Een gewricht (lat

advertisement
Samenvatting Fysieke Ergonomie
Gezocht, geschreven, gekopieerd, geplakt, gemaakt, etc. door Jurriën Dijkstra.
Met dank aan Benne Draijer en Liesbeth Stam voor het controleren van de
gegevens.
Samenvatting
Deze samenvatting dient ter verheldering van de colleges fysieke ergonomie. Deze
informatie komt grotendeels van Internet en deels uit de sheets van het college. Het is
dus goed mogelijk dat er fouten inzitten! Gebruik deze samenvatting dus op eigen
risico en kom niet bij mij klagen als later blijkt dat je verkeerde dingen hebt geleerd.
Mocht iemand nog verbeteringen/aanvullingen hebben, mail dat dan even door, of
kijk of je het op teletop kan zetten? Veel succes met leren!
Jurriën Dijkstra
Anatomische stand
De anatomische stand is een rechtopstaand mens met de voeten licht gespreid, de
armen afhangend maar iets van het lichaam gehouden en waarbij de handpalmen naar
voren worden gehouden. Bij plaatsaanduidingen kan men deze stand als
referentiekader gebruiken.
De vlakken
We kunnen ons een aantal doorsneden door het lichaam voorstellen:
• het frontale vlak, verticaal en van links
naar rechts lopend.
• het sagittale vlak, verticaal maar van voor
naar achter lopend.
• het transversale vlak, horizontaal door het
lichaam.
Richtingaanduidende termen
Ventraal/Dorsaal
Voorkant/achterkant
Anterior/Posterior
Voor/achter
Mediaal/Lateraal
Binnen/buiten
Craniaal/Caudiaal
boven/onder (Hoofd/romp)
Superior/Inferior
boven/onder (Hoofd/romp)
Proximaal/Distaal
Dichter naar lichaam toe/Van lichaam af (Extremiteiten)
Radiaal/Ulnair
Duim-/pinkzijde
Oppositie/Repositie duim tegenover vingers brengen
Palmair/Plantair
palm/holte van resp. de hand en de voet
Centraal/perifeer
Naar het midden toe/Van het midden af
Palpatie
Palpatie wordt gedefinieerd als het via de tastzin verkrijgen van informatie over de
consistentie, de verschuifbaarheid en/of de vorm van de organen die onderzocht
worden.
pal·pa·tie (de ~ (v.), ~s)
1 geneeskundig onderzoek door betasting en beklopping van het lichaam
bron: www.vandale.nl
Een gewricht
Een gewricht (lat.: articulatio / junctura) is een overgang tussen twee botten waarbij
wel beweging mogelijk is. Dit wordt dan ook wel een discontinue verbinding
genoemd.
Omdat er tijdens het bewegen grote krachten op sommige gewrichten komen te staan
(bijvoorbeeld in de knie), zijn de botuiteindes in elk gewricht beschermd door middel
van kraakbeen. Om de beweging tussen de botten soepel te laten verlopen bevindt
zich in de gewrichtsholte een stroperige vloeistof: de synovia.
De botten in een gewricht worden op hun plaats gehouden door zogenaamde
gewrichtsbanden (ligamenten). Een band bestaat uit zeer stug bindweefsel, zodat
krachten worden opgevangen. Andere hulpstructuren die ter versteviging en
bescherming kunnen voorkomen in gewrichten zijn bijvoorbeeld een meniscus (knie),
een discus (bijvoorbeeld de tussenwervelschijf), en een slijmbeurs (bijvoorbeeld in
schouder en elleboog).
Blessures ontstaan vaak omdat een bepaalde hulpstructuur beschadigd raakt bij
overbelasting van een gewricht. Voorbeelden zijn de scheuring van een
gewrichtsband (bijvoorbeeld de kruisband of de enkelband), de beschadiging van de
meniscus, of de ontsteking van een slijmbeurs.
Door hun specifieke bouw kunnen er in de verschillende gewrichten verschillende
bewegingen plaatsvinden. Gewrichten kunnen bijvoorbeeld worden ingedeeld naar
het aantal assen (één, twee of drie) waarom kan worden bewogen. De belangrijkste
soorten gewrichten zijn:
Eén-assig
Rolgewricht - Bij een rolgewricht rollen de botten om elkaar heen. Dit gebeurt
bijvoorbeeld in de onderarm waarbij het spaakbeen om de ellepijp draait.
