krabbendam.doc - Binnenlands Bestuur

advertisement
Drs. C.J.N. Versteden
Drs. R.J. Persoon
p/a
Gerichtsberg 6
6041 PW Roermond
Aan
- Provinciale Staten van Limburg en hun leden
- het college van Gedeputeerde Staten van Limburg
- de Commissaris van de Koning in de provincie Limburg
Roermond/Bemmel, 30 december 2013
Onderwerp:
Over integriteit gesproken. Reactie op de inbreng van GroenLinks Statenlid mr. G.
Krabbendam tijdens de Statenvergadering van 20 december 2013 inzake het rapport
“Worstelen met integriteit”.
Geacht college,
Op 20 december is in Provinciale Staten ons rapport “Worstelen met integriteit” behandeld.
In deze vergadering is door het lid mr. G. Krabbendam namens de fractie van GroenLinks
zware kritiek uitgeoefend op ons rapport. Daarbij heeft hij de onze deskundigheid,
objectiviteit en integriteit in het geding gebracht. Hij maakte daarbij indruk op een aantal
leden van Uw Staten, die zijn bijdrage prezen, zich afvroegen of mevrouw Van Tulder door
ons rapport geen onrecht was aangedaan en pleitten voor een hernieuwd onderzoek.
De redactie van de Limburger had het betoog van de heer Krabbendam en de reacties
daarop goed begrepen en bracht een artikel daarover op 21 december prominent op de
voorpagina.
Door het optreden van de heer Krabbendam is onze goede naam ernstig beschadigd. De
beschuldigingen van de heer Krabbendam vragen om een duidelijke reactie onzerzijds.
Wij hadden vooraf aangeboden ons tegenover Uw Staten ook mondeling te verantwoorden
over ons rapport, mede omdat wij na de presentatie aan het Presidium reeds voortekenen
zagen van een problematische behandeling in Uw Staten. Een poging om een informatie- en
verantwoordingssessie te organiseren strandde naar wij hebben begrepen in het Presidium;
daar werd gekozen voor een schriftelijke vraag- en antwoordronde, met al haar beperkingen
van dien. In de vergadering van uw Staten konden wij uiteraard niet reageren op de kritiek
en kon per definitie niemand anders van de aanwezigen verantwoording afleggen over de
inhoud van ons rapport.
Daarom reageren wij door middel van deze openbare brief, waarin wij gemotiveerd
aantonen dat de heer Krabbendam zich aan onverantwoord gedrag schuldig heeft gemaakt.
Dit gedrag kon hij zich straf- en civielrechtelijk veilig permitteren omdat hij als
volksvertegenwoordiger in vergadering onschendbaar is. Dit doet aan het laakbare karakter
1
van zijn optreden en aan het feit dat hij op andere wijze ter verantwoording kan worden
geroepen, uiteraard niet af.
Wij zullen ons van duidelijke taal bedienen, zoals de heer Krabbendam ook deed.
In zijn tweede termijn van het Statendebat heeft de heer Krabbendam zalvende woorden
gesproken over zijn intenties bij dit debat. Kijkt men naar wat hij werkelijk heeft gezegd, dan
kan dit slechts als onwaarachtig en leugenachtig worden afgedaan.
Inleiding 1
Het schriftelijk verslag van de Statenvergadering van 20 december is nog niet beschikbaar.
Daarom hebben wij van de bijdrage van de heer Krabbendam een transcriptie laten maken
van de video-opname op de site van de provincie Limburg. Wij voegen deze transcriptie als
bijlage bij deze brief. 2
De heer Krabbendam heeft zijn tekst in eerste termijn, zoals hij die op papier had staan,
inmiddels ook op internet gezet. Zie
http://limburg.groenlinks.nl/files/Bijdrage%20debat%20Worstelen%20met%20integriteit.pd
f. Wij baseren ons op de transcriptie van het gesprokene, waarin ook zijn interruptie bij de
beantwoording in de eerste termijn en zijn tweede termijn zijn opgenomen.
De heer Krabbendam heeft zijn “show” ook – in vier delen - op Youtube gezet. Zoek bij
Youtube op “PS Limburg | GroenLinks over rapport 'Worstelen met integriteit”.
Op pagina 3, midden, van de transcriptie - en ook op andere plaatsen - maakt de heer
Krabbendam duidelijk wat zijn bedoelingen zijn met zijn inbreng.
De heer Krabbendam gaat na of onze onderbouwing goed is en of onze onafhankelijkheid
onomstreden is.
In dat kader gaat hij in, zoals hij zegt, op drie hoofdonderwerpen:
- Het lekken van het e-mailbericht.
- De maatstaven die wij hebben toegepast ten aanzien van belangenverstrengeling.
- De omgangsvormen.
De eerste twee raken ons werk en ons als onderzoekers. Daarop zullen wij dus reageren. En,
om de heer Krabbendam te citeren: wij raden u aan uw oren te spitsen.
1
- Drs. C.J.N. Versteden is jurist, gespecialiseerd in staatsrecht en bestuursrecht en buitenpromovendus
rechtsgeleerdheid (Onderwerp: vooringenomenheid in het bestuursrecht) aan de Radboud Universiteit
Nijmegen. Hij was o.a. gemeentesecretaris van Utrecht en provinciesecretaris/algemeen directeur van NoordHolland alsmede lid van de Raad voor het Openbaar Bestuur. Hij is voorzitter-hoofdredacteur van
bestuursrechtelijk tijdschrift de Gemeentestem alsmede hoofdredacteur van een standaardwerk op het gebied
van het gemeenterecht. Hij is bestuurlijk juridisch adviseur, heeft een aantal publicaties op zijn naam staan en
deed integriteits- en ander onderzoek.
- De heer Persoon is planoloog. Hij was burgemeester in meerdere gemeenten, onder andere de gemeente
Lingewaard en deed eerder ook integriteitsonderzoek.
2 Wij tekenen overigens aan dat de bijdrage van de heer Krabbendam, zoals hij die op papier heeft gezet,
inmiddels ook op internet staat. Zie
http://limburg.groenlinks.nl/files/Bijdrage%20debat%20Worstelen%20met%20integriteit.pdf. Wij baseren ons
op de transcriptie van het gesprokene.
2
De heer Krabbendam over het lekken en klokkenluiden (p. 3-6 van de transcriptie)
1. De heer Krabbendam staat in dit onderdeel van zijn betoog allereerst stil bij het deel van
ons rapport dat gaat over de vraag of sprake is van lekken en waarin wij het lekken van het
e-mailbericht kwalificeren als een vorm van klokkenluiden. Hij probeert aan de hand van
literatuur duidelijk te maken wanneer sprake is van klokkenluiden en gaat daarbij in op de
verhouding tussen klokkenluiden en lekken.
2. Vervolgens gaat hij uitvoerig in op de jurisprudentie van het Europees Hof voor de
Rechten van de Mens en de zes criteria die daarin worden gehanteerd door het Hof; dit doet
hij na te hebben geconstateerd dat wij inzake klokkenluiden geen (nationale) wetgeving
hebben.
De aanpak en redeneerlijn van ons onderzoek en rapport
Voordat wij ingaan op deze twee onderdelen van de beschouwingen van de heer
Krabbendam brengen wij in herinnering wat de aanpak en redeneerlijn in ons onderzoek en
rapport op dit punt was.3
a. Wij hebben overeenkomstig onze opdracht serieus gepoogd de bron van het lekken op te
sporen. Dat hebben wij gedaan door middel van soms indringende vraagstellingen. Dit heeft
er niet toe geleid dat wij de bron hebben ontdekt.
