Casus bij hoofdstuk 2

advertisement
Prof. mr. C.J. Loonstra
www.sociaalrecht.noordhoff.nl
978 90 01 83398 5
© 2014 Noordhoff Uitgevers bv
Hoofdstuk 2 - Casus
Casus 1 De afgezette dominee
Heel vaak is het van groot belang te weten of iemand werkzaam is op basis van
een arbeidsovereenkomst. Is dat het geval, dan heeft een werknemer meer en
betere rechten dan wanneer hij een overeenkomst van opdracht, een
overeenkomst van aanneming of een andersoortige (een onbenoemde)
overeenkomst heeft gesloten. Casus 1 gaat in op de vraag of een predikant
werkzaam is op basis van een arbeidsovereenkomst.
De weleerwaarde heer dominee J.C. Baars is predikant van de Nederduitsche
Reformatorische Gemeente in Hellevoetsluis. In het jaar 2004 doet zich in die
gemeente een heftig conflict voor. Een groep van ongeveer dertig verontruste
gemeenteleden bindt onder aanvoering van ouderling Zeune de strijd aan tegen
Baars die naar het oordeel van de groep, tijdens de prediking veel te snel met
het aanbod van vrije genade komt. Dominee Baars wijkt niet voor de opvatting
van de ‘Zeune-groep’ en al spoedig daarna is het geschil de pan uit gerezen.
Dominee Baars besluit met ongeveer tachtig van zijn gemeenteleden uit de
Nederduitsche Reformatorische Gemeente te stappen. Hij schrijft een
rondzendbrief naar alle twintig gemeenten van dit kerkgenootschap in het land.
Het resultaat mag er zijn: ook de gemeenten te Broek op Langedijk en Urk
sluiten zich (met hun voorgangers) bij de ‘Baarsgroep’ aan. De drie gemeenten
richten tezamen in 2007 de Vrijgemaakte Nederduitsche Reformatorische
Gemeente op. Zij stellen een Kerkorde op waarin onder meer is geregeld dat
iedere gemeente zelfstandig is en in zakelijk opzicht (bijvoorbeeld bij de
vaststelling van het traktement (salaris) van de predikant) geleid wordt door de
kerkenraad, die ook namens de gemeente het contract met de voorganger
aangaat. Uitzondering daarop vormt de beslissing of een predikant dient te
worden ontslagen (afgezet) vanwege onzuiverheid in de leer. Die beslissing kan
alleen worden genomen tijdens een door de kerkenraad geconvoceerde
vergadering van alle mannelijke lidmaten (broeders) vanaf 21 jaar. Noodzakelijk
is dan dat een gekwalificeerde meerderheid met het voorgestelde besluit
instemt. De zielszorg ligt in handen van kerkenraad en predikant gezamenlijk.
In 2009 komt Baars met zijn gemeente in conflict, ook weer vanwege het
leerstuk van de vrije genade. De kerkenraad van Hellevoetsluis roept op 10
september van dat jaar alle daarvoor in aanmerking komende mannelijke
lidmaten bijeen. Na verhitte discussies wordt met 70% van de stemmen besloten
Baars terstond af te zetten als predikant van de Vrijgemaakte Nederduitsche
Reformatorische Gemeente. Het traktement zal tot 1 januari 2010 aan Baars
worden doorbetaald, zo verzekert de kerkenraad staande de vergadering. Op 15
januari 2010 stelt Baars een rechtsvordering in tegen de kerkenraad van de
gemeente van Hellevoetsluis en vordert bij de kantonrechter doorbetaling van
het door de kerkenraad vastgestelde traktement vanaf 1 januari 2010. Baars
stelt dat hij zijn werk als predikant van de gemeente Hellevoetsluis verricht
krachtens arbeidsovereenkomst en dat de opzegging daarvan door de gemeente
ex art. 9 BBA vernietigbaar is, nu deze als werkgever geen voorafgaande
Hoofdstukken Sociaal Recht |
1
Prof. mr. C.J. Loonstra
www.sociaalrecht.noordhoff.nl
978 90 01 83398 5
© 2014 Noordhoff Uitgevers bv
toestemming van UWV WERKbedrijf heeft gekregen ex art. 6 BBA. Beoordeel
deze stellingen van Baars.
