Economische Berichten

advertisement
Economische
Berichten
• nr. 23 • 12 december 2014
Lagere olieprijzen, manna voor de Belgische economie?
De recente forse daling van de ruwe-olieprijs is voor België een belangrijke positieve externe
schok. Als de prijs rond het huidige lage niveau blijft, dan betekent dit een directe daling van
de factuur voor ingevoerde olie van 1,5% van het bbp. Dat is meer dan gemiddeld in de eurozone, omdat de Belgische economie relatief olie-intensief is. Naar schatting bijna drie kwart
van die winst komt toe aan de bedrijven, zowat een kwart aan de gezinnen en de kleine rest
aan de overheid. Naast dit directe inkomenseffect heeft de olieprijsdaling indirecte positieve
effecten op de economische activiteit, afhankelijk van de mate waarin gezinnen, bedrijven en
de overheid hun bestedingen aanpassen. De lagere inflatie als gevolg van de olieprijsdaling
leidt bovendien tot uitstel van de volgende indexaanpassing. Doordat de regering heeft beslist
die volgende aanpassing over te slaan en een reële loonstop van toepassing blijft, zal België
allicht tot 2017 een langdurige nominale loonmatiging kennen. De verbetering van de concurrentiekracht die daarmee gepaard gaat, zorgt voor een bijkomende positieve impact op de
economische activiteit. Alles samen gaan wij ervan uit dat, bij een aanhoudend lage olieprijs
in een vork van 65-75 dollar per vat, dit zo’n 0,25% extra groei van het reële bbp kan veroorzaken in 2015 en 0,5% in 2016. Voor de overheid is de prijsdaling overigens een opportuniteit
om een deel van de inkomenswinst van gezinnen en bedrijven naar zich toe te trekken via
hogere belastingen op brandstoffen. Het groei-effect van de prijsdaling is dan kleiner, maar
wordt opnieuw goedgemaakt in de mate dat ter compensatie de loonlasten bijkomend worden
verlaagd. Beleidsmatig zou dat overigens passen in een ‘taks shift’ in de richting van meer
milieuvriendelijke ecofiscaliteit.
De prijs van een vat Brentolie kelderde de voorbije maanden van
115 dollar eind juni tot rond 65 dollar midden december. Dat is
een daling van 44% tot het laagste peil in meer dan vier jaar. In
diezelfde periode apprecieerde de dollar met 9% tegenover de
euro, zodat de daling van de olieprijs in euro met 39% wel wat
lager lag (grafiek 1). Eén oorzaak van de prijsdaling was de zwakkere groei van de vraag naar olie als gevolg van de economische
groeivertraging in China en Europa. Belangrijker echter was de
verruiming van het aanbod. Sinds 2008 nam de productie van
schalieolie in de VS toe met 4 miljoen vaten per dag, waardoor
het land nauwelijks nog olie moet invoeren. Ook Libië en Irak
wisten hun productie, ondanks oorlogsgeweld, op te voeren.
In het verleden slaagde het OPEC-kartel van belangrijkste olieproducerende landen erin om zijn olie-inkomsten te stabiliseren,
doordat (vooral) Saudi-Arabië de oliekraan wat meer open of
dicht draaide. Op de top in Wenen eind november gaf het kartel
evenwel te kennen dat het voorlopig niet van plan is om de olieproductie terug te schroeven. Het OPEC-kartel en vooral SaudiArabië zijn de enige partijen op de oliemarkt die het aanbod snel
kunnen doen krimpen. Als dat niet gebeurt, zal het olieaanbod
zich pas met vertraging aan de prijsdaling aanpassen. Het ziet
er dan ook naar uit dat de olieprijs langer in de buurt van het
huidige lagere niveau kan blijven. In wat volgt gaan we na wat
daarvan de gevolgen kunnen zijn voor de Belgische economie.