Scharniergewricht - Een scharniergewricht werkt net als een scharnier in bijvoorbeeld
een deur. Dit gewricht kan ook alleen maar heen en weer bewegen. Een voorbeeld van
een scharniergewricht is gewricht tussen je vingerkootjes.
Twee-assig
Zadelgewricht - Bij een zadelgewricht liggen twee zadelvormige botvlakken op
elkaar. Er kan hier om twee assen bewogen worden. Voorbeeld is het gewricht tussen
de handwortel en het middenhandsbeentje van de duim.
Eivormig gewricht - Een eivormige kop in een kom, bijvoorbeeld in het polsgewricht.
De knie wordt soms wel betiteld als een "dubbel-eigewricht", naar de vorm van de
gewrichtsoppervlakken van het bovenbeen. Met gebogen knie kan het onderbeen
geroteerd worden vanuit het kniegewricht. Het is dus geen scharniergewricht, zoals
soms wel gedacht wordt.
Drie-assig
Kogelgewricht - Een kogelgewricht is een gewricht dat bestaat uit een kogel en een
kom. Dit gewricht heeft veel bewegingsvrijheid. Dit gewricht zit bijvoorbeeld in je
heup en schouder. Je kan je arm voor-achterwaarts en zijwaarts bewegen. Daarnaast
kan je de bovenarm in zijn eigen lengterichting roteren.
Verklarende woordenlijst
Abductie
Zijwaartse beweging van arm of been van het lichaam af.
Adductie
Zijwaartse beweging van arm of been naar het lichaam toe, ook bij kruisen
van de middellijn van het lichaam.
Anteflexie
Bewegen van de arm of been voorwaarts omhoog.
Buigen van romp naar voren (ook!)
Circumductie
Het in een kegelvormige beweging van achter naar voren zwaaien van een
arm/been.
Dorsaalflexie
Opwaarts bewegen van de handrug of voetwreef
Depressie (detractie)
Het omlaag trekken van de schoudergordel?
Elevatie
Het optrekken van de schoudergordel?
Endorotatie
Het naar binnen draaien van de ledematen.
Eversie
Het naar buiten draaien van de voet.
Exorotatie
Het naar buiten draaien van ledematen.
Extensie
Strekken
Hyperextentie
Overstrekken
Extremiteit
Bovenste extremiteiten zijn de armen.
Onderste extremiteiten zijn de benen
Flexie
Buigen
Inversie
Het naar binnen draaien van de voet.
Laterale extentie
Naar het midden buigen
Lateroflexie
Zijwaarts buigen
Laterorotatie
Naar buiten draaien van de onderste punt van het schouderblad
Mediorotatie
Naar binnen draaien van de onderste punt van het schouderblad
Palmairflexie
Neerwaarts bewegen van de handpalm.
Plantairflexie
Neerwaarts bewegen van de voetzool
Pronatie
Draaien van de onderarm, waarbij de handpalm naar beneden draait.
(Ook bij voet)
Protractie
Het naar voren bewegen van de schoudergordel.
Radiaalabductie
Hoekverkleining in het frontale vlak tussen je hand en je radiale zijde van de
onderarm.
Retroflexie
Het naar achteren bewegen van arm of been
Buigen van romp naar achteren (ook!)
Retractie
Het naar achteren bewegen van de schoudergordel
Supinatie
Het draaien van de onderarm, waarbij de handpalm naar boven draait.
(Ook bij voet)
Ulnairabductie
Hoekverkleining in het frontale vlak tussen je hand en je ulnaire zijde van de
onderarm.
Abductie
Zijwaartse beweging van arm of been van het lichaam af.
Adductie
Zijwaartse beweging van arm of been naar het lichaam toe, ook bij kruisen van de middellijn
van het lichaam.
Anteflexie
Bewegen van de arm voorwaarts omhoog.
Buigen van romp naar voren (ook!)
Retroflexie
Het naar achteren bewegen van arm of been.
Buigen van romp naar achteren (ook!)
Palmairflexie
Neerwaarts bewegen van de handpalm.
Dorsaalflexie
Opwaarts bewegen van de handrug of voetwreef
Radiaalabductie
Hoekverkleining in het frontale vlak tussen je hand en je radiale zijde van de onderarm.
Ulnairabductie
Hoekverkleining in het frontale vlak tussen je hand en je ulnaire zijde van de onderarm.
Retractie
Het naar achteren bewegen van de schoudergordel.
Protractie
Het naar voren bewegen van de schoudergordel.
Extentie
Strekking van romp en/ of ledematen.
