Hoofdstuk 10 - ItsLearning

advertisement
Nectar 4e editie, leerjaar 2/3, vwo
Uitwerkingen
Hoofdstuk 10 Gezondheid
DO-IT 10.1 Waardoor heb je altijd genoeg brandstof?
1
rollen
1 eten
hoeveelheid glucose
in bloed
stijgt / daalt
hoeveelheid erwten
in bekerglas ‘bloed’
stijgt / daalt
2 actie
stijgt / daalt
stijgt / daalt
3 regelen door
insuline
stijgt / daalt
stijgt/ daalt
4 regelen door
glucagon
stijgt / daalt
stijgt / daalt
2
tanken: eten / actie
3
a
b
benzinetank: lever / bloed
wat ga je doen?
Schep erwten uit de
voorraad in bekerglas
bloed / lever.
Schep erwten uit het
bekerglas bloed / lever
in afvalbak.
Schep erwten uit het
bekerglas bloed / lever
in bekerglas bloed /
lever.
Schep erwten uit het
bekerglas bloed / lever
in bekerglas bloed /
lever.
gas geven: eten / actie
Het juiste antwoord is C: koolstofdioxide en water
via longen, huid en nieren
© Noordhoff Uitgevers
Nectar 4e ed. vwo 2/3 Hoofdstuk 10
Uitwerkingen
1
10.1
Goed geregeld
1
Het juiste antwoord is B: oververhitting.
2
a
b
c
glucose
1 koolstofdioxide
2 water
stof 1: uitademen
stof 2: door zweten, plassen, uitademen
3
a
Al het 'stoffenverkeer' gaat via het bloed. De aan- of afwezigheid van bepaalde stoffen in
je bloed iets zeggen over de gezondheid van je lichaam.
Longen: door uitademen
Nieren: door uitplassen
Huid: door zweten
Het bloedvatenstelsel brengt de afvalstoffen naar de organen waar ze uitgescheiden
worden.
b
c
4
orgaan
Helpt bij het constant houden van je bloed door:
dunne darm
voedingsstoffen op te nemen in het bloed.
longen
zuurstof op te nemen in het bloed en koolstofdioxide en water af te geven
aan de lucht.
water, (teveel aan) zouten en vitaminen en andere afvalstoffen uit het
bloed te halen.
water en zouten uit het bloed te halen en buiten het lichaam te brengen.
nieren
huid
5
a
b
6
a
1
2
3
1
2
3
De hoeveelheid zuurstof in je bloed stijgt / daalt.
De hoeveelheid koolstofdioxide in je bloed stijgt / daalt.
Je lichaamstemperatuur stijgt / daalt.
dat er meer zuurstof in het bloed komt?
longen
dat er minder koolstofdioxide in je bloed komt? longen
dat er meer glucose in je bloed komt?
dunne darm
Bij een regelkring wordt de afwijking van de norm zo klein mogelijk gehouden.
De volgorde bij een regelkring is: vergelijken → meten → bijstellen.
Aan elke regelkring doen altijd zintuigen, zenuwstelsel en spieren mee.
De vergelijking met de norm vindt in je hersenen plaats.
b
c
Het koolstofdioxidegehalte in het bloed zal hoger dan / lager dan / gelijk aan de norm zijn,
want door de reactie van je lichaam wordt er meer koolstofdioxide afgevoerd.
© Noordhoff Uitgevers
Nectar 4e ed. vwo 2/3 Hoofdstuk 10
Uitwerkingen
2
7
a
b
c
d
e
f
8
1
2
3
4
9
a
b
10
a
b
De brandstof voor je lichaam is glucose.
groeien, bewegen en warm blijven
Je lichaam regelt de hoeveelheid van deze stof met de hormonen insuline en glucagon.
Deze hormonen worden gemaakt door de alvleesklier.
Als je te veel van de brandstof in je bloed hebt, wordt de brandstof opgeslagen in je lever en
je spieren.
De brandstof wordt dan eerst omgezet in glycogeen.
Er is veel glucose in het bloed, bijvoorbeeld vlak na een maaltijd.
De alvleesklier maakt insuline waardoor glucose uit het bloed naar de lever en de
spieren gaat.
Glucose wordt opgeslagen in de lever en in de spier als glycogeen.
Er zit minder glucose in het bloed.
1 Aan welke stof ontstaat een tekort in je bloed? glucose / glycogeen
2 Welke stof zet je lichaam om, zodat dit tekort wordt aangevuld? glucose / glycogeen
3 Door welk hormoon wordt dit geregeld? insuline / glucagon
4 Welke stof zit er nu weer voldoende in je bloed? glucose / glycogeen
Deze glucose wordt direct in de spieren gebruikt bij de verbranding.
Bij Jan / Bij Silke / Bij allebei evenveel, want de glucose uit de maaltijd die niet wordt
gebruikt voor de verbranding, wordt opgeslagen in de lever. Voor tv-kijken is minder
glucose nodig dan voor skeeleren. Er wordt bij Jan dus meer glucose opgeslagen dan bij
Silke.
Bij Jan / Bij Silke / Bij allebei even snel, want bij skeeleren is meer glucose voor de
verbranding nodig dan bij tv-kijken. Daardoor daalt het glucosegehalte in het bloed bij
Silke sneller dan bij Jan en is sneller te laag. Bij Silke wordt dus eerder glycogeen
omgezet in glucose.
11
a
b
100 mg glucose per 100 mL bloed
1 Als het glucosegehalte in het bloed lager is dan de norm:
de alvleesklier geeft meer glucagon af. Hierdoor zet de lever glycogeen om in glucose en
de glucose komt weer in het bloed.
2 Als het glucosegehalte in het bloed hoger is dan de norm:
de alvleesklier geeft meer insuline af. Hierdoor zetten de lever en de spieren glucose om in
glycogeen en de hoeveelheid glucose in het bloed daalt. Ook nemen lichaamscellen meer
glucose op.
12
a
b
Suikerziekte ontstaat door een tekort aan insuline.
● de hoeveelheid glucose in je bloed blijft hoog.
● de hoeveelheid glycogeen in je lever en spieren is laag.
Bij suikerziekte slaan de lever en spieren glucose niet op als glycogeen. Bij inspanning is
er geen reservevoorraad glycogeen die weer omgezet kan worden in glucose. Er is weinig
glucose beschikbaar voor de verbranding en daardoor ben je dus snel moe.
c
13
a
Als je iets eet, stijgt het glucosegehalte in het bloed tot boven de
norm, als je glucose verbruikt daalt het glucosegehalte tot onder de
norm. Het gehalte kan alleen precies op de norm liggen als er
helemaal geen verandering in de omstandigheden is. Dat komt
normaal gesproken niet voor.
© Noordhoff Uitgevers
Nectar 4e ed. vwo 2/3 Hoofdstuk 10
Uitwerkingen
3
b
c
d
glucagon
Op tijdstip A - B is het glucosegehalte in het bloed is lager dan de norm. De alvleesklier
maakt dan glucagon waardoor glycogeen wordt omgezet in glucose en het
glucosegehalte in het bloed stijgt.
1 de hoogte van de evenwichtswaarde in het bloed wordt hoger.
Deze ligt hoger omdat de lever en spieren door insulinegebrek te weinig of geen glucose
opslaan in de vorm van glycogeen. De gemiddelde hoeveelheid glucose in het bloed wordt
daardoor hoger.
2 de schommelingen rond de evenwichtswaarde worden groter/ duren langer.
Direct na de maaltijd neemt het glucosegehalte toe. Doordat er niet genoeg insuline is,
blijft het glucosegehalte lang hoger dan de evenwichtswaarde.
Als de patiënt zich inspant, daalt het glucosegehalte. Doordat insuline niet werkt is er in
de lever en de spieren onvoldoende glycogeen opgeslagen en is er onvoldoende
glycogeen om te worden omgezet in glucose. Het glucosegehalte in het bloed blijft
daardoor laag en stijgt pas als de patiënt weer wat eet.
14
a
b
c
15
1 afbreken rode bloedcellen
2 hemoglobine wordt bilirubine
3 bloed
4 mengen bilirubine en gal
5 twaalfvingerige darm
6 dunne darm
7 dikke darm
8 endeldarm
9 anus
10 uitpoepen
16
a
b
2, 3, 5, 6
De lever maakt gal, een hulpstof bij de vertering van vetten.
de poortader
1 = leverslagader
2 = leverader
3 = poortader
Voedingsstoffen zoals glucose worden in de darmen opgenomen in je bloed. De ader die
van de darmen naar de lever gaat, zal dus het meeste glucose bevatten. Dat is de
poortader. Bloedvat nummer 3 is dus de poortader.
De leverader vervoert bloed uit de lever. In dat bloed zitten afvalstoffen zoals ureum.
Bloedvat 2 moet dus de leverader zijn.
Bloedvat nummer 1 is dan de leverslagader.
Het zuurstofgehalte is het hoogst in bloedvat 1 / 2 / 3.
Want bloedvat 1 is de leverslagader.
© Noordhoff Uitgevers
Nectar 4e ed. vwo 2/3 Hoofdstuk 10
Uitwerkingen
4
17
a
b
● Bloed stroomt vanaf de aorta naar de nier via de
● Bloed stroomt vanaf de nier naar de onderste holle ader via de
● Een nier krijgt zuurstofrijk bloed via de
● Zuurstofarm bloed verlaat de nier via de
18
a
b
c
d
e
f
19
a + b+ c
nierslagader

