfde, zonder olie, Jes.45:1
Ofschoon volgens enkele kerkvaders, bijvoorbeeld Hippolytus en Tertullianus, alsook Calvijn
en Luther en de Joodse commentator Nachmanides, het “gezalfde allerheiligste” in Dan.9:24 op de
Messias toepassen geeft ons geen enkele reden om dit als énige uitleg te aanvaarden. Het zou de
enige maal zijn in de Schrift dat een “allerheiligst” ding op een persoon zou toegepast worden. Op
zijn hoogst zou er kunnen gezegd worden dat de Heer de tegenbeeldige tempel zalfde die Mozes
heeft gezien (Heb.8:1,2 / 9:12 / Opb.11:19). Ook dit laat als uitleg te wensen over aangezien we
feitelijk niets weten over dat hemelse heiligdom. Bovendien omdat de voorgaande
schriftuurplaatsen gemakkelijk symbolisch verklaard kunnen worden. De derde uitleg die overblijft,
is dat de Messias, de geestelijke tempel (zijn gemeente) heeft gezalfd door haar te doordringen van
Heilige Geest die figuurlijk als het ware zalfolie is (2 Cor.3:3 / Heb.10:15-18). De tekst bij uitstek bij
dit is Joh.16:15: “Hij (de Heilige Geest) neemt uit het mijne en zal het u verkondigen.” Hoe we dit
ook maar uitleggen, de 1ste, 2de, of 3de: het verwijst naar het werk van de Messias Jezus van
Nazareth.
Volgens Jehovah’s Getuigen is: “het Heilige der Heiligen” = “het hemelse Allerheiligste, de
grote geestelijke tempel van Jehovah”. Gods geestelijke tempel trad in werking toen Jezus zich bij
Johannes aanbood om gedoopt te worden. Zie voor deze uitleg ‘DE WACHTTOREN’ van 15 mei 2001,
blz.27.
Wat is de taak van de Messias die zondermeer beschreven is in dat vers 24 in het negende
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 139
hoofdstuk van Daniël. We beschrijven het nog eens met Bijbelteksten. De zes onderdelen zijn deze:
A.
om de overtreding te voleindigen, (NBG 51)
A.
1.
om de overtreding te sluiten, (SV 77)
Jezus zal een eind maken aan de zonde

Mattheus 1:21 – Jezus de redder, verlost Zijn volk van zonden: “Zij zal een zoon baren en gij
zult Hem de naam Jezus geven. Want Hij is het, die zijn volk zal redden van hun zonden.”

1 Corinthe 15:3 – Hij stierf ook voor onze zonden, ook deze van de heidenen: “Want vóór
alle dingen heb ik u overgegeven, hetgeen ik zelf ontvangen heb: Christus is gestorven
voor onze zonden, naar de Schriften.”

Galaten 1:4 - Gaf zichzelf voor onze zonden, zonder dwang: “die Zichzelf gegeven heeft voor
onze zonden, om ons te trekken uit de tegenwoordige boze wereld, naar de wil van onze
God en Vader.”
2.
Hij zal als verzoener optreden

Mattheus 20:28 - Jezus kwam om Zijn leven te geven als een losprijs: “gelijk de Zoon des
mensen niet gekomen is om Zich te laten dienen, maar om te dienen en zijn leven te geven
als losprijs voor velen.”

Epheze 1:7 – In Zijn bloed is vergeving: “En in Hem hebben wij de verlossing door zijn
bloed, de vergeving van de overtredingen, naar de rijkdom zijner genade.”

Colossenzen 1:20 – Door Zijn offer zijn alle dingen in hemel, aarde en onder de zee
verzoend: “en door Hem, vrede gemaakt hebbende door het bloed zijns kruises, alle
dingen weder met Zich te verzoenen, door Hem, hetzij wat op de aarde, hetzij wat in de
hemelen is.”
3.
Het herstel was voorzegd

Exodus 34:6,7 SV77: “Toen nu de HEERE voor zijn aangezicht voorbijging, zo riep Hij:
HEERE, HEERE, God, barmhartig en genadig, lankmoedig en groot van weldadigheid en
waarheid. Die de weldadigheid bewaart aan vele duizenden, Die de ongerechtigheid, en
overtreding, en zonde vergeeft; Die de schuldige geenszins onschuldig houdt, bezoekende
de ongerechtigheid der vaderen aan de kinderen, en aan de kindskinderen, in het derde en
vierde geslacht.”

Psalm 32:1,5 SV77: “Welgelukzalig is hij, wiens overtreding vergeven, wiens zonde bedekt
is. (…) Mijn zonde maakte ik U bekend, en mijn ongerechtigheid bedekte ik niet. Ik zeide:
Ik zal
belijdenis van mijn overtredingen doen voor de HEERE; en Gij vergaaft de
ongerechtigheid mijner zonde.”
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 140
4.
Het herstel heeft ook betrekking op de heidenen

Rom.5:18 SV77: “Zo dan, gelijk door één misdaad de schuld gekomen is over alle mensen
tot verdoemenis, alzo komt ook door één rechtvaardigheid de genade over alle mensen tot
rechtvaardigmaking des levens.

Rom.5:19SV77 “Want gelijk door de ongehoorzaamheid van die éne mens velen tot
zondaars gesteld zijn geworden, alzo zullen ook door de gehoorzaamheid van Een velen tot
rechtvaardigen gesteld worden.

Rom.5:10 SV77: “Want indien wij, vijanden zijnde, met God verzoend zijn door de dood
van Zijn Zoon, veel meer zullen wij, verzoend zijnde, behouden worden door Zijn leven.”
B.
B.
1.
de zonde af te sluiten, (NBG 51)
en om de zonden te verzegelen, (SV 77)
Jezus neemt onze zonden op zich

2 Corinthe 5:21 – Hij neemt de zonde op zich zodat we er vrij van zijn en gerechtvaardigd
“Hem, die geen zonde gekend heeft, heeft Hij voor ons tot zonde gemaakt, opdat wij
zouden worden gerechtigheid Gods in Hem.”

1 Petrus 2:24 – Wij zijn door Zijn striemen geheeld: “die zelf onze zonden in zijn lichaam op
het hout gebracht heeft, opdat wij, aan de zonden afgestorven, voor de gerechtigheid
zouden leven; en door zijn striemen zijt gij genezen.”

De zonde die Jezus heeft verzoend had het niet nodig om later dan eens gebruikt te worden
en toegepast. Het had een onmiddellijke vervulling. Het is toen aan het kruis volbracht.

Hebreeën 9:23-28 – Het was een éénmalige gebeurtenis: “Noodzakelijk moesten dus
hiermede de afbeeldingen van de hemelse dingen gereinigd worden, maar de hemelse
dingen zelf met betere offeranden dan deze. Want Christus is niet binnengegaan in een
heiligdom met handen gemaakt, een afbeelding van het ware, maar in de hemel zelf, om
thans, ons ten goede, voor het aangezicht Gods te verschijnen; ook niet om Zichzelf
dikwijls te offeren, gelijk de hogepriester jaarlijks met ander bloed dan het zijne in het
heiligdom gaat, want dan had Hij dikwijls moeten lijden sinds de grondlegging der wereld;
maar thans is Hij éénmaal, bij de voleinding der eeuwen, verschenen om door zijn offer de
zonde weg te doen. En zoals het de mensen beschikt is, éénmaal te sterven en daarna het
oordeel, zo zal ook Christus, nadat Hij Zich éénmaal geofferd heeft om veler zonden op
Zich te nemen, ten tweeden male zonder zonde aanschouwd worden door hen, die Hem
tot hun heil verwachten.”
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 141
2.
“Verzegelen” wil zeggen dat iets tot zijn vervulling is gekomen. De zaak is opgelost en
afgesloten. Men hoeft er niet meer aan te sleutelen op één of andere manier.

1 Corinthe 15:3: “Het belangrijkste dat ik u heb doorgegeven, heb ik op mijn beurt ook
weer ontvangen: dat Christus voor onze zonden is gestorven, zoals in de Schriften staat.”
En dat is nogal wat, dat wil zeggen dat in de Schriften van het Oude Verbond al voorzegd is
dat HEIDENEN met God verzoend worden.
3.
In het OT is voorzegd dat de zonde zal ophouden.

Jer.3:12 SV77: “Ga heen, en roep deze woorden uit tegen het noorden, en zeg: Bekeer u, gij
afkerige Israël! spreekt de HEERE, zo zal Ik Mijn toorn op u niet doen vallen; want Ik ben
goedertieren, spreekt de HEERE. Ik zal de toorn niet in eeuwigheid behouden.”
C.
C.
1.
de ongerechtigheid te verzoenen, (NBG 51)
en om de ongerechtigheid te verzoenen, (SV 77)
Daniël kreeg antwoord over de vergeving van het volk Israël

De eerste komst van Christus heeft niet de zonde uit de wereld genomen zodat er géén meer
was. De zonde heeft echter wel door Hem zijn kracht verloren.

Met wat Jezus doet is datgene gebracht dat de zonde definitief oplost.

Hebreeën 9:26 - Jezus stierf éénmaal, voor allen. Dat hoeft niet meer herhaald te worden:
“want dan had Hij dikwijls moeten lijden sinds de grondlegging der wereld; maar thans is
Hij éénmaal, bij de voleinding der eeuwen, verschenen om door zijn offer de zonde weg te
doen.”
2.
Jesaja 53:1-10 gebruikt woorden als “overtredingen, ongerechtigheden en straf”
om het werk te beschrijven waar Christus als Verlosser de oplossing aan geeft.
“Wie gelooft, wat wij gehoord hebben, en aan wie is de arm des HEREN geopen-baard?
Want als een loot schoot hij op voor zijn aangezicht, en als een wortel uit dor-re aarde; hij
had gestalte noch luister, dat wij hem zouden hebben aangezien, noch gedaante, dat wij
hem zouden hebben begeerd. Hij was veracht en van mensen verla-ten, een man van
smarten en vertrouwd met ziekte, ja, als iemand, voor wie men het gelaat verbergt; hij
was veracht en wij hebben hem niet geacht. Nochtans, onze ziek-ten heeft hij op zich
genomen, en onze smarten gedragen; wij echter hielden hem voor een geplaagde, een
door God geslagene en verdrukte. Maar om onze overtredingen werd hij doorboord, om
onze ongerechtigheden verbrijzeld; de straf die ons de vrede aanbrengt, was op hem, en
door zijn striemen is ons genezing geworden. Wij allen dwaalden als schapen, wij
wendden ons ieder naar zijn eigen weg, maar de HERE heeft ons aller ongerechtigheid op
hem doen neerkomen. Hij werd mishandeld, maar hij liet zich verdrukken en deed zijn
mond niet open; als een lam dat ter slachting geleid wordt, en als een schaap dat stom is
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 142
voor zijn scheerders, zo deed hij zijn mond niet open. Hij is uit verdrukking en gericht
weggenomen, en wie onder zijn tijdgeno-ten bedacht, dat hij is afgesneden uit het land
der levenden? Om de overtreding van mijn volk is de plaag op hem geweest. En men stelde
zijn graf bij de goddelozen; bij de rijke was hij in zijn dood, omdat hij geen onrecht gedaan
heeft en geen bedrog in zijn mond is geweest. Maar het behaagde de HERE hem te
verbrijzelen. Hij maakte hem ziek. Wanneer hij zichzelf ten schuldoffer gesteld zal hebben,
zal hij nakomelin-gen zien en een lang leven hebben en het voornemen des HEREN zal
door zijn hand voortgang hebben. Om zijn moeitevol lijden zal hij het zien tot verzadiging
toe.”
Jesaja 53 is regelmatig in het NT gebruikt om het offer van Jezus te beschrijven.

Mattheus 8:17: “opdat in vervulling ging wat gezegd is door de profeet Jesaja: ‘Hij
was het die onze ziekten wegnam en onze kwalen op zich heeft genomen.’”

Marcus 9:12: “Hij antwoordde: ‘Elia komt inderdaad eerst en herstelt alles, maar
over de Mensenzoon staat toch geschreven dat hij veel moet lijden en met
verachting behandeld zal worden?”

Handelingen 8:32: “Dit was het schriftgedeelte dat hij las: ‘Als een schaap werd hij
naar de slacht geleid; als een lam dat stil is bij zijn scheerder deed hij zijn mond niet
open.”

Romeinen 4:25: “hij die werd prijsgegeven om onze zonden en werd opgewekt
omwille van onze rechtvaardiging.”

1 Petrus 2:24: “Hij heeft in zijn lichaam onze zonden het kruishout op gedra-gen,
opdat wij, dood voor de zonde, rechtvaardig zouden leven. Door zijn striemen bent
u genezen.”
D.
D.
1.
en om eeuwige gerechtigheid te brengen, (NBG 51)
en om een eeuwige gerechtigheid aan te brengen, (SV 77)
In het OT is voorzegd dat Gods gerechtigheid nabij is.

Jes.51:5-11 SV77: “Mijn gerechtigheid is nabij, Mijn heil trekt uit, en Mijn armen zullen de
volken richten; op Mij zullen de eilanden wachten; en op Mijn arm zullen zij hopen. Heft
uw ogen op naar de hemel, en aanschouwt de aarde beneden; want de hemel zal als een
rook verdwijnen, en de aarde zal als een kleed verouderen, en haar inwoners zullen op
gelijke wijze sterven; maar Mijn heil zal in eeuwigheid zijn, Mijn gerechtigheid zal niet
verbroken worden. Hoort naar Mij, gij, die de gerechtigheid kent, gij volk, in welks hart
Mijn wet is! vreest niet de smaadheid van de mens, en ontzet u voor hun smaadredenen
niet. Want de mot zal ze opeten als een kleed, en het schietwormpje zal ze opeten als wol;
maar Mijn gerechtigheid zal in eeuwigheid zijn, en Mijn heil van geslacht tot geslachten.
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 143
Ontwaak, ontwaak, trek sterkte aan, Gij arm des HEEREN! ontwaak als in de verleden
dagen, als in de geslachten van ouds; zijt Gij het niet, Die Rahab uitgehouwen hebt, Die de
zeedraak verwond hebt? Zijt Gij het niet, Die de zee, de wateren van de grote afgrond,
droog gemaakt hebt? Die de diepten der zee gemaakt hebt tot een weg, opdat de
verlosten daardoor gingen? Alzo zullen de vrijgekochten des HEEREN weerkeren, en met
gejuich tot Sion komen; en eeuwige blijdschap zal op hun hoofd wezen; vreugde en
blijdschap zullen zij aangrijpen, treuring en zuchting zullen wegvluchten.”
2.
Paulus wijst erop dat Jezus’ offer effectief ingaat vanaf die dood aan het kruis.

Romeinen 3:21-26: “Thans is echter buiten de wet om gerechtigheid Gods openbaar
geworden, waarvan de wet en de profeten getuigen, en wel gerechtigheid Gods door het
geloof in [Jezus] Christus, voor allen, die geloven; want er is geen onderscheid. Want allen
hebben gezondigd en derven de heerlijkheid Gods, en worden om niet gerechtvaardigd uit
zijn genade, door de verlossing in Christus Jezus. Hem heeft God voorgesteld als
zoenmiddel door het geloof, in zijn bloed, om zijn rechtvaardigheid te tonen, daar Hij de
zonden, die tevoren onder de verdraagzaamheid Gods gepleegd waren, had laten
geworden – om zijn rechtvaardigheid te tonen, in de tegenwoordige tijd, zodat Hijzelf
rechtvaardig is, ook als Hij hem rechtvaardigt, die uit het geloof in Jezus is.”
3.
Deze gerechtigheid wordt aan mensen gebracht door de prediking van het evangelie.

Romeinen 1:16,17: “Want ik schaam mij het evangelie niet; want het is een kracht Gods tot
behoud voor een ieder die gelooft, eerst voor de Jood, maar ook voor de Griek. Want
gerechtigheid Gods wordt daarin geopenbaard uit geloof tot geloof, gelijk geschreven
staat: De rechtvaardige zal uit geloof leven.”
4.
Met dat ene offer van Jezus zijn alle offers van het OT opgehouden effectief te zijn.

Hebreeën 10:8-10: “In de aanhef zegt Hij: Slachtoffers en offergaven, brandoffers en
zondoffers, hebt Gij niet gewild, noch daarin een welbehagen gehad, hoewel zij naar de
wet gebracht worden. (Doch) daarna heeft Hij gezegd: Zie, hier ben Ik om uw wil te doen.
Hij heft het eerste op, om het tweede te laten gelden. Krachtens die wil zijn wij eens voor
altijd geheiligd door het offer van het lichaam van Jezus Christus.”

Jezus nagelde de Wet van Mozes aan het kruis en heeft hem hierdoor ongeldig gemaakt Colossenzen 2:14: “door het bewijsstuk uit te wissen, dat door zijn inzettingen tegen ons
getuigde en ons bedreigde. En dat heeft Hij weggedaan door het aan het kruis te nagelen.”
5.
Jezus heeft de vijandschap tussen Joden en heidenen weggedaan.
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 144

Epheziërs 2:13-17: “Maar thans in Christus Jezus zijt gij, die eertijds veraf waart, dichtbij
gekomen door het bloed van Christus. Want Hij is onze vrede, die de twee één heeft
gemaakt en de tussenmuur, die scheiding maakte, de vijandschap, weggebroken heeft,
doordat Hij in zijn vlees de wet der geboden, in inzettingen bestaande, buiten werking
gesteld heeft, om in Zichzelf, vrede makende, de twee tot één nieuwe mens te scheppen,
en de twee, tot één lichaam verbonden, weder met God te verzoenen door het kruis,
waaraan Hij de vijandschap gedood heeft. En bij zijn komst heeft Hij vrede verkondigd aan
u, die veraf waart, en vrede aan hen, die dichtbij waren.”

Het oude verbond zal door een totaal nieuw worden vervangen - Hebreeën 8:7-9: “Want
indien dat eerste onberispelijk ware geweest, zou er geen plaats gezocht zijn voor een
tweede. Want Hij berispt hen, als Hij zegt: Zie, er komen dagen, spreekt de Here, dat Ik
voor het huis Israëls en het huis Juda een nieuw verbond tot stand zal brengen, niet zoals
het verbond, dat Ik met hun vaderen maakte ten dage, dat Ik hen bij de hand nam om hen
uit het land Egypte te leiden, want zij hebben zich niet gehouden aan mijn verbond.”

Jezus is de Middelaar van het Nieuw Verbond - Hebreeën 9:15: “En daarom is Hij de
middelaar van een nieuw verbond, opdat, nu Hij de dood had ondergaan om te be-vrijden
van de overtredingen onder het eerste verbond, de geroepenen de belofte der eeuwige
erfenis ontvangen zouden.”
E.
E.

en om het gezicht, en de profeet te verzegelen, (NBG 51)
en om het gezicht, en de profeet te verzegelen, (SV 77)
“Verzegelen” wil zeggen dat iets tot zijn vervulling is gekomen. De zaak is opgelost en men
hoeft er niet meer aan te sleutelen op één of andere manier.

De profetie van het OT heeft meerdere malen Jezus en Zijn lijden op het oog. - 1 Petrus 1:1012: “Naar deze zaligheid hebben gezocht en gevorst de profeten, die van de voor u
bestemde genade geprofeteerd hebben, terwijl zij naspeurden, op welke of hoedanige tijd
de Geest van Christus in hen doelde, toen Hij vooraf getuigenis gaf van al het lijden, dat
over Christus zou komen, en van al de heerlijkheid daarna. Hun werd geopenbaard, dat zij
niet zichzelf, maar u dienden met die dingen, welke u thans verkondigd zijn bij monde van
hen, die door de heilige Geest, die van de hemel gezonden is, u het evangelie hebben
gebracht, in welke dingen zelfs engelen begeren een blik te slaan.”

Met de komst van de Nieuwe Wet was er geen noodzaak meer voor een blijvende vorm van
profetie volgens 1 Corinthe 13:8-13. Want “ De liefde vergaat nimmermeer; maar
profetieën, zij zullen afgedaan hebben; tongen, zij zullen verstommen; kennis, zij zal
afgedaan hebben. Want onvolkomen is ons kennen en onvolkomen ons profeteren. Doch,
als het volmaakte komt, zal het onvolkomene afgedaan hebben. Toen ik een kind was,
sprak ik als een kind, voelde ik als een kind, overlegde ik als een kind. Nu ik een man ben
geworden, heb ik afgelegd wat kinderlijk was. Want nu zien wij nog door een spiegel, in
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 145
raadselen, doch straks van aangezicht tot aangezicht. Nu ken ik onvolkomen, maar dan zal
ik ten volle kennen, zoals ik zelf gekend ben. Zo blijven dan: Geloof, hoop en liefde, deze
drie, maar de meeste van deze is de liefde.”

God zou op een bepaald moment stoppen met het zenden van profeten - Zacharia 13:2,3:
“En Ik zal te dien dage, luidt het woord van de HERE der heerscharen, de namen van de
afgoden uit het land uitroeien, zodat niet meer aan hen gedacht zal worden; ook de
profeten en de onreine geest zal Ik uit het land wegdoen. Wanneer dan nog iemand als
profeet optreedt, zullen zijn vader en zijn moeder, die hem ver-wekt hebben, tot hem
zeggen: Gij zult niet blijven leven, omdat gij leugens gesproken hebt in de naam des
HEREN; ja, zijn vader en zijn moeder, die hem verwekt hebben, zullen hem doorsteken,
wanneer hij als profeet optreedt.”

Er vanuit gaan dat we Jezus volgen en al dan niet profetische gaven hebben is niet de basis Mattheus 7:21-23: “Niet een ieder, die tot Mij zegt: Here, Here, zal het Koninkrijk der
hemelen binnengaan, maar wie doet de wil mijns Vaders, die in de hemelen is. Velen
zullen te dien dage tot Mij zeggen: Here, Here, hebben wij niet in uw naam geprofeteerd
en in uw naam boze geesten uitgedreven en in uw naam vele krachten gedaan? En dan zal
Ik hun openlijk zeggen: Ik heb u nooit gekend; gaat weg van Mij, gij werkers der
wetteloosheid.”
F.
F.
en iets allerheiligst te zalven. (NBG 51)
en om de heiligheid der heiligheden te zalven. (SV 77)
Eerste versie = Christus

God is het meest heilige wat er bestaat.

Jezus, is God in menselijke vorm - Johannes 1:1-4,14: “In den beginne was het Woord en het
Woord was bij God en het Woord was God. Dit was in den beginne bij God. Alle dingen zijn
door het Woord geworden en zonder dit is geen ding geworden, dat geworden is. In het
Woord was leven en het leven was het licht der mensen (…) Het Woord is vlees geworden
en het heeft onder ons gewoond en wij hebben zijn heerlijk-heid aanschouwd, een
heerlijkheid als van de eniggeborene des Vaders, vol van genade en waarheid.”

Zalving was gebruikt voor de aanstelling van iemand in Gods dienst. Een soort verklaring DAT
DE PERSOON GEMACHTIGD IS TE HANDELEN VAN GODSWEGE.
o Voorbeeld: Exodus 28:41 - een priester: “Dan zult gij daarmede uw broeder Aäron
en zijn zonen bekleden en hen zalven, wijden en heiligen, zodat zij voor Mij het
priesterambt bekleden kunnen.”
o Voorbeeld: 1 Koningen 19:16 - een koning en een profeet: “Voorts zult gij Jehu, de
zoon van Nimsi, zalven tot koning over Israël; en Elisa, de zoon van Safat, uit AbelMechola, zult gij zalven tot profeet in uw plaats.” Cyrus koning van Meden en
Perzen een heiden was zelfs gezalfd, Jes.45:1
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 146
o Christus bezit elk van die drie functies. “Christus” en “Messias” is DE TERM = “de
gezalfde”

Handelingen 3:30-22 = een profeet: “en Hij de Christus, die voor u tevo-ren
bestemd was, Jezus, zende; Hem moest de hemel opnemen tot de tijden
van de wederoprichting aller dingen, waarvan God gesproken heeft bij
monde van zijn heilige profeten, van oudsher. Mozes toch heeft gezegd: De
Here God zal u een profeet doen opstaan uit uw broeders, gelijk mij: naar
hem zult gij horen in alles wat hij tot u spreken zal.”

Hebreeën 3:1 = een priester: “Daarom, heilige broeders, deelgenoten der
hemelse roeping, richt uw oog op de apostel en hogepriester onzer
belijdenis, Jezus.”

Mattheus 21:5 = een koning: “Zegt der dochter Sions: Zie, uw Koning komt
tot u, zachtmoedig en rijdend op een ezel, en op een veulen, het jong van
een lastdier.”

Het is voorzegd door de profeet Jesaja dat de Messias de Geest zal hebben - Jesaja 61:1: “De
Geest des Heren HEREN is op mij, omdat de HERE mij gezalfd heeft; Hij heeft mij gezonden
om een blijde boodschap te brengen aan ootmoedigen, om te verbinden gebrokenen van
hart, om voor gevangenen vrijlating uit te roepen en voor gebondenen opening der
gevangenis.”
o Vervuld bij de doop van Jezus - Mattheus 3:16,17: “Terstond nadat Jezus ge-doopt
was, steeg Hij op uit het water. En zie, de hemelen openden zich, en hij zag de
Geest Gods nederdalen als een duif en op Hem komen. En zie, een stem uit de
hemelen zeide: Deze is mijn Zoon, de geliefde, in wie Ik mijn welbehagen heb.”
o We hebben dit getuigenis ook bij de apostelen - Handelingen 10:38: “van Jezus van
Nazaret, hoe God Hem met de heilige Geest en met kracht heeft gezalfd. Hij is
rondgegaan, weldoende en genezende allen, die door de duivel over-weldigd
waren; want God was met Hem.”
F.
F.
en iets allerheiligst te zalven. (NBG 51)
en om de heiligheid der heiligheden te zalven. (SV 77)
Tweede versie = de hemelse tempel

1°) Christus kwam als Hogepriester tot ZIJN TEMPEL (Heb.9:11): “Maar Christus,
opgetreden als hogepriester der goederen, die gekomen zijn, is door de grotere en meer
volmaakte tabernakel, niet met handen gemaakt, dat is, niet van deze schepping,”

2°) Hij ging er binnen met Zijn eigen bloed (Heb.9:12): “en dat niet met het bloed van
bokken en kalveren, maar met zijn eigen bloed, eens voor altijd binnengegaan in het
heiligdom, waardoor Hij een eeuwige verlossing verwierf.”
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 147

3°) Hij verscheen in Gods tegenwoordigheid (Heb.9:24): “Want Christus is niet
binnengegaan in een heiligdom met handen gemaakt, een afbeelding van het ware, maar
in de hemel zelf, om thans, ons ten goede, voor het aangezicht Gods te verschijnen.”

4°) Zijn bloed reinigde de zonden van Zijn volk OM God te dienen (Heb.9:14): “hoeveel te
meer zal het bloed van Christus, die door de eeuwige Geest Zichzelf als een smetteloos
offer aan God gebracht heeft, ons bewustzijn reinigen van dode werken, om de levende
God te dienen?”

5°) De verzoening was volledig en hoefde géén supplementaire reiniging (Heb.10:11-14):
“Voorts staat elke priester dagelijks in zijn dienst om telkens dezelfde offers te brengen,
die nimmer de zonden kunnen wegnemen; deze echter is, na één offer voor de zonden te
hebben gebracht, voor altijd gezeten aan de rechterhand van God, voorts afwachtende,
totdat zijn vijanden gemaakt worden tot een voetbank voor zijn voeten. Want door één
offerande heeft Hij voor altijd hen volmaakt, die geheiligd worden.”

6°) HIJ REINIGDE DE AFBEELDINGEN (DUS HET AARDSE) VAN DE HEMELSE DINGEN
(Heb.9:23): “Noodzakelijk moesten dus hiermede de afbeeldingen van de hemelse dingen
gereinigd worden, maar de hemelse dingen zelf met betere offeranden dan deze.”
F.
F.
en iets allerheiligst te zalven. (NBG 51)
en om de heiligheid der heiligheden te zalven. (SV 77)
Derde versie = de gemeente van Christus = God woont er in

1 Cor.3:16,17 NBG: “Weet gij niet, dat gij Gods tempel zijt en dat de Geest Gods in u
woont? Zo iemand Gods tempel schendt, God zal hem schenden. Want de tempel Gods,
en dat zijt gij, is heilig!”

1 Cor.6:19 NBG: “Of weet gij niet, dat uw lichaam een tempel is van de Heilige Geest, die
in u woont, die gij van God ontvangen hebt, en dat gij niet van uzelf zijt?”

2 Cor.6:16b NBG: “Wij toch zijn de tempel van de levende God.”

Eph.2:21,22 NBG: “In Hem wast elk bouwwerk, goed ineensluitend, op tot een tempel,
heilig in de Here, in wie ook gij mede gebouwd wordt tot een woonstede Gods in de
Geest.”
Vers 25
STATENVERTALING DAN.9:25
LUTHERVERTALING DAN.9:25
LEIDSCHEVERTALING DAN.9:25
“Weet dan, en versta: van “Zo weet nu en geef acht: van “Gij moet dan weten en
den uitgang des woords, om dien tijd af als het bevel verstaan: van het ogenblik af
te doen wederkeren, en om uitgaat, dat Jeruzalem zal waarop
het
woord
Jeruzalem te bouwen, tot op herbouwd worden, tot op den uitgesproken is om Jeruzalem
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 148
Messias, den Vorst, zijn zeven vorst
weken, en twee en zestig weken
Messias
en
zijn
zeven te
herstellen
en
te
tweeënzestig herbouwen, tot een gezalfde,
weken; de straten, en de weken: dan zullen de straten een vorst, zijn zeven weken;
grachten
zullen
wederom en muren herbouwd worden, en twee en zestig weken lang
gebouwd worden, doch in hoewel in een benauwden zal het hersteld en herbouwd
benauwdheid.”
tijd.”
worden,
met
pleinen
en
wallen, maar in den druk der
tijden.”
Hieronder de voetnoten en aantekeningen van de Statenvertaling bij Dan.9:25.
80) Weet dan, en versta:
Onze Heere Jezus Christus doet even deze zelfde vermaning, aangaande deze profetie; Matth.
24:15.
81) van den uitgang des woords,
Dat is, van dien tijd af, dat er een bevel zal uitgaan dat men het volk, [te weten het Joodse volk]
wederbrengen, dat is loslaten zal uit de Babylonische gevangenschap, en hetzelve Jeruzalem
herbouwen zal. Versta hier door het woord het bevel, gelijk Dan. 9:23, te weten het bevel van
Cyrus, naar sommiger gevoelen. Zie 2 Kron. 36:22,23, en Ezra 1:1, en boven de aantekening Dan.
9:24, van het begin der zeventig weken. Anders: om weder te brengen; dat is, om weder ter
hand te stellen; te weten de vaten des tempels, die uit den tempel naar Babel gevoerd waren.
Anders: om te herstellen, namelijk den staat der kerk en der regering.
82) Messias
Dat is, tot op Christus, het Hebreeuwse woord Messias, [hetwelk even hetzelfde, dat Christus
betekent, namelijk een gezalfde] staat ook Joh. 1:42, en Joh. 4:25.
83) den Vorst,
Of, leidsman, gelijk Jes. 55:4, of hertog, gelijk 2 Sam. 7:8, en 2 Kon. 20:5.
84) de straten,
Hebreeuws, de straat en de gracht. Anders: uitgehouwen gracht. Versta dit van de
stadsgrachten.
85) in benauwdheid der tijden.
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 149
Want al wat onder Ezra aan de muren gebouwd was, dat werd kort daarna door de vijanden der
Joden weder omvergeworpen, en de poorten met vuur verbrand. En onder Nehemia moesten zij
bouwen met den troffel in de ene en het geweer in de andere hand, Neh. 4:17; waarom de
Joden zich zozeer haastten, dat zij het gebouw van den muur optrokken in twee en vijftig dagen.
Vers 25 zegt volgens de NBG: “vanaf het ogenblik, dat het woord uitging om Jeruzalem te
herstellen en te herbouwen tot op een gezalfde, een vorst, zijn zeven weken; en tweeënzestig
weken lang zal het hersteld en herbouwd blijven, met plein en gracht, maar in de druk der tijden.”
Volgens deze vertaling zou er na het bevel tot heropbouw en de komst van een gezalfde, slechts 7
(zeven) jaarweken zijn of 49 jaren. Dat is verkeerd omdat deze tekst is gebaseerd op de
Masoretische tekst die tussen “zeven weken” en “twee en zestig” weken een “atnach”-teken heeft.
Dat teken dat door de Masoreten achter het woord “zeven” (“sibhah”) is gezet brengt dus
verwarring. Het gaat dus om een teken dat is toegevoegd aan de Hebreeuwse tekst NA de 6de eeuw
na Christus.
Professor E. B. Pusey doceerde aan de Universiteit van Oxford een schreef een nog steeds in
druk uitgegeven commentaar op Daniël 9. Hij zegt in een voetnoot bij een van zijn in drukvorm
verschenen colleges over de accentuatie door de masoreten: “De joden zetten de hoofddeler van het
vers onder ‫[ ?בעה‬zeven], met de bedoeling de twee getallen, 7 en 62, te scheiden. Dit moeten zij met
onoprechte bedoelingen hebben gedaan, ‫( למען המינים‬zoals Rasji) zegt in een afwijzing van de
letterlijke uitleg, die de christelijke zienswijze ondersteunde) ’wegens de ketters’, d.w.z. de christenen.
Wanneer het laatste zinsdeel zo afgescheiden wordt, kan het niets anders betekenen dan dat ’straat
en muur gedurende tweeënzestig weken hersteld en gebouwd zullen worden’, d.w.z. dat de herbouw
van Jeruzalem 434 jaar zou moeten duren, en dat zou onzinnig zijn.” — Daniel the Prophet, 1885,
blz.190.
We hebben een opmerking in dat verband van Gerald Sigal de Jood die een kritisch artikel
schreef over hoe christenen dat gedeelte vertalen. Titel: ‘Daniel’s 70 Weeks: Dan. 9:24-27’op
www.word-gems.com/ “De Masoretische tekst zegt niet “dat Jeruzalem 434 jaar zou worden
gebouwd, maar dat zij zou worden opgebouwd gedurende deze lengte van de tijd. Het werkwoord
banah is als “op te bouwen” maar wordt soms gebruikt voor “uitbreiding.” Zoals te zien is,
bijvoorbeeld in de uitdrukking: “Vanaf de dag dat deze stad gebouwd werd tot op de dag van
vandaag, heeft ze [dat is Jeruzalem] zozeer mijn boosheid en mijn woede opgewekt dat Ik haar laat
verdwijnen.” (Jeremia 32:31 ). (In 1 Koningen 12:25 heeft het werkwoord banah in werkelijkheid de
betekenis van “versterken”.) Sinds Jeruzalem als stad bestond, lang voordat de verovering door David
van de Jebusieten plaats had, is het duidelijk dat wat wordt bedoeld met Jeremia naar de periode
verwijst waarin de stad uitgebreid werd door David en degenen die hem opvolgden. Dit is hier ook
de betekenis van het werkwoord in Daniël. Het is een verwijzing naar de periode van toen de
uitbreiding van de stad, zoals trouwens het was tijdens de tweede gemenebest.”
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 150
Dat “atnach”-teken heeft volgens Gesenius, een deskundige van de Hebreeuwse taal, niet
alleen de betekenis van een punt maar dikwijls ook van een rustperiode of als een pauze. Men mag
namelijk niet vergeten dat de Joden de Bijbel niet alleen luidop voordragen maar ook zelfs zingen.
En dat zou ook de betekenis hier zijn van het “atnach”-teken, een rustperiode tijdens de zang der
profetie. Het is dan niet te verwonderen dat de Griekse Septuaginta vertaling en de Latijnse Vulgata
die zulke tekens niet gebruiken de 7 weken met de 62 weken aan elkaar verbinden wat juist is. De
Messias kwam dus niet 7 weken ná het woord van herstel maar degelijk na 7+62 = 69 weken.
Het 25ste vers zegt ons dat wanneer “het woord” uitgaat om Jeruzalem te bouwen tot op
een gezalfde (een vorst) er 7 weken + 62 weken zijn. De vertaling van het Nederlandse
Bijbelgenootschap is zeer duister. Er wordt precies in gezegd alsof er tot op de Messias slechts zeven
weken zouden zijn (vanwage het “atnach”-teken) wat niet het geval is en ook niet overeenkomt met
vele vertalingen. De Griekse Septuaginta is hierin veel duidelijker. Zij zegt (volgens de Thomson
vertaling): “Gij behoort te weten en te begrijpen dat van het uitvaardigen van een woord voor het
geven van een antwoord en voor het bouwen van Jeruzalem tot een gezalfden heerser zijn: zeven
weken en twee en zestig weken. Zij zullen inderdaad terugkeren en een straat zal worden
gebouwd en een muur, en deze tijden zullen worden vervuld.”
Dit heeft allemaal, zoals vroeger opgemerkt, te maken met de punctuatie van de
manuscripten. Wijzen we er nog eens op dat de oorspronkelijke teksten géén punten of komma’s
hebben. In de Septuaginta, Theodotion, de Vulgaat en de Syrische vertalingen behoren de 7 en de
62 jaarweken bij elkaar. En dat zijn vertalingen die honderden jaren ouder zijn dan gelijk welke van
de Masoretische teksten! Er zijn enkele vertalingen die hiermee rekening houden: KJV, ASV, ERV
(voetnoot), MLB, JB. Tot aan de Messias is er volgens deze 7 + 62 jaarweken. Maar de andere lezing
is ook gangbaar die is gebaseerd op de veel latere punctuatie van de Masoretische tekst. En dat is
gevolgd in o.a.: ERV, RSV, NEB, NASB. Tot slot: die tekst is op zijn minst niet ouder dan de 6 de eeuw
na Christus en waarschijnlijker nog de 8ste eeuw.
Zou hier kunnen achterzitten dat de Joodse Masoreten zich door deze punctuatie willen
distantiëren van de christelijke uitleg en Messiaanse interpretatie van Dan.9:24-27? Een opmerking
bij Rabbi Rashi schijnt dit vermoeden te ondersteunen. Ofschoon: we moeten in oprechtheid ook
toegeven dat de Septuaginta sterk afwijkt van de Masoretische tekst en we ons niet slechts daarop
mogen blind staren. In vele Septuagintamanuscripten staat ook niet de versie van de Septuaginta
voor Dan.9:24-27, maar een aangepaste uit de Griekse Theodotion.
Gerald Sigal is een Jood die de uitleg van christenen over deze profetie van Daniël heftig
aanvalt. Hij schreef ‘Daniel's 70 Weeks: Dan. 9:24-27’ op www.word-gems.com/ Hij gaat uit de van
de Engelse King James vertaling, maar het is evengoed van toepassing op onze Nederlandse. Wij
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 151
citeren er dit uit:
“De King James Version gaat voorbij aan de Hebreeuwse interpunctie:
a. Het leesteken ‘ atnah fungeert als de belangrijkste pauze in een zin. De ‘ atnah is als het
ingeschatte equivalent van de puntkomma in de moderne systemen van leestekens. Het heeft dus
het effect van het scheiden van de zeven weken na de tweeënzestig weken: “Totdat een gezalfde,
een vorst, zijn zeven weken, daarna voor tweeënzestig weken zal het weer worden opgebouwd.”
(9:25).
b. Door het creëren van een aaneenschakeling van negenenzestig weken die niet zijn opgedeeld in
twee afzonderlijke periodes van zeven weken en tweeënzestig weken respectievelijk komen
christelijke zendelingen tot een onjuiste conclusie: dat de Messias zal komen 483 jaar na de
verwoesting van de eerste tempel.” We gaan daar niet dieper op in, omdat het begrip ‘atnah, dat is
weergegeven door een LEESTEKEN maar geen echte letter is die iets aan de TEKST toevoegt,
volgens andere Joodse uitleggingen geen tijd inschakelt tussen de zeven en de tweeënzestig weken.
Dus ook in die Joodse kringen zijn er theologen die het als één gedeelte lezen, waar twee
opeenvolgende evenementen plaats hebben.
In de serie ‘Bijbelstudie’ van Vlichthus Bijbelinformatie, waar de dispensatatieleer hoog in
het vaandel staat, verscheen een studie ‘Tijden en gelegenheden.’ Het commentaar bij Daniël 9:25
heeft deze inleiding:
“Er staat niet ”vanaf het moment, dat men wederkeerde of dat men begon met Jeruzalem te
bouwen”, noch ”vanaf het moment, dat men de tempel begon te bouwen/ verfraaien”. In 536, in het
eerste jaar van Kores, kregen de Joden toestemming om terug te keren en de tempel te herbouwen.
In het jaar 520 werd de fundering van de tempel gelegd (Ezra 4 : 24 en Haggaï: op de 24e van de
negende maand). Dit was het tweede jaar van Daríus, de koning van Perzië (een andere Daríus dan
de Daríus uit Daniël 6). Beide situaties beantwoorden niet aan de beschrijving van Daniël 9 : 25,
want er wordt niet over de tempel gesproken. Het jaar 458 voor onze jaartelling (Ezra 7), toen men
toestemming kreeg om de inmiddels gebouwde tempel te verfraaien, heeft evenmin met Daniël 9 :
25 te maken. De enige juiste datum is die van het jaar 445 vóór onze jaartelling. Dit is het twintigste
jaar van Artaxerxes (of: Arthasastha/Ahasvéros), in de maand nisan (de eerste maand van het
Joodse godsdienstige jaar; Nehemía 2 : 1). Wanneer er geen datum van een maand wordt genoemd,
dan wordt de eerste dag van de maand bedoeld.” Over datgene wat we onderstrepen gaan we
uitvoerig aantonen dat dit een verkeerde kijk is op de zaak.
Dat 25ste vers spreekt ook over “herbouw van plein en gracht” volgens de NBG. De
Septuaginta echter zegt “straat en muur” en dat is te verkiezen, zo ook de King James en andere
vertalingen. Dat de stad werkelijk in moeilijke tijden is herbouwd daarvoor moet men slechts
Neh.4:1-14 / 6:1-14 / 9:36,37 na lezen. Dat er “pleinen” waren in Jeruzalem is niet te betwisten
zoals uit Nehemia 8:1,3,16 blijkt. Op die pleinen werden er uitspraken gedaan op politiek en
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 152
religieus vlak volgens Ezra 10:9: “En alle mannen van Juda en Benjamin verzamelden zich binnen
drie dagen te Jeruzalem, en wel in de negende maand, op de twintigste der maand. Het gehele
volk zat neer op het plein van het huis Gods, rillend zowel om de zaak als door de regenbuien.”
Het was in die dagen een tijd van tegenstand. De profeten spreken over de weerstand die men heeft
ondervonden van Samaritanen en omliggende volkeren bij de bouw van de poorten van de stad en
de muur. En in Neh.12:27-43 is de inhuldiging van de muur beschreven. (Enkele vertalingen
suggereren een tegenstand van 483 jaar, wat historisch echt niet klopt.Wat niet wil zeggen dat het
geen moeilijke tijden voor Israël waren.) Gezien het belang van de uitdrukking van deze begrippen,
ook enkele vertalingen ter illustratie.
Duitse vertalingen / Nederlandse / Zuid-Afrikaanse.
Einheitsüberzetzung: “met pleinen en grachten”
V. Hamp / M. Stenzel: “plein en grachten”
Luther: “plaatsen en grachten”
Aalders in de ‘Korte Verklaring’: “plein en gracht”
Het Boek: “Straten en stadsmuren”
Leidsche Vert.: “met pleinen en wallen”
Statenvertaling: “de straten en de grachten”
Vulgaat: “plaatsen en muren”
Willibrord 1975: “met pleinen en wallen”
Die bybel, Nuwe Vertaling, 1984: “met strate en verdedigingsslote”
Engelse vertalingen.
American Revised 1901: “met straat en gracht”
Byington: “plein en gracht”
Douay: “de straten... de wallen”
Fenton: “straten en gracht”
J.P.S. 1982: “plein en gracht”
Leeser (Jood): “straten en grachten (rondom)”
Living Bible: “straten en wallen”
Masoretic (J.P.S.) 1917: “de brede plaats (of plein=place) en gracht”
Moffatt: “met pleinen en straten”
New English Bible 1970: “straten en verbindingen (conduits)”
New International Version: “met straten en een gracht (trench)”
Rotherham: “de brede straat en de wal”
Septuaginta (Thomson / Muses edit.): “een straat en een wal”
Smith (Mormonen): “de straat en de wallen”
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 153
Franse vertalingen.
Crampon: “pleinen en omheining”
Darby: “het plein en de gracht”
Français courant: “de stad en versterkingen”
Kahn (Jood): “straten en aarden wallen (fossés de remparts)”
Liénart: “met plaats en gracht”
Maredsous: “pleinen en omheining”
Martin: “de pleinen en de bressen”
Ostervald: “de pleinen en de grachten”
Segond: “de pleinen en de grachten”
TOB (1975): “pleinen en grachten”
Er zijn niet zoveel moeilijkheden met de tekst. Wel met het laatste woord dat slechts
éénmaal gebruikt is in het OT. De meest waarschijnlijke vertaling is dat het gaat om de muur of de
gracht die rond de stad loopt. Een vergelijk van het Hebreeuws met een deel uit de Koperen Rol van
de manuscripten uit de Dode Zeegrotten zou dit ondersteunen. (Zie bijvoorbeeld het commentaar
van Porteus blz.142).
De vraag die zich nu stelt is: wie is de “gezalfde heerser” waarover hier sprake is? Eerst en
vooral kunnen we opmerken dat er van katholieke en protestantse zijde pogingen zijn gedaan om
deze gezalfde niet als Christus te beschouwen. De katholieke kerk tracht deze gezalfde wel eens op
te vatten als Kores (Cyrus) de Grote en dit is soms de uitleg van de Joodse Talmoed. Deze verklaring
is ver gezocht en zeer moeilijk in verband te brengen met de andere verzen. Deze uitlegging is er
slechts één die de katholieke kerk de laatste tijd heeft aanvaard. Slechts nadat ze zijn overgegaan
naar hogere Bijbelkritiek. Vroegere katholieke uitleggers brachten deze gezalfde eveneens zoals wij
doen in verband met Christus. Zo bv. de Douay vertaling, deze van Knox en ook de Franse kardinaal
Liénart. De laatste zegt in zijn voetnota over vers 26 dat ze voorzeker op de doop van Christus
betrekking heeft.
De uitleg dat in vers 25 de gezalfde naar Jezus Christus verwijst, is ook deze die sinds het
begin van de christelijke gemeente is aanvaard. De kerkvaders Clemens van Alexandrië, Tertullianus,
Origenes en Julius Africanus hadden deze mening al. Vele protestantse commentators van de Bijbel
waren ook deze gedachte toegedaan vb.; Calvijn, Clarke, Delitzsch, Robinson, Scott, Von Orelli en
Young. Ook de gekende King James Vertaling verklaart dit als op de Christus doelende. De
Hebreeuwse uitdrukking die hier gebruikt wordt om dit uit te drukken is “mashiach nagid”, let op,
er staat GEEN LIDWOORD. Sommige vertalers zeggen dat dit dient vertaald te worden als “een
gezalfde, een vorst” maar de voorkeur verdiend de uitdrukking “Messias de vorst” of “Messias de
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 154
leider.” Hiermee bedoelen we dat de enige werkelijke gezalfde die in verband met het vers 24 past,
Jezus de Christus de bedoelde Messias is. We geloven niet dat dit slaat op Cyrus (Jes.45:1) die ook
één gezalfde van YaHWeH is. Echter niet in de betekenis dat “koningen” of “hogepriesters” van het
volk gezalfd zijn (Zach.4:14 en Lev.4:3,5).
Over de jaarweken is er gezegd dat deze beginnen te tellen wanneer het bevel wordt
uitgevaardigd om de stad Jeruzalem en de muren te herbouwen. “Met een openbaar plein en een
gracht” zegt de NWV. Maar zoals veel commentatoren opmerken, een gracht rond de stad of rond
de tempel, daarvoor is er nooit een archeologisch bewijs gevonden. Men moet het dus niet in die
richting zoeken. Wanneer is dit bevel gegeven? Er zijn vier mogelijkheden maar slechts één ervan
kan juist zijn.
Om de eerste mogelijkheid te onderzoeken moeten we weten dat in het jaar 587 voor Chr.
de stad Jeruzalem met haar prachtige tempel volledig is verwoest door de Babyloniërs onder de
leiding van Koning Nebukadnessar. Deze Babylonische koning heeft toen het grootste gedeelte van
de Israëlieten die in het land leefden als gevangenen meegevoerd naar zijn land en de rest van de
bevolking is uit schrik naar het land Egypte gevlucht. Zo kwam het dan dat in oktober van 587 voor
Chr. Jeruzalem volledig van mensen was ontdaan en deze toestand heeft zolang geduurd om de
profetieën van Jeremia in vervulling te laten gaan. Maar voordien, in 606 (605) voor Chr. was
Nebukadnessar al verwoester van Jeruzalem wanneer hij de edelen van het volk als slaven nam en
de tempel plunderde (Dan.1:1,2). In 537 voor Chr. kwam er verandering in deze woeste toestand. In
het jaar 537 (of 536) voor Chr. vaardigde de Perzische koning Kores de Grote (die had namelijk
Babylon veroverd) een bevel uit dat alle volkeren die als gevangenen naar Babylon waren gekomen
terug mochten keren naar hun geboorteplaats, om daar terug hun eigen aanbidding te beoefenen.
Aan de Joden in Babylon werd dan het volgende bevel gegeven zoals Ezra 1:2,3 zegt: “Zo zegt Kores,
de koning van Perzië: alle koninkrijken der aarde heeft de HERE, de God des hemels, mij gegeven
en Hij heeft mij opgedragen Hem een huis te bouwen in Jeruzalem, in Juda. Wie nu onder u tot
enig deel van zijn volk behoort - zijn God zij met hem, hij trekke op naar Jeruzalem, in Juda, en
bouwe het huis van de HERE, de God van Israël, dat is de God, die in Jeruzalem woont.” (Vergelijk
en zie ook 2 Kron.36:22,23). Het blijkt hieruit “ogenschijnlijk” dat deze Joden niet het bevel kregen
om de stad en stadsmuren rond Jeruzalem te herbouwen. Het bevel had alleen betrekking op de
tempelbouw. Maar zoals uit het boek Haggaï blijkt is men ook bezig met huizenbouw. De profetie
der 70 jaarweken neemt dus zondermeer in 537 voor Chr. haar aanvang. Dit heeft te maken met het
begrp ”shûb” waar we naar verwijzen in de bespreking van vers 1. Er is door Kores een sociaal en
politiek herstel aan Israël gegeven.
Een opmerking vanuit de vorige paragraaf waar we verwijzen naar de Joden die naar Egypte
gevlucht zijn. Jeremia 44:26-30 zegt er dit over: “Hoort daarom het woord des HEREN, gij geheel
Juda, dat in het land Egypte woont: Zie, Ik zweer bij mijn grote naam, zegt de HERE: mijn naam zal
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 155
niet meer worden aangeroepen door de mond van een Judeeër, die zegt: zo waar de Here HERE
leeft! in het gehele land Egypte. Zie, Ik waak over hen ten kwade en niet ten goede, en alle
Judeeërs die in het land Egypte zijn, zullen te gronde gaan door het zwaard en de honger, totdat
zij vernietigd zijn. En, aan het zwaard ontkomen, zullen weinigen in getal uit het land Egypte naar
het land van Juda terugkeren; zo zal het gehele overblijfsel van Juda, dat naar het land Egypte
kwam om daar te verblijven, weten, wiens woord standhoudt, het mijne of het hunne. En dit zal u
het teken zijn, luidt het woord des HEREN, dat Ik aan u bezoeking doe in deze plaats, opdat gij
weet, dat mijn woorden zeker zullen standhouden tegen u ten verderve: Zo zegt de HERE: zie, Ik
geef Farao Chofra, de koning van Egypte, in de macht van zijn vijanden en van wie hem naar het
leven staan, zoals Ik Sedekia, de koning van Juda, gegeven heb in de macht van Nebukadressar, de
koning van Babel, zijn vijand, die hem ook naar het leven stond.” Ook dezen ontlopen de straf van
God niet.
De tweede mogelijkheid die door sommigen is aangenomen als het beginpunt der 70
jaarweken is het decreet van Darius zoals gegeven in Ezra 6:1-12. Maar terug zien we dat dit niets te
maken heeft met de herbouw van de stadsmuren en poorten van Jeruzalem. Het bevel had alleen
betrekking op de tempelbouw. Maar er zijn ook huizen en gedeelten van muren rond de stad. In
feite is het slechts een vernieuwing van wat Kores al had gezegd.
Een derde mogelijkheid als beginpunt dienen we te onderzoeken: in het geval van Ezra. Deze
Joodse Schriftgeleerde die in Babylon vertoefde kreeg daar van de Perzische koning Artachsasta een
volgend bevel zoals hij ons in Ezra 7:27 vertelt: “Geprezen zij de HERE, de God onzer vaderen, die
de koning zulks in het hart gegeven heeft, om het huis van de HERE, die in Jeruzalem woont,
luisterrijk te maken.” En “luisterrijk maken” is niet bouwen maar opfleuren. Op welke wijze is niet
gezegd. We beginnen dus daar niet als startpunt van de 70 jaarweken.
Er zijn vele protestantse en evangelische commentators die het houden bij het decreet van
Arthaxerxes aan Ezra gegeven. Maar verscheidene argumenten spreken dit tegen. We zien uit Ezra
6:14 dat de drie eerste decreten slechts als één beschouwd zijn. Er staat bij die schriftuurplaats: “zij
voltooiden den bouw volgens het gebod van de God van Israël en volgens het bevel van Kores,
Darius en Artachsasta, koning van Perzië, en zij waren met dit huis gereed tegen de derde dag van
de maand Adar” (wij onderstrepen). Men zegt: het is dus duidelijk dat het bevel van God zoals
ingegeven aan Kores, Darius en Arthaxerxes slechts te maken heeft met “den bouw” of “dit huis” en
dat is daarom alléén de tempel. Men zegt: er is in deze decreten geen enkel woord gezegd over
herbouw van de muren of de stad zelf. Maar… dat er gedeelten van de stad en van de muur door
deze mensen herbouwd zijn geworden is duidelijk. Zo kan men Ezra 4:11,12,23 hierbij lezen. “Aldus
luidt het afschrift van de brief die zij hem zonden – aan koning Artachsasta, uw dienaren, de
mensen van het gebied over de Rivier. Welnu, het zij de koning bekend, dat de Judeeërs, die van u
naar ons zijn opgetrokken, te Jeruzalem gekomen zijn; zij zijn bezig die oproerige en slechte stad
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 156
te herbouwen; zij voltooien de bouw der muren en graven de fundamenten uit. (…) Nadat nu het
afschrift van de brief van koning Artachsasta voorgelezen was aan Rechum, Simsai, de schrijver,
en hun ambtgenoten, begaven zij zich in aller ijl naar Jeruzalem tot de Judeeërs en deden hen met
kracht en geweld de arbeid staken.” Maar dat is de taal van de vijand. De werkelijkheid is dat een
tempel in Jeruzalem zonder dat er mensen wonen, in HUN HUIZEN, geen steek houdt. Want de
tempel wordt gebouwd om er offers te brengen en die offers worden door mensen aangebracht.
In elk geval, er is gebouwd zonder dat een bevel ervoor gegeven was door, de koningen van
Perzië. Zonder dat “het woord” gesproken was. Maar de bouwers hebben uit het bevel van Kores
begrepen dat het bouwen van de muur deel uitmaakte van de herbouw van de stad. Zie hiervoor
Ezra 5:3,9: “In diezelfde tijd echter kwam Tattenai, de stadhouder van het gebied over de Rivier,
tot hen met Setar-Boznai en hun ambtgenoten en zij spraken tot hen aldus: Wie heeft u bevel
gegeven dit huis te bouwen en deze muur te voltooien? (…) Daarop hebben wij die oudsten
ondervraagd; wij hebben tot hen aldus gezegd: Wie heeft u bevel gegeven dit huis te bouwen en
deze muur te voltooien?” Dit is duidelijk uit de viering van de afwerking van de muur in Nehemia
6:15. Men heeft alleen maar bressen gedicht en géén volledige muur gebouwd. Dat kan men niet op
zo een korte tijd. Hier enkele vertalingen van die tekst:
De Nieuwe Bijbelvertaling zegt: “Na tweeënvijftig dagen was de muur voltooid, op 25 elul.”
De Statenvertaling, editie 1977 zegt: “De muur nu werd volbracht op de vijf en twintigste van Elul,
in twee en vijftig dagen.”
De NBG-vertaling 1951 zegt: “De muur nu was voltooid op de vijfentwintigste Elul, in tweeënvijftig
dagen.”
De Willibrordvertaling (herziene editie 1995) zegt: “De muur was hersteld op vijfentwintig elul;
men had er tweeënvijftig dagen aan gewerkt.”
Hier nog enkele vertalingen van uit de Engelse taal bij Nehemia 6:15:

King James Version 1611, 1769: “So the wall was finished in the twenty and fifth [day] of
[the month] Elul, in fifty and two days.”

New King James Version, 1982 Thomas Nelson: “So the wall was finished on the twentyfifth day of Elul, in fifty-two days.”

New Living Translation, 1996 Tyndale Charitable Trust: “So on October 2 the wall was finally
finished-just fifty-two days after we had begun.”

New International Version, 1973, 1978, 1984 International Bible Society: “So the wall was
completed on the twenty-fifth of Elul, in fifty-two days.”

The Holy Bible, English Standard Version, 2001 Crossway Bibles: “So the wall was finished on
the twenty-fifth day of the month Elul, in fifty-two days.”

New American Standard Bible, 1995 Lockman Foundation: “So the wall was completed on
the twenty-fifth of {the month} Elul, in fifty-two days.”
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 157

Revised Standard Version, 1947, 1952: “So the wall was finished on the twenty-fifth day of
the month Elul, in fifty-two days.

American Standard Version, 1901: “So the wall was finished in the twenty and fifth [day] of
[the month] Elul, in fifty and two days.”

Robert Young Literal Translation, 1862, 1887, 1898: “And the wall is completed in the
twenty and fifth of Elul, on the fifty and second day.”

J.N.Darby Translation, 1890: “So the wall was finished on the twenty-fifth of Elul, in fiftytwo days.”

Noah Webster Version, 1833: “So the wall was finished in the twenty and fifth [day] of [the
month] Elul, in fifty and two days.”

