Humanistische psychologie

advertisement
Psychologie – Prof. Brysbaert
hoofdstuk 1: Wat is psychologie
1.1 een definitie van de psychologie

Psychologie is een wetenschap waarbij het gedrag bestudeerd wordt en waarbij de
gedragsevidentie gebruikt wordt om de interne processen te begrijpen die aan dat gedrag
ten grondslag liggen.
o Wetenschap: gebasseerd op empirische evidentie ipv persoonlijke overtuiging
o Gedrag: wordt bestudeerd dmv systematische observatie en manipulatie
o Interne processen: probeert men te begrijpen door theorien op te stellen die aan de
grondslag liggen van het gedrag.
o

Om inzicht in het gedrag te krijgen moet men
 Observeren en meten
 Theorieën opstellen over interne processen en motieven die eraan ten
grondslag liggen
We bestuderen het zichtbare (gedrag) om de interne processen te begrijpen
1.2 ontwikkelingen in de samenleving die de psychologie mogelijk maakten
De psychologie is een vrij nieuwe wetenschap en bestaat ng maar een 150 jaar
1.2.1. In het begin…

In alle culturen 2 soorten opvattingen
o Religieus: bestaan wordt beheerst door almachtige kracht
 De kerk: god, namen kennis van grieken over, kennis gaat verloren
o Filosofisch: mensen kunnen dingen begrijpen door er over na te denken
 Filosofie in het oude griekenland
o Plato: ideenwereld, Dualisme
o Aristoteles: axiomas
1.2.2. Wetenschappelijke revolutie 17e eeuw
o
o
Niet alle kennis zit in ons en is verloren gegaan
Ware kennis is gebaseerd op systematische observatie en actief ingrijpen in de
wereld
 We kunnen deze kennis dus opdoen door
 Te observeren
 Erop in te grijpen om het beter te begrijpen (experimenteren)
o
Katalysator voor wetenschappelijke revolutie was de copernicaanse revolutie
 Kalender bleek niet meer te kloppen
 Copernicus zei dat aarde niet middelpunt was
 Galileo Galilei werkte dit verder uit
o
Men stopte met het bestuderen van oude meesters en besefte dat kennis niet in de
loop der jaren verloren was gegaan
De wetenschap won aan belang en macht (oorlog en handel)
Er ontstonden twee culturen
 Klassieke humanistische cultuur
 De nieuwe wetenschappelijke cultuuur
o
o
1.2.3. Gebruik van natuurwetenschappelijke methode bij menselijk functioneren




Men begon vanaf 19e eeuw de natuurwetschappelijke methode niet alleen op biologie en de
fysica toe te passen maar ook op het geestelijk functioneren
De ontdekking van de menselijke fout was hier zeer belangrijk
o Astronomen hebben allen een andere tijd
o Conclusie: de ene persoon heeft meer tijd nodig om iets te verwerken dan een ander
Helmholtz (1821-1889)
o Vond de informatiesnelheid van zenuwen (+- 100km/u)
Donders
o Mat de tijd om te weten hoeveel tijd mensen nodig hebben om een handeling uit te
voeren
o Deed dit via mentale chronometrie (techniek waarbij men de tijd van psychologische
processen probeert te achterhalen)
1.2.4. De Evolutietheorie

Charles Darwin kwam op de proppen met de evolutietheorie (1809-1882)
o Survival of the fitest
o Hij beklemtoonde de continuïteit tussen mens en dier
Wetenschappelijke kennis wint aan status



Kennis werd verzameld door ‘de mannen van de wetenschap’ dit leide tot macht
Naarmate weteschap aan status won kwam er een machtstrijd met de gevestigde macht
Twee culturen: (volgens PC. Snow)
o Natuurwetenschappers
o cultuurmensen
1.3 Het ontstaan van de Psychologie
1.3.2. Ontwikkelingen binnen de filosofie

Descartes (1596-1650)
o Eerste filosoof (na de oudheid) die nadacht over de mens
 Rationalisme (kennis is gebaseerd op de rede)
 Nativisme (mens heeft aangeboren kennis)
 Dualisme (scheiding tussen ziel en lichaam)
 Universum is machine (god maakte een perfecte wereld die functioneert als
een machine

John Locke (1632-1704)
o Ontevreden met nativisme en rationalisme
o Empirisme als antwoord:
 De mens begint tabula rasa en verwerft kennis vanuit de perceptie en door
associatie van ideeën op basis van gelijkheid en contiguïteit
1.3.3. Psychologie als nieuwe wetenschap

Wilhelm Wundt (1832-1920)
o Wat in de natuurweteschappen gebeurde kon lijden tot inzichten in de menselijke
geest
o De eerste belangrijke persoon was Wundt
 Richtte het eerste psychologische laboratorium op
 Publiceerde psychologische boeken (benadrukte dat personen van binnenuit
naar zichzelf keken)
 Veel studenten leerden van hem en volgden zijn voorbeeld

Edward Tichener (1867-1927)
o Engelse student van wundt
o Men moest de structuur van het bewustzijn vatten op basis van introspectie
 Bestond uit
 Sensaties (visuele ervaringen, geluiden, geuren, smaken,
tastgevoelens)
 Beelden (herinneringen, niet werkelijk aanwezig)
 Gevoelens (emotionele reacties)
o Dit is het structuralisme: al deze factoren associeerden zogezegd tot het normale
bewustzijn

Alfred Binet (1857-1911)
o Werkte samen met Theodore Simon aan de intelligentietest
o Bestudeerde menselijk functioneren in parijs
o Moest uitzoeken welke kinderen in staat waren onderwijs te volgen
 Intelligentietest
 Zijn eerste metingen klopten niet (zoals omvang van de schedelomtrek)
 Daarna ontwikkelde hij eigen taken en maten die werkten

Omdat Amerika een sterk groeiende staat was, en een grote liefde voor wetenschap had. En
omdat de meeste van wundts studenten amerikanen waren werd amerika al vlug een
autoriteit als het om psychologie ging
o Zij waren eerder geinteresseerd in de toepassingen van de psychologie
 Beter onderwijs
 Betere industrie
 Opsporen en behandelen van gevaarlijke personen
 = Functionalisme
 Beinvloed door darwinisme
 William James

John Watson (1878-1958)
o Vond het structuralisme en functionalisme niet ‘wetenschappelijk genoeg)
o Wou de psychologie de wetenschap van het Gedrag maken
 Het gedrag was zichtbaar, meetbaar en observeerbaar
 Beinvloed door positivisme (stroming in filosofie die wetenschappelijke
kennis als de beste kennis beschouwde)
o Men moest de introspectieve methode verlaten
Behaviorisme
o Theorieën moesten gebaseerd zijn op directe observaties die door anderen herhaald
kunnen worden : operationele definitie (een variabele moet gemeten kunnen
worden)
o Onderscheid tussen onafhankelijke variabele (kenmerken die gemanipuleerd kunnen
worden) en afhankelijke variabele (kenmerken die gemeten worden) = invloed van
de stimulus op de respons (S-R psychologie)

o
Men moest streven naar een ideaal van wiskundig geformuleerde wetten

Radicaal behaviorisme
o Skinner:
 Zei dat men mentale processen niet wetenschappelijk kon bestuderen omdat
er geen waren
 Gedrag is pure reactie op stimuli

Hermeneutische Alternatief
o Niet iedereen vond dat men de geest wetenschappelijk moest onderzoeken
o Men zocht naar wat er in het verleden gebeurde en probeerde te begrijpen ipv
meten
o Men ging uit van uitzonderingen en bestudeerde deze
 Psychoanalyse
 Ware ontstaan van mentale stoornissen ligt in onbewuste krachten
 Bv. Problemen die de patiënt verdrong
1.4 Onderzoeksmethoden in de psychologie
Observatie in plaats van intuïtie en opinie.



Wetenschappelijk onderzoek veronderstelt een nauwkeurige observatie en beschrijving van
het onderzoeksonderwerp
o Dit is een vrij recente benadering (filosofen gingen uit van hun eigen intuïtie)
Een intuïtie is niet genoeg als uitgangspunt en soms fout, ook niet iedereens intuïtie is gelijk
De basis van alle onderzoek is systematische nauwkeurige en objectieve observatie die
gebaseerd is op bewijzen ipv op opinies en overtuigingen
o Basis van onderzoek
 Observatie
 Verificatie
 Falsificatie (uitsluiting, als dit dan niet dat..)
o Onderzoek moet repliceerbaar zijn, moet exact na te doen zijn!
o Voordat men aan onderzoek doet moet er een onderzoeksvraag zijn (op basis van
een theorie)
o Men moet eerst een literatuurstudie doen om te weten wat men al over de
problematiek weet
o Er zijn drie vormen van onderzoek: beschrijvend, correlationeel, experimenteel
Beschrijvend onderzoek










Men probeert zoveel mogelijk correcte info te verzamelen over een onderwerp.
Betrouwbare en juiste gegevens zijn immers een noodzakelijke voorwaarde voor een correct
begrip
Het doel is om een accuraat beeld te krijgen van de realiteit
Naturalistische observatie
o Gedrag wordt systematisch geobserveerd in natuurlijke context. De onderzoekers
reageren de frequentie en wanneer er bepaalde gedragingen voorkomen.
o Probleem: reactieve gedraging (mensen gedragen zich anders als men naar hen kijkt)
 Oplossing is verborgen observatie of langdurige aanwezigheid
Vragenlijst
o Sociale wenselijkheid, men wil goede indruk maken, afhankelijk van de referentie
van de persoon
Interview
o Gestructureerd met vaste vragen
o Ongestructureerd, gewoon een gesprek, eerste indruk geeft doorslag
 Sociale wenselijkheid en perceptie van de persoon
Opiniepeiling
o Korte inventaris vanopinies bij grote representatieve groep
 Soms oneerlijke antwoorden
 Sociale wenselijkheid
Psychologische test
o Gestandaardiseerde test, onderzocht op betrouwbaarheid en validiteit (hfdst 11)
Archiefdata
o Analyse van beschikbare gegevens, voorgaande studies
Gevalsstudie
o Intensieve studie over één persoon, zeer specifiek
 Freud en de psychoanalyse
Kwalitatief onderzoek
o Menselijke eigenschappen kan men niet in getallen uitdrukken of meten
o Men wil begrippen van complexe realiteit vaststellen
o Diepgaande analyse van gesprekken
o Analyse van de focusgroep
o Interessant om inzicht te krijgen in nieuwe problematiek
o Kritiek: gaat dit wel verder dan onderzoeksjournalistiek?
 Men wil begrijpenipv meten
 Op zoek naar extra kennis, gerelateerd aan wat er al was
Correlatieonderzoek


Vergelijking tussen twee of meer variabelen en onderzoeken of er een verband is
Correlatie= de mate waarmee het verband samenhangt, tussen +1 en -1
o Indien de verbanden positief correleren praten we van een waarde tussen 0.01 en 1
o



Indien de verbanden negatief correleren praten we van een waarde tussen -0.01 en
-1
o Indien er geen verband is dan praten we van een nulcorrelatie
Correlatiecoëfficient geeft info op een beknopte manier weer
Ze zegt niks over het causale verband
Er kan altijd een derde variabele aanwezig zijn die niet onderzocht werd
Experimenteel onderzoek


Enige manier om causale verbanden te kunnen maken
o Onafhankelijke variabele: wordt gemanipuleerd
o Afhankelijke variabele: wordt gemeten
o Controlevariabelen worden costant gehouden
Als een experiment goed wordt uitgevoerd en er is een verschil dan
o Kunnen we zeker zijn dat door de manipulatie van de onafhankelijke variabele de
afhankelijke variabele beïnvloed werd

Soms problemen met interne of externe validiteit

Men moet altijd eerst een doel voor ogen hebben, een hypothese opstellen, die getoetst kan
worden
De afhankelijke en onafhankelijke variabelen moeten steeds in een getal uit te drukken zijn
(operationaliseren)

Ethiek bij een psychologisch onderzoek








Winst moet opwegen tegenongemak dat het proefdier/persoon zal ondervinden
Proefpersoon mag geen schade ondervinden
De proefpersoon moet zoveel mogelijk geïnformeerd worden (informed consent)
Men moet altijd kunnen stoppen zonder gevolgen
Gegevens worden anoniem opgeslagen
Debriefing na experiment
Klein doel: klein onderzoek
Ethische commissie waakt over nakomen van deze regels
Is wetenschap altijd juist?

Positivisme
o Wetenschap is gebaseerd op observatie, daarom zijn beweringen altijd juist
o Wetenschappelijke kennis is de enige juiste kennis

Dit is niet waar, niet alle wetenschappelijke uitspraken zijn wetenschappelijk juist want
o Theorieën zijn gissingen, ze zijn een mogelijke verklaring voor wat aan de hand kan
zijn
o Perceptie van interpretatie: waarneming bevat altijd een element van interpretatie

o
Fouten in een onderzoek
 Er kunnen verschillende aspecten foutlopen
 Interne validiteit: conclusie oorzaak-gevolg relatie kan fout zijn er
kan een andere variabele zijn die met de onafhankelijke samenhangt
o Experimentele studies hebben meer kans op interne
validiteit aangezien de andere variabelen constant worden
gehouden
 Externe validiteit: kunnen de bevindingen van een experiment
veralgemeend worden? Binnen welk bereik blijft de conclusie
gelden? Telt ze ook bij andere bevolkingsgroepen? Buiten het labo?
o Beter een veldexperiment in natuurlijke omgeving?
 Tot op zekere hoogte zijn interne en externe validiteit elkaars tegenpolen
 Meer interne validiteit= meer controle op omstandigheden = minder
natuurlijke omgeving = lagere externe validiteit (en omgekeerd)
o
Convergerende evidentie
 Elke studie afzonderlijk kan bekritiseerd worden door de noodzakelijke
keuzes die men moet nemen in een studie
 Geen enkele vraag kan beantwoord worden door één enkele studie
 Verschillende studies over 1 bepaald onderwerp via verschillende methodes
om te kijken of er convergerende evidentie is (alle studies wijzen hetzelfde
aan)
 Nieuwe studies vaak fout, worden vaak weerlegd
Effectgroottes:
o Veel theoriëen gebaseerd op verschillen tussen groepen
 Er kan geen JA/NEEN antwoord gegeven worden er is een variatie in elke
groep
 Correlatiecoëfficiënt
o Verschillende effectgroottes
 R= 0.00 geen verschil tussen de groep
 R = 0.10 klein verschil
 R= 0.30 typisch verschil in psychologie
 R > 0.5 groot verschil (dat zichtbaar is)
Belang van Biologische factoren voor verklaring van menselijk gedrag
De hedendaagse psychologie heeft drie grote pijlers:



Biologische invloeden
cognities
interacties met andere mensen
Biologische invloeden

Centrale zenuwstelsel
o hersenletsel: stoornis in hersens of ruggenmerg kan gevolgen hebben voor het
psychologisch functioneren
o algemene hersenaandoening: aantasting van de hersencellen (alzheimer)
o ondervoeding: kan leiden tot verminderd intellectueel vermogen of
persoonlijkheidsstoornissen (hongerwinter)
o medicatie: kunnen psychische stoornissen verlichten via chemie
 dit wijst ook op invloed van biologie op psychisch functioneren

Invloed van lichaam op geest
o Lichamelijke ziekten en kenmerken hebben invloed op de geest
o Het lichaam heeft invloed op het nemen van beslissingen
 Grotere plasdrang = uitgestelde beloning
 Opwindende foto’s = onmiddellijke kleine beloning

Erfelijkheid
o Biologie manifesteert zich verder in de genen die de kinderen van hun ouders erven
dit geld ook voor de psychologie
 Tweelingenonderzoek: een - of twee-eiige tweelingen worden met elkaar
vergeleken
 Adoptiestudies: men onderzoekt adoptiekinderen en vergelijkt hem met de
biologische en adoptieouders om te zien of een kenmerk overgeërfd werd of
gevolg is van sociaal leerproces
 Stamboomonderzoek: onderzoek in een familie gedurende verschillende
generaties om te zien of een kenmerk overgeërfd werd.

Menselijke evolutie
o Sommige menselijke gedragingen vallen te begrijpen doordat ze een
overlevingsvoordeel hadden in de evolutie (aangeboren)
 Bv inprenting bij vogels (achtervolgen moeder)
 Voedselvoorkeuren (bitter= vergif)
 Aangeboren eigenschappen bij mensen: Emoties uitdrukken
o Evolutiepsychologie probeert fenomenen te verklaren aan de hand van evolutionaire
principes
 Partnerkeuze: sterkste en welvoorziene man
 …
Onmisbaarheid van cognities

Mensen reageren anders op dezelfde zaken gedrag is afhankelijk van interpretatie


Gedrag van mensen worden beïnvloed door overtuigingen en redeneringen
Toegepaste psychologie ging in tegen behaviorisme omdat er snel aanwijzingen waren dat
dieren meer informatie bijhouden dan associaties tussen waarnemingen en observeerbaar
gedrag
o Meeste handelingen vereisen meer informatieverwerking dan eenvoudige S-R link
Ontwikkeling van computers




Men was op zoek naar machines die info konden verwerken
Computers dienden als bron van inspiratie
o Homunculus: klein mensje in hersens dat doelen nastreeft, vrije wil had en
beslissingen nam (verschil tussen machine en mens)
 Feedback zorgt ervoor dat doelen toch kunnen nagestreefd worden door het
verschil tussen nagestreefde en huidige toestand door te geven
 Overeenkomst mens en machine veel groter
Men kon ook denkprocessen gaan simuleren
Psycholoog als programmeur: hij vervulde noodzakelijke rol voor het functioneren zonder dat
hij weet moest hebben van de elektrische schakelingen.
Ontstaan van cognitieve denkprocessen


Informatieverwerking als centraal thema:
Cognitieve psychologie: wetenschappelijke studie van het gedrag om de interne
informatieverwerkende processen te begrijpen die aan de grondslag liggen van dat gedrag.
o Mensen zijn veel meer dan passieve ontvangers van stimuli
o Men behield wel de natuurwetenschappelijke onderzoeksmethode van het
behaviorisme
Sociale invloeden


De mens maakt altijd deel uit van een groep, eerst ging men altijd uit van het individu, pas
laat besefte men dat mensen vooral in groep leven en beïnvloed worden door die groep
(sociale netwerken)
o Small word structure (5-6 stappen de werled rond)
Belangrijk hier zijn de socio-culturele verschillen
o Hofstede anallyseerde deze
 Individualisme vs collectivisme
 Mate waarin cultuur de klemtoon legt op individu of groep
 Afstand op basis van macht
 Hoe egalitair is de maatschappij?



Vermijden van onzekerheid (veel onzekerheid in belgië)
Masculiniteit
 Rolverdeling man en vrouw
Langetermijncoëfficient : wil men eerder doelen op lange termijn bereiken of
resultaten zien op korte termijn?

WEIRD people
o Western, educated, industrialized, rich democratic societies
o Meeste proefpersonen voor alle psychologische test komen uit deze groep
o Dus bevindingen van de psychologie zijn niet universeel

Culturele of Biologische verschillen
o Beide ze werken in op elkaar
o Wordt onderzocht door adoptieonderzoek en tweelingenonderzoek
het biopsychosociale model




Zegt dat alle drie de factoren steeds op elkaar inspelen men moet oog hebben voor alle drie
de invloeden zowel psychologisch als biologisch en het sociale die met elkaar intrageren
Dit model werd door de geneeskunde geïntroduceerd (door Engel), artsen hebben ng steeds
de neiging om het biologische belangrijker te achten (ook door journalisten)
Wordt ondersteund door
o Aantoning dat sommige genen slechts actief werden in een bepaald milieu, als ze
inactief blijven ten gevolge van stresserende omstandigheden kan dit negatieve
gedragingen als gevolg hebben
Dit model werd aangetoond door het onderoek naar agressie (p44-45)
Plaats van de psychologie in onze samenleving




Psychologie speelt steeds meer een belangrijke rol in het dagelijkse leven (psychologen in
verzorgingsstaat. => psychologisering van de maatschappij
Veel interesse voor psychologisch onderzoek (indien eevoudig)
Weinig contact met psychologen wat een verkeerd beeld opwekt van de psycholoog dat
ontstond via boeken, media…
o Stereotiep beeld van de psycholoog (oude man met bril en ligzetel)
Meeste psychologen werken in de algemene dienstensector dus grotere kans op ontmoeting
in dagelijks leven
Hoofdstuk 2: biologische basis van het gedrag
Inleiding:
Hersenen en het ruggenmerg zijn de organen die denken en alle reacties in het lichaam controleren,
ze zijn zeer belangrijk: 20% van al het bloed gaat naar de hersens (die slechts 2% van het lichaam
uitmaken). De laatste jaren zien we een lichte stijging van hersengerelateerde aandoeningen (die de
grootste bron van medische uitgave vormen) omdat meer mensen er hulp voor gaat zoeken en de
bevolking veroudert
2.1 De Bouwstenen van het zenuwstelsel
Het neuron:



Is het basiselement van het zenuwstelsel zijn voornaamste functie is communiceren met
andere neuronen hierdoor kunnen we handelingen uitvoeren
Problemen bij de communicatie geven ernstige aandoeningen (MS, dementie, enz..)
Inzicht is dus zeer belangrijk
Neuron=zenuwcel


De meeste neuronen bevinden zich in de hersenen en het ruggenmerg maar ze komen overal
voor (zo’n 50 miljard in hersens). Deze cellen differentiëren tot verschillende soorten
zenuwcellen.
Er worden in de prenatale fase meer neuronen gemaakt dan nodig de overtollige neuronen
verdwijnen in de eerste jaren. Een selectief snoeiproces, het resultaat is een netwerk van
verbindingen = het zenuwstelsel
Neurogenese




Veel omgevingsfactoren hebben invloed op de ontwikkeling van neuronen (bv
alcoholconsumptie kan leiden tot het foetale alcoholsyndroom wat retardatie en
hyperactiviteit enz..)
Oorspronkelijk dacht men dat er geen nieuwe neuronen ontstonden na de geboortemaar dit
bleek fout te zijn. Er onstaan nieuwe neuronen die gebruikt worden om nieuwe info te leren
en te onthouden.
Er zijn neurologische aandoeningen die tot vernietiging van neuronen kunnen leiden
Oude mensen hebben minder neuronen dan jonge mensen (twijfel)
Types Neuronen
Er zijn verschillende types neuronen elk met een specifieke functie
sensorische neuronen
motorneuronen
interneuronen
ontvangen informatie van het lichaamsweefsel
en de waarnemingsorganen en sturen
deze informatie naar de hersenen of het
ruggenmerg. Zo krijgen de hersenen info over
de buitenwereld en het lichaam
vervoeren signalen vanuit de hersenen en het
ruggenmerg naar de spieren, organen
en klieren van het lichaam. Zij staan in voor de
uitvoering van bevelen vanuit de
hersenen
dragen informatie over tussen neuronen
Componenten van een neuron
Een neuron bestaat uit 3 delen:
1. Cellichaam
2. Dendrieten
3. Axon
Dendrieten:
boomvormige structuur die de signalen van
andere cellen ontvangen
Axon:
lange dunne vezel die vanuit het cellichaam komt, de axonen van verschillende cellengroeperen zich
en vormen de zenuwen
Communicatie binnen een neuron
Dit is een elektrochemisch proces: scheikundige processen leiden tot een elektrisch signaal, de
communicatie heeft verschillende stadia
Rustpotentiaal:


Wanneer een neuron geen signaal ontvangt of verstuurt (rusttoestand)
het verschil in natriumionen (buiten axon) en negatieve eiwitten binnen de cel zorgen voor
een lichte negatieve potentiaal van -70 mV
Actiepotentiaal





sommige stimuli leiden ertoe dat het potentiaalverschil tussen binnen en buiten vermindert,
deze komen aan in de dendrieten deze stimuli noemen we excitatorische signalen
anderen zorgen dat het potentiaalverschil groter wordt dit zijn inhibitorische signalen
axonheuvel is de plaats net voor het cellichaam, bij kleine verandering van het potentiaal zal
dit gecompenseerd worden door instroom van natrium maar wanneer het een niveau van 55mV bereikt gaan de natriumpoorten open en is er een massale invloed van Na+ in de
axonheuvel
als er zoveel NA+ in de cel is dat de polariteit omslaat is er een actiepotentiaal deze loopt
vanuit de axonheuvel naar alle uiteinden van het axon dan wordt het rustpotentiaal direct
weer hersteld door natriumpoorten te sluiten en kaliumpoorten te openen
o lokale verdovingsmiddelen zorgen dat er geen natrium naar binnen kunnen
dan volgt er een korte refractaire periode, er kan 1 a 2 milliseconden geen nieuw
actiepotentiaal komen
Alles of niets
Een neuron vuurt altijd op dezelfde manier, het
kan niet harder of zachter vuren. De intensiteit
van de stimulus is afhankelijk van het aantal
neuronen dat vuurt en de vuursnelheid
Gemyeliniseerde axonen
Geleidingssnelheid van een neuron wordt
bepaald door twee zaken:
1. de diameter
2. aanwezigheid van myelineschede



de myelineschede is een dun vetlaagje dat af en toe een inkeping vertoont (knoop van
ranvier) het signaal springt van knoop tot knoop waardoor het sneller gaat. Een andere
functie is isloatie van naburige neuronen. Myeline is wit (neuronen grijs)
myeline verbrokkelt bij ouder worden (ms is ook gevolg van aantsating myeline)
dikte van myelineschede kan beinvloed worden door gebruik van neuron (pianist die oefent)
Communicatie tussen neuronen
Neuronen liggen niet tegen elkaar, de plaats waar de impuls van het eene naar het andere neuron
wordt doorgegeven noemen we de synaps. De chemische stof die afgescheiden wordt noemen we
neurotransmitters.




