Toetsing bij 3%-staffel overbodig

advertisement
Toetsing bij 3%-staffel overbodig
Een goed pensioen en eenvoudig uitvoerbaar. Dat is het doel van een duidelijke pensioenregeling. Maar in de praktijk is dat pensioen door de huidige wetgeving voor beschikbarepremieregelingen onnodig ingewikkeld. De fiscus staat voor dit soort regelingen inmiddels het gebruik
van een 3%-staffel toe, maar eist daarbij wel een fiscale toets op eventuele bovenmatigheid.
En dat terwijl die bovenmatigheid zich bij zo’n staffel zelden zal voordoen, zoals we in dit artikel
zullen aantonen, maar intussen wel leidt tot onnodig grote administratieve lasten.
De hoogte van de premie-inleg bepaalt voor een groot
deel de kwaliteit van een pensioenregeling. Bij een
defined benefit (DB) regeling is de premie afgestemd
op het eind- of middelloon en zijn er geen (fiscale)
grenzen aan de premie-inleg. Bij een beschikbarepremieregeling met een beleggingscomponent – een vorm
van defined contribution (DC) – heeft de fiscus wel
grenzen aan de premie-inleg gesteld door maximale
staffels voor te schrijven, gebaseerd op een 2,25%
middelloonpensioen met een rekenrente van 4%.
In de markt bestaat echter de behoefte om een hogere
staffel te hanteren. Door de opkomst van DC-regelingen is er een toenemende trend van omzetting van DBnaar DC-regelingen. Tijdens deze omzettingstrajecten
wordt een vergelijking gemaakt tussen de premie-inleg bij de middelloonregeling en de nieuwe DC-regeling. Het gebruik van de maximale 4%-staffel resulteert in een lagere premie-inleg dan de oorspronkelijke
premie-inleg van de middelloonregeling, waar vaak
een lagere rekenrente van doorgaans 3% wordt gehanteerd. De 4%-staffel voldoet daarom vaak niet.
Figuur 1 toont het verloop van de beschikbarepremiepercentages voor staffel 2 uit het staffelbesluit (opbouw voor zowel OP als NP op de pensioendatum).
De 3%-staffel geeft meer ruimte aan premie-inleg bij
alle leeftijden dan bij gebruik van een 4%-staffel, namelijk circa 4,5% van de pensioengrondslag. Bij DBregelingen wordt ook vaak een rekenrente van 3% gehanteerd, waarbij de vereiste premies vergelijkbaar
zijn met een 3% rekenrentestaffel. Vaak zijn ze daar
zelfs nog iets hoger, omdat verzekeraars bij DB-regelingen de meest actuele sterftetafels hanteren, en die
zijn zwaarder dan de sterftetafel die de fiscus hanteert
bij het vaststellen van de beschikbarepremiestaffels.
Figuur 1. Beschikbarepremiepercentages bij staffel 2
De fiscus heeft gehoor gegeven aan de behoefte om
een hogere staffel te hanteren, en wel door in het staffelbesluit van 21 december 2009 ook 3%-staffels op
te nemen. Echter, bij gebruik van deze 3%-staffels is
een fiscale toets op bovenmatigheid verplicht (bijlage IV onder g). Deze toets is in onze ogen overbodig
en leidt bovendien tot een extra administratieve inspanning en bemoeilijkt de communicatie over de
pensioenregeling met de deelnemer.
■ DE 4%-STAFFEL EN DE 3%-STAFFEL
MET TOETSING
Marcus Haveman (l) en Folkert Pama
Drs. M. Haveman AAG is actuaris bij Expertisecentrum Delta Lloyd
Leven en F.L. Pama is directeur van BeFrank; ze schreven dit artikel op
persoonlijke titel. Met dank aan Jan van der Krol voor het cijferwerk
In de wet is vastgelegd dat bij een eindloonstelsel bij
35 opbouwjaren en 2% jaarlijkse opbouw een pensioen wordt bereikt van 70% van het laatstverdiende
loon. Bij een middelloonstelsel is die jaarlijkse opbouw opgehoogd naar 2,25%, vanwege het mislopen
van backservice. Daarnaast is er ruimte voor indexatie van opgebouwde rechten, waarbij de fiscus 3% als
maximum hanteert.
