1936 ? Humanisme Intégral van Jacques Maritain

advertisement
___________________________________
___________________________________
Het religieus humanisme van Jacques Maritain (1882-1973)
Hendrik Opdebeeck — UFSIA
Jacques Maritain1 was actief in verschillende
filosofische richtingen zoals de metafysica, de
ethiek, de esthetica en de kennisleer. Vooral zijn
politiek-sociaal oeuvre is bekend. In dit gebied
publiceerde hij onder meer Religion et Culture
(1930), Du Régime Temporel et de la Liberté
(1933), Christianisme et démocratie (1943), Principes d'une politique humaniste (1944), La personne et le bien commun (1947), L'homme et l'Etat
(1953) en Humanisme Intégral (HI2) (1936).
Essentiëel voor het christelijk denken is volgens
Maritain dat de mens persoon is: “geestelijke
natuur met keuzevrijheid begaafd en aldus
autonoom ten opzichte van de wereld” (HI 18), met
name ten opzichte van de omgevende natuur en de
staat.
Dat -zoals reeds uit de ethische ervaring blijktde aspiraties van de vrije persoon zich richten naar
wat de mens overstijgt, is niet zomaar een minder
essentiële, historische vorm van het christendom.
Zoals Blondel veertig jaar eerder zorgvuldig
beargumenteerde, gaat ook Maritain ervan uit dat
de finaliteit van de vrijheid bestaat in het
natuurlijke godsverlangen.
Maritain stelt in zijn cultuuranalyse dat het
middeleeuwse christelijke erfgoed, gezien zijn
gemis aan reflectie, ten tijde van de moderniteit wel
moest ten prooi vallen aan “het ongelukkige
bewustzijn” (HI 82). Omdat het eindpunt van het
wilsdynamisme in Maritains overtuiging slechts
God kan zijn, interpreteert hij het moderne humanisme dat zich daarvoor afsluit, als tragisch. Hoewel het enige alternatief voor Maritain een religieus
humanisme is, toont hij alle begrip voor zijn
tijdgenoten die hun leven in dienst stellen van
idealen die hen radicaal overstijgen, d.i. in dienst
van “de God wiens naam ze niet langer kennen”
(HI 72). Toch stelt hij hen een nieuw christelijk
humanisme voor. Zijn humanisme erkent niet
alleen de fouten die tegen de mensheid begaan
werden uit naam van de christelijke God, maar
maakt ook de nodige onderscheidingen tussen de
profane (politieke en sociale) sfeer en het
geloofsdomein waaruit christenen hun inspiratie
putten om zich te engageren binnen het profane
domein.
Dit christelijk humanisme van Maritain dient
duidelijk begrepen te worden in het licht van de
tijdgeest waarin Humanisme Intégral verscheen. De
Franse katholieken waren ontredderd. Zij leefden in
een staat die zich beriep op zijn laïciteit om het
geloof te verbannen. Zij baadden in een cultuur die
als geseculariseerde cultuur, vijandig stond ten
opzichte van het katholiek geloof…. Volgens Leo
XIII hadden de katholieken daarom de legitieme
aspiraties te erkennen van wat Pius X in de
encycliek Pascendi (1907) zou veroordelen als het
modernisme. Leo XIII gaf de katholieken in de
encycliek Aeterni Patris (1879) de raad om zich bij
dit denkwerk te laten inspireren door de
wijsbegeerte van Thomas van Aquino. De oproep
was in kerkelijke middens de aanzet voor heel wat
Thomasstudie.
In deze lijn stichtte kardinaal Mercier het
Institut Supérieur de Philosophie te Leuven en
figuren zoals F. Van Steenbergen verstonden onder
filosofie de wijsbegeerte van Thomas. Een echo
van deze oproep was in de Sorbonne te horen, waar
E. Gilson benoemd werd op een nieuwe leerstoel
van middeleeuwse wijsbegeerte.
In het hoofdstuk met als titel “de spirituele houding
van Thomas van Aquino en de cultuurfilosofie” (HI
211) heeft Maritain deze weerklank van Thomas
verwerkt. Thomas stond open voor de grote
culturele innovatie uit zijn tijd, nl. de heidense
metafysica van Aristoteles. Hij integreerde dit
gedachtegoed in zijn christelijke synthese. Zo ook
dient, volgens Maritain, de neothomist open te
staan voor het moderne gedachtegoed.