Uitwerking
Aanwezigheid arbeidsovereenkomst (art. 7:610 BW)
De vraag of tussen twee partijen een arbeidsovereenkomst ex art. 7:610 BW tot
stand is gekomen, is tot op de dag van vandaag een regelmatig terugkerend
juridisch twistpunt. De arbeidsovereenkomst is – aldus genoemd wetsartikel – de
overeenkomst waarbij de ene partij, de werknemer, zich verbindt, in dienst van
de andere partij, de werkgever, tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te
verrichten.
Het gaat met name om drie voorwaarden. De eerste twee (de verbintenis om
arbeid te verrichten en loon te betalen) leveren doorgaans geen problemen op.
De casus lijkt op dit punt ook geen moeilijkheden op te leveren: Baars verricht
arbeid voor de gemeente te Hellevoetsluis en ontvangt daarvoor een traktement
(hoewel dit laatste in bepaalde hoeken van kerkelijk Nederland meer als
ondersteuning wordt gezien dan als loon, waarop betrokkene recht zou hebben).
Problematisch zijn in het bijzonder de woorden ‘in dienst van’. Deze duiden op de
aanwezigheid van een gezagsverhouding. Krachtens vaste jurisprudentie kan
men van een gezagsverhouding spreken wanneer de werkgever gerechtigd is
tijdens het dienstverband aanwijzingen aan de werknemer te geven omtrent het
verrichten van de arbeid (zie bijvoorbeeld HR 1 december 1961, NJ 1962, 79, HR
14 juni 1991, NJ 1992, 173, HR 17 juni 1994, NJ 1994, 757 en HR 8 mei 1998,
JAR 1998, 168). Of met name deze bevoegdheid (in voldoende mate) aanwezig
is zodat een gezagsverhouding kan worden aangenomen, is herhaaldelijk de
inzet van een gerechtelijke procedure. De omstandigheden van het geval zullen
daarbij steeds weer een doorslaggevende factor zijn. De kwalificatie die partijen
aan hun overeenkomst geven, is in dit verband irrelevant.
De lagere rechtspraak verschaft voor de beantwoording van de onderhavige
casus niet zoveel aanknopingspunten. Rechtbank Zwolle (Rb. Zwolle 6 mei 1992,
JAR 1992, 39) stelde zich op het standpunt dat een managementovereenkomst
als arbeidsovereenkomst moest worden aangeduid omdat (wat betreft de
vereiste gezagsverhouding) van enig ondernemersrisico niet was gebleken en
dat er geen sprake was van werk met een incidenteel karakter. Naar het oordeel
van de Rechtbank Amsterdam (Rb. Amsterdam 14 juli 1993, JAR 1993, 191) was
een verzekeringsgeneeskundige bij een (toenmalige) bedrijfsvereniging niet
krachtens arbeidsovereenkomst werkzaam. Het feit dat de arts op bepaalde uren
aanwezig moest zijn voor de spreekuren en het feit dat richtlijnen waren
aangegeven betreffende de wijze van verslaglegging en rapporteren van
medische controles, waren onvoldoende om een gezagsverhouding aan te
nemen, gelet op de aard van de werkzaamheden en van de organisatie van de
bedrijfsvereniging. De Rechtbank Den Bosch (Rb. Den Bosch 19 februari 1993,
JAR 1993, 221) stelde zich op het standpunt dat de overeenkomst tussen een
zwemtrainer en een zwemvereniging geen arbeidsovereenkomst was. Op grond
van het schriftelijk gesloten contract concludeerde de rechtbank dat de vrij nauw
omschreven werkzaamheden maakten dat de ‘werkgever’ geen of nagenoeg
geen bevoegdheden had om die werkzaamheden eenzijdig te wijzigen of nader in
Hoofdstukken Sociaal Recht |
2
Prof. mr. C.J. Loonstra
www.sociaalrecht.noordhoff.nl
978 90 01 83398 5
© 2014 Noordhoff Uitgevers bv