Om bij beschikbarepremieregelingen bovenmatige opbouw met behulp van fiscale voordelen te voorko-
33
toetsing 3%-staffel
men, wordt de inleg door de fiscus gemaximeerd. Dat
gebeurt in de vorm van maximale premiepercentages,
vastgelegd in zogenoemde staffels, die zijn afgestemd
op de middelloonambities. Bij beschikbarepremieregelingen met een beleggingsrendement geldt een minimale rekenrente van 4%. Is het pensioen op de pensioendatum hoger dan 100% van het dan geldende
pensioengevend salaris, dan wordt het meerdere ineens uitgekeerd, onder inhouding van loonheffing.
Zoals gezegd is sinds eind 2009 ook een 3%-rekenrentestaffel toegestaan. Dit evenwel onder de voorwaarde dat de uitkomst wordt getoetst op bovenmatigheid. Doet die zich daadwerkelijk voor, dan moet
de pensioenuitvoerder het bovenmatige deel inhouden. De toetsing gaat als volgt. Jaarlijks wordt, op basis van de maximale pensioengrondslag, 2,25% pensioenopbouw vastgesteld. Dit wordt elk jaar
geïndexeerd met 3% en hieruit volgt op de pensioendatum een maximaal middelloonpensioen. Op de
pensioendatum wordt vervolgens bepaald wat de benodigde koopsom is voor een 3% stijgende uitkering
op basis van dat maximale middelloonpensioen. Dit
alles tegen de dan geldende tarieven (sterftetafel en
rente). Is het aanwezige kapitaal hoger dan dit maximale kapitaal, dan is er sprake van bovenmatigheid.
Deze toets dient ook plaats te vinden bij uitgaande
waardeoverdracht. De vraag is nu of deze toetsing
haar doel niet voorbijschiet. Want hoe groot is de kans
op bovenmatigheid nu eigenlijk?
De vraag is nu of de toetsing haar
doel niet voorbijschiet
■ BELEGGINGSRENDEMENTEN EN
BOVENMATIGHEID
Om te beoordelen hoe groot de kans is op bovenmatigheid, is het allereerst zinvol te kijken naar het beleggingsrendement. Eerst beantwoorden we de vraag bij
welk rendement, c.q. rekenrente er sprake is van bovenmatigheid. Vervolgens bekijken we of deze rendementen en rekenrente realistisch zijn, door enerzijds
uit te gaan van de te verwachten rendementen bij life
cycle beleggen en de te verwachten rekenrente en anderzijds gebruik te maken van een ALM-model.
Bij welk rendement, c.q. rekenrente ontstaat er
bovenmatigheid?
Een beschikbarepremieregeling met een beleggingscomponent met een 3%-rekenrentestaffel kan bij hoge rendementen tot bovenmatigheid leiden. Hierin valt onderscheid te maken tussen de rendementen gedurende
de opbouwfase en die gedurende de uitkeringsfase.
1.
Bovenmatigheid door hoge rendementen in de
opbouwfase. Bovenmatigheid treedt op als in de
opbouwfase het brutorendement hoger is dan de
som van:
a. 3% rekenrente;
b. 3% indexatie;
c. TER.1
34 Als de kosten voor het beheer van beleggingen
bijvoorbeeld 0,5% zijn en de rekenrente 3% is,
dan is een brutorendement van 6,5% nodig om
3% indexatie te kunnen financieren. Een hoger
rendement dan 6,5% leidt tot bovenmatigheid.
2.
