Daniël 1 - PKN Heemskerk

advertisement
Preek op 5 maart 2017 in de Morgensterkerk over Daniël 1
Eerste zondag van de veertig dagen
Het verhaal begint met de verwoesting van Jeruzalem en van de tempel. Dat staat er niet met zoveel
woorden, het staat er eigenlijk maar heel onderkoeld:
Nebukadnezar, de koning van Babel,
kwam naar Jeruzalem
en benauwde het.
Heel summier, in een paar regels. Maar wat gaat er wel niet achter schuil? Een ongelofelijke chaos,
de belegering van een stad, een verwoesting, soldaten die alles in brand steken, kapot slaan,
verkrachten. Ongelofelijke verschrikking. De verwoesting van de tempel is een van de grote trauma’s
van het volk Israël, door heel de Bijbel heen vind je er sporen van, lees Klaagliederen er maar eens op
na. Kaalslag.
Het wordt maar heel kort verteld, als een nieuwsberichtje. Zoals vandaag ook wel: Het Iraakse leger
heeft het oosten van de stad Mosul weer in handen gekregen… Zo’n berichtje… wat gaat daar wel
niet achter schuil? Zo hier ook: Jeruzalem wordt ingenomen, lieve help.
En dan staat er dat de koning van Babylon de spullen uit de tempel naar het huis van zijn god laat
brengen. Het gerei… Wat is dat: de schalen voor de toonbroden, de kandelaren, de menorah… De
liturgische voorwerpen uit de tempel, die niet zomaar spullen zijn, maar die verwijzen naar het
verhaal van deze God, deze die zijn volk bevrijd heeft uit het slavenhuis Egypte. Spullen die verwijzen
naar dat speciale, dat unieke verhaal van deze unieke God. Deze God die wil dat mensen in de
ruimte, in de vrijheid leven.
Dat verhaal gaat in ballingschap. Dat verhaal, klinkt het nog wel? Of is het uit met dat verhaal?
Misschien ook wel heel erg een vraag van vandaag: klinkt dat verhaal nog? Dat verhaal van uittocht
naar vrij, goed mens zijn. Dat verhaal van: liefde sterk als de dood… Klinkt het nog, of is het uit?
Het klinkt nog. Maar het is in ballingschap. Het is den vreemde. In een wereld die er niet van weet,
een wereld die leeft met andere verhalen, andere machten, andere spullen, andere goden. Een
wereld van steeds hoger, steeds meer, steeds beter. Een wereld van tégen elkaar. Ballingschap. Onze
wereld.
Maar, ja, zeker wel: in die vreemde, ballingschap-wereld klinkt nog dat aloude verhaal, dat
bevrijdende. Maar het is verborgen. Het klinkt alleen als er nog mensen zijn die zeggen: Weet je nog!
Dat verhaal klinkt alleen als er nog mensen zijn, die ernaar vragen: Hoe gaat ook al weer dat verhaal,
dat andere? Wat is ook al weer onze voedingsbodem? Waar ging het ook al weer ten diepste om?
II
Daniël, Chananja, Misjaël, Azarja.
Zij zijn die mensen. Vier mannen worden er ten tonele gevoerd. En zij leven midden in die wereld, ze
staan er midden in, ze staan NB. in het centrum ervan, in het centrum van de macht, ze worden aan
het hof van Nebukadnezar gehaald.
En het bijzondere is: die wereld waarin zij leven, deze vier mannen, wordt helemaal niet boosaardig
beschreven. Nee, zij leven in die wereld en gaan er in op. Ze geven zich eraan. Het wordt zo verteld,
dat zij worden opgeleid tot een soort elite, een sort raadslieden van de koning. En daartoe moeten ze
de wijsheid, de filosofie van Babel tot zich nemen, alles lezen wat er te lezen valt, alles doen wat er te
doen valt. Zich er in mengen.
