Wie is Bob Pourvoyeur

advertisement
Wie is Bob Pourvoyeur
Bob Pourvoyeur is ere-directeur generaal bij het secretariaat generaal van de Raad van Ministers van de Europese
Unie (waarin hij heeft gewerkt sedert de aanvang in 1952) en professor emeritus aan de Universiteit Antwerpen
(vakken: Internationale economie, Internationale organisaties, Europese integratie).
Hij wenst kort volgende vragen aan te snijden: 1) het begrip Europa: waarom, hoe en wat; 2) wat te denken over zijn
evolutie?; 3) houding van links t.o.v. Europa : bestrijden of van de gelegenheden gebruik maken om de
doelstellingen van links vooruit te helpen?
Over de Europese eenmaking
Waarom Europa? Na de oorlog, vrede en welvaart herstellen; dit kon niet anders dan progressief worden
verwezenlijkt (vandaar 16 verdragen). Vrede, door een blijvende verzoening tussen de Europese staten en in eerste
instantie tussen Frankrijk en Duitsland; welstand, door een zo eng mogelijke samenwerking tussen de Europese
staten (eerst economisch en zo vlug mogelijk politiek). Beide doelstellingen waren niet duurzaam realiseerbaar,
omdat de staten nooit kunnen worden gedwongen hun beloften na te komen en de vonnissen van de internationale
rechtbanken niet afdwingbaar zijn. Daarom stelt Frankrijk in 1950 aan Duitsland voor, een deel van hun
soevereiniteit aan een hoger gelegen orgaan af te staan, dat dit wel zou kunnen doordrukken, te beginnen met de
sectoren steenkool en staal. Met zes richten ze de Kolen en Staal Gemeenschap op, met vier instellingen: de Hoge
Autoriteit (nu: Commissie), belast met de invoering van het verdrag EGKS; een parlementaire vergadering, die die
Autoriteit kan afzetten in geval van misbruik; een Raad die voor de harmonisatie zorgt tussen wat internationaal is
geworden en wat nationaal is gebleven; en een Hof van Justitie dat inbreuken op het Verdrag daadwerkelijk kan
vernietigen.
Het succes leidt tot voorstellen om de gemeenschappelijke markt tot alle producten uit te breiden. De hamvraag die
zich in 1955 stelde, stelt zich nu nog: moet men de staten niet betrekken in die eenmaking en hoe?
Vanaf 1958, nieuw systeem, ditmaal een horizontale delegatie van de soevereiniteit. De Commissie krijgt de
exclusiviteit om voorstellen in uitvoering van de verdragen te maken, de Raad die van voor 85% van de gevallen te
beslissen. Geresumeerd, moeten de Commissie èn de lidstaten, met elkaar balancerende bevoegdheden, in het kader
van de Raad tot een akkoord komen; belangrijke rol van de Raadsvoorzitter (om de zes maand een ander land). Het
Parlement krijgt nieuwe bevoegdheden: jaarlijks beslissen over het budget van het volgende jaar en, progressief tot
en met het Verdrag van Nice, medebeslissingsrecht samen met de Raad. Verder hebben de regeringsleiders elkaar
sedert 1952 ontmoet in “top”-ontmoetingen. Uit die topontmoetingen die informeel en zonder beslissing verliepen,
is de Europese Raad ontstaan, die stilaan het hoogste orgaan werd, en de “richting” aangaf voor Europa, terwijl in de
“gewone” Raad (met zijn gespecialiseerde zittingen van technische ministers) met de Commissie, de begrenzing van
het vrij verkeer van goederen en arbeiders (later: burgers) werd opgeheven en wat de sectoren betreffende politieke
gedragslijnen tot stand gebracht: landbouw, verkeer, milieu, industrie, energie, sociale politiek, enz. Vroeg werd een
stijgende vertraging van de eenmaking in de sociale sector vastgesteld.
Het algemeen politiek model is duidelijk van “gemengd” karakter: de marktwetten laten functioneren, maar strikt in
het kader van een welvaartstaat, die ervoor zorgt, dat de economische evolutie binnen sociale perken blijft (de zg.
“egalisatie in de vooruitgang”), en dit door interventies, door financiële tussenkomsten van een reeks
structuurfondsen en door een strikte intoming van de economische macht. Dus noch een liberale economie, noch een
centraal geleide staatseconomie.