Omzetting van kapitaal naar pensioen op pensioendatum. Stel, de deelnemer heeft in de opbouwfase een rendement van 6,5% behaald. Dan
is er op de pensioendatum precies genoeg kapitaal aanwezig om alle 3%-indexaties vóór 65 jaar
te kunnen financieren. Als vervolgens op de pensioendatum de rekenrente die de verzekeraar bij
inkoop van pensioen hanteert, 3% is, is er weliswaar in de opbouwfase jaarlijks met 3% geïndexeerd, maar is er na de pensioendatum geen
ruimte voor indexatie en kan er ‘slechts’ een nominaal pensioen worden aangekocht. Is de rekenrente op de pensioendatum hoger, dan kan
de deelnemer ook indexeren na de pensioendatum. Vuistregel is dat de deelnemer, wanneer de
rekenrente 1% hoger is, een 1% stijgend pensioen kan inkopen. Dus pas wanneer de rekenrente circa 6% is, kan de deelnemer een 3% stijgend
pensioen aankopen. Als de rekenrente 5% is en
de deelnemer toch een 3% stijgend pensioen wil
inkopen, dient er in de opbouwfase dus een hoger rendement te worden behaald dan 6,5% om
dit te kunnen financieren. Hier geldt als vuistregel: per procent lagere rekenrente is circa 12%
extra kapitaal op de pensioendatum nodig.
Samengevat: als het rendement in de opbouwfase
6,5% en in de aanwendingsfase 6% is, kan de deelnemer een 3% stijgend pensioen inkopen, zowel voor
als na de pensioendatum. Is het rendement hoger, dan
is er sprake van bovenmatigheid.
Als het rendement in de opbouwfase 6,5% en in de aanwendingsfase 6% is, kan de deelnemer een
3% stijgend pensioen inkopen, zowel voor als na de pensioendatum
Life cycle rendementen en een te verwachten
rekenrente op pensioendatum
Hoe realistisch is bovenmatigheid nu bij een beschikbarepremieregeling met beleggingen? Deze vraag willen we gaan beantwoorden voor de standaard beleggingsvorm, namelijk een op basis van het life cycle
principe waarmee in de laatste jaren voor de pensioendatum steeds minder risicovol wordt belegd.
1 Total Expense Ratio, en is een maatstaf voor de kosten
voor het beheer van de beleggingen.
Het rendement in de life cycle wordt vooral bepaald
door de ontwikkeling van de lange rente en de verwachte risicopremies op aandelen:
1. binnen life cycles gaan deelnemers, naarmate ze
ouder worden, steeds minder risicovol beleggen.
Hierbij is het van primair belang dat het pensioen wordt veiliggesteld. Dit gebeurt bijvoorbeeld
door steeds meer te beleggen in obligaties met
een lange duur die matchen met de pensioenuitkeringsperiode. Daarbij is de ontwikkeling van
de lange rente bepalend voor de rekenrente die
verzekeraars hanteren. Er is redelijke consensus
over de hoogte van de lange rente. Verwachtingen hieromtrent variëren van maximaal 4,5%
door de Vereniging van Beleggingsanalisten
(VBA), 4,2% zoals vastgesteld in het Besluit Gedragstoezicht Financiële Ondernemingen
(BGFO), tot 3,5 à 4% door de commissie-Don, die
de toenmalige minister van sociale zaken Donner adviseerde over de maximale parameters die
pensioenfondsen bij berekeningen binnen herstelplannen mogen hanteren;
2. over de verwachte risicopremie op beursgenoteerde aandelen ten opzichte van beleggen in
langlopende obligaties zijn ook vele theorieën.
De VBA adviseert een verwachte risicopremie
van 3 tot 4%. Binnen de commissie-Don was de
range 2,7 tot 3,4%.
wij onderzocht hoe groot die kans is. We hebben daartoe een ALM-model ontwikkeld met daarin economische scenario’s, gebaseerd op de SWAP-rente van
december 2010 die bepalend is voor de obligatierendementen en aankoopfactoren. De verwachte opbrengsten
van aandelen zijn gemiddeld 6,9%. Wat betreft de risico’s en bijbehorende fluctuaties hebben we ons aangesloten bij de adviezen van de VBA. We hanteren in de
opbouwfase een constante salarisstijging van 3%. Dit
noemen we de basisscenario’s. Een en ander resulteert
voor een 40-jarige man met een salaris van € 42.898,
een pensioengrondslag van € 30.000 en een 3% stijgend salaris en dito franchise in de volgende opbouw
van kapitalen zoals die in figuur 2 en 3 is weergegeven
voor 4 en 3% rekenrente. Tevens is daarbij een waarschijnlijkheidsinterval aangegeven.