De neurotransmitters worden ontvangen in de receptoren. Een neurotransmitter is als een
sleutel die op een slot past (de receptor).
Een neuron kan duizenden synapsen met andere neuronen hebben.
Som van de excitatorische signalen moet groter zijn dan de inhibitatorische
Nadat een neurotransmitter werd losgelaten wordt hij gedeactiveerd door
o Opname van receptoren
o Opname door verzendende neuron
o Afbraak door enzymen
Neurotransmitters
Er bestaan waarschijnlijk honderden soorten neurotransmitters elk met een specifiek effect.
Dopamine
Noradrenaline/serotonine
Acetylcholine
GABA
Endorfine
Oxytocine
Drie grote communicatieroutes die starten in
middenhersenen
1. Bewegingscontrole
2. Nadenken, planning / Doelgericht
handelen
3. Emoties en motivaties
Gemoedsgesteldheid (antidepressiva)
Bewegingscontrole en geheugen
Belangrijkste inhibitorische neurotransmitter
Pijnreducerend effect
Knuffelhormoon, bevordert sociaal contact
Gliacellen
Gliacellen zijn cellen die zich bevinden in de hersenen, kleiner, maar frequenter dan de neuronen ze
hebben verschillende functies
1.
2.
3.
4.
Stevigheid van hersenen
Opruimen van afgestorven neuronen en andere ongewenste organismen
Beïnvloeden vermoedelijk neurotransmitters
Vormen nieuwe synaptische connecties
2.2 overzicht van het zenuwstelsel
Centrale zenuwstelsel


hersenen: gecompliceerde functies
ruggenmerg: smalle buis over lengte van hele rug (schedel tot heup), staat in voor
eenvoudige reflexen
beiden drijven in een vloeistof en zijn omringt door een beenachtige structuur (schedel en wervels)
Perifere zenuwstelsel
Alles wat buiten de hersenen en het zenuwstelsel valt en bestaan voornamelijk uit


motorische neuronen: transporteren info van sensorische receptoren naar het centrale
zenuwstelsel
sensorische neuronen: brengen info van het centrale zenuwstelsel naar de verschillende
structuren van het lichaam
Het perifere zenuwstelsel bestaat uit twee delen


Somatische zenuwstelsel: controleert interactie zenuwstelsel met buitenwereld, sensorische
neuronen van zintuig naar hersens, motorische neuronen van hersens naar skeletspieren
Autonome zenuwstelsel controleert het inwendige van het lichaam (wij hebben hier geen
controle over)
 Sympathische stelsel: wanneer een persoon in actie is werkt vooral dit stelsel;
regelt de activiteiten die energie verbruiken.
 Parasympatische stelsel: wanneer een persoon in rust is werkt vooral dit stelsel;
regelt de activiteiten die de energie herstellen en bewaren.
De Hersenen
Onze hersenen bestaan uit verschillende structuren, met elk een eigen functie
De hersenstam bestaat uit verschillende structuren

medulla oblongata: deel van de hersenstam die onze hartslag en onze ademhaling
controleert zonder input van andere delen van de hersenen

pons: deel van de hersenstam die uit vezels bestaat die het lichaam met de hersenen
verbinden

mesencefalon: deel van de hersenstam die de bewegingen coördineert; ook wel de
middenhersenen genoemd

cerebellum: dit zijn de kleine hersenen die dienen om de coördinatie van de bewegingen vlot
en nauwkeurig te maken (evenwicht)

thalamus dit deel bevindt zich aan de bovenkant van de hersenstam; dit is een
verbindingsstation in de hersenen waar de informatiestroom tussen het perifere en de
hogere lagen van de hersenen gecoördineerd worden

hypothalamus is een klein geheel van structuren onder de thalamus, die de werking van het
autonome en het endocriene systeem controleert en een cruciale rol bij de organisatie van
gedragingen die zorgen voor overleving van het individu en de soort; zorgt ook
voortemperatuurregeling
Het limbische systeem
Het limbische systeem vormt een beetje het grensgebied tussen hersenstam en de grote hersenen
En speelt een cruciale rol bij het regelen van emoties en bij het opslaan van geheugen-sporen. Het
bestaat uit 3 delen.
1. Amygdala
a. deel van het limbische systeem die een cruciale rol speelt bij schrikreacties
2. septum
a. deel van het limbische systeem die betrokken is bij het regelen van emoties
3. hippocampus
a. deel van het limbische systeem en speelt een cruciale rol bij het geheugen
basale ganglia
ligt in de buurt van limbische systeem cruciale rol bij het leren van nieuwe complexe gedragingen
voornamelijk gebaseerd op dopamine
Grote hersenen ofwel cerebrum





cerebrale cortex
bovenste laagje van beide cerebrale hemisferen; hersenschors
frontale lob
belangrijk bij het plannen en controleren van gedrag en spraak
temporale lob
speelt een rol bij het herkennen van voorwerpen, geluiden, geheugen, taal
pariëtale lob
zorgt voor het integreren en lokaliseren van informatie; speelt ook een rol bij het oriënteren
in een ruimte of het richten van de aandacht
occipitale lob speelt een rol bij ons zich
 deze delen werken allemaal met elkaar samen
Sensoriscorische gebieden in de cortex
er zijn verschillende gebieden in de cortex

primaire sensorische gebieden
o somatosensorische cortex
 ontvangt de gewaarwordingen van aanrakingen, pijn, druk en temperatuur
o primaire visuele cortex
 ligt in de occipitale lob; ontvangt signalen van de receptoren in de ogen en
stuurt deze door naar andere gebieden in de hersenen
o primaire motorische cortex
 ligt aan de achterkant van de frontale lob; zorgt voor de beweging van de
lichaamsdelen
associatiezones
associatiezones zijn verantwoordelijk voor de verwerking en interpretatie van informatie ze zorgen
voor de verbinding tussen de sensorische input en de motorische output. Ze zorgen dus ook voor een
goede samenwerking
technieken om de werking te bestuderen
a. letselstudies
a. onderzoek bij mensen die een letsel in de hersens hebben
i. er is een grote beschikbaarheid van mensen met goed gedocumenteerde
hersenschade
ii. letsel beperkt zich vaak niet tot 1 plaats dus moeilijk te achterhalen wat nu
de oorzaak precies is
a. Elektrische activiteiten
a. elektro-encefalogram (EEG)
i. Een elektro-encefalograaf meet de elektrische activiteit van de hersenen
door middel van elektroden
b. event-related potential (ERP)
i. de elektrische activiteit van de hersenen als reactie op een specieke prikkel;
dit bekomt men door eenzelfde stimulussoort herhaaldelijk aan te bieden en
het gemiddelde te berekenen van die signalen.
ii. Nu betere techniek met magnetische encefalograaf (MEG)
b. Elektrische stimulatie
a. Schokken geven aan een bepaalde zone in de hersens
c. Hersenscans
a. functional magnetic resonance imaging (fM-RI)
i. het meten van de kernspinresonantie van de rode bloedcellen, want er is
een verschil tussen zuurstofrijke en -arme; zo weet men waar er veel
zuurstof is afgezet
ii. men kan geen verloop van tijd aflezen
 Voor een goed onderzoek combineert men meerde technieken
Netwerken in de hersens
Er bestaan netwerken van nauw samenwerkende gebieden in de hersenen.



Standaardnetwerk
o Het netwerk van associatiezones dat acties is tijdens momenten waarop de persoon
niet op de buitenwereld gericht is. Ookwel default network (rusten, mijmeren
,dagdromen) diffuse alertheid,
Dorsale aandachtsnetwerk
o Wanneer personen wel op de buitenwereld gericht zijn, dit gaat gepaard met het
percipiëren van stimuli
Frontopartiële controlenetwerk
o Netwerk tussen associatiezones die actief worden als een gedrag doelgericht is
 Ook verafgelegen gebieden in de hersens werken dus samen
Hersengebieden spelen een rol in meerdere netwerken, en heeft bij elk netwerk een verschillende
rol. De hippocampus speelt een belangrijke rol bij het coördineren van de verschillende
hersengebieden voor kennis en herinneringen.
Hersenlateralisatie
Hersenen hebben een symmetrisch uiterlijk toch zijn er enkele verschillen tussen de twee
hersenhelften.


gebied van Broca
Een gebied in de frontale lob van de linker hemisfeer die cruciaal is voor het spreken
gebied van Wernicke
een grensgebied tussen de pariëtale, temporale en occipitale lob van de linkerhersenhelft
belangrijk voor het taalbegrip
Splitbrainexperimenten

een massieve bundel van zenuwvezels aan de onderkant van de grote hersenen worden
doorgesneden (Corpus callosum dus) zie p 77
de rechterhemisfeer is dominant voor het richten van de aandacht en gezichtswaarneming.
ZIE P 78 voor een verzameling van alle hersenaandoeningen en hun gevolgen.
Hersenplasticiteit
Hersenen hebben de bijzondere capaciteit om hun organisatie van bepaalde functies te herschikken
dit fenomeen noemen we plasticiteit.


Spontaan herstel
o Soms na een beschadiging nemen bepaalde zones in de hersenen de functie van de
beschadigde zones op. Dit leid vaak tot een verbazingwekkend herstel.
Recuperatie van minder gebruikte gebieden
o Gebieden die minder gebruikt worden in onze hersenen (bv het gebied voor zicht bij
blinden) zal in bepaalde situaties functies op zich nemen die niet typisch zijn. Zo zal
het bv een taak van klankherkenning op zich nemen.
Het endocriene systeem
Het endocriene systeem bestaat uit klieren die hormonen afscheiden. We lijsten ze even op
1. Hypofyse
gesitueerd in de hersenen; wordt gestimuleerd door stoffen van de hypothalamus, waardoor
deze hormonen afscheidt in de bloedbaan
2. Pijnappelklier
klier tussen de thalamus en de kleine hersenen waar melatonine wordt geproduceerd
3. Bijnieren
belangrijk bij reacties op stress (adrenaline en noradrenaline)
4. Geslachtsklieren
vrouwen: oestrogeen en progesteron bij mannen testosteron
Erfelijkheid en Prenatale invloeden
Prenatale omgeving


Negatief
o Te veel alcohol tijdens zwangerschap kan leiden tot het foetale alcoholsyndroom
o Stress en angst kan leiden tot cognitieve, emotionele en gedragsproblemen.
o Vroeggeboorte is ook een risicofactor en geeft soms lagere intelligentie en fijne
motoriek
Positief
o Intelligentie van ouders
Hoofdstuk 4: De waarneming
Van zintuiglijke gewaarwording naar waarneming
GEWAARWORDING VS. WAARNEMING
Gewaarwording = de opname van stimulatie uit de omgeving d.m.v. de zintuigen en de vertaling van
deze stimulatie in de zenuwimpulsen die door de hersenen verwerkt kunnen worden.
Waarneming = het interpreteren en begrijpen van de gewaarwording. Wanneer dit niet langer
aanwezig is spreken we van agnosie. (= iets niet herkennen op basis van zicht. De persoon kan alles
zien maar kan het niet interpreteren)
Waarneming is een actief proces

Waarneming is een actief proces dat veel meer inhoudt dan alleen het passief registreren
van gewaarwordingen.

3redenen waarom de waarneming veel meer omvat dan alleen het registreren van
gewaarwordingen:
1. Het signaal da in onze hersenen komt is onvolledig door de blinde vlek, oogbewegingen,
knipperen, afname gezichtsscherpte buiten het centrum van het visuele veld.
2. Beelden op ons retina zij plat. Hersenen moeten diepte creëren. (tweedimensionale
‘’foto’s ‘’ maken wij driedimensionaal )
3. Het binnenkomende signaal van een voorwerp veranderd voortdurend t.g.v.
veranderende belichting, beweging van het voorwerp of beweging van de waarnemer,
sommige voorwerpen worden gedeeltelijk door andere voorwerpen verborgen.
STREVEN NAAR PRECEPTUELE CONSTANTIE




Belangrijkste opgave van de visuele waarneming is om de perceptie van voorwerpen
constant te houden ondanks het wisselende retinale beeld. = perceptuele constantie
Ze corrigeert onze gewaarwording en stelt ons in staat om de werkelijke vormen, groottes en
kleuren van de wereld te zien en niet altijd veranderende retinale beelden.
Om tot perceptuele constantie te komen zal het waarnemingssysteem
Proberen een interpretatie te maken van distale stimulus (= het voorwerp in de buitenwereld
dat de fysische energie , dus de proximale stimulus, produceert) op basis van de proximale
stimulus (=geheel van fysische energie dat onze sensorische receptoren stimuleert) .
Bv: Als je naar het gezicht van een vriendin kijkt dn is dat gezicht een distale stimulus, die energie
reflecteert. Het gereflecteerde licht dat jouw ogen binnendringt en je retina bereikt, is de proximale
stimulus. Als jouw vriendin haar hoofd draai dan verandert de proximale stimulus in aanzienlijke
mate maar toch zullen we de vorm van het hoofd als gelijk blijven ervaren.

De waarneming gebeurt op basis van een heuristisch interpretatieproces: het visuele
systeem leidt de distale stimulus af uit de proximale stimulus door gebruik te maken van en
aantal aannames over hoe de omgeving in elkaar zit en onder elke condities deze
waargenomen wordt.
Illusies als venster op de onderliggende mechanismen

Meestal werkt het perceptuele systeem zo goed dat het moeilijk is om te achterhalen hoe
het resultaat bereikt wordt.

Daarom is er veel interesses in visuele illusies (= verkeerde percepties, situaties waarin
mensen iets anders percipiëren fan de som van de delen die getoond worden).
Visuele illusies zijn een venster op de processen die ten grondslag liggen aan de waarneming.

Het visuele systeem verondersteld dat licht van boven komt en op basis van deze assumptie
diepte projecteert in een proximale stimulus met lichte en donkere vlekken
bv: holle en bolle stippen / voet afdruk in het zand
Illusies van paralellogrammen toont ook aan dat we spontaan diepte projecteren in een stimulus en
op basis van deze interpretatie gekleurde vlakken anders zien/interpreteren afhankelijk van de
context waarin ze voorkomen.
Raster van Hermann: toont het fenomeen van laterale inhibitie aan. (zorgt ervoor dat het verschil tss
de perceptie van wit en zwart sterker is dan in het oorspronkelijke signaal aanwezig was)
Je ziet denkbeeldige grijze vlekken op de krijspunten van de
witte lijnen.
Omdat de intersecties omgeven worden door meer wit dan de
andere witte regio’s op het blad, zullen ze meer geïnhibeerd
worden en dus de indruk wekken van donkerder te zijn.
De vlekken verdwijnen als je er naar kijkt omdat de laterale
inhibitie zich over veel kleinere oppervlakten afspeelt in de
fovea dan in de periferie van het oog.
Van de retina naar de hersenen: Bottom-upprocessen

Bottom-upprocessen =de informatiestroom van de receptoren aan de basis (bottom) naar de
hogere hersencentra (up) die verantwoordelijk zijn voor het herkennen en classificeren van
voorwerpen.

De kegeltjes en de staafjes in onze retina’s sturen voortdurend elektrische signalen naar de
hersenen, wanneer we de wereld om ons heen zien.

Perceptie is een interactie van bottom-up (van ogen naar hersenen) en top-down ( van
hersenen naar beneden) processen.
De receptoren in de retina’s (ogen) sturen elektrische signalen naar de hersenen wanneer we
de wereld om ons heen zien.
De meeste theorieën over visuele perceptie gaan ervan uit dat het structureren van de
receptorsignalen tot betekenisvolle voorwerpen in 3 stadia verloopt:
1. Primaire schets
2. Perceptuele organisatie
3. Patroon en objectherkenning
Primaire schets
De proximale stimulus wordt sterk vereenvoudigd door de randen te berekenen op basis van abrupte
helderheidsveranderingen en alleen die verder te gebruiken voor patroonherkenning.
3 wiskundige algoritmes die hiertoe in staat zijn:
1. Moeten ze kunnen bepalen welke helderheidsovergangen abrupt genoeg zijn om een grens
te vormen.
2. Ze moeten niet alleen de randen detecteren maar ook oriëntatie van de randen (horizontaal,
verticaal, diagonaal ))
3. Moeten een onderscheid kunnen maken tss de belangrijke helderheidsveranderingen en
helderheidsveranderingen die die door toevallige omstandigheden tot stand komen.
Perceptuele organisatie
Het visuele systeem moet vaststellen welke randen bij elkaar horen als onderdeel van eenzelfde
voorwerp.
Het is een proces waarbij de verschillende randen uit het retinabeeld gestructureerd worden in
grotere gehelen die in een bepaalde relatie tot elkaar staan.
Bestaat uit 2 onderdelen:
1. Perceptuele groepering:
a. processen die ervoor zorgen dat elementen uit de primaire schets weergenomen
worden als bij elkaar horend
m.a.w.
het samenvoegen van elementen uit de primaire schets tot grotere gehelen.
b. belangrijkste principes:

gelijkheid = wat gelijk is hoort bij elkaar

nabijheid = wat dicht bijeen staat hoort bij elkaar

geslotenheid = gesloten gehelen horen samen

goede voortzetting = als iets kan voortgezet worden hoort het bij
elkaar en is het meestal ook zo

vroegere ervaring.
De groeperingsprincipes helpen ons om alledaagse visuele percepties van de wereld te begrijpen.
2. Figuur- achtergrondscheiding
a. processen die ervoor zorgen dat er een onderscheid gemaakt wordt tussen een
figuur en een achtergrond
b. belangrijkste principes :

omsingeling

grootte

symmetrie

locatie

textuur

vorm

vertrouwdheid.
De figuur in een beeld wordt gezien als een voorwerp dat dichter bij de kijker staat en begrensd
wordt door een contour.
De achtergrond wordt niet waargenomen als een voorwerp, maar al een ruimte die zich verderaf
bevindt en achter de contour doorloopt.
patroon- objectherkenning

perceptuele organisatie leidt tot een 2.5D schets. Een representatie van de oppervlakten die
zichtbaar zijn voor de kijker ( een kijkergerichte representatie in plaats van een
voorwerpgerichte representatie).

Om een object te herkennen en de bijhorende informatie te activeren, moet het
kijkergerichte beeld aan een voorstelling in het geheugen gekoppeld worden =
patroonherkenning (bijvoorbeeld: licht aan een wiel)
Kijkergericht referentiekader = interpretatie die vooral informatie bevat over de oppervlakten die
voor de kijker zichtbaar zijn.
2 principes van patroonherkenning:
1. template matching:
stimulus wordt vergeleken met een template of sjabloon die in het geheugen opgeslagen is.
Templates zijn voortellingen van voorwerpen die in het geheugen opgeslagen zijn. Als de
figuur voldoende overeenstemt met de template dan wordt het voorwerp herkent.
a. Beperkingen templates:

Men ziet soms maar een klein deel van het figuur omdat er een
andere stimuli voorstaat.

Het uiterlijk van een voorwerp kan een grote variantie hebben.
2. Kenmerkenherkenning:
kenmerken van stimuli en hun relatie t.o.v. elkaar activeren representaties van voorwerpen
in het geheugen (bv: cilinders of geons)
ons visueels systeem kan voorwerpen herkennen op basis van karakteristieke kenmerken.
a. Recognition by components theory (Irving Biederman) :
Gaat uit van de veronderstelling dat cilinders (Marr) niet de enige componenten zijn
op basis waarvan mensen voorwerpen herkennen. Hij argumenteert dat veel meer
voorwerpen beschreven kunnen worden door gebruik te maken van 36 basisvormen
(geons).
Als een voorwerp herkent is op basis van
template matching en/of
kenmerkenherkenning, komt alle informatie
vrij om van een kijkergericht beeld naar een
volledig driedimensionale voorwerpgericht
beeld over te schakelen.
Dit betekent dat ontbrekende informatie
aangevuld wordt en het perceptuele systeem
voldoende informatie heeft om de distale
stimulus af te leiden op basis van de proximale
stimulus.
HET BELANG VAN CATEGORISATIE BIJ HET HERKENNEN VAN EEN VOORWERP:
Bij patroonherkenning gaat het vaak om het herkennen van voorwerpen in het algemeen, niet om
het herkenning van een specifieke stimulus.
dit komt doordat perceptie dient om ons te informeren over de omgeving en ons te helpen bij het
overleven.
Onze reactie bij het herkennen van een stimulus als een kat of als een leeuw zal verschillen.
De perceptie verbeteren door de informatie te sturen: Top-downprocessen
De bottum-up informatiestoom wordt geoptimaliseerd door de informatie niet louter passief te
registreren maar actief te sturen op basis van de kennis die we hebben over de omgeving.
 bottum up wordt geoptimaliseerd door top down
Top down processen = signalen die vertrekken vanuit de hogere hersenen en de dataverwerking in
de lagere stadia van het informatieverwerkingsproces beïnvloed.
Evidentie van top down invloeden
1. Visuele illusies die het belang van de context voor de interpretatie van een stimuluspatroon
aantonen.
Als de stimulus voldoende bij de hypothese past dan wordt de hypothese aanvaard en treed
de herkenning op.
2. Omkeerbare figuren ( ook wel ambigue figuren genoemd) die op 2 manieren geïnterpreteerd
kunnen worden
3. Subjectieve contouren randen worden gezien zonder dat ze fysisch aanwezig zijn.
4. Het woordsuperioriteitseffect : herkenbaarheid van het geheel soms gemakkelijker dan de
herkenbaarheid van onderdelen.
Een woord helpt bij het herkennen van de letters waaruit het bestaat. (Gerald Reicher)
5. Effect van vertrouwde scene op de perceptie (sceneperceptie) van voorwerpen in die scene
(bv: omgekeerde gezichten)
Het duurt enige tijd voordat de top-downinvloed van de omgeving sterk genoeg is om de kernenning
van voorwerpen te beïnvloeden.
Een model van top-downinvloeden
Fourieranalyse = het proces waarbij de informatie uit een visueel beeld(golven) uiteen getrokken
wordt door filters met een verschillende spatiale frequentie.
Volgens Bar:
informatie wordt uit filters met een lage spatiale frequentie gebruikt om een eerste ruwe schatting
te maken van de visuele stimulus die men ziet. Deze wazige informatie wordt gecombineerd met de
voordien verwerkte informatie om hypothesen te genereren ver de meest waarschijnlijke stimulus
die men aan het waarnemen is.
Op basis van hersenscans: integratie gebeurt wellicht door tussenkomst van de orbitofrontale cortex
( het stuk van de frontale lobben vlak boven de ogen). Die stuurt informatie terug naar de fusiforme
gyrus (gebied op de grens van de occipitale en temporale lob) waar de integratie van de bottom-up
en de top-downinformatie gebeurt.
Deze integratie gebeurt zo snel dat ze de herkenning van de gedetailleerde timulus in de temporale
cortex kan beïnvloeden.
Volgens Bar wordt informatie uit lage spatiale filters gebruikt om hypotheses te generen over
mogelijke stimuli die men aan het zien is. Dit gebeurt door de tussenkomst van de orbitofrontale
cortex, het deel van de hersenen vlak boven de ogen.
Waarneming van diepte en beweging
De waarneming van diepte
De retina detecteert geen informatie over de afstand die de lichtstralen afgelegd hebben voor ze de
retina bereiken ( reden waarom sterren, zon en maan even hoog lijken te staan )
2 types van dieteaanwijzingen:
1. Binoculaire diepteaanwijzingen:
a. Binocullaire dispariteit : Wij zien diepte doordat onze ogen enkele centimeters van
elkaar taan zodat we de wereld vanuit 2 verschillende perspectieven zien. Elke retina
ontvangt enigszins verschillende informatie over dezelfde voorwerpen.
b. hoe dichterbij de stimulus, hoe meer de hersenen de beelden van de 2 ogen moete
verschuiven om ze te doen overlappen.
(aflakken van een ‘’lui’’oog bij een kind)
c. De mate waarin de ogen moeten convergeren om een stimulus te fixeren. Als een
voorwerp ver van ons afstaan dan staan onze pupillen in het midden van onze ogen.
Hoe dichter het voorwerp hoe meer onze ogen naar onze neus toe draaien. De
spieren die voor de oogbewegingen zorgen ,sturen signalen naar de hersenen die
gebruikt worden om de afstand tot het gefixeerde voorwerp te berekenen.
d. Onze hersenen combineren de 2 monoculaire beelden tot 1 enkel driedimensionale
of stereoscopisch beeld. Daarbij weegt het beeld van 1 oog zwaarder dan dat van het
andere.
2. Monoculaire diepteaanwijzingen:
met 1 oog dicht kunnen we zelfs diepte inschatten, dat is mogelijk door de monoculaire
diepteaanwijzingen.
a. Grootte van het beeld op de retina: (zeker bij voorwerpen die we goed kennen)
de retinale grootte van een beeld neemt af naarmate het voorwerp verder weg
staat.
b. Textuurgradiënt: (dichtheid van weefselstructuur )
bv: als de elementen van een landschap kleiner worden en dichter op elkaar staan,
dan lijkt het alsof dat deel van het landschap verder gelegen is.
c. Lineair perspectief :
Zodra een aantal lijnen in een punt achter de horizon lijken te komen, wordt een
sterk indruk van diepte gewekt.
d. Interpositie (verlapping van voorwerpen) :
Het voorwerp dat het zicht op een ander voorwerp belemmert wordt als dichterbij
gezien.
e. Bewegingsparallax:
deze aanwijzing komt alleen voor bij een kijker die beweegt. Ze ontstaat doordat bij
de beweging van de kijker de beelden van dichterbij gelegen voorwerpen sneller
over het visuele veld schuiven dan de beelden van verafgelegen voorwerpen. (bv:
vanuit een bewegende trein een auto in de andere richting dan de trein zien rijden)
ILLUSIES OP BASIS VAN DIEPTEZICHT
d.m.v. de monoculaire diepteaanwijzingen kunnen we het visuele systeem makkelijk misleiden.
Ponzo-illusie:
verklaring : onze perceptuele systeem projecteert de diepte in de stimulus op basis van het lineaire
perspectief dat gecreëerd wordt door de convergerende schuine lijnen. Hierdoor lijkt de bovenste
horizontale lijn verder af te liggen dan de onderste dus ‘groter’ te zijn.
Müller-Lyer illusie :
verklaring : De proefpersoon interpreteert de vinnen als aanwijzingen voor een lineair perspectief.
De kamer van Ames:
Je kijkt slechts met 1 oog door het gat dus er is geen binoculaire dispariteit. Alle monoculaire
diepteaanwijzingen bevestigen de kijker in zijn verwachting een rechthoekige kamer te zullen zien.
Maanillusie:
De maan lijkt veel groter wanneer ze boven de horizon hangt dan wanneer ze hoog in de lucht staat.
Dit klopt niet.
Verklaring: de maan boven de horizon wordt als verder gepercipieerd dan de maan hoog in de lucht.
2 factoren spelen hierbij een rol. Ten eerste staan op de horizon veelal voorwerpen waarmee de
maan vergeleken kan worden, ten tweede is het zo dat op aarde een vliegend voorwerp dicht bij de
horizon zich verder van ons bevindt dan een vliegend voorwerp vlak boven ons.
De waarneming van Beweging

Niet alle bewegingen op de retina worden als beweging waargenomen. Dit is het geval
wanneer we met onze ogen en ons hoofd bewegen. Da verandert het beeld op de retina
terwijl de buitenwereld stil blijft staan.
INFORMATIE UIT BEWEGINGEN VAN DE WAARNEMER
James Gibson: Volgens hem zijn kijkers constant in beweging en exploreren ze hun omgeving dor er
actief mee om te gaan. Er is dus een interactie tussen de waarnemer en het waargenomene.
bv: voorwerp word groter als er ernaar toe wandelen.
BEWEGING VAN STIMULUS
De kijker kan niet alleen naar het voorwerp toegaan maar het voorwerp ook naar de kijker. Een
belangrijke overlevingsvoorwaarde bestaat erin om de snelheid van zo een opdoemend voorwerp
juist in te schatten zodat we op tijd kunnen ontwijken of opvangen.
De binoculaire dispariteit speelt ook ene belangrijke rol. We kunnen slechter de afstand van een
naderend voorwerp inschatten als we slechts met 1 oog kijken dan wanneer we met 2 ogen kijken.
Ook de ervaring die e met dergelijke voorwerpen hebben speelt een belangrijke rol.
BEWEGING VAN LEVENDE WEZENS
Voorwerpen voeren onafhankelijk van ons bewegingen uit. Dit is vooral het geval voor levende
wezens. Wij zijn verbazend goed in het zien van biologische bewegingen. Wanneer een deel van het
visuele veld los van de rest in een bepaalde richting beweegt, hebben we sterk de neiging om dit deel
als een afzonderlijke groep waar te nemen. Wertheimer noemde dit het groeperingsprincipe van het
gemeenschappelijke.
EVIDENTIE VOOR HET BESTAAN VAN 2 VERSCHILLEDE BANEN IN HET VISUELE SYSTEEM
1) Baan die informatie geeft over wat aangeboden wordt
2) Baan die informatie geeft over waar de stimuli zich bevinden
Vanuit de primaire visuele cortex in de occipitale lob achteraan in de hersenen vertrekken 2 parallelle
informatiestromen.
Eerste stroom:
gaat naar voren, naar het onderste deel van de
temporale lob en de gespecialiseerd in het herkennen
van voorwerpen.
Tweede stroom:
Naar boven naar de partiële lob, waar een mentale
kaart bijgehouden wordt van de driedimensionale
ruimte waarin de waarnemer zich beweegt. Deze
stroom wordt gebruikt om voorwerpen te lokaliseren
en om bewegingen te sturen.
BEWEGINGSILLUSIES
1) Apparente beweging
(bv: lichtje die van links naar recht 1 voor 1 aan en uit gaan lijken in 1 lijn te ‘lopen’)
2) Geïnduceerde beweging: situatie waarbij de beweging van een voorwerp verkeerd
gepercipieerd wordt door een beweging in de achtergrond.
(bv: je zit in een trein en hebt de indruk dat je achteruit gaat omdat je de trein naast je ziet
vertrekken)
3) Watervalillusie ( bewegingsnabeeld) : gevolg van het feit dat de kenmerkdetectors voor
beweging in het visuele systeem na veelvuldig vuren uitgeput raken.
(bv: kijken naar geel vlak en dan naar een witte muur, dan zie je een blauw vlak)
Waarneming en actie (= perceptie)

Waarneming en actie zijn nauw met elkaar verbonden en ze beïnvloeden elkaar voortdurend.
Ze vormen samen een ‘gebeurtenis’ volgens de theorie van de gebeurteniscodering
Volgens deze theorie zitten ins ons geheugen geen aparte herinneringen voor waarnemingen
en acties, maar bestaat het menselijke geheugen uit gebeurtenisherinneringen ,waarin
waarneming en bijbehorende acties gezamenlijk opgeslagen zijn en met elkaar integreren.