❑

❑
nierader
❑

❑

Ongezuiverd bloed vind je bij nummer 1 en 3: dit is de aorta en nierslagader.
Het bloed wordt gefilterd bij nummer 4: dit is de nier.
Gezuiverd bloed vind je bij nummer 5: dit is de nierader.
De meeste afvalstoffen zitten bij nummer 3: dit is de nierslagader.
De meeste zuurstof vind je bij nummer 1: dit is de aorta.
Urine gaat naar de blaas via nummer 6: dit is de urineleider.
1
2
nierslagaders → kluwen haarvaten → nierkanaaltje → verzamelbuisjes → nierbekken →
urineleider → blaas → urinebuis
20
a
Urine bevat geen eiwit en geen glucose, maar wel veel ureum. De eerste kolom is dus urine.
Voorurine bevat geen eiwit, maar wel glucose. De tweede kolom is dus voorurine.
Bloedplasma bevat wel eiwit en ook glucose. De derde kolom is dus bloedplasma.
stoffen ↓
eiwitten (g/L)
glucose (g/L)
ureum (g/L)
© Noordhoff Uitgevers
vloeistof →
urine
0
0
20,0
voorurine
0
1,0
0,3
Nectar 4e ed. vwo 2/3 Hoofdstuk 10
bloedplasma
75
1,0
0,3
Uitwerkingen
5
21
b
c
In je urine, dat ziet er uit als nummer 2 in bron 9.
Als je eiwit of glucose in je urine hebt.
a
b
eiwitten
Er gaat meer / minder water vanuit de nierkanaaltjes naar het bloed, want het verschil in de
hoeveelheid eiwitten in het bloed en in de nierkanaaltjes is veel kleiner.
EXTRA
22
Nierdialyse
• Waar wordt het bloed tijdens een nierdialyse gezuiverd? binnen / buiten het lichaam
• Waar wordt het apparaat op aangesloten? op een ader / slagader
a
b
c
Het apparaat neemt de taak van de nieren over en zuivert het bloed.
23
▬ ▬ ▬ = bloed; −−− = dialysevloeistof
24
Bijvoorbeeld:
Nodig:
- bekerglas met grote rode en kleine blauwe knikkers, dit stelt bloed (rood) met
afvalstoffen (blauw)voor.
- twee gootjes(bijvoorbeeld van stevig karton). Het ene gootje is rood en stelt de 'leiding'
voor waardoor het bloed stroomt. Het andere gootje is groen en stelt de leiding voor waar
dialyse vloeistof doorstroomt.
In de wanden van de gootje zitten gaatjes waardoor de blauwe knikkers van het ene
gootje naar het andere kunnen.
- leeg bekerglas A, dit stelt het lichaam voor waar het gezuiverde bloed naar toe gaat.
- leeg bekerglas B, dit stelt de opvang van de 'vieze' dialysevloeistof voor.
Leg de gootjes naast elkaar. Aan het einde van het rode gootje zet je het lege bekerglas.
Giet het bekerglas met knikkers leeg in het rode gootje, duw de knikkers langzaam naar
het eind, duw een aantal blauwe knikkers door de gaatjes naar het groene gootje. Laat
de knikkers in de lege bekerglazen lopen en herhaal het proces een aantal maal.
Uiteindelijk zijn de blauwe en de rode knikkers gescheiden en is het bloed gezuiverd.
© Noordhoff Uitgevers
Nectar 4e ed. vwo 2/3 Hoofdstuk 10
Uitwerkingen
6
10.2
Je huid
1
Het juiste antwoord is B: om 15.00 uur.
2
a
b
3
a
b
c
4
gehoorzintuig
tastzintuig
warmtezintuig
lichtzintuig
Je gaat zweten / krijgt kippenvel.
reukzintuig
pijnzintuig
1 Je lichaam op temperatuur houden.
2 Bescherming tegen vuil en ziekteverwekkers.
3 Bescherming tegen de zon.
eigen antwoord
eigen antwoord
a-d
5
© Noordhoff Uitgevers
Nectar 4e ed. vwo 2/3 Hoofdstuk 10
Uitwerkingen
7
6
a
b
c
7
a
b
c
Je lichaam meet dat de temperatuur lager is dan de norm van
37°C. De hypothalamus gaat de lichaamstemperatuur bijstellen en
geeft je spieren een seintje om te gaan rillen. Deze organen
reageren en je gaat daadwerkelijk rillen.
vet
Het voelt koeler.
Als je zweet, wordt je huid nat. Het zweet verdampt op je huid; hiervoor is warmte nodig.
De warmte gaat uit je lichaam, waardoor je afkoelt.
Het verdampen gaat sneller, doordat het verdampte zweet sneller wordt afgevoerd.
8
In een tropische kas is de lucht heel vochtig, er zit veel waterdamp in de lucht.
Hierdoor verdampt het zweet op je huid veel minder goed waardoor je niet afkoelt.
9
a
b
c
10
3 °C
-9 °C
Als je nat bent, koel je sneller af.
Dit heeft een vertragend / versnellend effect op onderkoeling, want zo raak je via
bloedvaten in je huid veel warmte kwijt.
1 Om te voorkomen dat er vuil en ziekteverwekkers in je
lichaam komen.
2 Om te voorkomen dat je te veel bloed verliest.
11
1 vernauwing: Het bloedvat vernauwt zich. Hierdoor verlies je minder
bloed.
2 propvorming: Bloedplaatjes klonteren samen. Hierdoor verlies je minder bloed en wordt het wondje
al voor een deel afgesloten voor vuil en ziekteverwekkers.
3 openknappen bloedplaatjes: er komt een stof vrij die reageert met de stollingseiwitten zoals
fibrinogeen.
4 netwerkvorming: er ontstaat een netwerk van fibrinedraden
5 bloedstolling: in het netwerk van fibrinedraden blijven bloedplaatjes hangen. Deze drogen op
tot een korstje.
b
Nummer 4
© Noordhoff Uitgevers
Nectar 4e ed. vwo 2/3 Hoofdstuk 10
Uitwerkingen
8
Dat er ziekteverwekkers in de wond komen.
de kiemlaag
12
a
b
13
pigment / vet / talg / zweet
14
a
b
c
d
in de huid van het donkere meisje
