Samenvatting Sociologie

advertisement
SAMENVATTING SOCIOLOGIE
Sociologie: Een hedendaagse inleiding
HANNAH BUYSE
2014-2015
Boek: Editie 2013
Hoofdstuk I: Sociologie, een eerste kennismaking
1. Inleiding: Niet iedereen leeft even lang
Er heerst in onze samenleving een belangrijke vraag, nl: Zijn er in de samenleving bepaalde
kenmerken die ertoe leiden dat sommige mensen meer ziek worden dan anderen of dat
sommige mensen minder lang leven dan anderen?
Kenmerken die leiden tot een gemiddeld hogere levensverwachting:
*Vrouwen dan mannen
*Mensen met een diploma van hoger onderwijs dan mensen zonder diploma van hoger
onderwijs
De centrale vraag = Hoe gaan we die vaststellingen verklaren? Dit is voer voor de sociologen!
1.1 DE VERKLARING … RELATIES TUSSEN MENSEN
1. Enkele eenvoudige redeneringen
*Opleidingsverschillen -> Sociale ongelijkheid -> Verschillen in levenskansen
*Hoge opleiding -> Stimuleert het vermogen om ingewikkelde problemen in te schatten
Bv: De eigen medische problemen
*Lange scholingstijd -> Ook impact op de vorming van de persoonlijkheid
 STUDEREN = PLANMATIG KUNNEN WERKEN EN MET UITDAGINGEN OVERWEG KUNNEN!
2. Diploma -> Job
*Een goede job betekent een hoger loon wat er dan weer voor zorgt dat deze mensen in een
welvarende buurt zullen wonen. Dit alles leidt dan weer tot een betere gezondheid.
*Hoog inkomen -> Mogelijkheid tot uitgebreide medische zorg.
3. Maar er is meer
*Goede job -> Grotere kans op meer variatie + betere arbeidsomstandigheden.
= Kans op een grotere arbeidstevredenheid
*Kenmerken van de ene leefsituatie kunnen worden overgedragen naar een andere.
4. Samengevat
Een hogere opleiding leidt tot materiële voordelen en bepaalt ook de persoonlijke vorming > Zorgt ervoor dat men het eigen leven beter in de hand heeft -> Men heeft de
mogelijkheden ontwikkeld om gezonder te leven en om met bedreigingen om te gaan
 Dit alles komt finaal tot uiting in een hogere levensverwachting!
Dit is een typische sociologische redenering = Het idee dat de sociale omgeving waarin
mensen verkeren een grote invloed op wat die mensen in hun leven meemaken!
Voor sociologen is dit een zeer logische redenering, MAAR niet iedereen denkt daar zo over!
Sociologen erkennen uiteraard het belang van de biologische en de psychologische
component, maar voegen eraan toe dat de sociale omgeving een cruciale factor is!
2. De sociologische verbeelding
*Startpunt van een sociologische verklaring = De sociologische verbeelding = Een specifieke
wijze van kijken naar wat met mensen in hun leven gebeurt.
*Mensen verschillen in hun ervaringen, hun levensloop, hun biografie en hiervoor zoeken
we verklaringen.
*Voor het beantwoorden van vragen laat de socioloog zijn/haar verbeelding werken = De
gebeurtenissen die het leven van mensen bepalen bekijken vanuit het ruimere geheel
waarbinnen mensen met elkaar samenleven.
*Onze biografie ondergaat de invloed van het geheel van de sociale relaties waarvan we deel
uitmaken.
*Samenleving = Het geheel van sociale relaties waarvan we deel uitmaken = De
maatschappelijke organisatie van België aan het begin van de 21ste eeuw = Het resultaat van
een historische ontwikkeling.
-> Het historische verloop bepaalt het uitzicht van een specifieke samenleving.
*Fundamentele zienswijze = De sociologische verbeelding = Sociale relaties bepalen de
biografieën van mensen, die sociale relaties zijn echter zelf het resultaat van een historisch
proces.
*Definitie = Individuele gebeurtenissen plaatsen en verklaren vanuit het geheel van sociale
relaties die zelf een specifieke historische oorsprong hebben.
*Voorbeelden:
1. Hedendaagse jongeren die universitair onderwijs volgen = Dit is niet louter het resultaat
van het IQ van die jongeren, maar het is ook een resultaat van de samenleving. Want deze
beïnvloedt de aspiraties van jongeren om universitair onderwijs te volgen. Zonder 19de eeuwse industrialisatieproces zou die kennisbehoefte nooit ontstaan zijn.
2. De werkloosheid van de hedendaagse 50-plussers.Toen deze generatie vroeger
afstudeerde met een diploma middelbaar onderwijs was het niet zo vanzelfsprekend dat
iedereen hoger onderwijs volgde. De arbeidsmarkt opgaan was zelfs een realistische keuze
toen. Maar die samenleving is echter zo hard veranderd, dat de keuzes toen nu geen goede
keuzes meer zijn. Als je nu als 50-plusser zonder diploma hoger onderwijs werkloos valt is
het bijzonder lastig om opnieuw economisch actief te worden.
Anders gezegd: De levensloop van oudere werklozen met een niet-specialistische scholing
kun je beter begrijpen door de sociologische verbeelding toe te passen.
Grijs kader: Abortus en jeugdcriminaliteit: Is er een verband?
Sociologische verbeelding = Ook het met elkaar in verband brengen van maatschappelijke
fenomenen die op het eerste gezicht geen verband met elkaar hebben. Bv De sterke daling
van jeugdcriminaliteit in de jaren 90’. Een van de verklaringen is de legalisatie van abortus in
de jaren 70’. Deze legalisatie -> Afname van ongewenste kinderen die als ze zouden geboren
zijn in sterke mate zouden hebben bijgedragen tot het criminele geweld van de jaren 90’.
 Gedachte-experiment = Men stelt zich de vraag wat er zou gebeurd zijn indien dit of dat
niet zou hebben plaatsgevonden.
3. Van gedrag tot samenleving
We zoomen dieper in op de bouwstenen van de biografie en de maatschappelijke omgeving.
Hiervoor doen we beroep op een aantal begrippen: Gedrag, sociaal handelen, interactie,
context, structuur en cultuur.
OMGEVING
SOCIALE INTERACTIE
GEDRAG
3.1 GEDRAG
= Elke actie of reactie van een individu, zoals bv een lichamelijke beweging, een verbale
uiting of een subjectieve gewaarwording. Het bevat altijd zowel een objectief waarneembare
als een subjectief waarneembare dimensie.
1. Objectief waarneembare of externe componenten
= Die aspecten die door ten minste 2 individuen, ego + alter, kunnen worden waargenomen.
Bv.: Het gesproken woord, gebaren en lichamelijke bewegingen in het algemeen.
2. Subjectieve of interne component
= Het gedrag dat slechts door 1 waarnemer, ego, waarneembaar is.
Er zijn verschillende componenten:
*Motivationele component = De ultieme drijfveren van het handelen die aanzetten tot
gedrag. Bv.: Winstmaximalisatie, Zucht naar sociale erkenning (self-esteem), zucht naar
controle (Mastery) en seksuele lust.
*Emotionele component. Bv.: Innerlijke gevoelens van angst en onrust, schaamte of schuld,..
*Cognitieve component. Bv.: Zoals beelden die we ons vormen van de werkelijkheid.
*Reflexieve component. Bv.: Zoals het beeld dat je van jezelf vormt.
De verschillende dimensies van het gedrag kunnen doorgaans enkel analytisch van elkaar
worden gescheiden. In de werkelijkheid doorkruisen ze elkaar.
 Voorbeeld van de verwevenheid van de interne en externe dimensies van gedrag = Het
feit dat de meeste emoties samengaan met specifieke gelaatsuitdrukkingen.
3.2 SOCIAAL HANDELEN
*Handelen = Gedrag met een nadrukkelijke doelgerichtheid.
*Bv.: Wanneer we kijken naar waar de uitgang van een lokaal zich bevindt, zijn we het
verlaten van dat lokaal al aan het voorbereiden.
Wanneer dit kijken zonder obstakels kan gebeuren, zullen we ons niet uitermate bewust zijn
van die mentale voorbereiding.
*Door de doelgerichtheid krijgt het handelen een betekenis en die betekenis is gelijk aan de
mentale voorbereiding of projectie van de voltooide handeling.
*Sociaal handelen (Volgens Max Weber) = Wanneer we ons handelen richten op het
vroeger, het huidige of het toekomstige handelen van anderen = Wanneer de actor bij het
plannen van haar/zijn handelen rekening houdt met wat anderen deden, doen of kunnen
doen.
*Weber ontwikkelde ook een typologie van sociaal handelen. Hij maakte een onderscheid
tussen instrumenteel rationeel handelen, waarde rationeel handelen, affectief handelen en
traditioneel handelen.
1. Instrumenteel rationeel handelen
*De actoren willen een bepaal doel bereiken binnen een specifieke handelingssituatie, deze
situatie bestaat uit andere mensen en/of objecten.
*Sommige mensen of objecten zullen voorwaarden bepalen waaronder tot doelrealisatie
overgegaan kan worden, dit zijn de condities van het handelen. Deze condities kunnen niet
vrij gemanipuleerd worden, dit zijn niet te wijzigen elementen.
*Andere mensen/objecten zullen eerder faciliterend werken, dit zijn middelen waarover de
actor kan beschikken om haar/zijn voorgestelde doel te realiseren. Dit zijn te wijzigen
elementen.
*Elke handelingssituatie waarin actoren doelen wensen te realiseren, bevat volgens Weber
dus zowel condities als middelen.
*Meest kenmerkende criterium dat doel rationeel handelen afbakent van de andere vormen
van handelen = De optimalisatie van de efficiëntie.
2. Waarde rationeel handelen
*Centraal = Het bewuste geloof in de waardevolheid van de handeling. Die waarde kan van
ethische, esthetische, religieuze of andere aard zijn.
*Draait om het volgen van eisen die de actor als bindend inschat. Mensen volgen een
religieuze roeping, laten zich leiden door een inherent plichtsgevoel of streven schoonheid
of persoonlijke loyaliteit na, wat de kosten ook zijn voor zichzelf.
*Onderscheid met instrumenteel rationeel handelen = een analytisch onderscheid = De
sociologen brengen dit onderscheid denkmatig (analytisch) aan.
*Om te bepalen wat het nu is, moeten we nagaan welk aspect de bovenhand haalt:
Efficiëntie of de inherente waardevolheid van de handeling zelf.
3. Affectief handelen
*Wordt gedreven door het navolgen van gevoelens.
* = Een grensgeval binnen de typologie van het handelen.
*De betekenis ervan is niet altijd duidelijk
*Handelen gedreven door gevoelens kan van een betekenis voorzien worden
4. Traditioneel handelen
*Volgt uit ingeworteld gewoontehandelen
*Gewoonte moet hier gezien worden als gelokaliseerd in de sociale dimensie van het leven
en niet in de individuele dimensie.
*Gekenmerkt door een verplicht karakter
*Binnen traditioneel handelen is het verleden bepalend voor het vormgeven van de
toekomst.
*Bv.: Het kerkelijk huwelijk
MAAR wanneer mensen zich echter bewust zijn van de traditie en deze expliciet en in volle
bewustzijn gaan beschouwen spreken we van waarde rationeel handelen.
5. Reflexief handelen
*Tegengesteld aan traditioneel handelen
*’Stoppen, denken en kiezen’
*De reflexieve mens moet nadenken over de richting die hij/zij wenst uit te gaan. Zodra de
alternatieven overwogen zijn, moet er gekozen worden.
*Gaat samen met onzekerheid
3.3 INTERACTIE
Sociaal handelen vormt de onderbouw van interactie.
*Ontstaat wanneer 2 of meer mensen een gedeelde of op zijn minst complementaire
betekenis aan elkaars handelen geven.
*Het handelen kent doorgaans een zekere herkenbaarheid en voorspelbaarheid en is
bovendien betekenisvol.
*Sociaal handelen is ook gebaseerd op principes die voor de medemensen als ‘zinvol’
ervaren worden.
*Dit alles heeft tot gevolg dat we kunnen reageren op het handelen van anderen en
anticiperen op de gevolgen van het eigen handelen.
*Binnen de dynamiek van het sociale handelen van meerdere personen kunnen we twee
soorten motieven onderscheiden:
1. Opdat motieven
We proberen iets te realiseren. We handelen ‘opdat’ iets zou worden gerealiseerd.
2. Omdat motieven
 Een handeling van een persoon vanuit een ‘opdat’ motief wordt voor de andere persoon
een ‘omdat’ motief.
 Een geslaagde onderlinge afstelling van ‘opdat’ en ‘omdat’ motieven leidt tot interactie.
BV.: Het begroeten van iemand. Zie p11-12
3.4 VORMEN VAN INTERACTIE
Sociologen gaan ervan uit dat een oneindig aantal interacties maar een beperkt aantal
vormen aanneemt. Meestal verwijst men naar de vormen conformiteit, samenwerking
(coöperatie), conflict en ruil.
1. Conformiteit
* = Interactie die verloopt volgens de betekenis die beide partners aan de interactie
vastknopen.
*Enerzijds is er een wederzijds akkoord over wat in de interactiesituatie zal gebeuren.
Bv.: Kennisoverdracht bij een interactie tussen leraar en leerlingen
Anderzijds is er ook een akkoord over hoe die overdracht zal gebeuren
Bv.: De leraar geeft uitleg aan de zwijgende leerlingen
*Het tegengestelde = deviantie of afwijking
*Deviantie = Houdt in dat minstens een van de interactiepartners zich niet houdt aan de al
dan niet expliciet afgesproken regels
Bv.: Leerlingen die praten tijdens de uitleg van de leraar
2. Samenwerking of coöperatie
* = Sociale eenheden proberen samen een doel te realiseren.
*Voor de samenwerking kan beginnen moet er een akkoord (stilzwijgend of afgesproken)
zijn om samen een bepaald doel te verwezenlijken.
*Een wederzijdse bereidheid tot samen handelen en een minimum aan conformiteit met
betrekking tot het navolgen van de afspraken is noodzakelijk
-> Conformiteit is een deelaspect van samenwerking
 Interacties gebaseerd op samenwerking en conformiteit maken geordend samenleven
mogelijk. Deze twee soorten werden door sociologen tot kernobject van de sociologie
gemaakt.
3. Conflict
*Conflict <-> Samenwerking, deze zijn elkaars tegengestelde, maar zijn toch onlosmakelijk
met elkaar verbonden.
*Centrale kenmerk = Ten minste twee partijen, al dan niet impliciet, gaan niet akkoord met
hoe een interactie moet verlopen, waarbij ze een poging doen om de interactie te laten
verlopen volgens de eigen zienswijze.
-> Verduidelijking: Menselijk gedrag = een aanpassing aan een externe omgeving. Om tot
aanpassing over te gaan, moeten mensen echter over middelden beschikken. Meestal zijn
die middelen niet in overvloed aanwezig. Het menselijke leven kenmerkt zich dan door het
zich toe-eigenen van schaarse middelen. Wanneer het bij de verdeling van schaarse
middelen niet tot een akkoord komt, is er sprake van een conflict.
Bv.: Consumptiesamenleving
*MAAR conflicten hebben niet alleen betrekking op schaarse middelen. Er zijn ook conflicten
over waarden, aanzien en macht.
Bv.: Het meningsverschil tussen ouders en kinderen over vrijetijdsbesteding
*Maar conflicten zijn niet eenzijdig negatief, ze kunnen een positieve bijdrage vormen tot de
opbouw en later tot de versterking van de samenleving.
-> Zo fungeert het conflict als een stimulus voor de ontwikkeling van nieuwe regels.
Bv.: Het ontstaan van de Verenigde Naties
*Conflicten intensifiëren de deelname aan het sociale leven
*De maatschappelijke bonus van het originele conflict is dus dat de samenleving wakker
geschud wordt, oude regels herbevestigd worden of nieuwe regels gemaakt worden.
Hierdoor worden toekomstige inbreuken minder waarschijnlijk.
*Een ander basiskenmerk = Groepen onder invloed van een conflict met een externe vijand
worden zeer onverdraagzaam met betrekking tot interne dissidentie.
Enkel beperkte afwijkingen worden aanvaard.
*Anderzijds zorgt het conflict ook voor groepscohesie.
4. Ruil
*Ruil mag men niet alleen beschouwen vanuit een economische context , voor de studie van
interactie is sociale ruil belangrijker.
Bv.: Een moeder die haar kind eten geeft. (p13)
*De neiging om anderen te helpen is wellicht vaak ingegeven door het streven naar sociale
erkenning. Op die manier lijkt een zeker egoïsme dit altruïsme te ondersteunen.
*Er is heel vaak een ongelijke verdeling van kosten en baten.
 De bovenstaande kenmerken van interactievormen zijn volgens sociologen aanwezig, wat
ook de inhoud is van de specifieke interactie.
Een belangrijk sociaal principe onder de mensen is ‘wederkerigheid’. Voorbeelden daarvan
zijn het wederzijds geschenken geven op kerstmis of de uitdrukking ‘in het krijt staan’.
3.5 DE STOLLING VAN INTERACTIE IN CULTUUR EN STRUCTUUR
*Interacties hebben verregaande gevolgen. Uit interacties groeien cultuur en structuur.
Bv.: Onderaan p14
*Cultuur
Essentieel kenmerk = Uit de interactie tussen mensen ontstaan spontaan allerlei ideeën over
wat goed of slecht is.
= De gedeelde betekenis die mensen aan het handelen en de objecten uit hun omgeving
toekennen, en die geformaliseerd wordt in waarden, normen, overtuigingen, wetten.
*Structuur
= Het geheel van posities van actoren en de vorm van de interacties en relaties tussen die
actoren, zoals arbeidsspecialisatie, centralisatie, conflict, samenwerking,…
 Alle sociale eenheden ontwikkelen, ongeacht hun omvang, zowel culturele als structurele
kenmerken.
*Je zou kunnen zeggen dat de samenleving eigenlijk kan worden teruggebracht tot
interacties = Cultuur en structuur ontstaan bestaan alleen maar omdat er onderliggende
interacties zijn.
*Structuren en culturen zijn voor ons een realiteit waarmee we geconfronteerd worden en
waar we als individu niet al te veel vat op hebben. Ze bewegen meestal enkel na langdurige
en massale ‘niet-conformistische’ handelingen.
*Sociale orde en stabiliteit <-> sociale verandering en dynamiek
3.6 DE CONTEXT
*De maatschappij wordt dus gecreëerd door interactie van personen (en grotere sociale
eenheden, zoals bedrijven) en die maatschappij is op haar beurt een determinant van
andere interacties.
*In de sociologie staat de analyse van de structurele en culturele context centraal bij het
verklaren van interacties en gedrag.
*De context waarbinnen interacties plaatsvinden, is echter ruimer dan dat. Enkele
voorbeelden:
1. Demografische factoren
*Je hebt primaire demografische kenmerken zoals bv.: geboortes, huwelijken, migraties en
sterftes.
*Maar je hebt ook secundaire demografische kenmerken die voortvloeien uit de werking van
die primaire demografische componenten zoals bv.: de leeftijdsstructuur, de
bevolkingsdichtheid, de gemiddelde gezinsgrootte,..
2. Ecologische factoren
*Deze hebben betrekking op de natuurlijke omgeving, d.i. de topografie, het klimaat, de
bodemgesteldheid of ‘het milieu’ waarbinnen zich het maatschappelijke leven afspeelt.
3. Materiële en technologische factoren
*Elementen die worden aangewend worden ter beheersing van de omgeving en die dienen
om de behoeften van de mens zo adequaat mogelijk te bevredigen.
Bv.: Technologische ontwikkelingen, de organisatie van de economie, huisvestingsvormen,
de organisatie van het transport en communicatie.
4. De sociologie en haar aanverwante disciplines
*Hoe gaat de sociologie te werk? We vatten het samen in twee stelregels:
1. Sociologen concentreren zich op algemene wetmatigheden
 Verschilt hiermee van de wetenschappen zoals bv. Geschiedschrijving en culturele
antropologie.
 Geschiedschrijving:
- Concrete gebondenheid van hun verklaring aan een specifieke tijd en ruimte.
- Creatieve omgang met informatiebronnen. Gebruiken indirecte bronnen van info.
 Culturele antropologie:
= Beschrijven en interpreteren van (interactie tussen) culturen, waarbij problemen zoals
identiteit, religie, seksualiteit, globalisering, relatie met de natuur,.. belicht worden.
- Toegespitst op de studie van één enkele samenleving in al zijn complexiteit.
-> Focus op het unieke en het specifieke.
- Kwalitatief onderzoek, nl veldwerk.
 Zowel geschiedenis als de culturele antropologie hebben een wat andere invalshoek
(Focus op het unieke en specifieke) en andere analysemethode (Bronnenonderzoek en
veldwerk). MAAR ze staan qua onderzoeksobject heel dicht bij de sociologie.
2. Sociologen verklaren gedrag, (sociale) handelingen en/of interacties door de invloed van
de sociale omgeving.
 Microsociologie:
- De studie van kleine groepen en de interactie tussen individuen.
 Macrosociologie:
- Het handelende individu wordt overstegen.
- De focus ligt op de kenmerken van grotere sociale eenheden.
Het sociale wordt door het sociale verklaard.
Hoe oefent de sociale omgeving of maatschappij een invloed uit op het menselijke
gedrag in de breedste zin van het woord?
Sociologie probeert ook een bijdrage te leveren tot het verklaren van gedragsvormen
als, ideeën, cognitieve eigenschappen en persoonlijkheidskenmerken.
*Biologie:
-> Hoe gaan variaties in fysiologische eigenschappen, hormonale processen en biogenetische
factoren gepaard met variaties in het gedrag?
*Psychologie:
-> Het gedrag benaderen via een studie van interne mechanismen.
-> Zien het gedrag als een soort weerspiegeling van cognitieve en emotionele processen die
van ‘binnen uit ‘gedrag bepalen.
<-> Sociologie: Nemen de sociale omgeving en de sociale relaties van de individuen als
referentiekader bij de verklaring van gedrag. Gedragingen zijn een reflectie van de sociale
organisatie van de leefwereld of de situatie waarin mensen vertoeven.
Bv.: De leerprestaties zijn afhankelijk van biologische, psychologische en sociologische
kenmerken.
Bv.: Interacties binnen het gezin oefenen een invloed uit op psychologische en biologische
verschijnselen. Anderzijds beïnvloedt de werking van ons lichaam onze interacties.
Conclusie: De verschillende disciplines, nl de biologie, de psychologie en de sociologie,
kunnen niet strikt van elkaar gescheiden worden.
Gevolg: Het ontstaan van specifieke subdisciplines op de grenzen van die disciplines.
*Sociale psychologie:
- Grensvlak van de sociologie en de psychologie.
- De studie van de attitudevorming en attitudeverandering.
- Interindividuele benadering.
- De wisselwerking tussen het interindividuele en het intra-individuele.
*Sociobiologie:
- Grensvlak van de biologie en de sociologie.
- Gedragsvormen en sommige daarop voortbouwende vormen van sociaal handelen zijn het
resultaat van een 1000 jaren lange aanpassing aan een externe omgeving.
- Kijken naar samenlevingen en menselijk handelen vanuit een evolutionair tijdsperspectief.
*Biosociale verklaring:
- De wisselwerking tussen het biologische en het sociale wordt nagegaan.
- Klemtoon op de wijze waarop biologische processen aan de basis liggen van interacties en
maatschappelijke processen kunnen beïnvloeden.
Grijs kader: Huwelijk, echtscheidingen en mannelijk testosteron
Westerse samenlevingen: Sterke stijging van echtscheidingscijfers. We zoeken naar
mogelijke factoren hiervan.
1. De verhoogde tewerkstelling van vrouwen waardoor zij meer eigen financiële middelen
verwerven en zich bij gevolg dus onafhankelijker kunnen opstellen.
2. Biologische verklaring: Testosteron blijkt zowel de oorzaak als het gevolg te zijn van
agressief, dominant en antisociaal gedrag bij mannen. Hoge testosteronwaarden gaan dus
samen met antisociaal gedrag, misschien is het daardoor dat mannen met een hoge niet
huwen, want het huwelijk is een sociale aangelegenheid.
 Dit was een voorbeeld van een biosociale benadering die doorgaans een uiterst nuttige
aanvulling biedt.
MAAR deze verklaring zijn echter niet altijd complementair met sociologische observaties en
verklaringen.
Bv.: We weten dat de aantal echtscheidingen de laatste decennia spectaculair gestegen is.
Indien testosteron de verklaring is zou dit een equivalente toename van het
testosteronniveau moeten impliceren. Logischer: De oorzaak koppelen aan spectaculaire
veranderingen in de sociale omgeving.
5. Basisregels bij de uitvoering van sociologisch onderzoek
Een aantal basisprincipes/regels van de praktische sociologiebeoefening zullen hier
toegelicht worden.
5.1 OBJECTIVITEIT
*De sociologie is een objectieve benadering van de sociale werkelijkheid
-> De verklaringen en inzichten die ze opbouwen moeten voor meer dan één wetenschapper
geldig zijn.
5.2 CONCEPTEN
*Deze stelle ons in staat om bepaalde aspecten van de werkelijkheid te vatten.
-> mentale vangnetten die ons in staat stellen om elementen uit werkelijkheid te lichten en
voor studie toegankelijk te maken.
*Ze gebruiken dagelijks taalgebruik, maar dit taalgebruik draagt echter vaak betekenissen
die niet altijd de realiteit eenduidig sociologisch interpreteren (= Vage en dubbelzinnige
concepten).
MAAR wetenschappelijke kennis van de sociale werkelijkheid behoeft een zuiver
taalgebruik.
5.3 GENERALISATIE
*Uiteindelijke doel = Komen tot een set van algemene regels ter verklaring van het sociale
leven.
*Generaliserende verklaring = Een verklaring die op basis van een aantal beperkte stellingen
meerdere situaties verklaart die feitelijk van elkaar verschillen, maar een identieke
onderliggende dynamiek hebben.
*Komen tot een coherent geheel.
*Theories of the middle range
-> Het ontwikkelen van meerdere veralgemenende, objectieve verklaringsmodellen die elk
een verklaring voor diverse deelaspecten van de sociale werkelijkheid vatten.
Bv.: De sociale contacttheorie
5.4 EMPIRISCHE MATERIAAL
*Elke wetenschappelijke uitspraak moet worden ondersteund door empirisch materiaal.
*Wetenschappelijke gegevens beperken zich niet tot kwantitatieve gegevens, want als je bv
de interactie wilt bestuderen zijn kwalitatieve gegevens veel geschikter.
*Een onderzoeker kan uitgaan van nieuw, oorspronkelijk onderzoek, maar hij kan ook
onderzoek voeren dat gebaseerd is op secundaire gegevens.
 Primaire data-inzameling: De socioloog bepaalt zelf op welke manier hij/zij aan gegevens
komt en wat de kenmerken van die gegevens moeten zijn.
-> er zijn meerdere technieken om primaire gegevens te verzamelen
- Enquête, ondervraging, interviews, (participerende) observatie, etc..
-> In de sociologie is het moeilijk om experimenten te organiseren waarbij alle
randomstandigheden gecontroleerd worden.
 Secundaire gegevens: Gegevens die niet door de onderzoeker zelf verzameld worden,
maar die door haar/hem gebruikt worden om tot inzichten te komen in bepaalde sociale
fenomenen.
-> Kunnen afkomstig zijn van andere onderzoekers, maar ze kunnen ook het resultaat zijn
van administratieve procedures.
5.5 CUMULATIVITEIT
*De socioloog werkt cumulatief = De socioloog bouwt verder op resultaten van voorgaand
onderzoek.
*Literatuuronderzoek: De socioloog moet een studie maken van bestaande
wetenschappelijke literatuur.
-> Om overbodig onderzoek te vermijden.
-> om de onderzoeksvraag te verscherpen.
5.6 VERFIFIEERBARE RAPPORTERING
*De socioloog moet over zijn/haar onderzoeksbevindingen berichten = Om groei in de
wetenschap mogelijk te maken.
MAAR de resultaten moeten echter ook verifieerbaar en controleerbaar zijn.
-> Dit is mogelijk door de publicatie van onderzoeksartikels in tijdschriften die het onderzoek
op voorhand laten controleren door deskundigen uit de wetenschappelijke discipline.
= Een strenge beoordelingsprocedure.
*Dat onderzoeksartikel bevat een aantal verplichte onderdelen.
1. Literatuuroverzicht en probleemstelling
 Geschikte literatuurstudie vinden, kritisch lezen en synthetisch samenvatten.
Adequate bronvermelding.
 Probleemstelling = Een bondige omschrijving van het eigenlijke onderwerp van de studie
die tegelijkertijd het onderwerp in het geheel van de kennis plaatst.
 Het literatuuroverzicht bepaalt samen met de distillatie van de probleemstelling de
theoretische invalshoek van de studie.
2. Overzicht van gebruikte methode en technieken
 Nu komt de socioloog tot een beschrijving van de manier waarop zij/hij de studie
uitvoerde.
 Dit gedeelte, dat op de theorie volgt, levert de methodologische onderbouw van het
sociologische onderzoek.
3. Bespreking van de resultaten
 Voornaamste resultaten?
 Nauwkeurig uitgeschreven = Zodat de lezers kunnen achterhalen hoe de onderzoeker
uiteindelijk tot conclusies kwam.
4. Conclusie en/of discussiegehalte
 Welke gevolgtrekkingen?
 Interpreteren binnen het geheel van de wetenschappelijke kennis
 Resultaten verenigbaar met wat al geweten is?
*Studies die deze vorm aannemen vormen een wetenschappelijk artikel
*Opgestuurd naar wetenschappelijke tijdschriften
*Wetenschappelijke tijdschriften = internationaal georganiseerd!
*Studies ingediend voor publicatie : Worden eerst gecontroleerd
 Peer review door comité van drie lezers uitgekozen door de redactieraad
= Een kritische, anonieme evaluatie -> beoordelingsrapport
 3 mogelijke beslissingen: 1. Volledig verworpen
2. Moet worden herwerkt
3. Gepubliceerd
Grijs kader: Strengheid van wetenschappelijke selectie
Social problems = Een tijdschrift die wetenschappelijke studies publiceren die sociale
problemen, op theoretisch gestaafde manier bestuderen en analyseren.
90.3 % studies werden afgewezen en ‘Social problems’ is hiermee niet een uitzondering!
Elk wetenschappelijk tijdschrift hanteert strenge selectiecriteria. Voordat een studie
gepubliceerd wordt, heeft het een heel grondig en meervoudig beoordelingsproces zchter
de rug!
6. Kwantitatief of kwalitatief?
Er is al veel gediscussieerd over wat nu de juiste wetenschappelijk methode is. Kan de
sociologie de methode van de natuurwetenschappen overnemen? Het alternatief is een
methode die sociologiespecifiek is = In functie van betekenis.
Meestal is het een of-of discussie. Maar het zou beter zijn moesten de methoden elkaar
complementeren.
Weber: zinadequaatheid <-> causale adequaatheid = Eisen voor een goed sociologisch werk
 Causale adequaatheid = Dat men een kansuitspraak kan doen met betrekking tot oorzaakgevolgrelaties.
 Zin- of subjectiefadequaat = Wanneer de gemaakte verbanden in overeenstemming zijn
met onze gewoonlijke denk- en voelpatronen.
 Maar jammer genoeg zijn deze twee eisen in de loop der jaren los van elkaar komen te
staan. = Degene die zich richtten op oorzaak-gevolgrelaties richten zich op het positivisme.
= Degenen die zich richtten op de zinvolheid gebruiken de interpretatieve methode.
6.1 De kwantitatieve benadering: Het positivisme
*Niet alleen eigen aan de sociologie
*Brede filosofische betekenis: Positivisme = Een kennistheorie doe ontwikkeld werd door
Francis Bacon, John Locke en Isaac Newton.
*Historisch oogpunt: Zowel Comte als Durkheim behoren tot de positivistische grondleggers
onder de sociologen.
*Binnen de sociologie een hoogtepunt in de Amerikaanse sociologie.
 belangrijke namen = George Lundberg, William F. Ogburn
*Vier principes:
1. Kennis kan enkel gebaseerd zijn op ervaring (Observatie)
2. Er wordt gestreefd naar causale verklaringen door generalisaties
3. Er is een eenheid van wetenschappelijke methode in de wetenschappen; Hierdoor zijn de
natuurwetenschappelijke methodes van toepassing in de sociale wetenschappen.
4. Er moet een rigoureuze scheiding zijn tussen feiten en waarden; wetenschappelijke
inzichten hebben dus geen sociaal normerende status.
 Op basis van die principes is er een rigoureuze zorg ontstaan voor methodologie
Bv.: Intensief gebruik van statistische technieken om zo tot een verklaring te komen van
bepaalde handelingsvormen of interactievormen.
 Kenmerkend = Het beklemtonen van oorzaak-gevolgrelaties.
Grijs kader: Causale modellen
*Elk wetenschappelijk onderzoek start vanuit een onderzoeksvraag.
Voorbeeld: “Welke factoren bepalen de mate waarin mensen gebruik maken van medische
voorzieningen?
Maw: Kan men een verklaringsmodel opstellen voor het gebruik van medische
voorzieningen?
 Deze herformulering introduceert een zeer belangrijk concept uit de positivistische
sociologie = Het verklaringsmodel!
 Model = Een schematische voorstelling van (een deel van) de wereld, waarbij verbanden
worden gelegd tussen een aantal fenomenen.
 Doel = Op een beknopte, overzichtelijke manier inzicht te bieden in het functioneren van
(een deel van) de wereld.
*Ze variëren qua complexiteit. Meest eenvoudige = Met twee variabelen
*Om de waarde van variabelen te kennen, moeten we ze echter meten = We moeten
variabelen vertalen in meetbare indicatoren.
 Hiervoor moeten we ze operationaliseren = De wijze bepalen waarop de variabele zich in
de sociale werkelijkheid manifesteert.
*In ons voorbeeld veronderstellen we dat inkomensniveau een invloed uitoefent, we
veronderstellen dus een causale relatie
 Om van causaliteit te kunnen spreken is het noodzakelijk dat de verklarende of
onafhankelijke variabele voorafgaat aan de te verklaren of afhankelijke variabele.
*Twee soorten causale invloeden = Directe en indirecte
*Na het opstellen van het model is het de bedoeling om na te gaan of de in het model
veronderstelde samenhangen tussen kenmerken ook kunnen worden vastgesteld in de
sociale werkelijkheid.
 Een dergelijke geobserveerde samenhang tussen kenmerken = Covariantie
*In de moderne sociologie neemt de positivistische aanpak een belangrijke plaats in.
*Voornaamste kenmerken:
1. Theoretisch model:
Het al dan niet opnemen van variabelen in een model is gebaseerd op de theoretische
relevantie en de spaarzaamheid.
Enkel die variabelen waarvoor we op basis van vorig onderzoek of op basis van logische
afleidingen kunnen besluiten dat ze in verband staan met de afhankelijke variabele worden
in verklaring ingebracht.
2. Operationaliseren
De theoretische concepten worden in variabelen omgezet. Variabelen = Meetbare
grootheden.
3. Causaliteitsbepaling
De variabelen worden causaal geordend.
Eerste splitsing = Afhankelijke <-> onafhankelijke
Ook de onafhankelijke variabelen worden in een causale volgorde gebracht.
 Deze volgorde is belangrijk voor het bepalen van directe en indirecte invloeden.
Causaliteitsbepaling gebeurt op basis van theoretische inzichten gesteund door een
tijdsordening
4. Causale relaties worden geacht algemene wetmatigheden te zijn.
Het gehanteerde model wordt geacht een algemene verklaring te zijn.