Er was nog één middel dat wij konden aanwenden om misschien de bron te vinden. Dat was
het nagaan van de bewegingen van het bewuste e-mailbericht op de server van het
geautomatiseerde systeem van de provincie in de periode voorafgaand aan het bij de pers
belanden van de inhoud van het bericht. Dan gingen wij uit van de vooronderstelling dat het
bij de pers terechtkomen van de inhoud van het bericht gepaard was gegaan met
verplaatsingen of dergelijke van het mailtje. Of dat het geval was, was overigens de vraag,
aangezien navraag bij de redactie van de Limburger ons leerde dat de journalist “in de
gelegenheid (was) geweest om kennis te nemen van de letterlijke tekst van de e-mail” en het
dus niet zeker is dat men het mailtje in bezit had, zoals op 24 oktober 2013 wel werd gemeld
door de Limburger. Wij hebben onderzocht of het mogelijk en toelaatbaar zou zijn de
gangen van het mailtje in de bewuste periode na te trekken. Ons bleek dat dit technisch wel
mogelijk was. Maar naar het oordeel van de verantwoordelijken in de provinciale organisatie
moest eraan worden getwijfeld of dit rechtens (grondrechten, wetgeving, jurisprudentie)
toelaatbaar zou zijn, gezien de privacy-aspecten van medewerkers, bestuurders en anderen
die daaraan vastzitten. De rechter laat blijkens de jurisprudentie het kijken in e-mailverkeer
van werkgeverszijde slechts toe indien daar zeer zwaarwegende gronden voor bestaan, zoals
het nagaan of strafbare feiten zijn gepleegd of in geval er ernstige schade aan het bedrijf is
toegebracht. Conclusie was dat we dit alleen verantwoord zouden kunnen doen indien alle
betrokkenen er vooraf schriftelijk toestemming voor zouden verlenen. Het was natuurlijk
zeer de vraag of we de toestemming van allen zouden verkrijgen, als we al goed zouden
kunnen vaststellen wie die “allen” waren. Het was ons duidelijk dat een onderzoek op de
server naar we moesten aannemen geen realistische mogelijkheid was.
3
Zie ons rapport, hoofdstuk 6, alsmede onze antwoorden op de vragen.
3
Wij hebben definitief besloten op deze weg niet verder te gaan, toen onze bevindingen
vaststonden ten aanzien van de vraag of hier wel van (rechtens ontoelaatbaar/laakbaar)
lekken sprake was geweest. Het antwoord op deze vraag was bepalend voor de vraag of we
wel op zoek waren naar iets dat ontoelaatbaar was en dus of het überhaupt toelaatbaar zou
kunnen zijn het e-mailverkeer in te zien. Daarover verderop.
De conclusie niet verder te gaan, hadden wij strikt genomen ook kunnen trekken nadat onze
aanvaardbare en reële onderzoeksmogelijkheden naar de bron van het lekken waren
uitgeput, en wij hadden ons onderzoek toen op dat punt dus kunnen beëindigen, maar wij
hebben niettemin willen stilstaan bij verdere vragen, omdat wij vonden dat daarbij relevante
aspecten aan de orde waren en omdat dit van belang kon zijn voor het beantwoorden van
de vraag of een ander middel zou kunnen worden aangewend waarvan wij in ons rapport4
gewag hebben gemaakt:
- aangifte van een strafbaar feit bij het openbaar ministerie, dat over sterkere
onderzoeksmiddelen beschikt dan wij en/of
- het houden van een formele enquête door Provinciale Staten, met de mogelijkheid van het
onder ede horen van personen.
Het is belangrijk er nota van te nemen dat onze beschouwingen over klokkenluiden niet
hebben gefungeerd als argument om onzerzijds niet verder te zoeken naar het lek. De
uitvoerige en nadrukkelijke aandacht die de heer Krabbendam aan dit onderwerp wijdt
suggereert dat dat het geval is geweest, maar dat is nadrukkelijk niet het geval, zoals uit ons
rapport blijkt. Zoals we hiervoor hebben uiteengezet waren onze mogelijkheden om de bron
van het lek op te sporen realiter uitgeput. Zouden wij hebben geconcludeerd dat er geen
sprake was van klokkenluiden, dan zou dat niet tot een ander resultaat hebben geleid. Onze
beschouwingen dienden voor de oordeelsvorming over de vraag of verdere actie van
anderen te overwegen zou zijn. Daarover mag de heer Krabbendam en mogen Provinciale
Staten en anderen een ander standpunt innemen, al dan niet met gebruikmaking van onze
beschouwingen of met die van de heer Krabbendam. Wel is intussen komen vaststaan dat
het Openbaar Ministerie geen strafrechtelijk onderzoek zal gaan doen. De heer Krabbendam
moet als geen ander weten hoe hij een poging kan doen het Openbaar Ministerie tot een
andere opstelling te brengen. Zou op dit punt een andere standpunt worden ingenomen,
dan raakt dat niet onze deskundigheid en objectiviteit en hebben wij daar geen enkele
moeite mee.
In reactie op het antwoord van de Commissaris van de Koning in de eerste termijn van de
beraadslaging heeft de heer Krabbendam5 bij interruptie gezegd dat op het e-mailbericht
van mevrouw Van Tulder auteursrecht rustte en dat het lekken van de inhoud daarvan
derhalve uit anderen hoofde dan artikel 272 van het Wetboek van Strafrecht een strafbaar
feit opleverde. Hij zei dat dit bleek uit de rechtspraak op het terrein van het ict-recht.
Doorslaggevend is daarbij volgens hem het feit dat de auteur er lang voor is gaan zitten en er
veel werk van heeft gemaakt om het bericht te schrijven. Aan deze eisen zou mevrouw Van
Tulder volgens hem hebben voldaan. Hier moeten wij constateren dat de heer Krabbendam
de juridische plank volledig misslaat, zoals dat ook op andere plaatsen het geval is. In de
eerste plaats is hier geen sprake van een doorwrocht document van mevrouw Van Tulder
4
5
P. 23/24 van ons rapport
Zie p. 11/12 van de transcriptie.
4
waar veel tijd in gestoken is en veel werk van is gemaakt. Zij heeft zelf trouwens toegegeven
dat zij er niet goed over had nagedacht. Maar dat terzijde.
Bij auteursrecht moet het volgens artikel 1 van de Auteurswet gaan om een werk op het
gebied van kunst, literatuur of wetenschap. Volgens de rechtspraak daarover moet het, om
auteursrechtelijke bescherming te genieten, betreffen een origineel, creatief werk met een
eigen oorspronkelijk karakter. Het werk moet voorts een persoonlijk stempel dragen, d.w.z.
het moet een schepping zijn van de menselijke geest. Het gaat niet om de duur of intensiteit
van de inspanningen, maar om de inhoudelijke kenmerken.
Men kan mevrouw Van Tulder met het e-mailbericht mogelijk een bepaalde creativiteit
toedichten, maar dat is dan een andere creativiteit dan waar de Auteurswet op doelt.