Elevatie
Het optrekken van de schoudergordel.
Depressie
Het omlaag trekken van de schoudergordel.
Endorotatie (zie ook laterorotatie)
Het naar binnen draaien van de ledematen.
Exorotatie (zie ook mediorotatie)
Het naar buiten draaien van de ledematen.
Inversie
Het naar binnen draaien van de voet.
Eversie
Het naar buiten draaien van de voet.
Plantairflexie
Neerwaarts bewegen van de voetzool. (Dorsaalflexie is het omgekeerde daarvan)
Lateroflexie
Zijwaarts buigen
Laterale extentie
Naar het midden buigen
Laterorotatie
Naar buiten draaien van het schouderblad
Mediorotatie
Naar binnen draaien van het schouderblad
Pronatie
Draaien van de onderarm, waarbij de handpalm naar beneden draait. (Proosten!)
Supinatie
Het draaien van de onderarm, waarbij de handpalm naar boven draait. (Soep eten!)
Circumductie
Het in een cirkel van achter naar voren zwaaien van een arm/been. (extremiteit)
Naslagwerken
Hieronder vind je nog wat informatie die minder relevant is voor de samenvatting,
maar wel van pas kan komen als naslagwerk.
http://www.brianmac.demon.co.uk/musrom.htm
http://www.tkri.org/Reference/lexicon/movement.php?LANGUAGE=english
EXTREMITEITEN
Eindstanden gewrichten bovenste extremiteiten:
Schouder (art. humeri of art. glenohumerale)
Anteflexie 90-100° (daarna tot 180° m.b.v. elevatie)
Retroflexie 60°
Abductie 80° - 90° (daarna tot 180° m.b.v. elevatie)
Adductie 75°
Exorotatie 90°
Endorotatie 90°
MLPP* - art. glenohumerale = 30° anteflexie, 30° abductie en neutrale
supinatie/ pronatie
- art. acromioclaviculare = stand schoudergordel bij normaal ontspannen houding
- art. sternoclaviculare = stand schoudergordel bij normaal ontspannen houding
MCPP* - art. glenohumerale = maximale abductie en exorotatie
- art. acromioclaviculare = 90° abductie zonder rotatie
- art. sternoclaviculare = maximale elevatie
Capsulair patroon = exorotatie > abductie > endorotatie (ook in deze volgorde onderzoeken
dus)
Elleboog (art. cubiti & art. radio-ulnaris)
Flexie 150°
Extensie 0° - 10°
Pronatie 70° - 90°
Supinatie 85° - 90°
MLPP - art. humero-ulnaris = 70° flexie, onderarm 10° suppinatie
- art. humero-radialis = extensie, onderarm gesupineerd
- art. radio-ulnaris proximalis = 70° flexie, onderarm 10° supinatie
MCPP - art. humero-ulnaris = extensie, onderarm gesupineerd
- art. humero-radialis = 70° flexie, onderarm 10° supinatie
- art. radio-ulnaris proximalis = onderarm ± 5° supinatie
Capsulair patroon = flexie > extensie en supinatie > pronatie
Pols (art. radiocarpea)
Palmairflexie 80°
Dorsaalflexie 70°
Radiaal deviatie 20°
Ulnair deviatie 30°
Capsulair patroon = flexie > extensie
MLPP = 5° palmairflexie, ± 5° ulnairdeviatie
MCPP = maximale dorsaalflexie
* Maximally loose-packed position = MLPP = de ruststand van het gewricht,
waarbij de spierspanning en bindweefselspanning minimaal is. Dit is de meest
mobiele positie die mogelijk is.
* Maximally close-packed position = MCPP = de vergrendelstand van het
gewricht, waarbij de spierspanning en de bindweefselspanning maximaal is. Het gewricht
staat dan ‘op slot’, in zijn stabielste positie.
De nulstand is een afgesproken stand: 90° enkel, 180° knie, 180° heup.
Leeg eindgevoel = de spieren nemen de eindpositie over, zodat je het eindgevoel
niet kan bepalen. Dit heet ook wel
defense musculaire , bijv. bij de schouders.
Hard, stug eindgevoel = bij het (passief) bewegen van een gewricht voel je
dat je absoluut niet verder kunt rekken, bijv. dorsaalflexie enkels, extensie knie.
Elastisch eindgevoel = bij het passief bewegen van een gewricht voel je dat je
nog een stukje verder kunt rekken. Het lijkt elastisch. Bijv. anteflexie heup, of
flexie knie. Soms wordt het eindgevoel bepaalt door de weke delen, d.w.z.