Hebrew Names Version, 2000: “So the wall was finished in the twenty-fifth [day] of [the
month] Elul, in fifty-two days.”
Er is één argument dat waard is onderzocht te worden. Het is Ezra 9:9 en daar staat: “in onze
slavernij heeft onze God ons niet verlaten; Hij heeft ons gunst doen vinden bij de koningen van
Perzië, dat zij ons verademing gaven om het huis van onze God te doen herrijzen en zijn
puinhopen te herstellen, en ons een OMTUINING gaven in Juda en in Jeruzalem.” Dat wil zeggen
dat de bouw van de tempel, stad Jeruzalem, huizen en muren bij de koningen van Perzië gekend
is. De omtuining = de staatkundige grenzen van Israël, zijn ontstaan met de goedkeuring van Perzië.
Dertien jaren nadat Ezra de tempel ging versieren (457 v. Chr.) gebeurde er het volgende met
Nehemia (445/444 v. Chr.). Deze persoon was de schenker van Koning Artachsasta (zijn Bijbelse
naam) volgens de wereldse geschiedschrijvers Arthaxerxes I Longimanus genaamd. In het 20 ste jaar
van de regering van Artachsasta kreeg deze Nehemia bezoek van verwanten uit Juda. Nehemia die
in Susan (Perzië) woonde, in het paleis van de koning, was zeer verontrust. Hij hoorde van hen het
volgende, over Jeruzalem en zijn inwoners: “De overgeblevenen, die daar in het gewest uit de
gevangenschap zijn overgebleven, verkeren in groten rampspoed en smaad, en de muur van
Jeruzalem is afgebroken en zijn poorten zijn met vuur verbrand” (Neh.1:3). Hieruit blijkt dat
Jeruzalem’s muren nog niet volledig hersteld waren (of opnieuw al afgebroken waren zoals we zelf
denken) en dit bedroefde Nehemia zeer. Bij wijze van illustratie: iedereen, zowel vriend als vijand,
loopt Jeruzalem binnen en buiten zoals het hem belieft. Kort nadien, toen Nehemia wijn schonk aan
de koning, bemerkte deze hoe mistroostig zijn getrouwe onderdaan was en ontspon zich het
volgende gesprek waarin de koning het woord nam. Nehemia schrijft in zijn boek: “De koning zeide
tot mij: waarom staat uw gezicht zo somber, hoewel gij niet ziek zijt? Dit kan niets anders dan
hartzeer zijn. Toen werd ik ten zeerste bevreesd, en zeide tot den koning: De koning leve in
eeuwigheid. Hoe zou mijn gezicht niet somber staan, DAAR DE STAD, DE PLAATS WAAR DE
GRAVEN MIJNER VADEREN ZIJN, VERWOEST IS en haar poorten door vuur verteerd zijn? En de
koning zeide tot mij: Wat is dan uw verzoek? Toen bad ik tot den God des Hemels. En ik zeide tot
den koning: Dat gij, indien het den koning goeddunkt en indien uw knecht u welgevallig is, mij
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 158
zendt naar Juda, naar de stad waar de graven mijner vaderen zijn; om haar te herbouwen”
Neh.2:2-5, wij onderstrepen. Nehemia loopt nogal hard van stapel, want men is Jeruzalem beginnen
bouwen in 537 (536 of 535) voor Christus. DE STAD WAS IN ZIJN DAGEN DUS NIET VERWOEST. Hij
heeft dus wel een nogal diplomatische aanpak. Het enige besluit van dit alles is dat men zijn visie
niet als het begin mag nemen van de profetie van Daniël negen.
Wat hierna gebeurde is vlug gezegd: Nehemia verkreeg de toelating van de koning om de
stadsmuur te herstellen en omdat dit werk hem zeer ter harte ging vertrok hij kort daarop naar
Jeruzalem. Daar aangekomen liet hij de oudsten van Jeruzalem vergaderen met het volk. Gezien er
oudsten zijn in de stad gaat het dus om een levende stad. Geen spookstad zoals je zou
veronderstellen bij dispensationalisten die het uitleggen alsof er geen huizen zijn. Wanneer Israël uit
Babylon terugkeerd naar het land van hun vaderen lezen we volgens Ezra 2:1: “Dit nu zijn de
bewoners van het gewest, die optrokken uit het midden van de in ballingschap weggevoerden, welke
Nebukadnessar, de koning van Babel, naar Babel had weggevoerd, en die terugkeerden naar
Jeruzalem en Juda, ieder naar zijn stad.” Nehemia toonde die afstammelingen het schriftelijke bevel
dat Artachsasta hem had gegeven, en stelde voor aan de bouw van de muren van Jeruzalem te
beginnen = af te werken. Het volk was zeer enthousiast en stemde hiermee in. Er werd onmiddellijk
aan begonnen. De datum waarop het werk een aanvang nam staat in het verslag van Nehemia
vermeld nl. de 3de dag van de Joodse maand Ab. En 52 dagen later was alles klaar volgens Nehemia
6:15. De inwijding van de muur had plaats in het 28st jaar van Artachsasta zegt Josephus in
‘Oorlogen’ XI, V, 8 en vergelijk Neh.12:27. Hoe ik dat moet rijmen met de gegevens van de Bijbel, die
een andere datum heeft, weet ik niet naar behoren uit te leggen.
Laat ons dit alles in het kort herhalen. We weten dat het “woord” = “dabar” in Hebreeuws
om Jeruzalem te herbouwen gegeven is door Kores. Bij Nehemia gaat het zondermeer om de
AFWERKING en niet de volledige bouw. De bouw van de muur (muren) was voordien begonnen, wel
tachtig jaar voordien. De Perzische koningen hebben erop aangedrongen dat de bouw van de
tempel gewoon zo vlug mogelijk verder gezet zou worden. Dat wil zeggen dat in hun ogen ook de
bouw van de muren, als bescherming tegen vijanden, daarbij inbegrepen is. De uitleg van de
dispensationalisten die hier 445 v. Chr. (of 444) vooropzetten als de datum van de start van de 490
jaarweken kan niet aangenomen worden. Want het “WOORD” tot de bouw van de stad en de
tempel is gegeven door Kores. Men moet de Schrift géén geweld aandoen en dat begin dat
voorspeld is in Jesaja 44 en 45 gewoon aannemen. Respect voor de vervulling moet hoger staan dan
een ingewikkelde leer van 490 jaar van 360 dagen.
U hebt het allemaal tot hiertoe gevolgd! Dan zal uw opmerking waarschijnlijk zijn: hoe ik dan
de 490 jaren laat rijmen met een oplossing van 536 voor Christus tot 37 na Christus. Dat is toch véél
meer dan 490 jaren! J. Baldwin besluit zijn kritiek op één van de berekeningen van deze 70
jaarweken (een variante van Anderson) niet geheel ten onrechte als volgt: “Het is beter dat we
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 159
omwille van redenen in de samenhang, voor het geheel aannemen dat de cijfers om een symbolische
interpretatie vragen” (‘Le livre de Daniël’, Farel/Sator, 1986, blz.172). Ik maak die woorden tot mijn
woorden en als u het wenst kunnen we u nog een tiental citaten in die aard vinden. Rekening
houden met al de feiten, kan tot geen andere conclusie leiden. Mijn visie is ook deze van
oudtestamenticus Young E. J., ‘The Prophecy of Daniel’, Eerdmans’, 1949, blz.202-6.
APPENDIX III: diverse berekeningen van 365 ¼ dagen per jaar.
Zeventig Wekenprofetie = 490 jaar
Daniël 9:24-27 (gerekend aan letterlijke jaren van 365 ¼ dagen).
VERSCHIJNING VAN DE
BEVEL
LEIDER(S) VAN DE
MESSIAS
BELANGRIJKE
IN HET JAAR
TERUGKEER
[JAAR VAN DECREET +
GEBEURTENIS
483 JAAR]
Van Cyrus in
537 v. Chr.
Sesbassar Ezra 1:1-11
Kores laat de bouw
Zerubbabel
toe op basis van de
Ezra 2:1
wil van God.
Van Darius in
Het werk aan de
520 v. Chr. na een
tempel wordt hervat
klacht.
Ezra 5 en 6
Van Artaxerxes I in
55 v. Chr.
Vanaf Kores is er bouw
Een letterlijke lezing van
van de stad
de 490 jaar is
en huizen
dus niet mogelijk.
en muren (muur)
37 v. Chr.
Een letterlijke lezing van
de 490 jaar is
dus niet mogelijk.
Herhaling van wat
volgens Kores
was vastgelegd
27 na Chr.
Herhaling van wat
457 v. Chr.
Ezra
Jezus gedoopt. Begin van
volgens Kores
Start vlg.
Ezra 7:1-10
Zijn prediking.
was vastgelegd
Adventisten.
Klopt niet met de feiten.
Van Artaxerxes I in
445/444 v. Chr.
Nehemia
Start vlg.
Nehemia 2:1-11
Dispensationalisten.
40 na Chr. te laat op de
Géén bevel iets te
kalender om waar te
bouwen, de rest was al
zijn. Rekenen dat één
gebouwd: maar alleen
jaar = 360 dagen mag
toelating de muur af te
niet.
werken.
Fred G. Zaspel schreef: ‘Daniel's Seventy Weeks, An Historical and Exegetical Analysis’ we
hebben het gevonden op http://www.biblicalstudies.com/bstudy/eschatology/daniel.htm. Een
eigenaardige uitleg: met meerdere breuken in de profetie, die zeer gekunsteld lijken. Dat heeft wel
een voordeel, dat men niet gaat berekenen wanneer de Heer wederkomt. We geven in deze tabel
zijn gedachten weer.
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 160
In het kort verlopen de zeventig weken van 365,25 dagen als volgt:
587 v. Chr. (“Uitgaan van het woord Jeruzalem te herstellen en herbouwen”)
-49 jaren (“zeven zevens”)
538 v. Chr. (“een gezalfde, een prins”; Cyrus)
Waarom het jaar 587 v. Chr.? God heeft HET WOORD GESPROKEN TOT JEREMIA DAT ER EEN
EIND KOMT AAN gevangenschap en de herbouw van Jeruzalem zal starten (Jer.32:1,6-9,1317,24-27).Dat is het begin, de profetie van herstel!
(onderbreking van onbekende duur)
(Dan.11:2,3 / Micah 5:1,2 zijn voorbeelden van breuken vlg. Finley)
440 v. Chr. (“straat en plein wederom gebouwd, doch in benauwdheid”)
-434 jaren (“twee-en-zestig zevens”)
6 v. Chr. (geboorte van de “Messias,” Jezus Christus)
(onderbreking van onbekende duur)
Gebeurtenissen beschreven (“na de twee-en-zestig zevens”):
1) Kruisiging van de Messias (het jaar 30 na Chr. of 33 na Chr.)
2) Vernietiging van Jeruzalem “tot het einde”
?? n. Chr. (“bevestiging van het verbond” met Israël)
+3½ jaren (“de helft van de zeven”)
?? n. Chr. (“gruwel der verwoesting”)
+3½ jaar
?? n. Chr. (“het einde”; wederkomst van Christus; oordeel over
“de komende prins”)
Hoe komt F. Zaspel aan het jaar 440 v. Chr.? Nehemia doet een aanvraag bij Artaxerxes om terug
te keren naar Jeruzalem in april, 444 v. Chr. (Neh.2:1). Maar volgens Josephus (in zijn Oudheden, XI,
V, 7), gaat Nehemia vooraf naar Babylon om helpers en vrijwilligers te vinden onder de Joden om
terug te keren. Hij moet ook nog verdere voorbereidingen doen en bouwmaterialen uitzoeken (en
dat is zeer waarschijnlijk want bij zijn terugkeer begint men onmiddellijk aan de bouw in Jeruzalem).
Zijn werkelijke opgang naar Jeruzalem neemt waarschijnlijk enkele jaren in beslag. Volgens Josephus
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 161
is dat “het vijfentwintigste jaar” van Artaxerxes dus: 440 v. Chr. Zaspel zegt dan: “Again the years fit
exactly” = “Alles klopt wonderbaarlijk.” Bij de bespreking van de geboorte van Jezus in 6 v. Chr. zegt
hij: “The prophecy fits perfectly with the events of history” = ”deze profetie komt perfect overeen
met de feiten uit de geschiedenis.” Maar ik ben er niet door overtuigd. Integendeel! Al die
onderbrekingen lijken me teveel, in een profetie die “uitgesneden” is uit de wereldgeschiedenis en
een aparte heilstijd voor Israël moet benadrukken.
Op het Internet staat van een zekere Emmanuel Bertin, in de Franse taal, enkele documenten
die moeten bewijzen dat Artaxerxes I in 475 v. Chr. begon te regeren. Zo komt men met jaren van
365 ¼ dagen vanaf 455 v. Chr. (20ste jaar van die koning) in het jaar 33 na Christus voor zijn dood. De
schrijver is een Jehovah’s Getuige maar zoals duidelijk, dat is een chronologie die slechts door hen
gevolgd is, enkele Russellisten en niemand anders. En ze zullen die niet wijzigen, want dan klopt hun
chronologie van de tijden der heidenen, eindigende in 1914 niet meer. Dit is niet belangrijk verder
te onderzoeken.
Vers 26
STATENVERTALING DAN.9:26
LUTHERVERTALING DAN.9:26
“En na die twee en zestig “En
weken
zal
de
na
Messias weken
die
zal
LEIDSCHEVERTALING DAN.9:26
tweeënzestig “En na die twee en zestig
de
Messias weken
zal
een
gezalfde
uitgeroeid worden, maar het uitgeroeid worden en niet worden uitgeroeid, zonder
zal niet voor Hem zelven zijn; meer zijn; en het volk van een dat iemand hem redt. En de
en een volk des vorsten, vorst, die komen zal, zal de stad en het heiligdom zullen
hetwelk komen zal, zal de stad
stad
en
het
en
heiligdom verwoesten,
het
dat
heiligdom verdorven worden door het
het
een volk van een vorst die komen
verderven, en zijn einde zal einde zal nemen als door een en wiens einde in den vloed
zijn met een overstromenden vloed; en tot het einde van zijn zal; en tot het einde is er
vloed, en tot”
den strijd toe zal het woest oorlog, duurt het besluit dat
blijven.”
verwoestingen
zullen
aangericht worden.”
Hieronder de voetnoten en aantekeningen van de Statenvertaling bij Dan.9:26.
86) na die twee en zestig weken
Namelijk na de negen en zestigste week, want de zeven voorgenoemde weken moeten bij deze
twee en zestig weken gevoegd worden.
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 162
87) uitgeroeid worden,
Het Hebreeuwse woord betekent somtijds zoveel als een misdadiger om het leven brengen. Zie
Lev. 17:4.
88) maar het zal niet voor Hem zelven zijn;
Dat is, niet tot zijn voordeel, maar tot voordeel van zijne uitverkorenen; of niet om zijner zonden
wil. Anders, doch Hij zal gene [schuld] hebben, of maar zonder zijne [misdaad]. Of, zonder enige
[schuld]. Anders, en zal geen [helper] hebben. Zie Dan. 11:44. Anders, en niet meer zijn; te
weten onder de mensen, opgenomen zijnde ter rechterhand des Vaders. Vergelijk Gen. 5:24.
89) een volk des vorsten,
Dat is, het heirleger der Romeinen.
90) zijn einde zal zijn met een overstromende vloed,
Te weten het einde, hetwelk de Romeinse vorst het Joodse volk zal aanbrengen. Of, het laatste
dat hij het Joodse volk zal aandoen.
91) vastelijk besloten verwoestingen.
De zin is: Zij zijn vastelijk besloten, en de tijd is precies bestemd, wanneer zij komen en wanneer
zij ophouden zullen. Sommigen verstaan dit aldus: Totdat Gods oorlog tegen zijn volk een einde
hebbe, zijn de verwoestingen precies bestemd.
Wat zij op dat gebied zeggen
We citeren P. Slagter, die de visie der bedelingen aanneemt. Uit ‘Israël en de Bijbel’, januari
1994, blz.3: “Eerst moeten de 62 weken (en dus ook de 7 weken die daaraan voorafgingen, samen 69
weken) voleindigd zijn en daarna zal de Messias worden uitgeroeid. Er staat niet bij hoelang erna,
maar het woordje “na”, in de grondtekst, geeft aan dat het niet té lang daarna zal zijn.
Vervolgens lezen we in de NBG-vertaling: “terwijl er niets tegen hem is”, terwijl de Statenvertaling
zegt: “het zal niet voor Hemzelven zijn.” Er blijkt dus enig verschil van mening te zijn over de
betekenis van de grondtekst. De Engelse Revised Version heeft het meer letterlijk vertaald met: “Hij
zal niet hebben” of: “zonder dat Hij heeft.” Dat is: Hij heeft niets voor Zichzelf, Hij ontvangt niet,
waar Hij recht op heeft. Hij kwam als de rechtmatige kroonpretendent van David. Alle bezit, eer en
waardigheid, daaruit voortvloeiende, zou Hij moeten ontvangen.
Het einde van die 62 (of 69) weken zou dus bepalend zijn voor wat er daarna ging gebeuren:
1. Of Hij wordt aangenomen en Hij zal hebben (ontvangen).
2. Of Hij wordt niet aangenomen en zal niet hebben (ontvangen).
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 163
Daniël profeteert nog erger. Hij zal worden uitgeroeid! De periode van 69 weken, oftewel 483 jaar,
moet dus eindigen vlak voor de uitroeiing van de Messias” (wij onderstrepen).
En momenteel moeten we dat ook doen. Interpreteren we als letterlijke jaren (van 365 dagen) dan
komen we met deze berekening ergens in de jaren 40 A.D. Toen is er niets uitzonderlijks geschiedt in
Israël! Een valse profeet liep er toen rond volgens Flavius Josephus en er was hongersnood, maar
dat is toch wel wat weinig om deze profetie te vervullen.
In een lezing van D. Steenhuis met de titel ‘WIKKEN EN WEKEN’ gevonden op Internet, staat
het volgende:
“Er zijn wel beelden die toegepast worden op de gemeente, maar rechtstreekse profetieën over de
gemeente zijn er niet. In de tweede plaats gaat het bij de profetieën over de Koning der Koningen en
over de Here der Heren. Gezicht en profeet te bezegelen duidt op een punt waarop alles tot volheid
komt wat de profeten hebben gezegd in de loop van de eeuwen. Het loopt uit op de zalving van iets
‘allerheiligst’. Dan zal de ongerechtigheid verzoend zijn. Het is voor mij zo dat hier gedoeld wordt op
de komende Gezalfde, de Messias, de Christus (gezalfde)” (wij onderstrepen).
Orthodoxe Joden verwijten christelijke evangelisten slordigheid in hun interpretatie van
Daniël 9:25. Drie zaken zitten hun dwars en vooral de lezing: “de Messias, de Prins.”
Ze zeggen dat de oorspronkelijke Hebreeuwse tekst zonder lidwoord staat zodat we moeten spreken
van “een MASHIACH = EEN “gezalfde” en EEN “prins.” Men verwijst naar bijvoorbeeld koning Cyrus
als EEN gezalfde (Jesaja 45:1,13/ Ezra 1:1,2). Bovendien kan men van dat begrip geen persoonlijke
naam maken en het met hoofdletters schrijven, het is maar als titel bedoeld van de autoriteit van
een koning of een hogepriester. Zodat de enige juiste weergave van het oorspronkelijke Hebreeuws
moet zijn: “een gezalfde, een prins.” Dat klopt voor wat betreft het Oud Testament maar de
christengelovigen hebben van dat begrip een soort eigennaam gemaakt. Je krijgt namelijk in het
Nieuw Testament de terminologie “Jezus, de Christus.” Ook al kende men in de dagen toen het NT
(of ook het OT) werd geschreven geen onderscheid tussen hoofdletters en kleine letters, al vlug
kreeg dat begrip “Messias” een hoofdletter. Uit respect en ontzag voor de persoon. We geven nog
enkele vertalingen zodat u kunt inzien dat niet iedereen die hoofdletter gebruikt, ook al zijn het
christenen die de vertaling hebben gemaakt.
“tot op Messias, den Vorst” Statenvertaling (Jongbloed-editie)
“tot op een gezalfde, een vorst” NBG-vertaling 1951
“tot aan het optreden van de uitverkoren vorst” Willibrordvertaling (herziene editie 1995)
“unto the Messiah the Prince” King James Version, 1611
“unto the anointed one, the prince” American Standard Version, 1901
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 164
“until God's chosen leader comes” Good News Bible, 1992 (parafrase)
“until the coming of the Chosen Leader” Contemporary English Version, 1999 (parafrase)
“to the Anointed One” (parafrase) In de voetnota: “can also be translated “Messiah” (same as
“Christ”). the prince” World English Bible, 2002
Let er ook op: je krijgt in Joodse vertalingen zowel “the anointed one” als ”an anointed one.”
JPS VERSION TANAKH
JPS 1917 VERSION
(1985)
JUDAICA
PRESS
TANAKH
(CHABAD.ORG)
26. And after the threescore and
26. And after those sixty- two weeks shall an anointed one 26. And after the sixty-two
two weeks, the anointed be cut off, and be no more;
weeks, the anointed one will
one will disappear and
be cut off, and he will be no
vanish.
more,
Wat wij op dat gebied zeggen
Het vers 26 zegt dan: “EN NA de tweeënzestig weken zal een gezalfde worden uitgeroeid,
terwijl er niets tegen hem is; en het volk van een vorst die komen zal, zal de stad en het heiligdom
te gronde richten, maar zijn einde zal zijn in de overstroming; en tot het einde toe zal er strijd zijn:
verwoestingen, waartoe vast besloten is.” Het is nadat de eerste periode van 7x7 jaren = 49 jaren,
de tijd dat de herbouw van de stad heeft geduurd dat hierbij onmiddellijk de 62 jaarweken
aansluiten. Daarna zal de Messias of Christus “uitgeroeid” worden. Het werkwoord in het
Hebreeuws voor “uitroeien” (“ikkaret”) heeft steeds de betekenis van een gewelddadige dood. Het
woord is o.a. gebruikt in Gen.17:14 / 1 Kon.18:13 / Zach.13:8. De gewelddadige dood die Christus
stierf was als van een lam dat de zonden der wereld wegnam (Joh.1:29 / 2:2). Er klinkt ook iets in
van slachtoffer in relatie tot een verbond (Gen.15:10,18). Maar er zit niet in wat Jehovah’s Getuigen
er in lezen, namelijk het “vernietigen” van de ziel van de persoon. Hetzelfde werkwoord is gebruikt
voor ongelovigen en de straf die ze ontvangen: Ps.5:6 / 37:9,34 / Jes.13:9.
De voorstanders van de uitleg volgens de bedelingen zeggen over het eerste deel uit dit vers
(hier weergegeven als “EN NA”) dat zoiets wijst op een onmiddellijk erna. In hun uitleg slechts vijf
dagen erna, want de Heer kwam als koning op Palmzondag er werd op de vrijdag van die week al
aan het kruis gehangen. Wij geloven in een traditioneler uitleg en nemen aan dat dit in het midden
van de zeventigste week is, wat 3 ½ jaren later is. Beter geformuleerd: in het midden van de laatste
symbolische week. Vraag is of “en na” hier een kortere of een langere tijd wil aanduiden. De
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 165
Hebreeuwse woordkeuze laat beide vertaleningen toe zonder dat er gezondigd wordt tegen
duidelijke regels. Een concordantie maakt dat duidelijk. Dit leren we: het was niet de bedoeling van
Christus om op Palmzondag naar de macht te grijpen of koning te worden op dat moment.
Er zijn vijf redenen waarom de uitleg van de dispensationalisten over het gebeuren van
Palmzondag verkeerd is. Dit is de eerste: Hij kwam om Zijn bloed = Zijn leven te geven voor
zondaars. Profetie na profetie moest vervuld worden in die dagen. Maar toen koning worden, was
daar geen deel van. Dit gebeurde met Palmzondag volgens Mat.21:1-5 SV77: “En toen zij nu
Jeruzalem naderden, en gekomen waren te Bethfagé, aan de Olijfberg, toen zond Jezus twee
discipelen, zeggende tot hen: Gaat heen in het vlek, dat tegenover u ligt, en gij zult terstond een
ezelin gebonden vinden, en een veulen met haar; ontbindt ze, en brengt ze tot Mij. En indien u
iemand iets zegt, zo zult gij zeggen, dat de Heere deze van node heeft, en hij zal ze terstond
zenden. Dit alles nu is geschied, opdat vervuld worde, hetgeen gesproken is door de profeet,
zeggende: Zegt de dochter Sions: Zie, uw Koning komt tot u, zachtmoedig en gezeten op een
ezelin en een veulen, zijnde een jong van een jukdragende ezelin.” Hij gaat naar de tempel, Hij
verdord een boom die het symbool is van het ongelovige Israël, en verwijst naar Johannes de Doper
die tot hen kwam. Hij verwees ze naar Jezus, Lam van God. Die zij niet gewild hebben. Lees dat eens
in Marcus 11. Dat Palmzondag slechts een gewone episode is in het leven van Christus blijkt
duidelijk uit wat we er later over horen door de apostelen en profeten van het NT, namelijk niets.
Met Palmzondag was er een profetische vervulling zoals blijkt uit de verwijzing (Ps.118:26 /
Zach.9:9). Maar naar Daniël negen is GEEN ENKELE VERWIJZING. Waarom dan dat verhaal
opkloppen totdat het een waarde gekregen heeft die de Schrift het niet geeft!
Er was natuurlijk een aanbod van het koninkrijk, maar dan alleen in de boodschap dat het
niet van deze wereld was. Je kon je er wel al, door bekering, op voorbereiden.

Mat.11:12: “Sinds de dagen van Johannes de Doper tot nu toe breekt het Koninkrijk der
hemelen zich baan met geweld en geweldenaars grijpen ernaar.”

Luc.16:16: “De wet en de profeten gaan tot Johannes; sinds die tijd wordt het evangelie
gepredikt van het Koninkrijk Gods en ieder dringt zich erin.”

Joh.18:36: “Jezus antwoordde: Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld; indien mijn
Koninkrijk van deze wereld geweest was, zouden mijn dienaars gestreden hebben, opdat Ik
niet aan de Joden zou worden overgeleverd; nu echter is mijn Koninkrijk niet van hier.”

Joh.18:37: “Pilatus dan zeide tot Hem: Zijt Gij dus toch een koning? Jezus antwoordde: Gij
zegt, dat Ik koning ben. Hiertoe ben Ik geboren en hiertoe ben Ik in de wereld gekomen,
opdat Ik voor de waarheid zou getuigen; een ieder, die uit de waarheid is, hoort naar mijn
stem.”
Een zeer belangrijk begrip, vooral in het evangelie van Johannes is “wereld” dat 79
vindplaatsen heeft in 57 verzen van de NBG. We geven er enkele van weer en het is er duidelijk
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 166
aangegeven: Jezus, komt om de wereld te redden, niet om op de troon van David koning te worden.
Dat komt, maar later, en in een ander aspect dan wat de Joden verwachten. Ook vóór die tijd wil
men Jezus al eens koning maken, bij de vermenigvuldiging van de broden. Alle problemen zouden
met zo een koning opgelost zijn! Dat wil Jezus bewust niet volgens Joh.6:15: “Daar Jezus bemerkte,
dat zij zouden komen en Hem met geweld meevoeren om Hem koning te maken, trok Hij Zich
weder terug in het gebergte, geheel alleen.” Het resultaat is in Joh.6:66 te lezen: “Van toen af
keerden vele van zijn discipelen terug en gingen niet langer met Hem mede.”
Hier zijn enkele teksten over de “wereld”:

Joh.1:10: “Hij was in de wereld, en de wereld is door Hem geworden, en de wereld heeft
Hem niet gekend.”

Joh.6:14: “Toen dan de mensen zagen, welk teken Hij verricht had, zeiden zij: Deze is
waarlijk de profeet, die in de wereld komen zou.”

Joh.6:33: “want dát is het brood Gods, dat uit de hemel nederdaalt en aan de wereld het
leven geeft.”

Joh.6:51: “Ik ben het levende brood, dat uit de hemel nedergedaald is. Indien iemand van
dit brood eet, hij zal in eeuwigheid leven; en het brood, dat Ik geven zal, is mijn vlees, voor
het leven der wereld.”

Joh. 9:5: “Zolang Ik in de wereld ben, ben Ik het licht der wereld.”

Joh.9:39: “En Jezus zeide: Tot een oordeel ben Ik in deze wereld gekomen, opdat wie niet
zien, zien mogen, en wie zien, blind worden.”

Joh.12:31: “Nu gaat er een oordeel over deze wereld; nu zal de overste dezer wereld
buitengeworpen worden.”

Joh.12:46: “Ik ben als een licht in de wereld gekomen, opdat een ieder, die in Mij gelooft,
niet in de duisternis blijve.”

Joh.12:47: “En indien iemand naar mijn woorden hoort, maar ze niet bewaart, Ik oordeel
hem niet, want Ik ben niet gekomen om de wereld te oordelen, doch om de wereld te
behouden.”

Joh.17:23: “Ik in hen en Gij in Mij, dat zij volmaakt zijn tot één, opdat de wereld erkenne,
dat Gij Mij gezonden hebt, en dat Gij hen liefgehad hebt, gelijk Gij Mij liefgehad hebt.”

Joh.17:24: “Vader, hetgeen Gij Mij gegeven hebt – Ik wil, dat, waar Ik ben, ook zij bij Mij
zijn, om mijn heerlijkheid te aanschouwen, die Gij Mij gegeven hebt, want Gij hebt Mij
liefgehad vóór de grondlegging der wereld.”

Joh.17:25: “Rechtvaardige Vader, de wereld kent U niet, maar Ik ken U, en dezen weten,
dat Gij Mij gezonden hebt.”

Joh.18:20: “Jezus antwoordde hem: Ik heb vrijuit tot de wereld gesproken; Ik heb
voortdurend in de synagoge geleerd en in de tempel, waar al de Joden bijeenkomen, en in
het verborgen heb Ik niets gesproken.”
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 167
Dispensationalisten verwijzen dan in dat verband ook naar de opmerking van Jezus nadat de
stoet al op gang is gebracht. Lucas 19:37-44 SV77 zegt: “En toen Hij nu naderde aan de helling van
de Olijfberg, begon al de menigte der discipelen zich te verblijden, en God te loven met grote
stem, vanwege al de krachtige daden, die zij gezien hadden; Zeggende: Gezegend is de Koning,
Die daar komt in de Naam des Heeren! Vrede zij in de hemel, en heerlijkheid in de hoogste
plaatsen! En sommigen van de Farizeën uit de schare zeiden tot Hem: Meester, bestraf Uw
discipelen. En Hij, antwoordende, zeide tot hen: Ik zeg u, dat, zo dezen zwijgen, de stenen haast
roepen zullen. En toen Hij nabij kwam, en de stad zag, weende Hij over haar, Zeggende: Och, of gij
ook bekendet, ook nog in deze uw dag, wat tot uw vrede dient! Maar nu is het verborgen voor uw
ogen. Want er zullen dagen over u komen, dat uw vijanden een wal rondom u zullen opwerpen,
en u zullen omsingelen, en u van alle zijden benauwen; En u tot de grond zullen neerwerpen, en
uw kinderen in u; en zij zullen in u de ene steen op de andere steen niet laten; daarom dat gij de
tijd van uw bezoeking niet bekend hebt” (wij onderstrepen). MAAR, ZO MAAR, DE LINK LEGGEN
NAAR DANIËL 9 IS HIER NIET AAN TE TONEN OF AAN DE ORDE.
De tweede reden waarom de uitleg van de dispensationalisten verkeerd is over Palmzondag
is deze. Er loopt nog een ander verhaal in de evangeliën. Dat, van Israël dat absoluut geen oren
heeft naar de boodschap van Jezus en toch is Hij hun koning, hun priester en hun profeet. Hun
ogen, oren en hart zijn afgesloten, verhard en onbekeerd. Dit staat ook in de Schrift:

Mat.11:12,13 SV77: “En van de dagen van Johannes de Doper tot nu toe, wordt het
Koninkrijk der hemelen geweld aangedaan, en de geweldigers nemen het met geweld.
Want al de profeten en de wet hebben tot Johannes toe geprofeteerd.”

Hand.3:20-24 SV77: “En Hij gezonden zal hebben Jezus Christus, Die u te voren gepredikt is;
Die de hemel moet ontvangen tot de tijden der wederoprichting aller dingen, die God
gesproken heeft door de mond van al Zijn heilige profeten van alle eeuw. Want Mozes
heeft tot de vaderen gezegd: De Heere, uw God, zal u een Profeet verwekken, uit uw
broeders, gelijk mij; Die zult gij horen, in alles, wat Hij tot u spreken zal. En het zal
geschieden, dat alle ziel, die deze Profeet niet zal gehoord hebben, uitgeroeid zal worden
uit het volk. En ook al de profeten, van Samuël aan, en die daarna gevolgd zijn, zovelen als
er hebben gesproken, die hebben ook deze dagen te voren verkondigd.”

Heb.1:8,9 SV77: “Maar tot de Zoon zegt Hij: Uw troon, o God, is in alle eeuwigheid; de
schepter van Uw koninkrijk is een rechte schepter. Gij hebt rechtvaardigheid liefgehad, en
ongerechtigheid gehaat; daarom heeft U, o God! Uw God gezalfd met olie der vreugde
boven Uw medegenoten.”

Heb.5:4,5,9 SV77: “En niemand neemt zichzelf die eer aan, maar die door God geroepen
wordt, zoals Aäron. Alzo heeft ook Christus Zichzelf niet verheerlijkt, om Hogepriester te
worden, maar Die tot Hem gesproken heeft: Gij zijt Mijn Zoon, heden heb Ik U
gegenereerd. En is door God genaamd een Hogepriester, naar de ordening van
Melchizédek.”
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 168
Dit is de derde reden: Hij kwam om Zijn bloed = Zijn leven te geven voor zondaars.
Dispensationalisten geven ook om deze reden een verkeerde indruk van die Palmzondag. In het
boek Jesaja staan de profetieën die over “De Knecht des HEEREN” handelen. Wat er zou moeten
gebeurd zijn, op die dag, moet afgemeten worden aan de dood van Jezus aan het kruis en dat is dan
nog toekomst. DAT STAAT OP HET PROGRAMMA VAN DE REDEN VAN DE KOMST VAN JEZUS. Dit
moet trouwens voorafgaan aan de stichting van Zijn koninkrijk. Er kan dus theologisch geen sprake
zijn, van een greep naar de macht op deze dag en de Romeinen gewoon buiten Judea te vegen. Lees
eens dat verhaal van Palmzondag vanuit deze bril van wat Jesaja voorzei:

Hij zal door Zijn volk verworpen worden, Jesaja 53:3 SV77: “Hij was veracht, en de
onwaardigste onder de mensen, een Man van smarten, en verzocht in krankheid; en een
ieder was als verbergende het aangezicht voor Hem; Hij was veracht, en wij hebben Hem
niet geacht.”

Hij zal sterven voor de zonden van Israël, zoals uitgelegd door de apostelen voor elke
gelovige, ook die uit de heidenen, Jesaja 53:6 SV77: “Wij dwaalden allen als schapen, wij
keerden ons een ieder naar zijn weg; doch de HEERE heeft onzer aller ongerechtigheden
op Hem doen aanlopen.”

Hij zal voor eeuwig leven na gestorven te zijn, Jesaja 53:10 SV77: “Doch het behaagde de
HEERE Hem te verbrijzelen; Hij heeft Hem krank gemaakt; als Zijn ziel Zich tot een
schuldoffer gesteld zal hebben, zo zal Hij zaad zien, Hij zal de dagen verlengen; en het
welbehagen des HEEREN zal door Zijn hand gelukkig voortgaan.”

Hij zal alle gelovigen rechtvaardigen, ook heidenen, zeggen later de discipelen van Jezus,
Jesaja 53:11 SV77: “Om de arbeid van Zijn ziel zal Hij het zien, en verzadigd worden; door
Zijn kennis zal Mijn Knecht, de Rechtvaardige, velen rechtvaardig maken, want Hij zal hun
ongerechtigheden dragen.”

Hij zal de plaag van het volk op zich nemen, Jesaja 53:8 SV77: “Hij is uit de angst en uit het
gericht weggenomen; en wie zal Zijn leeftijd uitspreken? Want Hij is afgesneden uit het
land der levenden; om de overtreding van Mijn volk is de plaag op Hem geweest.”

Hij is de onschuld zelf en toch moet Hij sterven, Jesaja 53:7 SV77: “Toen deze geëist werd,
toen werd Hij verdrukt; doch Hij deed Zijn mond niet open; als een lam werd Hij ter
slachting geleid, en als een schaap, dat stom is voor het aangezicht van zijn scheerders,
alzo deed Hij Zijn mond niet open.”

Hij is niet slechts voor de Joden gekomen maar ook voor de heidenen, Jesaja 49:6 SV77:
“Verder zeide Hij: Het is te gering, dat Gij Mij een Knecht zoudt zijn, om op te richten de
stammen van Jakob, en om terug te brengen de bewaarden in Israël; Ik heb U ook gegeven
tot een Licht der heidenen, om Mijn heil te zijn tot aan het einde der aarde.”

Hij zal gewoon afgesneden worden = vermoord (Dan.9:24-27).
De vierde reden waarom er geen overdreven nadruk mag liggen op de betekenis van het
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 169
Palmzondagfeest is hoe het evangelie van Johannes dat beschrijft. Palmzondag staat in de vier
evangeliën beschreven en Johannes geeft een theologische reden waarom dat feest niet is
uitgelopen op wat dispensationalisten er in leggen. Dit zegt Johannes 12:12-19: “De volgende dag,
toen de grote menigte, die voor het feest gekomen was, hoorde, dat Jezus naar Jeruzalem kwam,
namen zij palmtakken, gingen uit Hem tegemoet, en riepen:
Hosanna, gezegend Hij, die komt in de naam des Heren! en: De koning van Israël!
En Jezus vond een jonge ezel en Hij ging erop zitten, gelijk geschreven is:
Wees niet bevreesd, dochter Sions, zie, uw Koning komt, gezeten op het veulen van
een ezel.
DIT BEGREPEN ZIJN DISCIPELEN AANVANKELIJK NIET. MAAR TOEN JEZUS VERHEERLIJKT
WAS, TOEN HERINNERDEN ZIJ ZICH, DAT DIT MET HET OOG OP HEM GESCHREVEN WAS en dat zij
dit met Hem gedaan hadden. De schare dan, die bij Hem was geweest, toen Hij Lazarus uit het
graf geroepen en hem uit de doden opgewekt had, getuigde daarvan. Daarom ging de schare Hem
ook tegemoet, omdat zij gehoord hadden, dat Hij dit teken gedaan had. De Farizeeën dan zeiden
tot elkander: Gij ziet voor uw ogen, dat gij niets bereikt; zie, de gehele wereld loopt Hem na.” De
discipelen van Jezus begrepen de ware toedracht van het gebeuren van Palmzondag slechts nadat ze
de Heilige Geest hadden ontvangen, meer dan vijftig dagen na de gebeurtenis. Zodat we het
gewone volk in Jeruzalem niet moeten aansmeren dat ze hun koning verwerpen en daar dan de
reden zoeken van het einde van de negenenzestigste week. De echte verwerping komt later met de
14de nisan, wanneer Hij aan het kruis sterft nadat men hem enkele uren voordien als Messias
verworpen heeft. Zijn koninkrijk is niet van deze wereld. Dat kan de man in de straat niet begrijpen.
Zo zijn ze niet opgevoed en ook zijn discipelen dachten nog aan een aards rijk veertig dagen ná zijn
opstanding uit de doden (Handelingen 1:6,7).
De teksten uit het evangelie van Johannes spreken duidelijk niet van een rijk dat moet
opgericht worden op aarde in die dagen met Jezus als koning ervan. Integendeel:

Joh.3:3: “Jezus antwoordde en zeide tot hem: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, tenzij iemand
wederom geboren wordt, kan hij het Koninkrijk Gods niet zien.

Joh.3:5: “Jezus antwoordde: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, tenzij iemand geboren wordt uit
water en Geest, kan hij het Koninkrijk Gods niet binnengaan.

Joh.18:36: “Jezus antwoordde: Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld; indien mijn
Koninkrijk van deze wereld geweest was, zouden mijn dienaars gestreden hebben, opdat Ik
niet aan de Joden zou worden overgeleverd; nu echter is mijn Koninkrijk niet van hier.
De vijfde reden waarom er geen overdreven nadruk mag komen te liggen op het
Palmzondagfeest is wat er profetisch gezegd is over de Messias en Zijn werk in deze wereld.

Vooraf Jesaja 7:14: “Daarom zal de Here zelf u een teken geven: Zie, de jonkvrouw zal
zwanger worden en een zoon baren; en zij zal hem de naam Immanuël geven.” Dat Jezus er
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 170
is, is de godsopenbaring in deze wereld van het Joodse volk. Dat hebben ze als volk niet
opgemerkt. Slechts enkelen hebben dat geheim begrepen.

In het evangelie van Johannes staan twee mooie teksten Johannes 1:15,34: “Johannes heeft
van Hem getuigd en heeft geroepen, zeggende: Deze was het, van wie ik zeide: Die na mij
komt, is vóór mij geweest, want Hij was eer dan ik. (…) En ik heb gezien en getuigd, dat
deze de Zoon van God is.” De Doper heeft het geweten en ook bekend gemaakt: deze man is
God, Zoon van God!

In een latere fase van de geschiedenis van de manier waarop het volk Israël omgaat met die
Jezus lezen we in Johannes 10:33: “De Joden antwoordden Hem: Niet om een goed werk
willen wij U stenigen, maar om godslastering en omdat Gij, een mens, Uzelf God maakt.”

Aan het einde van Zijn aards bestaan is dit gedeelte van de confrontatie met de hogepriester
sprekend voor de manier waarop de clerus van Israël Jezus bekijkt: “Maar Jezus bleef
zwijgen. En de hogepriester zeide tot Hem: Ik bezweer U bij de levende God, dat Gij ons
zegt, of Gij zijt de Christus, de Zoon van God. Jezus zeide tot hem: Gij hebt het gezegd.
Doch Ik zeg u, van nu aan zult gij de Zoon des mensen zien, gezeten aan de rechterhand
der Macht en komende op de wolken des hemels. Toen scheurde de hogepriester zijn
klederen en zeide: Hij heeft God gelasterd! Waartoe hebben wij nog getuigen nodig? Zie,
nu hebt gij de godslastering gehoord. Wat dunkt u?” (Mattheus 26:63-65).

Met andere woorden Israël heeft, in massa, niet begrepen wie Jezus was: namelijk dat GOD
MET HEN WAS. Enkelen hebben het verstaan. Maar na de opstanding hebben, ondanks
Palmzondag, duizenden die boodschap aangenomen.
Neen, deze vijf redenen geven duidelijk aan dat men Palmzondag niet moet lezen met de woorden
van de engel Gabriël aan David – en aan ons - in Daniël 9. Wie daar een verkeerde nadruk legt komt
in strijd met wat de Schrift ons duidelijk maakt, Jezus kwam om te sterven en niet om in Jeruzalem
koning te zijn over aardse burgers.
Die enkele dagen vóór de dood van Jezus is er dus een opflakkering van nationalisme onder
de Joden en is er de tocht van Jezus naar Jeruzalem (Joh.12:13). Hoe interpreteren we het dan? Bij
Zijn aanhouding zal Jezus, wellicht om deze reden, aangeklaagd worden als iemand met politieke
aardse ambities (Joh.18:33 / 19:12). Men stelt Hem voor als de rivaal van de keizer, maar Jezus
maakt het duidelijk, Hij is koning. Maar Zijn rijk is niet van DEZE WERELD en Zijn discipelen mogen
niet op de vuist gaan met de Romeinse overheerser (Joh.18:36). Christus heeft trouwens al eens
geweigerd koning te worden in deze aardse omstandigheden (Joh.6:15). Jezus, kwam niet om Pilatus
buiten te zetten, Zijn tijd komt nog en is trouwens niet zo ver meer af (Joh.19:10,11). Maar het is
een geestelijk rijk, de keizer moet niet bang zijn. Wanneer Jezus gegeseld wordt als inleiding op zijn
kruisiging dan zal men ook een plakkaat op het kruis spijkeren dat Hij gezegd heeft koning te zijn van
de Joden (Joh.19:1-3 / John 19:19). Zijn vijanden weten dus wat ze aan Hem hebben. Zijn leerlingen
begrijpen dat later beter, na de uitstorting van de Heilige Geest.
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 171

Dit zegt de apostel Petrus, enkele minuten voordien opnieuw herboren, in Handelingen
2:29-32: “Gij mannen broeders, het is mij geoorloofd vrijuit tot u te spreken van de
patriarch David, dat hij beide gestorven en begraven is, en zijn graf is onder ons tot op
deze dag. Alzo hij dan een profeet was, en wist, dat God hem met ede gezworen had,
dat hij uit de vrucht zijner lendenen, zoveel het vlees aangaat, de Christus verwekken
zou, om Hem op zijn troon te zetten; ZO HEEFT HIJ, DIT VOORZIENDE, GESPROKEN VAN
DE OPSTANDING VAN CHRISTUS, dat Zijn ziel niet is verlaten in de hel, noch Zijn vlees
verderving heeft gezien. Deze Jezus heeft God opgewekt; waarvan wij allen getuigen
zijn” (wij onderstrepen).