In 1991 waren de een gemaakte markt en verschillende economische politieke gedragslijnen klaar (zie 2 paragrafen
hoger), maar de sociale politiek bleef achterop. Het verdrag van Maastricht (1991) (één van de 16 constituerende,
progressief ingestelde Europese verdragen) beslist een vroeger (1969) reeds afgesproken gemeenschappelijke
monetaire politiek te voeren ( de euro invoeren) en staat voor de noodzakelijkheid, om de verworvenheden te
handhaven, gemeenschappelijk een algemene buitenlandse politiek in te voeren, alsmede een gemeenschappelijke
politiek t.a.v. de bestrijding van de criminaliteit en het geven van asielrecht. Die twee nieuwe sectoren worden
echter niet toevertrouwd aan het bestaande systeem van evenwicht tussen Commissie, Parlement en Raad, dat een
ruime aanwending van (gekwalificeerde) meerderheidsstemmingen inhoudt. In de plaats komen er beslissingen van
de Europese Raad, na voorstel van de “gewone” Raad - wat praktisch, hier de gehele macht aan de ministers toewijst,
teruggrijpt naar het systeem van vóór de Europese eenmaking (1952) en tot onmacht leidt (b.v. Irak en daarmee
samenhangende gemeenschappelijk te nemen beslissingen: geen gemeenschappelijke houding bij gebrek aan
meerderheidsstemming).
De uitbreiding
Het snel wegvallen van de muur tussen Oost en West (1989) was door de Europese instellingen niet voorzien en
evenmin de wens van de vrij geworden landen van Centraal en Oost Europa, aan te sluiten bij de Europese
doelstellingen en de EU. Dit stelde zeer acuut de vraag: kan men verder werken met een systeem dat was uitgedacht
voor 6 en werd gerekt tot 15 en nu met méér dan 25 leden verder moet, zonder verplettering van de kleinere staten
door de grotere, zoals nu was bereikt.
Verdragen kunnen democratisch slechts worden gewijzigd door de nationale parlementen, dus door de goedkeuring
van telkens nieuwe, wijzigende verdragen (de 16!!), die eerst (voorlopig) werden ondertekend, uitsluitend door de
nationale ministers, op voorstel van een intergouvernementele conferentie van uitsluitend nationale ambtenaren.
Resultaat : schuchtere voorstellen en nog schuchterdere teksten. De zo wenselijke sociale verbeteringen werden zoel
in Nice als later niet aanvaard door de regeringen. Daarom werd eraan gedacht, het voorbereidend werk niet meer
door ambtenaren, maar door een prestigieuze groep van vertegenwoordigers van alle betrokkenen te laten doen:
ministers (van de 25!), nationale parlementen (van e 25!), leden van het Europees Parlement en de Commissie,
vertegenwoordigers van de vakbonden, patroonsorganisaties en landbouworganisaties. Men hoopte dat aldus een
“Conventie”, prestigieus genoeg zou zijn om de nationale staten te overtuigen met een tekst die dus te nemen of te
laten zou zijn; het Europees Parlement had dat vroeger al op zijn eentje tevergeefs geprobeerd (Spinelli’s
verdragsontwerp); terecht zowel als onwettig als onmogelijk beschouwd. Bob Pourvoyeur heeft daar altijd sterk aan
getwijfeld en het “verrassingseffect van een alomvattend gezaghebbend voorstel” heeft inderdaad niet gespeeld, of
tenminste tot hiertoe; een reeks regeringen heeft die intergouvernementele conferentie als juridisch onmisbaar
beschouwd.
