2 geschiedenis voor de onderbouw geschiedenis voor

advertisement
2 T/H
geschiedenis voor de onderbouw
Memo helpt je met het begrijpen van
de belangrijke ontwikkelingen in het
verleden. Door de heldere teksten,
treffende voorbeelden en goede
oefeningen, leer je nadenken over het
soms merkwaardige leven van mensen
vroeger, maar ook over het herkenbare.
Met Memo wordt geschiedenis tastbaar.
De duidelijke en gestructureerde
teksten van het handboek geven je een
overzicht van de verbanden en hoe
gebeurtenissen daarin passen. In het
werkboek ga je met je klasgenoten aan
de slag met gerichte opdrachten om
steeds meer inzicht te krijgen.
Digitaal kun je verder oefenen met of
je verdiepen in de stof. Door veel
bewegend beeld en prachtige
interactieve kijkplaten komt de stof
tot leven. Met Memo weet je altijd hoe
je ervoor staat en Memo biedt je de
helpende hand als je meer uitleg of
oefening nodig hebt.
2 T/H
552607
HANDBOEK
ISBN 978 90 345 8416 8
HANDBOEK
geschiedenis
voor de onderbouw
Inhoudsopgave
Introductie Van jagers en boeren ... naar regenten en vorsten
1
De tijd van pruiken en revoluties • De Franse Revolutie
• 1
Basis • 2
• 3
• 4
• 5
• 6
Verdieping • 7
Oriëntatie
8
Frankrijk vóór de revolutie
De Franse Revolutie
Frankrijk onder Napoleon
De Republiek in de 18e eeuw
Nederland in de Franse tijd
10
13
16
19
22
Vechten voor Napoleon
25
• 8 Afsluiting
2
27
De tijd van burgers en stoommachines • De industriële revolutie
• 1
Basis • 2
• 3
• 4
• 5
• 6
Verdieping • 7
Oriëntatie
30
Van handwerk naar machine
Leven in een industriestad
De voorsprong van Europa
Nederlanders in Indië
Slavernij in Suriname
32
35
38
41
44
Op weg naar de moderne geneeskunde
47
• 8 Afsluiting
3
4
49
1800 - nu • Wie beslist?
• 1
Basis • 2
• 3
• 4
• 5
• 6
Verdieping • 7
Oriëntatie
52
De Oranjes worden de baas
Op weg naar kiesrecht voor iedereen
Zo werken verkiezingen
Je stem laten horen
Europa
54
57
60
63
66
Hoe raakt politiek jou?
69
• 8 Afsluiting
71
2
4
De tijd van wereldoorlogen • Leven in een massasamenleving
• 1
Basis • 2
• 3
• 4
• 5
• 6
Verdieping • 7
Oriëntatie
74
Spanningen in Europa
De Eerste Wereldoorlog
Economische wereldcrisis
Ontevredenheid in Europa
Hitler aan de macht
76
79
82
85
88
Adolf Hitler
91
• 8 Afsluiting
5
93
De tijd van wereldoorlogen • De Tweede Wereldoorlog
• 1
Basis • 2
• 3
• 4
• 5
• 6
Verdieping • 7
Oriëntatie
96
Blitzkrieg
Duitsland, Italië en Japan verslagen
De moord op de Joden
Nederland bezet
Van Nederlands-Indië naar Indonesië
98
101
104
107
110
Herdenken
113
• 8 Afsluiting
6
115
De tijd van televisie en computer • Nederland en de wereld na 1945
• 1 Oriëntatie
Basis • 2
• 3
• 4
• 5
• 6
Verdieping • 7
118
Koude Oorlog in Nederland
Jongeren laten van zich horen!
Een nieuwe wereldorde
Een multiculturele samenleving
De moderne samenleving
120
123
126
129
132
De wereld na 9/11
135
• 8 Afsluiting
137
Overzicht historische vaardigheden
Het stappenplan voor onderzoek
Register
Colofon
3
140
141
142
144
2
De tijd van burgers en stoommachines
De industriële revolutie
1
Oriëntatie
Bron 1 250 jaar met grote veranderingen.
Jan Zijlker ging in 1849 van zijn woonplaats in Groningen naar Den Haag. Dat
is tegenwoordig ongeveer drie uur reizen. Zijlker deed er bijna een week over.
Auto’s moesten rond 1850 nog uitgevonden worden, net als vliegtuigen en
hogesnelheidstreinen. Zijlker reisde met de postkoets en de trekschuit en ook
een stukje met de stoomtrein. In Den Haag aangekomen schreef hij een brief aan
zijn gezin. Die post was dagen onderweg, want telefoon of mailverkeer bestond
nog niet.
Dit hoofdstuk gaat over de grote veranderingen die na 1750 plaatsvonden.
Die hadden te maken met de industriële revolutie, die in Engeland begon. Er
kwamen fabrieken en beter vervoer. Jonge mensen kregen een heel ander leven
dan hun ouders en grootouders. We noemen die periode de tijd van burgers en
stoommachines (1800-1900). Het is het begin van de moderne tijd.
30
Bron 2 Engeland en de industriële revolutie.
Bron 3 Nederland in de 19e eeuw.
31
Hoofdstuk 2
Basis
De tijd van burgers en stoommachines • De industriële revolutie
2
Van handwerk naar machine
Vat met water in verbinding
met stoomketel
Cilinder en zuiger
Plaats waar
kolen liggen
Stoomketel
Vliegwiel
Krukas
Stookketel met
steenkool
Bron 1 De Rocket van George Stephenson was een van de eerste stoomlocomotieven.
De Rocket haalde met een zware lading steenkool 19 km per uur.
Engeland is trots op Richard Arkwright, George Stephenson en andere uitvinders.