Wie het geheim van de prediking van Petrus begrijpt kan ook Amen zeggen op dit: in het
‘Book of Church Order’ van ‘The Presbyterian Church in America’ is de aanhef deze:
“Jesus Christ ... sits upon the throne of David.” = Jezus Christus … zit op de troon van
David.
De profetie in Dan.9:26 voorzei ook dat de Messias zou sterven “ve ain lo”, iets waar
Bijbelvertalers de grootste moeilijkheid mee hebben. Er zijn wel zes verscheidene manieren om dit
te vertalen. De NBG zegt “niets tegen hem.” Kahn, de Franse rabbijn, vertaald “zonder wettelijke
opvolger”, Segond zegt “zonder opvolger”, Crampon vertaald “niemand voor hem”, Ostervald zegt
“niet voor zichzelf” en Liénart heeft “zonder dat hij fout was.” Al deze vertalingen kunnen juist zijn
omdat ze allemaal passen in het beeld van het leven en werk van Christus. Vergelijk met 1 Pet.1:19 /
Joh.1:11.
P. Slagter (hyperdispensationalist) zegt in het citaat bovenaan: “Hij ontvangt niet waar Hij
recht op heeft.” In elk geval is dit een verkeerde gevolgtrekking. De Messias heeft wel degelijk alles
ontvangen waar Hij recht op heeft. Petrus liegt toch niet op de Pinksterdag wanneer hij zegt dat
Jezus uit de doden is opgestaan als Heer en Messias (Hand.2:36)! Paulus liegt toch niet wanneer hij
zegt dat Jezus boven alles verheven is, boven alles wat er in het universum is (Phil.2:9-11). Johannes
liegt toch niet wanneer hij zegt dat de Vader leven geeft aan de gelovige dóór Zijn Zoon (1 Joh.5:11).
Of liegt Jacobus wanneer hij schrijft dat wanneer iemand lijdt en tot de Here gaat, Hij “hem zal
oprichten” (Jac.5:15)? Dat wijst er toch op dat de Heer over “allen” en “alles” regeert (Hand.10:36).
Gerald Sigal de Joodse tegenstander van de uitleg van christenen over deze profetie van
Daniël, heeft hier een commentaar. Hij schreef: ‘Daniel's 70 Weeks: Dan. 9:24-27’ op www.wordgems.com/ “4. De woorden v’ayn lo (9:26) zijn onjuist vertaald door de King James Version als
“maar niet voor zichzelf.” “Het moet worden vertaald als: “hij niets heeft” of “hij zal niets hebben.”
Hoe kunnen christelijke missionarissen dit vers op Jezus toepassen gezien wat in Jesaja 53:12 staat,
waar Gods dienaar een “deel met de groten” krijgt?
Bovendien kan v’ayn lo niet verwijzen naar de situatie van Jezus met of na de dood, want, in
tegenstelling tot de gewone sterveling die na de dood verval ondergaat, beweren christelijke
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 172
evangelisten dat Jezus lichamelijk naar de hemel ging, waar hij zit aan de rechterhand van de troon
van de Majesteit. Het kan zeker niet verwijzen naar een gebrek aan rijkdom of volgelingen, want dat
zou Jezus niet onderscheiden van de grote meerderheid van de wereldbevolking. Iemand die “niets”
heeft (Daniël 9:26) of niets ontvangt, dus “geen deel met de groten” heeft (Jesaja 53:12), niet
lichamelijk in de hemel geleid werd (Handelingen 1:9), en niet zit aan de “rechterhand van de troon
van de Majesteit” (Hebreeën 8:1). Het is precies met zijn dood dat Jezus naar verluidt in staat was
om zijn beloning te ontvangen. Daarom, kan “zal hij niets hebben” niet verwijzen naar de Jezus van
de christelijke evangelisatietheologie.” Een ander Hebreeuws theoloog zegt dat de woorden V’AYN
LO betekenen “en hij zal niets hebben” of “er blijft niets voor hem over.” Als men wil zeggen, “maar
niet voor zichzelf”, zou je moeten zeggen V’AYN L’ATZMO. Onze kennis van die taal is niet van dien
aard dat we het kunnen beamen.
Laten we dat eens bekijken. Er zijn op zijn minst twee mogelijke betekenissen: de eerste
heeft betrekking op het koninkrijk Gods. Jamieson, Fausset & Brown schrijven in hun commentaar:
“niet voor zichzelf - in deze plaats is beter vertaald “er is niets tot Hem” [Hengstenberg]; niet dat het
werkelijke doel van Zijn eerste komst (Zijn geestelijk koninkrijk) gefaald heeft, maar het aardse
koninkrijk toen door de Joden verwacht zal niets opbrengen en dus niet worden gerealiseerd.
Tregelles verwijst de titel, “de prins” (Dan 9:25), naar de tijd van zijn intocht in Jeruzalem op een
ezelsveulen als Zijn enig uiterlijk als een koning, en zes dagen nadien al ter dood gebracht als ‘Koning
van de Joden.’” De tweede uitleg is, deze die de zaak bekijkt vanuit het offer van Jezus. De Wet van
Mozes had voorzegd dat verzoening wordt gemaakt door het vergieten van bloed (Leviticus 17:11).
We weten dat de dood van de Messias “niet voor zichzelf” is, maar voor anderen, zodat Hij op die
manier, de zonden en ongerechtigheid van Israël voor God verzoent. DE NBG geeft de vertaling:
“terwijl er niets tegen hem is” en dat zou er kunnen op wijzen. Het belangrijke punt is dan, dat
tussen het einde van het tweede deel (de 69 zeven) en vóór het begin van de 70ste zeven, de
Messias zou worden gedood en zou sterven in een plaatsvervangende dood. Hij hoeft niet te
sterven (“voor zichzelf”) maar doet het voor anderen. We weten dat de Here God niets doet zonder
Zijn geheim te onthullen aan Zijn knechten, de profeten (Amos 3:7) en dat heeft Hij ook gedaan.
Jesaja 53 spreekt over die gruwelijke dood van Jezus, Hij hoefde het niet te doen maar al voor de
grondlegging van de Nieuw Wereld heeft de drie-enige het al gepland.
Dit zijn enkele Nederlandstalige en Engelse vertalingen van dat gedeelte uit Daniël 9:26 en u
merkt hoe moeilijk het is een leesbare tekst ervan te maken. Want dat moet men ook toegeven dat
is een moeilijke tekst.
Statenvertaling (Jongbloed-editie)
“ En na die twee en zestig weken zal de Messias uitgeroeid worden, maar het zal niet voor Hem
zelven zijn”
NBG-vertaling 1951
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 173
“26 En na de tweeënzestig weken zal een gezalfde worden uitgeroeid, terwijl er niets tegen hem is”
Willibrordvertaling (herziene editie 1995)
“Na die tweeënzestig weken zal een gezalfde gedood worden zonder dat iemand hem opvolgt.”
KJV
And after threescore and two weeks shall Messiah be cut off, but not for himself
NKJV
And after the sixty-two weeks Messiah shall be cut off, but not for Himself
NLT
After this period of sixty-two sets of seven,* the Anointed One will be killed, appearing to have
accomplished nothing,
Footnote:
* Hebrew After 62 sevens.
NIV
After the sixty-two ‘sevens,’ the Anointed One will be cut off and will have nothing.*
Footnote:
* Or off and will have no one; or off, but not for himself
ESV
“And after the sixty-two weeks, an anointed one shall be cut off and shall have nothing.
NASB
Then after the sixty-two weeks the Messiah will be cut off and have nothing
RSV
And after the sixty-two weeks, an anointed one shall be cut off, and shall have nothing
ASV
And after the threescore and two weeks shall the anointed one be cut off, and shall have nothing
YNG
And after the sixty and two weeks, cut off is Messiah, and the city and the holy place are not his
(dat is een tegenstrijdigheid inbouwen in de vertaling)
DBY
And after the sixty-two weeks shall Messiah be cut off, and shall have nothing
WEB
And after sixty and two weeks shall Messiah be cut off, but not for himself
HNV
After the sixty-two weeks the Anointed One shall be cut off, and shall have nothingVUL
We moeten wanneer we naar Dan.9:26b gaan, vooraf opmerken dat we moeten lezen wat er
staat. Niet doen zoals de volgelingen van de leer van de bedelingen en vertalen bijvoorbeeld als in
de Groot Nieuws Bijbel van 1996: “Er zal een koning verschijnen die met zijn leger…” enz. Uit die
vertaling gaat men het begin van vers 27 interpreteren en “HIJ” (= een koning) gelijkstellen aan een
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 174
vijand van het toekomstige Israël, aan de antichrist. Dit kan niet volgens een goede vertaling van
26b, want we dienen dat te vertalen als “een volk van de vorst.” Het is een volk (de Romeinse
legers) onder leiding van een vorst (generaal Titus) die: “de stad en het heiligdom verderven.” We
komen hier later op terug. Deze vertalingen ondersteunen wat we zeggen, drie ervan zijn
aangegeven als slechte:
NBV: “Het volk van een toekomstige vorst”,
SV: “en een volk des vorsten”,
SV77: “een volk van de vorst”,
NBG: “en het volk van een vorst”,
WIL95: “door het leger van een vorst”,
GNB96: “Er zal een koning verschijnen die met zijn leger” (ZEER SLECHTE VERTALING),
Luther Nederlandse vertaling: “en het volk van een vorst”,
Leidsche vertaling: “het volk van een vorst die komen”,
Naardense Bijbel: “door de manschap van een leidsman.”
Enkele Engelse vertalingen:
King James Version, 1769: “and the people of the prince that shall”,
New King James Version, 1982 Thomas Nelson: “And the people of the prince who is to come”,
New Living Translation, 1996 Tyndale Charitable Trust: “and a ruler will arise whose armies”,
(SLECHTE VERTALING)
New International Version, 1984: “The people of the ruler who will come”,
The Holy Bible, English Standard Version, 2001: “And the people of the prince who is to come”,
New American Standard Bible, 1995: “and the people of the prince who is to come”,
Revised Standard Version, 1952: “and the people of the prince who is to come”,
American Standard Version, 1901: “and the people of the prince that shall come”,
Robert Young Literal Translation, 1898: “the Leader who hath come doth destroy the people”,
(SLECHTE VERTALING)
J.N.Darby Translation, 1890: “and the people of the prince that shall come”,
Noah Webster Version, 1833: “and the people of the prince that shall come”,
Hebrew Names Version, 2000: “and the people of the prince who shall come”,
Hieronymus Latijnse Vulgate, 405: “Et civitatem, et sanctuarium dissipabit populus cum duce
venturo.”
Vers 26b verteld van een volk en een vorst die komen om de stad en de tempel te
vernietigen. De Hebreeuwse tekst zegt “nagid habbo” wat wil zeggen “de komende vorst.”
Sommigen hebben dit daarom verklaard als ware Christus zelf de vernietiger van Jeruzalem in het
jaar 70 na Chr. En het is waar dat Christus “de komende” genoemd wordt in Luc.7:19 en Mat.11:3 /
21:9. Anderen hebben zelfs de parabel van de bruiloft verklaard als vervuld in deze vernietiging
(Mat.22:7). Christus voorzei ook dat vóórdat zijn discipelen de steden van Israël zouden
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 175
doorgelopen hebben, de Zoon des mensen zou komen (Mat.10:23). Maar al deze dingen kunnen
ook anders verklaard worden. Zo is het niet naar de vernietiging van Jeruzalem dat de parabel van
de bruiloft verwijst, maar naar de Wederkomst. Niet vergeten dat Mat.10:23 voorzeker wijst naar de
transfiguratie op de berg volgens Mat.17. Er is dus alle reden om aan te nemen dat de komende
vorst in Dan.9:26b een verwijzing is naar de Romeinse generaal die Jeruzalem in 70 na Chr.
veroverde. Of het is een verwijzing naar de caesar in Rome voor wie de generaal werkt. Toen ging in
vervulling de woorden die de Joden hadden uitgesproken: “Zijn bloed kome over ons en onze
kinderen” (Mat.27:25). In voetnota geeft de NWV ook nog de lezing van 26b als volgt: “En het einde
van hem zal door de vloed zijn.” Dit wijst dan op “hem” (als mannelijk woord), die de verwoester is
en niet naar de stad en het heiligdom. Die lezing is vanuit het Hebreeuws zeker mogelijk. Een vloed
wijst in figuurlijke taal naar een leger (Jesaja 8:7,8). Calvijn merkt bij dit vers op dat de engel deze
strenge woorden op die wijze doorgeeft, om aan te tonen dat zelfs indien de Joden de oorlog
winnen tegen Rome, ze toch tegenover God verliezen en hun lot tot vernietiging bezegeld is.
Een opmerking over de derde visie (de historisch kritische) van dit 26ste vers. Antiochus
Epiphanus (de vorst) heeft de tempel niet verwoest, alleen maar ontheiligd (1 Mak.1:54). En dat is
te weinig om dit als de vervulling te beschouwen (1 Mak.1:31,38). En de stad Jeruzalem bleef in die
tijd ongedeerd.
Een Joodse exegeet, Gerald Sigal, schreef een kritisch artikel over de wijze waarop christenen
dat gedeelte vertalen. Titel: ‘Daniel’s 70 Weeks: Dan. 9:24-27’op www.word-gems.com/
“3. De King James Version verzuimt het bepaald lidwoord in Daniël 9:26, dat moet lezen: “En na de
tweeënzestig weken.” Door het behandelen van de tweeënzestig weken als een aparte periode, geeft
dit vers, in het oorspronkelijke Hebreeuws, er blijk van dat de tweeënzestig weken genoemd in vers
25 gescheiden zijn van de zeven weken door de ‘atnah.
Daarom is er over twee gezalfden gesproken in dit hoofdstuk, van wie er één komt na zeven weken,
en de andere na een nieuwere periode van tweeënzestig weken.”
Op de site van Jews for Jesus vonden we: ‘The Evolution of Some Messiah Legends’ van David
Brickner, gearchiveerd op March 1, 1987. Het toont op een overzichtelijke manier dat Joodse
exegeten het niet altijd met elkaar eens zijn over wat de Messias doet/moet doen en de varianten
op dat thema door de eeuwen heen.
We geven u ook dit mee: twee rabbijnse uitleggingen die voor zowel de eerste als de tweede
gezalfde een andere persoon invullen. Neem wat Joodse geleerden zeggen dus niet als “de echte
waarheid” en laat u niet inpakken door “exegetische hoogstandjes.”
Jewish
Study
Bible
Comments
(Reform/Conservative)
Notes Rashi’s Comments (Orthodox)
2004
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 176
25-26 Anointed leader…anointed Daniel 9:25 And you shall know and understand from the
one: The word anointed in vv. 25 emergence of the word From the emergence of this word,
and 26 is the Heb “mashiah” which emerged at the beginning of your supplications to
(Messiah); thus these vv. Have given tell you, you shall know to understand [how] to restore
rise to much Christian speculation. and build Jerusalem. until the anointed king Time will be
In the context of the other historical given from the day of the destruction until the coming of
references, however the anointed Cyrus, king of Persia, about whom the Holy One, blessed
leader probably refers to either be He, said that he would return and build His city, and
Zerubabel or the high priest Joshua He called him His anointed and His king, as it says (Isa.
(Ezra 3.2; Hag. Ch 1; Zech. 6.9-15), 45:1): “So said the Lord to His anointed one, to Cyrus etc.”
while the anointed one is most likely (verse 13): “He shall build My city and free My exiles, etc.”
the high priest Onians III, killed in
171 BCE (2 Macc. 4.30-34). The Daniel 9:26 And after those weeks. the anointed one will
be cut off Agrippa, the king of Judea, who was ruling at
prince is Antiochus IV Epiphanes.
the time of the destruction, will be slain.and he will be no
more Heb. ‫וְאֵ ין לֹו‬, and he will not have. The meaning is
that he will not be.the anointed one Heb. ‫מָ ִׁשיח‬. This is
purely an expression of a prince and a dignitary.and the
city and the Sanctuary lit. and the city and the Holy.and
the people of the coming monarch will destroy [The
monarch who will come] upon them. That is Titus and his
armies. and his end will come about by inundation And
his end will be damnation and destruction, for He will
inundate the power of his kingdom through the Messiah,
and until the end of the wars of Gog the city will exist.cut
off into desolation a destruction of desolation.
Vers 27
STATENVERTALING DAN.9:27
LUTHERVERTALING DAN.9:27
LEIDSCHEVERTALING DAN.9:27
“En hij zal velen het verbond “En hij zal velen het verbond “Hij zal een week lang met
versterken een week; en in de versterken eene week lang; velen
een
innig
verbond
helft der week zal hij het en midden in de week zal het sluiten en op de helft dier
slachtoffer en het spijsoffer slachtoffer
en
spijsoffer week
slacht
offer
en
doen ophouden, en over den ophouden; en bij de vleugels meeloffer doen ophouden, en
gruwelijken vleugel zal een zullen staan gruwelen der in de plaats daarvan komt een
verwoester zijn, ook tot de verwoesting,
voleinding toe, die vastelijk besloten,
en
totdat
het
het
is ontzettende gruwel, totdat
vast het
voldongen
en
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 177
besloten zijnde,”
besloten verderf zal uitgestort vastbesloten
worden over de verwoesting.” voltrokken
vonnis
wordt
over
het
ontzettende.”
Hieronder de voetnoten en aantekeningen van de Statenvertaling bij Dan.9:27.
92) velen het verbond versterken
Of, voortreffelijken; te weten de uitverkorenen en gelovigen.
93) een week;
Dat is, zeven jaren, in het midden van welke de Heere Christus is gedood, en in den overigen tijd
hebben de apostelen de Joden met het Evangelie van Christus bediend.
94) in de helft der week
Te weten in het midden van die zeventigste week.
95) doen ophouden,
Te weten door zijnen dood, die een offerande en slachtoffer is, waardoor alle heiligen in der
eeuwigheid geheiligd worden, voor welken al de Levietische offeranden verdwenen zijn, gelijk
de schaduw voor de zon. Want hoewel zij nog een weinig tijds na de hemelvaart van Christus
geduurd hebben, zo heeft nochtans met den dood van Christus straks al hare wettelijkheid en
nuttigheid opgehouden.
96) over den gruwelijken
Hebreeuws, over den vleugel der verfoeiselen, of verfoeiingen. Versta, het verfoeilijke heidense
Romeinse krijgsvolk, [Matth. 24:15], over hetwelk een krijgsoverste zal zijn, die deze
verwoesting zal aanrichten naar Gods rechtvaardig oordeel.
97) vleugel
Of, benden. Zie Ezech. 12:14.
98) tot de voleinding toe,
Zie de aantekening Jer. 4:27.
99) die vastelijk besloten zijnde,
Zie Jes. 28:22.
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 178
Vooreerst nog enkele andere vertalingen van dit vers 27.
“En hij zal het verbond voor velen zwaar maken, een week lang; in de helft van de week zal hij
slachtoffer en spijsoffer doen ophouden; en op een vleugel van gruwelen zal een verwoester
komen, en wel tot aan de voleinding toe, en waartoe vast besloten is, dat zal zich uitstorten over
wat woest is” (NBG).
“Met velen zal hij een sterk verbond aangaan gedurende één week. Op de helft van die week zal
hij een einde maken aan slacht en spijsoffers en op de vleugel de gruwel van de verwoesting
plaatsen, totdat de vernietiging waartoe besloten is, zich aan de vernieler voltrekt” (Willibrord
1995.)
“Maar met velen een innig verbond sluiten, een hele week lang. En op de helft van die week zal
hij slacht en spijsoffer doen ophouwen; en in plaats daarvan komt een ontzettende gruwel, totdat
verdelging en wraakgericht zich aan den vernieler voltrekt” (Canisius).
Wat zij op dat gebied zeggen over vers 27 (over de laatste week)
H. Schouten schreef in ‘Het Zoeklicht’ van 24 juli 1999, blz.17: “Na de uitroeiing van de
Gezalfde, werd stad en heiligdom te gronde gericht. En daarmee eindigde voorlopig ook de aftelling
van de 70 jaarweken. God zette de klok stil, waarom? Omdat de Here God bepaalde dingen
verborgen had gehouden, worden een aantal zaken hier wat onduidelijker, toch kunnen we inzicht
krijgen. We moeten dan aankloppen bij de apostel Paulus. Hij schrijft ons in Efeze, dat aan hem,
Paulus, een geheimenis’ geopenbaard is. Namelijk (Efeze 3:6) ‘dat de heidenen medeërfgenamen
zijn, medeleden en medegenoten van de beloften in Christus Jezus’. Wat zijn nu die beloften in
Christus? Dat zijn de dingen waar, onder andere, Daniël van profeteerde: de afsluiting van de zonde,
de verzoening van ongerechtigheid en het brengen van eeuwige gerechtigheid. Dat was ten tijde van
vroegere geslachten, dus ook voor Daniël, niet bekend (Efeze 3:5). Dat er een kloof in de geschiedenis
van Gods handelen met Israël ligt wordt wel heel helder geformuleerd door Paulus, wanneer Hij aan
de Romeinen schrijft: ‘Want broeders, opdat gij niet eigenwijs zoudt zijn, wil ik u niet onkundig laten
van dit geheimenis: een gedeeltelijke verharding is over Israël gekomen, totdat de volheid der
heidenen binnengaat, en aldus zal gans Israël behouden worden” (Romeinen 11:25,26). Wanneer de
gemeente zal zijn thuisgehaald, zal God Zijn plan met Israël doorzetten, dan zal het aftellen van de
70 jaarweken vervolgd en voltooid worden” (wij onderstrepen).
T. Niemeijer zegt in ‘Het Zoeklicht’, n°18 van 28 november 1998, blz.20 (wij onderstrepen):
“Er blijft echter nog één jaarweek (7 jaar) over, die nog op zijn vervulling wacht. Deze
jaarweek is tot op de dag van vandaag nog niet vervuld. Na de verwerping van de Messias bleef voor
het volk Israël de klok stil staan. Israël werd uit zijn land verdreven en over de gehele aarde
verstrooid. Er is een onderbreking gekomen in deze 70 jaarweken, een onderbreking, waarin de Here
in de eerste plaats met een ander volk bezig is: De Gemeente. Het tijdperk van de gemeente ligt
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 179
eigenlijk tussen het eindigen van jaarweek 69 en het begin van jaarweek 70. In deze periode staat
Israël langs de zijlijn. De laatste tijd zien we echter, dat de Here de draad met Israël weer oppakt.
De gemeente zal plaats moeten maken voor Gods handelen met Israël. God heeft Israël niet
verworpen, zoals vele christenen jaren gedacht hebben, nee Hij zal ook met zijn volk Israël tot zijn
doel komen. Wij leven in de tijd, waarin deze dingen staan te gebeuren. Op het moment dat Christus
zijn gemeente tot zich zal halen en wij in een oogwenk weggevoerd zullen worden om door onze
hemelse Bruidegom als Bruidsgemeente naar het Vaderhuis gebracht te worden, zal de klok voor
Israël weer gaan lopen. Dan breekt de laatste jaarweek voor Israël aan, die zal eindigen met de
zalving van de Here Jezus als de grote Vredevorst.
Deze periode wordt ook wel de Grote Verdrukking genoemd en bestaat, zoals het boek Openbaring,
maar ook zoals Daniël aangeeft uit 2x3,5 jaar. Het is een periode, die ook wel de tijd van
benauwdheid voor Jacob genoemd wordt (Jeremia 30). De laatste jaarweek zal dus aanbreken op
het moment, waarop de gemeente weggenomen wordt en de Here God de draad met zijn volk Israël
weer op zal pakken”.
We lezen het volgende in ‘AMEN’ nummer 49 van juni 2003 op blz.12: “Er zijn vele
Schriftplaatsen, die de derde tempel voorspellen, waarvan we er enkele zullen noemen. Wij lezen in
2 Tessalonicenzen 2: “Dat u niemand verleide op enigerlei wijze; want die (de dag van Christus) komt
niet, tenzij dat eerst de afval gekomen is, en dat geopenbaard is de mens der zonde, de zoon des
verderfs, die zich tegenstelt en verheft boven al wat God genaamd of als God geëerd wordt, alzo, dat
hij in de tempel Gods als een god zal zitten, zichzelf vertonende, dat hij God is”. (vs.3-4 SV)
Het is duidelijker dat als deze profetie in vervulling moet gaan gedurende de grote verdrukking, er
een Joodse tempel moet bestaan. De Here Jezus Zelf waarschuwt in Mattheüs 24, vers 15: “Wanneer
gij dan zult zien de gruwel der verwoesting, waarvan gesproken is door Daniël, de profeet, staande
in de heilige plaats, dat alsdan die in Judea zijn, vlieden op de bergen.” (SV)
Om te begrijpen waar onze Heiland op doelt, moeten we het boek Daniël opslaan. In Daniël 9:27
vernemen wij, dat de vorst, die komen zal, een verbond zal sluiten met Israël voor de tijd van één
jaarweek (dus zeven jaren); maar “ …in de helft der week zal hij het slachtoffer en het spijsoffer doen
ophouden en op een vleugel van gruwelen zal een verwoester komen en wel tot de –voleinding toe,
en waartoe vast besloten is, dat zal zich uitstorten over wat woest is.”
Hieruit vernemen wij, dat de Joodse eredienst in de tempel verstoord zal worden en er iets anders
voor in de plaats komt. Daniël 12 geeft hier meer licht op: “En van de tijd af, dat het gedurig offer zal
weggenomen worden en de verwoestende gruwel zal gesteld zijn, zullen zijn duizend tweehonderd
en negentig dagen.” (vers 12)
De mens der zonde zal zich in de tempel zetten, en de Schrift spreekt dan over “de gruwel der
verwoesting” en van het volk zal verwacht worden, dat het dit zal aanbidden. In het 13de hoofdstuk
van Openbaring wordt het ons duidelijker, als wij lezen, dat de valse profeet een beeld zal maken
voor het beest en de mensen zal dwingen dit te aanbidden op straffe des doods. Uit dit alles blijkt,
dat er een tempel (of wellicht een deel daarvan) moet zijn, om deze dingen in vervulling te doen
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 180
gaan.”
P.A. Slagter zegt in ‘Israël en de Bijbel’, februari 1994, blz.4 het volgende over de zeventigste
week:
“Een vorst die komen zal
Nadat dus de 69é jaarweek voorbijgegaan was, is de geschiedenis onderbroken (nu bijna 2.000 jaar)
en zal straks worden voortgezet met de 70ste, oftewel de laatste jaarweek. Daniël 9:27 beschrijft
verder de relatie tussen “een vorst... die komen zal” en het volk Israël: “En hij (dit is dus: een vorst in
de eindtijd) zal het (beter: een) verbond voor (de) velen zwaar maken, een week lang”. De
uitdrukking “zwaar maken” kan ook worden vertaald met “bekrachtigen” of “versterken” (zie bijv. de
Statenvertaling). Het feit dat “Hij” (= die vorst) het zal doen, wijst op een figuur die veel macht c.q.
invloed zal hebben op de gang van zaken in het Midden-Oosten. Israël zal hem veel vertrouwen
schenken. Dit verbond zal door velen worden begroet en aanvaard. Niet door allemaal! Er zullen
mensen zijn die zich er van distantiëren. In het verleden heeft Israël, onder aanvoering van de leiders,
dikwijls vertrouwd op verbonden met anderen. Telkens opnieuw werd dat vertrouwen beschaamd!
Gods Woord waarschuwt er ook uitdrukkelijk voor: “Het is beter tot de HEERE toevlucht te nemen,
dan op prinsen te vertrouwen” (Ps.118:9 SV; zie ook Ps.146:3; Jes.28:15 e.a.). Ook deze “prins”, de
vorst van de eindtijd, zal het vertrouwen volledig beschamen en zich zelfs tegen hen keren!” (wij
onderstrepen).
In een artikel op Internet, uit www.BijbelsArchief.nl (5 mei 2003) met als titel: ‘De gemeente
van Christus’ lezen we het volgende:
“Vanaf Genesis 11:10 tot Maleachi 4:6 houdt de Bijbel zich voornamelijk bezig met het volk Israël.
Dit betreft dus bijna het hele Oude Testament. De Gemeente is in het Oude Testament een
‘verborgenheid’
‘En in het licht te stellen [wat] de bediening van het geheimenis [inhoudt], dat van eeuwen her
verborgen is gebleven in God, de Schepper van alle dingen, Opdat thans door middel van de
gemeente aan de overheden en de machten in de hemelse gewesten de veelkleurige wijsheid Gods
bekend zou worden’. Efeze 3:9-10
De Gemeente wordt zelfs nooit genoemd, de heidenen worden genoemd als ze iets met Israël te
maken hebben. Ook de vier Evangeliën spreken voornamelijk over Israël (Joden). Maar wél wordt
daar de Gemeente als op handen zijnde gebeurtenis aangekondigd in verband met een wereldwijde
prediking van het Evangelie aan Israël en de heidenen in Matthéüs 16:18 lezen we:
‘En Ik zeg u, dat gij Petrus zijt, en op deze Petra zal Ik mijn gemeente bouwen en de poorten van het
dodenrijk zullen haar niet overweldigen’. Matthéüs 16:18
‘Ik bedoel namelijk, dat Christus ter wille van de waarachtigheid Gods een dienaar van besnedenen
geweest is, om de beloften, aan de vaderen gedaan, te bevestigen’. Romeinen 15:8.”
In ‘De komst van de Heer is nabij’ van H. Bouter Jr. lezen we:”Wat de antichrist betreft, denk
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 181
ik dat l Johannes 2:18v.v duidelijk maakt dat er vele voorlopers zijn geweest van de antichrist, die
nog moet komen in de eindtijd en die pas kan komen nadat de weerhoudende machten (de
Gemeente en de in haar wonende Geest) zijn weggenomen van de aarde (vergelijk 2
Thessalonicenzen 2:6-7).
In die zin heb ik er geen moeite mee om - zoals vele christenen dat gedaan hebben in het verleden
het pausdom te betitelen als een antichristelijke macht. Maar het is niet meer dan een “voorloper”
van de antichrist, want Johannes zegt dat de antichrist de Vader en de Zoon loochent. Dat betekent
dus dat hij de fundamentele belijdenis van het christendom zal opgeven, namelijk God als Vader
geopenbaard in zijn Zoon Jezus Christus. Dat gaat verder dan de dwalingen van Rome.
Het optreden van de mens der zonde in de eindtijd zal aanleiding geven tot de verschijning van onze
Heer Jezus Christus in vlammend vuur van de hemel (2Thess. 1:7; 2:8; Openbaring 19:15,20)” (Uit
het ‘Woord der Waarheid’, Winschoten, maart/april 1992).
In de derde visie (de historisch kritische) interpreteert men de “hij” als de vorst van vers 26.
Maar wat we hebben opgemerkt bij 26 is ook hier toepasselijk.
Wat wij op dat gebied zeggen
De dispensatieleer geeft weer dat de zeventigste week nog steeds toekomstig is. Volgens het
getuigenis van Jezus zelf, in Mat.24:15, zegt men dan. Als de Heer citeert uit dit gedeelte van de
passage van Daniël, dus Daniel 9:24-27, dan moeten we echt bezorgd zijn over zo een uitleg, want
die ligt dan buiten de zeventig weken. Zelfs de dood van Jezus valt buiten de 70 weken, want Hij
stierf tussen de door God ingepaste periode van de gemeente van Christus. Het beeld is: de periode
van de zesennegentig weken loopt van Nehemia tot aan Palmzondag, God stopt zijn klok voor Israël,
Jezus sterft vijf dagen later en dan zal ooit in de toekomst de zeventigste week starten. Dat leert de
Schrift niet, het klinkt “science fiction.”
Er worden allerhande pogingen gedaan om toch maar een breuk te kunnen verklaren tussen
de 69ste en de 70ste jaarweek. De argumentatie is dan: er zijn meerdere Bijbelteksten aan te halen
die erop wijzen dat er een breuk is tussen het sterven van de Heer aan het kruis als offer voor de
mensen, en zijn latere Wederkomst als koning. Wij citeren hierbij niemand maar dit zijn de
dienaangaande Bijbelteksten die aangehaald worden in dat verband; Psalm 22:3 / 110:1,2 / Jesaja
61:2 / Daniël 2:31-45 / Daniël 7:23-27 / Daniël 8:2,25 / Daniël 11:35,36 / Hosea 3:4,5 / Hosea 5:15 /
Hosea 6:1,2 / 1 Petrus 3:10-12. We hebben alles opgezocht in dit verband, maar veronderstel dat er
nog wat aan toegevoegd moet worden, doe het dan. We zijn echter niet onder de indruk van zo een
lijst. De reden waarom we het niet zijn is deze: géén enkele van die teksten heeft in zijn tekst of
context een TIJDSBEGRIP. Maar Daniël 9 heeft dat wel: 70 “shabua” of 490 letterlijke of symbolische
jaren. Dat men dat in een onderbroken lijn moet interpreteren is duidelijk uit andere teksten waar
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 182
een tijdsbegrip in verwerkt is. De zeventigjarige tijd die Israël zal doorbrengen in Babylonische
gevangenschap kan men niet uitleggen als 65 jaar, daarop een breuk van 200 jaar (of wat anders) en
dan de vijf resterende jaren erop volgend. Jeremia 29:10 SV77 is duidelijk: “Want zo zegt de HEERE:
Voorzeker, als zeventig jaren te Babel zullen vervuld zijn, zal Ik u bezoeken, en Ik zal Mijn goed
woord over u verwekken, u terugbrengende tot deze plaats.” Dat is onzin om er wat anders in te
leggen dan 70 ononderbroken jaren. In Daniël 9:27 een breuk invoegen is de Schrift geweld
aandoen.
Het heeft géén zin daartegen in te gaan met de opmerking dat er toch gesproken wordt van
7 jaarweken plus 62 jaarweken plus 1 jaarweek. Wat heb je eraan, aan zo een uitleg, wanneer men
niet consequent is. Daar kan men toch niet in terugvinden dat er een breuk is tussen de 7 en de 62
jaarweken. Zoek er dan toch ook geen tussen en 62 en de laatste week.
Robert Anderson de schrijver van een standaardwerk over de bedelingen, ‘The Coming
Prince’ gaf zijn boek een ondertitel. Het is deze: ‘The Marvelous Prophecy of Daniels Seventy Weeks
concerning the Antichrist.’ In onze interpretatie is vers 27 een nadere uitleg bij vers 26 en is er géén
sprake van DE of Een ANTICHRIST in gans de profetie, niet rechtstreeks en niet als ondertoon in
symbolische zin. Het vers 26 beschrijft de historische zaken en vers 27 geeft er de betekenis van
weer. Dat kent men uit de Joodse manier van schrijven en parallellisme genoemd wordt van twee
gelijklopende verzen. Dat parallellisme geven we hier weer in de Naardense vertaling (die te
onleesbaaar is in vele teksten):
VERS
9:25
HET POSITIEVE
HET NEGATIEVE
weet en begrijp: vanaf de uitgang van in zestig en een dubbeltal zevendaagsen zal
een woord is het, om nog een keer zij nog een keer worden herbouwd, met
Jeruzalem op te bouwen tot aan de plein en gracht, in die benarde tijden;
zalving van een leidsman een zevental
zevendaagsen;
9:26
en ná die tweeënzestig zevendaagsen de stad en het heiligdom worden verdorven
wordt een gezalfde weggemaaid zonder door de manschap van een leidsman die
dat er iets tegen hem is;
komt,
maar
zijn
einde
vindt
in
de
overstroming, en tot zo'n einde is er oorlog,
vastbesloten is het: verwoesting!
9:27
één zevendaagse lang zal hij met velen op
de
vleugel
van
gruwelen
is
hij
een krachtig verbond hebben; op de verwoestend bezig tot het voleindigd is, en
helft van de zevendaagse zal hij wat vastbesloten is wordt uitgestort over
ophouden met offerdier en broodgift;
een verwoester!
G. van den Brink, discipel van de bedelingenleer, schreef het artikel, ‘De eindtijd in Daniël en
de weeklacht van Jezus’ in het tijdschrift Soteria 16/4 (1999, blz.28-38). Het zijn aantekeningen bij
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 183
Daniël 9:24-27 en de rede van Christus in Mattheüs 23 waar de Joodse leiders een koude douche
krijgen van Christus waar ze moeilijk kunnen aan ontsnappen. Hij geeft (bij kopje 5) deze opmerking:
“We kunnen onze bespreking van de '70-perioden' profetie besluiten met de conclusie dat
men er vanuit Daniël en het OT geen zicht op krijgen wie met de tweede gezalfde bedoeld
wordt.
De grote vraag is: is Jezus nu de tweede gezalfde of niet? En wie is de 'vorst die komen zal'?
Nog belangrijker: is hij al gekomen of moet hij nog komen? We gaan naar het NT om te zien
of we op deze vragen een antwoord krijgen. (…)
We willen hiervoor Jezus' klacht over Jeruzalem in Matt. 23:37-39 (= Luc. 13:34-35) onder de
loep nemen. Wat betreft de tekst is dit één van de plaatsen waar de verwoording van
Mattheus en Lucas bijna gelijk is” (wij onderstrepen).
Zijn conclusies zijn dan, aan het slot, onder andere deze:
“3 Door de dood van de spreker, die hier een Messiaans zelfbewustzijn toont, zal het oordeel
van God over volk en stad komen en breekt er een heilloze tijd aan voor Israël.
4. “erēmos” in vs.38 is mogelijk een toespeling op Daniël 9:26b-27, waar het wel drie keer
voorkomt.”
Om bij punt drie te beginnen, neen, er breekt GEEN heilzame tijd aan voor Israël wanneer ze
Christus verwerpen. De rest van de gelovigen onder de Israëlieten, die Jezus aannemen als
verlosser, zijn opgenomen in wat de gemeente van Christus zal genoemd worden. Ze hebben hun
heil gevonden in Jezus en daar zijn meerdere teksten bij aan te voeren (Rom.3:21-26). Het heil van
Israël verbinden aan een letterlijke tempel is sinds Jezus een verkeerde conclusie. Lees wat Hij zegt
tot de Samaritaanse in Johannes 4:21-24.
We gaan dat andere argument eens bekijken. Dit is wat er in Mattheus 23:37-39 staat: ”Jeruzalem,
Jeruzalem, dat de profeten doodt, en stenigt, wie tot u gezonden zijn, hoe dikwijls heb Ik uw
kinderen willen vergaderen, gelijk een hen haar kuikens onder haar vleugels vergadert, en gij hebt
niet gewild. 38 Zie, uw huis wordt aan u overgelaten. 39 Want Ik zeg u, gij zult Mij van nu aan niet
meer zien, totdat gij zegt: Gezegend Hij, die komt in de naam des Heren!”
In de Statenvertaling is er bij Mat.23:37 de verwijzing naar Mat.21:35,36, we citeren de SV77 er van.
Daar staat: “En de landlieden, zijn dienstknechten nemende, hebben de ene geslagen, en de
andere gedood, en de derde gestenigd. Weer zond hij andere dienstknechten, meer in getal dan
de eersten, en zij deden hun evenzo.”
In de Statenvertaling zijn er bij Mat.23:38 de volgende verwijzingen; Ps 69:26 / Jes.1:7 / Jer.7:34 /
Micha 3:12 / Hand 1:20. Dit zijn ze uitgeschreven in de SV77.
Ps.69:26: “Hun paleis zij verwoest; in hun tenten zij geen inwoner.”
Jes.1:7: “Uw land is een verwoesting, uw steden zijn met het vuur verbrand; uw bouwland
verteren de vreemden in uw tegenwoordigheid, en een verwoesting is er, als een omkering door
de vreemden.”
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 184
Jer.7:34: “En Ik zal uit de steden van Juda en uit de straten van Jeruzalem doen ophouden de stem
der vrolijkheid en de stem der vreugde, de stem van de bruidegom en de stem van de bruid; want
het land zal tot een verwoesting worden.”
Micha 3:12: “Daarom, om uwentwil, zal Sion als een akker geploegd worden, en Jeruzalem zal tot
steenhopen worden, en de berg van dit huis tot hoogten van een woud.”
Hand.1:20: “Want er staat geschreven in het boek der Psalmen: Zijn woonstede worde woest, en
er zij niemand die daarin wone. En: Een ander neme zijn opzienersambt.”
We leren hieruit dat er van Godswege een aankondiging was van vernietiging. Van braakleggen van
stad en cultuur indien Israël blijft doorgaan met Zijn God ontrouw te zijn. Israël, het volk en de
steden waarin ze wonen zullen als een wildernis worden als men zich niet onder God wil plaatsen.
Er komt een “erēmos” = (Strong's G2048) aan de orde, een wildernis, verwoesting, verlaten enz. in
zowel Daniel 9 als Mat.23. Dat klopt! We geven dat grif toe aan G. van den Brink.
Dispensationalisten vergeten de achtergrond ervan te vertellen en willen dit met Daniël 9
koppelen, dat laatste deel ervan! Maar hoe was het vóór de vernietiging in het jaar 70 na Christus.
Jezus, heeft de tempel verlaten toen hij stierf aan het kruis. De tempel werd in zekere zin door God
verlaten: de scheiding is gewoon naar beneden gekomen in gescheurde toesrtand. Matthéüs 27:51
HSV: “51 En zie, het voorhangsel van de tempel scheurde in tweeën, van boven tot beneden; de
aarde beefde en de rotsen scheurden.” Een prachtig beeld en metafoor! Geen enkele van de
verschijningen van Jezus ging door in de tempel of heeft wat te maken met die plaats. Het is
duidelijk dat zowel de Vader, de Zoon als de Heilige Geest daar nadien niet meer waren. Het huis
Gods, de tempel Gods, het huis mijns Vaders de termen die Jezus gebruikt voor de tempel krijgen
ineens een andere dimensie. Het is UW HUIS, dat van de joden, geworden in Mat.23:37-39 =
Luc.13:34,35. Dat geeft aan dat het complex door God verlaten wordt. Nu is het Zijn tempel niet
meer. Ook in Ezechiël verlaat God de tempel die zal vernietigd worden in vier stappen.
Bekijk eens de verzen:

Mat.12:4: “Hoe hij het huis Gods binnengegaan is en zij de toonbroden hebben gegeten,
waarvan hij noch die met hem waren mochten eten, doch alleen de priesters?”

Mat.21:13: “en Hij zeide tot hen: Er staat geschreven: Mijn huis zal een bedehuis heten,
maar gij maakt het tot een rovershol.”

Mat.23:38: “Zie, uw huis wordt aan u overgelaten.”

Mat.26:61: “Maar ten laatste traden er twee op, die verklaarden: Deze heeft gezegd: Ik kan
de tempel Gods afbreken en binnen drie dagen opbouwen.

Mat.27:40: “en zeiden: Gij, die de tempel afbreekt en in drie dagen opbouwt, red Uzelf,
indien Gij Gods Zoon zijt, en kom af van het kruis!”

Joh.2:16: “En tot de duivenverkopers zeide Hij: Neemt dit alles hier vandaan, maakt het
huis mijns Vaders niet tot een verkoophuis.”
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 185

Psalm 81:11,12: “Ik, de HERE, ben uw God, die u opvoerde uit het land Egypte; doe uw
mond wijd open en Ik zal hem vullen. Maar mijn volk luisterde niet naar mijn stem, Israël
was onwillig tegen Mij.” Deze psalm van Asaf geeft weer waar het schoentje wringt: de tien
stammen hebben het pleit verloren tegen God en de twee overblijvende stammen zijn nu
aan de orde.

Ps.69:10, aangehaald in Johannes hoofdstuk twee, geeft de woorden weer van David, hier
door discipelen van Jezus toegepast op hun Meester: ”want de ijver voor uw huis heeft mij
verteerd, en de smaadwoorden van wie U smaden, kwamen op mij neder.”
Kijk eens naar de teksten over het “Huis Gods” in het latere deel van het Nieuwe Testament:
dat huis dat is “de gemeente van Jezus.” Dus Matthéüs 23:39 niet een draai geven in een andere
richting. Het begrip “totdat” heeft meestal de betekenis dat het tot een einde is gekomen, zonder
dat er nog sprake is in die tekst van een nieuwigheid! Hier in de HSV die teksten:
1 Timotheüs Maar voor het geval dat ik langer wegblijf, weet u nu hoe men zich moet
3:15
gedragen in het huis van God, dat is de gemeente van de levende God, zuil en
fundament van de waarheid.
Titus 1:7
Want een opziener moet onberispelijk zijn, als een beheerder van het huis van
God, niet eigenzinnig, niet opvliegend, niet verslaafd aan wijn, niet vechtlustig,
niet uit op oneerlijke winst,
Hebreeën
en omdat wij een grote Priester hebben over het huis van God,
10:21
1 Petrus 4:17 Want nu is het de tijd dat het oordeel begint bij het huis van God; en als het
eerst bij onsbegint, wat zal het einde zijn van hen die het Evangelie van God
ongehoorzaam zijn?
G. van den Brink schreef als opmerking: “We kunnen onze bespreking van de '70-perioden'
profetie besluiten met de conclusie dat men er vanuit Daniël en het OT geen zicht op krijgen wie met
de tweede gezalfde bedoeld wordt” (uit het citaat hierboven). Bekeken bij zijn andere argumenten,
die geen echt bewijs zijn, moet de enige conclusie dan deze zijn, er komt géén tempel meer. Nadat
deze van Herodes vernietigd is zal God in geen nieuwe aardse tempel meer gaan wonen. Er is dus
géén vorst daarna die met Israël wat zal opzetten dat een tempel moet zijn. Wij moeten de zaken
van Daniël 9:27 zonder omwegen naar de gezalfde verwijzen uit het vers 26, dat is Jezus van
Nazareth.
Het is zondermeer duidelijk dat er géén breuk is tussen die weken. We geven hier de
redenen; de woordkeuze van de profetie laten die uitleg niet toe en bovendien komt men in strijd
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 186
met duidelijke theologische uitspraken die men niet moet “profetisch” interpreteren. In vers 27
staat het offer van Christus centraal wanneer Hij sterft aan het kruis. Daarom kwam hij trouwens op
deze aarde. Vooraf echer willen we dit punt nog eerst afmaken.
Men blijft het toch maar proberen, als de breuk tussen de 69st en 70st week er niet is dan
klopt het plaatje niet.
Van het Internet citeren we zo een tabel, van:
http://www.bijbels-panorama.nl/S19_Profetieen_tijdslijn_van_de_profetie.html
[Dit zal u niet meer terugvinden (kwam van het net in 2010 ongeveer) wel een gelijkaardig artikel
door hen nu bijgewerkt: https://www.bijbelspanorama.nl/geschreven/s19-profetieen-tijdslijn-vande-profetie/ ]
Er staat bij deze uitleg en tekening van de breuk tussen de 69ste week en de 70ste week: “Gezien
vanuit het Nieuwe Testament kunnen we opmaken dat God de klok aangaande de 70 jaarweken
voor het volk Israël stil zette bij het eind van de 69e week. In het in het jaar 70 A.D. werd Jeruzalem
verwoest en de Joodse inwoners gedood of in ballingschap weggevoerd.”
De enige basis voor het geloof in een toekomstige zevenjarige periode die de grote
verdrukking genoemd is, leren we uit wat kan worden genoemd: de “uitstel-interpretatie.” Men zegt
dat er een kloof staat, van een onnoemelijk aantal jaren, tussen de 69 ste en 70ste weken van Daniël 9.
Nochtans, bij het lezen van Daniël 9 zonder de invloed van de adviezen van andereen en
Schriftuurlijke gymnastiek komt men niet vanzelf tot die conclusie. Men moet daar vooraf over
gehoord hebben en ooit een dergelijke gedachte van een “kloof” geleerd hebben. Dat is omdat er
niets in Daniël 9 die uitleg vooropstelt en het inbrengen van een kloof tussen deze laatste twee
perioden van weken zie je niet in de tekst.
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 187
In de dispensatie leert men dat: “In het verslag van de profetie, de vernietiging van de stad,
volgens vers 26b, geplaatst is vóór de laatste week (v. 27a). Gezien dit gebeurde in 70 na Christus,
moeten we aanhouden dat er een kloof is tussen die zaken.” Zo een argument gaat voorbij aan de
eigenaardigheden van Hebreeuwse poëtische stijl en geeft blijk van onwetendheid over die taal.
Want in de oosterse manier van denken moeten we geen westerse zin van chronologische opvolging
invoegen. De westerse denkwijze kan niet worden opgedrongen in deze passage. De “paralele
patronen” (twee volzinnen die aan elkaar verwant zijn) die oosterlingen gebuiken (en daar horen de
Joden bij) laat toe dat een parallelgedachte als een repetitie en uitbreiding van het onderwerp
gebruikt wordt. Soms zonder dat de werkelijke opeenvolging in de tijd daarbij genomen is. Het juiste
begrip van de relatie tussen de verzen 26 en 27 wordt weergegeven als repetitie van gedachten.
Woordonderzoek van Daniël 9:27a
Doug Krieger, een dispensationalist, geeft duidelijk aan waarin hij verschilt met anderen op
dit punt. We citeren uit hoofdstuk 25 van ‘ANTICHRIST, REFLECTIONS ON THE DESOLATOR’
www.the-tribulation-network.com (de tabel vertalen we niet, het is ook niet onze voorstelling van
de zaken maar deze van vooral Adventkerken): “Het is het Antichristelijke-Beest die het verbond
verbreekt, niet Jezus Christus! Gods verbond met Abraham en herhaaldelijk bevestigd volgens de
Hebreeuwse Geschriften (en we spreken hier niet van de bilaterale-VOORWAARDELIJKE akkoorden
onder het Mozaïsche verbond, maar we spreken van de Davidische, Palestijnse, Abrahamitische) als
onvoorwaardelijk en onherroepelijk. Echter, degenen die beweren de genoemde periode van zeven
jaar van de 70e week van Daniël al gebleken, bieden een grafiek die iets ziet er als volgt uit:
Het gehele tweede gedeelte van het boek Daniël moet volstaan de domheid aan te tonen van deze
misleide zielen: die ofwel met opzet of per ongeluk het werk van de Antichrist aan Christus
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 188
toeschrijven! In het beste geval zijn het de “mensen van de prins” - NIET “de prins die komt” die
Jeruzalem en de Tempel verwoesten in 70 na Christus - en dit is geen kleine technische opmerking die
ik hier vernoem.
Want nadat de Messias is “afgesneden” en na de stad en tempel vernietigd zijn, net wat doet de
Messias (hun “hij”) dan nu: hij maakt een verbond met Israël verbreekt het in het midden van de
week. Ze zijn verward met behulp van hun eigen kronkels, het grote punt van de feiten is dat de
Messias dan al gekruisigd is: afgesneden! Dus, hoe kan 'hij' nu een verbond maken met “de vele”
voor een week - in zijn herrezen staat? In Zijn opgevaren staat? Genoeg van al deze onzin!”
Twee opmerkingen voordat we verder gaan met het onderzoek van wie de “Hij” is uit vers 27.
Doug Krieger, schrijver van het citaat hierboven, is een sprookjesverteller. Hij beschrijft wat de nietdispensationalist zou zeggen over dit laatste vers van Daniël hoofdstuk negen. Maar wat hij ervan
maakt is een gedrocht en dat leert niemand van ons. Wij leren dat Jezus sterft IN de zeventigste
week terwijl hij, als dispensationalist, leert dat Jezus stierf tussen de negenenzestigste week en de
zeventigste. Dus in een periode die buiten de 70 weken valt en hoe kan Hij dan de zaken vervullen
die in vers 24 staan? Wij leren, als tweede opmerking, dat Jezus in de zeventigste week Zijn verbond
met Israël OPNIEUW heeft bevestigd. Zoals het ook vroeger al gebeurd was zo is het op het Laatste
avondmaal nog maar eens verkondigd. Of niet soms? Je weet toch, Doug Krieger, dat tijdens het
avondmaal Jezus verwijst naar het Nieuwe Verbond waarover Jeremia 31:31-34 wat aankondigde.
Wij leren dat als Hij sterft, de dag nadien Zijn bloed het offer is om dat verbond te VERNIEUWEN. U
leert dat Satan een verbond met Israël vernieuwt maar vergeet erbij te citeren waar er ergens zou
staan in de Schrift dat Satan al eens een verbond was aangegaan met dat volk. Het staat er niet, in
het Oud Testament, en je weet het ook maar tracht wat wij leren belachelijk te maken met wat we
niet onderwijzen. Vertel me ook eens waarom met het daaropvolgende Pinksteren niet zou
aangeven zijn, dat het Nieuwe Verbond met Israël in voege zou gegaan zijn! Het is dus niet oprecht
wat u zegt, Doug Krieger, HET is werkelijke onzin en is zondermeer te bewijzen, dat het om een
sprookje gaat dat u de mensen wijs maakt.
John Walvoord zegt dit in zijn commentaar op Daniël bij dit vers 27 nadat hij enkele
manieren van het benaderen van de tekst heeft besproken: “Uiteindelijk is de vraag die elke
uitlegger moet onder ogen zien: wat is de interpretatie die de meest natuurlijke en intelligente
uiteenzetting van de tekst geeft. Als het niet nodig is dit als letterlijke profetie te beschouwen, en de
tijdseenheden niet letterlijk zijn, is een verscheidenheid aan interpretatie onmiddellijk mogelijk
geworden.” Walvoord wist waarschijnlijk wel dat geen enkele theoloog of Bijbelcommentator tot
het jaar 1740 een andere uitleg gaf over de “HIJ” in het begin van vers 27, dan dat het over de
Messias Jezus sprak. Als ik zijn conclusie doortrek, dan waren dat allen personen van een MINDERE
intelligentie dan hijzelf en wat andere dispensationalisten leerden. Zijn redenering loopt ook mank
zoals we zullen aantonen.
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 189
We hoeven in werkelijkheid niet te gissen wie de gezalfde is in vers 26a. Er is een nauw
verband tussen de Messias en het verbond waarnaar vers 27a verwijst. Zijn dood is aangegeven
door het werkwoord “karath” (Strong n°3772). Dat is dat Hebreeuwse begrip dat we zondermeer
tegenkomen wanneer het over het of een verbond gaat en er offers gebracht zijn die “versneden”
worden = aan stukken gesneden = gedood. De verklaring over het verbond in vers 27 wijst
zondermeer naar het verbond van vers 26. De engel, die de profetie brengt aan Daniël, wil hierdoor
aangeven, dat het afsnijden van de gezalfde (uit vers 26) niet naar Zijn falen verwijst, maar naar wat
Zijn missie is. Het gaat om de vervulling van wat moet geschieden om een NIEUW VERBOND te
bekrachtigen = een NIEUW OFFER. In de dood van de Messias is de laatste bekrachtiging gegeven
aan het Oude Verbond, nu is het ook totaal vervuld. In vers 27 krijgen we de profetische verzekering
dat alles OK is. Men mag niet vergeten, of bewust ontwijken zoals de dispensationalisten doen, wat
het werkwoord is dat hier gebruikt wordt. Het is “karath” dat gebruikt wordt in vers 26a en geeft
aan: het offer voor het Nieuwe Verbond is gebracht.
De dispensationalisten nemen hier soms eens een loopje met de originele tekst. Ze doen het in
hun verklaringen van dat vers en ook in hun Bijbelvertalingen. Bijvoorbeeld, ‘The Living Bible’ geeft
het begin van vers 27 aan, als “make” (maken) terwijl bijna iedereen zegt zoals het moet “confirm”
(bevestigen, sterken, bekrachtigen). ‘The Living Bible’ wijzigt hierdoor gewoon de betekenis van het
vers. Men doet alsof er iets nieuw tot stand komt, namelijk een verbond Israël/antichrist. Dat kan
niet vanuit de woordkeuze van de engel Gabriël bewezen worden. Er is namelijk een enorm verschil
tussen, wat het één zegt en het ander zegt; het gaat in dat vers om VERSTERKEN van wat al bestaat,
NIET OM IETS NIEUWS MAKEN. God zal Zijn verbond beschermende maatregelen opleggen. Wie
met God wandelt, hoeft niets te vrezen. Het Hebreeuws werkwoord hier gebruikt in vers 27 is
“gabar” (Strong n° 1396) = sterken, sterkte geven, bevestigen, consolideren of verstevigen in zijn
positieve betekenis. Maar in een negatieve zin ook: zwaar te dragen of te verduren.
Het is bijvoorbeeld vertaald als:
SV: “En Hij zal velen het verbond versterken één week.”
NBG: “En hij zal het verbond voor velen zwaar maken, een week lang.”
WB95: “Met velen zal hij een sterk verbond aangaan gedurende één week.”
Groot Nieuws Bijbel (herziene editie 1996): “Een week lang zal hij de tempeldienst voor velen van
het volk bezwaarlijk maken.”
Luther vertaling Nederlands: “En hij zal velen het verbond versterken eene week lang.”
Leidsche vertaling: “Hij zal een week lang met velen een innig verbond sluiten.”
Engelse vertalingen van Dan.9:27:
King James Version, 1611: “And he shall confirm the covenant with many for one week.”
New King James Version, 1982: “Then he shall confirm a covenant with many for one week.”
New Living Translation 1996 Tyndale Charitable Trust: “He will make a treaty with the people for a
period of one set of seven.”
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 190
New International Version, 1984: “He will confirm a covenant with many for one ‘seven’.”
The Holy Bible, English Standard Version, 2001: “And he shall make a strong covenant with many
for one week.”
New American Standard Bible, Lockman Foundation: “And he will make a firm covenant with the
many for one week.”
Revised Standard Version, 1952: “And he shall make a strong covenant with many for one week.”
American Standard Version, 1901: “And he shall make a firm covenant with many for one week.”
Robert Young Literal Translation, 1898: “And he hath strengthened a covenant with many -- one
week.”
J.N.Darby Translation 1890: “And he shall confirm a covenant with the many [for] one week.”
Noah Webster Version 1833: “And he shall confirm the covenant with many for one week.”
Hebrew Names Version 2000: “He shall make a firm covenant with many for one week.”
Hieronymus Latijnse Vulgate 405 A.D: “Confirmabit autem pactum multis hebdomada una.”
Dit is hoe dat woord “gabar” (Strong n°1396), in de King James Translation gebruikt is.
Totaal: 25 maal vertaald als: — prevail 14, strengthen 3, great 2, confirm 1, exceeded 1, mighty 1,
put 1, stronger 1, valiant 1. Het gaat niet om het opstarten van een nieuw verbond.
Strong
gabar
Confirm = Dan.9:27
number
Exceeded = Job 36:9
1396
Great = Ps.102:11 / Ps.117:2
Mighty = Job 21:7
Prevail = Gen. 7:20 / 1 Sam.2:9 / Ps.12:4 / Ps.65:3 / Jes.42:13
Prevailed = Gen.7:18 / Gen.7:19 / Gen.7:24 / Gen.49:26 / Ex.17:11 /
Ex.17:11 / 2 Sam.11:23 / 1 Kron.5:2 / Klaagl.1:16
Put = Pred.10:10
Strengthen = Zach.10:6 / Zach.10:12
Strengtheneth = Job 15:25
Stronger = 2 Sam.1:23
Valiant = Jer.9:3
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 191
Er zit in het Hebreeuwse begrip “higbir” zoveel van het verbond dat God heeft met Israël dat
er uitgesloten door wordt dat een toekomstige antichrist, daar niets kan aan wijzigen. Volgens
dispensationalisten gaat dat verbond Israël en de antichrist in voege aan het begin van de nog
toekomstige zeventigste jaarweek. En in het midden van die week zal hij zijn contract verbreken en
de offers doen ophouden in de toekomstige tempel. Zelfs indien dat werkwoord “higbir” alleen zou
verwijzen naar de zeventigste week, ook dan is een verbond met de antichrist uitgesloten. Behalve
“karath” heeft het Hebreeuws nog enkele andere werkwoorden die te maken hebben met het
aangaan of bevestigen van een verbond. Dit zijn de belangrijkste:
Heqim = “bevestigen” of “confirmeren”
Nathan = “geven”
Sim = “plaatsen”
Tsiwwah = “bevelen”
`abhar = “voorbijgaan” gevolgd door “be”, “tot”
Bo = “binnen gaan”
Er is wat te zeggen over het werkwoord “gabar” uit vers 27 en wat daaraan gelijkenis heeft,
het Hebreeuwse “heqim”, meestal in het Engels vertaalt als “cause to stand” (bevestigen). Dit
werkwoord was al gebruikt door Daniel in zijn gebed dat vooraf ging aan de profetie die de engel
Gabriël hem gaf. In Daniël 9:11,12SV77 lezen we “Maar geheel Israël heeft Uw wet overtreden,
door af te wijken, dat zij Uw stem niet gehoorzaamden; daarom is over ons uitgestort die vloek,
en die eed, die geschreven is in de wet van Mozes, de knecht Gods, omdat wij tegen Hem
gezondigd hebben. En Hij heeft Zijn woorden bevestigd, die Hij gesproken heeft tegen ons, en
tegen onze richters, die ons richtten, brengende over ons een groot kwaad, dat niet geschied is
onder de ganse hemel, gelijk aan Jeruzalem geschied is.” Gods woorden tot Israël waren van dien
aard, dat er strenge straffen bij waren als er overtredingen aan te pas kwamen. Het was “vloek” en
“eed” die er aan verbonden waren. En “heqim” was ook gebruikt in de profetie van de zeventig jaar
ballingschap. In Jeremia 29:10 lezen we: “Want zo zegt de HEERE: Voorzeker, als zeventig jaren te
Babel zullen vervuld zijn, zal Ik u bezoeken, en Ik zal Mijn goed woord over u verwekken, u
terugbrengende tot deze plaats.” God straft niet alleen maar is ook een God met een grote
barmhartigheid. Dat zal Hij niet alleen doen in de nabije toekomst maar ook nog voor later. Voor
wat nu komt is het werkwoord “heqim” gebruikt maar voor de toekomst mag zeker een sterker
begrip dat onderlijnen ”higbir” = “make strong, cause to prevail” = sterk maken, doen overheersen.
In twee psalmgedeelten is “gabar” gebruikt in verband met Gods verbond met Israël. In
Psalm 103:11, staat er een contrast met hoe goed God is en wat het verbond inhoudelijk voorstelt.
In Psalm 117:2, is het onderwerp dan de “trouw” van God en waar Gods trouw is heeft Hij een
verbond aangegaan. Israël mag op God rekenen, Hij zal vervullen wat Hij beloofde, indien ze in Zijn
woord blijven. Zo ook is het in Daniël: Gods belofte in de profetie houdt in: “en om eeuwige
gerechtigheid te brengen” (NBG 51) of “en om een eeuwige gerechtigheid aan te brengen” (SV 77).
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 192
Het verbond OF eventueel de HERBEVESTIGING VAN DAT VERBOND heeft inhoudelijk wat te maken
met Daniël 9:27.

Psalm 103:10,11: “Hij doet ons niet naar onze zonden en vergeldt ons niet naar onze
ongerechtigheden; maar zo hoog de hemel is boven de aarde, zo MACHTIG (Heb. “gabar”)
is zijn goedertierenheid over wie Hem vrezen.”

Psalm 117:2: “want zijn goedertierenheid is MACHTIG (Heb. “gabar”) over ons, en des
HEREN trouw is tot in eeuwigheid. Halleluja.”
De handeling van het bekrachtigen van het verbond (weergegeven door dat woord “gabar”)
is het werk van een “machtig” iemand. En YaHWeH is dat zondermeer. God is in de Schrift ook een
machtige held = Hebreeuws “gibbor.” Die term komen we regelmatig tegen waar er
verbondsafspraken gemaakt worden. God is bij machte = held genoeg om Zijn volk te beschermen
van alle vijanden.

Deut.7:9,21SV77: “Gij zult dan weten, dat de HEERE, uw God, die God is, die getrouwe
God, Die het verbond en de weldadigheid houdt aan hen, die Hem liefhebben, en Zijn
geboden houden tot in duizend geslachten. (…) Ontzet u niet voor hun aangezicht; want de
HEERE, uw God, is in het midden van u, een groot en vreselijk God.”

Deut.10:17SV77: “Want de HEERE, uw God, is een God der goden, en een Heere der heren;
die grote, die machtige, en die vreselijke God, Die geen aangezicht aanneemt, noch
geschenk ontvangt.”
Dat is ook zo waar er verbondsbeloften hernieuwd worden, na belijdenis van de zonden.

Dan.9:4SV77: “Ik bad dan tot de HEERE, mijn God, en deed belijdenis, en zeide: Och Heere!
Gij grote en verschrikkelijke God, Die het verbond en de weldadigheid houdt hen, die Hem
liefhebben en Zijn geboden houden.”

Neh.1:5SV77: “En ik zeide: Och, HEERE, God des hemels, Gij, grote en vreselijke God! Die
het verbond en de goedertierenheid houdt hun, die Hem liefhebben, en Zijn geboden
houden.”

Neh.9:32SV77: “Nu dan, o onze God, Gij grote, Gij machtige, en Gij vreselijke God, Die het
verbond en de weldadigheid houdt; laat voor Uw aangezicht niet gering zijn al de moeite,
die ons getroffen heeft, onze koningen, onze vorsten, en onze priesters, en onze profeten,
en onze vaderen, en Uw ganse volk, van de dagen van de koningen van Assur af tot op
deze dag.”