Het maximale fiscale middelloon voor deze 40-jarige
man bedraagt € 36.746. Wil de deelnemer hierbij een
3% stijgend pensioen inkopen, dan heeft hij hiervoor
gemiddeld € 885.000 nodig.2 Met name de inkoop van
3% stijging maakt het voor de deelnemer duur; hij
heeft hiervoor 35% extra kapitaal nodig. We zien dat
de opgebouwde kapitalen onder het kapitaal liggen
dat nodig zou zijn voor aankoop van het fiscaal maximale pensioen.
De rendementen van aandelen kunnen, wanneer we
uitgaan van een 4% lange rente in combinatie met
3% risicopremie op aandelen, oplopen tot 7%, maar
dit is niet voldoende om naast de beleggingen van
obligaties, die ook plaatsvinden in een life cycle, boven de gewenste 6,5% uit te komen.
Samengevat: bij beleggingen in life cycles, gevolgd
door de aankoop van pensioen, liggen het verwachte
rendement en de te hanteren rekenrente op de pensioendatum bij aankoop van het pensioen onder de
6,5%, respectievelijk 6%.
Figuur 2. Kapitaalopbouw bij 4% rekenrente
Het verwachte rendement en de
te hanteren rekenrente op de
pensioendatum liggen bij aankoop
van het pensioen onder de 6,5%,
respectievelijk 6%
Hoe groot is de kans op bovenmatigheid?
Op basis van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat een 3%-rekenrentestaffel naar verwachting
niet bovenmatig is. In werkelijkheid kunnen de life cycle rendementen hoger zijn of kan de lange rente stijgen. De verplichte toetsing van bovenmatigheid is zinvol als er een reële kans is op bovenmatigheid. Met
behulp van een waarschijnlijkheidsberekening hebben
Figuur 3. Kapitaalopbouw bij 3% rekenrente
2 Bij scenario’s waarin de rente hoger is, is minder
kapitaal nodig. En omgekeerd.
35
toetsing 3%-staffel
Wanneer we in tabel 1 de uitkomsten gebaseerd op
de basisscenario’s verder analyseren, zien we bij een
4%-staffel dat de 40-jarige deelnemer in het slechtste
geval (het 0% percentiel) 38% van het maximale middelloon kan aankopen en in het beste geval (het 100%
percentiel) 49%. Bij een 3%-staffel is het slechtste geval 47% en het beste geval 63%. Verder geeft het 50%
percentiel aan dat in 50% van de scenario’s het pensioen dat de deelnemer kan aankopen, minder is dan
54% (bij de 3%-staffel) van het maximale middelloonpensioen.
Ook wanneer we de rendementen uit het basisscenario’s in de opbouwfase jaarlijks met 1% en tevens de
rekenrente op de pensioendatum met 1% verhogen,
zien we dat het hoogst aan te kopen pensioen 81% is
van het maximale middelloonpensioen. Het uitblijven van bovenmatigheid komt met name door de volgende twee oorzaken:
1. binnen life cycle beleggen gaat de deelnemer al
een behoorlijke tijd voor zijn pensioendatum
voorzichtiger beleggen, waardoor de verwachte
rendementen lager worden;
2. het inkopen van een 3% stijgend pensioen is
duur en vereist veel extra kapitaal op de pensioendatum. De deelnemer heeft dan op de pensioendatum ruim 35% extra kapitaal nodig.
