O Samen vermaatschappelijken

advertisement
O
Samen vermaatschappelijken
verslagboek symposium
22 mei 2014
INHOUDSTAFEL
I.
Waarom dit symposium? Wat ging er aan vooraf?
4
II. Intro
8
III. Achtergrond: de geestelijke gezondheidszorg als complex adaptief systeem 14
3.1.
3.2.
3.3.
Complex adaptieve systemen: complexiteitstheorie in ruime zin............................................... 14
De Vlaamse geestelijke gezondheidszorg gezien door de lens van de
complexiteitstheorie................................................................................................................... 16
Samenwerken in netwerken....................................................................................................... 18
IV. Tussen centrum en periferie
4.1.
4.2.
Hulpverleningsorganisaties en netwerken gedefinieerd............................................................. 20
Sleutelorganisaties als verklaring................................................................................................ 22
V. Handvatten voor samenwerkers
5.1..
5.2.
5.3.
5.4.
5.5.
5.6.
5.7.
5.8.
5.9.
2
46
Tafel 1: gastheer Jan Vos ............................................................................................................ 46
Tafel 2: gastvrouw Like Vandamme............................................................................................. 47
Tafel 3: gastvrouw Kristin Nuyts.................................................................................................. 48
Tafel 4: gastvrouw Helen Blow.................................................................................................... 49
Tafel 5: gastvrouw Kris Stas......................................................................................................... 51
Tafel 6: gastvrouw Evelien Demaerschalk................................................................................... 52
Tafel 7: gastvrouw Lifa Ouald Chaib............................................................................................ 54
Tafel 8: gastheer Ludo Serrien.................................................................................................... 55
Tafel 9: gastvrouw Itte Van Hecke............................................................................................... 56
VII. Inspirerende samenwerking tussen Algemeen Welzijnswerk en Geestelijke
Gezondheidszorg in de schijnwerper
7.1.
7.2.
7.3.
7.4.
24
Enkele definities......................................................................................................................... 25
Werkt samenwerken?................................................................................................................. 26
Adviezen gebaseerd op meningen van experten eerder dan effectmetingen............................. 28
Bryson: success will be very difficult to achieve.......................................................................... 29
Concepten en schema’s.............................................................................................................. 32
Drie perspectieven om naar de motivatie voor samenwerking tussen organisaties
te kijken...................................................................................................................................... 33
Drie samenwerkingsstrategieën................................................................................................. 33
Een typologie naar doelen.......................................................................................................... 34
Praktische instrumenten voor het nadenken over samenwerking
tussen organisaties..................................................................................................................... 37
VI. Worldcafé
6.1.
6.2.
6.3.
6.4.
6.5.
6.6.
6.7.
6.8.
6.9.
20
58
CAW Antwerpen ........................................................................................................................ 58
CAW Brussel .............................................................................................................................. 60
CAW Centraal West-Vlaanderen................................................................................................. 61
CAW De Kempen......................................................................................................................... 62
7.5.
7.6.
7.7.
7.8.
CAW Limburg ............................................................................................................................. 63
CAW Oost Brabant...................................................................................................................... 63
CAW Oost-Vlaanderen................................................................................................................ 68
CAW Zuid West-Vlaanderen........................................................................................................ 69
VIII. Bibliografie
70
COLOFON
Auteur: Peter Brepoels
Coverfoto: Brandpunt23
Opmaak: secretariaat Steunpunt Algemeen Welzijnswerk
Volgnummer: OD/2015/2
Depot nummer: D/2015/11.734/2
ISBN 978 16 1627 155 8
© 2015 Steunpunt Algemeen Welzijnswerk
Gehele of gedeeltelijke overneming of reproductie van de inhoud van de uitgave,
zonder vermelding van de bron is verboden.
De foto’s zijn auteursrechtelijk beschermd.
3
I
WAAROM DIT SYMPOSIUM?
WAT GING ER AAN VOORAF?
LUDO SERRIEN
ALGEMEEN DIRECTEUR STEUNPUNT ALGEMEEN
WELZIJNSWERK
vindplaats
inspirerende
Inhoud
de toespraken van Ludo Serrien en Kristof Desair werden woordelijk
weergegeven, de presentaties van Anja Declercq en Peter Raeymaeckers zijn
genoteerd door de verslaggever op basis van de presentatie die de sprekers
gaven. Deze presentaties zijn te bekijken op www.kennisplein.be. De bijdrage van
Peter Brepoels is de volledige literatuurstudie die hij maakte. Voor de presentatie
gebruikte maakte hij een selectie. De presentatie kan worden gedownload op
www.kennisplein.be.