Jer.32:18 SV77: “Gij, Die goedertierenheid doet aan duizenden, en de ongerechtigheid der
vaderen vergeldt in de schoot van hun kinderen na hen; Gij grote, Gij geweldige God,
Wiens Naam is HEERE der heerscharen!”
Het is niet zo dat God dit verschrikkelijke lot zou afgeschaft hebben en de Joden zondermeer
met Zijn vaderhart vergiffenis schenkt. Laat één parabel dat illustreren. Mat.22:1-13 zegt ons dit:
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 193
“En Jezus, antwoordende, sprak tot hen weer door gelijkenissen, zeggende: Het koninkrijk der
hemelen is gelijk een zeker koning, die zijn zoon een bruiloft bereid had; En zond zijn
dienstknechten uit, om de genodigden ter bruiloft te roepen; en zij wilden niet komen. Weer zond
hij andere dienstknechten uit, zeggende: Zegt de genodigden: Ziet, ik heb mijn middagmaal
bereid; mijn ossen, en de gemeste beesten zijn geslacht, en alle dingen zijn gereed; komt tot de
bruiloft. Maar zij, zulks niet achtende, zijn heengegaan, deze tot zijn akker, gene tot zijn
koopmanschap. En de anderen grepen zijn dienstknechten, deden hun smaadheid aan, en
doodden hen. Toen nu de koning dat hoorde, werd hij toornig, en zijn legers zendende, heeft die
doodslagers vernield, en hun stad in brand gestoken. Toen zeide hij tot zijn dienstknechten: De
bruiloft is wel bereid, doch de genodigden waren het niet waardig. Daarom gaat op de uitgangen
der wegen, en zovelen als gij er zult vinden, roept ze tot de bruiloft. En die dienstknechten,
uitgaande op de wegen, vergaderden allen, die zij vonden, beiden kwaden en goeden; en de
bruiloft werd vervuld met aanzittende gasten. En toen de koning ingegaan was, om de
aanzittende gasten te overzien, zag hij aldaar een mens, niet gekleed zijnde met een
bruiloftskleed; En zeide tot hem: Vriend! hoe zijt gij hier ingekomen, geen bruiloftskleed
aanhebbende? En hij verstomde. Toen zeide de koning tot de dienaars: Bindt zijn handen en
voeten, neemt hem weg, en werpt hem uit in de buitenste duisternis; daar zal zijn wening en
knersing der tanden. Want velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren.” Met God valt niet te
spotten, ook niet als je een liefderijk verbond met Hem bent aangegaan!
Zien we dat verband in tussen de “gabar” en een machtige held = Hebreeuws “gibbor” dan
moeten we denken aan Jezus die de Machtige is in profetische zin. Jesaja 9:5,6SV77: “Want een
Kind IS ons geboren, een Zoon IS ons gegeven, en de heerschappij IS op Zijn schouder; en men
noemt Zijn naam Wonderlijk, Raad, STERKE GOD, Vader der eeuwigheid, Vredevorst; Aan de
grootheid van deze heerschappij en van de vrede zal geen einde zijn op de troon van David en in
zijn koninkrijk, om dat te bevestigen, en dat te sterken met gericht en met gerechtigheid, van nu
aan tot in eeuwigheid toe. De ijver van de HEERE der heerscharen zal zulks doen.” Ook dan gaat
het om het verbond met een ingekrompen Israël, het gaat uiteindelijk om het OVERBLIJFSEL. Over
wie nog in het geloof van de vaderen is. Want in Jesaja 10:21,22 SV77 lezen we: “En het zal
geschieden te dien dage, dat het overblijfsel van Israël, en de ontkomenen van het huis Jakobs
niet meer steunen zullen op hem, die ze geslagen heeft; maar zij zullen steunen op de HEERE, de
Heilige Israëls, in oprechtheid. Het overblijfsel zal weerkeren, het overblijfsel van Jakob, tot de
sterke God! Want ofschoon uw volk, o Israël! is gelijk het zand der zee, zo zal toch maar het
overblijfsel daarvan weerkeren; de verdelging is vast besloten, overvloeiende met gerechtigheid.”
Om te illustreren hoeveel verbonds-vernieuwingen er niet waren in Israël, hier een lijstje:
 Vernieuwing door Jozua. Na de verovering van het land is er een vernieuwing van het
verbond te Shechem (Joz.8:30-35 / 24:14-16 / Deut.7:1-8).
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 194
 Vernieuwing door Samuël. In 1 Samuël 12 is het woord verbond niet gebruikt maar alles
wat er gebeurd lijkt op een bevestigen van het vroegere verbond van God met Israël. De
geschiedenis van Israël herhaalde zich (12:8-13). De profeet roept het volk op God te
gehoorzamen (12:14, 20-21) en merkt op dat er consequenties zijn bij eventuele
overtreding (12:15, 25). Waarop het volk toezegt, te doen wat God vraagt (12:22).
 Vernieuwing onder Elia. 1 Koningen 18 vertelt het verhaal van Elia met de profeten van de
Baäl en Ashera op de berg Carmel. Elia is er het beeld van Mozes. Het altaar bestaat uit 12
stenen, de voorstelling van de 12 stammen (18:31). Veel van wat beschreven staat op de
berg Sinaï (Exodus 24:4) en wat Jozua bij de verovering van Kanaän gedaan heeft (Jozua
4:8-9,20). Elia beklaagt zich over de zonden van het volk en roept ze op trouw te zijn aan
het verbond (1 Kon.19:10). Wie de wet zal verbreken zal door Gods zwaard gestraft
worden, een term uit het verbond (Lev.26:25) en de zwaarden van Hazaël en Jehu (1
Kon.19:17). Wanneer men trouw is aan het verbond is men ook zeker van de goddelijke
aanwezigheid en het wonen in het land (1 Kon.19:18 / Rom.11:2-5).
 Vernieuwing door Jehoïda & Joash. 2 Kon.11:17-18 beschrijft tweemaal een
verbondsvernieuwing. Het volk en de koning zweren trouw aan God en het volk bevestigd
zijn trouw aan David en zijn opvolgers Athaliah (11:1-3). Daaropvolgende is er een grote
kuis in de tempel. Alles wat aan Baäl-aanbidding doet denken wordt weggedaan en
Mattan, de priester van Baäl verwijdert.
 Vernieuwing door Hezekia. De reformatie onder deze koning is zeer goed beschreven in 1
Kronieken 29-30. Er is een herstel van de tempel die al vervallen lijkt en een vernieuwing
van de beloften van priesters en levieten. Hij laat de bronzen slang vernietigen want ze
was als een afgodspaal voor velen geworden (Num.21:9 / 2 Kon.18:4). Wanneer de
tempeldienst hersteld is worden alle Israëlieten uitgenodigd naar Jeruzalem te komen om
er Pesach te vieren (Deut.16:1-8), zelfs dezen van het tienstammenrijk zijn uitgenodigd (1
Kron.30:1-12). Het volk reinigt zich van alle soorten plaatselijke afgoderij (31:1). Door
deze handeling van Hezekiah is hij zegevierend ten oorlog getrokken tegen zijn vijanden (1
Kon.18:7,8).
 Vernieuwing door Josia. Josia was slechts acht toen hij koning werd en begon God te
zoeken (2 Kron.34:3). Toen hij twaalf was reinigde hij Jeruzalem, Juda, Manasse, Ephraïm
en Simeon van de altaren van afgoden (34:4-7). Op zijn achttiende werd het boek van de
wet opnieuw gevonden in de tempel (2 Kon.22:3-10 / 2 Kron.34:14-18). Vanaf die tijd gaat
hij op zoek naar andere afgodische praktijken in het ganse land (2 Kon.23:1-25) en laat het
Pesach vieren (2 Kron.35:1-19). Dit was volgens de historicus die Kronieken schreef het
grootste Paasfeest ooit gehouden sinds de dagen van Samuël (2 Kron.35:18).
 Vernieuwing onder Ezra & Nehemia. Het lange gebed van verootmoediging door de
Levieten (Neh.9:5-37) doet denken aan Gods genadeverbond met de kinderen van
Abraham. In het gebed is duidelijk onderstreept dat het volk alle voorgaande dingen heeft
ondergaan omdat ze ontrouw waren aan Gods verbond. Het volk gaat hierop in en zal zich
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 195
in de toekomst houden aan Gods wetten die Mozes heeft ontvangen (9:38; 10:28-29).
Men zal de vreemde vrouwen uitbannen (10:30 / Exod.34:16) en de Sabbat en de
Sabbatsjaren naar de wet onderhouden (Neh.10:31 / Exod.23:10-12 / Lev.25:1-7). Men zal
zowel de tempel als de levieten in ere houden en volgens de wet er naar leven
(Neh.10:32-39).
Deze conclusie is de énige die met dat alles rekening heeft gehouden; Israël heeft NOOIT een
verbond gehad met de (of een) antichrist. Zo een onbestaand verbond is dus niet onderhevig aan
een VERNIEUWING. Gezien er van een VERNIEUWING sprake is in vers 27 moet dit wijzen op Gods
handelen in Zijn Zoon in de dagen van diens prediking.
Het heeft ook geen zin zich te verschuilen achter de gedachte dat er nog andere profetie is
waarin tijdselementen afgebroken worden. Ook dat is niet waar. In dat verband geeft men graag het
volgende citaat ter ondersteuning. Louis Berkhof professor aan het Calvin Theological beschreef hoe
we profetie dienen te bekijken: “Het begrip tijd is iets dat mag verwaarloosd worden bij de profeten.
(The element of time is a rather negligible quantity in the prophets.) De profeten duwen alle grote
gebeurtenissen van de toekomst in één tijdelijke beweging, dicht bij elkaar in één momentopname.
Je ziet het allemaal in één oogopslag. Dat noemt men ‘profetisch perspectief’ of zoals Delitzsch het
beschreef ‘het inkrimpen van de profetische horizon.’ Men bezag de toekomst als reiziger die een
gebergte bekijkt van op grote afstand. Hij ziet de ene bergtop neven de andere terwijl in
werkelijkheid tussen elke bergtop in grote afstanden zijn. Zo is het ook in profetie met betrekking tot
de Dag van de Heer en de tweevoudige komst van Christus” in Louis Berkhof, ‘Principles of Biblical
Interpretation’, Baker, 1950, blz.150. Maar vanuit zo een opmerking de lijn doortrekken dat er een
toekomstige antichrist is die met Israël een verbond aangaat is op zijn minst twee bruggen te ver.
Het boek Openbaring spreekt NIET van een verbond van Israël/antichrist. Integendeel zelfs, Satan en
zijn trawanten hebben het daar aan de stok met al wie het teken heeft van Christus, aan de hand en
het voorhoofd! Het is de strijd tussen twee soorten getekenden, deze van de satan en deze van het
Lam.
John Walvoord, de dispensationalist, zegt dit in zijn commentaar op Daniël: “De precieze
voorspelling van vers 27 geeft aan dat de persoon die op het oog is een verbond sluit met vele,
letterlijk, “met de vele,” (zie de vele, letterlijk, “de velen,” in Dan 11:39; 12:2). Dit is een duidelijke
verwijzing naar de ongelovige Joden, die in alliantie treden met de prins die zal komen. Dat ze Joden
zijn wordt aangegeven door uw volk in vers 24. Als de voorgaande chronologie als letterlijke jaren
worden verstaan, moet dit ook een periode van letterlijk zeven jaar zijn. In één woord, de profetie
leert dat er een toekomstig pact of verbond tussen een politiek heerser - aangewezen als de vorst die
komen zal in vers 26 - met de vertegenwoordigers van het Joodse volk zal zijn. Een dergelijke alliantie
zal natuurlijk een onheilige relatie zijn en uiteindelijk ten koste van het volk van Israël uitdraaien, hoe
veelbelovend de oprichting er van kan gezien worden.”
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 196
Er zijn ook enkele dispensationalisten die het eerste deel van vers 27 gewoon laten slaan op
Christus en ná zijn dood een breuk maken voor de toekomst. Ook dat kan onze goedkeuring niet
wegdragen. Dit is zo een variante op vers 27 van Messiasbelijdende Joden in de USA, waar Christus
sterft in het midden van de zeventigste week. Daar ligt ook de onderbreking.“Zodat ik dit voorstel; er
is géén zevenjarige verdrukking of een zevenjarige periode van de Antichrist. Dat is alles het
resultaat van een onnauwkeurige interpretatie van Daniël 9:27 en heeft geen andere schriftuurlijke
ondersteuning. De laatste 31/2 jaar uit de 70ste week is nog te vervullen in de toekomst.” Zie het
artikel: Daniel 9:25-27 a nd Messiah the Prince, http://shalach.org/index.htm Volgens V. Condarcuri,
‘Daniels prophecy 9:24-27 Opinions’, is de “Hij” van vers 27 = Christus die op het einde van die week
sterft en in 2016 zal waarschijnlijk het tweede deel van die laatste week aanvangen.
http://www.geocities.com/daniel999_ca/index.html#My%20Interpretation
De eerste woorden van vers 27 uit Daniël hoofdstuk 9 zeggen: “En hij zal het verbond voor
velen zwaar maken, een week lang.” Dat dit betrekking heeft op de laatste week spreekt voor
zichzelf. Het is ná 7+62 = 69 weken dat de Messias kwam en het is deze die het verbond zwaar
maakt voor velen. Welk verbond kan hier wel bedoeld zijn? Er zijn hierover drie uitleggingen
mogelijk: het verbond met Abraham, het nieuwe verbond met de gemeente en als derde uitleg een
verbond dat in de toekomst met de Joden nog zal gesloten worden. Deze laatste uitleg is deze van
de Broeders en een groot deel “evangelischen.” In elk geval is deze uitleg verkeerd en wel om de
reden dat volgens die verklaring de 70ste jaarweek gescheiden wordt van de andere 69 weken. Het is
waar dat sommige profetieën uit de Hebreeuwse geschriften soms gedachten bevatten die zowel bij
de eerste komst als bij de tweede komst vervuld zullen worden. Zo een tekst die hierbij meestal
gebruikt wordt is Jes.61 en de manier waarop Jezus ermee omgaat. Men zegt dan: aangezien Jezus
niet spreekt over de dag des Heren in Luc.4:16-21 moeten we een breuk aannemen van 2.000 of
meer jaren. Maar daar gaat het niet om een tijdsprofetie. En Jesaja 61 aldus uitleggen is verkeerd.
(Zie verder voor nadere uitleg in hoofdstuk 10.)
We citeren Biederwolf in dit verband (Daniël blz.224):
“Diegenen die dit vers verwijzen naar de Christus, de Messias, houden staande dat er een verwijzing
is naar Zijn perfect zoenoffer aan het kruis, waarbij Hij voor altijd een einde stelt aan de Levitische
offers (Fausset, Auberlen, Storr, Havernick, Hengstenberg). Deze gezaghebbende schrijvers houden
daarom staande dat de helft van Daniël’s zeventigste week is voorbijgegaan tijdens de drie en een
half jaar van het predikingwerk van de Heer. Maar de duidelijke en aparte verdeling van de verzen
26 en 27 gaat hiertegen in en wijst erop dat de ganse week nog ontbreekt en in de toekomst ligt.” Dit
argument ligt aan de basis van de leer van wie de 70ste week in de toekomst ziet, maar klopt niet
met de werkelijke betekenis van deze verzen. Uit de tekst zelf blijkt niet dat er enige onderbreking
mag gemaakt worden in de jaarweken. Dat is niet te bewijzen en daarom moet men het ergens
anders zoeken, in moeilijke interpretaties van het sterk symbolische boek Openbaring en de speciale
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 197
visie op de mens der wetteloosheid in 2 Thes.2. Hierover later meer. In elk geval moeten we vanuit
de Masoretische tekst van de Schrift, of de eerste Griekse vertaling ervan, de Septuaginta,
aannemen dat een breuk zonder gegronde redenen. Want een scheiding maken in de profetie van
Daniël is verkeerd omwille van grammaticale gronden. In vers 24 staat er namelijk dat “70
jaarweken afgesneden worden.” Er staat niet 69 + 1 week maar 70 jaarweken als één geheel. Het
woord in dat vers is slechts eenmaal gebruikt in de Schrift. Door het latere gebruik ervan moeten we
aannemen wat uit de Talmud blijkt; “nechtakh” = “chathak” = afsnijden. En zo ook zeggen de
Engelse en Amerikaanse Revised.
De Griekse Septuaginta vertaalt het als: “krinoo = gerechterlijk bepalen.”
De Griekse vertaling van Theodotion zegt: “suntemnoo = afkorten.”
De Vulgata zegt: “abbreviare = afkorten.”
Biederwolf geeft te kennen (blz.219) dat men de 7de week niet mag scheiden van de 62ste
week. Maar ook de 69ste en 70ste week scheiden is fout. In Scofield (blz.914) lezen we over vers 26:
“Verse 26 is obviously an intermediate period = Het vers 26 beschrijft overduidelijk een
tussenperiode.” Waarschijnlijk wil de schrijver hierdoor van te voren aangeven, dat vers 27 een
interim of tussenperiode is. En dat is een argument achter de hand houden om een breuk te kunnen
rechtvaardigen tussen de 69ste en 70ste week. Maar om dat waar te maken moet men op een
vreemde wijze omspringen met de beschrijving dat er 70 weken in één stuk zijn afgesneden uit de
wereldtijd met een speciale betrekking tot het Joodse volk. Want het gaat niet om één groot stuk
bestaande uit honderden jaren en later nog een restje achteraan toegevoegd.
We hebben nog een opmerking in dat verband van Gerald Sigal, de Jood, die ook kritisch
reageert op een andere groep. Titel: ‘Daniel’s 70 Weeks: Dan. 9:24-27’op www.word-gems.com/ Hij
maakt ook bezwaren tegen de manier van vertalen zoals men gedaan heeft in de Nieuwe
Wereldvertaling van Jehovah’s Getuigen. Aangezien hij een boek van hen citeert maar dat slechts
gedeeltelijk doet, neem ik de betrokken paragraaf in zijn geheel over uit ‘Inzicht in de Schrift’, deel 2
uit het artikel zeventig jaarweken.“Enkele Nederlandse vertalingen wijken hier van de masoretische
punctuatie af. Ze plaatsen hetzij een komma na de uitdrukking “zeven weken” of geven door de
bewoordingen aan dat de 62 weken op de 7 weken volgen als onderdeel van de 70 weken, en dat de
62 weken dus niet van toepassing zijn op de periode waarin Jeruzalem werd herbouwd. (Vgl. Da 9:25
in Lu; NW; SV.) Een redactionele opmerking van James Strong in Langes Commentary on the Holy
Scriptures (Da 9:25, vtn., blz. 198) luidt: “De enige rechtvaardiging voor deze vertaling, die de twee
tijdsperiodes — de zeven weken en de tweeënzestig weken — van elkaar scheidt en de eerste
periode bestempelt als de terminus ad quem van de Gezalfde Vorst en de tweede als de tijd van de
herbouw, ligt in de masoretische interpunctie, die er een Athnac [versdeler] tussen plaatst. . . . en bij
de weergave in kwestie gaat het om een rammelende constructie van het tweede zinsdeel, dat geen
voorzetsel heeft. Het is daarom beter, en eenvoudiger, om vast te houden aan de Authorized Version,
die alle oudere vertalingen volgt.” — Vertaald en geredigeerd door P. Schaff, 1976.”
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 198
Dit is het antwoord van Sigal: “James Strong is verkeerd door te stellen dat “de vertaling in
kwestie een harde constructie van het tweede lid weergeeft, want het staat zonder voorzetsel.” De
Masoretische tekst is prima en correct Bijbels Hebreeuws. Er is geen vergelijking met het Engels van
waarde noodzakelijk, omdat elke taal zijn eigen grammaticale en syntactische regels heeft. In feite,
terwijl in het Engels het voorzetsel “voor” wordt vaak gebruikt met de tijdsduur, in het Bijbelse
Hebreeuws is het grammaticaal onjuist het zo weer te geven (bijvoorbeeld; 5:6 Genesis, 9, 12, enz.
a.fr.). De King James Version volgt meestal de letterlijke Hebreeuwse en geeft niet het voorzetsel
“voor” niet weer. Echter, de Nieuwe Wereld vertaling van de Heilige Schrift, de vertaling van de
Jehovah’s Getuigen van de Bijbel, heeft “voor” toe gevoegd om te voldoen aan het gewone Engelse
gebruik.” Dit is een zwak argument, want als de grammatica van twee talen verschillen zal er een
tekst ontstaan die aan die taal voldoet. De voorbeelden die Sigal aanhaalt bewijzen niet zoveel,
neem er eens enkele andere vertalingen bij en u merkt wel dat het argument van James Strong hout
snijdt.
Natuurlijk geeft dat gedeelte van vers 26b en 27 de periode achteraan de 70 jaarweken.
Maar het gaat dan om de beschrijving van de consequenties die verbonden zijn aan de verwerping
van de Messias. Trouwens, Scofield bewijst niets met de opmerking in zijn voordeel. Het vers 26b is
voor hem tussenperiode en 27 wijst naar de 70st week, waartussen nog eens honderden jaren
braak gebied liggen voor het Joodse volk. Voor ons is zowel 26b als 27 de beschrijving van dezelfde
evenementen - van de val en vernietiging van Jeruzalem - beide na de 70ste week en relatief kort
nadat de weken zijn voorbijgegaan. Want een dergelijke uitleg (van Scofield of Biederwolf) gaat uit
van iets dat onmogelijk lijkt in Bijbelse profetie. Iets waaraan “tijden” gekoppeld zijn, die niet in
vervulling gaan zoals het er staat. Men heeft van tevoren gezegd dat in de leer van de bedelingen er
nog een antichrist komt die vers 27 moet vervullen. Wist God niet van tevoren dat Israël Zijn
Messias zou verwerpen? Een profetie van 69 weken zou dan veel logischer zijn, want dan zou alles
kloppen zonder tijdssprongen te maken? Alleen nu niet, omdat Israël niet wil meegaan met de
Messias Jezus die méér dan bewezen heeft de Godsgezant te zijn! Maar, nogmaals, wist God dit
niet? Krijgt u geen onaangenaam gevoel, alleen maar bij de gedachte dat zoiets zou kunnen waar
zijn!
Gerald Sigal is een Jood die een kritisch artikel schreef over de wijze waarop christenen dat
gedeelte uitleggen. We citeren van: ‘Daniel’s 70 Weeks: Dan. 9:24-27’op www.word-gems.com/
“Na die negenenzestig opeenvolgende weken, worden de meeste christelijke missionarissen en
apologeten gedwongen om de zeventigste week apart van de rest van die periode te zien. Deze
laatste week verbannen ze naar een toekomstige tijd. Maar er is geen overeenstemming tussen de
christelijke evangelisten en exegeten over de wijze waarop deze laatste week uitlgelegd moet
worden en ook nog een directe voortzetting van de voorgaande negenenzestig weken is. In feite
heeft men het negende hoofdstuk van Daniël in een ‘profetie van negenenzestig weken’ veranderd.”
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 199
Dat is een terechte opmerking, hoewel we de uitlegging van deze man over Daniël 9 niet aannemen.
Er is nog een andere reden waarom alle 70 jaarweken elkaar dienen op te volgen en er geen
breuk mag zijn tussen elk onderdeel ervan onderling. Dus niet tussen de 7 en 62 weken. Ook niet
tussen de 62 en de resterende week. De structuur van de tekst zou dit bewijzen. Volgens één
deskundige is die als volgt:
A 1 (vers 25a)
B 1 (vers 25b)
A 2 (vers 26a)
B 2 (vers 26b)
A 3 (vers 27a)
B 3 (vers 27b)
De eerste reeks is deze:
A 1 Opbouw
B 1 Opbouw
mãsiah nãgid
A 2 Afbouw
B 2 Afbouw
‘am nãgid
En de tweede:
A 2 Afbouw
B 2 Afbouw
mãsiah nãgid
A 3 Afbouw
B 3 Afbouw
‘am nãgid
We verwijzen de lezer naar een indringend artikel van de Franse adventist J. Doukhan dat verscheen
in ‘Andrews University Seminary Studies’, Vol.17, Spring 1979, n°1.
De 70 jaarweken zijn dus door God als één geheel van de tijd afgekort of afgemeten. Ze zijn
gerechtelijk door Hem bepaald als één specifiek deel uit de geschiedenis van het Joodse volk. De
70ste week verklaren als een apart en nog toekomstig deel der Joodse geschiedenis is daarom
verkeerd en strijdig met de tekstverbanden. Men kan zich niet wegsteken achter het argument dat
vers 27a naar het slot van 26 verwijst. Doen we dat, dan komen we met een argumentatie die
nietszeggend is; want het is niet “de vorst” waarnaar zou kunnen verwezen worden, maar naar
“HET VOLK VAN DE VORST.” Er is niemand onder de volgelingen van de bedelingenleer die dat
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 200
aanneemt, maar dat is toch, na zinsontleding, het onderwerp in vers 26b = het volk, niet de vorst.
Men mag in “het verbond” waarover sprake is niet het wetsverbond zien, want dit is
opgehouden te bestaan als wettelijke regeling voor het Joodse volk. Jezus heeft dat verbond
“volbracht” en het daardoor als contract tussen God en Israël tenietgedaan. Dat blijkt duidelijk uit
o.a. Gal.3:13,14 / Col.2:14. De gedachte dat God ooit nog in de 70ste week een apart verbond
aangaat met dat volk, zou inhouden dat het Mozaïsche verbond opnieuw geldig zou verklaard
worden. Wat niet kan zonder het offer van Jezus belachelijk te maken! Maar geen nood. De Schrift
spreekt zichzelf niet tegen. Het vleselijke Israël als huis is door Jezus (en God) verlaten (Mat.23:38).
En de gedachte dat Satan (of de antichrist) met Israël in die 70 ste week een verbond aangaat is een
vreemde gedachte invoegen in een verhaal van herstel tussen God en Israël. Want de profetie is het
antwoord van God aan Daniël dat er een tijd van herstel komt na de periode van 70 jaar
gevangenschap in Babylon.
Het “verbond” waarover sprake is in Dan.9:27 kan wel een verwijzing zijn naar het verbond
met Abraham. Het was aan Abraham voorzegd, dat zijn zaad over de volkeren zou heersen, en uit
hem koningen zouden voortkomen. Dit alles heeft volgens Paulus aan de Galaten uiteindelijk
vervulling in Christus en zijn gemeente. Zij zijn het zaad en tevens de koningen die heersen (Gal.3:69,26-29 / Opb.2:26-28 / 20:4,6). Dit zaad bestaat uit mensen die geroepen zijn uit Joden en
Heidenen. Het is uitzonderlijk in die laatste der 70 jaarweken dat Christus en zijn discipelen
predikten tot de Joden alleen. Het is slechts vanaf Cornelius (Handelingen hoofdstuk 10) dat het
goede nieuws ook tot de heidenen werd gepredikt. Dit moet dan ongeveer 3 ½ jaren ná de dood
van Christus geweest zijn. Die 3 ½ jaren kunnen gerust symbolische jaren zijn en iets voorstellen als
2 ½ of 5 jaren. De velen, in het Hebreeuws “larabbîm” (met lidwoord), met wie Christus het
verbond zwaar maakt is niet voor zijn volgelingen maar voor dezen die hem verworpen hebben. Zie
Jes.52:14 waar hetzelfde woord, profetisch is gebruikt voor het Joodse volk dat Christus zal
verwerpen.
Dit zijn enkele details over verbonden en het verbond. God heeft een verbond aangegaan met:

Abraham – Genesis 15:7-18 / 17:2-14 / Lucas 1:72-75 / Hand.3:25 / Gal.3:16

Isaak - Genesis 17:19,21 / 26:3,4

Jacob - Genesis 28:13,14 / 1 Kron.16:16,17

Israël - Exodus 6:4 / Handelingen 3:25

David – 2 Samuël 23:5 / Ps.89:3,4
Christus, is inhoudelijk dat verbond – Jesaja 42:6 / 49:8
Christus, is de engel; van dat verbond – Maleachi 3:1
Christus, is de Middelaar van dat verbond – Heb.8:6 / 9:15 / 12:14
Door het evangelie vernieuwd – Jer.31:31-33 / Rom.11:27 / Heb.8:8-10,13
Vervuld in Christus – Lucas 1:68-79
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 201
Bevestigd door Christus – DANIËL 9:27 / Gal.3:17
Bekrachtigd door Jezus bloed – DANIËL 9:26 / Heb.9:11-14,16-23
Straf voor wie het niet aanneemt Heb.10:29,30
Voor Joden was het verboden:

Verbonden aan te gaan met de Kanaänieten - Exodus 23:32 / Deut.7:2

Met andere natiën – 1 Kon.5:12 / 2 Kon.17:4

Wat anders te doen dan wat in de wet stond, anders is men verdoemd – Jesaja 30:2-5 /
Hosea 12:1

Deze wet te verbreken – Jozua 9:16-19 / Psalm 15:4
Waarom zou Israël dan ooit een verbond sluiten met de antichrist?
Alle teksten in het boek Daniël die over een “verbond” spreken zijn deze hier onder in de
SV77. Alleen deze van Daniël 9:27 zou over een verbond spreken van de antichrist met de Joden. De
énige tekst in Daniël en ook de enige tekst in zowel het Oud als Nieuw Testament. Raar!
7 vindplaatsen in 6 verzen
1. Dan.9:4: “Ik bad dan tot de HEERE, mijn God, en deed belijdenis, en zeide: Och Heere! ij grote
en verschrikkelijke God, Die het verbond en de weldadigheid houdt hen, die Hem liefhebben en
Zijn geboden houden.”
2. Dan.9:27: “En hij zal velen het verbond versterken, één week; en op de helft van de week zal hij
het slachtoffer en het spijsoffer doen ophouden, en over de gruwelijke vleugel zal een verwoester
zijn, ook tot de voleinding toe, die vast besloten zijnde, zal uitgestort worden over de verwoeste.”
3. Dan.11:22: “En de armen der overstroming zullen overstroomd worden van voor zijn
aangezicht, en zij zullen gebroken worden, en ook de vorst van het verbond.”
4. Dan.11:28: “En hij zal in zijn land weerkeren met groot goed, en zijn hart zal zijn tegen het heilig
verbond; en hij zal het doen, en weerkeren in zijn land.”
5. Dan.11:30: “Want er zullen schepen van Kittim tegen hem komen, daarom zal hij met smart
bevangen worden, en hij zal weerkeren, en gram worden tegen het heilig verbond, en hij zal het
doen; want weerkerende zal hij acht geven op de verlaters van het heilig verbond.”
6. Dan.11:32: “En die goddeloos handelen tegen het verbond, zal hij doen huichelen door
vleierijen; maar het volk, die hun God kennen, zullen zij grijpen, en zullen het doen.”
We willen de uitleg, dat het verbond in Dan.9:27 op het nieuwe verbond betrekking heeft
niet verwerpen, omdat het in werkelijkheid een variatie op het voorgaande is. We geven toch de
voorkeur er aan, dat men hier te maken heeft met het verbond van Abraham en zijn zaad. Over het
nieuwe verbond is het echter wel goed om volgende schriftuurplaatsen te bestuderen: Jer.31:31-34
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 202
/ Mal.3:1 / Heb.9:12 / 10:9. De woorden van Christus dat hij een verbond sluit voor “velen” in
Luc.22:20 / Mat.26:28 kan wel een zinspeling op Dan.9:27. We lezen in Mat.26:26-28: “En terwijl zij
aten, nam Jezus een brood, sprak de zegen uit, brak het en gaf het aan zijn discipelen en zeide:
Neemt, eet, dit is mijn lichaam. En Hij nam een beker, sprak de dankzegging uit en gaf hun die en
zeide: Drinkt allen daaruit. Want dit is het bloed van mijn verbond, dat VOOR VELEN vergoten
wordt tot vergeving van zonden.”
Het verbond van deze 70ste week heeft zijn aanvang bij de doop van Jezus (Luc.3:21 /
Heb.10:8,9). Vanaf dat moment worden de dingen voor Israël zwaar gemaakt. De Messias vergeeft
wie Hij wil, maar spreekt ook, waar het moet, de vervloeking uit. Afvalligen van het verbond horen
niet in het Rijk Gods. Bekijk eens deze teksten:

Mat.9:2-7: “En daar Jezus hun geloof zag, zeide Hij tot de verlamde: Houd moed, mijn kind,
uw zonden worden vergeven. En zie, sommige der schriftgeleerden zeiden bij zichzelf:
Deze lastert God. En daar Jezus hun overleggingen kende, zeide Hij: Waarom overlegt gij
kwaad in uw hart? Want wat is gemakkelijker, te zeggen: Uw zonden worden vergeven, of
te zeggen: Sta op en wandel? Maar, opdat gij weten moogt, dat de Zoon des mensen
macht heeft op aarde zonden te vergeven – toen zeide Hij tot de verlamde: Sta op, neem
uw bed op en ga naar uw huis. En hij stond op en ging naar huis.”

Luc.5:20-25: “En hun geloof ziende, zeide Hij: Mens, uw zonden zijn u vergeven. En de
schriftgeleerden en de Farizeeën begonnen te overleggen en zeiden: Wie is deze, die
(zulke) godslasterlijke dingen zegt? Wie kan zonden vergeven dan God alleen? Doch Jezus
doorzag hun overleggingen en antwoordde en zeide tot hen: Wat overlegt gij in uw
harten? Wat is gemakkelijker, te zeggen: Uw zonden zijn u vergeven, of te zeggen: Sta op
en wandel? Maar, opdat gij moogt weten, dat de Zoon des mensen macht heeft op aarde
zonden te vergeven – zeide Hij tot de verlamde: Tot u zeg Ik, sta op, neem uw bed op en ga
naar uw huis. En onmiddellijk stond hij voor hun ogen op, nam hetgeen, waar hij op
gelegen had, mede en ging naar zijn huis, God verheerlijkende.”

Luc.7:47-50: “Daarom zeg Ik u: Haar zonden zijn haar vergeven, al waren zij vele, want zij
betoonde veel liefde; maar wie weinig vergeven wordt, die betoont weinig liefde. En Hij
zeide tot haar: Uw zonden zijn u vergeven. En die met Hem aan tafel waren, begonnen bij
zichzelf te zeggen: Wie is deze, dat Hij zelfs de zonden vergeeft? En Hij zeide tot de vrouw:
Uw geloof heeft u behouden, ga heen in vrede!”
De uitleg van de dispensationalisten dat Satan met Israël een verbond sluit is een “verschrikkelijke”
uitleg. Wanneer ze dat echt doen is hun band met God verbroken en kan zelfs Hij die niet meer
herstellen. Dan nog wat naar voren schuiven over de bekering van 144.000 Joden is dan toch op
individuele basis en heeft niets meer te maken met het volk op zich! Herstel van het volk kan dan
toch niet meer!
Over Maleachi 3:1 b mag niet gezegd worden zoals men in de kringen van de bedelingen
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 203
doet; dat is voor de toekomst. HIJ = JEZUS is al tot zijn tempel gekomen, Hij is de Engel van het
verbond. Die profetie is al vervuld. Bekijk eens elk onderdeel:
“PLOTSELING zal tot Zijn tempel komen
PLOTSELING = vanuit menselijk oogpunt. Volgens Gods regeling juist op tijd.
Jezus kwam een eerste maal tot de tempel aan het begin van zijn prediking = Joh.2:18-23
Jezus kwam een tweede maal tot de tempel aan het einde van zijn prediking = Mat.21:12
Dat is het symbolische beeld van wat er geestelijk zal geschieden in Israël.
(Zie ons commentaar in hoofdstuk acht op Daniël 9:27a.)
de Here
in het Hebreeuws = ha’ adhon’ / in de Septuaginta = kurios. Eén van de namen voor de énige God =
YaHWeH. Die Christus is Ha’ adhon = de Heer = de Enige. Zo is Maleachi 3:1a tweemaal toegepast
op Jezus volgens = Marc.1:2 / Luc.3:4-6
Maleachi 3:1b is een parallelvers zoals er zoveel zijn in het Hebreeuws, want:
de Here = namelijk de Engel des verbonds,
die gij zoekt, = die gij zoekt,
die gij zoekt,
zie Johannes 12:19 = het volk liep Jezus achterna en ziet hem als “de komende” = Hij die komt voor
de schapen van Israël = Mat.15:24 = DE GELOVIGE JODEN, WANT DE REST ZIJN VOLGELINGEN VAN
DE SATAN VOLGENS JOHANNES 8:44.
namelijk de Engel des verbonds,
ENGEL in het Hebreeuws = mal’ahk’ / in de Septuaginta = angelos.
Jezus zal volgens de profetie van Zacharias (vader van Johannes de Doper) de vervulling brengen van
het “heilig verbond” dat God aanging met Vader Abraham = Lucas 1:72.
Het zal in vervulling gaan met zijn zoon Johannes die uitgaat VOOR HET AANGEZICHT DES HEREN
(VERS 76). Het moet dus in DIE tijd in vervulling gaan.
die gij zoekt,
Volgens de uitspraak van Jezus in Joh.8:56 zou Abraham zich verheugen Hem te horen preken (zie
ook Heb.11:13).
Profeten en rechtvaardigen zouden dit hebben willen zien, namelijk dat wat Jezus aan het doen was
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 204
Mat.13:17.
MIJN CONCLUSIE: de vervulling was tijdens Zijn eerste komst. Er komt géén tweede tempel waar
de HEER = YaHWeH nog naartoe komt.
Er zijn dus, als we het mogen herhalen, verschillende problemen bij de interpretatie van een
“antichrist” in vers 27. Meredith G. Kline, heeft deze punten zeer duidelijk gemaakt met zijn ‘The
Covenant of the Seventieth Week’, in ‘The Law and the Prophets: Old Testament Studies in Honor of
Oswald T. Allis.’ ed. by J. H. Skilton, Presbyterian and Reformed, 1974, blz.452-469. Ht staat ook op
het Internet.
1. Het verbond is hier niet “gemaakt” in de zin dat van een nieuw verbond sprake is. Het is de
bevestiging van iets dat al bestond. Dit is eigenlijk niets meer dan de bevestiging van een al
bestaand verdrag. Dat wil zeggen, het verbond van verlossende genade Gods aan de vaderen van
Israël, is opnieuw bevestigd door Christus (Romeinen 15:8). Die visie van de dispensatieleer gaat
mank.
2. De term die van de naam van de engel van God beschreven is: Gabriel ( ‘God is groot’) staat ook
in verband met het bericht aan Daniel gegeven. Die engel onthult de zeventig weken aan Daniël. Er
is een woordkundige relatie tussen de naam van de engel van God en de bevestiging van het
verbond. Het wijst op verbondsgehoorzaamheid zoals in Deut.7:9, 21 / 10:17 / Jes.9:6 / Dan.9:4.
3. Het onbepaald voornaamwoord “hij” (vers 27) wijst niet terug naar “de prins” die komt van vers
26. Dat de “prins” een achtergesteld zelfstandig naamwoord is en dat “het volk” daar het
dominante zelfstandig naamwoord is kan niet aangevochten worden. Zo verwijst “hij” naar de
laatste dominante figuur afzonderlijk vermeld als de “Messias” (vers 26a). De Messias is de centrale
figuur in de gehele profetie. Zodat we de vernietiging van de tempel in relatie aan Zijn dood moeten
bekijken. In feite, de mensen die de vernietiging van de tempel veroorzaken kunnen zondermeer als
“Zijn legers” beschreven worden (Mattheüs 22:2-7). Het is een straf van God die ze ondergaan.
4. Het parallellisme met vers 26 geeft aan dat de dood van de Messias rechtstreeks verband houdt
met de bevestiging van het verbond. Hij is “afgesneden”, maar “niet voor zichzelf” (v. 26a), want Hij
“confirmeert het verbond” voor de “vele” van Israël (v. 27a). Zijn “afsnijding” brengt de bevestiging
van het verbond, want “zonder bloedstorting is er geen vergeving” (Hebreeën 9:22).
Een historische nota
We willen graag een opmerking maken over de eventuele bouw van een tempel in Jeuzalem.
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 205
Voor Jezus komt die er niet en een vroegere poging daartoe is op een sisser uitgelopen. In de
regering van keizer Julianus, de Afvallige, (361-363) verkregen de Joden de toelating om de tempel
in Jeruzalem te herbouwen. De werkzaamheden begonnen op 18 mei 363. Maar één dag later al, op
19 mei, werd alles onderbroken na een aardbeving. Dit zag men als een voorteken: “Een aardbeving
en een vuur dat opschoot uit de grondvesten hebben geleid tot het stilleggen van de pas begonnen
werkzaamheden, niet alleen omdat het verder zetten ervan materieel onmogelijk werd, maar ook
omdat het gebeuren begrepen werd als een goddelijke straf en een veroordeling van deze
onderneming.” (F. Thelamon, ‘Païens et chrétiens au quatrième siècle. L’apport de l’Histoire
ecclésiastique de Rufin d.Aquilée’, Études augustiniennes, 1981, blz.304).
Rufinus van Aquilea, Latijns schrijver, zegt er wat over in het begin van de vijfde eeuw. We
citeren uit zijn geschiedenis van de Kerk in de vierde eeuw. Wie het leest, beseft de grote weerslag
van die gebeurtenis op de tijdgenoten: “De laatste nacht vóór het begin van de werkzaamheden
vond een geweldige aardbeving plaats. Niet alleen vlogen de rotsblokken van de funderingen in alle
richtingen, maar bovendien werden bijna alle gebouwen in de buurt verwoest. De publieke portieken
waar zich een massa joden bevond die zich bezighielden met de uitvoering van het werk, stortten in
en verpletterden alle joden die zich daar ophielden. Toen de dag aanbrak, dachten de anderen dat zij
aan de ramp ontsnapt waren en zij liepen toe om op zoek te gaan naar hen die onder het puin
bedolven waren.
Binnen in de funderingen van de Tempel bevond zich een lokaal, waarvan de ingang lag tussen
de twee portieken die ingestort waren. Men bewaarde er gereedschap en alles wat voor het werk
noodzakelijk was. Plotseling rees er een vuurbol uit op, die zich in alle richtingen verplaatste over de
ganse plek, en die alle daar aanwezige joden verbrandde en doodde. Dit voorteken herhaalde zich
die dag verschillende keren en met korte onderbrekingen, en maakte zo met wrekende vlammen een
einde aan de vermetelheid van dit halsstarrige volk.” (idem). De historica Françoise Thelamon zoekt
een verklaring voor wat zij: “de onmogelijke heropbouw van de Tempel van Jeruzalem” noemt. Over
de aardbeving schrijft ze: “kan een ontploffing veroorzaakt hebben van gas dat zich opgehoopt had
in een onderaardse ruimte, gevolgd door een brand die de materialen verwoestte en slachtoffers
maakte.”
Hoe zwaar was de druk op Israël?
John Walvoord zegt dit in zijn commentaar op Daniël over dit gedeelte: “De laatste periode
van zeven jaar begint met de introductie van een verbond tussen de toekomstige “prins die zal
komen” en “de velen,” het volk van Israël. Dit pact wordt genomen in de eerste helft van de
toekomstige periode van zeven jaar, vandaar de bijzondere vrijheden en de bescherming verleend
aan Israël. Als die zijn weggehaald, en Israël wordt vervolgd zijn we in hun tijd van grote verdrukking
beland.”
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 206
Bekijken we nog eens die zeventigste week en het verbond. Jezus heeft tijdens zijn prediking
in Israël meermalen de druk op de ketel gezet; Hij maakt het zwaar voor Israël in de zin dat ze bij
hoogdringendheid het verzoek krijgen zich te BEKEREN. Mat.23:31-38: “Gij getuigt dus van uzelf,
dat gij zonen zijt van de moordenaars der profeten. Maakt ook gij de maat uwer vaderen vol!
Slangen, adderengebroed, hoe zult gij ontkomen aan het oordeel der hel? Daarom, zie, Ik zend tot
u profeten en wijzen en schriftgeleerden. Van hen zult gij sommigen doden en kruisigen en van
hen zult gij anderen geselen in uw synagogen en vervolgen van stad tot stad, opdat over u kome
al het rechtvaardige bloed, dat vergoten werd op de aarde, van het bloed van Abel, de
rechtvaardige, tot het bloed van Zacharias, de zoon van Berekja, die gij vermoord hebt tussen het
tempelhuis en het altaar. Voorwaar, Ik zeg u: Al deze dingen zullen komen over dit geslacht.
Jeruzalem, Jeruzalem, dat de profeten doodt, en stenigt, wie tot u gezonden zijn, hoe dikwijls heb
Ik uw kinderen willen vergaderen, gelijk een hen haar kuikens onder haar vleugels vergadert, en
gij hebt niet gewild. Zie, uw huis wordt aan u overgelaten.”
De onvruchtbare vijgenboom is een gelijkenis die daar wat over zegt, over de dringende
noodzaak van bekering. We lezen Lucas 13:6-9: “En Hij sprak deze gelijkenis: Iemand bezat een
vijgeboom, die in zijn wijngaard was geplant, en hij kwam om vrucht daaraan te zoeken en vond
er geen. En hij zeide tot de wijngaardenier: Zie, het is nu al drie jaar, dat ik vrucht aan deze
vijgeboom kom zoeken en ik vind ze niet. Hak hem om! Waarom zou hij de grond nutteloos
beslaan? Hij antwoordde en zeide tot hem: Heer, laat hem nog dit jaar staan, ik zal er eerst nog
eens omheen graven en er mest bij brengen, en indien hij in het komende jaar vrucht draagt, (dan
is het goed,) maar anders, dan moet gij hem omhakken” (wij onderstrepen). De HEERE predikte
drie jaar, lang genoeg om Israël tot bezinning te brengen. Komt dat niet ongeveer overeen met het
eerste deel van de laatste zeventigste jaarweek?
De wijnstok was al voordien één van de symbolen om Israël aan te duiden:
Joël 1:7: “Het heeft mijn wijnstok tot een voorwerp van ontzetting en mijn vijgeboom tot een
geknakte stam gemaakt; het heeft de schors geheel en al afgeschild en weggeworpen; zijn ranken
zijn wit geworden.”
Jer.24:5: “Zo zegt de HERE, de God van Israël: Gelijk deze goede vijgen, zo zal Ik de ballingen van
Juda, die Ik uit deze plaats naar het land der Chaldeeën heb weggezonden, aanzien, ten goede.”
Hos.9:10: “Als druiven in de woestijn vond Ik Israël; als vroege vijgen, als eerste opbrengst aan de
vijgeboom, zag Ik uw vaderen. Zij echter gingen naar Baäl-Peor en wijdden zich aan de
schandgod; daardoor werden zij even gruwelijk als het voorwerp van hun liefde.”
En het verhaal, de gelijkenis, gaat ook werkelijk in vervulling. Marcus 11:20-26: “En toen zij
des morgens vroeg langs de vijgeboom kwamen, zagen zij, dat hij van de wortel af verdord was.
En Petrus herinnerde het zich en zeide tot Hem: Rabbi, zie de vijgeboom, die Gij vervloekt hebt, is
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 207
verdord. En Jezus antwoordde en zeide tot hen: Hebt geloof in God. Voorwaar, Ik zeg u, wie tot
deze berg zou zeggen, hef u op en werp u in de zee, en in zijn hart niet zou twijfelen, maar
geloven, dat hetgeen hij zegt geschiedt, het zal hem geschieden. Daarom zeg Ik u, al wat gij bidt
en begeert, gelooft, dat gij het hebt ontvangen, en het zal geschieden. En wanneer gij staat te
bidden, vergeeft wat gij tegen iemand mocht hebben, opdat ook uw Vader in de hemelen uw
overtredingen vergeve. [Indien gij echter niet vergeeft, zal ook uw Vader, die in de hemelen is, uw
overtredingen niet vergeven.]”
Nog een gelijkenis in hetzelfde verband staat in Mat.21:37-46: “Ten laatste zond hij zijn zoon
tot hen, zeggende: Mijn zoon zullen zij ontzien. Maar toen de pachters de zoon zagen, zeiden zij
tot elkander: Dit is de erfgenaam, komt, laten wij hem doden om zijn erfenis aan ons te brengen.
En zij grepen hem en wierpen hem buiten de wijngaard en doodden hem. Wanneer nu de heer
van de wijngaard komt, wat zal hij met die pachters doen? Zij zeiden tot Hem: Een kwade dood zal
hij die kwaden doen sterven en de wijngaard zal hij verhuren aan andere pachters, die hem de
vruchten op tijd zullen afleveren. Jezus zeide tot hen: Hebt gij nooit gelezen in de Schriften: De
steen, die de bouwlieden afgekeurd hadden, deze is tot een hoeksteen geworden; van de Here is
dit geschied, en het is wonderlijk in onze ogen? Daarom, Ik zeg u, dat het Koninkrijk Gods van u
zal weggenomen worden en het zal gegeven worden aan een volk, dat de vruchten daarvan
opbrengt. [En wie op deze steen valt, zal verpletterd worden, en op wie hij valt, die zal hij
vermorzelen.] En toen de overpriesters en de Farizeeën zijn gelijkenissen hadden gehoord,
begrepen zij, dat Hij hen bedoelde. En hoewel zij Hem trachtten te grijpen, vreesden zij de
scharen, daar die Hem voor een profeet hielden” (wij onderstrepen).
En ook deze in Mat.22:1-10: “En Jezus antwoordde en sprak wederom in gelijkenissen tot
hen en zeide: Het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan een koning, die voor zijn zoon een bruiloft
aanrichtte. En hij zond zijn slaven uit om de ter bruiloft genodigden te roepen, doch zij wilden niet
komen. Wederom zond hij andere slaven uit, met de boodschap: Zegt de genodigden: Zie, ik heb
mijn maaltijd bereid, mijn ossen en gemeste beesten zijn geslacht en alles is gereed; komt tot de
bruiloft. Maar zij sloegen er geen acht op en gingen heen, de een naar zijn akker, de ander naar
zijn zaken. De overigen grepen zijn slaven, en zij mishandelden en doodden hen. En de koning
werd toornig, en hij zond zijn legers uit en verdelgde die moordenaars en stak hun stad in brand.
Toen zeide hij tot zijn slaven: De bruiloft is wel gereed, maar de genodigden waren het niet waard.
Gaat daarom naar de kruispunten der wegen en nodigt allen, die gij aantreft, tot de bruiloft. En
die slaven gingen naar de wegen en verzamelden allen, die zij aantroffen, zowel slechten als
goeden. En de bruiloftszaal werd vol met hen, die aanlagen.” Het ziet er echt niet goed uit voor
Israël als volk, het zal op een individuele redding aankomen, het overblijfsel van gelovigen zal gered
worden. Alleen zij zullen mogen meevieren.
Het eerste deel van dit 27ste vers zegt verder dat: “in de helft van de week zal hij slachtoffer
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 208
en spijsoffer doen ophouden.” Over de “helft” (“chasi”) hebben we al opgemerkt dat dit niet
speciaal juist de helft moet zijn daar we niet met zekerheid weten hoe Lucas 3:23 moet begrepen
worden. Moeten we dat echter wel weten? Wat belangrijker is en ook blijft is dat het Christus was
die slachtoffer en spijsoffer der Joodse wet heeft doen ophouden door de schaduw te vervullen. De
wet was slechts een schaduw van het ware offer dat Christus bracht en verloor dus zijn waarde toen
Christus aan het kruis stierf. Zie hiervoor 2 Cor.5:21 / Rom.3:25 / Heb.10:1-10. Dit is ook in
overeenstemming met vers 26 waar staat dat ná de 62 weken (+ de 7 andere) de Messias uitgeroeid
wordt. De belangrijkste recente verdedigers, uit de 19de en 20ste eeuw, van de Messias die sterft in
het midden der 70ste week zijn o.a.; Auberlen, Boutflower, Hävernick, Hengstenberg, Keil, Wright.
Het volgende deel van Dan.9:27 zegt: “en op een vleugel van gruwelen zal een verwoester
komen” dat wel de juiste vertaling is van de Masoretische tekst. De Septuaginta echter zegt: “en op
de tempel zal er verwoesting zijn.” De Vulgata zegt: “en in de tempel zal er verwoesting zijn.” De
Arabische vertaling zegt: “en op het heiligdom zal er de gruwel der verwoesting zijn.” Wanneer
Christus deze profetie aanhaalt in de Olijfbergprofetie zegt Hij: “Wanneer gij de gruwel der
verwoesting (...) op de heilige plaats ziet staan, wie het leest, geve er acht op.” Adam Clarke geeft
bij deze tekst ook nog aan dat de Griekse Theodotion en de Syrische Hexapla afwijken van de
Masoreten. Eén Hebreeuws manuscript van de 13de eeuw zegt: “En in de tempel zal er
verwoesting zijn.” De Joodse vertaling van Isaak Leeser uit de 19de eeuw geeft hier: “because of
the prevalence of the abominations which bringeth devastation.” Het is dus alleen maar de
Masoretische tekst die spreekt over een komende gruwel. Alle andere vertalingen - die ouder zijn
dan deze tekst - zeggen dat de gruwel op de tempel rust vóór zijn vernietiging en zo ook zegt het de
Christus.
Wat is die gruwel die er op Gods tempel is? Het woord “gruwel” is in het Hebreeuws soms
een synoniem van afgod. Dat de Joden tijdens de 70ste jaarweek en daarna nog tot aan de
vernietiging een zichtbare afgod over hun tempel brachten is niet te bewijzen en voorzeker
onwaarschijnlijk. Maar een geestelijke afgod die de tempel verontreinigde was o.a. de hypocrisie
van Schriftgeleerden en Farizeeën, de blinde leiders, de schijnheiligen. Voor hen is iemand die
zweert bij de tempel niet gebonden zijn eed te houden, maar wie het zweert bij de gaven op het
altaar dient dat wel te doen (Mat.23:16-22). Een handelswijze der Joden die de Heer in Mat.23
speciaal aan de kaak heeft gesteld en zelfs als reden aangeeft voor hun verwerping is Mat.23:37,38.
We citeren dit uit de Willibrordvertaling: “Jeruzalem, Jeruzalem, dat de profeten doodt en
diegenen stenigt die tot haar gezonden zijn! Hoe vaak heb Ik uw kinderen niet onder mijn hoede
willen nemen, zoals een kip haar kuikens bijeenbrengt onder haar vleugels. Maar u hebt het niet
gewild.” Een nog grotere gruwel is de samenzwering “in de tempel” om de Gezalfde van God en
koning van Israël aan te klagen bij de Romeinse macht is er zeker niet (Mat.26:56-58 en vooral
Joh.11:55-57). Laten we dat niet minimaliseren. Daarom zijn de verwijzingen naar de betrokkenheid
van het volk of van de priesters naar de dood (moord) op Jezus een belangrijk onderdeel in de
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 209
prediking door de eerste discipelen (Hand.2:33,36 / 3:13-15 / 4:10 / 5:30 / 10:39). Wanneer Israël
de Heer verloochend, is er ook de mogelijkheid dat een deel van het nieuwe Israël Hem
verloochend (Mat.10:33 / 2 Tim.2:12). Ook nu is er afval van de leer van Christus. (Een degelijke
achtergrond, waar we het toch niet steeds mee eens zijn, van de situatie waarin de schuld van de
priesters voor Jezus’ dood besproken wordt is te vinden in ‘Dictionaire de la Bible, Supplement 6’,
Letouzay 1 Ané, 1966, kol.1100-1110.)
Vergeten we niet dat de Heer ooit een scherpe analyse heeft gemaakt van de
wereldgeschiedenis en de relatie van Gods profeten en de handelswijze van Gods volk. Israël
verwerpt Gods profeten die tot haar gezonden zijn. Het is volgens Lucas 11:50,51 dan ook zo dat van
het geslacht dat leeft in de tijd van de prediking van Jezus, het bloed van de profeten die ze
vergoten hebben zal “afgeëist” worden. En de situatie van de inval van de Romeinen in Jeruzalem
en de vernietiging van de tempel in het jaar 70 is daar de vervulling van. Nadat het in de profetie
beloofde herstel kwam is diezelfde tempel opnieuw de plaats geworden van verdrukking van Gods
profeten. In dit geval van de Messias en zijn volgelingen. God vervloekte hen in de 6 de eeuw voor
Christus al eens voor dergelijke zaken. Deze maal zal er ook geen ontkomen aan zijn. De Romeinen
zullen hun zwaarden en speren slijpen en het Joodse bloed zal vloeien bij deze straf van God. De
tempel die volgens de boodschap van de engel Gabriel hersteld wordt, diezelfde gaat ook nog
vernietigd worden. Het is een profetie van hoop, maar ook van tranen!
We geloven dus niet in één van de vier mogelijkheden die men meestal geeft voor dit
gedeelte in de klassieke interpretatie van deze teksten. Deze vier zijn:
1°) De Romeinse standaarden met de beeltenissen van hun goden, die de plaats in de
omgeving van Jeruzalem verontreinigen tijdens de belegering van de stad.
2°) De afbeelding van Titus of Hadrianus die men na de inname van de stad in de
tempel heeft gezet als teken van de onderwerping.
3°) De Zeloten die tijdens de belegering meerdere keren de tempel, de buitenkant en niet
het Heilige der heiligen, hebben ontheiligd.
4°) De gruwel die ontstaat doordat de stad en de heilige tempel in een brand opgaan.
Deze dingen zijn natuurlijk allen even waar, maar zijn niet voor ons de gruwel waarover
geprofeteerd wordt. Want met uitzondering van n°1 gaat het om zaken die geschieden aan de al
ingenomen stad, en dat klopt niet met wat Jezus hierover zegt in de context van Mat.24:15. De
VOORAFGAANDE VERONTREINIGING van de tempel is namelijk de reden tot de verwoesting.
Scofield heeft een opmerking over de verwoesting op blz.915: “De uitdrukking komt
driemaal voor in Daniël. In Dan.9:27 en 12:11 is het een verwijzing naar “het beest”, “de man van
zonde”: (2 Thes. 2:3,4) en is identiek aan Mat. 24:15. In Dan.11:31 verwijst het naar de handelswijze
van Antiochus Epiphanes, het prototype van de man van zonde, die op het altaar een varken offerde
en zelf in het heilige der heiligen binnentrad.” Gelieve dan te onthouden dat Scofield aan de term
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 210
zelf twee interpretaties geeft. Twee interpretaties die gescheiden zijn door méér dan tweeduizend
jaar. Ook dat klopt nog niet. De bewering van Keil en Kliefoth dat we in de uitspraak van Jezus
veeleer een verwijzing naar Dan.11:3 en 12:11 moeten zoeken is daarom ook te verkiezen. Het is
zeker waar dat deze twee over “gruwel” in het enkelvoud spreken en Dan.9:27 “gruwelen” in het
meervoud. Maar om de grootsheid van iets aan te duiden kan een Jood enkelvoud bedoelen en
meervoud schrijven: vb. hemel = hemelen en zee = zeeën.
Volgens Biederwolf (blz.333) moet Mat.24:15 verwijzen naar de laatste tijd, vóór het
duizendjarige rijk zal beginnen, want dat is ook de tijd waarin het volk Israël bevrijdt wordt volgens
Daniël 12. Alsof Jezus dat vergelijk maakt! Wie worden gered volgens Hem? Niet alle Joden maar
slechts de gelovigen! Dus is ook de volgende opmerking fout. Th. Niemeijer zegt in ‘Het Zoeklicht’,
12 juni 1999, blz.19: “In Matth.24:15 zien we duidelijk, dat Mattheüs deze Grote Verdrukking
verbindt met een profetie uit Daniël. Het is een tijd, die zijnsgelijke nog nooit gehad heeft en ook
nooit zal krijgen. Deze periode zal direct na de opname van de Gemeente aanbreken.” Vergeet niet in
welk verband dit gedeelte is aangehaald; i.v.m. de bescherming van de gemeente, niet de opname.
Jezus zegt: “vlucht naar de bergen” (slot van Mat.24:15), niet “gij zult opgenomen worden door de
engelen!” Over die opname, maar dan wegnemen, wordt er slechts wat gezegd ná Mat.24 vers 29
namelijk verzen 36-44. En dat is niet in verband met de verwoesting van Jeruzalem maar de
werkelijke komst waarvan niemand de dag of het uur weet. De volgelingen van Darby lezen dus niet
wat er staat in de tekst.
We lezen in ‘Uit het Woord der Waarheid’, n°10 van oktober 1999 het volgende: “Wanneer
we Mattheüs 24 vergelijken met Lukas 21, zien we dat er tussen beide profetieën een groot verschil
bestaat. In Lukas voorzegt de Heer de verwoesting van Jeruzalem (zie vs. 20) en de daaraan
voorafgaande gebeurtenissen; in Mattheüs voorzegt Hij de gebeurtenissen van de laatste dagen.
Toch zijn er vele overeenkomsten tussen de beide hoofdstukken van de verwoesting van Jeruzalem en
lijken op die van de laatste dagen.” Dat is een straffe hersenkronkel die hier op papier staat. Geen
enkel van de synoptische evangeliën die we bezitten (en dat zijn er toch drie) geeft weer wat men
hier beweerd. Het gaat in de eerste verzen om hetzelfde, zowel in Mattheüs als in Lucas (en ook
Marcus); de val van Jeruzalem. Al de rest is het niet willen aanvaarden van de evidentie zelf die uit
de teksten naar voor wordt gebracht. Dat is een iets uitdokteren en het dan bewijzen, wat het ook
mag kosten aan geloofwaardigheid uit Gods Woord. Men wil het probleem waarover het hier gaat
gewoon omzeilen. Dan.9:27 in Mattheüs 24:15 lezen is niet bewezen, want waarschijnlijker is de
verwijzing naar Daniël 11:31 of Daniël 12:11. De vergelijking met de parallelteksten van
Marc.13:14,15 en Luc.21:20,21 is hier duidelijk. Vergeet niet dat de val van Jeruzalem ook al eens
voorzegd was in Luc.19:43,44. Daar staat: “Want er zullen dagen over u komen, waarin uw
vijanden een bolwerk tegen u zullen opwerpen en u omsingelen en u van alle zijden in het nauw
brengen, en zij zullen u en uw kinderen in u vertreden en zij zullen u geen steen op de andere
laten, omdat gij de tijd niet hebt opgemerkt, dat God naar u omzag.” Daarom zeggen sommigen:
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 211
men moet rekening houden met twee vervullingen. Daarop zeggen we categorisch en zonder
mogelijke tegenspraak; een tweede vervulling bestaat niet, zo werkt de Bijbel niet.
In ‘AMEN’ nummer 49 van juni 2003 lezen we op blz.35: “Voetnoot. 1. In vele profetieën in
het OT wordt de komst van de Messias voorzegd. Die komst bestaat uit twee elementen: lijden en
heerlijkheid (vgl. 1 Pet.1:11). Met andere woorden: Hij zou komen in vernedering om te lijden (1e
komst) en in heerlijkheid om te heersen. Zie bijv. Jes.61:2 en vgl. Luk.4:17-21; Hosea 3:4 en 5;
Zach.9:9 en 10.
Uit deze teksten wordt in één lijn verwezen naar Zijn komst in vernedering en daarna in heerlijkheid.
Wat er in die tussentijd zou plaatsvinden is in die profetieën niet geopenbaard. Dat heeft God
verborgen gehouden tot de tijd van Paulus’ gevangenschap in Rome en door hem bekendgemaakt.
Zo werd het ontbrekende in de Gods openbaring nog aangevuld en kwam het Woord tot z’n volheid”
(wij onderstrepen). Dit is nogal een simplistische aanpak. Je kunt niet zomaar beweren dat iets uit
een profetie nog vervuld moet worden omdat er geen onmiddellijke band zou zijn met zaken die
toch doorlopend zijn. We bedoelen dit te zeggen, wanneer er wat staat over het koningschap van de
Heer, we niet zondermeer mogen beweren dat Zijn regeren over Israël stopt als ze Hem verwerpen.
Maar later zal Hij opnieuw, volgens dispensationalisten, koning over hen worden. Hier is veel onBijbels taalgebruik. Want er is altijd, door de eeuwen heen, een overblijfsel geweest dat getrouw
was aan God. We moeten of mogen ons niet wegstoppen achter een zogenaamde breuk in de
profetie. Er zijn géén voorbeelden van onderbrekingen en uitstellingen in profetie. (Behalve deze die
voorwaardelijk zijn opgesteld.) Stel je eens voor dat we een breuk aangeven in de profetie waar
Daniël negen in de eerste verzen naar verwijst: de 70jarige gevangenschap in Babylon. Waar moet je
dan een tijd van jaren inlassen waar God zich niets zou aantrekken van Zijn volk? Ook als er
ogenschijnlijk niets spectaculair is aan te merken in de geschiedenis van de Joden, ook dan is God
met hen bezig! De engel heeft daarom een boodschap die in één ononderbroken lijn moet gelezen
en geïnterpreteerd worden. Géén jaren waar God in het niets verdwijnt in Israëls heilsgeschiedenis!
We hebben ook nog een opmerking bij wat we lezen in de ‘New Scofield Bible’, O.U.P., 1970,
blz.913: “Het bewijs dat de laatste week nog niet is vervuld zien we in het feit dat Christus daarover
een definitief verband maakt met betrekking tot zijn tweede komst (Mat.24:6,15). Er moet dan een
tussenperiode zijn tussen de 69st en 70st week, dat het tijdperk is van de Kerk, maar niet was
voorzegd in het OT”. De Heer zegt in Mat.24:15,16: “Wanneer gij dan de gruwel der verwoesting,
waarvan door de profeet Daniël gesproken is, op de heilige plaats ziet staan - wie het leest, geve er
acht op - laten dan wie in Judea zijn, vluchten naar de bergen.” Laten we de opmerking van de
nieuwe Scofield eens letterlijk toepassen en zien waar we terechtkomen! Wat krijgen we dan? Dat
de 70ste week volgens Mat.24:15 in vervulling gaat in en rond de verwoesting van de stad en de (nog
te bouwen) tempel in een nog toekomende week. Terug is het de vergelijking met Lucas die deze
visie onmogelijk maakt? In Lucas 21:22 is de tijd van de vernietiging van stad en tempel, IN HET
JAAR ZEVENTIG NA CHRISTUS, beschreven als: “dagen der wraak” (SV / Luther / Canisius) of “dagen
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 212
der vergelding” (Leidse Vert.) / Brouwer / NBG). En ook Luc.2341: “En wij terecht, want wij
ontvangen vergelding, naar wat wij gedaan hebben, maar deze heeft niets onbehoorlijks gedaan.”
Tussen haakjes dezelfde termen die gebruikt worden voor de vernietiging van de eerste tempel. Dit
staat in 2 Kron.36:15,16 “De HERE, de God hunner vaderen, zond wel zijn boden tot hen, vroeg en
laat, want Hij ontfermde Zich over zijn volk en zijn woning, 16 maar zij bespotten de boden Gods,
verachtten zijn woorden en hoonden zijn profeten, totdat de gramschap des HEREN zich zozeer
tegen zijn volk verhief, dat geen herstel meer mogelijk was.” Zo moet het in het jaar 70 na Chr.
geschieden: “ter vervulling van de gehele schrift” (vers 22b). Dan beginnen ook de “tijden der
heidenen” (vers 24). Maar in de uitleg van de ‘New Scofield’ loopt wat vóór 70 geschiedt en wat
vóór de onzichtbare komst van de Heer, allemaal door elkaar. Is er ook nog een tijd der heidenen ná
de Wederkomst? Wanneer er nog een massale bekering is van de Joden zoals de New Scofield ze
verwacht, waarom is de leer van Jezus dan deze van een kleine kudde die in Hem zal geloven? En
waarom spreekt Petrus op die eerste dag van het apostelenconcilie uit dat Joden en heidenen
dezelfde genade van de Heilige Geest hebben ontvangen? En waarom is er volgens de stelling van
Paulus géén onderscheid tussen Joden en heidenen? Zie: Luc.12:32 / Hand.15:11 / Col.3:11.
Als u een volgeling bent van Scofield, dan is dit een vraag aan u: de tempel waarover de
profetie van Daniël 9:24-26 spreekt is verwoest in het jaar 70 na Christus. Maar u zegt dat vers 27
van de verwoesting van een tempel spreekt. Als u zegt diezelfde tempel uit de profetie, is uw uitleg
verkeerd. Dat wijst naar een nabije toekomst en een nog te bouwen tempel zal u wellicht zeggen.
Maar dan heeft het niets te maken met Daniël 9:27! Is de tempel uit vers 27 dezelfde die de
antichrist zal herbergen? Dat is de hamvaag!
Over Mat.24:15 zegt J.T. Nielsen dan ook terecht het volgende: “Met woorden en beelden die
volledig aan het jodendom ontleend zijn, wordt in dit gedeelte (vs.15-28, vgl. Marc.13:14-22 en
Luc.21:20-26) gesproken over wat Jeruzalem en Judea te wachten staat. De val van de stad
Jeruzalem en de oorlogsellende worden samen gezien met het einde van deze aeon”. (‘Het evangelie
naar Mattheüs’, Callenbach, 1974, deel III, blz.42.) Besluit: Mat.24:15 toepassen op iets anders, dan
met de verwoesting van de tempel te Jeruzalem in het jaar 70 na Chr., is aan de woorden van
Christus een uitleg geven die Hij er zelf niet heeft ingelegd. Men tracht dan iets te bewijzen uit
woorden die de Heer niet heeft gezegd en niet kan bedoeld hebben. En nog een kort citaat uit J.
Schmid, ‘Het evangelie van Matteüs’, Patmos 1963, blz.409: “In v.15 maakt Matteüs door het
uitdrukkelijk vernoemen van de profeet Daniël de bij Mc 13,14 onduidelijke betrekking tot hem
duidelijk. ‘Waar hij niet zijn mag’ (Mc.13,14) is omschreven door ‘op heilige plaats’, waarmee door
de betrekking met Dan. 9,27 alleen de tempel bedoeld kan zijn (vgl. Hand.6,13, en niet het ‘heilige
land’.”
Een kleine opmerking over wat de WT hierover leert. Ze leerden vroeger, tot 1993, dat er
twee vervullingen waren van Mat.24:15, één met de vernietiging van de tempel en een andere in de
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 213
tijd vanaf 1914. Recent heeft men aangenomen dat Mat.24:3 tot aan vers 28 betrekking heeft op de
vernietiging van de tempel en dat slechts vanaf vers 29 de eindtijd besproken wordt. Zie hierover
‘DE WACHTTOREN’ van 15 februari 1994 op bladzijden 14 en 15, de tabel van de vergelijkingen van
de drie synoptische evangeliën en de uitleg op blz.16-21. Dat is al een verbetering in wat ze vroeger
leerden. Maar ze weten nog steeds niet hoe de rest van de Wederkomst verloopt.
En de laatste opmerking over de gruwel. Als argument geven bijna allen die geloven in de
bedelingen nog aan dat Mattheüs wijst naar de eindtijd: want vers 29 gaat uit van een
“onmiddellijk” dat er moet op volgen. Men mag geen tijd X inschakelen tussen vers 28 en 29 is dan
de redenering. Er staat echter ook nog een toevoeging; “van die dagen”, en daarin ligt de
ontbrekende tijd verscholen. “Die dagen” wijzen naar de eindtijd en niet de verwoesting van de
tempel. Er is in dat gedeelte het antwoord op twee of drie vragen van de discipelen volgens de
inleiding van dat gedeelte (Mat.24:3 / Marc.13:4 / Luc.21,6,7). Eén in verband met de val van Israël,
in welks verband over “een verdrukking”, zonder lidwoord in het Grieks gesproken wordt. Maar in
het geheel, dat de tijd van het einde beschrijft, dus alle tekenen tussen Pinksteren en de
Wederkomst is er een verdrukking (waar de eerste een deeltje van is) die “de verdrukking, de
grote” is genoemd. Daar staat het lidwoord in de Griekse tekst. Over deze laatste spreekt vers 29 en
geeft dus wat anders aan dan het einde van de verdrukking die er was tijdens de belegering en de
val van Jeruzalem. Wanneer er dan “onmiddellijk” staat in vers 29 slaat dit “onmiddellijk” op het
einde van de totaliteit van de tekenen, wanneer alle tekenen van die periode voorbij zijn gegaan.
De Amerikaanse theoloog E. J. Young schrijft in zijn ‘The Prophecy of Daniël’, Eerdmans 1949,
blz.128 dat de “vleugel der verwoesting” (de letterlijke vertaling zoals in de Franse TOB) wijst naar
het “hoogste” gedeelte van de tempel. Dat is in elk geval door de Septuaginta aangeven met het
begrip “pterugion.” En het Hebreeuwse “kenaf” kan ook aldus vertaald worden, want dat kan
zeggen “hoogste deel of uiteinde.” (Vergelijk ook Montgomery in de I.C.C. blz.387). Daarom zegt
ook waarschijnlijk de Zuid-Afrikaanse ‘Die bybel, Nuwe Vertaling’, vijfde druk, 1984: “Hy sal op die
hoek van die tempel n’ ding sit wat n’ gruwel is vir God.”
In het laatste deel van Dan.9:27 staat wat over die gruwel: “en wel tot het einde toe, en
waartoe vast besloten is dat zal zich uitstorten over wat woest is.” Hier wordt gezegd dat God in
Zijn voorkennis der geschiedenis van Israël weet dat het Joodse volk, stad en tempel verwoest zal
worden. Het ongelovige Israël toonde zich een onproductieve plant en wordt daarom uitgeroeid
(Luc.13:6-9). Meer zelfs, het volk dat leefde toen ze de Christus verwierpen zondigde tegen Gods
Geest. Zie hierover Marc.3:29,30 / Hand.7:51. En vergelijk Jes.1:4 en 63:10 in het OT. Dit is ook de
reden waarom ze als volk door God verworpen zijn (Luc.20:13-18). En ofschoon God hen in de
eerste plaats de gelofte aan Abraham zou hebben doen toekomen kon dit niet omwille van hun
ongeloof (Ex.19:5,6 / Gen.22:18). Gods belofte is daarom dan ook overgedragen naar de gemeente,
het waarachtige Israël van God, van Joden en heidenen (Gal.6:16). Slechts een rest van het volk;
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 214
dezen die geloof oefenden in de Christus werden daarom ook gered van de vernietigende Romeinse
macht in het jaar 66-70 na Chr. Toen deze grootmacht de stad en tempel vernietigde, werd het
Nieuwe Jeruzalem gered (Amos 3:13 / Jer.50:20 / Micha 2:12 / Zef.3:13 / Rom.11:5). Nadat God
jaren met open armen voor hen klaarstond. Die vernietiging, ofschoon zichtbaar door de Romeinen
toegebracht, was in werkelijkheid de straf van God. Zie hiervoor Hosea 9:17 / Jer.19:11 /
Hand.13:46. H.C. Leupold merkt dan terecht op dat “de vorst” uit vers 26 nu een andere naam
ontvangt “de vernieler” = Hebreeuws “meshomem.” Zie ook Scofield blz.914,915 die een
gelijkaardige opmerking maakt. Zelf geloven we niet dat het om de Antichrist gaat maar om de
vernietiger van de stad in 70 na Chr.
Hier is ook een begrip na te gaan dat in het NT, in het boek Openbaring aan de orde is:
uitgieten om te vernietigen. Dit is hoe Luther Daniël 9:27c weergeeft: “totdat het vast besloten
verderf zal uitgestort worden over de verwoesting.” In het OT, zie daarover deze teksten:

2 Kron.12:7 SV77: “Toen nu de HEERE zag, dat zij zich verootmoedigden, geschiedde het
woord des HEEREN tot Semája, zeggende: Zij hebben zich verootmoedigd, Ik zal hen niet
verderven; maar Ik zal hun in korte tijd ontkoming geven, dat Mijn grimmigheid over
Jeruzalem door de hand van Sisak niet zal uitgegoten worden.”