 Herhaald testen en bijsturen
Eerder ideaal dan realiteit
5. Statistische analyse
De gegevens kunnen van primaire of secundaire aard zijn
6.2 De kwalitatieve benadering: Nadruk op betekenis
*Sociale wetenschappers moeten als ze hun studieobject volledig willen kennen en
respecteren, rekening houden met de betekenissen en de interpretaties die inherent zijn aan
die sociale werkelijkheid.
*19e eeuw: Debat gevoerd in termen van ‘Natuurwissnschaften’ VS ‘Geisteswissenschaften’.
 Belangrijke vertegenwoordigers = Heinrich Rickert en Wilhelm Dilthey.
 Beiden beïnvloedden Max Weber
*Verstehene sociologie = De betekenis die onlosmakelijk met het menselijke handelen
verbonden is proberen te begrijpen.
 Ook interpretatieve of kwalitatieve sociologie genoemd
*Meerdere invalshoeken zijn aanwezig in de interpretatieve benadering.
*Meest gebruikte technieken
 De participerende observatie
 Diepte-interview
Via dergelijke technieken leert de socioloog de onderlinge motieven, betekenissen en
argumentaties kennen die actoren gebruiken om hun dagelijkse leven zinvol te maken, d.i.
van betekenis te voorzien.
*Niet alleen geschikt voor het achterhalen van betekenissen, maar men kan met deze
benadering ook het verloop van interactieprocessen achterhalen.
 Op die manier kunnen we inzicht krijgen in hoe bepaalde fenomenen nu ontstaan,
waardoor we beter verstaan wat de essentie van het fenomeen is.
Grijs kader: Het leren roken van marihuana
 Nog lezen of van samenvatting op Facebook halen!
*Hoe kan men nu tot veralgemeningen komen op basis van kwalitatieve studies?
 Als de studie ook wordt bevestigd in andere contexten = Dan kan men met een redelijk
graad van waarschijnlijkheid besluiten dat het geïdentificeerde proces algemeen is, zowel
met betrekking tot het soort druggebruik als met betrekking tot de culturele setting.
*Kwalitatief onderzoek = Een interessante en noodzakelijke aanvulling voor het positivistisch
onderzoek.
*Voornaamste kenmerken van kwalitatief onderzoek:
1. Openstaan voor zaken die niet door de hypothese voorspeld worden
 Deductief denken van positivisme (theorie → hypothese) is conservatief
 Om echt nieuwe inzichten te ontwikkelen is onderzoek nodig dat expliciet open staat voor
zaken die niet door de hypothese voorspeld worden
= Brede manier van informatiewinning
2. Open onderzoeksmethoden
 De positivistische onderzoeksmodellen zijn misschien wel té reducerend als samenvatting
van de wereld.
 Open onderzoeksmethoden = Variabelen worden bestudeerd in hun volledigheid en hun
complexiteiten.
= contextgevoeligheid
3. Concepten worden door contacten en observaties in het veld getest
 In het positivisme dreigen concepten gereïficeerd te worden.
 Aangezien concepten de denkcategorieën van de onderzoeker zijn, riskeren ze soms maar
weinig te zeggen over de ‘echte’ situatie waarin een bepaalde persoon zich bevindt.
 Kwalitatief onderzoek: vertrekken van de betekenissen, de kennis en de praktijken van de
participanten zelf, vanuit hun eigen perspectief.
 Concepten worden continu door contacten en observaties in het ‘veld’ getest.
4. Reflexiviteit van de onderzoeker
 Onderzoeker tracht na te gaan of hij/zij wel op de juiste manier werkt.
 Of hij/zijn niet reducerend of reïficerend te werk gaat.
 Ze kunnen in hun dagboek impressies, irritaties en gevoelens die ontstaan tijdens het
onderzoek nauwkeurig noteren: Proces wordt zichtbaar gemaakt voor reflectie.
*Beide benaderingswijzen sluiten elkaar niet uit, maar vullen elkaar aan.
*Twee bedenkingen:
1. Webers’ eis tot zowel causale als zinadequaatheid:
 Men moet zowel streven naar veralgemeningen m.b.t. oorzaak-gevolgrelaties als naar
zinvolheid van de gevonden verbanden.
2. Er zijn ook legitieme pragmatische redenen om een keuze te maken tussen kwantitatief en
kwalitatief onderzoek:
 Sommige doelgroepen zijn zo moeilijk te bereiken met klassiek survey-onderzoek dat
observaties en diepte-interviews dan de enige mogelijke onderzoekstechnieken zijn.
7. De plaats van de socioloog in de maatschappij
*De socioloog verkeert in een bijzondere situatie:
 Hij bestudeert niet alleen de sociale werkelijkheid, tegelijkertijd maakt hij ook zelf deel uit
van die sociale werkelijkheid.
*Het gevaar bestaat natuurlijk dat onderzoeksresultaten op zo een manier geïnterpreteerd
zullen worden, dat ze de persoonlijke visie van de onderzoeker ondersteunen.
 Is er een verband tussen de wetenschappelijk arbeid van een socioloog en haar/zijn
maatschappelijke positie?
Voor sociologen is het moeilijker als voor wetenschappers om hier afstand van te doen!
*Wat is de gangbare visie op dit probleem?
 Op het vlak van de eigenlijke wetenschappelijke arbeid: De socioloog moet de
wetenschappelijke regels van de sociologie volgen.
= Het sociologisch onderzoek moet waarderingsvrij zijn.
-> Wat telt is de strengheid en de zorgvuldigheid van de toepassing van de
wetenschappelijke methode.
* Dit betekent echt niet dat alle menselijke waarden uit de wetenschappelijke arbeid
verdwijnen. Waarom kiest iemand een bepaald onderzoeksonderwerp?
= Omdat de keuze van hun onderwerp is waardegebonden.
-> Vaak zijn ze zich hier niet van bewust en beschouwen ze het vanzelfsprekend.
*Niet alleen waarden bepalen de keuze van onderwerpen, maar ook machtspatronen.
 Een belangrijke katalysator in die dynamiek is de financiering van wetenschappelijk
onderzoek.
*Een ander aspect van de maatschappelijke positie van de sociologie heeft betrekking op
interventie of op de toepassing van onderzoeksresultaten.
*Is er een scheiding van theorie en praxis? Moet de sociologie op basis van haar
wetenschappelijke inzichten een leidende rol spelen in de maatschappelijke verandering?
 Meerdere antwoorden!
1. Frankfurter Schule
= Een Duitse groep sociale wetenschappers die op basis van hun wetenschappelijke inzichten
tot een wetenschappelijk gemotiveerde kritische maatschappijvisie kwamen.
 Er is geen scheiding tussen theorie en praktijk.
 Wetenschappers moeten meewerken aan sociale veranderingsprocessen die
maatschappelijke wantoestanden uit de wereld helpen.
2. Radical sociology
= Een Amerikaanse groep sociale wetenschappers.
 Een socioloog kan nooit een vrijblijvende houding aannemen.
 Een zogezegde neutrale socioloog ondersteunt het status quo en kiest dus voor de
bestaande sociale verhoudingen.
*Vanuit wetenschappelijk oogpunt kan geen antwoord gegeven worden op de vraag of de
socioloog al dan niet maatschappelijk en dus politiek geëngageerd moet zijn.
 De wetenschapper moet zijn eigen verantwoordelijkheid opnemen!
 Zijn taak is om er voor te zorgen dat de wetenschappelijke criteria van objectiviteit
bewaard blijven.
*Extra onderscheid = Onderscheid tussen fundamentele en toegepaste kennis.
 Dit onderscheid kan in de sociologie teruggebracht worden tot het onderscheid tussen
een sociologisch probleem en een sociaal of beleidsprobleem.
 Een sociologisch probleem = Een probleem met betrekking tot sociologisch inzicht en
theorievorming (= probleem binnen de sociologie als wetenschap).
*De sociologie als wetenschap kan ook aangevoerd worden om mee te helpen zoeken naar
een antwoord op door de maatschappij erkende sociale problemen.
 Toegepast karakter van het sociologische onderzoek
 Niet-Gouvernementele organisaties (Ngo’s) doen bv. beroep op sociale wetenschappers.
= Domein van de toegepaste sociologie.
*Toegepaste sociologie is heel nauw verwant met klinische sociologie.
*Klinische sociologie = Een praktijkgeoriënteerde sociologie gericht op interventie.
*Problemen worden geïnterpreteerd alsof ze het resultaat zijn van de sociale organisatie van
menselijke relaties.
 Problemen worden benaderd vanuit sociologisch perspectief!
*Klinisch sociologen zijn alert voor problemen die volgen uit macht, dominantie en
rolverwachtingen.
*De klinisch socioloog moet het perspectief van de cliënt herdefiniëren
= Aandacht besteden aan het creëren van inzicht in het geheel van sociale verhoudingen
waarvan de cliënt deel uitmaakt.
8. Slotbeschouwing
*Hoofdstuk 1 : De zienswijze en werkwijze van de sociologie.
*Zienswijze = Gebaseerd op het idee dat gedragingen, sociale handelingen en/of interacties
kunnen worden verklaard door de invloed van de sociale omgeving, dus door te verwijzen
naar andere sociale handelingen en/of interacties.
*Werkwijze = Gekenmerkt door objectiviteit, verificatie, cumulativiteit, generalisatie en de
combinatie van theorie en empirie.
*Sociologische kennis: Kan gebruikt worden om tot een goed inzicht te komen in onze
leefwereld of om concrete interventies in de wereld voor te bereiden.
Hoofdstuk II: Cultuur
1. Inhoud van het georganiseerd samenleven: Cultuur
1.1 INLEIDING
*Cultuur vormt de inhoud van het georganiseerde samenleven.
 De wetenschappelijke analyse ervan is een van de aanzetten geweest om sociaalwetenschappelijke verklaringen los te maken van natuurwetenschappelijke verklaringen van
menselijke patronen van samenleven.
*Eén van de eerste omschrijvingen van het begrip cultuur vinden we al aan het einde van de
19e eeuw bij de antropoloog Tylor.
“Het complexe geheel van kennis, geloofsovertuigingen, kunst, wetgeving, waarden en
normen, tradities en alle andere capaciteiten en gewoonten die door de mens als lid van een
samenleving verworven werden.”
 Vooral beschrijvend!
= Een opsomming van elementen die onderdeel vormen van cultuur.
 Samenlevingen worden volgens hem gekenmerkt door aantal gelijkvormigheden. Die zijn
het resultaat van soortgelijke invloeden. Tylor stelt dus dat gelijkvormigheden m.b.t. het
georganiseerde samenleven het resultaat zijn van wetmatigheden.
 Het sociale is onderhevig aan wetmatigheden = Een geruchtmakende stelling!
(↔ ‘vrije wil’ aangevoerd door filosofen en theologen).
 De introductie van het cultuurbegrip maakte mee de weg vrij voor een wetenschappelijke
studie van het sociale leven.
*Verdere ontwikkeling van dit cultuurbegrip vond plaats in de context van het continue
streven naar het culturele af te bakenen t.o.v. het biologische.
*Volgens Kroeber wordt de sfeer van het culturele gekenmerkt door accumulatie en niet
door evolutie. Evolutie is veeleer een kenmerk van het biologische.
*Biologische evolutie: oude kenmerken worden ‘ingeruild’ voor nieuwe.
 Betere aanpassing van de soort.
*Bij culturele accumulatie wordt niets ingeruild of vervangen. Mensen passen mee hun
omgeving aan in plaats van enkel hun genetische kenmerken.
 Dit resulteert in wat we de menselijke beschaving noemen
 Taal = Typisch menselijk en de overdracht is niet erfelijk maar gebeurt via leerprocessen.
*White : Het symbool
 Het symbool heeft hetzelfde belang voor de studie van het culturele als de cel voor de
studie van het biologische.
 Het gebruik van symbolen maakt de mens verschillend van dieren.
= De mens is een symbolisch wezen!
 Wat is er zo bijzonder aan het symbool dat enkel mensen in staat zijn tot
symboolgebruik? -> Onderscheid maken tussen betekenis van een symbool en de fysische
drager ervan.
- In symbolisch handelen reageren mensen op de fysische stimulus, maar die reactie of
respons berust niet op de intrinsieke eigenschappen van de stimulus. De respons
daarentegen wordt uitgelokt door de betekenis die aan een stimulus wordt gegeven.
 Het feit dat een symbolische betekenis niet kan worden afgeleid uit de fysische
kenmerken (materie) van de symbooldrager heeft een aantal merkwaardige, typisch
menselijke gevolgen.
- Het symbool voegt betekenissen toe aan de materiële werkelijkheid waarin mensen leven .
- Hierdoor ontstaan meerdere nieuwe symbolische werkelijkheden die bovenop de materiële
wereld geplaats worden.
*Alfred Schütz
 Materiële wereld waarin we leven = ‘paramount reality’ = Dominante wereld.
 Deze wordt echter doordrongen door andere realiteiten.
Die realiteiten zorgen ervoor dat de dimensie van het zuivere materialisme versmelt met
niet-materiële elementen, die dusdanig betekenis geven aan de materiële wereld.
 Die realiteiten = zingevingsdomeinen = ‘finite provinces of meaning’.
 Communicatie tussen materiële wereld en die zingevingsdomeinen gebeurt met behulp
van symbolen! = Symbolen maken de verbinding tussen de materiële wereld en de nietmateriële werkelijkheid. Vandaar dat de betekenis van een symbool niet af te leiden is uit de
fysische kenmerken van de symbooldrager.
Droom
Symbolen
Materieel bestaan
Religie/
mythologie
Symbolen
Wetenschap
Symbolen
Paramount reality
*Kluckhohn:
 Cultuur is afhankelijk én van biologische kenmerken eigen aan de menselijke soort én van
de omgeving waarin mensen leven.
 Cultuur is een antwoord op de eisen die de fysische omgeving stelt om te overleven
 Cultuur volgt uit de reductie van de inbreng van instincten bij het vormen van het gedrag
 Cultuur geeft inzicht in de centrale tendens van variabel gedrag!
*Uit het bovenstaande kunnen we de volgende kenmerken van cultuur aanduiden:
 Organiseert het lichamelijk functioneren van de mens = Geeft dus vorm aan het menselijk
handelen.
 Antwoord op de overlevingseisen die fysische omgevingen stellen aan menselijke
samenlevingen.
 Overgedragen via leerprocessen (taal en symbolen).
 Accumulatie.
1.2 IS CULTUUR EEN SPECIFIEK MENSELIJKE EIGENSCHAP?
= Hoofdzakelijk een kwestie van definitie.
*Antropologische definitie:
 Zij antwoorden bevestigend.
 Reduceert cultuur tot een specifieke menselijke eigenschap door:
1. Het verschijnsel per definitie te beperken tot een kenmerk van menselijke
samenlevingen.
2. De sociale leerprocessen die de overdracht van gedrag mogelijk maken onlosmakelijk
verbinden met specifiek menselijke capaciteiten. (Taal en symbolen)
 Deze stelling kunnen we staven met experimenten met primaten (chimpansees).
- Proberen communiceren via gebarentaal.
- Enkel concrete aspecten (geen abstracte symbolische waarde).
- De apen leren de door imitatie aangeleerde tekens door oefening inderdaad begrijpen.
- Maar te weinig bewijsmateriaal om te concluderen dat zij die tekens ook tot een
herkenbare (gebaren)taal zouden kunnen concluderen.
- Absoluut geen evidentie voor het feit dat ze in staat zouden zijn deze tekens aan te
leren aan hun soortgenoten, laat staan dat zij nieuwe tekens zouden creëren.
*Ethologische definitie:
 Ontkennen dat enkel mensen over cultuur beschikken.
 Cultuur ontstaat wanneer gedragingen via sociale leerprocessen worden overgedragen,
waardoor ze zich in een gemeenschap verspreiden, overgaan van de ene op de andere
generatie en daardoor een kenmerk van een gemeenschap worden.
 Verschillende diersoorten kennen een cultuur en dragen via culturele transmissie gedrag
over van de ene generatie op de andere.
 De capaciteit is sterk ontwikkeld bij mensapen.
 Het hanteren van een meer omvattende omschrijving van cultuur laat de ontwikkeling en
empirische toetsing van hypotheses over de determinanten van ≠ in culturele ontwikkeling
tussen diersoorten toe.
*De cultuur van mensen verschilt kwalitatief en kwantitatief hemelsbreed van die van, bv.
de chimpansee.
 Het is dit indrukwekkende verschil van niveau dat de gerichte aandacht van sociologen en
antropologen op menselijke culturen verrechtvaardigt.
*Maar hoe moet dit verschil verklaard worden? Wellicht zijn de technieken waarover
mensen beschikken om cultuur over te dragen van doorslaggevend belang.
1.3 SYMBOLEN, TEKENS EN TAAL
*Centraal = De menselijke processen van taal en communicatie.
*Cultuur heeft betrekking op het toekennen van betekenissen aan handelingen, fysische
objecten, etc…
 Die betekenissen situeren zich niet op het individuele vlak, maar worden gedeeld met
andere mensen.
 Opdat een betekenis gedeeld zou kunnen worden, is communicatie nodig.
Communicatiemiddel = taal.
*Taal = Een geheel van symbolen en tekens die op een oneindige manier met elkaar
verbonden kunnen worden.
*Symbool: Geen verband tussen betekenis en drager.
*Tekens: Wel een intrinsiek verband tussen teken zelf en waar het voor staat: Drager en
betekenis behoren tot dezelfde culturele context of hetzelfde zingevingsdomein.
*Non-verbale communicatie = Niet universeel, maar gebonden aan een specifieke
omgeving.
*Verbale communicatie = Belangrijkste communicatiekanaal
 Maakt het mogelijk symbolen op een oneindige manier met elkaar te verbinden.
 Elk woord is een symbool, een klank waaraan een bepaalde betekenis werd toegekend.
*Belang van verbale communicatie of taal?
1. Taal maakt het mogelijk om menselijke ervaringen over te dragen, zodat die cumulatief
bewaard kunnen worden.
~ Niveau van beschaving.
2. Taal geeft mensen een sociaal en gedeeld verleden.
~ Herinneringen delen.
3. Taal geeft mensen een sociale en gedeelde toekomst.
~ Afspraken maken en activiteiten plannen.
4. Taal maakt het mogelijk om standpunten te delen.
~ Uitwisseling van ervaring.
5. Taal maakt complex, gedeeld en doelgericht handelen mogelijk.
~ Individuele activiteiten in een ruimer geheel in te schakelen.
Het grijs kader: De Sapir-Whorf-hypothese
* Studie bij de Hopi Indianen: Zij hadden geen woorden om een onderscheid te maken
tussen de tijden.
*Dus waren ze van mening dat de algemene opvatting dat woorden enkel labels zijn die
mensen met dingen verbinden, verkeerd was.
*Ze ontwikkelden een nieuwe hypothese = Denken en waarnemen worden niet enkel
uitgedrukt via taal, maar worden ook door de taal gevormd.
*Uiteindelijk bleken hun bevindingen verkeerd te zijn = De Hopi indianen hadden wel
woorden voor tijden in hun taalsysteem.
MAAR niettemin moet hun besluit ernstig genomen worden
= Woorden zijn de lenzen die ons in staat stellen om dingen te zien.
1.4 ONTSTAAN VAN CULTUUR
*Zoals eerder gesteld helpt cultuur de mens zich aan te passen aan zijn/haar fysische
omgeving.
*De eerste stap in cultuurvorming = Er wordt een nieuw gedragspatroon of denkpatroon
ontwikkeld, of een bestaand wordt aangepast, in antwoord op een concreet probleem.
 Groepsleden die met hetzelfde probleem geconfronteerd worden, zullen die nieuwe of
aangepast gedrags- of denkpatroon overnemen.
 Dit patroon verwerft over de groepsleden heen een zekere consistentie. Hierdoor krijgt
het een blijvend karakter en wordt het een vast onderdeel van het geheel van gedragingen
of denkbeelden van de groepsleden.
 Voor elke cultuur geldt dus dat dit gedrags- of denkpatroon aangeleerd wordt. Het
grootste deel van het proces vindt plaats in het gezin en op school.
*Die cultuurvorming kan zich op verschillende niveaus afspelen:
 Macroniveau: Samenlevingsniveau.
 Mesoniveau: Niveau van organisaties.
= Zodra er sprake is van een groep mensen, is er sprake van cultuur (schoolcultuur,
bedrijfscultuur).
*Zodra samenlevingen groter en complexer worden, ontstaat er meer ruimte voor variaties
in de cultuur door de grotere differentiatie.
*Subculturen = Groepen in de samenleving die overtuigingen, waarden en leefstijlen hebben
die verschillen van die van de dominante cultuur.
 Creëren afwijkende leefstijlen binnen de dominante cultuur
MAAR verwerpen de dominante cultuur niet!
*Tegenculturen (countercultures):
 Verwerpen de dominante cultuur wél!
Bv.: De hippiecultuur in de jaren ’60.
*Subculturen kunnen tegenculturen worden
Bv. De cultuur van leerlingen BSO kan de vorm aannemen van een counter-schoolcultuur
= Ze voelen zich niet aanvaard en gewaardeerd door het systeem, dat vooral cognitieve
bekwaamheid beloont, daarom gaan ze zich daarom afzetten tegen alles wat met school en
studeren te maken heeft.
Grijs kader: De hiphopbeweging
Is ontstaan in Ny, meer bepaald in de South Bronx. Een smeltkroes van culturen werd
geografisch afgescheiden van de meer begunstigde middenklasse.
 Meer drugs
 Meer criminaliteit
 Meer werkloosheid
 Etc..
Dan werd er een Jamaicaanse dj-stijl geïntroduceerd door geïmproviseerde rijmklanken te
declareren op de muziek. Het was gebruikelijk dat de dj liet weten aan de mensen wie er
aanwezig was = “Is in the house!”
Jongeren kwamen veel vaker samen. En buiten muzikale elementen bevat de
hiphopbeweging nog twee disciplines, nl. breakdancing en graffiti.
Hiphop groeide uit tot een leefstijl met een eigen taalgebruik, lichaamstaal, muziek – en
kledingstijl, dans – en beeldcultuur, en een state of mind die voortdurend evolueert.
Bepaalde expressies uit de subcultuur hiphop kunnen echter dicht aanleunen bij de
kenmerken van een tegencultuur. Bv.: Sommige songteksten
De verschillen tussen een subcultuur en een tegencultuur kunnen worden geplaatst op een
continuüm. = Subcultureel relativisme.
Kenmerken van tegenculturen lijken eerder cognitief aanwezig te zijn in subculturen dan dat
ze gedragsmatig en collectief frequent tot uiting komen in het ontstaan van nieuwe
tegenculturen.
Grijs kader: Cultuur als aanpassing aan de omgeving
De hoofdkenmerken van de Amerikaanse cultuur = vooruitgang, prestatiegerichtheid,
onafhankelijk initiatief, individualisme en zelfredzaamheid.
 Deze moeten beschouwd worden als het resultaat van een strijd om zich in een gigantisch
groot, wild en bevolkt gebied te vestigen, er te domineren en het te exploiteren.
Japanse cultuur: respect, orde, groepslidmaatschap en zelfbeheersing.
 Draagt bij tot aanpassing aan een omgeving waar een grote bevolking moet leven op een
relatief kleine, bewoonbare oppervlakte.
1.5 CULTUUR ALS LENS
*Een wezenskenmerk van een cultuur = Haar vanzelfsprekendheid.
*Slechts wanneer mensen geconfronteerd worden met vreemde culturen, worden ze zich
bewust van de relativiteit van hun eigen cultuur en van andere culturen.
*Die confrontatie wordt soms geneutraliseerd door de eigen cultuur als superieur te
beschouwen.
 Etnocentrisme: Beoordeelt en evalueert vreemde culturen met de eigen cultuur als
maatstaf.
 Cultureel relativisme: Gaat ervan uit dat culturen niet meer-of minderwaardig zijn,
omdat elke cultuur een eigen specifieke aanpassingswijze is aan de eisen die de omgeving
stelt.
Grijs kader: De culturele relativiteit van perceptie
Colin Turnbull = Engelse antropoloog die gedurende jaren 50 bij pygmeeën heeft geleefd. Hij
vatte zijn ervaringen samen in het boek: “The Forest People”.
Toen Turnbull zijn studie eindigde nam hij een van de pygmeeën, Kenge, mee. Ze stonden in
een open vlakte, het was de eerste keer dat Kenge zo ver van zijn habitat verwijderd was.
Toen Turnbull naar de waterbuffels wees zei Kenge dat dat insecten waren. Hij had nog nooit
over zo’n afstand kunnen waarnemen en was dus niet vertrouwd met het feit dat
voorwerpen kleiner lijken wanneer ze van veraf worden waargenomen.
 Cultuur heeft een grote kracht op mensen.
 Cultuur laat niet enkel toe dingen te zien die anderen die onze cultuur niet delen, niet
zien.
 Cultuur bepaalt voor een groot stuk ook gevoelens en emoties.
1.6 De componenten van cultuur
*Cultuur gaat uiteindelijk niet over voorwerpen, maar over de betekenissen waarvoor ze
staan.
*Cultuur omvat alles wat in de loop der tijden door de mens werd gecreëerd: waarden,
normen, kennis, ideeën, technieken,…
*Twee soorten culturen:
 Materiële cultuur: Omvat alles wat in stoffelijke vorm vastgelegd worden, culturele
artefacten.
 Immateriële cultuur: Omvat de manier waarop groepen mensen denken, hun waarden
en normen.
*Traditioneel worden drie componenten van cultuur onderscheiden in dalende vorm van
abstractie:
1. Gedeelde denkbeelden
Volgens vele wetenschappers de essentie van cultuur.
 Cultuur wordt in het algemeen gedefinieerd als het geheel van gedeelde denkbeelden,
overtuigingen, betekenissen.
 Die gedeelde zienswijzen bestaan zowel uit empirische als existentiële kennis.
- Empirische kennis:
= Informatie die mensen delen over hoe de wereld is opgebouwd en hoe hij werkt.
= Is het resultaat van ervaring en van wetenschappelijk onderzoek.
= Kan dagelijkse ervaring zijn of ervaring overgeleverd via traditie.
- Existentiële kennis:
= De gedeelde denkbeelden die betrekking hebben op de eigen positie, de
omgeving, de relaties met anderen.
= Geeft antwoord op concrete of grote vragen.
= Deze soort kennis ligt opgeslagen in filosofische en religieuze systemen.
2. Waarden en normen
 Waarden:
- Vloeien in feite voort uit die empirische en existentiële kennis.
- Kunnen worden beschouwd als groepsopvattingen over wat wenselijk is en hebben
betrekking op de meest gewenste doelstellingen en de manieren om die te bereiken.
- Waarden staan voor het hoogste morele goed in een cultuur.
- Waarden worden uitdrukkelijk beklemtoond en vermeld in documenten die de basis
vormen van een georganiseerd samenlevingsverband.
- Waarden zijn cognitieve voorstellingen van behoeften.
- Ze duiden op voorkeuren die mensen onderling delen met het oog op het realiseren van
bepaalde finale doelstellingen in hun leven of op voorkeuren voor gedrag en handelen.
 Waardesysteem:
- Waarden komen niet geïsoleerd voor, maar vormen onderdeel van een waardesysteem.
- Dit impliceert dat waarden onderling een zekere hiërarchische relatie hebben (Bepaalde
waarden acht men belangrijker dan andere.)
 Normen:
- Voorschriften, regels of gedragsstandaarden die het gedrag van de leden van een groep, of
van een maatschappij in algemeen, bepalen.
- De meeste van onze handelingen weerspiegelen de aanwezigheid van bepaalde algemeen
aanvaarde normen.
- Wanneer het gedrag niet beantwoordt aan de normen: deviant gedrag.
3. Materiële cultuur
= Is de meest zichtbare en meest concrete component van cultuur.
 Het zijn de materiële zaken die de mens creëert om zijn omgeving te beheersen en zo zijn
overlevingskansen te vergroten.
 Gebruiksvoorwerpen (werktuigen, kleding, potten)
 Expressievormen (mode, siervazen, muziek, kunst, theater,..)
 Gebruiksvoorwerpen bieden op die manier de mogelijkheid om zich uit te drukken en te
onderscheiden van anderen en worden expressieve symbolen.
 De materiële cultuur vormt een zichtbare uitdrukking van de dieper liggende gedeelde
overtuigingen.
 Sociologen zijn het minst geïnteresseerd in deze derde component omdat ze er van
overtuigd zijn dat de essentie van cultuur gevormd wordt door het geheel van gedeelde
denkbeelden.
 Antropologen en archeologen, daarentegen, moeten hun theorieën vooral opbouwen op
basis van wat ze vinden aan overblijfselen van de materiële cultuur.
1.7 Kenmerken die culturen van elkaar onderscheiden
*Culturen kunnen van elkaar onderscheiden en vergeleken worden op basis van de aard van
die gedeelde overtuigingen = Dit door antwoord te geven op de volgende vragen:
1. Welk tijdsperspectief wordt er gebruikt?
 Verleden: Geschiedenis, verhalen en tradities.
 Heden: Zintuiglijke waarneming, onmiddellijke beloning.
 Toekomst: Plannen, toekomstige beloningen.
2. Hoe is de relatie met de fysische werkelijkheid?
 Overheersing: Groep als meester van de natuurlijke omgeving.
 Harmonie: Groep heeft een harmonische relatie met natuur, mens als gelijke beschouwd
van alle andere dingen.
 Onderschikking: Groep ziet zichzelf als speelbal van de natuurlijke omgeving die leidt tot
een fatalistische aanvaarding van de dominantie van de natuur over de mens.
3. Hoe is de relatie met het bestaan?
 Zijn: Uitdrukking van het Zelf in het heden evalueren.
 Worden: Zich richten op het bereiken van een cultureel aanvaard ideaal.
 Doen: Wat iemand is of wat iemand kan worden niet zo belangrijk is als wat iemand
bereikt.
4. Hoe is de relatie van mensen onder elkaar?
 Hiërarchie: Relaties tussen leden bestaan in termen van hogere of lagere graden van
status en macht.
 Individualisme: Verantwoordelijk voor zichzelf.
 Collectief: Met elkaar als gelijke omgaan in de verwezenlijking van de doeleinden van de
groep. Niemand is onafhankelijk en niemand is meer of minder waard dan een ander.
2. Slotbeschouwing
We hebben cultuur bekeken als inhoudelijke component van het georganiseerde
samenleven.
Typisch menselijke eigenschap, omdat het aangeleerd is, waarvoor communicatie door
middel van taal noodzakelijk is.
Hoe gedifferentieerder de groep hoe meer kans op het ontstaan van subculturen en
counter-culturen.
Elke cultuur heeft verschillende componenten, maar de essentie wordt gevormd door
gedeelde overtuigingen of denkbeelden.
Hoofdstuk 3: Sociale structuur
1. De vorm van het georganiseerde samenleven: De sociale structuur.
1.1 Sociale groepen
*Dyade = De kleinst mogelijke sociologische eenheid die bestaat uit 2 personen waarbij de
groep verbonden is met elk van de twee participerende individuen.
Bv. Huwelijk
*George Simmel: grondlegger van de sociologie.
*De groepsleden kunnen dan ook een relatief sterke controle uitoefenen over de groep.
*Triade = Een dyade die wordt uitgebreid met een 3e persoon.
*Onmogelijk voor een individueel lid om de hele groep te controleren.
-> Hierdoor ontstaan nieuwe eigenschappen = De groep wordt autonoom tegenover de
samenstellende leden en de onzekerheid neemt toe voor alle actoren.
*Verdere uitbreiding: Een toename van het aantal groepsleden leidt ertoe dat het aantal
mogelijke relaties in een groep sterk toeneemt.
*Bij N personen ontstaan er N(N-1)/2 mogelijke relaties tussen de groepsleden.
Bv.: Groep van 2 personen = Eén relatie
Groep van 3 personen = Drie relaties
Groep van 4 personen = Zes relaties
Groep van vijf personen = Tien relaties
 Bij een uitbreiding van het aantal leden worden de groepen dus complexer.
*Wat men kan verwezenlijken binnen een groep wordt in toenemende mate afhankelijk van
de relaties die men heeft met de andere groepsleden . Men wordt afhankelijk van anderen.
= Interdependentie = Onderlinge afhankelijkheid.
*Figuratie = Personen die onderling samenwerken vormen een figuratie.
*Het geheel van figuraties noemen we een structuur.
 Die vorm van kijken naar mensen die ‘samen handelen’ werd ons aangeleerd door
Norbert Elias.
*Toename van het aantal actoren leidt tot een toename van het aantal figuraties.
 Deze toename resulteert in een groter belang van de coördinatie van de inbreng van de
verschillende actoren. = De verschillende interpendenties moeten immers op elkaar
afgestemd worden.
*De toename van het aantal groepsleden brengt verandering in ‘directe en indirecte kennis’
met zich mee.
*Indirecte kennis: heeft betrekking op wat er (vanuit het gezichtspunt van A) zal gebeuren
tussen twee andere actoren, iets wat A niet op directe manier kan weten.
*Het is duidelijk dat een toename van het aantal actoren een toenemend overwicht van
indirecte kennis t.o.v. directe kennis betekent.
*Er vloeit zeer veel onzekerheid voort uit het overwicht aan indirecte kennis.
*Bij een groot aantal interactiepartners is het zelfs onmogelijk om iedereen op directe
manier te kennen.
*In zo’n complexe structuur moet een persoon A dus abstractie maken van de individuele
kenmerken van de groepsleden. Hij/zij moet zich laten leiden door algemene regels.
*De staat is een sociale structuur met een set van algemene regels die onder meer de
posities van de inwoners van een land en de gezagsdragers bepalen.
*Interdependentie leidt dus tot onvrijheid = In een interdepentienetwerk kunnen actoren
niet vrijelijk het verloop van een handeling bepalen.
*Twee elementen van onvrijheid
1. Onderlinge afhankelijkheid voor het realiseren van de gestelde doelen.
2. De macht die men heeft om anderen te dwingen is nooit absoluut, macht is relatief.
 Onvrijheid resulteert dus uit een combinatie van relatieve macht en afhankelijkheid met
betrekking tot doelrealisatie.
*Gevolg van onvrijheid die eigen is aan figuraties = Onzekerheid met betrekking tot het
verloop van interacties.
*Interactieprocessen kunnen een verloop kennen die geen enkele actor volledig heeft
gepland, bepaald of geanticipeerd.
*De controleerbaarheid en onvrijheid (Kenmerken van figuraties) leiden er dus toe dat
interacties die ontstaan vanuit doelgericht handelen van actoren onbedoelde gevolgen
hebben.
*Een toename van de interdependentie en onvrijheid gaat hand in hand met specialisatie
en arbeidsverdeling.
 Samenwerking houdt immers in dat de taken worden opgesplitst, individuen zich gaan
‘specialiseren’ en hierdoor groeit de onderlinge afhankelijkheid of interdependentie.
*SAMENGEVAT:
 Doelrealisatie is afhankelijk van samenwerking.
 Samenwerking leidt tot onderlinge afhankelijkheid of interdependentie.
 Interdependentie leidt tot onvrijheid van het individu en onvoorspelbaarheid van het
handelingsverloop.
 Actoren die samenwerken vormen een figuratie.
 Alle figuraties samen vormen een structuur.
1.2 Basiskenmerken van groepen
*Onderscheid tussen aggregaat, sociale categorie en een sociale groep.
 Aggregaat = Een aantal mensen die zich toevallig op dezelfde plaats bevinden.
 Sociale categorie = Een aantal mensen die één of meerdere gemeenschappelijke
kenmerken hebben (vrouwen, pubers, holebi’s,..).
*We onderscheiden een groep van een aggregaat of sociale categorie op basis van deze
kenmerken:
1. Leden van een groep hebben gemeenschappelijke belangen
 Gemeenschappelijk doel.
Bv.: Het gezin, De postzegelclub, etc..
