Worddocument 10 pagina`s

advertisement
Het schrijven van teksten
Inleiding
We leven in een tijdperk van elektronica en we zijn gewend geraakt aan
een plaatjescultuur, maar in feite is er in de mogelijkheden tot gedachteuitwisseling tussen mensen de afgelopen vijfduizend jaren toch weinig
veranderd. Het gaat bij communicatie vrijwel steeds om taal: mondelinge
taal (direct), en schriftelijke taal (indirect).
Een internetsite kan nóg zo veelkleurig, beweeglijk, hip en snel zijn…
zonder een zinnige tekst redt de beheerder het (commercieel) niet.
SMS-en doe je met taal, chatten doe je met taal en zelfs het begrijpen van
een film is ondenkbaar zonder taal. Vraag je bijvoorbeeld maar eens af in
hoeverre je de ondertitels van een buitenlandse film meeleest, terwijl je
toch alleen gefocust lijkt op de visuele actie die je wordt voorgeschoteld.
Maar hoe maak je nou een tekst? En dan vooral: hoe maak je een zo
zinnig en helder mogelijke tekst? Wees eens niet de consument van
schriftelijke taal, maar stap in de rol van producent van schriftelijke taal.
Daarover gaat deze syllabus. Niet zozeer over wát je te vertellen hebt
(inhoudelijk), maar over hóe je het vertelt (vorm).
1. Doelgerichtheid
Waarom schrijf je een opstel? Omdat het moet! Om mijn leraar een
aangename avond te bezorgen? Allemaal waar, maar dat is niet het doel
waar we het in deze paragraaf over hebben. Onder doelgerichtheid
verstaan we: wat probeer jij als schrijver van een tekst bij je lezers
te bewerkstelligen?
Globaal genomen zijn er vier soorten van doelen te onderscheiden;
a. amuserend (de schrijver wil zijn lezers aangenaam bezighouden);
b. informerend (de schrijver wil zijn lezers informeren over kenbare zaken);
c. betogend (de schrijver wil zijn lezers ergens van overtuigen)
d. beschouwend (de schrijver biedt de lezer een gedachte ter overweging aan)
Het is belangrijk je te realiseren welk van deze doelen je bij het schrijven
van een tekst in de eerste plaats voor ogen staat (er zijn tussenvormen,
allicht, maar er is ook altijd één hoofdaccent). En het is belangrijk omdat
elk van deze tekstsoorten zijn eigen wetmatigheden kent.
Vaak al bij de eerste zin – of zelfs in de titel – reik je de lezer de
‘afspraak’ aan met welke intentie (doel) je hem wilt bereiken. Wanneer
je bijvoorbeeld leest ‘heel lang geleden leefde in een ver, ver land…’
etcetera, dan wéét je meteen dat je met een amuserende tekst te
maken hebt. Natuurlijk kan dat doel zich gaandeweg het verloop van de
tekst wijzigen, maar dan heeft de schrijver meteen ook de verplichting
die overstap naar een ander doel tegenover zijn lezers te
verantwoorden.
Nu gaat het bij amuserende teksten erg vaak om fictie, en het schrijven
van fictie is op het examen helaas niet toegestaan. Daarom beperken we
ons tot de overige drie doelen. Informerende, betogende en
beschouwende teksten hebben altijd betrekking op de werkelijke wereld.
Het gaat in dit soort opstellen voornamelijk om het noemen van feiten,
en om een ‘spel’ (jouw spel) met argumenten. Overigens zit er in
betogende teksten altijd wel een informerend element.
Voorbeeld: je wilt de lezer ervan overtuigen dat de overheid niet
overal op straat camera’s zou mogen ophangen.
In dat geval zul je eerst de lezer moeten informeren over de feiten
(Hoe is de wet nu? Wie wil de cameratoezicht uitbreiden? Op welke
plekken zijn camera’s toegestaan, en waarom daar?) Vervolgens
voer je argumenten aan, je betoogt… (iedereen heeft recht om vrij
op straat te lopen, de gegevens waar je op welke plek bent
geweest kunnen worden misbruikt), en je loopt alvast zo slim
mogelijk vooruit op eventuele tegenargumenten (de politie kan
terroristen op die manier beter volgen), die je probeert te
weerleggen met een tegenwerping (in Engeland hangen op veel
plekken camera’s maar echt terroristen hebben zich niet laten
afschrikken). En je rondt af met een vlammend betoog dat de
angst niet aan de macht mag komen.
