Reglement heffing op onbebouwde percelen, gelegen in een niet

advertisement
Reglement heffing op onbebouwde percelen, gelegen in een niet- vervallen verkaveling
Art. 1:
Er wordt voor de aanslagjaren 2005 tot en met 2009 een jaarlijkse directe belasting geheven op
onbebouwde percelen gelegen in niet-vervallen verkavelingen.
Art. 2:
Als onbebouwd perceel wordt beschouwd, elk kadastraal perceel dat als zodanig vermeld staat
in de verkavelingsvergunning, waarvoor op 1 januari van het aanslagjaar geen niet vervallen
stedenbouwkundige vergunning voor de oprichting van een voor bewoning bestemd gebouw is
verleend.
Art. 3:
§ 1. De belasting is verschuldigd door de eigenaar op 1 januari van het aanslagjaar.
§ 2. In geval van overdracht onder levenden, wordt de hoedanigheid van eigenaar beoordeeld
op de datum van de authentieke akte tot vaststelling van de overdracht.
§ 3. Indien er erfpacht, opstalrecht of vruchtgebruik bestaat, is de belasting verschuldigd door
de erfpachter, opstalhouder of vruchtgebruiker en subsidiair door de eigenaar of naakte
eigenaar.
§ 4. In geval van mede-eigendom, is iedere mede-eigenaar belastingschuldig voor zijn wettelijk
deel.
Art.4:
§ 1. De belasting wordt vastgesteld op 1 euro per vierkante meter oppervlakte van het
onbebouwd perceel. Vanaf het dienstjaar 2009, voor de eigenaars van één enkel
onbebouwd perceel, wordt de belasting vastgesteld op 0,50 euro per vierkante meter
oppervlakte van het onbebouwd perceel.
§ 2. De belasting wordt berekend per onbebouwd perceel, als zodanig vermeld in de
verkavelingsvergunning.
§ 3. Elk gedeelte van een vierkante meter wordt steeds als een volledige vierkante meter
beschouwd. De minimum aanslagvoet bedraagt 250 Euro per onbebouwd perceel.
§ 4. Vanaf het derde aanslagjaar wordt, voor een zelfde eigenaar van een zelfde
onbebouwde perceel, de belasting verhoogd met 0,50 euro per vierkante meter
oppervlakte van het onbebouwd perceel en vanaf het vijfde aanslagjaar terug verhoogd
met 0,50 euro per vierkante meter oppervlakte van het onbebouwd perceel. Vanaf het
aanslagjaar 2008 gelden deze verhogingen evenwel niet voor eigenaars van één enkel
onbebouwd perceel.
Art. 5:
Van de belasting zijn vrijgesteld:
1. De eigenaars van één enkel onbebouwd perceel bij uitsluiting van enig ander onroerend goed,
gedurende vijf kalenderjaren die volgen op de verwerving van het goed. De vrijstelling geldt
gedurende vijf aanslagjaren volgend op de inwerkingtreding van dit reglement, indien het goed
op dat tijdstip reeds verworven is.
2. De eigenaars van een onbebouwde grond die aanpalend is aan het perceel waarop de
woning van de eigenaar zich bevindt en waarmee deze grond een harmonisch en/of functioneel
onderdeel vormt, voor zover dit verworven is voor 1 januari 2005.
3. De Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen en de door de Vlaamse Maatschappij
voor Sociaal Wonen erkende sociale huisvestingsmaatschappijen.
4. Het OCMW.
5. Het Stadsontwikkelingsbedrijf.
6. De verkavelaars, indien de verkavelingsvergunning geen werken omvat, en dit gedurende
twee jaar volgend op het jaar waarin de verkavelingsvergunning werd toegekend.
7. De verkavelaars, indien de verkavelingsvergunning werken omvat, en dit gedurende twee jaar
volgend op het jaar waarin het attest bedoeld in artikel 101, §3 van het decreet houdende de
organisatie van de ruimtelijke ordening, werd toegekend.
8. De ouders met kinderen ten laste, beperkt tot één onbebouwd perceel per kind ten laste,
gedurende tien kalenderjaren die volgen op de verwerving van het goed. De vrijstelling geldt
gedurende tien aanslagjaren volgend op de inwerkingtreding van dit reglement, indien het goed
op dat tijdstip reeds verworven is.
9. De eigenaars van onbebouwde percelen die, ingevolge de bepalingen van de wet op de
landpacht, niet voor bebouwing kunnen worden bestemd.
10. De eigenaars van onbebouwde percelen die omwille van stedenbouwkundige redenen niet
meer in aanmerking komen voor het oprichten van een volwaardige woning.
11. De eigenaars van onbebouwde percelen waarvan ze pas in de loop van het kalenderjaar
voorafgaand aan het belastingsjaar eigenaar zijn geworden, zijn gedurende het eerste en het
tweede belastingsjaar vrijgesteld.
12. Indien blijkens een notariële akte, een onbebouwd perceel waarop de belasting voor
het dienstjaar verschuldigd is, in de loop van het aanslagjaar niet langer aan de
belastingplichtige toebehoort, wordt het, ingaand op de 1ste van de maand waarin de
onderhandse verkoopsovereenkomst werd gesloten of, bij gebreke daaraan, waarin de
notariële akte verleden is, vrijgesteld voor de resterende periode van het aanslagjaar.