2. Leden van een groep interageren
 Interactie is afhankelijk van het streven het doel van de groep te realiseren.
 Deze interactie neemt specifieke vormen aan (=gestructureerd)
Bv.: Belastingbetalers (= sociale categorie) die een actiegroep opzetten om belastingregime
te beïnvloeden (= groep).
3. Leden van een groep delen de rechten en plichten verbonden met ‘lidmaatschap’
 Elke groep heeft eigen regels, die een middel zijn om het hoofd te bieden aan de
complexiteit van de groep.
Bv.: Regels over kleding in religieuze gemeenschappen.
4. Groepsleden hebben een gedeelde identiteit en een groepsgevoel
 Het is onmogelijk om tot een groep te horen zonder het te weten.
 Deel uitmaken van een groep vereist een bewust groepsbesef, dat echter kan variëren
van persoon tot persoon.
1.3 Groepscultuur en groepsstructuur
*Elke groep heeft een cultuur en een structuur.
 Groepscultuur:
- Houdt verband met de betekenissen die mensen aan hun interacties in de groep geven.
- Waarden en normen die het handelen van de groepsleden vormgeven.
 Groepsstructuur:
= Het geheel van sociale relaties in de groep, waarbij de verschillende posities en statussen
natuurlijk ook een rol spelen.
*Elke groep waarvan een individu deel uitmaakt, creëert een specifieke bijdrage tot diens
identiteit.
 Personen die lid zijn van meerdere groepen beschikken dan ook over meervoudige
persoonlijkheidscomponenten.
*De stabiliteit en permanentie van groepen zijn afhankelijk van het groepsgevoel.
*Groepscohesie = De capaciteit van de groep om samen te blijven.
 Hoe groter de groepscohesie hoe meer leden van de groep het belang van de groep
voorrang geven op het eigen belang.
Bv.: De werking binnen militaire eenheden.
*Kleine groepen = Groepen die net zoveel leden hebben dat persoonlijk contact tussen hen
mogelijk blijft.
Grote groepen = Vanaf het ogenblik dat persoonlijk contact tussen elk en alle leden van de
groep niet meer mogelijk is.
*De Amerikaanse socioloog Cooley maakt een belangrijk onderscheid volgens het type van
groep.
*Primaire groepen hebben de volgende kenmerken:
1. Primaire groepen zijn klein:
De leden kennen elkaar persoonlijk, contacten zijn face-to-face.
2. Primaire groepen zijn blijvend:
Blijven gedurende een langere periode bestaan.
3. Primaire groepsrelaties zijn diffuus:
Individuele persoonlijkheden nemen met hun volledige persoon – en niet vanuit één
specifiek kenmerk/aspect - aan de primaire groep deel.
(Vrijetijdsbesteding, emotionele leven, financiële situatie, beroepsloopbaan,…)
4. Primaire groepen zijn op emoties gebaseerd en niet-instrumenteel:
De relaties draaien om wat groepsleden voor elkaar voelen, emotionele banden staan
centraal.
*Secundaire groepen hebben de volgende kenmerken:
1. Secundaire groepen hebben een variërende grootte:
Een secundaire groep kan klein of groot zijn. In een grote groep zijn face-to-face relaties met
alle leden moeilijk
2. Secundaire groepen hebben een wisselende permanentie:
Ledenwisseling brengt het bestaan van een secundaire groep niet in gevaar (wél bij primaire
groep)
3. Relaties in de secundaire groep zijn gespecialiseerd en gesegmenteerd:
De volledige persoon komt in de secundaire groep niet aan bod. Alleen belangstelling voor
die persoonlijke kenmerken van groepsleden die aan de basis van de groep liggen.
4. Secundaire groepsrelaties zijn formeel en instrumenteel:
Relaties in secundaire groepen zijn gebaseerd op rationele berekeningen met betrekking tot
de voor- en nadelen van het aangaan van relaties. Relaties worden aangegaan omdat
bepaalde doeleinden op die manier beter kunnen worden gerealiseerd.
1.4 Formele organisaties
*Een formele organisatie = Een groep waarvan de organisatie gericht is op het bereiken van
een specifiek doel door een gecoördineerde, collectieve inspanning.
*Vooral secundaire groepen liggen aan de basis van een formele organisatie.
*De eigenschappen die voortvloeien uit interdependentie – onzekerheid en
oncontroleerbaarheid – stellen groepen voor een specifieke uitdaging.
*Als leden van complexe groepen een gemeenschappelijk doel willen bereiken, dan hebben
ze een ‘beheersingscultuur’ nodig die figuraties op elkaar kan afstemmen.
*De structuur van een formele organisatie kan verschillende vormen aannemen.
 Die vormen worden meestal bepaald door de manier waarop de leden van een
organisatie met elkaar omgaan én door de regels die deze omgang bepalen.
*Meest bekende organisatievorm = De bureaucratie.
*Bureaucratie (Duitse socioloog: Max Weber)
*Werd historisch ontwikkeld om de efficiëntie bij het bereiken van gestelde doelen te
bevorderen.
*Een bureaucratie, als administratief systeem, kan maar begrepen worden in het kader van
mogelijke vormen van autoriteit.
*Macht is voor hem de mogelijkheid of de capaciteit om andere mensen iets te laten doen in
overeenstemming met bepaalde regels of dictaten, of ze de toepassing van die regels nu als
rechtmatig beschouwen of niet.
*Autoriteit draait om de legitimering van die macht door de ondergeschikten, wat betekent
dat ze de machtuitoefening als wettig aanvaarden.
*Volgens Weber zijn er 3 types van autoriteit, elk met een eigen type van administratie of
beheersing:
1. Traditionele autoriteit
 Machtsuitoefening wordt als legitiem beschouwd, omdat ze verankerd ligt in het geloof
van de onaantastbaarheid van tradities
 Autoriteit wordt via bloedverwantschap overgedragen.
 Leidt tot stabiele beheersingssystemen, maar die zijn terzelfder tijd sterk particularistisch:
Gebonden aan specifieke personen en plaatsen.
 Persoonlijke afhankelijkheidsrelaties oefenen een grote invloed uit (vb. feodale
beheersingssyteem).
2. Charismatische autoriteit
 Gebaseerd op intense verering van personen : In die omstandigheden wordt autoriteit
toegekend aan een persoon die door haar/zijn volgelingen beschouwd wordt als de bezitter
van uitzonderlijke, heilige en/of heroïsche kenmerken.
 Leidt tot uiterst onstabiele beheersingssystemen omdat hun grondslag gebaseerd is op de
persoonlijke relaties tussen charismatische leiders en hun volgelingen.
 Aan één persoon gebonden. Leiderschapsopvolging vormt dan ook een pregnant
probleem.
 Ontstaat vooral tijdens periodes van snelle sociale veranderingen en in crisissituaties.
3. Rationeel- legale autoriteit
 Gebaseerd op het geloof in de geldigheid van het recht.
 De ‘wettelijkheid’ van regels en de autoriteit van gezagsdragers staan hier centraal.
 Leidt tot het ontstaan van precieze en universele beheersingssystemen.
Bv.: Bureaucratie:
 De individuele handelingen van personen worden geregeld door regels. Het doel van
regels is het bereiken van specifieke organisatiedoeleinden.
*De volgende kenmerken van een bureaucratie zijn essentieel:
 Posities worden als functies aangeduid. Bureaucratie is gebaseerd op functionele posities
en niet op persoonlijke kenmerken.
 Relaties tussen verschillende functies en posities vinden plaats op basis van regels en niet
op basis van persoonlijke kenmerken. Regels beschrijven de manier waarop een functie
uitgevoerd moet worden, de rechten en plichten die aan elke functie verbonden zijn en
bepalen de manier waarop verantwoording moet worden afgelegd.
 Regels zijn neergeschreven (officiële documenten).
 Taken in de organisatie worden op gespecialiseerde wijze uitgevoerd. Elke taak wordt in
een aantal deeltaken opgesplitst.
 Alle functies worden door een formele, hiërarchische ketting met elkaar in verband
gebracht. Elke functie is ondergeschikt aan een andere functie.
 Functionarissen werken fulltime en voor een salaris. Elke job in de hiërarchie heeft een
bepaald en vastgesteld salaris. Hogere rangorde kan pas ingenomen worden op basis van
capaciteit en/of anciënniteit
 Strikte scheiding tussen de taken van de functionaris en wat hij/zij buiten de organisatie
doet.
 De leden hebben geen eigendomsrecht over materiële hulpbronnen waarmee ze werken,
noch over de functie die ze bekleden. De functie is dus onvervreemdbaar.
*Nadelen van een bureaucratie:
 Het onpersoonlijke karakter: Mensen zijn ‘cases’.
 Een zekere vorm van ritueel handelen van problemen: Er is geen ruimte voor
uitzonderingen.
 Inertia: Bureaucratieën proberen zichzelf in stand te houden.
 Goal displacement: Organisaties ontbinden niet na doelverwezenlijking, maar gaan zich
heroriënteren op een nieuw doel.
*Michels wees op het bestaan van ‘De ijzeren wet van de oligarchie.’:
 Bureaucratisering gaan hand in hand met de toename van de machtsconcentraties aan de
top van de organisatie.
 Die machtsconcentratie laat toe dat de topfunctionarissen hun eigenbelang meer en
meer gaan voorop stellen, eerder dan het belang van de organisatie.
 Tegelijk brokkelt de betrokkenheid van de lagere echelons in toenemende mate af.
2. Het individu binnen de sociale structuur
*Sociale relaties verbinden individuen binnen een groep.
*Een sociale relatie is een verband tussen twee of meer actoren gekenmerkt door de kans
dat er interactie plaatsvindt.
*Het aantal sociale relaties dat mensen kunnen hebben is afhankelijk van de numerieke
uitgebreidheid van de groepen waarin ze participeren.
*Voor interactie zijn er minimaal twee actoren nodig, die zelf een sociale status positie
bekleden waaraan een specifieke sociale rol gebonden is.
*Rollen zijn uiteindelijk gebaseerd op rechten en plichten.
*Personen worden beschreven in termen van de verschillende statussen die ze bekleden en
de rollen die ze vervullen binnen diverse structuren van de maatschappij.
2.1 Sociale structuur en de verdeling van het initiatiefrecht en de volgplicht
*Aan interactie zijn er een aantal regels verbonden. Zo is er aan samen iets doen een begin
en een einde.
*Het verschil tussen interactie en handelen is het wederkerige karakter van interactie.
*Een essentieel onderdeel van die wederkerigheid bestaat uit het bepalen van het
initiatiefrecht en de volgplicht.
*Dit duidt erop dat in elke interactie dominantie/overheersing inherent aanwezig is.
*Volgens Simmel wordt elke relatie waarbinnen interactie plaatsvindt, gekenmerkt door een
zekere graad van onderschikking en bovenschikking.
2.2 Sociale status
*In een sociale relatie of verhouding nemen de actoren een plaats in.
Die plaats duid de Amerikaanse antropoloog Ralph Linton aan als sociale status.
*Sociale status is gebaseerd op sociale rangorde:
 Sociale positie met veel initiatiefrecht = Hoge sociale status.
 Afhankelijkheidspositie = Lage sociale status.
*Linton maakt een onderscheid tussen een toegeschreven en een verworven status:
*Toegeschreven statuspositie
= Een positie die een individu ontleent aan bv. geslacht, afkomst, etniciteit, etc…
 Maw: Factoren waar het individu zelf geen vat op heeft en die binnen een samenleving
als ‘relevant’ worden beschouwd.
*Verworven statuspositie
= Wordt door de persoon zelf op basis van prestaties (met variërende inspanning)
verworven.
 Deze kan ook weer worden verloren en deze onzekerheid over het behoud van de status
kan tot statusangst leiden.
 Deze onzekerheid leidt tot een typisch gedragspatroon: In een systeem van verworven
statuspositie leidt statusangst tot het beklemtonen van uiterlijkheden die de statuspositie
van een persoon aantonen = Statussymbolen.
 Mensen met een verworven, maar onzekere statuspositie, besteden meer aandacht aan
statussymbolen.
*Statusonzekerheid is niet enkel het resultaat van de inzet van de statusbekleder.
 Een hoge status kan maar bestaan als er ook een lagere status is.
Status is immers een relationeel concept.
 Wanneer groepen mensen met een lage status op de een of andere manier initiatiefrecht
verwerven, dan komt de status van de hogere statusgroep in gevaar.
Grijs kader: Het ontstaan van etiquette (P.65)
Norbert Elias = Was een belangrijk socioloog die heel wat belangrijk werk verrichte op het
terrein van de civilisatiegeschiedenis ( = geschiedenis van omgangsvormen).
Een onderdeel van de omgangsvormen = Etiquette.
De Franse 18e eeuwse adel hechtte heel erg veel belang aan het uiterlijke eb het naleven van
etiquette. Een van de redenen hiervoor was statusangst.
 De positie van de adel kwam onder druk te staan door opkomst van de burgerij. De
koning zat nl in geldnood en moest aankloppen mij de door handel rijk geworden burgerij.
Hierdoor verwierf deze groep nieuwe voorrechten en posities.
 Dit gaf aanleiding tot het ontwikkelen van een specifieke levensstijl en een strenge
etiquette = Een statussymboliek als een zichtbare beklemtoning van status.
Elias stelt dat een elite groep of een sociaal stratum, bij druk van boven of onder, die een
gevaar is voor zijn plaats binnen de hiërarchie, zich op symbolisch vlak van de rest van de
samenleving zal distantiëren en bevestigen.
*Statussen zijn gebaseerd op sociale rangorde en worden weerspiegeld in de
statusindicatoren.
*Deze kunnen de vorm aannemen van materiële en immateriële voordelen en rechten.
En kunnen worden beschouwd als de verticale dimensies van status.
*Op elk van die dimensies kan men hoog of laag geordend worden.
*Elk van die indicatoren staat voor een hiërarchie.
*De vraag die men zich stelt = “Wat is de samenhang tussen die verschillende hiërarchieën?”
 Statusconsistentie: Plaats binnen die hiërarchieën is variabel.
Bv.: Hoge opleiding, laag inkomen.
 Statuskristalisatie: Plaats binnen alle hiërarchieën is dezelfde.
Bv.: Hoge opleiding EN een hoog inkomen.
Grijs kader: Relatieve belangrijkheid van de werkrol en statusinconsistentie
(P.65)
*Er is een toename van vrouwen die uit werken gaan, maar er is nog steeds niet overal een
overeenstemming tussen hun opleiding en hun beroepsstatus.
 Leidt tot statusinconsistentie.
*Opleiding = Indicator voor aspiraties.
Beroep = Indicator voor het succes waarmee men aspiraties gerealiseerd heeft.
 Het verschil tussen opleiding en beroep weerspiegelt de mate van statusinconsistentie.
*VRAAG: Welke factoren kunnen die verschillen verklaren?
1. Vrouwen stellen werkrollen minder centraal dan mannen. Dit is vooral zo bij vrouwen met
een midden socio-economische status (SES).
*Vrouwen compenseren die onbillijkheid door minder relatief belang toe te kennen aan hun
werk. Op die wijze neutraliseren vrouwen ook voor een deel de stress die uit
statusinconsistentie voortvloeit.
 Naast hun werkrol hebben ze ook een moederrol. Door minder belang te hechten aan
hun werkrol en dus meer belang te hechten aan hun moederrol neutraliseren ze de gevolgen
van statusinconsistentie.
*Statuspositie vertaalt zich in een geheel van rechten en plichten.
*In het volgende grijze kader staat een toepassing waarbij statusinconsistentie het resultaat
is van een niet consistent zijn van die rechten en plichten.
*Er wordt er ook in aangetoond hoe statusinconsistentie tot politieke mobilisatie kan leiden.
Grijs kader: Politieke actie bij migranten in Zwitserland (P.66)
*Migranten slagen er slechts langzaam in te integreren in hun onthaallanden.
Bv.: Zwitserland
*Migratiepolitiek werd onder andere actief gebruikt om de behoefte aan arbeidskrachten te
regelen in functie van de economische conjunctuur.
*Twee groepen migranten:
1. Gevestigde migranten
Zij beschikken over tijdelijke, maar hernieuwbare verblijfvergunningen.
Beschikken over dezelfde rechten als de Zwitsers met betrekking tot de arbeidsmarkt.
2. Onzekere migranten
Beschikken slechts over een jaarlijkse verblijfsvergunning.
Mogen slechts in bepaalde economische sectoren en bedrijven werken.
Verblijf is regionaal verbonden.
Hebben beperkte rechten mbt wonen en gezinsvereniging.
 Tussen beide groepen van migranten is mobiliteit mogelijk
*Gevestigde migranten:
Ervaren in sterke mate statusinconsistentie.
 Ervaren een inconsistentie tussen hun economische en sociale rechten (Die ze wel
hebben) enerzijds en hun politieke rechten (Die ze niet hebben) anderzijds.
 GEVOLG = Intense frustratie!
 Die statusinconsistentie leidt tot politieke mobilisatie om politieke rechten te krijgen.
*Men valt vooral terug op culturele mobilisatie.
*We moeten een onderscheid maken tussen nieuwe migranten en de oudere sterk
gevestigde migranten.
1. Nieuwe migranten
 Hebben noch socio-economische noch politieke rechten.
= statuskristallisatie (statusconsistentie)
 Focussen eerder op verbetering van hun onmiddellijke materiële situatie.
2. Gevestigde migranten
 Ontwikkelen eigen collectieve strategieën en ijveren voor politieke rechten.
*Statussen lopen vaak parallel.
*Statusinconsistentie = Een door het subject zelf ervaren inconsistentie tussen
statusindicatoren.
*Statusconflict = De inconsistentie tussen statusindicatoren die wordt ervaren door de
interactiepartner van het subject.
 Als persoon A een hoge sociale statuspositie heeft in één context en een lage sociale
statuspositie in een andere, dan weet zijn interactiepartnet niet noodzakelijk hoe hij zich
t.o.v. persoon A moet gedragen
Bv.: Vroeger in zorgde een ‘zwarte arts’ in de VS tot verwarring in bv het hoofd van de
patiënt (zwart = lage status, arts = hoge status).
*Dit komt vooral voor in de overgang naar een mobiele maatschappij waarbij bepaalde lagen
van de bevolking carrière maken.
*Een statusconflict kan worden beheerst door de persoon in kwestie te laten werken in een
domein waarin zij/hij enkel in contact komt met mensen die ook tot ook tot de lagere
statusgroep behoren.
*Marginale mens ~ Everett Hughes
= De persoon die een hogere status verwerft, maar inferieur blijft op basis van een andere
status.
*Door de mobiliteit verlaat men de eigen sociale groep, maar komt men terecht in een
nieuwe groep waar men niet volledig aanvaard wordt.
2.3 Macht
*De betekenis die verweven is met interactie bestaat uit 2 aspecten.
 Er wordt door de betrokkenen dezelfde betekenis toegekend aan:
1. Wat ze samen willen gaan doen.
2. De manier waarop initiatiefrecht en volgplicht vastgelegd zijn.
* Nummer twee heeft betrekking op de patronen van bovenschikking en onderschikking.
Deze vormen de basis van een sociale relatie toonde Simel aan.
Tussen onderschikking en bovenschikking bestaat complementariteit.
*De basis sociale eenheid ontstaat pas wanneer het wederzijds patroon van leiden en volgen
aanwezig is.
*Bovenschikking berust niet op fysieke dwang, maar op macht.
Wat is macht dan wel?
*Definitie van macht ~ Max Weber
= “Macht berust op de waarschijnlijkheid dat een actor binnen een sociale relatie in staat is
haar/ zijn wil op te leggen niettegenstaande weerstand van de medeactor”.
* Volgens Bierstedt kunnen we een onderscheid maken volgens de machtsbronnen.
Bv.: Geld, prestige, eigendom, competentie, schoonheid, etc..
*Macht vormt de basis voor gezag of autoriteit
 Deze zijn gebaseerd op een sociaal aanvaarde verdeling van initiatiefrecht en volgplicht.
 Autoriteit: komt neer op de sociale erkenning van het nemen van initiatief in die
domeinen van het leven waar de autoriteit betrekking op heeft.
 Autoriteit is dus altijd gebonden aan potentiële machtsuitoefening in de context van een
sociale groep.
 Men heeft slechts autoriteit omdat men deel uitmaakt van een specifieke sociale groep.
2.4 Sociale rol
*De sociale rol vertegenwoordigt het dynamische aspect van de statuspositie.
*Het is het gedragspatroon dat geassocieerd is met de rechten en plichten of de
verwachtingen, gekoppeld aan de positie.
*Door een rol te vervullen, maakt een persoon deel uit van een sociale structuur en kan hij
meteen ook het object worden van een sociologische analyse.
*Wanneer de leden van een samenlevingsverband op perfecte manier aangepast zijn aan de
rollen en statussen die ze bekleden, dan verloopt het sociale leven uitermate geordend en
voorspelbaar.
*Rolverwachtingen zijn essentieel voor bestaan van sociale structuur.
*Een sociale structuur blijft slechts bestaan als de mensen van wie de onderlinge relaties
samen die sociale structuur vormen, bereid zijn om het verwachte gedrag van een sociale
rol, gekoppeld aan een statuspositie, te vertonen.
Bv.: Een leerkracht die zich niet gedraagt volgens de verwachtingen die met zijn rol
verbonden zijn. Gevolg: De orde en voorspelbaarheid van de les zijn in gevaar.
*Sociale status, waaraan een sociale rol verbonden is, is een relationeel concept
*Elke statuspositie is gebaseerd op een relatie met anderen. De sociale rol die met een
statuspositie verbonden is, is dus ook een relationeel concept.
*Elke sociale rol bestaat dus uit rechten en plichten waarvan het initiatiefrecht en de
volgplicht de grondrechten en –plichten zijn.
*Bepaalde status- en rolonderscheidingen lijken een constante te zijn gedurende het
menselijke samenleven.
*Bijna elke samenleving verwacht van mannen en van vrouwen een specifiek gedrag en
attitudes die passen met hun ongelijke statuspositie in de betreffende samenleving.
*Die statusindeling loopt niet overal gelijk.
 De inhoudelijke invulling van de mannen- en vrouwenrol kan dus op verschillende
manieren gebeuren.
*Een specifieke status leidt tot interacties met meerdere personen die deel uitmaken van
verschillende groepen. Ten opzichte van die verschillende groepen heeft men een verwacht
rolgedrag.
 Dit impliceert dat een enkelvoudige statuspositie samengaat met meerdere aspecten van
een rol.
*Dit noemt Merton de role set.
= Het geheel van rolrelaties waarbij personen betrokken zijn op grond vaneen specifieke
sociale status.
*Aangezien de groepen waarmee een statusbekleder in contact komt, verschillende
belangen nastreven, is het mogelijk dat er tegengestelde aanspraken gemaakt worden
binnen een role set.
= Rolspanning = tegengestelde aanspraken binnen een role set.
*Sociologen zijn dan ook geïnteresseerd in de manier waarop sociale structuur voorziet in
mechanismen om die tegengestelde aanspraken tot een minimum te herleiden en de role
set ‘beheersbaar’ te maken.
*Merton onderscheidt op dit vlak 6 mechanismen:
1. Relatieve belang dat de medeactoren hechten aan de inbreng van de actor. Aangezien
niet alle medeactoren eenzelfde belang toekennen aan hun inbreng, ontstaat er als het ware
een volgorde van prioriteiten waardoor eventuele tegenstrijdigheden beheersbaar worden.
2. Welk gedrag prioritair wordt, is afhankelijk van de differentiële machtspositie van de
medeactoren. Die kunnen evenwel tot een machtscoalitie overgaan om toch hun zin te
krijgen. Hierdoor kan een machtsbalans ontstaan, waardoor de actor opnieuw binnen de
role set kan functioneren.
3. Controle over het handelen van actoren is afhankelijk van de zichtbaarheid van haar/zijn
handelen. De verschillende handelingen binnen de role set zijn echter niet in gelijke mate
zichtbaar voor de medeactoren. Die afscherming is een extra kenmerk van sociale structuren
die de role set beheersbaar maakt.
4. Het zichtbaar maken van tegenstrijdigheden maakt het voor de actor mogelijk om het
probleem van tegenstrijdigheid verplaatsen. Het is niet de actor die tot een oplossing moet
komen, maar de medeactoren onderling.
5. Personen die in een role set een identieke positie innemen, zullen met dezelfde
structurele tegenstrijdigheden geconfronteerd worden. Doordat hun problemen structureel
zijn en niet individueel, kunnen ze opgelost worden d.m.v. onderlinge ondersteuning of het
aangaan van bondgenootschappen.
6. Als bovenstaande mechanismen onvoldoende werken kan overgegaan worden tot het
inkrimpen van de role set. Interacties die tot te veel tegenstijdige aanspraken leiden,
worden afgesneden. De hierboven beschreven mechanismen zijn structurele oplossingen
voor een structureel probleem.
*Samenvatting centrale kenmerken van de role set:
1. Elke sociale status heeft een georganiseerd geheel van rolrelaties, nl. De role set.
2. Elke set van relaties heeft niet alleen betrekking op de statusbekleder, maar ook op de
verhoudingen tussen de medeactoren in de role set.
3. In die mate dat de medeactoren binnen de role set verschillende statussen bekleden,
zullen ze ook verschillende belangen nastreven en verwachtingen hebben t.o.v. de actor.
4. Dit leidt tot het sociologische probleem hoe die verschillende verwachtingen integreren,
zodat de structuur efficiënt blijft.
5. Een niet goed op elkaar afstellen van de aanspraken leidt tot het in werking treden van
een aantal mechanismen die het evenwicht opnieuw herstellen.
6. Zelfs wanneer die mechanismen in werking zijn, kunnen er situaties ontstaan die toch nog
uit tegenstrijdige aanspraken bestaan. Dit zijn residuele conflicten die effectief rolgedrag vd
actor verhinderen.
Grijs kader
Er vloeit heel wat stress voort uit het zorgen voor behoeftige gezinsleden. Deze mensen
worden meestal verzorgd door dochters of schoondochters. Die vrouwen hebben dus vaak
binnen de rol van huisvrouw niet alleen het normale huishoudelijke werk, maar krijgen er
nog een zorgtaak bij.
Die extra rolverplichtingen zijn een extra belasting voor huisvrouwen en leidt tot
rolspanning.
Het meeste onderzoek toont aan dat dergelijke vrouwen depressiever zijn en een slechtere
fysieke gezondheid hebben.
*Rolspanning is analytisch te onderscheiden van rollenconflict.
*Mensen hebben in complexe samenlevingen meerdere sociale statussen. Elke statuspositie
heeft een bijbehorende sociale rol.
*Tussen deze meerdere sociale rollen kan een onverenigbaarheid of een conflict ontstaan
= Rollenconflict
Bv. : Carrièrevrouw: Conflict tussen rol als moeder en rol als carrièrevrouw.
Bv.: Palestijnse leraren: Conflict tussen rol als (joods) ambtenaar en rol als Palestijn.
Grijs kader: Rollenconflict en het dilemma van Palestijnse leraren in Israël
(P.72)
*Rollenconflict gaat dus over rolverwachtingen die voortvloeien uit meerdere sociale
rollen.
*Rolverwarring of rolconfusie:
Ontstaat wanneer iemand niet meer weet hoe hij zich een situatie moet gedragen omdat hij
niet kan kiezen uit het passende rolgedrag.
*Roldistantiëring:
Betekent dat iemand in staat is om binnen het invullen van de rolverwachtingen voldoende
individualiteit aan te brengen.
Bv.: Een nieuwe werknemer binnen een bedrijf zal eerst zijn taken zo conform mogelijk
volgens de verwachtingen uitvoeren. Pas later zal hij die op een meer individuele manier
proberen in te vullen.
*Rolsegregatie:
Rollen passen in bepaalde sociale situaties. Een verwacht gedrag dat in één situatie past
(rolgedrag), past daarom niet in een andere situatie.
Zich passend kunnen gedragen in diverse situaties is het resultaat van rolsegregatie.
3. Structurele effecten
*De dynamiek van complexe groepen leidt tot een van de meest essentiële vragen van de
sociologie als wetenschap: “Bestaat er een sociale werkelijkheid die onafhankelijk is van de
personen die samen die werkelijkheid vormen?” Maw: “Is een groep meer dan de ‘som’ van
de groepsleden?”
*Sociologen gaan er van uit dat kenmerken van groepen een invloed kunnen uitoefenen op
de interactie tussen de groepsleden.
*Bij grote groepen neemt de indirecte en dus onzekere kennis toe.
 Actoren weten wel wat ze doen, maar weten niet wat de uiteindelijke gevolgen zijn van
hun handelen.
*De onderlinge verwevenheid van interacties leidt uiteindelijk tot een nieuwe dynamiek.
*De kwaliteit van een groep is niet enkel afhankelijk van de kwaliteiten van de individuele
groepsleden, maar ook van de manier waarop het team op elkaar is ingespeeld, en de mate
van groepscohesie.
 Beide zijn kenmerken die de prestaties van het team tot op bep. hoogte zullen
beïnvloeden, los van het talent van de individuele spelers.
*Sociologie: Heeft tot doel na te gaan op welke manier die dynamiek een invloed uitoefent
op het handelen van mensen.
*Abstract gesteld: Een structureel effect bestaat omdat het individuele effect van x op y
beïnvloed wordt door de distributie of niveau van x binnen de groep.
*In het volgende kaderstuk wordt adhv een concreet voorbeeld uitgelegd wat structurele
effecten zijn.
Grijs kader: Vooroordelen tegen migranten (P.74)
*Zijn verschillen tussen inwoners van EU-landen enkel het resultaat van individuele
verschillen of zijn er kenmerken van elk van die EU-landen - structurele kenmerken- die
bijdragen tot een verklaring van verschillen los van de individuele kenmerken van de
inwoners van die landen?
*De auteur ging de invloeden na van twee structurele kenmerken:
1. De relatieve grootte van de minderheidsgroep.
2. De economische omstandigheden.
*Studies hadden immers al aangetoond dat steden met een hoog percentage zwarten
gekenmerkt werden door meer discriminatie tov de zwarte bevolking.
*Ook werd aangetoond dat het werkloosheidsniveau van een stad de houding tegenover
immigranten bepaalt.
*Hij ontwikkelde een verklaringsmodel voor verschillen in vooroordeel tegenover
immigranten voor inwoners van de landen van de Europese Unie.
*Dit model stelt dat individuele kenmerken van de burgers van de Europese Unie de
verschillende houding die ze tegenover immigranten hebben, niet kan verklaren.
*Structurele kenmerken van de nationale groepen waartoe ze behoren moeten worden
ingebracht.
*De studie werd opgebouwd adhv de volgende vier proposities:
1. Een vooroordeel is het gevolg van een gevoel dat de eigen belangen geschaad worden
door de aanwezigheid van een etnische minderheid.
2. De grootte van die minderheid is een aanvullende factor. Oe groter de minderheid, hoe
sterker de bedreiging wordt gerepliceerd.
3.Hoe slechter de economische omstandigheden van een groep, hoe meer de dominante
groep zich bedreigd voelt.
4. Er zijn ook individuele kenmerken die in combinatie met structurele kenmerken tot
vooroordelen leiden.
*Onderzoeksresultaten?
- De effecten van het percentage niet-EU-immigranten en de economische condities van een
land versterken elkaar.
- Vooroordelen in een EU-land zijn het waarschijnlijkst wanneer er veel vreemdelingen zijn in
combinatie met slechte economische omstandigheden.
*Die structurele kenmerken oefenen in combinatie een invloed uit, los van de individuele
kenmerken.
*Dit impliceert dat de economische situatie van een land in combinatie met het percentage
vreemdelingen tot vooroordelen leidt, onafhankelijk van de leeftijd, levenssatisfactie enz..
*Wijzigingen in de individuele economische situatie van de deelnemers in de studie leveren
geen bijdrage tot de verklaring van vooroordelen tegenover vreemdelingen.
*Verschillende vormen van structurele effecten:
1. Kenmerken van groepen beïnvloeden andere kenmerken van groepen.
Bv.: Het aantal mannelijke werklozen bepaalt het aantal mannelijke zelfdodingen.
2. Kenmerken van groepen beïnvloeden kenmerken van individuen.
Bv.: De gemiddelde intelligentie van de leerlingen van een klas in het 6e middelbaar
bepaalt de studiekeuze van individuele leerlingen.
3. Kenmerken van groepen en individuele kenmerken beïnvloeden samen individuele
kenmerken.
Bv.: De economische situatie van een land in combinatie met de eigen economische
situatie oefent een invloed uit op het niveau van vooroordelen.
*Ecologische fout (ecological fallacy):
= Bestaat erin te veronderstellen dat uitspraken gedaan op aggregaatniveau geldig zijn op
individuele niveau.
Bv.: wanneer er samenhang is tussen bepaalde vormen van criminaliteit en bv. het
percentage migranten binnen steden, is daarmee niet bewezen dat het migranten zijn die
tot criminaliteit overgaan. De samenhang op groepsniveau is dus niet zomaar over te
brengen naar het individuele niveau. Men moet er zich voor hoeden om besluiten te trekken
over individuen op basis van sociaal structureel onderzoek!
4. Slotbeschouwing (P.76)
Lezen in boek! Is een goede samenvatting van het hoofdstuk!
Hoofdstuk IV: Institutionalisatie en socialisatie
1. Institutionalisatie
1.1 Omschrijving
*Institutie of instelling
= Een samenhang van rollen (een structuur), die het gedrag van de leden van de
gemeenschap –of van bepaalde deelgroepen ervan- reguleert op grond van de waarden
(cultuur) van die gemeenschap en dit met de bedoeling aan bepaalde behoeften te voldoen.
*Het institutionaliseringproces houdt in dat de normatieve aspecten van de cultuur
betrokken worden op bepaalde sociaalstructurele componenten.
 Instituties = Door de samenleving ontworpen en opgelegde handelingspatronen.
*Kenmerkend voor mensen: Ze hebben geen specifieke lichamelijke kenmerken die
bescherming of mogelijkheden tot vluchten bieden.
*De hersenen zijn het enige ‘orgaan’ dat heel sterk ontwikkeld is.
*Mensen zijn plastische wezens die in staat zijn tot het verwerken van grote hoeveelheden
informatie.
*De wereldopenheid is niet alleen een voordeel, maar ook een moeilijke opgave.
*Door de openheid van hun instincten worden mensen overstroomd met zintuiglijke prikkels
en informatie.
*Om de aangeboden informatie te kunnen selecteren, moet er ergens een
‘ontlastingsmechanisme’ in werking treden. Dat ontstaat door institutionalisatie.
*Instituties zorgen voor en regelen een aantal universele aspecten van het menselijke
samenleven door het opleggen van passende interactiepatronen:
1. Voortplanting.
2. Seksueel contact.
3. Zorg voor kinderen.
4. Socialisatie:
Het aanleren van de cultureel aanvaarde levenswijze.
5. Opvoeding.
6. Zingeving:
Religieus of filosofisch antwoord op vragen naar de zin van het leven, het goede en kwade,
pijn en dood.
7. Verdeling van macht:
Wie oefent er macht uit, hoe gebeurt de besluitvorming?
8. Productie, distributie en consumptie van goederen:
De materiële behoeften van de groepsleden bevredigen.
6. Sociale controle:
Het in stand houden van de sociale orde en het bestraffen van de personen die afwijken of
de sociale orde in gevaar brengen.
*Een institutie duidt dus de manier aan waarop essentiële taken uitgevoerd en behoeften
bevredigd worden op een maatschappelijke voorgeschreven manier.
1.2 Ontstaan van instituties
*Instituties zijn historische constructies en verschillen naar ontstaanscontext.
*Tevens zijn het ook menselijke constructies. Ze werden ontwikkeld als antwoord op de
eisen die het in stand houden van de menselijke soort stelt, de aanpassing aan de externe
omgeving, en op de eisen die voortvloeien uit het in hand houden van die aanpassing.