te vullen. Een gezagsverhouding ontbrak. Dezelfde rechtbank (Rb. Den Bosch 26
maart 1993, JAR 1993, 222) oordeelde dat een dirigentenovereenkomst niet kon
worden aangemerkt als een arbeidsovereenkomst. Ook weer op grond van het
feitelijk overeengekomene, meende de rechtbank dat het feit dat de dirigent
kennelijk geheel vrij was in de wijze waarop hij de artistieke leiding dacht te
moeten geven, het aannemen van een gezagsverhouding in de weg stond. De
kantonrechter uit diezelfde plaats stelde zich op een ander standpunt. Deze
oordeelde dat de dirigent wat betreft de artistieke leiding een zekere vrijheid was
gelaten, maar dat die vrijheid zeker niet absoluut was, aangezien ook ten
aanzien van de artistieke leiding uitdrukkelijk was bepaald dat eiser moest
handelen in overleg met het bestuur van gedaagde. De kantonrechter te
Amsterdam (Ktr. Amsterdam 14 december 1994, JAR 1995, 10) kreeg de vraag
voorgelegd of een sjocheet (ritueel slachter) op basis van een
arbeidsovereenkomst werkzaam was voor een Israëlitisch kerkgenootschap. Hij
beantwoordde deze vraag bevestigend, ondanks het feit dat het werk van een
sjocheet als arbeid met een godsdienstig karakter moet worden gekwalificeerd.
Daarbij wees de kantonrechter erop dat het slachten van de dieren moest
plaatsvinden op een door de werkgever aangeduide plaats, dat het werk
geenszins een incidenteel karakter droeg, dat de relatie reeds ruim vijf jaren in
stand was en dat de beloning niet afhankelijk was van de hoeveelheid geslachte
dieren. De president van de Rechtbank Haarlem (Rb. Haarlem 12 september
1995, JAR 1995, 246) stelde zich op het standpunt dat een journalist niet
krachtens arbeidsovereenkomst voor het blad Panorama werkzaam was, hoewel
de opdrachtgever instructies van meer organisatorische en uitvoerende aard kon
geven. Doorslaggevend vond de president dat Panorama geen
instructiebevoegdheid had ten aanzien van de inhoud van de artikelen van de
journalist, dat deze de vrijheid toekwam om door Panorama voorgestelde
onderwerpen te weigeren en dat per onderwerp prijsafspraken werden gemaakt.
Een gelijke benadering hanteerde de kantonrechter te Amsterdam (Ktr.
Amsterdam 16 juni 2000, JAR 2000, 167) met betrekking tot een fotograaf in
zijn contractuele relatie tot de Weekbladpers BV, op grond waarvan foto’s voor
Vrij Nederland moesten worden gemaakt. Een rol daarbij speelde het feit dat de
fotograaf de door hem gemaakte foto’s in zijn eigen donkere kamer afdrukte. De
Rechtbank Groningen ten slotte oordeelde dat de studenten en scholieren die als
slaapwacht werkzaam waren ten behoeve van bewoners van een serviceflat, hun
arbeid krachtens arbeidsovereenkomst hebben verricht (Rb. Groningen 19
januari 2001, JAR 2001, 55). De verschafte schriftelijke instructies, de plicht tot
het afleggen van verantwoording aan de directie, de aanwezigheid van
werkroosters en de noodzaak tot het bijhouden van een logboek, waren voor de
rechtbank voldoende aanwijzingen voor het aannemen van een
gezagsverhouding. Eerder was de kantonrechter in dezelfde zaak (Ktr. Groningen
30 juni 1999, JAR 1999, 220) tot een tegenovergesteld standpunt gekomen. De
waak- en slaapdiensten betroffen zijns inziens geen werkzaamheden die door de
‘normale’ werknemers werden verricht. Daar kwam bij, aldus de kantonrechter,
dat per dienst van 15 of 17 uur maximaal 1 uur gewerkt werd.