1
Economische Berichten
Grafiek 1 - Olieprijs
Grafiek 2 - Oliebalans van België
(per vat Brentolie)
(in miljoen ton, 2013)
140
1,65
30
1,6
25
1,55
120
1,5
100
20
1,45
15
80
1,4
10
60
1,35
5
1,3
40
20
1,25
2007
08
09
10
11
in USD (linkse schaal)
in EUR (linkse schaal)
12
13
1,2
14
USD per EUR (rechtse schaal)
Bron: Thomson Financial Datastream
g
ik
te
ds
we
kte
kte n
kte
ru
rin
Ru lie werk cten wer ten wer ucte wer ten nlan ik
rb ijen
ke
e
o
e
u
n
e
c
e
e
e
u
r
c
v
d
g
d
r
g
u
g
n
e
g
Bu
en ad
Af epro lf-af rodu Af epro lf-af rod Bin verb
Eigaffin
Ha liep
oli
Ha liep
oli
r
o
o
InvoerUitvoerVerbruik
Bron: FOD Economie
Positief ruilvoet- en inkomenseffect
In eerste instantie confronteert de goedkopere oliefactuur de
Belgische economie met een onmiddellijke verbetering van de
internationale ruilvoet, d.i. de verhouding tussen de uitvoer- en
invoerprijzen (zie schema). Door de lagere olieprijs zullen de
invoerprijzen immers lager uitvallen dan zonder de olieprijsdaling het geval zou zijn geweest. Dit positieve ruilvoeteffect
wordt wel getemperd in de mate dat bedrijven een deel van
hun lagere oliekosten doorrekenen in hun uitvoerprijzen. Naast
de invoer van ruwe olie drijft België bovendien veel handel in
(half)afgewerkte olieproducten, waarvan de prijs eveneens aan
de ruwe-olieprijsdaling onderhevig is. De impact daarvan op
de ruilvoet is echter beperkt, aangezien de invoer en uitvoer
van (half)afgewerkte olieproducten ongeveer aan elkaar gelijk
zijn (grafiek 2).
SD
0
Als de olieprijs rond het huidige lagere niveau blijft, betekent
dit een directe daling van de oliefactuur voor ingevoerde ruwe
olie van ongeveer 6 miljard euro op jaarbasis, of zowat 1,5%
van het bbp. Die winst is groter dan gemiddeld in de eurozone,
omdat de Belgische economie relatief olie-intensief is. België
consumeerde de voorbije jaren gemiddeld zo’n 650.000 vaten
olie per dag. Gerelateerd aan de omvang van het bbp is dat
bijna twee derden meer dan in de hele eurozone. Sinds het
begin van de jaren 80 nam de olieconsumptie in verhouding tot
het reële bbp wel met ruim een derde af, maar deze vermindering van de olieafhankelijkheid was kleiner dan gemiddeld in de
eurozone, waar de olieconsumptie in verhouding tot het reële
bbp nagenoeg halveerde (grafiek 3).