*Alle eisen samen leiden tot het ontstaan van primaire en secundaire instituties.
*Onderscheid tussen primaire en secundaire instituties, uitgevonden door Malinowski.
*Somt de basisbehoeften op die op het individuele bevredigt moeten worden.
*Primair: Het zijn directe antwoorden op de behoeften van het individu.
Bv.: Huwelijk en gezin. Bescherming en verdediging. De groei van het organisme: instituties
die training en opleiding van jongeren tot doel hebben.
*Secundair: De instituties die tot de integratie van de primaire instituties leiden, noemen we
secundaire instituties.
Bv.: Opdat er zoiets als een huwelijk zou bestaan, moeten er bepaalde gedragsregels
ontwikkeld worden.
*Institutionalisering omvat twee op elkaar ingrijpende deelprocessen:
1. Cultuurvorming ( = De ontwikkeling van waarden en normen.)
2. Structuurvorming ( = De ontwikkeling van een rollenpatroon.)
*Deze processen vinden complementair en gelijktijdig plaats.
*Door interactie wordt een structuur van rollen gevormd die overeenkomt met de zich
ontwikkelende waarden.
*De waarden bepalen de rolinhoud, maar het vormen van rollen leidt ook tot het aanpassen
van de waarden.
*Kenmerken van institutie;
1. Bepalen de doelen en de wijze waarop die kunnen worden gerealiseerd.
2. Bepalen wie wat doet en hoe de onderlinge verhoudingen tussen actoren zijn.
3. Doordat mensen samen doelen op een voorgeschreven wijze realiseren , ontstaan er
netwerken tussen mensen die de kern van een groep uitmaken.
4. Wie afwijkt van de regels, wordt gesanctioneerd.
5. Ze scheppen verwachtingen ten aanzien van de mensen met wie men samen doelen
probeert te realiseren.
*Instituties liggen op hun beurt aan de basis van het ontstaan van organisaties met elk een
eigen structuur en cultuur.
*Ze leiden tot het ontstaan van organisaties waarin institutionele regelingen een realiteit
worden.
Grijs kader: De historiciteit van voortplanting en familie (P.82)
Zeker lezen! Was te groot om samen te vatten! :D
1.3 De voortzetting in de tijd van instituties
*Sociologen hebben de verschillende fases in het ontstaan en blijven voorbestaan van
instituties beschreven.
*Een van de meest bekende beschrijvingen: Berger en Luckmann.
*Boek: the social construction of reality
* Zij vertrekken van een door en door sociologische premisse: Elke vorm van menselijk
samen handelen is een menselijk product.
*Instituties zijn gebaseerd op een externalisatie van menselijke praxis.
= Ingrijpen in de externe omgeving , de natuur.
*Hun visie is gedeeltelijk geïnspireerd op Marx (Die stelt nl dat e mens moet, om te
overleven, ingrijpen in de natuur).
*Het ingrijpen in de natuur, of het vermenselijken van de natuur, heeft een invloed op de
wijze waarop mensen met elkaar samenleven: Er worden samenhandelingspatronen of
structuren ontworpen.
 Als die patronen de aanpassing aan de externe omgeving bevorderen, zullen ze
voortgezet worden.
*Adaptief betekent in die context dat de ontworpen patronen van samen handelen een
meerwaarde vormen voor het overleven in menselijk verband.
*Voor de nieuwe generaties vormen de bestaande organisatiepatronen en
handelingsvormen een objectieve werkelijkheid.
*De samenleefpatronen verschijnen als feitelijkheid voor de nieuwe generaties.
*Als de eerste fase van institutionalisering berust op externalisatie, dan kan de tweede fase
aangeduid worden als objectivatie.
*Het is belangrijk dat de objectieve realiteiten ontdaan worden van alle subjectiviteit!
*De verwijzingen naar de menselijke oorsprong van instituties worden verdoezeld. Hierdoor
komen ze op zichzelf te staan en worden veel minder ter discussie gesteld.
*De nieuwe generaties stellen zich echter wel de vraag naar het waarom. Het antwoord op
die vraag bestaat erin dat men instituties een transcendentaal karakter geeft, hun
oorsprong wordt buiten de wereld geplaatst.
*Het toekennen van een transcendentaal karakter aan instituties leidt tot het legitimeren
ervan. Het als wettig en als wenselijk laten ervaren van instituties.
*Legitimatie vindt plaats op 4 niveaus:
1. Er is kennis over de manier waarop dingen gewoonlijk gedaan worden (Traditionele
informatie).
2. Er zijn uitspraken en gezegden (Geheel van volkswijsheid).
3. Er zijn expliciete verantwoordingen per institutie (Legitimatietheorieën).
4. Er ontstaan wereldbeschouwingen en ideologieën (Symbolische universa).
*Naarmate de legitimatie van niveau één overgaat naar het vierde niveau wordt de
legimitatie ook explicieter.
 Traditionele info: Continuering in de tijd van een bepaalde handeling s voldoende om als
voorbeeldfunctie te dienen.
 Volkswijsheid: Kernachtige samenvattingen dienen als richtlijn voor het dagelijks
handelen.
 Legimitatietheorieën: Geven nadrukkelijke redenen aan voor de kenmerken van
bepaalde instituties.
 Symbolische universa: Een omvattend kader en er ontstaan wereldbeschouwingen.
*We mogen de invloed van de populaire mediaproducten zoals soaps, films, liedjesteksten
en dergelijke niet uit het oog verliezen.
*Voorbeeld van legitimatie: De Vlaming en zijn huis (P.87)
Niveau 1: Traditionele informatie: Elk gezin streeft ernaar om zijn eigen stek te verwerven.
Een plaats te vinden waar ze thuis kunnen zijn.
Niveau 2: Theoretische proposities en gezegden. ‘Zoals het klokje thuis tikt, tikt het nergens.’
Niveau 3: Expliciete legimitatietheorieën. Wettelijke bescherming van de gezinsvorming.
Niveau 4: Symbolische universa: Ideologieën waarbij de rechten van het individu centraal
staan.
*Die vier niveaus dragen bij tot het creëren van het objectieve karakter van instituties.
*Die realiteit is niet iets dat zomaar opgelegd wordt aan nieuwe generaties. In het
socialisatieproces worden institutionele regelingen door de leden van de samenleving
geïnternaliseerd.
*De manier waarop het handelen moet gebeuren, maakt door dit internalisatieproces deel
uit van de persoonlijkheid.
*Institutionele regelingen krijgen een door mensen ‘gewilde’ realiteit.
2. Socialisatie
2.1 Omschrijving
*Socialisering
= Het proces waarbij een persoon de gewoonten, waarden en normen, kennis en
bedrevenheden van een gegeven groep of maatschappij aanleert, om in die groep of
gemeenschap te kunnen functioneren, dit wil zeggen in staat zijn te interageren, relaties aan
te knopen, sociale posities in te nemen en dergelijke meer.
*Socialisering omvat twee zaken:
1. Continuïteit van maatschappelijke organisatie van een gemeenschap bewerkstelligd,
door de overdracht van cruciale aspecten van de maatschappelijke organisatie.
2. Een persoon wordt opgenomen in een gemeenschap en verwerft hij het vermogen om
rollen aan te leren. Hierdoor kan een individu zich aanpassen aan de nieuwe sociale
omgeving.
*De socialisering zorgt voor een band tussen maatschappij en gedrag. Door de socialisering
oefent de maatschappij invloed uit op gedrag!
* Het begrip socialisering wordt in de sociologie meestal gebruikt met betrekking tot de
kinderjaren, omdat het in die periode een bijzondere betekenis heeft.
 Dit is de primaire socialisering.
*Toch moet socialisering gezien worden als een continu proces, dat plaatsvindt gedurende
alle fasen van de levenscyclus.
*Telkens de sociale omstandigheden van een persoon wijzigen, doet er zich een
socialiserings- of resocialiseringsproces voor.
*Maw: Er zijn toch rolverwachtingen die zich wijzigen telkens men verandert van sociale
positie.
2.2 De belangrijkste socialisatietheorieën
*Het begrip socialisering impliceert de studie van de ontwikkeling van de mens als sociaal
wezen.
*De centrale vraag hierbij is hoe kinderen een identiteit ontwikkelen in relatie tot hun
sociale omgeving.
*Die ontwikkeling verloopt als een sociaal leerproces en moet worden gezien met het oog
op de sociale interactie tussen het kind en haar/zijn omgeving.
*Een sociologische theorie mbt het verloop van de eerste fasen in de vermaatschappelijking
van het kind is die van George H. Mead.
*Ook niet-sociologen hebben dergelijke socialiseringstheorieën ontwikkeld.
*Al die theorieën concentreren zich meestal op de primaire socialisatie (= socialisatieproces
van kinderen), maar socialisatie is echter een continu en levenslang proces.
*Gemeenschappelijk aan de verschillende theorieën: Ze tonen allemaal aan dat de
ontwikkeling van het ‘geweten’ of het kunnen oordelen over goed en kwaad beïnvloed
wordt door Abstrahering (1) en inhoudelijk bepaald wordt door de sociale groep waarin
mensen gesocialiseerd worden (2).
*Het niveau van abstrahering (1) bepaalt de overgang van een concreet aan situaties
gebonden ‘moraal’ naar een ‘ethisch’ denken dat niet aan concrete situaties, feiten of
groepen gebonden is.
*Socialisatie wordt ook getypeerd als het proces waardoor mensen sociaal gewaardeerde
persoonlijkheidskenmerken verwerven.
2.2.1 George Herbert Mead (1863-1931)
*De eigenlijke basis van het socialiseringsproces
= Het vermogen om tot symbolische interpretatie te komen of het feit dat betekenissen
worden gedeeld door personen.
 Hoofdzakelijk taal die dit proces ondersteunt.
*Taal maakt immers complexe interactiepatronen mogelijk die kenmerkend zijn voor het
sociale leven van de mensen
*Het kind leert ook denken en de sociale omgeving interpreteren.
*Interactie = Een noodzakelijke voorwaarde bij de ontwikkeling van het bewustzijn.
*Denken veronderstelt echter ook de ontwikkeling van een ‘self’ of zelfbewustzijn. Dit
veronderstelt de capaciteit om zich in de plaats te stellen van de andere(n).
*Denkvermogen → zelfbewustzijn → socialisatie en identiteit
*In de mate dat het kind door interactie met de sociale omgeving en door middel van taal
een denkvermogen heeft ontwikkeld en tegelijkertijd in staat is tegenover zichzelf te
reageren vanuit een extern standpunt, zal het zich langzamerhand een beeld vormen van
zichzelf (zelfbewustzijn)
 Dit proces vormt de basis van de ontwikkeling van de identiteit.
*De kern van het socialisatieproces = Het ontstaan van het zelfbewustzijn.
= Een sociaal proces dat uiteindelijk moet leiden tot de volwassenheid van een persoon.
*Dit proces bestaat volgens Mead uit twee duidelijk te onderscheiden fasen:
1. The play stage
2. The game stage
*Reeds op jonge leeftijd begint het kind met het imiteren van personen uit de omgeving,
zonder daarbij precies te begrijpen wat het doet. Dat imiteren is zeer belangrijk, omdat het
kind dan andermans rol begint te spelen.
 Dit imiteren zou de aanloop zijn tot het eigenlijke playstadium en bereidt het kind voor op
role taking.
1. Play stage (3 tot 6 jaar)
*De kinderen nemen het gedragspatroon van anderen in het spel over.
*Het kind vervult een reeks van dubbele rollen: De eigen rol en die van een persoon uit de
omgeving.
*Door de rol van iemand anders te vervullen leert het kind zichzelf te zien vanuit een extern
standpunt en leert het zichzelf tot object van zichzelf te nemen.
Bv.: Het kind dat met de pop speelt waarbij het zelf de rol van moeder vervult en door de
pop de rol van kind (Zichzelf dus) speelt.
*Zo leert het een onderscheid maken tussen zichzelf en de rol die het speelt en kan zich het
zelfbewustzijn ontwikkelen.
2. Game stage
*Impliceert al meer georganiseerde activiteiten itt het playstadium dat nog een weinig
systematisch karakter heeft.
*Het kind leert meer rekening te houden met de attitudes en rollen van meerdere anderen
tegelijkertijd die bij een bepaalde activiteit betrokken zijn.
*Die attitudes en rollen vormen een eenheid en het is die (abstracte) eenheid waardoor de
handelingen van het kind in een gegeven situatie bepaald zullen worden.
*Het geheel van de rollen van diegenen die bij een georganiseerde activiteit zijn betrokken,
noemt Mead ‘the other’.
*In dit stadium ziet het kind zich dus niet langer uitsluitend vanuit het standpunt van de
‘significant others’, maar ook vanuit het gezichtspunt van de groep als geheel.
*Dit proces vormt volgens Mead echt de kern van de socialisering of vermaatschappelijking.
*Door role-taking verwerft men niet alleen inzicht in het groepsleven, maar ook meer
zelfkennis.
*Het kind wordt dus niet alleen gesocialiseerd in een gegeven sociale wereld, maar ook in
een bepaalde identiteit.
Grijs kader: Culturele verschillen mbt georganiseerde spelen (P.92)
*Zeker lezen!
*Heeft men ten slotte de ‘generalized other’ geïnternaliseerd.
= De rollen van de leden van allerlei georganiseerde groepen, dan is men een min of meer
volwassen persoon.
*Dan is de ontwikkeling van de ‘Me’ is voltooid.
= Het gesocialiseerde aspect van de persoonlijkheid, de afspiegeling van de maatschappij.
*’I’
= Het strikt individuele, niet- gesocialiseerde element in die persoonlijkheid. Het impulsieve,
creatieve, volledig spontane en autonome gedeelte.
*Gedrag wordt volgens Mead niet eenzijdig door de maatschappij bepaald.
*Doordat de meeste leden van de maatschappij een Me ontwikkelen, wordt de continuïteit
van de normatieve aspecten van de maatschappij gegarandeerd.
*Samengevat: Het socialiseringsproces moet voor Mead opgevat worden als een sociaal
leerproces.
*Menselijk gedrag is hoofdzakelijk aangeleerd gedrag.
*Ze erkent het biologische aspect van de identiteit, nl ‘I’, maar voegt eraan toe dat het de
‘ME’ is die de impulsen van de ‘I’ opvangt.
*De ‘ME’ beheerst het menselijke gedrag, in overeenstemming met de geïnternaliseerde
rolverwachtingen.
*Het zelfbewustzijn is dus een dynamisch en geen statisch gegeven.
*Volgens Mead hebben kinderen interactie nodig voor de ontwikkeling van hun intelligentie.
 Kinderen die geen stimuli krijgen via sociale contacten hebben meestal een mentale
achterstand.
*Voor een adequate integratie van het Self is het noodzakelijk dat het sociale proces waarin
het Self zich ontwikkelt, harmonisch gestructureerd is.
*Een situatie waarin vanuit de sociale verhoudingen tegenstrijdige eisen aan personen
gesteld worden
= Structurele ambivalentie (geen harmonische ontwikkeling van het Self)
2.2.4 Margaret Mead (1901-1978)
*Behoort tot de culture-and-personality school.
*Zij stelt dat de culturele organisatie van een samenleving een heel specifieke invloed
uitoefent op de ontwikkeling van de persoonlijkheid.
*Ze richtte zich in haar werk heel specifiek op het onderscheid tussen meisjes en jongens.
*We richtten onze heel summier op twee van haar mest bekende studies, nl. ‘Coming of age
in Samoa’ en ‘Seks and temperament in Three Primitive Societies’.
*Coming of Age in Samoa
 Hier ging ze na of de problemen die in onze samenleving zo intens met puberteit en
adolescentie verbonden zijn, ook op Samoa voorkwamen.
 De meisjes daar ervoeren de typische problemen van rebellie en conflict niet.
 Gebeurtenissen die stress veroorzaken gedurende de persoonlijkheidsontwikkeling van
Westerse jongeren lijken zonder emotionele stress bij de Samoans plaats te vinden.
*Sex and Temperament in Three Primitive Societies
 Hier toont ze de relativiteit aan van de westerse geslachtsrollen.
 ze vergeleek drie verschillende stammen uit het noordoostelijke deel van Nieuw Guinea.
1. Arapesh: Mannen en vrouwen gedragen zich vrouwelijk. Beide geslachten waren
coöperatief, vreedzaam, aandachtig voor de noden van anderen. Er is geen radicale
scheiding van de geslachten.
2. Mundugumor: Mannen en vrouwen gedragen zich mannelijk. Zowel mannen als vrouwen
waren niets ontziend en agressief. Seksualiteit was de drijvende kracht van hun
persoonlijkheid.
3. Tchambuli: Een omkering van de geslachtskenmerken die we traditioneel in onze
Westerse samenleving vinden.
*Mead besluit op basis van haar cultuurvergelijkende studie dat de menselijke
persoonlijkheid uitermate plastisch is.
*Mead stelt dan ook dat verschillen tussen individuen binnen eenzelfde cultuur, net als
verschillen tussen individuen die behoren tot verschillende culturen, het resultaat zijn van
verschillen in socialisatie die cultureel bepaald zijn.
2.3 Identiteit en zelfbeeld
*De socialisatietheorieën maken het mogelijk dieper in te gaan op wat de menselijke
identiteit is.
*Door internalisatie van de veralgemeende andere kan het kind zichzelf als ‘ik’ aanduiden.
Hierdoor wordt het mogelijk om de vragen “Wie ben ik?” en “Hoe ben ik?” te stellen. Het
antwoord op deze vragen bepaalt de identiteit van het kind.
*Het antwoord op de vraag “Wie ben ik?” zal voor een belangrijk deel verwijzen naar het
grotere sociale geheel waarvan het kind deel uitmaakt.
*Dat grotere geheel ervaart het kind via de rolverwachtingen die aan haar/hem gesteld
worden.
*Het antwoord op het identiteitsprobleem wordt dus gegeven door te verwijzen naar sociale
relaties.
*Identiteit gaat ook samen met bepaalde gevoelens.
*Die gevoelens zijn het resultaat van onze inschatting van de wijze waarop anderen ons
evalueren.
*Een identiteit bouwt mee de emoties op die we tegenover onszelf voelen.
 Een identiteit is dus niet enkel een mentale constructie, maar ook een gevoel.
*De evaluatie die we op onszelf toepassen, wordt aangeduid als zelfbeeld.
*Het is duidelijk dat zelfwaardering en identiteit het resultaat zijn van de interacties die we
met anderen hebben.
*Charles Horton Cooley geeft in zijn theorie de wijze waarop mensen zichzelf evalueren
weer.
*Zijn theorie roept herkenbare kenmerken op omdat hij werkt in de intellectuele traditie van
G.H. Mead.
*Cooley beschrijft echter niet echt de manier waarop het zelfbewustzijn ontstaat, maar
beklemtoont veeleer de functie ervan zelfbewustzijn!
*Het zelfbewustzijn stelt de mens in staat zichzelf te zien en te evalueren zoals anderen
haar/hem zien en evalueren.
*Cooley omschrijft het verloop van de interactieprocessen waardoor het zelfbeeld van
personen wordt gevormd met het concept ‘looking-glass-self’.
 Deze bevat 3 elementen:
1. We stellen ons de wijze voor waarop we denken dat anderen ons zien, waarnemen en
evalueren. We hebben er een idee van hoe we overkomen bij anderen.
Bv.: We kunnen denken dat anderen ons groot en mager zien of kort en dik zien.
2. We interpreteren de reacties die anderen hebben. We komen tot zekere besluiten over
de wijze waarop anderen ons evalueren. We vormen ons een idee over het oordeel dat
anderen hebben over dit voorkomen.
Bv.: Wat vinden anderen ervan dat we groot of klein zijn, dik of slank?
3. We ontwikkelen een zelfbeeld of een zelfconcept op basis van de evaluaties van de
anderen. De gevoelens en de ideeën over onszelf zijn afgeleid van de manier waarop we
denken dat de anderen ons zien of evalueren. We reageren op het oordeel van anderen met
gevoelens van trots, verlegenheid, schaamte, schuld,…
Bv.: Het idee dat anderen ons mooi vinden, kan leiden tot gevoelens van trots en een
positief zelfbeeld.
*De ontwikkeling van het zelfbeeld berust niet noodzakelijkerwijze op accurate evaluaties.
Maar zelfs als we een verkeerde inschatting maken van de wijze waarop we denken dat
anderen ons zien, wordt dit beeld een onderdeel van onze zelfperceptie.
*De ontwikkeling van het Self is een continu, levenslang proces. Het Self is een nooit
afgewerkt product; het verandert zelfs nog op oudere leeftijd.
*De inzichten van Mead en Cooley behoren tot de basisstellingen van de sociologische
sociale psychologie.
 Beide stellen dat we onszelf zien zoals de anderen ons zien.
*Maar deze bijdragen werden echter niet steeds bevestigd door het wetenschappelijk
onderzoek.
*Daarom hebben andere wetenschappers gezocht naar die factoren die aan de basis liggen
van het niet steeds op elkaar perfect afgestemd te zijn van zelfbeelden.
*Ichiyama: Mensen proberen de wijze waarop ze bij andere overkomen te manipuleren. Het
individu is namelijk geen passieve actor die lijdzaam de impressies van anderen ondergaat.
*2e correctie = De invloed van de sociale structuur.
*De wederzijdse beïnvloeding van zelfbeelden lijkt onderhevig te zijn aan statusverschillen.
*Sociaalstructurele regelingen oefenen een invloed uit op sociaalpsychologische processen.
Anderzijds houden die processen de sociaalstructurele regelingen ook in stand.
*Onderlinge beïnvloeding van zelfbeelden weerspiegelen en ondersteunen statusverschillen.
2.4 Emoties
*De hierboven geschetste theorieën brengen inzicht in de manier waarop een zelfbewustzijn
ontstaat en functioneert. Dat zelfbewustzijn is sociaal.
*De sociale vormgeving van de menselijke persoon, gaat echter ook samen met het vormen
van emoties, zoals duidelijk gemaakt in de looking glass van Cooley.
*Menselijke emoties of gevoelens volgens op bepaalde gedragingen, tegelijkertijd liggen ze
aan de basis van nieuwe gedragingen.
 Op die manier treden emoties op als gedragsregulatoren.
*Het zelfbewustzijn en de emoties zijn dus twee essentiële pijlers waardoor mensen de aan
hen gestelde rolverwachtingen invullen.
*Onderzoekers stelden vast dat de ontwikkeling van menselijke emoties parallel loopt met
de groei van het operationele denken zoals door Piaget werd vastgesteld.
Grijs kader: Ontwikkeling van emotie (P.101)
*Zeker lezen -> Welke emoties kinderen op welke leeftijd ervaren.
*Nature-nurture debat: Zijn emoties aangeboren/aangeleerd?
*Ook hier is er wisselwerking tussen de biologische basis van emoties en de vormen die
emoties aannemen in sociale groepen.
*De sociale eenheid waarvan we deel uitmaken en de situaties waarin we verkeren, oefenen
een invloed uit op de vorm die onze emoties aannemen.
*Welke emoties in welke omstandigheden gepast zijn en op welke manier ze het best geuit
worden
= Sociaal bepaald en aangeleerd.
*Daarnaast kunnen emoties ook sociaal worden uitgelokt!
*Dit gebeurt heel expliciet met bv. film of muziek, maar ook groepen mensen waarvan
iemand deel uitmaakt oefent een invloed uit op de wijze waarop menselijke emoties beleefd
worden.
*Emoties worden sociaal gestructureerd.
*Onderstaand experiment toont bovendien aan dat de betekenis van lichamelijke
waarnemingen anders ingevuld kan worden naar gelang van de sociale groep waarvan
iemand deel uitmaakt.
Grijs kader: Determinanten van emoties (P.103)
*Zeker lezen -> Experiment van Schachter en Singer.
2.5 Kinderculturen: ‘peergroups’ en socialisatie
*Socialisatietheorieën veronderstellen doorgaans dat socialisatie een proces is waarbij
kinderen zich aanpassen aan de samenleving en de waarden en normen van deze
samenleving internaliseren.
 Hanteren een deterministische benadering: Kinderen zijn de passieve ontvangers van de
opvoedingsstrategieën van hun ouders en andere volwassenen.
*Socialisatietheorieën die uitgaan van een constructivistische benadering: Kinderen zijn
actoren die actief informatie uit hun omgeving halen en daarmee hun conceptie van de
werkelijkheid vormen of hun houding tegenover deze werkelijkheid bepalen.
*Het kind doorloopt daarbij verschillende fases van ontwikkeling, die gekenmerkt worden
door een toenemende rijpheid en die uiteindelijk uitmonden in het eindstadium van de
volwassenheid.
Bv.: Piagets model van intellectuele ontwikkeling.
Bv.: Meads benadering van de ontplooiing van de identiteit.
*De deterministische benadering
= Beperkt omdat ze het socialisatieproces beschouwt als een eenrichtingsverkeer van de
volwassenen en hun samenleving naar de kinderen toe.
*De constructivistische benadering
= Socialisatie is een actief leerproces. Deze benadering overstijgt het bovenstaande tekort.
 Men blijft kinderen wel beschouwen als onvolwaardige leden van de samenleving.
 De kindertijd wordt gezien als een stadium in de ontwikkeling naar de volwassenheid.
*Beide benaderingen onderschatten daardoor de autonome invloed van de leefwereld van
de kinderen.
*Daardoor lenen ze zich niet altijd voor onderzoek naar rol van leeftijdsgenoten en
kinderculturen als contexten waarin kinderen gedragsstrategieën aanleren, die ze vervolgens
in andere sociale situaties kunnen gebruiken
*Er is altijd al aandacht geweest voor de invloed van leeftijdsgenoten op het
socialisatieproces. Vaak benadrukt men daarbij de nefaste invloed van deze groepen op de
ontwikkeling van, hoofdzakelijk, adolescenten.
*De laatste jaren heeft ook de invloed van leeftijdsgenoten op de ontwikkeling van kinderen
meer systematische aandacht gekregen. Men heeft de vooringenomen houding laten varen.
*De voornaamste algemene kenmerken van deze nieuwe benadering:
1. Kinderen worden beschouwd als een sociale categorie:
Langsheen dit proces van differentiatie en identificatie structureren kinderen hun interactie
met elkaar en worden sociale groepen van kinderen gevormd. Deze sociale groepen zijn
volwaardige onderdelen van de samenleving en worden gekenmerkt door een eigen cultuur
en door specifieke sociaal-structurele arrangementen.
2. Het gedrag van kinderen is functie van hun participatie aan de collectieve activiteiten van
deze kindergemeenschappen.
Langsheen dit gezamenlijk en georganiseerd handelen, leren ze gedragsstrategieën aan die
ze vervolgens in andere sociale contexten kunnen hanteren.
Socialisatie = situationeel proces.
3. Kinderen zijn zowel lid van deze kindergemeenschappen als van de dominante
gemeenschap van de volwassenen.
Hun gedrag moet begrepen worden vanuit hun duale positie als volwaardig lid van de
kindergemeenschap en ondergeschikt lid van de leefwereld van de volwassenen
*Naast leeftijd is geslacht één van de meest in het oog springende sociale categorieën.
*Identificatie met hun leeftijdsgenoten ligt aan de basis van de ontwikkeling van
afzonderlijke kindergemeenschappen.
*Identificatie met geslachtgenoten leidt tot een verdere opdeling in meisjes- en
jongensculturen.
*Geslacht vormt al vanaf jonge leeftijd een relevant sociaal criterium.
*Vanaf 3j: Rekening houden met geslacht van hun leeftijdsgenoten. Hierdoor zal hun
houding tegenover en hun interactie met leeftijdsgenoten van het andere geslacht
verschillen van deze met geslachtsgenoten.
*De relevantie van geslacht als sociale categorie neemt toe gedurende de kindertijd en
bereikt een maximum vóór de intrede van de adolescentie.
*Het meest in het oog springende gevolg van deze geslachtsdifferentiatie is de
doorgedreven geslachtssegregatie van de leefwereld van kinderen.
 Deze segregatie blijkt vooral uit het feit dat de kinderen dyadische contacten met
kinderen van het andere geslacht mijden.
*Deze segregatieprocessen leiden tot een scheiding tussen meisjes en jongens die zo
diepgaand kan zijn dat er twee verschillende leefwerelden ontstaan:
1. Meisjescultuur
2. Jongenscultuur
 Beide culturen verschillen grondig van elkaar!
*Jongens organiseren eerder activiteiten ver weg van de controle door en het toezicht van
volwassenen.
 Nemen sneller initiatief.
 Ontwikkelen eigen regels en standaarden.
 Jongensgroepen komen sneller tot vorming van status- en machtsrangorde.
 Meer ruimte voor conflict en competitie.
Jongens leren competitieve gedragsstrategieën aan gericht op het beïnvloeden van elkaar
en het verwerven van machtsmiddelen.
*Meisjes:
 Weinig ruimte voor conflict en competitie.
 Leren een meer coöperatieve manier van beïnvloeden en het verwerven van middelen
aan.
 Ze trachten elkaar te overtuigen of hanteren ze andere strategieën gericht op het
bestendigen van de groepsharmonie.
 Engageren zich liever in activiteiten gekenmerkt door indirecte vormen van competitie,
gericht op het halen van bepaalde standaarden.
 Zoeken de stabiliserende invloed van de aanwezigheid v volwassenen op.
 Meisjes blijken minder goed in staat disputen aangaande het verloop van een competitief
spel onderling te beslechten.
*Wat zijn de gevolgen van deze geslachtsdiffentiële sociale leerprocessen?
*Meisjes en jongens hebben, in zekere mate, verschillende strategieën ontwikkeld om
conflicten op te lossen of te beheersen en deze handelingswijzen zijn niet steeds
complementair.
2.6 Rolsocialisatie
*Socialisering blijft ook bij volwassenen verder gaan. Telkens als men nieuwe sociale
situaties of veranderingen in de sociale leefwereld meemaakt, zal een dergelijk proces
plaatsgrijpen.
*De impact is dan wel geringer, omdat men meestal in mindere mate fysisch en psychisch bij
die processen betrokken is.
*Het verloop van de rolsocialisatie bij adolescenten en bij volwassenen kan worden gezien in
fasen van afzonderlijke stadia, waarbij elk stadium wordt beschouwd als een fase van
toenemende bewustwording van de impliciete en expliciete rolverwachtingen, het gedrag,
de aangepaste houdingen en waarden, kennis en vaardigheden die met de nieuwe positie
samengaan.
*Elk stadium omvat een wisselwerking tussen de rolaspirant en de rolverwachtingen vanuit
de omgeving.
*1e stadium
 Hoofdzakelijk anticiperend karakter waarbij de rolaspirant de nieuwe positie nog niet
inneemt, maar al wel een aantal gestereotypeerde en enigszins geïdealiseerde
verwachtingen heeft met betrekking tot de rolvervulling.
 Het gaat dus in eerste instantie om de mentale voorbereiding op een eventuele
rolvervulling.
*2e stadium
 Wordt omschreven als de formele periode waarbij de neofiet de officiële en formele
verwachtingen, die samengaan met rol van binnenuit leert.
 Bijzonder kenmerk = Sterk conform gedrag!
*3e stadium
 Informele stadium dat het leren van het inofficiële en informele gedrag omvat.
 Door interactie met de collega’s verwerft men inzicht in de informele rolverwachtingen,
in de nuances en de subtiele betekenissen van de kenmerken van de rol.
 De rolbekleder verwerft een zekere flexibiliteit en past hij zijn rol aan eigen ervaringen
en/of objectieven aan.
*4e stadium
 Meer persoonlijke fase, die de rolbekleder in staat stelt om de eigen verwachtingen en
opvattingen aan de rol op te dringen.
 Rolverwachtingen worden aangepast aan de eigen persoonlijkheid.
 Daarom ook dat eenzelfde rol op verschillende wijzen met een verschillende stijl kan
worden vervuld.
*Die beschrijving van de opeenvolgende fasen van het rolsocialisatieproces illustreert
duidelijk dat het leren van nieuwe rollen een dynamisch aanpassingsproces is, waarvan het
individu zelf ook een persoonlijke dimensie geeft.
*Eén van de meest centrale rolsocialisaties in elke samenleving is de geslachtsrolsocialisatie.
*Vrouwen en mannen wordt tijdens het socialisatieproces het ‘passende’ gedragspatroon
bijgebracht.
*Traditioneel:
 Vrouwen: passief, huiselijk, sociaal, afhankelijk, afwachtend, normaal om openlijk
emoties te uiten.
 Mannen: actief, onafhankelijk, agressief, ondernemend en doelgericht
*Laatste jaren komen vooral de vrouwelijke rolverwachtingen onder druk te staan!
~ Onder invloed van de feministische beweging.
*De geslachtsrolsocialisatie gebeurt onder andere door de wijze waarop moeders met hun
kinderen omgaan.
MAAR ook de massamedia speelt een grote rol!
Grijs kader: Geslachtsverschillen in spelgedrag van éénjarigen (P.107)
*Zeker lezen -> Experiment van Goldberg en Lewis.
*Conclusie = Moeders belonen op onbewuste wijze meisjes om passief en afhankelijk te zijn,
terwijl jongens beloond worden wanneer ze actief en onafhankelijk zijn.
*Ook de massamedia versterken bepaalde opvattingen over hoe meisjes en jongens zich
moeten gedragen en wat hun plaats is in de samenleving.
Grijs kader: Geslachtrolsocialisatie in de media (P.107)
*Zeker lezen -> Studie van Amerikaanse kinderboeken door Williams.
-> Studie van Heinz.
-> Analyse van Vande Berg van voorgrondpersonages in televisieseries.
2.7 Socialisatie en structuren
2.7.1 De structuur van het gezin
*Het gezin is de belangrijkste instelling waarbinnen de eerste fasen van het
socialiseringsproces plaatsgrijpen.
*Het gezin vertoont alle eigenschappen van een primaire groep.
*Die eigenschappen vormen de basis voor zowel de ontwikkeling van een gezonde
persoonlijkheid als de motivatie om te leren.
*Bovendien kan het gezin ook beschouwd worden als een vertegenwoordiger van de
maatschappij waarvan het een sociale deeleenheid vormt.
*Daarnaast fungeert het gezin als een soort vertaler van de voor het kind relevantie
waarden en normen uit de maatschappij en zo tegelijkertijd ook als een soort van
cultuurfilter tussen het kind en de maatschappelijke werkelijkheid.
*De wijze waarop deze rol wordt vervuld, hangt natuurlijk sterk af van eigenschappen zoals
sociale klassepositie van de ouders, het leervermogen van het kind, haar/zijn geboorterang
in het gezin en de grootte van het gezin.
*Het gezin is niet enkel belangrijk voor de overdracht van waarden en normen.
*Kenmerken van het gezin bepalen in niet geringe mate de intellectuele ontwikkeling van
kinderen.
*Structurele kenmerken kunnen een invloed uitoefenen op de ontwikkeling van de
kinderen.
*Vooral de grootte van het gezin, maar ook de geboortegang oefenen een grote invloed uit.
*Klein gezin zou beter zijn voor intellectuele ontwikkeling. De eerst geborenen scoren
meestal hoger op IQ tests.
*Belangrijk lijken de hoeveelheid hulpmiddelen die ouders onder de kinderen moeten
verdelen.
*Resource dilution theory: Hoe meer kinderen, hoe meer de aanwezige middelen verspreid
moeten worden.
*Het algemeen intelligentieniveau daalt door de aanwezigheid van jongere kinderen.
*Het negatieve effect van het innemen van een van de laatste posities in de kinderrij vervalt
wanneer de intervalperiodes tussen de geboorten relatief lang zijn.
*Eerstgeborene moet vaak heel vroeg verantwoordelijkheid dragen voor de kleinere zussen
of broers.
