De behandeling van het lot

advertisement
Psychiater René Kahn over het zieke brein
De behandeling van het lot
Van alle psychiatrische patiënten die in gevangenissen en tbs-instellingen zitten, is
een flink aantal behandelbaar, vermoedt professor René Kahn, hoogleraar psychiatrie aan de Universiteit Utrecht en afdelingshoofd psychiatrie van het Universitair
Medisch Centrum Utrecht. Behandeling onder dwang zou hij daarbij niet op voorhand willen uitsluiten. ‘Wat is ethischer? Onder dwang in vrijheid leven of zonder
dwang de rest van je leven opgesloten blijven zitten?’
Zijn psychiatrische vorming kreeg hij in de Verenigde Staten.
Daar raakte Kahn (1954) gefascineerd door de biologische aspecten van, met name, angststoornissen en schizofrenie. Inmiddels
staat hij bekend als dé specialist op het gebied van de biologische
psychiatrie. Hij doet onderzoek naar de genetische aspecten van
ziekten als depressie en schizofrenie en bekijkt hoe de hersenen
van mensen die aan deze ziekten lijden zich gaandeweg hun leven
ontwikkelen. ‘De hersenen zijn een veranderbaar orgaan,’ legt
Kahn uit. ‘Hersenen zijn flexibel, er vindt een voortdurend proces van aanpassing en verandering plaats.Wij willen weten welke
genen zijn betrokken bij de mogelijke ontwikkeling van bepaalde ziektebeelden, in welke delen van de hersenen zich bepaalde
veranderingen voordoen en welke omgevingsfactoren daarop
invloed uitoefenen.’
René Kahn
Hoofd als hart
Wie de biologische psychiatrie een beetje wil begrijpen, moet
zijn hoofd voorstellen als hart, zegt Kahn. Iedereen weet dat de
kans dat iemand ooit een hartaanval krijgt op de eerste plaats
genetisch is bepaald, net zoals kanker. Kahn spreekt in dit verband
over “genetische kwetsbaarheid”. Vervolgens is het de vraag of
iemand ook werkelijk een hartaanval zal krijgen. Dat hangt onder
andere af van iemands levenspatroon; roken, teveel en te vet eten
en weinig beweging vergroten de kans op hart- en vaatziekten.
Precies hetzelfde geldt voor de hersenen. Ziekten als depressie en
schizofrenie, maar ook dwangstoornissen, autisme, Alzheimer én
verslaving zijn volgens Kahn op de eerste plaats genetisch bepaald
en te lokaliseren in de hersenen. Of de ziekten zich ook werkelijk openbaren, hangt bij bepaalde ziekten waarschijnlijk af van
wat iemand in zijn leven allemaal meemaakt, de zogenoemde
stressfactoren. De combinatie tussen aanleg en stressfactoren
verklaart dus waarom de één vrij makkelijk een traumatische
gebeurtenis in zijn leven kan verwerken en een ander niet; de
aangeboren genetische kwetsbaarheid van hun hersenen bepaalt
hun lot. Dat lot is geen onwrikbaar gegeven, onderstreept Kahn,
integendeel. Omdat de hersenen veranderbaar zijn, kunnen
bepaalde processen worden beïnvloed, bijvoorbeeld door medicijnen. Een goed voorbeeld daarvan zijn antidepressiva (zie kader).
Maar ook de ooit omstreden methode van de elektroshock
bewijst nog steeds goede diensten bij de behandeling van depressies. Hoe de elektroshock precies werkt, weet nog steeds niemand,
geeft Kahn aan.Wel bestaan er sterke aanwijzingen dat de methode helpt om de vorming van hersencellen in een bepaald deel van
de hersenen – de zogeheten hippocampus - weer op gang te
helpen. En net als aan een gezond pompend hart, heeft iedereen
iets aan een goed functionerende hippocampus; dat deel van
hersenen heeft namelijk onder andere tot taak het evenwicht
tussen stress en rust te herstellen.
Zieke gevangenen
Dat depressie en schizofrenie ziekten zijn die effectief behandeld
kunnen worden, wordt inmiddels wel erkend. Dat kan met pillen,
maar ook met praten. Vooral door middel van cognitieve
gedragstherapie kunnen mensen leren zich te wapenen tegen
bijvoorbeeld afwijzing. Kahn: ‘Antidepressiva dempen bepaalde
gevolgtrekkingen die iemand maakt. Patiënten formuleren dat
ook vaak precies op die manier. “Het kan me allemaal wat
minder schelen,” zeggen ze dan. Cognitieve gedragstherapie kan
helpen om mensen anders te leren denken.Wie zijn gedachten op
die manier vormt, verandert iets in zijn hersenen waardoor het
beter met hem kan gaan.’
Kahn heeft sterke aanwijzingen dat ook verslaving een ziekte is
waarbij erfelijke factoren en omgevingsfactoren een rol spelen.