de huid van het blanke meisje
Het pigment wordt weer afgebroken en in de winter wordt er minder pigment
aangemaakt, doordat er dan minder zonlicht is.
De huid van het donkere meisje, omdat pigment tegen uv-straling beschermt. Het
donkere meisje heeft het meeste pigment.
15
a
b
c
Kinderen zijn in de groei, hun botten groeien snel.
’s Winters maak je minder vitamine D in je huid aan, doordat er dan minder zonlicht is.
Mensen met een donkere huid hebben meer pigment. Pigment houdt zonlicht tegen.
Daardoor duurt het langer voordat er voldoende vitamine D is gemaakt.
16
a
b
c
de hoeveelheid uv-stralen
huidkanker
a
Ja / Nee, want je kunt nog niet zien of deze cel door het lichaam wordt
gerepareerd/opgeruimd of wel doorgaat met delen.
Bovendien kan het ook nog een wrat worden,dat is een goedaardig gezwel.
17
Bij zonnebrand raken veel cellen beschadigd; deze sterven af en worden verwijderd
door het vervellen van de hoornlaag.
b
18
a
b
c
d
e
● 10 verdubbelingen: 1024
● 20 verdubbelingen: 1048576
28
3360 dagen (28 x 120)
voor een doorsnede van 10 mm zijn 30 verdubbelingen nodig
30 x 120 = 3600 dagen = iets minder dan 10 jaar
Voordat een tumor te zien of te voelen is, zijn er heel veel delingen nodig. Als een
tumorcel niet zo snel deelt, kan het heel lang duren voordat je de tumor opmerkt.
19
a
b
In de kiemlaag, want daar bevinden zich de delende cellen.
Ja / Nee, want een wrat ontstaat door een virus, kanker ontstaat doordat een cel
verandert in een cel die aldoor maar blijft delen. Een wrat bevindt zich op de huid, een
kankercel kan overal in je lichaam ontstaan.
20
Voor het ontstaan van kanker zijn delende cellen nodig, zenuwcellen delen niet en daardoor
ontstaat er bijna nooit kanker.
© Noordhoff Uitgevers
Nectar 4e ed. vwo 2/3 Hoofdstuk 10
Uitwerkingen
9
EXTRA
21
Behandeling van kanker
a
operatie
tumor wordt
weggesneden
bestraling
met radioactieve straling
chemotherapie
cytostatica
(medicijnen)
Welk deel van het
lichaam wordt
behandeld?
tumor + gezond
weefsel eromheen
tumor + gezond weefsel
eromheen
kankercellen en
gezonde cellen
Wat zijn de
bijwerkingen?
soms misselijkheid
door de narcose,
pijn bij de wond
vermoeidheid en misselijkheid
vermoeidheid,
darmklachten,
haaruitval
Waarmee wordt
de tumor
bestreden?
b
c
d
22
Bij chemotherapie komen de medicijnen (cytostatica) in het hele lichaam, deze
medicijnen hebben dan ook invloed op gezonde cellen op allerlei plekken in je lichaam.
Bij bestraling wordt slechts een deel van je lichaam behandeld: rond de tumor.
Het percentage normale lichaamscellen neemt ook af.
Het duurt een tijdje voordat je lichaam zich weer heeft herstelt. Het aantal cellen is na
een aantal chemotherapiekuren nog niet terug op het oorspronkelijke niveau.
eigen presentatie
© Noordhoff Uitgevers
Nectar 4e ed. vwo 2/3 Hoofdstuk 10
Uitwerkingen
10
DO-IT 10.3
Wat weet jij van ziekten?
1
Spiekbrief
Bacteriën en virussen zijn ziekteverwekkers.
Als ze je lichaam zijn binnengedrongen heb je een infectie.
Er zijn twee soorten witte bloedcellen:
1 Vreetcellen: deze cellen bestrijden ziekteverwekkers door ze 'op te eten' (in te sluiten).
2 Antistofcellen: deze cellen bestrijden ziekteverwekkers door afweerstoffen te maken
waardoor de ziekteverwekkers uitgeschakeld worden.
Koorts is nuttig omdat de witte bloedcellen dan beter hun werk kunnen doen en afvalstoffen
sneller worden afgevoerd.
Immuun zijn voor een ziekte komt doordat je lichaam direct antistoffen maakt tegen de
ziekteverwekker.
Bij inenten spuit de dokter verzwakte ziekteverwekkers in je bloed. Je krijgt de ziekte dan niet,
maar je lichaam gaat wel antistoffen maken.
Actieve immuniteit is dat je lichaam zelf antistoffen gaat maken om een ziekteverwekker te
bestrijden.
Passieve immuniteit is dat je lichaam niet zelf antistoffen maakt maar ze (ingespoten) krijgt.
Je hebt een allergie als je afweersysteem extreem reageert op stoffen die normaal geen
afweerreactie oproepen.
Bij mensen met een allergie binden antistoffen aan mestcellen. Deze cellen bevatten de stof
histamine en worden geactiveerd als je met het allergeen in aanraking komt.
Ze geven dan histamine af.
Deze stof veroorzaakt de allergische reactie.
© Noordhoff Uitgevers
Nectar 4e ed. vwo 2/3 Hoofdstuk 10
Uitwerkingen
11
10.3
Ziek
1
Het juiste antwoord is A: Een virus dat je via de lucht binnenkrijgt.
2
a
b
lederhuid / opperhuid
bloedplaatjes / rode bloedcellen / witte bloedcellen
3
a
b
c
d
e
Je wordt ziek van iedere soort bacterie.
Virussen dringen je cellen binnen.
Gifstoffen die bacteriën uitscheiden, maken je ziek .
Virussen komen overal door je huid je lichaam binnen.
Ziekten die ontstaan door ziekteverwekkers heten infectieziekten.
4
goed / fout
goed / fout
goed / fout
goed / fout
goed / fout
wel besmet niet besmet