= Stimulans voor de geestelijke ontwikkeling van het eerste kind.
*Eerstgeborenen nemen minder risico’s waaruit verwondingen kunnen volgen.
*Er is ook een kans de eerstgeborene angstiger zal zijn.
*Het feit dat de ouders nog geen ervaring hebben uit zich in een restrictieve houding
tegenover het eerste kind.
*Conservatisme plaatst een rem op de creativiteit van kinderen Het eerste kind wordt door
zijn/haar ouders sterker onder controle gehouden dan een later geborene.
 Die controle uit zich door de internalisatie van conservatieve waarden die de creativiteit
kunnen afremmen.
*Eerstgeborenen bleken een grotere kans te hebben om een politiek mandaat te bekleden.
Dit effect blijkt af te nemen bij jongere generaties.
*Er is echter ook heel wat onderzoek geweest naar de mogelijke relatie tussen geboorterang
en sociale attitudes.
*Sulloway poneerde op basis van historisch onderzoek dat eerstgeborenen eerder
conservatieve sociale attitudes hebben en later geborenen zouden meer progressief zijn.
 Verklaring: Eerstgeborenen zijn sterker, groter en hebben een intellectueel hogere
ontwikkeling dan de jongere broers/zussen. Daardoor nemen ze een dominante plaats in
onder de kinderen. Later geborenen zitten dus steeds in een ondergeschikte positie en zijn
daarom steeds op zoek naar kansen en gelegenheden om zichzelf te onderscheiden van hun
oudere broers of zussen.
Hierdoor creëren ze attitudes die eerder op verandering gericht zijn en tegengesteld aan het
aanvaarden van autoriteit.
*Sulloway gaat zelfs zo ver te stelen dat de houding die men aanneemt tegenover het
sociale leven meer wordt bepaald door de geboorterang dan door geslacht, ras of sociale
klasse.
Maw: De structurele locatie binnen het gezin zou belangrijker zijn dan de structurele locatie
binnen de hele samenleving om te verklaren of iemand progressief of conservatief is.
*Sulloway maakte gebruik van historische gegevens terwijl Freese, Powel & Steelman zich
baseerden op hedendaagse metingen van sociale attitudes.
*Hun onderzoeksresultaten spreken de stellingen van Sulloway tegen.
*Zij vinden de overheersende effecten van geboorterang op sociale attitudes niet terug.
*Om de impact van geboorterang na te gaan, moet men ook de houding van de
samenleving tegenover de eerst geborene in beschouwing nemen.
Bv.: De geboortegang zal in samenlevingen waar er een systeem primogeniture heerst een
ander effect hebben dan in samenlevingen waar geen eerstgeboorterecht heerst.
*Belang van historische context bij het nagaan van samenhangen tussen macro- als
microstructuren en attitudes.
2.7.2 Het gezin binnen de sociale structuur
*Welke waarden en normen uit de maatschappij een kind uiteindelijk meekrijgt binnen
haar/zijn gezin is onder andere afhankelijk van de sociale klassenpositie die de ouders in de
samenleving innemen.
*Sociale klassen kunnen we definiëren naar gelang van het al dan niet bezitten van
eigendom en controle over de productiemiddelen.
Bijkomend kenmerk = Het al dan niet uitoefenen van controle over de arbeid van
werknemers.
*Sociale klasse heeft dus betrekking op een groep van mensen die in soortgelijke
arbeidsomstandigheden verkeert.
~ SES
*Arbeiders: Verkeren meestal in een afhankelijke positie. Ze ontvangen leiding van anderen.
Middenklasse: Hier wordt al meer leiding uitgeoefend.
Hogere klassen: Hier spelen scholing, leidinggevende verantwoordelijkheden en eigendom
van productiemiddelen een nog sterkere rol.
*Melvin Kohn stelde vast dat naar gelang van de aard en de eisen van het beroepsleven van
de vader, verschillende waarden belangrijk worden gevonden bij de opvoeding.
*Arbeiderskinderen:
 Moeten gehoorzaam zijn, meer fysieke bestraffing
*Middenklasseouders:
 Stimuleren nieuwsgierigheid, zelfcontrole, kans om zichzelf te zijn, motiveren van hun
kinderen dmv argumentatie.
*Kohn vond het antwoord op het waarom van de verschillen volgens sociale klasse in het
type werk dat door de ouders verricht werd.
*Arbeiders: Meestal sterk gesuperviseerd en er is geen ruimte voor eigen inbreng.
 Kohn veronderstelde dat arbeiders verwachten dat het leven van hun kinderen op
dezelfde wijze zal verlopen.
 Gehoorzaamheid en conformiteit worden beklemtoond.
*Middenklasseouders: Verkeren in een arbeidssituatie die gekenmerkt wordt door eigen
initiatief en creativiteit.
*Niet alle arbeiders of middenklasseouders behandelen hun kinderen op dezelfde wijze. Er
zijn verschillen naar gelang van het specifiek type werk dat de ouders verrichten.
*Om de analyse meer diepgang te geven en effecten van een specifieke nationale omgeving
uit te zuiveren, voerde Kohn vergelijkend onderzoek in de VS, Polen en Japan.
 Deze drie landen vertonen sterke culturele verschillen.
*In de drie landen werd vastgesteld dat socialeklassepositie een belangrijk effect uitoefent
op de mate van onafhankelijkheid binnen het werk (occupational self-direction).
En die zelfstandigheid heeft een aantoonbare invloed op intellectuele flexibiliteit en de
waardering van individuele onafhankelijkheid.
Grijs kader: Socialisatie in context: politieke socialisatie in de school (P.112)
*Zeker lezen
2.7.3 Referentiegroeptheorie
*Mead: Ging ervan uit dat enkel die groepen waartoe men daadwerkelijk behoort kunnen
een invloed uitoefenen op het gedrag.
*Het begrip “Referentiegroep” werd in 1950 geïntroduceerd door Merton en Lazarsfeld.
*Onmiddellijk aanzet tot het formuleren van het begrip “Referentiegroep” was een studie
verricht gedurende Tweede Wereldoorlog onder leiding van S. Stouffer.
*Een van de belangrijkste bevindingen
= De houding van een soldaat tegenover bepaalde vormen van achterstelling niet wordt niet
zozeer bepaald door de werkelijke graad van achterstelling, dan wel door de norm die de
soldaat hanteert om zijn toestand te evalueren.
* Zijn de promotiekansen gunstig, dan is de soldaat geneigd om zich te vergelijken met de
vele mensen die wél gepromoveerd werden. En dus gaan ze zich benadeeld voelen.
= Relative deprivation
*Het is duidelijk dat de deprivate - dat wat iemand ontzegd wordt of dat wat iemand tekort
heeft - geen absolute, maar een relatieve deprivatie is.
= Een tekort dat men pas merkt door zich met anderen te vergelijken.
*R. Merton toonde later aan dat het fenomeen relatieve deprivatie feitelijk gezien moet
worden als een specifiek geval van het ruimere fenomeen referentiegroep.
*Maakt een onderscheidt tussen twee functionele types van referentiegroepen:
1. Normatieve referentiegroep
= Bron van waarden en normen waarop een persoon zijn gedrag afstemt.
2. Comparatieve referentiegroep
= Fungeert als een vergelijkingsbasis en door een individu wordt aangewend om zijn eigen
situatie te beoordelen.
*Individuen bepalen zelf welke groep ze als referentiekader nemen voor hun gedrag.
*Belangrijke vraag: “Door welke factoren wordt bepaald of een individu een groep of
collectiviteit als referentiegroep zal kiezen?”
*Merton verwijst naar enkele situaties waarin de kans groter wordt dat iemand een
referentiegroep zal nemen waartoe hij/zij niet behoort.
 Wanneer het lidmaatschap meer prestige inhoudt.
 Wanneer de betrokkene binnen de eigen groep een eerder marginale plaats inneemt.
 Wanneer zij/hij in hoge mate opwaarts beroepsmobiel is.
= Een proces van ‘anticipatory socialization’ = En persoon neemt de normen, waarden en
attitudes over van een groep, nog voor zij/hij tot die groep behoort.
*De vraag blijft waarom iemand een bepaalde groep als referentiegroep kiest! Een sluitend
antwoord hierop is er niet, hoewel de uiteindelijke keuze niet lukraak gebeurt.
*Het valt op dat de keuze van de belangrijkste referentiegroepen toch sociaal bepaald
wordt. Het hebben van gemeenschappelijke ervaringen blijft hierin een element te zijn.
*Meer dan één referentiegroep is ook een mogelijkheid.
= Doorkruisende referentieschema’s.
*Wanneer in het onderzoek van Stouffer de ‘Overseas non combat men’ zich vergeleken
met soldaten op het thuisfront waren ze slechter af.
Wanneer ze zich echter vergeleken met de ‘Overseas combat soldiers’ waren ze beter af.
 De uiteindelijke evaluatie van hun situatie was het resultaat van die twee vergelijkingen.
*Samenvattend kan worden gesteld dat het begrip referentiegroep vooral van grote waarde
is gebleken omdat het heeft aangetoond dat waarden en normen van groepen waartoe men
niet behoort, maar die men wel als referentiegroep beschouwt, evenzeer het individu
kunnen beïnvloeden als waarden en normen van groepen waartoe men daadwerkelijk
behoort.
*Het begrip betekent in die zin dan ook een belangrijke aanvulling op Meads bijdrage.
Grijs kader: kinderen worden tieners (P.114)
*Zeker lezen!
3. Slotbeschouwing
*Zeker interessant om te lezen = Een samenvattingske van het hoofdstuk!
Hoofdstuk V: Sociale controle en deviantie
1. Sociale controle
*De conflicten die in een samenleving voorkomen beperken zich niet tot conflicten tussen
mensen onderling. Sommige spanningen doen zich voor tussen bepaalde individuen en de
totale sociale groep.
*Edward Alsworth Ross stelt dat er twee ordes zijn, met elk hun controlemechanismen, die
de individualiteit moeten overstijgen:
1. Ethische orde:
Neemt de vorm aan van de publieke opinie, persoonlijke idealen, religie, kunstvormen, enz.
2. Politieke orde:
Zit vervat in het recht, het leger, de politie. (Sociale ongelijkheid)
*Kenmerken van de maatschappelijke structuur bepalen welke soort controle voorkomt.
*Homogeen, geen grote statusverschillen en van iedereen wordt een identieke inspanning
gevraagd
= Ethische controlesysteem
= Sociale gelijkheid
*Ongelijkheid en overheersing door exploitierelaties tussen etnische groepen, geslachten en
/of sociale klassen.
= Politiek controlestelsel
1.1 De morele orde: Het ontstaan en de internalisatie van normen en waarden
*Een belangrijke bijdrage tot de studie van sociale controle kwam van Sumner.
*Hoe ontwikkelen zich normen? Om deze vraag te beantwoorden berusten we ons op de
klassieke bijdrage van William Sumner.
= Een van de pioniers van de Amerikaanse sociologie.
= Een van de eersten om een systematische analyse te geven van normen.
*Hij baseerde zijn theorie op de veronderstelling dat het eerste en voornaamste doel van de
mens erin bestaat te (over)leven.
 Daarom is de mens oorspronkelijk begonnen met handelen en pas daarna met na te
denken over zijn handelingen.
 Uit een proces van ‘trial and error’, zijn de beste en meest aangepaste handelingswijzen
geselecteerd.
 Die handelswijzen ontwikkelen zich dan tot gebruiken of gewoonten.
= Folkways
 Folkways worden dus niet bewust door de mens gecreëerd. Uiteraard zullen bepaalde
folkways mettertijd hun waarde verliezen, omdat ze niet langer beantwoorden aan
behoeften.
*Folkways = Collectieve gewoonten, elementaire gezichtspunten of methodes die
betrekking hebben op wat juist, effectief en/of goed is.
*Als die folkways zich ontwikkelen in doctrines, dan hebben we het over mores (i.e.
normen).
*De transformatie naar mores vindt plaats wanneer mensen beginnen na te denken over de
folkways.
 Dus mores = Rationalisaties van gewoonten.
*Dit begrip impliceert ook een nieuw element, nl. De sanctie of het uitoefenen van sociale
controle.
*Het niet navolgen van folkways wordt niet gesanctioneerd door de gemeenschap, terwijl dit
wel het geval is bij het niet naleven van de mores.
*Feitelijk is er sprake van een continuüm, gaande van die gebruiken waarop geen enkele
vorm van sanctie of controle wordt uitgeoefend, naar die waarvan de naleving strikt wordt
vereist.
*Het naleven van de mores wordt, volgens Sumner, door de gemeenschap wel als een
essentiële voorwaarde gesteld voor het algemeen welzijn en het adequate functioneren van
de gegeven bevolkingsgroep.
*Wetten vormen een weerspiegeling van de mores.
 Mores vormen de basis van de instellingen die zich binnen de maatschappij ontwikkelen.
*Wetten moeten volgens de auteur congruent zijn om doeltreffend te zijn. Is dit niet het
geval dan zouden ze vaak worden overtreden of heel eenvoudig niet worden nageleefd.
*Kritiek: Zag relatie tussen mores en wetten te eenzijdig! Wetten spruiten wel voort uit
mores, maar op hun beurt kunnen nieuwe wetten een invloed uitoefenen op de mores.
*Normatieve opvattingen en het sociaal normatieve klimaat worden maw ook gedeeltelijk
bepaald door de wetgeving.
Grijs kader: Het gebruik van genotsmiddelen (P.120)
*Zeker lezen
*Ook Durkheim stelt de vraag naar de oorsprong van morele regels.
*Deze regels hebben als fundamenteel kenmerk dat ze niet alleen verplicht zijn, maar ook
gewenst worden.
*Het ‘goede’ bestaat er juist in dat mensen een inspanning willen doen om morele regels te
realiseren.
*Volgens hem bestaan er twee soorten moraliteit:
1. Subjectieve moraliteit:
Elk individu drukt het morele bewustzijn op zijn eigen specifieke wijze uit.
2. Objectieve moraliteit:
Gemeenschappelijke en onpersoonlijke standaard die we gebruiken om menselijk handelen
te evalueren.
*Hoe kan men dan morele feiten herkennen?
*Hiervoor moeten we kijken naar het soort gevolg dat een overtreding van een morele regel
heeft.
*Een handeling kan twee soorten gevolgen hebben:
1. Analytische gevolg:
Volgt uit de handeling zelf en is dus een inherent gevolg van de handeling.
2. Synthetisch gevolg:
De sanctie volgt niet uit de handeling zelf, maar uit het gegeven dat de handeling een regel
overtreedt.
*Handelingen worden verplichtend omdat er regels zijn die bij niet-naleving sanctionerend
optreden. En dat is de essentie van een morele regel.
*Uit het volgen van de regel spruit een gevoel van welbehagen.
*Dit gevoel van welbehagen bij handelen conform aan de morele regels is het resultaat van
het socialisatieproces.
*Socialisatietheorie van Mead beschrijft het proces waarlangs de internalisering van
waarden en normen gebeurt.
*Hij gaat hierbij uit van het conceptuele onderscheid tussen het ‘I’ en het ‘ME’.
*Samen vormen het I en het Me een eenheid, een geheel.
*Het I is het handelen van het individu in een bepaalde sociale situatie.
*Hoe een individu handelt in een specifieke situatie, is niet op voorhand vastgelegd. Het
individu onthoudt echter, obv zijn geheugencapaciteit, wat het deed.
*Nu die mentaal vastgehouden handeling vergelijkt hij dan met het geheel van
geïnternaliseerde attitudes, het Me.
*Het Me neemt de evaluaties in zich op.
 Deels van het Me zelf.
 Deels van de reacties van anderen.
*Hierdoor groeit de geïnternaliseerde component in het individu die ook de morele regels
bevat.
*Piaget gaat uit van de vaststelling dat er een relatie bestaat tussen de sociale verhoudingen
en het rationele bewustzijn.
*Hij maakt een onderscheid tussen twee soorten relaties:
1. Coöperatieve wederkerige relaties:
Liggen aan basis van het bewustzijn van ideale en gewenste regels die men zonder dwang
naleeft
2. Relaties die op autoriteit of dwang gebaseerd zijn:
Leggen het individu een uiterlijk systeem van dwingende regels op.
*Volgens Piaget bestaat maatschappelijke evolutie uit een proces van toenemende
differentiatie.
 Het resultaat is volgens hem een samenleving die gebaseerd is op samenwerking.
*Volgens hem bestaat er een zekere parallel tussen de ontwikkeling van het logische denken
bij kinderen en de ontwikkeling van het morele bewustzijn.
*Het denken evolueert in de richting van een steeds toenemende abstraheringscapaciteit.
*In de egocentrische fase maken kinderen geen onderscheid tussen zichzelf en de wereld. Ze
zijn het middelpunt van de wereld.
*Het kind evolueert geleidelijk van egocentrisme naar een stadium waarin het zich
identificeert met en afstemt op de volwassene.
 Rationeel logisch denken is hier nog niet aan de orde.
*Opdat het kind in staat zou zijn om morele stelregels autonoom te beoordelen en morele
kracht dus niet langer gelijk te stellen met de autoriteit van de volwassene, moet autoriteit
vervangen worden door coöperatie.
 Coöperatie leidt tot kritiek en dialoog. Het kind contrasteert haar/zijn eigen motieven
met de extern opgelegde regels.
*Die confrontatie leidt tot de afbouw van haar/zijn egocentrisme en van het moreel
realisme.
 Het resultaat dat uit die confrontatie van het ik met de andere volgt, is de internalisering
van de regels niet gebonden aan het ik of de andere.
*Regels hebben een autonoom karakter gekregen.
1.2 De politieke orde
*Over wiens moraal hebben we het eigenlijk?
 Deze vraag is bijzonder belangrijk in samenlevingen die gekenmerkt worden door grote
mate ongelijkheid.
*Howard Becker stelt in dit opzicht dat mensen afwijken omdat anderen met meer macht in
de samenleving beweren dat ze afwijkend zijn en dat macht en controle cruciale elementen
zijn om deviatie te begrijpen.
*Becker stelt dat het materiële object van de sociologie bestaat uit de studie van collectief
handelen.
*Becker ziet de samenleving als een netwerk van interacties, waarbij de houdingen en
gedragingen van de interactiepartners steeds op elkaar afgestemd zijn.
*Alle maatschappelijke verschijnselen hebben ditzelfde karakter, afwijkend gedrag is dus
geen alleen staande handeling, maar het resultaat van collectief handelen.
*Volgens hem komen regels tot stand door de beredeneerde actie van ‘crusading
reformers’.
 Zij vertegenwoordigen een bepaalde klasse en baseren hun maatschappijvisie op een
absolute ethiek die geen alternatieve visie mogelijk maakt.
 Gewoonlijk zijn ze zich niet bewust van hun ethisch imperialistische houding, doordat hun
actie gepaard gaat met een humanitair motief: Ze zijn ervan overtuigd dat hun zending goed
is voor de anderen.
 Hun acties, die men als morele kruisvaarten kan omschrijven, zijn vooral op resultaat
gericht.
*Naast de creatie van een nieuwe regel en een nieuwe groep ‘outsiders’ heeft een
succesvolle ‘kruistocht’ ook de vestiging van een nieuwe organisatie tot gevolg met als doel
de regels te handhaven.
*De objectieve taak, het handhaven van regels, legitimeert in veel gevallen het
binnensluipen van subjectieve of informele elementen in de realisatie ervan.
*Deviant gedrag vloeit dus niet voort uit de eigenschapen van personen: Deviantie is het
resultaat van regeltoepassing, eerder dan van regelovertreding.
*Devianten vormen geen homogene categorie.
*Bij regelovertreding rijst dus de vraag om wiens regels het hier uiteindelijk gaat.
*Niet elke maatschappelijke groep heeft voldoende politieke macht om het overtreden van
bepaalde regels als afwijkend te beschouwen.
 Politieke macht is dus een belangrijke variabele in het wetgevingsproces.
 Maatschappelijke ongelijkheid en de daarbij behorende politieke machtsongelijkheid
zorgen ervoor dat het handelen van bepaalde groepen meer aan regels onderhevig is, dan
het handelen van anderen.
2. Sociologische verklaringen voor deviantie
2.1 Het relatieve en normale karakter van deviantie
*Deviant of afwijkend gedrag.
= Gedrag dat de normatieve regels van een gegeven groep of maatschappij overtreedt.
*Dit begrip heeft een relatief karakter.
 Gedrag dat in de ene sociale context als afwijkend wordt beschouwd, is dit niet
noodzakelijk in een andere context. Dit betekent dat gedrag slechts als afwijkend kan
beschouwd worden wanneer de persoon die de normatieve regels overtrad, ook
onderworpen is de beoordeling van de regels die hij overtrad.
= Afwijkend gedrag is een kwestie van sociale definitie op een gegeven plaats en tijdstip.
 De relativiteit van afwijkend gedrag houdt ook verband met de rol die men vervult of de
positie die men inneemt binnen de gemeenschap of groep.
*Durkheim wijst erop dat het absurd is een samenleving te veronderstellen zonder
deviantie.
*Hij definieert ‘normaal’ als volgt:
= Een sociaal gegeven is normaal voor een bepaalde samenleving, binnen een gegeven fase
van haar ontwikkeling, wanneer dat gegeven zich voordoet in het gemiddelde van
samenlevingen die zich in een overeenkomstige evolutiefase bevinden.
*Zowel erfelijke als omgevingskenmerken van mensen zorgen ervoor dat het deelachtig zijn
aan die waarden en normen niet bij iedereen even intens is.
Hierdoor zijn er mensen die geneigd zijn de collectieve regels te overtreden.
*Een maatschappij waar iedereen op dezelfde manier deelachtig wordt aan de waarden en
normen, is onmogelijk, volgens Durkheim.
2.2 Ontregeling of anomie
*Het begrip anomie houdt in dat de samenleving er niet in slaagt individueel handelen
vorm en richting te geven.
= Mensen beschikken niet over regels die bepalen hoe ze in bepaalde situaties moeten
handelen.
*Ontwikkeld op het einde van de 19de eeuw door Durkheim.
Verder ontwikkeld door Merton.
2.2.1 Anomie volgens Durkheim
*Mensen onderscheiden zich van dieren doordat ze onafhankelijk geworden zijn van een
biologische regeling.
 Dit kan tot problemen leiden.
*Het is noodzakelijk dat de individuele aspiraties in toom gehouden worden.
 Regels die dit doen, moeten buiten het individu staan.
 Ze moeten dus van morele aard zijn of hun oorsprong moet sociaal zijn.
*Enkel de samenleving heeft de morele kracht om de aspiraties van mensen onder controle
te houden.
*Samenlevingen bepalen een leefstijl voor iedereen, overeenkomstig met haar/zijn plaats
binnen de sociale stratificatie.
 Elke stand of sociale laag heeft een verwachte leefstijl.
*Volgens Durkheim vindt de publieke opinie die regeling en die ongelijkheid qua beloning
ook wenselijk.
*Daarnaast moeten er mechanismen bestaan opdat mensen een voor hen passende plaats
in de samenleving kunnen innemen.
*Daarnaast moet er een ideologie van sociale mobiliteit of sociale rekrutering zijn.
*Essentieel is echter dat publieke opinie de heersende mechanismen moet ondersteunen.
*De samenleving voorziet dus in een aantal sociaal wenselijke en aanvaarde regelingen die
mensen een passende leefstijl bezorgen en hun aspiraties regelen. Een economische ramp
of economische voorspoed vernietigt echter die normatieve regelingen.
*Bovendien gaan maatschappelijke groepen door plotse groei of crisis een andere plaats in
de samenleving innemen.
= Groepsmobiliteit.
*Het geheel van waarden, opinies en opvattingen dat vroeger in de onderlinge relaties in
een samenleving regelde, is niet meer aangepast.
*Een plotse economische verandering:
 Leidt er dus niet enkel toe dat een individu op zichzelf en op zijn passies terugvalt.
 Terzelfder tijd zijn door de maatschappelijke verandering ook de regulerende waarden en
opvattingen die de verschillende maatschappelijke geledingen, een plaats geven, niet meer
adequaat voor die ordening.
*Het resultaat = Een toestand van anomie.
*Anomie resulteert in een gebrek aan regeling van menselijke driften.
*Belangrijk gevolg = Afwijkend gedrag.
2.2.2 Anomie volgens Merton
*Merton = Amerikaanse socioloog die 40 jaar na de conceptualisatie van anomie door
Durkheim verder gaat op het geopende pad.
*Durkheim: Afwijkend gedrag = Het gevolg van het afbrokkelen van de sociale orde die de
biologische impulsen van de mens moet reguleren.
<-> Merton: Ziet in de sociale structuur zelf elementen die aan de basis liggen van afwijkend
gedrag.
*Onderscheidt tussen twee universeel voorkomende elementen:
1. Culturele doelstellingen
= De behoeften en aspiraties die de mensen verwerven of opbouwen via het culturele
systeem waartoe ze behoren.
2. De normen
= Die voorschrijven hoe de leden van een gegeven gemeenschap op legitieme wijze de
doelstellingen kunnen bereiken.
*Het bestaan van een systeem van normen impliceert een verdeling van faciliteiten
waarlangs die culturele doelstellingen verwezenlijkt kunnen worden.
*Onder bepaalde omstandigheden kan het gebeuren dat er een breuk of dissociatie
ontstaan tussen de culturele doelstellingen en de geïnstitutionaliseerde middelen.
*Oorzaak: De culturele behoeften stijgen trapsgewijs zodat de geïnstitutionaliseerde
middelen op een gegeven ogenblik niet langer aangepast zijn.
*Een scheiding tussen culturele doelstellingen en middelen leidt tot spanningen in de
maatschappij die op hun beurt naar een situatie leiden waarbij de verbondenheid van
bepaalde categorieën van personen ofwel met de culturele doelstellingen, ofwel met de
geïnstitutionaliseerde middelen zal afzwakken
= Anomie.
*Deviantie = Het resultaat van een discrepantie tussen doelstellingen waartoe een
gemeenschap haar leden heeft gesocialiseerd en de middelen die deze gemeenschap biedt
om de doelstellingen te verwezenlijken.
*Binnen de context van de situatie in de VS formuleert Merton een typologie van vormen
van afwijkend gedrag, die moeten beschouwd worden als aanpassingswijzen aan een
toestand van anomie:
Aanpassingvormen
Conformiteit
Innovatie
Ritualisme
Terugtrekking
Rebellie
Culturele doelstellingen
+
+
+/-
Geïnstitutionaliseerde
middelen
+
+
+/-
*Voorbeelden:
 Conformiteit: De bankdirecteur.
 Innovatie: Bankrover.
 Ritualisme: Bureaucraat.
 Terugtrekking: Drop-outs.
 Rebellie: Sekteleden. (Zij stellen in tegenstelling tot de drop-outs nieuwe waarden in de
plaats).
*Mertons anomietheorie levert ook inzichten om de verschillen tussen sociale klassen op
het vlak van deviantie te verklaren.
*Lagere sociale klassen hebben ook een lagere prestatiemotivatie.
Zij hebben ook meer ervaring met het niet kunnen realiseren van aspiraties.
Ook de middelen om die doeleinden te realiseren worden niet gewaardeerd.
*De gewaardeerde doeleinden moeten samengaan met de gewaardeerde middelen!
*De middenklassen beperken de mogelijkheden van de lagere sociale klassen omdat de
eersten een specifieke leefstijl ontwikkeld hebben die een specifiek cultureel kapitaal
vereist.
*De middenklasse zelf kan het voorwerp zijn van een onbegrensdheid van hun aspiraties.
Hoewel ze dragers van de prestatie(achievement)waarden en overdragers van
prestatiemotivatie zijn, is het niet duidelijk wat het juiste doel is dat ze nastreven.
*Ook de populaire cultuur speelt een belangrijke en motiverende rol in het bepalen van
wanneer met succesvol is.
 Zij verspreidt immers ook succesverhalen die als doel hebben de motivatie hoog te
houden, terwijl succes onzeker is.
 Ook zorgen die boodschappen voor een afleiding van kritiek op de sociale structuur.
*De underdog uit de lagere sociale klasse staat te ver af van die waarden om ten volle te
kunnen dromen ze te realiseren.
*De middenklassen wordt voorgehouden dat ze de voorgestelde doelen kunnen bereiken.
 Het is echter niet duidelijk waar dit op neerkomt.
*Uiteindelijk worden ze het meest intens geconfronteerd met de niet ophoudende aanzet
tot succesvol zijn.
 Als dusdanig is hun situatie dan ook ongenormeerd en vol anomie.
*De bovenstaande analyse had in oorsprong de Amerikaanse samenleving als sociale
context. Vraag hierbij is in welke mate die inzichten ook in Europa gelden.
*Belangrijk om te onthouden is de fundamenteel verschillende situatie van de arbeidsklasse
en van de middenklasse.
Grijs kader (P.129)
*Zeker lezen!
*Probleem met Mertons theorie:
1. De werkelijkheid wordt te veel vereenvoudigd.
 Niet alle vormen van afwijkend gedrag kunnen zijn typologie worden ondergebracht.
2. Hij definieert afwijkend gedrag te veel vanuit het eigen gezichtspunt.
3. Hij gaat er ook vanuit dat de niet-geïnstitutionaliseerde middelen, om de culturele
doelstellingen te verwerven, in de maatschappij vrij beschikbaar zijn.
2.2.3 Merton en Durkheim vergeleken
*Beide zijn het resultaat van, en dragen de kenmerken in zich van de sociale context waarin
ze ontwikkeld werden.
*Durkheim werkte in de 19e eeuw:
 Veranderende samenleving.
 Ancien régime was aan het desintegreren.
 Een belangrijke factor was het ontstaan van het kapitalisme en de industrialisatie.
 Relatief sterk geïntegreerde samenleving.
 De verschillende standen kenden hun plaats in een groter geheel.
 Elke stand had een sociaal aanvaarde en voorgeschreven leefwijze.
 Sociale mobiliteit had als gevolg dat de klassieke maatschappelijke ordening onderuit
gehaald werd.
*De samenleving die Merton beschrijft:
 Een industriële samenleving die sociale mobiliteit juist ondersteunt.
 Het kader van Mertons theorie = Een klassenmaatschappij = Open samenleving die
mobiliteit stimuleert.
2.4 Differentiële associatie
*Sutherland en Cressey: 2 soorten wetenschappelijke verklaringen voor een sociaal
verschijnsel.
1. Situationele (mechanische) verklaring:
Geeft inzicht in de werking van de causale factoren op het moment van het gebeuren van
het verschijnsel.
2. Historische verklaring:
Probeert de antecedenten van het fenomeen aan te duiden.
*Differentiële associatietheorie = Een historische verklaring.
*Een verklaring van crimineel gedrag moet een algemene verklaring zijn:
= De verklaring die aan de basis ligt van zowel crimineel als niet-crimineel gedrag, moet
uitgaan van een algemene omvattende theorie.
*Invalshoek = Deviant gedrag, is aangeleerd!
*Individuen onderhouden contacten en identificeren zich met groepen en individuen die
onderling sterk kunnen verschillen op vlak van hun attitudes tov of motivaties voor het
plegen van deviant gedrag.
*Het zijn de verschillen in de aard van die contacten en identificaties ( = De differentiële
associaties) die zullen bepalen in welke mate individuen deviant of conform gedrag zullen
aanleren.
*Individuen die vaak en op een intense manier contact hebben met individuen of groepen
die regelovertreding rechtvaardigen, zullen vaker deviant gedrag stellen.
*Sutherland en Cressey formuleren de volgende regels:
1. Crimineel gedrag is aangeleerd.
2. Crimineel gedag is aangeleerd via interacties (communicatieproces).
3. Het leerproces vindt plaats in kleinere persoonlijke groepen (Dus niet via invloed van de
media).
4. Het leren omvat de technieken om misdaad te plegen en de specifieke motieven en
rationalisaties, attitudes die de misdaad rechtvaardigen.
5. De specifieke richting die motieven nemen, is afhankelijk van definities die legale codes
als na te volgen of te overtreden stellen.
6. Een persoon wordt delinquent wanneer er een overschot is aan definities die
regelovertreding favoriseren. Dit is het principe van differentiële associatie.
*Wat zijn nu de factoren die de differentiële associatie bepalen?
 Dit is sociaalstructureel bepaald.
*Er zijn bijvoorbeeld buurten waar er een overwicht is aan negatieve definities. Deze
buurten zijn het voorbeeld van situaties waarin de algemeen geldende waarden en normen,
houdingen tov wettelijke autoriteiten en wettig gedrag als ongunstig worden beschouwd.
 In deze buurten zullen we dan ook vaak een hoger misdaadcijfer kennen.
*Kinderen van immigranten die vaak in achterbuurten terecht komen, voelen de
discrepantie tussen 2 waardensystemen.
*Ze gaan zich onttrekken aan het waardesysteem van hun ouders en komen ze onder
invloed van de waarden van de achterbuurten.
2.5 De delinquente subcultuur
*De differentiële associatie gaat uit van de veronderstelling dat delinquent gedrag nu
eenmaal bestaat. Maar deze theorie verklaart echter niet hoe dit gedrag ontstaat, noch
waar het zijn oorsprong vindt.
*De delinquentie subcultuurtheorie probeert een verklaring te geven voor het ontstaan van
delinquent gedrag, maar beperkt tot jeugddelinquentie.
*Ze bouwt verder op de anomietheorie van Merton en de differentiële associatietheorie.
*Beide vormen van delinquentie, jeugddelinquentie en misdadigheid van volwassenen,
vertonen weinig raakvlakken. Ze hebben een totaal verschillend karakter.
*Jeugddelinquentie is niet utilitair, heeft dikwijls een irrationeel karakter en geen
onmiddellijk doel, heeft een kwaadaardig karakter, is minder gespecialiseerd en meestal
ongepland.
*Basisstelling is dat alle menselijke handelingen kunnen worden beschouwd als pogingen
om problemen op te lossen.
 ‘Probleem’ = Een toestand van spanning, van onbehagen of uitdaging.
*Aard van het probleem waarmee iemand wordt geconfronteerd en de wijze waarop het
probleem wordt opgelost, worden bepaald door twee condities:
1. Situatie
= Het fysische en sociale kader waarin de handelingen plaatsgrijpen, de energie en/of tijd
nodig om het doel te bereiken en de wijze waarop de mensen rondom ons georganiseerd
zijn.
2. Referentiekader
Of het kader waardoor personen de situatie waarnemen en als een probleem beschouwen.
*De perceptie van een situatie is immers verschillend naar gelang van het gezichtspunt van
waaruit men de elementen van een bepaalde situatie bekijkt.
*Bij een probleem kans men ofwel proberen verandering te brengen aan de situatie ofwel
het referentiekader wijzigen.
*Gesteld wordt dat binnen de geïndustrialiseerde maatschappij de verschillende sociale
klassen op verschillende wijze met eenzelfde probleem worden geconfronteerd.
*Bij het proces van opwaartse mobiliteit, de achtergrond een belemmerende factor kan zijn.
*De statusaspiraties van kinderen uit de lagere sociale klassen worden immers gestimuleerd
door het bestaan van een democratisch waardenstelsel.
*Het kind uit de lagere sociale klasse, zal zich op een gegeven ogenblik bewust worden van
zijn benadeelde toestand en zich tekortgedaan voelen.
 Het komt hierbij voor een probleem te staan, dat het moet oplossen door:
1. Situatie te veranderen en zich aan zijn oorspronkelijke situatie, zijn oorspronkelijk milieu
te onttrekken (studeren).
 Probleem hierbij binnen bv het onderwijs: Dat dit systeem gebaseerd is op
middenklassewaarden, het kind moet dus deze waarden internaliseren.
2. Referentiekader wijzigen
= Het kind lost het probleem op door de typische middenklassewaarden te verwerpen.