In musea in Londen kun je de eerste spinmachines en stoomlocomotieven
bekijken, die zij in elkaar zetten. James Watt (1736-1819) uit Schotland was
ook zo’n uitvinder. Zijn dagelijks werk was het repareren van microscopen en
kompassen voor de universiteit. Maar zijn beroemde uitvinding bedacht hij
tijdens een wandeling in het bos. Hij maakte een machine die altijd kon draaien,
dag en nacht, zomer en winter. Wind- en waterkracht waren niet langer nodig.
James Watt was ook een slimme zakenman, die zijn uitvinding verkocht om rijk
te worden. Hij vertelde klanten hoeveel pk’s zijn stoommachine had. Het was
duidelijk dat zijn machine veel krachtiger was dan de paarden en ezels, die tot die
tijd werden gebruikt. Watt verkocht veel stoommachines.
De vraag is: hoe werd Engeland tussen 1750 en 1850 een industriële
samenleving?
32
Bron 3 Hoogovens voor het produceren van ijzer.
Fabrieken zoals deze produceerden ijzer voor de industrie.
Zij verbruikten daarbij veel steenkool. (Illustratie uit 1840.)
Bron 2 De uitvinders.
De eerste fabrieken
De industriële revolutie
Na 1760 ontstonden in Engeland de eerste
fabrieken. Dat zijn grote werkplaatsen waar
machines draaien en veel arbeiders werken.
Voordat er fabrieken kwamen, werkten de
meeste mensen in de landbouw. In de winter,
als er minder werk was op de boerderijen,
verdienden mensen wat bij met spinnen en
weven. Wollen stoffen en andere producten uit
deze huisnijverheid werden in dorpen en steden
verkocht.
Rond 1700 begon de Engelse bevolking te
groeien. Daardoor kwam er meer vraag naar
katoenen kleding. Deze stof droeg prettiger dan
wol en was goedkoper. Ruwe katoen kwam uit de
Engelse kolonies in Amerika en Azië.
Met de eenvoudige spinnewielen en
weefgetouwen konden niet genoeg stoffen
gemaakt worden. Engelse uitvinders ontwierpen
grote spin- en weefmachines, die veel sneller
werkten. Die nieuwe machines waren te groot om
in huiskamers te gebruiken. Ondernemers zagen
hierin een nieuwe manier om geld te verdienen.
Zij zetten de machines in fabrieken, die ze dicht
bij snel stromende rivieren bouwden. Daar
werden de machines aangedreven door het
stromende water. Later gingen de fabrikanten
over op de stoommachine.
De grote veranderingen door de komst
van fabrieken en machines noemen we de
industriële revolutie. Tussen 1750 en 1850 werd
Engeland een heel ander land. De industriële
revolutie veranderde de hele samenleving.
Langs rivieren en bij steenkoolmijnen
kwamen fabrieken met rokende schoorstenen.
Op die plaatsen groeiden dorpen uit tot
industriesteden.
De werknemers kwamen van het platteland,
want in de huisnijverheid was steeds minder te
verdienen. Werkloze boeren trokken met hun
gezin naar de gebieden waar industrie opkwam.
Zij gingen werken in textielfabrieken, in de
ijzerindustrie, de mijnbouw, fabrieken voor
aardewerk en glas en andere bedrijfstakken.
De belangrijkste uitvinding van de industriële
revolutie was de stoommachine. Een uitvinder
bedacht rond 1700 al een stoommachine om
water uit de steenkoolmijnen te pompen. James
Watt verbeterde die oude stoommachine, zodat
ze geschikt werd om spin- en weefmachines
aan te drijven. Watts stoommachine kon ook in
stoomlocomotieven gebruikt worden.
Engeland had veel steenkool en ijzererts. Dat
was gunstig voor de groei van de industrie.
Mijnbouw was een gevaarlijke bezigheid,
33
Bron 5 De Waterwolf.
Op deze kaart uit 1740 zie je dat vier meren
uitgroeiden tot een soort binnenzee. Leiden
en Haarlem lagen bijna aan de oevers
van het meer. Zelfs Amsterdam liep bij
overstromingen gevaar. Toch waren er ook
mensen tegen drooglegging. Het meer was
belangrijk voor vrachtvervoer en voor de
visvangst. Ook bestond het gevaar dat er
na drooglegging geen water in de smerige
stadsgrachten zou stromen. Maar in 1836
veranderde de tegenstand door twee zware
stormen. Een ooggetuige schreef: ‘… woest
was de aanblik, golven als heuvels zo groot,
zwart en onheilspellend …’ Dijken begaven
het en duizenden hectaren land werden
overstroomd.
Bron 4 De Cruquius (je zegt ‘Krukius’)
was een enorme stoommachine, die
samen met twee andere stoommachines
het Haarlemmermeer droogmaalde. Uit de
muren staken balansarmen, waaraan zuigers
bevestigd waren. Deze pompten het water van
het meer omhoog, zodat het in de ringvaart
kon stromen en vervolgens ver weg naar zee …
Drie jaar later was het Haarlemmermeer droog.
waren betere verbindingen over water en land
nodig. Na 1750 werd 7.000 kilometer kanaal
gegraven. In de steenkoolmijnen werden zware
ladingen over rails vervoerd. Dat kon natuurlijk
ook bovengronds. In de 19e eeuw werden
duizenden kilometers spoorlijn aangelegd. In
Engeland reed de eerste stoomtrein in 1825, in
Nederland in 1839.
Het bezit van geld (kapitaal) was in de
industriële samenleving belangrijker geworden
dan het bezit van landbouwgrond. Ondernemers
stopten geld in hun bedrijf om uit te breiden
en nog meer te winst te maken. Dat heet
kapitalisme. De Engelse regering gaf die
ondernemers alle vrijheid, want dat betekende
groei van de economie en meer banen.
maar hard nodig, omdat steenkool de huizen
verwarmde en de stoommachines liet werken.
