Begrippenlijst

advertisement
Begrippenlijst
INLEIDING
Antropologie:






Kritische wetenschap à Niet alles direct moet aanvaarden, goedpraten of goedvinden
Niet-etnocentrische wetenschap à Bewust zijn van je eigen cultuur, van je eigen
gewoonten en gedragingen + deze aan kant zetten & op objectieve manie/blik naar een
andere cultuur of gemeenschap kijken
Holisme: levenswijze als een totaliteit à Alles heeft met alles te maken
Spreken & handelen à Verder kijken dan wat mensen zeggen ; observatie van nonverbale ; betekenissen zoeken in woord/handelen/…
Socio-culturele verscheidenheid vergelijken en begrijpen: gelijkenissen & verschillen à
Het universele vs. het particuliere à Waardeoordeel uitstellen EN eerst overgaan naar
betekenis (hoe dit begrijpen?)
Wetenschap van de menselijke samenleving (SL) en cultuur
Samenleving: groep van mensen die interageren, taken, verwachtingen, normen & waarden,
juridische normen, rechten & plichten, relaties, rollen, hiërarchie, patronen van sociale relaties
(Bv. uitwisseling)
 Britse antropologie: nadruk op de samenleving ~ sociale antropologie
Cultuur: geheel van gewoonten, instellingen, symbolen, voorstellingen en waarden van een
groep






Aangeleerd
Enculturatie (leren van een cultuur) is een actief proces
Bouwt voort op ervaringen van vorige generaties
Geen enkele SL is cultureel homogeen
Zit in het dagelijkse leven: dagdagelijkse interactie & gewoonten
Amerikaanse antropologie: nadruk op cultuur ~ culturele antropologie
Avunculturaat = moeders broer (de moederlijke oom) oefent veel macht uit over een
individu (m/v)
Etnocentrisme: oordelen, barriere tot begrijpen en verklaren, de ander is inferieur
 Staat antropologisch onderzoek in de weg
 Iets nieuws gaan bestuderen vanuit eigen Westerse concepten, denkbeelden,…
Exotisme: overbenadrukken van verschil, ander is immoreel of inferieur
 Je gaat zo op in een andere cultuur dat je denkt dat alles anders is ; dat de ander zo
verschillend is van jezelf ; dat je de gelijkenissen niet meer zult zien
 Eigen Westers denkkader is beter
Participerende observatie: zich onderdompelen in een andere groep/SL/cultureel systeem
waar er andere normen & waarden gelden
 Je inleven in de zienswijze van een andere groep
 Aan de lijve ondervinden wat/hoe het is om zo te leven in die omstandigheden





Door taal te leren, eten te eten, hun kleren te dragen,…
Het is niet volledig opgaan à Je gaat ook observeren: afstand nemen
Inleven vs. standpunt als wetenschap behouden zodat kritische observatie mogelijk
blijft
Doelstelling antropoloog: to grasp the native‟s point of view, his relation to life, to
realise his vision of his World
Grondlegger: Malinowski
Etnografie: neerslag van antropologisch veldwerk
 Subcultuur of levensstijl wordt beschreven
 Kan basis zijn van onderzoek waaruit ander onderzoek kan ontwikkelen
Emic



Gedrag verklaren via endogene definities (van binnenuit)
Cultuurspecifiek
Een zienswijze vanuit het standpunt van de intern betrokkene ; insider visie
Etic



Gedrag verklaren via exogene definities (van buitenaf)
Universeel
Een zienswijze vanuit het standpunt van de (externe) toeschouwer ; outsider visie
Reflexieve tendens: schetsen van de onderzoekscontext
 Nadenken/terugblikken op wat je aan het doen bent
 Kunnen we wel goed onderzoek doen? Wordt het enkel door machtshebbers gebruikt?
Kan het ook niet tegen een bepaalde groep gebruikt worden?
 Veranderingen in methodologie
 Dialoog tussen 2 verschillende auteurs met 2 verschillende achtergronden
 Eigen positie in kaart brengen WANT je bent fysiek aanwezig!
 Gender: impact op je veldwerkpraktijk
Native antropoloog: thuisonderzoek
 Bestaat dit wel? Zijn niet alle culturen een beetje in elkaar vervloeid? Wat is native?
 Geïnspireerd door kritiek op Westerse theorievorming
 Hun eigen cultuur en samenleving gaan bestuderen en in kaart brengen
 Meer wetenschappelijk WANT ze zijn niet beïnvloed door machtstructuren
 Bevoorrecht: toegang tot kennis, … van eigen groep
 Eigen groep/gemeenschap bestuderen (Westerse antropologen moeilijk om door groep
aanvaard te worden)
 Is het wel objectief? Toch niet teveel gekleurd? Kunnen ze wel afstand nemen?