Hetzelfde kan gezegd worden van hetgeen de heer Krabbendam ook hier debiteerde. De
heer Krabbendam grabbelt maar wat in teksten en verkondigt vervolgens met veel aplomb
zogenaamde vaststaande waarheden en beschuldigt en beschadigt daarbij met het grootste
gemak mensen6.
b. Wij hebben dus, onverminderd onze nadrukkelijke pogingen het lek te achterhalen,
besloten in te gaan op de vraag of hier sprake was van lekken. Dat was, als gezegd, van
belang om te weten of er überhaupt wel iets onrechtmatigs/ontoelaatbaars was gebeurd
met het naar buiten brengen van het mailtje.
Er bestaat geen algemeen geldende definitie van lekken. Wij hebben daarom gezocht naar
een heersende opvatting of iets dat daarop lijkt in de literatuur. Dat leidde ons tot de
definitie die wij op bladzijde 21 van ons rapport hebben vermeld: het naar buiten brengen
van geheime of vertrouwelijke informatie. Wij hebben daarbij in een voetnoot vermeld op
welke bronnen wij hebben deze definitie lieten steunen.
In deze definitie staat centraal dat, om van lekken te kunnen spreken, sprake moet zijn van
(geheime of) vertrouwelijke informatie. Wij gingen dus vervolgens na of bij het mailtje
sprake was van vertrouwelijke informatie. Kort samengevat was onze conclusie7: er staat wel
vertrouwelijk op het mailtje, maar de facto, gelet op de feitelijk inhoud en duidelijke
bedoelingen ervan en ermee, moest de aanduiding vertrouwelijk met een korreltje zout
worden genomen, een constatering die door de Hoofdofficier van Justitie wordt gedeeld,
naar later is gebleken.
Dus: er was geen sprake van vertrouwelijke informatie en dus niet van lekken. En derhalve
was er geen sprake van iets onrechtmatigs of absoluut ontoelaatbaars.
c. Voor het geval dat men zou kunnen twijfelen over het al dan niet vertrouwelijke karakter
van het mailtje en dus zou kunnen vinden dat er wel sprake was van lekken, hebben wij ons
afgevraagd of we dan niet te maken hadden met een gerechtvaardigde vorm van lekken:
klokkenluiden.
Daarbij draait het om de vraag of sprake is van het naar buiten brengen van een misstand.
Wij constateerden kort gezegd dat belangenverstrengeling van een Statenlid een misstand is
en dat het bij het lekken, indien daarvan al sprake was, dus om een vorm van klokkenluiden
ging. Voorts constateerden wij dat klokkenluiden bij ons een zekere bescherming geniet, zij
6
7
Om vervolgens te verklaren dat dat zijn bedoeling niet was (zie p. 12 van de transcriptie).
Zie p. 21/22 van ons rapport.
5
het dat wel wordt geëist dat de klokkenluider aan bepaalde zorgvuldigheidseisen voldoet om
die bescherming te genieten.8
Na vorenstaande uiteenzetting over onze aanpak en redeneerlijn in dit kader zullen wij een
aantal opmerkingen maken bij het betoog van de heer Krabbendam. Wij refereren daarbij
aan de hiervoor genoemde onderdelen 1 en 2 van zijn betoog.
Ad 1. De uiteenzetting van de heer Krabbendam over klokkenluiden en lekken.
Zoals wij hiervoor hebben uiteengezet hadden wij onze beschouwingen omtrent het lekken
van het e-mailbericht kunnen beëindigen na de constatering dat we de bron van het lek
ondanks onze inspanningen niet hadden gevonden, terwijl ook een onderzoek op de server
geen realistische mogelijkheid was.
Wij hebben ook uiteengezet waarom wij toen toch nog een tweetal vragen hebben menen
te moeten bezien, namelijk of er sprake was van (onrechtmatig/verwijtbaar) lekken en of er
sprake was van klokkenluiden. Ons antwoord op de eerste vraag is als gemeld later
bevestigd door de Hoofdofficier van Justitie, die dan ook heeft besloten geen strafvorderlijke
actie te ondernemen.9
De heer Krabbendam meende op de beide kwesties nog uitvoerig te moeten ingaan. Dat
deed hij, zo blijkt uit zijn inleiding, om aan te tonen dat de onderbouwing van onze
bevindingen en conclusies niet deugden en in feite, zoals blijkt, ook om een sfeer van
verdachtmaking te creëren rond onze deskundigheid en objectiviteit. Dit met voorbijgaan
aan onze redeneerlijn en aanpak. In een vergadering waarin je als volksvertegenwoordiger
onschendbaar bent en de beklaagden zich niet kunnen verweren, kan zoiets, zoals wij eerder
opmerkten, ongestraft, ook al zijn de beschuldigingen die je naar voren brengt ongegrond.
Over integriteit gesproken!10 Hij wijdde aan deze punten niet al zijn aandacht om eventueel
tot een andere conclusie dan de onderzoekers te komen ten aanzien van de vraag of verdere
stappen zouden moeten worden gezet door het openbaar ministerie of Provinciale Staten.
Of om er voordeel mee te doen bij de Statendiscussies over integriteit. Nee, de
onderzoekers moesten ervan langs krijgen.
Nu onze opmerkingen met betrekking tot het betoog van de heer Krabbendam met
betrekking tot de materie van punt 1.
a. De heer Krabbendam zegt: “aangezien iedereen ontkent en er niets te bewijzen valt
zonder forensisch onderzoek gaan we (de onderzoekers , V. en P.) uit van de hypothese dat
de e-mail die was betitelt als “vertrouwelijk” , op miraculeuze wijze bij de media is
terechtgekomen. Dat maakt volgens de onderzoekers echter niet uit want de lekker heeft
8
Voor meer aanduidingen van wat onder klokkenluiden wordt verstaan verwijzen wij naar de pagina’s 5-7
(Over Ad 1 … ).
9
De heer Heemels heeft in zijn tweede termijn van het debat gezegd dat het openbaar ministerie op grond van
artikel 8 van het Europees Verdrag inzake de Rechten van de Mens een grond zou vormen voor strafvorderlijke
actie en dat hij daarnaar onderzoek zal laten doen. Wij adviseren hem zich die moeite te besparen. Het EVRM
stelt namelijk niets strafbaar.
10
Overigens is zijn onschendbaarheid inmiddels opgeheven voor wat betreft de tekst van zijn inbreng die hij op
internet heeft geplaatst.
6
met zijn of haar daad een misstand aan de kaak gesteld en is daarom geen lekker maar een
klokkenluider. En dat hij of zij zich niet als zodanig kenbaar heeft gemaakt, maakt niet uit.”
Hier blijkt dat de heer Krabbendam ons rapport niet goed gelezen heeft of het niet goed
begrijpt.
Allereerst merken we op dat voor ons niet gold dat het niet uitmaakt dat we de lekker niet
hebben gevonden, integendeel, zoals hiervoor is gebleken. Wij hebben gedaan wat we
konden om de lekker te ontdekken, maar zijn daar tot onze teleurstelling niet in geslaagd.
Geen hypothese dus of aanvaarding van een mirakel.
Voorts hebben wij niet gezegd dat de lekker geen lekker maar een klokkenluider is. Als de
heer Krabbendam ons rapport goed gelezen heeft, ziet hij dat wij hebben geconstateerd dat
wij ervan uitgaan dat van lekken geen sprake was omdat het geen vertrouwelijke informatie
betrof, maar hebben wij voor het geval dat men zou willen aannemen dat het wel om lekken
ging, nagegaan of we met een klokkenluider te maken hadden. Een goed jurist en zeker een
gerechtssecretaris (de heer Krabbendam heeft zelf in stelling gebracht dat hij
gerechtssecretaris is11) leest goed en redeneert consistent, iets wat hij als het goed is niet
aflegt zodra hij een politieke rol speelt, althans op z’n minst indien hij zich daarin op
juridische deskundigheid voorstaat.