2. Informatie verzamelen
Wanneer je van plan bent een informerende, betogende of
beschouwende tekst te schrijven, dan heb je achtergrondmateriaal
nodig. Thuis (of op school) kun je allerlei informatie opzoeken: op
internet, in een encyclopedie, in boeken, kranten, tijdschriften. Bij het
eindexamen kan dat niet, maar krijg je een aantal citaten aangereikt:
lees dit altijd goed door!
Het is belangrijk om meteen te zien welke citaten over meningen, en
welke citaten over feiten gaan. Met meningen hoef je het niet altijd
eens te zijn, maar met feiten moet je voorzichtiger omspringen: je kunt
ze niet ontkennen, maar wel op verschillende manieren interpreteren.
Hoe kom je verder aan informatie? We noemen twee mogelijkheden:
a.
brainstorming: op een kladvel begin je allerlei vragen te stellen
over jouw opstelonderwerp. Wie? Wat? Waar? Waarom? Hoe?
Hoeveel? Wanneer? Pro? Contra? Voordeel? Nadeel? Oorzaak?
Gevolg? Voorbeelden? Je zult merken dat je op deze manier op
b.
feiten komt, waarvan je niet wist dat je ze wist.
associatieve methode: schrijf alle woorden en begrippen op die
je in verband met de opgave te binnen schieten. Aanvankelijk lijkt
het een bende, maar op den duur komt er wel een beetje systeem
in. Gooi alles eruit waarvan je niet zeker bent of het wel waar is,
en ga de overgebleven termen rubriceren. Wat hoort bij elkaar?
Wat spreekt elkaar tegen (en hoort dus ook bij elkaar…)
3. Informatie ordenen
Wanneer je feiten, meningen, voorbeelden etc, eenmaal verzameld hebt,
vraag je je af: Wat is het centrale idee van mijn tekst / opstel?
Welke feiten zijn essentieel, en welke informatie is alleen maar bijzaak?
Vervolgens maak je (in je hoofd of op papier) een raamwerk (een
‘structuur’, een ‘lijn’) voor je opstel. Op het examen schrijf je een
gedocumenteerd betoog, beschouwing of uiteenzetting.
Schrijf je een betoog, formuleer dan in ieder geval:
(1)
(2)
(3)
(4)
een genuanceerd standpunt (in één zin);
presenteer de feiten die je hebt gevonden als argumenten (in één zin)
en licht ze toe (eventueel met een voorbeeld)
In een goed betoog ga je ook in op tegenargumenten, en
probeer je die te weerleggen.
Voorbeeld van een raamwerk voor een betoog
Inleiding
Standpunt
Argument 1 +
Toelichting
Argument 2 +
Toelichting
Tegenargument
Weerlegging
Conclusie
“Om…. te verbeteren, moet er naar mijn mening ….”.
“ten eerste is het ….. ”. “Ik denk hierbij bijvoorbeeld
aan …”
“ten tweede is het ….” Etc.
“Een probleem bij…. is dat…”
“Dit probleem kun je echter verkleinen door …”
“Kortom:….”
Kies je voor een beschouwing, formuleer dan in ieder geval:
(1)
(2)
of:
(3)
een werkelijk bestaand probleem
oorzaken / gevolgen
voordelen / nadelen
jouw mening over (of oplossing van) dit probleem
Voorbeeld van een raamwerk voor een beschouwing
Inleiding
Probleem
Oorzaken /
gevolgen
Voordelen/
nadelen
Mening of
oplossing
“Het lijkt er op dat er steeds meer …”
“Wellicht komt dit door…”
“Een andere mogelijke oorzaak is …”
“Dit kan ertoe leiden dat …”
“Een voordeel is dat….”
“Een ander voordeel is dat….”
“Een nadeel is echter dat…. “
“Ik vind dat we allemaal meer moeten letten op … “ “Het
blijft ingewikkeld, maar het zou in ieder geval helpen als
we beginnen te accepteren dat…”
Slot
Een laatste mogelijkheid is dat ze je een uiteenzetting laten schrijven.