De lagere uitgaven voor ingevoerde olie dragen op zich bij
tot een verbetering van de lopende rekening van de Belgische
betalingsbalans. Dit is alvast een belangrijke breuk met de
USD per EUR (rechtse schaal)
In EUR
Schema - Transmissie van de olieprijsdaling naar de economische activiteit
olieprijsdaling
=
olieprijsdaling
=
daling invoerprijzen
=
daling uitvoerprijzen
=
ruilvoetverbetering
ruilvoetverslechtering
België
Gezinnen
lagere brandstofkosten
Directe
inkomenseffecten
Indirecte vraag& aanbodeffecten
2
=
Bedrijven
lagere productiekosten
=
Handelspartners
Overheid
maar verlies aan
reële koopkrachtwinst
toename winstmarges
btw op olieproducten
toename consumptie
toename investeringen
hogere algemene
& invoer
(en/of meer sparen)
& werkgelegenheid
(en/of meer sparen)
Niet-olieproducenten
Olieproducenten
lagere lopende uitgaven,
btw-inkomsten &
vennootschapsbelasting
inkomenswinst
inkomensverlies
toename invoer
afname invoer
=
toename uitvoer België
=
afname uitvoer België
Grafiek 3 - Totale olieconsumptie
Grafiek 4 - Olieprijs en ruilvoet België
(1980 = 100)
(1980 = 100)
140
110
0
130
120
110
20
107
Aantal vaten
40
100
104
90
60
80
101
80
70
60
50
40
1980
Aantal vaten in verhouding tot
het reële bbp
83
86
89
92
95
98
98
2001
04
07
10
95
1980
13
België
Eurozone
100
Bron: EIA
83
86
89
92
95
98
2001
04
07
10
13
120
Ruilvoet (linkse schaal)
Reële olieprijs (rechtse schaal, geïnverteerd)
Bron: AMECO database, Thomson Financial Datastream
Ruilvoet (linkse schaal)
trend van de voorbije tien jaar, toen de ruilvoetverslechtering
als gevolg van duurdere olie- en grondstoffenprijzen precies een
belangrijke oorzaak was van het wegsmelten van het lopende
overschot (grafiek 4). De goedkopere oliefactuur verhoogt het
inkomen dat beschikbaar is voor binnenlandse bestedingen. Er
is dus een positief inkomenseffect, dat verdeeld wordt tussen
gezinnen, bedrijven en de overheid. Die verdeling hangt af van
de mate waarin zij zelf olie consumeren, van de mate waarin
bedrijven de lagere oliekosten wel of niet doorrekenen aan
hun afnemers en de mate waarin de overheid een deel van dit
hoger inkomen naar zich toetrekt via hogere belastingen. Op
zijn beurt heeft dit inkomenseffect indirecte positieve effecten
op de economische activiteit, afhankelijk van de mate waarin
gezinnen, bedrijven en de overheid hun bestedingen als gevolg
van de olieprijsdaling effectief aanpassen (zie schema).
Indirecte vraag- en aanbodeffecten
Het directe inkomenseffect uit zich concreet in het eindverbruik van olieproducten. Voor de gezinnen gaat het vooral om
België
auto- en huisbrandstof. Zij verbruikten in 2013 zo’n 10 miljard
liter benzine, diesel en huisbrandolie, of zowat een kwart van
Eurozone
het totale verbruik van olieproducten in België (grafiek 5).
Gerekend aan de gemiddelde jaarprijs van deze drie producten
komt dat overeen met ruim 12 miljard euro. Momenteel liggen de maximumprijzen voor de drie brandstoffen 12% lager
dan gemiddeld in 2013. Dat is minder dan de totale prijsdaling van ruwe olie, omdat btw en accijnzen ervoor zorgen dat
schommelingen in de olieprijs niet één op één doorwerken
aan de brandstoftank. Als de prijzen van benzine, diesel en
huisbrandolie het komende jaar constant blijven op de huidige
lagere niveaus, dan komt dat voor de gezinnen neer op zo’n
1,2 miljard euro minder uitgaven op jaarbasis, of circa 0,3%
van het bbp.
Tenzij gezinnen de koopkracht die daardoor vrijkomt zouden
Reële olieprijs (rechts, omgekeerde schaal)
sparen, zal de olieprijsdaling leiden tot meer consumptie
(= positief vraageffect). In vergelijking met de eurozone is dat
effect in België groter, omdat energiedragers in de Belgische
consumptiemand een relatief belangrijker plaats innemen.
Het neerwaartse effect van de prijsdaling op de algemene
index is groter dan op de gezondheidsindex. Sinds de piek in
juli daalde de algemene consumptieprijsindex met 0,5%, de
gezondheidsindex daarentegen slechts met 0,2% omdat die
de prijs van autobrandstoffen buiten beschouwing laat. Net
zoals de gezinnen bij een olieprijsstijging koopkracht verliezen
door het gebruik van de gezondheidsindex voor de indexering
van de lonen, zien zij omgekeerd bij een daling van de olieprijs
hun koopkracht via de indexering op basis van de gezondheidsindex extra ondersteund. De regering besliste evenwel om de
volgende indexaanpassing over te slaan. Als gevolg daarvan zal
dit voordeel worden afgeroomd en via een verbetering van de
concurrentiekracht aan de bedrijven toekomen.