Dat is nu precies de taak die hij zichzelf stelt in
_______________________________________________________________________________________
Ethische perspectieven 10 (2000)4, p.243
___________________________________
Humanisme Intégral: het moderne gedachtegoed
integreren in een hernieuwde christelijke synthese.
In deze publicatie van Maritain komen drie
parallellen aan het licht met het ideeëngoed van
Leo XIII: (l) het humanisme moet bevrijd worden
uit zijn tragische neiging om zich op zichzelf (laïc)
te richten -volgens Maritain dringt zich een
realisme op (hfst. I en II van het boek); (2) de
moderne politieke staatsinstelling moet op haar
terrein het bonum commune bewerkstelligen met de
medewerking van alle burgers (hfst. III en IV); (3)
het sociaal probleem moet in correcte termen aan
de orde worden gesteld (hfst. V e.v.).
1. Een realisme
Maritain leek aanvankelijk alles behalve voorbestemd om in de dertiger jaren de woordvoerder te
worden van de Franse katholieken. Van liberaalprotestantse huize werd hij onder invloed van het
sciëntisme atheïst. Maar Bergson wiens colleges hij
volgde, had hem doen inzien dat de rede niet kon
gereduceerd worden tot exact wetenschappelijke
inzichten in de werkelijkheid. Niettemin hield
Maritain vast aan het primaat van de objectiviteit.
De wetenschap heeft zich te onderwerpen aan en te
richten op de werkelijkheid. Maritains positie
getuigt aldus van een soort thomistisch realisme.
Voortbouwend op Aristoteles' intellectualisme
kende ook Thomas van Aquino een primaat toe aan
de objectieve orde van de werkelijkheid.
Aan het thomisme ontleende Maritain de overtuiging dat de vraagstelling van de moderne bewustzijnsfilosofie die het subject centraal stelde,
een idealistische ontsporing inhield. Ten grondslag
aan het idealisme ligt immers de overtuiging dat het
subject een constitutieve rol speelt in de manier
waarop de wereld verschijnt. Voor Maritain
betekende deze bewustzijnsfilosofie dan ook dat de
mens afgesneden werd van de transcendentie.
Vandaar zijn terugkeer naar een onafhankelijke
ontische orde waarvan de mens deel uitmaakt en
waardoor hij overstegen wordt.
Eenzelfde reactie tegen het idealisme en het
subjectivisme herkende Maritain in het marxisme
___________________________________
en meer bepaald in het dialectisch materialisme.
Bovendien zag hij in deze methode, die de maatschappelijke ontwikkelingen op een objectieve
wijze wil beschrijven, een uitdrukking van het
sciëntisme waarvan hij het primaat van de objectiviteit nooit heeft opgegeven. Aldus was zijn
belangstelling voor het marxisme niet alleen door
een sociale bewogenheid gemotiveerd. Maar het
humanisme dat het marxisme nastreefde, was
atheïstisch. Om dit doel te bereiken maakte het
volgens Maritain gebruik van christelijke reflexen
die aan het verwateren waren. Omwille van deze
laatste evolutie kon het zich verzetten tegen het
christendom. Het wilde daarom komaf maken met
de “leugen van de hogere ideeën” en opteerde voor
een absoluut realistisch immanentisme. Alle
waardevolle doeleinden maakte het marxisme
afhankelijk van de analyse van de materiële conjunctuur.
In termen van Aristoteles werd de materiële
causaliteit op deze wijze de eerste oorzakelijkheid
(cf. HI 60). Door het dynamisme van de hegeliaanse dialectiek te enten op de materie stelde Marx
dat de dynamiek van het economisch proces zou
leiden tot de heerschappij van de rede en tot het
uitschakelen van irrationele menselijke slavernij.
Hiervoor moest het proletariaat aan de macht
komen. God werd niet langer in naam van de
menselijke persoon ontkend -zoals dit het geval
was bij het rationalistisch humanisme- doch in
naam van de collectieve mens in wie de menselijke
natuur haar voltooiing moest vinden.