*Hoe gebeurt dit?
 Steun van buitenuit!
-> Toetreden tot een groep.
-> Een dergelijke groep zal zich op toevallige wijze ontwikkelen.
 Vorming delinquente subcultuur.
*Antischool referentiekader ontwikkelen
2.6 De vraag op haar kop: waarom is iemand niet deviant?
*Travis Hirschi = Eén van de belangrijkste exponenten van de sociale controletheorie.
*Deze theorie is niet geïnteresseerd in de motivaties van de delinquenten. Want het
resultaat van deviant gedrag is immers vaak de motivatie op zich.
*Volgens Hirschi moet de vraag: “Waarom overtreedt iemand geen regels?” beantwoord
worden.
*Durkheim: De noodzaak tot maatschappelijke integratie van individuen.
 Hoe zwakker de groepsbinding van individuen, hoe meer ze op zichzelf terugvallen en hoe
sterker ze zich enkel laten leiden door privébelangen
 Delinquente handelingen komen voor wanneer de band tussen het individu en de
samenleving zwak of verbroken is.
*Hirschi beschrijft 4 elementen of dimensies die band tussen individu en samenleving
onderscheiden: Attachment, commitment, involvement en belief.
1. Aanhankelijkheid
*Heeft betrekking op de gevoeligheid voor de opinie van de anderen.
*Mensen functioneren in een sociaal verband. Wanneer men deze bovenstaande
gevoeligheid heeft dan betekent dit dat men een sterke betrokkenheid heeft met het sociale
geheel.
*Een gevoeligheid voor die verwachtingen resulteert in regelconform gedrag.
*Hirschi stelt dat de omschrijving ‘gevoelig zijn voor de mening van anderen’ eigenlijk de
notie van ‘geweten’ vervangt.
2. Toegewijdheid
*Heeft betrekking op de vrees die men heeft voor de gevolgen van delinquent handelen.
= Men is bevreesd de winsten van de gedane sociale investeringen te verliezen.
 Commitment is het resultaat van een soort kosten/batenanalyse.
*Het komt dus neer op het feit dat de meeste mensen, doordat ze in een georganiseerde
samenleving participeren, goederen, reputatie en een toekomst verworven hebben die ze
niet wensen te verliezen door het stellen van delinquente handelingen.
3. Betrokkenheid
*Is een opportunistisch element.
*De meeste mensen hebben door hun participatie in het sociale leven geen tijd om een
deviante leefstijl te ontwikkelen.
*Wie continu bezig is met de gangbare elementen die de participatie in het sociale leven
verzekeren, is te druk bezig om delinquent te zijn.
4. Overtuiging
*Heeft betrekking op de mate waarin men de collectieve waarden van een samenleving
deelt.
*Kernidee is dat er variabiliteit is in het geloof in de morele validiteit van de
maatschappelijke voorschriften.
*Volgens Hirschi mag men verwachten dat er een samenhang is tussen aanhankelijkheid en
toegewijdheid.
*Ook tussen toegewijdheid en betrokkenheid is er een samenhang.
*Alsook tussen aanhankelijkheid en overtuiging!
*Het probleem met de sociale controletheorie ligt echt in de onzekerheid over de causale
ordening.
*Zijn het de sociale banden die een invloed uitoefenen op de delinquentie, of is het,
omgekeerd, de delinquentie die de aard van de sociale banden bepaalt?
2.7 Het etiketteerperspectief
*Dit perspectief probeert een subjectieve, geen objectieve definitie van afwijkend gedrag te
geven.
*Deviant gedrag wordt beschouwd als resulterend uit een interactieve relatie tussen een
individu en zijn sociale omgeving, waarbij het gedrag van het individu als afwijkend wordt
gedefinieerd.
*Die definitie beschouw deviantie als een sociale constructie.
*Het etiketteerperspectief is sterk verwant aan de ideeën van Becker.
*Kent zowel een sociaalpsychologisch als een macrosociologische dimensie.
 Macrosociologisch: Aandacht op het ontstaan van regels of op het criminaliseringsproces.
 Sociaalpsychologisch: Impact nagaan van het krijgen van een deviante status op de
identiteit.
*Volgens Lemert bestaan er twee soorten deviantie:
1. Primaire
= Deviantie die aan oorsprong ligt van een maatschappelijke reactie.
*Vaak gaat het om relatief lichte vormen.
*Gedrag wordt gerationaliseerd of als onderdeel van een sociaal aanvaardbare rol
beschouwd.
2. Secundaire
= Wanneer er een maatschappelijke reactie of sanctionering komt.
= Wanneer het individu zich nu voor het eerst als deviant beschouwt kan dit het beginpunt
zijn van een ‘deviante’ loopbaan.
*Belangrijk = De wijze waarop de samenleving die afwijkingen evalueert en de implicaties
die uit haar houding volgen voor de betrokken persoon.
NIET wat oorspronkelijk aan de basis van afwijkend gedrag ligt.
*Oorspronkelijke oorzaken zijn slechts belangrijk wanneer ze aan de basis liggen van een
maatschappelijke reactie die bepaalde vormen van gedrag het etiket ‘deviant’ geeft.
*Een stigmatisering van mensen als deviant kan leiden tot een toename van deviantie.
Bv.: De discussie rond hangjongeren. Volgens deze theorie gaat de maatschappelijke reactie
tegen hangjongeren uit van het gevoel van onbegrip en uitsluiting en kan op die manier
leiden tot een escalatie van vijandigheid.
 Deze theorie heeft op die manier de aandacht gevestigd op processen die vroeger buiten
beschouwing bleven.
 Deze theorie heeft dus zeker een sensibiliserende bijdrage gehad.
3. Slotbeschouwing
Mooie samenvatting van het hele hoofdstuk!
Hoofdstuk VI: Sociale stratificatie
1. Het ontstaan van sociale stratificatie
*Het begrip sociale stratificatie is ontleend aan de geografie en verwijst in die context naar
het voorkomen van boven elkaar gestapelde aardlagen.
*Het verwijst naar de opsplitsing van een samenleving in sociale strata: boven elkaar
gestapelde sociale lagen die onderling verschillen in sociale status en andere indicatoren van
ongelijkheid.
*Maar sociale stratificatie is meer dan louter het voorkomen van sociale ongelijkheid.
*Sociale stratificatie verwijst specifieker naar geïnstitutionaliseerde sociale ongelijkheid.
*Dit alles impliceert dat er een aantal impliciete of expliciete regels zijn die verklaren hoe
gewaardeerde middelen, diensten en posities verdeeld worden.
*De complexe stratificatiesystemen die onze moderne samenlevingen kenmerken, zijn het
resultaat van een graduele ontwikkeling.
 We starten bij de jager- verzamelaars waar er een grote mate van gelijkheid heerste.
 Sociale normen waren gericht op collectief delen.
*De vraag is hoe sociale stratificatie zich vanuit die situatie ontwikkelde.
*Volgens Blumberg gebeurde dit in 2 fasen:
1. Materiële ongelijkheid
*Deze ontstaat uit overvloed!
 Zeer vruchtbare omgeving. Een rijke omgeving brengt stabiliteit en betrouwbaarheid.
*Gevolg = Een toename van de sedentaire leefwijze.
*Deze evolutie gaat samen met twee andere ontwikkelingen:
 Afname van het collectief delen: Delen voedsel eerder binnen familie als tussen families.
 Toenemend belang van de familiesamenstelling.
-> Implicaties voor de geslachtsratio EN afhankelijkheidsratio.
*Dit bepaalt ultiem de hoeveelheid arbeidskracht binnen families.
*KORTOM: Er is een surplus, dat surplus verschilt van familie tot familie én er wordt steeds
minder gedeeld tussen families.
*Er ontstaan dan ook mechanismen om ongelijkheid in de tijd te continueren, zoals
erfelijkheidspatronen.
 EINDRESULTAAT = Een relatief stabiel patroon van ongelijkheid met betrekking tot het
bezit van de surplusproductie.
*Echter zolang jagen en verzamelen de dominante manier is waarop voedsel geproduceerd
wordt, blijft de sociale ongelijkheid beperkt.
2. Ontstaan van klassen
*Dit komt neer op het ontstaan van een ongelijke toegang tot de productiemiddelen.
*Sociale ongelijkheid is hier dus het gevolg van schaarste!
*Hoe ontstonden nu klassen?
*Het uitgangspunt is een complexere en meer succesvolle productietechnologie.
 In de praktijk: De ontwikkeling van de landbouw.
*De verdere toename van de sedentaire levenswijze die hieruit volgt, heeft vaak gevolgen
voor de bevolkingsevolutie, namelijk bevolkingsgroei.
*Het resultaat van bevolkingstoename in combinatie met relatief kleine, intens bewerkte
landoppervlakten is bevolkingsdruk.
*Landbouwgrond wordt schaars. Dit leidt tot competitie waarbij families in meer of mindere
mate succesvol zijn in het bemachtigen van grond.
 De sterkere families zullen die ongelijkheid proberen te bestendigen. Dit kan door het
erfrecht verder te ontwikkelen en door het sluiten van onderlinge coalities.
 Op die wijze ontstaan er groepen die op een stabiele basis productiemiddelen bezitten en
groepen die deze niet bezitten.
2. Stratificatie in landbouwsamenlevingen
*Naarmate landbouwsamenlevingen zich verder ontwikkelden, steeds meer geraffineerde
manieren om de sociale ongelijkheid te bestendigen.
*Die systemen hebben gemeenschappelijk dat de voornaamste basis van sociale
ongelijkheid de toegang tot landbouwgrond was.
*Ze verschillen echter in de manier waarop de samenleving die sociale stratificatie reguleert.
2.1 Slavernij
*Bijna alle bekende landbouwsamenlevingen kenden slavernij. Pas de laatste 1000 jaar
wordt slavernij als economisch systeem ter discussie gesteld.
*Aan de basis van slavernij ligt voornamelijk het nemen van gevangenen tijdens oorlogen.
 Nomadische volkeren: Gevangenen vormen een last.
<-> Agrarische en sedentaire volkeren.
*Belangrijkste kenmerk slavernij = Dat men beschouwd wordt als eigendom van een andere
persoon.  Deze eigendom is juridisch geregeld.
*Slavernij is een onderdeel van een legale orde.
*In sommige samenlevingen werd de status van slaaf ook erfelijk.
 Mensen werden slaaf door geboorte.
*Men trof slavernij op meerdere plaatsen aan: oude China, Griekenland, Rome, 18e eeuw
Latijns-Amerika, 19e eeuws Noord-Amerika.
*Soms kregen slaven een menselijke status, soms werden ze als minderwaardige wezens
beschouwd. Binnen die laatste context was er ook een sterk verband tussen slavernij en
racisme.
Grijs kader: Slavernij in het Romeinse keizerrijk (P. 145)
*Zeker lezen!
2.2 Kasten
*De kastensamenleving is gebaseerd op een uiterst geraffineerd systeem ter ontwikkeling en
legitimatie van sociale stratificatie.
*Uitgangspunt = De ordening van mensen op basis van eer (prestige).
*Het komt er hier op neer dat bepaalde niet-economische kenmerken aan economische
posities worden toegeschreven.
* Het wil dus ook zeggen dat je positie in de sociale stratificatie vastligt van bij de geboorte
en niet meer veranderbaar is tijdens het leven.
*De bedoeling van de koppeling van niet-economische met economische kenmerken = Het
vergemakkelijken van de legitimatie van de bestaande economische ongelijkheid.
*Het kastensysteem is expliciet gebaseerd op een religieuze (of ideologische)
verantwoording van sociale stratificatie.
*Typisch voor kasten = Het verband tussen statuskenmerken.
*De gemiddelde status van twee kasten verschilt.
Er bestaat geen overlap tussen de statussen van de leden van de kasten.
Geen integratiemogelijkheden tussen groepen.
Geen mogelijkheid om van kaste te veranderen.
*Naarmate de statusoverlapping tussen de groepen vermeerdert, wordt het exclusieve
kastekarakter van een samenleving aangetast.
*Groepen kan men als quasikasten aanduiden wanneer tussen etnische groepen een
belangrijk verschil is met betrekking tot indicatoren van ongelijkheid.
 In dergelijke gevallen zijn er tussen de quasikasten doorgaans wel uitwisselingen en
contacten mogelijk.
2.3 Standen
*Standenstelsel = Derde stratificatiesysteem binnen landbouwsamenlevingen.
*Binnen dit stelsel was een hogere status voornamelijk gebaseerd op landbezit en politiekmilitaire posities.
*Landheren vormde een adellijke groepering, wat wil zeggen dat ze hun hogere status
formeel definieerden en beschermden door te verwijzen naar kenmerken van superioriteit
en door hun status erfelijk te maken.
*De categorie van geestelijken werd ook als vrij beschouwd en deze tradt vaak als
grondbezitter of politiek-militaire macht op.
*Daarnaast had men nog een grote massa van mensen met een lage status.
*Typerend aan standensysteem is de relatie van wederzijdse rechten en plichten in het
kader van een heer-vazal-relatie.
*De klemtoon lag op de exploitatie door de landheren, aangezien er voor bezitlozen vaak
geen andere manier was om te overleven dan zich in te schakelen in de door landheren
gedomineerde landbouweconomie.
*Deze indeling in standen en relaties tussen verschillende groepen was in de vroege
Middeleeuwen eerder gebaseerd op gewoonte en traditie.
*Met de groei van de staatsmacht werd het systeem sterker wettelijk verankerd.
*Op die manier werd bv. de erfelijkheid van iemands status strikter.
*Het standensysteem verschil van slavernij, doordat het niet berust op brute verovering,
maar op een geheel van contractuele overeenkomsten.
*Standen verschillen ook van kasten doordat de extreme religieuze legitimatie ontbreekt.
*Standen werden ook niet gekenmerkt door de (religieuze) taboes eigen aan het
kastenstelsel.
Grijs kader: De standenmaatschappij gedurende de middeleeuwen (P. 148)
*Zeker lezen!
*Het voornaamste is dat die drie systemen elk op een verschillende manier een soortgelijke
functie uitoefenen.
*Sommige personen/families hebben productiemiddelen en proberen het bezit ervan te
laten renderen, te bestendigen en zelfs uit te breiden.
*Dit doen ze door anderen voor hen te laten werken, ervoor te zorgen dat hun
nakomelingen automatisch ook de productiemiddelen in handen krijgen en te beletten dat
de gedomineerde bevolkingslaag dit contesteert.
*Verder is het ook belangrijk dat niet alle landbouwsamenlevingen constant en overal
gekenmerkt worden door een zeer grote mate van sociale ongelijkheid.
3. Stratificatie in industriële samenlevingen: klasse
*De grootschalige maatschappelijke veranderingen die met de verdere ontwikkeling van het
kapitalisme en de industrialisatie gepaard gingen, gaven aanleiding tot nieuwe inzichten in
het ontstaan van sociale stratificatie.
 Het begrip klasse deed zijn intrede!
*Sleutelpersoon = Karl Marx.
 zijn visie werd steeds aangevuld en gewijzigd.
*Belangrijke bijdrage = Max Weber.
*Latere fase = Dahrendorf en Bourdieu.
3.1 Marx (1818-1883)
*Volgens Marx bestaan samenlevingen uit een onderbouw en bovenbouw.
 De onderbouw omvat het economische systeem.
= De manier waarop mensen in hun materiële levensonderhoud voorzien.
-> Wordt getypeerd door de productiewijze.
-> Die productiewijze bestaat uit productiekrachten (productiemiddelen, menselijke
arbeidskracht en sociale verhoudingen).
*Op basis van de posities die mensen innamen in het economische systeem onderscheidde
Marx verschillende klassen. In de 19de eeuwse industriële samenleving zag Marx drie klassen:
1. Arbeiders
= Zij die van de verkoop van hun arbeidskracht moeten overleven.
2. Kapitalisten/de bourgeoisie
= De eigenaars van kapitaal –of zij die beschikkingsmacht hebben over productiemiddelen en
arbeidskracht.
3. Grondbezitters
 Deze klassen delen eenzelfde positie, nl het al dan niet bezitten van
productiemiddelen, en betrekken dus hun inkomsten uit eenzelfde bron.
*Deze onderbouw bepaalt de bovenbouw.
*Functie = De bestaande sociale verhoudingen bestendigen.
~ Het levert als het ware een legimitatie en ondersteuning voor de sociale
verhoudingen.
*Centrale idee = Noblesse oblige principe = Tegenover welvaart en macht staan ook
verplichtingen.
*Wat is Marx zijn analyse van het kapitalisme?
Vaststelling 1
= Het cruciale belang van de tegenstelling tussen arbeiders en bourgeoisie.
 Beide klassen hebben tegengestelde belangen = De arbeider wil zijn arbeidskracht zo
duur mogelijk verkopen en de kapitalist wil die zo goedkoop mogelijk kopen.
*Volgens Marx is de geschiedenis altijd de geschiedenis geweest van klassentegenstellingen.
Vaststelling 2
= Kapitalisme is een economisch systeem waarbij het levensonderhoud niet op de eerste
plaats komt.
*Essentieel kenmerk = De verzelfstandiging van het winst- of profijtstreven.
*Een economische handeling kwam vroeger neer op: Sequens goed  geld  goed.
De finaliteit van het economisch handelen was ultiem het levensonderhoud.
Maw: Er is productie gericht op gebruik.
*MAAR in het kapitalisme krijgen goederen een andere betekenis:
Een economische handeling komt nu neer op: Geld -> Goed -> Geld.
*Men produceert om te verkopen.
Er is productie gericht op ruil.
*Het belangrijkste is winst!
Vaststelling 3
= Kapitalisten zijn in bikkelharde onderlinge competitie verwikkeld.
*Ze moeten hun productiekosten zo laag mogelijk houden om hun winst te maximaliseren.
*Surpluswaarde = Het verschil tussen de prijs van het product op de markt en de
productiekosten.
*De kapitalisten moeten de lonen zo laag mogelijk houden.
 Hoe lager de lonen zijn, hoe hoger de surpluswaarde wordt
*Deel van surplus is privé, ander deel wordt terug in het bedrijf gestoken.
 Ontstaan kapitaalsaccumulatie.
*Surplus te laag: Dan kan de kapitalist onvoldoende investeren en verliest hij de
concurrentiestrijd.
*De volgende stap = Vaststellen dat die competitie steeds zwaardere gevolgen heeft voor
de arbeiders!
*Als limiet van uitbuiting van arbeid bereikt is schakelen ze over op machines.
 De mechanisering creëert zo een leger van arbeidslozen of arbeidsreserve.
*Het zo laag mogelijk houden van lonen = Verpaupering onder de arbeiders.
*Verdere competitie tussen de kapitalisten = Een uitschakeling van kapitalisten die zich bij
de massa van het proletariaat voegen.
*Uiteindelijk: Een situaties waarbij maar ene relatief beperkt aantal, maar steeds grotere
bedrijven, overblijft.
= De winnaars van de concurrentiestrijd.
*Gevolg van dit alles = De omstandigheden voor een arbeidersopstand worden steeds
gunstiger.
*Opdat deze opstanden een kans van slagen zouden hebben moeten klassen volledig
ontwikkeld zijn.
*Marx: “Wanneer families onder dezelfde economische omstandigheden leven,
omstandigheden die hun leefwijze, hun belangen en hun cultuur bepalen én hen in een
vijandige positie plaatsen tegenover andere groepen, vormen ze een klasse.”
MAAR zolang ze maar een lokaal verband vormen, niet politiek georganiseerd zijn, geen
identiteit hebben, vormen ze geen volledig ontwikkelde klasse.
*Er is naast deze objectieve situatie ook nog een klassenbewustzijn nodig om van een
volledig ontwikkelde klasse te kunnen spreken. Om hiertoe te komen moeten deze mensen
met elkaar in contact komen en communiceren.
 Overgang van ‘Klasse-an-sich’ naar een ‘Klasse-für-sich’.
*De ultieme tegenstelling in een samenleving = Die tussen de belangen van de bezitters van
productiemiddelen en de bezitlozen.
*Deze tegenstelling en meerbepaald de klassenstrijd die eruit voorkwam zag Marx een als de
motor voor sociale verandering!
*De noodzakelijke uitkomst van die strijd zou een klassenloze samenleving moeten zijn,
waarin productiemiddelen het collectieve bezit waren van de gemeenschap.
= Communisme.
*MAAR in vele landen was de uitkomst niet communisme, maar een welvaartstaat.
 Hierdoor werd de levenssituatie van het gros van de bevolking beter, maar bleef het
kapitalisme als economisch systeem wel behouden.
3.2 Weber (1864-1920)
*Centraal kenmerk denken Marx = Een eendimensionale benadering van sociale
ongelijkheid, gebaseerd op het al dan niet bezitten van productiemiddelen.
<-> Weber = Een meerdimensionale benadering.
*Die laatste maakt een onderscheid tussen status, partij en klasse, die conceptueel van
onafhankelijk van elkaar beschouwd worden (andere sferen).
 Klassen behoren tot de economische sfeer.
 Statusgroepen tot de sociale sfeer.
 Partij(en) tot de politieke sfeer.
*Klassen ontstaan wanneer:
1. Een aantal mensen vergelijkbare levenskansen heeft.
2. Die voortvloeien uit het bezit van goederen of van de mogelijkheid tot het verkrijgen van
een inkomen.
3. De waarde van die goederen of mogelijkheid tot het verwerven van inkomen bepaald
wordt door de werking van de goederen- of arbeidsmarkt.
*Klasse = Een groep van mensen met een gelijke positie op de goederen- arbeidsmarkt en
dus ook met gelijke levenskansen.
*Weber verwijst hierbij naar zowel het bezit van productiemiddelen als naar scholing of skill.
*Status heeft betrekking op de sociale eer.
*Statusgroepen vormen meestal leefgemeenschappen en kennen een gemeenschappelijke
leefstijl.
*Zowel klassen als statusgroepen kunnen overgaan tot organisatie in het politieke veld.
 Hierdoor kunnen ze belangengroepen worden.
*Deze groepen kunnen meerdere klassen omspannen.
*Op basis van Scotts interpretatie van het werk van Weber kunnen we dit multidimensionale
perspectief op sociale stratificatie ook anders bekijken.
 Eigenlijk verwijst Weber naar 3 soorten van macht:
1. Klasse: Macht gebaseerd op bezit of vaardigheid.
= Objectieve, materiële machtsbronnen.
2. Status: Macht gebaseerd op het ‘geloof’ van mensen, nl. Op de erkenning van hogere
kwaliteiten door de gemeenschap.
*Deze macht berust eigenlijk op een gedeelde visie over wat goed of respectabel is.
 In die zin is deze vorm van macht minder hard dan bezit of vaardigheden. Dit impliceert
geenszins dat deze machtsbron niet effectief kan zijn.
Bv.: Het onderscheid tussen arbeiders en bedienden. De laatste categorie kent een hogere
status die niet volledig kan herleid worden tot bv scholingsgraad Handarbeid wordt
geassocieerd met vuil, makkelijk en minder hoogstaand werk, terwijl de eigenlijke
scholingsgraad van handarbeid vaak even hoog ligt als die van hoofdarbeid.
3. Belangengroepen: Macht gebaseerd op afspraken tussen mensen, wat zich kan uiten in
coalities en wetgeving/statuten.
 Ook dit kan tot uiting komen in het economische veld.
*Het verwijst ook naar macht gebaseerd op het innemen van een hiërarchische positie.
3.3 Marx en Weber vergeleken
*Theorie van Marx komt neer op een theorie over groepsvorming.
 Hij veronderstelt dat het al dan niet beschikken over eigendom leidt tot de ontwikkeling
van gelijke denkbeelden en gemeenschappelijk handelen.
 Dit gebeurt niet automatisch.
-> Deprivatie en communicatie waarbij intellectuelen een rol spelen, want zij moeten
helpen aan het bewustwordingsproces!
*De verelendung van de massa zou de ultieme stoot zijn die tot het omverwerpen van het
bourgeoissamenleving leidde.
*Deze revolutie heeft niet (overal) plaatsgevonden. Tot op zekere hoogte kunnen we de
theorie van Weber gebruiken om dit te verklaren.
*Zo stelt Weber dat een gemeenschappelijke klassensituatie niet onmiddellijk aanleiding
geeft tot organisatie.
*Weber breidt de klassenpositie uit tot de hele marktsituatie en zegt dus dat er meer is dan
het bezit van eigendom.
 Dit is belangrijk, want verschillen in scholingsgraad en skill zorgen voor een sterkere
differentiatie binnen de groep van bezitlozen.
 De mate van onvervangbaarheid die gepaard gaat met een hoge scholingsgraad is dus
een bron van macht die kan resulteren in betere levenskansen.
*Bovendien is er binnen de groep van bezitlozen nog een onderscheid in status.
*Dit alles zorgt ervoor dat bezitlozen niet zo eenvoudig te verenigen zijn.
*Daarnaast neemt ook de door Marx voorziene leidende groep van de intelligentsia op basis
van de scholingsgraad en de sociale status als hoofdarbeiders een heel specifieke plaats in
binnen de categorie van de bezitlozen.
 Weber meent dat de Intelligentsia, wanneer ze samenwerkt met de arbeiders, andere
belangen inbrengt dan de belangen van arbeider zelf
*Ook buiten het economische veld zijn er breuklijnen die de klassenstrijd doorkruisen.
*Er is status- en partijvorming.
 Groep bezitlozen met lokale roots vs groep bezitlozen met niet-lokale roots.
 Concurrentie op de arbeidsmarkt russen beide categorieën leidt tot groeps- en
partijvorming op basis van die statuskenmerken.
*Andere aanhankelijkheden hebben de ultieme rechtstreekse confrontatie tussen de klassen
verhinderd.
3.4 De uitbreiding van de marxistische en weberiaanse visie: Dahrendorf
*Deze bijdrage situeert zich bijna 100 jaar later dan die van Marx.
*De economische structuur heeft in die periode heel wat veranderingen ondergaan.
 Met name de opkomst van het anonieme kapitaal wijzigde de economische relaties
grondig.
*Dahrendorf gaat uit van een rollendifferentiatie tussen de aandeelhouders en degenen die
de bedrijven leiden, nl de executives.
*Door de toegenomen schaalgrootte van het economische bedrijf neemt het aantal
aandeelhouders toe.
*Managers nemen nu een belangrijke positie in.
*Bezit is dus niet meer de belangrijkste basis van tegenstelling in de samenleving, maar wel
de uitoefening van gezag of autoriteit.
*De hiërarchie van autoriteit neemt de vorm aan van een beroepshiërarchie.
*Heel sterk vereenvoudigd kunnen we de volgende groepen onderscheiden:
1. Executives en bureaucraten
2. Werkende klasse
3. Intermediaire posities: Posities met gezag, maar moeten verantwoording afleggen aan
derden.
*Posities waaraan autoriteit verbonden is, vallen in clusters samen.
= Klassen of conflictgroepen.
 In eerste instantie noemt hij deze quasigroepen.
*Wanneer de latente belangen omgevormd worden tot manifeste belangen, dan ondergaan
die quasigroepen een wijziging tot belangengroepen.
*Die autoriteitsverschillen zijn uiteraard niet alleen binnen de economische orde aanwezig,
maar eigenlijk binnen elke organisatie.
*Hij merkt op dat de ontwikkelingen van het hoogkapitalisme van de 20e eeuw, zoals
differentiatie van kapitaal en het ontstaan van intermediaire posities, voor een enorme
differentiatie in de beroepenstructuur zorgden.
 Dit heeft de grenzen van de verschillende sociale strata vervaagd.
*Samen met de institutionalisering van het industriële conflict zorgde dit ervoor dat er geen
echte polarisering meer is tussen de klassen.
3.5 Bourdieu (1930-2002)
*Naast het economisch kapitaal wijst hij ook op het belang van cultureel kapitaal.
*Beide vormen van kapitaal verwijzen naar een geheel van inzetbare machtsbronnen.
 Economisch kapitaal: Verwijst specifiek naar zaken als geld en eigendom
 Cultureel kapitaal: Verwijst naar geaccumuleerde kennis, vaardigheden en opleiding die
als machtsbron in sociale relaties kunnen ingezet worden.
*Dit is in feite en uitbreiding van het skill-begrip zoals dat door Weber werd gebruikt.
*Bourdieu verwijst met cultureel kapitaal uitdrukkelijk ook naar minder tastbare maar zeer
belangrijke attitudes en competenties die mensen toelaten optimaal te functioneren
binnen onze samenleving.
*In navolging van Marx is ook bij Bourdieu strijd nooit ver weg.
*Mensen nemen op basis van de hoeveelheid economisch en cultureel kapitaal een plaats in
het sociale veld in.
*Een belangrijk verschil met Marx is echter dat Bourdieu bijzonder veel aandacht heeft voor
de culturele dimensie van die strijd. In zijn ogen is sociale strijd een classificatie-strijd.
*Mensen met een bepaalde positie zetten hun cultureel en economisch kapitaal om in
symbolisch kapitaal (eer, prestige, status).
*Bourdieu gebruikt hierbij het begrip distinctie.
*Mensen ontwikkelen een specifieke, onderscheiden levensstijl waarmee ze hun plaats in
het sociale veld aanduiden- en daarmee ook de plaats van anderen op dit veld.
*Deze strijd draait dus om de sociale verdeling van eer.
*Het resultaat = Een ongelijke verdeling van symbolische macht.
*Mensen kunnen hun symbolische macht inzetten om in hun dagdagelijkse leven hun
levenskansen te verbeteren.
*Marx, Weber, Dahrendorf en Bourdieu en vele anderen hebben een enorme bijdrage
geleverd aan de sociologische studie van sociale stratificatie. In de sociologische praktijk
hebben deze auteurs nog steeds een belangrijke invloed.
*Elk van deze auteurs benadrukt dat sociale stratificatie voorkomt in concrete sociale
interacties:
1. Marx:
Wijst op de uitbuiting van de bezitlozen door de bezitters.
2. Weber:
Wijst op de concurrentie op de arbeids- en goederenmarkt tussen bv. geschoolden en nietgeschoolden.
3. Dahrendorf:
Wijst op de hiërarchische relaties op de werkvloer
4. Bourdieu:
Wijst op de classificatiestrijd in het sociale veld.
 Sociale stratificatie gaat dus in essentie over competitie en concurrentie en over het
verschil in machtsbronnen die hierbij ingezet worden.
Wanneer in de hedendaagse sociologische praktijk bij het meten van posities in de
sociale stratificatie verwezen wordt naar bijvoorbeeld prestige-, opleidings- en
inkomensverschillen mogen we niet vergeten dat deze verschillen teruggaan op deze
competitie.
Grijs kader: Het in kaart brengen van de sociale stratificatie (P. 159)
*Zeker lezen!
4. Sociale mobiliteit
*Nu gaan we dieper in op de situatie van mensen die in deze sociale stratificatie ‘leven’.
Meer bepaald gaan we na of en hoe iemands sociale positie kan veranderen en hoe vanuit
locaties in de sociale stratificatie sociale groepen ontstaan.
*Sociale mobiliteit: Verwijst naar de verandering van plaats binnen het stratificatiestelsel.
*Intragenerationele mobiliteit
= Mobiliteit binnen de beroepsloopbaan van het individu.
*Intergenerationele mobiliteit
= Vergelijking tussen de positie die de ouders innemen en de positie die de zoon/dochter
inneemt.
*Er zijn twee types oorzaken van sociale mobiliteit:
1. Verandering in het aantal beschikbare plaatsen in een bepaalde positie of klasse.
 Zo kunnen wijzigingen in de structuur van de beroepsbevolking aan de basis liggen van
het vrijkomen van nieuwe posities.
 Er kunnen ook tussen generaties posities in bepaalde strata vrijkomen omdat er een
tekort is aan mensen uit dat stratum om die posities in te vullen.
2. Niet verweven met de beschikbaarheid van posities.
 Er is altijd enige mate van sociale mobiliteit aanwezig in onze samenleving.
*Welke factoren bepalen de uiteindelijke plaats die personen in de beroepshiërarchie
innemen?
*In een zuiver democratische en meritocratische samenleving zou enkel het eigen kunnen
aan de basis mogen liggen van de plaats die men in een sociale stratificatie inneemt.
*Inbreng eigen kunnen, inbreng van sociale achtergrondkenmerken?
*Er is een grote mate van overerving van sociale posities. Bovendien impliceerde sociale
mobiliteit niet noodzakelijk dat er enorme verschillen waren tussen de posities van vader en
zoon, vaak ging het maar om een beperkte stap.
*Ook vandaag is de inbreng van ouders nog groot.
*Overigens zijn niet alleen harde economische factoren zoals het ouderlijke bezit en scholing
van belang.
*Er zijn ook sociaalpsychologische processen die binnen families de later jobsituatie van
kinderen bepalen:
 Ouderlijke aanmoediging.
 Beïnvloeding door leeftijdsgenoten.
 Geslacht.
5. Hoe worden economische klassen sociale klassen?
*In essentie wordt met het begrip sociale klassenformatie verwezen naar de omvorming
van een klasse als categorie binnen het economische systeem tot een klasse als een groep
van met elkaar interagerende mensen.
*Dit thema werd uiteraard gelanceerd door Marx met zijn onderscheid tussen klasse an sich
en klasse für sich.
 Later werd die overgang van zijn teleologische implicaties ontdaan.
*Klassen zijn niet gedoemd om revolutionaire, collectief handelende eenheden te worden.
*Het thema van de vorming van collectiviteiten op basis van de positie in het economische
systeem werd ook opgenomen door Weber.
 Hij lanceerde in dit verband het begrip ‘sociale klasse’:
= Reeks klassensituaties waartussen een uitwisseling van mensen vaak voorkomt.
*Belangrijk is dat hij in het proces van sociale klassevorming veel aandacht heeft voor
strategieën die bepaalde groepen hanteren om hun klassepositie te beschermen.
 Hij gebruikt hiervoor het begrip ‘social closure’:
= Verwijst naar het proces waarbij groepen hun positie vrijwaren door de toegang tot hun
machtsbronnen af te schermen voor outsiders.
Bv.: Het beperken van de huwelijkspartnerkeuze.
*In een latere fase werd dit thema bestudeerd door Giddens en Bourdieu.
*Giddens: Welke oorzaken zorgen ervoor dat in onze hedendaagse samenleving bepaalde
sociale klassen gevormd worden?
*Structuratie
= Het proces waarbij economische klassen in een proces van dagdagelijkse handelingen
sociale klassen worden.
*Een eerste mechanisme situeert zich op het mesoniveau.
= Mediate structuration.
 Hiermee verwijst hij in de eerste plaats naar mobiliteitskansen.
Hoe lager de kansen zijn om uit een specifieke economische klasse weg te geraken, hoe
sterker de kans is dat op basis van deze economische klasse een sociale klasse gevormd
zal worden.
*Een dergelijke hoge mate van geslotenheid zal leiden tot de reproductie van
gemeenschappelijke levenservaringen doorheen de tijd.
*Een tweede mechanisme is proximate structuration.
*Eerste belangrijke factor = De arbeidsverdeling op de werkvloer.
Tweede belangrijke factor = De hiërarchische structuur van het bedrijf.
*Volgens Giddens is het onderscheid tussen zij die bevelen geven en zij die ze opvolgen zo
aanzienlijk dat ze kunnen leiden tot de vorming van verschillende sociale klassen.
*Giddens ziet om die redenen een onderscheid tussen de sociale klasse van eigenaars
versus de werknemers.
Maar ook tussen de bedienden en de arbeiders.
*Laatste belangrijke factor = De gemeenschappelijke consumptiepatronen.
Bv.: Residentiële segregatie.
*SAMENGEVAT: Onze dagelijkse leefwereld zorgt ervoor dat mensen minder en of anders in
contact komen met mensen uit een andere klasse. Indien dit het geval is, wordt de breuklijn
die ontstaat in de economische sfeer ook gereproduceerd in de sociale sfeer.