Waarom dit symposium?
De eerste lijn (waaronder het CAW) is een belangrijke ‘vindplaats’ die mensen
met psychische en psychiatrische problemen bereikt. Onderzoek van Chantal Van
Audenhove wees uit dat bijna ¾ van de mensen die aankloppen bij sociaal werk
(CAW, OCMW, ziekenfondsen) een manifest ‘psychisch onwel bevinden’ ervaart,
vaak in samenhang met ‘financiële kwetsbaarheid’. Deze eerste lijn is daarom
een startpunt voor vroegdetectie en vroeginterventie. Vermaatschappelijking
houdt dan in: het realiseren van een outreachend hulpaanbod, in de samenleving
en op de ‘eerste lijn’.
In 2013 kreeg het Steunpunt de vraag van minister Vandeurzen om inspirerende
praktijken in de samenwerking CAW-GGZ in beeld te brengen. Het symposium
waarover we hier verslag uitbrengen kadert hierin en vertrekt van het brede
perspectief van de ‘vermaatschappelijking’.
Wat ging er aan deze studiedag vooraf?
Exact 5 jaar geleden (14 mei 2009) organiseerde het Steunpunt Algemeen
Welzijnswerk i.s.m. de FDGG en Zorgnet Vlaanderen een trefdag over de
samenwerkingsprojecten tussen CAW en CGG, die toen door de Vlaamse
overheid met tijdelijke middelen gestimuleerd werden.
4
Samen vermaatschappelijken. Verslagboek symposium
I
Twee citaten uit deze trefdag:
“De inbreng van potentieel van de ambulante geestelijke
gezondheidszorg kan de hulpverleners in de CAW’s
ondersteunen, zodat ze hun CAW-specifieke zorg werkzaam
kunnen maken voor deze mensen met een bijkomende GGZproblematiek. Maar ook omgekeerd. De samenwerking kan er
voor zorgen dat er een meer geïntegreerd zorgpakket wordt
aangeboden voor psychiatrische patiënten.”
(Wouter Decat, Zorgnet Vlaanderen)
“Het is duidelijk dat we het GGZ-plaatje met onze huidige
voorzieningen en het huidige aanbod niet rond krijgen: we
ontbreken een bijzonder belangrijke partner in die reeds
lang op stapel staande netwerken en zorgcircuits, namelijk
de eerste lijn. En dan hebben we het hier uiteraard over de
CAW’s, maar ook de eerstelijnsgezondheidszorg, de huisartsen,
groepspraktijken, wijkgezondheidscentra, thuiszorg, enz”
(Jos Lievens, FDGG)
Op 25-26 februari 2011 nam het Steunpunt Algemeen Welzijnswerk deel aan
een seminarie over ‘Een fundamentele hervorming van de GGZ’ of de start van
‘Psy-107’. Het referaat van Ludo Serrien op deze tweedaagse vindt u hier: ‘De
hervorming van de geestelijke gezondheidszorg door de bril van het CAW’.
We zien ook dat er een raakvlak is tussen de doelstellingen van Psy-07 en
de Europese doelstellingen over thuisloosheid. Op dit raakvlak kan o.m.
gewerkt worden aan perspectieven op begeleiding en wonen na ontslag uit
een psychiatrische instelling. Vele thuislozen blijken immers een verleden te
hebben in allerlei instellingen en scoren vrij hoog op het vlak van psychische
en psychiatrische problemen (thuisloosheid als oorzaak en als gevolg van
psychiatrische problemen).
Ook hier is het CAW een belangrijke vindplaats. Uit de projecten-2009
herinneren we ons nog de getuigenis van enkele ‘outreachers’ van een CGG, die
in een inloopcentrum van het CAW ‘hun doelgroep’ zagen.
Samen vermaatschappelijken is een opdracht
‘Samen vermaatschappelijken’ wijst op opdracht van zowel de CGG’s als de
CAW’s. Zo werkt het CAW aan een evolutie van ‘thuislozenzorg’ naar meer
‘woongerichte oplossingen’. Tegelijk is het ook een beweging van de geestelijke
gezondheidszorg naar een aanpak die meer aansluit bij de eerste lijn, waaronder
het sociaal werk van de CAW’s.