2 Kron.34:25 SV77: “Daarom dat zij Mij verlaten, en andere goden gerookt hebben, opdat
zij Mij tot toorn verwekten met alle werken hunner handen; zo zal Mijn grimmigheid
uitgegoten worden tegen deze plaats, en niet uitgeblust worden.”

Jer.7:20 SV77: “Daarom zegt de Heere HEERE alzo: Ziet, Mijn toorn en Mijn grimmigheid zal
uitgestort worden over deze plaats, over de mensen en over de beesten, en over het
geboomte des velds, en over de vrucht van het aardrijk; en zal branden, en niet uitgeblust
worden.”

Jer.42:18 SV77: “Want zo zegt de HEERE der heerscharen, de God Israëls: Zoals Mijn toorn,
en Mijn grimmigheid is
uitgestort over de inwoners van Jeruzalem, alzo zal Mijn
grimmigheid over u uitgestort worden, als gij in Egypte zult gekomen zijn; en gij zult wezen
tot een vervloeking, en tot een ontzetting, en tot een vloek, en tot smaadheid, en zult deze
plaats niet meer zien.”

Eze.22:22 SV77: “Gelijk het zilver in het midden van de oven gesmolten wordt, alzo zult gij
in het midden van haar gesmolten worden; en gij zult weten, dat Ik de HEERE, Mijn
grimmigheid over u uitgegoten heb.”

Dan.9:11 SV77: “Maar geheel Israël heeft Uw wet overtreden, door af te wijken, dat zij Uw
stem niet gehoorzaamden; daarom is over ons uitgestort die vloek, en die eed, die
geschreven is in de wet van Mozes, de knecht Gods, omdat wij tegen Hem gezondigd
hebben.”
In het Hebreeuws staat hier in Daniël 9:27c een onpersoonlijke vorm zodat er ook kan
gezegd worden dat hetgeen al verwoest is, nog eens verwoest wordt. En dat past zeer goed in wat
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 215
we over dit vers denken. Israël was al een geestelijke verwoesting, die leefde van een godsdienst als
was het een zaak van papier. Het uitmoorden van de profeten en Jezus was de laatste druppel en zal
in 70 na Christus tot een letterlijke verwoesting uitlopen. Dat is hoe ook de Engelse King James
Vertaling het beziet: “and that determined shall be poured upon the desolate.” En de American
Standard Version 1901 zegt: “and even unto the full end, and that determined, shall [wrath] be
poured out upon the desolate.” New King James Version, 1982 Thomas Nelson: “Even until the
consummation, which is determined, Is poured out on the desolate.” Noah Webster Version 1833:
“even until the consummation, and that determined shall be poured upon the desolate.” Hebrew
Names Version 2000: “and that determined, shall [wrath] be poured out on the desolate.”
Hieronymus Latijnse Vulgata, 405: “et usque ad consummationem et finem perseverabit
desolatio.”
En nog drie Franstalige in diezelfde aard;
Darby: “et jusqu'à ce que la consomption et ce qui est décrété soient versés sur la désolée.”
Ostervald: “ jusqu'à ce que la ruine qui a été déterminée fonde sur le désolé.”
Martin: “même jusqu'à une consomption déterminée, [la désolation] fondra sur le désolé. ”
En nog een laatste opmerking, achteraf. We kiezen voor Hand.10, de bekering van de eerste
“heiden” tot het Christelijk geloof, als terminus van de 70 jaarweken. Er zijn (en dat zijn we ons
bewust) andere voorstellen. Bijvoorbeeld, de moord op Stephanus (Hand.7), de bekering van Saulus
(Hand.9) of de uitspraak van Paulus: “zie we keren ons dan tot de heidenen” in Hand.13:46.
Waarom onze keuze? Het geheel van deze profetie moet in de eerste plaats betrekking hebben op
het Joodse volk in zijn geheel (vers 24). En het verbond is zwaar voor hen (vers 27) omdat ze heen
en weer geslagen zijn door de argumenten vóór en tegen de Messias Jezus vanaf Pinksteren
(Hand.2:36 / 3:19-21 / 4:12 / de redevoering van Stephanus in hoofdstuk 7!). Ten tweede, God zelf
hakt de knoop door en kiest voor uitbreiding van het verbond. Maar dat was al voorzegd in het
verbond met Abraham. Israël is zijn exclusiviteit kwijt sinds op Cornelius en zijn gezin dezelfde
Heilige Geest is gekomen als over de Joden waarover Handelingen hoofdstuk twee handelt
(Hand.10:44-48 / 11:15-18).
Dr. C.I. SCOFIELD, de grote man van de dispensationalisten met de allures van een
hogepriester, geeft eens commentaar op 2 Timotheus 2:15 en beweert dat er een blijvende kloof is
tussen Joden en heidenen. Dit zijn zijn teksten die het moeten ondersteunen.
DE JODEN
DE HEIDENEN
DE KERK
Rom.9:4,5
Eph.2:11, 12
Eph.1:22,23
Joh.4:22
Eph.4:17,18
Eph.5:29-33
Rom.3:1, 2
Marcus 7:27,28
1 Pet.2:9
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 216
Maar uit zowel het OT als het NT blijkt toch ook nog wat geheel anders. Al die zaken die we
citeren liggen in de lijn van de vervulling van beloften van God in het Oude Testament. Men zou in
die kringen van bedelingen, toch moeten beseffen dat er sinds de dood (moord) van Jezus van
Nazareth geen echte onderscheidingen meer zijn. Bekijk eens de teksten hieronder en laat wat
Scofield zegt je niet van het belangrijkste weerhouden.
1° in het OT is slechts ISRAËL uitverkoren (zie teksten A en B hieronder)
2° In het OT is er een belofte van Gods aanvaarding voor andere volkeren. Vanaf Jezus zal dit in
voege gaan (zie teksten C hieronder) (ALLE TEKSTEN UIT DE SV77.)
A°) God heeft in het OT slechts Israël uitverkoren, uit alle volkeren:
Exodus 19:5 : ”Zo zult gij mijn eigendom zijn uit alle volken.”
Deuteronomium 7:6: ”U heeft de HEERE uw God verkoren.”
Deuteronomium 14:2: ”En u heeft de HEERE verkoren, (…) uit al de volken.”
1 Kronieken 16:13: ”Gij kinderen van Jakob, Zijn uitverkorene.”
Psalm 33:12: ”Het volk, (…) dat Hij Zich ten erve verkoren heeft.”
Psalm 105:6: ”Gij kinderen van Jakob, Zijn uitverkorene.”
Psalm 105:43: ”Zijn volk (…) Zijn uitverkorenen.”
Psalm 135:4: ”Jakob verkoren, Israël tot Zijn eigendom.”
Jesaja 41:8, 9: ”Gij Jakob, die Ik verkoren heb.”
Jesaja 43:20: ”Mijn volk, (…) Mijn uitverkorenen.”
Jesaja 44:1: ”Mijn knecht Jakob, en Israël, dien Ik uitverkoren heb.”
Jesaja 44:2: ”Jakob (…) die Ik uitverkoren heb.”
B°) Israël is volgens een andere uitdrukking het erfdeel van God, ZIJN VOLK:
Exodus 34:9: ”Neem ons aan tot een erfdeel.”
Deuteronomium 9:26: ”Verderf Uw volk en Uw erfdeel niet.”
Deuteronomium 9:29: ”Zij zijn toch Uw volk, en Uw erfdeel.”
1 Samuel 10:1: ”Dat de HEERE u tot een voorganger over Zijn erfdeel gezalfd heeft?”
1 Samuel 26:19: ”Dat ik niet mag vastgehecht blijven in het erfdeel des HEEREN.”
2 Samuel 20:19: ”Waarom zoudt gij het erfdeel des HEEREN verslinden?”
2 Samuel 21:3: ”Dat gij het erfdeel des HEEREN zegent?”
1 Koningen 8:51: ”Want zij zijn Uw volk en Uw erfdeel, die Gij uitgevoerd hebt.”
2 Koningen 21:14: ” En Ik zal het overblijfsel van Mijn erfdeel verlaten.”
Psalm 94:5: ”0 HEERE! zij verbrijzelen Uw volk, en zij verdrukken Uw erfdeel.”
Psalm 106:5: ”Opdat ik aanschouwe het goede Uwer uitverkorenen; opdat ik mij verblijde met de
blijdschap Uws volks; opdat ik mij beroeme met Uw erfdeel.”
Psalm 106:40: ”Daarom is de toorn des HEEREN ontstoken tegen Zijn volk, en Hij heeft een gruwel
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 217
gehad aan Zijn erfdeel.”
Psalm 127:3: ”Ziet, de kinderen zijn een erfdeel des HEEREN.”
Jesaja 63:17: ”Keer weer om Uw knechten, de stammen van Uw erfdeel.”
Joël 3:2: ”Vanwege Mijn volk en Mijn erfdeel Israël.”
C°) In enkele oudtestamentische uitspraken wordt profetisch naar een
Gemeente = qhahal = synagoge, verwezen waar ook heidenen deel aan hebben:
Psalm 65:6: ”O God van ons heil! o Vertrouwen van alle einden der aarde, en van de ver
gelegenen aan de zee!”
Jesaja 19:25: ” Want de HEERE der heerscharen zal hen zegenen, zeggende: Gezegend zij Mijn
volk, de Egyptenaars, en de Assyriërs, het werk Mijner handen, en Israël, Mijn erfdeel!”
Jesaja 57:19: ” Ik schep de vrucht der lippen, vrede, vrede hun, die ver zijn, en hun, die nabij zijn,
zegt de HEERE, en Ik zal hen genezen.”
Jesaja 59:14: ”De gerechtigheid staat van verre.”
Jesaja 59:20: “En er zal een Verlosser tot Sion komen, namelijk voor hen, die zich bekeren van de
overtreding in Jakob, spreekt de HEERE.” Dat is de tekst die in Romeinen 11:26 gedeeltelijk is
aangehaald. Wie zal dat erven en meemaken; alle Joden of “hen, die zich bekeren.”
Jesaja 66:19: ”En Ik zal een teken aan hen stellen, en uit hen, die het ontkomen zullen zijn, zal Ik
zenden tot de heidenen, naar Tarsis, Pul, en Lud, de boogschutters, naar Tubal en Javan, tot de ver
gelegen eilanden, die Mijn gerucht niet gehoord, noch Mijn heerlijkheid gezien hebben; en zij
zullen Mijn heerlijkheid onder de heidenen verkondigen.”
Jeremia 30:10: ”Ontzet u niet, Israël! want zie, Ik zal u uit verre landen verlossen, en uw zaad uit
het land van hun gevangenis.”
Jeremia 31:10: ”Hoort het woord des HEEREN, gij heidenen! en verkondigt in de eilanden, die
verre zijn, en zegt: Hij, Die Israël verstrooid heeft, zal hem weer vergaderen, en hem bewaren als
een herder zijn kudde.”
Jeremia 46:27: ”O Israël! want zie, Ik zal u verlossen uit verre landen.”
Jeremia 51:50: ”Gedenkt des HEEREN van verre.”
Micha 4:3: ”En het ene volk zal tegen het andere volk geen zwaard opheffen, en zij zullen de krijg
niet meer leren.”
Zo eindigt Gods profetie aan Daniël gegeven. Hoe kunnen de kinderen en afstammelingen
van de christenhater Porphyrius zo blind zijn. Maar ook dit heeft hij gemist: het is een boek over de
Messias.
De Messias in het boek Daniël
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 218
Profetie
OT tekst
De Messias zal na Zijn opstanding Daniël 7:13,14a
NT vervulling
Hand.1:9-11
ten hemel stijgen
De Messias zal met God een hoge Daniël 7:13,14b
Eph.1:20-22
plaats krijgen
De Messias krijgt een eeuwig Daniël 7:13,14c
Luc.1:31-33
koninkrijk
Heb.1:8
De Messias komt om zonde en Daniël 9:24a
Gal.1:3-5
dood te overwinnen
De Messias is de Gezalfde van God Daniël 9:24b
Lucas 1:35
De Messias zal zich 483 jaar na de Daniël 9:25
Joh.12:12,13
herbouw
van
Jeruzalem
openbaren
De Messias zal ter dood gebracht Daniël 9:26
Mat.27:35
worden en sterven
De Messias zal de zonden van de Daniël 9:24b
Heb.2:9
wereld wegnemen
De
Messias
sterft
vóór
de Daniël 9:24c
Mat.27:50,51
vernietiging van de tempel
Daniël zag de Messias al in een Daniël 10:5,6
Opb.1:13-16
visioen
De leer van de bedelingen heeft enkele grote problemen van Bijbels interpreteren geschapen bij
deze profetie. De gewone regels van uitleg worden regelmatig met de voeten getreden;

De breuk die er zou moeten zijn tussen de 69ste jaarweek en de 70ste is een toevoegsel van
enkele theologen.

De profetie, uitgelegd volgens dispensationalisten, spreekt van een herstel van Israël zonder
dat er bekering moet aan vooraf gaan en zonder het aannemen van Jezus als Messias. Zegt
het Nieuwe Testament niet dat men niet tot God kan komen dan door Jezus.

De profetie geeft een duidelijk beeld van de dood van de Messias. Het moet “NA” de 69ste
week zijn! DAT WIL ZEGGEN DAT HET IN DE 70STE WEEK VALT. Maar zeggen
dispensationalisten, die week ligt in TOTALITEIT nog te vervullen in de toekomst.

Dan moeten toch ook de voordelen van zo een offer nu voor iedereen geldend zijn zodat we
niet mogen beweren dat die voor Joden nog moet uitgesteld worden tot na de opname van
de gemeente. Deze leer houdt geen rekening met het boek Hebreeën hoofdstukken acht,
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 219
negen en tien. De redding van Israël moet in deze genadetijd geschieden en niet met een
gemak naar later verschoven worden.

In hun leer wordt Jeruzalem gered van vernietiging, maar de profetie zelf zegt dat niet, maar
het omgekeerde.
Moet er nog wat vervult worden uit Daniël 9:24-27. Neen, en dit is waarom! Een gedeelte uit de
tekst Handelingen 3:24 zegt volgens de Willibrordvertaling van 1995: “Vanaf Samuël en zijn
opvolgers hebben alle profeten die gesproken hebben, deze dagen aangekondigd. U bent de
zonen van de profeten en van het verbond dat God met uw vaderen heeft gesloten”, en dit wijst
op vervulling want het zijn deze dagen die zijn aangekondigd. Geboorte, prediking, verwerping
door het volk, en onverdiende moord op de persoon van Jezus, is voorzegd en in DIE DAGEN
vervuld. Na de opstanding en verschijning aan twee discipelen is de opmerking van Jezus dat de
Christus moest lijden op die wijze om zijn heerlijkheid in te gaan (Luc.24:16). Ook dat had te maken
met vervulling. Enkele dagen later zegt in: “Mozes en de profeten en de psalmen staat moet
vervuld worden (...) zodat zij de Schriften begrepen” (Luc.24:44,45). De beloofde Messias is
gekomen, m.a.w. de ware Koning van Israël is gekomen (Hand.13:22-34 / Rom.1:1-7). We citeren
één klein stukje uit deze laatste teksten: “En wij verkondigen u de belofte, die tot de vaderen
geschied is dat namelijk God deze vervuld heeft aan ons, hun kinderen, toen Hij Jezus verwekt
heeft.” Zo zegt Paulus volgens Hand.13:32 SV. Waarom zijn er dan die beweren dat de belofte niet
is vervuld, maar uitgesteld, en nog eens opnieuw aan Israël zal aangeboden worden? En tot
Agrippa spreekt hij jaren later als volgt,: “En nu sta ik, en wordt geoordeeld over de hoop der
belofte die van God tot de vaderen geschied is; Tot welke onze twaalf stammen, gedurig dag en
nacht God dienende, hopen te komen over welke hoop ik, o koning Agrippa, door de Joden
beschuldigd wordt” (SV). Dus Paulus heeft zijn leer op dat punt niet veranderd. Ter attentie van wie
in de bedelingen zijn soulaas zoekt de: “belofte die van God tot de vaderen geschied is”, blijft geldig
tot Zijn Wederkomst volgens Gods nieuwe versie. Tot de Mormonen en Brits-Israël zeggen we dit;
de 12 stammen zijn in de dagen van Paulus niet verloren, ze aanbidden God in die tijd, in de tempel!
En vervuld is ook al wat YaHWeH aan Abraham beloofde:
Zowel aan Joden als heidenen.

Gods verbond met Abraham =
Gods verbond werd eerst met Abraham gesloten,
niet met 'Israël'
Gods verbond werd gesloten 430 jaar vóór de 'wet' gegeven werd (Galaten 3:17,18).
Gods verbond werd gesloten vóór de besnijdenis (Romeinen 4:10).
Gods verbond was universeel; voor héél de schepping. (Gen.12:3 en 17:4 / Rom.4:16.17 / Galaten
3:8,26-29).
Israël zou een zegen voor de wereld zijn, maar ze zijn er niet aan toegekomen (Romeinen 9:31,32 en
10:21). Zij verbraken daardoor het verbond. Slechts een “gelovige rest” is ingevoegd in het Israël
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 220
Gods: de gemeente (Galaten 6:16).
Het nieuwe verbond, de vervulling:
Gesloten met gelovige Joden en gelovige heidenen (Jeremia 31:31-34 / Mattheüs 26:28).
Het nieuwe verbond heeft het oude ééns en voor altijd vervangen (Hebreeën 7:18 / 8:6-13 / 10:9).
Gelovigen uit Joden en heidenen, zonder onderscheid des persoons (Rom.2:28,29 / Gal.3:6-9,28,29
/ Fil.3:3 / Jac.1:1 / 1 Pet.1:1 / Eph. 2:11-19).
Meerdere malen is in de Schrift, het nummer “40” in verband gebracht met het testen en
beproeven van Israël door God (Gen.7:4 / Ex. 24:18 / 34:28 / Num.13:25 / 14:33,34 / 32:13 /
Deut.8:2 / 10:10 / Deut.25:3 / 1Sam.17:16 / Joh.3:4 / Mat. 4:1-11 / Marc.1:13 / Luc.4:2.) Het is al of
niet toevallig, dat de Joodse Talmoed over die periode van 40 jaar (30-70 na Chr.[?]), zegt dat er
tekenen zijn dat God de jaarlijkse offers op de verzoendag (Jom Kippoer) niet accepteerde vanwege
de zonden van het volk (Lev.16). Rekenen we dan van 30-70 na Chr. of van 33-73 na Chr. de
verovering van het fort Masada. Tegen die tijd was het hele land bijna verlaten, 1.100.000 gestorven
in de oorlog en bijna 100.000 Joden als slaaf verkocht. Een toevalligheid of een teken van God, ik
weet het niet!
APPENDIX IV: de 4 interpretaties naast elkaar
Wij geven hieronder een vergelijking (in een licht gewijzigde vorm) uit J. Barton Payne, ‘The
theology of the Older Testament’, Zondervan, 8ste druk, december 1975, blz.520-522. Hij citeert uit
volgende werken om een viertal interpretaties te belichten van Daniël 9:2-27:
Symbolisch; H.C. Leupold, ‘Exposition of Daniel’, Wartburg Press, 1949,
Bedelingen; Joseph A. Seiss, ‘Voices from Babylon or, the Records of Daniel the Prophet’,
Philadelphia: Muhlenberg Press, c. 1879, met aanvullingen van A.C. Gaebelein, ‘The Prophet Daniel’,
New York, ‘Our Hope’ Publishing Co., c. 1911),
Liberaal; James A. Montgomery, ‘A Critical and Exegetical ‘Commentary on the book Daniel’, New
York, Charles Scribner’s Sons, 1927,
Traditioneel; E.B. Pusey, ‘Daniel the Prophet’, New York, Funk and Wagnalls, 1891.
De bladzijdennummers verwijzen naar de aangehaalde werken.
We gebruiken de volgende afkortingen:
Symbolisch = Symb
Bedelingen = Bed
Liberaal = Lib
Traditioneel = Trad
Daniël 9:24 - uw volk
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 221
Symb: Israël en de Kerk verleden en toekomst blz.411
Bed: Israël verleden en toekomst blz.240
Lib: Israël in het verleden blz.393
Trad: Israël en de Kerk verleden blz.185
Daniël 9:24 - weken
Symb: Volheid blz.409
Bed: 7 x 360 dagen Gaebelein blz.140
Lib: 7 jaren blz.373
Trad: 7 jaren blz.186
Daniël 9:24 - om de gerechtigheid uit te boeten om eeuwige gerechtigheid te brengen
Symb: Nieuwe hemel en aarde blz.411
Bed: Alle beloften aan Israël vervuld blz.242
Lib: Droom van de Makkabeeën blz.375
Trad: Verzoening op Kalvarie blz.194
Daniël 9:24 - het hoogheilige te zalven
Symb: Mensheid geheiligd in God volgens Opb.21:3 blz.416
Bed: Zalving van de Joden in het duizendjarige rijk blz.241
Lib: Reiniging van het altaar blz.375
Trad: Christus gezalfd door de Heilige Geest blz.196
Daniël 9:25 - en de herbouw van Jeruzalem
Symb: Decreet van Cyrus blz.418
Bed: Arthaxerxes I aan Nehemiah blz.444
Lib: Woord van Jeremiah over val van Jeruzalem blz.392
Trad: Arthaxerxes I aan Ezra blz.189
Dan.9:25 - einde van 7 weken
Symb: Geboorte van Jezus blz.421
Bed: Herstelling voltooid in 396 (voor Chr.) (?) Gaebelein blz.136
Lib: Terugkeer in 537 voor Chr. blz.379
Trad: De Reformatie door Nehemiah in 409 voor Chr. blz.191
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 222
Daniël 9:25 - 7 en 62 aan elkaar
Symb: Neen blz.417
Bed: Ja blz.242
Lib: Neen blz.392
Trad: Ja blz.189
Daniël 9:25 - de uitverkoren vorst
Symb: Geboorte van Christus blz.422
Bed: Intocht in Jeruzalem blz.243
Lib: Jeshua, de eerste hogepriester na de ballingschap blz.379
Trad: Doop van Christus blz.189 (zalving als profeet)
Daniël 9:25 - einde van 62 weken
Symb: Einde van de groei van de Kerk blz.424
Bed: 30 na Chr. blz.247
Lib: 171 voor Chr. blz.394
Trad: 26 na Chr. blz.189
Daniël 9:26 - zal een gezalfde gedood worden
Symb: Einde van de groei van de Kerk blz.427
Bed: Kruisiging van Christus blz.249
Lib: Moord op de hogepriester Onias III blz.381
Trad: Kruisiging van Christus blz.198
Daniël 9:26 - na die tweeënzestig weken
Symb: Onmiddellijk erna blz.427
Bed: Vijf dagen later blz.248
Lib: Onmiddellijk erna blz.394
Trad: Later in het midden der volgende week blz.201
Daniël 9:26 - zonder dat iemand hem opvolgt
Symb: Zonder invloed blz.427
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 223
Bed: Door Joden verworpen blz.250
Lib: Zonder schuld blz.381
Trad: Door Joden verworpen blz.197
Daniël 9:26 - een vorst die komt
Symb: Antichrist in de toekomst blz.428
Bed: Titus in 70 na Chr. blz.251
Lib: Antiochus IV in 168 voor Chr. blz.383
Trad: Christus (blz.257) of Titus in 70 na Chr. blz.200
Daniël 9:26 - aan het einde zal er volgens het besluit een verwoestende oorlog plaatsvinden
Symb: Tot de dood van de Antichrist bij het verschijnen van de Christus blz.429
Bed: Tot het herstel van Israël 7 jaar vóór de verschijning van Christus blz.250
Lib: Tot zijn dood in 164 voor Chr. blz.384
Trad: Tot de val van Jeruzalem blz.201
Daniël 9:27 - betekenis van “en hij” in Daniël 9:26
Symb: Vers 27 is verdere uitleg van 26 blz.431
Bed: Spreekt over andere dingen blz.251
Lib: Vers 27 is verdere uitleg van 26 blz.384
Trad: Vers 27 is verdere uitleg van 26 blz.192
Daniël 9:27 - een sterk verbond
Symb: De Antichrist verleidt de massa blz.432
Bed: Antichrist gaat een verbond aan met de afvallige Joden blz.252
Lib: Antiochus in verbond met Grieken blz.385
Trad: Christus’ Nieuw Verbond met hen die gered zijn blz.193
Daniël 9:27 - begin van de 70é week
symb: Volgt de 69ste blz.427
Bed: Een breuk tussen de 69ste en 70ste week blz.251
Lib: Volgt de 69ste blz.386
Trad: Volgt de 69ste blz.192
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 224
Daniël 9:27 - op de helft van die week
Symb: Na 3 ½ jaren voor eerste deel blz.432 Voor tweede deel later blz.433
Bed: Na 3 ½ jaren in de grote verdrukking blz.252 eerste deel, later andere helft
Lib: van 168 - 165 voor Chr. voor 3 ½ jaren blz.386
Trad: Na 3 ½ jaren in 30 na Chr. blz.192
Daniël 9:27 - een einde maken aan de slacht- en spijsoffers
Symb: Er is geen aanbidding meer blz.433
Bed: Het altaar wordt verontreinigd blz.253
Lib: Het altaar wordt verontreinigd blz.386
Trad: Het OT heeft afgedaan blz.192
Daniël 9:27 - einde van de week
Symb: Gods oordeel blz.436
Bed: Gods oordeel blz.251
Lib: Overwinning van de Makkabeeën blz.386
Trad: Steniging van Stephanus, Joden weigeren het Nieuwe Verbond blz.193
Daniël 9:27 - “de gruwel van de verwoesting”
Symb: Door afgoderij blz.433
Bed: Een afgod in de tempel blz.253
Lib: Griekse afgod in de tempel blz.388
Trad: Tegen de tempel in het jaar 70 na Chr. bij de verwoesting blz.199
Daniël 9:27 - “totdat de vernietiging” is voltrokken
Symb: Tot zijn dood blz.436
Bed: Tot de dood van de Antichrist blz.255
Lib: Tot de dood van Antiochus blz.389
Trad. Tot de vernietiging van Jeruzalem blz.200.
Laten we toch ook nog vermelden dat niet allen die in de bedelingen geloven, hetzelfde
zeggen. S. van Mierlo, leerling van E. Bullinger – maar deze volgt diens chronologie NIET - is zo een
uitzondering. Alle weken zijn gescheiden volgens hem en moeten als volgt aanvangen. We verwijzen
naar zijn ‘De zeventig weken van Daniël 9’, Uitg. Uit de Schriften, z.j. (ongeveer 1955).
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 225
1st jaarweek van 588 voor Chr. tot 539 voor Chr.
62 daaropvolgende jaarweken van 437 voor Chr. tot 30 na Chr.
70ste week in de toekomst.
De tempel in de 70st week zal slechts een klein gebouwtje zijn (blz.22). Zelf heeft hij kritiek op de
uitleg van Anderson waarvan we de 4de opmerking citeren: “Dan 9:25 zegt dat Messias eerst nà de
62 weken uitgeroeid wordt? Niets laat ons toe deze gebeurtenis juist aan het einde van de 62 weken
te plaatsen” (blz.16).
Maar ook vóór E. Bullinger waren er mensen op de gedachte gekomen om het begin van de
profetie te plaatsen bij het moment dat de uitspraak van de profetie door Daniël gedaan wordt. Zo
Orelli (‘Messianic prophecy’, T & T Clark, blz.465) die de profetie laat beginnen in 588 voor Chr. voor
de eerste zeven weken. Ze lopen verder tot het jaar 536 voor Chr. De daaropvolgende reeks neemt
zijn aanvang met 536 voor Chr. om te eindigen in 170 na Chr. Dat is natuurlijk slechts ongeveer 52
jaarweken. Dean Farrar (ook einde 19de eeuw) merkt in zijn commentaar op Daniël dan ook op, dat
62 jaarweken gelijk stellen aan 52 jaarweken niet te rijmen is.
En nog enkele uitleggingen volgens het liberale leerplan verkort weergegeven uit Driver S.R., ‘The
Book of Daniel,’ Cambridge University Press, 1901, blz.143,148,149:
1°) Wieseler (in 1846) 7e week vanaf 606 voor Chr.
62 weken tot 172 voor Chr. laatste week 172 voor Chr. - 165 voor Chr.
Er is ook een geestelijke uitleg die loopt tot de komst van Christus = de gezalfde, de prins.
2°) Delitzsch (1878) Begin vanaf 605 voor Chr.
62 weken tot 171 voor Chr.
Laatste week tot dood van Antiochus in 164 voor Chr.
7 weken volgen hierop en dat zou ons tot de Messias moeten gebracht hebben maar is
onoplosbaar.
3°) Kranichfeld (1868) 7 weken van 588 voor Chr. tot 539 voor Chr.
De gezalfde, de prins is Cyrus.
62 weken van 539 voor Chr. tot aan de dood van de gezalfde (Christus). De lacune van 135
jaar heeft Daniël in zijn profetisch perspectief niet gezien.
4°) Von Orelli (1882) 7 weken van 588 voor Chr. tot 536 voor Chr.
62 weken van 536 voor Chr. tot 29 na Chr. = de dood van Christus = de gezalfde van verzen 25
én 26. Het zijn geen echte weken maar “typische” weken.
Laatste week zit tussenin de andere 62 weken in de tijd van Antiochus van 171 voor Chr. tot
164 voor Chr.
5°) Nägelsbach (1858) 7 weken van 536 voor Chr. tot feest van de stadswal volgens Neh.12 in
434 voor Chr.
62 weken vanaf Neh.12 (434 voor Chr. tot de geboorte van Christus.
Laatste week van geboorte van Christus tot vernietiging van Jeruzalem in 70 na Chr. De we-
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 226
ken zijn symbolisch en kunnen elke totaalsom van 7 voorstellen. De eerste 7 is eigenlijk
7 + 7=14 jaarweken.
De laatste week is 7 x 10 = 70 jaarweken.
6°) Kliefoth (1868) en Keil (1869) De weken zijn symbolen.
7 weken van Edict van Cyrus (537 voor Chr.) tot komst van Christus.
62 weken van Christus tot komst van de Antichrist.
Laatste week, week van de grote afval afgesloten door Wederkomst van Christus. Vers 27
spreekt over de Antichrist.
7°) Van Lennep (1888) Bespreekt enkele mogelijke oplossingen. Letterlijk of figuurlijk of combinaties van beiden. Men mag rekenen volgens 6 + 62 + 1 week / of / 62 + 7 + 1 week / of / 62 +
1 + 7 week schema. Al naar gelang de schrijver kunnen er hiaten zijn tussen een tijdstip. We
hebben te kiezen tussen maanjaren, Egyptische jaren (als ze echt hebben bestaan) of
zonnejaren, of symbolische en “typische” Godstijden.
APPENDIX V: de 4 Bijbelteksten over de ANTICHRIST
Weinig mensen weten dat er in de Bijbel maar vier teksten zijn die over “een antichrist” of
over “DE antichrist” spreken, allen te vinden in twee brieven van de apostel Johannes.
1ste tekst 1 Joh.2.18 SV77 (voetnoten uit de gewone SV): “Kinderkens, het is de laatste ure; (61) en
gelijk gij gehoord hebt, dat de antichrist (62) komt, zo zijn ook (63) nu vele antichristen (64)
geworden; waaruit wij kennen, dat het de laatste ure (65) is.”
Voetnoten:
61)
het is de laatste ure;
Dat is, wij beleven nu den laatsten tijd der wereld, waarvan tevoren gezegd is, dat in
deze de antichrist zal komen en vele valse leraars zullen opstaan. Zie Matth. 24:5; 1
Cor. 10:11; 2 Thess. 2:3; 1 Tim. 4:1; 2 Tim. 3:1; 2 Petr. 3:3.
62)
de antichrist
Grieks ho antichristos; welk woord in het algemeen betekent iemand die, onder den
naam van Christen te zijn, zich stelt tegen de leer van Christus’ persoon en ambt, en
in het bijzonder een onder deze bijzonder uitstekende, die niet bestaat in een
persoon alleen, maar in verscheidene elkander in een staat opvolgende of in
elkanders plaats komende, gelijk men door den keizer van Rome dikwijls niet alleen
verstaat den regerenden keizer, maar ook al degenen die in het keizerrijk den een na
den ander opvolgen. Hier spreekt de apostel van den uitstekenden antichrist, gelijk
het Griekse woord ho te kennen geeft, die 2 Thess. 2:3, enz. en in de Openbaring van
Johannes doorgaans beschreven wordt.
63)
komt, zo zijn ook
Dat is, komen zal, of gelijk als op den weg is om te komen; zie 2 Thess. 2:7.
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 227
64)
vele antichristen
Dat is, vele valse leraars onder de christenen, die voorlopers van den groten antichrist
zijn geweest en van één geest gedreven, want hier wordt dat woord in het algemeen
en in het brede genomen.
65)
dat het de laatste ure
Namelijk volgens de voorzeggingen van Christus en der apostelen, tevoren
aangetekend.
2de tekst 1 Joh.2:2 SV77 (voetnoten uit de gewone SV): “Wie is de leugenaar, dan (80) die loochent,
dat Jezus is de Christus? (81) Deze is de antichrist, die den Vader en (82) den Zoon loochent. (83)”
Voetnoten:
80)
de leugenaar, dan
Dat is, de voornaamste valse leraar.
81)
is de Christus?
Grieks niet is; dat is, die de waarheid loochenende zegt, dat Jezus niet is de Christus,
dat is, de Messias, de Gezalfde, de beloofde Zaligmaker. Zie Joh. 20:31.
82)
die den Vader en
Hoe de Vader wordt geloochend, wordt nader in 1 Joh. 2:23 verklaard.
83)
den Zoon loochent.
De Zoon van God de Heere Jezus Christus wordt geloochend, niet alleen ten opzichte
van Zijn persoon, wanneer men loochent, òf Zijne Goddelijke, òf Zijn ware menselijke
natuur, òf dergelijke; maar ten opzichte van Zijn ambt, als men loochent dat Hij de
Zaligmaker is, of dat Hij de enige en volmaakte Zaligmaker is, en als men benevens
Hem nog andere middelaars tot de zaligheid stelt, enz.
3de tekst 1 Joh 4:3 SV77 (voetnoten uit de gewone SV): “En alle geest, die niet belijdt, dat Jezus
Christus in het vlees gekomen is, die is uit God niet; maar dit is de geest van (13) den antichrist,
welken geest gij gehoord hebt, dat komen zal, en is nu alrede in de wereld.”
Voetnoot:
13)
de geest van
Dat is, de leer van den antichrist, die strijdt tegen de waarheid van den persoon en
het ambt van Christus.
4de tekst 2 Joh 1:7 SV77 (voetnoten uit de gewone SV): “Want er zijn vele verleiders in de wereld
gekomen, die niet belijden, (20) dat Jezus Christus (21) in het vlees gekomen is. Deze is de
verleider en de antichrist. (22)”
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 228
Voetnoten:
20)
die niet belijden,
Zie de aantekeningen 1 Joh. 2:22, en 1 Joh. 4:2.
21)
dat Jezus Christus
Grieks Jezus Christus in het vlees komende. Zie dergelijke wijze van spreken 1 Joh.
4:2.
22)
de antichrist.
Zie 1 Joh. 4:3.
Het is bovendien niet oprecht dat in de kringen van de dispensationalisten een reeks teksten uit
het boek Daniël toegepast worden of een komende antichrist. Daarvan beweren de meesten dan
nog dat er een kleine vervulling is in de persoon van Antiochus Epiphanes (later met de bijnaam
Epimanes = de gek) en een latere vervulling in één nog komende antichrist.
We hebben over de zaak van de antichrist al één en ander geschreven. We nemen in hoofdstuk
10 wat over uit onze ‘De Wederkomst van Jezus, de Joden en de duizendjarige regering.’ Een uitleg
van 2 Thessalonicenzen 2:1-10.
Conclusie
Dit is de belichting van slechts één aspect van de Wederkomst. Dat moment waar zowel de
gelovigen als ongelovigen bij elkaar staan en dat overeenkomt met “de voleinding der wereld”
(Mat.13:41,49 en lees de context). Het moment waar de schapen en bokken van elkaar gescheiden
worden (Mat.25:31-46). Hier nog een toekomstige duizendjarige regering willen lezen (in te lezen)
kan niet zonder fantasie van mensen.
We komen aan het slot toe van de profetie, het vers 27. In de bedelingen heeft men hier een
uitleg die niet voldoet aan de betekenis van dat vers 26. Laat ons eens nagaan of de argumenten van
de leer van de bedelingen kunnen standhouden in een vergelijk van logische conclusies. We zetten
alles in een tabelvorm uitgaande van twee publicaties. Dat is voor de Bedelingen; Joseph A. Seiss,
‘Voices from Babylon or, the Records of Daniel the Prophet’, Philadelphia: Muhlenberg Press, c.
1879, met aantekeningen van A.C. Gaebelein, ‘The Prophet Daniel’, New York, ‘Our Hope’ Publishing
Co., c. 1911). En voor de Traditionele uitleg; E.B. Pusey, ‘Daniel the Prophet’, New York, Funk and
Wagnalls, 1891.
De bladzijdennummers verwijzen naar de aangehaalde werken.
We gebruiken de volgende afkortingen:
Bedelingen = Bed
Traditioneel = Trad
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 229
Daniël 9:26 - zal een gezalfde gedood worden
Bed: Kruisiging van Christus blz.249
Trad: Kruisiging van Christus blz.198
Daniël 9:26 - na die tweeënzestig weken
Bed: Vijf dagen later blz.248
Trad: Later in het midden der volgende week blz.201
Daniël 9:26 - zonder dat iemand hem opvolgt
Bed: Door Joden verworpen blz.250
Trad: Door Joden verworpen blz.197
Daniël 9:26 - een vorst die komt
Bed: Titus in 70 na Chr. blz.251
Trad: Christus (blz.257) of Titus in 70 na Chr. blz.200
Daniël 9:26 - aan het einde zal er volgens het besluit een verwoestende oorlog plaatsvinden
Bed: Tot het herstel van Israël 7 jaar vóór de verschijning van Christus blz.250
Trad: Tot de val van Jeruzalem blz.201
Daniël 9:27 - betekenis van “en hij” in Daniël 9:26
Bed: Spreekt over andere dingen blz.251
Trad: Vers 27 is verdere uitleg van 26 blz.192
Daniël 9:27 - een sterk verbond
Bed: Antichrist gaat een verbond aan met de afvallige Joden blz.252
Trad: Christus’ Nieuw Verbond met hen die gered zijn blz.193
Daniël 9:27 - begin van de 70é week
Bed: Een breuk tussen de 69ste en 70ste week blz.251
Trad: Volgt de 69ste blz.192
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 230
Daniël 9:27 - op de helft van die week
Bed: Na 3 ½ jaren in de grote verdrukking blz.252 eerste deel, later andere helft
Trad: Na 3 ½ jaren in 30 na Chr. blz.192
Daniël 9:27 - een einde maken aan de slacht- en spijsoffers
Bed: Het altaar wordt verontreinigd blz.253
Trad: Het OT heeft afgedaan blz.192
Daniël 9:27 - einde van de week
Bed: Gods oordeel blz.251
Trad: Steniging van Stephanus, Joden weigeren het Nieuwe Verbond blz.193
Daniël 9:27 - “de gruwel van de verwoesting”
Bed: Een afgod in de tempel blz.253
Trad: Tegen de tempel in het jaar 70 na Chr. bij de verwoesting blz.199
Daniël 9:27 - “totdat de vernietiging” is voltrokken
Bed: Tot de dood van de Antichrist blz.255
Trad. Tot de vernietiging van Jeruzalem blz.200.
Wat leren we hieruit? Dat de leer van de dispensaties een verband legt van de aanhef van “en
hij” in het begin van 27 dat niet van de Messias spreekt, maar van de antichrist. Lezen we toch eens
wat er staat in vers 26 als een verwijzing naar twee personen: ”zal een gezalfde gedood worden”
(Jezus) en ”een vorst die komt” (de Romeinse generaal Titus). Dus, let er op, er is in vers 26 géén
sprake van een antichrist, en Titus is nergens een antichrist genoemd in de Bijbel. De aanhangers
van de leer van de bedelingen zeggen dat “en hij” moet verwijzen naar de persoon die het dichts
genoemd is in vers 26. In hun visie dus Titus! Verder geredeneerd is het dus die persoon (generaal
Titus) die een verbond met Israël aangaat enz. Neen zegt men dan, dat wijst naar de antichrist die
op het punt staat zich nu (we zijn 2008) te openbaren. Is die dan de reïncarnatie van generaal Titus?
Neen, zal men zeggen. Maar daar hoeven we niet in te trappen, dat is een on-Bijbelse redenering.
Titus is het werktuig in Gods hand om Israël te straffen voor een laffe daad: de moord op hun
gezalfde. Zodat we moeten aannemen dat het “en hij” naar de andere persoon wijst die ook in vers
26a genoemd is, de gezalfde die zal gedood worden: Jezus de Messias.
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 231
Er is dan ook nog een tweede probleem met de uitleg van de bedelingenleer. Aan het slot van
vers 26 staat beschreven over generaal Titus: “aan het einde zal er volgens het besluit een
verwoestende oorlog plaatsvinden.” Dat wijst naar de verschrikking van de oorlog van 66-71 na
Christus. Rome moet zijn opstandige provincie Israël een les leren. Het kost aan Israël bijna één
miljoen honderdduizend doden en zevenennegentigduizend slaven die verkocht worden. Daarboven
de vernietiging van de stad en de tempel. Van de tempel zal geen steen op een andere blijven, zo
had Jezus het voorspeld. Dan zou er volgens de leer van de bedelingen wanneer die antichrist komt
in vers 27 ineens, opkomende uit het niets, een nieuwe tempel zijn.
APPENDIX VI: de Joodse interpretaties
We vonden ergens een verwijzing naar een zekere Ds. Cachemaille en zijn boek ‘The Seventy
Weeks and the Messiah.’ Daar schrijft hij op blz.25: “Het is een interessant feit dat tot op vandaag
nog verschillende verzen uit de belijdenis van de zonden van zijn volk door Daniël elke maandag en
donderdag door de Joden worden opgezegd; maar dat het laatste gedeelte van Daniël 9, dat zo
duidelijk over het lijden van de Messias spreekt, nooit gelezen wordt. De rabbijnen hebben werkelijk
een verschrikkelijke vloek uitgesproken over ieder die de profetie van de zeventig weken onderzoekt.
Zij zeggen: "Laat de botten verrotten van hem die het einde van de tijd berekent.” Ik hen niemand
anders gevonden die een dergelijke opmerking maakt, maar het is niet uitgesloten. We hebben
geen reden om Cachemaille’s opmerking te betwijfelen.
Joden hebben een andere uitleg bij Daniël 9:23-27 en vertellen ons graag waarom de
christelijke interpretatie fout is. Op http://www.geocities.com/bergZion/Daniel9NL.htm is alles uit
de doeken gedaan. Wij onderlijnen zelf enkele zaken in wat volgt en het zijn onze hoofdletters.
Wat ze hier zeggen over de spitsing van de 69 ste en de 70ste jaarweek: “Sommige christenen
proberen hier onderuit te komen door te zeggen dat de laatste week nog niet geweest is. EEN
WANHOOPSDAAD, want het is erg vreemd om te zeggen dat de 7 weken en de 62 weken
aaneengesloten waren, en dat dan de laatste week nog ergens in twilight zweeft om wie weet
wanneer nog is langs te komen. Het is ook niet mogelijk dat de laatste week nog niet is geweest,
want de profetie zegt: “En hij zal het verbond zwaar maken, een week lang, in de helft van de week
zal hij het slachtoffer en spijsoffer doen ophouden; en op een vleugel van gruwelen zal een
verwoester komen.”
Wat ze hier zeggen over start en einde van de profetie: “Laten we nu eens kijken wat er
werkelijk loos is in deze profetie. De profetie eindigt met de verwoesting van de tempel in het jaar
70. De hele profetie beslaat 70 profetische weken, dat staat voor 490 jaar, dus de profetie begint in
het jaar 70 minus 490 jaar, is 420 BCE. (before the common era) Volgens de joodse traditie werd de
eerste tempel verwoest in het jaar 3338 vanaf de schepping, dat is 423 BCE. De 70 profetische
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 232
weken beslaan het tijdperk van de 70 jarige joodse ballingschap in Babylon en het tijdvak van
ongeveer 420 jaar dat de tweede tempel bestaan heeft.”
Wat ze hier zeggen over Kores: “Wanneer ging er voor het eerst een woord uit, werd er voor
het eerst gesproken over het feit dat de joden zouden terugkeren vanuit de babylonische
ballingschap en Jeruzalem zouden herbouwen? Dat was bij monde van de profeet Jeremiah, die dat
profeteerde aan het begin van de babylonische ballingschap. Zie Jer. 25:11-12. En het was deze
profetie die Daniel aan het bestuderen was toen hij het visioen kreeg betreffende de 70 weken. Zie
het begin van Daniel 9.
Dus de uitgang van het woord is niet de toestemming van koning Kores om terug te keren, maar
Jeremiah’s profetieen aan het begin van de Babylonische ballingschap.”
Wat ze hier zeggen over de gezalfde: “Even tussendoor: JC is nooit tot koning gezalfd zoals
een joodse koning gezalfd moet worden, hij was ook nooit een koning, dus, hij was geen messias,
geen gezalfde. Daarom kan Daniel 9 geen betrekking hebben op hem.
52 jaar na het begin van de ballingschap kwam koning Kores aan de macht in Babel, en hij was het
die de joden toestemming gaf terug te keren en de tempel te herbouwen, zoals beschreven is in Ezra
1:1. Kijk nu in Jesaja 45:1; "Zo zegt de Here tot zijn gezalfde, tot Kores, ..." Hier noemt God bij
monde van de profeet Jesaja de niet joodse koning Kores “Zijn gezalfde”. In het hebreeuws:
“meshiach”. Dus Kores die toestemming gaf voor de herbouw van de tempel is de gezalfde, de
messias. Koning Kores besteeg de troon 52 jaar nadat de joden in ballingschap waren gegaan, dat is
7 profetische weken die staan voor 49 jaar, plus 3 jaar. (de drie jaar zijn niet vermeld omdat het
geen volledige “week” is) (…) De 7 weken, 49 jaar, starten in het jaar 3338 na creatie, 423 BCE. Ze
eindigen in 3380 na creatie met het verschijnen van koning Kores, 377 BCE. Ze worden gevolgd door
de 62 weken, oftewel 434 jaar, en dat brengt ons tot het jaar 3824 na creatie, 63 CE. Blijft er over 1
week, die ons brengt tot 3828 na creatie, 70 CE."
Wat ze hier zeggen over het slot: “In het midden van de laatste week die loopt van 63 tot 70,
zouden de dieroffers ophouden. De tempeldienst met de dieroffers was na de dood van JC gewoon
doorgegaan, totdat in 66 de joden rebbelleerden tegen de romeinen. Als reactie hierop belegerden
de romeinen Jeruzalem. Door de omsingeling was het onmogelijk voor de joden om schapen en
stieren de stad in te brengen voor de offerdienst, en daardoor werd de offerdienst onderbroken." En
het volk van een vorst die komen zal, zal de stad en het heiligdom te gronde richten," Dit gaat over
de romein Titus, die het bevel gaf tot de verwoesting van Jeruzalem en de tempel.”
Op http://www.shalomcenter.nl/verborgen_teksten.htm staat nog een andere uitleg over
Daniël 9:23-27 vanuit Joodse hoek. We citeren enkele zaken: “Gebaseerd op het hebreeuws worden
hier echter TWEE GEZALFDEN genoemd. De eerste is er na 7 shabbatsjaren nadat het woord uitging.
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 233
De andere gezalfe is er na 69 shabbatsjaren. De eerste is Kores, die een gezalfde van God wordt
genoemd (Jes. 45:1 Zo zegt de Eeuwige tot zijn gezalfde, tot Kores, wiens rechterhand Ik gevat heb
om volken voor hem neer te werpen: de lendenen van koningen ontgord Ik; om deuren voor hem te
openen, geen poorten blijven gesloten.) (Jes. 44:28 die tot Kores zeg: Mijn herder, hij zal al mijn
welbehagen volvoeren door tot Jeruzalem te zeggen: Het worde herbouwd en de tempel worde
gegrondvest. 45:1 Zo zegt de Eeuwige tot zijn gezalfde, tot Kores, wiens rechterhand Ik gevat heb
om volken voor hem neer te werpen: de lendenen van koningen ontgord Ik; om deuren voor hem te
openen, geen poorten blijven gesloten.). De gezalfde die in vers 26 wordt genoemd is Agrippa, de
laatste joodse koning (in Davids lijn). Hij stierf net voor het einde van de 2e tempelperiode. De vorst
die verder in vers 26 wordt genoemd is de Romeinse Titus. Let op: de juiste vertaling van vers 26a
(En na de tweeënzestig weken zal een gezalfde worden uitgeroeid, terwijl er niets tegen hem is) is:
En na de tweeënzestig weken zal een gezalfde worden uitgeroeid, en niet meer zijn (zoals het in de
Lutherse vertaling vertaald wordt). Ook nu wordt de vertaling (zonder dat uit een bepaalde
vooronderstelling te doen) heel anders.”
In de Joodse vertalingen kunt u wel eens wat anders lezen dan in onze vertalingen. Dat heeft te
maken met het feit dat Joodse vertalingen zeer sterk de Massoretische tekst vertalen die is
bekrachtigd in de 8ste/9de eeuw na Christus. Voorzeker was die al een beetje aangepast aan de
“leesbaarheid van de tekst”, want die is op sommige plaatsen zeer moeilijk te begrijpen. In
katholieke en prostestanse Bijbels wordt rekening gehouden met wat de Septuaginta zegt, de
Latijnse Vulgaat en nu recenter zelfs de Dode-zee-rollen. We hebben in deze drie Joodse vertalingen
het begrip “messias” onderstreept en u merkt dat men hier zelfs voor eenzelfde tekst eens met het
lidwoord heeft vertaald en een andere maal niet.
JPS VERSION TANAKH
JPS 1917 VERSION
JUDAICA PRESS TANAKH
(CHABAD.ORG)
(1985)
24. “Seventy weeks” have 24. Seventy weeks are decreed
24. Seventy weeks [of years]
been decreed for your upon thy people and upon thy holy have been decreed upon your
people and your holy city city, to finish the transgression, and people and upon the city of
until
the
measure
of to make an end of sin, and to your Sanctuary to terminate
transgression is filled and forgive iniquity, and to bring in the transgression and to end
that of sin complete, until everlasting righteousness, and to sin, and to expiate iniquity,
iniquity is expiated, and seal vision and prophet, and to and
eternal
righteousness anoint the most holy place.
to
bring
eternal
righteousness, and to seal up
ushered in; and prophetic
vision and prophet, and to
vision ratified” and the
anoint the Holy of Holies.
Holy of Holies anointed.
25. You must know and 25. Know therefore and discern, 25. And you shall know and
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 234
understand:
From
the that from the going forth of the understand that from the
issuance of the word to word to restore and to build emergence of the word to
restore
and
rebuild Jerusalem unto one anointed, a restore
and
to
rebuild
Jerusalem until the [time prince, shall be seven weeks; and Jerusalem until the anointed
of the] anointed leader is for threescore and two weeks, it king [shall be] seven weeks,
seven weeks; and for sixty- shall be built again, with broad and [in] sixty-two weeks it
two
weeks
it
will be place and moat, but in troublous will return and be built street
rebuilt, square and moat, times.
and moat, but in troubled
but in a time of distress.
times.
26. And after those sixty- 26. And after the threescore and 26. And after the sixty-two
two weeks, the anointed two weeks shall an anointed one weeks, the anointed one will
one will disappear and be cut off, and be no more; and the be cut off, and he will be no
vanish.
The army of a people of a prince that shall come more, and the people of the
leader who is to come will shall destroy the city and the coming monarch will destroy
destroy the city and the sanctuary; but his end shall be with the city and the Sanctuary,
sanctuary, but its end will a flood; and unto the end of the and his end will come about
come through a flood. war desolations are determined.
by inundation, and until the
Desolation is decreed until
end of the war, it will be cut
the end of war.
off into desolation.
27. During one week he 27. And he shall make a firm 27. And he will strengthen a
will make a firm covenant covenant with many for one week; covenant for the princes for
with many. For half a week and for half of the week he shall one week, and half the week
he will put a stop to the cause the sacrifice and the offering he will abolish sacrifice and
sacrifice and the meal to cease; and upon the wing of meal- offering, and on high,
offering. At the corner [of detestable things shall be that among abominations, will be
the
altar]
appalling
until
will
be
an which causeth appalment; and that the dumb one, and until
abomination until the extermination wholly destruction
the
decreed determined be poured out upon extermination
destruction will be poured that which causeth appalment.'
and
befall
the
dumb one.
down upon the appalling
thing.”
Dit zijn enkele opmerkingen van Joodse rabbijnen en geschriften over de periode van de 490
jaren uit Daniël 9.

De Talmud lijkt ergens te verwijzen naar de laatste week van Daniël 9. B. San 97a: ”Onze
meesters dachten als volgt over de bewuste zevendedagperiode wanneer op het einde ervan
(Messias) zoon van David zal verschijnen.”
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 235

B. San 97b: ”Rav zei: alle tijden van verlossing zijn voorbij, alles is nu afhankelijk van berouw
en goede daden.”

B. San 97b: ”R. Samuel bar Nahmani zei in de naam van R. Jonathan: laat de beenderen van
hen die veronderstellen de tijd van verlossing te berekenen, weggeblazen worden in de wind.
Ze zeggen allicht dat ‘gezien de verlossing niet gekomen is, ze nooit zal plaatsvinden.'
Integendeel men moet blijven wachten (…) wat houdt het tegen? De maat van gerechtigheid
stelt het uit (…)”
Hieruit blijkt dat er rabbijnen waren die tijdsberekeningen verrichtten vanuit het boek Danël.
Volgens velen was de tijd voorbij dat de Messias zou komen, maar gezien de diversiteit onder
Joodse theologen waren nog andere berekeningen in zwang. Het was echter voor allen zo dat de
jaren van Daniël er iets mee te maken hadden.

Maimonides (Rabbi Moses Ben Maimon) zei: “Daniël heeft voor ons de kennis van het einde
uitgelegd. Maar aaangezien ze een mysterie zijn, hebben de Wijzen (de Rabbijnen) verboden
de dagen van de Messias te berekenen zodat het gewone niet onderwezen volk, niet van de
wijs gebracht wordt en inziet dat het einde al gekomen is, want er is geen teken van de komst
van de Messias” (Igeret Teiman, Chapter 3, blz.24).

Rabbi Moses Abraham Levi leerde: “Ik heb gans de Heilige Schrift onderzicht en doordacht en
heb de tijd van de komst van de Messias niet gevonden met uitzondering van de woorden
van Gabriël aan de profeet Daniël die in de het negende hoofdstuk staan.” (‘The Messiah of
the Targums’, Talmuds and Rabbinical Writers, 1971, blz.141-142.)

De Targumim van de Megillot (Klaagliederen 4): “17 Onze ogen merken nog steeds niet de
hulp die we verwachten van de Romeinen, maar die als niets voor ons waren. In onze hoop
keken we ook naar de Edomieten die als natie ons geen hulp konden bieden. Ze hebben ons
pad gekruist zodat we niet veilig onze plaatsen konden betreden. We leerden‘Ons einde is
nabij, onze dagen zijn vervuld’ want ons einde is gekomen.”
En ook dit:

Aquila geciteerd in ‘Demonstratio Evangelica’ Book VIII leert: “Over uw volk, en over uw
heilige stad (...) Voor het beëindigen van hun ongehoorzaamheid, en voor het aanvullen van
hun overtreding. Voor de vervulling van hun ongehoorzaamheid en de voltooiing van hun
zonde. Voor de verzoening van hun overtreding, Voor het brengen van eeuwige
gerechtigheid. En voor het vervullen aan de visie en de profeet. Voor de zalving van de meest
geheiligde.”

Josephus schreef: “Daniël profeteerde en schreef over al deze zaken vele jaren geleden. We
kunnen in zijn geschriften ook lezen over de manier waarop onze mensen onder het juk van
de Romeinse slavernij kwamen en de manier waarop onze natie werd vernietigd door de
Romeinen. Al deze geschriften van Daniël, door Gods opdracht achtergelaten, geven aan de
lezers en studenten van de geschiedenis, het bewijs van de grote eer die God hem had
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 236
verleend. Bovendien iets voor de twijfelaars, die alle mogelijkheid van leiding in het leven
verwerpen, dat God nog steeds bezig is met de koers van de geschiedenis te
bepalen.”“(Josephus, Antiquities, X.10 en 11).”