Er wordt dus helemaal geen sfeer geschetst van: die boze buitenwereld, daar moet je liever niets
mee te maken willen hebben. Houd je afzijdig. Zoals vroeger wel gezegd werd, en in sommige
christelijke kringen nog wel: geen tv kijken, geen internet hebben, niet naar het theater… dat is
allemaal werelds. Mijn moeder zei vroeger altijd, als ze de gordijnen dichtdeed ’s avonds als het
donker werd: ‘Dag, boze buitenwereld.’ Ik hoor mijzelf dat nu ook altijd zeggen, heel grappig. Maar
zo staat het hier dus niet! Nee, Daniël en zijn makkers gaan óp in die wereld waarin zij leven. Die
wereld, dat is hun wereld, zij houden zich niet afwijzijdig. Ze kijken dezelfde zinnige en onzinnige tvprogramma’s als Nebukadnezar, ze lezen dezelfde kranten, dus niet per se alleen maar een
christelijke krant… Ze stemmen ook gewoon op verschillende politieke partijen, alle vier op een
andere, denk ik, maar in ieder geval niet per se alleen maar op christelijke partijen. Niet apart, niet
afzijdig, zij leven in de wereld, dat is hun wereld, hun leven, één met allen.
Maar, in die wereld zijn zij toch mensen met een ánder verhaal. En dat verhaal, dat bepaalt toch op
een diep niveau hun identiteit. Wie zij zijn. Zij zijn mensen van dit verhaal. Joodse mannen, mannen
van de Torah. En wie zij ten diepste zijn, dat hoor je aan hun namen. Want in de Bijbel geldt: je naam
is wie je bent. Daniël, dat betekent: God is mijn Rechter. Chananja, JHWH is genadig. Misjaël, Bij God
is Redding. Azarja, JHWH is hulp.
En dan gebeurt er iets. En ook dat wordt weer even kort, in een enkele zin, verteld: ze krijgen nieuwe
namen. Ze heten niet meer zoals hun Joodse moeders en vaders hen noemden, als kind, vanaf de
besnijdenis. Hun namen, waarmee ze een leven lang genoemd en geroepen zijn, worden hun
afgenomen.
Daniël wordt Beltsazar, een naam waarin de naam van de Babylonische god Bel meeklinkt. AbedNego betekent: dienaar van de god Nebo. Sadrach verwijst naar de god Marduk… En dat is werkelijk
enorm spannend. Zie je, het staat er zomaar even, je leest erover heen, of je denkt: Zal wel een
plaatselijk gebruik zijn ofzo… Maar hier komt het er geweldig op aan: Hoe heet je! Wil zeggen: wie
ben je! Je zou ook kunnen vragen: Van wie ben jij d’r één? Waar kniel je voor, waar hangt jouw hart
aan, met welk verhaal leef je?
III
Blijven zij staande, die vier? Blijven ze trouw aan wie ze zijn?
Het wordt prachtig verteld. Ze gaan in alles mee, zoals gezegd: ze gaan óp in de wereld waarin ze nu
eenmaal leven, dat is hun wereld, hun bestaan. Maar dan is er ineens een grens. Daniël en zijn
makkers willen niet eten van de tafel van de koning. Die koning zorgt natuurlijk goed voor zijn
pupillen: ze komen niets tekort, lekker eten, goeie baan, auto van de zaak, snoepreisjes. Maar Daniël
zegt: Allemaal leuk, hartelijk dank, maar, nee. Hier is de grens: hij wil niet eten van de tafel van de
koning en niet drinken van de wijn die hij drinkt.
Er is een grens. En die grens ligt bij: eten van de tafel van de koning. Wat wil dat zeggen? Je zou
kunnen denken: dat ligt aan de Joodse spijswetten, zij moeten kosjer eten. Dat is natuurlijk
inderdaad een heel ding, dat is de situatie van die Joodse mannen in Babel: stel je voor, je komt uit
een bepaalde cultuur, of vanuit een bepaalde godsdienst, en je komt in een omgeving waar die
cultuur of die godsdienst onbekend is, hoe doe je dat? Hoe blijf je jezelf?
Stel je voor, je bent orthodox Jood in Nederland en stel je dan voor dat er een wetsvoorstel komt, die
de kosjere slacht verbiedt, omdat dat dier-onvriendelijk heet (onze vleesindustrie is natuurlijk nog
veel erger, maar goed), hoe voelt dat? Of stel je voor, in jouw cultuur is het gebruikelijk dat je als
vrouw een hoofddoek draagt, en je loopt over straat en je word daarom ineens vijandig
aangekeken… Of je leest in het partijprogramma van een heel populaire politieke partij dat jouw
religie helemaal verboden moet worden… Hoe voelt dat?