5
I
Samen vermaatschappelijken. Verslagboek symposium
voordeur
achterdeur
Deze vermaatschappelijking speelt zich af aan de ‘voordeur’ én aan de
‘achterdeur’ van de geestelijke gezondheidszorg. Aan de voordeur gaat het over
preventie, beeldvorming, vroegdetectie, crisisinterventie, aan de achterdeur
over rehabilitatie, woongerichte oplossingen, en de (her)opbouw van netwerken.
Aan beide deuren hebben (generalistische) sociaal werkers en (gespecialiseerde)
geestelijke gezondheidswerkers elkaar nodig. Beter gezegd: de kwetsbare burgers
hebben de gelijktijdige inzet nodig van beide expertises.
‘Samen vermaatschappelijken’ houdt hier ook in dat beide sectoren de handen
in elkaar slaan om samen de maatschappij te ‘bewerken’ in sociale netwerken
en met woongerichte oplossingen, met de complementaire inzet van het brede
generalistische sociaal werk en de gespecialiseerde GGZ. Het symposium en dit
verslagboek dragen alvast hun steentje bij.
6
Samen vermaatschappelijken. Verslagboek symposium
I
7
II
INTRO
KRISTOF DESAIR
KABINETSMEDEWERKER MINISTER
JO VANDEURZEN, VLAAMS MINISTER VOOR
WELZIJN, VOLKSGEZONDHEID EN GEZIN
Vermaatschappelijking als rode draad
Het beleid van de afgelopen legislatuur berust op een visie van het op lange
termijn in stand houden van een zorgzame samenleving. De volgende principes
hebben daarbij centraal gestaan: meer geïntegreerd werken, op maat van de
zorgvrager, ontkokerd, intersectoraal. Niet de logica van de organisatie, maar
het perspectief van de cliënt moet de zorg bepalen. Hulp- en zorgaanbieders
moeten meer zorg op maat en continuïteit van zorg mogelijk maken. En
daarbij: zorg hoort thuis in de samenleving. Het hoort bij het leven van elke
dag. In het gezin, de buurt, op het werk. Er is niet zoiets als de wereld van de
hardwerkende perfecte Vlaming en de wereld van de mensen met beperkingen
of kwetsbaarheden. We leven samen en zorg is pas goede zorg als de betrokkene
ook het authentieke gevoel heeft iets te betekenen voor anderen. Daarover gaat
de vermaatschappelijking van de zorg. Vandaag staat vermaatschappelijking voor
de hele evolutie die welzijn en zorg in Vlaanderen inspireert. De inspiratie van
dat beleid aanhouden, is de beste garantie op een warme samenleving!
De eerste lijn speelt een sleutelrol
De eerste opvang van cliënten met vragen en noden op het vlak van hun welzijn
of geestelijke gezondheid gebeurt door de eerste lijn. De CAW’s spelen daar
natuurlijk een belangrijke rol in het realiseren van een toegankelijk, betaalbaar
en kwaliteitsvol aanbod aan hulp- en dienstverlening op de eerste lijn en in de
bestrijding van kansarmoede.
niet alleen
8
Binnen de contouren van vermaatschappelijking van de zorg en de toenemende
uitdagingen die de samenleving ons stelt, staan de CAW’s niet alleen op die
eerste lijn en moeten ze zorgen voor een zo maximaal mogelijke afstemming
en samenwerking met de verschillende welzijns- en zorgsectoren, justitie,
huisvesting… De vragen en noden waarmee mensen op de eerste lijn hulp
zoeken, laten zich ook niet reduceren tot één specifiek probleem. Vaak gaat
het om een samengaan van noden op vele levensdomeinen, denk bijvoorbeeld
aan het samengaan van problematisch middelengebruik, woonproblematiek,
psychische problemen, financiële problemen, mentale beperking enzovoort. Ik
hoef ze u niet te leren kennen. Logischerwijs dringt zich een gedeelde zorg op.
Zorgpartners moeten samenwerken, hun expertise samenleggen en delen, om de
cliënt gepast te helpen.
Er zijn een aantal grootschalige bewegingen op gang gebracht om deze
samenwerking in het welzijns- en gezondheidslandschap te verankeren.