Rabbi Judah (Grote verzamelaar van de Talmud): “Deze tijden zijn al lang voorbij.” (Regarding
Daniel's prophecy - Babylonian Talmud Sanhedrin 98b and 97a)

Samuel Samuel Levine (1925): “Christenen, bij gebrek aan een beter antwoord, beweren dat
de 70ste week zal plaatsvinden wanneer Jezus terugkeert als een koning bij zijn tweede komst.
Het probleem werd veroorzaakt doordat Daniël een totaal van 70 weken heeft genoemd en
ze heeft weergegeven als 7 plus 62, waardoor een week is overgebleven. De christenen
zeggen dat de eerste 69 weken na elkaar waren, maar dan is er minstens een 1900 jarige
kloof voordat vroeg of laat de 70ste week kan plaatsvinden. Dit is natuurlijk een zeer
gedwongen uitleg, geboren uit wanhoop.” (‘You take Jesus, I'll Take God: How to Refute
Christian Missionaries’, Los Angeles: Hamoroh Press, 1980, blz.31).
APPENDIX VII: In welk jaar stierf Jezus?
John Pratt, is een Mormoons astronoom die enkele artikelen schreef over de datum van de
geboorte en dood van Christus. In een artikel verschenen in ’The Quarterly Journal of Royal
Astronomical Society’ 32, (Sept. 1991), blz.301-304, staat een lijst van mogelijke data wanneer
Christus stierf. Het is gebaseerd op de Bijbelse maankalender die vanuit enkele tabellen kan
afgelezen worden. Jezus stierf volgens hem op 14 Nisan van het jaar 33. Dat is het jaar dat we zelf
aannemen.
(Voor dergelijke tabellen zie: http://sunearth.gsfc.nasa.gov/eclipse/LEcat/LE0001-0100.html )
(Of een andere: Redshift 3 Astronomy software)
JAAR
DAG
START VAN DE VERDUIS- TERING OM 18.00 UUR
30 na Christus
15 Nisan
Donderdag
31 na Christus
15 Nisan
Dinsdag
32 na Christus
15 Nisan
Zondag
33 na Christus
15 Nisan
Vrijdag
34 na Christus
15 Nisan
Woensdag
Wanneer we ervan uitgaan dat de kruisiging op een vrijdag was, dan zijn er enkele mogelijkheden:
14 nisan was een vrijdag in de jaren 27 / 33 / 36. Ook het jaar 30 kan een mogelijke dag zijn,
wanneer de waarneming van de nieuwe maan toen zichtbaar was in Jeruzalem. Joden rekenden niet
astronomisch, maar met het blote oog om de start te bepalen van een nieuwe maan.
De onderstaande tabel geeft de mogelijke dagen aan wanneer 14 nisan op een woensdag of
een donderdag viel tussen de jaren 30 en 36 na Christus. Absolute zekerheid van die dag of één dag
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 237
meer is er niet, want het gaat om de zichtbaarheid van de maan op de dag van de lente-equinox (21
of 22 maart). Deze berekening komt uit de tijd van de Babyloniërs en wordt nog steeds, sinds hun
terugkeer, gebruikt door de Joden. Sinds Hillel II (4de eeuw na Chr.), een rabbijn, heeft alles meer
structuur gekregen. De lijst komt van Kevin Kluetz in zijn artikel op Internet ‘The Dates of Jesus'
Crucifixion, Resurrection, and Ascension: Conclusions of Three Documents.’ Zelf gelooft hij in een
sterven van Jezus op woensdag. Jammer niet vertaald. De cijfers van kolom drie en vier geven de
standen aan van de maan zoals astronomen die weergeven.
Passover,
based on the
possibility
Passover, based on
modern Jewish
Year
calendar rules (1st
14th day of a lunar
month on or after
the spring equinox)
The Jewish month of
Nisan, assuming it is
the lunar month
containing Passover as
defined to the left
The Babylonian month of that the firstNisanu according to
century- and-
Parker and Dubberstein's earlier Jewish
tables, defined as the
month of
lunar month that begins Nisan always
after the spring equinox
equaled the
Babylonian
month of
Nisanu
[3/24-4/21] or [3/25-4/22]
(3/22 sun/moon
conjunction @
approx.13:08 Jerusalem
time, angular separation
30 A.D.
Th, 4/6 or Fr, 4/7
same as right
btwn sun & moon: 4.734
degrees; visible new
same as far
left
moon evening of 3/23
[sunset @ 17:51 &
moonset @ 18:33] or
3/24 [sunset @ 17:52 &
moonset @ 19:27])
[3/13-4/10] or [3/14-
4/12-5/11
4/11]
31 A.D.
(4/10 sun/moon
Mo, 3/26 or Tu, 3/27
(3/11 sun/moon
conjunction @
conjunction @
approx.09:47 Jerusalem
We, 4/25
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 238
approx.18:58
time, angular separation
Jerusalem time,
btwn sun & moon: 2.492
angular separation
degrees; visible new
btwn sun & moon:
moon evening of 4/11
3.915 degrees; visible
[sunset @ 18:02 &
new moon evening of
moonset @ 19:03])
3/12 [sunset @ 17:44
& moonset @ 18:20]
or 3/13 [sunset @
17:45 & moonset @
19:19])
[3/31-4/28] or [4/1-4/29]
(3/29 sun/moon
conjunction @
approx.16:24 Jerusalem
time, angular separation
32 A.D.
Su, 4/13 or Mo, 4/14
same as right
btwn sun & moon: 1.630
degrees; visible new
same as far
left
moon evening of 3/30
[sunset @ 17:56 &
moonset @ 18:42] or
3/31 [sunset @ 17:56 &
moonset @ 19:46])
3/21-4/18
(3/19 sun/moon
conjunction @
approx.08:05
33 A.D.
Fr, 4/3
Jerusalem time,
angular separation
btwn sun & moon:
0.787 degrees; visible
new moon evening of
3/20 [sunset @ 17:50
& moonset @ 19:08])
34 A.D.
Tu, 3/23 or We, 3/24 [3/10-4/7] or [3/11-4/8]
4/19-5/18
(4/17 sun/moon
conjunction @
approx.17:31 Jerusalem
time, angular separation
Sa, 5/2
btwn sun & moon: 1.150
degrees; visible new
moon evening of 4/18
[sunset @ 18:07 &
moonset @ 19:04])
4/9-5/7
Th, 4/22
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 239
(3/9 sun/moon
(4/7 sun/moon
conjunction @
conjunction @
approx.00:49
approx.07:31 Jerusalem
Jerusalem time,
time, angular separation
angular separation
btwn sun & moon: 2.176
btwn sun & moon:
degrees; visible new
0.344 degrees; visible
moon evening of 4/8
new moon evening of
[sunset @ 18:01 &
3/9 [sunset @ 17:43 &
moonset @ 19:23])
moonset @ 18:13] or
3/10 [sunset @ 17:43
& moonset @ 19:24])
[3/29-4/26] or [3/30-4/27]
(3/28 sun/moon
conjunction @
approx.02:15 Jerusalem
time, angular separation
35 A.D.
Mo, 4/11 or Tu, 4/12
same as right
btwn sun & moon: 2.316
degrees; visible new
same as far
left
moon evening of 3/28
[sunset @ 17:54 &
moonset @ 18:25] or
3/29 [sunset @ 17:55 &
moonset @ 19:35])
3/18-4/16
(3/16 sun/moon
conjunction @
approx.11:44
36 A.D.
Sa, 3/31
Jerusalem time,
angular separation
btwn sun & moon:
2.970 degrees; visible
new moon evening of
3/17 [sunset @ 17:48
& moonset @ 18:46])
[4/16-5/14] or [4/17-5/15]
(4/15 sun/moon
conjunction @
approx.01:13 Jerusalem
time, angular separation
btwn sun & moon: 4.172
degrees; visible new
moon evening of 4/15
[sunset @ 18:05 &
moonset @ 18:41] or
4/16 [sunset @ 18:06 &
moonset @ 19:50])
Su, 4/29 or
Mo, 4/30
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 240
De schrijver zegt: “The only possible crucifixion date, based on the reasoning in the above article, is
Wednesday, 3/28/31.” Copyright 1998 by Kevin Kluetz.
APPENDIX VIII: Tabellen van vergelijk
Van Dr. J. Paul Tanner, een USA dispensationalist verscheen het artikel ‘SURVEY OF VIEWS ON
DANIEL'S "SEVENTY WEEKS" PROPHECY’ gedateerd 24 maart 1999. Oorspronkelijk staat het in één
lang document, maar we hebben het gesplitst in drie te vergelijken uitleggingen. Zo zie je in een
eerste oogopslag de drie grote verschillen: niet-messiaanse (eerste tabel) en Messiaanse
verklaringen (twee latere tabellen). We geven het onvertaald weer. Deze opmerking geven we u wel
mee, de schrijver geeft voor de laatste tabel meer dan in de andere tabellen een reeks voorstanders
van de leer van de dispensaties. We kunnen echter in de 3 de 4de en 5de nog tientallen namen
toevoegen. Ofwel wil hij de indruk wekken dat de dispensatieleer goed vertegenwoordigd is of dat
de andere onbelangrijk zijn, maar dat zijn ze niet. Dispensatiegedachten stammen uit de beginjaren
van de 19de eeuw, vergeet dat niet. U krijgt het oorspronkelijke zonder enige aanpassing.
NON-MESSIANIC VIEWS
Name
of MACCABEAN VIEW
ROMAN DESTRUCTION VIEW
view
Adherents
Porphyry (232-c. 305)
Critical Scholars:
Jewish Sources:
Seder Olam Rabbah
Montgomery (ICC)
Rashi (AD 1040-1105)
Collins (Hermeneia)
Ibn Ezra (AD 1089-1164)
Hartman-DiL. (Anchor)
Goldingay (Word)
Description All details fulfilled in the
The prophecy culminates
Maccabean era during the
with the destruction of the
time of Antiochus
2nd Temple in AD 70 (or
Epiphanes (171-164 BC)
possibly as late as AD 135)
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 241
Decree
God's command - Jer 25:1
Cyrus' decree - 538 BC
1st 7 wks
587/86 — 538/36 BC
1st exile until 538 BC (or 520)
2nd 62 wks 538/36 BC — 171/70 BC
time in land until 1st Jewish
revolt of the 60's AD
3rd - 70th
171/70 — 164 BC
Dest of Jeru. in AD 70
(possibly extending to 135)
Anointed
Joshua the High Priest in Usually Cyrus
of vs 25
Zerub.'s day
Anointed
Onias
of vs 26
assassinated in 171 BC
Prince
III,
the
High
Pr. King Agrippa II at time of AD 70 (so
Rashi)
to Antiochus
Vespasian or Titus
Come
One
who Antiochus's
Makes
alliance
with Romans with Jews in 1st century AD
Hellenizing Jews
Covenant
(vs 27)
Makes
Pagan altar erected on top of Roman defilement of Temple in AD
Desolation
Jewish altar (ca. 168/67 BC)
70 and/or the establishment of Aelia
on ruins of Jerus. By Hadrian
2nd Half of Antiochus'
70th Week
attempt
destroy Judaism
to Events about AD 70 or 132-135
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 242
MESSIANIC VIEWS
Name
of 1ST CENTURY VIEW
SYMBOLIC-ESCH. VIEW
view
Adherents
Conservative Amillennial:
Conservative Amillennial:
E. J. Young
T. Kliefoth
Meredith Kline
C. F. Keil
Anthony Hoekema
H. C. Leopold
J. Barton Payne
(Payne is premill.—post-trib.)
Description The “anointed” of vs 26 is
Christ who is crucified; and
70 “weeks” are symbolic of 3
periods. The 62 wks are the
Christ makes a covenant with present age as “spir. Jer.” being
Decree
God's people in vs 27.
built. 70th wk is for Antichrist.
Cyrus' decree - 538 BC
Cyrus' decree - 538 BC
1st 7 wks 538/37 BC until completion 538 BC until the 1st Coming of
587/86
of
Christ
work by Ezra-Neh
2nd 62 wks Completion of work by Ezra- After
1st
Coming
as
Neh until 1st Advent of Jerusalem” (Church) is built
Christ
“spiritual
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 243
3rd - 70th
Most say 1st Century
Era of the Antichrist before the
(mid. of wk = crucifixion)
2nd Coming of Christ
Anointed
Christ Jesus (after the 1st 69 Christ Jesus (after the 1st 7 weeks)
of vs 25
weeks)
Anointed
Jesus Christ (“cut off” =
Jesus Christ (“cut off” = His
of vs 26
crucifixion; presum. AD 30)
influence cut off by Antichrist)
Prince
to Titus (so Young); or
Come
One
The Antichrist
Jesus Christ (so Kline)
who A covenant by Christ with 1) Leopold - made in imitation of
Makes
the Church (“ratified” at time Christ and imposed on masses; or
covenant
of crucifixion)
2) Keil - made to deceive people to
(vs 27)
follow him as God
Makes
Christ
de-legitimizes
the Presumably the work of
Desolation
sacrificial system; the Jewish Antichrist
temple is an abomin. to be
destroyed later by Titus
2nd Half of (1) Young, Hoekema - work Judgment the Antichrist's hatred for
70th Week
of Titus in AD 70
(2)
Kline,
eschatological
West
the city and temple
-
an
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 244
MESSIANIC VIEWS
POSTPONEMENT VIEWS
Name
of SOLAR-YEAR CALCULATION
PROPHETIC-YEAR CALCULATION
view
Adherents
Gleason Archer
Sir Robert Anderson
Leon Wood
Alva J. McClain
John Walvoord
Charles L. Feinberg
Paul Feinberg
Harold Hoehner
Josh McDowell
Description First 69 weeks culminate First 69 weeks culminate with crux.
with crux. of Christ, and 70th of Christ, and 70th wk is still future
wk is still future awaiting awaiting Antichrist. Calcul. based on
Antichrist. Calcul. based on 360-day year.
365-day yr.
Decree
Artaxerxes' decree of 458-57 Artaxerxes' decree of 445-44 BC
BC
1st 7 wks 458/57 — ca. 409 BC
445/44 — ca. 396/95 BC
587/86
2nd 62 wks ca. 409 BC — ca. AD 26
3rd - 70th
445/44 BC — AD 32/33
Future 7 years before the Future 7 years before the 2nd
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 245
2nd
Coming of Christ
Coming of Christ
Anointed
Christ Jesus (after the 1st 69 Christ Jesus (after the 1st 69 weeks)
of vs 25
weeks)
Anointed
Jesus Christ (“cut off” = Jesus Christ (“cut off” = crucifixion in
of vs 26
crucifixion in AD 32/33)
Prince
AD 32/33)
to The Antichrist
The Antichrist
Come
One
who A covenant made by the A covenant made by the Antichrist
Makes
Antichrist with the Jews. with the Jews.
covenant
Breaking the covenant starts Breaking the covenant starts the final
(vs 27)
the final 3 1/2 yrs of the 3 1/2 yrs of the Tribulation.
Tribulation.
Makes
The Antichrist halts sacrificial The Antichrist halts sacrificial system
Desolation
system and commits the and commits the “abomination of
“abomination of desolation” desolation” in the Jewish temple of
in the Jewish temple of Trib.(cf. Mt 24:15; 2 Thes 2:4)
Trib.(cf. Mt 24:15; 2 Thes 2:4)
2nd Half of The 3 1/2 years of the Great
70th Week
Tribulation
when
Antichrist is in power
The 3 1/2 years of the Great
the Tribulation when the Antichrist is in
power
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 246
Als we dit lange hoofdstuk kort samenvatten, tot op het been, dan krijgen we dit.
Het bouwen van Jeruzalem en van de tempel werd meerdere malen gestart en gestopt,
meestal vanwege de vijandelijke houding van de buren. Er zijn drie extra decreten vermeld
in de Bijbel.
1) In Ezra 1:1-4 vaardigd koning Cyrus een proclamatie uit (‫ = לוק‬Kol) en andere geschriften
(‫ = בתכמ‬Michtav) die de joden toestemming geven om naar Jeruzalem terug te keren en de
tempel te herbouwen. Jesaja 44 en 45 spreken ook over de bouw van de stad Jeruzalem met
zijn fiat.
2) Ezra 6:12-13, geeft koning Darius een decreet uit (‫ = םעט‬Taam) dat toestemming verleent
om de tempel te herbouwen (opnieuw te starten).
3) Ezra 7:11-16, geeft Artaxerxex, een decreet uit (‫ = םעט‬Taam) dat toestemming verleent
om de Tempel te herbouwen. (Artaxerxex is een Perzische titel voor “heerser” en kan naar
verschillende koningen verwijzen. Dit is te vergelijken met Farao: dat is de titel van
“heersers” van Egypte.)
En Nehemia 2:1-8 DAN: daar gaat het niet om een decreet. Dit gedeelte spreekt over de
koning die Nehemia “brieven” (‫ = תורגא‬Iggrot) geeft, in verzen 7,8 en 9 beschreven. Voor
een veilige doorgang in andere landen en toestemming om gedeelten te herbouwen van de
stad en de tempel te verfraaaien. Dit is geen ondernemer maar een hersteller van zaken die
stuk zijn.
Hoofdstuk 9
Over dagen en maanden en jaren in Daniël en Openbaring.
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 247
We gaan in het kortste hoofdstuk van dit werk enkele zaken aangeven waarom men niet mag
cijferen in Bijbelse profetie zoals in de bedelingenleer gedaan wordt: één maand = 30 dagen. Om
daar te geraken moeten we in deze hof eerst wat “onkruid” wieden zodat men een klaar overzicht
krijgt.
Bij wijze van inleiding enkele jaarkalenders vergeleken met ons jaar 2000 is:

Het jaar 208 volgens de Franse Republikeinse kalender

Het jaar 1378 volgens de Perzische kalender

Het jaar 1421 volgens de Islamitische kalender

Het jaar 1716 volgens de Koptische kalender

Het jaar 2544 volgens de Boeddihistische kalender

Het jaar 2749 volgens de Oudbabylonische kalender

Het jaar 2753 volgens de Oudromeinse kalender

Het jaar 5119 in de huidige grote cyclus van de Maya's

Het jaar 5760 volgens de Joodse kalender

Het jaar 6236 volgens de eerste Egyptische kalender

Het jaar van de draak volgens de Chinese kalender
Er is dus veel variatie in het berekenen van tijd. Maar dit mag men niet vergeten:

Het zonnejaar 2000 was 365 dagen, 5 uur, 48 minuten en 45 seconden lang

Het verschil in kalendertijd sinds 1 n. Chr. is 10 seconden (zie hier onder)

De gemiddelde afname van de kalendertijd door de geleidelijke vertraging van de rotatie
(ronddraaien) van de aarde is ½ seconde per eeuw
Zodat we ons oprecht mogen afvragen: waarom een profetische kalender leren of aanhouden van
360 dagen?
Hoe ziet een Joods jaar er uit?
Joden rekenen met maanjaren. Hoe lang duurt een maanjaar? Dat is = 354 dagen (in
werkelijkheid 354 dagen, 8 uren, 48 minuten, en 40 seconden). Maar, er is variatie in haar
jaarcyclus omdat er ook rekening gehouden wordt met de zonnekalender. Een gewoon jaar heeft,
gezien vanuit de maankalender:
1°) 353 dagen (onvolledig jaar),
2°) of 354 dagen (regelmatig jaar),
3°) of 355 dagen (volledig jaar).
De Babyloniërs bedachten 26 eeuwen geleden het begrip “de dertiende maand.” Een
schrikkelmaand, is een maand die eens in de zoveel jaar wordt ingevoegd om een jaar kloppend te
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 248
krijgen en in de pas te doen lopen met het zonnejaar dat 365,24 dagen telt. Gezien de Joodse
kalender van de Babylonische/Assyrische is afgeleid, kwam deze schrikkelmaand ook in de Joodse
tijdrekening terecht.
Een schrikkeljaar had toen 383 of 384 of 385 dagen.
Een gewoon jaar telt 12 maanden van 29 of 30 dagen. Een maanmaand heeft namelijk 29,5 dagen.
Je moet dus de ene maal afronden naar beneden (=29) en de andere maal naar boven (=30). Een
schrikkeljaar heeft 13 maanden.
Elke maand start ongeveer op de dag van de nieuwe maan, maar hier moet men de kalender wel
eens aanpassen aan de zichtbaarheid van een nieuwe maanstand. Een kalenderjaar van 354 dagen
geeft na drie jaar echter een verschuiving van bijna 34 dagen t.o.v. de seizoenen.
Het artikel van Remy Landau, ‘Hebrew Calendar Science and Myths’, op Internet is het belangrijkste
voor de berekeningen volgens de Joodse kalender. Op www.geocities.com/Athens/1584/
We kennen allemaal het fenomeen dat er om de 4 jaar een extra dag toegevoegd wordt aan
onze kalender, dat is 29 februari. Het moet zo om onze kalenders die we gebruiken aan te passen
aan de werkelijke astronomische kalender. Zo ook zal om de zoveel tijd een extra maand in de
Joodse rekening alles opnieuw gelijk laten lopen. Rekenen we 19 jaar x 12 maanden = is 228
maanden. In werkelijkheid zijn het er 235 over een periode van 19 jaar. Met de hedendaagse
waarden krijg je dan: 19 x 365,2422 = 6.939,6 wat nagenoeg gelijk is aan 235 x 29,5306 = 6.939,7.
Wanneer er het 3de, 6de, 8st, 11de, 14de, 17de en 19de jaar een extra maand toegevoegd wordt is
alles opnieuw o.k. Deze zeven extra maanden brengen gelijkheid in de twee soorten kalender. Deze
cyclus van aanpassing is ook om de 57 jaar opnieuw dezelfde. Elephantine papyri (uit Egypte) en the
Cairo Sandstone Stele leren ons echter dat alles in die zin nog niet echt geregeld was onder de
Joden. Het gaat in die papyrussen namelijk om de periode van de 5de eeuw voor Christus onder een
Joodse bevolking in Egypte. De Elephantine papyri tonen aan dat in de periode van 465 v. Chr tot
459 v. Chr., geen schrikkelmaanden werden toegevoegd. Dat was niet normaal zodat men in het
zevende jaar van het nieuwe Joodse jaar (Tishri 1) een sprong maakte van 24 augustus, 460 v. Chr.
naar 12 september van het jaar 459 v. Chr. Latere rabbijnen hebben een naam gegeven aan dit
systeem van rekenen: het negentienjarige huwelijk.
Er is één aanwijzing van een dertiende ingevoegde maand per jaar in de Schrift. Dat is in het
boek Ezechiël. Dit aan de hand van de volgende redenering. Als er rekening gehouden wordt met de
beide soorten kalenders – deze van de zon en van de maan - dan moet er regelmatig zo een
dertiende maand ingevoegd worden. Bekijk eens eerst te teksten:
Ezechiël 1:1,2: “In het dertigste jaar, in de vierde maand, op de vijfde der maand, toen ik te
midden der ballingen aan de rivier de Kebar was, werd de hemel geopend en zag ik gezichten van
Godswege. 2 Op de vijfde der maand – het was het vijfde jaar der ballingschap van koning
Jojakin.”
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 249
Ezechiël 2:7: “Maar gij, spreek mijn woorden tot hen, of zij horen dan wel het nalaten, want zij zijn
weerspannig.”
Ezechiël 3:15: “Ik kwam bij de ballingen in Tel-Abib, die aan de rivier de Kebar woonden, en waar
zij woonden, bleef ik zeven dagen onder hen, verbijsterd.”
Ezechiël 4:1-8: “Gij, mensenkind, neem u een tichelsteen, leg die vóór u en teken daarop een stad,
Jeruzalem. 2 En breng haar in staat van belegering: bouw een schans tegen haar, werp een wal op
tegen haar, sla legerkampen tegen haar op, breng aan alle kanten stormrammen tegen haar in
stelling. 3 En gij, neem u een ijzeren bakplaat en zet die als een ijzeren muur tussen u en de stad.
Richt uw blikken vast op haar, zodat zij in staat van belegering komt; en beleger haar. Dit zal voor
het huis Israëls een teken zijn. 4 En gij, ga op uw linkerzijde liggen en leg daarop de
ongerechtigheid van het huis Israëls; naar het getal der dagen dat gij daarop liggen zult, zult gij
hun ongerechtigheid dragen. 5 En Ik leg u de jaren van hun ongerechtigheid op, naar het getal der
dagen: driehonderd en negentig dagen. Zo zult gij de ongerechtigheid van het huis Israëls dragen.
6 Als gij dit hebt volbracht, zult gij opnieuw gaan liggen, op uw rechterzijde; dan zult gij de
ongerechtigheid dragen van het huis van Juda: veertig dagen; voor elk jaar leg Ik u een dag op. 7
Gij zult uw blikken vast op het belegerde Jeruzalem richten, met ontblote arm, en ertegen
profeteren. 8 En zie, Ik zal touwen om u heen slaan, zodat gij u niet van de ene op de andere zijde
kunt keren, totdat gij de dagen van uw belegering ten einde hebt gebracht.”
Ezechiël 8:1: “In het zesde jaar, in de zesde maand, op de vijfde der maand, toen ik in mijn huis zat
en de oudsten van Juda vóór mij zaten, viel daar de hand van de Here HERE op mij.”
In Ezechiël 1:1,2 geeft YaHWeH een visioen van iets weer, over 5de dag van de vierde
maand, in het vijfde jaar van de gevangenschap van Jehoiachin. In Ezechiël 2:7 moet de profeet in
de naam van YaHWeH een aanklacht tegen het volk doen. In Ezechiël 3:15 zijn we in 11de dag van
de vierde maand van het vijfde jaar gevangenschap. Daarna gaat Ezechiël 4:1-8 van start, de profeet
zal 430 jaar profetisch handelen om het volk op hun overtredingen te wijzen. De daaropvolgende
datum is deze van Ezechiël 8:1. Ezechiël zit in het huis op de vijfde dag van de zesde maand van het
zesde jaar gevangenschap. Hij zit op dat moment in zijn huis, zodat zijn profetisch handelen voorbij
is. Nu is er een simpele rekening: van dag 11 van de vierde maand van het vijfde jaar tot en met dag
5 van de zesde mand van het zesde jaar is = 413 dagen. Het is 17 dagen minder dan wat men zou
verwachten. Dat is volgens de maandkalender. Maar, met een extra 13de maand hebben we exact
430 dagen en is de profetie vervuld. Bedenk hierbij dat de profeet ineens, voordat de profetie
aanvangt, alle broden voor deze 430 dagen ineens bakt volgens Ezechiël 4:9,10. En bovendien deze
kalender vangt aan in de lente en niet in de herfst zoals men soms zegt. Want de kalender van de
feesten moet kloppen.
De namen van de maanden en het aantal dagen van de maand zijn de volgende:
Naam van de Lengte in een onvolledig Lengte in een regelmatig Lengte in een volledig
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 250
maand
jaar
jaar
jaar
Tishri
30
30
30
Heshvan
29
29
30
Kislev
29
30
30
Tevet
29
29
29
Shevat
30
30
30
Adar I
30
30
30)
Adar II
29
29
29
Nisan
30
30
30
Iyar
29
29
29
Sivan
30
30
30
Tammuz
29
29
29
Av
30
30
30
Elul
29
29
29
Total:
353 of 383
354 of 384
355 of 385
De maand Adar II is er slechts maar in een schrikkeljaar. In een gewoon jaar is Adar II gewoon de
maand ”Adar.” In een regelmatig jaar wisselen de nummers 29 en 30 elkaar af; in een volledig jaar
wordt er bij Heshvan één dag toegevoegd en in een onvolledig jaar wordt er van Kislev één dag
afgetrokken. De vroegst mogelijke Pasen is 22 maart, de laatste 25 april.
Deze tabel geeft weer hoe dat er uit ziet wat betreft de Joodse feesten:
Jaar Aswoensdag - Pasen - Hemelvaart - Pinksteren
2007
2008
21 FEB
6 FEB
8 APR
17 MEI
23 MAR 1 MEI
27 MEI
11 MEI
2009
25 FEB
12 APR
21 MEI
31 MEI
2010
17 FEB
4 APR
13 MEI
23 MEI
2011
2012
2013
9 MAR
22 FEB
13 FEB
24 APR 2 JUN
8 APR
31 MAR
12 JUN
17 MEI
9 MEI
27 MEI
19 MEI
2014
5 MAR
20 APR
29 MEI
8 JUN
2015
18 FEB
5 APR
14 MEI
24 MEI
2016
10 FEB
27 MAR
5 MEI
15 MEI
2017
1 MAR
16 APR
25 MEI
4 JUN
2018
14 FEB
1 APR
10 MEI
20 MEI
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 251
2019
6 MAR
21 APR
30 MEI
9 JUN
2020
26 FEB
12 APR
21 MEI
31 MEI
2021
17 FEB
4 APR
13 MEI
23 MEI
2022
2 MAR
17 APR
26 MEI
5 JUN
2023
22 FEB
9 APR
18 MEI
28 MEI
2024
2025
14 FEB
31 MAR
5 MAR
20 APR
9 MEI
29 MEI
19 MEI
8 JUN
De volgende tabel geeft het Hebreeuwse Nieuwjaar (1 Tishri) in de gregoriaanse kalender
aan voor een aantal jaren. (Als Joods jaar en onze kalender, 5760 = ons jaar 2000.)
5759 21 sep 1998 5768 13 sep 2007
5760 11 sep 1999 5769 30 sep 2008
5761 30 sep 2000 5770 19 sep 2009
5762 18 sep 2001 5771
5763
7 sep 2002
9 sep 2010
5772 29 sep 2011
5764 27 sep 2003 5773 17 sep 2012
5765 16 sep 2004 5774 05 sep 2013
5766 04 okt 2005
5775 25 sep 2014
5767 23 sep 2006 5776 14 sep 2015
De islamitische kalender, niet voor onze streken
De islamitische kalender is een zuivere maankalender. Een jaar van twaalf maanmaanden telt
354 of 355 dagen. Deze kalender trekt zich niets aan van de loop van de seizoenen. Van jaar tot jaar
beginnen die seizoenen dan ook steeds vroeger. Maar daar hebben ze geen problemen mee zoals in
de Bijbel. Islamieten hebben geen speciale feesten die gekoppeld zijn aan de oogst van één of ander.
In een periode van 33 jaren is men het ganse jaar rond en kan men van vooraf aan opnieuw
beginnen. Het gevolg daarvan is dat de vastenmaand Ramadan dus ook in de langste dagen van het
jaar kan komen te liggen. Voor de hier verblijvende islamieten is dat onplezierig. Want tijdens de
vastenmaand is er een verbod te eten en te drinken tussen zonsopkomst en zonsondergang. Hoe
noordelijker gelegen, hoe langer tijd de middernachtszon schijnt. Daar kan men geen ramadan
vieren volgens de regels. In Oosterse landen is dat natuurlijk geen echt probleem.
In een islamitisch kalenderjaar zijn er twaalf maanden van afwisselend 29 of 30 dagen:
Muharram (30), Safar (29), Rabi I (30), Rabi II (29), Jumada I (30), Jumada II (29), Rajab (30), Shaban
(29), Ramadan (30), Shawwal (29), Dhu am-Qada (30), Dhu am-Hijja (29 of 30).
Romeinen, vaders van onze kalendermaanden
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 252
Onze kalender is, grotendeels afgeleid van de Romeinse. Het originele Romeinse
kalenderjaar begon vroeger op 20 maart en telde 304 dagen, verdeeld over 10 maanden. Later
werden daar nog twee maanden (Januarius (29) en Februarius (28)) aan toegevoegd en is het begin
van het kalenderjaar verschoven naar januari. De Romeinen begonnen hun jaar in de lente. Een jaar
was verdeeld in twaalf maanden en u zult merken dat de namen ervan ons bekend in de oren
klinken. We hebben; Martius (31 dagen), Aprilis (29), Maius (31), Junius (29), Quintilis (31), Sextilis
(29), September (29), October (31), November (29), December (29), Januarius (29) en Februarius
(28). Om het andere jaar werd een extramaand van 22 of 23 dagen ingelast. Februarius moest vijf
dagen afstaan aan de “mensis intercalaris” en zo een extramaand telde dan 27 of 28 dagen. In het
Romeinse rijk van toen het instellen van extra maanden toevertrouwd aan de pontifex, maar die
man was vaak niet ongevoelig voor steekpenningen. ”Kalendae”, de eerste dag van de maand (ons
woord kalender komt ervan), was bijvoorbeeld de dag waarop rente moest worden betaald. De
woekeraars hadden dus liefst een extra korte maand.
Profetisch jaar, Bijbels waar of niet?
Wat moeten we geloven van het verhaal dat er in de Schrift ook sprake is van profetische
jaren van 360 dagen? Als het waar is in één tekst moet het dan ook in andere teksten van
toepassing zijn? Twee vragen waar we in het volgende, na nog enkele andere aantekeningen, wat
moeten over zeggen. Maar we geven nog eens de tabel van het hoofdstuk acht en wat we schreven
in verband met de zeventig jaarweken. De redenering dat er in de vloed een kalender van 360 dagen
gebruikt is = één jaar, klopt niet. Men verwijst naar Genesis 7:24 en 8:3,4 waar 150 dagen = 5
maanden. Daarom deze tabel voor een tweede maal.
DATUM
vanaf
de
ouderdom van Noah
Jaar 480.
Jaar 600: 10de
van de 2de maand.
GEBEURTENIS
God gebied Noah een ark te bouwen, om later
dieren in te verzamelen.
Noah moet de ark vullen met dieren. De vloed
zal beginnen in 7 dagen.
BRONTEKST
Genesis 6:14-21.
Genesis 7:4.
Jaar 600: 17de van Waterdiepten gaan open. De regens beginnen
de 2de maand.
te stromen. Ze vallen voor veertig dagen en Genesis 7:4 en10,11.
veertig nachten.
Jaar 600: 27st van de
3de maand.
De regen stopt.
Jaar 600: 17de van De aarde staat onder water voor 150 dagen. De
de 7demaand.
ark komt tot rust op de bergen van Ararat en de
Genesis 7:12.
Genesis 7:24 en 8:3,4.
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 253
wateren beginnen te zakken.
Jaar 600: 1st van de De wateren trekken terug tot deze datum.
10de maand.
Toppen der bergen worden zichtbaar.
Jaar 600: 11de van Noach zend een raaf uit en blijft nog 40 dagen
de 11de maand.
Jaar 600: 18de van
de 11de maand.
in de ark.
Noach zend een duif uit die terugkeert.
Jaar 600: 25st van
Noach zend opnieuw de duif uit die terugkeert
de 11de maand.
met een tak in de bek.
Jaar 600: 2st van Noach zend een derde maal de duif uit die niet
12de maand.
Jaar 601: 1st van de
1st maand.
Jaar 601: 27st van de
2de maand.
terugkeert.
Genesis 8:5.
Genesis 8:6,7.
Genesis 8:8,9.
Genesis 8:10,11.
Genesis 8:12.
De aarde is bijna gedroogd. Noah opent de ark.
Genesis 8:13.
De aarde is droog en men verlaat de ark.
Genesis 8:14-19.
Het zogenaamde één dag = één jaar schema dat in bepaalde kringen in verband met
voorspellingen gebruikt wordt, moeten we omwille van de belangrijkheid nader onderzoeken.
Willen we dat aantonen met de Schrift in de hand, dan zijn dit de Bijbelteksten die het moeten
bewijzen. Grotendeels is die zaak gebaseerd op twéé schriftuurplaatsen: Numeri 14:34 en Ezechiël
4:4-6.
Dit is de eerste tekst, Num.14:34 SV77: “Naar het getal der dagen, in welke gij dat land
verspied hebt, veertig dagen, elke dag voor elk jaar, zult gij uw ongerechtigheden dragen, veertig
jaren, en gij zult gewaar worden Mijn afbreken.” En dit zijn de varianten erop. Ps.95:10 SV77 heeft
daar een reactie op: “Veertig jaren heb Ik verdriet gehad aan dit geslacht, en heb gezegd: Zij zijn
een volk, dwalende van hart, en zij kennen Mijn wegen niet.” En ook Heb.3:17 SV77: “Over wie nu
is Hij vertoornd geweest, veertig jaren? Was het niet over degenen, die gezondigd hadden, wier
lichamen gevallen zijn in de woestijn?”
Wat leert Num.14:34 in wezenlijkheid? Die schriftuurplaats staat in verband met de veertig
dagen dat de verspieders van Israël in Kanaän waren. Bij hun terugkeer komt het volk in opstand
tegen God: ze zeggen, in Egypte was het beter. Daarop geeft God ze een straf en zegt dat ze voor
elke dag die de verspieders weg waren, ze een jaar in de wildernis zullen vertoeven. Het profetische
deel van deze profetie is dus het laatste. Meestal kijkt men daarover! Zodoende zou volgens die
regel van het dag = jaar beginsel die veertig jaren in dagen moeten gerekend worden en dan als
jaren vermenigvuldigd. Dan zou de straf 14.400 jaren zijn. Dat is niet geschiedkundig, want de Joden
waren wel degelijk 40 jaren in de woestijn. Numeri spreekt van een voldongen feit. Dat geeft ons
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 254
niet de minste reden om dit als een Bijbelbeginsel te bezien van waaruit alle andere Bijbelse
tijdsprofetieën moeten verklaard worden. Allen die dit gebruiken om van een profetisch jaar te
spreken komen bedrogen uit: HIER WORDEN GEEN MAANDEN VAN 30 DAGEN BESPROKEN.
Dit is de tweede tekst, Ezech.4:4-6 SV77: “Daarna moet je op je linkerzij gaan liggen en die
de schuld van het volk van Israël laten dragen – alle dagen dat je op je zij ligt, zul je hun schuld
dragen. Driehonderdnegentig dagen lang geef ik je die last te dragen, één dag voor elk jaar dat
het volk van Israël schuldig is geweest. Wanneer je die dagen hebt volgemaakt, ga je vervolgens
op je rechterzij liggen om de schuld van het volk van Juda te dragen, veertig dagen lang: één dag
voor elk jaar geef ik je die last te dragen.” Dit is het verhaal van een profetische handeling Wat is
dat? Hier staan enkele symbolische handelingen: Hosea 1:3 / Jes.20:1-6 / Jer.27:2 / 32:6-36. Ahijah
moet een kleed in twaalf stukken scheuren wat de afbeelding is dat het rijk Israël in 12 stukken zal
verscheurd worden (1 Kon.11:29,30). Jeremia moet met een kleed dingen doen die betekenen dat
Israël een vuile natie is, in bezoedelde toestand tegenover God (Jer.13:1-11). Zijn bezoek aan de
pottenbakker moet de voorstelling zijn dat God met Zijn werk doet wat Hij wil. Want Hij is soeverein
in wat Hij doet en ziet niet naar de mens (Jer.18:1-10). Jeremiah moet een kruik breken om te tonen
wat God met Israël zal doen (Jer.19:1-14). Ezechiël slaapt 390 dagen op zijn ene zijde en 40 dagen
op de andere als beeld van de straf die God over het volk zal brengen (Ezech.4:1-11).
Ezechiël moest meerdere dingen doen (profetische handelingen noemt men dat):

Loopt rond met ontblote arm (Ezech.3:7). Als iemand die op oorlogspad is.

390 dagen lang op zijn linkerzij liggen voor de schuld van Israël op zich moest nemen, daarna
40 dagen op zijn rechterzij, om de schuld van Juda te dragen, waarbij hij per dag een
maaltijd van 20 shekels brood, ongeveer 200 gram mocht eten, gekookt op een vuur van
uitwerpselen. Drinken mocht hij 1/6 hin, dat is ongeveer 1 liter (zie Ezech.4)

Hij moest zijn hoofd en baard kaalscheren (zie Ezech.5:1) vanwege de verontreiniging van
het Heiligdom (zie Ezech.5:11)

Teken voor het opstandige volk in Ezech.12

Hij mocht geen verdriet tonen over de dood van zijn vrouw (zie Ezech.24:16)
Wat wil Ezech.4:4-6 dan wel zeggen? Laat ons ook dat nader bezien. Dan zal men als eerste
punt moeten aannemen dat hier geen sprake is van een profetie maar van een symbolische
handeling van Ezechiël. Als profetische handeling moest de profeet veertig dagen op één zijde
liggen en 390 dagen op een andere zijde. Die dagen waren symbolisch de voorstelling van een straf
die Israël al had uitgemaakt en een andere die over Juda nog komt. Het is dus gedeeltelijk een
handeling die plaatsvond nadat de straf al grotendeels ten einde was. Wanneer we het gaan
narekenen spreekt dit NIET van profetische jaren van als beginsel van 360 jaardagen. Maar het gaat
om werkelijke jaren van 365 dagen. Indien dat zou toegepast worden op alle straffen die Israël
gehad heeft door God dan zou de 70jarige dienstbaarheid aan Babylon als 70 x 360 = 25.200 jaren
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 255
moeten gerekend worden wat absurd is. Over voorspellingen die géén straf bespreken vinden we in
de Schrift nog minder gezegd: namelijk niets. Op zulke wankele basis is die leer dan gebaseerd.
Dit is één van de uitleggingen die gegeven worden bij die teksten. “De pijn en het lijden die de
profeet doorstond tijdens de 390 (351 jaar van de koningen plus 39 jaar van Eli’s periode) dagen van
vast gekluisterd zijn zouden verzoening brengen voor de zonden van het volk is van de wortel
vergeven Zie Ex. 34: 7 Voor het 2 stammen rijk 40 dagen voor 40 jaar zondigen (Manasse (22 jr),
Ammon, Yehoyakim en Zidkiyahu).” Dr. A. Dirkzwager schrijft in zijn, ‘De profetie over de jaarweken
in Dan 9 - deel 2’ (Was het God Zelf?) dit over “Daniël 12: 11-12: “Van de tijd, halverwege het laatste
zevental, waarop het offeren gestaakt wordt, is het 1290 dagen tot het moment waarop Israël afvalt
van de antichrist en de vrijheid herwint. Niettemin moet men tot 1335 dagen wachten eer alles
opgelost is door de terugkomst van Christus.
Overigens moeten we, als we 1290 en 1335 dagen willen vergelijken met 3½ jaar bedenken, dat in de
eindtijd de tijden wat anders kunnen lopen dan in onze tijd.” (wij onderstrepen, artikel uit de
Studiebijbel.) Dat wil voor mij zeggen, dat men er alles aan doet om een jaar van 360 dagen te
creëren en dit dan als regel aan zijn laars lapt om de laatste drie en een half jaar uit te leggen.
Dergelijke zaken maken op mij weinig indruk.
Philip B. Brown schreef nog een andere uitleg neer over de dagen van Daniël 12 in ‘Problems
with the Pre-Tribulation Rapture’ (op www.newwine.org ) Er staat onder andere dit: “9 – The
rapture is not directly mentioned in Daniel 12. However, those who are alive at the rapture are
those who will have waited for and reached the end of the 1,335 days. “Blessed is the one who
waits for and reaches the end of the 1,335 days” (Daniel 12:12). Therefore, the resurrection
precedes the rapture (1st Thessalonians 4:16).” En wat vereder; “Earlier, from our study of Daniel
12, we learned that the resurrection occurs 1290 days after the abomination. Then the rapture is 45
days after that. The resurrection is the “last day” before the millennium. So 1290 days after the
abomination is the “last day” before the millennium.”
Margaret Odell schreef een zeer degelijk commentaar op het boek Ezechiël (The Smyth &
Helwys Bible commentary, 2005). Ze heeft enekel zeer goede aantekeningen bij de
symboliek. We citeren uit dat commentaar bij Ezechiël 4 (onze hoofdletters).
“Tekenen en Geloof
In Ezech.4:4, voert Ezechiël een handeling uit die een “teken” wordt genoemd voor het huis
van Israël. In twee andere verhalen, zijn acties van hem als de aanwijzing dat de profeet zelf
als een teken is (Ezechiël 12:1-16 / 24:15-24). Terwijl twee verschillende woorden worden
gebruikt, <oˆt in 4:3 en moˆp·t in de hoofdstukken 12 en 24, zijn de woorden synoniem en
vaak weergegeven als een “paar”, zoals in de “tekenen en wonderen” die Mozes heeft
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 256
uitgevoerd in Egypte. In feite zijn de termen het meest intensief gebruikt in de verhalen van
de Exodus (Ex.7:3 / 8:19 / 10:1,2 / Num.14:11,17,20 / Deut.4:34 / 6:22 / 7:19 / 11:2,3 / 26:8 /
29:2 / 34:11 / Jozua 24:17 / Ps.78:43).
Recente trends in de interpretatie van symbolische handelingen als communicatieve en
retorische gebeurtenissen hebben de neiging om het kenniselement van de tekenen te
benadrukken: ze zijn bedoeld als aanzet tot een nieuw begrip van een bepaalde gebeurtenis.
Hoewel dergelijke interpretaties impliceren dat de tekenen transparant en begrijpelijk zijn, is
dat helemaal niet het geval in de literatuur van het Oude Testament. In de meeste gevallen,
verkrijgt een teken zijn betekenis door middel van een willekeurige aanwijzing van het teken,
meestal door Yahweh. De lichten in het hemel dienen als tekenen (Gen.1:14), de regenboog is
een teken (Gen.9:12,13); besnijdenis is een teken (Gen.17:11); sabbatten zijn tekenen
(Ex.31:13 / Ezech.20:12). Evenzo, als profeten tekenen geven, kunnen ze natuurlijke of
historische gebeurtenissen aangeven en die tekenen zullen dienen als een profetisch
bevestigen (2 Kon.19:21 (Jes.37:30) / 2 Kon 20:8,9 (Jes.38:7) / Jes.7:11,14 / 38:22 / 44:25 /
66:19). Dergelijke tekenen kunnen ook bovennatuurlijke of wonderbaarlijke gebeurtenissen
zijn, zoals de tekenen door Yahweh aan Mozes gegeven om te bevestigen dat hij is gestuurd
door Yahweh (Ex 3:12 / 4:1-9,17,28,30). In veel gevallen is het teken alleen in de toekomst
bevestigd.
Als een teken verschijnt of wordt uitgevoerd, is de nodige respons geen daad van
onderkennen, maar een daad van geloof. Dat is, om een teken te begrijpen, moet men
geloven dat het de betekenis heeft die eraan wordt toegeschreven. Inderdaad, de koppeling
van “mijn tekenen”en “mijn heerlijkheid” in Num.14:17, 20, wijzen erop dat het om tekenen
gaat als afkomstig van Yahweh. Maar nogmaals, tekenen vereist geloof in om te kunnen
worden waargenomen. Het eerste teken van Yahweh aan Mozes is weinig meer dan een
belofte: “Toen zeide Hij: Ik ben immers met u! En dit zal u het teken zijn, dat Ik u gezonden
heb: wanneer gij het volk uit Egypte hebt geleid, zult gij God dienen op deze berg.” (Ex.3:12).
En toen Mozes de tekenen uitvoerde voor de kinderen van Israël, was de juiste reactie deze
van geloof in de God die hem gestuurd had (Exodus 4:1,5,8,9,31). De tekenen leiden niet
altijd tot een dergelijke overtuiging. In Num.14:11, bijvoorbeeld, klaagt de HEERE dat de
mensen weigeren te geloven, zelfs al hebben ze de tekenen gezien.
Sinds tekenen de activiteit van Yahweh vermelden en het geloof ervoor vereisen moeten ze
als zodanig worden opgevat, ze zijn niet zo maar doorzichtig. Wat maakt de geboorte van
een kind (Jes.7:14) over zo een realistisch lange periode of het herstel van de invasie (2
Kon.19:29) tot een openbaarmaking van de realiteit van het werk van Yahweh en de
overtuiging dat het zo is.
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 257
Fasen van deze symbolische daad. Als de huizen van Israël en Juda dezelfde entiteit
vertegenwoordigen, zijn de twee fasen van deze symbolische daad, van het liggen aan de
linkerkant voor 390 dagen en aan de rechterkant voor 40, geen sancties opgelegd op twee
verschillende koninkrijken, maar is dit in één beweging de geschiedenis van Israël, vanaf het
begin van zijn overtreding tot aan het einde, van de ballingschap. Het eerste deel van de
handeling, dat 390 dagen duurt, is de lange geschiedenis van de schuld van Israël. Het cijfer
van 390 dagen voor 390 jaar zou erop wijzen dat de schuld van Israël begon in 982, ongeveer
aan het begin van de monarchie. Dit is consequent met de karakterisering door Ezechiël van
de geschiedenis van Israël als EEN LANGE REEKS VAN OPSTANDEN (zie Ezechiël hoofdstukken
16,20,23). Het tweede deel van de handeling, dat duurt 40 dagen, betekent Juda's straf voor
deze lange opeenhoping van schuld. Het cijfer van 40 dagen/40 jaar kunnen Ezechiël’s
gedachten reflecteren dat de ballingschap een tweede wildernis-ervaring is, die zal duren
voor een hele generatie (20:33-39 / vergelijk Num.14).
Wat betekent het om te zeggen dat Ezechiël de schuld / straf “draagt”?
Verschillende interpretaties zijn mogelijk. Als een individu wordt gedwongen om haar eigen
schuldgevoel te dragen, dan lijdt zij alleen aan de gevolgen, of draagt de straf. Echter,
aangezien schuld kan worden gedragen door anderen, kan de uitdrukking van dit “dragen” de
zin van vergeving of plaatsvervangende lijden hebben. BIJVOORBEELD, EEN OUDE FORMULE
VOOR YAHWEH' S VRIENDELIJKHEID VERKLAART DAT YAHWEH DE SCHULD VAN DE MENSEN
DRAAGT: de NRSV vertaalt deze uitdrukking als “vergeven” (Ex.34:7 / zie Num.14:18). Vanuit
het perspectief van het individu, is de schuld inderdaad vergeven. Echter, goddelijke
verdraagzaamheid wil niet zeggen: goddelijk vergeten. Het hart van deze uitdrukking is de
overtuiging dat Yahweh verkiest, de last van het individu op te nemen. Een soortgelijke logica
ligt aan de grondslag aan de rituelen van schuldoverdracht. In de rituelen van verzoening,
kan bijvoorbeeld een individu of de gemeenschap zonde overgeven aan een offer, dat de
priesters vervolgens eten. Omdat de priesters in een staat van zuiverheid zijn, zal hun gebruik
van het offer het effect van de zonde te niet doen (Lev.10:17). In een andere ritus, is de
gemeenschappelijke zonde overgebracht naar een zondebok, die vervolgens in de woestijn
wordt gestuurd (Lev.16:22). Door haar schuld zo uit te bannen, is de gemeenschap gespaard
van de straf.”
Maar terug naar Ezechiël. Er staat dus in Ezechiël 4: “voor elke dag één jaar” en “voor elk
jaar leg Ik u een dag op.” Maar we moeten ons niet vergalopperen aan gewaagde verklaringen waar
er profetisch gesproken wordt. Nog enkele opmerkingen. Wil dit zeggen dat in alle voorspellingen
die God geeft er een dag als een jaar moet gerekend worden? Want het zou dan natuurlijk in
meerdere gevallen moeten terug te vinden zijn en niet in een aantal profetische uitspraken waar we
het graag zouden in vinden. Laat ons die basis toepassen van één dag = één jaar en zien hoe absurd
dat is. Het eerste voorbeeld is Joh.2:19 en daar lezen we: “Jezus antwoordde en zeide tot hen:
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 258
Breekt deze tempel af en binnen drie dagen zal Ik hem doen herrijzen.” Sprak Christus hier een
profetie uit? Jazeker! Maar als de één dag = één jaar teorie juist is, zou men dan niet moeten lezen
dat Christus na drie jaren uit de doden is opgestaan. Waren het maanjaren (= 354 dagen) of
zonnejaren (= 365 dagen) of de hypothetische profetische jaren (= 360 dagen)? Indien Christus drie
jaar in het graf was is Hij dan geen valse Messias (Mat.12:38-40)?
Een ander onrealistisch voorbeeld zou Genesis 15:12-16 kunnen zijn. Daar voorzei God dat de
nakomelingen van de aartsvader Abraham 400 jaren in een vreemd land verdrukt zouden worden.
Volgens het jaarbeginsel van deze leer (één dag = één jaar), gezien het hier om een profetie gaat,
zouden het echter 144.000 jaren worden, want dat is de som van 400 x 360. Als laatste voorbeeld
de zeventig-jarige dienstbaarheid van Jeruzalem aan Babylon (Jer.25:9-11). Gerekend volgens die
leer dat één dag = één jaar zou het 25.200 jaren zijn. U ziet hoe onwaarschijnlijk zulk een leer is!
Hoe men die jaren moet berekenen weet ik momenteel zelf niet zo goed. Maar het heeft in
elk geval te maken met afvalligheid. Dit argument is dan als volgt in te schatten. Ahia de profeet
moest van God aan Jerobeam het volgende bekend maken volgens 1 Kon.11 SV77: “En hij zeide tot
Jeróbeam: Neem u tien stukken; want alzo zegt de HEERE, de God Israëls: Zie, Ik zal het koninkrijk
van de hand van Sálomo scheuren, en u tien stammen geven.” Na de verdeling van het koninkrijk
Israël in Juda (de 2 stammen) en Israël (de 10 stammen) gaat het van kwaad tot erger. Salomo (die
40 jaren regeerde) heeft ook Juda toegelaten de goden van de heidenen te vereren.

1 Kon.11:33 SV77: “omdat hij Mij heeft verlaten, en zich neergebogen heeft voor Astarte,
de godin der Sidoniërs, voor Kemos, de god van Moab, en voor Milkom, de god der
Ammonieten, en niet in mijn wegen gewandeld heeft en niet gedaan heeft wat recht is in
mijn ogen: mijn inzettingen en mijn verordeningen, zoals zijn vader David.”

2 Kon.23:13 SV77: “De hoogten ten oosten van Jeruzalem, ten zuiden van de berg der
Verwoesting, welke Salomo, de koning van Israël, gebouwd had voor Astoret, de gruwel
der Sidoniërs, voor Kemos, de gruwel van Moab, en voor Milkom, de afschuw der
Ammonieten, ook die verontreinigde de koning.”
Men heeft ook getracht het bewijs van “dag = jaar beginsel” te vinden in Dan.9:24-27. In die
schriftuur is een speciaal woord gebruikt “shabua.” Volgens Gesenius, een Hebreeuws lexicograaf,
wil dit woord zeggen “een zeventallig nummer”, een “heptade” of een “hebdomades.” “Shabua”
kan dus betrekking hebben op zowel een periode van zeven dagen, of zeven jaren of zeven
tijdperken. Soms nu, zoals in Dan.10:2,3 is er duidelijk sprake over een “shabua” van dagen, maar
het merendeel van die verwijzingen heeft betrekking op jaren. Zo is het ook in Dan.9:24-27 waar de
“70 shabua” in feite 70 x 7 = 490 jaren zijn. Zie ook nog naar Gen.29:10 en Ezech.45:21. Men ziet
dus dat het dag = jaar beginsel geen steun heeft bij het gebruik van “shabua.” Het zegt alleen dat
iets waarover sprake is “zevendelig” is. Indien dat beginsel zou aangenomen worden in bespreking
van andere Bijbelprofetieën dan zou 1 dag = 7 jaren zijn.
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 259

Jesaja 7:8 SV77: “Maar Damaskus zal het hoofd van Syrië zijn, en Rezin het hoofd van
Damaskus; en binnen nog vijf en zestig jaren zal Efraïm verbroken worden, dat het geen
volk is.” Is dat profetisch? Ja! Maar niet te berekenen als: 65 x 360 = 23.400 letterlijke jaren.

Jesaja 16:14 SV77: “Maar nu spreekt de HEERE, zeggende: Binnen drie jaren (als de jaren
van een huurling), dan zal de eer van Moab verachtelijk gemaakt worden, met al die grote
menigte; en het overblijfsel zal klein, weinig, onmachtig wezen.” Is dat profetisch? Ja! Maar
niet te berekenen als: 3 x 360 = 1.080 letterlijke jaren.

Jesaja 23:17 SV77: “Want het zal geschieden ten einde van zeventig jaren, dat de HEERE
Tyrus zal bezoeken, en dat zij weerkeren zal tot haar hoerenloon, en zij zal hoererij
bedrijven met alle koninkrijken der aarde, die op de aardbodem zijn.” Is dat profetisch? Ja!
Maar niet te berekenen als: 70 x 360 = 25.200 letterlijke jaren.

Jeremia 29:1 SV770: “Want zo zegt de HEERE: Voorzeker, als zeventig jaren te Babel zullen
vervuld zijn, zal Ik u bezoeken, en Ik zal Mijn goed woord over u verwekken, u
terugbrengende tot deze plaats.” Is dat profetisch? Ja! Maar niet te berekenen als: 70 x 360
= 25.200 letterlijke jaren. Je hoort Gods straf: zeventig jaar. Reken dat eens aan de leer van
360 dagen = 1 jaar en een gewoon astronomisch jaar van 365 dagen. (We laten de
schrikkeljaren gewoon vallen voor het gemak van berekenen.)
We krijgen dan 365,24 (een zonnejaar) X 70 = 25.566,8 dagen
Of aan het mysterieuze profetisch jaar gerekend 360,00 X 70 = 25.200 dagen
Zodat we als slotsom krijgen 25.566,8 dagen - 25.200 dagen = 366,8 dagen. Zo is dan een
vol astronomisch jaar foetsie. Men heeft dan eigenlijk ongeveer 69 jaar voor Gods
profetie. Dat kan niet, want dan moeten we ook onze geschiedenisboelken herschrijven.
Die hebben het namelijk over 70 astronomische jaren die Israël als straf onderging. Of
men moet het symbolisch zien als een heilig getal 7 x een heilig getal 10 = 70, het symbool
van de volle straf van God.