Perceptie beïnvloedt niet alleen de acties die mensen uitvoeren, maar de acties beïnvloeden
op hun beurt de manier waarop de wereld gepercipieerd wordt.
Spiegelneuronen

Motorische cortex en omliggende structuren in frontale lob zorgen voor het uitvoeren van
acties.
door een proef met apen hebben ze ontdekt dat er een duidelijke evidentie is ,dat de
waarneming van acties gebaseerd kan zijn op neuronen die ook verantwoordelijk zijn voor
het initiëren van die acties. Deze neuronen worden spiegelneuronen genoemd.
In de hersenen zitten neuronen bij de motorische cortex die vuren bij het uitvoeren van een
beweging maar dus ook bij het zie van beweging.
De spiegelneuronen helpen ons om bewegingen van anderen te begrijpen.
DE INVLOED VAN SPIEGELNEURONEN OP HET ALLEDAAGSE LEVEN
Bv: als je in een kamer zit met 2 mensen en persoon 1 legt zijn hand op zijn been, dan is da kans
groot dat persoon 2 zijn hand ook op zijn been gaat leggen.

Het waarnemen van de beweging activeert het motorische systeem zodat het sneller geneigd
zal zijn om de beweging ook uit te voeren.
Ook tijdens het luisteren naar iemand, verstaan we de woorden door de neuronen te
activeren die we zouden gebruiken indien we de woorden zelf uitspreken.

Spiegelneuronen spelen ook een rol bij het begrijpen van sociale intenties bij mensen. We
zouden de mentale toestand van anderen verstaan doordat hun acties onze spiegelneuronen
stimuleren en dit ons informeert over hoe we zelf in zo een situatie zouden reageren.

Slecht functioneren van spiegelneuronen kan leiden tot moeilijkheden om de intenties en
emoties van andereen te begrijpen.
IMPLICIETE ACTIVERING VAN RESPONSEN
Stimuli kunnen reacties automatisch activeren zelfs zonder dat we de stimulus bewust waarnemen.
Neuronen in de motorische cortex kunnen door de onzichtbare primestimulus geactiveerd worden.
De grijpbeweging
Wordt gebruikt bij veel onderzoek over de interacties tss perceptie en actie.
3 interessante variabelen:
1) Het moment waarop de hand begint te bewegen
2) De snelheid van de handbeweging
3) De grootte van de opening tss de duim en de wijsvinger
De grijpbeweging is minder onderhevig aan illusies dan het zien: (Ebbinghausilusie)


Perceptie-actietheorie:
De waar-baan (= baan die actie ondersteund) minder beïnvloed door top-down processen
dan de wat-baan (= baan voor perceptie) .
Planning-controlemodel:
Illusie treedt op helemaal aan het begin wanneer de beweging gepland wordt maar bij het
uitvoeren van de beweging wordt dit gecorrigeerd. De planning hangt af van een beweging
van de perceptie (wat-baan) en de doelen van het individu.
Hoe belangrijk is leren bij de waarneming ?
Worden menen geboren met de mogelijkheid om war te nemen of moeten ze leren waar te nemen?
(nativisme vs. Empirisme)
Als een blinde voor het eerst kan zien
Bv: Patiënt MM: op 3 jaar blind geworden door ongeval, op 43 jaar een stamceltransplantatie.
 Er is enig verlies van gezichtsscherpte
 Kon als snel eenvoudige figuren en kleuren onderscheiden, was ook goed in het detecteren
van bewegingen.
 Zag geen subjectieve contouren, zag weinig diepte in figuren en herkende geen gezichten.
Hypothese : wat goed ontwikkeld as toen MM zijn zicht verloor, was bewaard gebleven. DDe rest kon
niet meer aangeleerd worden.
We worden met de eenvoudige vaardigheden geboren maar doorheen ons leven moeten we deze
verder ontwikkelen.
Gevolgen van visuele vervorming
STRATTON

Test met lenzen (boven word onder, links word rechts)  visuele systeem kan zich volledig
aanpassen, aar komt grotendeel deels doordat de persoon geleerd heeft zijn bewegingen aan
te passen.
HET BELANG VAN EXPLORATIE BIJ AANPASSINGEN

Pogingen om eigen lichaamsbewegingen aan te passen aan de veranderende
kijkomstantigheden spelen een belangrijke rol bij de perceptuele aanpassing. Een waarnemer
die probeert te bewegen, weet beter hoe de visuele input vervormd werd en wat hij moet
doen om de vervorming ongedaan te maken.
Perceptuele capaciteiten bij pasgeborenen

Aanname : capaciteiten die van bij de geboorte aanwezig zijn, zijn aangeboren
(probleem: sommige capaciteiten kunnen aangeleerd zijn in de baarmoeder)
Capaciteiten die vroeg aanwezig zijn:




Imiteren van gezichtsuitdrukkingen
Randen detecteren
Voorkeur voor gezichten
Zien van diepte ( visuele klip, habituatie(= gewoon worden aan voorwerpen die je vaak ziet)
bij voorwerp van een bepaalde grootte )
Spleke: de aangeboren capaciteiten helpen het kind om groeperingsprincipes te ontwikkelen.
 eerst groepering o.b.v. beweging
 hieruit leren kinderen de principes van gelijkheid, nabijheid, symmetrie enz.
PRENATAAL LEREN
Baby’s hebben een voorkeur voor de stem van de moeder omdat ze die in baarmoeder ook al
hoorde. De perceptuele capaciteiten van pasgeborenen zijn wss te danken aan een combinatie van
erfelijke factoren en milieu invloeden.
Perceptueel leren bij volwassenen
Bv: zie van tumors in röntgenfoto’s
Goldstone: 3 mechanisme waardoor ervaring mensen helpt om beter waar te nemen:



Meer aandacht voor de belangrijke kenmerken.
Aanmaken van templates voor de belangrijke stimuli
Meer verschillen gezien tussen timuli die onderscheiden moeten worden

Kan op elk moment gebeuren in tegen stelling tot de kritische periodes die bij kinderen
aanwezig lijken te zijn voor sommige perceptuele functie
Hoofdstuk 7: Onthouden en vergeten, het geheugen
Inleiding:
Vaardigheden als stimuli waarnemen en ze leren op basis van ervaringen zijn slechts zinvol als ze
vergeleken kunnen worden met voordien opgedane kennis en wanneer ze onthouden kunnen
worden. Dit is de functie van het geheugen, het heeft het vermogen om ervaringen in onze hersenen
op te slaan en bij verder gedrag te gebruiken.
Achtergrond
De reminicentiebult
Het autobiografisch geheugen:
Mensen associëren geheugen automatisch aan het
herinneren van gebeurtenissen in hun leven. Dit is eigenlijk
slechts het autobiografisch geheugen.
Onderzoek toonde dan als mensen herinneringen moeten
ophalen ze:



Kiezen voor herinneringen die vrij recent zijn (tot
10 jaar terug)
o Omdat gebeurtenissen moeilijker
herinnerd worden naargelang ze vroeger
gebeurt zijn
Geen herinneringen hebben voor de leeftijd van 3
jaar
o Ons autobiografisch geheugen werkt niet
goed voor de leeftijd van 3 jaar
Meer herinneringen tussen leeftijd 10-30 dan 30-60
o De reminicentiebult: hiervoor zijn verschillende hypothesen
 Leven tussen 10-30 wordt gedefinieerd door keuzes die men toen maakte
 Ons geheugen functioneert rond die leeftijd het best
 Veel gebeurtenissen voor het eerst in ons leven daardoor zijn ze
distinctiever.
Ebbinghaus

Leefde in de 19e eeuw, is pionier als het gaat om geheugenpsychologie


Stelde zich twee vragen bij zijn zelfonderzoek
o Hoeveel vergeten we en hoe snel
o Als we ons iets niet herinneren is de informatie dan helemaal verloren?
Zijn experiment bestond eruit dat hij verschillende zinloze lettergrepen uit het hoofd leerde
en die zich later probeerde te herinneren
Uit zijn experiment bleek dat:




Hij makkelijk 7 lettergrepen of minder kon onthouden (7 chunks of information)
Hoe meer tijd er verstreek hoe minder hij zich kon herinneren
De besparingsmethode
o Hij leerde vergeten lijsten opnieuw en had hiervoor steeds minder tijd nodig ookal
kon hij zich niks meer herinneren (vergeten info is dus niet volledig verloren) er was
dus nog info gespaard
De vergeetcurve
o Relatie tussen mate van vergeten en tijd
 Hoe meer tijd er was tussen het leren en herleren hoe minder info gespaard
bleef.
7.2 het geheugenmodel van Atkinson en Shiffrin
Ons geheugen bestaat uit verschillende systemen, atkinson en Shiffrin 1968 waren een grote invloed
als het gaat om ons geheugenmodel.
Ze zeiden dat ons geheugen uit 3 verschillende systemen bestond
1. Sensorische geheugen
a. Elk zintuig heeft er één, het kan gedurende korte tijd informatie bijhouden. De info
moet even blijven hangen zodat deze geïnterpreteerd kan worden. Dit gebeurt in het
sensorische geheugen. Op korte tijd veel informatie bijhouden
i. Iconische geheugen
1. Sensorische geheugen voor visuele stimuli, onthoud gedurende 1
seconde
ii. Echoïsche geheugen
1. Sensorische geheugen voor auditieve stimuli, onthoud 2 tot 4
seconden
2. Kortetermijngeheugen
a. Ook wel KTG houd informatie bij waar we ons op elk moment van bewust zijn
b. Is gekenmerkt door
i. Beperkte capaciteit: 7 elementen + of – 2
ii. Zeer fragiel, men vergeet zeer snel
3. Langetermijngeheugen
a. Gekenmerkt door onbeperkte capaciteit
b. Vergeten gebeurt zeer traag (uren of dagen)
Informatie van KTG naar LTG overdragen

herhalen (rehearsal)
o Men zag dit door de seriële positiecurve
 Hieruit bleek dat er sprake was van een voorrangseffect (wat eerst in een
serie van stimuli staat wordt beter onthouden omdat men ze een paar keer
kan herhalen voor de 7 chunks vol zitten)
 Recentheidseffect: laaste stimuli blijven nog even in het KTG zitten waardoor
ze gemakkelijk aangehaald kunnen worden
Verdere ontwikkelingen in de geheugentheorieën
Van KTG naar werkgeheugen
We zagen al dat het KTG vijf tot negen geheugensloten heeft. Het moet ook verschillende taken
uitvoeren
1.
2.
3.
4.
5.
6.
Interessante info bijhouden uit omgeving of LTG even bijhouden
Info bijhouden ookal doet men iets anders
Onthouden welke taak men uitvoert
Kan verbaal en niet verbale info zijn
Juiste combinatie van deelprocessen
Afleidende prikkels moeten onderdrukt worden
 Tegenwoordig spreken we van het werkgeheugen
Baddeley en Hitch
Vonden een nieuw model voor het werkgeheugen bestaande uit 3 componenten
1. Fonologische lus
a. Eigenlijk het KTG vanuit het vorige model
i. Fonologische opslagplaats voor opslag van info
ii. Articulatorisch herhalingsproces voor verversen van deze info
2. Visuospatiale schets
a. Visuele en ruimtelijke info wordt er in opgeslagen
3. Centrale verwerker
a. Controlesysteem dat
i. Aandacht verdeelt over taken
ii. Stimuli kan selecteren en onderdrukken
iii. Info uit LTG kan oproepen
Het belang van verschillende componenten kon men meten door dubbeltaken
Nauwe relaties tussen het LTG en werkgeheugen.


Eerst dacht men dat er 7 chunks of information waren maar dit bleek fout te zijn.
Binnenkomende stimuli bleken verwerkt te worden op basis van het LTG. De info uit onze
zintuigen passeert dus eerst langs het LTG om daar info op te halen en zo naar het KTG te
gaan.
 Het blijkt dat men eigenlijk maar 4 chuncks of information heeft voor
compleet nieuwe elementen.
Discutie over bestaan van KTG


Sommige onderzoekers zeggen dat er misschien zelfs geen KTG bestaat, maar dat dit slechts
een deel van het LTG is dat in het bewuste terecht komt.
Maar de rol van het werkgeheugen is te groot, en groter dan enkel activeren van bekende
info.
o Er moet weldegelijk een onderscheid gemaakt worden tussen een werkgeheugen dat
gedurende korte tijd beperkte hoeveelheid info kan vasthouden en manipuleren en
een geheugen dat gedurende lange tijd een grotere hoeveelheid info passief kan
onthouden.
Overdracht werkgeheugen naar LTG

Oorspronkelijk dacht men dat de overdracht van info naar het LTG hoofdzakelijk uit herhaling
bestond. Dit bleek niet zo te zijn.

Het probleem bij herhaling is dat er door iets te herhalen geen info georganiseerd wordt
opgeslagen.
Het Neuraal Netwerk: is een computermodel dat de hersenen nabootst met een grote hoeveelheid
knopen. De info licht opgeslagen op de connecties tussen knopen. Het bestaat uit drie lagen



een imputlaag
verborgen laag
outputlaag
Catastrofale interferentie


Het feit dat het leren van nieuwe info in een neuraal netwerk dat bestaande informatie
overschrijft.
Zo werken de hersens helemaal niet het neurale netwerk bleek dus niet helemaal juist te zijn.
Mensen kunnen niet zomaar iets vergeten.
Men nam dus aan dat

Een leerproces uit twee etappes bestond
o Eerst werd info vlug opgeslagen in het netwerk
o Dat werd deze overgeschreven op een tweede netwerk
Het overbrengen van info bestaat dus ook uit twee stappen


Eerst info tijdelijk in hippocampus opgeslagen
Dan wordt ze geïntegreerd binnen de bestaand kennis die in de cortex opgeslagen is. Dit
gebeurt vooral tijdens de slaap
Complexheid van het LTG
Onderzoek toonde aan dat het LTG waarschijnlijk geen unitair systeem is en uit verschillende delen
bestaat




Het procedurele geheugen
o Geheugen voor het uitvoeren van motorische handelingen
o Antwoord op weten hoe we iets moeten doen
Declaratieve geheugen
o Verantwoordelijk voor het bewuste herrineren van feieten en gebeurtenissen die we
onder woorden kunnen brengen
Niet declaratieve geheugen
o Speelt niet alleen een rol bij het correct uitvoeren van handelingen en vormen van
correct gramaticale zinnen maar ook bij oplossen van vaak voorkomende problemen
en bij fenomenen.
Sematorische vs. Episodische geheugen
o Episodische geheugen voor gebeurtenissen die we zelf meegemaakt hebben (bevat
steeds tijd en ruimte)
o Sematorische geheugen bevat kennis over feiten en de wereld.
7.4 informatie verwerven
Er zijn drie stappen in het geheugenproces: opslaan, bewaren en oproepen
De verwerving of het opslaan (codering)
Een manier om informatie te verwerven is hercoderen en organiseren zodat we aanwijzingen vinden
om info terug te vinden vanuit dingen die we al wisten uit het LTG.
Info kan op drie manieren opgeslaan worden, Drie codes:



Verbaal:
o meer onthouden dan alleen concrete voorwerpen, arbitraire symbolen (woorden en
hun betekenis bv.)
Sensorisch:
o herinnering van zintuigelijk aspecten van een gebeurtenis
Motorisch:
o mogelijkheid om motorische vaardigheden (fietsen, zwemmen) op te slaan en uit te
voeren (kunnen niet onder woorden gebracht worden)
Betere herinnering wanneer in meer dan 1 code opgeslagen (tweevoudige-codeertheorie): concrete
woorden vs. abstracte woorden, gebruik van verbeelding bij het leren, enactment effect (gebruiken
motorische code bovenop beeldcode)
Belang van hercodering en organisatie bij informatie verwerven

men moet zinvolle structuren aanbrengen in de informatie
o door verbanden te leggen tussen stimuli
o door eigen expertise (genereereffect: als je zelf actief betrokken bent bij het
genereren van stimuli dan zal je de info beter onthouden, bv. Eigen samenvattingen
maken)
we hebben een zeer gedetaileerd visueel geheugen het heeft een grote capaciteit als het gaat om
herkenning (proef met foto’s)
Hoofdstuk 8: Taal
Spreken
Van brabbelen naar zinnen.
+/- zelfde ontwikkeling bij alle kinderen
Niet verbale communicatie is aanwezig vanaf de geboorte:





Richten van aandacht
Voorkeur voor gezichten
Imiteren van gezichtsuitdrukkingen
Leren in de baarmoeder
Reflexief huilen en lachen
18 m. : Van reflexief huilen naar doelgerichte geluiden om gevoelens en intenties duidelijk te maken.
De eerste klinker en gemakkelijke medeklinkers
Van geboorte tot 18m. gebeurt in 5 stadia :
LEEFTIJD
0-8 weken
8-20 weken
16-30 weken
STADIUM
Reflexief huilen en vegetatieve
geluiden
Kirren en lachen
Vocale spelletjes
25-50 weken
Herhaald brabbelen
9-18 maanden
Niet herhaald brabbelen en
expressief gedrag
KENMERKEN
Huilt wanneer hij zich niet goed
voelt, oprispingen
Geluidjes van plezier
Enkelvoudig, duidelijke
herkenbare lettergrepen
Reeksen van klinkers en
medeklinkers
Patroon van klemtoon en
intonatie
*vanaf 8m ook duidelijke invloed van de omgevingstaal
EERSTE WOORDEN:
Gemiddeld vanaf iets meer dan 1jaar maar er zijn grote individuele verschillen.
De eerste woorden zijn niet allemaal zelfstandige naamwoorden maar alle woorden die belangrijk
zijn voor het kind en zijn sensorimotorische ontwikkeling. TELEGRAFISCHE SPRAAK:
18-24 m. : woorden combineren en tot korte zinnen van 2-3 woorden.
De volgorde en de intonatie bepalen de betekenis
(1ste woord: inhoudswoorden, GEEN functiewoorden )
bv: ‘bal weg’ / ‘bal Joke’ in plaats van ‘de bal is weg’ / ‘bal voor Joke’
deze korte zinnetjes worden telegrafische spraak genoemd
*wug test om grammaticale kennis te meten.( 1wug en 2 …)
Vanaf 50 woorden is er een explosie van het aantal woorden dat gekend is, 1-3 nieuwe woorden/dag
VERDERE ONTWIKKELING:
21 m. : 200 woorden
2-5 jaar : leren regels die in de telegrafische spraak ontbraken.
bv: werkwoordverveging, meervouden,…
6 jaar: 8000-14.000 woorden (3000-4000 worden actief gebruikt)
5-9 jaar: volledige grammatica maar moet nog veel geoefend worden.
Van preverbale boodschap(boodschap die nog niets in woorden is omgezet) naar spraakklanken
Processen bij het verwoorden van een boodschap
1.
2.
3.
4.
Formuleren van de preverbale boodschap
Concepten activeren (context)
Lemma’s activeren (abstracte woordrepresentaties met grammaticale info)
Lexemen activeren ( de juiste woordvorming)
Processen bij het uitspreken van een zin
1. Selectie van de juiste fonemen (= klank in taal die aanleiding geeft tot een verschil in
betekenis. Bv: in Japan moeite met L  R en V B)
2. Afbakenen van de uitspraaklettergrepen (bv: Ik loop in Diest__rond)
3. Activeren van de articulatorische codes.
4. Uitvoeren van de beweging (co-articulatie)
5. De uitspraak wordt online gemonitord om fouten te voorkomen of te corrigeren.
(=spraakmonitor)
Kenmerken van normale spraak
Gemiddeld 170 woorden per minuut.
Occasioneel haperingen of fouten die te wijten zijn aan:


Vertragingen door het niet vinden van preverbale boodschap of de bijhorende concepten.
Het lemma al geactiveerd is maar de persoon het bijhorende lexeem niet kan vinden. (‘’ligt
op het puntje van mijn tong’’ gevoel)
Spreekfouten te wijten aan:


Verkeerd woord (concept of lemma)
Verkeerde fonemen (bv: klank toegevoegd, weggelaten of verwisseld / het vormen van
nieuwe woorden.
 Grammaticale fouten (hoe groter afstand tussen onderwerp en werkwoord, hoe groter kans
op het fout vormen van het werkwoord)
Syntactische priming bij spraakproductie = dat de spreker de neiging heeft om de constructie van
een zin ,die kort voordien gebruikt werd ,te herhalen. Dus dat de keuze van de worden gedeeltelijk
bepaald wordt door de restactivatie van de voordien geproduceerde of gehoorde woorden.
Afasie (= hersenletsel aan d linkerkant van de hersenen dat vaak gepaard gaat met
spraakproblemen)
AFASIE VAN BROCA:
 Problemen met het spreken
 Telegrafische spraak en vooral problemen met werkwoorden
 Taalbegrip relatief intact
 Letsel in de frontale lob (meestal links )
Weet, kent en begrijpt de woorden maar vind ze niet als hij zelf moet spreken.
AFASIE VAN WERNICKE:
 Voldoende spraak maar de taal heeft geen inhoud
 geen spraakbegrip
 weinig ziekte-inzicht
 letsel aan de bovenkant van de temporale lob (meestal links)
spreekt vlot en volgt grammatica maar de inhoud is zinloos.
Luisteren en lezen
Gesproken taal begrijpen
Segmentatie Probleem : spreeksignaal is niet mooi in woordjes opgedeeld.
bv: e ri z en bars tine t gla s
Oplossing: eerst alle mogelijke woorden activeren en er dan de meest waarschijnlijke uit selecteren





competitie tss woorden die klanken delen. (ba, bar,barst)
klemtoon meestal aan het begin van het woord.
Sommige opeenvolgingen van fonemen meest waarschijnlijk tss woorden
Alleen die woorden geselecteerd waarvan de restfractie een woord kan zijn
(bv: framboos / zwijn/ …)
Top-down informatie (spraakkunst en context)
ACTIVEREN VAN WOORDKANDIDATEN BIJ SPRAAKBEGRIP
Strekt zich in de tijd uit.
Cohortmodel ( proef van Zwitserlood)
- ‘’de mannen stonden rond het graf en betreurden het verlies van hun kapit__’’ (GELD / SCHIP)
- ‘’ de mannen stonden rond het graf en betreurden het verlies van hun kapitei__’’ (SCHIP)
Woorden soms al herkend voordat ze volledig uitgesproken zijn
Bij problemen wordt extra duidelijk gearticuleerd.
BELANG VAN SLAAP VOOR HET LEREN VAN WOORDEN:
om deel uit te maken van een cohort moeten de woordkandidaten opgeslagen zijn in ons mentale
lexicon = woordenboek in ons geheugen met daarin alle woorden die we kennen.
Gaksell & Dumay : toonde aan da slaap belangrijk is om nieuwe woorden op te slaan in ons mentale
lexicon.
Proefpersonen werden een reeks woorden aangeleerd en dit werd afgewisseld met een lexicale
decisietaak (= taak waarbij proefpersonen fonemen te horen krijgen en moeten beslissen of de
fonemen bestaand zijn of ongekende neppe woorden zijn. )
Bv: leren het woord ‘cathedruke’’ dat deel uit maakt van het cohort van ‘’cathedral’’. Het leren van
‘’cathedruke’’ zou het herkennen van ‘’cathedral’’ bemoeilijken.
Slaap is belangrijkste factor, niet de tijd die verstreken is of het aantal keren dat men het nieuwe
woord geleerd heeft.
Slaap is een cruciaal element bij het consolideren van nieuwe woorden in het mentale lexicon.
BIJDRAGEN VAN MONDBEWEGINGEN BIJ SPRAAKBEGRIP:
McGurk-effect/illusie = vermenging van auditieve en visuele stimulaties
Bv: als je een filmpje hebt van een man die ‘’ba ba ba’’ zegt , een filmpje van dezelfde man die ‘’pa pa
pa’’ zegt en een filmpje van die man die ‘’fa fa fa’’ zegt. Je kan de beelden en klanken van de filmpjes
door elkaar mixen.
Resultaat: Als je ‘’ba ba ba’’ hoort en ze veranderen alleen de visuele stimulatie dan denk je dat je ‘’fa
fa fa’’ hoort.
Lezen
LEESSNELHEID
3 verschillen tss lezen en luisteren:
1. Spaties tss de woorden
2. Geschreven woord wordt ineens gebonden
3. De lezer kan terugkijken (repressie)
Lezen gaat sneller dan gesproken taal begrijpen (300 woorden/minuut)
Deze snelheid is afhankelijk van :



Individu
Tekstmoeilijkheid
Leesdoel
OOGBEWEGINGEN BIJ HET LEZEN



Fixatie ( stilstaande periode) : 3-4/sec
Dienen om nieuwe info uit de tekst op te nemen.
Saccaden ( snelle oogbeweging) : 4-12/sec
Dienen om het kijkpunt van plaats te verschuiven
Regressies return-sweep (sequentie van fixaties en saccaden)
INNERLIJKE STEM BIJ HET LEZEN:
*kan 2 maal sneller gaan dan bij het hardop spreken
Innerlijke stem is gevolg van het feit dat het lezen niet volledig gebasseerd is op visuele codes maar
ook een beroep doet op auditieve codes om de informatie tijdelijk op te slaan in het werkgeheugen
(korte termijngeheugen).
Mensen lezen tijdens proeflezen vaan over fouten heen die niet te horen zijn. (dt fouten)
We hebben ook moeite met zinnen te lezen die moeilijk uit te spreken zijn (tongbrekers)
Stillezen is een zeer recente vaardigheid (1000jaar oud)
Dyslexie
= probleem et lezen en schrijven, die niet aan een externe oorzaak toegeschreven kunnen worden
6% van de 15jarige in België mist de basisvaardigheid om te lezen.
CRITERIA VOOR DYSLEXIE:
1. Achterstand
2. Exclusie (onderpresteren niet verklaarbaar vanuit andere factoren)
3. Hardnekkigheid (blijft bestaan ondanks deskundige hulp)
BELANG VAN FONOLOGISCHE BEWUSTZIJN (gesproken woorden bestaan uit klanken ,fonemen) :
Oorzaak van dyslexie vaak zelfde basisoorzaak : moeite om een gesproken woord op te delen in in
een reeks van fonemen = probleem met fonologisch bewustzijn
4 stadia van het fonologisch bewustzijn:
1. Onderscheid maken tss woorden
2. Onderscheid tss lettergrepen
3. Onderscheid tss rijmen
4. Onderscheid tss individuele klanken
Bij moeilijkheden van het overlopen van deze stadia wordt er vaak gesproken van dyslexie.
*dislexie komt in bepaalde talen meer voor dan in anderen omdat in sommige talen het omzetten van
letters naar klanken moeilijker is.
Dyslexie is gedeeltelijk erfelijk bepaald
Reeds vanaf de kleuterleeftijd is er evidentie voor een vertraagde taalontwikkeling.
Dyslexie kan verholpen worden door interventies (liefst al op jonge leeftijd) op basis van herhaald
oefenen van de koppeling tussen klanken en letters en van woorden.
Van woorden naar conversaties
Moeilijke en gemakkelijke woorden
WOORDHERKENNING:
Er word verondersteld dat we een soort woordenboek hebben met alle gekende woorden ( mentale
lexicon)
3 factoren speren een rol bij de snelheid waarmee men woorden kan activeren in het lexicon:



Frequentie-effect = woorden die in een taal veel voorkomen worden sneller herkend.
Verwervingsleeftijd : hoe vroeger we een woord geleerd hebben ,hoe sneller we het
herkennen.
semantische priming = woordne kunnen de activatie van betekenisverwante woorden
verhogen.
(prime doet activatie doelwoord toenemen en hierdoor zal het woord sneller herkend
worden)
bv: bij de prime ‘pijl’ zal men het woord ‘boog’ sneller herkennen.
priming is asymmetrisch : Bij ‘ooievaar’ wordt ‘ baby’ gezegd maar bijvoorbeeld bij ‘baby’
niet ‘ooievaar’.
MORFOLOGISCH COMPLEXE WOORDEN:
=bevatten meer dan 1mofeem (= kleinste bestanddeel van een woord met een betekenis of een
grammaticale waard)
3 grote categorieën van morfologische complexe woorden:

verbuigingen en vervoegingen (meervouden, werkwoordvervoegingen, vergrote stap van
bijvoeglijk naamwoord,…)
 afgeleide vormen (loper, eter, zoener, loopbaar, eetbaar, gemakkelijkheid …)
 samengestelde woorden (bloempot, schoolleraar, komkommertijd…)
Deze woorden kunnen op 2 manieren herkend worden:
Ze zitten in het lexicon en/of ze kunnen opgesplitst worden
(Er is discussie over het relatieve belang vaan deze 2 routes)
3 variabelen die kans verhogen dat morfologische complexe woorden in het lexicon opgeslagen
worden:



De frequentie
De lengte
De transparantheid (woorden waarvan betekenis niet makkelijk af te leiden is uit
basiswoorden)
Wie doet wat met wie ?
ZINNEN BEGRIJPEN:
Syntaxis of zinsleer: bestaat uit classificatiesysteem (znw, bnw, lidwoord,…) en een systeem van
regels over hoe de verschillende woordsoorten samengevoegd kunnen worden.
Zinsontleding begint zodra men aan een zin begint:
opstellen van boomdiagram
BOTTUM-UP EN TOP-DOWN PROCESSEN BIJ ZINSONTLEDING:
Bij het begrijpen van een zin is er een interactie tussen de binnenkomende informatie (bottum-up)
en algemene achtergrond kennis over de taal (top-down).
Bottum-up: vooral functiewoorden van belang. Hebben een structurerende functie. Deze woorden
worden snel geactiveerd en gedeactiveerd.
top-down: bestaand uit de kennis dat zo goed als alle Nederlandstalige zinnen bestaan uit een
onderwerp en een werkwoord.
Zinsstructuur kan men ook vinden in zinnen zonder betekenis
bv: de grijze gedachten geeft gewoonlijk geen vermoeden
INTUINZINNEN:
= zijn zinnen die moeilijk te begrijpen zijn omdat we ze spontaan op een verkeerde manier ontleden.
bv : het meisje slaat de vampier met de zwarte cape met een stok / de jongen zegt tegen het meisje
dat er goed uitziet dat hij graag met haar zou uitgaan / wat was was voor was was was ? / …
Intuinzinnen tonen aan dat veel zinnen tijdelijk ambigu zijn (dubbelzinnig)
Van losse zinnen een verhaal maken
Het is nodig om verbanden te leggen tussen zinnen.
Vaak is achtergrondkennis nodig om de samenhang tussen de zinnen te zien. (maken van inferenties)
Het belang van de sociaal-culturele context
PRAGMATIEK:
De spreker en de luisteraar moeten hun communicatie aan elkaar aanpassen zodat ze termen
gebruiken die voor beiden dezelfde betekenis hebben. De betekenis vna uitspraken word bepaald
door de context waarin de uitspraak gebeurt.
*ironie en beeldspraak : jonge kinderen hebben hier vaak een probleem mee, ze nemen alles
letterlijk op.
Pragmatiek speelt een belangrijke rol in het begrijpen van beeldspraak en is soms de bron van
grappen en misverstanden.
Hoe leidt taal tot betekenis ?
Doel van taal : om informatie met elkaar uit te wisselen en informatie te bewaren. (BETEKENIS
UITWISSELEN)
Betekenis traditioneel opgevat als het bestaan van concepten in een semantisch netwerk.
Het semantische systeem
 In dit systeem zit de betekenis opgeslagen.
 Systeem heeft interactie met mentaal lexicon
De gebruikelijke term voor een eenheid binnen het semantische systeem is concept (= een
psychologische representatie van een groep voorwerpen of acties die een reeks kernattributen
gemeenschappelijk hebben en daarom een categorie vormen) .
SEMANTISCHE NETWERKEN
Relaties tussen semantische concepten kunnen het beste weergegeven worden in een netwerk van
betekeniseenheden.
Als een concept actief wordt, zal de activatie automatisch doorstromen naar concepten die ermee
verbonden zijn. Zo word extra informatie over het concept beschikbaar. = spreiding van activatie in
het netwerk.
Een relatie tussen concepten wordt weergegeven door verbindingen = proposities
Concepten en categorisatie
CONCEPTEN ONTSTAAN DOOR CATEGORISATIE:
Concepten hebben altijd een bepaald abstractieniveau.
bv: als we het over een hond hebben denken we zelden aan 1hond die op 1 bepaalde plaats en op 1
bepaald moment gezien hebben, maar over een hond in het algemeen.
De abstractie die bij het afbakenen van een concept plaatsvindt = categorisatie
(want stimuli waar men het over heeft wordt in een categorie /concept ondergebracht)
Categorisatie houdt een abstract in zodat generalisatie mogelijk is.
Afweging tussen cognitieve zuinigheid en informatierijkdom:
hoe minder processen er zijn, hoe eenvoudiger het menselijke betekenissysteem wordt, maar ook
hoe minder informatie uit de stimuli te halen valt. Een grote informatierijkdom vergt veel
verwerkingscapaciteit en leidt dit tot problemen in het verband met generalisatie.
3 PRINCIPES OM TE CATEGORISEREN
1. Regels :
a. worden gebruikt om categorieën af te bakenen.
(dikwijls in woordenboeken)
2. Prototypes en familiegelijkenis :
a. volgens deze benadering bestaat er voor elke categorie een meest representatieve
instantie (= prototype). Het prototype is het beste voorbeeld van een concept.
b. tussen vogel en mus is een grote familiegelijkenis, tussen vogel en varken is geen
familiegelijkenis.
c. basiscategorie (=concept met duidelijk prototype)
vs
bovengeschikte (=algemene categorieën die verschillende basiscategorieën
omvatten)
en ondergeschikte categorie (=specifieke onderverdelingen van de basiscategorieën)
Bv: voor een hondenexpert kunnen de verschillende hondenrassen een
basiscategorie zijn omdat ze alle met een duidelijk prototype verbonden zijn. Voor
dergelijke expert is ‘hond’ dan een bovengeschikte categorie.
3. Vergelijking met andere exemplaren.
a. Mensen kunnen het lidmaatschap van een categorie bepalen door de stimulus te
vergelijke met de andere, reeds bestaande leden(exemplaren) van die categorie.
Bv: we kunnen ‘’dieren die door mensen gegeten worden’’ opsommen door ze te
vergelijken met diersoorten die vaak as vlees op tafel komen zoals kippen en
varkens…
In het dagelijks leven worden deze 3 principes gecombineerd.
Als het duidelijke regels zijn die gevolgd kunnen worden n is het evident dat die een rol spelen.
Prototypes zullen worden gevormd waar dat mogelijk en nodig is.
Gelijkenis met exemplaren is zo informatief dat die niet buiten beschouwing gelaten kan worden.
Concepten en sensomotoriek ( embodied cognition)
Woorden activeren direct gebieden in het sensorische en motorische cortex.
Bv: Bij het lezen van het woord ‘’blauw’’ worden niet alleen semantische kenmerken geactiveerd
maar ook het deel van de hersenen dat actief is bij het zien van een blauwe kleur.
 Bij het lezen van woorden (concepten) die naar acties verwijzen, is er ook een activatie in de
motorische en sensorische cortex.
 Embolied cognition = het gebaseerd zijn van betekenis in lichamelijke perceptie en actie.
Ook emoties die door woorden wordt uitgelokt horen hierbij.
Associaties tussen concepten
Verbindingen tss concepten verschillen in associatiesterkte
Associaties tussen 2 concepten kan onderzocht worden door middel van:


Associatietaken (woordassociaties analyseren)
Opsommen van semantische kenmerken en kijken hoeveel overlapping er is tss de
semantische kenmerken die met de concepten samenhangen.
 Berekenen hoe dikwijls woorden samen voorkomen in het stukje tekst. (aan de hand van
computeranalyse, dit wordt dan ook meer gebruikt in deze tijd)
*niet alle knopen in het netwerk hebben evenveel connecties
Concepten combineren tot proposities
Nieuwe informatie bestaat dikwijls uit nieuwe combinaties van concepten.
We begrijpen en onthouden taal door ze op te zetten in proposities (= combinatie van concepten en
hun relaties, die de onderliggende betekenis van een zin weergeeft. )
Een goede propositiestructuur is in staat alle denkbare betekenissen te omvatten met behulp van
beperkt aantal relaties.
Bij taalverwerking worden proposities onthouden.
We vergeten de letterlijke boodschap vlug en onthouden alleen de onderliggende betekenis. Mensen
vergeten de specifieke woordvolgorde van zinnen terwijl ze de boodschap (proposities) onthouden.
Andere taalvormen
Gebaren taal

GEBAREN BIJ GESPROKEN TAAL:
Meeste mensen maken gebaren tijdens het spreken omdat dit de luisteraar en de spreker
helpt, maar ook omdat gebaren een bijkomend communicatiemiddel is. Dit communicatie
middel zegt niet helemaal hetzelfde als wat men uitspreekt.

GEBAREN TER VERVANGING VAN GESPROKEN TAAL:
Gebarentaal bij doven en stommen werd aanvankelijk ontmoedigd. Er werd feller
aangedronken op liplezen.
Gebarentaal lijkt veel op gesproken taal:


Er zijn verschillende dialecten in
Gebaren worden in verschillende syntactische categorieën onderverdeeld en er zijn
mogelijkheden om de gebaren met elkaar te combineren.
Als een dove wil leren lezen is het wel belangrijk om op de een of andere manier ‘’fonologie’’ of
‘’mimiek’’ (lipbewegingen) aan de geschreven woorden toe te voegen
Meertaligheid
Bestaat niet uit 2 aparte taalsystemen, maar sterk interacties tss de 2 talen:



Tweetalige Nederlands-Engels hebben meer tijd nodig om ‘big’ en ‘room’ te herkennen dan
‘bil’ en ‘roos’.
Bij tweetalige Nederland-Engels worden zowel Nederlandse als Engelse woorden geactiveerd
bij gesproken woordherkenning (cohort)
Syntactische priming treedt ook op tussen de talen.
Hoofdstuk 11: Intelligentie
Wat verstaan we onder intelligentie?

In het algemeen onderscheiden we drie componenten:
1. Analytische intelligentie
a. Abstract redeneren en de vaardigheid om met nieuwe zaken om te gaan, nodig
om goed te presteren op school
2. Praktische intelligentie
a. Competentie in alledaagse vertrouwde situaties, oplossen van probleemsituaties
3. Sociale en emotionele intelligentie
a. Omgaan met andere mensen in uiteenlopende situaties

Er bestaan ook drie verschillende visies op deze componenten
o Intelligentie is aangeboren (tzit er in ma komt er nie uit)
 Een persoon hoeft geen intelligent gedrag te vertonen in praktijk om toch als
intelligent beschouwd te worden
o Intelligentie moet tot uiting komen
 Intelligentie hangt af van de inspanning die iemand levert
o Iemand is intelligent als hij/zij goed op een examen presteert
 Deze visie komt tot uiting op school
Analytische intelligentie
= het conglomeraat van verstandelijke vermogens, processen en vaardigheden die ervoor zorgen dat
men abstract ,logisch en consistent kan redeneren, relaties ontdekken en problemen kan oplossen
en regelmatigheden kan ontdekken in schijnbaar ongeordend materiaal
Intelligentietests


Eerste tests
o Francis Galton (1884)
Mat lichamelijke en psychische variabelen, zocht naar relaties tussen verstandelijke
vermogens en vaardigheden (bv reactiesnelheid, lichaamsproporties). Hij dacht dat
intelligentie bepaald was door de kwaliteit van gewaarwording, kwaliteit en snelheid
waarmee men informatie verwerkte. Er was natuurlijk geen correlatie (een formule
die hij overigens zelf probeerde te vinden)
o
Alfred Binet en Théodore simon (1905)
Maakten eerste bruikbare intelligentietest (om uit te zoeken welke kinderen er
intelligent genoeg waren om onderwijs te volgen door leerplicht). De test bestond uit
taken die op leeftijd uitgevoerd moesten worden. Men vatte de uitslag samen in ML
(mentale leeftijd)
o
Wilhelm Stern
Bedacht de term IQ (Intelligentie quotiënt) deze word berekend door ML delen door
CL (chronische leeftijd)
Moderne Intelligentietests
o De Binet en Simon test werd vertaald door Henry Goddard en aangepast door Lewis
Terman, in 1916 was er de Stanford-Binettest die tot op vandaag om de +-25 jaar
wordt herzien
o Wechsler ontwierp een test voor volwassenen later ook voor kinderen (meest
gebruikt bij ons): de Wechslertests (WAIS, WISC,WPPSI) verschilden van de Binet test
 Niet ingedeeld per leeftijd
 Bij elke taak makkelijke en moeilijke items
 Score werd samengevoegd in verbaal IQ en performantie IQ, het IQ werd op
een andere manier berekend
o Raven progressive matrices test bestaat uit niet verbaal materiaal bestaat uit 60
opgaven waar de proefpersoon een figuur te zien krijgt waarvan een deel ontbreekt.
Door dienstplicht veel gegevens
o
SON-R ook niet verbaal oorspronkelijk voor dove kinderen
Kenmerken voor intelligentietests


Intelligentietests zijn psychometrische tests dit verwijst naar ontwikkeling van objectieve
meetinstrumenten die voor psychische kwaliteiten
Een goede test moet zeker aan drie dingen voldoen
o De normsteekproef
 Prestaties worden vergeleken met die van de leeftijdsgenoten
 Vaak te veel intelligente mensen voor steekproef
o
Betrouwbaarheid
 Consistente resultaten (resultaten die hetzelfde blijven een perssonmoet
even goed scoren als hij de test twee keer doet) de betouwbaarheid moet de
correlatie dicht bij +1 liggen, dit kan men vinden door het testhertestbetrouwbaarheid toe te passen of door de test in twee te splitsen
(gesplitste testbetrouwbaarheid) of twee evenwaardige tests te maken
(paraleltestbetrouwbaarheid)
 Test moet afgenomen worden door opgeleide personen :Standaardisatie bij
testafname
o
Validiteit
 Een test moet weten wat hij beweert te meten
 Inhoudsvaliditeit
Gestelde vragen zijn representatief voor het kennisdomein dat men
wil meten
 Congruente validiteit
Kijken in hoeverre twee testen die bewerken hetzelfde te meten met
elkaar correleren


Criteriumvaliditeit
maat die aangeeft hoe goed de testscores correleren met een
andere maat voor de vaardigheid die men wil meten
Predicatieve validiteit
Test gebruikt om toekomstig gedrag te voorspellen
STRUCTUUR ANALYTISCHE INTELLIGENTIE
Factoranalyse

Techniek die de correlaties tussen testscores onderzoekt, dit stelt psychologen in staat om
uit een patroon van intercorrelaties de factoren af te zonderen die decorrelaties verklaart,
dit wees op twee vormen van intellegentie
o Verbale intelligentie
o Performantie intellegentie

Intelligentiemodel van Spearman
Alle tests die men doet doen beroep op algemene kennis (G-factor) daardoor zal er tussen twee
intelligentietests altijd een positieve correlatie zijn. Naast algemene kennis word de test ook
beinvloed door een specifieke mentale vaardigheid (de S-factor) als twee tests op dezelfde S factor
focussen zal hun correlatie hoger zijn.

Model van Raymond Cattel
Twee intelligentievormen


Vloeiende intelligentie
o Vaardigheid om relaties waar te nemen bij nieuwe stimuli (vooral werkgeheugen)
Gekristalliseerde intelligentie
o
Reeds aanwezige info uit langetermijngeheugen ophalen, vooral bij kennisvragen
 Een test doet altijd beroep op beide intelligenties maar de eene
meer dan de andere

Het Hiërarchische model van intelligentie
Volgens Philip Vernon bestaat intelligentie uit drie lagen (CHC model) , helemaal bovenaan de g
factor, daaronder 8 brede intelligentievormen en op het derde niveau de specifieke factoren (sfactoren). Het is een combinatie van de twee vorige theoriën. Men denkt dat dit de juiste theorie is
maar vraagt zich af of vloeiende en algemene kennis niet op 1 plaats hoort
Hoe stabiel zijn IQ scores

Vaak gestelde vraag: hoe hoog is de correlatie tussen een IQ-score op jonge leeftijd en die
op volwassen leeftijd? 6 – 7 jaar was er een correlatie te zien van + 60 (bij 17 jarigen die de
test op deze leeftijd reeds is hadden gedaan)
o Bekende test voor jonge kinderen : Fagen Test of Infant Intelligence, test met foto’s
van gezichten, de correlatie is 0,50 maar de test-hertestbetrouwbaarheid ligt vrij laag
(+0,40)
o IQ-scores bij kinderen zijn voorspellend maar niet betrouwbaar genoeg voor
individuele diagnose

Vermindert de intelligentie met ouder worden
o
Intelligentie vermindert bij het ouder worden (voor al vloeiende intelligentie), maar
minder snel dan aanvankelijk leek (cohorteffect bij cross-sectioneel onderzoek; nodig
om longitudinaal onderzoek te doen)


Longitudinaal onderzoek: groep mensen wordt gedurende lange tijd gevolgd
en op herhaalde momenten getest
Crossectioneel onderzoek: onderzoek waarbij men mensen van verschillende
leeftijden op hetzelfde moment test
o
Verschillentussen mensen van 80 en 25 jaar is niet alleen de leeftijd maar ook vele
andere variabelen (opleiding, voeding, milieu invloeden,…) => cohorteffect
o
Sterktes en zwaktes jong vs. Oud kan men vinden in zinnen, jong (langere zinnen
minder woordenschat) oud (meer woordenschat kortere zinnen)
Analytische intelligentie wordt geoefend om op peil te blijven, als intelligentie uitgedaagd wordt
bouwt men een cognitieve reserve op (langer op hoger niveau blijven functioneren, minder vergeten,
enz..)
 Besluit: verouderen: vanaf 60-70 langzame achteruitgang, daarvoor
stabiel en groei
gekristaliseerde intelligentie = blijft stabiel
vloeiende intelligentie = gaat achteruit
Erfelijke component in IQ-scores
o
o
Tweelingonderzoek: correlatie van +0,76 bij eeneiige tweelingen die nar geboorte
gescheiden werden.
Adoptieonderzoek: correlatie met biologische ouders = 0,29, met adoptieouders = 0,15
Besluit: mensen zijn intelligent, deels omdat ze goede genen hebben van hun biologische ouders.
Milieucomponent in IQ-scores
o
o
Interventiestudies hebben een beperkt effect, zeker op lange termijn, men moet de
omgeving veranderen om een echt effect te zien
Bij adoptiekinderen: adoptieouders trekken hun kinderen op een niveau dat gemiddeld
dichter bij dat gemiddeld dichter bij dat van hun ligt dan dat van de biologische verwanten
Het flynneffect
o
o
Is te danken aan milieuvariabelen
Elke generatie scoort beter en beter op intelligentietests, daarom moet een test om de
15 jaar is herzien worden
Belang van onderwijs
o
De verbetering van onderwijs is een mogelijke oorzaak voor het flynneffect
Trainen voor intelligentietest
o
Er bestaat een soort algemene testwijsheid, men kan zich dus trainen voor een test
Nature-nature bijdrage maatschappij
o
o
o
o
o
Bijdragen milieu en erfelijkheid hangen af van de samenleving
o Bv in een rijk land zal het erfelijke materiaal een belangrijke rol spelen
o Bv ineen arm land zal de bevolkingsklasse zeer bepalende zijn
Hoe meer inspanningen een samenleving doet om voor iedereen goed onderwijs te creëren,
hoe meer het lijkt alsof alleen erfelijkheid er nog toe doet
Momenteel: schatting 50-50 in onze maatschappij
Schattingen bijdrage erfelijkheid zijn groter bij de middenklasse dan bij de lagere klasse
Groter op latere leeftijd dan op kinderleeftijd
Zijn mannen slimmer dan vrouwen




Hersenen vrouwen zijn kleiner
Echter geen evidentie dat dit tot uiting komt geslachtsgebonden verschillen in IQ-scores
Wel evidentie voor invloed van de omgeving (verschil tussen jongens en meisjes was vroeger
groter)
Vrouwen zijn een klein beetje intelligenter
Waarom is iemand intelligent

Biologische factoren
o Synaptische connecties (long term potentiation)
o Myeline
 Minder storing omringende axonen
 Intelligentie neemt minder snel af

Werkgeheugen
o We hebben 7 chunks om information (capaciteit)
o Algemene intelligentie is volgens onderzoekers min of meer gelijk aan capaciteit
werkgeheugen

Neuroplasticiteit
o Mensen verschillen que neuroplasticiteit in hun hersens
o Na een aantal keer gedaan te hebben krijg je de gewenste output: plasticiteit

Metacognitie
o Belang van metacognitie (weten hoe men moet studeren, problemen oplossen,
welke vragen moeilijk zijn, enz.)
PRAKTISCHE INTELLIGENTIE
o
niet alleen intelligentie als potentieel (analytische intelligentie) is interessant; ook vraag hoe
goed iemand gaat zijn in een bepaalde job (goed gekende, praktische taken)
Sternberg: praktische intelligentie wordt onderschat
o
IQ-tests te zeer gefocust op problemen die volledig gestructureerd zijn en door iemand
anders geformuleerd (staan los van alledaagse ervaringen en wekken weinig interesse op)
Vragen hebben slechts 1 juist antwoord en er is maar 1 manier om tot dit antwoord te
komen
o
De meeste dagelijkse problemen zijn onder gestructureerd, moeten door de mensen zelf
herkend worden, kunnen op verschillende manieren opgelost worden, zijn ingebed in
vroegere ervaringen, en doen in hoge mate beroep op de motivatie en de persoonlijke
betrokkenheid van de persoon
o
Bewijs hiervan zijn paardenweddenschappen, vierkanten en vlinders (vragen abstract of met
concrete dieren) , rekenen in de winkel of keuken
Gardner
o
o
Theorie van meervoudige intelligentie (zie ortho)
 Linguistic intelligence: op gebied van taal
 Logical Mathematical intelligence: op gebied van logica en wiskunde
 Musical intelligence: op gebied van muziek
 Bodily Kinesthetic intelligence: op gebied van creatief gebruik van het
lichaam
 Spatial intelligence: patronen ontdekken, ruimte gebruiken
 Interpersonal intelligence: intenties van anderen herkennen en ze plaatsen
 Intrapersonal intelligence: zelfkennis
 Naturalist intelligence: het natuurtype
o Later nog interpersoonlijke intelligentie en intrapersoonlijke intelligentie
In onze samenleving te veel aandacht voor linguïstische en logisch wiskundige intelligentie
Tests voor praktische intelligentie
Zijn tests toegepast op een specifieke situatie waarmee de persoon meestal al enige ervaring mee
heeft (bijv. maken van een werkstuk)
o
o
o
Vragen over bepaalde situaties: antwoorden worden vergeleken met die van mensen die
goed functioneren in die situatie (voor zoverre deze kennis expliciet te maken is)
Bij arbeidsselectie gekend onder situationeel interview en assessment center (in-basket test)
Veronderstellen ook standaardisatie en duidelijke protocollen om dit op een betrouwbare en
valide manier te kunnen doen
Zie p 472 voor de fouten die vaak gebeuren bij het afnemen van een praktische intelligentietest
Waarom verschillen mensen in praktische intelligentie
o
Twee denksystemen
o Systeem één is dat men beroep doet op het werkgeheugen voor gecontroleerde en
het de regels van de logica volgt, dit zorgt er voor dat we nieuwe situaties en
problemen kunnen behandelen
o Tweede systeem is een evolutionair oud systeem dat verbanden legt tussen stimuli
op basis van associatief leren
o
Praktische intelligentie hangt dus af van de ervaring die men heeft met een specifieke taak
maar ook het gemak waarmee men nieuwe informatie uit een context kan halen.
Sociale en emotionele Intelligentie

Er is een grote interesse voor sociale en emotionele intelligentie, maar is moeilijk te meten
met een test, men dacht dat een hoog EQ tot meer succes leidde dan een hoog IQ, maar het
is zeer moeilijk om een test te ontwikkelen die aan de voorwaarden van betrouwbaarheid en
validiteit voldoet

Componenten
o Verschillende visies:
 Petrides: 15 kernelementen die in twee groepen uiteen vallen
 Vaardigheid
 Stabiele persoonlijkheidseigenscchappen
 Sommigen denken dat deze vorm van intelligentie situatiegebonden is dus
een algemene test maken is nutteloos
Tests voor sociale en emotionele intelligentie
George Washington Social Intelligence Test
Vijf subtests:





Handelen in sociale situaties
Emoties bij anderen herkennen
Geheugen voor namen en gezichten
Oordelen over gedrag in sociale situaties
Zin voor humor
 Goede betrouwbaarheid maar beperkte validiteit (slechte
criteriumvaliteit en correlatie met IQ- scores)
Huidige tests
Vandaag de dag zijn er drie filosofieën

Meten van vaardigheden (antwoorden worden vergeleken met die van mensen die hoog
scoren; cf. tests voor praktische intelligentie)
o Bijv. Mayer-Slovey-Caruso Emotional Intelligence Test
 Hoe goed kan men emoties percipiëren?
 Hoe goed begrijpt men emoties?
 Hoe goed kan men emoties regelen en gebruiken om de groei te bevorderen
(zowel bij zichzelf als bij anderen)?

Meten van persoonlijkheidskarakteristieken (cf. persoonlijkheidstests; eerlijkheid is
belangrijker dan kunde)
o Emotional Quotient Inventory
o Emotional Intelligence Scale

Sociaal-emotionele intelligentie is situatie-gebonden en moet in een specifieke context
gemeten worden
o Als onderdeel van een assessment center
o Situationele beoordelingstest
Hoe goed presteren de huidige tests?



Geen hoge correlatie tussen de verschillende benaderingen (+0,25)
Voorspellende waarde in personeelsselectie ook kleiner dan gehoopt (+0,25)
Situationele beoordelingstests met videobeelden lijken het meestbelovend te zijn.
Het leren van sociale vaardigheden



Sociale en emotionele intelligentie niet louter aangeboren (kunnen dus tot op zekere hoogte
geleerd worden o.b.v. observerend leren en specifieke instructies)
Zijn wellicht situatiegebonden
Vooral belangrijk in beroepen waar (nieuwe) sociale vaardigheden van belang zijn

Voorbeeld van dit aanleren
Abnormale intelligentie


IQ ie gemiddeld 100
Als men meer dan twee standaarddeviaties onder of boven het gemiddelde zit is men
abnormaal
o IQ is minder dan 70 = verstandelijke beperking = laagbegaafdheid
 Minder dan 20 = diepe beperking
 Tussen 20 en 35 = ernistige beperking
 Tussen 35 en 50 = matige beperking
 Tussen 50 en 70 = lichte beprking
de beperking komt tot uiting in



een motorische achterstand
leren gaat moeizaam en traag
communicatie is moelijker
Oorzaken van de verstandelijke beperking

bij 1/3 is er een duidelijke oorzaak
o belangrijke oorzaken
 chromosale oorzaak (down en fragiele x syndroom)
 genetische mutaties
 foetale alcoholsyndroom
 complicaties bij geboorte
discussie: inclusief of exclusief onderwijs?
Hoogbegaafdheid

score IQ vanaf 137
o Overwegend positieve levensloop (beter dan de gemiddelde persoon)
 Leven langer en beter
 Meer kans op een beroep met een hoge status
 Minder kans om in de psychiatrie terecht te komen
 Zijn aan het einde wel niet meer tevreden over hun leven dan anderen
Speciaal onderwijs voor hoogbegaafden?
IQ hangt vanaf een bepaald niveau niet erg meer samen met creativiteit


Divergent denken vs. convergent denken
Mate waarin men in een vaardigheid investeert
Kan dit door speciaal onderwijs gegeven worden?