Samen vermaatschappelijken. Verslagboek symposium
II
Jeugd en gezinnen
Een eerste terrein dat ik even wil belichten betreft onze jeugd en onze gezinnen.
Opvoedingsmoeilijkheden, problemen in de gezinsrelaties, problemen op school,
familiaal geweld, gedragsproblemen, agressie, een psychiatrische problematiek,
… kunnen een zodanige impact hebben op het leven van kinderen en gezinnen
dat een vraag naar hulpverlening zich opdringt. In dat geval is het belangrijk dat
we in het aanbieden van deze hulp een gezamenlijke visie en gedeelde principes
hanteren. Dit kunnen we realiseren door een gemeenschappelijke analyse van de
hulpvraag, sectoroverschrijdende samenwerking tussen jeugdhulpaanbieders en
een verregaande intersectorale afstemming van het jeugdhulpaanbod.
geen doel op zich
samenwerking
met justitie
art. 107
continuïteit
netwerken en
zorgcircuits
Zo wordt duidelijk dat integrale jeugdhulp geen doel op zich is maar dat alleen
een verregaande intersectorale samenwerking zal leiden tot het gewenste
en gevraagde resultaat. We moeten de samenwerking tussen het algemeen
welzijnswerk, de geestelijke gezondheidszorg en de vier andere sectoren in één
jeugdhulp verder operationaliseren en concretiseren.
In deze legislatuur werd met een nieuw decreet op de integrale jeugdhulp
de grootste hervorming in 20 jaar jeugdzorg ingezet. Daarbij dragen we de
participatie van gebruikers hoog in het vaandel en meteen werd ook een
nieuwe uitdaging glashelder: de samenwerking met justitie. Met de zesde
staatshervorming worden de Federale Detentiecentra van Everberg en Tongeren
Vlaamse instellingen en wordt Vlaanderen bevoegd voor de maatregelen die
opgelegd worden aan jongeren die strafbare feiten hebben gepleegd. Een andere
stevige uitdaging vormt de samenwerking met de geestelijke gezondheidszorg,
meer specifiek de kinder- en jeugdpsychiatrie.
Op het terrein van de geestelijke gezondheidszorg is er de afgelopen jaren
vruchtbaar samengewerkt tussen het federale niveau en de deelstaten in het
kader van artikel 107-projecten. De ontwikkeling van een gemeenschapsgerichte
geestelijke gezondheidszorg, door de realisatie van zorgnetwerken en
zorgcircuits, is de doelstelling van deze hervorming. Dit betekent dat er een
volledig GGZ-aanbod moet zijn voor volwassenen met psychische problemen,
met de nodige dwarsverbanden naar belendende sectoren, niet in het minst naar
de sector van het algemeen welzijnswerk. Centraal staat de continuïteit van zorg.
Elf Vlaamse projecten werden opgezet voor drie jaar en zij bewijzen dat betere
geestelijke gezondheidszorg kan worden geboden door het vermaatschappelijken
van de zorg. Uit de talrijke werkbezoeken van de overheden ondervonden we
dat zowel de partners als de individuele medewerkers enthousiast meebouwen
aan de ontwikkeling van zorgcircuits en een globaal netwerk, dat er een
positieve evolutie is naar het vormen van een globaal netwerk waarin de
geestelijke gezondheidszorg samenwerkt met het algemeen welzijnswerk en
andere belendende sectoren en dat patiënten en familieleden daarbij betrokken
worden. Een belangrijk aantal CAW’s heeft dit onderstreept in de inventaris
van inspirerende samenwerkingsinitiatieven die het Steunpunt Algemeen
Welzijnswerk opmaakte.