Voorts: of de klokkenluider zich als zodanig niet kenbaar gemaakt heeft, maakt inderdaad
niet uit voor de vraag of er van klokkenluiden sprake is. Dat spreekt voor zich, indien we
ervan uitgaan dat de inhoud van het mailtje niet toevallig uit het raam is gewaaid. Er is
informatie over een misstand naar buiten gebracht. Tenzij men belangenverstrengeling bij
een volksvertegenwoordiger niet als een misstand wil zien. Wij komen hierop nog terug
waar het het eventuele motief van de lekker betreft. Een andere vraag is of we te maken
hebben met een klokkenluider die bescherming verdient. De vraag of het om een
klokkenluider gaat dient te worden onderscheiden van de vraag of de klokkenluider, als hij
als zodanig bekend wordt en er zich op beroept, aanspraak kan maken op bescherming.
b. De heer Krabbendam zegt: “Maar om bescherming te verdienen moet de klokkenluider
zich wel aan bepaalde regels van zorgvuldigheid houden.”
Dat is niet nieuw; wij hebben dat in ons rapport ook gezegd12.
In dat kader gaat de heer Krabbendam vervolgens uitgebreid, zij het enigszins warrig, in op
literatuur omtrent het begrip lekken en het begrip klokkenluiden alsmede op de verhouding
tussen lekken en klokkenluiden. Het is opmerkelijk dat hij het doet voorkomen alsof hij die
literatuur zelf heeft opgespoord en ons aldus heeft kunnen verbeteren. Maar het is de
literatuur die wij ook hebben geraadpleegd en die wij daarom ook in een voetnoot op
bladzijde 21 van ons rapport hebben vermeld. Een niet chique methode om te adstrueren
dat onderzoekers niet zorgvuldig of ondeskundig zijn geweest en om zelf te scoren.
c. Vervolgens zegt de heer Krabbendam, zoekend naar houvast voor klokkenluiden en
zorgvuldigheidseisen, in zijn sprong naar de jurisprudentie van het Europees Hof voor de
Rechten van de Mens (EHRM) vluchtig dat er geen nationale regelgeving over klokkenluiden
is. Dat klopt op zichzelf indien men het accent legt op de term “nationale”. Maar hier moet
wel onmiddellijk bij worden aangetekend dat het wel bijna zover is. Het is de heer
Krabbendam mogelijk ontgaan dat het initiatief-wetsvoorstel voor een “Huis voor
Klokkenluiders” drie dagen vóór het Statendebat, op 17 december j.l., door de Tweede
11
12
Zie p 2 van de transcriptie.
P 22/23 van ons rapport.
7
Kamer is aanvaard. Het moet natuurlijk ook nog worden aanvaard door de Eerste Kamer
(hetgeen niet zeker schijnt te zijn), maar indien men zoekt naar een definitie en
zorgvuldigheidseisen voor klokkenluiden en men onderzoekers wil bestrijden, is het
raadzaam en logisch een blik op dat wetsvoorstel13 te werpen. Daarin wordt klokkenluiden in
artikel 4, lid 1, als volgt omschreven: “Een werknemer kan bij het Huis een op redelijke
gronden gebaseerd vermoeden van een misstand binnen de organisatie waarbij hij
werkzaam is of is geweest melden, indien het maatschappelijk belang in het geding is bij: a.
de schending van een wettelijk voorschrift; b. een gevaar voor de volksgezondheid; c. een
gevaar voor de veiligheid van personen; d. een gevaar voor de aantasting van het milieu; e.
een gevaar voor het goed functioneren van de openbare dienst of een onderneming als
gevolg van een onbehoorlijke wijze van handelen of nalaten.”
Het is duidelijk dat het lekken van het mailtje in ons geval binnen deze omschrijving valt. Een
andere vraag is natuurlijk of de hier aan de orde zijnde belangenverstrengeling door het Huis
zou worden behandeld. Daarvoor zijn uiteraard bepaalde drempels opgeworpen.
Zorgvuldigheidseisen worden in het wetsvoorstel niet genoemd.
Voorts maakt de heer Krabbendam geen melding van het feit dat wel lagere wettelijke
regelingen gelden, zoals bijvoorbeeld, om dicht bij huis te blijven, bij de provincie Limburg. In
artikel 2, eerste lid, van de Limburgse verordening staat: “De ambtenaar die een vermoeden
van een misstand in de provinciale organisatie wil melden doet dat bij zijn direct
leidinggevende of, als het vermoeden van een misstand betrekking heeft op zijn direct
leidinggevende, bij zijn naast hogere leidinggevende. Indien de ambtenaar melding aan een
van zijn leidinggevenden niet wenselijk acht kan hij een vermoeden van een misstand in de
provinciale organisatie melden bij een vertrouwenspersoon.” Daaruit kan worden afgeleid
wat een klokkenluider (melder) is. En artikel 1, eerste lid, zegt wat een (vermoeden van)
misstand is: : “een vermoeden van

schending van wettelijke voorschriften of beleidsregels;

een gevaar voor de gezondheid, de veiligheid of het milieu;

een onbehoorlijke wijze van functioneren die een gevaar vormt voor het goed
functioneren van de openbare dienst”.
De regeling bevat de zorgvuldigheidseis van voorafgaand melden bij leidinggevenden of
vertrouwenspersoon (overigens: onverminderd het recht meteen naar buiten te gaan, maar
dan zal men daar een gegronde reden voor moeten hebben; zie ons rapport daarover). Deze
regeling betreft alleen ambtelijke medewerkers van de provincie, geen bestuurders.
Vervolgens gaat de heer Krabbendam niet in op een in dit kader belangrijk recent arrest van
de Hoge Raad over klokkenluiden: het arrest Quirijns/TGB van 26 oktober 201214. De Hoge
Raad doet daarin een uitspraak over de voorwaarden waaraan een werknemerklokkenluider bij ons moet voldoen. In de literatuur is het opvallend genoemd dat de Hoge
Raad daarin geen toepassing geeft aan de door de heer Krabbendam centraal gestelde zes
criteria die het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens hanteert. Onder andere
spreekt de Hoge Raad zich in positieve zin uit over het in bepaalde gevallen direct naar
buiten gaan met een klokkenluidersboodschap.
13
14
Kamerstukken 33 258.
LJN BW9244
8
En tenslotte had de heer Krabbendam te rade kunnen gaan bij het Adviespunt
Klokkenluiders, dat klokkenluiders binnen de overheid en het bedrijfsleven ondersteunt en
sinds 1 oktober 2012 bestaat. Dat adviespunt omschrijft klokkenluiden en klokkenluider als
volgt: “Klokkenluiden gaat over vermoedens van misstanden in organisaties, waarbij een
maatschappelijk belang in het geding is. Iemand luidt de klok als hij iemand anders vertelt
over een misstand waarvan hij door zijn werk kennis heeft. Dit kan bijvoorbeeld aan zijn
leidinggevende , een vertrouwenspersoon, een toezichthoudende instantie, klanten, de
politie of de media. Klokkenluiden kan dus zowel intern als extern melden inhouden.”