Grafiek 5 - Verbruik van olieproducten in België
(in % totaal, 2013)
Residentieel en
gelijkgesteld
Bunkering
Transport gezinnen
Eigen verbruik
raffinaderijen
Transport bedrijven
Niet-energetisch
verbruik
Industrie
Bron: Belgische Petroleumfederatie
3
Economische Berichten
Bedrijven zijn in België verantwoordelijk voor bijna drie kwart
want het aandeel van de grote olie-exporteurs (de OPECvan het totale verbruik van olieproducten (grafiek 5). Het gros
landen aangevuld met Rusland, Mexico en Noorwegen) in de
daarvan betreft niet-energetisch verbruik van olie (d.w.z. als
Belgische uitvoer is beperkt tot slechts 4,5%.
grondstof i.p.v. brandstof) en bunkering (d.i. het tanken van
bunkerolie door vliegtuigen en zeeschepen in een haven of
Groei-impact
luchthaven). De directe winst van de olieprijsdaling voor de
bedrijven komt ruwweg geschat overeen met zo’n 4,5 miljard
De indirecte vraag- en aanbodeffecten van de olieprijsdaling
euro op jaarbasis, of circa 1,1% van het bbp. Net als voor de
geven ceteris paribus aanleiding tot een hogere economische
gezinnen is de positieve weerslag in België groter dan gemidgroei. Hoe groot deze impact op de groei juist is, hangt af van
deld in de eurozone, als gevolg van de relatief hoge eneronzekere factoren, waaronder de persistentie van de lagere
gieafhankelijkheid van de productie. Ongeveer 40% van de
olieprijs en de mate waarin de vraag- en aanbodeffecten zouBelgische bedrijven behoort tot een
den worden getemperd door meer
energie-intensieve sector, tegenover Naar schatting bijna drie kwart van
sparen van de gezinnen en/of bedrijmaar 30% gemiddeld in de eurozone. de directe winst komt toe aan de
ven. Gezinnen en bedrijven moeten
Voor de bedrijven heeft de olieprijsda- bedrijven, zowat een kwart aan de
immers eerst overtuigd geraken van
ling een direct positief effect op hun gezinnen en de kleine rest aan de
de duurzaamheid van de prijsdaling.
rendabiliteit. In de mate dat hun pro- overheid
In tegenstelling tot de onmiddellijke
ductiekosten sneller dalen dan hun vereffecten op de inflatie, impacteert de
koopprijzen, nemen hun winstmarges
olieprijsdaling de reële groei daardoor
toe. Als gevolg van de hogere rendabiliteit (en ook omdat de
slechts geleidelijk.
consumptie toeneemt) zullen de bedrijven hun investerings- en
rekruteringsplannen opwaarts bijstellen (= positief aanbodefDe meeste studies die de groei-impact van een olieprijsverfect).