a
b
c
d
e
f
Iemand die heel verkouden is, niest vlak bij je.
Je drinkt uit het kopje van iemand die verkouden is.
Je drinkt uit de kraan.
Je gaat eten en wast van te voren je handen.
Je geeft iemand die verkouden is een hand.
Je zoent iemand die een koortslip heeft.
5
a
b
Doordat het virus in de slijmvliezen gaat zitten.
Bij griep / verkoudheid, want bij griep is je hele lichaam ziek en heb je koorts.
6
Incubatie: de tijd waarin je wel besmet bent maar nog niet ziek
Symptomen: ziekteverschijnselen
Diagnose: vaststellen welke ziekte het is
Prognose: voorspelling van het verloop van de ziekte en het herstel
7
8
a
b
c
d
De witte bloedcellen ontstaan in je beenmerg.
Sommige witte bloedcellen sluiten ziekteverwekkers in. Dit zijn de vreetcellen.
Andere witte bloedcellen maken antistoffen.
De witte bloedcel die je ziet in bron 5 is een vreetcel.
9
a
b
witte bloedcellen
De smurrie heet pus of etter en bestaat uit dode witte bloedcellen, dode bacteriën en resten van
kapotte huidcellen.
c
d
e
De juiste volgorde is: 1 → 4 → 2 → 3
Daar zitten ook ziekteverwekkers.
Bloedplaatjes, die zorgen voor het dichtgaan van het wondje.
10
De juiste volgorde is 3 → 1 → 2 → 4
11
a
b
Antistof nummer 4, want deze past op de ziekteverwekker en er kunnen twee
ziekteverwekkers tegelijk aangepakt worden.
Een antistof werkt algemeen / specifiek, want hij werkt maar tegen één specifieke
ziekteverwekker.
© Noordhoff Uitgevers
Nectar 4e ed. vwo 2/3 Hoofdstuk 10
Uitwerkingen
12
12
a
b
c
13
Het juiste antwoord is A: de norm
Hanjo: lichtgrijze lijn
Marco: donkergrijze lijn
Hanjo, omdat zijn afweersysteem door de hogere koorts sneller werkte dat het
afweersysteem van Marco.
Er komt een ziekteverwekker je lichaam binnen. De ziekteverwekker gaat zich vermeerderen en je
wordt ziek. De witte bloedcellen gaan antistoffen maken tegen de ziekteverwekkers en bestrijden
vervolgens de ziekteverwekkers. Je wordt weer beter en je witte bloedcellen onthouden welke
antistoffen deze ziekteverwekker bestrijden. Als je de volgende keer besmet wordt met dezelfde
soort ziekteverwekker, word je niet ziek omdat je witte bloedcellen direct antistoffen gaan
maken: je bent immuun.
14
a
b
c
d


15
a
b
tegen difterie, kinkhoest, tetanus en polio
met verzwakte ziekteverwekkers
Je bent je leven lang immuun voor deze kinderziekten.
❑ Mats zegt: ‘Als je wordt ingeënt tegen polio, is er sprake van passieve immuniteit, want
je wordt niet ziek.’
 Nick zegt: ‘Als je lichaam zelf antistoffen tegen polio maakt, krijg je actieve
immuniteit. Dat gebeurt dus als je ziek wordt door polio, maar ook als je wordt ingeënt.’
Passieve immuniteit wil zeggen dat je lichaam zelf geen antistoffen maakt. Dat gebeurt
als je antistoffen krijgt ingespoten. Bij een inenting en als je ziek wordt, krijg je de
ziekteverwekker binnen. Je lichaam gaat dan zelf antistoffen maken. Er dan sprake van
actieve immuniteit.
natuurlijke immuniteit, deze antistoffen krijgt een baby via de
natuurlijke manier binnen
Ja / Nee, want de baby maakt niet zelf antistoffen en onthoudt dus ook niet welke stoffen
bij deze ziekteverwekkers horen.
16
Hij kan nu besmet zijn geraakt met griep. Bij griep heb je meestal ook last van
verschijnselen die lijken op verkoudheid. De andere symptomen (hoofdpijn, koorts, spierpijn)
wijzen ook op griep.
Het kan ook een andere soort verkoudheidsvirus zijn, er zijn namelijk verschillende
verkoudheidsvirussen. Joas is immuun voor één soort en kan door een
ander soort verkoudheidsvirus wel ziek worden.
17
a
b
c
d
18
een stof waar iemand allergisch op reageert
Je matras is warm en vochtig als je er op slaapt en bevat veel
voedingsstoffen (huidschilfers).
pijl 1: huisstofmijt en huidschilfers
pijl 2: warme en vocht
Omdat de omstandigheden voor de huisstofmijt dan minder gunstig
zijn.
Normale afweerreactie: 5, 4, 3
Allergische reactie: 1, 2, 3, 4, 5, 6
Bij mensen met allergie komt in eerste instantie ook de normale reactie voor.
EXTRA
Antibiotica
19
Hebben alcohol, een oplossing met vitamine C en een zoutoplossing een bacteriedodende
werking?
1 Alcohol heeft waarschijnlijk wel / niet een bacteriedodende werking, omdat het wel /
niet wordt gebruikt als desinfectiemiddel.
2 Vitamine C oplossing heeft waarschijnlijk wel / niet een bacteriedodende werking,
omdat het wel / niet wordt gebruikt als conserveermiddel in voeding.
3 Zoutoplossing waarschijnlijk wel / niet een bacteriedodende werking, omdat het wel /
niet wordt gebruikt als conserveermiddel in voeding.
a
b
c
Bijvoorbeeld:
© Noordhoff Uitgevers
Nectar 4e ed. vwo 2/3 Hoofdstuk 10
Uitwerkingen
13
Tel het aantal bacteriekolonies op de petrischaaltjes en meet ook hoe groot de kolonies
zijn.
Voeg aan een schaaltje alcoholoplossing toe.
Voeg aan het tweede schaaltje de oplossing van vitamine C toe.
Voeg aan het derde schaaltje de zoutoplossing toe.
Laat petrischaaltjes met de bacteriën en de oplossingen een aantal dagen bij 37 staan.
Kijk daarna op welke schaaltjes nog groei heeft plaatsgevonden (er zijn nieuwe kolonies
ontstaan of de kolonies zijn groter geworden)
© Noordhoff Uitgevers
Nectar 4e ed. vwo 2/3 Hoofdstuk 10
Uitwerkingen
14
PRACTICUM 1
1
eigen gegevens
Conclusie
2
a
b
Door handen wassen vermindert het aantal bacteriën op de huid.
ja / nee
PRACTICUM 2
Conclusie
1
Verschil 1 Een rode bloedcel is veel kleiner.
Verschil 2 Een rode bloedcel is rond van vorm, een witte bloedcel kan van vorm veranderen.
2
eigen antwoord
© Noordhoff Uitgevers
Nectar 4e ed. vwo 2/3 Hoofdstuk 10
Uitwerkingen
15
10.4 Bloed- en orgaandonatie
1
Het juiste antwoord is B: 500 mL.
2
a+b
3
Dat komt doordat de organen dan te weinig bloed met zuurstof en voedingsstoffen krijgen.
4
● problemen hebben met bloedstolling.
● veel bloed hebben verloren.
● brandwonden hebben.
● bloedarmoede hebben.
5
a
b
c
6
bloedplaatjes