Het adviespunt hanteert bij zijn advisering van klokkenluiders ook bepaalde
zorgvuldigheidsnormen, die van situatie tot situatie en van context tot context verschillend
zullen zijn.
Conclusie ten aanzien van Ad 1:
De heer Krabbendam gaat bij zij beschouwingen over klokkenluiden en zorgvuldigheidseisen
met een grote sprong naar de zorgvuldigheidseisen van het EHRM, zonder zich af te vragen
wat de betekenis daarvan voor de materie van ons onderzoek kan zijn en zonder eerst te
kijken wat in ons land aan regelgeving en jurisprudentie bestaat. Een jump to conclusions?
Ad 2: De bespreking van de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de
Mens (EHRM) door de heer Krabbendam
Dan gaan wij nu in op de uiteenzetting van de heer Krabbendam inzake de jurisprudentie
van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
Wij zullen ons hierbij beperken tot enkele essentiële punten.
Allereerst: de heer Krabbendam zegt: “die jurisprudentie is er gekomen omdat
klokkenluiders in beroep zijn gegaan tegen hun ontslag bijvoorbeeld. Het gaat daarbij dus
meestal om de verhouding zoals ik zei tussen werknemer en werkgever. Maar dat maakt de
richtlijnen van het Europees Hof daarmee nog niet irrelevant voor het lekken en
klokkenluiden in de politiek.”
Zoals hiervoor al bleek uit het arrest Quirijns/TGB van de Hoge Raad van 2012, is het nog
maar de vraag of deze jurisprudentie, die de vrijheid van meningsuiting als rechtvaardiging
van klokkenluiden15 betreft, zonder meer bepalend is voor werknemers in Nederland. Het is
duidelijk dat dit nog geen uitgemaakte zaak is, gegeven de bestaande Nederlandse
wetgeving inzake de arbeidsovereenkomst.
En nog meer terughoudendheid is geboden indien men bedoelde jurisprudentie van
toepassing wil laten zijn op lekken door volksvertegenwoordigers. Volksvertegenwoordigers
hebben met niemand een arbeidscontract, zij hebben geen baas en klokkenluiden is in de
politieke praktijk een ander fenomeen dan elders. Daar zullen dus wezenlijk andere
spelregels en zorgvuldigheidsnormen gelden en andere mechanismen om de inachtneming
van spelregels eventueel af te dwingen.
Het is dus zeker rechtens zinloos om de exercitie aan de hand van de zes criteria te maken
die de heer Krabbendam maakt. Het kan alleen zinvol zijn te bezien of en in hoeverre men
voor de politieke praktijk inspiratie kan halen uit de criteria van het Europees Hof.
15
Artikel 10 Europees Verdrag inzake de Rechten van de Mens (EVRM).
9
Waar we ook op moeten wijzen, is dat de heer Krabbendam de strekking van de door hem
aangehaalde uitspraken selectief hanteert en naar zijn hand zet. Hij laat relevante gegevens
weg.
Zo vermeldt hij niet dat het EHRM klokkenluiden welwillend lijkt te benaderen16.
Voorts vermeldt de heer Krabbendam niet dat uit de EHRM-uitspraak inzake
Heinisch/Duitsland van 2011 blijkt dat het bij misstanden ook kan gaan om meer alledaagse
misstanden en dat de rechten van de klokkenluider ook dan gelden. Het begrip “misstand”
wordt ruim uitgelegd en het hoeft dus niet om “grote” landelijke aandacht trekkende zaken
te gaan zoals de heer Krabbendam opsomt, maar het kan ook de belangenverstrengeling van
bijvoorbeeld een individuele bestuurder betreffen, zo kan men hieruit afleiden.17
De heer Krabbendam18 heeft ons een verwijt gemaakt dat wij aan het motief van de lekker
geen gewicht hebben toegekend in onze beschouwing over klokkenluiden in het rapport. Hij
laat in zijn bespreking van de jurisprudentie van het EHRM echter achterwege dat in de
EHRM-uitspraak inzake Heinisch/Duitsland van 2011 door het Hof uitdrukkelijk wordt
overwogen dat de klokkenluider als zodanig erkend wordt ook al heeft daarbij tevens
eigenbelang van hem gespeeld19. Dat is in de zaak die in Provinciale Staten aan de orde was
uiterst relevant, maar kwam in zijn betoog en opzet kennelijk niet zo goed van pas. En dus
maakte hij er maar geen gewag van.
En tenslotte: bij het criterium inzake de schade die de organisatie oploopt schetst de heer
Krabbendam een beeld van de schade die door het lekken in Provinciale Staten is ontstaan,
maar maakt hij geen duidelijke afweging tussen die schade en de schade van
belangenverstrengeling en laadt hij de verdenking op zich daar om opportunistische redenen
even minder oog voor te hebben. Het valt trouwens op dat de heer Krabbendam zich niet wil
uitspreken over de vraag of onze conclusies ten aanzien van de belangenverstrengeling bij
mevrouw Van Tulder juist zijn. Dit verdraagt zich ook niet echt met de wijze waarop hij
apodictisch sprak over de casuïstiek van de dilemmadiscussies waaraan hij als
gerechtssecretaris heeft moeten deelnemen.20
Zou de heer Krabbendam al deze punten hebben verwerkt in zijn betoog, dan zou een
wezenlijk ander beeld zijn ontstaan van de betekenis van de jurisprudentie van het EHRM.
Conclusie ten aanzien van onderdeel 2:
- Het kan interessant en nuttig zijn de zes criteria van het EHRM te gebruiken in een discussie
over klokkenluiden, maar men kan die niet een-op-een overnemen voor de verhoudingen in
de politiek.
- Men moet zich goed realiseren dat het de vraag is welke gelding deze criteria bij ons
hebben, in de verhouding werkgever-werknemer, maar zeker daarbuiten. Nog meer moet
men zich afvragen of en hoe eventueel deze criteria in de politiek kunnen worden toegepast.
16
Mr. F.C. van Uden, Klokkenluiden: verder van huis met het Huis, Arbeidsrecht, aflevering 3, maart 2013, p. 13
en 16.
17
Ibid., p. 14 en 18.
18
Zie pagina 6 van de transcriptie
19
Ibid., p. 15/16.
20
Zie p. 2 van deze brief en p. 12 van de transcriptie.
10
- De heer Krabbendam trekt de strekking van de criteria van het EHRM naar zich toe via
onder andere weglating van essentiële elementen uit de jurisprudentie, dit met een
kennelijk vooropgesteld doel: ons als onderzoekers in een kwaad daglicht stellen.
- De wijze van opereren van de heer Krabbendam kan de toets aan de eisen van juridische
gedegenheid en zorgvuldigheid en integer handelen dus niet doorstaan. Hij heeft ons (ten
onrechte, zoals we nog zullen laten zien) verweten halve waarheden te hebben gebracht en
heeft daarmee de voorpagina van de Limburger gehaald, maar hij blijkt zelf ons voor politiek
gewin met behulp van halve en verdraaide waarheden te beoordelen en beschadigen.