Dat kan alleen als je heel veel materiaal hebt, en is daarom in een
examensituatie niet waarschijnlijk. Een voorbeeld van een uiteenzetting
is een tekst uit een encyclopedie: zakelijk, droog (geen eigen mening!),
en een puntsgewijze opsomming. Voorbeeld “Dit toestel heeft twee
functies. Allereerst….”
Denk goed na over een inleiding! De inleiding moet pakkend zijn: hij
moet er vooral voor zorgen dat iemand de tekst gaat lezen en dat hij
weet wat hij kan verwachten. Aandachtspunten bij het schrijven van een
inleiding zijn:
1
2
3
4
Wat is het onderwerp van de tekst?
Heeft de lezer voorinformatie nodig om het opstel te kunnen
begrijpen? (Bijvoorbeeld: per jaar worden duizenden dieren
gebruikt voor dierproeven)
Waardoor kun je het onderwerp van de tekst interessant maken
voor de lezer? Bijvoorbeeld: een leuk voorbeeld, een grappige
gebeurtenis, iets opvallends
Wat voor taal kun je gebruiken om de inleiding boeiend te maken?
 Gebruik een stelling, gevolgd door een vraag: De regering moet
ervoor zorgen dat iedereen in Nederland goed verzekerd is tegen
ziektekosten… Of is verzekeren meer je eigen verantwoordelijkheid?
 Gebruik een retorische vraag (een vraag die geen echte vraag is
omdat iedereen het antwoord weet: Lijkt het je niet leuk? De
Postcodeloterij winnen?)
 Gebruik een uitdagende openingszin: Rotterdamse jongens kunnen
binnenkort naar hun geld fluiten. Letterlijk!
 Gebruik een sarcastische openingszin: Wie er als werknemer van Idols
een béétje bij wil horen moet toch op zijn minst een keertje
vreemdgaan!
 Gebruik een aansprekend voorbeeld: Als het slootwater in je buurt
stinkt, wie spreek je daar dan op aan? En bij wie moet je zijn als je
kelder is volgelopen? De Nederlandse Waterbond wil alle
`watervragen’ van consumenten gaan beantwoorden.
 Gebruik een anekdote (een kort verhaaltje dat leuk is om te vertellen.
Dat moet natuurlijk wel verband houden met de tekst waarvoor je de
anekdote gaat gebruiken!: Tien jaar geleden reden er in Londen
treintjes zonder machinist. Maar niemand durfde erin te stappen.
Toch beginnen ze in Eindhoven nu met een proef met bussen die
zonder chauffeur kunnen rijden, omdat magneten in speciale
busbanen de bus op koers kunnen houden.
4. Informatiegehalte
Het gevaar bij informerende, betogende en activerende teksten is
natuurlijk dat je geen opstel schrijft om je lezer ook werkelijk informatie
te verstrekken, maar om twee of drie blanco velletjes papier vol te
krijgen. (Wat was het doel van je tekst ook alweer?) Het zijn immers
niet werkelijke lezers tot wie je je richt, maar alleen je docent
Nederlands en een examinator. Je vult de lijntjes op het papier zo
gehaaid mogelijk met wat goedlopende zinnen, en dat dan in de hoop
dat er maar zo weinig mogelijk spel- en schrijffouten in staan. En je
levert de handel weer in: ‘zo, wéér een opstelletje klaar…!’
Zoiets heet dan wel een opstel, maar in feite is het niet meer dan lege
woordenklop, een schuimtaartje zonder smaak. Onverstandig! Iédereen
moet in zijn arbeidzaam leven teksten maken, en het is erg nuttig om
dat nu alvast degelijk – zakelijk – te oefenen: je krijgt nu nog correctie
van een aardige leraar… later krijg je gesodemieter met je baas of je
klanten. Ook als je later zelf eigen baas wordt, moet je in je werk
andermans teksten zinnig kunnen beoordelen.
Probeer zoveel mogelijk clichés te vermijden. Denk na en probeer
wérkelijk wat te zeggen. Gewoonlijk is dat een eigen mening; zorg er
dan voor die mening zo duidelijk mogelijk onder woorden te brengen en
te beargumenteren.