Van ijzer werden machines, spoorwegen en
bruggen gemaakt.
Gevolgen van de industrialisatie
Tussen 1750 en 1850 veranderde Engeland van
een landbouwsamenleving in een industriële
samenleving. Landbouw en het oude handwerk
waren niet langer de belangrijkste middelen
van bestaan. Huisnijverheid maakte plaats
voor productie in fabrieken. Soms drongen
groepen handwerkers de fabrieken binnen om
de machines kort en klein te slaan, maar de
industrialisatie was niet meer te stoppen.
De oude landweggetjes waren niet geschikt
om grondstoffen en producten te vervoeren. Er
34
Hoofdstuk 2
Basis
De tijd van burgers en stoommachines • De industriële revolutie
3
Leven in een industriestad
Stoommachine
Schacht met
hijsinstallatie
Bron 1 Werken in de steenkoolmijn.
In de 19e eeuw begon een normale werkdag om half 6. Vroeg in de ochtend hoorde
je ratels of de sirene van een stoomfluit. Daarmee werden de arbeiders gewekt.
Wie ook maar een minuut te laat kwam, kreeg een boete. Om half 9 was er tien
minuten pauze om een mager ontbijt naar binnen te werken. Om 1 uur was er een
half uur om wat te eten en even te rusten. De laatste pauze was om half 6, als de
arbeiders snel een mok thee dronken. De werkdag eindigde om 8 uur, behalve bij
overwerk. Op zondag was je vrij.
Mijnwerkers bleven de hele werkdag ondergronds. Dat zie je op de afbeelding van
een Engelse steenkoolmijn (bron 1). Mijnwerkers deden levensgevaarlijk werk en
zagen vrijwel nooit het daglicht. Er was niet veel tijd over voor thuis, hobby of sport.
Alles in het leven draaide om de mijn of de fabriek.
De vraag is: hoe veranderde het leven door de komst van fabrieken?
35
In 1833 verscheen een dik rapport over 271 textielfabrieken. In deze
fabrieken was 57% van de werkers vrouw en van deze groep was
de helft jonger dan 20 jaar. Mannen waren in de meerderheid in de
metaalindustrie en de mijnbouw. Alle arbeiders hadden te maken
met slechte werkomstandigheden, maar het werk in de mijnen was
het meest gevaarlijk. Door ongelukken kwamen jaarlijks duizenden
mijnwerkers om. Door kinderarbeid waren daar veel jongens bij. In de
mijn waar de vrouwen op de foto werkten, vond in december 1866 een
mijnexplosie plaats, waarbij 361 mijnwerkers, 27 reddingswerkers en
18 paarden omkwamen.
Bron 2 Vrouwelijke mijnwerkers (foto uit 1865) en een tekening van
een mijnexplosie.
Werk in de eerste fabrieken
• De lucht in de fabriekshallen was smerig
en het lawaai van de machines was
oorverdovend. Ook het zware werk in de
stoffige steenkoolmijnen was heel ongezond.
Honderdduizenden mensen trokken
naar de industriegebieden op zoek naar
werk en een betere toekomst. De leefen werkomstandigheden van de nieuwe
fabrieksarbeiders waren slecht. Om zoveel
mogelijk winst te maken hielden de ondernemers
de lonen laag en waren de werkdagen erg lang.
Een werkweek duurde zes dagen en vakanties
bestonden niet. Er waren nog meer nadelen.
• Voor het meeste fabriekswerk hoefde je geen
vakman te zijn. Ongeschoold werk werd ook
door vrouwen en kinderen gedaan. Hun loon
was nog lager dan dat van mannen.
• Demonstreren voor hogere lonen of
protesteren tegen kinderarbeid durfden veel
arbeiders niet. Arbeiders die klaagden, werden
ontslagen.
• Er gebeurden veel ongelukken in de fabrieken
en de mijnen. De ondernemers deden niets
aan veiligheidsmaatregelen, want die kostten
geld.
Wonen bij de fabriek
In gebieden waar eerst kleine dorpjes
lagen, ontstonden in de 19e eeuw enorme
industriesteden. De nieuwkomers woonden
in arbeiderswijken, dicht bij de fabriek. Dat
was noodzakelijk, omdat er in het begin geen
openbaar vervoer was. De infrastructuur
verbeterde door de aanleg van spoorlijnen,
maar die werden in het begin vooral gebruikt om
grondstoffen en producten te vervoeren. Trams
en bussen om mensen naar het werk te brengen,
kwamen pas aan het einde van de 19e eeuw.
Wonen in de buurt van fabrieken was geen
pretje. Dag en nacht bliezen de schoorstenen
vuile rook uit. De arbeidersbuurten waren
smerig, doordat afval niet werd opgehaald en
op straat bleef rotten. Uitwerpselen kwamen
36
Bron 3 Een fabrieksstad tijdens de industriële revolutie.
Bron 4 Werken in de
steenkoolmijnen was gevaarlijk.
Instorting van mijngangen en
explosies van mijngas veroorzaakten
de meeste slachtoffers. Bij een
ondergrondse overstroming in de
mijn van Silkstone verdronken in juli
1838 elf meisjes en vijftien jongens.
Voor hen werd deze gedenksteen op
het kerkhof geplaatst.
waren er veel schoner en de hygiëne was beter.
Kinderen van rijke burgers konden naar goede
scholen en speelden in een mooi park. In deze
wijken woonden mensen met hoge inkomens,
zoals fabrikanten, bankiers en advocaten.
Onder die laag kwam de middenklasse van
geschoold kantoorpersoneel en winkeliers.
Zij had het iets beter dan de klasse van de
arbeiders.