Toch wordt nog steeds weinig hersenonderzoek gedaan naar
verslaving. Hetzelfde geldt voor onderzoek naar de vraag in hoeverre agressie ligt verankerd in onze hersenen. Dat is niet alleen
uit wetenschappelijk, maar ook uit maatschappelijk oogpunt
betreurenswaardig; de gevangenissen zitten immers vol met vaak
verslaafde en soms agressieve mensen en het aantal psychiatrische
patiënten dat met Justitie in aanraking komt, neemt alleen maar
toe. Onderzoek naar deze groep is niet erg populair, weet Kahn,
en ligt bovendien politiek altijd uiterst gevoelig. Over het onderzoek van de Nijmeegse hoogleraar Jan Buitelaar naar de mogelijke
correlatie tussen afwijkingen in het voorste deel van de
hersenen en ernstige gedragsstoornissen (onder andere bij mensen
die ter beschikking zijn gesteld), is nog weinig bekend. Hoewel
hijzelf geen aandrang voelt zich met deze problematiek bezig te
houden – ‘Justitie is wel eens langs geweest, maar ik heb het druk
genoeg’ – gelooft Kahn dat een deel van de huidige gevangenispopulatie met de juiste behandeling nooit meer met politie en
justitie in aanraking zou komen. Alleen al om die reden moet
Nederland trots zijn op het bestaande tbs-systeem, zegt Kahn. ‘Ik
heb wel eens een justitiële inrichting bezocht en mensen gezien
met bijvoorbeeld een manisch depressieve ziekte. Die kun je echt
goed behandelen met medicijnen en dan doen ze het echt niet
meer. Iemand die in een psychotische fase van een depressie
iemand heeft vermoord, is niet slecht maar ziek. Met de juiste
behandeling kan je ervoor zorgen dat hij niet meer recidiveert.’
De hoogleraar psychiatrie vindt dat dergelijke behandelingen
eventueel onder dwang moeten plaatsvinden. Dat juristen
daar vaak een stokje voor steken, is hem een doorn in het oog,
‘hoewel er gelukkig nog wijze rechters bestaan die soms bereid
zijn een rechterlijke machtiging af te geven, opdat iemand wel
tegen zijn zin kan worden opgenomen. Ik vind dat sommige
mensen gedwongen zouden moeten worden medicijnen te
nemen als die ervoor zorgen dat ze niet meer in de criminaliteit
vervallen.Want wat is ethischer; mensen onder dwang in vrijheid
laten leven of mensen zonder dwang hun leven lang opsluiten?’
René Kahn. Onze hersenen. Over de smalle grens tussen normaal en
abnormaal. Uitgeverij Balans, Amsterdam
Over werking van antidepressiva
Bij depressie spelen waarschijnlijk in ieder geval twee delen van de hersenen een rol, de zogeheten amandel en de hippocampus.
De hippocampus is het deel van de hersenen waar informatie wordt opgeslagen, maar heeft ook de taak het evenwicht tussen
stress en rust te herstellen. Het is bovendien het enige deel van de hersenen waarvan tot nu toe is bewezen dat het steeds
nieuwe cellen aanmaakt. De amandel is betrokken bij het ontvangen van zintuiglijke prikkels en heeft invloed op de sturing van
het gedrag (dat vooral in de voorste hersenen is gelegen) en de sturing van het stresssysteem (via verbindingen met de hippocampus). Bij depressie is sprake van een verlaagd serotonineniveau. Serotonine is het boodschappermolecuul dat helpt om informatie van de ene hersencel naar de andere over te brengen. Het helpt onder andere om het systeem dat gevaar signaleert (in de
amandel) te dempen, zodat we niet bij elke prikkel meteen in paniek raken. Nu blijken mensen met een bepaalde genetische
kwetsbaarheid minder in staat te zijn dat serotoninegehalte op peil te houden. Ze zien daardoor eerder gevaar en reageren
daardoor bijvoorbeeld sterker op een afwijzing. De stresshormonen
die ieder mens aanmaakt als hij bijvoorbeeld bang is, worden bij deze
mensen niet afgevlakt, maar blijven hoog.Teveel stresshormonen zorgen er op hun beurt voor dat de hippocampus wordt beschadigd en
daardoor onvoldoende nieuwe cellen kan aanmaken. Er is dus sprake
van een sneeuwbaleffect; te weinig serotonine betekent teveel stresshormonen, betekent aantasting van het centrum dat rust moet brengen, betekent nog meer stress. En dat leidt tot een depressie.
Antidepressiva grijpen vroegtijdig in deze cyclus in. Ze werken in op
de amandelkern en zorgen ervoor dat het gevaarsignaleringssysteem
wordt gedempt. De pillen vervlakken eigenlijk letterlijk de binnenkomende prikkels, waardoor de hele stresscyclus wordt geremd en de
hippocampus dus niet wordt aangetast. Antidepressiva veranderen de
hersenen niet blijvend. Iemand moet met andere woorden de pillen
blijven slikken wil hij het gewenste effect behouden.
o p r e c h t 8 pag 11
Download