In een tweetal arresten heeft de Hoge Raad stelling genomen inzake de vraag of
een geestelijke krachtens arbeidsovereenkomst arbeid verrichtte. In zijn arrest
van 14 juni 1991, NJ 1992, 173, m.n. HJS werd de Hoge Raad voor de vraag
gesteld of Kruis, predikant te Den Bosch in de Christelijke Gereformeerde Kerk,
Hoofdstukken Sociaal Recht |
3
Prof. mr. C.J. Loonstra
www.sociaalrecht.noordhoff.nl
978 90 01 83398 5
© 2014 Noordhoff Uitgevers bv
een arbeidsovereenkomst ex art. 7:610 BW was aangegaan met de gemeente
‘die hij diende’. De rechtbank beantwoordde deze vraag ontkennend omdat het
vereiste van de gezagsverhouding tussen partijen afwezig was. Zij wees daarbij
op het feit dat de predikant in kwestie voor het leven was benoemd, dat hij
geacht werd tucht uit te oefenen over zijn gemeente en dat niet deze laatste
maar een hoger organisatorisch verband (de classis) krachtens art. 79 van de
Kerkorde de predikant kon afzetten ‘wegens het bedrijven van een openbare
grove zonde’. De Hoge Raad was van oordeel dat de rechtbank met dit
standpunt geen blijk had gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
Bij arrest van 17 juni 1994 (JAR 1994, 152) moest de Hoge Raad oordelen of er
tussen een imam (geestelijke) en de Stichting Moskee Al Mouhsenin waarvoor
deze arbeid verrichtte, een arbeidsovereenkomst van kracht was. De rechtbank
(Rb. Den Haag 10 februari 1993, JAR 1993, 49) concludeerde, in tegenstelling
tot de kantonrechter, dat er sprake was van een arbeidsovereenkomst ex art.
7:610 BW. De imam vervulde zijn functie weliswaar in onderworpenheid aan de
Koran, maar dit sloot een gezagsverhouding tussen hem en de Stichting
geenszins uit. Omdat de geestelijke verplicht was een aantal formele afspraken
na te komen – hij moest bijvoorbeeld vijf gebedsdiensten per dag verrichten,
één preek op iedere vrijdag houden en een taak als sociaal werker op zich
nemen – diende daaruit naar het oordeel van de rechtbank te worden
geconcludeerd dat de imam zijn werk op basis van een arbeidsovereenkomst
verrichtte. De Hoge Raad sloot zich bij dit oordeel aan.
Op 14 november 1997 heeft de Hoge Raad in het arrest Groen/Schoevers (JAR
1997, 263) een belangrijk arrest gewezen met betrekking tot het antwoord op
de vraag, welke overeenkomst van werk twee partijen hebben gesloten. Hij gaf
onder meer aan dat niet één element van doorslaggevende betekenis is, maar
dat alle kenmerken van de arbeidsrelatie in ogenschouw moeten worden
genomen. Een sterk afwijkende afspraak over het betalen van het honorarium,
kan daarbij een belangrijke indicatie opleveren dat er geen arbeidsovereenkomst
is. De casus ging over Groen die een eigen belastingkantoor had en enig
moment twee dagen voor het Instituut Schoevers les ging geven. Na verloop van
tijd beëindigde Schoevers de overeenkomst. Groen stelde zich op het standpunt
dat partijen een arbeidsovereenkomst hadden gesloten en dat Schoevers de
bepalingen van het ontslagrecht in Boek 7 titel 10 BW (die over de
arbeidsovereenkomst gaan) in acht had moeten nemen. Zijn stelling strandde tot
aan de Hoge Raad. Belangrijk was dat Groen iedere maand namens zijn kantoor
een factuur zond, inclusief 19% btw. Deze manier van doen was zo totaal anders
dan in een normale relatie tussen een werkgever en een werknemer, dat een
arbeidsovereenkomst niet voor de hand lag.