De zogenaamde halve waarheid van de onderzoekers over het toetsingskader
(p. 6-11 van de transcriptie)
Op pagina 6 e.v. begint de heer Krabbendam een betoog over de jurisprudentie van de
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State met betrekking tot artikel 2:4 van de
Algemene wet bestuursrecht, dat handelt over vooringenomenheid en
belangenverstrengeling. Hij raadt daarbij iedereen aan zijn oren te spitsen. Dit raadt hij aan
omdat hij verderop zal betogen dat wij, en in het bijzonder onderzoeker Versteden, u de
halve waarheid hebben verteld over de jurisprudentie van de Afdeling en u bewust ten
onrechte de stuipen op het lijf te hebben gejaagd met betrekking tot ongeoorloofde
verstrengeling van belangen. Hij leidt hier een zware beschuldiging in onze richting in, in elk
geval ziet hij het klaarblijkelijk als een zware beschuldiging die onze integriteit als
onderzoekers raakt.
Wij nemen deze beschuldiging ernstig op.
Ook hier blijkt de heer Krabbendam slachtoffer te zijn geworden van juridische onkunde op
het terrein van het bestuursrecht, slecht lezen, boos opzet en/of gebrek aan integriteit. Wij
zullen dit aantonen.
De heer Krabbendam bespreekt de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de
Raad van State inzake Winsum (2002) en Loenen (2011)21. Na – met de nodige ridiculisering de leden van de Staten moraliserend te hebben toegesproken over wat de door ons
gehanteerde maatstaven betekenen komt hij bij zijn apotheose. Hij gaat kijken naar de
onderzoekers, zoals hij het aankondigt. Die zijn prominent22 lid van het CDA en hadden zich
derhalve verre van dit onderzoek moeten houden, al zeggen zij wel dat zij goede
bedoelingen hadden. En dan komt de climax: de onderzoekers hebben met de door hen
aangelegde en voor de leden van de Staten ingrijpende maatstaven in hun rapport maar een
deel van het verhaal vertelt. Versteden heeft in bestuursrechtelijk tijdschrift De
Gemeentestem in 2013 een artikel geschreven over een tweetal recente uitspraken van de
Afdeling bestuursrechtspraak en heeft daarin geconstateerd dat de Afdeling haar koers heeft
bijgesteld. Het geheel brengt de heer Krabbendam met de overduidelijke suggestie dat de
onderzoekers, in het bijzonder Versteden, bewust relevante informatie hebben
21
In ons rapport hebben wij abusievelijk een paar keer gesproken van 2010 in plaats van 2011.
Waar de heer Krabbendam de kwalificatie “prominent” op baseert is ons onduidelijk; wij zijn lid van het CDA
maar nemen verder geen bijzondere positie in in het CDA en zijn ons niet bewust van prominentie. In deze
geest ook de gouverneur in zijn beantwoording in eerste termijn. Bij de opmerkingen van de heer Krabbendam
vraagt men zich af hoe hij zijn prominent GroenLinkserschap durft te combineren met de functie van
gerechtssecretaris.
22
11
achtergehouden en de Staten op het verkeerde been hebben gezet en dat de onderzoekers
niet integer zijn.
Het laatste woord is hierover nog niet gesproken zegt de heer Krabbendam. Daarbij toonde
hij een vooruitziende blik. Hij wordt door ons op zijn wenken bediend.
De heer Krabbendam heeft over het hoofd gezien of bewust niet vermeld dat wij in ons
rapport bij de samenvatting van de jurisprudentie wel melding hebben gemaakt van
jurisprudentie van 2013, alvorens een compacte samenvatting van de elementen van de
jurisprudentie te geven. Deze samenvatting slaat, zoals duidelijk is, op alle jurisprudentie,
inclusief die van 2013, zij het dat wij ons daarbij uiteraard hebben beperkt tot de elementen
die voor ons onderzoek van belang zijn.
De uitspraken Graft-De Rijp en Middelburg waren voor ons onderzoek niet van belang. Dat
de heer Krabbendam dat anders ziet, berust naar wij vermoeden op gebrek aan
bestuursrechtelijke kennis en niet goed gelezen of begrepen hebben.
Wat was de essentie van beide uitspraken?
De overwegingen in de uitspraak Graft-De Rijp23 die hier van belang zijn luiden als volgt (wij
geven de overwegingen cursief weer):
12.5. Ten aanzien van de beweerdelijke schending van artikel 2:4, tweede lid, van de Awb
overweegt de Afdeling dat deze bepaling ertoe strekt de burger een waarborg te bieden voor
naleving van de in het eerste lid neergelegde norm. Daartoe wordt, niet aan de in de bepaling
bedoelde personen individueel, maar aan het tot besluiten bevoegd bestuursorgaan, een zorgplicht
opgelegd die in elk geval inhoudt dat door het orgaan wordt voorkomen dat de besluitvorming niet
meer voldoet aan de in het eerste lid neergelegde norm. Met het begrip "persoonlijk" is blijkens de
wetgeschiedenis van de totstandkoming van artikel 2:4 van de Awb (Kamerstukken II, 1988/89, 21
221, nr. 3, blz. 55) gedoeld op ieder belang dat niet behoort tot de belangen die het
bestuursorgaan uit hoofde van de hem opgedragen taak behoort te behartigen. In aanmerking
genomen dat het hier gaat om besluitvorming door de gemeenteraad die een belangenafweging
vergt waarbij politieke inzichten een belangrijke rol spelen, ligt het in de rede voor de invulling van
het begrip "persoonlijk belang" aansluiting te zoeken bij artikel 28, eerste lid, onder a, van de
Gemeentewet. Deze bepaling dient strikt te worden uitgelegd, nu daarbij het fundamentele recht
van een raadslid om deel te nemen aan een stemming wordt ingeperkt.
12.6. Uit artikel 2:4 van de Awb volgt dus - en de Afdeling preciseert hiermee haar uitspraak van
22 juni 2011 in zaak nr. 201007983/1/R2 - in het algemeen niet dat een persoon die deel
uitmaakt van een democratisch gekozen bestuursorgaan zoals de gemeenteraad en die bij een
besluit belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, zich zou moeten
onthouden van deelname aan de besluitvorming. Dit zou afbreuk doen aan de taak en de
fundamentele rechten van een gekozen volksvertegenwoordiger en daarmee aan het democratisch
proces.
Er kunnen zich evenwel bijkomende omstandigheden voordoen die maken dat de behartiging van
het persoonlijk belang van een raadslid zodanig aan de orde is bij het onderwerp van de
besluitvorming dat hij daaraan niet behoort deel te nemen. Weliswaar kan de gemeenteraad niet
verhinderen dat een lid deelneemt aan de besluitvorming en aan stemmingen, maar deelname van
23
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 16 februari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ0796,
NJB 2013/405; JB 2013/62 met annotatie door L.J.M. Timmermans; Gst. 2013/49 met annotatie door C.J.N.
Versteden; JOM 2013/158; JIN 2013/105 met annotatie door L.J.M. Timmermans; AB 2013/210 met annotatie
door A.R. Neerhof. Wij verwijzen ook naar de documentatie die u voor de Statenvergadering door de voorzitter
is gestuurd.
12
een lid kan er bij aanwezigheid van zo’n persoonlijk belang wel toe leiden dat de bestuursrechter
tot het oordeel moet komen dat het desbetreffende besluit is genomen in strijd met artikel 2:4 van
de Awb. De conclusie dat het betrokken bestuursorgaan in strijd met deze bepaling een besluit
heeft genomen, kan echter pas worden getrokken indien aannemelijk is dat de betrokken
volksvertegenwoordiger de besluitvorming daadwerkelijk heeft beïnvloed. In de hiervoor vermelde
uitspraak van 22 juni 2011 waren bijkomende omstandigheden als vorenbedoeld om tot strijd met
artikel 2:4 van de Awb te concluderen aanwezig. Het betrokken raadslid woonde en werkte op het
bedrijventerrein waarvoor het aan de orde zijnde bestemmingsplan werd vastgesteld en juist hij
had amendementen ingediend die tot strekking hadden dat een gunstiger woon- en leefklimaat
werd gecreëerd ter hoogte van zijn eigen gronden. Bovendien is een aantal amendementen
aangenomen met de kleinst mogelijke meerderheid.