13. Indien voor een onbebouwd perceel in de loop van het aanslagjaar een
stedenbouwkundige vergunning voor de oprichting van een voor bewoning bestemd
gebouw is verleend, wordt het, ingaand op de 1ste van de maand waarin de vergunning
werd verleend, vrijgesteld voor de resterende periode van het aanslagjaar.
Art. 6:
§ 1. Elke belastingplichtige moet uiterlijk op 31 oktober van het aanslagjaar aangifte doen door
middel van een formulier dat hem/haar toegezonden wordt door het stadsbestuur van Kortrijk,
Financiële dienst, Grote Markt 54, 8500 Kortrijk.
§ 2. Wie geen aangifteformulier ontving, moet het document afhalen of aanvragen bij het
stadsbestuur Kortrijk, Financiële dienst, Grote Markt 54, 850 Kortrijk.
§ 3. De correct ingevulde, gedag- en genaamtekende aangifte moet binnen de hierboven
gestelde termijn worden ingediend bij het stadsbestuur Kortrijk, Financiële dienst, Grote Markt
54, 850 Kortrijk.
Art. 7:
§ 1. Bij gebrek aan aangifte binnen de in art. 6 vastgestelde termijn of bij onvolledige, onjuiste of
onnauwkeurige aangifte wordt de belastingplichtige ambtshalve belast volgens de gegevens
waarover het stadsbestuur beschikt, onverminderd het recht van bezwaar en beroep.
§ 2. Vooraleer over te gaan tot de ambtshalve vaststelling van de belasting, betekent het
College van Burgemeester en Schepenen aan de belastingplichtige, per aangetekend schrijven,
de motieven om gebruik te maken van deze procedure, de elementen waarop de aanslag is
gebaseerd evenals de wijze van bepaling van deze elementen en het bedrag van de belasting.
§ 3. De belastingplichtige beschikt over een termijn van dertig dagen volgend op de datum van
verzending van de betekening om zijn opmerkingen schriftelijk voor te dragen.
Art. 8:
Art. 13:
§ 1. De overeenkomstig art. 7 ambtshalve ingekohierde belasting wordt vermeerderd met
volgende belastingsverhogingen:
1. Eerste overtreding: 20% verhoging van de verschuldigde belasting;
2. Tweede overtreding: 50% verhoging van de verschuldigde belasting;
3. Vanaf de derde overtreding: 100% verhoging van de verschuldigde belasting.
§ 1. De belastingschuldige kan bezwaar indienen tegen deze belasting bij het College van
Burgemeester en Schepenen.
§ 2. Het bezwaarschrift moet, op straffe van nietigheid, schriftelijk worden ingediend, en worden
gemotiveerd. De indiening kan gebeuren door verzending of door overhandiging.
§ 2. Bij de bepaling van het toe te passen percentage van de belastingsverhogingen worden de
vorige overtredingen inzake aangifte in aanmerking genomen die werden vastgesteld voor de
laatste vier aanslagjaren die het aanslagjaar voorafgaan waarvoor de nieuwe overtreding werd
vastgelegd.
§ 3. Deze indiening, moet op straffe van verval, gebeuren binnen een termijn van drie
maanden vanaf de derde kalenderdag volgend op de datum van de verzending van het
aanslagbiljet waarop de bezwaartermijn vermeld staat of vanaf de kennisgeving van de
aanslag.
§ 3. De belastingsverhogingen bedragen in toepassing van §1 minimaal 25 €.
§ 4. Van het bezwaarschrift wordt een ontvangstbewijs afgegeven, binnen de vijftien
kalenderdagen na de indiening ervan.
§ 4. Het bedrag van deze verhoging wordt eveneens ingekohierd.
Art. 9:
De belasting wordt ingevorderd bij wege van een kohier dat vastgesteld en uitvoerbaar
verklaard wordt door het College van Burgemeester en Schepenen.
Art. 10:
De belasting moet betaald worden binnen twee maanden na de verzending van het
aanslagbiljet.
Art. 11:
De verkoper van een onbebouwd perceel, zoals beschreven in art. 2, is verplicht binnen de twee
maanden na het verlijden van de notariële akte aan het stadsbestuur mee te delen:
1. volledige identiteit en adres van de nieuwe eigenaar
2. datum van de akte en de naam van de notaris
3. nauwkeurige aanduiding van het verkochte perceel.
Art.12:
Het college van burgemeester en schepenen verleent ambtshalve ontheffing van
overbelastingen die voortvloeien uit materiële vergissingen op voorwaarde dat die door de
administratie werden vastgesteld of door de belastingschuldige aan de administratie werden
bekendgemaakt binnen de drie jaar vanaf 1 januari van het jaar waarin de belasting werd
gevestigd, en de aanslag niet reeds het voorwerp is geweest van een bezwaarschrift, dat
aanleiding heeft gegeven tot een definitieve beslissing nopens de grond (Hfdst. 7 van het W.I.B.,
m.b.t. artikel 376 en artikel 55 § 2 van het Algemeen Reglement op de Gemeentelijke
Comptabiliteit).
Art. 14 :
De belasting wordt ingevorderd overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 30
mei 2008 betreffende de vestiging en de invordering van de provincie- en
gemeentebelastingen en de bepalingen van de procedure voor de deputatie of voor het
college van burgemeester en schepenen, inzake bezwaarschrift tegen een provincie- of
gemeentebelasting.
Download