Fabrieksarbeiders waren de grootste groep. Zij
hadden weinig bezit en kregen lage lonen. Pas
aan het einde van de 19e eeuw werden de leefen werkomstandigheden van de arbeidersklasse
wat beter. De overheid zorgde toen voor
waterleidingen en rioleringen en er kwam beter
onderwijs. Ook het toezicht op woningen werd
verbeterd, zodat mensen niet langer in smerige
en gevaarlijke krotten hoefden te wonen.
in beerputten terecht of belandden – net als
dierlijk afval – in rivieren en kanalen. Schoon
drinkwater was er niet. Samen met slechte
hygiëne was dat de oorzaak van cholera en
andere besmettelijke ziekten. De gemiddelde
leeftijd in de steden was dan ook laag. Onder
baby’s en peuters was de sterfte het grootst.
Inenting tegen ziekten kwam pas aan het eind
van de 19e eeuw op gang.
De overheid deed in het begin niets aan de
lage lonen en lange werktijden. Dat moesten de
ondernemers en arbeiders zelf maar regelen.
Ook kinderarbeid bleef lang bestaan. Om iets
aan hun ellendige situatie te verbeteren, richtten
arbeiders na 1850 vakbonden op. Die konden
met de bazen onderhandelen of een staking
uitroepen.
Twee werelden
Wie het kon betalen, woonde in de buitenwijken,
in grote huizen met een tuin. Daar had je minder
last van armoede, stank en vuil. De straten
37
Hoofdstuk 2
Basis
De tijd van burgers en stoommachines • De industriële revolutie
4
De voorsprong van Europa
Bron 1 Een versierde kaart van het Britse imperium uit 1886. Het kleinere kaartje laat zien welke
gebieden honderd jaar eerder, in 1786, in bezit van de Engelsen waren.
Een prachtige kaart als deze kom je in een dikke atlas meestal niet tegen.
Hij werd speciaal gemaakt voor een Engelse krant. De maker wilde laten zien dat
Groot-Brittannië een geweldig wereldrijk bezat. Engeland ligt precies in het midden
en alle roze gebieden vielen onder Engels bestuur. Bij de belangrijkste Engelse
kolonies staat extra informatie over de bevolking, de handel en het landschap.
Onderaan zit ‘vrouwe Brittannië’; zij heerst over de wereld. In haar ene hand heeft
ze een schild met de Britse vlag, in de andere een drietand. Om haar heen staan
mensen en dieren uit de verschillende werelddelen. Ze horen bij het Britse Rijk.
De drie woorden bovenaan betekenen: vrijheid, broederschap en vereniging.
Zo kregen mensen het idee dat iedereen in de kolonies gelukkig en tevreden was …
De vraag is: waarom wilden Europese landen in de 19e eeuw hun eigen wereldrijk
stichten?
38
Bron 3 Een Afrikaanse koning
onderwerpt zich in 1855 aan de Engelsen.
Bron 2 Een tekening van een handelspost
van de Engelse Oost-Indische Compagnie in
Surat, India.
Van ontdekker naar veroveraar
imperium, een wereldrijk. Dat vonden Europese
landen belangrijk voor de welvaart en het
aanzien van hun land. Tussen 1870 en 1914
veroverden ze zo grote delen van de wereld.
Deze tijd van veroveringen heet de tijd van het
modern imperialisme.
Rond 1500 zeilden de Portugezen en
Spanjaarden als eersten naar Afrika, Azië en
Amerika. Ze waren op zoek naar goud, zilver,
specerijen en andere producten waar ze geld
aan konden verdienen. De Europese schippers
maakten lange reizen over zee en waren vaak
jaren van huis.
In Noord- en Zuid-Amerika veroverden de
Europeanen grote gebieden; ze legden
daar plantages aan. Dat waren grote
landbouwbedrijven waar slaven bijvoorbeeld
suikerriet, katoen en koffie moesten verbouwen.
In Afrika en Azië ging het anders, omdat de
Europeanen niet het binnenland in trokken. Ze
bouwden wel versterkte handelsposten langs de
kust om handelswaar in te kopen, zoals slaven.
In deze forten waren ook Europese soldaten
gelegerd.
Vanaf 1870 wilden Europese landen wel zoveel
mogelijk land veroveren. Ze veroverden daarom
ook de binnenlanden van Afrika en Azië. Zo
breidden ze hun kolonies uit tot een echt
Oorzaken van het imperialisme
Naast Engeland namen ook andere Europese
landen grote delen van Afrika en Azië in bezit.
Frankrijk veroverde bijvoorbeeld Marokko,
Algerije en landen in Zuidoost-Azië. Ook kleinere
landen deden mee. Er was een aantal oorzaken
voor het imperialisme.
• Een belangrijke oorzaak was de industriële
revolutie. Fabrieken hadden grondstoffen
nodig, zoals katoen, rubber, aardolie en tin. In
de kolonies waren veel grondstoffen te vinden.
• Belangrijk was ook de mogelijkheid om de
fabrieksproducten in de kolonies te verkopen.
De kolonies waren een belangrijk afzetgebied.
Fabrikanten konden er grote winsten maken.
39
Bron 5 Een Britse familie viert kerst in India.
Deze tekening verscheen in 1881 in een Engelse
krant. Op de achtergrond zie je Indiase bedienden. De
Indiërs werden vanwege hun ras ongelijk behandeld.
Dat ging soms erg ver, zoals bij de Indiase bediende
van een Engelse ambtenaar. Deze bediende zag een
giftige slang, gaf de Engelsman een duw en redde
daarmee zijn leven. Toch kreeg hij straf, omdat hij een
Europeaan had aangeraakt.
Bron 4 Een Amerikaanse tekenaar
tekende Groot-Brittannië in 1888 als
een inktvis met veel tentakels.
nog meer spanningen tussen de grote Europese
landen.