andering ramen, gaan uit van een negatieve opwaartse prijsschok. Volgens berekeningen van de Nationale Bank van België
Ook de overheid wint op de korte termijn als gevolg van lagere
(NBB) doet een stijging van de ruwe-olieprijs met 10% het
lopende energie-uitgaven. Die directe winst wordt geschat op
Belgische reële bbp gecumuleerd na één jaar met 0,1% dalen,
0,1% van het bbp, wat veel beperkter is dan die van gezinnen
na twee jaar met 0,3% en na drie jaar met 0,4% (1). Dat is
en bedrijven gezien haar relatief lage olieverbruik. De overheid
ruim meer dan in de eurozone, waar de bbp-daling na drie
verliest wel btw-inkomsten op goedkopere olieproducten. Het
jaar gecumuleerd 0,24% bedraagt. Naast België zou de impact
accijnsbedrag op brandstoffen daarentegen ligt vast en schomook in Duitsland en Italië vrij groot zijn (grafiek 6). De grotere
melt dus niet mee met de olieprijs. Indirect nemen de ontvangimpact in België vloeit voort uit een sterker effect op investesten toe door hogere algemene btw-inkomsten en vennootringen en netto-uitvoer, terwijl de daling van de consumptie
schapsbelasting dankzij de sterkere consumptievraag en de
beperkter blijft doordat de indexering de afname van de reële
toegenomen winstgevendheid van bedrijven. De overheid kan
lonen mildert. De grotere impact van een olieprijsschok is daartrouwens discretionair beslissen om de directe inkomenswinst
naast ook vooral een exponent van de grotere olieafhankelijkvan gezinnen en bedrijven deels naar zich toe te trekken. Zo
heid van België.
besliste de federale regering om in het kader van haar beleid
rond ecofiscaliteit het cliquet-systeem voor diesel terug in te
Grafiek 6 - Impact op het reële bbp van een
voeren. Dat zorgt ervoor dat, wanneer diesel goedkoper wordt,
10%-olieprijsstijging
de helft van de prijsdaling naar de overheid gaat in de vorm van
(in procentpunt bbp)
extra accijns. Het is wel nog onduidelijk wanneer het systeem
0
in voege zal zijn (mogelijk pas vanaf begin 2016). In de mate
-0,05
dat er dan nog verdere olieprijsdalingen volgen, vloeit een deel
-0,1
van de inkomenswinst voor de dieselrijders naar de overheid.
-0,15
Daarnaast uit het positieve effect van de olieprijsdaling op de
economische activiteit zich ook in het verloop van de nettouitvoer. Aangezien de belangrijkste handelspartners eveneens
genieten van een ruilvoetverbetering, zal België indirect profiteren van een toename van de buitenlandse vraag. Anderzijds
lekt een deel van de extra consumptie in België via de invoer
weg naar het buitenland. Het uiteindelijke handelsvolumeeffect hangt ten slotte ook af van de mate waarin olieproducerende landen door hun lagere olie-inkomsten minder vanuit
België zullen invoeren. De impact daarvan blijft evenwel gering,
4
-0,2
-0,25
-0,3
-0,35
-0,4
-0,45
nd Italië land anje ugal akije land nrijk enië krijk land burg
gië
n
Bel uitsla
Sp Port Slow der ste Slov Fran Ier xem
D
eke
Oo
Ne
Lu
Gri
Na 1 jaar
Na 3 jaar (gecumuleerd)
Bron: ECB, IEA
Of de simulaties van de effecten van een opwaartse olieprijsAlles samen gaan wij ervan uit dat de door de NBB geschatte
schok ook omgekeerd gelden voor een neerwaartse schok
bbp-daling als gevolg van een olieprijsstijging zich symmetrisch
is niet zeker. Uit vroegere studies van onder meer de OESO
vertaalt in een even grote bbp-stijging bij een zelfde olieprijsdablijkt dat het effect van olieprijsschokken asymmetrisch werkt:
ling. Bijkomend verwachten we dat de ruwe-olieprijs zich tot
prijsdalingen zouden een kleinere positieve impact op de groei
eind 2016 handhaaft in een vork van 65-75 dollar per vat, wat
hebben dan het negatieve effect van even grote prijsstijginbetekent dat de prijs in 2015 gemiddeld zowat een derde lager
gen (2). Een mogelijke verklaring is dat veranderingen in de
zal liggen dan in 2014. Als een 10%-prijsstijging in dollar na
olieprijs asymmetrische gevolgen hebben voor de onzekerheid
één jaar 0,1 procentpunt bbp kost, dan doet omgerekend een
op financiële markten. Bij een prijsstijging zal het vertrouwen
prijsdaling met een derde het Belgische reële bbp in 2015 zo’n
sneller worden geschaad dan dat markten euforisch worden
0,3% hoger uitkomen. Na twee jaar is het gecumuleerd effect
bij een prijsdaling. Een andere verklaring is de neerwaartse
0,9%, of 0,6% extra groei in 2016. Een deel van deze groeirigiditeit van lonen. Een olieprijsstijging vertaalt zich wel snel
winst zal evenwel worden gecompenseerd door de verwachte
in loonstijgingen (en zeker in België als gevolg van de autoverdere appreciatie van de dollar, die de olieprijsdaling in euro
matische indexering), maar omgekeerd zal een olieprijsdaling
afzwakt. Dat brengt de uiteindelijk door ons geschatte groeiminder makkelijk aanleiding geven tot nominale loondalingen.