Gegeven het feit dat er wellicht verschillende
vormen van hoogbegaafdheid bestaan (cf. Gardner)
o Dit is een discussiepunt tot op vandaag
o
Hoofdstuk 12: Persoonlijkheid
Persoonlijkheid = de verzameling van kenmerken die het gedrag, de gedachten en de gevoelens
van een individu bepalen.
elk individu heeft en eigen unieke persoonlijkheid.
Persoonlijkheidspsychologie = studie van de persoonlikheidskenmerken
Kenmerken worden verondersteld stabiel te zijn in de tijd en van toepassing te zijn in uiteenlopende
situaties (zie echter behaviorisme en cognitieve psychologie)
3soorten kenmerken:
1. Algemeen menselijk
2. Typisch voor een bepaalde groep
3. Eigen aan de individu
Redenen waarom de persoonlijkheidspsychologie sterk op de inzichten van individuele denkers
(freud, jung, skinner, dler, horney…) steunt
1. Algemene Theorieën over de persoonlijkheid zijn groot en uitgebreid. Ze zijn in een coherent
mensbeeld vervat. Dergelijke veelomvattende theorieën passen beter bij en filosofische
benadering dan bij een natuurwetenschappelijke benadering ( : elke uitspraak wordt
empirisch getoetst en past beter bij kleine concrete vraagstellingen waarbij de te
onderzoeken variabelen goed te operationaliseren zijn, zie hoofdstuk 1 ) .
2. Verschuiving in de 20ste eeuw: Van theorieën over wat mensen gemeenschappelijk hebben
naar theorieën over hoe mensen van elkaar verschillen.
3. Omdat de inzichten van de individuele denkers nog grote invloeden hebben gehad op de
manier waarop mentale stoornissen gediagnostiseerd en behandeld werden. (hoofdstuk 14)
Fundamentele verschillen tss de theorieën
1. Aandacht voor wat mensen met elkaar gemeenschappelijk hebben vs. Aandacht voor hoe ze
van elkaar verschillen
2. Hoe sterk wordt het huidige gedrag beïnvloed door gebeurtenissen uit het (verre) verleden ?
3. In hoeverre wordt gedrag beïnvloed door de eigenschappen van de persoon of door de
eigenschappen van de omgeving ?
4. In hoeverre is de persoonlijkheid aangeboren of aangeleerd ?
Drie klassieke visies op de persoonlijkheid
Psychoanalyse

Freud: Hij is de grondlegger van de psychoanalyse. Hij ontdekte dat achter veel klachten van
individuen emotionele conflicten schuilgingen.
o Aanvankelijk deed hij onderzoek naar afasie en kinderverlamming. Later (30j) werd
hij privédocent neuropathologie.
o Samen met neuroloog Josef Breuer raakte hij overtuigd van de werking van catharsis
bij de behandeling van hysterie. Dwz dat patiënten met hysterische symptomen
(pijnklachten, slapeloosheid, verlamming, gevoelloosheid, gebrek aan eetlust en
gebrek aan seksuele lust) konden genezen worden dmv pijnlijke bewustwording en
een explosieve ontlading van vroeger opgedane emotionele conflicten.
o
Freud was van mening dat de oorsprong van hysterie altijd met seksualiteit te maken
had
Jean Charcot deelde de mening dat de psychologisch oorsprong van hysterie een emotioneel conflict
was.
Psychoanalyse is zowel een persoonlijkheidstheorie als een vorm van psychotherapie.
Het onderbewuste
individuen zijn zich meestal niet bewust van de echte redenen van hun gedrag.
Mentale activiteiten worden het best omschreven obv 3 niveaus:
1. Het bewuste : hetgene waar we op het moment zelf aan denken.
2. Het voorbewuste : bevat de kennis en de herinneringen, waar we niet aan denken maar die
wel gemakkelijk in het bewust gehaald kunnen worden.
3. Het onbewuste : het deel van de geest dat niet zonder meer voor de mens toegankelijk is.
o
o
DE BELANGRIJKSTE KRACHTE VAN HET PSYCHISCHE LEVEN
Er zitten verborgen seksuele en agressieve driften / gedachten die zo angstaanjagend zijn dat
ze uit het bewuste geweerd werden = verdrongen ideeën.
We hebben geen rechtstreekse toegang tot het onbewuste maar we kunnen er zicht op
krijgen dooor oog te hebben voor de waarneembare gevolgen.
2 grote categorieën:
1. Eros: de algemene levensdrift die ervoor zorgt dat we eten, drinken,
liefhebben,vitaal zijn en prestaties leveren.
2. Thanatos: De doodsdrift, gericht op vernietiging of beschadiging. Deze drift ligt ten
grondslag aan agressie, zelfverwonding, verslaving en het opzoeken van
levensgevaarlijke situaties.
DRIFTEN MOETEN UITWEG VINDEN



vrije uiting van deze driften worden niet geaccepteerd in de samenleving en zelf het
volmondig erkennen ervan wordt nauwelijks geaccepteerd.
Gevolg: altijd conflicten tss onbewuste driften en de samenleven ( ook binnen het individu).
Oplossing voor conflicten: deel van het onbewust maakt zich los en zal een realiteitsgevoel
ontwikkelen.
Dit is de oorsprong van het bewuste en het voorbewuste.
Freuds theorie over de persoonlijkheidsstructuur
Het es bevindt zich alleen in het onbewuste.Het Über-ich en het ich bevinden zich in het bewuste
,voorbewust en het onderbewuste.
ES = hieruit ontstaat alles. Is aanwezig vanaf
de geboorte en is gericht op onmiddelijke
bevrediging zonder enige realiteitszin. (=
primair procesdenken / lustprincipe ) De
invididu trekt zich niks aan va nde gevolgen
voor zichzelf om omstaanders. alleen de
reductie van de spanning na de bevrediging
van behoeften , is belonend en aangenaam.
Het Es op zich kan niet overleven door
beperking van realiteit, door frustraties groeit
uit het Es , het Ich en tegelijk ook het über-Ich
ICH = zorgt voor warneming,
redeneren en het leren van
activiteiten die nodig zijn om op een
doeltreffende manier met de
realiteit om te gaan. functioneert
volgens het realiteitsprincipe =
verlongens soms ingetoomd om pas
later bevredigd te worden.
(zwak ich --> kan dat Es domineert
--> niet in staat efficiënt met de
realiteit om te gaan )
Door ontwikkeling IVH kan het ES
blijven leven. Maar ICH is niet
voldoende (alleen ich en es = kille
berekende persoon, gericht op eigen
gewin ).
ÜBER-ICH =Om een kille
berekende persoon tege nte
gaan onstaat het Über-Ich. dit
deel houdt zich bezig met
onderscheidt tss goed en fout.
Ich-ideaal: streeft naar perfectie
en hanteert hoge normen
Ich-ideaal: streeft
naar perfectie en
hanteert hoge
normen
Het geweten: overlaadt
ons men schuld
wanneer we iets fout
hebben gedaan of
denken te hebben
gedaan.
Terwijl het Es aandringt op vrije expressie van de impulsen, treedt het Über-ich op als zedenmeester.
Daardoor moet het Ich onderhandelen tss :
 het Es en de realiteit
 het Es en het Über-ich
 het Über-ich en de realiteit
Voorbeeld : Stel dat je op de grond een biljet van €20 euro ziet liggen.



De reactie van het Es : in je eigen zak steken
Reactie van het Über-ich : je mag niet stelen
Het Ich zou dan rekening houden met de realiteit en het biljet in de zak steken als de
eigenaar niet te zien is maar het biljet terug aan de eigenaar geven als je iemand een biljet
ziet verliezen.
Het Es, Ich en Über-ich zijn dus voortdurend in conflict. Omdat Es onmiddellijke bevrediging eist en
het Über-ich die eisen verwerpt. Het Ich moet dan gaan bemiddelen.
De ontwikkeling van de persoonlijkheid
volgens Freud word de persoonlijkheid in de eerste levensjaren gevormd, terwijl de persoon
psychoseksuele ontwikkelingsfasen doormaakt.

In elke fase richt het kind zich op de specifiek lichaamszone die op dat moment de sterkste
sensatie produceert.
Indien er frustratie ontstaat : persoon zal fixatie vertonen in die fasen. Maw, overdreven gericht zijn
op het lichaamsgebied dat in die fase op de voorgrond staat en op de symbolische activiteiten die
ermee gepaard gaan.

Ernstige frustratie: kan leiden tot regressie naar de vorige fase en dit leidt dan tot
persoonlijkheidsstoornissen.
Fasen:

De orale fase (eerste 18 levensmaanden) : Passieve en naar buiten toe rustige periode waarin
je gewoon kan genieten. Bij overdreven passief genieten kan een orale persoonlijkheid
ontwikkeld worden. (afhankelijk, conformistisch, goedgelovig)

De anale fase (tss 1 -2 jaar) : actieve ,soms pijnlijke controle over het lichaam uitgeoefend
worden (zindelijkheidstraining). Conflicten in deze periode kunnen tot 2 verschillende types
van anale persoonlijkheid leiden
a. Netheid en strikt tijdschema centraal
b. Rebelleren tegen ouders centraal
Er wordt een sterke afhankelijkheid ontwikkeld tov de moeder. Het kind wordt angstig bij
afwezigheid en internaliseert de moeder als symbool voor perfectie (= Ich-ideaal)

De fallische fase (4jaar) : in deze periode ontdekt het kind het plezier van masturbatie.
c. Jongens: Primitieve seksuele drang op moeder gericht. Jaloers op vader en rivaliseren
met hem. Tegelijk vrezen ze voor betrapt te worden en gestraft te worden.
= Oedipuscomplex (castratieangst)
Overwinnen angst door op te geven en zich et hun vader te identificeren. Als dit niet
opgelost geraakt ontstaat en een fallische persoonlijkheid : een koude persoon die
vrouwen of mannen allee gebruikt om hun lust te bevredigen.
d. Meisjes: Hun eerste seksueel object is hun moeder. Op een bepaald moment merken ze
dat ze inferieur zijn aan mannen en zo ontstaat er penisnijd en vijandige gevoelens tov
de moeder omdat zij hen deze minderwaardige anatomie gegeven heeft. Om dit conflict
op te lossen zullen meisjes het verlangen naar de moeder verwerpen en een eerste
liefde voor hun vader ontwikkelen. Later zullen ze beseffen dat het krijgen van een kind
een goede compensatie is voor het niet hebben van een penis. = elektracomplex
Als dit niet goed opgelost geraakt zal de vrouw zich als een man gedragen, ze zal
mannen uitdagen en er mee flirten maar in feite is ze een castrerende vrouw die niet
geïnteresseerd is in seks.

De latentiefase (6jarige): Basis van de persoonlijkheid is gelegd inde vorige fasen. Deze fase is
een periode van relatieve psychoseksuele rust. Kinderen richten zich meer op
vriendschappen sluiten met individuen van hetzelfde geslacht. Ze hebben de neiging van het
andere geslacht te vermijden maar zijn wel nog geïnteresseerd in grapjes over seks en seks
en het lichaam.
Tijdens de pubertijd is er een korte terugkeer van het Oedipusen en het Elektracomplex. Daardoor
zullen jonge adolescenten een voorkeur voor oudere personen van het ander geslacht hebben. Deze
voorkeur verdwijnt als er meer geschikte seksuele partners gevonden worden.

De genitale fase : Deze fase bestaat uit lust en affectie. Het stelt de persoon in staat om de
rol van volwassene met verantwoordelijkheidsgevoel op te nemen.
Psychoanalytische diagnose

Veel persoonlijkheidsonderzoek maakt gebruik van interviews en vragenlijsten.
Levert weinig op omdat de krachten die de persoonlijkheid bepalen, voor het bewuste
ontoegankelijk zijn.
Enige manier : kijken naar zichtbare symptomen van onderliggende conflicten.
bv: versprekingen, grappen en geheugenfouten die beschouwd kunnen worden als een gevolg van
onbewuste verlangens.
De belangrijkste technieken:
-
Droomanalyse : Symbolen in dromen geven aanwijzingen over het onbewuste van de
dromer.
bv: langwerpige en uitstekende voorwerpen verwijzen naar de penis en vochtige holvormige
voorwerpen naar de vagina. Personages verwijzen naar belangrijke personen. En incoherente
verhalen zij neen vermomde uiting van seksuele en agressieve wensen.
-
Vrije associatie : Door een persoon te vragen om vrijuit te zeggen wat in hun opkomt, zonder
dat ze zich zorgen hoeven te maken over de juistheid of de relevantie, kan informatie
opleveren over de driften in het onderbewuste. Als de persoon zich in een veilige situatie
bevindt, dan verzwakken de afweermechanismen die er normaal voor zorgen dat de
angstopwekkende gedachten in het onderbewuste opgesloten blijven.
-
Projectieve persoonlijkheidstests : Het onbedoeld toeschrijven van eigen overtuigingen,
waarden en andere subjectieve processen aan andere personen of voorwerpen, wordt
projectie genoemd. Deze testen zij gestandaardiseerde technieken om dergelijke projecties
te onderzoeken. (inktvlekken van Rorschach / the thematic apperception test. )
o
Rorschachtest (1921): Bestaat uit ofwel zwart, witte ofwel gekleurde complexe
symmetrische inktvlekken. De proefpersoon moet zeggen wat hij of zij ziet en het
antwoord motiveren. De score wordt opgemaakt obv de aard en de plaats van de
benoemde elemanten.
o
Thematic Apperception Test (1930): Deze test wordt gebruikt bij onderzoek naar
prestatiemotivatie. De Proefpersonen moeten een verhaaltje vertellen aan de hand
van ambigue platen die één voor één vertoond worden. Dit gebeurt aan de hand van
4 vragen.
1. Wat heeft aanleiding gegeven tot het tafereel dat hier afgebeeld staat ?
2. Wat is er nu aan het gebeuren ?
3. Hoe voelen de personages zich ?
4. Hoe zal het aflopen ?
Psychologen beoordelen de verhalen door thema’s op te zoeken die geïnterpreteerd kunnen worden
als projecties van onbewuste behoeften of van andere preoccupaties.
Huidige status van de psychoanalyse



Hoogepunt in de jaren 50 en 60.
Freud zijn inzichten spelen nog steeds een belangrijke rol in onze cultuur. Maar omdat Freud
meer een schrijver was dan iemand die gebruik maakte va wetenschappelijke
onderzoeksmethoden past de werkwijze van Freud meer in de lange traditie van filosofen
dan in de wetenschappelijke psychologie van de 20ste eeuw.
Het is dus verzwakt doordat de psychoanalyse niet deel wou nemen aan de
natuurwetenschappelijke benadering.
Humanistische psychologie
Dit is de 3de stroming tss psychoanalyse en behaviorisme. Het ging uit van de stelling dat mensen
spontaan steeds naar het goede streven. (American Association of Humanistic Psychology)
toch was er niet alleen oog voor het positieve maar ook voor het negatieve van de mens. Ze
veronderstelde dat het negatieve in een mens het gevolg was van incongruentie tss het ware zelf en
het zelf dat geconstrueerd werd onder invloed van ongunstige condities.

Carl Rogers
Hij is de belangrijkste denken binnen de humanistische psychologie. Hij groeide op met
orthodox-protestantse en hardwerkende ouders. Zij ontmoedigden vriendschappen met
kinderen uit de buurt omdat die zich niet aan de strikt ethische normen hielden. Hij was vaak
alleen en las daardoor heel veel. Hij behaalde later zijn diploma klinisch en
ontwikkelingspsycholoog. Vanuit zijn visie op persoonlijkheidsontwikkeling kwam hij in
aanraking met de psychoanalyse.

Zelfactualisatie als drijvende kracht
Het basismotief van mensen bestaat uit een positieve kracht die hij zelfactualisatie noemde =
de neiging van een organisme om zich in stand te houden, te actualiseren, verbeteren en om
te groeien naar een volledige realisatie van de aangeboren capaciteiten. En dit allemaal blijft
overeind ondank tegenstand. De zelfactualisatie leidt ertoe dat mensen gedifferentieerder,
onafhankelijker en sociaal verantwoordelijker worden naarmate ze groeien. Belangrijke tap
in dit differentiatieproces is het ontstaan van het ZELF. (het in staat zijn om over jezelf na te
denken en een idee te vormen van wie je bent = zelfbeeld / zelfconcept. )

Het belang van de fenomenologie
wij leven in een subjectiever wereld die enkel dor onszelf volledig gekend kan zijn.
Deze fenomenologische realiteit ( = de realiteit zoals die door de persoon ervaren wordt en
niet de fysische, objectieve wereld) die het gedrag van de mens bepaalt.
De subjectieve interpretatie van iemand bepaalt zijn gedachten, gevoelens en gedragingen.
Een psychotherapeut moet deze fenomenologische realiteit leren begrijpen om te kunnen
helpen.
Geen fundamentele tegenstijdigheden tss subjectieve, fenomenologische en objectieve
wereld :


gevoel dat ze leven volgens hun idealen en hebben een positieve zelfevaluatie.
Wel fundamentele tegenstrijdigheden:
incongruente persoon. Er bestaat een kloof tss het actuele zelf en het ideale zelf. Als
deze kloof te groot is dan lijdt te persoon.
De fenomenologie gaat rechtstreeks in tegen Freuds visie.


Freud : persoonlijkheid wordt beheerst door impulsen vanuit het onbewuste.
Fenomenologie : persoonlijkheid gevormd door bewuste ervaringen (perceptie, interpretatie
en gevoelens). De subjectieve ervaring is het leven zelf. Om iemand persoonlijkheid te
begrijpen moeten we weten hoe die persoon denkt en voelt.
Onmisbaarheid van positieve aanvaarding
Nodig voor ontwikkeling van congruentie tss het actuele en het ideale zelf. Kinderen leren dat
sommige dingen wel kunnen en andere dingen niet. Dit is een belangrijk deel van het
socialisatieproces.

Ze leren van hun ouders welke waarderingscondities (= regels over wat wel/niet gedaan kan
worden om goedkeuring te verkrijgen) gelden.
 Door herhaaldelijke ervaringen met deze waarderingscondities internaliseren kinderen ze en
worden ze een soort geweten.
Zelfwaardering
De positieve aanvaarding van anderen leidt tot zelfwaardering (=het hebbe van een positief beeld
van zichzelf) .


Incongruentie ontstaat als er een kloof is tss de geïnternaliseerde waarderingscondities
(ideale zelf) en de zelfwaardering (actuele zelf). Incongruentie belemmert de zelfactualisatie.
Te sterk geïnternaliseerde waarderingscondities maken mensen psychologisch onderworpen
,angstig, defensief, conformistisch en overdreven streng voor zichzelf.
Ze voelen zich gemanipuleerd in plaats van vrij.
 Extreme gevallen kan het tot vervorming van de realiteit leiden.
Het belang van congruentie krijgen we mee van onze ouders.
De volledige functionerende persoon
=ideaal van de persoonlijkheidsontwikkeling.
6 Kenmerken:
1. Staan open voor hun ervaringen. Ze zijn spontaan en vertonen geen defensieve houdingen
maar hebben een realistisch beeld van al hun ervaringen.
2. Hun actuele zelf en hun ideale zelf zij in overeenstemming met elkaar. Deze mensen zijn in
staat om hun zelfconcept aan te passen als nieuwe ervaringen geassimileerd moeten
worden.
3. Ze percipiëren zichzelf als evaluatie-instantie voor hun ervaringen. Ze beoordelen hun
ervaringen obv hun zelfactualisatie en niet vanuit incongruente, geïnternaliseerde
waarderingscondities.
4. Ze ervaren onvoorwaardelijke zelfwaardering.
5. Bij nieuwe ervaringen kunnen ze vanuit hun congruente zelf spontaan reageren en hoeve nze
geen preoccupaties te hebben over wat men in zo’n situatie moet doen.
6. Ze leven in harmonie met anderen omdat ze een wederzijdse onvoorwaardelijke positieve
aanvaarding van anderen hebben.
De huidige situatie van de humanistische benadering
Kern van benadering nog altijd basis van therapeutisch handelen. Toch is de benadering iets te
optimistisch:

ze onderschat het belang van biologische factoren en van het leerproces in psychische
problemen.
 Ook wordt de klemtoon gelegd op zelfactualisatie dat beter past bij de individualistische
cultuur dan bij de collectivistische cultuur.
Markus & Kitayama : onderscheid tussen
- zelfstandig zelf = zelfbeeld afgeleid vanuit persoonlijke, interne kwaliteiten. (visie Rogers)
- onderling afhankelijk zelf = zelfbeeld afgeleid van verhouding tot anderen en de mate waarin men
aan de sociale verwachtingen beantwoordt.
Behaviorisme en cognitieve psychologie
Radicaal behaviorisme
Het behaviorisme staat lijnrecht tegenover de persoonlijkheidspsychologen.

Ze gaan er van uit dat elke mens begint met een onbeschreven blad en zo iets als een
persoonlijkheid bestaat niet.
 Wel leren mensen bepaalde reacties op stimuli in de omgeving.
Als men de persoon wilt begrijpen moet men kijken naar de klassieke en operante conditioneringen.
(de conditioneringsgeschiedenis : welk gedrag werd bekrachtigd en wel bestraft ? )

Verkeerde gedragingen moesten vervangen worden door betere. Deze techniek werkte
echter niet bij iedereen.
 Wel bij eenvoudige geïsoleerde fobieën en sommige herhaaldelijke onaangepaste
gedragingen van ernstig gestoorde patiënten, maar niet bij stemmingsstoornissen,
complexere angststoornissen, schizofrene stoornissen en verslavingen.
Als het gedrag wordt veranderd ,veranderen ook de gevoelen en gedachten. Dit betekende het einde
van het behaviorisme. De wetenschappelijke psychologen begonnen aandacht te krijgen voor de
cognities. Hieronder de evolutie:
Kelly (1955): 1 van de eerste psychologen na Rogers. We bekijken onszelf volgend dichotome
persoonlijke constructies. We creëren zo voor onszelf een subjectieve wereld en brengen mensen
onder in categorieën.
Rr ontstaan moeilijkheden als er van een foute constructie wordt uitgegaan. Deze geven aanleiding
tot misverstanden en verkeerd verwachtingspatronen. Een therapie moet dit dan bijsturen.
Rotte (1954): Het gedrag hangt af van objectieve relaties tussen gedragingen en de daarop volgende
bekrachtigingen + overtuigingen die mensen hebben over die relatie.
Hij wees op het veschil tss de interne vs de externe locus of control.
Interne: beloning of straf is afhankelijk van hun gedrag.
Externe: geen verband tussen gedrag en gevolg. (voelen zich eerder hulpeloos bij tegenslag)
Cognitieve psychologie = manier waarop mensen over dingen denken er er tegenaan kijken is
belangrijk. Dit komt ook tot stand obv leerprocessen.
Bandura en Mischel: zij zorgden voor een belangrijke doorbraak. De sociaal-cognitieve theorie = er is
een constante wederzijdse interactie tussen de omgeving, cognities en eigenschappen van de
persoon en, de gedragingen .
omgevingsvariabelen geven een kader waarin de persoon zich za gedragen. Cognities bepalen hoe de
situatie geanalyseerd wordt en welke gedragingen gekozen zullen worden. Het gedrag veranderd de
omgeving en de cognities.
De overtuiging van een persoon over zichzelf en de wereld bepaalt hoe men zich zal gedragen en ik
welke soort omgeving men zal terechtkomen.
Feedback van deze omgeving kan de overtuiging bijgevolg versterken of verzwakken. Naast
overtuigingen zal ook het geslacht, sociale positie en lichamelijke aantrekkelijkheid een invloed
hebben op de sociale interacties.
volgens Bandura zal men obv gedrag, uiterlijke en sociale positie uiteenlopende sociale reacties
uitlokken.
Mischel’s cognitieve psychologie: Hij noemde 3 redenen waarom cognities een effect hebben.
1. Invloed van de codeerstrategieën:
hoe zien we de dingen ? De perceptie. (aspecten en interpretatie )
2. Invloed van de verwachtingen :
Wat denken we dat er zal gebeuren ? percipiëren en reageren. De belangrijkste variabelen
hierbij is wat de persoon verwacht. Verwachtingen kunnen verband houden met gedrag,
situatie en zelfeffectiviteit
3. Invloed van subjectieve waarden :
wat is de moeite waard ? subjectieve waarden die de persoon nastreeft spelen ook een rol.
Menselijke cognities komen tot stand obv:
 klassieke conditionering
 operante conditionering
 bijzonder observerend leren
Volgend Bandura is observerend leren van groot belang. Zonder hierbij zelf gevolgen te ondervinden.
Therapie zal bestaan uit veranderen van ziekmakende cognities.
Huidige status van behavioristische en cognitieve benadering



enkel voor specifieke gedragsproblemen is de behavioristische benadering de juiste
gebleken.
De behavioristische visie is opgenomen in de cognitieve psychologie en is nog vooral
belangrijk voor fobieën.
De cognitieve visie neemt aan belang toe: menselijk gedrag wordt niet in de eerste plaats
bepaald door kenmerken van de persoon zelf, maar door aangeleerde manieren om
emotioneel, cognitief en gedragsmatig te reageren op stimuli. (als-dan relaties)
Het meten van persoonlijkheidsverschillen en de trekbenadering
Gaat ervan uit dat mensen consistente verschillen vertonen en beschreven kunnen worde adhv een
beperkt aantal dimensies.
Klassieke theorieën over persoonlijkheidstypes
Gaat ervan uit dat mensen in categorieën worden onderverdeeld volgens het alles-of-niets principe,
afhankelijk of ze bepaalde kenmerken wel of niet bezitten. De verschillende categorieën samen
vormen een typologie. Iemand behoort altijd of tot de ene of tot de andere categorie.
De classificatie gebeurt obv definiërende kenmerken.
Iedereen binnen een categorie is gelijk en tussen de categorieën bestaan kwalitatieve verschillen.
(komt sterk overheen met de manier waarop mensen intuïtief denken )
De 4 temperamenten van Hippocrates en Galenus (gebaseerd op lichaamsvochten)
1. Sanguïnisch (veel warm bloed): snel vrolijk, opgewerkt
2. Cholerisch (veel gele gal): snel kwaad
3. Melancholiek (veel zwarte gal): snel gedeprimeerd
4. Flegmatiek (veel slijm): koel, afstandelijk
Deze 4 temperamenten hebben nog steeds een deel uit van ons spraakgebruik. (Dus de 4 hadden
een grote invloed op onze cultuur)
Persoonlijkheidstypes gebaseerd op lichaamsbouw
Kretschmer & Sheldon argumenteren at de lichaamsbouw bepalend is voor het temperament van
een persoon.
Ze deelde verdeelden mensen in 3types:
1. Pyknisch:
vriendelijk, opgewekt, humoristisch, sociaal (manisch depressieve patiënten, mensen vaker
betrokken bij oplichterij)
2. Atletisch:
zet overal een vraagteken bij, soms bijtend sarcastisch ,soms verlegen, teruggetrokken,
sensitief, nerveus en houdt bovendien van boeken en natuurstudies. (schizofrenie,
gewelddadige personen, vaker betrokken bij diefstal en fraude )
3. Asthenisch:
Er was een probleem dat mensen vaak niet goed gecategoriseerd konden worden volgens
Kretschmer.
Scheldon maakte andere onderverdeling:
1. Endomorfie: rondheid, weefsel voorkomend uit het endoderm of de ingewanden.
2. Mesomorfie: gespierdheid, weefsel voorkomend uit het mesoderm of de spieren.
3. Ectomorfie: knokigheid, weefsel voorkomend iot het ectoderm of de botten.
Iedere persoon kreeg op elke dimensie een waarde van 1-7.
Voorbeelden:
 7-1-1 endomorfe mensen: laconiek, sociaal en genotzuchtig
 1-7-1 mesomorfe mensen: avontuurlijk, energiek, agressief, competitief en onverschillig.
 1-1-7 ectomorfe mensen: hebben intense gevoelens, sociaal en lichamelijk geïnhibeerd
Ze waren er van overtuigd dat het verband tss persoonlijkheid en lichaamsbouw biologisch bepaald
was. Er is echter geen evidentie voor deze aanname gevonden.
Bovendien bestaat er in de sociaal-cognitieve psychologie een alternatieve verklaring:
Mensen hebben een impliciete persoonlijkheidstheorie = geheel van veronderstellingen over
persoonlijkheden die gebruikt wordt om anderen te classificeren en te bepalen hoe men met hen zal
omgaan.


Deze theorie baseert zich vooral op het uiterlijk van een persoon.
De verschillende persoonlijkheden zijn geen gevolg van lichaamsbouw zodanig maar van de
manier waarop mensen door anderen bejegend worden ( met name de eerste indruk die
men maakt op andere obv impliciete persoonlijkheidstheorie)
Atletische personen maken bijvoorbeeld een beter eerste indruk dan de andere 2 types.
De 8 persoonlijkheidstypes volgens Jung
sommigen zeggen dat zijn typologie uit 8 types bestaat en anderen zeggen uit 16.
De 8 types is een combinatie van 2 oriëntaties van psyche en 4 manieren waarop personen
informatie verwerken.
2 oriëntaties:
1. De geest kan naar de buitenwereld gericht zijn : extrovert
2. De geest kan naar binnen (zichzelf) gericht zijn: introvert
4 informatieverwerkingsmanieren:
1. Gewaarworden: detecteert aanwezigheid voorwerp maar de geest weet nog niet wat het is
2. Denken: geeft naam aan het voorwerp
3. Intuïtief aanvoelen: geeft een vaag positief/negatief gevoel wanneer niets feitelijks bekent is.
4. Voelen: bepaalt basis van goed op slecht gevoel / of voorwerp waardevol is voor persoon.
De typologie heeft geleid tot de eerste persoonlijkheidstests, de Myers-Briggs Type indicator (MBTI).
Myers en briggs gingen ervan uit dat Jung een onderscheid maakte tss 16 persoonlijkheidstypes obv
4 dichotomieën:
1. Extravert vs introvert
2. Denken vs voelen
3. Intuïtie vs waarnemen
4. Oordelen vs percipiëren (planning en structuur vs. Flexibiliteit ifv wat zich aandient)
Na het maken van de test krijgt de persoon een lettercode die zijn/haar persoonlijkheidstype
aanduidt.
bijvoorbeeld: IDWP = introverte, denkende, waarnemende en percipiërende persoon
(oorspronkelijke test is met Engelse termen)
Probleem MBTI zelfde als bij de indeling van Kretschmer: mensen kunnen niet altijd gecategoriseerd
worden en dat 50% van de geteste personen bij een hertesting van type veranderd.
Mensen verschillen in de eerste plaats niet van elkaar op kwalitatieve manier maar op een
kwantitatieve manier. Iedereen kan beschreven worden adhv dezelfde dimensie waarvan men meer
of minder heeft
Allport, Cattell, Eysenck
Persoonlijkheidstrek= hypothetische, stabiele persoonseigenshap die het gedrag, de gedachten en de
gevoelens van een persoon in uiteenlopende situaties beïnvloedt.