(passieve) spiermassa die niet op rek gebracht wordt, maar de beweging verder wel
belemmert. Bijv. bij passieve flexie knie, dan kan er niet verder geflecteerd worden door de
weke delen massa van de m. hamstrings.
Eindstanden gewrichten onderste extremiteiten
Heup
Flexie 120°
Extensie 30°
Exorotatie 45° (met extensie art. genus) 70° (met flexie art. genus)
Endorotatie 30° (met extensie art. genus) 45° (met flexie art. genus)
Abductie 50°
Adductie 40°
MLPP* = 30° flexie, 30° abductie en lichte exorotatie
MCPP** = maximale extensie, endorotatie en abductie
Knie
Flexie 135° (145°)
(hyper)extensie 5° (is redelijk normaal bij jong volwassenen)
exorotatie 45°
endorotatie 15°
MLPP = 25° flexie van de knie
MCPP = maximale extensie
enkel
Plantairflexie 50°
Dorsaalflexie 20°
Inversie*** 30° (dit is: plantairflexie, adductie en suppinatie*)
Eversie*** 20° (dit is: dorsaalflexie, abductie en pronatie*)
MLPP = 10° (plantair)flexie in het BSG en midden tussen inversie en eversie
MCPP = maximale dorsaalflexie (extensie)
* Maximally loose-packed position = MLPP = de ruststand van het gewricht, waarbij de
spierspanning en bindweefselspanning minimaal is. Dit is de meest mobiele positie die
mogelijk is.
** Maximally close-packed position = MCPP = de vergrendelstand van het gewricht, waarbij
de spierspanning en de bindweefselspanning maximaal is. Het gewricht staat dan ‘op slot’, in
zijn stabielste positie.
*** Inversie en eversie zijn de bewegingsmogelijkheden rond de compromis-as die loopt van
achter-lateraal-onder naar voor-mediaal-boven. Omdat deze zo lastig loopt zijn deze
bewegingen theoretisch ontleedbaar in de boven genoemde samengestelde
deelbewegingen.
De nulstand is een afgesproken stand: 90° enkel, 180° knie, 180° heup.
Leeg eindgevoel = de spieren nemen de eindpositie over, zodat je het eindgevoel niet kan
bepalen. Dit heet ook wel defense musculaire , bijv. bij de schouders.
Hard, stug eindgevoel = bij het (passief) bewegen van een gewricht voel je dat je absoluut
niet verder kunt rekken, bijv. dorsaalflexie enkels, extensie knie.
Elastisch eindgevoel = bij het passief bewegen van een gewricht voel je dat je nog een stukje
verder kunt rekken. Het lijkt elastisch. Bijv. anteflexie heup, of flexie knie. Soms wordt het
eindgevoel bepaalt door de weke delen, d.w.z. (passieve) spiermassa die niet op rek
gebracht wordt, maar de beweging verder wel belemmert. Bijv. bij passieve flexie knie, dan
kan er niet verder geflecteerd worden dan waar de m. hamstrings zit.
SPIEREN
Trapezius
De trapezius (monnikskapspier) is een ruitvormige spier boven aan
de achterkant van het lichaam. De trapezius loopt van de
schedelbasis tot aan het midden van de rug, en is aan de zijkanten
ook verbonden aan het schouderblad.
De trapezius heeft de volgende functies:
ƒ
ƒ
ƒ
retractie : het naar achteren trekken van het schouderblad
elevatie : het omhoog trekken van het schouderblad
depressie : het omlaag trekken van het schouderblad
Deltoideus Anterior
De deltoideus spier (in het Nederlands vaak aangeduid als 'de
schouders') wordt vaak verdeeld in drie delen, namelijk een
voorste, middelste en achterste deel. Dit komt door de verschillende
aanhechtingen van de spier aan de botten, waardoor de delen een
verschillende functie krijgen.
Het voorste gedeelte van de deltoideus - de deltoideus anterior heeft de volgende functies:
ƒ
ƒ
ƒ
anteflexie : het voorwaarts heffen van de arm
endorotatie : het naar binnen draaien van de schouder (naar
de borst toe)
horizontale abductie : het van het lichaam af bewegen van de
arm in het horizontale vlak
Deltoideus Lateralis
De deltoideus spier (in het Nederlands vaak aangeduid als 'de
schouders') wordt vaak verdeeld in drie delen, namelijk een
voorste, middelste en achterste deel. Dit komt door de verschillende
aanhechtingen van de spier aan de botten, waardoor de delen een
verschillende functie krijgen.