Tegenover dit soort humanisme stelde Maritain,
zoals reeds aangegeven, een christelijk humanisme
waarbij niet de God van de filosofen erkend werd,
maar de God van Abraham, van Isaac en van Jakob.
De christen kreeg volgens de auteur als taak de
tijdens vier eeuwen vervormde 'humanistische'
waarheden te redden. De mens werd niet miskend
door God en hij hoefde zich niet af te zetten tegen
God. De mens werd gerespecteerd in zijn
verhouding tot God.
2. Een bonum commune
_______________________________________________________________________________________
Ethische perspectieven 10 (2000)4, p.244
___________________________________
Het autonoom gezag van het politieke bestel is een
tweede grote aandachtspunt in Humanisme
Intégral. Het betreft hier de nieuwe politieke
structuren zoals ze vanuit de Franse Revolutie naar
voren kwamen. Deze werden gekenmerkt door een
radicale laïciteit, waarbij de godsdienst verbannen
werd naar de privé-sfeer. Als christelijk antwoord
op deze situatie diende men volgens Maritain het
thomisme als metafysisch inzicht in eeuwige
waarheden te ontkoppelen van de middeleeuwse
visie op het politieke leven. In tegenstelling tot zijn
realistisch standpunt zat Maritain hier dus wel in
het spoor van de moderniteit. Conform aan
Aristoteles formuleerde hij het politieke als een
autonome sfeer met haar eigen wetten. Doch, zoals
Thomas in de lijn van Augustinus, stelde Maritain
dat de mens in zijn persoonswaarde niet gebonden
is aan een politieke instelling die absolute
aanspraken zou laten gelden. Alleen God is
soeverein. Maritain verwierp dan ook iedere vorm
van totalitarisme. Een democratische staat
respecteert de vrijheid van de persoon binnen het
algemeen welzijn of het bonum commune
waarvoor de staat verantwoordelijk is. Vanuit deze
visie is het begrijpelijk dat Maritain zich verzette
tegen Charles Maurras van l'Action Française die
vanuit
monarchistische
nostalgie
extreem
nationalistische en anti-democratische stellingen
verdedigde.
Toch bestaat het doel van de christen er volgens
Maritain niet in om via de tijdelijke orde van deze
wereld zelf het Koninkrijk Gods te maken. Het
komt er eerder op aan van deze wereld een
menselijke plek te maken. Helaas staken volgens
Maritain in de wereld de gebreken meer de kop op
dan het menselijk streven naar het goede. Dit komt
tot uiting in het kapitalistisch bestel. Het
mechanisme van het kapitalisme is in wezen niet
slecht en onrechtvaardig, zoals Marx dacht. Toch is
het zo dat de drijfkracht achter dit mechanisme
meer en meer de ontbinding van het sociale weefsel
tot gevolg heeft en de arme uitsluit: “De objectieve
geest van het kapitalisme is er één die de actieve en
creatieve vermogens evenals het dynamisme van de
mens en de individuele initiatieven stimuleert, doch
___________________________________
het is een geest die de armoede haat en de armen
veracht; de arme bestaat slechts als productiemiddel
met het oog op de opbrengst, niet als persoon.” (HI
122)
Daarom wilde Maritain een concreet historisch
ideaal van een nieuwe christenheid uitwerken.
Maritain zag drie wezenlijke kenmerken voor zijn
historisch ideaal van de tijdelijke orde.
Allereerst staat het gemeenschapsaspect centraal:
het eigenlijk doel van de tijdelijke orde is dus meer
dan de simpele optelling van de individuele
belangen. Het betreft het goede leven van de hele
gemeenschap -het bonum commune- en dit zowel
op materieel als op moreel vlak.