Symbolische antropologie = stroming ; wetenschap die cultuur tracht te lezen (Geertz)
Cultuur = een systeem van betekenissen dat een antropoloog moet ontrafelen, decoderen of
interpreteren via rituelen, mythen, en symbolen
SYMBOLEN:
Metafoor: beeldspraak


Conventionele metafoor: verband tussen teken en werkelijkheid MAAR deze
is willekeurig à Gebaseerd op een afspraak of conventie à Bv. Slang
2. Icoon: een representatief symbool Bv. Portret, model, verkeersbord, smiley
Metonymie: deel van het geheel
 è Een klein stukje kan wijzen naar een groter geheel
 è Vb. Voodoo: stukje haar, popje => staat voor hele persoon
Cultuurevolutionisme: gelijklopend en naar analogie met de biologische evolutie van de
soorten een historische ontwikkeling van de culturen heeft plaatsgevonden
è Auteur: Edward Taylor
Diffusionisme: bepaalde gelijkenissen die men soms waarneemt tussen culturen er zijn
gekomen als gevolg van vroegere contacten
 è Geeft kritiek op cultuurevolutionisme
 è Elke cultuur heeft een eigen cultuurspecifieke richting en een eigen weg dat het moet
volgen
 è Auteur: Franz Boas
Functionalisme: men ziet cultuur als een organisme en waar elk element functie is van een
ander element en dus een functie vervult binnen het geheel van het organisme
 è Elk element in SL heeft een functie om een nood die er is te gaan vervullen
 è Auteur: Bronislaw Malinowski
Structuro-functionalisme: gaat meer het patent leggen op sociale structuren en niet op
individuele die er moeten vervuld worden MAAR op het collectieve
 è Gaat niet ui van cultuur in haar geheel, doch van een onderdeel ervan, een structuur
daarbinnen
 è Auteur: Alfred Radcliffe-Brown
Culture and personality: men ziet cultuur als gevolg van opvoedingspatronen + Een
specifieke opvoeding ziet men als iets typisch voor een specifieke cultuur
 è Sterk in VS van Amerika
 è Auteur: Margaret Mead
Het Franse structuralisme: de empirische socio-culturele werkelijkheid meent te moeten
verklaren vanuit collectieve onbewuste vormgevende structuren
è Claude Lévi-Strauss
VERWANTSCHAP, GEZIN, FAMILIE & HUWELIJK
Verwantschap: het netwerk van de onderlinge genetische (biologische) relaties dat er binnen
een samenleving/cultuur een sociale en culturele (h)erkenning krijgt met het oog op de
organisatie van de procreatieve en strikt primaire doeleinden binnen die samenleving
Sibling: kinderen van één ouderpaar, ongeacht sexe (broer of zus)
Aanverwanten: verwanten verworven via het huwelijk, nl. bloedverwanten van de
echtgeno(o)t(e)
Bloedverwanten: gebaseerd op biologische afstamming
Kerngezin: gezin als budget- en strikte affectieve eenheid (met strikte familiale rechten &
plichten) Vader, moeder, kinderen (nog niet uitgehuwd)
Grootfamilie: een zelfde eenheid die echter ruimer is dan een kerngezin. Kan structureel
en/of functioneel zijn
Avunculaat: moeders broer (de moederlijke oom) oefent veel macht ui over een individu
Matrifocaal gezin: gezinstype bestaande uit 1 of meer vrouwen en hun kinderen, waarin
mannen als echtgenoten en vaders een perifere rol spelen
Classificatorische verwantschapsterminologie: een verwantschapsterminologie die voor
verschillende categorieën van verwantschap kan gebruikt worden om erover te spreken
Referentiële verwantschapsterminologie: een verwantschapsterminologie die gebruikt
wordt om een verwant aan te duiden in zijn/haar kwaliteit van verwant
Huishouding: een groep die samenwoont, hetzij in één huis, hetzij in een complex huizen,
hetzij in een deel van een huis, en die dagelijks werkzaamheden zoals voedselbereiding
onderling organiseert
Genealogie: de aflijning van de afstamming voor het regelen van de overdracht van typische
rechten, plichten en gevoelens over de verschillende generaties heen
Afstamming: recruteringsbeginsel ; de wijze waarop een individu lid wordt van een groep,
dat gegrond is op de relatie ouder – kind, hetzij vader en/of moeder.