Het middelste gedeelte (de zijkant van de spier, die de schouders
de breedte geeft) van de deltoideus - de deltoideus lateralis - heeft
slechts één functie:
ƒ
abductie tot 90° : het van het lichaam af bewegen van de arm
naar de zijkant tot 90° (daarna wordt de beweging
overgenomen door de trapezius)
Deltoideus Medialis
De deltoideus spier (in het Nederlands vaak aangeduid als 'de
schouders') wordt vaak verdeeld in drie delen, namelijk een
voorste, middelste en achterste deel. Dit komt door de verschillende
aanhechtingen van de spier aan de botten, waardoor de delen een
verschillende functie krijgen.
Het achterste gedeelte van de deltoideus - de deltoideus medialis heeft de volgende functies:
ƒ
ƒ
ƒ
retroflexie : het achterwaarts heffen van de arm
exorotatie : het naar buiten draaien van de schouder (naar de
rug toe)
horizontale abductie : het van het lichaam af bewegen van de
arm in het horizontale vlak
Biceps
De biceps zit aan de voorkant van de arm, en wordt voor
trainingsdoeleinden verdeeld in drie aparte spieren:
ƒ
ƒ
ƒ
biceps brachii (tweehoofdige armbuiger)
brachialis
brachioradialis
Hoewel de spieren allemaal meewerken als de 'biceps' getraind
worden, hebben ze alle drie een iets andere functie, omdat ze net
iets anders aan de botten zijn gehecht:
Biceps brachii:
ƒ
ƒ
ƒ
flexie : het buigen van de arm
anteflexie : het voorwaarts heffen van de arm
supinatie : het naar buiten draaien van de hand (van het
lichaam af)
Brachialis:
ƒ
flexie : het buigen van de arm zonder supinatie
Brachioradialis:
ƒ
ƒ
flexie vanaf 90° buiging : het buigen van de arm, vanaf het
moment dat de onderarm gelijk is met de grond (halverwege
de beweging) tot aan de schouder
ondersteuning van pronatie en supinatie : werkt mee als de
hand naar binnen en naar buiten draait
Triceps
De triceps brachii (driehoofdige armstrekker) zit aan de achterkant
van de arm, en heeft drie spierkoppen (met drie
aanhechtingspunten) met verschillende functies:
Lange kop (aan de binnenkant van de arm):
ƒ
ƒ
extensie : het strekken van de arm
retroflexie : het achterwaarts heffen van de arm
Mediale kop (aan de binnenkant van de arm) en laterale kop (aan
de buitenkant van de arm):
ƒ
ƒ
extensie : het strekken van de arm
pronatie : het naar binnen draaien van de hand
Onderarmen
Bovenkant:
ƒ
dorsaalflexie : het buigen van de pols naar boven
Onderkant:
ƒ
palmairflexie : het buigen van de pols naar beneden
Pectoralis
De pectoralis zit vast aan de buitenkant van de bovenarm, aan het
sleutelbeen, aan het borstbeen, en aan de pees van de rectus
abdominis rechte buikspier). De pectoralisgroep bestaat uit twee
spieren met hun eigen functies:
Pectoralis major (grote borstspier):
ƒ
ƒ
ƒ
ƒ
horizontale adductie : het naar het lichaam toe bewegen van
de arm in het horizontale vlak
anteflexie : het voorwaarts heffen van de arm
adductie : het naar het lichaam toe bewegen van de arm
endorotatie : het naar binnen draaien van de schouder (naar
de borst toe)
Pectoralis minor (kleine borstspier):
ƒ
ƒ
depressie : het omlaag trekken van het schouderblad
protractie : het naar voren trekken van het schouderblad
Serratus Anterior
De serratus anterior (zaagspier) vormt mooie 'bobbeltjes' in een
zaagpatroon tussen de borstkas en de onderkant van het
schouderblad. De serratus heeft de volgende functies:
ƒ
ƒ
depressie : het omlaag trekken van het schouderblad
protractie : het naar voren trekken van het schouderblad
Latissimus Dorsi
De latissimus dorsi (brede rugspier) loopt van de voorzijde van de
bovenarm via binnenkant arm naar de rand van de heup, en zit vast
aan de borstwervels. Door de aanhechting aan de voorzijde van de
bovenarm worden de spieren het beste getraind als de handen niet
te ver van elkaar afzitten. Dit strekt de latissimus dorsi het beste.