In dit geval zijn bijkomende omstandigheden als hiervoor bedoeld niet aanwezig. Als zodanig is
onvoldoende dat [persoon], die mogelijk belanghebbende is in de zin van artikel 1:2 van de Awb,
partij was in de hiervoor vermelde vóór 1 juli 2010 beëindigde bezwaarprocedure en over het
ontwerpplan een - later ingetrokken - zienswijze heeft ingediend. Nu bijkomende omstandigheden
in dit geval niet aanwezig zijn, bestaat, ook al is het besluit genomen met de kleinst mogelijke
meerderheid, geen aanleiding voor het oordeel dat het betrokken raadslid heeft gehandeld in strijd
met artikel 28, eerste lid, onder a, van de Gemeentewet en de raad daarmee met artikel 2:4 van
de Awb. Het betoog faalt.
Waar draaide het in deze uitspraak om?
Naar aanleiding van de uitspraak Winsum was door Versteden en anderen o.a. zware kritiek
uitgeoefend op het verbod op vooringenomenheid van het openbaar bestuur van artikel 2:4
van de Algemene wet bestuursrecht24 en de jurisprudentie daarover omdat daarin
onvoldoende rekening werd gehouden met het feit dat het openbaar bestuur (veelal) per
definitie politiek vooringenomen is in een democratisch bestel. Een verbod op
vooringenomenheid raakt het democratisch bestel in zijn essentie. In de uitspraak Loenen
werd niettemin door de ABRS voortgegaan op de weg van Winsum.
In de uitspraak Graft-de Rijp bleek de Afdeling zich de kritiek te hebben aangetrokken. Zij
nuanceerde haar benadering voor het geval dat het om raadsbesluiten gaat “waarbij
politieke inzichten een belangrijke rol spelen”. Bij dergelijke beslissingen kan men
raadsleden niet tegenwerpen dat zij overeenkomstig hun partijprogramma, en dus
vooringenomen, hebben gehandeld in de besluitvorming. Daartegen kan het
vooringenomenheidsverbod niet met succes in stelling worden gebracht. Het betrof in deze
zaak de vaststelling van een bestemmingsplan. Daarbij zijn politieke keuzen aan de orde ten
aanzien van de ruimtelijke inrichting van de gemeente en het kan zijn dat een
partijprogramma daarover uitspraken bevat waaraan een volksvertegenwoordiger zich
gebonden acht.
In zijn artikel in De Gemeentestem waarvan de heer Krabbendam melding maakte, heeft
Versteden de uitspraak Graft-De Rijp inderdaad een belangrijke koerswijziging genoemd. Die
koerswijziging neemt echter niet weg dat vooralsnog zeer onduidelijk is wat de precieze
24
Artikel 2:4 Awb luidt: 1. Het bestuursorgaan vervult zijn taak zonder vooringenomenheid.2. Het
bestuursorgaan waakt ertegen dat tot het bestuursorgaan behorende of daarvoor werkzame personen die een
persoonlijk belang bij een besluit hebben, de besluitvorming beïnvloeden.
13
betekenis ervan is. Onder andere is nog zeer onduidelijk in welke gevallen kan worden
gesproken van “een besluit waarbij politieke inzichten een belangrijke rol spelen”.
In de hiervoor cursief weergegeven passage van de uitspraak zegt de Afdeling wat dit
volgens haar betekent voor de toepassing van het verbod op belangenverstrengeling van het
tweede lid van artikel 2:4 van de Awb. Zij zegt:
- dat bij dat soort besluiten voor de invulling van het begrip “persoonlijk belang” aansluiting
moet worden gezocht bij artikel 28 van de Gemeentewet25 26. Hierbij moet worden bedacht
dat de Afdeling in de uitspraak Winsum in het kader van artikel 2:4 Awb was uitgegaan van
een ruimere invulling van dat begrip door er ook een ander functioneel belang27 onder te
begrijpen. Het begrip “persoonlijk belang” in artikel 28 Gemeentewet moet vanouds worden
uitgelegd als “eigenbelang”, met dien verstande dat daaronder ook een belang van een
nauwe relatie van het raadslid wordt begrepen.
In dat kader van artikel 28 Gemeentewet vraagt de Afdeling zich af of het feit dat een
raadslid belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb28 is betekent dat hij een
“persoonlijk belang” in de zin van artikel 28 heeft. Het antwoord van de Afdeling is: niet in
het algemeen, maar er kunnen zich bijzondere omstandigheden van het geval voordoen,
waarin wel gesproken moet worden van een “persoonlijk belang”. Wat die bijzondere
omstandigheden kunnen zijn, weten we nog niet. Verdere jurisprudentie zal hierover
duidelijkheid moeten brengen. Wat we uit deze uitspraak wel kunnen afleiden is dat zich in
de casus Loenen29 dergelijke bijzonderheden voordeden. En de uitspraak Middelburg maakt
duidelijk dat in die casus geen sprake was van relevante bijzondere omstandigheden.
Bij het vorenstaande moet - nogmaals - worden aangetekend dat de koerswijziging van de
Afdeling uitsluitend betrekking heeft op besluiten waarbij politieke inzichten een belangrijke
rol spelen (zoals bijvoorbeeld een besluit tot het vaststellen van een bestemmingsplan).
Valt een beslissing omtrent een subsidieaanvraag daaronder? Viel een besluit als mevrouw
Van Tulder met haar mailtje voor ogen had daaronder? Vooralsnog is er geen grond om aan
te nemen dat dat het geval is. Discussie daarover is vooralsnog pure speculatie.
Maar zelfs indien dat besluit er wel onder zou vallen, blijft het zo dat het begrip “persoonlijk
belang” van artikel 28 van de Provinciewet van toepassing is en dat derhalve het verbod van
artikel 2:4, lid 2, van de Awb betekent dat de beïnvloeding van de besluitvorming door
mevrouw Van Tulder strijdig was met dit artikel. Daar moest al sinds 2002 zonder meer van
worden uitgegaan en dat is door de latere Afdelingsjurisprudentie, ook die van 2013, niet
anders geworden.
De uitspraak Middelburg bevat buiten het hiervoor vermelde punt (aanwezigheid van
bijzondere omstandigheden) geen nieuwe elementen ten opzichte van de uitspraak Graft-De
Rijp.
25
Wat hier wordt gezegd over artikel 28 van de Gemeentewet geldt onverkort ook voor het identiek artikel 28
van de Provinciewet.
26 Artikel 28, eerste lid, van de Gemeentewet luidt: Een lid van de raad neemt niet deel aan de stemming over:
a. een aangelegenheid die hem rechtstreeks of middellijk persoonlijk aangaat of waarbij hij als
vertegenwoordiger is betrokken;
b.de vaststelling of goedkeuring der rekening van een lichaam waaraan hij rekenplichtig is of tot welks bestuur
hij behoort.
27
Het betrof daar een functie bij een waterschap.
28
Dit artikel bepaalt o.a. of men bezwaar- en beroepsgerechtigd is tegen een besluit.