❑
❑
❑
antistoffen
Mensen met leukemie maken zelf te weinig bloedplaatjes aan. Bloedplaatjes zijn nodig om
wondjes dicht te maken.
Met een transfusie met rode bloedcellen, want rode bloedcellen bevatten hemoglobine.
a
b
c
7
rode bloedcellen bloedplasma
❑
❑

❑
❑


❑
a
b
c
d
1 Bloedgroep O komt het meest voor, bloedgroep AB het minst.
2 In je bloedplasma zitten antistoffen tegen de antigenen die je zelf wel / niet hebt.
eigen antwoord
De ontvanger heeft bloedgroep B.
De ontvanger heeft antistof anti-A.
De donor heeft bloedgroep A.
De antistoffen van de ontvanger binden aan de antigenen van de bloedcellen van de donor.
Hierdoor plakken de bloedcellen van de donor aan elkaar en ontstaan er klonten in het bloed.
© Noordhoff Uitgevers
Nectar 4e ed. vwo 2/3 Hoofdstuk 10
Uitwerkingen
16
8
a
b
bloedgroep AB
c
Omdat bloed met bloedroep O (universele donor) aan iedere ontvanger kan worden
toegediend, zonder dat er een reactie plaatsvindt.
9
a
b
Het juiste antwoord is D: bloedgroep B of bloedgroep AB
10
a
b
c
Als je resuspositief bent, heb je het resusantigeen op je bloedcellen.
Mensen met resuspositief bloed, maken antistoffen tegen resusnegatief bloed.
Als een vrouw met resusnegatief bloed voor het eerst zwanger is,
is er een grote kans dat de baby de resusziekte krijgt.
Een kindje kan alleen de resusziekte krijgen,
als de moeder resusnegatief is en de baby resuspositief.
d
11
12
goed / fout
goed / fout
goed / fout
goed / fout
a
b
Nee, als iemand met resusnegatief bloed resuspositief bloed krijgt,
gaat hij meteen antistoffen maken tegen het resusantigeen.
a
b
Zodat je weet of er kans is op de resusziekte bij de baby.
De resuspositieve bloedcellen van de baby in het bloed van de
moeder worden direct opgeruimd.
© Noordhoff Uitgevers
Nectar 4e ed. vwo 2/3 Hoofdstuk 10
Uitwerkingen
17
c
Dat resusantistoffen van de moeder in het bloed van het kind
terechtkomen.
13
a + b eigen antwoord
14
a
b
Bij transplantatie krijgt een zieke een orgaan van iemand anders.
Wanneer een orgaan niet goed meer werkt.
15
a
Op een donororgaan zitten andere antigenen dan op de eigen organen van een patiënt.
De witte bloedcellen van de patiënt gaan dan antistoffen maken die het donororgaan
afbreken. Het lichaam stoot op die manier het donororgaan af.
Door het slikken van afstotingsremmers.
Doordat de weefsels meer op elkaar lijken (meer vergelijkbare antigenen hebben), is er
minder kans op afstoting.
b
c
16
a
b
c
17
a
b
c
18
a
Op de korte termijn nieren en hart, op de langere termijn hart en lever.
Uit het diagram kun je halen dat na vijf jaar nog ongeveer 43% van de longen nog leeft.
Dat betekent dat ongeveer 57% van de patiënten dan weer op de wachtlijst komt.
Aantal procent van alle getransplanteerde patiënten na 5 jaar weer op de wachtlijst:
longpatiënten: 57% (is 57 van de 100 patiënten)
leverpatiënten: 35%
nierpatiënten: 34%
hartpatiënten: 30%
In totaal zijn dit 156 van 400 patiënten = 156 / 400 * 100 = 39%
Of: tel alle percentages op en deel door 4.
Dan weten artsen bij je overlijden of je organen wilt doneren.
eigen antwoord
eigen antwoord
b
c
eigen antwoord
eigen antwoord
EXTRA
Bloed doneren
19
De bloedgroepen van het ABO-systeem worden weergegeven met hoofdletters A, B en O en
de kleur van de etiketten.
De resusfactor wordt weergegeven door de kleur van de letters.
Het donorbloed stolt niet in het zakje, doordat er antistollingsmiddel in zit.
De bloedbestanddelen worden gekoeld of ingevroren bewaard, omdat het dan veel langer
goed blijft (ongeveer 2 jaar).
a
b
c
d
20
a
b
1 syfilis 2 hepatitis B 3 hiv
Het juiste antwoord is B: In het donorbloed kunnen nog de virussen of bacteriën zitten, die de
ontvanger kunnen besmetten.
© Noordhoff Uitgevers
Nectar 4e ed. vwo 2/3 Hoofdstuk 10
Uitwerkingen
18
21
a
b
1,5 L
In 1 mm3 bloed zitten 5 000 000 rode bloedcellen. 1,5 liter is 1 500 000 mm3. Uit 1,5 liter
kun je dus 1 500 000 x 5 000 000 = 7,5 x 1012 rode bloedcellen halen.
c
In 1 mm bloed zitten 250 000 bloedplaatjes. 1,5 liter is 1 500 000 mm . Uit 1,5 liter kun je
9
dus 1 500 000 x 250 000 = 367 x 10 rode bloedcellen halen.
3
3
d
Bloed wordt gemaakt in:
(welk orgaan?)
Dat gebeurt door:
(manier van aanmaken)
Het duurt ongeveer … voordat de
bloeddeeltjes zijn aangevuld
© Noordhoff Uitgevers
beenmerg
Uit stamcellen die rijpen tot rode bloedcellen
Ongeveer 1000 minuten = bijna 17 uur
Nectar 4e ed. vwo 2/3 Hoofdstuk 10
Uitwerkingen
19
PRACTICUM 1
1
a
b
c
d
eigen antwoord
Als in dit buisje echt bloed had gezeten, dan was dit bloedgroep A of AB
eigen antwoord
Als in dit buisje echt bloed had gezeten, dan was dit bloedgroep B of AB
eigen antwoord
Als in dit buisje echt bloed had gezeten, dan was dit bloedgroep AB
eigen antwoord
Als in dit buisje echt bloed had gezeten, dan was dit bloedgroep 0
Conclusie
2
a
b
bloedgroep 0
bloedgroep AB
© Noordhoff Uitgevers
Nectar 4e ed. vwo 2/3 Hoofdstuk 10
Uitwerkingen
20
10.5
Ongezond?
1
Het juiste antwoord is B: In een cocktail zit meestal minstens evenveel alcohol als in een glas
bier of wijn.
2
elke dag een paar biertjes / twee appels per dag / af en toe roken /
half uur per dag sporten / paar keer per week een vette hap bij de snackbar halen
3
factoren
1 leefstijl
voorbeelden
Gewoontes van eten, drinken, sporten, slapen, ontspanning, roken,
bewegen.
2 omgeving
Woon je in een industriegebied of op het platteland, voel je je prettig
met de vrienden waarmee je omgaat.
Huisarts, tandarts, psycholoog, ziekenhuis, fysiotherapeut.