Mattheus 20:18,19 SV77: “Ziet, wij gaan op naar Jeruzalem, en de Zoon des mensen zal aan
de overpriesters en Schriftgeleerden overgeleverd worden, en zij zullen Hem ter dood
veroordelen; En zij zullen Hem aan de heidenen overleveren, om Hem te bespotten en te
geselen, en te kruisigen; en ten derden dage zal Hij weer opstaan.” Is dat profetisch? Ja!
Maar niet te berekenen als: 3 x 360 = 1.080 letterlijke jaren.
De leer van de “één dag = één jaar” in Bijbelse profetie heeft dus samengevat de volgende
zwakheden. De wankele basis van die uitleg is deze:
1. Vanuit het beginsel dat men wil aanhouden van “één dag = één jaar” vergeet men het
belangrijkste, dat is namelijk de betekenis van de begrippen. Zowel in Ezechiël 4 als in
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 260
Numeri is; één dag = één dag en één jaar = één jaar. Een dag is niet het symbool van een jaar
en ook niet omgekeerd. Zo moeten we het beginsel dat men vooropzet ook niet zoeken in
het gedeelte van Daniël 9. Het gaat hier over “weken” en dat met een speciaal woord
“shabua.” Dat wijst naar een periode van “zevens.” Dan moet men trachten uit te zoeken;
dagen of weken of maanden of jaren! Zijn het jaren, dan mag men niet grijpen naar een
“shabua” van jaren = 360 dagen. Maar in Daniël 9 zijn de “zevens” een symbool van
volledigheid. Zie de uitleg hierover in hoofdstuk acht.
2. Het beginsel van één dag = één jaar is in zichzelf niet consequent. Want de profetie moet
letterlijk gelezen worden terwijl men er alles aan doet van één jaar een periode van 360
dagen te maken. Een “shabua” is geen geheime code voor iets dat 360 dagen moet
inhouden. Dat kent de Bijbel niet als maatstaf van een jaarberekening.
3. Het startpunt van de zeventig jaarweken is: “van het uitvaardigen van het decreet om
Jeruzalem te bouwen” (Dan 9:25). Maar die datum is voor allen die geloven in een 360
dagen = één jaar beginsel niet houdbaar. De data 457 of 445 (444) v. Chr. zijn uitgesloten.
Slechts 536 (535) v. Chr. geeft de Bijbel en de geschiedenis alle eer en maakt geen rare
sprongen met de kalender. Er is geen enkele goede reden te twijfelen aan die start. Het is de
belangrijkste datum, in alles wat men er mag over denken.
4. De profetie van Daniël geeft geen enkele aanwijzing dat er een breuk is te verwachten tussen
de 69st en 70st week van jaren. Alles wijst erop dat die voorspelling van de engel, verwijst
naar DE EERSTE KOMST EN NIET NAAR DE WEDERKOMST VOOR EEN TWEEDE MAAL. Dat is
een veilige menselijke uitleg van die profetie, je hoeft er geen goddelijke uitstel ergens in te
voeren.
5. In de zeventigste week plaats Jezus een periode van “gruwel der verwoesting” met de
vernietiging van Jeruzalem. Maar dat was in het jaar zeventig n. Chr. (Mat.24:15 / Lucas
21:20). Dispensationalisten zeggen dat het over een tempel gaat van latere datum, nog altijd
een toekomstig bouwwerk. Dat klopt dan niet meer met de profetie want Mat.24:15 spreekt
van de toen bestaande tempel, deze die men heeft gebouwd in de periode van de 70
jaarweken. Over een nieuwe tempel nà de verneitiging in 70 na Chr. is geen sprake.
6. De gedachte dat God profetisch zijn heilsverwachting met de Joden stopt voor een periode
van 2.000 jaar (of meer) wordt ons niet opgedrongen door een “onweerlegbaar bewijs.”
Maar wel door een zekere gedachte dat God zijn beloften aan Israël niet zou nagekomen zijn
tijdens de eerste komst van Christus. Daar staat ook nog achter dat men in die kringen zegt
dat het koninkrijk niet is ingesteld met de eerste komst. Maar dat de kerk en het koninkrijk in
het NT hetzelfde zijn dat is duidelijk in bijvoorbeeld Col.1:13-20 en Eph.1:18-23
7. Er is geen enkele reden van deze veronderstelling uit te gaan; dat wanneer de Joden de
eerste maal falen in het aannemen van Jezus als de Messias, dat ze na tweeduizend jaar er
wel toe bereid zijn Jezus als dusdanig aan te nemen. Maar zeggen dispensationalisten; er
sterven in de grote verdrukking van die toekomstige dagen, toch ook nog meer dan twee-
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 261
derden van alle Joden. In Daniël zelf is daar geen reden voor te vinden. Ook niet in de rest
van de Schrift of in het boek Openbaring.
8. Bij een volgeling van Charles Taze Russell, lezen we het volgende om de profetische kalender
te verklaren: 12 maanmaanden (plusminus 354,367 dagen) + één zonnejaar (365,24) gedeeld
door twee is 359,804 dagen, bijna 360 dagen. Ook dat is een uitleg die geen Bijbelse uitleg is
maar een spel met cijfers die toevallig in de buurt komt van de 360.
9. Is het niet zo dat ook Jezus dat getal van 7 x 70 (490 in totaal) eens in symbolische zin
gebruikt? Dit is de tekst uit Mattheus 18: “21 Toen kwam Petrus bij Hem en zeide: Here,
hoeveel maal zal mijn broeder tegen mij zondigen en moet ik hem vergeven? 22 Tot
zevenmaal toe? Jezus zeide tot hem: Ik zeg u, niet tot zevenmaal toe, maar tot zeventig
maal zevenmaal.” Dit laat geen letterlijke uitleg toe, veronderstel eens dat je letterlijk 490
maal vergeeft, moet het dan nog niet een volgende keer?
10. Sommigen leren dat een Egyptisch kalenderjaar bestond uit 12 maanden van 30 dagen.
Anderen zeggen echter dat de kalender met 365 dagen in gebruik was vanaf 4.000 v. Chr. Nog
anderen zeggen dat de invoering van een eerste Egyptische kalender in 4.236 v. Chr. plaats
had. Op zijn minst vanaf 1.500 v. Chr. werd één kalender gebruikt van 365 dagen. Dat jaar had
12 maanden van 30 dagen: Toth, Paophi, Athyr, Choiakh, Tybi, Mecheir, Phamenoth,
Pharmuti, Pachon, Payni, Epiphi, Mesore. Om het jaar vol te maken werden nog vijf extra
dagen aangevuld. Die dagen werden beschouwd als de geboortedagen van; Osiris, Isis, Seth,
Nephthys, Horus. De maanden hoefden in Egyptische ‘feeling’ niet gelijk te lopen met de
maanfasen. Het jaar verdeelde men in nog drie ‘seizoenen’ gegroepeerd als vier maanden.
Vanaf de maand Toth zijn het; het zaaiseizoen of overstromingsseizoen (Akhet), het
groeiseizoen (Pert) en het oogstseizoen (Shemu). De Epyptenaren waren goede
astronomen.Toen wist men al dat de periode tussen twee opeenvolgende heliacale
opkomsten van de ster Sirius ongeveer 365,25 dagen telde. En men wist dus ook dat het
kalenderjaar, een kwart dag te kort was voor het correct volgen van die jaarlijkse
overstromingen. (Helicale = siderische dag (eng. sidereal day) = Is het tijdverschil tussen twee
opeenvolgende meridiaanpassages van een bepaalde ster. Dit is de werkelijke rotatieperiode
van de aarde en bedraagt momenteel 23h56m04,1s. Wordt ook wel sterrendag genoemd.)
De Schrift geeft meerdere malen aan dat de begrippen “jaar” en “dag” (zowel in het enkelvoud
als het meervoud) verwisselbaar zijn. Dit zijn enkele van die teksten:
In Genesis 5:3-5 SV77: “En Adam leefde honderd dertig jaren, en gewon een zoon naar zijn
gelijkenis, naar zijn evenbeeld, en noemde zijn naam Seth. En Adams dagen, nadat hij Seth
gewonnen had, zijn geweest achthonderd jaren; en hij gewon zonen en dochters. Zo waren al de
dagen van Adam, die hij leefde, negenhonderd jaren, en dertig jaren; en hij stierf.”
Deuteronomium 32:7 SV77: “Gedenk aan de dagen van ouds; merk op de jaren van elk geslacht;
vraag uw vader, die zal het u bekend maken, uw ouden, en zij zullen het u zeggen.”
Psalm 77:6 SV77: “Ik overdacht de dagen van ouds, de jaren der eeuwen.”
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 262
Psalm 90:9,10 SV77: “Want al onze dagen gaan heen door Uw verbolgenheid; wij brengen onze
jaren door als een gedachte. Aangaande de dagen onzer jaren, daarin zijn zeventig jaren, of, zo wij
zeer sterk zijn, tachtig jaren; en het uitnemendste van die is moeite en verdriet; want het wordt
snel afgesneden, en wij vliegen daarheen.”
Job 10:5 SV77: “Zijn Uw dagen als de dagen van een mens? Zijn Uw jaren als de dagen van een
man?”
Job 15:20 SV77: “Te allen dage doet de goddeloze zichzelf weedom aan; en weinige jaren in getal
zijn voor de tiran weggelegd.”
Job 36:11 SV77: “Indien zij horen, en Hem dienen, zo zullen zij hun dagen eindigen in het goede,
en hun jaren in liefelijkheden.”
Maar al deze teksten hebben niets met profetie te maken zodat we ze ook niet kunnen of mogen
gebruiken in een berekening van profetie.
En dan nu de teksten!
Omdat er nogal slordig omgesprongen wordt met tijdsprofetie onder de dispensationalisten
moeten we ook eerst naar Daniël 12:1,2,7,11-13 kijken om iets te illustreren. Er staat dit: “1 Te dien
tijde zal Michaël opstaan, de grote vorst, die de zonen van uw volk terzijde staat; en er zal een tijd
van grote benauwdheid zijn, zoals er niet geweest is sinds er volken bestaan, tot op die tijd toe.
Maar in die tijd zal uw volk ontkomen: al wie in het boek geschreven wordt bevonden. 2 Velen
van hen die slapen in het stof der aarde, zullen ontwaken, dezen tot eeuwig leven en genen tot
versmading, tot eeuwig afgrijzen. (…) 7 Toen hoorde ik de man die met linnen klederen bekleed
was en zich boven het water van de rivier bevond, zweren bij Hem die eeuwig leeft, terwijl hij zijn
rechter- en zijn linkerhand naar de hemel hief: Een tijd, tijden en een halve tijd; en wanneer er
een einde komt aan het verbrijzelen van de macht van het heilige volk, dan zullen al deze dingen
voleindigd zijn. (…) 11 En van de tijd af dat het dagelijks offer wordt gestaakt en een gruwel wordt
opgericht, die verwoesting brengt, zijn het duizend tweehonderd en negentig dagen; 12 welzalig
hij die blijft verwachten en duizend driehonderd vijf-endertig dagen bereikt. 13 Maar gij, ga het
einde tegen, en gij zult rusten en opstaan tot uw bestemming aan het einde der dagen.”
Wat leert de dispensatieleer hier? Het is al duidelijk dat er iets niet klopt met de uitleg van
dit gedeelte met het slot van Daniël 9:27. Want zegt men niet: het gaat daar om jaren van 360
dagen zogenaamde profetische jaren. Maar hier in hoofdstuk 12 komen we eens 1260 dagen tegen,
1290 en 1335. Bekijk eens de volgende tabel.
1260 dagen (vers 7) = een tijd, tijden en een halve tijd
1290 dagen (vers 11)
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 263
1335 dagen (vers 12)
Ik lees bij een dispensationalist: “Profetische jaren zijn jaren van 360 dagen. Men moet ze voor
berekeningen omrekenen naar dagen. De 70 jaarweken, of 490 profetische jaren, zijn dan eigenlijk
176.400 dagen, opgesplitst in 173.880 dagen (69 jaarweken, tot aan de kruisdood) + 2.520 dagen
(70ste jaarweek). Goede reden hiervoor is dat er PRECIES 1260 dagen geteld worden (Op 11:3) voor
42 maanden (Op 11:2; 13:5) en voor “een tijd, tijden en een halve tijd” (Dn 7:25; 9:27; 12:7; Op
12:14).” Wij hebben de naduk ergens gelegd door de hoofdletters en onderstreping. Waarom?
Omdat er duidelijk uit volgt dat men dan niet meer kan vertellen dat er nà de 1260 nog dagen zijn
tot 1290 en dan ook nog eens tot 1335. Want dan is dat tweede deel van de 70 ste jaarweek niet
PRECIES gelijk aan wat Marc Verhoeven zegt in ‘De 70 jaarweken in het boek Daniël.’ Want daar
komt het vandaan: users.skynet.be/fa390968/_70jaarwekenDaniel.doc
Dit is de uitleg daarover in ‘Profetisch Perspectief Handboek bij de studie van de Bijbelse
profetie’ C. van der Haagen (Het Zoeklicht, kopje ‘TIJDEN IN DANIEL EN OPENBARING’) :
“4. 1290 dagen (Dan. 12:11). Telkens weer wordt op verschillende wijzen in Daniël en Openbaring de
periode van 31/2 jaar aangegeven. Dat is een tijdruimte van 1260 dagen. Nu wordt ineens gesproken
van 1290 dagen, dat is een maand langer. Ook dit vers stelt de verklaarders voor moeilijke
problemen. Een van de geopperde mogelijkheden is, dat de bijgevoegde dertig dagen te danken zijn
aan de maand Ve-Adar, een ingeschoven schrikkelmaand, die eens in de zeven jaar werd ingevoegd.
Het jaar was namelijk ingesteld op 360 dagen, in plaats van 365. Het verschil met de zonnetijd werd
gecompenseerd, door op gezette tijden de schrikkelmaand Ve-Adar in te lassen. Wanneer we
aannemen, dat op de 1260e dag de wederkomst des Heren  op de Olijfberg plaats heeft, dan zou
in de 30 daaropvolgende dagen mogelijk Openb. 16:14 vervuld kunnen worden, waarin de draak 
tezamen met de antichrist  en de valse profeet , de volken mobiliseren “tot de oorlog op de
grote dag van de almachtige God”.
5. 1335 dagen (Dan. 12:12). Nog eens wordt de termijn van 1290 dagen verlengd. Nu met 45 dagen,
waarmee het totaal wordt gebracht op 1260 + 30 + 45 = 1335 dagen. In deze laatste 45 dagen wordt
mogelijk de strijd van Armageddon  gevoerd, waarin Christus het land doortrekt van Bozra  tot
Megiddo , om in grote overwinningskracht de persbak te treden van de wijn des toorns en der
gramschap van de almachtige God (Jes. 63:1-6; Openb. 19:15). Daarom worden de overlevenden, die
de 1335 dagen bereiken, welgelukzalig geprezen, want daarmee is voor hen aan alle rampspoed een
einde gekomen en mogen zij zich met Israël en de volken verlustigen in de vrede en vreugde van het
dan aanvangende Duizendjarig Rijk.”
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 264
Op http://www.hoddenbagh.nl/bijbelopen/Onderwrp.html staat een artikel getiteld
‘Opmerkingen over Daniël 11 en de gruwel der verwoesting.’ Dit hebben we daar gelezen: “Uit een
ander bijbelgedeelte weten we, dat de gruwel der verwoesting, ofwel de antichrist, zijn werk 1260
dagen zal doen. Toch wordt in Dan.12:11 gesproken over 1290 dagen. Ik denk, dat hieruit valt af te
leiden, dat die antichrist 30 dagen in de tempel zal zitten, waarbij men zal geloven dat hij een god is,
de Messias, voordat hij de vervolgingen tegen de heiligen, die het getuigenis van Jezus hebben, zal
beginnen.”
Dit staat op http://www.netrover.com waar de cijfers van Daniël 12 gerekend zijn met een
extra Joodse maand, iets dat men niet zo vlug ziet.
“De 3 ½ jaar (1260 of 1290 dagen) wordt verder onderverdeeld in een “tijd, tijden en een halve tijd.”
(Klik hier voor een nadere bespreking van de “tijd, tijden en een halve-tijd” van Daniël 7:25, 12:7 en
Openbaring 12:14).
TIME
TIMES
HALF-TIME
== > 31/2 times
(1 year)
(2 years)
(1/2- year)
= 31/2 days
360 days
720 days
180 days
= 1260 days
Or, + 30 days =
Or, + 30 days =
Or, + 30 days =
= 1290
390 (if we here add the 750 (if we here add 210 (if we here add the (or 1260+ 30 days)
leap year)
the leap year)
leap month)
Ook dit op een andere plaats: “De vier oordelen beschreven in drie van de boeken (het boek van
Daniël, het boek van Ezechiël hoofdstuk veertien en het boek van de Openbaring hoofdstuk zes)
stammen af van dezelfde God. In drie van deze boeken hebben we een “tijd” gekregen (in het boek
van de Openbaring 1.260 dagen, in het boek van Daniel 1.290 dagen. In het boek van Ezechiël zien
we 390 +40 dagen op de rechter- en linkerzijde en die 430 X 3 = 1.290 dagen ).”Ook dat is een
eenzijdige uitleg van kabbalistische inslag! Het getal van 430 is ook het aantal jaren dat Israel in
Egypte is geweest. Sommigen leggen ook daar een link maar dat ook is pons niet erg overtuigend.
Onze conclusie bij dit alles is zeer eenvoudig! Wil dit zeggen dat er na de 1260 dagen = een
tijd, tijden en een halve tijd = tweede helft van de zeventigste week, er nog eens 1290 dagen komen
of zijn het er slechts 30? Ja, één van beide uitleggingen! Maar dat kan toch niet volgens de leer van
de dispensaties: die tweede helft van de laatste week mag maar 1260 dagen duren en géén dag
langer. De profetie die tot op de dag klopt voor de eerste 69 weken, volgens dispensationalisten,
blijkt dus niet waar te zijn voor de zeventigste week! Want het gaat dan niet meer om 7 x 360
dagen, maar nog eens dertig dagen daarbij gerekend, of nog meer. Omdat God zogezegd nog wat te
doen heeft. Maar mag ik u, dispensationalist, dan deze opmerking erbij geven; de opstanding van
de gemeente van Christus duurt in uw leer minder dan één seconde. God zal zowel levenden als
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 265
doden uit die gemeente opgewekt hebben in “in één ogenblik.” 1 Cor.15 leest: “51 Zie, ik deel u
een geheimenis mede. Allen zullen wij niet ontslapen, maar allen zullen wij veranderd worden, 52
in een ondeelbaar ogenblik, bij de laatste bazuin, want de bazuin zal klinken en de doden zullen
onvergankelijk opgewekt worden en wij zullen veranderd worden.” God heeft echt geen tijdstip
nodig om iets voor te bereiden. Wanneer die periode langer duurt dan 7 x 360 dagen, dan is de
profetie niet exact in uw leer. Hetzelfde is ook van toepassing op de 1335 dagen. De leer van de
bedelingen, komt dus schaamteloos tekort bij welke uitleg men hier ook geeft. Zodat het veel
gemakkelijker is deze dagen niet te laten slaan op de tijd vóór de Wederkomst maar de tijd van de
Makkabeeën zoals het beschreven is in de gelijknamige boeken. Het is daar, in die periode, dat we
de koningen van het “noorden en het zuiden” moeten situeren.
Josephus heeft de “kleine hoorn” van Daniël 8 toegepast op Antiochus Epiphanes
(Oudheden X. 275-276). Het element “tijd” in de profetie leest hij als 1296 dagen (Oudheden X.
271). Dit lijkt op de 1290 dagen uit Daniël 12:11 en “de gruwel der verwoesting” die voor hem ook
de 2300 avonden en morgens zijn uit Dan.8:14. Die 1296 dagen zijn ongeveer de drie letterlijke
jaren dat de tempeldienst door Antiochus niet werd toegelaten en zijn dienst in de plaats gesteld.
Als Josephus die 1290 dagen aanhaalt is dat een indirect bewijs dat de 2300 avonden en morgens in
werkelijkheid korter waren dan die tijd. Dat wil zeggen dat Josephus er niet van uitgaat dat de 2300
avonden en morgens een periode van 1150 dagen zouden zijn, zoals wel eens gezegd wordt. Een
reden voor zijn uitleg geeft hij verder niet.
G. Roelofs, iemand op het Internet, met enkele goede opmerkingen tegen de adventisten
van de zevende dag schreef een artikel: ‘De 2300 avonden en morgens.’ Dit citaat komt er uit: “In
vers 26 wordt vervolgens uitgelegd wat de betekenis is van het gezicht van de avonden en de
morgens. Dit gaat terug op de tijdsbepaling omtrent de duur van de periode van de
godsdienstvervolging van Antiochus.
Daniël 8:26 – En het gezicht van de avonden en de morgens, waarvan gesproken werd, dat is
waarheid.
Over het eindpunt kan geen misverstand bestaan. Op 25 december van het jaar 165 voor Chr. werd
het heiligdom weer in rechte staat gebracht, toen in de door Judas de Maccabeër gerestaureerde
tempel voor het eerst weer naar de Mozaïsche inzettingen het dagelijkse morgen- en avondoffer
werden gebracht voor de Here.
Wanneer wij vanaf deze datum 1150 dagen terug tellen komen wij uit op 27 oktober 168, 3 jaren en
58 dagen ervoor. Daarbij is rekening gehouden met de Joodse maanjaren van 354 dagen (12
maanden van 29 of 30 dagen) en met een schrikkelmaand van 30 dagen. Deze schrikkelmaand werd
om de drie jaren ingelast, ter vereffening van het belangrijke verschil met het zonnejaar. In de 1150
dagen zitten in elk geval 3 jaren, zodat zeker één schrikkelmaand moet worden afgetrokken.
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 266
Het is niet precies bekend wanneer het bestendig offer is afgeschaft. Wel weten we dat op 25
december 168, drie volle jaren voor het herstel van de tempeldienst, het eerste heidense offer werd
gebracht. Maar tien dagen ervoor was het altaar gebouwd, waarop de heidense offers zouden
worden gebracht. En nog vroeger was het koninklijke besluit uitgevaardigd waarbij de Joodse
eredienst officieel verboden werd. Dat toen de dagelijkse morgen- en avondoffers al niet meer
gebracht werden is vanzelfsprekend. Helaas is de juiste datum van dit besluit onbekend (KV Daniël,
177-178).
1 Makkabeeën 1:54 – De vijftiende van Kislew van het honderdvijfenveertigste jaar (dit is het jaar
168 voor Christus) liet de koning de gruwel der verwoesting (de geheimzinnige aanduiding voor het
afgodsaltaar) bouwen op het brandofferaltaar (Willibrord-vertaling).
1 Makkabeeën 1:59 – De vijfentwintigste van de maand werd er een offer opgedragen op het
afgodsaltaar dat op het brandofferaltaar stond (Willibrord-vertaling).
Kortom: het is beslist niet uitgesloten dat deze datum 27 oktober 168 voor Christus is. Verder
is nog bekend dat Antiochus IV Epiphanes in de lente van het jaar 168 naar het oosten, richting
Kanaän vertrok. Ook hiermee wordt bevestigd dat in het jaar 168 deze gebeurtenissen uit de profetie
van Daniël 8 hebben plaatsgevonden.” Wanneer dit dan duidelijk verwijst naar Antiochus, dan hoeft
men niet zoals in de meeste kringen van het dispensationalisme beweren, dat Daniël hoofdstuk 8
ook over de eindtijd zou spreken.
Laten we nog enkele andere uitleggingen onderzoeken van die laatste verzen van Daniël.
Wat leerde Nahmanides, de Jood, hierover? Mozes Nahmanides was één van de grote rabbijnen uit
de dertiende eeuw. In zijn studies kwam hij tot de conclusie dat het geloof in de Messias en zijn
komst tot het belangrijkste hoorde. Nahmanides was een volgeling van de “gematria”, de leer van
de waarde van cijfers in de Bijbel. En hij legde zich er met enthousiasme op toe om het exacte jaar
van verlossing uit te dokteren. Vooral het boek Daniël moest in deze context worden bestudeerd.
Het einde der tijden zou heel dicht nabij gekomen zijn. Maar andere rabbijnen namen afstand van
zijn eindtijdberekening. Toen leerde men dat er twee Messiassen waren die nog moesten komen. De
1290 dagen uit Dan.12:11 was volgens Nahmanides de 1290 jaar na de verwoesting van de tempel
(in het jaar 70), tot het jaar 1358. Dan zou de eerste Messias, de Messias ben Jozef komen.
Vijfenveertig jaar later, zou gerekend vanuit de 1335 dagen uit Dan.12, de eerste Messias ben Jozef
worden opgevolgd door de regerende Messias ben David. Nahmanides heeft daarbij een aantal,
soms moeilijke berekeningen. Gematria zou dat allemaal onthullen. U merkt het: dagen zijn hier
jaren van 365 dagen. Maar de voorspellingen bleken niet uit te komen. Nahmanides en andere van
de grote voormannen als: bar Hiyya, Rashi en Maimonides bleken maar speculaties op papier te
hebben gezet. Honderdenvijftig jaar later kwamen andere rabbijnen met andere berekeningen. Dit
geeft een ander Joods idee over de betekenis van het slot van Daniël.
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 267
En over het begrip profetische jaren dat zo nauw vastzit aan deze uitleg hier wat de WT
erover zegt. In ’DE WACHTTOREN’, van 1 november 1993, blz.11 interpreteren Jehovah’s Getuigen
de dagen van Daniël als letterlijk 1 dag = 1dag. Hoewel ze ook in andere gevallen geloven in een
profetisch jaar:
”Daniëls profetische tijdsperiodes
1260 dagen:
december 1914 tot juni 1918
________________
1290 dagen:
januari 1919 tot september 1922
________________
1335 dagen:
september 1922 tot mei 1926”
________________
En u had waarschijnlijk niet anders verwacht, het is in de geschiedenis van Jehovah’s Getuigen dat
deze voorspellingen (naar hun uitleg) vervuld worden!
En ook dit is een uitleg van deze dagen van Daniël 12 onvertaald weergegeven. De 1260
dagen zijn EXACT het aantal dagen dat de Holocaust in Duitsland duurde.
Gevonden op: http://www.1260days.com/1260days.htm
1260 dagen
De Holocaust in de Schrift
De profeet Daniël werd in visioenen datgene wat: “ziet op een verre toekomst” (Dan.8:26), “wat
zal gebeuren met uw mensen [de Joden] in de toekomst” (Dan.10:14), met inbegrip van “en er zal
een tijd van grote benauwdheid zijn, zoals er niet geweest is sinds er volken bestaan, tot op die
tijd toe.” Dan 12:1)
“1260 dagen” = “42 maanden” = “een tijd, tijden en een halve tijd” (3 ½ jaar)
(Een profetische “tijd” = 12 profetische “maanden” van elk 30 dagen = 360 dagen)
De verdrukking zou het hoogtepunt bereiken in de Joden die in de hand van hun vijand worden
overgeleverd voor 3 1 / 2 jaar, “een tijd, tijden en een halve tijd” (Dan.7:25)
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 268
Nazi-vernietigingskampen werden 3 ½ jaar geëxploiteerd.
Was deze duivelse poging om het joodse volk uit te roeien voorspeld in de Bijbel?
December 1941 vernietigingskampen operationeel
<- 3 ½ jaar ->
vernietigingskampen bevrijd mei 1945
Wat willen dispensationalisten ons verder nog leren?
Het citaat hieronder, vanuit Internet, geeft weer wat men zegt in kringen van de bedelingen
over de Antichrist en de Grote Verdrukking.
”De Grote Verdrukking zal 7 jaar duren en bestaan uit twee gedeelten van 3½ jaar. Dit blijkt o.a. uit:
Dan. 7:25 "Hij zal de heiligen des allerhoogste te gronde richten... voor een tijd, tijden en een halve
tijd.". ’Een tijd’ is een jaar, ’tijden’ zijn twee jaren.
Dan. 9.27 "in de helft van de week zal hij (de antichrist) slachtoffer en spijsoffer doen ophouden... zal
een verwoester komen". Een week van zeven jaren.
Dan. 12:11 "vanaf... een gruwel wordt opgericht... zijn het 1290 dagen.".
Opb. 11:2,3 "twee g­e­t­u­i­g­e­n­... 42 maanden lang... 1260 dagen lang."
Opb. 12:6,14 de vrouw (Israël) wordt door de Heer onderhouden in de woestijn voor "een tijd, tijden
en een halve tijd." Dit is 1260 dagen, 3½ jaren van 360 dagen.
Opb. 13:5 het beest "werd macht gegeven... 42 maanden lang." 42 maanden van 30 dagen.”
Mag ik daarbij, een voor enkelen wellicht rare opmerking maken. In zijn boek ’De planeet die
aarde heette’ zegt Hall Lindsey op blz.58: ”Eeuwenlang, lange tijd voor de huidige gebeurtenissen de
ideeën zouden hebben kunnen beïnvloeden van mannen die de bijbel verklaarden, heeft men al
erkend dat Ezechiël in zijn profetie over het land dat de noordelijke volken aankondigde, op Rusland
doelde.” Lindsey heeft zo tientallen uitspraken en anderen – teveel om op te noemen - met hem,
hebben tot de val van de communistische overheersing in Rusland en omstreken geleerd dat er een
grote oorlog op til is tussen de URSS (Rusland met al zijn trawanten) en Israël. Men heeft dat spoor
verlaten, maar wie het geleerd heeft past het schoentje: hij/zij is een valse profeet geweest.
Momenteel zoekt men de vijand van Israël ergens anders. Daar geven we al een besluit bij;
dispensationalisten hebben door de twee eeuwen dat ze bestaan, al allerhande uitleggingen
gegeven over allerlei profetische zaken. Zelfs een Johannes de Heer bezondigde zich aan uitspraken
die hij later heeft teruggenomen. (Zie zijn brochure over het ‘Romeinse vraagstuk’ uit de tijd van de
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 269
duce Mussolini.)
Dan wijst men ons op wat een echte gelijkenis zou moeten zijn van het aantal dagen.
“Hij zal woorden spreken tegen de Allerhoogste, en de heiligen
Daniël 7:25
des Allerhoogsten te gronde richten; hij zal er op uit zijn tijden en
wet te veranderen, en zij zullen in zijn macht gegeven worden
voor een tijd en tijden en een halve tijd.”
Verwijst dit naar wat hier onder staat?
“Maar laat de voorhof, die buiten de tempel is, erbuiten, en meet
Openbaring 11:2
die niet; want hij is aan de heidenen gegeven; en zij zullen de
heilige stad vertreden, tweeënveertig maanden lang.”
Openbaring 11:3
“En Ik zal mijn twee getuigen lastgeven om, met een zak bekleed,
te profeteren, twaalfhonderd zestig dagen lang.”
Dat roept vragen op! Zijn de 1260 dagen letterlijk of een symbool van iets anders? Er worden
in deze perikoop van Openbaring 11 twee perioden van ongeveer gelijke lengte genoemd, het
optreden der twee getuigen dat 1260 dagen duurt en het vertreden van de heilige stad door de
heidenen voor een periode van 42 maanden. Vallen deze twee perioden wel samen? Of komen ze
na elkaar? Of overlappen ze elkaar gedeeltelijk? Dat zegt de tekst allemaal niet en alles is dan
mogelijk als uitleg.
Is er een reden om aan te nemen dat ze niet samenvallen? Of dat ze na elkaar komen, waarbij
dan het optreden van de twee getuigen het eerst komt, gevolgd door het vertreden van de heilige
stad door de heidenen gedurende 42 maanden. Welke redenen zijn hiervoor aan te voeren?
Dispensationalisten zeggen hierover: het is logisch, dat tijdens het optreden der twee getuigen
Jeruzalem voor de heidenen geen aanlokkelijke plaats is. De profeten beschikken namelijk over een
grote macht, hoewel ze niet echt bewapend zijn. Maar nadat ze gedood zijn door het beest uit de
afgrond, zal het voor de heidenen gemakkelijker zijn naar Jeruzalem te komen en het aan te vallen.
Wat moeilijk te bepalen is volgens al deze berekeningen van Daniël en Openbaring is: lopen ze
allemaal gelijk aan elkaar? Want slechts in dat geval zou de leer van de profetische jaren een been
hebben om op te staan. Dan zou 1260 = 42 maanden = 3 ½ jaar. Maar stel dat één van deze data
niet zo gerekend wordt en afwijkt, dan rest er 3 ½ jaren = 1177 maandagen of 1278 astronomische
dagen. Lopen al deze perioden gelijk? Want één maanmaand heeft slechts 29 dagen, 12 uur en 44
minuten. En is één jaar omgerekend heeft men dan 11 en ¼ dagen tekort om een vol zonnejaar te
maken van 365 en ¼ dagen. Want een leer van een profetisch jaar van 360 dagen/jaren is
uitgesloten. Dat hoort tot de leer van de fabelen gezien het Bijbels niet te bewijzen valt. En ook dit
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 270
moeten we aantekenen: die dagen (maanden, jaren) hebben volgens dispensationalisten allemaal
betrekking op de drie en een half laatste jaren van de 70ste jaarweek. Ze geven zelf toe dat er van
de eerste drie en een half jaren, niets in de Openbaring van Johannes beschreven staat. Want er is
géén sprake van een sluiten van een verbond tussen Israël en de Antichrist in het boek Openbaring!
Waarom zou dit dan echter iets te maken hebben met een 70ste jaarweek?
Er staat in Openbaring 11:2,3 NIET dat 1260 dagen exact gelijk is aan 42 maanden, want er is
ook aanwijzing in de Schrift, dat er wel eens afgerond wordt naar onder (= 42,5 maanden) of naar
boven (= 41,5 maanden). Je kunt er dus geen staat op maken dat één jaar exact 360 dagen zou
omvatten. We moeten bij dit alles ook synchroon blijven. Want men zegt in de kringen van de
bedelingen, dat dan de feesten in het land Israël opnieuw zullen ingevoegd worden. Met een
zogenaamd profetische kalender klopt dat niet. Men is na drie jaar en zes maanden namelijk al 17
dagen niet meer in evenwicht met de zonnekalender. Het heeft bovendien weinig zin om te
beweren, wat dispensationalisten doen: te zeggen dat de periode van Openbaring 11:2,3 te maken
heeft met wat in Daniël 9:27 staat. Waarom niet? Omdat ze zelf zeggen dat dit naar slechts één deel
van die periode in Daniël verwijst. Het is dus geen optelling van deel drie en een half plus drie en
een half om de zeven van Daniël te bekomen!
De 3½ jaren verwijzen naar het symbool van onvolkomenheid, naar iets dat nog niet af is en
volgroeid. Het is de periode van testen en verdrukking van de gemeente van Christus. Zeven is het
beeld van volheid, iets dat op zichzelf staat en waar niets meer aan toegevoegd moet worden. Zo is
3½, de helft van een “volle” tijdsperiode. Zou het de voorstelling kunnen zijn van de tijd van
éénmaal de tijd van het OT en éénmaal deze van het NT. Gewoon maar 3½ + 3½ = zeven tijden van
verdrukking van Gods volk. Dit spreekt me wel aan als oplossing.
Ik las ook dit: dat in het boek Esther er een rekening is van 30 dagen in één maand. Ja, dat
klopt waarschijnlijk, maar daar heb ik niets aan want dat is de tijdsrekening van de Perzische
koningen en niet deze van de Schrift. Dit zijn de betrokken teksten. Esther 1:3,4 SV77: “In het derde
jaar van zijn regering maakte hij een maaltijd voor al zijn vorsten en zijn knechten; de macht van
Perzen en Meden, de grootste heren en de oversten der landschappen waren voor zijn aangezicht;
Toen hij vertoonde de rijkdom der heerlijkheid van zijn rijk, en de kostbaarheid van het sieraad
van zijn grootheid, vele dagen lang, honderd en tachtig dagen.” Esther 2:10-12 SV77: “Esther had
haar volk en haar afkomst niet te kennen gegeven; want Mórdechai had haar geboden, dat zij het
niet zou te kennen geven. Mórdechai nu wandelde elke dag voor het voorhof van het huis der
vrouwen om te vernemen naar de welstand van Esther, en wat met haar geschieden zou. Toen nu
de beurt van elke jonge dochter naderde, om tot de koning Ahasvéros te komen, nadat haar
twaalf maanden lang naar de wet der vrouwen geschied was; want alzo werden vervuld de dagen
van haar versieringen, zes maanden met mirre-olie, en zes maanden met specerijen, en met
andere versierselen der vrouwen.”
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 271
Bekijken we eens nader het verhaal van de twee getuigen in Openbaring 11:3 en verder. De
enige degelijke uitleg is dat de twee profeten symbolisch gezien de gemeente van de eindtijd
voorstellen. Symbolisch als profeet omdat hun werk en functie daarop gericht is. De nadruk van het
getal ”twee” heeft dan te betekenen dat die getuigen een volledig (volkomen) getuigenis afleggen
ten opzichte van de wereld. Want de goddelijke regel is dat twee of drie getuigen iets volledig
bevestigen (Deut.17:6,15,19 / Joh.5:31). En de Heer zond zijn discipelen uit twee per twee
(Luc.10:1). Hoe moeten we de 1260 dagen rekenen? Vanuit Opb.12:6 moet blijkbaar vanaf het begin
gerekend worden. En Opb.11:11 en 15 die respectievelijk de opstanding van de doden en het
oordeel beschrijven zullen het einde ervan aangeven. Dat wil zeggen dat de 1260 dagen symbolisch
te tijd voorstellen tussen de tijd van Pinksteren (de geboorte van de gemeente Gods) en de
Wederkomst van de Heer om te oordelen over de levenden en de doden. Enkele commentatoren
zoeken een verband tussen de 3 ½ jaar droogte in de tijd van Elia. Hij is een beeld van wie ware
profeet is of mag zijn (Luc.4:25 / Jac.5:17).
Dit is de uitleg van een dispensationalist over de twee getuigen die de meesten niet zullen
aanvaarden. We geven het weer zodat u weet dat het dispensationalisme een bonte verzameling is
van allerlei gedachten en leerstellingen. In een artikel door Ab Klein Haneveld ‘De Opname van de
Gemeente en de Grote Verdrukking’ gevonden op het Internet lezen we: “Indien de 1260 dagen van
het profeteren der twee getuigen identiek zouden zijn aan de tweede helft van de 70ste week, zou de
dood en opstanding van deze getuigen en ook de erop volgende aardbeving plaats vinden ná de
70ste week. Maar na de 70ste week is volgens Daniël 9:24 de bekering van Israel en de wederkomst
van Christus een feit. Uit de gebeurtenissen, die hier in Openbaring 11 beschreven worden, blijkt
echter duidelijk, dat dit nog niet het geval is. Wij moeten dus concluderen, dat deze getuigen niet
optreden tijdens de tweede helft van de week, ofwel de Grote Verdrukking, maar tijdens de eerste
helft van die week. Deze periode duurt eveneens 1260 dagen en ligt tussen de Opname van de
gemeente en de Grote Verdrukking. Het blijkt dus, dat deze twee getuigen de lege plaats van de
gemeente innemen, en dat er door hun werk weer gelovigen op aarde zullen zijn bij de aanvang van
de grote verdrukking. En over deze gelovigen spreekt uiteraard het volgende hoofdstuk van
Openbaring.” Veel van zijn vrienden aanhangers van de bedelingenleer zullen steigeren bij zo een
uitspraak. Men zet de twee getuigen voor 99% in de tweede helft van de week.
Ellis H. Skolfield is een USA theoloog die onder andere een tweedelig werk schreef over ‘The
False Prophet.’ Dit staat in deel één: “Before that date, both Jew and Christian were free to worship
in Jerusalem, even on the temple mount itself. After 688 the Moslems persecuted the Christians and
Jews and drove them out of the land.” Voor hem zijn alle data van 1260, 1290 en1335 zaken die te
maken hebben met één dag = één jaar systeem dat te maken heeft met de opkomst en ondergang
van de Islam. Zie: http://www.ellisskolfield.com/downloadable-books.shtml
Het beest van Openbaring 13 = de Islam.
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 272
“En de vrouw vluchtte in de woestijn, alwaar zij een
Openbaring 12:6 SV77
plaats had, haar door God bereid, opdat zij haar aldaar
zouden voeden duizend tweehonderd zestig dagen.”
“Hierom bedrijft vreugde, gij hemelen, en gij, die daarin
Openbaring 12:12 SV77
woont! Wee hun, die de aarde en de zee bewonen,
want de duivel is tot u afgekomen, en heeft grote toorn,
wetende, dat hij een kleine tijd heeft.”
“En aan de vrouw zijn gegeven twee vleugels van een
Openbaring 12:14 SV77
grote arend, opdat zij zou vliegen in de woestijn, in haar
plaats, alwaar zij gevoed wordt een tijd, en tijden, en
een halve tijd, buiten het gezicht der slang.”
“En het werd een mond gegeven, om grote dingen en
Openbaring 13:5 SV77
godslasteringen te spreken; en het werd macht
gegeven, om zulks te doen, twee en veertig maanden.”
Zijn al die perioden gelijk? Gebeuren ze op hetzelfde moment?
Op het Internet waar alles te rapen valt, ook de grootste rommel, lees ik op één site dat er al
486,5 jaar verlopen zijn van de 490 jaar van Daniël 9. Logisch wanneer je het eerste deel van de
laatste week laat eindigen bij de dood van Christus aan het kruis. De laatste jaren zijn te beginnen
bij 1967. Vanaf de zesdaagse oorlog van Israël, daarbij opgeteld 49 jaar, zodat u in 2016 komt voor
het begin van de prediking van de twee getuigen. Verder ga ik er niet op in. Op de site van een
Messiasbelijdende groep Joden http://www.rockofoffence.com/ staat een artikel ‘Those “CERTAIN”
Years And Days Of ‘Daniel’s People’ waar Christus sterft in het midden van de tweede helft van de 70
ste week. De verdrukking van Israël is slechts het laatste deel, namelijk 3 en 1/2 jaar. Gans het artikel
is een complex spel met cijfers.
Concentreren we ons op de tijdsbepalingen van Openbaring 12. Wie is die vrouw in het verhaal,
ze zal ons helpen te bepalen waar we die tijd moeten inschakelen. De vrouw is NIET Israël zoals
men in de kringen van de dispensationalisten zegt. Zeker niet het vernieuwde Israël sinds 14 mei
1948. Het is natuurlijk waar dat Christus uit/in het volk Israël is geboren. Want hij is zoon van
Abraham, Judah en David (Mat.1:1 / Heb.7:14 / 2 Tim.2:8). Maar hiermede is men ook aan het
einde van de gelijkenis. Vergeet niet dat het hier NIET om letterlijke uitleggingen gaat, dat doen
dezen die de bedelingleer aanhangen ook niet. (Hun ijzeren regel, alles letterlijk uitleggen, is dus
niet zo sterk.) Is Israël door de draak vervolgd? Integendeel! Christus noemde hun leiders wel: ”de
zonen van de duivel” die de draak is (Joh.8:40-44). Wanneer was Israël in de woestijn onder Gods
bescherming toen Christus werd geboren? Zo een periode is er niet! En indien we zeggen: Christus
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 273
is het mannelijke kind, wie is dan het zaad?
Th. Niemeijer, volgeling van Darby, schrijft in, ’Het Zoeklicht’, 7 maart 1998, blz.18 over deze
uitleg.”Zo wordt Israël in Openbaring 12:16 beschreven als de vrouw, met de zon bekleed, met de
maan onder haar voeten en een krans van 12 sterren op haar hoofd... ”En zij baarde een Zoon, een
mannelijk wezen, dat alle heidenen zal hoeden met een ijzeren staf” (vs.5). Daarmee wordt de
profetie uit Jesaja 54:1 vervuld waarin Israël als de ’onvruchtbare’ en ’eenzame’ beschreven wordt,
die ’toch zal baren’.” (wij onderstrepen).
Een zeer eigenaardige uitleg vinden we in het speciaal nummer van september 2001, blz.6 van
’Christenen voor Israël.’ J. van Barneveld zegt na de aanhaling te hebben gedaan van Openbaring
12:1: ”Deze vrouw heeft het moeilijk: barensweeën! Israël ondergaat nu de barenweeën van de
komende Koning en Zijn Rijk. Wij, als gelovigen, staan hierbij naast en achter Israël.” (wij
onderstrepen.) Dat is verwarrende taal. De Koning is reeds gekomen zowel voor Israël als voor de
heidenen die tot geloof komen. Spaar ons voor de stelling der twee vervullingen! Met Pinksteren
zegt Petrus duidelijk dat de vermoorde en opgewekte Jezus zowel Koning (Kurios) is als Gezalfde
(Messias). De Joden die de ware aard van hun zondigheid begrepen hebben vragen daarom wat ze
dienen te doen en bekeren zich daadwerkelijk (Hand.2:36 tot slot).
Wie is dan de vrouw in Openbaring 12? (Grieks voor vrouw is = ”gunè”)
Het woord ”vrouw” is in de Schrift letterlijk gebruikt voor: een persoon van de tweede sekse
(Mat.11:11 / Joh.16:21), een getrouwde vrouw (Deut.13:7 / Luc.1:5) of een bruid (Deut.22:23-25 /
Gen.29:21 / Opb.19:7). Deze hier in Openbaring beschreven, is echter symbolisch want geen
letterlijke vrouw is ooit tot God gegaan in de hemel om er bescherming te genieten of haar zoon
evenmin.
Deze vrouw moet ook collectief zijn in plaats van slechts één individu. Het idee dat één als velen
is afgebeeld vinden we al verscheidene malen in het O.T. In Dan.2:37,38 staat één koning afgebeeld
voor een koninkrijk. Eén beest is afgebeeld voor twee koninkrijken omdat het twee horens heeft
(Dan.8:20,21). Een beest met zeven hoofden is echter per definitie niet gelijk aan zeven rijken.
Opb.17:9 zou dat moeten ondersteunen maar die identificatie die we bij Daniël vinden is niet
dezelfde. Zeven is het symbool van volledigheid. Wat op elkaar lijkt is daarom nog niet gelijk aan!
Want één beest kan de afbeelding zijn van de totaliteit van alle aardse machten en de zeven
symbool van de volheid van iets.
Wie is dan de vrouw? Van wie of wat is ze de zinnebeeldige voorstelling? Daarvoor gaan we
eerst terug tot de geschriften van het Oude Testament. Daar zien we dat iemand met de naam Zion
is afgebeeld als ”de vrouw” van God in o.a. Jes.54:1,5,6 / Jer.3:20 / Ezech.16:8-14 / Hosea 2: 18,19.
Die iemand is Israël, maar dan gezien vanuit het gelovige volk van God. Zij is een moeder met
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 274
talloze kinderen en die kinderen zijn de individuele personen van het gelovige Israël (Jes.49:21 /
50:1 / 66:7-11 / Hosea 4:5). Er zijn zelf enkele schriftuurplaatsen die over vrouw Zion spreken als in
barensweeën (Micha 4:9,10 / Jes.26:16-18 / Jer.4:31 / 13:21). Deze vrouw is hemels in de zin van
haar planning maar aards in werking. Haar oorsprong is hemels en haar Man is hemels. Zodat ze de
voorstelling is van het ideale en ongerepte. Deze schriftuurplaatsen bewijzen echter twee dingen. Ze
spreken ten eerste nooit over het feit dat Zion een individuele Messias voortbrengt. Ten tweede dat
Zion in barensnood een ”volk” voortbrengt. Dit laatste als kritiek op de uitspraken van de
Wachttoren. Volgens hen heeft Zion in 1914 een volk voortgebracht, namelijk al dezen die op dat
moment met Charles Taze Russell, hun eerste president, mee werkten en hem als geestelijke leider
aanschouwden.
In het NT vinden we een vrouw beschreven in verband met Christus. Het is de gemeente die in
twee parabels van het Koninkrijk als ”vrouw” beschreven is (Luc.15:8 / Mat.13:33). En vergelijk hier
verder nog Mat.9:15 / Joh.3:29,30 / 2 Cor.11:2 / Eph.5:23-32. Is de gemeente van Christus niet de
vrouw van Opb.12? De sleutel wie die vrouw is vinden we in Gal.4:25-27! Daar zegt Paulus: ”Het
woord Hagar betekent de berg Sinaï in Arabië. Het staat op één lijn met het tegenwoordige
Jeruzalem, want dat is met zijn kinderen in slavernij. Maar het hemelse Jeruzalem is vrij en dat is
onze moeder.” Dan beschrijft Paulus hoe deze vrouw baart en geeft als ondersteuning van zijn visie
Jesaja 54:1. Vergelijk ook Heb.12:22. Deze tekst uit het OT is toepasselijk op Gods gemeente uit het
OT. Maar ook op de bruid van Christus wanneer je het NT bekijkt. Over de anderen is er niet altijd
zekerheid en kan ook op het letterlijke Israël toepasselijk zijn.
De vrouw is in barensnood, en wat wil dat zeggen? De vrouw, de gemeente bestaande uit
Joden en heidenen die de Messias aannemen, van Opb.12 is in nood. Ze is roepende voor verlossing
uit haar weeën (Mat.9:27 / 27:50 / Luc.23:46). Gods hemelse koningin staat op het punt een zoon te
baren. Over letterlijke weeën spreekt de Schrift niet al te dikwijls (1 Sam.4:19 / Jes.43:10 / 51:2).
Het is echter een uitdrukking (Hebreeuws = chul) die volgens de symbolische taal, de betekenis
heeft van alle soorten noodtoestanden of geestelijke pijnen. Zie naar: Jes.13:8 / 21:3 / Jer.4:31 /
6:24 / 13:21 / 22:23 / 1 Thes.5:3. Wanneer u deze teksten erop naziet dan merkt u tevens op dat het
niet steeds spreekt over gelovigen. Ook de wereld is in weeën zoals in 1 Thes.5:3. Of Babylon is in
weeën volgens Jer.50:41-43. In Gal.4:19 zegt Paulus: ”mijn kinderen, terwille van wie ik opnieuw
weeën doorsta, totdat Christus in u gestalte verkregen heeft.” Zo ook moet men de pijnen van
deze vrouw begrijpen. Symbolisch heeft Sion moeilijkheden met het baren omdat ze het mannelijke
kind als het ware aan Satans wereld moet ontrukken. Daarom is er ook gezegd dat ze pijn heeft om
te baren. Het is het gewone woord ”basanidzo” dat hier is gebruikt. We kunnen dat het best
begrijpen door te vergelijken met de ”pijnen” van Lot in 2 Pet.2:8. Het zou absurd zijn zulke dingen
letterlijk te nemen. De tekst van Gal.4:19 spreekt over “kinderen” in de meervoudsvorm. Laten we
duidelijk zijn; Paulus her-interpreteert hier de oorspronkelijke tekst. Jesaja 54:1 is door Paulus
geher-interpreteert, de éne die baart worden velen die baren. De gemeente Gods is in permanente
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 275
barenweeën telken male iemand tot het geloof in de Messias komt (1 Cor.4:15 / Col.1:27-29 /
3:9,10). Het mannelijke kind in Opb.12 kan dus alléén die groep gelovigen zijn uit de eindtijd, vanaf
Pinksteren. Zij zullen zoals alle andere gezalfden Gods de natiën met een ijzeren roede regeren
(Opb.2:26,27 / 19:15 / Ps.2:9 / Col.3:4).
Biederwolf, leerling van de leer der bedelingen, zegt over het neerwerpen van de Satan in
Opb.12: ”Heeft het neerwerpen vanuit de hemel plaats gehad ná de tenhemelopneming, volgende
op een oorlog?”
Er is echter een onoverbrugbare bedenking met deze visie gezien er in vers 12 staat dat de Satan
weet dat hij slechts ”een korte tijd” heeft voordat hij gebonden wordt. En gezien dit is opgemerkt
vanuit een bovennatuurlijke kennis van de Duivel, en de ouderlingen in de hemel kan dit zeker niet
dezelfde betekenis hebben als wanneer de apostelen de uitdrukking gebruiken ”een kleine tijd”,
”wat kortelings zal geschieden” enz... Het wil dus betekenen datgene wat we bedoelen met die
uitdrukking, namelijk, een zeer kleine tijd en niet een periode van 2000 jaar of meer gerekend vanaf
de tenhemelopneming. En anderzijds, Eph.6:12 laat doorschemeren dat Satan nog steeds in de
hemelse gewesten is gedurende de periode dat hij prins van de wereld is. Deze opmerkingen zijn
echter niet helemaal onoverbrugbaar. Maar gezien het voorgaande, en andere redenen nemen de
Futuristen de positie in dat deze oorlog in de hemel zal plaatsvinden ná de opname van de
gemeente, dat Satan dan tegenwoordig is en de broeders voor God, dag en nacht aanklaagt, waarna
de Christus hem zal berispen (Zach.3:2). Michaël zal de hemelse legerscharen aanvoeren tegen hem
met het reeds gekende resultaat” (blz.624, wij onderstrepen).
We gaan deze twee argumenten uit dit gedeelte even na en beginnen met het laatste. Ephese
6:12 bewijst niet wat Biederwolf zo pertinent zegt. Hier volgen de zes grote Nederlandse vertalingen
die Biederwolf’s stelling weerleggen.
S.V.: ”Tegen de geestelijke boosheden in de lucht”
Luther: ”tegen de booze geesten onder de hemel”
Leidse V.: ”met de boosaardige geesten in het luchtruim”
Brouwer: ”tegen het rijk der booze geesten in het hemelruim”
Canisius: ”tegen de boze geesten in de lucht”
N.B.G.: ”tegen de boze geesten in de hemelse gewesten”
En zes Engelse vertalingen.
King James: ”against spiritual wickedness in high places”
Living Bible: ”against huge numbers of wicked spirits in the spirit world”
Today E.V.: ”and cosmic powers of this dark age”
N.I.V.: ”against the spiritual forces of evil in the heavenly realms”
Philips: ”it is against organisations and powers that are spiritual”
R.S.V.: ”against the spiritual hosts of wickedness in the heavenly places”
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 276
Het is duidelijk uit deze vertalingen dat wat Biederwolf er in leest in werkelijkheid daar niet te
vinden is. De lucht / luchtruim / hemel waar Satan vertoefd is niet het verblijf van YaHWeH, niet
Gods hemel. Het is een plaats ergens tussen Gods hemel en onze hemel waar de vogels vliegen. Het
gaat over Satans ”hemelse rijk” en dat is een onzichtbare zaak voor ons.
En het andere argument van Biederwolf: volgens de uitdrukking ”een korte tijd” moet dat kort
voor de wederkomst zijn en niet op bijvoorbeeld Pinksteren zoals we zelf zeggen. Wanneer u echter
daarbij het volgende leest is die uitleg van deze schrijver niet te aanvaarden. Johannes zegt in de
Apocalyps 1:3: ”Zalig hij, die voorleest, en zij, die horen de woorden der profetie, en bewaren,
hetgeen daarin geschreven staat, want de tijd is nabij.” We leven trouwens SINDS de tijd der
apostelen, meer bepaald SINDS met Pinksteren de Heilige Geest is uitgestort in:
”de laatste ure”, 1 Joh.2:17
”laatst der dagen”, Jac.5:3
”het einde der eeuwen”, 1 Pet.1:20
”het einde des tijds” Judas 17,18.
De argumenten van Bierderwolf en de (bedelingen) houden dus geen steek.
En ook Scofield heeft een opmerking in die aard. We citeren uit zijn vertaalde cursus die
verscheen bij ’Het Morgenrood’.
”Hij is de God en Overste dezer wereld
Joh.12:31
”Overste dezer wereld” (Kosmos, orde, organisatie)
Eph.2:2 ”Overste van de MACHT der lucht”
Joh.14:30
”Overste dezer wereld”, ook Joh.16:11
Eph.6:11,12 ”Geweldhebbers der wereld, der duisternis”
”De bestaande wereldorde, d.w.z. de organisatie van het mensdom op politiek, sociaal, economisch
gebied, enz. is gebaseerd op macht, zelfzucht, ambitie, eerzucht en genoegens. Dit wordt beperkt en
verzacht door de tegenwoordigheid van de Heilige Geest in de Gemeente (2 Thes.2:7). Met de
opname van de Gemeente (1 Thes.4:14-17) zal de ”Wetteloze” van 2 Thes.2:8 worden geopenbaard,
aan wie satan al zijn macht geven zal (Opb.13:2).”
Marc Verhoeven schreef een artikel: ‘De ‘Rede over de laatste dingen’ begrijpen’ te vinden
op users.skynet.be/fa390968/_RedeLaatsteDingen-MV.doc Er staat bijvoorbeeld dit over de cijfers
die we bespreken: “Hier begint de “grote verdrukking”. De Joden kunnen het tijdstip ervan
gemakkelijk berekenen zodat het hen niet onverwachts overvalt. Ze omvat de tweede helft van de
‘week’ in Dan 9:27. Deze is 1260 dagen (Op 11:3; 12:6), 42 maanden (Op 11:2; 13:5) of ‘een tijd,
tijden en een halve tijd’ (Dan 7:25; 12:7; Op 12:14) lang. Dit zijn 3,5 profetische jaren. De grote
verdrukking begint onzichtbaar met het neerwerpen van de duivel uit de hemel (Op 12:7-9).
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 277
In Daniël 12:11 lezen we dat aan het begin van de laatste halve week het dagelijks offer zal
worden gestaakt en dat daarvoor in de plaats een “gruwel” zal worden opgericht (Dan 9:27
en 12:11; Mat 24:15; Mark 13:14). Dit is het zichtbare begin van de “grote verdru kking”
(Mat 24:21; Mark 13:19; Op 7:14). Dit is de “tijd van benauwdheid voor Jakob” (Jer 30:7;
zie ook Dan 12:1).”(Wij onderstrepen.)
Bedroevend dat deze man dat beweert. Er valt namelijk niets te berekenen en hij is
gevangen in zijn eigen uitleg. Want als dispensationalist beweert hij dat Mat.24:36 over die periode
spreekt en die ondersteund niet wat hij tracht te bewijzen. Daar staat het volgende: “Doch van die
dag en van die ure weet niemand, ook de engelen der hemelen niet, ook de Zoon niet, maar de
Vader alleen.” De mensen die de leer van de bedelingen volgen beweren nu twee dingen:
1) Dat de opname van de gemeente zal plaatsvinden, zeven jaar voordat de echte
Wederkomst zal plaats hebben.
2) Dat na de opname een periode van zeven jaar aanvangt van de antichrist, van prediking
van herstel van Israël en enkele zaken meer. Op het einde van die periode komt de Heer.
Dat juist is in tegenstrijd met de woorden van Jezus: “Doch van die dag en van die ure
weet niemand.” Dat sluit zondermeer uit dat er iemand die leeft in de periode van de
laatste zeven jaar, dus voor de echte zichtbare Wederkomst iets zou afweten van die
komst. Dat sluiten de woorden: “Doch van die dag en van die ure weet niemand “ uit. Er
valt niets te berekenen ook niet in die periode en daar zondigt Marc Verhoeven zich aan
en alle andere dispensationalisten.
En de context is even duidelijk. Die zet de komst van Jezus in een vergelijkbare periode van
de niet te berekenen tijd van de zondvloed. Dit staat er in Mattheus 24:37-42: “Want zoals het was
in de dagen van Noach, zo zal de komst van de Zoon des mensen zijn. Want zoals zij in [die] dagen
vóór de zondvloed waren, etende en drinkende, huwende en ten huwelijk gevende, tot op de dag,
waarop Noach in de ark ging, en zij niets bemerkten, eer de zondvloed kwam en hen allen
wegnam, zo zal ook de komst van de Zoon des mensen zijn. Dan zullen er twee in het veld zijn,
één zal aangenomen worden en één achtergelaten worden; twee vrouwen zullen aan het malen
zijn met de molen, één zal aangenomen worden, en één achtergelaten worden. Waakt dan, want
gij weet niet, op welke dag uw Here komt.”
Ook de vernietiging van Sodom en Gomorra, op een andere plaats door Christus besproken, verwijst
naar een onbekende tijd van de komst. En let er op dat zowel de vloed als Sodom de verwijzing is
naar wat een dispensationalist leert over die zaken; juist voorafgaande aan de Wederkomst. En die
laatste periode is zeven jaar na de opname en dus te berekenen voor Marc Verhoeven en zijn
collega’s. Waarom de Schrift niet aannemen in plaats van een stelling die onbijbels is. Lucas 10:12
SV77: “En Ik zeg u, dat het die van Sódom verdragelijker wezen zal in die dag, dan die stad.” Lucas
17:29 SV77: “Maar op de dag, op welke Lot van Sódom uitging, regende het vuur en sulfer van de
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 278
hemel, en verdierf ze allen.” Het beeld dat Christus en Petrus schetsen over Noach is door
dispensationalisten géén eer aangedaan, ja zelfs verminkt en misbruikt.
Illustratie van de nog te bouwen tempel volgens: http://christenenvoorisrael.nl/
Dat is echter niet wat men dient te verwachten.
De gemeente van Jezus is Gods tempel.
Daar ligt ons heden!
Daar ligt onze toekomst!
Voor alle Messias belijdenden zowel joden als Grieken
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 279
NIEUWE APPENDIX
WE NEMEN HIER GEWOON EEN LANG GEDEELTE OVER VAN
HTTPS://WWW.PRETERISTARCHIVE.COM/DANIEL_09_24-27/
OVERGENOMEN OP 05/03/2019
Het commentaar komt uit vele hoeken, ook de joodse interpretatie vroeger en vandaag.
Jammer genoeg, we hebben de tijd niet dat alles te vertalen, echter veel leesplezier!
Gerard Israël and Jacques Lebar
“When, in the year 70 AD, the legions of Titus besieged and sacked Jerusalem and razed the temple
— the symbol of Jewish national independence — they touched off a chain reaction.” (When
Jerusalem Burned: The Catastrophic Day when the Romans Destroyed the Great Temple and
Jerusalem Itself (Fr., 1970)
James Tabor
“Here we find a period of “about 40 years” tied to the demise of the Teacher. There is a fragment
from Cave 4 (4Q171) that refers to the same period: “A little while and the wicked shall be no more;
I will look towards his place but he shall not be there” (Psa 37:10). Interpreted, this concerns all the
wicked. At the end of the forty years they shall be blotted out and not an man shall be found on
earth.” Here things get a bit prophetically complicated, unless one is steeped in the chronological
schemes of the book of Daniel (and Ezekiel)– particularly the “70 weeks” prophecy of Daniel 9. It
essentially sets forth a 490 year period, which the DSS community understood neatly as Ten
Jubilees, 49 years each. We then find references in various fragments (11QMelch; 4Q390) that
attempt to fit the history of the community within this time scheme. The Teacher himself is to arise,
as one would expect, “in the first week of the Jubilee that follows the nine Jubilees” (11QMelch), or
just over 40 years from the End.” (Dead Messiahs)
Otto Zöckler (1874)
“The interpretation of Josephus, which applieth the prophecy to the destruction of Jerusalem in
A.D. 70 and to Titus as the [Heb. Nagîd habbar – the coming prince], v.26, seems to have been
accepted, with scarcely an exception, by the later Jews of the Talmudic era and the time
immediately subsequent. The principal witness to this fact is Jerome (on v. 24 et seq.; T.V., 2 ed.
Vallars., p. 694). The “Hebrai” of his day calculated the 490 years or seventy weeks of years from
the first year of Darius or B.C. 539 indeed, but none the less assigned their conclusion to the age of
Jesus, even finding his death predicted therein (probably in the [Heb. Yîkkareth Mashîach―messiah shall be cut off], v. 26), since they held that “non erit illius imperium, quod putabat se
redemturum” (as it should be read, instead of “quod putabant seretenturos,” which is a later
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 280
emendation). They also found a prediction of the approach of the Roman army under Vespasian
and Titus, in the same place. * It is perhaps to these prophecies of Daniel in a general way that
Josephus likewise alludes in the references to an ancient prediction that the city should be
destroyed in a civil war, De Bell. Jud., IV. 6,3; VI., 2, 1.)… Ephraem Syrus places the restoration of
Jerusalem in the beginning of the seventieth week and the destruction by Titus at its close, without
entering on a more careful calculation in other respects.” (Commentary on the Holy Scriptures:
Ezekiel and Daniel, Schaff ed., Vol. 10, pp. 206,207) – Continues at bottom
“These times were over long ago”
Rabbi Judah, the main compiler of the Talmud
(Regarding Daniel’s prophecy – Babylonian Talmud Sanhedrin 98b and 97a)
The Targumim of the Megillot
(Lamentations 4) “17 Our eyes still fail to see our help which we expected to come from the
Romans, but which turned to naught for us. In hope we watched for the Edomites who were
a nation which could not save. 18 They prowled our paths so that we could not walk safelyin our
open places. We said, “Our end is near; our days are fulfilled,” for our end had come.” (Targum
Lamentations)
Aquila
“On thy people, and on thy sacred city.. For ending disobedience, and for completing transgression.
For the fulfilling of their disobedience and the completion of their sin, For the propitiation of their
transgression, For the bringing in of everlasting righteousness, And for fulfilling the vision and the
prophet. For the anointing of the most consecrated,” (Quoted in Demonstratio Evangelica (Proof
of the Gospel) ; BOOK VIII)
M. Friedlander
“It is, however, possible that other causes were at work in affecting the mutilation of the national
chronology. In the first place there is the interpretation of the 70 weeks in Dan. ix. 24, as denoting
70 x 7 = 490 years, and referring to the number of years from the Babylonian Exile to the
Destruction of the Temple in Jerusalem (see Seder ‘Olam, by Alexander Marx, p. x).” (“Some Notes
on the Prophecy of Malachi”, in Jews’ College Jubilee Volume, p. 26)
Rabbi Judah (Main Compiler of the Talmud)
“These times were over long ago” (Regarding Daniel’s prophecy – Babylonian Talmud Sanhedrin
98b and 97a)
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 281
Rabbi Moses Abraham Levi
“I have examined and searched all the Holy Scriptures and have not found the time for the coming
of Messiah clearly fixed, except in the words of Gabriel to the prophet Daniel, which are written in
the 9th chapter of the prophecy of Daniel.”
Samuel Levine (1925) – He is right, by the way..
“Christians, for lack of a better answer, claim that the 70th week will take place when Jesus returns
in his second coming as a king. The problem was caused because Daniel mentioned a total of 70
weeks, and then he specified 7 plus 62, leaving one remaining. The Christians say that the first 69
weeks were consecutive, then there is at least a 1900 year gap, and sooner or later the 70th week
will occur. This is obviously a very forced explanation, born of desperation.” (You take Jesus, I’ll
Take God: How to Refute Christian Missionaries (Los Angeles: Hamoroh Press, 1980)p. 31)
Josephus
“A sufficient proof of this is afforded by the passage, Josephus Arch. 10:1 l, 7, ‘Daniel predicted also
the Roman supremacy, and that our country should be desolated by them.’
“Daniel prophesied and wrote about all this many years ago. Similarly we can read in his writings
about the way our people came under the yoke of Roman slavery and how our nation was
destroyed by the Romans. All these writings Daniel left by God’s command to give to the readers
and students of history proof of the great honour God had granted him and to convince the
doubters, who close out all possibility of guidance from life, that God still is concerned with the
course of history.” (Josephus, Antiquities, X.10 and 11. )
Preteristic references include: The Epistle of Barnabas 16:6; Clement of Alexandria, Miscellanies
1:21; Tertullian, Against the Jews 8; Origen, Matthew 24:15; Julius Africanus, Chronography
(relevant portions preserved in Eusebius, Preparation for the Gospel 10:10 and Demonstrations of
the Gospel 8); Eusebius, Demonstrations 8; Athanasius, Incarnation 40:1
“Vespasian rose to the supreme power, and destroyed Jerusalem, and desolated the holy place.
And that such are the facts of the case, is clear to him that is able to understand, as the prophet
said.”
Africanus (160-240)
“The section thus expressed gives much strange information. But here I will make the necessary
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 282
examination of the times and the matters connected with them. It is clear, then, that the coming of
the Christ is foretold as to occur after seventy weeks. For in the time of our Saviour, or after His
time, sins are done away and transgressions ended. And by this remission iniquities are blotted out
(c) by a propitiation together with unrighteousness, eternal righteousness is published beyond that
of the law, visions and prophecies (last) until John, and the Holy of holies is anointed. For these
things existed in expectation only before our Saviour’s Coming. And the angel explains we must
count the numbers, that is to say the seventy weeks, which are 490 years, from the going forth of
the word of answer and from the building of Jerusalem. This took place in the twentieth year of
Artaxerxes, King of Persia. For Nehemiah his cup-bearer made the request, (d) and received the
answer that Jerusalem should be rebuilt, and the order went forth to carry it out. For till that date