Lineage: unilineaire afstammingsgroep waarin de leden hun onderlinge verwantschap kunnen
traceren via een aanwijsbare voorouder
Patrilineage: afstamming waarbij een individu lid is van de afstammingsgroep van zijn of
haar vader
Matrilineage: afstamming waarbij een individu lid is van de afstammingsgroep van zijn of
haar moeder
Unilineaire afstamming: afstamming waarin hetzij de relaties via mannen, hetzij de relaties
via vrouwen de doorslag geven bij het toewijzen van individuen aan groepen
Bilaterale afstamming: afstamming waarin aan relaties via mannen evenveel gewicht wordt
toegekend als aan relaties via vrouwen
Ambilineariteit: er kan naar keuze als recruteringsbeginsel voor afstamming gebruik
gemaakt worden van de relatie kind – moeder resp. kind – vader. (Deze groeperingswijze
noemt men “ramage”)
Agnaat: verwant in mannelijke lijn ; patrilineaire verwant
Polygamie: huwelijksvorm waarbij één individu tegelijkertijd twee of meer echtgenoten heeft
Polyandrie: één vrouw is tegelijk met twee of meer mannen getrouwd,
met als vairanten:
a) Fraternaal: de mannen zijn broers;
b) Niet-fraternaal: de mannen zijn geen broers.
Polygynie: één man is tegelijk met twee of meer vrouwen getrouwd,
Exogamie: de verplichting om een huwelijkspartner buiten de groep waarvan men lid is te
zoeken (- wat hier onder “groep” verstaan wordt, kan zijn: een lokale groep, een
verwantschapsgroep of een leeftijdsgroep).
Endogamie: de verplichting om een huwelijkspartner binnen de groep waarvan men lid is te
zoeken (- wat hier onder “groep” verstaan wordt, kan zijn: een lokale groep, een
verwantschapsgroep of een leeftijdsgroep).
Hypergamie: een huwelijk van een vrouw met een man van hogere stand of kaste.
Hypogamie: een huwelijk van een vrouw met een man van lagere stand of kaste.
Virilocaliteit: vorm van huwelijksvestiging waarbij een echtgenote zich vestigt bij haar man.
Uxorilocaliteit: vorm van huwelijksvestiging waarbij een man zich vestigt bij zijn vrouw.
Matrilocaliteit: vorm van huwelijksvestiging waarbij een echtpaar bij de ouders (en familie)
van de vrouw gaat wonen.
Avunculocaliteit: een echtpaar gaat wonen bij MoBr (moeders broer) van de man.
Patrilocaliteit: vorm van huwelijksvestiging waarbij een echtpaar bij de ouders (en familie)
van de man gaat wonen.
Neolocaliteit: vorm van huwelijksvestiging waarbij een echtpaar onafhankelijk van
verwanten gaat wonen.
Ambilocaliteit: er is keuze om zich na het huwelijk te vestigen hetzij bij de ouders van de
man hetzij bij de ouders van de vrouw.
Bruidsprijs: de goederen die bij een huwelijk door de man en zijn familie aan de familie van
de bruid wordt gegeven.
Bruidsschat: de goederen die een vrouw van haar eigen familie meekrijgt bij haar huwelijk.
Voorkeurhuwelijken: huwelijken die ingeschat worden door de eigen groep als geslaagde
huwelijken waar een zekere wens naar uitgaat. Huwelijken tussen “cross-cousins”, dwz met
een kind van MoBr of VaZu (of maw tussen kinderen van siblings van ongelijke sexe) worden
in sommige samenlevingen als voorkeurhuwelijken bestempeld
GODSDIENST & MAGIE
Magie: stadium dat aan religie voorafgaat
 è Berust op een benutting van onpersoonlijke, onzichtbare krachten, die mits correct
gemanipuleerd, een gewenst resultaat opleveren
 è Het ritueel werkt met middel – doel
 è Het ritueel tracht onpersoonlijke krachten te benutten
Contact magie: de idee is dat dingen die ooit eens met elkaar in contact geweest zijn, een
blijvende invloed op elkaar uitoefenen, zelfs van op afstand
 è Hier speelt metonymie een rol
 è Wet van het contact
Homeopatische of imitatieve magie: de idee is dat om een bepaald doel te creëren je gewoon
het gewenste resultaat moet afbeelden, uitbeelden of nabootsen
 è Hier speelt metaforische overdracht een rol
 è Wet van de gelijkenis
Beheksing/hekserij: De gepercipieerde, cultuur bepaalde verpersoonlijking van al het
vermeend kwade en immorele in een samenleving
è Het aanduiden van personen als heksen biedt een verklaring voor ongeluk en pech, en biedt
een duiding voor ongeluk en pech in termen van interpersoonlijke relaties hetzij binnen hetzij
buiten de eigen gemeenschap.
Ritueel: sterk geformaliseerd gedrag ten aanzien van religieuze waarden en voorstellingen.