impact op 0,25% in 2015 en 0,5% in 2016.
Op korte termijn is een hoge graad van neerwaartse nominale
loonrigiditeit gunstig, omdat die het reëel beschikbaar inkomen
Uiteraard betreft het hier een eenvoudige berekening die met
(en dus de vraag) ondersteunt. Maar op langere termijn zet dat
heel wat onzekerheid is omgeven. Zij houdt bijvoorbeeld geen
de concurrentiekracht van de bedrijven
rekening met de nog werkzame econoonder druk, wat de groei dan weer Alles samen gaan we ervan uit dat
mische gevolgen van eerdere olieprijsnegatief beïnvloedt.
veranderingen. Vóór de recente prijsval
de lagere olieprijs zo’n 0,25% extra
groei van het reële bbp kan veroorza- was de olieprijs evenwel al lange tijd
Recenter onderzoek toont echter aan ken in 2015 en 0,5% in 2016.
redelijk stabiel rond 110 dollar per vat,
dat de asymmetrische impact van oliezodat we kunnen aannemen dat het
prijsschokken niet zo groot is (3). In
positieve groei-effect van de recente
de praktijk verschilt het belang van de neerwaartse nominale
prijsdaling al behoorlijk snel zichtbaar kan worden in 2015. De
loonrigiditeit bovendien sterk van land tot land, afhankelijk
belangrijkste onzekerheid houdt verband met de persistentie
van de institutionele kenmerken van de arbeidsmarkt. In België
van de lagere olieprijs. Zo gaat de NBB er in haar jongste vooris er vanwege de loonindexering nauwelijks neerwaartse
uitzichten zelf van uit dat de olieprijs tegen eind 2016 opnieuw
nominale loonrigiditeit, maar wel een hoge graad van reële
bijna 90 dollar per vat zal bedragen, wat uiteraard voor minder
loonrigiditeit. Bij een negatieve inflatie zal de automatische
positieve groeiprognoses in 2015 en 2016 zorgt dan degene die
indexering namelijk zorgen voor een neerwaartse aanpassing
op een blijvend lagere olieprijs zijn gebaseerd (4).
van de nominale lonen, waardoor het reële loon ongewijzigd
blijft. In de mate dat de nominale lonen bij de handelspartners
Ten slotte kunnen de positieve effecten van de olieprijsdaneerwaarts rigider zijn, verbetert bij een neerwaartse olieprijsling op de groei overwoekerd worden door andere negatieve
schok de Belgische concurrentiepositie.
effecten, bijvoorbeeld als politieke risico’s verbonden aan de
begrotingssanering in België of andere eurolanden het verHet automatisch indexeringsmechanisme werkt meer algetrouwen op de helling zouden zetten. Voor de Belgische
meen ook in gunstige zin als de inflatie vertraagt door een
overheid ligt hier overigens een opportuniteit om een groter
exogene schok, zoals bij de huidige olieprijsdaling. De loonstijdeel van de inkomenswinst die gezinnen en bedrijven door de
gingen worden door de indexering dan automatisch gematigd.