Omdat de veroveringen zo gemakkelijk gingen,
hadden Europeanen het idee dat zij voorliepen
op andere volken. Dat leidde tot racisme: het
idee dat sommige volken beter zijn dan andere.
Veel Europeanen vonden dat de blanken hun
beschaving moesten overdragen op andere
volken. Christelijke priesters en zendelingen
gingen naar Afrika en Azië om de mensen tot het
christendom te bekeren. Zij stichtten kerken,
scholen en ziekenhuizen in de kolonies.
De winsten uit de kolonies kwamen niet ten
goede aan de bevolking van de kolonies. De
mensen in Afrika en Azië moesten, net als de
arbeidersklasse in Europa, keihard werken voor
een hongerloontje. Zij leden onder racisme,
uitbuiting en onderdrukking.
• Het bezit van kolonies gaf ook veel aanzien.
De 19e eeuw was niet alleen een tijd van
industrialisatie, maar ook van nationalisme.
Mensen waren trots op hun eigen volk en
vaderland en vonden dat hun land een groot
rijk nodig had. In boeken en kranten, op
scholen en in het leger werd vaderlandsliefde
toegejuicht.
• Europa had een technologische voorsprong.
De slecht bewapende Afrikanen en Aziaten
konden niet op tegen de (vuur)wapens van de
Europeanen. Die hadden ook de telegraaf om
snel berichten naar elkaar te seinen.
Gevolgen van het imperialisme
Bij de verovering ontstonden conflicten tussen
Engeland en Frankrijk over de verdeling van
Afrika. Ook Duitsland deed mee aan de wedstrijd
om gebieden te bemachtigen. Dat zorgde voor
40
Hoofdstuk 2
Basis
De tijd van burgers en stoommachines • De industriële revolutie
5
Nederlanders in Indië
2
3
4
1
Bron 1 De verschillende bestuurders in Nederlands-Indië in de 19e eeuw.
In Nederlands-Indië hadden machtige Nederlandse ambtenaren het voor het zeggen.
Ze waren door de regering in Den Haag naar de belangrijkste Nederlandse kolonie
gestuurd. De meesten bleven er vele jaren. Aan het hoofd van het bestuur stond
de man in de met goud versierde jas, de gouverneur-generaal. Onder hem stonden
gouverneurs en residenten die elk een deel van het grote gebied bestuurden. Ook
zij droegen officiële kleding, zoals de blauwe kostuums. Dat was erg warm in de
tropen maar hoge ambtenaren mochten geen shirtjes en korte broeken dragen. De
Nederlandse bestuurders gaven bevelen aan de regenten en andere leiders van de
Indische bevolking. Aan de prachtige kledingstukken is te zien dat deze Indonesiërs
veel hoger stonden dan de plaatselijke bevolking. Maar ook al waren zij rijk door bezit
en invloed, de Nederlanders waren de baas.
De vraag is: wat betekende het Nederlandse imperialisme voor Nederlands-Indië?
41
Bron 2 De verovering van Nederlands-Indië in de 19e eeuw.
Bron 3 Een schoolplaat uit 1910 over ‘het verraad van Lombok’.
In juli 1894 werd het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger naar
het eiland Lombok gestuurd. Het KNIL was een beroepsleger van
ongeveer 25.000 man, meest Indische soldaten en Nederlandse
officieren. Het leger moest het eiland Lombok onder Nederlands
bestuur brengen. Daar voelden de bevolking en hun vorsten
niets voor: in de nacht van 25 op 26 augustus vielen honderden
bewapende inlanders plotseling het KNIL-kamp binnen. Er vielen
97 doden aan Nederlandse kant; 272 mannen raakten gewond.
Op 19 november werd Lombok alsnog veroverd.
De VOC en Indië
ongeveer de helft van de bevolking van de stad
Batavia slavenwerk doen.
Rond 1600 werd in Europa veel verdiend aan de
specerijenhandel. Ook kooplieden uit Nederland
deden daaraan mee. Ze handelden vooral
met de eilanden van het huidige Indonesië.
Om sterker te staan tegen concurrenten uit
andere Europese landen, werkten de Hollandse
kooplieden samen in de Verenigde Oost-Indische
Compagnie. Het leger van de VOC werd ingezet
om de macht te veroveren op eilanden waar
kruidnagel en nootmuskaat groeiden. De meeste
veroveringen vonden plaats op de eilanden
Java en de Molukken. Op andere eilanden
werden handelsposten gesticht. De inwoners
mochten alleen aan Nederlanders leveren en
niet aan Europese concurrenten. Zo kregen de
Hollanders een monopolie op de winstgevende
goederen uit Oost-Indië. Om handelsposten
te bouwen en specerijen te verbouwen,
werden dwangarbeiders gebruikt. Deze slaven
werden ook als bediende en voor werk in de
huishouding gebruikt. In de 18e eeuw moest
Nederlands-Indië
In 1800 ging de VOC failliet. Het bedrijf had grote
schulden, omdat er te weinig werd verdiend. De
kolonies in Indië, de handelsposten en andere
bezittingen van de VOC werden daarna van de
Nederlandse staat. Zo ontstond NederlandsIndië, de grootste kolonie van het Koninkrijk der
Nederlanden. In de 19e eeuw kwam het modern
imperialisme op. Nederland deed daar ook aan
mee en breidde het gebied van Nederlands-Indië
verder uit. Steeds meer Indonesische eilanden
werden onderworpen. Dat gebeurde vaak met
zware gevechten, waarbij veel slachtoffers
vielen. De Indische krijgers werden verslagen,
omdat het koloniale leger van Nederland veel
beter was bewapend.