 Overgangsrituelen: een geheel van geformaliseerde handelingen dat veranderingen in
status van een individu begeleidt en symboliseert; er zijn dan 3 momenten: desaggregatie, marginalisatie, re-aggregatie à Waarbij men duidelijk maakt dat men van 1
status/statuut (in 1 richting) naar een ander overgaat à Rites de passage: Van Gennep à
Vb. Je leeft al 4jaar samen met iemand => Trouwen à Vb. Dopen
 Intensiveringsrituelen: periodiek gehouden omwille van eenheid en solidariteit van
de groep à Je intensifieert je praktijk ; je doet de rite (herhaling) om je praktijk te
ondersteunen à Vb. Elke vrijdag naar de moskee gaan: meer kans dat je een beter
moslim zal zijn
 Individuele rituelen: voor individuele interactie met bovennatuurlijke machten à Een
maatschappelijk voorgeschreven rite maar die jij als individu af en toe participeert à
Vb. Ik wil een wending geven aan mijn leven: Ik ga te voet naar Compostella (elke
dag 30km wandelen)
Mythe: het is geen historisch verhaal, al speelt het zich af in het verleden en kan het
historische aspecten hebben.Sommigen zien het als ofwel:





Een voorwetenschappelijke verklaring
Een beschrijving van de samenleving in symbolische termen
Een collectieve droom van een volk
Een rationalisatie en legitimatie van het bestaande
Een verhaal dat onoplosbare maatschappelijke contradicties tot iets meer
inzichtelijkheid probeert te brengen.
Mana = kracht als eigenschap van „sommige‟ mensen en objecten (dus niet als inherent aan
elke mens of aan elk soortgelijk object) à Kan komen en gaan, verminderen of toenemen
(Melanesisch begrip).
Taboe: een macht die te gevaarlijk is voor gewone mensen en dus „te mijden‟, „verboden‟ is.
à Van het Polynesische tapu
Totem: een dier of een plant die een speciale relatie vertegenwoordigt met een groep (vaak
een afstammingsgroep) à Afkomstig van Chippewa, Canada/USA; ook bij de aboriginals in
Australië
SOCIALE RELATIES
Sociale organisatie: de verschillende activiteiten in een bepaalde sociale context en de rollen
die mensen in die sociale context moeten uitvoeren
 è Vooral gedefinieerd door Bronislaw Malinowski en later Raymond Firth
 è Het is als het ware een horizontale doorsnede van de samenleving
 è Nagaan welke groepen er zijn en wat ze doen, aan welke sociale noden ze
beantwoorden.
Sociale structuur de set van sociale relaties die bestaan in een samenleving en deze mensen
met elkaar verbinden
 è Vooral gedefinieerd door Radcliffe-Brown
 è Aandacht: de hiërarchie, de status van mensen, e.d. (dit is abstracter, terwijl sociale
organisatie iets empirischer is)
 è Een verticale doorsnede van de samenleving te maken: je kijkt hoe sociale groepen
hiërarchisch tegenover elkaar staan. Hoe de hiërarchie de sociale interactie bepaalt
 è Onderzoek verrichten naar de verschillende statussen
Status: de relatieve sociale positie in een groep
Etniciteit: een wij-besef (groepsbesef) ingegeven door sociale gronden, maar zich bedienend
van culturele emblemen (bv taal, religie,…), waarmee men zich als lid van een groep
onderscheidt van nabij zijnde groepen die als „anders‟ ervaren worden, en waarbij men zich
een verleden (re)construeert dat als gemeenschappelijk ervaren wordt voor de leden van de
eigen groep, verleden dat het heden legitimeert, en waaruit waarden afgeleid worden die
belangrijk geacht worden voor de toekomst en waarrond men wenst te mobiliseren.
 è Meerdere metaforen in het discours van de etniciteit worden geput uit de
verwantschapsterminologie
 è Veelal wordt er verwezen naar gemeenschappelijke voorouders.
 è De(meestal positieve) groepsidentiteit en grenzen die mensen voor zichzelf creëren.
Racialiteit: de (meestal negatieve) groepsidentiteit en grenzen die anderen die niet tot mijn
gemeenschap behoren, mij opleggen.
Kasten: endogame groepen, waarvan het lidmaatschap erfelijk is bepaald en die geassocieerd
zijn met een bepaald beroep en die een onderdeel uitmaken van een hiërarchie van andere,
overeenkomstige groepen




è Tussen de kasten in eenzelfde samenleving bestaat een onderlinge, vastgelegde
hiërarchie die men maar zeer moeilijk kan wijzigen, terwijl de individuen zelf slechts
zeer moeilijk aan hun kaste kunnen ontkomen
è Het criterium van stratificatie van de kasten is gelegen in een orde van hogere of
lagere „religieuze‟ zuiverheid
è Vb. Kastensysteem in India
è Vb. Kastensysteem bij de Mande (W-Afrika)
Klassen: groeperingen in een samenleving die als gevolg van hun plaats binnen de
economische organisatie van de arbeid sociaal ongelijk zijn op de arbeids- en goederenmarkt
è Ongelijke en vaak tegengestelde belangen en nemen een machtspositie van verschillende
sterkte in (Marx)
Dikke relaties: engageren de mensen die erin betrokken zijn tegenover mekaar althans tot op
zekere hoogte
Dunne relaties: doen dit niet, en zijn in die zin vooral gekenmerkt door vluchtigheid en
„oppervlakkigheid‟…
Sociaal kapitaal: een concept waarlangs men gemeenschappelijke waarden,
gemeenschapszin en vertrouwen in kaart brengt
 è Wijst op netwerken, waarden, vertrouwen
 è Bourdieu: Het geheel van actuele of potentiële rijkdommen (niet alleen materieel!)