De Hoge Raad maakte in Groen/Schoevers voorts nog een onderscheid dat
nadien tot op de dag van vandaag een rol is gaan spelen in de lagere
rechtspraak. De Hoge Raad oordeelde namelijk dat twee aspecten bij de
kwalificatievraag van belang zijn:
1 Wat stond partijen bij het sluiten van hun overeenkomsten voor ogen (met
andere woorden: wat was de partijbedoeling van partijen toen zij hun
overeenkomst afsloten: hadden zij voor ogen een arbeidsovereenkomst te
sluiten of hadden zij (meer) het oog op een overeenkomst van opdracht of
aanneming van werk?
Hoofdstukken Sociaal Recht |
4
Prof. mr. C.J. Loonstra
www.sociaalrecht.noordhoff.nl
2
978 90 01 83398 5
© 2014 Noordhoff Uitgevers bv
Hoe hebben partijen nadien feitelijk aan hun overeenkomst uitvoering
gegeven?
In de jaren daarna heeft de Hoge Raad nog herhaaldelijk de kwalificatievraag
moeten beantwoorden. Steeds weer kwam het hiervoor genoemde onderscheid
ter sprake. Voorbeelden zijn Hoge Raad 15 december 2004, JAR 2005/15 en
Hoge Raad 13 juli 2007, JAR 2007/231. Op 2 februari 2005 oordeelde de
kantonrechter te Lelystad (JAR 2005/58) dat een predikant werkzaam was op
basis van een arbeidsovereenkomst, hoewel partijen die kwalificatie niet in hun
afspraken hadden staan. De kantonrechter baseerde zich daarbij op de
partijbedoeling en feitelijke uitvoering, zoals door de Hoge Raad in
Groen/Schoevers genoemd. Voor een overzicht van de rechtspraak zie C.J.
Loonstra en W.A. Zondag, Arbeidsrechtelijke themata, Den Haag: BJu 2008, p.
102 t/m 107 en C.J. Loonstra, Kwalificatie, in Loonstra/Zondag, Sdu
Commentaar Arbeidsrecht, 2009, editie 2010.
Hoe zouden we – tegen de voorafgaande analyse – de opvatting van Baars
moeten beoordelen dat hij krachtens arbeidsovereenkomst voor de gemeente
Hellevoetsluis werkzaam is en dus ook ten opzichte van haar in een
gezagsverhouding stond?
In het licht van het Kruis-arrest kan over dit laatste aspect niet met zekerheid
een standpunt worden ingenomen. Weliswaar mag men aannemen dat Baars
voor het leven is benoemd (hoewel de casus daarover niets vermeldt) en dat hij
geacht wordt tucht uit te oefenen over de gemeente te Hellevoetsluis (hetgeen
inherent lijkt aan het ambt van predikant), maar anders dan in het arrest kon
Baars door zijn gemeente worden afgezet en niet door een ander,
meeromvattend organisatorisch verband. Deze laatste omstandigheid sluit in
ieder geval niet de gedachte uit dat er een gezagsverhouding tussen partijen
heeft bestaan. Het Imam-arrest lijkt ook te wijzen op de aanwezigheid van een
gezagsverhouding. Men zou immers ten aanzien van Baars kunnen stellen dat
deze ook verplicht was zich beschikbaar te stellen voor het verrichten van
werkzaamheden, verbonden aan de functie van predikant in genoemd
kerkverband. Daartegen pleit echter dat de gemeente in zakelijk opzicht door de
kerkenraad wordt geleid en niet door de predikant, terwijl de zielszorg in handen
ligt van zowel kerkenraad als predikant. Of op grond van deze feitenconstellatie
kan worden gesproken van een gezagsverhouding tussen Baars en de gemeente,
is dan ook niet met zekerheid te beantwoorden.
Ook de partijbedoeling en de feitelijke uitvoering, zoals door de Hoge Raad in het
arrest Groen/Schoevers uiteengezet, leveren niet een eenduidig antwoord op.