Vervolgens is dit tijdelijke bonum commune niet
het uiteindelijke doel, maar is het ondergeschikt aan
het boventijdelijk welzijn (le bien intemporel) van
de menselijke persoon: het verwerven van vrijheid
en geestelijke volmaaktheid. Het betreft dus een
personalistische visie op de tijdelijke orde. Het
tijdelijke bonum commune dat in een gegeven orde
doel op zich is, is uiteindelijk toch intermediair of
ondergeschikt tegenover het ultieme doel van de
mens (cf. HI 140). Men botst hier dus op de
antinomie die aan het tijdelijke leven van de mens
haar typische spanning geeft:
enerzijds zijn de menselijke personen ondergeschikt aan het gemeenschappelijk werk dat voltooid
moet worden, anderzijds staat hetgeen het meest
typisch is voor de menselijke persoon, zijn eeuwige
roeping, boven het gemeenschappelijke.
Tenslotte is deze tijdelijke orde nooit af, nooit is het
definitief evenwicht bereikt, men is steeds
onderweg.
3. Een sociaal programma
Maritains aandacht in Humanisme Intégral voor het
sociale probleem heeft opnieuw betrekking op zijn
belangstelling voor het marxisme. Marx'
aanhangers in Frankrijk en elders waren verenigd in
de communistische partij. Ze waren actief in de
strijd tegen het sociaal onrecht. Een ommekeer in
Stalins buitenlandse politiek leidde ertoe dat ze
gingen zoeken naar medestanders voor een alter-
_______________________________________________________________________________________
Ethische perspectieven 10 (2000)4, p.245
___________________________________
natieve politieke meerderheid. Het is opmerkelijk
dat precies in de maand april van het jaar 1936,
waarin Humanisme Intégral verschijnt, de Franse
communist Maurice Thorez in een radiotoespraak
een oproep deed om een hand te reiken naar de
katholieken in Frankrijk.
Volgens personaliteiten als een Léon Blum of
een kardinaal Liénart van Lille konden katholieken
toch samenwerken met communisten met het oog
op het realiseren van waardevolle sociale
doeleinden, niettegenstaande ook volgens hen het
christendom en het communisme onverenigbaar
zijn. Liénart stelde in 1935 dat er niet meer sprake
kon zijn van een rechtse katholieke politiek dan van
een linkse katholieke politiek. Katholieken dienen
boven elke vorm van partijpolitiek te staan en
samen te werken. In dit perspectief was
medewerking met het Front Populaire, een coalitie
van Franse linkse politieke partijen, niet uitgesloten. Ook konden katholieke arbeiders zich achter
de fabrieksbezettingen van mei en juni 1936
scharen.
Een en ander blijkt tevens uit de sociaal-politieke standpunten zoals men die terugvindt in het
weekblad Sept waarin Maritain regelmatig een
essay publiceerde. In Humanisme Intégral zijn een
aantal van deze essays opgenomen. Nieuw-linkse
katholieken rond Esprit stelden dat het christendom
een belangrijke aanvulling kon zijn voor het
communisme. Op deze wijze zou een levensvatbare
revolutionaire beweging mogelijk worden die het
communisme oversteeg. Ook Maritain kent aan het
christelijke denken een groot integrerend vermogen
toe (HI 102) terwijl er onder Franse katholieken in
principe een zeer sterke reserve tegenover Marx en
het communisme bestond -reserve die te maken had
met de pauselijke veroordeling van het
communisme, reeds voor de encycliek Divini
Redemptoris van 1937. Emmanuel Mounier,
uitgever van Esprit, drukte echter in Révolution
personnaliste et communautaire zijn bewondering
uit voor de marxistische analysemethode. Bij Marx
vond Mounier een diagnose van veel christelijke
tekortkomingen. Tezelfdertijd had Mounier veel
kritiek op de eenzijdigheid bij Marx en op diens
___________________________________
totalitaire trekken. Daniël Rops, die zich samen met
Maritain aansloot bij het blad Sept, waardeerde
eveneens de marxistische kritiek “op een zekere
vorm van idealisme”, maar verzette zich tegen de
verwerping van de menselijke eigendom. Volgens
Rops kwam het er eerder op aan naar een billijke
verdeling van de eigendom te zoeken.