the city lay desolate. For when Cyrus after the seventieth year of the Captivity spontaneously
allowed every one who wished to return, those with Joshua the High Priest and Zerubbabel went
back, and those afterwards with Ezra, and were at first prevented from building the Temple, and
the wall of the City, as no order had been given for it; and so |125 there was a delay until Nehemiah
and the reign of Artaxerxes and the one hundred and fifteenth year of the Persian Empire. And this
was 185 years from the taking of Jerusalem. It was then that King Artaxerxes gave the order (390)
for it to be built. And Nehemiah was sent to take charge of the work, and the street and wall were
built, as it had been prophesied. And from that date to the coming of Christ is seventy weeks. For if
we begin to count from any other point but this, not only the dates will not agree, but many
absurdities arise. If, for instance, we begin counting the seventy weeks from Cyrus and the first
Mission, the period will be too long by more than a century, if from (b) the day the angel
prophesied to Daniel still longer, and longer still if we start from the beginning of the Captivity. For
we find the length of the Persian Empire to be 230 years, and of the Macedonian 300, and from
then to the sixteenth year of Tiberius Caesar 60 years. And from Artaxerxes to the time of Christ
seventy weeks are (c) completed according to Jewish reckoning. For from Nehemiah, who was sent
by Artaxerxes to rebuild Jerusalem, in the one hundred and fifteenth year of the Persian Empire,
and in the twentieth year of Artaxerxes, and in the fourth year of the eighty-third Olympiad up to
that date, which was the second year of the two hundred and second Olympiad, and the sixteenth
year of the reign of Tiberius Caesar, there are 475 years, or 490 according to Hebrew reckoning. For
they reckon years by the course of the moon, I ought to (d) tell you, counting 354 days, while the
course of the sun is 365 ¼ days, twelve lunar revolutions, being exceeded by one solar by 11¼ days.
Therefore the Greeks and the Jews add three intercalary months to every eighth year. For eight
times 11¼ days makes three months. So then 465 years, in eight-year cycles, makes fifty-nine years
and three months. Since adding the three intercalary months every eighth year, we have a few days
short of fifteen years. And these added (391) to the 475 years complete the seventy weeks.” (Fifth
Book of his Chronography, Quoted in Demonstratio Evangelica (Proof of the Gospel) ; BOOK VIII)
St. Augustine
“For let us not suppose that the computation of Daniel’s weeks was interfered with by this
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 283
shortening of those days, or that they were not already at that time complete, but had to be
completed afterwards in the end of all things, for Luke most plainly testifies that the prophecy of
Daniel was accomplished at the time when Jerusalem was overthrown.” (Matt. 24:22, Golden
Chain)
Barnabas
“This abstract discussion of Judaism is the sign of an epoch when the Judaizing controversies were
already a thing of the past in the main body of the Church. In settling the date of the letter
reference is often made to verses 3-5 of chapter four, where the writer, it is believed, finds the
fulfilment of the prophecy of Daniel (Dan. 7:7, sqq.) in the succession of the Roman Emperors of his
time.” (New Advent Catholic Encyclopedia)
Clement of Alexandria (150-215)
“And thus Christ became King of the Jews, reigning in Jerusalem in the fulfillment of the seven
weeks. And in the sixty and two weeks the whole of Judaea was quiet, and without wars. And Christ
our Lord, “the Holy of Holies,” having come and fulfilled the vision and the prophecy, was anointed
in His flesh by the Holy Spirit of His Father. In those “sixty and two weeks,” as the prophet said, and
“in the one week,” was He Lord. The half of the week Nero held sway, and in the holy city Jerusalem
placed the abomination; and in the half of the week he was taken away, and Otho, and Galba, and
Vitellius. And Vespasian rose to the supreme power, and destroyed Jerusalem, and desolated the
holy place.” (Miscellanies)
“The half of the week Nero held sway, and in the holy city Jerusalem placed the abomination; and
in the half of the week he was taken away, and Otho, and Galba, and Vitellius. And Vespasian rose
to the supreme power, and destroyed Jerusalem, and desolated the holy place. And that such are
the facts of the case, is clear to him that is able to understand, as the prophet (i.e., Daniel) said.”
(Miscellanies 1:21)
Eusebius of Caesarea (314)
“And all these things were fulfilled when the seventy weeks were completed at the date of our
Saviour’s Coming.”
“I think that the fact that the intermediate period of their primacy, during which they governed, is
meant, is shewn by the words, “From the going forth of the answering and the building of
Jerusalem, until Christ the governor, is seven weeks and sixty-two weeks.” And the weeks of years
make 483 years added together from the reign of Cyrus up to the Roman Empire, when Pompeius
(392) the Roman general attacked Jerusalem and took the city by siege, and the whole city became
subject to Rome, so that thenceforward it paid taxes, and obeyed the Roman enactments.”
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 284
(c) “20. AND while I yet spake and prayed and confessed my sins and the sins of my people Israel,
and casting my misery before the holy Mount of my God, 21. and while I yet spake in prayer, behold
the man Gabriel, whom I had seen at the beginning came flying, and he touched me about the time
of the evening sacrifice. 22. And he instructed me and spake with me, saying, O (d) Daniel, 23. I am
now come forth to impart to thee understanding. At the beginning of thy supplication the word
came forth, and I am come to tell thee, for thou art a man greatly beloved: therefore consider the
matter, understand the vision, for thou art a man greatly beloved. 24. Seventy weeks have been
decided on for thy people, and for the holy city, for sin to be ended, and to seal up transgressions,
and to blot out iniquities, and to make atonement for iniquities, and to bring in everlasting
righteousness, and to seal the vision and the prophecy, and to anoint the Most Holy. 25. And thou
shalt know and understand, that from the going forth of the command for the answer and for the
building of Jerusalem until Christ the Prince shall be seven (382) weeks, and sixty-two weeks; and
then it shall return, and the street shall be built, and the wall, and the times shall be exhausted. 26.
And after the sixty-two weeks, the Anointing shall be destroyed, and there is no judgment in him,
and he shall destroy the city and the sanctuary together with the coming prince; they shall be cut
off in a flood, and, to the end of the war which is rapidly completed, in desolations. 27. And one
week shall establish the covenant with many: and in the midst of the week my sacrifice and drinkoffering shall be taken away: and on the temple shall be an (b) abomination of desolations: and at
the end of time shall an end be put to the desolation.”
When the captivity of the Jewish people at Babylon was near its end, the Archangel Gabriel, one of
the holy ministers of God, appeared to Daniel as he prayed, and told him that the restoration of
Jerusalem was to follow without the slightest delay, and he defines the period after the restoration
by numbering the years, and foretells that after the predetermined time it will again be destroyed,
and that after the second capture and siege it will no longer have (c) God for its guardian, but will
remain desolate, with the worship of the Mosaic Law taken away from it, and another new
Covenant with humanity introduced in its place. This was what the Angel Gabriel revealed to the
prophet as by secret oracles. So then he says to Daniel”
Instead of, “For sin to be ended, and to seal up transgressions,” Aquila translated, “For ending
disobedience, and for completing transgression.” I think that our Saviour’s words to the Jews, “Ye
have filled up the measure of your fathers,” are parallel to this.”
“And the people of the governor that cometh will destroy the city and the holy place.” Meaning
that the city and the Holy Place arc not only to be ruined by the leader to come, whom I have
identified in my interpretation, but also by his people. And you would not be far wrong in saying,
too, that the Roman general and his army arc meant by the words before us, where I think the
camps of the Roman rulers are meant, who governed the nation from that time, and who destroyed
the city of Jerusalem itself, and its ancient venerable Temple. For they were cut off by them as by a
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 285
flood, and were at once involved in destruction until the war was concluded, so that the prophecy
was fulfilled and they suffered utter desolation (400) after their plot against our Saviour, which was
followed by their extreme sufferings during the siege. You will find an accurate account of it in the
history of Josephus.”
“But after the prophecy of the events that happened to the Jewish nation in the intermediate
period between the |135 seven and sixty-two weeks, there follows the prophecy of the new
Covenant announced by our Saviour. So when all the intermediate matter between the seven and
the sixty-two weeks is finished, there is added, “And he will confirm (b) a Covenant with many one
week,” and in half the week the sacrifice and the libation shall be taken away, and on the Holy Place
shall come the abomination of desolation, and until the fullness of time fullness shall be given to
the desolation. Let us consider how this was fulfilled.” (Demonstratio Evangelica (Proof of the
Gospel); Book 8)
Origen of Alexandria (230)
“The weeks of years, also, which the prophet Daniel had predicted, extending to the leadership of
Christ, have been fulfilled” (Principles, 4:1:5).
Sulpicius Severus (403)
“But from the restoration of the temple to its destruction, which was completed by Titus under
Vespasian, when Augustus was consul, there was a period of four hundred and eighty-three years.
That was formerly predicted by Daniel, who announced that from the restoration of the temple to
its overthrow there would elapse seventy and nine weeks. Now, from the date of the captivity of
the Jews until the time of the restoration of the city, there were two hundred and sixty years. (p.
254, ch. 11)
Symmachus The Ebionite (161-80)
“Against thy people, and thy holy city”
Theodoret (430)
(Closes the period three years and a half after the suffering of Christ) “and so they begin the last
week at the baptism of Christ” (Quoted by Willet)
Jacques-Benigne Bossuet
“In the fifteenth year of Tiberius, St. John Baptist appears: JESUS CHRIST receives baptism from that
divine harbinger: the eternal father acknowledges his well-beloved son, by a voice from heaven :
the Holy Ghost descends upon the Saviour, under the harmless figure of a dove : the whole Trinity
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 286
manifests itself. There begins, with the Seventieth week of Daniel, the preaching of JESUS CHRIST.
This last week was the most important, and the most noted.
Daniel had distinguished it from the rest, as the week, wherein the covenant was to be confirmed,
and in the middle of which; tile old sacrifices were to lose their efficacy. We may call it the week of
mysteries. In it JESUS CHRIST establishes his mission and doctrine, by numberless miracles, and
afterwards by his death. This happened in the fourth year of his ministry, which was also the fourth
year of the last week of Daniel; and after this manner is that great week found exactly interfered by
the suffering of our Saviour.
Thus the computation of the weeks is easy to be made, or rather is done already. We have only to
add to 453 years, which will be found from the 300th year of Rome, and 20th of Artaxerxes, to the
beginning of the vulgar era, the 30 years of that era which we fee come down to the fifth year of
Tiberius, and the baptism of our Lord ; these two sums will make 483 years : of the seven years
which yet remain to complete 490, the fourth, which makes the middle one, is that in which which
Jesus Christ died : and all that Daniel prophesied, is visibly contained within the term prescribed.
There would even have been no necessity for so much exactness, nor does any thing oblige us to
take in so strict a sense the middle marked by Daniel.” (Universal History, pp. 114,115)
William Hales (1747-1831)
“And after the sixty and two weeks, before specified, as the largest division of the 70, was the
anointed [leader] cut off judicially, by an iniquitous sentence, in the midst of the one week, which
formed the third and last division, and began with our Lord’s Baptism, about A.D. 27.–‘when he was
beginning to be thirty years of age,’ and commenced his mission, which lasted three years and half
until his crucifixion, about A.D. 31.
“27. During this one week, which ended about A.D. 34 (about the martyrdom of Stephen,) a new
covenant was established with many of the Jews, of every class; in the midst of which the Temple
sacrifice was virtually abrogated by the all-sufficient sacrifice of the Lamb of God that taketh away
the sins of the [repentant and believing] world.”
Ernst Hengstenberg
“it was then regarded by the Jews as relating to a still future occurrence — the yet impending
conquest and destruction of Jerusalem.” (Com.2, page 584)
Keil and Delitzsch Commentary
“the interpretations may be divided into three principal classes. 1. Most of the church fathers and
the older orthodox interpreters find prophesied here the appearance of Christ in the flesh, His
death, and the destruction of Jerusalem by the Romans. 2. The majority of the modern interpreters,
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 287
on the other hand, refer the whole passage to the time of Antiochus Epiphanes. 3. Finally, some of
the church fathers and several modern theologians have interpreted the prophecy eschatologically,
as an announcement of the development of the kingdom of God from the end of the Exile on to the
perfecting of the kingdom by the second coming of Christ at the end of the days.” (Daniel, p. 336)
Cornelius a Lapide
“The gospel both is, and is called holy, because all the things which it contains are pre-eminently
holy. Holy is the birth of Christ by the Holy Spirit, holy is His teaching, holy are His works, holy are
His miracles, holy His passion, resurrection and ascension, holy the sending of the Holy Spirit. Daniel
9:24 alludes to this, where it is said that seventy weeks of years must be fulfilled until Christ,
that the saint of saints (the holy of holies) may be anointed. That is to say, by this book and in this
gospel the prophecy of Daniel about the coming of Christ, who is the holy of holies, is shown to be
fulfilled.” (Introduction to Matthew)
Isaac Newton (1642-1727)
“And in half a week he shall cause the sacrifice and oblation to cease; that is, by the war of the
Romans upon the Jews: which war, after some commotions, began in the 13th year of Nero , A.D.
67, in the Spring when Vespasian with an army invaded them; and ended in the second year of
Vespasian, A.D. 70, in autumn, September 7 when Titus took the city, having burnt the Temple 27
days before: so that it lasted three years and an half.”
“Thus have we in this short Prophecy, a prediction of all the main periods relating to the coming of
the Messiah; the time of his birth, that of his death, that of the rejection of the Jews, the duration
of the Jewish war whereby he caused the city and sanctuary to be destroyed, and the time of his
second coming: and so the interpretation here given is more full and complete and adequate to the
design, than if we should restrain it to his first coming only, as Interpreters usually do. We avoid
also the doing violence to the language of Daniel, by taking the 7 weeks and 62 weeks for one
number. Had that been Daniel’s meaning, he would have said sixty and nine weeks, and not seven
weeks and sixty two weeks, a way of numbering used by no nation.”
Blaise Pascal
“709. One must be bold to predict the same thing in so many ways. It was necessary that the four
idolatrous or pagan monarchies, the end of the kingdom of Judah, and the seventy weeks, should
happen at the same time, and all this before the second temple was destroyed. (SECTION XI)
722 (cont.). Daniel 9:20. “Whilst I was praying with all my heart, and confessing my sin and the sin
of all my people, and prostrating myself before my God, even Gabriel, whom I had seen in the
vision at the beginning, came to me and touched me about the time of the evening oblation, and he
informed me and said, O Daniel, I am now come forth to give thee the knowledge of things. At the
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 288
beginning of thy supplications I came to shew that which thou didst desire, for thou are greatly
beloved: therefore understand the matter, and consider the vision. Seventy weeks are determined
upon thy people, and upon thy holy city, to finish the transgression, and to make an end of sins, and
to abolish iniquity, and to bring in everlasting righteousness; to accomplish the vision and the
prophecies, and to anoint the Most Holy. (After which this people shall be no more thy people, nor
this city the holy city. The times of wrath shall be passed, and the years of grace shall come for
ever.)
“The street shall be built again, and the wall, even in troublous times. And after three score and two
weeks,” (which have followed the first seven. Christ will then be killed after the sixty-nine weeks,
that is to say, in the last week), “the Christ shall be cut off, and a people of the prince that shall
come shall destroy the city and the sanctuary, and overwhelm all, and the end of that war shall
accomplish the desolation.” (SECTION XI)
724. Predictions.–That in the fourth monarchy, before the destruction of the second temple, before
the dominion of the Jews was taken away, in the seventieth week of Daniel, during the continuance
of the second temple, the heathen should be instructed, and brought to the knowledge of the God
worshipped by the Jews; that those who loved Him should be delivered from their enemies, and
filled with His fear and love.
And it happened that in the fourth monarchy, before the destruction of the second temple, etc.,
the heathen in great number worshipped God, and led an angelic life. (SECTION XI)
Zonaras (11/12th C.)
“commences the period at the 20th year of Artaxerxes Longimanus, and ends the 62 weeks at the
death of Hyrcanus. From this point to Christ’s baptism they reckon seven weeks more, and then in
the midst of the last week, Messiah was slain; so there remained afterwards three years and a half
for the preaching of the Gospel. Eusebius begins the 69 weeks in the sixth year of Darius Itystaspes,
and ends them in the first year of Herod, about the death of Hyrcanus. He begins the 70th week at
Christ’s baptism, and ends the period three years and a half afterwards. Tertullian, by beginning in
the first year of Darius, counts 490 years, to the destruction of Jerusalem.” (Dissertations on Calvin)
F.F. Bruce (1971)
“When the temple area was taken by the Romans, and the sanctuary itself was still burning, the
soldiers brought their legionary standards into the sacred precincts, set them up opposite the
eastern gate, and offered sacrifice to them there, acclaiming Titus as imperator (victorious
commander) as they did so. The Roman custom of offering sacrifice to their standards had already
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 289
been commented on by a Jewish writer as a symptom of their pagan arrogance, but the offering of
such sacrifice in the temple court was the supreme insult to the God of Israel. This action, following
as it did the cessation of the daily sacrifice three weeks earlier, must have sensed to many Jews, as
it evidently did to Josephus, a new and final fulfillment of Daniel’s vision of a time when the
continual burnt offering would be taken away and the abomination of desolation set up” (Bruce, p.
224)
Gary DeMar
“Dispensationalists need a gap between the feet and the toes of Nebuchadnezzar’s statue..” (Last
Days Madness, p. 172)
J. Marcellus Kik
“The only valid objection against this general interpretation is that the destruction of Jerusalem did
not occur within the seventieth week – within the period of seven years. The seventy weeks
extended to about 33 A.D. The destruction of Jerusalem, of course, came in 70 A.D. A close
examination of the passage in Daniel does not disclose any definite statement that the people of
the prince were to cause this destruction within the seven years. Within the seven years the
destruction of the city was determined by its rejection of Christ and his apostles. Because of that
rejection the people of the prince that shall come shall destroy the city and the sanctuary.” (An
Eschatology of Victory 109-110)
“If the seventieth week were postponed we would still be in our sins!” (An Eschatology of
Victory 108)
John Lightfoot (1654)
“Daniel knowing from Jeremies Prophecie, that the seventy years of Captivity were now fully
expired, addresseth himself to God by prayer for their return: he receiveth not only a gracious
answer to his desire, but a Prediction of what times should pass over his people till the death of
Christ; namely, seventy weeks, or seventy times seven years, or four hundred and ninety. This
space of time the Angel divideth into three unequal parts.
1. Seven sevens, or forty nine years, to the finishing of Jerusalems Walls.
2. Sixty two sevens, or four hundred thirty four years, from that time, till the last seven.
3. The last seven in the latter half of which Christ Preacheth, viz. three years and a half, and then
dieth, &c.
The twenty seventh Verse therefore is to be read thus: He shall confirm the covenant with many in
the one week, and in half that week he shall cause Sacrifice and Oblation to cease, &c. So that from
this year to the death of Christ are four hundred ninety years; and there is no cause, because of
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 290
doubtful Records among the Heathen, to make a doubt of the fixedness of this time, which an Angel
of the Lord hath pointed out with so much exactness.” (Works, 1st. Ed., Vol. 1; Chronology, p. 136)
“[C]hrist now hath three years and a half to live, and to be a publick Minister of the Gospel, as the
angel Gabriel had told, Dan. 9.27. that in half of the last sevens of the years there named, he should
confirm the Covenant: R. Jochanan saith, Three years and an half the Divine Glory stood upon the
Mount of Olives and cried, Seek the Lord while he may be found. Midr. Till. fol. 10. col. 4.” (Works,
1st. Ed., Vol. 1; Harmony, p. 10)
Samuel Lee (1849)
“The wording of the Hebrew is peculiar here and highly deserving of remark. It stands literally thus,
— “Until (the) evening (and) morning, or it may be until the evening of the morning, two thousand
and three hundred, and the sanctuary (lit. holiness) shall be sanctified.” Evening and morning, I take
here to be a mere periphrasis for a day; and so our translators have taken it, Genesis 1:5. The day
here had in view must mark the period of Daniel’s seventieth week — the numbers given above
must be understood indefinitely, and as intended to designate a considerable length of time. This
consummation could not be effected by Antiochus Epiphanes: he only suspended the service of the
Temple for about three years and a half. By every consideration, therefore, it is evident that the
Little Horn of Daniel’s seventh and eighth chapters, is identically the same, and that this symbolized
that system of Roman rule which ruined Jerusalem, and then made war upon the sainted servants
and followers of the Son of man; and in this he prospered and practiced, until he in his turn fell, as
did his predecessors, to rise no more at all. (An Inquiry into the Nature, Progress, and End of
Prophecy, p. 168.)
Philip Mauro (1925)
“We understand that the sense in which the death of Christ made an end of sins was that thereby
he made a perfect atonement for sins, as written in Hebrews 1:3, ‘when He had by Himself purged
our sin,’ and in many like passages.” (The Seventy Week, p 47)
Jim McGuiggan (1978)
“When these ‘seventy weeks’ have ‘run their course’ God will have finished altogether his work
with the Jews as a (Mosaic) commonwealth!” (The Book of Daniel, p. 151)
William Whitson (1737)
“This is a very remarkable day indeed, the seventeenth of Panemus, [Tammuz,] A.D. 70, when,
according to Daniel’s prediction, 606 years before, the Romans “In half a week caused the sacrifice
and oblation to cease,” Dan. ix. 27; for from the month of February, A.D. 66, about which time
Vespasian entered on this war, to this very time, was just three years and a half.
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 291
“How general the reference of the prophecy then was to a future destruction of the city, appears
from the express observation of Josephus, that even the zealots had no doubt of the correctness of
this interpretation. The same interpretation is found also in the Babylonian and
Jerusalem Gemarah.“ (P. 215.)
“See Bishop Lloyd’s Tables of Chronology, published by Mr. Marshall, on this year. Nor is it to be
omitted, what year nearly confirms this duration of the war, that four years before the war begun
was somewhat above seven years five months before the destruction of Jerusalem, ch. 5. sect. 3.”
(Wars of the Jews, VI,II,1)
Todd Dennis (1995)
“Christ, in response to the question of how many times a man should forgive his brother (Matthew
18:22), responded by saying, “until seventy times seven,” which is the exact amount of time (490
years) in Daniel’s “weeks prophecy”. Considering that the end of that prophecy foretold desolation
upon the Jerusalem and the nation, perhaps Jesus implied that there was an end to God’s patience
with national Israel. If this was indeed Christ’s intent, then this declaration serves as one of His
most chilling notices of Israel’s impending destruction-by-fire.” (Were The Seventy Weeks Fulfilled
by AD70?)
Collin Sandler
“The word used for “weeks” is actually TWO words in the original text: shibah and shabuwa.”
In his book “Daniel, Key to Prophetic Revelation,” John Walvoord cites Edward Young’s “The
Prophecy Of Daniel”, which noted that Daniel used: “the masculine plural instead of the usual
feminine plural. No clear explanation is given except that Young feels ‘it was for the deliberate
purpose of calling attention to the fact that the word sevens is employed in an unusual sense.'” This
word is found only FIVE times in the O.T., all in the 9th chapter of Daniel, twice in verse 24, twice in
verse 25, and once in verse 26. Interestingly, Daniel’s verse 27 uses “shabuwa” (Strong’s 7620).”
However, if you examine a J.P. Green interlinear, you should find FIVE instances of the Hebrew
word “shibiym” (“Strong’s” 7657), and TWO instance of “shabuwa”. According to “Strong’s”,
“shibiym” is described as a “multiple [plurl] of 7651”, which is the word “sheba” in feminine gender
and “shibah” in masculine gender. “
If I understand the contexts correctly, it appears that the first sixty-nine “shibah” are one
chronology, and the seventieth “shabuwa” is a different chronology. It seems fairly obvious that
the seventieth “shabuwa” is a seven-year period, and that the sixty-nine “shibah” are NOT. Nearly
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 292
all commentators interpret all seventy periods of time as “shabuwa”, which totals to 490 years.
Literal scripture does NOT support that interpretation.”
C.H. Mackintosh (1858)
“Messiah was rejected, cut off, and had nothing. What then? God signified His sense of this act, by
suspending for a time His dispensational dealings with Israel. The course of time is interrupted”
(The Lord’s Coming – A Great Gap in Daniel 9)
COMPLETE PASSAGE FROM SCHAFF-LANGE
Otto Zöckler (1874)
1. Jewish exposition in pre-Christian times is united in referring this section [Dn9:24-27] to the
Maccabean era of tribulation under Antiochus Epiphanes. This is established beyond controversy by
the βδέλςγμα έπομώζεωρ of 1 Macc. 1. 54 which corresponds to [Heb: “shiqqûtsîm meshômem“], v.
27 and in that place denotes the smaller idol-altar (βωμόρ, v. 59) erected by Antiochus Epiphanes
on the altar of burnt offerings. It is no less clearly indicated by the manner in which the Sept.
renders this paragraph, and supplements it with various additions that obviously relate to the
Maccabean period. In this connection the mode of expressing the time indicated at the beginning of
v. 26 is especially instructive. “And after threescore and two weeks,‖ reads in that version, “μεηά
έπηα και έβδομήκονηα και έξήκονηα δύο,” i.e., after 139 (67 + 62) years. This was doubtless
intended to designate the year 139 of the æra of the Seleucidæ (B.C. 174) as the time at which
began the apostasy of the Jews who had been seduced by Antiochus; cf. 1 Macc. 1:11 et seq; 2
Macc. 4:9 et seq. See also Weisler, Die 70 Wochen, etc, p. 201; Hävernick, Komment., p. 387 et seq.
– several expressions in the New Test. appear to indicate that shortly before the advent of Christ
the Jews again began to look for the fulfillment of the prophecy in question in the future; e.g., Luke
ii. 38 (cf. v.24) πποζδεσόμενοι λιηπωζιν ΄Ιεποςζλήμ, Matt xi.3 ό έπσόμενορ, a designation of the
Messiah that probably originated in a misunderstanding of [Heb: hb‘] in v. 26 (cf. Weisler, p. 150);
and also the allusions to the “abomination of desolation” v. 27 contained in the eschatological
prophecies uttered by the Saviour (Matt xxiv. 15; Mark xiii, 14) and by St. Paul (2 Thess ii.3 et seq),
which could only be understood by their contemporaries, in case of a Messianic character were
assigned to the paragraph before us, and consequently in case its fulfillment were not exclusively
looked for in the events of the Maccabean period.
Josephus also bears witness that this Messianic eschatological interpretation was correct among
the Jews of his day, in the repeated instances where he states, or at least implies, that the terrible
incidents connected with the Jewish war and the destruction of Jerusalem by the Romans was
predicted by the prophet Daniel; e.g., Ant.X.11.7: “Daniel also wrote concerning the Roman
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 293
government, and that our country should be made utterly desolate by them (όηι αύηων
έπημωθήζεηαι);” Die Bell. Jud. IV. 5. 2, where he applies the term “anointed one,” v. 26, and again
the expression “anointed one and prince,” v. 25 to the high Priest Ananas whom the Idumæians
murdered; and De Bell.Jud. VI. 5. 4, where the mysterious oracle “that when should their city be
taken, when their temple should become four-square‖ seems to refer back to v. 27 (where they
perhaps read [Heb-rabû„a] instead of [Heb-shabu„a], etc It is less certain whether any direct
reference to this section is contained in the celebrated passage, De Bell Jud., VI, 5, 4, ώρ καηά ηόν
καιπόν εκείνον άπο ηήρ σώπαρ ηιρ αςηών άπξει ηήρ οίκοςμένηρ. In that case the parallel records in
Tacitus Hist., V. 13 and Suet. Vesp. 4, must of course, be likewise rooted in the prophecy of Daniel
that is before us. Concerning this question see Hävernick, p. 390, who, however, probably finds too
much in the passage, since he refers to the άπξει ηήρ οίκοςμέv directly to the [Heb. Nagîd “prince”]
of v. 25 and 26.
2. The interpretation of Josephus, which applies the prophecy of the the destruction of Jerusalem in
A.D. 70 and to Titus as the [Heb. Nagîd habbar – the coming prince-FB], v.26 seems to have been
accepted, with scarcely an exception, by the later Jews of the Talmudic æra and the time
immediately subsequent. The principal witness to this fact is Jerome (on v. 24 et seq.; T.V. 2 ed.
Vallars, p. 694). The “Hebræi” of his day calculated the 490 years or seventy weeks of years from
the first year of Darius or B.C. 539 indeed, but none the less assigned their conclusion to the age of
Jesus, even finding his death predicted therein (probably in the [Heb. Yîkkareth Mashîach-“messiah
shall be cut off”], v. 26), since they held that “non erit illius imperium, quod putabat se
redemturum” (as it should be read, instead of “quod putabant se retenturos,” which is a later
emendation). They also found a prediction of the approach of the Roman army under Vespasian
and Titus, in the same place.
Several added even the rising under Barcocheba or the three years‘ (three and a half years) war
against Hadrian: “Nec ignoramus, quosdam illorum dicere, quod una hebdomada, de qua scriptum
est: confirmabit pactum multis hebdomada una, dividatur Vespasiano et Hadriano, quod juxta
historiam Josephi Vespasianus et Titus tribus annis et sex mensibus pacem cum Judæisfecerint. Tres
autem anni et sex menses sub Hadriano supputantur, quando Hierusalem amnino subversa est, et
Judæorum gens catervatum cæsa, ita ut Judææ quoque finibus pellerentur.”
The two Gemaras also refer this prophecy to the war against Vespasian; the Babylonian in Nasir, c.
5; Sanhed., c. 11, and the Jerusalem in Kelim,c. 9; and several Talmudic and Rabbinical traditions
are likewise based on that interpretation, e.g., that the Targumist had neglected to translate the
Hagiographa, because it was taught in them that “the Messiah should be cut off” (v. 26, See
Lightfoot, Hor. Hebr, ad Luc xix. 11; Schöttgen, Hor. Hebr., p. 211); and that the Messiah actually
came at the time when Jerusalem was destroyed and the temple desolated, but as a sufferer and in
disguise (Glæsener, De gemin. Jud. Mess., p. 23ss; Corrodi, Krit. Gesch. des Chiliasmus, I. 284 et
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 294
seq.). It was reserved for the later period of the middle ages to introduce several new and more
independent explanations beside this variously modified Messianic interpretation of the prophecy;
e.g., by referring the [Heb Mashîach Nagîd – “Messiah (the) Prince”] to Cyrus (Saad, Gaom. Rashi,
Jacchiad,), or to Nehemiah (Ibn-Ezra) or the high priest Joshua (Levi b. – Gers). Cf. Müller,
Judaism,pp.321, 432 et seq.‘ Carpzov, in his ed. of Raymond Martini‘s Pugio fidei, p. 233. – It was
customary to follow the Seder Olam Rabba in reckoning the seventy weeks from the first
destruction of the temple to the second; see Abendana, in the Spicileg. ad Michl. Jophi:
“Hebdomades hæ sept. sunt septimanæ annorum quadringentorum nonaginta, iidemque sine dubio
a devastatione primi ad devastationem secundi templi, quia sept. anni fuere captivitatis Babylonicæ,
et quadringenti viginti anni, guidus futura erit domus secunda in structura sua; atque sic majores
nostri exposuere in Seder Olam.” By this method of reckoning, the v.25 [Heb. Motsa dabar “going
out of the word”], v. 25, is accordingly made to apply to the period of Jeremiah‘s prophecy
respecting the seventy years‘ exile or to the year B.C. 588. Ibn-Ezra alone departs from this method,
by referring that expression concerning the going forth of the oracle (v.23) to Daniel, and
consequently assigning the beginning of the 490 years to the year B.C. 539 and extending the first
seven weeks of years belonging to that period, to Nehemiah, the restorer of the temple, or to the
twentieth year of Artaxerxes. Concerning these Rabbinical methods of reckoning, and at the same
time, concerning their fundamental incorrectness and untenable character in a chronological point
of view, cf. Chr. B. Michaelis, Annot. uberior, III, 320 et seq. Individual Rabbins in modern times
were convinced of the incorrectness of this usual anti-Messianic interpretation, as appears from the
noteworthy expression of the Venetian chief-Rabbin Simon Luzzato, concerning this passage, as
recorded by Wolf in the Biblio.
Hebr., III, 1228. According to him, “the consequence of a too extended and profound investigation
on the part of Jewish scholars would be that they would all become Christians; for it cannot be
denied that according to Daniel‘s limitation of the time, the Messiah must have already appeared.
But that Jesus was the true Messiah he felt himself unable to accept as certain.”
3. The Christian expositors of the older times regarded the directly Messianic bearing of the
passage as generally incontrovertible, and especially the application of [Heb. Yîkkareth Mashîach –
“messiah shall be cut off”] to Christ the crucified, as also the reference of the “restoring and
rebuilding” of the city and temple in v. 25 to the establishment of the church of the New Covenant;
cf., Barnabas, Ep.,c. 16; γέγπαπηαι γάπ κάί έζηαι εβδομάδερ ζςνηελοςμένηρ, οικοδομηθήζεηαι
ναόρ θεού ένδοξωρ έπί ηώ όνομαηι κςπίος, κηλ. The different exegetes varied exceedingly
however, in the mode of reckoning the years. Jerome, on this passage, already mentions nine
different methods of explaining them: (1) that of Jul. Africanus, who reckoned the 490 years from
Nehemiah, or the 20th year of Artaxerxes, to the death of Christ, but in connection with this
committed the error of reckoning by Jewish lunar years (resulting in only 465 solar years); (2) Three
different theories of Eusebius, who (a) dates the first sixty-nine weeks from the return of the Jews
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 295
in the reign of Cyrus to the death of Alexander Jannæus, the high priest and king, and Pompey‘s
invasion (B.C. 536 – B.C. 64; thus in Dem. Ev., VIII, 2, 55 et seq); or (b) from the second year of
Darius Hystaspis (B.C. 520 to the birth of Christ (ibid, and Chronic. Ol. 184); or, (c) regards the last
week as a period of seventy years, and attempts to calculate from the resurrection of Christ; (3)
That of Hippolytus, who counted sixty-nine mystical weeks (comprising more than seven years
each) from the first year of Cyrus to the incarnation of Christ, and declared that the last mystical
week denotes the future period of the antichrist, which is connected with the end of the world; (4)
that of Apollinaris of Laodicea, who reckoned the 490 years from the birth of Christ (“ab exitu
Verbi,” v. 25), and therefore expected the coming of the antichrist and the end of the world about a
century after his day, in the “last week;” (5) that of Clemens Alex. who extended the seventy weeks
of years, in the face of all chronology, from the first year of Cyrus to the second year of Vespasian
(B.C. 560 – A.D. 70); (6) that of Origen, who denies the possibility of any more exact chronological
estimate, and therefore assumes 4900 years instead of 490, reaching from Adam to the destruction
of Jerusalem by Titus (not indeed in vol. X. of his Stromata, which Jerome cites, but in his Tract.
XXIV, on Matthew c.24); (7) that of Tertullian (adv. Judæos, c.8), who reckons the 437½ years from
the first year of Darius Nothus (whom he strangely identifies with Darius Medus) to the birth of
Christ, and fifty-two and a half of them from that event to the destruction of Jerusalem, thus
obtaining 490.
Jerome himself expresses no opinion respecting the mode of reckoning to be observed, but seems
to favor that of Africanus, which he preferred to all the others, and probably not without reason.
That method is likewise adopted by Chrystostom, Theodoret, Isodore of Pelusium, Euthymius
Zigabenus, and generally by a majority of expositors in the Oriental church, but few of whom
assume an independent position. Among the latter are, e.g., Cyril of Jerusalem, (Catech. xii, 19),
who attempts to extend the seventy weeks of years from the sixth year of Darius Medus to the
birth of Christ but violates historical accuracy by identifying Darius Medus with Darius Hystaspis;
Ephraem Syrus who places the restoration of Jerusalem in the beginning of the seventieth week
and the destruction by Titus at its close, without entering on a more careful calculation in other
respects; Polychronius, a brother of Theodore of Mopsuestia, who reckons the first seven weeks
from Darius Medus to the ninth year of Darius Medus to the ninth year of Darius Hystaspis, when
Zerubbabel‘ s temple is said to have been completed, the sixty two weeks from the twentieth year
of Artaxerxes to the birth of Christ, and the final week from that date to Titus, while the death of
Christ falls in its central point; Basil of Seleucia (Orat., 38 in t. 85 of Migne‘s Patrol.), who calculates
the first sixty-nine weeks from the completion of the walls of Jerusalem in the twenty-eighth
year of Xerxes (!) to the resurrection of Christ, and identifies the seventieth week with the first
seven years after the resurrection, while he declares the abomination of desolation erected in the
middle of that week to have been the familiar attempt of Caligula to erect his image in the temple.
Among the later expositors of the Latin church, Augustine, following the example of Jerome, avoids
every independent and detailed calculation of the seventy weeks. He contents himself with finding
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 296
a fulfillment of the leading features of the prophecy Dan. ix. 24 et seq., in the earthly work of Christ
and in the judgment of Jerusalem, and expressly rejects (especially in Ep. 199 “de fine sæculii”) the
opinion of those who looked for two periods of seventy weeks of years, the first of which should
reach to Christ‘s advent in the flesh, and the second to the end of the world. This assumption of a
double period of seventy weeks of years, or of an Old Test. antitypical fulfilment, was advocated as
late as the sixth century by the unknown Arian author of the so-called Opus imperfectum in
Matthæum. Sulpicius Severus (Chron, II, 21) extends the sixty-nine weeks from the thirty-second
year of Artaxerxes I to Vespasian, or from the restoration of the temple to its second destruction.
His contemporary, Julius Hilarianus, appears in his Chronologia s. libellus de mundi duratione (in
Migne, t. 13, p. 1098) as the forerunner of the modern critical exposition, in consequence of his
denial of the direct Messianic character of the prophecy, whose fulfilment he places in the age of
Antiochus and the Maccabees; but he commitst gross chronological blunder of assigning 434 years
(=62 weeks) to the interval between the return of the Jews under Zerubbabel and the reign of
Antiochus Epiphanes, while the period between B.C. 536 and B.C. 175 really amounts to but 361
years! Prosper Aquitan in his Chronicon adopts the view advocated by Eusebius in the Demonstr.
Evangelicon and the Chron. (see supra. No. 2b) and accordingly reckons the sixty-nine weeks from
the building of the temple under Darius to Herod the Gr. and the birth of Christ. Finally, the
venerable Bede adopts substantially the view of Julius Africanus (Libell. de temporum ratione, c. 7),
as does also Thomas Aquinas.”
* It is perhaps to these prophecies of Daniel in a general way that Josephus likewise alludes in the
references to an ancient prediction that the city should be destroyed in a civil war, De Bell. Jud., IV.
6,3; VI., 2, 1.)
(Comm in Dan., in Opp., t. XIII. ed. Antwerp). (Lange-Schaff, pp. 205-207)
En hier commentaar van enkele lezers op het vorige.
Date: 20 Apr 2004
Time: 16:36:18
Dispensational puzzler: The teaching goes that “Antichrist” makes a treaty with Israel for one week.
In the beginning of this seven year period, they are permitted to worship in the temple, conducting
animal sacrifices and all of that. In the midst of that seven years the Antichrist sets up the
abomination in the temple, simultaneously ending the sacrifice and oblation. But Daniel
12:11 reads, “And from the time that the daily sacrifice shall be taken away, and the abomination
set up, there shall be a thousand two hundred and ninety days.” Daniel has the end of the sacrifice
taking place about three and a half years BEFORE the abomination is set up. This is one of many
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 297
contradictions
between
Dispensationalism
and
the
Bible.
——
C.P.Machovsky
——-
www.biblebits.com
Date: 20 May 2004
Time: 15:14:05
There’s nothing puzzeling about it. The two events do occur at the same time; thus the word “and”
rather than “until”. They both occur in the middle of the week and then there remains three and a
half years of the 70th week. The preterist doctrine is impossible because they cannot explain
Daniel’s prophecy of the 70 weeks! No matter how hard they try, preterists cannot make the
numbers add up! It doesn’t matter where you start the time line, everyone agrees that the Lord’s
death and the destruction of the city (Jerusalem) occurs after the 69th week. Preterists say they
both occurred in the 70th week. But these two events occurred nearly 40 years apart! Thus they
must either admit a gap in the middle of the week (which they say cannot be) or else cram 40 years
into seven! Neither option will do. Therefore preterism is clearly a false theory. Incidentally, every
other non-dispensational view has this same insurmountable problem.
Date: 22 Sep 2004
Time: 21:56:54
Sorry, I had to correct Collin when he finds 5 shibiym and 2 shabuwa in Dan. 9:24-27Sorry, I had to
correct Collin when he finds 5 shibiym and 2 shabuwa in Dan. 9:24-27. He has read the wrong
vowels in. There are actually 1 shibiym, 4 shabuim and 2 shabuwa. The 1 shibiym should not be
counted because it means simply “seventy”, not “weeks”; then shabuim is here the plural of
shabuwa and both have the same meaning. The only reason he finds a distinction is that one means
“weeks” (70, 62, 7) and one means “week” (1, 1/2). This is obvious looking at the vowels in the text,
which after all begins “shabuim shibiym”, meaning “70 weeks”, not “weeks of weeks” nor, God
forbid, “70 70’s”! As a covenantal premill tending to posttrib, I found Africanus very helpful in that
he uses the math honestly, unlike many. He comes to very similar conclusions as Robert Anderson.
However preterists have never answered Anderson’s power-packed math. (I’m going to use the
Julian and Hillel II calendars as well as what Anderson assumed the date was called when it actually
occurred.) Adjusting him slightly, there are 173,880 days (7x69x360) from Sun 16 Mar 445 (4 Nisan
3316) to Sun 6 Apr 32 (6 Nisan 3792, assumed 10 Nisan). Artaxerxes’ decree date is (early) Nisan in
his 20th [445] in Neh. 2:1, and Jesus’ triumphal entry date is apparently 10 Nisan [32] implied in Ex.
12:3. Anderson finds evidence from lunar embolismic tables that indicates that Hillelite 6 Nisan was
called 10 Nisan. Josh McDowell adjusts this by one year, as there are also 173,880 days from Mon 9
Mar 444 (6 Adar Sheni 3317, assumed early Nisan 3318) to Mon 30 Mar 33 (10 Nisan 3793). With
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 298
this adjustment there is no lunar or Scriptural problem with either date. If the weather was good,
Hillelite Adar Sheni would have been called Nisan. However, Anderson’s other great contribution
was to find THE SAME PATTERN in Jeremiah’s 70 years with both dates stated precisely in Scripture.
Again adjusting slightly (both Anderson and McDowell made minor math errors), from the siege of
Jerusalem dated Sat 18 Dec 589 (11 Tevet 3173, assumed 10 Tevet as given in 2 Kings 25:1), to the
blessing of Jerusalem dated Sat 16 Dec 520 (23 Kislev 3242, assumed 24 Kislev as given in Hag. 2:1820), are exactly 25200 days, or 70×360. Since covenantal premills reject the basic tenet of
dispensationals (separating Israel from church as two chosen peoples), I find it difficult to reserve
the 70th week for an Israel-only future tribulation. However, since preterists have nothing
resembling this exactitude of math, could Anderson be right to end the 69th week with the
triumphal entry? If not, why would God permit EXACT DATES for 3 of these incidents (and an exact
month for the 4th) to be known and to correspond so exactly to 360-day years? Just another trick
up his sleeve? And of course this leaves the 70th week in complete limbo! Best wishes!
[email protected]
McDowell’s date for Artaxerxes’ decree under Hillel’s calendar should be corrected to 6 Adar Sheni
3316, assumed early Nisan 3317. See how easy mistakes are! Also the Julian dating is of course New
Style. [email protected]
Date: 03 Dec 2004
Time: 19:34:59
To begin with, there is no “gap” between the 69th and 70th weeks of Daniel. “Until” and “and,” in
this context, have the same meaning. If not, then Daniel would have stopped in the middle of his
sentence, and essentially said nothing. The comma after “taken away” separates the two events by
the given length of time: 1290 days. Daniels’ 70th week began immediately after the 69th week.
Christ was anointed Messiah, and began His ministry. Ostensibly, He was to confirm the covenant to
the many in Israel for seven years, at the end of which He would have set up the kingdom to the
nation. But three and half years later He was crucified. The end of the seven years is not clearly
defined in the Bible, because it was immaterial after Israel rejected and crucified Him. The nation
had forfeited the kingdom. About 40 years later the days of vengeance prophesied by Isaiah, and
foretold again by the Lord Jesus Christ in Luke 21:22, took place. C.P. Machovsky
WWW.Biblebits.Com
Date: 15 Dec 2005
Time: 18:03:32
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 299
Thank God for this website and to all behind it. Now we have a website that allows for unbiased
and non-indoctrinating presentation of Biblical positions by all denominations. Let the TRUTH shine
on! Dr. Isabelo S. Alcordo, Ph.D. (Author: “Biblical History of Israel and the Kingdom of God.”)
Date: 23 Nov 2006
Time: 13:15:35
i would like to add soemthing very interesting to this whole daniel equation about the 70 weeks of
daniel, at first i was futurist as taught in church then thought on the preterist thoery a great deal,
and what i found on deep meditation over the years was that theres an obvious preterist truth
simply because of the condition and spirit of the red letter of christ, he was all about coming to
make a visitation on the people of israel matt23:35-36, that being daniels people and not gentiles
as said in daniel 9:24.
and christ was to only come to the lost sheep of israel matt.10:5-7 and matt. 15:24.
my acute observation on something on the chart you have on this webesite is the 70 weeks, the 62
weeks, and the times when christ was born, this is a massive flaw in your understanding, daniel
states firstly that the ‘unto the messiah” in 9:25 will be 69 weeks of years, but it says in the 26th
verse that messiah will be cut off at the 62nd week of years, ok correct me if iam wrong, but isnt
that 49 yrs difference between when christ is on the cross at 62 weeks and 69 weeks he shows up
again in some way for judgement on jerusalem.
my thinking cant seem to get over the fact theres something wrong with both the current thinking
in futurist models and preterist thinking,i lean toward preterist because its clear that christ judged
israel and said all those things would happen to that generation and it did according to historian
josphus, and even christ said the abomination of desolation spoke of by daniel would be seen by
some of the apostles matt.24:15. he addressed the apostles. not us!
bottem line is we have a issue with the real understanding of the weeks of years, the 62 weeks
thing and 69 weeks thing has to be figured out before you can figure out the 70th week people!
Date: 04 Apr 2007
Time: 22:23:05
In response to the 62/69 weeks question, the 62 weeks comes after the first 7 weeks making 69
weeks.
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 300
However, there are several things that I can’t figure out regarding preterist theology.
1) It appears that the city and sanctuary are destroyed in verse 26 before the covenant that begins
the seventieth week in verse 27.
2)If Jesus’ death marks the middle of the 70th week, then where is the abomination that causes
desolation, which should appear about the same time?
If anyone can answer either of these questions, I greatly appreciate it.
Date: 31 Oct 2007
Time: 01:10:14
In the NKJV, vs 26 and 27 are written together as poetry. I took this as a key to consider them as
Hebrew Parallel literature.
If you divide each of the 2 verses into 3 parts, beginning, middle and ending sections, then allow the
parts of both verses to asymilate together, it is a narrative of the 70th week and the cause/effects
of the things that happen in the 70 weeks…. i.e. the desolation.
Part 1.
He (Messiah) shall confim a covenant with the many for the one (final) week. In the midst of that
week, he shall be cut off, but not for himself, CAUSING the sacrifice and oblation to cease. (the
sacrifice and oblations did not immediately cease, but the cause of their end had occured with His
being cut off)
End of 70 weeks, but not the end of the effects.
Part 2, cause effect.
For the overspreading of abominations (I view this as the continued disbelief and rejection of Christ
and the Apostles and the continued animal sacrifices which would now be a total abomination to
God.) the people of the prince who is to come shall desolate the city and the sanctuary and its end
will come as a flood.
Part 3, the desolations
Throughout the war till it’s end desolations will continue until the city and sanctuary are
consummed. And that which is determined (the end of the people?) shall be poured out upon the
desolate.
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 301
Date: 01 May 2009
Time: 20:41:44
I have recently been introduced to the theory that Genesis is not the creation of the physical earth,
but is telling the story of God’s covenant with his people old and new. In reading Samuel Lee’s
thoughts, he is in essence confirming that there is more to Genesis than we have been taught in the
church. God says that He has told us the end from the beginning and I believe this to be true along
with the fact that all was fulfilled as prophesied in 70 ad. S. Stepard
Date: 10 May 2009
Time: 04:17:26
I think that Daniel 9:27 speaks of the week of the Passover festival.This is the week that Jesus died
on the cross for our sins…In the Gospel of Matthew,12:39-41,Jesus himself stated,that he would be
in the heart of the earth,for 3 days and 3 nights…
According to the scriptures,the Lord died at 3:00 pm and was laid in a new tomb,before
sundown.According to the scriptures a Sabbath day is from sundown to sundown…It is confirmed
by all four Gospels that Jesus died on the preparation day of the Passover lambs,Matthew
27:62 and Mark 15:42 Luke 23;54 John 19:42 cf.1 Cor.5:7…
The preparation day was the middle(midst)of the festival week…The time of Passover and Unleaven
bread,followed by the Seventh day sabbath of rest. Daniel 9:27 states that “he” Jesus,would
confirm the Covenant with many for one week,that is “a literal” seven days…
As it is written,so it was…Jesus lay in the heart of the earth for the remainder of that same week,
spoken of by Daniel,and rose again on the third day…Which was the day of Firstfruits,the first day of
the week(Sunday)…
>From the beginning of the Lord’s ministry,Luke 3:23 and Mark 1:15.to the destruction of that
temple in A.D 70,was 40 years…The people Israel,of that generation,were given this time by God to
repent of of sin and believe the Gospel…Even after they rejected His Son and put him to death.
One of the most significant of all these things,is that this week spoken of by Daniel,was when the
unbelieving Jews of that generation,were given the Messianic sign of Jonah,as promised by Jesus…
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 302
The time of his death,his burial and his resurrection,was foreordained by God to take place in this
particular week.The Lord’s ascension back to Heaven,to receive his Dominion and a Kingdom was
also prophesied in Daniel 7:13,14 cf.Acts 1:9… Here is proof that Jesus was Israel’s promised
Messiah,the LORDS salvation,the Son of God…
The destruction of that temple,that took place 40 years after the beginning of the Lord’s ministry,
signified this truth,but no only this truth…In the main,it signified that his given authority,to do all
those things,that the Pharisees attempted to question him of,was given by God,his Father…
Truly,had the Lord came to rule over that nation and to be their king,he would have had the right to
do just that…However,this was not why he had come.For he had came to save,that which was lost…
After Jesus’ death for sinners,and 40 days after his resurrection,he was taken up to Heaven in cloud,
and brought before the throne of the ancient of Days…
At the appointed time of destruction of that temple,his authority to do all things,was woefully
displayed…His coming in power and great glory, while NEVER physically and literally LEAVING
Heaven itself,was the answer of where and whom his authority came,when their house(the
temple)was destroyed…
For the scepter had passed from Judah,Genesis 49:10,at the birth of Shilo(Christ)and this too,was
confirmed,by the gathering of the people unto to him in Jerusalem days before his death for
sinners…Here again in is proof that he was the ONE to whom scepter belonged,Matthew 21:9…
For the prophecies of old,Genesis 49:10,Daniel 9:24-27 was confirmed by this same Gabriel,to the
virgin named Mary,that the time of their fulfillment was at hand,Luke 1:32,32…
Jesus’ first appearance in that same temple that was built unto his coming,took place after 40 days
after his birth…This again was proof that the scepter (right of rule) belonged to none other than
Messiah the Prince,the Son of God…This is “he” whom confirmed the New Covenant with believing
Israel,the church…
This is “he” whom the Covenant was dedicated with his own blood,Matthew 26:26-28…This was
“he” the mediator and testator of the New and better Covenant…Made and confirmed in the
temple(his body)not made by hands…This was Jesus of Nazareth…
Yeshuamyking
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 303
Date: 10 May 2009
Time: 14:37:06
Perhaps,we have all been calculating the “seventy” incorrectly…This is why the numbers do not add
up,and there seems to remain time or even a gap… I am and orthodox/historical Preterist…I am
somewhat inclined to count the number of years of Daniel 9:24-27 historically,the way same that
the 70 years of the captivity in Babylon was counted…
That is that from the coming of the Messiah(his birth)and his FIRST appearance in that same temple
40 days later,to the destruction of it in A.D.70, there are exactly 70 years…
We must indeed consider the Hebrew calendar,the extra month Adar Sheni,that is added every
three years…We know that Christ was born before Herod died,in 4BC…So there may even be a
reckoning,that this is the way that the “seventy” should be counted,that they are complete and
without gap(s)of time…
Again,my thinking is that the last and final week spoken of by Daniel in 9:27 are the seven days,of
the Passover festival…The Lord was crucified mid-week and for the remainder of that week(seven
days)he was in the heart of the Earth.This makes that week complete,and the sign given was the
Messianic sign of Jonah…Matthew 12:39-41.
In my opinion there were 40 years of which repentance was preached to the people Israel,before
the destruction of that temple…Beginning with Jesus’ own ministry to them in “30”…
After the Lord’s ascension back to Heaven and his opening of the first seal Rev.6:2.the Gospel of
salvation and of the coming earthly Kingdom of God,(one and the same Gospel)took off and spread
through out the known world(the Roman world)as a rider upon a white horse…However,this same
Gospel was preached continually in and to the people Israel…
I admit to having changing thoughts on this subject,and so i will say for now,that the destruction of
the temple signified yet another thing,to this people Israel…That is the end of the “age” of God’s
dealing exclusively with them…
In the past(sundry times)God spoke to them by the Prophets and in these last days,he spoke to
them by his own Son and finally through the church,the “Israel” of God,Acts chapter 2…
So there is no future New Covenant with ethnic Israel.There presently no dual or standing Covenant
with ethnic Israel.There is but one Covenant that is the New Covenant…The “seventy years” of
Daniël 9 en de zeventig jaarweken 304
Daniel ended with the destruction of the same that temple. There is no remaining week,or part
there of seven years.There is only the reckoning of fulfillment time…
Date: 15 May 2009
Time: 12:44:38
The seventy weeks of Daniel should be counted the same as the literal seventy years of the
captivity in Babylon.There were 70 years from the birth of Christ to the destruction of the temple in
A.D.70. The week (7 days)that Daniel speaks of in 9:27 is the ” Holy week” of the Passover
Festival.Jesus the Messiah confirmed the New Covenant with many during this week.He was in the
heart of the for three days and three nights(three full Sabbath days)and Holy convocations.Jesus
words to the Pharisees were fulfilled to the letter,as he promised they would be,Matthew
12:8,39,40.He spent the Passover, Unleaven Bread and the seventh
day Sabbath of rest in the heart of the earth.This was the Messianic sign of Jonah.
Also in this week we have the fulfillment of Genesis 49:10 Exodus 12:6Leviticus 16:14,15 and Isaiah
53 and other prophecies related to Israel’s Feasts and Holy days.In the main Messiah’s birth, his
death,his burial and resurrection was at the appointed time and were fulfilled to the letter of the
law.
Download
Random flashcards
fff

2 Cards Rick Jimenez

mij droom land

4 Cards Lisandro Kurasaki DLuffy

Create flashcards