olieprijsdaling opstrijken via hogere belastingen op brandstofIn de praktijk uit zich dat in het langdurig uitblijven van een
fen (bv. via het cliquet-systeem) snel naar zich toe te trekken.
volgende indexaanpassing bij lage inflatie. Zo werd het overHet groei-effect van de olieprijsdaling is dan kleiner, maar dat
schrijden van de volgende spilindex de voorbije maanden door
wordt goedgemaakt in de mate dat
de inflatiedaling al steevast vooruitgeschoven. Het ziet er nu
de loonlasten ter compensatie worden
naar uit dat die overschrijding ten vroegste in de herfst van
verlaagd. Een en ander zou beleids2015 zal plaatsvinden. Doordat de nieuwe regering bovendien
matig trouwens passen in een ‘taks
heeft beslist de volgende indexaanpassing over te slaan en een
shift’ in de richting van meer milieuJohan Van Gompel
reële loonstop van toepassing blijft, zal België allicht tot 2017
vriendelijke ecofiscaliteit.
[email protected]
een langdurige nominale loonmatiging kennen. De verbetering
van de concurrentiekracht die ermee gepaard gaat, vormt in
België een bijkomend positief transmissiekanaal voor de impact
van de olieprijsdaling op de economische activiteit.
Manna?
5
(1) Zie Baugnet en Dury (2010), “Energiemarkten en de macro-economie”, Economisch Tijdschrift NBB, September. De berekeningen kaderden binnen een gemeenschappelijke analyse van de
nationale banken van het Eurosysteem ten behoeve van het Structural Issues Report dat de Europese Centrale Bank dat jaar publiceerde. Zie ECB (2010), “Energy markets and the euro area
macroeconomy”, Structural Issues Report.
(2) Jiménez-Rodríguez, R. en M. Sánchez (2005), “Oil price shocks and real GDP growth: empirical evidence from some OECD countries”, Applied Economics, 37 (2), p. 201-208.
(3) Kilian, L. en R. J. Vigfusson (2009), “Pitfalls in Estimating Asymmetric Effects of Energy Price Shocks”, Board of Governors of the Federal Reserve System, International Finance Discussion
Papers, nr. 970.
(4) Zie NBB (2014), “Economische projecties voor België – Najaar 2014”, Economisch Tijdschrift, december.
Onze webstek www.kbceconomics.be houdt u
op de hoogte van alle analyses en vooruitzichten van de KBC-economisten.
Voor vragen i.v.m. de inhoud van deze publicatie kunt u terecht bij: Johan Van Gompel (32) (0)2 429.59.54
E-mail: [email protected]
Verantwoordelijke uitgever: Johan Van Gompel, Havenlaan 2, B-1080 Brussel
Correspondentieadres & abonnementenbeheer: KBC Groep NV, Global Services, GCE, Havenlaan 2, 1080 Brussel,
E-mail: [email protected]
Deze publicatie komt tot stand op de Chief Economist Department van KBC Groep. Noch de mate waarin de voorgestelde scenario’s, risico’s en prognoses de marktverwachtingen weerspiegelen, noch de mate waarin zij in de realiteit
zullen tot uiting komen, kunnen worden gewaarborgd. De prognoses zijn indicatief. De gegevens in deze publicatie
zijn algemeen en louter informatief. Ze mogen niet worden beschouwd als beleggingsadvies conform de Wet van 6
april 1995 inzake secundaire markten, het statuut van en het toezicht op beleggingsondernemingen, de bemiddelaars en beleggingsadviseurs. KBC kan niet aansprakelijk worden gesteld voor de juistheid of de volledigheid ervan.
Alle historische koersen, statistieken en grafieken zijn actueel tot en met 12 december 2014, tenzij anders vermeld.
De beschreven meningen en vooruitzichten zijn die zoals ze gelden op 12 december 2014.
Download