Goed ontwikkelde latissimus dorsi ('lats') zorgen voor een brede en
dikke rug.
De latissimus dorsi heeft de volgende functies:
ƒ
ƒ
ƒ
retroflexie : het achterwaarts heffen van de arm
adductie : het naar het lichaam toe bewegen van de arm
endorotatie : het naar binnen draaien van de schouder (naar
de borst toe)
Erector Spinae
De erector spinae loopt van de nekwervels en achterkant schedel
helemaal naar het heiligbeen. De erector spinae heeft de volgende
functies:
ƒ
ƒ
ƒ
dorsaalflexie : het achterwaarts buigen in de wervelkolom
rotatie : rotatie in de wervelkolom
lateraalflexie : het zijwaarts buigen in de wervelkolom
Gluteus
De gluteusspieren - de bilspieren - bestaan uit de gluteus maximus,
gluteus medius en gluteus minimus. De gluteus maximus - of grote
bilspier - is degene die je ziet. De gluteusspieren lopen van het
heiligbeen tot de buitenkant van het bovenbeen.
De functies van de gluteusspieren zijn:
ƒ
ƒ
retroflexie (1 kant) : het achterwaarts heffen van het been
exorotatie (1 kant) : het naar buitendraaien van het been
Quadriceps
De quadriceps (vierkoppige bovenbeenspier) bestaat uit vier
spieren. Deze spieren zitten aan de voorkant van het bovenbeen, en
lopen van de heup en het bovenbeen tot het bovenste deel van het
scheenbeen. De spieren hebben hun eigen functies:
Rectus femoris:
De rectus femoris is de enige van de quadriceps die ook over de
heup loopt, en heeft hierdoor een iets andere functie van de andere
drie spieren:
ƒ
ƒ
anteflexie : het in voorwaartse richting heffen van het been
extensie : het strekken van de knie
Vastus medialis (binnenkant been), vastus lateralis (buitenkant
been) en vastus intermedius (ligt onder de rectus femoris):
ƒ
extensie : het strekken van de knie
Hamstrings
De hamstrings zitten aan de achterkant van het bovenbeen, en
lopen van het zitbeen naar de kuit en de achterkant van het
scheenbeen. De hamstrings bestaan uit drie spieren, met hun eigen
functies:
Biceps femoris:
ƒ
ƒ
ƒ
retroflexie : het in achterwaartse richting heffen van het been
(als de knie gebogen is!)
flexie : het buigen van de knie
exorotatie : het naar buiten draaien van het been
Semitendinosus:
ƒ
ƒ
ƒ
retroflexie : het in achterwaartse richting heffen van het been
(als de knie gebogen is!)
flexie : het buigen van de knie
endorotatie : het naar binnen draaien van het been
Semimembranosus:
ƒ
ƒ
retroflexie : het in achterwaartse richting heffen van het been
(als de knie gebogen is!)
flexie : het buigen van de knie
ƒ
endorotatie : het naar binnen draaien van het been
Tibialis Anterior
De tibialis anterior zit aan de voorkant van het onderbeen, en loopt
van de bovenkant van het kuitbeen en het scheenbeen naar het
midden van de bovenkant van de voet.
De tibialis anterior heeft de volgende functie:
ƒ
dorsaalflexie : het buigen van de enkel (tenen naar boven
brengen)
Kuiten
De kuiten - de triceps surae - zijn vaak zeer moeilijk tot
ontwikkeling te brengen, omdat ze al de hele dag werken bij het
lopen. De kuiten moeten dus zeer zwaar aangepakt worden om ze
tot ontwikkeling te dwingen.
De kuiten bestaan uit twee spieren, met aparte aanhechtingen en
daardoor ook verschillende functies:
Gastrocnemius:
Loopt van de onderkant van de achterzijde van het bovenbeen naar
het hielbeen. De functies zijn:
ƒ
ƒ
ƒ
flexie : het buigen van de knie
plantairflexie : het strekken van de enkel (tenen naar
beneden brengen)
supinatie : het naar buiten draaien van de enkel
Soleus (scholspier):
Loopt van de achterzijde van het scheenbeen naar het hielbeen. De
soleus kan alleen worden getraind als de knie 90° gebogen is.
De functies zijn:
ƒ
ƒ
plantairflexie : het strekken van de enkel (tenen naar
beneden brengen)
supinatie : het naar buiten draaien van de enkel
Download