De eerste stappen zijn ook reeds gezet naar het ontwikkelen van zorgcircuits en
zorgnetwerken voor kinderen en jongeren. Op 24/2/14 tekenden de ministers
bevoegd voor Volksgezondheid en gezondheidsbeleid in België een aanvullende
gemeenschappelijke verklaring op de gemeenschappelijke verklaring van 10
december 2012 voor de realisatie van netwerken en zorgcircuits in de GGZ voor
kinderen en jongeren. Daarmee zetten de ministers de deur open om samen
een vernieuwd beleid inzake geestelijk gezondheid voor kinderen en jongeren
uit te denken. De aanvullende verklaring wil de hoofdlijnen van het nieuwe
9
II
Samen vermaatschappelijken. Verslagboek symposium
geestelijke gezondheidsbeleid voor kinderen en jongeren aangeven. Dit beleid
gaat breder dan de sector van de gespecialiseerde geestelijke gezondheidszorg
(kinderpsychiatrie, centra geestelijke gezondheidszorg). Het brede perspectief
van het nieuwe beleid geestelijke gezondheid moet bewaakt worden, waarbij de
GGZ de sectorexterne partners aanspreekt op hun verantwoordelijkheden naar
de geestelijke gezondheid van kinderen, jongeren en hun context. Momenteel
is een redactiecomité bezig met het schrijven van een gids die kan voorgelegd
worden bij de start van een nieuwe legislatuur. De ambitie is om in het jaar 2015
de eerste netwerken en zorgcircuits in de GGZ voor kinderen en jongeren van
start te laten gaan.
Op basis van deze gids zal dus een vernieuwde beleidsvisie uitgewerkt worden.
Voor Vlaanderen ligt het accent er op dat de ontwikkelingen in de integrale
jeugdhulp volledig moeten sporen met het nieuwe beleid rond geestelijke
gezondheid en omgekeerd. In de omschreven functies in de gemeenschappelijke
verklaring kan Vlaanderen zijn reeds ontwikkelde troeven uitspelen en verder
uitbouwen op het vlak van vroeg detectie, screening en oriëntatie; diagnostiek;
behandeling en op het vlak van activiteiten die tot doel hebben het kind of de
jongere zo volwaardig mogelijk te laten participeren aan de samenleving, en dat
vanuit een intersectorale invalshoek.
We moeten hierbij ook oog hebben voor de meest kwetsbare groepen en meer
specifiek, voor een doeltreffende aanpak van extreme complexe meervoudige
problematieken waarmee een aantal kinderen en jongeren in Vlaanderen
kampen: jongeren met extreme gedragsproblemen, agressie, geweldpleging of
internaliserende problemen die fysiek autodestructief zijn, veelal in combinatie
met verstandelijke beperkingen, psychiatrische problemen of een ontoereikende
gezinscontext. Bij uitstek dus een kwetsbare groep waar je niet anders kan
dan intersectoraal samenwerken en stappen vooruit zetten. Onlangs heeft
een redactiecomité met mensen uit Justitie, geestelijke gezondheidszorg en
jongerenwelzijn hierrond een tekst met aanbevelingen afgewerkt die een plaats
zal krijgen in de regeringsonderhandelingen en in dialoog met alle relevante
sectoren, waaronder het algemeen welzijnswerk, verder geoperationaliseerd
wordt.
Meer zorg voor de geestelijke gezondheid in de eerste lijn
eerstelijnspsycholoog
Naast deze grootschalige bewegingen was een van de doelstellingen van deze
legislatuur om meer zorg voor de geestelijke gezondheid in de eerste lijn te
krijgen, aanvullend op de expertise die al aanwezig is binnen het algemeen
welzijnswerk. Zo kwamen er 7 projecten van de eerstelijnspsychologische
functie. Zij leggen de nadruk op laagdrempelige, kortdurende zorg voor lichte en
milde psychische klachten. De eerstelijnspsycholoog is beschikbaar op plaatsen
waar burgers sowieso al af en toe aanwezig zijn zoals het Sociaal Huis, het
OCMW, het Centrum voor Algemeen Welzijnswerk, de huisartsenpraktijk of het
wijkgezondheidscentrum.
Tijdens deze legislatuur hebben we ook meer ingezet op de geestelijke
gezondheid van specifieke doelgroepen zoals gedetineerden in gevangenissen,
personen met een dubbele diagnose in VAPH-instellingen, mensen in
armoede…
verenigingen
10
Zo hebben we in dit kader ook samenwerking geïnstalleerd tussen verenigingen
waar armen het woord nemen, de CAW’s en de CGG’s via 4 pilootprojecten. Dit
met als doelstelling: nieuwe methodieken ontwikkelen die de toegankelijkheid
voor mensen in armoede in de GGZ verhogen.