Volgens trekbenadering kunnen persoonlijkheidsverschillen beschreven worden ob beperkt
aantal trekken.
In de meeste theorieën bestaat een trek uit een continuüm tss 2 tegenovergestelde
eigenschappen.
De positie van een persoon op een trek wordt vastgelegd adhv een persoonlijkheidstest.
Allport
Ging uit van adjectieven die gebruikt worden binnen een taal om het karakter van mensen te
beschrijven. Hij probeerde zo te komen tot een beperkt aantal centrale trekken.
Cattell
Hij paste factoranalyse toe op het idee van Allport. Obv deze techniek is het mogelijk om de structuur
van Allport, wiskundig af te leiden als men proefpersonen zichzelf adhv cijfers laat beschrijven. Hij
kijkt dan naar de correlatie tussen 2 adjectieven.
Hij besloot dat de 16 bipolaire trekken volstonden om de verschillen tss mensen te beschrijven.
bipolaire trekken = trekken die aangeduid worden met tegengestelde adjectieven aan de uiteinden.
Om deze 16 trekken te meten ontwierp hij de sixteen personality fator questionnaire (16PF).
Eysenck
Hij maakte ook gebruik van de factoranalyse en stelde vast at sommige factoren van Cattel elkaar
correleerden. Daarom streefde hij naar en absoluut minimum aan factoren.
Hij vond dat er 3 volstonden:
1. Extraversie vs introversie (sociabel, nood aan opwinding, ipulsief vs gereserveerd,
voorzichtig, zelfbeheerst)
2. Neurotisch vs emotioneel stabiel (humeurig, angstig, rusteloos vs kalm, gelijkmoedig,
zorgeloos)
3. Psychoticisme (agressief, koud, egocentrisch vs empathisch , zacht)
Deze 3 factoren werden gemeten adhv de Eysenck personality questionnaire .Deze bestaat uit 100 janee vragen.
De grote Vijf ( The Big Five)
Cattell overschatte het aantal dimensie dat nodig is terwijl Eysenck dit onderschatte. Er is
bijvoorbeeld een verschil tss impulsiviteit en gerichtheid op anderen.
Het ideale licht tussen de 2 in. Het zijn maar 5 dimensie, The Big Five.
1. Extraversie: (zelfzekerheid, spraakzaam vs bedeesd stil)
2. Altruïsme/ vriendelijkheid (hartelijk, vriendelijk vs koel, zelfzuchtig)
3. Emotionele stabiliteit / neuroticisme (nauwkeurig, zorgvuldig vs achteloos, nalatig)
4. Openheid voor ervaringen (intelligent, creatief, leergierig vs onverstandig, fantasieloos,
ongeïnteresseerd)
Huidig onderzoek naar persoonlijkheidsverschillen
Hoe kunnen we persoonlijkheidstrekken het best meten ?
Vragenlijsten en beoordelingsschalen
Een reeks van vragen of uitspraken waarvan de persoon moet aangeven hoe goed die op hem/haar
van toepassing zijn.
Voordelen:

gemakkelijk af te nemen, goede betrouwbaarheid en beschikbaarheid van normgegevens.
Nadelen:

opzet van vragen is nogal duidelijk en persoon kan makkelijk de antwoorden aanpassen obv
sociale wenselijkheid. Dit proberen psychologen te ondervangen dmv leugenschalen en door
te kijken in welke mate de antwoorden onderhevig zijn aan de sociale wenselijkheid.
 antwoorden worden beïnvloed door de manier waarop de vragen geformuleerd worden.
 antwoorden geven enkel weer wat mensen over zichzelf of anderen denken. (impliciete
persoonlijkheidstheorie)
Objectieve tests
Proefpersonen moeten een taak uitvoeren waarop men prestatieverschillen verwacht afhankelijk van
persoonlijkheidsverschillen.
voorbeeld: tijd die proefpersoon nodig heeft om een taak uit te voeren en de nauwkeurigheid
waarmee hij een lijst zal invullen
Het probleem hierbij is dat het soms moeilijk te implementeren is en ook niet altijd even
betrouwbaar en valide.
Impliciete tests (meet onbewuste automatische cognities)
een impliciete associatietest is gebaseerd op de aanname dat personen sneller zullen reageren op
congruente beurten dan op incongruente beurten.
5 fases:
1. De proefpersoon moet een onderscheid maken tss woorden die naar zichzelf verwijzen en
woorden die naar een ander verwijzen. (per beurt, 1 woord aangeboden)
2. De proefpersoon moet een onderscheid maken tss woorden die naar extraversie verwijzen
en woorden die naar introversie verwijzen.
3. Hier worden de 2 beslissingen gecombineerd.
4. De proefpersoon leert met de andere hand te drukken bij ‘ik’ en ‘jij’.
5. Hier worden de 2 beslissingen opnieuw gecombineerd.
Voorbeeld: voor extroverte mensen zijn de gecombineerde taken in fases 3 en 5 gemakkelijker. Voor
introverte is dit moeilijker
Welke rol speelt de biologie bij persoonlijkheidstrekken ?
De theorie van H.J. Eysenck
introversie en extraversie hangt af van het opwindingsniveau van de persoon bij rusttoestand.
voor deze hypothese bestaat weinig evidentie.
Tweelingenonderzoek
40-50% van de variantie in de Big Five is te wijten aan erfelijkheid.



Het gedeelde gezinsmilieu heeft weinig invloed op de persoonlijkheidstrekken van de
kinderen.
o maw, de opvoeding heeft weinig invloed op de persoonlijkheidstrekken.
Deze bevindingen beperken zich tot persoonlijkheidstrekken zoals er door vragenlijsten
gemeten worden.
Persoonlijkheidstrekken vormen slechts een deel van de persoonlijkheidsverschillen en
onderzoekers hechten een groter belang voor opvoeding bij het resterende gedeelte.
Hoe stabiel zijn persoonlijkheidstrekken ?
Naarmate mensen ouder worden:
 nemen de consciëntieusheid en altruïsme toe.
 nemen neuroticisme en openheid voor ervaringen af.
 blijft introversie/extraversie gelijk.
Opmerking: er zijn ook verschillen in geslacht.
Oorzaken volgens McCrae:
Als we er van uitgaan dat trekken biologisch bepaald worden ,dan moeten we ook aannemen dat er
een genetische predispositie bestaat om op bepaalde manieren te evolueren que persoonlijkheid.
Ook voorspelt deze visie dat verschillend tss personen stabiel zullen blijven en dat er een culturele
verschillen in ontwikkelingen zullen zijn, want iedereen ondergaat dezelfde veranderingen.
Oorzaken volgens Roberts:
De toename in consciëntieusheid ,vriendelijkheid en emotionele stabiliteit te maken met het feit dat
mensen in die periode sociaal investeren (bv in carrière ). Hierdoor nemen personen sociale posities
in die hen ertoe aanzetten consciëntieuzer, vriendelijker en emotioneel stabieler te gedragen. Er is
minder tijd en energie voor openheid voor ervaringen waardoor deze component afneemt.
Wat is het relatieve belang van trekken en als-danrelaties ?
Korte herhaling :
2 soorten benaderingen

Trekkenbenadering :
mensen verschillen van elkaar op 5 centrale trekken(Big Five) die hoofdzakelijk overgeërfd
worden en weinig invloed ondervinden van het gedeelde gezinsmilieu.
Trekken zijn relatief stabiele persoonlijkheidseigenschappen die voor een groot deel
aangeboren zijn.
 Sociaal cognitieve theorie:
verschillen tss personen worden bepaald door hun leergeschiedenis die tot uiting komt in
cognitieve, emotionele en gedragsmatige reacties op stimuli.
Deze reacties uit de sociaal cognitieve theorie worden samengavat onder de naam als-danrelaties:

Neal: de trekkenbenadering vergeet dat veel reacties van mensen bestaan uit aangeleerde
reacties op stimuli in de omgeving.
 De beste manier om het gedrag te veranderen is door de omgeving te veranderen.
 Sociale- cognitieve psychologen zullen ook meer beklemtonen dat mensen hun
persoonlijkheid kunnen veranderen obv hun gedrag en overtuiging.
Uit onderzoek blijkt dat mensen hun gedrag in belangrijke mate aanpassen aan de context waarin ze
zich bevinden.
DUS: gedragingen van mensen worden bepaald door aangeboren persoonlijkheidsverschillen
(trekken) en door persoonsgebonden en situatiegebonden als-danrelaties.

De persoonlijkheid van een mens is een samenspel van biologische, cognitieve en sociale
factoren.
 door hun biologische aanleg zullen mensen in bepaalde situaties komen, obv ervaringen zie
ze opdoen in deze situaties zullen ze overtuigingen opdoen die verdere interacties zullen
beïnvloeden.
 Ook hangt het belang van persoonlijkheid en de als-danrelaties af van de situatie waarin men
verkeert.
Hoe goed voorspelen persoonlijkheidstrekken gedrag ?
Trekken zijn belangrijk maar correleren slechts 0,30 met belangrijke criteria.
Oorzaak: gedrag staat meer onder invloed van persoonsgebonden en situatiegebonden alsdanrelaties dan van algemene persoonlijkheidstrekken.
Zijn correlatie van 0,3 en minder, bruikbaar ?
Correlaties in gedragsonderzoek zijn zelden hoger dan 0,30.
correlaties kunnen lager dan 0,3 liggen en toch als belangrijk orden beschouwt omdat ze duizenden
mensenlevens kunnen redden.
opmerking : verschillen in persoonlijkheid, zoals gemeten met de Big five, hebben ook duidelijk
voelbare effecten op de levenskwaliteit en de sociale relaties van een persoon.
Het belang van de als-danrelaties



Voor het voorspellen van gedragingen
Bevinding  Slijmbaleffect:
Mensen hebben een ‘slijmbalschema’ dat gemakkelijk te activeren is en dat de reacties
tegenover een persoon bepaalt.
Om te onderzoeken hoe personen in verschillende ambigue woede-uitlokkende situaties
reageren.
Om inzicht te krijgen in leefwereld op de individuele cliënt
Persoonlijkheidsstoornissen
verwijst naar een duurzaam patroon van innerlijke ervaringen en gedragingen die binnen de cultuur
van de betrokkenen afwijken van de verwachtingen en daardoor interfereren met het functioneren
van die persoon.
Deze stoornissen zijn meestal al aanwezig vanaf de adolescentie / vroege volwassenheid.

Ideeën over persoonlijkheidsstoornissen zijn ontstaan uit de psychiatrie terwijl de ideeën
over de persoonlijkheidsverschillen plaatsvond vanuit het psychologisch onderzoek.
Persoonlijkheidsstoornissen diagnosticeren
Om de diagnose van psychische stoornissen te verbeteren publiceerde de American Psychiatric
Association een handboek met alle belangrijk geachte mentale stoornissen en hun symptomen. De
DSM (Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders)
Algemene kenmerken van persoonlijkheidsstoornissen






Er is een duurzaam patroon van innerlijke ervaringen en gedragingen dat afwijkt van de
verwachtingen in de cultuur van de individu. Dit patroon is merkbaar in 2 of meer van de
volgende gebieden:
o Cognitie : de manier waarop de persoon zichzelf en andere percipieert en
interpreteert.
o Affect: de intensiteit, labiliteit en gepastheid van de gevoelens die de persoon
ervaart bij de gebeurtenis.
o Sociaal functioneren: de manier waarop de persoon met anderen omgaat.
o Impulscontrole : de mate van ondoordachte, impulsieve reacties bij de persoon.
Het patroon komt voor in een groot aantal situaties, zowel individugebonden als sociaal.
Het patroon veroorzaakt leed bij de persoon en leidt tot een minder goed functioneren in de
sociale situaties, op het werk of in andere belangrijke contexten.
Het patroon is stabiel en langdurig. Begint ten laatste in de adolescentie of op vroege
volwassenheid.
Het patroon wordt niet beter begrepen als een uiting of gevolg van een andere mentale
stoornis.
Het patroon kan niet toegeschreven worden aan middelengebruik.
Verschillende types
De dsm beschrijft 10 persoonlijkheidsstoornissen, gegroepeerd in 3 clusters.
De diagnose gebeurt obv gestructureerde interviews. De grote moeilijkheid is om zich ervan te
verzekeren dat een andere stoornis de symptomen niet beter beschrijft.
De antisociale persoonlijkheidsstoornis
Diagnosecriteria (DSM)

Een diepgaand patroon van gebrek en achting voor en schending van de rechten van anderen
sinds het 15de jaar blijkend uit ten minste 3 van de volgende 7 kenmerken:
o Niet in staat zich te conformeren aan de maatschappelijke norm
o Oneerlijk
o Impulsiviteit
o Prikkelbaarheid en agressiviteit
o Roekeloze onverschilligheid
o Gebrek aan verantwoordelijkheidszin
o Geen spijtgevoelens
 huidige leeftijd minstens 18 jaar
 aanwijzingen voor gedragsstoornissen voor 15jaar
 antisociale gedrag niet beperkt tot episodes van schizofrenie of manie.
prevalentie en oorzaken van de stoornis
De diagnose is afhankelijk van geslacht en cultuur. (2-3% van de mannen, 1% van de vrouwen)
De symptomen van de persoonlijkheidsstoornis neemt ook af na de leeftijd van 45 jaar.


De genetische kwetbaarheid in combinatie met ongunstige milieu-invloeden kan een oorzaak
zijn voor een antisociale persoonlijkheidsstoornis.
De prijs van antisociale persoonlijkheidsstoornis is groot:
o meer risico op lichamelijke aandoeningen door risicovol en agressief gedrag.
o
o
meer kans op alcohol- en drugsverslavingen
hoge kosten voor samenleving omdat er een verlies is aan arbeidskracht + onder
controle houden van deze personen (ziekenhuizen, instellingen, gevangenissen…)
Psychopaten
=antisociale persoonlijkheid gecombineerd met een agressief narcisme.
Personen die beroepshalve te maken hebben met misdadigers zijn niet tevreden met de definitie van
antisociale persoonlijkheid omdat deze definitie fel trekt op de definitie van een misdadiger.
Volgens criminologen moet er een onderscheid worden gemaakt tss 2 types.
 Het eerste type komt overeen met de definitie die hierboven beschreven staat.
 Het tweede type wordt bovendien gekenmerkt door een agressief narcisme.
Kenmerken:
 volledig gebrek aan meevoelen (herkennen emoties wel maar voelen ze niet)
 afwezigheid van schuldgevoel
 manipulatie van anderen voor eigen gewin
 sterk opgeblazen voel van eigenwaarde
oorzaken:


laag reactiviteitsgehalte in het autonome zenuwstelsel.
Verminderd vermogen tot het waarnemen van angst en schrik. (schokparadigma / startle
paradigm)
Schokreactie bij psychopaten is kleiner.
Deze stoornis ontmoet men vaak in justitie
De borderline persoonlijkheidsstoornis
Diagnosecriteria
Een diepgaand patroon van instabiliteit in intermenselijke relaties, zelfbeeld en emoties en van
duidelijke impulsiviteit, beginnend in de vroege volwassenheid en tot uiting komend in diverse
situaties. (moeten voldoen aan 5 of meer van de 9 criteria)


Angst om in de steek gelaten te worden
Patroon van instabiele en uitermate gevoelsgeladen relaties met anderen (van zeer positief
naar zeer negatief)
 Voortdurend wisselend zelfbeeld en zelfgevoel
 Impulsiviteit
 Terugkerende pogingen tot zelfdoding en zelfverwonding
 Sterk wisselende stemmingen
 Chronisch gevoel van leegte
 Inadequate, intense woede
 Voorbijgaande paranoïde ideeën en dissociatieve verschijnselen.
Prevalentie en oorzaken van de stoornis
meer vrouwen (1,3%) dan mannen (0.3%) en de symptomen worden minder erg naarmate ze ouder
worden.
De combinatie van de erfelijke componenten met ongunstig milieu kan de oorzaak zijn.
Deze stoornis ontmoet men vaak in ziekenhuizen en diensten voor geestelijke gezondheidszorg.
Hoofdstuk 13: Psychopathologie
Inleiding

In dit hoofdstuk bespreken we mentale stoornissen, die komen voor wanneer mensen zich
voelen en gedragen op een manier die afwijkt van andere mensen en die ze zelf ook moeilijk
begrijpen, dan worden ze als abnormaal beschouwd.
13.1. Wat zijn mentale stoornissen?
Een mentale stoornis is een patroon van gedachten, gevoelens en gedrag dat leidt tot persoonlijk
lijden en gepaard gaat met een significante daling in het maatschappelijke functioneren ( zowel
sociaal als arbeidsgerelateerd )
Psychopathologie is het deel van de wetenschap dat zich bezighoudt met de aard, de totstandkoming
en de mogelijke behandeling en preventie van mentale stoornissen.
Wanneer is er sprake van een mentale stoornis

Bij afwijking van het normale, het abnormale dus
Er is geen lijst met specifieke regels aangezien deze stoornissen zeer verschillen, meestal gebruikt
men drie creteria:
1. Statische criterium:
a. De meeste natuurlijke kenmerken zijn
gebaseerd op een normaalverdeling, als men
meer dan twee standaarddeviaties afwijkt van
het gemiddelde is dit ‘abnormaal’ (5% van de
bevolking)
2. Persoonlijk criterium:
a. (ab)normaliteit is subjectief, als men normaal is heeft men zelf geen ongemakken. Is
men abnormaal dan ervaart men door zijn gedragingen gevoelens en gedachten een
persoonlijk, sociaal en emotioneel lijden. Deze zijn soms ook extern door bv
mishandeling
3. Sociaal criterium:
a. De samenleving aanvaard sommige gedragsvormingen en andere niet, dan spreken
we over het overtreden van de sociale norm. Het gedrag is hinderlijk onbegrijpelijk of
schadelijk voor anderen. Dit criterium is sterk cultuurafhankelijk! (homoseksualiteit
werd ook sociaal niet aanvaard)
Factoren die een rol spelen bij mentale stoornissen
Wederom is er sprake van het biopsychosociale model als het om factoren gaat. We moeten
rekening houden met alle drie de groepen en is afhankelijk van de stoornis. Zowel biologische als
cognitieve als sociaal culturele factoren.

Biologische factoren
o Bestaat al lang (Hippocrates hysterie) nam af tijdens middeleeuwen maar kwam eind
18e eeuw weer in aandacht. Ook in de 20e eeuw door geneesmiddelen
o Diepgaande invloed op behandeling van stoornissen indien een biologische factor
gevonden wordt (epilepsie en maagzweer)
o Genetische bijdrage

Psychische factoren
o Abnormaal gedrag heef oorsprong in mentale processen die ten grondslag liggen aan
het gedrag
o Ontstond eind 19e eeuw met Jean Martin Charcot die Hysterie onderzocht en
gebruikte hypnose om verlammingen weg te nemen en te veroorzaken.
o Sigmund Freud paste de psychologische verklaring op alles toe met psychoanalyse
 Dit werd later aangevuld met
 behavioristische benadering : verkeerde leerprocessen
 humanistische benadering : stagnatie van menselijke geest
o sinds 1980 zijn er cognitieve psychologen die ook gedachten en cognities als oorzaak
zien, deze moet men veranderen om beter te worden (bv depressie is niet het gevolg
van negatieve gebeurtenissen, wel hoe de persoon gebeurtenissen negatief
interpreteerd)

Sociale factoren
o Abnormaal gedrag is gedrag dat zich niet aan de regels houdt van de maatschappij en
daarom als abnormaal bestempelt wordt (bijvoorbeeld horen van stemmen bij
grieken was contact met goden,…)
o Bekende voorstander is Thomas Szasz
o On being sane in insane places (David Rosenhan)
 Men besluit krakzinnigheid soms niet uit een karakteristiek van de patiënt
maar wel uit de context waar deze karakteristiek aangetroffen wordt
o Antipsychiatrie zorgde voor rechten van de patiënten
o Mentale stoornissen worden beïnvloed door maatschappelijke ontwikkeling
 Inhoud hallucinaties en wanen verschillen nu buiten vroeger (meer religieus
geïnspireerd)
 Ook sommige stoornissen in bepaalde landen (bv koro)
o Sociale context is van belang
 Depressie is besmettelijk in zekere zin
 Als men een etiket krijgt wordt men zo behandelt wat het nog erger maakt
(Selffulfilling Prophecy)
 Westerse maatschappij => veel psychische stoornissen



Individualisering
Prestatiegerichtheid
Het diathese-stressmodel
o Is het dominante denkkader nu
o Kans dat iemand een mentale stoornis krijgt is afhankelijk van de kwetsbaarheid en
de mate van stress. de kwetsbaarheid hangt af van
 Geërfd (bio)
 Hangt af van leefomstandigheden (socio)
 Bepaald door denkstijlen (psycho)
Classificering van mentale stoornissen (DSM)

Waarom classificeren?
o Wetenschappen hebben nood aan een degelijke beschrijving van een fenomeen, het
verloop en de samenhang van symptomen
o De interbeoordelaarsbetrouwbaarheid verhogen (als men door verschillende
psychologen beoordeelt wordt wil men dezelfde beoordeling krijgen
o Validiteit nagaan (beoordeelt men wat men wil beoordelen)

Het instrument dat men hiervoor gebruikt is de DSM
o Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders
o Eerste twee edities waren psychoanalytisch de derde was meer gedetailleerde
beschrijving van symptomen die met een stoornis gepaard gingen
o DSM 4 en DSM 5 zijn gebaseerd op onderzoek dat had plaatsgevonden
o DSM 5 => 22 groepen stoornissen

KRITIEK op DSM
o DSM heeft een zeer medisch model (stoornis = ziekte) dat biologisch moet behandelt
worden ( met medicatie, DSM wordt sterk gesponsord door de farmaceutische
sector
o Enkel beschrijvend geen theoretische basis voor categorieën
o Typologieën, mensen worden in hokjes gestoken in werkelijkheid zijn er geen
doorslaggevende kwalitatieve verschillen wat kan leiden tot verkeerde diagnose
o Maatschappelijke gevolgen die gepaard gaan met het definiëren en opnemen van
een stoornis in het DSM. Een vermelding van een stoornis leidt tot toename van het
aantal diagnoses, sommige omschrijvingen zijn zeer ruim, iedereen kan zich er wel in
vinden. Dit leidt tot het gevaar dat gedrag te snel pathologisch omschreven wordt
(prevalentie)
13.2 Stoornissen in de kinderleeftijd

Veel stoornissen komen tot uiting tijdens de adolescentie en vroege volwassenheid
Autismespectrumstoornis



Ontwikkelingsstoornis gekenmerkt door sociaal-communicatieve beperkingen, repititief
gedrag en overdreven interesses
De ernst van de beperking varieert van persoon tot persoon en bestrijkt een volledig
spectrum
o Volgens DSM
 Aanhoudende zwakte in sociale communicatie en sociale interacties
 Onvoldoende interactie met kind
 Theorie of mind
 fantasiespel
 Repetitieve patronen van gedragingen, interesses of activiteiten
 Behoefte aan structuur en herhaling
 Symptomen aanwezig vanaf vroege kindertijd
 Symptomen zijn ernstige beperking voor dagelijkse functioneren
 De symptomen kunnen niet beter uitgelegd worden door een andere
handicap
Intellegentie:
o Vaak taalproblemen
o Extreme feitenkennis
13.3 Aan een middel gebonden stoornis
Een psychoactief middel gebruiken dat gezondheid en sociaal functioneren/werk schaadt
Stoornis in alcoholgebruik en acloholintoxicatie

Stoornis in alcoholgebruik
o Dit is de meest voorkomende stoornis (4%)
o Geen gunstige prognose
 1/3 abstinent
 1/3 blijft drinken
 1/3 sterft binnen 10 jaar
o
Waarom drinken?
 Vermindert angst en spanning
 Erfelijke factor
 Aanvaarding van thuis uit of niet
 Positieve bekrachtiging (leuk gevoel)
13.4 Psychotische stoornissen
Schizofrenie


Ongeveer 1% van de bevolking
40% van de patiënten zijn in een psychiatrie (meer mannen)
Symptomen

Wanen
o Overtuiging die wordt gehandhaafd ondanks argumenten en evidentie die
normalerwijze zou moeten voldoen deze te weerleggen
o Enkele voorbeelden
 Verkeerde identificatie
 Betrekkingswaan (nieuwe betekenis aan voorwerpen/andere personen)
 Beïnvloedingswaan (controle door iemand anders)
 Telepathiewaan (gedachten lezen)
o
o

 Grootheidswaan
 Achtervolgingswaan (complot)
Men wil gevoelens een plek geven
Men wil niet inzien dat men ‘gek’ wordt
Hallucinaties
o Perceptuele ervaringen zonder bijhorende fysische stimulus
o Men ziet/hoort (negatieve commentaar) dingen die er niet zijn
o
o
Horen van Stemmen (commentaar) o.w.v. vervaagd onderscheid interne-externe
stimuli
Perceptuele Overgevoeligheid o.w.v. verminderde informatieverwerking



Onsamenhangende spraak, logische opeenvolging van gedachten gaat verloren
Chaotisch, catacoon, bizar gedrag
Affectieve vervlakking (emotionele reacties vermidneren)

Positieve en negatieve symptomen
Positieve symptomen
Er wordt iets aan het normale functioneren
toegevoegd
Abrupte aanvang
Schade limbische systeem
Goede reactie op medicatie
Bv. Wanen, Hallucinaties, agitatie
Negatieve symptomen
Er ontbreekt iets aan het normale functioneren
Geleidelijk aan
Schade frontale lobben
Slechte reactie op medicatie
Bv. Affectvervlakking, katanonie
Oorzaken


Biologisch
o Erfelijk (beide ouders schizofreen = 50% kans op zelf schizofrenie)
o Teveel/gevoeligheid aan dopamine
Psychologisch
o
o

Vroeger onsuccesvolle verklaringen
Nu: Psycho-educatie
 Men leert de personen met schizofrenie omgaan met hun stoornis
 Paniek vermijden
 Familie informeren
 Hoe omgaan met stemmen
Sociale factoren
o 4 factoren
 Trauma in kindertijd
 Urbanisatiegraad op plek waar men woont
 Minoriteitsstatuut
 Drugsgebruik (vooral cannabis)
o Daarnaast ook stressfactoren
o
o
Expressed emotion
 eenerzijds is omgeving begaan met slachtoffer
 anderzijds hyperkritisch en wrokkig men praat alsof de patiënt controle
heeft over zijn aandoening
invloed cultuur en tijdsgebondenheid
13.5 Stemmingsstoornissen


stemming is een emotionele toestand die redelijk lang duurt, is minder intens dan een
emotie en niet gericht op een stimulus
stemmingsstoornissen zijn ernstige verstoringen in stemming tot het punt waar
buitensporige inadequate neerslachtigheid of opgetogenheid optreedt
Bipolaire stoornis

opeenvolging van meerdere manische (euforisch/opgewonden, veel energieverbruik) en
depressieve periodes (neerslachtigheid) bij eenzelfde individu.
Depressiestoornis


somberheid en neerslachtigheid, men neemt gevoelens onder de loep die men normaal
vooruitschuift
volgens DSM 5, 5 van volgende symptomen gedurende periode van 2 weken
o Depressieve stemming gedurende groot deel van de dag
o Vermindering interesse of plezier in alle activiteiten
o Duidelijke gewichtsverandering
o Verandering slaappatroon
o Psychomotorische agitatie
o Moeheid verlies energie
o Waardeloosheid, buitensporig of onterecht zelfverwijten
o Verminderend vermogen tot nadenken
o Terugkerende gedachte aan dood of suïcide
Risicogroepen
1.
2.
3.
4.
Zich isolerende mannen
Werklozen
Echtgescheiden moeders
Studenten
Oorzaken