Realiseer je doorlopend hoe jij zelf als lezer benaderd wilt worden:
borrelpraat, slap geouwehoer of al te voor de hand liggende opinies
kunnen bij de beoordeling van je tekst behoorlijk tegen je werken.
Bedenk ook dat de afstand tussen de lezer en het papier altijd groot is:
maak daarom als schrijver niet steeds ál te grote sprongen. Wat jou
tijdens het schrijven als volstrekt logisch voorkomt, moet je voor de lezer
op papier verantwoorden. Je schrijft de tekst immers niet voor jezelf.
Probeer bijvoorbeeld eens een kladversie van je opstel te lezen, waarbij
je doet alsof je een willekeurige lezer bent. Maak je hoofd leeg en doe
alsof de tekst je voor het eerst onder ogen komt… en wees het bij
voorbaat een beetje oneens met de schrijver. Zitten er tegenspraken in
het opstel? Geeft de schrijver genoeg informatie om je te overtuigen?
Zo ja, dan moet de schrijver er nog het een en ander aan bijschaven.
Een schriftelijke tekst is niet zonder meer hetzelfde als een mondelinge
tekst die ongewijzigd even op papier werd gezet. Bij een schriftelijke
tekst heb je minder hulpmiddelen dan bij een mondelinge boodschap. Je
kunt je stem niet laten horen (toonhoogte etc.), je kunt geen mimiek
toepassen (grijnzen, gebaren etc.). Een ander verschil is dat je niets
meer kunt toelichten wanneer je bent uitgeschreven en je de tekst hebt
verzonden. Bij een gesprek kun je dat wél, wanneer je merkt dat je
boodschap niet goed is aangekomen. Zorg daarom voor een heldere
zinsbouw: niet al te lange, ingewikkelde zinnen, een uitgewogen
woordkeuze, kies je voorbeelden niet als argumenten maar als
toelichting, etc.
Je vergroot de kans dat je boodschap goed overkomt als de tekst
uiterlijk een prettig leesbaar geheel is. Laat daarom de innerlijke
structuur van de tekst ook uiterlijk herkenbaar zijn, in alinea’s. Gebruik
een consequente spelling en verhelderende interpunctie.
5. Stijl
Spel-, taal- en leestekenfouten zijn direct zichtbaar. Daarom is hier
sprake van “fouten”. De regels liggen namelijk grotendeels vast. De lezer
kan de schrijver gemakkelijk verwijten maken. Bij stijl ligt dat echter
anders. Bij een onnodig moeilijke tekst is de lezer zich er vaak niet van
bewust dat de moeilijkheid komt door de stijl van de schrijver.
Schrijven kost tijd. De schrijver moet zich namelijk steeds afvragen hoe
de tekst op de lezer overkomt.
Vijftien aandachtspunten bij het gebruik van een effectieve stijl.
1. Spreek de lezer niet aan met "je" , "u" of de gebiedende wijs
(bijvoorbeeld: mensen, wees voorzichtig!), tenzij het gaat om een
brief of een activerende tekst.
2. Een lijdende vorm moet je over het algemeen vermijden, omdat hij
onpersoonlijk is en meer woorden nodig heeft dan de bedrijvende
vorm. Bedenk: wie of wat doet iets? Wat is het onderwerp van de zin?
Zo is het beter om te schrijven: bedrijven moeten deze reiskosten
vaker vergoeden, in plaats van ‘deze reiskosten zullen vaker moeten
worden vergoed’.
Je kunt de lijdende vorm alleen gebruiken als de bedrijvende vorm
onhandig overkomt, of als je niet wilt zeggen wie iets gedaan heeft.
3. De opbouw van de tekst moet de lezer helpen, en niet hinderen.
Daarom moeten de verbanden tussen en binnen de alinea’s duidelijk
waarneembaar zijn, bijvoorbeeld door het gebruik van
signaalwoorden.
4. Elke alinea moet afzonderlijk een eenheid vormen met slechts één
onderwerp. Een kernzin moet hierbij herkenbaar aanwezig zijn, het
liefst in het begin; dan weet de lezer wat er komt. Geef een alinea
aan door in te springen.
5. Gebruik “men” zo min mogelijk. Noem degene die je bedoelt. Soms
kun je in plaats van “men” “de overheid” gebruiken. Als je “men”
meer keren binnen je opstel gebruikt, moet het woord steeds dezelfde
groep aanduiden.