3 gezondheidszorg
4
a
Je leefstijl zijn al je gewoontes van eten, drinken, sporten, slapen, ontspanning, roken,
beweging.
b + c eigen woordspin
d
eigen antwoord
5
● een ongezonde leefstijl: hoge bloeddruk
● een ongunstige omgeving: astma
● een aangeboren eigenschap: spierziekte
● een infectie: griep, verkoudheid
6
a
b
c
eigen antwoord
Smaakt lekker, je voelt je er lekker bij / geeft een fijn gevoel, geeft een kick.
Je kunt dronken worden, je weet niet meer wat je doet, je raakt er aan verslaafd,
sommige organen raken beschadigd.
7
a
b
c
d
34 %
4%
60 %
eigen antwoord
8
a
b
ontwenningsverschijnselen
lichamelijke klachten
1 trillen, zweten
2 hoofdpijn, misselijk
c
d
geestelijke klachten
1 slecht humeur
2 vergeetachtigheid
Je mist dan het contact met je vrienden of komt steeds in de verleiding om weer te gaan roken
als je bij je vrienden bent die allemaal wel roken.
sociale afhankelijkheid
9
Als je aangeschoten bent, reageer je minder goed en minder snel. Als je dronken bent,
worden je reacties nog trager en weet je helemaal niet meer wat je doet. Je loopt
bijvoorbeeld slingerend, gaat gekke dingen doen, kunt niet meer op je benen staan.
10
a
b
c
d
Pijn door ontstekingen van het slijmvlies.
Je kunt steeds minder dingen onthouden.
Van deze organen sterven cellen af.
Je bloeddruk wordt te hoog.
© Noordhoff Uitgevers
maag
hersenen
hersenen en lever
hart en bloedvaten
Nectar 4e ed. vwo 2/3 Hoofdstuk 10
Uitwerkingen
21
11
Het juiste antwoord is C: tot de volgende dag drie uur ’s middags.
Het duurt ongeveer 1,5 uur (= 90 minuten) om 1 glas alcohol af te breken. Voor tien glazen
duurt dat dus 900 minuten = 15 uur.
12
a
b
eigen antwoord
glas bier
glas wijn
glas berenburg
c
d
13
a
b
c
d
percentage
alcohol
5%
12 %
35 %
grootte van
een glas
250 mL
100 mL
35 mL
hoeveelheid alcohol per glas
in mL
250 : 100 x 5 = 12,5
100 : 100 x 12 = 12
35 : 100 x 35 = 12,25
Bij elk glas evenveel, van de dranken waar meer alcohol in zit, drink je een kleinere
hoeveelheid per glas waardoor je evenveel alcohol binnen krijgt.
eigen antwoord
Je kunt een alcoholvergiftiging krijgen.
Ja / Nee, want iedereen die te veel alcohol drinkt, kan overlijden aan een te hoge dosis
alcohol.
15 jaar
Naarmate de jongeren ouder worden, wordt het percentage comazuipers kleiner.
14
gevolg
hoge bloeddruk
rokershoestje
versnelde hartslag
meer kans op longkanker
longblaasjes gaan kapot
15
a
b
teer
nicotine
x
x
x
x
x
● De huid van de vingertoppen is het koudste deel van de hand.
goed / fout
● De pols en de handpalm zijn de warmste delen van je hand.
goed / fout
● Door roken stijgt de temperatuur van de hand.
goed / fout
● Als bloedvaatjes nauwer worden, geeft de huid meer warmte af.
goed / fout
De temperatuur van deze vingertoppen is lager dan 21 °C zodat ze niet meer zichtbaar
zijn op deze foto.
16
a
b
door teer
1 Longblaasjes gaan stuk.
2 Grotere kans op longkanker.
17
a
b
Vuil en schadelijke stoffen worden minder goed uit de longen verwijderd.
Door teer.
18
Doordat longblaasjes kapotgaan, kan een roker minder zuurstof opnemen en koolstofdioxide afgeven.
Hierdoor moet hij sneller ademhalen om voldoende zuurstof binnen te krijgen en raakt hij eerder buiten
adem.
19
a
20
b
c
1 wiet
2 cocaïne
3 partydrugs
4 crack
5 hasj
op de hersenen
Ja / Nee, want alcohol beïnvloedt de werking van de hersenen.
a
b
c
Dat betekent dat ze je hersenen trager laten werken.
Dat betekent dat ze je hersenen sneller laten werken.
Dat betekent dat ze je hersenen anders laten werken.
© Noordhoff Uitgevers
Nectar 4e ed. vwo 2/3 Hoofdstuk 10
Uitwerkingen
22
21
a - c eigen antwoord
22
a
b
EXTRA
23
a
b
c
d
24
a
Cocaïne heeft invloed op de hypothalamus. De hypothalamus regelt je lichaamstemperatuur
en onder invloed van cocaïne stijgt je lichaamstemperatuur en krijg je het warm.
Het hersengebied waar het denken geregeld wordt (de voorhoofdskwab), wordt beïnvloed
door cocaïne, hierdoor vermindert je denkvermogen.
Blowen
Bij blowen inhaleer je wiet of hasj door roken, meestal door een joint te rollen.
cannabis
● Als je je goed voelt en je gaat blowen, voel je je vaak nog beter / slechter.
● Als je je rot voelt en je gaat blowen, voel je je vaak beter / nog slechter.
1 Je kunt er verslaafd aan raken.
2 Je kunt er psychisch afhankelijk van worden.
Een staafdiagram, hierin kun je de gegevens van de verschillende jaren en herkomst naast
elkaar zetten en zie je de verschillen in één oogopslag.
b
c
d
Bijvoorbeeld:
- In wiet uit het buitenland zit veel minder THC, je zult hier minder high van worden.
- Het THC-gehalte van Nederlandse wiet daalt vanaf 2003.
Als je voor het eerst blowt, zijn de effecten sterker dan wanneer je het al vaker gedaan hebt.
Als je dan ook nog eens wiet met een hoge concentratie THC hebt, zijn de effecten extra
groot.
© Noordhoff Uitgevers
Nectar 4e ed. vwo 2/3 Hoofdstuk 10
Uitwerkingen
23
PRACTICUM 1
Conclusie
1
a
b
c
eigen antwoord
eigen antwoord
eigen antwoord
© Noordhoff Uitgevers
Nectar 4e ed. vwo 2/3 Hoofdstuk 10
Uitwerkingen
24
SAMENVATTEN
10.1
1
uitscheidingsorganen
1 longen
welke afvalstoffen
water(damp) en
koolstofdioxide
2 nieren
medicijnen,
kleurstoffen,overtollige
vitaminen, zouten, water
water en zouten
3 huid
4 lever
giftige stoffen zoals
medicijnen en
alcohol,
kleurstoffen, oude
rode bloedcellen
2
a
Je eet een mars.
Je fietst naar school.
Glucosegehalte in je bloed stijgt.
Glucosegehalte in je bloed daalt.
Alvleesklier produceert insuline.
Alvleesklier produceert glucagon.