Maritain, die het werk van Marx goed leerde
kennen, heeft in Humanisme Intégral naast kritiek
ook waardering voor diens sterke intuïtie omtrent
de vervreemding in de moderne kapitalistische
samenleving, “de grote vonk van waarheid die
doorheen gans zijn oeuvre loopt” (HI 55). Maritain
pleit daarenboven voor een eigendomsstructuur
waar naast privé-bezit ook staatsparticipatie ingebouwd wordt om de menselijke persoon niet over
het hoofd te zien. In de lijn van Thomas dient het
gebruik van individueel verworven goederen ten
goede te komen aan het gemeenschappelijk goed
van allen. Om aan iedereen de voordelen van het
privaat bezit te garanderen, opteert Maritain echter
niet voor een communistische staat doch voor meer
mede-eigendom en participatie bij het beheer van
de bedrijven: “Het gaat er niet om het privé-belang
af te schaffen, maar wel het uit te zuiveren en te
verbeteren; het in te schakelen in sociale structuren
die het algemeen belang behartigen, en ook (en dit
is het belangrijkste aspect), het privé-belang intern
om te vormen in een geest van eenheid en
broederlijke vriendschap.” (HI 192) Op deze wijze
worden werknemers ook veel meer gemotiveerd,
wat vaak een groot probleem is in een
collectivistische economie.
De gezamenlijke revolutie die de katholieke
intellectuelen met de communisten wilden opzetten
was bedoeld tegen het kapitalisme en het economisch liberalisme. Katholieke intellectuelen als
Maritain zagen het vooral als hun taak de aangekondigde anti-kapitalistische revolutie van het
Front om te buigen in een revolutie die in de lijn
zou liggen van de katholieke sociale leer, zoals die
terug te vinden is in Rerum Novarum en Quadragesimo Anno. Maritain stelt zeer duidelijk dat
een liquidatie van het kapitalistisch stelsel noodzakelijk is om een adequate temporele orde mo-
_______________________________________________________________________________________
Ethische perspectieven 10 (2000)4, p.246
___________________________________
gelijk te maken. Een radicale verandering is hiervoor nodig, zowel op materieel als op moreel vlak.
Vandaag is alles onderworpen aan een criterium dat
buiten de mens ligt: de wetten van de materiële
productie, van de dominantie van de techniek over
de natuur en van het doen renderen van het geld.
Maritain wijst op de noodzaak van een zekere
soberheid in de economie, wil men tot welzijn voor
ieder komen. Hij heeft het in een voetnoot over de
noodzaak van 'een zekere armoede': “Maar zelfs
zonder te spreken over de grote problemen die de
vooruitgang van de wetenschap en van de techniek
met zich zullen meebrengen door de noodzaak aan
mankracht te verminderen en het risico op
werkloosheid te verhogen, is het zo dat wanneer
iedereen over een deel van de overvloed beschikt,
dit voor ieder zal neerkomen op een relatieve
armoede, waarbij er wel voldoende zal zijn maar
waarbij luxe moeilijk zal zijn.” (HI 15) Volgens
Maritain zou een zekere persoonlijke armoede juist
tot gemeenschappelijke overvloed leiden.
Fundamenteler is de vraag op welke manier men
de techniek, de machine en de industrie ondergeschikt kan maken aan de mens. In tegenstelling tot
Marx gelooft Maritain niet dat de wetenschap hier
een uitweg biedt: de techniek dient zich te richten
naar een ethiek van de persoon. Men moet
fundamenteel kiezen tussen ofwel een essentieel
industriële beschaving ofwel een essentieel menselijke beschaving. Volgens Maritains personalisme
is het duidelijk dat de industrie een instrument is en
de mens het doel: “de industrie is in feite maar een
instrument en dus afhankelijk van wetten die ze niet
zelf heeft ontworpen.” (HI 199). Daarom geeft
Maritain duidelijk voorrang aan de kwaliteit boven
de kwantiteit, aan de arbeid boven het geld, aan het
menselijke boven de techniek, aan de wijsheid
boven de wetenschap, aan de gemeenschappelijke
dienst van de menselijke personen boven de individuele hebzucht naar onbeperkte verrijking of de
staatshebzucht naar onbeperkte macht.