Ook voor andere leeftijden hebben we dit soort berekeningen gemaakt en dan komen we alleen bij jonge
leeftijden in een enkel geval bovenmatig uit. Dit omdat daar binnen de life cycle langer in zakelijke waarden wordt belegd.
rekenrente onder de 6%. Daarbij is met een ALM-studie aangetoond dat er een minimale kans bestaat dat
op lange termijn de rendementen hoger zijn of de lange rente stijgt. Van bovenmatigheid is dus bij gebruik
Alleen bij jonge leeftijden komen we
in een enkel geval bovenmatig uit
van een 3%-staffel geen sprake.
De voorgeschreven jaarlijkse toets leidt er echter toe
dat de pensioenuitvoerder naast de administratie van
de beschikbarepremieregeling ook een schaduwadministratie moet bijhouden van een maximale middelloonregeling. Deze onnodige administratieve lasten creëren een ongelijkwaardige situatie tussen
DB- en DC-regelingen. Daarbij is het wettelijk verplicht in de jaarlijkse communicatie de deelnemer te
informeren over de toetsing. Van een eenvoudige en
duidelijke pensioenregeling is zo geen sprake meer.
Daarnaast zijn er uitvoeringsproblemen waarvoor nog
geen oplossing bestaat. In het geval dat een deelnemer
kiest voor een waardeoverdracht van een vorige pensioenregeling naar de DC-regeling, krijgt hij van de vorige pensioenuitvoerder alleen de waarde van de aanwezige voorziening mee en geen gegevens over het met
3% geïndexeerde, maximale middelloonpensioen.
■ GROTE IMPACT ONNODIGE TOETSING
Hiervoor hebben we aangetoond dat er sprake is van
bovenmatigheid als het rendement in de opbouwfase hoger is dan 6,5% en in de aanwendingsfase hoger dan 6%. Het verwachte rendement bij life cycle
beleggen ligt echter onder de 6,5% en de verwachte
uitkomsten gebaseerd op de economische rendementen uit de basisscenario’s
basisscenario’s
+ 1%
4%-staffel
3%-staffel
3%-staffel
percentiel
0,0%
38%
47%
58%
10,0%
41%
52%
64%
20,0%
42%
53%
65%
30,0%
42%
54%
66%
40,0%
43%
54%
67%
50,0%
43%
55%
68%
60,0%
43%
55%
69%
70,0%
44%
55%
69%
80,0%
44%
56%
70%
90,0%
45%
57%
72%
100,0%
49%
63%
81%
Tabel 1. Uitkomsten gebaseerd op de basisscenario’s
36 ■ CONCLUSIE
Qua pensioenuitkomsten en hoogte van de premieinleg sluit de 3%-staffel beter aan bij een middelloonregeling. De kans op bovenmatigheid bij een 3%-staffel is minimaal en rechtvaardigt niet de vereiste
toetsing. De extra werkzaamheden voor de uitvoerder en de complexere communicatie met de werknemer over de gevolgen van deze toetsing staan niet in
verhouding tot het resultaat dat ermee wordt beoogd.
Wanneer deze eis overeind blijft, wordt ook de fiscale ongelijkwaardigheid tussen een DB- en een DC-regeling in stand gehouden. Het laten vallen van de eis
zou de pensioenuitvoering van de 3%-staffel een stuk
eenvoudiger maken en de overgang naar een DC-regeling aantrekkelijker maken.
De verplichte toetsing past trouwens ook niet bij het
karakter van een DC-regeling. De waarschijnlijkheid
dat er bovenmatigheid optreedt, is te verwaarlozen.
Voor de extreme gevallen kan de fiscus nog altijd terugvallen op de bepaling dat pensioen bovenmatig is
als het meer is dan 100% van laatstverdiende salaris
op de pensioendatum. Wij vinden het niet alleen belangrijk dat pensioenen eenvoudig en begrijpelijk
zijn, maar ook dat deelnemers in een DC-regeling met
een beleggingscomponent een pensioen kunnen bereiken dat jaarlijks wordt geïndexeerd.
t
Download