die gelinkt zijn aan het bezit van een duurzaam netwerk van min of meer
geïnstitutionaliseerde relaties van wederzijdse vertrouwdheid en erkenning
 è De sociale netwerken, waarin mensen verbonden worden met elkaar, en waar regels
van reciprociteit gelden (wederkerigheid
 è Voordelen die die sociale netwerken voor de individuen kunnen opleveren
Sociaal lichaam: de metaforische wisselwerking die bestaat in de overdracht van beelden van
enerzijds het lichaam naar de sociale omgeving en de natuur toe, en van anderzijds de sociale
omgeving en de natuur naar het lichaam toe
è Als specifiek antropologisch concept om het Westerse subject “open te breken”, of aan het
etnocentrisme te onttrekken
Globalizering: Een proces waarbij tijd en ruimte samengetrokken worden, versnellen, kleiner
worden, gemakkelijker worden… zowel op het vlak van mobiliteit (van personen en
goederen), communicatie als dienstverlening,…
è Als concept om een aantal belangrijke hedendaagse tendensen mee te ondervangen
POLITIEK
Politieke antropologie: bestudeert de machtsverhoudingen, politieke instellingen en politieke
actie “van onder uit”
è Antropologen zoeken hoe macht (d.i. “conduct of conduct”, Foucault) in een bepaalde
samenleving verantwoord, verdeeld en beleefd wordt
De horde (“band”): bestaande uit enkele tientallen tot enkele honderden mensen, waarin
politiek en verwantschap slechts analytisch te onderscheiden zijn, en waarin de “polity”
eigenlijk een familiegroep is
De “stateless” of “acephalous” samenleving: bestaande uit een aantal gelokaliseerde
groepen die echter niet door een centraal bestuur bijeen worden gehouden; een samenleving
zonder “kephalè” (dus zonder hoofd);
Egalitaire hordes (“bands”):
 è Horde: een groep van maximaal enkele100-en mensen, mannen en vrouwen samen,
die in een bepaald territorium rond trekken als jagers-verzamelaars
 è De man-vrouw relatie per koppel is hier erg belangrijk
 è Leiderschap wordt uitgeoefend „ad hoc‟, naar gelang een persoon in de ogen van zijn
gezellen geschikt lijkt voor een bepaalde zaak
Tribale samenlevingen: omvangrijke samenlevingen, die echter geen centraal gezag kennen,
maar lokale leiders, in de vorm van dorps- of lineage chefs en/of raden
 è Tussen de lokale chefs wordt politieke coalitievorming gemaakt
 è Doorheen de stam zelf komt het vaak tot een complementaire vorm van integratie
door bijvoorbeeld het bestaan van leeftijdsgroepen van niet-lokale aard.
 Onderlinge conflicten zijn niet uitgesloten, maar een middel om dit te voorkomen of te
milderen is het bestaan van “conflicting loyalties”. = Een techniek waarbij mensen op
bepaalde gronden (bv. exogamie in het huwelijkssysteem) op mekaars solidariteit
aangewezen zijn, en op andere gronden (bv. economische) mekaars rivalen zijn. In
stamverband betekent een conflict dat alle leden van lineage A in conflict kunnen
geraken met alle leden van lineage B, maar tot lineage A behoren mensen die
verwanten zijn van lineage B, en omgekeerd. Die mensen A die in B leven, en van B
die in A leven, zijn eigenlijk door roeping bijna “vredestichters”. In geval van
doodslag en de wraak die daar in principe op volgt, kan dat dus aardig uit de hand
lopen. Precies gelet op de omvang van de mogelijke wraak, moet vredestichting dus
ogenblikkelijk gebeuren. De morele verplichting tot dodelijke wraak wordt dus een
doorslaggevend argument voor een snel bijleggen van een conflict.
Big Man: door giften en door gulheid verenigt hij mensen rondom zich en bouwt hij zich een
gezag op in de samenleving, maar zijn gezag is fragiel, want er kan een eind komen aan zijn
middelen en dus ook aan zijn machtsbasis
 è Oorspronkelijk: Polynesië
 è Het prototype van de politicus
 è Een voorbeeld over de tribiale samenlevingen
Staat: een politieke organisatievorm waarbij een betrekkelijk kleine groep mensen gezag
uitoefent over een bevolking die op een duidelijk begrensd gebied woont
 è Deze kleine groep mensen is hiërarchisch georganiseerd en aan de top berust het
gezag in principe bij één persoon (“de koning”).