Maritain achtte het communisme niet in staat
om het kapitalisme in de kiem te smoren. Het
communisme kon enkel de macht van het kapitalisme naar de staat overhevelen. In de lente van
___________________________________
1936 riep de 'rode' kardinaal Verdier van Parijs de
Fransen op mee te werken aan de nieuwe orde van
het Front Populaire. Maar tevens werd duidelijk dat
een spirituele dimensie in een anti-kapitalistisch
revolutie onontbeerlijk was. Het atheïsme in Marx'
filosofie was hier de struikelblok bij uitstek. Met
het atheïsme hing een materialisme samen. Zoals
het kapitalisme leidde het communisme tot de
verafgoding van de technologische vooruitgang en
welvaart. Daarom trok Maritain zowel van leer
tegen het stalinisme als tegen het Amerikaanse
fordisme. Het communisme ontkende bovendien
het bestaan van waarden die het individu, de tijd of
de plaats overstijgen. Tevens beschouwde het de
mens als een collectief individu, waardoor de
menselijke persoon met haar waarden als vrijheid
en liefde, al te zeer op de achtergrond geraakte. Het
feit dat Maritain in Humanisme Intégral zo sterk de
aandacht vestigt op de menselijke persoon, betekent
echter niet dat de tijdelijke orde die hij uitwerkt te
herleiden valt tot een individuele moraal. Er is nood
aan kennis betreffende de geschikte sociale
technieken ten dienste van het algemeen welzijn of
het bonum commune. De ethische principes dienen
vertaald te worden in structuren.
De toekomst van een nieuwe christenheid hangt
volgens Maritain echter af van het concreet
engagement van christenen. Niet alleen bij de
intellectuele elite, doch ook in de brede lagen van
de bevolking zal men al dan niet ingaan op het
geschetste profane christelijke appèl. Daarom
bestaat er een grote nood aan allerlei haarden van
spirituele heropbloei en is het belangrijk dat
christenen niet afwijzend staan ten opzichte van de
vereiste sociale emancipatie. Er zal allereerst nood
zijn aan een kleine groep mensen die op sociaal en
politiek vlak de massa kan begeleiden: “Het zullen
aanvankelijk kleine groeperingen zijn die echter als
zuurdesem zullen handelen en afhankelijk zullen
zijn van de initiatieven van een klein aantal
mensen.” (HI 274) Hiernaast heeft Maritain een
soort copernicaanse omwenteling in de politieke
activiteit op het oog. Het komt er volgens de auteur
op aan bij zichzelf te beginnen: “We moeten
beginnen met in het politieke op een christelijke
_______________________________________________________________________________________
Ethische perspectieven 10 (2000)4, p.247
___________________________________
wijze te denken, te leven en te handelen.” (HI 256)
De poging om op deze wijze vanuit een christelijke
inspiratie aan politiek te doen, is een werk van
lange adem. Zelfs wanneer niet onmiddellijk
spectaculaire resultaten zichtbaar zijn, is het
volgens Maritain toch een feit dat er zich over heel
de wereld al een soort christelijke diaspora
ontwikkelt, een netwerk van christelijke
gemeenschappen.
Maritain is niet van mening dat voor de uitwerking van zijn integraal humanisme de oprichting
van een christelijke partij vereist is. Er is eerder
nood aan één of meerdere authentieke politieke
groeperingen die uiteindelijk vanuit hetzelfde
geloof handelen. Hieraan moeten niet alle christenen meewerken, en ook niet alleen christenen, maar
allen die zich herkennen in de geschetste realisatie
van de temporele orde. Belangrijk is dat men trouw
wil blijven aan waarden zoals waarheid en
rechtvaardigheid. Men erkent dat ieder zijn eigen
gaven te bieden heeft en zijn eigen bestaanssituatie
kent. Voor Maritain gaat het hier niet om een soort
religieuze of apostolische katholieke actie zoals
Pius XI die lanceerde. Wel zal een grondige
spirituele omwenteling vereist zijn en een
samenwerking tussen arbeiders en intellectuelen.