6. Pas op met veel te dure woorden: ‘met betrekking tot’ of ‘met het
oog op de complicaties’.
Vaak is het duidelijker om te schrijven dat twee zaken met elkaar ‘te
maken’ hebben, of dat iemand iets doet ‘om’ problemen te vermijden.
7. De stijl wordt vaak iets krachtiger als je van een lange zin twee of
meer korte zinnen maakt.
a) Tussen twee zinnen kun je vaak “en” en “maar” weglaten; en
er vervolgens één zin van maken.
b) Begin de zin nooit met ‘maar’. Je kunt dit woord vervangen
door ‘echter’ verderop in de zin.
Schrijf: ‘dit probleem is echter te verkleinen door…’ , in plaats
van ‘maar dit probleem is te verkleinen’.
8. Besluit een reeks voorbeelden niet met “enz.” of “etc.”.
Ook moet je een zin niet afsluiten met “enz.” of met “en ga zo maar
door” als je niet weet wat je verder nog moet schrijven.
9. Vermijd lange tussenbijzinnen (meestal uitbreidende bijv.
bijzinnen); deze maken het de lezer onnodig moeilijk bij het overzien
van het zinsverband. Zet een tussenbijzin achteraan, of maak er
een aparte zin van.
Bijvoorbeeld: Op het congres heeft hij het publiek, dat uit meer
dan honderd aandachtig luisterende toehoorders bestond, van zijn
methode weten te overtuigen.
(geen taalfout, maar wel stilistisch gebrekkig)
Beter: “Op het congres heeft hij het publiek van zijn methode
weten te overtuigen; meer dan honderd toehoorders luisterden
aandachtig naar hem.”
(goed)
10. Vermijd een lange tussenbijzin met "dat als" en "dat
wanneer".
Bijvoorbeeld: "Hij hoopt dat als hij na een arbeidzaam leven in de
top van een groot aantal bedrijven met pensioen gaat, hij nog vele
reizen kan maken.
(stilistisch slecht)
Beter: "Hij hoopt dat hij nog vele reizen kan maken als hij na een
arbeidzaam leven in de top van een aantal bedrijven met pensioen
gaat.
(goed)
11.
-
Niet: ‘Nou”, maar “nu”.
Niet “niks”, maar “niets”.
Niet "je zal", maar "je zult".
Niet "je kan", maar "je kunt".
12.
Woorden en zinnen mogen nooit op twee manieren te lezen
zijn. Als de lezer de context te hulp moet roepen, stoort dat het
lezen.
Bijvoorbeeld: De onderdelen van het Nederlandse leger moeten
een eenheid vormen.
In deze zin is onduidelijk of alle onderdelen met elkaar een eenheid
moeten vormen, of dat die eenheid slechts geldt voor elk
onderdeel afzonderlijk.
Beter: De onderdelen van het Nederlandse leger moeten samen
een eenheid vormen. Of: De onderdelen van het Nederlandse
leger moeten elk afzonderlijk een eenheid vormen.
13.
Vermijd de praattoon. De gesproken omgangstaal kent een
emotionele intonatie die de toehoorder doet begrijpen dat de
spreker zijn uitingen niet zo letterlijk en exact bedoelt. In schrijftaal
is er meer sprake van letterlijke en exacte betekenissen.
Kenmerken van de praattoon zijn: overdrijving, emotionele vragen,
en het gebruik van loze woorden zoals “best”, “ook”, “weer”, “best
wel”, “natuurlijk”, “gewoon”, “een beetje”, “ nou eenmaal”, of
krachttermen: ‘belachelijk’ (beter: onjuist), ‘absurd’ (beter:
vreemd).
14.
Een opsomming moet symmetrisch zijn, bijvoorbeeld óf alleen
zelfstandige naamwoorden (als kern) óf alleen infinitieven (als
kern), óf alleen (bij)zinnen.
Voorbeeld: Hij vreesde harde weerstand en dat ze heftig weerstand
zouden bieden
(stilistisch slecht)
Beter: Hij vreesde harde kritiek en heftige weerstand.
15.
Probeer voor woorden als “zaken” en “dingen” een ander woord
te vinden, namelijk een woord dat betekenis heeft.
Download