Hoe blijf je jezelf? Dat is inderdaad een ding. Daar lijkt het hier, in de tekst, ook om te gaan:
Nebukadnezar heeft uiteraard geen kosjere keuken. Is dat het waarom Daniël het voedsel weigert?
Ik denk dat het om meer gaat, om iets anders. Ik denk dat het om meer gaat, en om iets anders, dan
de regels en de wetten van Daniëls religie. Nee, ik denk dat Daniël weet: wiens brood men eet, diens
woord men spreekt. En Daniël wil vrij zijn, hij wil leven vanuit zijn eigen verhaal. Hij heeft een andere
voedingsbodem.
IV
En toen moest ik ineens aan de geschiedenis van de kerk denken. De kerk is ooit begonnen als een
beweging van volgelingen van Jezus, marginaal, klein, in de verdrukking. Maar de kerk groeide en in
de vierde eeuw werd de kerk ineens een factor van macht. De overheid en de kerk werden één. De
keizer, de paus, de bisschoppen, dat werd één machtapparaat. De dood in de pot voor de kerk. Want,
wiens brood men eet, diens woord men spreekt. De kerk moet vrij zijn, leven vanuit haar eigen
verhaal.
Daniël wil vrij zijn, leven vanuit zijn eigen verhaal. Dat eten van de tafel van de koning… Dat gaat om
je voeding, in de zin van: waarmee voed je je? Wat laat je voor je leven bepalend zijn? Nu ook voor
ons vandaag, maart 2017: wat laten we bepalend zijn voor onze gedachten, onze meningen, onze
ideeën? Met welk verhaal willen we leven? Avond aan avond kun je kijken naar politieke debatten,
interviews, meningsverschillen… Ik merk dat wel eens: zit ik er ’s avonds naar te kijken en dan kan ik
me er bijna niet meer van losmaken. Je kunt er in opgezogen worden en dan zie je door de bomen
het bos niet meer. Of je wordt juist heel erg in je eigen mening bevestigd. Wat laat ik bepalend zijn?
Wat is mijn voeding? Waar vind ik, temidden van alle geschreeuw, een woord dat het houdt?
Hoe blijf je trouw aan jezelf in deze tijd? Dat vind ik een enorme vraag. Hoe blijf je trouw aan je
voedingsboden, het bijbelse verhaal, hoe blijf je trouw aan de verbondenheid met de God van dat
verhaal, die unieke Bevrijder, je diepste voedingsbodem?
V
Daniël zegt: ik wil die voeding van de macht niet. Nee, dank u, geeft u mij maar groente. Mooi hoe
het er staat: hij wil alleen maar eten van het gezaaide, dus van wat de aarde oplevert. Het is eigenlijk
ook een soort humoristisch. Toen ik de tekst voor het eerst las, dacht ik: de moraal van het verhaal
zal toch niet zijn: eet meer groente! Want dat is natuurlijk wel waar, we moeten allemaar veel meer
groente en veel minder vlees eten… Maar dat is misschien toch niet helemaal waar het om gaat.
Maar goed, een vegetarisch dieet dus, en alleen maar water. Een proef-tijd van 10 dagen. Tien dagen
als verwijzing naar de Tien Woorden uit de Torah, de Tien Woorden van bevrijd leven. Want van
daaruit willen zij leven, dát is hun voedingsbodem.
En dan, na die 10 dagen, gaat het ineens veel beter met Daniël en zijn vrienden dan met de anderen!
Enorm leuk. Al die anderen hangen slap in de touwen, zien wit en groen van alle wijn en vleesbergen,
de copieuze maaltijden van de koning… Maar die vier staan daar, blakend van gezondheid. Het gaat
ze goed!
En zo leven zij inderdaad, Daniël, Chananja, Misjaël, Azarja: goed en vrij. Trouw aan wie ze zijn. Dicht
bij hun verhaal, dicht bij wie ze ten diepste zijn. Dicht bij hun eigen naam.
En laten wij dan ook vrij zijn. En laten wij ook trouw zijn. En laten wij oefenen: om te leven met dat
unieke verhaal van bevrijding en vrede en liefde. Laten wij leven, midden in de wereld, maar dicht bij
onze eigen naam. En dicht bij de Naam van die ene, God van Israël, Bevrijder.
Lof zij u, Christus!
Download