*Bourdieu wijst op een subtieler proces van klassenformatie.
 De mate van economisch en cultureel kapitaal waarover mensen, en hun ouders,
beschikken, zorgt voor specifieke, klassengebonden levenscondities.
 Hieruit ontwikkelen mensen een specifieke habitus welke hun handelingen beïnvloedt.
*Habitus
= Een sociaal geconstrueerd systeem van disposities, begrepen als min of meer onbewuste
neigingen om de dingen op een bepaalde manier te doen.
= Een systeem van duurzame, grotendeels onbewuste schema’s die we tijdens ons leven
verwerven en die het denken, het waarnemen en het handelen sturen.
 Deze is pre-reflexief. = De handelingen die voortspruiten hieruit vallen niet altijd te
reduceren tot het bewust naleven van normen en rationeel handelen.
*Vanuit hun habitus ontwikkelen mensen die eenzelfde positie in het sociale veld innemen
een gelijkaardige levensstijl, welke ze etaleren adhv specifieke consumptiepatronen.
*Op die manier ontstaan collectiviteiten
= Groepen van mensen die eenzelfde klassenpositie en leefstijl delen.
 Op een indirecte, onbewuste manier.
*Met het begrip habitus ontwaart Bourdieu een sterke link met wat Weber klasse en status
noemt.
6. Democratie, welvaart en… elites
*Nu: Moderne democratieën gebaseerd op verkiezingen volgens algemeen enkelvoudig
stemrecht en de ontwikkeling van de welvaartstaat.
*Gevolg = Dat een groot deel van de bevolking een redelijk hoge levensstandaard en een
vrij grote garantie op bestaanszekerheid heeft.
*Maw: De ‘massa’ kan de samenleving en de staat op zo een manier organiseren dat ze er
duidelijk vruchten van draagt.
*Ondanks welvaartstaat blijft er een grote mate van sociale ongelijkheid.
 Dit heeft aanleiding gegeven tot het idee dat sociale ongelijkheid simpelweg inherent is
aan menselijke samenlevingen.
*Bestaan van (politieke) elites in westerse democratieën.
 Wordt bestudeert vanuit het elitetheoretisch denken.
-> Dit denken gaat ervan uit dat er altijd elites zijn die de samenleving leiden, vaak tegen
de massa – en elkaar – in.
6.1 Vilfredo Pareto (1848-1923)
*Pareto beschouwt de leden van een elite als degenen die de besten zijn en hoog scoren op
sociaal significante eigenschappen.
*Hij is voorstander van een meritocratische maatschappij
= Waar posities worden verworven op basis van eigen verdiensten.
 Dit zou impliceren dat de besten - dus de leden van de elite – de staatsmacht hebben.
*Hiervoor is vrije competitie nodig!
 Deze zal wel automatisch door de besten worden gewonnen.
*Hij was er zich echter van bewust, dat zodra men een hoge positie verworven had, deze
niet zo makkelijk weer zou willen prijsgeven.
 Meer nog! Vaak wensen machthebbers hun positie door te geven aan afstammelingen.
*GEVOLG = Dat er niet altijd geschikte individuen in bevelsituaties staan.
*Er is dus nood aan circulatie van individuen in bevelsituaties.
*MAAR aangezien de machthebbende elite deze circulatie probeert tegen te houden, leidt
dit tot verzet en revolutie.
*Pareto stelt dat de geschiedenis een verhaal is de van de continue val en opkomst van
elites.
6.2 Gaetano Mosca (1858-1941)
*Hij spreekt over een politieke elite en een leidende elite.
*Politieke elite = De georganiseerde kern van personen die participeren in de uitoefening
van politieke autoriteit.
 Ze monopoliseert de (staats)macht en haalt daar haar voordeel uit.
 Ze is een minderheid en wordt altijd bedreigd door bekwame personen die niet tot de
elite behoren.
 Om hun dreiging te neutraliseren, moeten die bekwame mensen ingelijfd worden in de
elite. Indien niet, vormen ze een bedreiging voor de bestaande politieke elite.
*Politiek kan men eng of ruim interpreteren.
 Ruim: Betekent dat men politiek niet beperkt is tot de politiek als institutie.
*Vanuit dit opzicht heeft elke institutionele sector zijn elite.
 Die verschillende elites kunnen samenklitten in een leidende elite.
-> Dit houdt onder meer in dat er een bewustzijn is van de leidende positie en dat men
naar onderlinge samenhang streeft
*Zijn centrale stelling is dat er altijd een elite zal zijn!
*Waarom is volgens Mosca de dominantie van de meerderheid door de minderheid zo
automatische het geval?
*Elites = Een selectie van de beste elementen uit de samenleving, makkelijker te organiseren
en worden ze doorgaans niet met de massa als geheel geconfronteerd.
*De massa is verdeeld en haar onderdelen zijn stuk voor stuk makkelijk te domineren in hun
geïsoleerde strijd met de goed georganiseerde elite.
*Bovendien kan een elite haar positie gebruiken om die door de strijd heen te bestendigen.
Bv.: Het erfbaar maken van politieke posities.
6.3 Charles Wright Mills (1916-1962)
*Het elitedenken is mee geëvolueerd met de ontwikkeling van de moderne samenleving.
*Zowel binnen de politiek als binnen de economie is er een sterke toename van
schaalvergroting en complexiteit.
 Dit leidt tot een centrale plaats voor staatsbureaucraten en managers.
*De elitepositie op basis van eigendom werd vervangen door de elitepositie op basis van
controle van de bureaucratische organisatie van de staat en de economie.
 Geheel binnen die optiek zou men kunnen stellen dat de bourgeosie niet verdrongen
werd door het proletariaat, maar wel door de managers.
*Hij heeft het moderne elitedenken toegepast op de Amerikaanse samenleving.
*Mills studie moeten we situeren binnen de Amerikaanse ideologie van gelijkheid en
individualisme.
*Zijn stelling was schokkend omdat de Nieuwe wereld eraan herinnerd werd dat, ondanks
het ontbreken van het juk van het feodalisme, er toch groepen waren die buiten het
democratische spel stonden.
*Wat is nu de elite?
 Volgens Mill zijn er drie maatschappelijke sectoren die een grote machtsbasis genereren
voor zij die deze sectoren controleren.
1. De economie.
2. De politiek.
3. Het militaire apparaat.
*Deze drie sectoren kenden stuk voor stuk een toenemende schaalvergroting in de 20ste
eeuw.
*De elites die deze sectoren domineren, zijn bovendien heel sterk met elkaar vervlochten.
*De power elite = De ‘cliques’ uit die drie institutionele sectoren die samen de belangrijke
beslissingen nemen.
 Deze vervlechting is sociaal.
 Hierbinnen is er een hoge mobiliteit.
7. Is sociale stratificatie noodzakelijk?
*Een aantal sociologen stelt dat sociale stratificatie bijdraagt tot de stabiliteit van die
samenleving.
 Sociale ongelijkheid is functioneel!
Redenering hierachter:
 Sommige posities zijn gebonden aan een aantal kerntaken in een samenleving.
De uitvoering van die kerntaken vereist speciale vaardigheden.
Hiervoor is vaak een lange opleiding voor nodig.
Maar een beperkt aantal mensen beschikt over de capaciteiten om die kerntaken op te
nemen.
Om die getalenteerde mensen gemotiveerd te houden moet er een grote beloning aan die
kernposities verbonden zijn. = Vaak is dit toegang tot schaarse goederen.
Het resultaat van die ongelijke beloning = Een stratificatiesysteem dat in ongelijke mate
geld, eer en tal van gerelateerde voordelen aan personen toekent.
-> Indien dit laatste er niet zou zijn zouden de juiste personen niet op de juiste plaats
terechtkomen.
*Deze stelling lokte heel wat kritiek uit!
*Hoe gaat men de relatieve bijdrage van een taak tot de instandhouding van de samenleving
bepalen?
*De grootte van de functionele bijdrage van bepaalde taken is zeker niet altijd even
eenduidig.
*De verloning en het prestige verbonden aan bepaalde beroepen door veel meer bepaald
worden dan ‘de functionele bijdrage’ die ze leveren.
*Tweede lijn van kritiek = De specifieke werking van de sociale stratificatie.
*Eigenlijk kunnen we stellen dat die werking zo imperfect is, dat het moeilijk te geloven is
dat alle positieve functionele bijdragen dit kunnen compenseren.
*In onze samenleving = Geen zuivere meritocratie.
 Dwz, het feit dat je als kind van ouders met een hoge positie een grotere kans hebt om
zelf een hogere positie in te nemen, toont aan dat de vrije competitie omzeild wordt.
*Ook de stelling dat maar een beperkt aantal personen over de noodzakelijke vaardigheden
beschikt om centrale taken te vervullen, is aan kritiek onderworpen.
*Er zijn zelfs in onze samenleving tal van categorieën mensen die in meer of mindere mate
van de arbeidsmarkt uitgesloten worden of zijn.
*Er is tenslotte ook een morele kanttekening mogelijk.
*Is een levenslange ongelijke beloning verantwoord voor taken die slechts gebaseerd zijn
op enkele jaren extra training? Is de training aan, bijvoorbeeld, de universiteit zo hard dat
dit voor de rest van het leven moet worden gecompenseerd?
8. Sociale ongelijkheid op basis van geslacht
*Er zijn ook nog andere vormen van sociale ongelijkheid naast sociaaleconomische
kenmerken. Zoals bv. op basis van etnische afkomst, leeftijd en geslacht.
 Deze vormen van achterstelling kunnen zeer algemeen omschreven worden als de
ongelijkheid van toegang tot schaarse en gewaardeerde middelen op basis van het behoren
tot een etnische groep, een leeftijds- of geslachtscategorie.
*Sommige sociologen beschouwen deze vorm van sociale ongelijkheid als specifieke
manifestaties van het meer algemene verschijnsel sociale ongelijkheid.
*Anderen stellen dat deze vormen van stratificatie kenmerken hebben die niet tot algemene
kenmerken van sociale ongelijkheid kunnen worden gereduceerd.
*Etnische stratificatie = Een vorm van sociale ongelijkheid die gebaseerd is op een cultureel
onderscheid tussen groepen van mensen.
*Het eigene aan leeftijdsstratificatie = Het lidmaatschap van een leeftijdsgroep wordt
bepaald door de fase in de levensloop waarin mensen zich bevinden en deze onherroepelijk
vast ligt.
*Geslachtsstratificatie: Speciale vorm van sociale ongelijkheid omdat biologische criteria
bepalen welke kans iemand maakt in een dominante of ondergeschikte positie terecht te
komen.
*Biologische en sociale verschillen tussen mannen en vrouwen zijn daardoor zeer nauw met
elkaar verweven.
*De Nature-nurture discussie is trouwens nooit veraf wanneer nagedacht wordt over de
oorzaken van de sociale ongelijkheid van vrouwen en mannen.
*Het bestaan van een loonkloof tussen mannen en vrouwen.
*Tal van redenen hiervoor:
1. Veel factoren verwijzen naar een eigen keuze van vrouwen.
2. Ook zit er een element van onmacht in.
~ Glazen plafond = Een moeilijk waar te nemen en te overschrijden barrière.
*Vaak geopperd dat vrouwen van nature uit een wens hebben om voor hun kinderen te
zorgen.
 “Het heeft niet zoveel zin ons druk te maken over de door vrouwen gemaakte keuzes, ze
volgen gewoon hun natuur.”
*Loonkloof varieert tussen verschillende landen.
*Arbeidsparticipatie van de vrouw is onderhevig aan sterke veranderingen door de tijd heen.
(Meer vrouwen werken sinds de jaren ’70).
*De variatie maakt duidelijk dat de rol verdeling tussen mannen en vrouwen terug te
brengen is tot simplistische verwijzingen naar de, zogenaamde, mannelijke of vrouwelijke
natuur.
*Ander onderzoek toont aan dat de lijst van gedragingen van vrouwen en mannen die aan
het biologische verschil kan worden toegeschreven wel zeer kort geworden is.
 Deze temporele en crossculturele variatie toont aan dat maatschappelijke regelingen en
een bepalende rol spelen.
*Soortgelijke vaststellingen hebben de interesse voor het fenomeen van de
geslachtsstratificatie aangewakkerd.
*Geslachtsstratificatie:
= De ongelijke toegang tot schaarse en gewaardeerde middelen op basis van het
lidmaatschap in een gendercategorie.
= Verwijst bovendien ook naar de dominantie van de man over de vrouw.
*Conflicttheorie van Collins.
*Collins beschouwt mannen en vrouwen als belangengroepen die voortdurend strijd leveren
met elkaar.
*Volgens Collins hebben mannen per definitie een zekere mate van dominantie ten opzichte
van vrouwen. De mate hiervan wordt bepaald door maatschappelijke en historische context.
 Ongeacht deze context hebben mannen altijd een licht overwicht.
 Dit volgt uit de sterk geslachtsgebonden organisatie van verwantschap.
*Redenering:
1. Mensen hebben van nature uit een sterk ontwikkelde seksuele behoefte die een
belangrijke functie heeft in de vorming van langdurige relaties tussen mannen en vrouwen.
De menselijke voortplanting wordt gekenmerkt door langdurige hulpeloosheid van kinderen,
en dat zet aan tot de vorming van langetermijnverbintenissen tussen man(nen) en
vrouw(en).
2. Mensen de capaciteit tot agressief handelen. Ze streven ernaar elkaar te domineren als ze
daartoe de middelen bezitten.
3. Man heeft binnen die relatie een aantal fysiologische troeven (groter en sterker). Vrouw
is kwetsbaar want ze draagt kind + borst.
*Vrouwen starten altijd vanuit ondergeschikte positie.
*Heel is wel wat kritiek op gekomen.
*Sterk idee dat er enige fysiologische basis voor dominantie van mannen over vrouwen is.
 Komt voor in vele samenlevingen.
*Kortom:
 Er is potentieel altijd een strijd aanwezig tussen mannen en vrouwen.
 Mannen hebben wellicht betere troeven om die strijd in hun voordeel te beslechten.
Maar dat wil niet zeggen dat deze basisverhoudingen tussen mannen vrouwen een
onveranderlijk gegeven zijn.
 Zoals elke strijd in een dyade, heeft de dominante partij er alle belang bij om die
dominantie te verankeren.
 Willen mannen hun dominantie effectief en langdurig maken dan moeten ze die vertalen
in maatschappelijke visies en regelingen.
*Voor vrouwen is het van belang om die verankering tegen te gaan.
*De ‘strijd’ die uit die tegenstelling volgt, zorgt voor een continue opbouw en afbraak van
maatschappelijke visies en regelingen.
*GEVOLG: Samenlevingen verschillen in de manier waarop ze vrouw-man relaties regelen.
*Volgens Collins kunnen mannen hun dominantie versterken en verder uitbouwen in
samenlevingen waar er een groot economisch surplus is en waar de familie het
economische, juridische en politiek/militaire leven domineert.
*Het eerste gegeven treffen we aan vanaf het ontstaan van gevorderde
landbouwsamenlevingen.
*Het tweede kenmerk vinden we terug in alle samenlevingen waar maatschappelijke
posities op basis van verwantschap worden ingenomen, zoals in Chiefdoms (Zie hoofdstuk
8).
*Geslachtsongelijkheid is gering in horden- en stammenmaatschappijen.
-> Hier geen economisch surplus, dus ook geen sociale ongelijkheid.
*Bovendien zijn er geen afzonderlijke politiek/militaire, economische en juridische
instellingen – het zijn meervoudige samenlevingen – die door één van de geslachten kunnen
worde gedomineerd.
*In de pre-industriële agrarische maatschappijen is de onderdrukking van de vrouw het
meest extreem omdat alle belangrijke machtsmiddelen vallen onder de controle van
mannen.
*Zowel de economische als de politieklegale sfeer is familiaal georganiseerd en mannen
staan aan het hoofd van de uitgebreide families.
*De vroeg-industriële samenleving is gekenmerkt door:
1. Opkomst moderne staat.
2. Opkomst kapitalisme.
*Beide maatschappelijke transformaties leiden tot de verdere afbraak van de uitgebreide
familie als voornaamste belangengroep.
*Er ontstaan andere en meer machtige belangengroepen die niet op familiale basis zijn
georganiseerd.
*Vrouwen blijven evenwel financieel-economisch afhankelijk van hun partner omdat ze
doorgaans geen betaalde arbeid verrichten.
*Hedendaagse gevorderde markteconomieën
1. Groeit de economische en financiële autonomie van vrouwen, via scholing en participatie
op de arbeidsmarkt.
2. De sociale gelijkheid van vrouwen en mannen neemt verder toe.
*Bij collins bepalen de genderspecifieke organisatie van verwantschapssystemen en de
mate waarin het maatschappelijke leven familiaal georganiseerd is of vrouwen al dan niet
toegang hebben tot schaarse en gewaardeerde middelen en deze vervolgens in macht
kunnen omzetten.
*Economische factoren spelen dus slecht een beperkte rol in de verhoudingen tussen
individuele vrouwen en mannen in Collin’s conflicttheorie: Slechts onder een aantal sociohistorische condities bepalen ze de machtsverhoudingen tussen vrouwen en mannen.
*Deze visie wordt niet gedeeld door de marxistische sociologe Blumberg, die stelt dat de
mate waarin vrouwen en mannen toegang tot productiemiddelen en (betaalde) arbeid
controleren een doorslaggevende factor is in alle samenlevingen.
*Vrouwen hebben doorgaans de productiemiddelen niet in hadden en zijn daardoor niet in
staat zich de opbrengst van hun arbeid toe te eigenen.
 Niet de deelname aan het productieproces is belangrijk, maar wel de mate waarin men
zelf kan genieten van de vruchten van zijn arbeid.
*Ook de relatieve economische macht van vrouwen is belangrijk.
*Een wederzijdse economische afhankelijkheid van vrouwen kan zich pas ontwikkelen
wanneer hun relatieve aandeel in de economische productie ongeveer evenwaardig is.
*Hoe groter de economische macht van vrouwen, hoe meer bewegingsvrijheid zij zullen
hebben om hun persoonlijke leven naar eigen goeddunken te leiden.
*Blumberg kent aan de controle over economische middelen dus een zeer centrale cruciale
rol toe.
 Dit wil niet zeggen dat andere factoren geen rol spelen.
*Een aantal factoren kunnen verhinderen dat vrouwen economische macht in
beslissingsmacht omzetten:
1. De strategische onvervangbaarheid van vrouwenarbeid in een maatschappij.
- De verhouding van het aandeel van de economische activiteit van de vrouw tot de totale
productie binnen de maatschappij.
- De mate waarin vrouwen over een specifieke technische deskundigheid beschikken.
- De mate waarin vrouwen autonoom kunnen werken (los van mannelijke supervisie)
2. Vigerende familiestelstel
- Matriliniaal systeem (Erfrecht in vrouwelijke lijn) brengt meer economische macht voor
de vrouw met zich mee dan een patrilineaal stelsel.
- Matrilocaliteit: Het feit dat de vrouw zich na het huwelijk bij haar eigen familie vestigt.
- Patrilocaliteit: Vrouw verhuist naar familie van de man en wordt min of meer geïsoleerd
van haar eigen verwanten (minder macht en aanzien).
3. Politieke, militaire juridische en ideologische macht
- In samenlevingen waarin mannen de centrale politiek/militair/juridische instellingen
controleren gebruiken ze deze macht om hun posities in de andere sferen van het
maatschappelijke leven veilig te stellen.
- Bv.: Gebruik van verkrachting tijdens oorlog
Bv.: Instellen van wetten om de toegang tot de arbeidsmarkt te bemoeilijken voor vrouwen
in tijden van structurele werkloosheid.
*Dat juridische factoren belangrijk zijn zien we ook in de evolutie van de wetgeving
aangaande vrouwelijke arbeidsparticipatie.
*Bij de uitbouw van de Westerse kapitalistische industriële samenleving was vrouwenarbeid
belangrijk -> Goedkope bron van arbeidskracht.
 Dit bedreigde heel sterk de marktpositie van mannen.
*Als reactie hierop: Belang van gezinsinkomen centraal gesteld. Dit werd uitbetaald aan
mannen.
*Vrouwen konden/moesten thuis blijven → Minder competitie voor de mannen op de
arbeidsmarkt + Thuis nog eens gratis dienstverlening.
*In de latere ontwikkeling van het kapitalisme: principe van het gezinsinkomen vervangen
door een inbreng van zowel man als vrouw (tweeverdienersgezinnen).
*Culturele, ideologische factoren
Bv: instelling van het klassieke huwelijk.
= Kroon op het werk van de mannelijke dominantie.
*In een samenleving gebaseerd op een visie op de vrouw als emotionele verzorger en waarin
de economische macht gecontroleerd wordt door mannen, wordt de blauwdruk van de
gezinsrelatie in een man-vriendelijke vorm gegoten:
- Man is de kostwinner.
- Vrouw krijgt de kinderzorg en het huishouden.
- Buitenechtelijke relaties zijn verboden voor vrouw, oogluikend getolereerd voor
mannen.
*Indien dit alles nog samengaat met een dubbele moraal inzake buitenechtelijke relaties, is
de mannelijke dominantie compleet.
*Onder impuls van de vrouwenbeweging:
 Positieve gevolgen:
Groter bewustzijn in de samenleving over de gelijkwaardigheid van de vrouw, soepeler
echtscheidingsprocedure, massale toename van vrouwen in het hoger onderwijs en op de
arbeidsmarkt.
 Negatieve gevolgen:
Groter aantal echtscheidingen die leidden tot een toename van het aantal
eenpersoonsfamilies en eenoudersgezinnen wat geleid heeft tot de feminisatie van de
armoede!
9. Slotbeschouwing
Zeker lezen! Mooie samenvatting van het hoofdstuk!
Hoofdstuk 8: Sociale verandering
3. Sociale verandering
3.1 Inleiding
*Deze discipline heeft zich ontwikkeld gedurende een periode van revolutionaire politieke
en economische veranderingen.
*Het ervaren van die snelle sociale evolutie lag mee aan de basis van de ontwikkeling van de
sociologie als afzonderlijke wetenschap.
*De studie van de sociale verandering behoort al vanaf het begin tot de centrale
deelgebieden.
*Men gebruikt de term ‘sociale verandering’ om te wijzen op de dynamische aspecten van
de maatschappij, omdat dit een vrij neutrale, waardevrije term is.
<-> In de 19e eeuw en ook bij het begin van de vorige eeuw spraken de zogenaamde sociaal
evolutionisten immers nog van ’sociale vooruitgang’ = Impliceert een positieve waarde.
*Verandering is inherent aan het sociale leven.
*D.m.v. interactie bevestigen of veranderen we in wisselende mate het geheel van onze
sociale verhoudingen.
 Stapsgewijze, dagelijkse minutieuze wijzigingen in die verhoudingen.
 Die wijzigingen in de sociale structuur en cultuur die merkbaar en ingrijpend zijn.
*Sociale verandering wordt gedefinieerd als die verandering, die objectief waarneembare
gevolgen heeft voor de sociale structuur en de cultuur van een maatschappij.
1. Veranderingen moeten gronding zijn.
2. Betrekking hebben op verschillende (institutionele) sferen van het maatschappelijke leven.
*Zo betekent het vormen van een nieuwe regering op zich GEEN sociale verandering.
<-> Maar een grondige wijziging van het bestaande politieke stelsel is WEL een vorm van
sociale verandering.
= Omdat die wijziging belangrijke gevolgen heeft voor de werking van andere sectoren.
 Deze omschrijving is in de praktijk niet altijd even gemakkelijk toepasbaar.
*Meestal is het ook enkel mogelijk om retrospectief en na een lange tijd een periode als een
moment van sociale verandering te bestempelen.
*Men spreekt verder alleen over sociale verandering wanneer ze betrekking heeft op
verschillende institutionele sferen van de maatschappij.
*Voordat we een verandering de stempel ‘sociale verandering’ geven, moeten we
beschikken over indicaties van wijzigingen in meerdere sferen tegelijkertijd.
*Men probeert inzicht te krijgen in sociale verandering door die processen:
1. Te beschrijven: Zoeken naar vormen die veranderingsprocessen aannemen.
2. Te verklaren: Zoektocht naar oorzaken van sociale verandering (theorieën!).
Grijs kader: De Human Development Index (P.215)
*Zeker lezen!
3.2. Theorieën van sociale verandering
*Monistische of monocausale theorieën
= Theorieën die de verklaring van sociale verandering gingen zoeken in één factor. Het effect
van die ene factor werd geïsoleerd en beschouwd als dé determinant van sociale
verandering.
*Bv.: K. Marx.
 Hij stelde hierbij dat sociale verandering een gevolg is van de competitie tussen
belangengroepen in de maatschappij.
*Bv.: L. Gumplowicz.
 Oorlog als de verklaring van sociale verandering.
*Geen van de monistische theorieën biedt ons een volledige verklaring voor sociale
verandering. Meestal is het zo dat een aantal factoren op elkaar inspelen.
 Verschillende theorieën van sociale veranderingen bestaan daarom naast elkaar of
overlappen elkaar.
*Drie criteria om theorieën over sociale verandering te onderscheiden:
1. Worden culturele verandering of veranderingen in materiële/technologische sfeer van de
samenleving als oorzaken van sociale transformaties gezien?
2. Wordt nadruk gelegd op interne of externe oorzaken van sociale verandering?
3. Zijn die invloeden bovenindividuele processen of kunnen individuen of groepen van
individuen die transformaties sturen?
*Materialistische verklaringen:
 Een eerste groep van verklaringen zoekt de primaire motor van sociale verandering in de
economische/technologische of materiële sfeer van het maatschappelijk leven.
 Voorbeelden: Industrialisatiethese.
Bells postindustrialisatiethese.
Theorie van Castells over netwerksamenleving in informatietijdperk.
*Idealistische theorieën:
 Beschouwen culturele factoren en denkbeelden als gangmakers van maatschappelijke
transformaties.
 Voorbeelden: Cyclische theorie van Sorokin.
Postmodernisatietheorie van Inglehart.
*Macrosociologische theorieën
 De mate waarmee ze nadruk leggen op interne of externe invloeden als bronnen van
sociale verandering.
 Bv.: Wereldsysteemtheorie van Wallerstein: Maatschappelijke transformaties kunnen niet
los worden gezien van de posities die staten innemen in het kapitalistische wereldsysteem
en de specifieke relaties met andere staten die daaruit voortvloeien.
 Bv.: Culturele diffusietheorieën: Aandacht voor externe invloeden.
 Bv.: Inglehart: Ziet sociale verandering als een proces dat zich binnen samenlevingen
ontplooit, onafhankelijk van externe invloeden.
*Alle genoemde theorieën van sociale verandering beschrijven sociale transformaties als
processen die zich ontplooien boven de hoofden van de mensen heen.
*Theorieën over sociale hervormingsbewegingen vragen echter aandacht voor hoe mensen
die maatschappelijke transformaties actief in groep kunnen bewerkstelligen.
3.2.1 Materialistische verklaringen: Technologische theorieën
*Technologische theorieën stellen algemeen dat:
1. Culturele en sociaalstructurele veranderingen afhankelijk zijn van technologische evoluties.
*Technologieën = Met wetenschappelijke kennis onderbouwde sets van werktuigen, regels,
procedures waarmee taken op een reproduceerbare wijze worden uitgevoerd.
MAAR technologie hoeft NIET tot materiële artefacten beperkt blijven.
2. Nieuwe uitvindingen worden gedaan op basis van al bestaande elementen.
*Uitvinding = Het resultaat van een nieuwe combinatie van bekende technieken of van een
nieuwe techniek, toegevoegd aan al bestaande technieken.
 Materiële cultuur heeft daarom een cumulatief karakter.
 Ontwikkeling nieuwe uitvindingen is onafwendbaar.
 Geniale inzichten zijn minder belangrijk!
*Innovaties volgen uit pragmatische pogingen om tot oplossingen te komen voor concrete
problemen waarmee mensen geconfronteerd worden.
 Bevestiging in feit dat heel wat belangrijke uitvindingen onafhankelijk van elkaar, op
verschillende plaatsen ongeveer tegelijkertijd tot stand kwamen
3. De creatie van nieuwe technologieën geeft enkel aanleiding tot sociale verandering als ze
de andere sferen van de samenleving indirect beïnvloedt.
3.2.1.1 Drie fases van maatschappelijke transformatie volgens Rose (1967)
1. Technische innovaties hebben een effect op het economische stelsel van de maatschappij.
*Nieuwe technieken zorgen voor een wijziging in de manier waarop goederen
gereproduceerd, verspreid en/of geconsumeerd worden.
*Bv.: Stoommachine, weefgetouw, spoorwegen, etc..
2. Veranderingen in de economische structuur hebben een impact op de aard van de te
verrichten taken en de arbeidsverdeling.
*Arbeid en tewerkstelling wijzigen grondig.
*Bv.: Door industriële revolutie: Textielnijverheid (Huisarbeid en ambachtelijke arbeid) →
Fabrieksarbeid met meer doorgedreven arbeidsverdeling.
3. De maatschappelijke sferen, die slechts indirect verbonden zijn met de economische sfeer,
passen zich aan aan de veranderingen in productie, distributie en consumptie.
*Zowel de sociale structuur als de cultuur van de samenleving past zich aan.
*Bv.: Fabrieken in steden → Migratie naar steden → Groei van steden.
3.2.1.2 Technologische evolutie en ‘cultural lag’
*Probleem met dit veranderingsproces, volgens deze theorie, is dat de zogenaamde nietmateriële cultuur of adaptieve cultuur trager verandert, dan de materiële cultuur.
 Amerikaanse socioloog W.Ogburn noemde dit ‘cultural lag’.
*Het resultaat = Een continue sociale onaangepastheid tussen de twee vormen van cultuur.
*Bv.: Pollutie als gevolg van de ontwikkeling van nieuwe productieprocessen.
Opkomst mobiele telefonie.
*Het cultural lag fenomeen moeten we dan ook beschouwen als één van de belangrijkste
oorzaken van sociale problemen in de maatschappij.
 Omdat de aanpassing zo traag gebeurt.
*Zal in de toekomst verergeren omdat uitvindingen een cumulatief karakter hebben.
*Vraag: “Gaat de materiële cultuur echter altijd aan de adaptieve cultuur vooraf?”
 Dit is NIET zo!
*Bv.: Ontwikkelingslanden: Verregaande onderwijsprogramma’s tot stand gebracht nog vóór
de economie tot volle wasdom is gekomen.
 In die gevallen gaat de niet-materiële cultuur duidelijk aan de materiële cultuur vooraf.
*Aanhangers van de technologische theorieën erkennen wel dat er, naast uitvindingen en
ontdekkingen, nog andere factoren zijn die tot sociale verandering kunnen leiden.
 Die factoren houden dan wel rechtstreeks verband met de productiviteit.
 Bv.: Nieuwe energiebronnen, wijzigingen in bevolkingsstructuur, etc..
*Tegenhanger van een cultural lag = De structural lag.
 Mathila Riley (1994) en medewerkers.
*Wijzigingen in het domein van de biotechnologie, met toepassingen op het vlak van
volksgezondheid, zorgden voor een toename van de levensverwachting in het Westen.
*De nieuwe technologieën leidden tot wijzigingen in de levensloop die niet adequaat
gevolgd werden door veranderingen in de maatschappelijke structuren.
 Die sociale structuren zijn van die aard dat merendeel van onze rollen geconcentreerd
zijn in een bepaalde fase van onze levensloop.
*Jongeren en jongvolwassenen studeren.
Volwassenen zijn arbeidsactief en bouwen gezinsleven uit.
Senioren genieten van vrije tijd.
 Leidt tot onderbenutting van menselijke capaciteiten bij senioren.
 Leidt tot roloverbelasting en problemen van werk-gezinsbalans bij volwassenen in de
middenjaren.
*MAW: Taken en rollen in onze samenleving kennen een sterke leeftijdsdifferentiatie en dit
leidt, in een samenleving van mensen met een hoge levensverwachting, tot sociale
problemen.
*Oplossing: Sequentiële rolinvulling ombuigen tot parallelle rolinvulling.
 Mensen in elke leeftijdsgroep combineren studeren, werken en ontspanning.
3.2.1.3 Voorbeelden (3) van technologische theorieën van sociale verandering
1. De industrialisatiethese
*Stelt dat technologische ontwikkelingen de industrialisatie voortdrijven door verschillende
stadia – de verschillende industriële revoluties – en dat moderne samenlevingen zich
voortdurend aan veranderingen in die technologische realiteit moeten aanpassen.
*1e industriële revolutie (1760-1830/ Engeland):
Introductie stoomkracht en automatisatie van textielproductie.
*2e industriële revolutie (1830-1870/ Engeland, België, VS):
Opkomst spoorwegen, ijzerproductie.
*3e industriële revolutie (1870-1914/ VS en Duitsland):
Staalproductie en chemische industrie.
*4e industriële revolutie (1914-1970/ VS):
Ontwikkelingen auto-industrie en de petrochemische nijverheid.
*Voorlopig laatste revolutie (VS, West-Europa, Japan):
Ontwikkelingen in informatica, micro-elektronica, biotechnologie.
2. Opkomst van de postindustriële samenleving
*Gemeenschappelijke noemer van die opeenvolgende industriële omwentelingen =
Technologische innovaties in de secundaire sector van de economie.
*De theorie van Bell: Over de opkomst van de postindustriële samenleving.
 Stelt dat in de 2de helft van de 20e eeuw Westerse samenlevingen een totaal nieuwe fase
van ontwikkeling zijn ingetreden.
 Een nieuw maatschappijtype dat grondig verschilt van de traditionele industriële
samenlevingen is in opkomst.
 In die postindustriële maatschappij:
Klemtoon: Productie van goederen -> Productie van diensten.
Centraal: Mens-machinerelaties -> Mens-mensrelaties.
*In een postindustriële samenleving ontwikkelt zich een nieuwe tertiaire sector om
tegemoet te komen aan nieuwe behoeften in het kader van het verhogen van de
levenskwaliteit.
Bv.: Tewerkstelling in de sector van de vrijetijdsbesteding, de gezondheidszorg en het
onderwijs neemt toe.
*Conflicten hebben meer te maken met het spanningsveld tussen het versterken van de
professionele autonomie van een groeiende klasse van specialisten en technocraten
enerzijds, en de roep om meer zeggenschap en beslissingsmacht door de steeds beter
geïnformeerde en competente burgers anderzijds.
*Een nieuwe samenleving ontstaat, waarbij niet meer de toename van de productiviteit,
maar wel het verhogen van de levenskwaliteit centraal komt te staan.
*De fases van maatschappelijke transformatie volgens Rose komen ook in de theorie van
Bell terug.
1. Technologische transformaties:
Productie van goederen -> Productie van diensten.
Accumulatie van kapitaal -> Accumulatie van kennis.
Mens-machinerelaties -> Mens-mens relaties.
2. Transformaties in organisatie economie:
Bedrijven als centrale economische actoren -> Kenniscentra zoals universiteiten.
3. Transformaties in arbeid en sociale stratificatie:
Opkomst van de technici, professionelen en wetenschappers.
4. Veranderingen in de maatschappelijke sferen:
Groeiende nadruk op het vervullen van hogere behoeften.
Kwaliteit van het leven komt centraal!
*Kritieken op postindustrialisatiethese:
a) Tewerkstelling in tertiaire sector is gestegen, maar die toename heeft het belang van de
secundaire sector niet ondergraven. Vooral de primaire sector heeft aan belang moeten
inboeten.
B) Het loopt niet zo’n vaart met de vervanging van een consumptie van goederen door een
consumptie van diensten.