 è Typisch voor de structuur: dat die macht in principe zo veelzijdig is dat die éne
persoon niet anders kan dan delegeren => leidt tot het ontstaan van een
bestuursapparaat; => Waarvoor dan weer een groep “handwerkers” en “ambachtslui”
ter beschikking moet staan om het gezag mee te onderhouden en ondersteunen.
 è Aangezien gebiedsbehoud en eventueel –uitbouw belangrijk is, komt het meestal
ook tot een te onderhouden leger
 è Geen Westers of Europees concept
 è De oudst gekende staatsvorm is 5000 jaar oud (Mesopotamië); in Amerika is hij ca
3000 jaar oud. Daarop volgen dan Egypte, China, Indië, Mexico en Peru. Secundaire


centra waren gelegen in West- en Oost-Africa, Z.-O. Azië, Polynesië, en dan pas ook
rond de Middellandse Zee en in West-Europa.
è De moderne Staat is wèl West-Europees (16de eeuw) en werd vanuit Spanje,
Portugal, Engeland, Frankrijk, Nederland en Duitsland naar buiten Europa
overgedragen ten tijde van het kolonialisme (vooral in de 19de eeuw)
è Implosie van de Staat: belangrijke functies die traditioneel de Staat toekomen,
overgenomen worden door transnationale instellingen (Bv. De Europese Unie)
Maffia-achtige organisatie: een organisatietype dat enigszins verschilt van de Siciliaanse
cosa nostra, maar niettemin de driehoek criminaliteit, economie & politiek in zich opneemt
Bio-power: De centrale machtsuitoefening die het leven van de mens als sociaal wezen op
lokaal vlak op een bepaalde manier reguleert
 è De centrale Staat reguleert het leven van individuen en gebruikt daarvoor, om
geïnformeerd te zijn, opiniepeilingen, statistisch onderzoek, waaruit dan politieke
maatregelen geconcludeerd worden, met invloed zowel op de meerderheid als op
verschillende minderheidsgroepen
 è Uitingen van “biopower”: de manier waarop met geesteszieke mensen omgegaan
wordt, de manier waarop met “rokers” omgegaan wordt, met andersvaliden, met
migranten, met documentloze migranten, met samenlevende niet-gehuwden, met
delinquenten
 è Michel Foucault
Governmentality: de reële machtsuitoefening zoals die plaatsvindt in betekenisvolle
structuren die werken zoals ze werken omdat “government” (de centrale machtsuitoefening)
op een heel bepaalde manier “biopower” uitoefent
 è Hangt samen met biopower
 è Vb. Camera in winkel => Je gaat jezelf niet slecht gedragen OMDAT er een camera
hangt
 è Standpunt van Michel Foucault: wil je zien hoe reëel bestuurd wordt, dan mag je je
niet beperken tot een analyse van de instellingen, of van de regelgevingen, maar dan
moet je ook het bioregulerend optreden van de Staat bekijken, wat dan op zijn beurt
een studie inhoudt van “micropowers”.
Privaatrecht: waarbij initiatief bij benadeelde ligt
Strafrecht: waarbij initiatief bij de samenleving of haar vertegenwoordiger ligt
ECONOMISCHE ANTROPOLOGIE
Economische antropologie: bestudeert de sociale en culturele dimensies van economische
praktijken
Jagers-verzamelaars: leven van de jacht en het verzamelen van peulvruchten, insecten, – ze
zijn veelal nomadisch
 è Weinig rolverdeling: de grootste criteria voor werkverdeling zijn leeftijd en geslacht.
 è Gezonde en jonge mannen jagen terwijl vrouwen gewassen telen.
 è Vb. de San Bosjesmannen in de Kalahari-woestijn
Herdersvolkeren leven van vee (schapen, koeien, geiten, enzo)
 è Nomadisch omdat ze hun vee moeten kunnen laten grazen
 è Rollen vooral langs gender en leeftijdsgrenzen afgebakend.
Boerensamenlevingen (visvangst, landbouw): deze zijn gekenmerkt door een sedentaire
levenswijze en langere investeringen in het land
 è Leidde tot een grotere verdeling van werk, specialisatie en een complexer politiek
systeem
 è Verschillen kunnen nog wel gebaseerd zijn op leeftijd en geslacht, maar er zijn
meerdere mogelijkheden om status te winnen bijvoorbeeld divinatie.
 è Een boerensamenleving kan surplus produceren. Volgens sommige antropologen is
het moderne marktsysteem uit dit type van samenleving gegroeid.
 è De idee is: hoe complexer een samenleving wordt, hoe gespecialiseerder rollen zijn,
waardoor sommigen niet meer onmiddellijk toegang hebben tot de voedselproductie.
Hierdoor is deze categorie afhankelijk van uitwisseling met anderen om te kunnen
overleven.