Samen vermaatschappelijken. Verslagboek symposium
II
Oog voor elkaar, ook met elkaar
hefboomeffect
nog werk aan de winkel
brugfiguren
Met het project “oog voor elkaar, ook met elkaar” wilden Cera en de Vlaamse
overheid de CAW’s, de CGG’s en de verenigingen waar mensen in armoede het
woord nemen gedurende 2 jaar de kans geven om in 4 verschillende regio’s
te experimenteren en samen te werken om de toegankelijkheid van mensen
in armoede te verhogen in de geestelijke gezondheidszorg. Uit de evaluatie
van de projecten leren we dat het stuk voor stuk projecten zijn geworden
die een belangrijk hefboomeffect in zich hebben, die een bijdrage leveren
aan het doorbreken van het taboe rond geestelijke gezondheid en die, last
but not least, voor een grotere toeleiding van mensen in armoede naar de
geestelijke gezondheidszorg hebben gezorgd. CGG’s, CAW’s en verenigingen
waar armen het woord nemen, namen daartoe samen de handschoen op
met een wijkgezondheidscentrum of met een lokaal OCMW of met een
eerstelijnspsychologische functie. Voor mensen in armoede bleek het belangrijk
te zijn dat de hulpverlening gebeurt op plaatsen die voor hen vertrouwd zijn. Op
zulke plaatsen ontstaan dan ook makkelijker preventieve groepsactiviteiten voor
mensen in armoede of werken sensibiliseringsacties i.v.m. geestelijke gezondheid
beter.
We leren echter ook uit deze projecten dat er nog veel werk aan de winkel is
om inzichten over armoede te bevorderen bij hulpverleners in CAW’s en CGG’s
en daarbuiten. Cera en de Vlaamse overheid slaan daarom de handen verder
in elkaar om een vervolg voor dit project te ontwikkelen. We willen graag de
nood aan ontmoeting tussen de verenigingen waar armen het woord nemen,
de CAW’s en de CGG’s een verdere injectie geven. Via de techniek van een
waarderende benadering tussen de drie genoemde organisaties en via een
intens vormingsproces onder leiding van een professionele vormingsactor willen
CERA en de Vlaamse regering verschillende regio’s de kans geven om verder te
bouwen aan een betere toegankelijkheid voor mensen in armoede. De successen
uit het vorige project worden meegenomen in deze waarderende benadering.
Het doel van het vervolgproject (dat twee jaar zou lopen) is dus om in diverse
regio’s brugfiguren te creëren bij verschillende organisaties: hulpverleners die via
vorming en dagelijkse praktijk inzichten hebben verworven in armoede en die
enerzijds deze ervaringen kunnen overbrengen naar de andere hulpverleners in
hun organisaties en anderzijds directies bevoorraden en blijvend mobiliseren om
van de toegankelijkheid voor mensen in armoede een speerpunt te maken in hun
beleid. En dat laatste is niet onbelangrijk. Willen we de werkvloer op de CGG’s en
de CAW’s mobiliseren in dit soort initiatieven dan moet er eerst werk geleverd
worden op directieniveau. Het management, de middenkaders en de directies
van de CAW’s en de CGG’s moeten méé zijn. De samenwerking op lange termijn
in functie van laagdrempelige zorg voor de geestelijke gezondheid en het welzijn
van mensen in armoede moet door hen gedragen worden.
Tot slot
buurtopbouwwerk
Ik hoef jullie niet meer te overtuigen van het belang van intersectorale
samenwerking. U zult terecht opmerken dat andere sectoren, zoals de OCMW’s,
de wijkgezondheidscentra, buurtopbouwwerk enzovoort, hier mogelijk niet
aanwezig, evenwel hun rol te spelen hebben om bij te dragen aan een succesvol
intersectoraal verhaal op de eerste lijn. Het is dan ook een blijvende ambitie om
de schotten weg te werken tussen de verschillende sectoren. Dit betekent dat
ook de betrokken administraties en de betrokken kabinetten oog moeten hebben
voor het succes van de intersectorale samenwerking. Samenwerken tussen
sectoren is immers een uitdaging, een kans, die voor iedere betrokkene en niet in
het minst de cliënten een win-win situatie is. De talloze inspirerende initiatieven
die hier vandaag aan bod komen, getuigen daarvan. We denken daarbij ook
11
II
Samen vermaatschappelijken. Verslagboek symposium
aan de intense samenwerking tussen CAW’s en CGG’s bij de verwerking van het
busongeval in Sierre en vandaag in de aanloop naar de bedrijfssluitingen in en
rond Ford Genk.