En ondertussen worden 10 staten per 1 mei 2004 lid! Voor een reeks knelpunten zocht de Conventie in wat een
ontwerp van grondwet werd genoemd (een juridisch wel betwistbaar woord) naar een oplossing: het zijn
voornamelijk:
1) de noodzakelijkheid méér meerderheidbeslis-singen te voorzien, b.v. in de toenadering en versterking van de
sociale en fiscale politiek;
2) de keuze tussen het voorzitterschap van de Raad voortaan te laten roteren over 25 voorzitters of een systeem te
bedenken met “minder afwisseling”;
3) het aantal leden bepalen voor het Europees Parlement: structuurprobleem, want de regel “1 burger, 1 stem” leidt
tot een monster Parlement als men b.v. voor Malta insisteert voor een minimale vertegenwoordiging, zij het maar één
vertegenwoordiger. Dus, een Malteser zou meer tellen dan een Duitser;
4) het medebeslissingsrecht van het Parlement veralgemenen;
5) hoeveel commissarissen? Thans 2 per “grote” en 1 per “kleine” staat. Aantal toch reduceren tot 16, of 10, met
rotatie?
Links en Europa
Aanvankelijk waren de vertegenwoordigers van de arbeiders acuut bewust van de noodzaak van een actieve
aanwezigheidspolitiek en van de versterking van het sociale luik van de Verdragen: harmonisatie ban de nationale,
sociale politieke gedragslijnen, verbreiding van de financiële middelen en van de actieterreinen van het sociaal fonds,
het regionaal fonds, het cohesiefonds, enz. Hiervoor moest worden geageerd in al de instellingen van de Unie en niet
enkel, hoe belangrijk ook deze actie was, alleen via de links voelende parlementairen in het Europees Parlement,
maar ook via de nationale Parlementen. In België heeft nooit zoiets bestaan als de gespecialiseerde EU-commissie
van het Deens Parlement, die de Deense minister in de Raad van zeer nabij controleert en instructies geeft; of een
controle door dat nationaal Parlement van de activiteiten van de nationale vertegenwoordiging in de
intergouvernementele conferenties, die nieuwe verdragen moesten voorbereiden. Bob Pourvoyeur herinnert zich de
coöptatie door 8 van de 9 leden van de Hoge Autoriteit van de EGKS, die in 1952 een Belgische socialist
coöpteerden; de zeer actieve en kritische aanwezigheid van de Belgische vakbonden, die hun invloed op de
onderhandelaars van de Rome-verdragen (1955-57) en op de Hoge Autoriteit en later de Commissie, i.v.m.
kartelpolitiek en concentratie van economische macht lieten gelden. Van dit alles bleef na enkele tijd weinig of niets
over. Liever dan enkel de geringe macht van het Europees Parlement aan te klagen, hetgeen goed is, maar totaal
onvoldoende, had links de krachten moeten bundelen om via de nationale overheden in de nieuwe verdragen b.v.
meer bevoegdheden voor het Europees Parlement af te dwingen en elke nationale minister tot meer sociaal voelende
posities in de Raad te dwingen. In de veranderde politieke machtsconstellatie moet er worden geageerd daar waar
bevoegdheden voortaan worden uitgeoefend om die tot invulling van de noodzakelijke maatschappelijke
bevoegdheden te brengen. Bitter klagen achteraf en de nieuwe instellingen boycotten, is het kind met het badwater
weggooien.
Discussie
Tijdens de discussie werd:
1) de rol van het Hof van Justitie benadrukt, die de inbreuken op de Europese wetgeving inderdaad krachtdadig
beteugelt;
2) beschreven over welke inkomsten Europa beschikt en welke de uitgavenstructuur is (klein aandeel van
functioneringsuitgaven en toch gedisproportioneerd aandeel van de landbouwuitgaven;
3)i.v.m. het democratisch deficit, onderstreept:
a)dat het Europees Parlement zijn medebeslissingsrecht ferm ziet uitbreiden (en dat op de nationale parlementen
druk moet worden uitgeoefend om de bevoegdheden van het Europees Parlement nog uit te breiden;
b) dat zolang het Europees Parlement over de competentie beschikt competenties toe te kennen (in het Duitse recht
gekend als Kompetenz-Kompetenz) het Europees Parlement geen echt parlement zal zijn geworden, en
c) dat het federaal karakter van het Europees Parlement belet het beginsel van “1 burger, 1 stem” integraal te
handhaven: immers wil men een minimum garanderen aan de vertegenwoordiging van kleine landen, dan kan men
niet dezelfde proporties geven aan de grote, op straf van een monsterachtig groot parlement te krijgen.
Tekst verschenen in Mfnieuws, kaderblad van het Masereelfonds, jrg. 17, nr. 2 (jaar 2004)
Download