WORD, 45 KB

advertisement
B en W. M/12.1282 d.d. 14-12-2012
Onderwerp
Technisch erratum op raadsvoorstel 12.0105 Publieksparticipatie in Leiden
Besluiten:
1. Bijgaand technisch erratum op voor raadsvoorstel 12.0105 Publieksparticipatie in Leiden
vast te stellen en de raad voor te stellen dit erratum te betrekken bij de behandeling van
genoemd voorstel.
Behoudens advies van de c ommissie
Perssamenvatting:
Naar aanleiding van de behandeling van het voorstel in de commissie Leefbaarheid en
bereikbaarheid d.d. 12-12-12 wordt voorgesteld om een aantal wijzigingen aan te brengen in
de participatie- en inspraakverordening 2012.
ERRATUM
2012.
Nr.
:
12.0105.
Publieksparticipatie in Leiden.
Leiden, datum B&W-vergadering.
Naar aanleiding van de behandeling van het voorstel in de commissie Leefbaarheid en
bereikbaarheid d.d. 12-12-12 wordt voorgesteld om in artikel 2 een onderscheid te maken
tussen inspraak en participatie. In artikel 2 lid 3 wordt aangegeven wat wordt uitgesloten van
participatie en in artikel 2 lid 4 worden de uitsluitingen voor participatie weergeven. Voor de
begroting wordt inspraak uitgesloten, maar participatie niet.
Wij stellen voor om artikel 2 als volgt te laten luiden:
Artikel 2 Onderwerp van participatie of inspraak
1. Burgemeester en wethouders besluiten ten aanzien van de uitoefening zijn eigen
bevoegdheden in een concreet geval of en op welke wijze gebruik wordt gemaakt
van participatie en/of inspraak.
2. Inspraak wordt in elk geval verleend indien de wet daartoe verplicht en participatie
en/of inspraak kan worden verleend wanneer het redelijkerwijze is te verwachten
dat er belanghebbenden zijn bij de voorbereiding van een beleidsvoornemen.
3. Geen inspraak wordt verleend:
a. indien inspraak bij of krachtens de wet is uitgesloten;
b. indien sprake is van beleidsvoornemens op basis van de reguliere of
uitgebreide procedure als bedoeld in de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht;
c. indien sprake is van uitvoering van regelingen van hogere overheden
waarbij van enige beleidsvrijheid geen sprake is;
d. ten aanzien van ondergeschikte herzieningen van een eerder
vastgesteld beleidsvoornemen;
e. ten aanzien van een beleidsvoornemen dat rechtstreeks voortvloeit uit
een beleidsvoornemen waarover reeds participatie of inspraak heeft
plaatsgehad en dat tijdens deze participatie of inspraak het
beleidsvoornemen redelijkerwijs te voorzien was;
f. indien in een eerder stadium reeds participatie of inspraak op het
beleidsvoornemen is verleend, tenzij de afwijking naar aard en omvang
in een later stadium ten opzichte van voornoemd beleidsvoornemen
zodanig zijn dat een geheel ander beleidsvoornemen is ontstaan;
g. ten aanzien van de begroting en de hoogte van belastingen en tarieven;
h. ten aanzien van een beleidsvoornemen dat uitsluitend of hoofdzakelijk
betrekking heeft op interne of organisatorische aangelegenheden van
de gemeente.
4. Geen participatie wordt verleend:
a. indien sprake is van beleidsvoornemens op basis van de reguliere of
uitgebreide procedure als bedoeld in de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht;
b. indien sprake is van uitvoering van regelingen van hogere overheden
waarbij van enige beleidsvrijheid geen sprake is;
c. ten aanzien van ondergeschikte herzieningen van een eerder
vastgesteld beleidsvoornemen;
d. ten aanzien van een beleidsvoornemen dat rechtstreeks voortvloeit uit
een beleidsvoornemen waarover reeds participatie of inspraak heeft
plaatsgehad en dat tijdens deze participatie of inspraak het
beleidsvoornemen redelijkerwijs te voorzien was;
e. indien in een eerder stadium reeds participatie of inspraak op het
beleidsvoornemen is verleend, tenzij de afwijking naar aard en omvang
in een later stadium ten opzichte van voornoemd beleidsvoornemen
zodanig zijn dat een geheel ander beleidsvoornemen is ontstaan;
f. ten aanzien van een beleidsvoornemen dat uitsluitend of hoofdzakelijk
betrekking heeft op interne of organisatorische aangelegenheden van
de gemeente.