Want wat partijen hebben beoogd bij het sluiten van de overeenkomst en hoe zij
feitelijk aan de overeenkomst daarna hebben vormgegeven, is weer voor een
belangrijk deel afhankelijk van de omstandigheden van het geval en de weging
van die omstandigheden.
Ook de lagere jurisprudentie geeft niet zoveel aanknopingspunten. De dirigent in
het aangegeven vonnis, diende ook in overleg te treden met het bestuur over
repertoirekeuze, solisten enzovoort. Toch meende de rechtbank dat de
rechtsrelatie niet door een gezagsverhouding werd gekenmerkt. Zoals gezegd
Hoofdstukken Sociaal Recht |
5
Prof. mr. C.J. Loonstra
www.sociaalrecht.noordhoff.nl
978 90 01 83398 5
© 2014 Noordhoff Uitgevers bv
stelde de kantonrechter zich op het tegenovergestelde standpunt. En ook de
verzekeringsgeneeskundige stond niet in een gezagsverhouding tot de
bedrijfsvereniging, hoewel hij zich aan bepaalde aanwijzingen had te houden.
Maar anders dan de zwemtrainer kan weer niet worden gezegd dat de
werkzaamheden van Baars zo nauw omschreven waren dat op grond daarvan al
niet tot de aanwezigheid van een gezagsrelatie kan worden geconcludeerd.
De uitspraken inzake de sjocheet, de journalist, de fotograaf en de slaapwachten
verschaffen ook geen doorslaggevende argumenten.
Het genoemde vonnis van de kantonrechter Lelystad geeft een indicatie voor de
aanwezigheid van een arbeidsovereenkomst tussen Baars en de gemeente. Maar
die kantonrechter hield zich strikt aan de feiten van die casus en deed geen
algemene uitspraken.
Al met al is op voorhand niet zeker, welk standpunt de rechter in de Baars-casus
zal innemen over de vraag of voldaan is aan de voorwaarde van de
gezagsverhouding. Enerzijds lijkt de kans dat hij die vraag bevestigend zal
beantwoorden groter dan bij de zaak Kruis, omdat de gemeente Hellevoetsluis
(anders dan die van Den Bosch) de bevoegdheid was toegekend haar predikant
af te zetten. Kijken we naar het arrest Groen/Schoevers, dan zou men kunnen
stellen dat de gemeente van Hellevoetsluis en dominee Baars geenszins hebben
beoogd een arbeidsovereenkomst te sluiten. Het is namelijk in reformatorische
kringen ongebruikelijk dat men de arbeid, verricht door een dominee, ziet als te
worden gedaan krachtens arbeidsovereenkomst. Kijkt men naar de feitelijke
uitvoering van deze overeenkomst, dan zou men daaraan ook niet het gevolg
kunnen verbinden dat er eigenlijk een arbeidsovereenkomst tot stand is
gekomen. Het hangt derhalve van de persoon van de beslissende rechter af, hoe
de rechtsrelatie tussen de gemeente van Hellevoetsluis en Baars zal worden
gekwalificeerd.
In dit verband is het wel van belang erop te wijzen dat dominee Baars een niet
onbelangrijk bewijsvoordeel heeft. Vanaf 1 januari 1999 zijn namelijk twee
rechtsvermoedens in de wet opgenomen, in art. 7:610a en 610b BW. Voor de
onderhavige casus is met name het eerste rechtsvermoeden van belang. Dat
stelt dat hij die ten behoeve van een ander tegen beloning door die ander
gedurende drie opeenvolgende maanden, wekelijks dan wel gedurende ten
minste twintig uren per maand arbeid verricht, wordt vermoed deze arbeid te
verrichten krachtens arbeidsovereenkomst. Voor dominee Baars is dat niet lastig
te bewijzen. Daaropvolgend wordt de gemeente van Hellevoetsluis de
gelegenheid gegeven, aan de hand van de definitie van art. 7:610 BW, dit
rechtsvermoeden te weerleggen. We spreken hier van omkering van de
bewijslast. Met andere woorden: tijdens de kantongerechtsprocedure hoeft Baars
niet meer te stellen en te bewijzen dan dat hij tegen beloning gedurende drie
opeenvolgende maanden wekelijks arbeid voor de gemeente van Hellevoetsluis
heeft verricht en dat daarmee is voldaan aan de voorwaarden van art. 7:610a
BW. De gedaagde partij (de gemeente) zal dit standpunt uiteraard bestrijden.