29
Daarop heeft de in de uitspraak genoemde uitspraak van 22 juni 2011 betrekking.
14
Conclusies met betrekking tot het vorenstaande
Welke conclusie kan na het vorenstaande worden getrokken ten aanzien van het betoog van
de heer Krabbendam over het presenteren van een halve waarheid met betrekking tot de
Afdelingsjurisprudentie over vooringenomenheid en belangenverstrengeling?
- Ten eerste dat de heer Krabbendam de bestuursrechtelijke klok heeft horen luiden maar
niet weet waar de klepel hangt. Hij heeft niet goed gelezen en heeft de betekenis van de
jurisprudentie van 2013 niet begrepen.
- Ten tweede dat bij de weergave van het gehanteerde toetsingskader in hoofdstuk 3 van
ons rapport de jurisprudentie van 2013 niet behoefde te worden meegenomen, omdat zij
voor de toetsing van het handelen van mevrouw Van Tulder overeenkomstig onze opdracht
niet relevant was.
- Ten derde dat het in hoofdstuk 3 van ons rapport weergegeven toetsingskader een op dit
moment correcte samenvattende weergave is van hetgeen volgens wet en jurisprudentie
geldt en voor ons onderzoek van belang is.
- Ten vierde dat de zware beschuldiging over het presenteren van halve waarheid van de
heer Krabbandam een slag in de lucht is
- Ten vijfde dat de jurisprudentie van 2013 aan het oordeel over het handelen van mevrouw
Van Tulder niets afdoet. In zijn antwoord in de eerste termijn van de beraadslagingen heeft
de gouverneur daar terecht en gelukkig op gewezen.
- Ten zesde dat de heer Krabbendam de door ons gehanteerde maatstaven op
ridiculiserende wijze heeft losgelaten op situaties in uw Staten en een serieuze discussie
over zuiverheid van handelen binnen uw Staten daarmee geen dienst heeft bewezen.
Overigens valt niet te ontkennen dat er grijze gebieden zijn waar we niet met zekerheid
kunnen zeggen wat wel en niet mag zolang de rechter niet het laatste woord heeft
gesproken. En bovendien hebben wij er op basis van hetgeen we tijdens onze gesprekken
hebben gehoord wel op gewezen dat er situaties zijn die de aandacht van uw Staten en hun
leden vragen.
Conclusies en slot
De heer Krabbendam heeft gemeend zich in zijn bijdrage aan de behandeling van ons
rapport niet of nauwelijks te moeten richten op de conclusies en aanbevelingen van ons
rapport, maar op de inhoudelijke kwaliteit van ons rapport en op onze deskundigheid,
objectiviteit en integriteit als onderzoekers.
Dat is zijn goed recht, maar bij een dergelijke aanpak is het extra geboden dat men
zorgvuldig is en niet met ongefundeerde beschuldigingen en verdachtmakingen komt.
GroenLinks heeft ons rond ons onderzoek een- en andermaal verzekerd dat hun fractie er
hoge ethische normen op nahoudt en in zijn bijdrage in de vergadering30 heeft de heer
Krabbendam ook nog eens gezegd dat GroenLinks zich hoeder van de integriteit acht, maar
de heer Krabbendam heeft zich daar in zijn bijdrage aan dit debat niet aan gehouden, verre
van dat. Hij richt met behulp van onzorgvuldige en selectieve omgang met informatie zware
aantijgingen in onze richting. “Goed gevoerde discussies over integriteitskwesties zetten tot
30
Zie p. 2 bovenaan.
15
denken aan”, zei de heer Krabbendam aan het begin van zijn tirade. Slechte ook, zouden wij
daaraan willen toevoegen.
Uit het vorenstaande blijkt dat de heer Krabbendam zijn kritiek niet staande kan houden. Wij
verwijzen naar de tussenconclusies.
Op meerdere punten blijkt dat hij het rapport niet goed gelezen of niet goed begrepen heeft,
wat niet ligt aan onduidelijkheid van het rapport. Zo doet hij het bijvoorbeeld ten onrechte
voorkomen alsof wij onze beschouwing over de vraag of van lekken kan worden gesproken
en over klokkenluiden hebben gegeven om ons gemakkelijk (of: doelgericht?) van het
onderzoek naar de bron van het lekken af te maken.
Wat de jurisprudentie van het EHRM betreft met betrekking tot de zorgvuldigheidseisen die
aan klokkenluiders worden gesteld, doet hij het ten onrechte voorkomen dat deze
geldingskracht hebben voor het klokkenluiden door politici.
Soms laat de heer Krabbendam essentiële informatie weg uit zijn betoog, vermoedelijk
omdat opneming ervan niet goed uitkomt, gelet op zijn kennelijk vooropgezette intentie ons
als onderzoekers in diskrediet te brengen. Denk bij de passages over het lekken en
klokkenluiden aan de voorhanden regelgeving over klokkenluiden. Denk aan een uitspraak
van de Hoge Raad van 2012. En denk aan elementen van de jurisprudentie van het EHRM.
Hier valt de heer Krabbendam in zijn eigen zwaard: hij verwijt ons het brengen van halve
waarheden, maar hij doet dat zelf.
Wat de apotheose van de beschuldigingen van de heer Krabbendam betreft, die betreffende
de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2013, daar
blijkt de heer Krabbendam de zaak niet goed gelezen of begrepen te hebben. Hier blijkt hem
ook een duidelijk gebrek aan juridische kennis en inzicht parten te spelen, het bestuursrecht
betreffende. Dit laatste is op meerdere plaatsen in zijn betoog het geval.
Overziet men de kritiek van de heer Krabbendam als geheel, dan blijkt deze als een
kaartenhuis in elkaar te zakken als gevolg van ernstige gebreken aan de fundamenten.
De klaarblijkelijk aanwezige intentie de deskundigheid, objectiviteit en integriteit van ons als
onderzoekers in een kwaad daglicht te stellen, maken dat men moet concluderen dat de
heer Krabbendam zich aan volstrekt onverantwoord en onaanvaardbaar gedrag schuldig
heeft gemaakt, jegens ons maar ook jegens uw Staten, waarin een aantal leden aan zijn
lippen hingen. De show was, zo blijkt, een schijnvertoning.
Ter wille van de duidelijkheid voegen wij aan het vorenstaande toe dat wat er ook zij van de
kritiek van de heer Krabbendam deze in elk geval geen enkel gevolg heeft ten aanzien van
onze conclusies over de belangenverstrengeling rond mevrouw Van Tulder. De gouverneur
heeft daarop in de vergadering in reactie op de inbreng van Statenleden terecht en gelukkig
op gewezen. Het had de heer Krabbendam, denkend aan zijn dilemma-discussie-ervaringen,
gesierd indien hij daar ook gewoon open over was geweest en aldus geen misverstand had
laten bestaan. Daar zou hij zelfs GroenLinks een dienst mee hebben bewezen.
16
Wij zijn benieuw of de heer Krabbendam en GroenLinks deze brief ook op internet zetten, bij
de tekst van het betoog van de heer Krabbendam bijvoorbeeld. Een kwestie van openheid
en eerlijkheid. En, over integriteit gesproken …
Wij zijn uiteraard gaarne bereid een en ander nader voor u toe te lichten en ons te
verantwoorden.
Met hoogachting,
Drs. C.J.N. Versteden
Drs. R.J. Persoon
17
Download