Hierdoor wordt glycogeen omgezet in glucose.
Hierdoor wordt glucose omgezet in glycogeen en
opgeslagen.
Glucosegehalte in je bloed is weer normaal.
3
a
1 opbouwen en omzetten aminozuren
2 afbreken van aminozuren en giftige stoffen
b
1 Nefronen: filtratie van afvalstoffen uit het bloed
2 Nierkanaaltje: resorptie van glucose en een deel van de zouten, osmose van water naar het
bloed
3 Verzamelbuisje: vervoer van afvalstoffen en overtollig water naar het nierbekken10.2
© Noordhoff Uitgevers
3 afvalstoffen uitscheiden, bijvoorbeeld bilirubine
4 opslaan van glucose als glycogeen en opslaan
van ijzer
Nectar 4e ed. vwo 2/3 Hoofdstuk 10
Uitwerkingen
25
4
a+b
5
wondje → bloedvatvernauwing en propvorming → bloedplaatjes knappen open → er ontstaat
een netwerk van fibrinedraden → rode bloedcellen blijven hangen → er ontstaat een korstje en
het wondje geneest
6
Huidkanker ontstaat in drie stappen:
1 Normale cel verandert in kankercel.
2 De cel blijft zich delen.
3 Er ontstaan uitzaaiingen doordat tumorcellen afbreken en via het bloed in een ander orgaan terecht
komen.
10.3
7
© Noordhoff Uitgevers
Nectar 4e ed. vwo 2/3 Hoofdstuk 10
Uitwerkingen
26
8
a
1 Witte bloedcellen die ziekteverwekker bij tweede infectie herkennen.
2 Ziekteverwekkers worden direct uitgeschakeld.
doordat witte bloedcellen snel de juiste afweerstoffen maken.
3 Prik met verzwakte ziekteverwekkers
4 Prik met antistoffen
geheugencellen
immuun
inenting/vaccinatie
antiserum
b
soort immuniteit
actieve immuniteit door
natuurlijk
besmetting met ziekteverwekker,
kunstmatig
vaccinatie
passieve immuniteit door
antistoffen via borstvoeding
seruminjectie
c
Stofdeeltjes met antigenen komen in je lichaam → Witte bloedcellen maken antistoffen. →
Antistoffen binden aan mestcellen.
Dezelfde stofdeeltjes komen opnieuw in je lichaam. → Mestcellen worden geactiveerd. →
Mestcellen geven histamine af → Histamine veroorzaakt reactie.
10.4
9
bloedgroep
AB
A
B
0
antigenen
A en B
A
B
antistoffen
anti-B
anti-A
anti-A en antiB
kan bloed geven aan
AB
A en AB
B en AB
0, A, B, AB
kan bloed ontvangen van
A, B, AB, 0
A en 0
B en 0
0
10
a
b
c
De universele donor is bloedgroep O
De universele ontvanger is bloedgroep AB
Iemand met bloedgroep AB kan alleen bloed geven aan iemand met
bloedgroep AB.
© Noordhoff Uitgevers
Nectar 4e ed. vwo 2/3 Hoofdstuk 10
Uitwerkingen
27
11
eerste zwangerschap:
resuspositief kindje + resusnegatieve moeder
moeder maakt resusantistoffen
tweede zwangerschap:
resusantistoffen moeder gaan naar bloed van kindje
afbraak van rode bloedcellen Dit heeft de volgende gevolgen:
1 bloedarmoede
2 te veel bilirubine
Dit is te voorkomen met resusprik.
12
a
b
Als een orgaan niet goed werkt, krijg je een orgaantransplantatie.
Daarom moet je afstotingremmers slikken.
10.5
13
ongezonde leefstijl :
1 roken
Wat komt er in je lichaam?
1 teer
2 nicotine
2 drinken
alcohol
3 drugsgebruik
1 verdovende middelen
2 stimulerende middelen
3 bewustzijnsveranderende
middelen
© Noordhoff Uitgevers
Nectar 4e ed. vwo 2/3 Hoofdstuk 10
gevolgen
- longkanker
- hoge bloeddruk
- verslaving
- dronken/aangeschoten
- hersenbeschadiging
- leverbeschadiging
- Hersenen werken trager.
- Hersenen werken sneller.
- Hersenen werken anders.
Uitwerkingen
28
TEST JEZELF
1
Het juiste antwoord is C: De longen halen koolstofdioxide uit het bloed.
2
a
b
c
d
e
f
g
Bij gezonde mensen zit er zout in de urine.
Bij gezonde mensen zit er glucose in de urine.
De lever maakt insuline.
Insuline regelt dat het glucosegehalte in het bloed daalt.
In voorurine zitten eiwitten, glucose, water en zouten.
Vanuit het nierkanaaltje vindt resorptie van water plaats.
Afvalstoffen gaan in deze volgorde door de nieren naar de blaas:
nierslagader – haarvaten – verzamelbuisjes – nierkanaaltjes
– nierbekken – urineleiders
goed / fout
goed / fout
goed / fout
goed / fout
goed / fout
goed / fout
goed / fout
3
4
5
Het juiste antwoord is C: Door meer pigment te maken.
6
De juiste volgorde is: 3 → 7 → 6 → 4 → 5 → 2 → 1
7
 Bij kanker stopt de celdeling niet.
❑ Kanker beschadigt je organen niet.
 Kankercellen kunnen via je bloed naar andere plekken van het lichaam gaan.
 Kankercellen kunnen zich via je lymfevaten verspreiden.
© Noordhoff Uitgevers
Nectar 4e ed. vwo 2/3 Hoofdstuk 10
Uitwerkingen
29
❑ Huidkanker ontstaat doordat uv-straling de cellen in de hoornlaag beschadigt.
8
Door bacteriën op te eten (vreetcellen).
9
Het juiste antwoord is A: Je witte bloedcellen hebben het antigeen nog niet herkend.
10
Bij actieve immuniteit maakt je lichaam zelf antistoffen, bij passieve immuniteit krijg je antistoffen
ingespoten.
11
a
b
Iemand met bloedgroep B, antigenen B, antistof anti-A
Iemand met bloedgroep O, antigenen geen antigenen , antistof anti A en anti-B
12
kan wel
jongen van moeder
jongen van vader
vader van moeder
moeder van vader
moeder van jongen
vader van jongen
13
a
b
c
14
a
b
kan niet
x
x
x
x
x
x
Mensen die resuspositief zijn, hebben het resusantigeen op hun bloedcellen en mensen
die resusnegatief zijn hebben dat niet.
Doordat resusantistoffen van de moeder in het bloed van de baby komen.
Omdat iemand die resusnegatief is, tegen resuspositief bloed antistoffen maakt.
Het vervangen van een ziek orgaan door een gezond orgaan.
Omdat er een grotere kans is dat de antigenen op de cellen
overeenkomen en er dus minder kans op afstoting is.
15
kans op longkanker
hoge bloeddruk
kans op hartinfarct
kapotte longblaasjes
beschadiging van hersenen
16