De Nederlanders voerden in Nederlands-Indië
een indirect bestuur in. Inlandse vorsten en hun
helpers mochten meebesturen, maar kregen hun
42
Bron 4 Het bestuur van Nederlands-Indië in
de 19e eeuw.
gouverneur-generaal
binnenlands bestuur
zes gouverneurs
vorsten van zelfbesturende
landschappen
Bron 5 Nederlandse ondernemers in
gesprek, terwijl Indische boeren werken op de
tabaksplantage.
eigen bestuursapparaat
residenten
assistent-residenten
regenten
controleurs
districtshoofden
aspirant-controleurs
onderdistrictshoofden
lagere ambtenaren
desahoofden
Bron 6 Dit boek van
Multatuli verscheen in 1860.
Ruim honderd jaar later
besloot een Nederlandse
filmmaker om een speelfilm
te maken van Max Havelaar.
Dit affiche verscheen toen de
film op de markt kwam.
Europees (Hollands) bestuur
Inheems (Indonesisch) bestuur
staat uit Nederlands-Indië. De aanleg van de
Nederlandse spoorwegen en het Noordzeekanaal
werden voor een groot deel betaald met geld uit
Nederlands-Indië.
Voor de Indonesische boeren was het
cultuurstelsel erg ongunstig. Zij hielden minder
land en tijd over om rijst te verbouwen, terwijl
dat hun belangrijkste voedsel was. Dat leidde tot
hongersnood onder de bevolking.
Rond 1870 besloot de Nederlandse regering
om het cultuurstelsel af te schaffen. Dat was
precies wat Nederlandse ondernemers wilden.
Zij wilden zelf geld verdienen door te beginnen
met plantages, mijnbouw en fabrieken. De
fabrikanten hadden ook veel belangstelling voor
grondstoffen als rubber, tin en aardolie.
Rond 1900 kwam er langzaam meer aandacht
voor de Indonesische bevolking. De regering
zorgde voor de bouw van scholen en
ziekenhuizen.
opdrachten van de Nederlandse gouverneurs.
Die werden geholpen door Nederlandse
ambtenaren. Er waren veel minder Nederlandse
dan Indonesische bestuurders. De Nederlanders
hadden wel de touwtjes in handen, want zij
hadden de controle over leger en politie. De
Nederlanders zaten vooral op het eiland Java, in
de hoofdstad Batavia (tegenwoordig Jakarta).
Voordeel voor Nederland
De Nederlandse regering bemoeide zich veel
met Nederlands-Indië, want een kolonie moest
winst opleveren. In 1830 werd het cultuurstelsel
ingevoerd. De Indonesische boeren op Java
werden gedwongen op een deel van hun grond
gewassen te verbouwen als koffie, tabak en
suiker (cultuurgewassen). Deze producten
werden in Europa verkocht, wat veel geld
opleverde. Die winst ging niet naar de boeren in
Nederlands-Indië, maar kwam in de Nederlandse
schatkist. Tussen 1850 en 1860 kwam een derde
deel van de inkomsten van de Nederlandse
43
Hoofdstuk 2
Basis
De tijd van burgers en stoommachines • De industriële revolutie
6
Slavernij in Suriname
Eenaanhouding
tekening over
werk op
een suikerrietplantage
1850.
Bron 1 De
vanhet
prinses
Wilhelmina
van Pruisen bijuit
Goejanverwellesluis.
(Prent uit 1787.)
Sommige slaven misten een arm of een been. Dat kon het gevolg zijn van een
lijfstraf of van een ongeval. De slaven moesten het suikerriet dat ze gekapt
hadden, in grote molens stoppen. Op de bron zie je zo’n molen. De suikermolens
draaiden rond om het suikerriet te vermalen. Naast elke molen hing een flinke
hakbijl. Die was nodig om levens te redden. Als je vingers tussen de molens
kwamen en je arm werd meegesleurd, zat er maar één ding op: een andere slaaf
of de opzichter hakte je hand of zelfs je arm eraf om erger te voorkomen. De
molen was namelijk niet tot stilstand te brengen bij een ongeluk. De arbeiders
konden het gevaarlijke werk niet weigeren, want ze waren slaven.
Het suikerriet werd na het vermalen gekookt en gedroogd om suiker te krijgen.
Het werk ging dag en nacht door, want de plantagebazen wilden winst maken.
Suikerriet en koffie waren de belangrijkste gewassen op de Surinaamse
plantages.
De vraag is: hoe belangrijk was de slavernij in de Nederlandse kolonies?
44
Bron 2 Slavenjagers in Afrika
brengen hun menselijke
buit naar de kust. Europese
handelaren kochten de
slaven en vervoerden hen in
slavenschepen naar Amerika.
Bron 3 Een slavenmarkt in Suriname. Planters betaalden 800 tot
3.400 gulden per slaaf. Het bedrag hing onder meer af van de leeftijd
van de slaaf, het geslacht en de vakkennis op een bepaald gebied.
Suriname en de Nederlandse Antillen
slavenhandelaren ontvoerden mensen in Afrika
en verkochten die slaven vervolgens aan de WIC.
Nederlands-Indië was niet de enige Nederlandse
kolonie. In 1667 kwam Suriname in Nederlandse
handen. De eilanden van de Antillen waren al
dertig jaar eerder veroverd. Deze gebieden lagen
in Amerika, het handelsgebied van de WestIndische Compagnie. De Nederlanders kregen in
de gaten dat er veel geld te verdienen was met
suikerplantages. Later werden op de plantages
ook koffie, katoen en cacao verbouwd. Mensen
in Europa dronken steeds meer koffie en thee,
liefst met suiker. Daardoor was er een goede
afzetmarkt voor producten van de plantages.