Bestaanseconomieën: mensen produceren voedsel en goederen die ze zelf nodig hebben
è Geen verkoop of handel nodig
Markteconomieën: mensen zijn voor alles afhankelijk van een handelssysteem (dat daarvoor
niet altijd op de fysieke markt moet plaatsvinden)
è Geld als een tussenmiddel gebruikt om goederen en voedsel uit te wisselen
Gift: verwijst naar een object waarvan de waarde vooral uit de sociale relaties tussen schenker
en ontvanger af te leiden valt
 è De waarde van een “handelsartikel” ligt vooral in de relatie tussen het object en
andere goederen. Dit kan het object worden van economische uitwisseling, zoals in
ruilhandel of verkoop
 è Deze uitwisseling is onpersoonlijk
 è Vb. Kula (Malinowski)
 è Vb. Potlatch (Boas)
IK, WIJ, EGO-CENTRISCH, SOCIO-CENTRISCH
Ego-centrische samenlevingen: plaatsen het individu centraal.
è Bv. de Belgische samenleving legt de grootste waarde op ieder individueel persoon. à De
Belgische grondwet geeft rechten aan personen onafhankelijk van hun leeftijd, geslacht of
relatie tot anderen. à Het is het pure individu dat rechten en plichten draagt, ongeacht zijn of
haar sociale context
Socio-centrische samenlevingen: leggen de belangrijkste nadruk op de sociale relaties en de
vervulling van sociale plichten eigen aan bepaalde sociale rollen
è Bv. moeder en echtgenote, vader en echtgenoot, enz.
Individualistische samenleving: een samenleving bestaat uit ontologisch onafhankelijke
individuele atomen (personen), de samenleving is het resultaat van individuen die zich
omwille van gemeenschappelijke interesses verenigen en volgens conventionele normen
samenleven
 è Een sleutelmetafoor hier is de grondwettelijke en territoriaal afgebakende staat

è Belangrijkste doelstelling: de politieke orde vrijwaren
Holistische samenleving: hier wordt de “samenleving” beschouwd als een organisch geheel
dat individuen voorafgaat
 è Het belangrijkste bindmiddel is verwantschap, dat de fundamentele morele orde van
personen schraagt
 è Belangrijkste doelstelling: de culturele integratie van personen als een “natie”
Confucianisme: persoon is traditioneel een relationeel wezen en niet een eigenstandige
individualiteit
 è Domineert: hoogste integratie in de menselijke collectiviteit
 è Men moet het „zelf‟ zien uit te schakelen
 è China
Dividu: unieke samenstellingen van diverse, subtiele en grote substanties die afgeleid zijn van
één bron, maar opdeelbaar in verschillende partikels die uitgewisseld of gedeeld kunnen
worden met anderen
è McKim Marriott (1968) en vooral Marilyn Strathern (1988)
Archaïsche samenleving: bestaat uit rollen of personages
 è Het geheel van rollen was beperkt en iedere rol werd geërfd door een opvolger –
veelal was er een set van namen, maskers en verschillende stijlen en lichaamsdecoratie
die de persoon in zijn rol vastzette. Iedere rol had ook een bepaald aantal rechten en
plichten
 è Het “personnage” was dus bepaald door zijn sociale banden en de sociaal verdeelde
namen en vormen.
 è De enige echte “volledige mens” in dergelijke samenlevingen was de volwassen
man.
 è Kinderen, vrouwen en slaven konden er nooit volledig “mens” worden.
Klassieke periode: personae
 è Het individu wordt beschouwd als “vrij” en verantwoordelijk voor zijn of haar eigen
daden en ondergeschikt aan de staat
 è Individuen of personen zijn legale personen met burgerlijke identiteit. Niettemin
hebben ze nog altijd geen innerlijk leven en geen individueel bewustzijn.
Christelijke samenlevingen: personne
 è Het individu is ondeelbaar, rationeel en beschikt over een bewustzijn
 è Het heeft een ziel, die de fundering is voor alle politieke, economische en wettelijke
instellingen
Moderne samenlevingen: moi
 è Nu bekijken we ieder levend wezen als een individueel en uniek persoon en niet
meer de incarnatie van een bepaalde overgeërfde rol
 è Er wordt evenzeer waarde gehecht aan het innerlijk zelf, vooral zelf-exploratie en
zelfkennis
 è Zowel kinderen, vrouwen als mannen worden erkend als “volledige” en
“volwaardige” individuen.