5. Een besluit om van participatie of inspraak af te zien dient te allen tijde gemotiveerd
te geschieden.
In artikel 4 lid 1 wordt gesproken over het participatieproces. In de commissie is aangegeven
dat ten opzichte van het initiatiefvoorstel artikel 4 lid 1 sub i en j niet zijn overgenomen.
Sub i en j luidden in het initiatiefvoorstel als volgt:
i.
de wijze en het tijdstip waarop burgemeester en wethouders reageren op de uitkomsten van het
participatieproces;
j.
de begroting van de kosten van het participatieproces.
Wij hebben gemeend dat zowel sub i, als sub j, zijn ondergebracht in artikel 4 lid 1 d. Dit
artikel luidt als volgt:
d.
de inhoudelijke, financiële, procedurele en overige kaders voor de participatie en de wijze waarop deze
kaders vooraf met de deelnemers worden gecommuniceerd;
Niettemin worden voor alle duidelijkheid de artikelen i en j toegevoegd.
Wij stellen voor artikel 4 lid1 als volgt te wijzigen:
Artikel 4 Participatieproces
1.
Burgemeester en wethouders stellen bij de start van elk participatieproces een
startdocument vast. Daarin wordt expliciet besloten over in ieder geval de volgende
punten:
a. een duidelijke omschrijving van het onderwerp van het participatieproces;
b. het doel van de participatie;
c. het niveau van de participatie, waarbij een keuze wordt gemaakt uit: raadplegen,
adviseren of coproduceren;
d. de inhoudelijke, financiële, procedurele en overige kaders voor de participatie en
de wijze waarop deze kaders vooraf met de deelnemers worden
gecommuniceerd;
e. de schaal waarop het participatieproces speelt;
f. wie de deelnemers zijn van het participatieproces;
g. de wijze en het tijdstip waarop de deelnemers hun inbreng kunnen leveren;
h. de wijze en het tijdstip waarop burgemeester en wethouders reageren op de
uitkomsten van het participatieproces
i. de wijze en het tijdstip waarop burgemeester en wethouders reageren op de
uitkomsten van het participatieproces;
j. de begroting van de kosten van het participatieproces.
Daarnaast is in de commissie aangegeven dat dat artikel 4 lid 4 als overbodig wordt ervaren.
In artikel 4 lid 4 wordt aangegeven dat de raad dient te worden geïnformeerd over het
procesbesluit dat aan de participatie vooraf gaat. In artikel 4 lid 2 wordt aangegeven dat het
college van B&W voorafgaand aan de start van een participatieproject dit voornemen bekend
maakt aan een op de voor dat proces geschikte wijze. Hierin wordt ook de wijze van
informeren van de raad opgenomen. Derhalve kan inderdaad artikel 4 lid 4 komen te
vervallen.
In de algemene toelichting zou gelezen kunnen worden dat als er sprake is van inspraak er
geen participatie mogelijk is. Dat is niet de bedoeling, naast officiële inspraak is het wel
degelijk mogelijk dat er een participatietraject wordt doorlopen.
Voorgesteld wordt alinea 7 van de eerste pagina van de algemene toelichting aan te vullen.
Deze alinea zal dan luiden als volgt:
Bij de verwerking van het initiatiefvoorstel in de inspraakverordening is getracht om
een ongewenste samenloop van een participatieproces en een inspraakprocedure over
eenzelfde beleidsvoornemen te voorkomen.
Uitgangspunt is daarbij geweest dat wanneer bij de start van de voorbereiding van een
besluit al vast staat dat inspraak wettelijk verplicht is, dat daarmee bij het bepalen van
de omvang van het participatieproces rekening wordt gehouden. Omgekeerd geldt ook
dat wanneer gekozen is voor een participatieproces het niet in de rede ligt om ook nog
eens bovenwettelijke inspraak mogelijk te maken.
Bij aanvang van een traject zal een plan voor het participatieproces worden opgesteld;
hierbij wordt wettelijke inspraak en adviesrecht van bestaande adviesorganen als
uitgangspunt genomen. Gekoppeld aan het te doorlopen beleids- of uitvoeringstraject
wordt dan bezien of, en zo ja, waar in het proces er nog sprake kan zijn van
aanvullende participatie en op welke wijze deze dan ingevuld gaat worden (welke
belanghebbenden, welke onderwerpen, welke participatievorm).
Download