In het begin werden de indiaanse bewoners van
Suriname gebruikt als slaven op de plantages,
maar er waren er niet genoeg. Bovendien
stierven veel indianen door besmettelijke
ziekten uit Europa. De kolonie werd bestuurd
door de West-Indische Compagnie. Na een grote
indiaanse opstand besloot de WIC om goedkope
werkkrachten uit Afrika te halen. Afrikaanse
Slavenwerk op de plantages
In totaal zijn ongeveer 225.000 Afrikanen naar
Suriname en de Antillen vervoerd om als slaven
op de plantages te werken. Landbouw op de
plantages was anders dan landbouw in Europa.
Plantages waren erg groot en er werd maar één
product verbouwd. Het zware werk werd door
slaven gedaan, de eigenaren (planters) en
opzichters waren blanke Europeanen. Het enige
doel was om zoveel mogelijk winst te maken.
De meeste Europeanen zagen de Afrikanen
als minderwaardige mensen die lui, dom en
gewelddadig waren. Dit racisme leidde tot een
keiharde en onmenselijke behandeling. De
planters mochten hun opstandige of weggelopen
slaven niet doden. Alleen een speciale rechtbank
in Paramaribo, de enige stad in Suriname, kon
de doodstraf geven. Zweepslagen of andere
45
Bron 4 Kop en schotel (rond 1855). Op de
schotel is een slaaf te zien die met kettingen
vastzit. Op het kopje staat: ‘Als niemand u ziet,
God ziet u.’
Abolitionisten wilden vrijheid en gelijke
rechten voor de slaven. Ze zamelden geld in
om slaven vrij te kopen, bijvoorbeeld door de
verkoop van deze kop en schotel.
Bron 5 Afschaffing van de slavernij liet lang op
zich wachten. Tegenstanders van de afschaffing
beweerden dat de slaven de vrijheid niet aankonden.
Ze waren vooral ook bang om hun inkomen en bezit
kwijt te raken.
op zee en hielden smokkelaars met slaven aan
boord tegen. In 1833 ging Engeland nog een
stap verder en schafte het de slavernij in de
Britse kolonies af. Daarmee gaven de Britten een
voorbeeld aan andere landen.
In Nederland kwam rond 1840 een
abolitionistische beweging op. Maar de
Nederlandse regering kon het niet eens worden
over een vergoeding voor de eigenaren van de
slaven. Pas in 1863 was er een meerderheid in
de Tweede Kamer die een wet aannam waardoor
de slavernij werd afgeschaft. 35.000 slaven in
Suriname en op de Antillen werden vrije mensen.
De planters kregen een schadevergoeding,
omdat zij hun bezit (de slaven) kwijtraakten. Het
geld daarvoor kwam uit de opbrengst van het
cultuurstelsel in Nederlands-Indië.
pijnlijke lijfstraffen waren wel toegestaan. Die
waren bedoeld om de slaven onder de duim
te houden. Toch kwam het geregeld voor dat
slaven in opstand kwamen. Anderen vluchtten
weg van de plantages en bouwden diep in de
binnenlanden van Suriname een nieuw leven op.
De opkomst van het abolitionisme
Aan het einde van de 18e eeuw ontstond in
Groot-Brittannië een beweging die protesteerde
tegen de slavernij. Die beweging heet het
abolitionisme. Het uit elkaar halen van
Afrikaanse gezinnen en de wrede behandeling
van de slaven moeten stoppen, zeiden de
abolitionisten. In 1807 besloot het Engelse
parlement om de slavenhandel te verbieden. De
aanvoer van nieuwe slaven voor Amerika liep
daarna sterk terug. De Engelsen waren de baas
46
Hoofdstuk 2
Verdieping
De tijd van burgers en stoommachines • De industriële revolutie
7
Op weg naar de moderne geneeskunde
In 1829 werd William Burke opgehangen op het marktplein van de stad Edinburgh.
Burke had zich schuldig gemaakt aan het gehate body snatching: lijken roven. Er
vond in die tijd steeds meer anatomisch onderzoek plaats. Onderzoekers wilden in
verse lijken snijden om meer te ontdekken over het menselijk lichaam. Sommige
onderzoekers legden zelfs overleden familieleden op de snijtafel. Boeven die de
doodstraf kregen, werden ook veroordeeld tot het ontleedmes. Op bron 1 zie je
zo’n misdadiger waar onderzoekers mee bezig zijn. Maar het tekort bleef bestaan.
Bodysnatcher Burke vermoordde zwervers en zieke mensen en verkocht ze voor grof
geld aan een snijdende dokter. Onder de bevolking bestond grote angst om in handen
van bodysnatchers te vallen. Dat werd er niet beter op toen het Engelse parlement
in 1832 een merkwaardige wet aannam: wie op staatskosten in een armenhuis was
onderhouden en geen familie had, werd na zijn dood aan de onderzoekers gegeven …
De vraag is: hoe was het gesteld met de gezondheid en de medische vooruitgang in de
19e eeuw?
Bron 1 De beloning van wreedheid.
De Engelse tekenaar William Hogarth maakte deze tekening over het lot van
de moordenaar Tom Nero. Na zijn veroordeling en doodstraf aan de galg werd
het lichaam van Nero aan de anatomische onderzoekers gegeven. Hogarth
maakte met zijn tekeningen duidelijk dat het met boeven slecht zou aflopen.
47
Bron 2 Prikken tegen de pokken.
Edward Jenner (1749-1823) was een Engelse
dokter. Een boerenmeisje vertelde hem dat zij
niet bang was voor de besmettelijke pokken,
omdat ze de ziekte al had gehad. De ziekte
zorgde ook voor vreselijke littekens. Jenner
injecteerde vocht uit de pok van een koe bij
een gezond jongetje. Toen hij het knulletje
zes weken later met de gevaarlijke pokken
besmette, gebeurde er niets. De methode
van Jenner was veiliger dan de variolatie
(opzettelijke besmetting). Daarbij werden
mensen ingespoten met pus uit de puisten
van lijders aan de pokken. De tekenaar van de
spotprent geloofde niet in de immuniserende
(beschermende) werking van koepokstof.