Biologische factoren
o Erfelijkheid (40% tweeling, 17% broer/zus)
o Neurotransmitters:
 Serotonine (is lager)
 Noradrenaline (is ook lager)
Psychische factoren
o Rouwproces
o Orale stadium (onderscheid zichzelf en anderen)
o Cognitieve schema’s
 Aaron Beck
 Negatieve gevoelens = gevolg van negatieve gedachten
 Deze negatieve gedachten ontwikkelen in kindertijd of adolescentie
op basis van sociale ervaringen
 Kan getriggerd worden door stress
 Seligman
 Aangeleerde hulpeloosheid
o Depressieve mensen beschouwen zichzelf als iemand die
geen controle of invloed meer heeft op de gebeurtenissen
om zich heen
o Intern/extern, globaal/specifiek, stabiel/veranderbaar
 Iemand die depressief is zal zijn problemen als
intern, globaal en stabiel zien
o Neiging tot piekeren
Sociale factoren
o Reactie op stresserende gebeurtenis minder dan 6 maand geleden (65%)
o Meer vrouwen dan mannen (seksueel misbruik, mishandeling?)
o Relatieproblemen vs ondersteunende partner
o Tijdsgeest (vroeger gaf men minder rap toe dat men een probleem had)
o Ook via diathese-stressmodel
13.6. Angststoornissen en obsessieve compulsieve stoornissen
Angststoornis

Een ernstige aanhoudende vorm van angst zonder een realistische aanleiding. De betrokkene
beseft het irreële karakter van de aandoening en lijdt hieronder.
Fobieën




Specifieke fobieën: zijn intense angstreacties op voorwerpen of activiteiten waarvan het
gevaar niet in verhouding staat met de hevigheid van de reactie
Fobieën betreffen altijd stimuli en situaties die een zekere mate van gevaar inhouden
Oorzaken
o Klassieke conditionering (neutrale stimuli => toch angst door eerdere ervaring)
o Observerend leren (spinnen en hoogtes)
o Vermijdingsreactie via bekrachtiging (vermijden negatieve gevolgen)
Behandelingen zijn op conditionering gebaseerd
Sociale angststoornis


Algemene angst om negatief beoordeeld te worden en in verlegenheid gebracht te worden
in een veelheid van sociale situaties. Maar geen angst voor voorwerp of activiteit
Ernstig want bijna niet vermijdbaar
Veralgemeende angststoornis

Overmatige chronische bezorgdheid over een hele reeks van gebeurtenissen en activiteiten
Paniekstoornis

Bestaat uit het krijgen van onverwachte paniekaanvallen zonder een aanwijsbare oorzaak
Obsessieve – compulsieve en gerelateerde stoornissen




Voorkomen van terugkerende, ongewilde en opdringerige dwanggedachten of beelden
(obsessies) die gepaard gaan met dwanghandelingen (compulsies) die de betrokkene meent
te moeten uitvoeren om de dwanggedachte te neutraliseren en een gevreesde situatie te
voorkomen
2.5% van de bevolking
o Bv. Smetvrees
Dwanghandelingen zijn vaak controleren en poetsen, men besteed er vaak meerdere uren
per dag aan
Mensen zijn er zich vak van bewust dat hun reactie zinloos en overdreven is maar kunnen
geen weerstand bieden
o Oorzaak
 Ontregeling hersencircuit met automatisch gedragspatroon als gevolg
 Lichte geheugenproblemen
Preoccupatie en somatische symptomen

Somatoforme stoornissen
o Aanwezigheid van lichamelijke klachten en handicaps zonder aanwijsbare
lichamelijke oorzaak


o

Het is vaak moeilijk aan te tonen dat het niet lichamelijk is
Psychische reactie ongewoon sterk de persoon maakt zich overdreven
zorgen
Somatische symptoomstoornis
 Veroorzaakt leed en verstoort het dagelijkse leven
 Soms voortdurende pijn soms niet
 Men moet zeker zijn dat de persoon de pijn niet vijnst
 Somatisering: uiting van psychische problemen via lichamelijke klachten
Conversiestoornis
o Spectaculaire somatisch gerelateerde stoornis waarbij men opeens niet meer in staat
is om een bepaald lichaamsdeel te gebruiken (vroeger hysterie)
Dissociatieve stoornissen

Verwijzen naar een aandoening waarbij er een verstoring voorkomt in het identiteitsgevoel
van een persoon, mensen lijken zichzelf niet meer te zijn. Ze lijken zichzelf soms in meerdere
persoonlijkheden met eigen trekken.

Dissociatieve amnesie en identiteitsstoornis

amnesie
o Onvermogen om zich belangrijke persoonlijke informatie te herinneren als gevolg
van een traumatische of stresserende ervaring. (ze is niet verloren, enkel niet meer
toegankelijk)
 Bv gelokaliseerde amnesie: persoon weet bepaalde zeken uit een bepaalde
periode niet meer
 Bv. Veralgemeende amnesie: persoon is volledige levensgeschiedenis
vergeten.
o Fugue: soms vergeet men niet alleen alles maar trekt men weg uit de vertrouwde
omgeving en neemt men een nieuwe identiteit aan. Meestal kort (persoon ontwaakt
in een vreemde omgeving)

Dissociatieve identiteitsstoornis
o Onderdeel van problematiek waarbij een persoon afwisselt tussen twee of meerdere
persoonlijkheden
o Het is onduidelijk in hoeverre de betrokkene controle heeftover de
persoonlijkheidswisseling.
o Twee of meerdere persoonlijkheden.
Prevalentie van mentale stoornissen


Mentale stoornissen komen vaker voor dan men denkt (25% tot 41%)
Groot gedeelte van de getroffenen hebben/hadden meer dan één stoornis


Stoornissen kunnen op elke leeftijd beginnen (angststoornissen vaak jonge leeftijd, aan
middelen gebonden 21 jaar en stemmingsstoornis 6 jaar)
Er zijn stereotype opvattingen over stoornissen wat leidt tot stigamtisatie.
Hoofdstuk 14: Therapieën
Korter herhaling :
psychopathologie is de wetenschap van de aard ,totstandkoming , mogelijke behandeling en
preventie van mentale stoornissen
Hoofdstuk 14 gaat over deze mogelijke behandelingen, namelijk de therapieën.
De behandeling van mentale stoornissen
Het ontstaan van gespecialiseerde diensten
Informele zorg
het is aannemelijk dat mensen met een psychische stoornis in alle tijden opgevangen werden met
een mengeling van mededogen en misprijzen.
Mededogen vooral van de ouders en verwanten, misprijzen van maatschappij.
symptomen niet ter erg: armoedig bestaan en stierven jong
Hun grootste probleem was als ze beschuldigd werden van misdaden of ander kwaad dat de
gemeenschap overkwam.
Inmenging van autoriteiten
Maatschappelijke veranderingen in de 16de eeuw deden de invloed van de overheid op het lot van
mensen met een handicap toenemen. Ze gingen een doelgerichter beleid voeren ten aanzien van de
doelgroepen, ze namen de armenzorg over en stichtte tuchthuizen. De levensomstandigheden hier
waren afschuwelijk, patiënten weren er vastgeketend en behandeld als criminelen.
Pinel
hij voerde in het einde van de 18de eeuw een meer humane behandeling in. Geen ketens meer.
gedurende de 19de en begin 20ste eeuw bleef de behandeling wel nog beperkt.
dwangbuizen, afzondering en straffen weren dagelijkse routine.
In 1950 veranderde de situatie. 2 redenen:
1. Er waren geneesmiddelen ontdekt die het mogelijk maakten om patiënten op en humanere
manier te behandelen. Voor vele was een opname in een instelling hierdoor niet meer
nodig.
2. De samenleving begon op een andere manier met mentale stoornissen om te gaan. Er
werden initiatieven opgezet om deze mensen beter in de maatschappij te laten integreren en
hen een zinvol bestaan te geven. (tussenhuizen, beschutte werkplaatsen)
Therapeutische benadering



Biologische benadering :
biochemische visie: om gevoelens en gedragingen te veranderen moeten lichamelijke
processen worden veranderd ,dmv geneesmiddelen
Psychotherapeutische benadering :
psychologische visie: gevoelen gedachten en gedragingen veranderen dmv gesprekken/
leerprincipes /gevoelensexpressie. Dus hun manier van denken moet veranderen.
Sociale benadering :
gericht op preventie en aangepaste leefomstandigheden (revalidatie centra)
Types van therapeuten
MASTEROPLEIDINGEN

Psychiater : (biologische benadering)
master in specialistische geneeskunde, hij mag dus medicijnen voorschrijven.
Ze hebben een unieke bevoegdheid voor biologische behandeling.
Ze werken vaan samen met psychologen om zo hun medische kennis aan te vullen met
psychologische kennis.
 Klinisch psycholoog:
master in (klinische) psychologie (post universitaire therapieopleiding )
tijdens beide opleidingen zijn verschillende benaderingen mogelijk:
o Psychoanalyse
o Ontwikkelingsgerichte therapie
o Gedragstherapie
o Relatie—en gezinsthrapie
o ….
BACHELOROPLEIDINGEN

Psychologisch assistente:
zijn vaak assistent van psycholoog. Behandelen bijvoorbeeld burnouts (minder zware
stoornissen)
 Maatschappelijk werker :
bezig met wetten, financiën, campagnes mbt stoornissen
 Sociaal pedagogisch hulpverlener
 Psychiatrische verpleegkunde
De oriëntatie van de therapeut houdt een eigen aanpak in, die een cliënt meer of minder kan liggen.
Biologische therapieën
Gaan uit van een medische visie op psychopathologie. Ze gaan er van uit dat een lichamelijke
stoornis de oorzaak is van het mentale probleem.
Geneesmiddelentherapie
Psychofarmaca (geneesmiddelen gebruikt voor symptomen van mentale stoornissen te behandelen)
werden vaak per toeval ontdekt (20ste eeuw ).
Er worden chemische stoffen gebruikt om gedrag, cognitie en emoties te veranderen.
De beschikbaarheid van geneesmiddelen heeft er voor gezorgd dat veel mensen met een stoornis
niet meer opgenomen moesten worden in instellingen maar ambulant verzorgt konden worden.
De werking van psychofarmaca
Ze grijpen in op de chemische component van de neurotransmissie.
korte herhaling: de communicatie tss neuronen gebeurt doordat een verzendend neuron via het axon
neurotransmitters loslaat in de synaptische speelt. Deze neurotransmitters maken via de dendrieten
contact met het ontvangende neuron en verhogen f verlagen de kans dat dit neuron eveneens gaat
vuren.
Geneesmiddelen kunnen het effect van neurotransmitters verhogen door :
1. de aanmaak van neurotransmitters te verhogen
2. de heropname van de neurotransmitter uit de synaptische speelt te verhinderen.
3. de ontvangende cel gevoeliger te maken voor de neurotransmitter
verlagen
1. door aanmaak te belemmeren.
2. De heropname te bevorderen
3. De receptoren in het ontvangende neuron te blokkeren.
Door de verschillende plaatsen waarop een geneesmiddel kan ingrijpen bestaan er voor 1zelfde
aandoening verschillende middelen, elk met ene iets andere werking en bijwerkingen.
3 soorten geneesmiddelen
1. angst dempende:
onderdrukken activiteit van het CZS (centrale zenuw stelsel) en hebben daardoor een
kalmerend effect. Ze behoren tot de meest verkochte geneesmiddelen.
Er zijn 4 groepen:
a. barbituraten: worden nu nog zelden voorgeschreven omdat ze verslavend zijn en
ernstige ontwenningsverschijnselen veroorzaken als men probeert te stoppen.
b. Benzodiazepines: (valium ,xanax..) vooral gebruikt bij de behandeling van
veralgemeende angststoornissen omdat ze rechtstreeks inwerken op de angst en dit
gevoel zodanig onderdrukken dat gedragingen die voordien vermeden werden ,
opnieuw gesteld kunnen worden. Ze zij nverslavend en gaan gepaard met
onthooudingsverschijnselen.
c. Bèteblokkers: wordt gebruikt voor specifieke angststoornissen. Oorspronkelijk
dienden ze voor lage bloeddruk en hartkrampen. Ze verminderd ook hartkloppingen,
zweet…
d. Antidepressiva: minder bijwerkingen als bovenstaande geneesmiddelen maar ook
doeltreffend.
2. antidepressiva
Er zijn 3 hoofdgroepen:
a. de selectieve serotonine (5-HT) heropname inhibitoren: eerst keuze omdat ze de
minste bijwerkingen hebben. (prozac, seroxat) Deze geneesmiddelen verhogen de
aanwezigheid van serotonine in de synaptische spleet omdat ze de heropname van
deze neurotransmitters onderdrukken.
b. de tricyclische verbindingen: werden bij toeval ontdekt. Ze danken hun effect aan
het feit dat ze zowel de heropname van serotonine als van noradrenaline afremmen.
c. de monoamine oxidase inhibitoren (MAOI): nog weinig voorgeschreven odmat ze
verhoogde kans op bijwerkingen hebben. Ze worden allen nog gebruikt als de andere
2 niet werken.
Antidepressiva zijn minder geschikt voor bipolaire stoornissen, hiervoor gebruikt men eerder
lithium. Bijwerkingen zijn problemen met nieren of schildklier. Bipolaire stoornissen worden
ook vaak met antipsychotica behandeld
3. antipsychotica
worden gebruikt bij behandeling van schizofrenie en ander psychotische stoornissen.
Het eerste middel : chloorpromazine. Het verminderd wanen van hallucinaties
in 1950 ontwikkelde halopericol (haldol), het was een groter succes want patiënten werden
er minder slaperig en suf van. De werking is waarschijnlijk te danken aan een vermindering
van dopamine gerelateerde activiteit in de hersenen.
bijwerkingen: stijfheid spieren, moeite met in beweging te komen, stramheid,
oncontroleerbare bevingen. In ongunstige gevallen tardieve dyskinesie: controle over pieren,
voora in gezicht, verstoord wordt. Bij de eerste teken van tardieve dyskinesie wordt de
behandeling gewoonlijk gestopt en wordt gezocht een zo klein mogelijke dosis om
bijwerkingen tegen te gaan.
Elektroconvulsieve therapie ECT
= toedienen van elektronische stroomstoten aan hersenen.
Deze behandeling is effectief bij zware depressies en wordt alleen gebruikt indien geneesmiddelen
en therapie niet helpen. Bovendien moet de patiënt zelf of de familie er toestemming toe geven. De
patiënt wordt verdoofd en krijgt een spierontspannend middel toegediend.
Een belangrijk neveneffect is geheugenverlies.
Sinds de 20ste eeuw is TMS(transcraniale magnetische stimulatie) een alternatief maar deze
behandeling is minder effectief.
Psychochirurgie
=verwijderen of onschadelijk maken van een ziekte-inducerende structuur in de hersenen.
tegenwoordig worden pacemakers in hersen geplant om de werking van ontregelde structuren te
beïnvloeden. Dit wordt Deep Brain stimulation genoemd.
Het is een controversiële medische behandeling omdat ze tot irreversibele resultaten leidt.
Vroeger: De techniek werd op ruwe manier toegepast.
frontale lobotomie voor behandeling van mentale stoornissen, de vezels tussen de frontale lobben
en de emotionele controlecentra in het limbische systeem worden doorgesneden. Doel was om
turbulente emoties te verminderen. Nadelen: permanente invaliditeit, moeite met plannen en
omzetten van plannen. Emoties vaak ontregeld.
Nu: wordt nog zelden gedaan, alleen als alle andere behandelingen niet helpen. Als het gebeurt
worden er maar kleine deeltjes verwijderd in de hersenen of DBS
Lichttherapie en psychomotorische therapie
Belang van voldoende licht
Seizoensgebonden depressie = worden depressief tijdens de wintermaanden en herstellen spontaan
in de lente.
In het donker is er minder melatonine aanwezig.
Behandeling: lichttherapie = sochtends fel blootgesteld worden aan kunstlicht.
Het belang van beweging
gebrek een beweging kan een negatief effect hebben op het gemoed.
een aangepast bewegingsprogramma kan positieve gevolgen hebben, vooral bij
depressiestoornissen.
Basis van de psychomotorische therapie = behandelingsvorm waarbij bewegingsactiviteiten worden
geïntrigeerd binnen een psychotherapie.
Doel: lichamelijke fitheid verbeteren + om hen succes te laten ervaren en hen hun problemen op een
constructieve manier te leren aanpakken.
Effectief bij stemmingsstoornissen, mentale stoornissen met invloed op motoriek.
De doeltreffendheid van de biologische therapieën
Het placebo-effect = fysiologische of psychologische respons op een substantie of procedure die
geen farmacologische of therapeutische componenten bevat.
Het middel specifieke effect versus het placebo-effect
Studie naar het placebo-effect moet aan 3 voorwaarden voldoen:



2 condities :
o Experimentele conditie
o Placeboconditie
Gerandomiseerd (volgend toeval verdeeld)
Dubbelblind: arts en patiënt weten van niks
Hoe meet je of iemand zich beter voelt ?
adhv een gestandaardiseerde vragenlijst over levenskwaliteit. Wordt afgenomen voor en na de test
en de mate van verandering wordt uitgerukt in therapie-effectgrootte. (d)
Effectgrootte +0,5 : bruikbaar
effectgrootte +1,0 : effectief
Verklaring placebo effect:



placebo niet echt :
o niet werkzame stof die behaagt ( placebo = ik zal behagen)
o depressie grootste placebo effect (1,2)
o correlatie experimentele – placeboconditie  eerder 0,4
fysiologisch wel verandering :
o endorfine & dopamine nemen toe
o ~pijn en beloning
Psychologische factoren :
o Klassieke conditionering emoties :
medische behandeling leidt tot geruststelling en verwachting van genezing ipv
stoornis  minder gevoel van verdriet en hulpeloosheid
o Veranderende cognities: aangeleerde hulpeloosheid
o effect motivatie
Kritiek:
 werking klassieke conditionering onafhankelijk van kennis patiënt ?
 Ethiek : dit medicijn werkt, al weten we niet hoe
 Vertrouwensband arts patiënt kan verslechteren als placebo niet werkt.
 Gevaren op lange termijn
 Vitamines vs antibiotica voorschrijven als placebo
 Discussie homeopathie
Resultaat van het onderzoek:
mate van depressie verminderd bij beide groepen. Maar de groep met de kritische stof vertoon vanaf
de 4de week minder depressiesymptomen dan de placebo groep. (specifieke effect van het
geneesmiddel)
THERAPIE VS SPONTAAN HERSTEL
Psychologische therapieën
Psychische moeilijkheden zijn kunnen worden verholpen doordat de persoon enige afstand neemt
van zijn moeilijkheden en die op een constructieve manier kan aanpakken. Dit vormt de basis van alle
psychotherapieën.
Gemeenschappelijke kenmerken van psychotherapieën
Kenmerken die bij alle psychotherapieën voorkomen:




Probleem bespreken:
Mensen lossen problemen vaak op door ze op een constructieve manier te bespreken met
anderen. Iemand loopt vast als ze niemand hebben om mee te praten. De reactie op het
probleem wordt in hoge mate bepaalt door de manier waarop en individu de pathologie
percipieert, evalueert, verwachtingen eromheen bouwt en ermee omgaat.
obv ondersteunende gesprekken zoeken mensen naar de beste manier om hun problemen
aan te pakken.
Nieuwe vaardigheden ontwikkelen:
Psychotherapeuten geloven dat mentale stoornissen op een psychische manier opgelost
kunnen worde maar verwachte niet dat dit spontaan zal gebeuren.
Veranderen van verkeerde percepties, reacties en verwachtingen is een langdurig proces dat
veel energie en inzet vraagt van de individu. Als de problemen te hardnekkig zijn moet een
specifiek stappenplag gemaakt worden over hoe men de problemen moet aanpakken.
Vertrouwen in een goede afloop:
psychotherapeuten hebben vertrouwen dat hun patiënt zijn moeilijkheden zal overwinnen,
dit doorbreekt het gevoel van hulploosheid dat veel patiënten hebben. Een belangrijke factor
is dat de patiënt het gevoel krijgt dat de problemen te beheersen zijn en dat ze succes
ervaren.
Bruikbare kennis:
De therapeuten geven adviezen, niet alleen ondersteuning die nuttig is. Ze helpen mensen
veranderen dmv expliciet leerproces, geleid gesprek en doordat de relatie tss de patiënt en
de therapeut aan de patiënt de mogelijkheid biedt om veranderingen in hun denken en
gedragingen uit te proberen.
Ethische kwesties bij psychotherapeuten
Kan men een therapie opleggen ?
Er is altijd de vraag of de doelbewuste verandering in de therapie in het belang is van de patiënt, de
therapeut of de maatschappij.
Ookal heeft een therapeut een behandeling die de pathologie volledig wegneemt, het valt altijd te
betwijfelen of de patiënt dit wel wil en of de behandeling voor hen ‘helpt’.
Vertrouwelijkheid vs verantwoordelijkheid jegens derden
als patiënten zelf om n behandeling vragen komen er andere ethische vragen boven.
een belangrijke kwestie is de vertrouwelijkheid. Patiënten moeten vrij kunnen spreken over hun
problemen. (ook in groepstherapie)
In vele landen vormt de tarasoffbeslissing de basis. Deze beslissing stelt dat therapeuten mogelijke
slachtoffers van hun patiënt moeten waarschuwen moesten ze in gevaar zijn.
Relatie tussen therapeut en cliënt
Therapeuten moeten zic haan meerdere ethische principes houden. Maar in bepaalde situaties is het
soms moeilijk om te weten waar je de grens moet trekken.
bijvoorbeeld : ik begeleidt een jongen van 13j die 5j na de feiten verteld over seksueel misbruik door
een voetbaltrainer. Moet ik dit melden ? mag ik hier met iemand over praten als de jongen dat niet
wil ?
Nog een belangrijke ethische kwestie is de vraag van de emotionele betrokkenheid met de patiënt.
Soms zijn ethische kwesties duidelijk en gemakkelijk op tel ossen, maar meestal zijn ze ambigu en
voor meerdere interpretaties vatbaar.
Psychoanalytische therapieën
Vrije associatie, droomanalyse en interpretatie van afweermechanismen
De klassieke psychoanalyse werd ontwikkeld door Freud. Volgen Freud zijn mentale stoornissen een
gevolg van onbewuste conflicten in het Es (onbewuste) die tot stand komen in de psychoseksuele
ontwikkeling en leiden tot fixatie of regressie in een van de stadia.
Het onbewuste conflict geeft energie die in een vermomming tot uiting komt en die door de
therapeut geïnterpreteerd word.
De patiënt moet zich ontspannen en vrijuit kunnen praten om ich (bewuste) minder alert te maken.
(duistere kamer, sofa, therapeut uit zicht)
DUS: therapeut is duidend en steunend , relaties met anderen ipv onbewuste conflicten staan
centraal
Vrije associatie
= patiënt vertelt alles wat in hem opkomt. (spontane gedachten & woordassociaties )
Projectieve techniek: patiënt projecteert eigen preoccupaties in het antwoord op de stimulus.
droomanalyse
manifeste droominhoud ( = wat de patiënt zich herinnerd van de droom)
VS
latente inhoud (= waar de droom werkelijk over gaat die door de therapeut geïnterpreteerd moet
worden)
De interpretatie van afweermechanismen
Ich gebruikt afweermechanismen om angstaanjagende gedachten uit Es weg te houden.
Deze afweermechanismen bestaan in gezondste geval uit :

Verplaatsing : onaanvaardbare impuls wordt op een veilige manier tot uiting gebracht.
bijvoorbeeld: een vrouw die op het werk door haat baas wordt lastiggevallen krijgt ruzie met
haar man
 Sublimatie: seksuele gefrustreerde energie omgezet in creatieve activiteit.
bijvoorbeeld: beoefenen van gewelddadige sport, schilderen erotische taferelen.
Deze afweermechanismen bestaan in ongezondste geval uit :
 Ontkenning : niet aanvaarden van negatieve impuls
 Projectie : toeschrijven van eigen impuls aan iemand anders.
Neurose ( contact met realiteit behouden)
VS
psychose ( patiënt regresseerd naar vorig ontwikkelingsstadium zonder volwassen gedrag en
verantwoordelijkheid)
Weerstand, overdacht en catharsis
3 technieken van therapie
1. Weerstand:
a. vijandigheid tov de therapeut
b. therapeut geeft inzicht op momenten van mindere weerstand.
2. Overdracht:
a. Een patiënt kan zijn emoties (positieve of negatieve ) voor een belangrijk
persoon overdragen op de therapeut.
b. De therapeut vermijd tegenoverdracht ( = therapeut eigen onopgeloste
conflicten projecteert op patiënt)
3. Catharsis:
a. =bewust worden van het onbewuste (inzichten die spanningen te niet doen)
b. = doel psychoanalyse
Psychoanalyse sinds Freud
Gericht op verandering in persoonlijkheidsstructuur door systematisch doorwerken van alle
onbewuste conflicten die geleid hebben tot fixatie of regressie.
Partiële behandeling
fobieën kunnen geïsoleerd behandeld worden. Vroger dachten ze dat dit zou leiden tot andere
stoornissen maar dit is niet waar.
Obv deze evidentie werd gezegd dat een persoon partieel behandeld kan worden en sommige
conflicten opengelegd worden en andere toegedekt kunnen blijven.
In deze kortere therapieën worden overdacht en weerstand op dezelfde manier gebruikt om
deelconflicten van energie te ontdoen en catharsis te bereiken.
Ondersteuning
Er werd meer aandacht gericht op het steunende aspect van de therapierelatie. Therapeut is ook
iemand die patiënt steunt bij het aanpakken van het probleem.
 interpersoonlijke psychotherapie
legt focus op relaties die de patiënt heeft met belangrijke anderen
wordt vooral gebruikt bij depressies.
Eigenheid van recente psychoanalytische therapieën
7 kenmerken die de psychoanalytische therapie blijft onderscheiden van de psychotherapie.
1. Klemtoon op emoties
2. Verkennen ontwijkingspogingen van patiënten (therapie belemmering)
3. Zoeken naar terugkerende gevoelens, ervaringen en relaties die naar kernprobleem
verwijzen
4. Aandacht voor het verleden
5. Hechten groot belang aan ervaringen
6. Hechten veel waarde aan de therapeutische relatie
7. Staan meer open voor wensen, dromen en fantasieën want die geven aanwijzingen
Humanistische therapieën
In deze therapie gaan ze ervan uit dat de mens van naturen goed is en dat hij groeit. Het is gebaseerd
op humanistische positieve psychologie.
humanistische psychologen leggen de nadruk op subjectieve interpretaties.
De mens is in staat hun acties bewust te controleren en verantwoordelijkheid te nemen.
Stoornis is een gevolg van een blokkade in de natuurlijke groei
Het doel is om de cliënt te laten uitspreken zonder onmiddellijk advies te geven (zoals omgeving
doet).
We bespreken 2 soorten therapieën :
De cliëntgerichte therapie
De focustherapie
Beiden zijn ze gebaseerd op 4 veronderstellingen:
1.
2.
3.
4.
Therapie is ontmoeting tussen gelijken (geen zieke en expert)
Cliënten zullen uit zichzelf verbeteren als zeer de kans toe krijgen
Cliënt moet zich aanvaard, ondersteund en begrepen voelen
Cliënten blijven verantwoordelijk voor gedrag. Therapeut gaat het probleem niet
‘oplossen’. Dat moeten ze ‘zelf’ doen
Cliëntgerichte therapie
(midden 20ste eeuw) Carl Rogers is de grondlegger. De cliëntgerichte therapie was en alternatief voor
de psychoanalyse.
fundamentele verschillen:




Cliënt centraal en niet alwetende therapeut centraal
Probleem betref bewuste subjectieve ervaringen onbewuste conflicten
Klemtoon op problemen in het hier en nu trauma’s kindertijd
Gedrag wordt bepaald door aangeboren drang om te groeien seksuele of agressieve
impulsen.
Voorwaarden voor een therapeutische relatie
volgens Rogers heeft een goede therapeutische relatie 3 kwaliteiten:
1. Onvoorwaardelijke positieve aanvaarding:
De cliënt als persoon aanvaarden ,onafhankelijk van wat de cliënt zegt, doet of heeft
gedaan in het verleden.
2. Empathie:
Morele plicht van therapeut mee te voelen met cliënt. Reflectie van emotionele inhoud
en feedback voor therapeut en cliënt zijn van groot belang.
3. Authenticiteit :
er wordt verwacht van de therapeut dat er een overeenkomst is tss wat ze voelen en wat
ze teen de cliënt zeggen of hoe ze zich tegenover de cliënt gedragen.
De therapeut moet open, menselijk en echt zijn.
Doel van de therapie
Het opheffen van de incongruentie tss het actuele zelf en het ideale zelf.
door niet-evaluatieve en bedreigende context kunnen cliënten loskomen van onrealistische
verwachtingen en meer aansluiten bij hun werkelijke zelf.
Impact
Impact was enorm. Deze therapie is de meest gebruikte bij counseling en crisisopvang. Werkt goed
bij stresssituaties.
Critici : cliënt moet te fel zelf een uitweg vinden zonder enige hulp.
Focussen
Van niet directief naar belevingsgericht
de klemtoon licht op het niet directieve karakter en om een ontmoeting tussen gelijken maar dit is
maar mogelijk tot op bepaalde hoogte.
Therapeut moet regels ,grenzen en de vormgeving van de therapie bepalen.
De focustherapie is geëvolueerd uit de cliëntgerichte therapie. De therapie is dus van niet directief
naar belevingsgericht / experiëntieel geëvolueerd.
Focus therapie (Gendlin) = leren wat goed en niet goed is voor ons door te focussen op onze
lichamelijke reacties. Cliënten worden aangemoedigd om naar hun eigen lichaam te luisteren en zo
te ontdekken wat hen helpt om tot zelfactualisatie te komen.
Huidige ontwikkelingen
Recentere ontwikkelingen gaan uit van de grondslagen van Rogers en verbinden deze met de
cognitieve psychologie.
Ook is er de opkomst van de mindfulnesstherapie.
Gedragstherapieën
Ontstaan uit experimentele onderzoeken naar gedragingen en cognitieve processen.
2 belangrijke namen:
!! Eysenck & Skinner !! (1950)
= vorm van psychotherapie die het gedrag van de cliënt probeert te veranderen door de wetten en
de principes van de leertheorie toe te passen.
Mensen met mentale stoornissen hebben verkeerde gedragingen aangeleerd en deze moeten
veranderd worden door betere aangepaste reacties.
Het doel i een functionele analyse maken van de verkeerde gedragingen in bepaalde situaties.
Nieuw gedrag moet aangeleerd worden adhv regels leerpsychologie.
Ook krijgen de cliënten huiswerk mee.
Technieken op basis van klassieke conditionering
Korte herhaling : klassieke conditionering ging over het leren van emotionele reacties op neutrale
stimuli doordat deze stimuli geassocieerd werden met ongecontroleerde stimuli die deze reactie
automatisch uitlokten.
Binnen de mentale stoornissen komen 2 vormen van ongepaste emotionele reacties voor:
 Overdreven en irrationele angst
 Ongepaste seksuele opwinding
Het vervangen van ongepaste angstreacties door nieuwe of positieve respons gebeurt via
systematische desensitisatie flooding of implosie
Het vervangen van ongewenste positieve respons door neutrale of negatieve respons gebeurt via
aversietherapie
Systematische desensitisatie
is de eerste techniek om cliënten te laten ervaren dat de gevolgen van stimulus helemaal niet zo erg
zijn als ze vrezen.
Het komt erop neer dat de therapeut de cliënt moet confronteren met de gevreesde stimulus en
hem beletten om ontsnappingsgedrag te vertonen.
Deze techniek wordt vaak toegepast bij angststoornissen. De individu leert een positieve respons te
geven bij een stimulus die angst uitlokt.
De positieve respons is onverenigbaar met angst  tegenconditionering ( geconditioneerde
angstrespons wordt overheerst door nieuw geconditioneerde respons)
Wolpe leerde zijn cliënt zich te ontspannen en zo volledige relaxatie te bereiken. Deze techniek leidt
tot extinctie van geconditioneerd angst omdat de geconditioneerde stimulus niet meer gevolgd
wordt door een angstreactie.
Flooding en implosietherapie
Flooding = procedure waarbij men cliënten confronteert met een situatie die voor hen beangstigend
is en hen laat ervaren dat de angst niet beantwoordt aan de daadwerkelijke gevolgen.
Dit is echter niet altijd mogelijk dus daarom
Implosietherapie = de angstaanjagende stimulus niet werkelijk ervaren maar enkel de verbeelding
oproepen (adhv levendige beschrijvingen en technieken om virtueel voor te stellen)
Bij flooding en implosie is het de bedoeling dat de angst naar binnen explodeert doordat er in
werkelijkheid niks ergs of angstaanjagends gebeurt. Op die manier verliest de stimulus de kracht om
angst op te wekken.
Aversietherapie
Word toegepast bij cliënten die ongepaste stimuli of activiteiten als attractief ervaren. Hierbij
worden positieve emoties tegengeconditioneerd door de stimulus te koppelen aan negatieve
gevoelens zoals misselijkheid ,angst,pijn…
Maw : de attractieve stimulus wordt onaantrekkelijk gemaakt door hem te paren aan onaangename
of aversieve gebeurtenissen.
(soms gebruikt bij alcoholafhankelijkheid)
Technieken op basis van operante conditionering
Gedrag van mens en dier wordt sterk beïnvloed door het gevolg ervan.
Gedrag met positief gevolg (bekrachtiging)  groter kans gedrag opnieuw wordt vertoond.
gedrag met negatie gevolg  minder kans
Expliciete bekrachtiging
Token economy systeem: patiënten krijgen punten voor goed gedrag en deze kunnen worden
ingeruild voor privileges en leuke hebbedingetjes. Zorgt voor structuur en gevoel van
verwezenlijking.
Impliciete bekrachtiging
cliëntgerichte therapeut geeft vaak zelf ongemerkt een teken van aanmoediging wanneer de patiënt
vertelde over gelegenheden waarop hij afhankelijk gehandeld had, terwijl dergelijke aanmoedigingen
achterwege bleven wanneer de patiënt het had over keren waarop hij zich afhankelijk en defensie
gedroeg.
Straf
moet zeer behoedzaam worden toegepast om een escalatie van de situatie te vermijden. Gebruik
negatieve straf ( wegnemen van aangename stimulus) wordt verkozen boven positieve straf
(toedienen onaangename stimulus) Straf moet altijd gepaard gaan met bekrachtiging van alternatief,
gewenst gedrag.
Technieken op basis van observerend leren
Cliënten gedragingen aanleren door ze voor te doen = modeling
(bv bij assertiviteitstraining, sekstherapie, groepstherapie )
Cognitieve gedragstherapieën (CBT)
Behaviorisme(observerende gedragingen)  cognitieve psychologie (onderliggende
verwerkingsmechanismen)
Cognitieve gedragstherapie concentreert zich op het ter discussie stellen en vervangen van slecht
aangepaste overtuigingen die cliënten hebben.
Deze therapeuten spannen zich in om cliënten efficiënte strategieën aan te leren om zo de
problemen beter aan te kunnen.
Rationeel-emotieve therapie (RET)
Albert Ellis
uitgangspunten:
 Irrationeel gedrag door onrealistische en perfectionistische overtuigingen.
 Niet objectieve werkelijkheid maar perceptie van belang
Bijvoorbeeld: men moet een perfect betrouwbaar gevoel van zelfcontrole hebben
Therapie debat adhv Abc van emoties:
 Activating event: uitlokkende situatie ?
 Beliefs: overtuigingen ?
 Consequences: emotionele gevolgen van overtuigingen ?
 Dispute : rationeel en functioneel ?
 Effect: van cognitieverandering op cognitie emoties en gedrag ?
Bijvoorbeeld: een nieuw samengesteld gezin.
Therapeut heeft de rol van leerkracht die alternatieve overtuigingen aanleert.
Cognitieve theorie van Beck
Ziekmakende cognitieve schema’s
Aaron Beck
mensen met psychische problemen hebben disfunctionele cognities over zichzelf, de wereld en hun
toekomst.
ziekmakende schema’s blijven meestal op de achtergrond maar kunnen door stressfactoren tot
depressies leiden.
factoren die hiertoe bijdragen:





Neiging om conclusies te trekken obv gevoelens die men heeft en niet obv objectieve
evidentie.
Onrealistisch vergroten van een detail
Overgeneralisatie
Alle negatieve gebeurtenissen op zichzelf betrekken
Zwart wit denken
Te afhankelijk van sociale relaties of van eigen verwezenlijkingen
2 types die vatbaarder zijn voor depressies.
1. Sociaal afhankelijk type : leven slechts zinvol als er goede relaties met anderen zijn.
2. Prestatie gericht type: bovendien zeer kritisch over eigen prestaties.
Werkwijze
cliënten aanmoedigen om zelf info over hun overtuigingen in te winnen. Samen met de therapeut
identificeren ze hun eigen overtuigingen en verwachtingen en formuleren ze hypotheses die in de
werkelijkheid getoetst kunnen worden. Ze krijgen ook huiswerk mee.
Het is belangrijk dat de cliënt succes kan ervaren en zo zijn eigen destructieve cirkelredeneringen kan
verbreken.
Andere cognitieve technieken





Stop zeggen:
o Eerste spiraal van negatieve gedachten bewust onderbreken
o Daarna vervangen door positieve gedachten
Positief denken
Rationele herstructurering:
o Therapeut helpt realiseren hoe negatieve gedachten een belemmering vormen
o Stappenplan om te kijken wat wel nog kan
Attributie-verandering
o Oorzaken van gedragingen benoemen
o Depressie
positief  externe factoren (geluk)
negatief  interne factoren (persoon)
Hulp bij keuze aanpak
Probleem specifieke therapieën en protocollen
Protocol = stappenplan met richtlijnen voor de beste behadeling (die tot dusver bekend is )van een
bepaalde problematiek.
Protocollen zijn van groot belang geworden.
sommige moeite mee omdat een therapie een unieke ontmoeting moet blijven tss 2 personen.
Huwelijks- en gezinstherapie, groepstherapie en
gemeenschapsvoorzieningen.
Vaak is het beter om therapieën met meerdere mensen samen te doen.
Huwelijks- en gezinstherapie
Het is vaak interessanter om met volledige gezinssystemen te werken ipv zich enkel te richten io de
persoon die het probleem komt melden.
Systeemtherapie = therapie waarbij men er van uitgaat dat veel problemen niet louter
persoonsgebonden zijn, maar ontstaan er onderhouden worden binnen de context van de relaties
waarin de betrokkene zich bevindt.
Huwelijkstherapie
Man en vrouw worden samen behandeld.
veel voorkomende problemen:
 Beide partners niet even gemotiveerd
 Ontrouw
 Onmogelijk voor rustig gesprek
 Uiteenlopende verwachtingen op seksueel en middelafhankelijkheid
Gezinstherapie
sommige cliënten doen het goed in individuele therapie maar vallen terug zodra ze weer thuis zijn. In
dit geval is gezinstherapie een oplossing
Voor gezinnen geldt dat stresserende omstandigheden een latente kwetsbaarheid in het
interactiepatroon kunnen blootleggen en dat het zinvol is om dit binnen het kader van een therapie
te bespreken.
Gedragstherapeutisch kader : kijken naar hoe ongewenst gedrag bekrachtigd wordt.
cognitief geïnspireerde therapeuten : richten zich op het verbeteren van de harmonie.
Groepstherapie
Setting
 6 – 12 cliënten
 1 of meerdere therapeuten of zonder (zelfhulpgroepen bv: AA)
 wekelijkse sessie (2uur)
 zwijgplicht
 vaak in opvangcentra
Belangrijkste voordelen






besparing van kosten ,inspanning en tijd
biedt de therapeut de mogelijkheid om de cliënten met elkaar te zien omgaan
meer relatievormen mogelijk dan alleen met therapeut. Relaties tss gelijken
minder eenzaam gevoel dor naar anderen te luisteren
cliënt merkt of zijn visie gedeeld wordt door anderen
sommige geven meer van zichzelf prijs in een groep
 groepsleden kunnen leren door elkaar te observeren
 groepsleden kunnen elkaar helpen wat zelfbeeld ten goede komt
De groepen worden gevormd met mensen met soortgelijke problemen.
Gemeenschapsvoorzieningen
Preventie
Verhinderen dat iemand in een inrichting wordt opgenomen.
3 soorten:
1. primaire interventie:
a. Doel : aandoeningen te voorkomen door oorzaak weg te nemen.
b. Doelgroep : gezonde populatie
c. Bijvoorbeeld : straathoekwerk, buurtwerk
2. Secundaire interventie:
a. Doel: zo vroeg mogelijk opsporen en helpen van getroffen mensen
b. Doelgroep: mensen et verhoogd risico
c. Bijvoorbeeld : tele-onthaal, ambulante gezondheidscentra
3. Tertiaire interventie:
a. Doel : ondersteuning zelfredzaamheid patiënten met chronische aandoening
b. Bijvoorbeeld : re-integratie programma’s, begeleiding zelfhulproepen
Een andere organisatie van de intramurale zorg
er wordt veel aandacht besteed aan de voorbereiding op ontslag en re-integratie.
leefgroepen: bewoners niet langer behandeld worden als patiënten maar samen met de verzorgers
een leefgemeenschap vormen, waarin iedereen beslissingsrecht heeft maar ook plichten
tussenhuis: huis in gewone buurt waar begeleiding minder intens is en de klemtoon op re-integratie
ligt. Het is tijdelijk
Als een patiënt niet meer zelfstandig kan wonen word er begeleid wonen of beschut wonen
voorgesteld.
De effectiviteit van psychotherapieën
Werkt psychotherapie ?
Effectgroottes
Bij psychotherapieën kunnen we iets lagere placebo – effecten verwachten dan bij
farmacotherapieën
duur van therapeutische effect
Artsen: geen terugval zolang de medicatie wordt genomen of geleidelijk wordt stopgezet.
psychologen: kans op terugval groot zolang de patiënt de mentale kant niet aanpakt.
Bij patiënten die eerst een antidepressivum gekregen hadden en nadien geleidelijk overgeschakeld
werden op een placebopil, functioneerde slechts 24% op aan aanvaardbaar niveau. Bij anderen
moest de studie onderbroken worden omdat de depressie te erg werd.
Bij patiënten die het hele jaar door geneesmiddelen namen, functioneerde na 1 jaar nog 53% goed.
Combinatie psychotherapie en psychofarmaca
of het zinvol is hangt af van de stoornis en de ernst van de symptomen .
Welke factoren bepalen het succes ?
Weinig effect
soort therapiebenadering

veel gemeenschappelijke kenmerken in sessies
o problemen bespreken
o neutrale persoon in vertrouwen
o nieuwe vaardigheden aanleren
 therapeuten hebben vaak basiskennis andere benaderingen
 niet therapie gerelateerde factoren minstens zo belangrijk
o spontaan herstel
o verwachtingen van cliënt dat situatie zal verbeteren.
Uitzondering : leerpsychologie ter behandeling van specifieke fobieën en OCD
Wel effect
soort stoornis
 specifieke fobie vs aan een middel gebonden stoornis
persoonlijkheid cliënt
 YAVIS
Enkel- vs meervoudige stoornis
individuele therapeut

Verschillende therapeuten binnen benadering > verschillende therapeuten tussen
benadering
 Bepalende factoren nog niet gekend
Relatie therapeut – cliënt
 Gelijkaardige sociale en culturele achtergrond
 Authenticiteit
 Lichamelijke aantrekkelijkheid ?
Overeenkomst verwachtingen cliënt- aanpak therapeut
Hoofdstuk 16: Sociale Psychologie
Inleiding
Sociale psychologie is de wetenschappelijke studie van de invloed van anderen op onze gedragingen
met inbegrip van onze gedachten en gevoelens.
Men is het er over eens dat mensen hun individualiteit overschatten, iedereen gedraagt zich zoals
vanuit de sociale rol verwacht wordt
Sociale Beïnvloeding
Vraag die sociaalpsychologen zich stellen is:
Hoe zijn de wreedheden in de concentratiekampen in WO II kunnen gebeuren?

Eerst dacht men dat de Duitse generaals en gevangenisbewakers een
persoonlijkheidsstoornis hadden
o
Adorno: the authoritarian Personality
 Aanvaarding traditionele waarden
 Aanvaarding autoriteitsfiguren
 Agressie t.o.v. mensen die door autoriteiten als bedreigend worden aanzien

Deze theorie betekende dus dat deze uitspattingen maar bij enkele personen voorkwam en
niet bij groepen
Conformisme
Bij conformise voegen we ons gedrag naar dat van de groep waartoe we behoren (of willen behoren)
zonder dat er sprake is van een directe oproep om dit te doen

Experiment van asch (met streepjes)
Conformisme wordt beïnvloed door:




Grootte van de groep
Ambiguïteit van de situatie
Mate van expertise die aan de groep toegeschreven werd
o Deze deden conformisme stijgen
Aanwezigheid van dissident in de groep
o Deed conformisme dalen
Waarom conformeren mensen zich?

Twee redenen:
o Accuraatheid en aanvaarding door de groep, mensen willen over het algemeen juist
zijn maar voelen zich vaak niet zeker dan nemen ze anderen als gids
o Daarnaast willen mensen erbij horen, het is voor ieder van ons van vitaal belang om
bij een groep te horen, daarom zijn we ook zo beïnvloedbaar.
Gehoorzaamheid
Gehoorzaamheid is een reactie op een bevel en de meest rechtstreekse vorm van sociale
beïnvloeding. Dit werd bewezen door de proven van Milgram die shocks moesten toedienen aan een
‘proefpersoon’ en dit vrijwel allemaal deden. De shocks die ze toedienden waren zelfs dodelijk.
Factoren die gehoorzaamheid beïnvloeden zijn:



De plaats waar de proef doorging (een universiteit of een verlaten gebouw)
Het feit dat de leerling en de leraar (die shocks toediende) elkaar zagen of niet
Instructies per telefoon of niet..
Agency shift
De personen gaven de verantwoordelijkheid voor hun eigen acties op en werden uitvoerders van de
proefleider. Dit kwam niet door de eigenschappen van de proefpersonen maar door de sociale
omstandigheden. Ze gaven de verantwoordelijkheid gewoon door. Wel moet de straf gradueel zijn.
Prison experiment (1971), Stanford ecperiment



24 studenten, willekeurig gevangene of bewaker
Gesimuleerde gevangenis op campus Stanford University
Doel: 14 dagen observeren hoe machtsrelaties zich ontwikkelen





Na 6 dagen stopzetting o.w.v.
Verlies identiteit
Mishandeling en vernedering
Zelfs onderzoekers verloren inzicht
Later Discussie onderzoeksethiek
Deïndividuatie
Groepsgedrag

Mensen gedragen zich anders in groep dan alleen. Soms zelfs in zulke mate dat een
groep zich gedraag op een manier die geen enkel individueel lid in overweging zou
nemen (bendes, hooligans) ook positief (goed doel, reddingsactie)
o Grote groep kan zich eer risico’s permitteren
We spreken van deïndividuatie als individuele mensen hun persoonlijke identiteit verliezen doordat
ze een onderdeel zijn van een massa. Men verliest een deel van zijn verantwoordelijkheid en
waarden.

Factoren
o Verhoogde opwinding
o Anonimiteit
o Verminderde individuele verantwoordelijkheid
Helpen
Omstandereffect



Hoe meer mensen getuige zijn van een noodgeval, hoe kleiner de kans wordt dat elke
persoon afzonderlijk zal helpen
3 voorwaarden voor helpen
o Men moet het noodgeval opmerken
o Men moet het interpreteren als ongeval
o Men moet zich verantwoordelijk voelen om hulp te bieden
Alle drie de stappen worden beïnvloed de aanwezigheid van anderen de kans dat men
afgeleid wordt van de daadwerkelijke interventie. De kans om te helpen wordt groter als
o We anderen zien helpen
o We niet gehaast zijn
o Het slachtoffer duidelijk in nood verkeert
o Slachtoffer gelijkenissen vertoont
o We ons schuldig voelen
o …
Inschikkelijkheid

De vraag of we zullen ingaan op een verzoek van iemand anders
o Hangt af van de grootte van het verzoek
o
3 technieken (bij bv verkopers)
 Voet tussen deur techniek
 Eerst klein verzoek dan groter verzoek
 Zodra de bal aan het rollen is techniek
 Aanvankelijk engagement compenseert probleem
 Eerst lage prijs, na overleg met baas toch duurder
 Deur tegen neus techniek
 Eerst groot onredelijk onderzoek, dan kleiner redelijk verzoek
Sociale facilitatie en sociaal lijntrekken

Soms hoeven anderen helemaal niet te interageren, hun aanwezigheid is al voldoende
Sociale Facilitatie

Doet zich voor wanneer de aanwezigheid van andere mensen een positieve invloed heeft op
onze prestaties. Alleen al de aanwezigheid van iemand anders kan hiervoor volstaan
o Aanwezigheid van anderen verhoogt de opwinding
o Hogere opwinding zorgt voor betere prestaties voor goed geleerde taken
(muzikanten)
o Hogere opwinding belemmert het leren en uitvoeren van moeilijke taken
Sociaal lijntrekken

Persoon is niet gemotiveerd, hij presteert minder goed in groep dan alleen, dit fenomeen
heet sociaal lijntrekken
o De bijdrage tot de prestaties van de groep is moeilijk te identificeren zodat de
persoon zich geen zorgen hoeft te maken over mogelijke kritiek.
o Oplossing = individuele feedback
 Freeridereffect : iemand anders in de groep zal het probleem oplossen
 Suckereffect: een individu is van mening dat als de rest zich als freerider
gedraagt
Het gedrag van anderen beïnvloeden


Hoe kunnen we anderen van mening doen veranderen
Eerst dacht men dat men eerst attitude moest veranderen om het gedrag aan te passen dit
bleek niet waar te zijn
o Attitude: gevoelsgeladen evaluatie van een persoon, voorwerp of idee
Wanneer overtuigd een boodschap?

Onderzoek over attitudeverandering concentreerde zich op
o
o
o
Boodschapper
Boodschap
Doelwit
Kenmerken boodschapper



Geloofwaardigheid
o Expertise over boodschap? (is de boodschapper een expert?)
o Eigenbelang? (heeft de boodschapper zelf belang?)
Gelijkheid (staan boodschapper en doelwit op dezelfde hoogte?)
Aantrekkelijkheid en beroemdheid (ziet de boodschapper er goed uit, ‘band’ met
beroemdheid)
Kenmerken van de boodschap



Moeilijkheid van de boodschap
o Moeilijk =geschreven
o Makkelijk = visueel en auditief saillant maken
Emoties (via klassieke conditionering)
o Blijdschap, geluk bij reclame
o Angst bij roken
Herhaling
o Blootstelling hoe meer men het ziet hoe positiever men wordt
o Als de boodschap negatief ervaren wordt dan omgekeerd effect
Kenmerken van het doelwit




Geen duidelijke mening
o Als men nog geen mening heeft kan men makkelijker overtuigen
Niet te grote discrepantie tussen attitudes
o Als je boodschap al dan niet aansluit bij de huidige attitude van het doelwit
Betrokkenheid boodschapper – doelwit
o Is de persoon ooit al met het onderwerp in aanraking gekomen
o Centrale verwerking
 Pro’s en contra’s opstellen
 Voor grote keuzes, of sterk betrokken
o Perifere verwerking
 Minder betrokken, kleine keuzes
 Impulsievere beslissing
Persoonlijkheid (need for closure)
o Mensen die een duidelijke attitude willen hebben of niet
Kracht van cognitieve dissonantie
Het blijkt dat gedrag niet altijd in overeenstemming is met de attitude, daarom is er een neiuwe
theorie.
De theorie van cognitieve dissonantie:


mensen willen overtuiging en acties met elkaar in overeenstemming brengen en voelen zich
ongemakkelijk als ze publieke handelingen vertoont hebben die niet overeenstemmen met
hun waarden
men kan attituden het best veranderen door mensen een duidelijk zichtbaar gedrag te laten
uitvoeren dat in tegenspraak is met hun attitudes
Sociale cognitie
Studie hoe mensen informatie over zichzelf en anderen waarnemen onthouden en interpreteren

persoonsperceptie
o Eerste indruk
 Puur uiterlijk (hoe de persoon er uit ziet, hoe hij loopt,…)
 Deze uiterlijke kenmerken wekken niet waarneembare verwachtingen op
o
o

Impliciete persoonlijkheidstheorie
 Geheugenschema’s van uiterlijke/persoonlijkheidskenmerken zijn een
automatische leidraad bij omgang met onbekenden
 Hoe worden deze schema’s gevormd?
 Vroegere ervaringen (wit uniform = autoriteit)
 Observerend leren (bv negatieve blik op buitenlanders)
 Aangeboren associaties (rond gezicht = lief, schattig…)
Illusoire correlaties
 Mensen denken dat er een verband is tussen twee eigenschappen terwijl dit
helemaal niet waar is en niet objectief aangetoond kan worden
 Je bent bv gepest door koen vroeger, als je nu een andere koen
ontmoet zal dit een negatieve invloed hebben op de ontmoeting
Waarom is eerste indruk zo belangrijk
o Vaak geen contact meer na eerste indruk
o Neiging om een meerwaarde te hechten aan evidentie die met hun opinie
overeenstemt
o Self fulfilling prophecy : mensen gedragen zich op een manier die hun voorspelling
doet uitkomen
Gedrag verklaren
Causale attributie: proces waarbij we oorzaken van gedrag proberen bloot te leggen
Twee oorzaken voor iemands gedrag:

Dispositioneel vs situationele oorzaken
o Dispositioneel: verklaring voor gedrag die voorkomt uit karakter, motieven en
vaardigheden van de persoon die het gedrag vertoont ( an praat met els omdat ze
dat wil)
o Situationeel: verwijzen naar verklaringen voor het gedrag die voortkomt uit externe
of omgevingsfactoren waaronder aanwezigheid van andere personen (an praat met
els voor de veradering)

Distinctie
o Tim spreekt lovend over die prof (d is hoog) tim spreekt lovend over iedereen (d is
laag)
Consensus
o Iedereen prijst de prof (c is hoog) alleen tim prijst de prof (c is laag)
Consistentie
o Prijst tim de prof altijd (c is hoog) prijst tim de prof eenmalig (c is laag)


Wordt gebruikt om uit te maken of het om een dispositionele variabele, oorzaak of situationele
oorzaak gaat
 Heuristieken zijn hier de oorzaak van
Vertekeningen bij attributies

Cognitieve en perceptuele vertekeningen
Groepsperceptie
Stereotypering

een verzameling van sterk vereenvoudigde en veralgemeende opvattingen over een andere
groep mensen
men gaat de impliciete persoonlijkheidstheorie ook gaan toepassen op groepen de oorzaken hiervan
zijn:


Hang naar eenvoud
o Zwart wit denken
o Drang om mensen te categoriseren zoals objecten
Gebrekkige kennis
Vooroordelen



Stereotypen zorgen dat groepen mensen als anders gezien worden. Maar soms gaat dit
verder en zien mensen andere groepen als minderwaardig of gevaarlijk. De emotionele
geladen houding tov personen op grond van hun lidmaatschap van een bepaalde groep
wordt een vooroordeel genoemd.
Ingroepfavorisme:
o Leden van een groep hebben zeer vlug de neiging om hun groep als superieur te zien.
Oorzaken van vooroordelen zijn
o Reeële concurentie
o Sociale identiteit: we bekijken onszelf door te kijken naar de groepen waartoe we
behoren
Hoe vooroordelen en stereotypen oplossen

Contacthypothese: intensief met elkaar in contact komen, een gezamenlijk doel
hebben bv.
Zelfperceptie


De manier waarop we onszelf zien en evalueren
Dit leidt tot een geheel van overtuigingen over onzelf
o Zelfconcept
 We leiden dit volgens het zelfperceptieconcept grotendeels uit ons
eigen gedrag af
 We hebben slechts beperkte toegang tot onze motieven en
gevoelens
 Introspectie is geen aangename activiteit
 Wordt verder beïnvloed doordat we ons met anderen gaan
vergelijken
o Zelfwaardering
 Ook door ons met anderen te vergelijken, we overschatten onszelf
vaak, dit noemt men zelfvermeerdering (bv. Onrealistisch
optimisme)
 Lezen p 703 -707
Download