Wil zij daarin succesvol zijn, dan zal zij moeten stellen en tevens bewijzen dat
niet voldaan is aan de voorwaarde ‘in dienst van’.
De tweede stelling van Baars luidt dat de gemeente ex art. 6 BBA het UWV
WERKbedrijf had moeten verzoeken tot opzegging van de arbeidsverhouding met
Hoofdstukken Sociaal Recht |
6
Prof. mr. C.J. Loonstra
www.sociaalrecht.noordhoff.nl
978 90 01 83398 5
© 2014 Noordhoff Uitgevers bv
Baars. Nu zij dit niet heeft gedaan is die opzegging – aldus Baars – krachtens
art. 9 BBA vernietigbaar. Wat hiervan te denken? Het is in dit verband dienstig
te realiseren dat de term werknemer genoemd in art. 7:610 e.v. BW geen
synoniem is voor de term ‘werknemer’ uit het BBA. De eerste term is enerzijds
strikter dan de tweede, gelet op art. 1 sub b BBA. Anderzijds is de term ruimer:
hoewel een persoon krachtens arbeidsovereenkomst arbeid verricht, kan het
toch zo zijn dat het BBA niet op deze persoon van toepassing is. Dat blijkt uit
art. 2 BBA. Voor de onderhavige casus is in het bijzonder de aanhef in
combinatie met het eerste lid sub c van belang. Daaruit blijkt dat het BBA niet
van toepassing is op de arbeidsverhouding van personen die een geestelijk ambt
bekleden. Op grond van deze bepaling is niet voor betwisting vatbaar dat Baars’
tweede stelling onjuist is. Het BBA geldt niet voor zijn arbeidsverhouding met de
gemeente van Hellevoetsluis. Kan nu op grond van deze conclusie worden
gesteld dat het in wezen niet uitmaakt of Baars wel of niet krachtens
arbeidsovereenkomst arbeid voor de gemeente heeft verricht? Zeker niet, want
het antwoord op de vraag welk recht van toepassing is, houdt algemeen
gesproken wel degelijk verband met de daaraan voorafgaande vraag of partijen
al dan niet een arbeidsovereenkomst hebben gesloten. Zo rijst de vraag of de
gemeente een juiste opzegtermijn in acht heeft genomen, door op 10 september
2009 te besluiten het traktement van dominee Baars tot 1 januari 2010 door te
betalen, daarmee impliciet te kennen gevend dat het contract met ingang van 1
januari 2010 geëindigd is. Zou de arbeidsverhouding tussen de gemeente en
Baars een arbeidsovereenkomst zijn, dan moet die vraag op grond van art.
7:672 BW worden beantwoord. Dit wetsartikel komt niet in beeld wanneer de
arbeidsrelatie tussen de twee niet als een arbeidsovereenkomst moet worden
beschouwd. Bovendien heeft het antwoord op de vraag: wel of geen
arbeidsovereenkomst, consequenties voor de absoluut bevoegde rechter. Zou
tussen Baars en de gemeente Hellevoetsluis een arbeidsovereenkomst tot stand
zijn gekomen, dan is de door Baars ingeschakelde kantonrechter (rechtbank,
sector kanton) inderdaad absoluut bevoegd van het geschil kennis te nemen
(art. 93 sub c Rv). Zou de overeenkomst tussen betrokkenen geen
arbeidsovereenkomst zijn, dan zal de kantonrechter zich niet bevoegd achten
(de vordering van Baars zal ongetwijfeld hoger zijn dan €5.000) en de zaak
verwijzen naar de rechtbank, sector civiel (art. 93 sub c Rv).
Hoofdstukken Sociaal Recht |
7
Download