*Integendeel, zo stelt Gerschuny: Onze samenleving evolueert naar een maatschappij met
een secundaire sector die meer en meer goederen produceert die het mensen mogelijk
maakt, zelf in hun behoeften te voorzien, zodat ze niet meer van de diensten van anderen
afhankelijk zijn.
Bv.: Opkomst radio, televisie, multimedia ter vervanging van muziekopvoeringen en de
bioscoop.
Bv.: Doorbraak auto ter vervanging van het openbaar vervoer.
C) Andere verwerpen stelling dat de tertiaire sector onafhankelijk van de secundaire sector
van de economie kan groeien.
*Beide zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden in regionale economieën + groei in de eerste
is afhankelijk van groei in de tweede.
D) Nieuwe klasse van professionelen, ingenieurs, wetenschappers,.. hebben geen echte
controle verworven over de economie. Het zijn niet meer dan werknemers in een economie
die nog altijd onder de controle staat van managers en grote investeerders.
*Deze vier en andere kritieken maken dat het idee dat dienstenmaatschappijen
‘postindustriële samenlevingen’ zijn, minder en minder aanhangers kent.
*Sommigen stellen dat er een technologische transformatie in beide sectoren tegelijkertijd
plaatsvindt in plaats van een vervanging van de secundaire door de tertiaire sector van de
economie.
 Deze transformatie heeft betrekking op de opkomst van de netwerkorganisatie en de
informatie- en communicatietechnologie (ICT) als de voornaamste assen waarrond de
economische productie georganiseerd wordt.
*Onderstaande theorie van Manuel Castells = Ongetwijfeld meest invloedrijkste versie van
die technologische verklaringen van sociale verandering.
3. De netwerksamenleving in het informatietijdperk (Castells, 1996)
*Castells stelt dat er zich de laatste twee decennia een fundamentele transformatie van de
samenleving voltrekt, die hij typeert als de opkomst van de netwerksamenleving.
*Deze transformatie wordt gekenmerkt door:
1. Een nieuw technologisch paradigma
2. Een nieuwe technologische ordening
3. Een nieuwe organisatie van arbeid en tewerkstelling
4. Transformatie in andere, niet rechtsreeks met de economische orde verbonden
maatschappelijke domeinen.
*Een nieuw technologisch paradigma opgebouwd rondom ICT en gentechnologie. (1)
*Van doorslaggevende aard = De gelaagde opbouw van die informatie + de verspreiding
ervan via netwerktechnologie.
*Ook kenmerkend = Het gebruik van informatietechnologie om productie van kennis en
informatie te verbeteren. Met een exponentiële groei van beide tot gevolg.
*Andere karakteristiek = Ze brengt twee kennisdomeinen die zich vroeger gescheiden
ontwikkelden met elkaar in verband en benadert ze vanuit één geheel.
Nl. Levende organismen en door de mens gemaakte tuigen of machines.
Bv.: De DNA-computer: Gebaseerd op enzymen en DNA-moleculen en op basis hiervan
worden rekenkundige taken uitgevoerd.
*Leidt tot een nieuwe economie, die informationeel, globaal en netwerkgeorganiseerd is.
(2)
*Economische productie is zo complex geworden, dat de organisatie van de uitwisseling van
informatie binnen bedrijven en binnen netwerken van bedrijven cruciaal geworden is.
Bv.: De sector van de biotechnologie.
*Nieuwe organisatie van arbeid en tewerkstelling. (3)
 Arbeid en tewerkstelling worden meer flexibel en individualiseren: Mensen werken meer
tijdelijk, deeltijds en op zelfstandige basis.
*Toename:
 Onderscheid tussen ‘Self-programmable labour’ en ‘generic labour’.
 Digitale kloof of de sociale tweedeling op het vlak van de verspreiding en het gebruik van
de informatietechnologie.
Grijs kader: Netwerken binnen de sector van de biotechnologie (P.224-225)
*Zeker lezen!
*Transformaties in de economische sfeer van het maatschappelijke leven leiden tot
veranderingen in andere maatschappelijke sferen.
*De culturele ruimte evolueert tot één grote multimediale ruimte door de opkomst van het
internet.
*De meest uiteenlopende culturele expressies vinden hun weg via dit uiterst flexibele
netwerk van informatie en raken zo met elkaar verbonden.
*Dit netwerk doet tegelijkertijd een gedeelde en globale cultuur en taal ontstaan én creëert
de ruimte om culturele verscheidenheid tot uitdrukking te brengen.
 De globalisatie van de netwerkcultuur laat lokale culturen tot uitdrukking komen.
*Er ontstaat een reële virtualiteit omdat de virtuele wereld van de hyperteksten de drager
wordt van symbolen die ons denken beheersen en bijgevolg ons gedrag sturen.
*Deze beïnvloeding kan zeer diepgaand zijn + zelfs onze visie op tijd en ruimte beïnvloeden.
*Naast biologische ritmes ontstaat er in een netwerksamenleving immers een timeless time.
 Tijdloos omdat tijdsdimensie eruit verwijdert wordt OF omdat verleden, heden en
toekomst vermengd raken.
*Ook ontstaat er een nieuwe conceptie van plaats.
*Een space of places -> Een space of flows.
 Space of places: Betekenis en geografische locatie zijn met elkaar verbonden.
 Space of flows: Betekenis en locatie niet meer met elkaar verbonden.
*Netwerken verbinden geografisch ver van elkaar verwijderde culturen en geven aanleiding
tot de ontwikkeling van nieuwe gedeelde culturen en betekenissen.
*Afstand in ‘space of places’ is afhankelijk van transportmogelijkheden die het mogelijk
maken zich van de ene naar de andere geografische plaats te verplaatsen
<-> Afstand in ‘space of flows’ is afhankelijk van de niet-ruimtelijke afstand in het netwerk
van informatie.
*In een globale wereld treden het lokale en het particuliere weer op de voorgrond, maar
dan als onderdeel van één complex netwerk van interagerende netwerken.
*Die nieuwe ruimtelijke logica geeft ook aanleiding tot een transformatie van de geografie
van samen-levingen.
 Nieuwe stedelijke hiërarchieën ontstaan, die niet langer een reflectie zijn van de plaats
waar steden zich in de geografische ruimte bevinden, maar van hun locatie in het netwerk
van de stromen van informatie, mensen en middelen.
3.2.2 Idealistische theorieën: cultuur als motor van sociale verandering
*Technologische theorieën zijn heel invloedrijk in de sociologie.
Toch gaat niet iedereen uit van de veronderstelling dat technologische innovaties de ultieme
motor van sociale verandering zijn.
*Sommigen wijzen op het primordiale belang van wijzigingen in de cultuur van de
samenlevingen.
*Voorbeeld van een cultuursociologische verklaring van sociale verandering = De theorie van
Max Weber ter verklaring van de opkomst van het kapitalisme in Europa.
3.2.2.2 De postmodernisatietheorie van Ronald Inglehart
*Hij volgt Max Weber wanneer hij stelt dat culturele evoluties niet alleen volgen op
wijzigingen in het economische stelsel, maar dat ze ook aan die transformaties kunnen
voorafgaan en die transformaties kunnen bepalen.
 De cultuur van een samenleving kan een blijvende en langdurige invloed uitoefenen, los
van elke economische ontwikkeling.
*Hij werkt een aangepaste van de modernisatietheorie uit ter verklaring van
maatschappelijke veranderingen die zich voltrekken in gevorderde markteconomieën.
*Hij wijst erop dat het laatste kwartaal van de 20e eeuw gekenmerkt wordt door een
fundamentele wijziging in het waardepatroon van de westerse mens en in de
basisinstellingen van de Westerse samenleving.
 In die samenlevingen lijkt het modernisatieproces een fundamenteel nieuwe weg te zijn
ingeslagen.
*Een materialistisch of modern waardepatroon maakt langzaamaan plaats voor een
postmaterialistisch of postmodern waardepatroon.
 Die laatste wordt gekenmerkt door een gerichtheid op levenskwaliteit,
zelfverwerkelijking, zelfexpressie, gebondenheid en individuele vrijheid.
*Institutionele veranderingen: Onze samenleving evolueert weg van de bureaucratisch
georganiseerde massaorganisaties.
 Die organisaties lagen aan de basis van de industrialisatie en hebben de ontwikkeling van
de moderne staat mogelijk gemaakt.
*MAAR hun bloeiperiode is voorbij!
 In een gevorderde markteconomie neemt hun effectiviteit af omdat ze niet flexibel
genoeg kunnen reageren op wisselende marktcondities.
 Ze worden ook minder aanvaard omdat hun werking niet meer strookt met de
basiswaarden van de postmoderne burger.
 De zucht naar zelfontplooiing en zelfstandigheid strookt niet meer met de hiërarchische
organisatie van die bureaucratieën.
*Maw: De kerninstellingen van de moderne samenleving verliezen langzaamaan hun
functionaliteit, omdat ze niet kunnen tegemoet komen nieuwe behoeften en waarden.
*Vraag is uiteraard waar die nieuwe postmoderne of postmaterialistische waarden vandaan
komen of welke culturele veranderingen aan de basis liggen van de overgang naar een nieuw
waardepatroon?!
 Om die vraag te kunnen beantwoorden ontwikkelde hij een verklaring over
intergenerationele waardeverandering opgebouwd rondom twee hypothesen:
1. Schaarstehypothese.
2. Socialisatiehypothse.
1. Schaarstehypothese:
*Deze stelt dat de doelstellingen of kernwaarden van personen een weerspiegeling vormen
van de socio-economische situatie waarin ze vertoeven.
 Mensen leggen in situatie van materiële schaarste nadruk op de realisatie van
materialistische waarden.
 Situatie van materiële overvloed zal de aandacht voor hogere behoeften toenemen.
2. Socialisatiehypothse:
*Deze stelt dat de basispersoonlijkheid wordt gevormd gedurende de primaire socialisatie.
*Processen van secundaire socialisaties zijn wel belangrijk, maar ondergeschikt.
*Betekent dat veranderingen in kernwaarden, die onderdeel vormen van de
basispersoonlijkheid van mensen, onder invloed van maatschappelijke evoluties maar heel
langzaam plaatsgrijpen, in het bijzonder wanneer nieuwe generaties de plaats van oudere
generaties innemen.
*Beide hypothesen kunnen samen helpen verklaren waarom de relatie tussen de
economische welvaart en het dominerende waardepatroon van een samenleving niet
eenduidig is.
 Ook in welvarende samenlevingen kunnen mensen nadruk leggen op materialistische
waardepatronen.
*Dit komt omdat niet de socio-economische situatie op zich, maar de socio-economische
context waarin de basispersoonlijkheid werd gevormd, doorslaggevend is.
Bv.: Vergelijking tussen opgroeien tijdens WO II of opgroeien tijdens jaren ’60.
*Samenvattend: De toename van de welvaart in gevorderde markteconomieën heeft de
mensen bevrijd van een gerichtheid op een materialistisch waardepatroon en heeft ruimte
geschapen voor het nastreven van hogere waarden.
*Het eeuwenoude proces van modernisatie is daardoor de nieuwe weg van de
postmodernisatie ingeslagen.
*Samenlevingen hebben de laatste eeuwen dus een culturele evolutie doorgemaakt die
bestaat uit twee deelprocessen:
1. Modernisatie.
2. Postmodernisatie.
1. Modernisatie:
*Gestart in Europa ongeveer 400 jaar geleden.
*Doet traditionele maatschappijen evolueren tot moderne samenlevingen.
*Economische groei en industrialisatie zetten dit proces in gang.
*Gezagsverhoudingen gebaseerd op rationaliteit. ( <-> Gezagsverhoudingen gebaseerd op
traditie.)
*Waarden en normen die prestatie centraal stellen. (<-> Religieus gemeenschappelijk
normen- en waardenstelsel.)
*Verworven statuskenmerken. (<-> Toegeschreven statuskenmerken.)
*Secularisatie en bureaucratisering: Inherent aan modernisatie verbonden.
2. Postmodernisatie
*Maximalisatie van levenskwaliteit en subjectieve welbevinden als voornaamste motoren
van verandering. (<-> Economische groei en industrialisering).
*Post-moderne samenlevingen (<-> Moderne samenlevingen).
*Postmaterialistische waarden en normen (<-> Prestatiegerichtheid).
*Ook moderne, rationele-legale gezagsverhoudingen ter discussie gesteld.
Bv.: Ter discussie stellen van de gezagspositie van de politici, wetenschap en de
geneeskunde.
*Twee kritieken op Inglehart:
1. Hij gaat uit vanuit een evolutionair denkkader.
 Hij stelt dat modernisatie en postmodernisatie een evolutie inhouden van minder naar
meer aangepaste samenlevingen, van meer eenvoudige naar meer complexe, superieure
samenlevingen.
Maakt Inglehart zich schuldig aan de neiging om westerse cultuur voor te stellen als het
voorlopige eindpunt van een maatschappelijke evolutie?
2. Hij stelt maatschappelijke transformaties voor als veranderingen die zich binnen
samenlevingen ontplooien.
Dat samenlevingen deel uitmaken van een ruimer geheel en elkaar onderling beïnvloeden,
wordt door hem genegeerd.
*Zowel Inglehart als Sorokin stellen culturele evoluties voor als veranderingen die min of
meer los staan van de invloed van ontwikkelingen in andere maatschappijen.
*Twee theorieën hebben meer aandacht voor de invloed die samenlevingen op elkaar
hebben:
1. Culturele diffusietheorieën:
Beschouwen cultureel contact als de bron van sociale verandering.
2. Wereldsysteemtheorie:
Stelt dat maatschappelijke veranderingen moeten worden beschouwd vanuit posities die
landen innemen in een wereldsysteem van staten.
Grijs kader: Waarden en waardeveranderingen internationaal bekeken
(P.233)
*Zeker lezen!
3.3 Culturele diffusietheorieën
*Deze beschouwen cultureel contact als dé bron van sociale verandering.
*Het zijn zeer klassieke verklaringen voor sociale verandering die hun oorsprong vinden in de
culturele antropologie, waar het begrip diffusie (van culturele elementen) een centrale
plaats bekleedt.
*Meeste extreme vorm: Stellen dat uitvindingen niet onafhankelijk van elkaar op
verschillende plaatsen zullen gebeuren, omdat ze geniaal inzicht vragen.
 Contact met andere culturen is een conditio sine qua non voor sociale veranderingen.
*Diffusie = “Een proces waarbij cultuurelementen of systemen van cultuurelementen zich
verspreiden, waarbij ontdekkingen of uitvindingen of nieuwe instellingen, aangenomen in
een bepaalde regio, door samenlevingen in nabijgelegen gebieden worden overgenomen,
tot ze zich over de hele aardbol hebben verspreid!”
*Deze theorieën zijn ontstaan als alternatief voor evolutionaire theorieën.
 In tegenstelling tot deze laatste laten diffusietheorieën toe na te denken over hoe
samenlevingen elkaar beïnvloeden.
*Diffusietheorieën zijn gebaseerd op het idee van cultureel dominante centra van waaruit
vernieuwingen naar de omgeving uitstralen. Hoe verder samenlevingen verwijderd zijn van
de dominante centra, hoe minder ontwikkeld en hoe meer marginaal ze zijn.
~ Bekende expedities van de Noorse cultuurantropoloog Thor Heyerdahl.
*Deze theorieën wijzen op een aantal factoren die de overname van de culturele elementen
vergemakkelijken:
 Materiële aspecten van een cultuur worden makkelijker overgenomen dan nietmateriële.
 Culturele elementen diffusioneren het makkelijkst wanneer er tussen twee
maatschappijen al gedurende geruime tijd een zeker contact bestaat.
 Een niet zo sterke sociaal geïntegreerde maatschappij zal gemakkelijker culturele
elementen kunnen overnemen.
 Elementen van een vreemde cultuur die niet in conflict zijn met de dominerende waarden
in de gemeenschap, zullen gemakkelijker worden overgenomen dan elementen die daarmee
wel in conflict zijn.
*Late verdediger van de rol van diffusie in de wereldwijde overgang naar landbouwproductie
is Carter.
*Twee soorten van diffusie zijn mogelijk;
1. Rechtstreekse diffusie:
Grijpt plaats wanneer bevolkingsgroepen migreren en hun gebruiken in nieuwe locaties
voortzetten of wanneer objecten en materialen zich verspreiden.
2. Stimulusdiffusie:
Heeft betrekking op de verspreiding van ideeën.
*Aanhangers van de diffusietheorie besteden veel aandacht aan het aantonen van de
effectiviteit van de diffusie van het idee van landbouwproductie.
Want als landbouw geen voor de hand liggende grotere effectiviteit heeft, waarom zouden
jagers en verzamelaars die vorm van produceren overnemen?
*Een andere grote uitdaging is de verklaring van het ontstaan van landbouw in de Nieuwe
Wereld.
*Cartes vestigt hierbij de aandacht op het feit dat de laatpaleolithische mens over de
technologie beschikte om oceanen te doorkruisen.
*Diffusietheorieën vervullen nog altijd een belangrijke rol bij het verklaren van sociale
verandering.
OF enkel diffusieprocessen aan de basis liggen van de wereldwijde overgang naar
landbouwsamenlevingen wordt momenteel echter in twijfel getrokken.
*Als algemene verklaring voor de neolithische revolutie hebben diffusietheorieën, die stellen
dat landbouw een technologische innovatie is die in één cultureel dominant centrum
ontstaan is en zich van daaruit over de wereld verspreid heeft, afgedaan.
 Dit betekent NIET dat diffusieprocessen helemaal geen rol hebben gespeeld bij de
totstandkoming van landbouwsamenlevingen in sommige delen van de wereld.
*Waarom nemen samenlevingen landbouwproductie over, als de voordelen ervan niet voor
de hand liggen?
 Mogelijk omstandigheden: De toename van de bevolking en de druk die daardoor op de
omgeving ontstond.
*Belangrijk probleem met de diffusietheorieën
= Ze handelen niet over de sociale veranderingsprocessen zelf, maar alleen over de wijze
waarop die zich verspreid hebben.
= Ze zeggen ook weinig over de specifieke voorwaarden waaronder bepaalde elementen
zullen diffusioneren.
Grijs kader: Culturele diffusie: De introductie van arbeiderscoöperatieven in
Noord-Frankrijk (P.236-237)
*Zeker lezen!
3.4 De wereldsysteemtheorie van I. Wallerstein
*Werd in ontwikkeld in het begin van de jaren ’70 als reactie tegen de modernisatietheorie,
een in die tijd dominante verklaring voor de ontwikkeling van samenlevingen.
 Met betrekking tot landen uit de Derde Wereld ging de modernisatietheorie uit van de
veronderstelling dat die jonge naties zich in de premoderne fase van hun ontwikkeling
bevonden en dat het traditionele samenlevingen waren die pas tot volle economische
ontwikkeling zouden komen wanneer ze hun premoderne cultuur ontgroeiden.
 De Westerse Wereld was hen vooraf gegaan op dit pad van modernisatie en spoedig
zouden ze dezelfde historische weg gaan.
*Onderdeel van het modernisatiedenken was de convergentiehypothese.
 Stelt dat alle samenlevingen onder invloed van de industrialisatie met dezelfde
maatschappelijke problemen geconfronteerd worden, dat ze daar soortgelijke oplossingen
voor zullen vinden en op de lange duur meer en meer op elkaar zullen lijken.
*Vandaar de relevantie van het onderscheid tussen traditionele en moderne landen:
Gevolgen van de opkomst van een industriële economie leiden tot de opkomst van moderne
samenlevingen, ongeacht hun traditionele historische achtergrond.
*Na dekolonisatie was er eerder sprake van divergentie, dan van convergentie.
*Ter verklaring hiervan ontstond de Dependencia- of de afhankelijkheidstheorie.
 Die theorie wees de Zuid-Amerikaanse economische en culturele afhankelijkheid van
Noord-Amerika aan als de voornaamste oorzaak van de differentiële ontwikkeling van
beide samenlevingen.
*Onderontwikkeling en ontwikkeling waren geen verschillende fases in een proces van
modernisatie, maar twee zijden van één relatie van dominantie en onderwerping.
*Wallerstein heeft dit inzicht meer systematisch uitgewerkt.
 Hij stelde dat de relatie van ongelijke ruil en afhankelijkheid meer is dan een (bilaterale
of dyadische) verhouding tussen staten.
De relatie is volgens hem onderdeel van de kapitalistische wereldeconomie die aan de basis
ligt van een wereldsysteem van staten en een specifieke sociale organisatie heeft.
Die sociale organisatie heeft zowel een structurele als een dynamische component.
*Hij definieert een wereldsysteem als “een multiculturele, territoriale arbeidsdeling met één
systeem voor de productie en ruil van alle goederen en ruwe grondstoffen die noodzakelijk
zijn voor het dagelijks bestaan van zijn inwoners”.
*Verschillende soorten van wereldsystemen.
 Belangrijkste twee:
1. Wereldimperia.
Historische voorbeelden: Romeinse Rijk of de Sovjet-Unie.
2. Wereldeconomieën.
Voorbeeld: Kapitalistische wereldeconomie.
*Beiden zijn multicultureel, omdat ze verschillende culturen of samenlevingen overspannen.
*Beiden kennen één volledige arbeidsverdeling of economie.
 Alleen wordt wereldimperia echter gekenmerkt door één gemeenschappelijk politiek
systeem, terwijl het politieke systeem in een wereldeconomie gefragmenteerd is.
*Het politieke systeem van de huidige, kapitalistische wereldeconomie is het systeem van
nationale staten.
 Heeft zich ontwikkeld gedurende de laatste vier eeuwen en bestaat uit een kern, een
semiperiferie en een periferie.
*Kern:
 Goed ontwikkelde steden.
 Kapitaalintensieve en gedifferentieerde economische productie.
 Technologisch sterk ontwikkelde landbouw.
 Hoge arbeidslonen.
 Hoge arbeidsproductiviteit.
 Sociale klassevorming = Sterk uitgesproken.
 Staatsvorming is geslaagd.
*Periferie: Ontwikkeld tegenovergestelde kenmerken.
 Urban centra vergaan in sociale problemen.
 Economische productie = arbeidsintensief en weinig gedifferentieerd.
 Lonen en arbeidsproductiviteit = Laag.
 Staatsvorming en klassevorming verlopen moeizaam.
 Het economische belang van de periferie is grotendeels beperkt tot de beschikbaarheid
van ruwe grondstoffen en goedkope arbeidskrachten.
*Semiperiferie = Schemerzone tussen de kern en de periferie.
*Die wereldeconomie en het bijhorende systeem van staten zijn geen statische gegevens.
Sociale processen zorgen ervoor dat de posities van staten en regio’s in het wereldsysteem
kunnen wijzigen.
*Wallerstein erkent zowel een:
 Economische cyclus: Delokalisatie van bedrijven, van Bv. Westen naar China.
 Sociale cyclus: Reageert op de 1e. Bv.: Stakingen in China.
 Politieke cyclus: Bv.: De terugtrekking van de Amerikaanse troepen uit Irak.
*Deze cycli zorgen ervoor dat de posities van staten in het wereldsysteem wijzigen.
*De wereldsysteemtheorie is een krachtig instrument om de politiek-economische en
maatschappelijke processen te bestuderen die zich ontplooien in de wereld als geheel.
*Het denkkader dat Wallerstein heeft opgebouwd, geldt als een van de voornaamste
alternatieven voor de meer klassieke sociologische en economische modernisatietheorieën.
Ook in het huidige tijdperk van de versnelde globalisatie van samenleving en economie heeft
de theorie nog niet aan geldigheid moeten inboeten.
*Kritieken op de systeemtheorie van Wallerstein:
 Negatieve en pessimistische benadering van de invloed van internationale economische
verhoudingen.
 Te weinig aandacht voor andere dan economische factoren. Institutionele, politieke en
militaire determinanten van de machtsverhoudingen in het internationale systeem van
natiestaten worden stiefmoederlijk behandeld.
 Te weinig aandacht voor de enorme waaier van culturen, omdat hij te sterk de nadruk
legt op de dominante invloed van de cultuur van de kernlanden.
3.5 Theorie van de Sociale Hervormingsbeweging
1. Begripsomschrijving en studieveld:
*Het begrip ‘beweging’ is een abstractie.
*Het dekt een geheel van niet-geïnstitutionaliseerde praktijken en vertogen die tot doel
hebben sociale verandering teweeg te brengen m.b.t. bepaalde deelaspecten van de
samenleving.
*Sociale bewegingen zijn gebaseerd op praktijken en vertogen die niet algemeen bedeeld
worden door alle groepen in de samenleving.
 In veel gevallen worden sociale bewegingen tegengewerkt door de machthebbers.
*Per definitie zijn ze niet goed ingebed in de dagelijkse praktijk doordat ze een situatie
wensen te realiseren die nog niet bestaat.
*Sociale bewegingen moet een sociale basis hebben. Dit is het geheel van mensen dat
geacht wordt de beweging te steunen.
*De volgende aspecten zijn in de meeste sociale bewegingen aanwezig:
 Ontstaan binnen een specifiek geheel van historische, culturele en structurele
voorwaarden.
 Problemen in wat betreft de participatie betreft in de bewegingen.
 In zekere mate georganiseerd, het meest zichtbare aspect zijn de Social Movements
Organzations (SMO).
 Ze hebben altijd gevolgen, hoe minimaal ook.
2. Ontstaan van sociale bewegingen:
*In het verleden werden sociale bewegingen negatief benaderd. Men stelde dat
bewegingen ontstonden op het ogenblik dat er snelle sociale veranderingen plaatsvonden
of wanneer de maatschappelijke verhoudingen onder spanning kwamen te staan.
 Uiteindelijk gaat die zienswijze uit van een desintegratie van de sociale verhoudingen om
het ontstaan van sociale bewegingen te verklaren.
Bv.: De theorie van Blumer.
Grijs kader: Theorie van Blumer (P.241-242)
*Nu volgt korte samenvatting, maar zeker nog eens nalezen in boek!
*We bekijken de theorie van Blumer:
*Deze gaat uit van de veronderstelling dat sociale verandering afhankelijk is van de sociale
hervormingsbewegingen.
*Uitgangspunt is dat er zich een aantal personen bewust zullen worden van de noodzaak
van sociale vernieuwing wanneer de bestaande maatschappelijke organisaties of bepaalde
aspecten daarvan niet langer voldoen aan de behoeften.
*Één van de eerste fasen van een sociale hervormingsbeweging zal dus bestaan in het
spuien van nieuwe ideeën om zodoende het bewustzijn bij en de aanhang onder de massa
te vergroten.
 Eerste kern sociale beweging -> structurele eenheid met kenmerken van organisatie.
*De verandering die door een sociale beweging wordt bewerkstelligd, zal meestal het
karakter hebben van een vernieuwing in een welbepaalde sector en zal ook eerder
plaatsvinden in de niet-materiële cultuur.
 Normalerwijze zal een sociale beweging niet zo direct het karakter krijgen van een
revolutie.
*Macrosociologische en structurele determinanten
 Hedendaagse theoretici gaat uit van een positieve benadering. Sociale bewegingen
worden beschouwd als een andere manier om aan politiek te doen.
 Sommige onderzoekers bestuderen de structurele kenmerken van een samenleving die
aan de basis liggen van de opkomst van sociale bewegingen en het succes waarmee ze
bepaalde groepen kunnen mobiliseren.
*Voorbeeld van zo’n structureel kenmerk = Structurele distributie van politieke kansen.
 Verwijst naar de ontvankelijkheid of kwetsbaarheid van het politieke systeem voor
georganiseerd protest.
*Tweede relevant voorbeeld = Afwezigheid van repressie.
 De pogingen om bewegingen hardnekkig de kop in te drukken, leiden tot een toename
van ontevredenheid en tot een versterking van het protest.
*Derde voorbeeld = Aanwezigheid van al bestaande organisaties.
 Bestaande organisaties bieden een netwerk aan dat kan worden gebruikt om te
mobiliseren.
*Vierde voorbeeld = Omvang van de staatsinmenging in de privésfeer.
 Die kan aanleiding geven tot het ontstaan van zogenaamde ‘nieuwe sociale bewegingen’.
 Structurele veranderingen brachten de staat ertoe zijn controle uit te breiden tot
domeinen die vroeger tot de privésfeer behoorden. Die domeinen werden daardoor
onderdeel van het publieke domein en voorwerp van openlijk conflict.
 Nieuwe sociale bewegingen proberen die gebieden opnieuw van de staat afhandig te
maken.
*De strategie die SMO’s volgen is afhankelijk van het politieke systeem waarin ze
functioneren.
 Éénpartijstaat: Clandestien.
 Tweepartijensysteem: Belangengroepen.
 Meerpartijenstelsel: Omvorming van een SMO tot een nieuwe politieke partij.
*Structurele factoren bieden echter geen volledige verklaring voor ontstaan van sociale
bewegingen.
*Meso- en microsociologische determinanten en betekenissystemen
 Sociale bewegingen ontstaan omdat mensen klachten hebben of het oneens zijn met de
gang van zaken.
 Voordat ontevreden mensen tot actie overgaan, moet er een herdefinitie komen van een
situatie als ‘onjuist en onveranderlijk’ naar ‘onjuist en veranderlijk’.
 Aanvankelijk wees men op eerder ongewenste factoren als motoren voor participatie in
sociale bewegingen.
*Later werden die theorieën vervangen door de inzichten uit het rational choice paradigma.
 Participatie omdat men verwacht dat de winsten groter zijn, dan de investeringen die ze
moeten doen.
*Anderen wijzen dan weer op het belang van de kenmerken van sociale netwerken waartoe
men behoort ter verklaring van de bereidheid tot sociaal activisme. Sociale bewegingen
hebben immers de neiging om hun leden te rekruteren uit bestaande netwerken.
Bv.: Familie, vrienden, collega’s, etc.. MAAR deze kunnen ook een negatieve invloed
uitoefenen op deelname aan sociale bewegingen.
*Organisaties zijn een belangrijk element in het mobiliseren van voldoende materiaal/steun
opdat de beweging het hoofd zou kunnen bieden aan de uitdagingen waarvoor ze staat.
*Bewegingsorganisaties worden gekenmerkt door de wijze waarop machtsuitoefening
plaatsvindt.
 Op gecentraliseerde of gedecentraliseerde wijze.
 Machtsuitoefening via een celstructuur behoort ook tot de mogelijkheden.
 Basis waarop autoriteit gebaseerd is, kan zowel rationeel-legaal, traditioneel als
charismatisch zijn.
*Organisaties zijn gedifferentieerd en hebben een zekere arbeidsverdeling.
*De gevolgen van een sociale beweging voor de samenleving
 De gevolgen van een sociale bewegingen kunnen niet eenvoudig worden ingeschat. De
effecten kunnen pas na verloop van tijd tot uiting komen, zodat het moeilijk wordt ze te
identificeren.
 Algemeen kan men stellen dat sociale bewegingen eerder culturele, dan structurele
veranderingen teweegbrengen.
Een gewijzigde attitude leidt dus niet noodzakelijk tot een structurele verandering.
Bv.: Gelijkrechtigheid bij vrouwen.
*Welke factoren beïnvloeden de graad van succes van een sociale beweging?
 Belangrijk element in de bijdrage tot succes = Passend herinterpreteren van het probleem
dat men wenst aan te pakken.
3. Revoluties:
3.1 Begripsomschrijving:
*Theda Skocpol definieert revolutie als: “Een geheel van sociale processen waarbij politieke
conflicten én veranderingen in de verhoudingen tussen sociale klassen centraal staan.”
*Die processen leiden tot snelle, fundamentele en gewelddadige veranderingen in het
geheel van de dominante waarden en mythen van een samenleving en ook in de politieke
instituties, de sociale structuur, het leiderschap en het overheidsbeleid.
*Revoluties brengen uiteindelijk een totale maatschappelijke verandering teweeg.
*In de wereldgeschiedenis kwamen maar weinig dergelijke ingrijpende veranderingen voor.
*Sociale revoluties moet men onderscheiden van rebellie en staatsgrepen.
*Rebellie:
 Heeft betrekking op de opstand van ondergeschikte klassen.
 Opstanden zijn dan meestal gericht op een verbetering van de leefvoorwaarden, maar
geen totale maatschappelijke verandering teweeg.
*Staatsgreep:
 Vervangt leiderschap van een staatsstructuur, maar wijzigt de maatschappelijke
verhoudingen niet ingrijpend.
*Een politieke revolutie wijzigt wel drastisch het politieke systeem, maar laat de sociale
verhoudingen meestal ongemoeid.
*Kenmerkend voor een sociale revolutie = Dat drastische wijzigingen in de politieke
structuur en in de sociale structuur elkaar beïnvloeden.
3.2 Verklaring
*We kunnen twee groepen verklaringen onderscheiden:
1. Sociaalpsychologische.
2. Sociaalstructurele.
*Sociaalpsychologische leggen de klemtoon van de verklaring op gemoedsgesteltenissen.
Men stelt centraal hoe mensen die processen ervaren.
*James C. Davies: Revoluties komen voor wanneer na een lange periode van objectieve
economische en sociale ontwikkeling er een periode van scherpe terugval is.
*De ontevredenheid over het niet voortzetten van een trend leidt tot politieke strijd en
revolutie. Soms wordt die situatie aangeduid als uiting van de ‘wet van de rijzende
verwachtingen’.
*Het bovenstaande verklaringsmodel onderbelicht de relevantie van sociale condities en
structurele verhoudingen.
*Sociaalstructurele verklaringen wijzen zowel op het belang van externe, als van interne
factoren.
 Zo benadrukken ze de relaties tussen een staatselite, de groepen die de
staatsorganisaties onder controle hebben en andere maatschappelijke elites.
*Ook de internationale context wordt niet uit het oog verloren.
 Staten met een slecht functionerende economie zijn kwetsbaar voor militaire nederlagen
of voor financiële crisissituaties. Die kwetsbaarheid maakt dat de elites sterker steunen op
de andere maatschappelijke groepen. Die groepen proberen hun toegenomen
‘onmisbaarheid’ om te zetten in nieuwe machtsaanspraken die aanleiding kunnen geven tot
revolutionaire situaties.
 Men gaat er dus van uit van landen die het niet goed doen in het internationale
statensysteem het meest kwetsbaar zijn voor sociale revoluties.
*Ook de verspreiding van het kapitalisme kan als een belangrijke factor beschouwd worden.
*Kapitalisme bracht een herschikking mee van economische machtsverhoudingen.
*De nieuwe economisch winnaars probeerden hun nieuwe machtssituatie om te gebruiken
om hun financiële bijdrage tot de staat te verminderen.
*Anderzijds leidde kapitalisme tot de verarming van grote groepen mensen.
*De strijd tussen de oude en de nieuwe elites voor de controle over het staatsapparaat en
hun zoektocht naar coalitievorming met andere bevolkingsgroepen, om die controle over
de staat te legitimeren en hun autoriteit of gezag te vestigen, bepaalt binnen een omgeving
van interstatelijke competities het verloop van revoluties.
*Samenvattende theorie over ontstaan revoluties = Door Goldstone geformuleerd.
*Het in elkaar stuiken van staten verklaart hij a.d.h.v. 3 componenten:
1. Fiscale spanning.
De onmogelijkheid van de staat om de staatsambtenaren en de militairen te betalen.
2. Conflict tussen heersende elites.
Leidt tot de onmogelijkheid om adequaat te reageren.
3. Volksopstand.
Gaat samen met de bovenvermelde processen en leidt tot de vernietiging van de staat, maar
ook tot het instellen van nieuwe machtscentra.
*Volgens Goldstone moeten deze 3 componenten aanwezig zijn voordat een volledige
desintegratie van de staat mogelijk is!
4. Slotbeschouwing
*Zeker lezen, want het is een mooie samenvatting van het hoofdstuk!
Download
Random flashcards
fff

2 Cards Rick Jimenez

mij droom land

4 Cards Lisandro Kurasaki DLuffy

Create flashcards