roken




❑
vet eten
❑


❑
❑
alcohol
❑

❑
❑

 je hart
 je bloedvaten
❑ je hersenen
 je longen
© Noordhoff Uitgevers
Nectar 4e ed. vwo 2/3 Hoofdstuk 10
Uitwerkingen
30
17
a
b
Hersenen: hersencellen sterven af.
Slokdarm: grotere kans op slokdarmkanker.
Maag: beschadiging maagslijmvlies, ontstekingen.
Lever: levercellen sterven af.
© Noordhoff Uitgevers
Nectar 4e ed. vwo 2/3 Hoofdstuk 10
Uitwerkingen
31
VERDIEPING
Griep
1
FAQ over griep
1 Wat is griep?
Een ziekte die veroorzaakt wordt door het griepvirus.
2 Hoe merk je het verschil tussen griep en verkoudheid?
Bij griep is het hele lichaam ziek, je voelt je ook zieker.
3 Hoe verspreidt het griepvirus zich?
Via druppeltjes vocht in de lucht, door aanraking van besmette handen, deurkrukken, etc.
4 Wie krijgt een griepprik?
Ouderen en mensen met een zwakke weerstand, bijvoorbeeld vanwege een chronische ziekte.
5 Waarom is het nodig om elk jaar een griepprik te halen?
Omdat er elk jaar weer andere griepvirussen zijn, en griepvirussen veranderen.
2
a
b
3
a
b
c
d
e
4
a
Wanneer er twee weken lang ineens veel meer mensen griep hebben in een bepaald
gebied.
1 Mensen hebben een lagere weerstand.
2 Mensen zitten meer dicht op elkaar binnen in kleinere ruimten, er is meer kans op
besmetting.
eigen tekening
Een virus is ongeveer 0,1 µm groot. Dat is 70 x zo klein als de
bloedcel.
eiwitten: hemaglutinine en neuraminidase
DNA
RNA
Slijmvliescellen van de mens, nodig voor de vermenigvuldiging van het virus.
De juiste volgorde is: 2 → 6 → 3 →4 → 1 → 7 → 5
5 Het RNA laat de slijmvliescel virusonderdelen maken.
1 De H-eiwitten gaan aan de receptoren van een slijmvliescel zitten.
3 Het virus gaat naar de celkern.
4 Het virus laat zijn RNA vrij.
7 De virussen verlaten de cel.
2 Het membraan van de slijmvliescel sluit het virus in.
6 De nieuwe virussen worden in elkaar gezet.
b
De juiste volgorde is: 2 → 6 → 3 →4 → 1 → 7 → 5
N-eiwitten
5
a
b
c
Op de soort H-eiwitten en de soort N-eiwitten.
De ziekte is heel erg besmettelijk en dodelijk, net als de pest.
De gezonde dieren zouden ziekteverwekkers bij zich kunnen dragen.
6
a
b
stap 2: Het RNA laat de slijmvliescel virusonderdelen maken
over het Mexicaanse griepvirus
© Noordhoff Uitgevers
Nectar 4e ed. vwo 2/3 Hoofdstuk 10
Uitwerkingen
32
7
c
Bijvoorbeeld:
d
Er is nog niemand die antistoffen tegen deze griepvariant heeft.
a+b
© Noordhoff Uitgevers
Nectar 4e ed. vwo 2/3 Hoofdstuk 10
Uitwerkingen
33
Download