Toch vertrouwt Maritain erop dat op een dag de
aangegeven veranderingen zullen doorbreken: “De
tijdelijke christelijke krachten waar de wereld nood
aan heeft, zijn in een verre voorbereidende fase; het
is onmogelijk dat ze op zekere dag hun invloed niet
zullen hebben in de wereld.” (HI 293)
Besluit
Maritains Humanisme Intégral komt neer op een
neoscholastieke synthese van een reeks fundamentele thema's en categorieën van het Frans
katholiek personalisme3. Deze werden na Maritain
vaak toegepast in diverse sociaal-politieke
contexten. Vooral de noties 'persoon', 'integraal
humanisme', 'gemeenschap' en 'welzijn' werden
vaste waarden in het naoorlogse christelijk sociaal
gedachtegoed, onder meer in Duitsland, Italië en
Frankrijk. In België waren het vooral professoren
___________________________________
als A. Dondeyne, L. Janssens en J. Walgrave die
het denken van Maritain tot op vandaag actualiseerden. In Nederland zorgde H. Brugmans rond de
Tweede Wereldoorlog voor de bekendmaking van
het personalisme van Maritain. Ook in landen als
Chili en Argentinië, genoot het werk van Maritain
een sterke belangstelling. Eduardo Frei
bijvoorbeeld populariseerde in Chili het werk van
Maritain. Hierdoor kwam er het conservatief
politiek katholicisme in de verdrukking. De politieke filosofie van Maritain gaf tijdens en na de
Tweede Wereldoorlog in de Verenigde Staten aan
de katholieken de grondslag voor een pluralistische
politieke leer. Onder meer gezien Maritains
persoonlijke vriendschap met Paulus VI stelt men
tenslotte vast dat een kerkelijke constitutie als
Gaudium et Spes sterk beïnvloed werd door de
auteur. Paulus VI, die hem overigens erkende als
een van zijn leermeesters, overhandigde aan Maritain op het einde van het tweede Vaticaans
concilie de concilieboodschap voor de intellectuelen.
Het meest opvallende in Maritains Humanisme
Intégral is dat het om een religieus humanisme gaat
in het perspectief van een algemene christelijke
wereldcultuur. Niettegenstaande het om een profaan-christelijke cultuur gaat, steunt deze bij
Maritain essentieel op het religieuze en meer in het
bijzonder op een katholieke grondslag. Voor
Emmanuel Mounier hangt het openstaan voor
religiositeit in de toekomst niet af van een in
essentie katholieke inspiratie. Wel kan er maar
sprake zijn van een personalistische cultuur, wanneer men openstaat voor het transcendente. Want
zonder een vernieuwd en verhevigd religieus besef
is het niet mogelijk de moderniteit met haar
technocratisch bewustzijn te overstijgen en het
besef van een absolute zijnsorde te herwinnen.
_______________________________________________________________________________________
Ethische perspectieven 10 (2000)4, p.248
___________________________________
Gezien het veel minder katholiek gebonden gedachtegoed van Mounier, is het niet zo verwonderlijk dat vandaag de dag het personalisme meer
weerklank vindt in Mouniers nog steeds invloedrijke tijdschrift Esprit dan via de nieuwsbrief
Maritain Newsletter.
___________________________________
Maar toch is het treffend dat juist het Institut
Jacques Maritain bij het begin van deze 21° eeuw
een
internationaal
congres
inricht
over
“Globalization, Cultures and religions. The impact
of the market and the new technologies”: een
proeve eigenlijk tot hertaling van Maritains
religieus humanisme.
Noten
Voor een korte biografie van Jacques Maritain verwijzen we naar J. DE VALK, `Jacques Maritain' in Kritisch
Denkerslexicon. Een overzicht van moderne denkers en hun werk. Alphen aan den Rijn, Samsom, 1991. Een meer
uitvoerige studie over J. Maritain werkten we uit in K. BOEY e.a., (red.), Ex Libris. Leuven, Acco, 1997, p. 265-277.
J. MARITAIN, Humanisme intégral. Paris, Aubier, Éditions Montaigne, 1968.
E. DE JONGHE, `Het integraal humanisme van Jacques Maritain' in L. BOUCKAERT, Metafysiek en Engagement.
Leuven/Amersfoort, Acco, 1992, p. 89.
_______________________________________________________________________________________
Ethische perspectieven 10 (2000)4, p.249
Download