Links de dokter met de spuit, naast hem
een hulpje en verder patiënten waarbij
koeienuiers op hun lijf groeien.
Bron 3 De Goudsbloemgracht in Amsterdam
rond 1850. Grachten vormden vaak open riolen,
waarin naast ontlasting ook afval, dode beesten
en andere troep dreven. In de tweede helft van de
19e eeuw gaven stadsbestuurders de opdracht om
stinkende grachten te dempen.
Bron 4 Oorzaak en gevolg.
Nederland werd in 1832, 1849, 1854 en 1866
getroffen door een besmettelijke ziekte, waaraan
tienduizenden mensen overleden. Mensen
noemden de epidemie de ‘Aziatische braakloop’,
beter bekend als cholera. Een zieke moest steeds
braken, kreeg hevige diarree en overleed binnen
enkele uren. De oorzaak was volgens veel artsen
smerige lucht. Een Engelse dokter geloofde
dat niet. Hij waarschuwde dat het gevaar zat in
waterpompen en vervuild oppervlaktewater, waar
mensen drinkwater uit haalden.
A
B
Bron 5 De vooruitgang op medisch gebied was
ook te zien aan het groeiend aantal hulpmiddelen,
zoals stethoscopen en thermometers.
Bron 6 Een schilderij over de eerste operatie onder
narcose. De patiënt bleef rustig, terwijl de artsen de tijd
hadden om de zware operatie zorgvuldig uit te voeren.
48
Hoofdstuk 2
De tijd van burgers en stoommachines • De industriële revolutie
8
Afsluiting
Wat moet je kennen en kunnen?
B Het modern imperialisme
• wat de oorzaken van het modern imperialisme
waren;
• wat de verschillen waren tussen modern
imperialisme en het kolonialisme;
• welke kolonies Nederland bezat in Azië en
Amerika;
• hoe belangrijk het abolitionisme was voor de
afschaffing van de slavernij.
Je moet kunnen uitleggen:
A Er komt een nieuw middel van bestaan:
industrie
• wat de oorzaken waren van de industriële
revolutie in Groot-Brittannië;
• wat industrialisatie is;
• wat het verschil was tussen huisnijverheid en
fabrieksarbeid;
• welke verbeteringen er kwamen in vervoer en
transport;
• hoe de werkomstandigheden van de
arbeiders waren;
• hoe de leefomstandigheden van de arbeiders
verschilden van die van de burgerij;
• wat de overheid deed aan de leef- en
werkomstandigheden.
Vaardigheid
Je moet veranderingen kunnen herkennen.
Dat betekent dat je begrijpt of het om een
politieke, een economische, een sociale of een
godsdienstige verandering gaat.
Begrippen
industriële revolutie
Grote verandering in West-Europa door
de komst van fabrieken en nieuwe
vervoermiddelen aan het eind van de 18e en in
de 19e eeuw.
infrastructuur
Alle wegen, spoorlijnen, waterwegen en andere
verbindingen in een gebied.
kapitalisme
Economisch systeem waarbij alles draait
om winst maken. Grond en fabrieken zijn in
handen van ondernemers die proberen zoveel
mogelijk winst te maken.
kolonie
Een gebied dat in een ander werelddeel ligt en
door een (Europees) land was veroverd.
modern imperialisme
Verovering van grote delen van Afrika en Azië
door Europese landen in de periode tussen
1870 en 1914.
nationalisme
Grote liefde voor eigen land, volk en cultuur.
abolitionisme
Beweging die opkwam voor de afschaffing van
de slavernij. In 1863 werd de slavernij in de
Nederlandse kolonies afgeschaft.
cultuurstelsel
Een maatregel van de Nederlandse regering
voor de boeren in Nederlands-Indië. Zij
moesten op een deel van hun land koffie,
suiker en andere handelsgewassen verbouwen.
fabriek
Bedrijf waar met machines grote hoeveelheden
producten worden gemaakt.
huisnijverheid
Werk dat mensen thuis voor een ondernemer
doen om wat extra geld te verdienen.
imperium
Een groot en machtig rijk, bijvoorbeeld GrootBrittannië met al zijn kolonies.
indirect bestuur
Een kolonie besturen door inlandse vorsten in
te schakelen.
industrialisatie
De opkomst van industrie in een gebied waar
eerst vooral aan landbouw werd gedaan.
49
Nederlands-Indië
Een Nederlandse kolonie in Azië. Dit land heet
tegenwoordig Indonesië.
plantage
Een groot landbouwbedrijf in een kolonie, waar
slaven of dwangarbeiders meestal één product
moeten verbouwen.
slavernij
Mensen zijn gevangengenomen en het bezit
van een ander geworden. Zij moeten tegen hun
wil werk verrichten.
vakbond
Een vereniging van mensen met een
bepaald beroep, die opkomt voor de rechten
van werknemers en strijdt voor betere
werkomstandigheden.
Bron 1 Een slavenmarkt in Suriname, rond 1830.
Bron 2 Afschaffing van de slavernij in
Suriname.
50
Tijdbalk
1750
Eerste machines en
fabrieken in Engeland
1700
Bron 3 De stoommachine die James Watt
heeft ontworpen, rond 1775.
1900
TIJD VAN BURGERS EN
STOOMMACHINES 1800 – 1900
1800
1800
Begin van
Nederlands-Indië
1830-1870
Cultuurstelsel
1850
Opkomst
abolitionisme
1863
Afschaffing slavernij
Bron 4 Barack Obama, de eerste zwarte
president van de Verenigde Staten. Hij laat
zien dat de zwarte Amerikanen ook in de
hoogste functies zijn doorgedrongen.
1950
1870-1914
Modern
imperialisme
heden
51
Download