GENEZING ZOEKEN IN BEN YEFFU
Placebo-effect: mensen blijken “echt” beter te worden als gevolg van behandelingen die in
feite niet effectief zijn mits aan 1 belangrijke voorwaarde wordt voldaan: ze moeten geloven
dat ze een effectieve behandeling hebben ondergaan
 è Symbolen worden terug belangrijk als ze maar het doel hebben aan te tonen dat een
behandeling effectief is
 è Genezing wordt in de hand gewerkt als:
 Therapeut & patiënt hetzelfde wereldbeeld delen
 Als de therapeut een aantal positieve PHkenmerken heeft (empathie)
 Als de verwachtingen van de patiënt op beterschap worden vergroot
 Als de patiënt het gevoel krijgt controle te verwerven over zijn probleem
AFSLUITENDE OVERWEGINGEN
Globalisering: een samenballing van tijd en ruimte die op vandaag in versneld tempo aan de
gang is, wat vergemakkelijkt werd door de opening van een nieuwe ruimte
è De gevolgen betreffen de verplaatsing van ideeën, diensten, personen en voorwerpen.
Habitus: interiorisatie van de exterioriteit
 è Wij als mensen worden sterk gestructureerd door structuren à Die bepalen ons
gedrag & manier van aanpassen, etc.
 è Eigenlijk is er al sprake van de „habitus‟ in de Nicomachische Ethiek van
Aristoteles, wanneer hij het heeft over de “hexis”, wat in de Middeleeuwen vertaald
werd door “habitus”.
 è Pierre Bourdieu heeft dit begrip weer opgenomen en maakte er een “habituele
ingesteldheid” van, hiermee het feit aanduidend dat mensen niet zo maar als
onafhankelijke subjecten geboren worden, maar steeds binnen een objectieve context
(nl hun ruimere omgeving en historische en maatschappelijke context) waaraan ze
schatplichtig zijn en hun socialisatie (in een gezin of ruimer in een familie).
 è Mensen worden dus tot bewustzijn en praxis (handelen) gebracht binnen een
structurerend veld, structurerende ideeën, gevoelens en handelingen die hun eigen
handelen gaan bepalen en dan op hun beurt een omgeving gaan structureren. Dit
subject – object overbruggende systeem is de habitus bij een groep mensen.
 è Praxis: exteriorisatie van de interioriteit
 è Dit leidt echter tot een nieuwe vraag: kan de mens daar tegenover dan niet vrij
optreden? Daarom is er een nieuwe notie gekomen: “agency”.
Agency:
 è Dit staat voor iets dat minder radicaal is dan vrijheid
 è Het is voor mensen mogelijk om niet zomaar „gedetermineerd‟ te worden. Iemand
kan afstand nemen van de “habituele druk” die uitgeoefend wordt
 è Dit is daarom nog geen vrijheid, en zeker geen absolute vrijheid, maar het staat voor
een mogelijkheid tot het nemen van enige afstandelijkheid tegenover de druk uit de
omgeving en zelfs tegenover de habitus
 è De onderzoeker moet uiteraard proberen om ook elementen van die „agency‟ zo
concreet en theoretisch onderbouwd mogelijk in te vullen
 è De samenleving verandert (los van ons en van habitus) => Ruis: terrein tussen
habitus en de nieuwe samenleving waarbij we agency hebben, moeten interpreteren à
Een ruimte die niet voorzien is à Een ruimte voor agency optreden los van de
structuren die ons bepalen à Agency moet bepalen wat we gaan doen à Verschillend
van vrijheid (doorzien)
Etniciteit: het feit dat mensen over hun onderlinge culturele afbakeningen onderhandelen
 è Culturele afbakeningen staan niet zo maar als objectieve gegevens vast.
 è Bv. Komen er in Vlaanderen islamitische scholen of niet? Komt er een islamitische
zuil of niet? Dit is geen natuurwetmatigheid. Dat zal voor een deel afhankelijk zijn van
„sociale‟ afwegingen… Daarom zeggen antropologen dat het niet het culturele is dat
sociale afbakeningen creëert, maar minstens zozeer, zo niet nog meer het sociale dat
culturele afbakeningen creëert.
 è Een „wij‟ gevoel („wij‟ versus „zij‟)
 è De creatie van of bricolage met brokstukken uit een vermeend verleden; eventueel
een territoriale aandacht voor grensafbakening
Rhizomatisch denken: opvatting dat „identiteiten‟ niet echt bestaan en ook de representaties
ervan dus niet de werkelijkheid zelf raken
 Wat „identiteiten‟ genoemd worden, zijn in die visie (nl. van de zogenaamde neoSpinozisten) enkel maar verhardingen van voorbije realiteiten die nieuwe ervaringen
in de weg staan
 Antropologen: men moet veel minder onderzoek doen, vertrekkende van
„incorporerende‟ concepten (zoals etniciteit, „community‟, categorie, groep,…) en
veel meer onderzoek opstarten dat vertrekt van het verrassingselement in het leven en
in de omgang met de wereld
 Je krijgt dan onderzoek dat niet vertrekt van bijvoorbeeld de verhouding tussen
Vlamingen en Walen, enz., maar dat vertrekt van een zich mee verplaatsen met een
tram, of het zich ophouden in de cafetaria van een grootwarenhuis en waarneemt wat
er gebeurt
Download
Random flashcards
Create flashcards