Namens de minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, dank ik u allen
voor de al geleverde en talrijke inspanningen. Ik mag dan ook hopen dat u als
partners verder mee durft te denken over, maar vooral durft samen te werken
op het niveau van de cliënt en daar de expertises te bundelen, om één gedragen
zorg voor het welzijn en de geestelijke gezondheid van onze medemens te
realiseren.
12
Samen vermaatschappelijken. Verslagboek symposium
II
13
III
ACHTERGROND
DE GEESTELIJKE GEZONDHEIDSZORG ALS
COMPLEX ADAPTIEF SYSTEEM
ANJA DECLERCQ
Anja Declercq schetste de achtergrond voor de andere bijdragen. Ze deed dit in
eerste instantie door het begrip complex adapatief systeem scherp te stellen.
Vervolgens vroeg ze zich samen met de toehoorders af waarom dit begrip
toepasbaar zou zijn op de geestelijke gezondheidszorg. Verslag door Peter
Brepoels.
3.1.Complex adaptieve systemen: complexiteitstheorie in ruime zin
tweespalt
Twee met elkaar in tegenspraak lijkende uitspraken schetsen hoe we in de
dagdagelijkse praktijk aankijken tegen chaos en complexiteit. Aan de ene
kant vingerwijzen we wetenschappers want ‘zij maken het alledaagse veel te
ingewikkeld met hun theorieën’. Aan de andere kant stellen we vaak vast dat
de sociale realiteit zo complex is dat we ze terug moeten brengen tot een meer
beheersbaar geheel van deelaspecten. De complexiteitstheorie in ruime zin ent
zich op deze tweespalt.
Declercq maakt een onderscheid tussen deze complexiteitstheorie in ruime
zin en complexiteitstheorie in enge zin. De eerste is een breder geheel
van theorieën, waaronder o.a. de theorie van de zichzelf organiserende
dissipatieve systemen, de chaostheorie en de complexiteitstheorie in enge zin.
Kenmerken van deze theorie in ruime zin zijn de aandacht voor nonlineaire
mechanismen, voor dynamiek, en voor de gevoeligheid van een systeem voor
zijn basiscondities.
chaos uit orde?
Prigogine
Wanneer we de deelgebieden van de ruime theorie nauwer bekijken zien we de
theorie van zichzelf organiserende dissipatieve systemen als de vraag naar de
manier waarop orde ontstaat uit chaos. De chaostheorie stelt de omgekeerde
vraag: hoe ontstaat chaos uit orde? De complexiteitstheorie in enge zin tenslotte,
legt de nadruk op de dynamiek van systemen aan de rand van de chaos. De
wortels van dit denken vinden we niet in de sociologie, de psychologie of
bestuurswetenschappen maar in de scheikunde. Ilya Prigogine, Belg en professor
aan de VUB, kreeg voor zijn denken in 1977 de Nobelprijs Chemie. Hij bundelde
zijn inzichten in ‘Order out of Chaos’ (Prigogine & Stengers, 1984).
Dissipatieve systemen: orde als dood
In dit werk besteedt hij veel aandacht aan complexe of dissipatieve systemen.
Dit zijn systemen die zichzelf organiseren. Ze verliezen doorheen de tijd
energie en deze energie kan niet worden teruggewonnen. Als gevolg hiervan
14
Samen vermaatschappelijken. Verslagboek symposium
dood
III
zijn dissipatieve systemen pad-afhankelijk. Wanneer een dissipatief systeem
na verstrijken van tijd alle energie verloor ontstaat er een situatie die in
de scheikunde omschreven wordt als ‘een toestand van thermodynamisch
evenwicht”. Voor levende systemen is de naam die algemeen voor deze toestand
gebruikt wordt ‘dood’.
Wanneer een dissipatief systeem wil overleven, ofte weg wil blijven van de
toestand van thermodynamisch evenwicht, zal het het verlies aan energie
moeten goedmaken door nieuwe energie uit de omgeving te importeren en
opgebruikte energie te exporteren.
Chaostheorie: kleine veranderingen, grote gevolgen
vlinder
Het butterfly effect schetst goed waar chaostheorie over gaat. Kleine
veranderingen die grote gevolgen kunnen hebben. Een minimale verplaatsing
van lucht (het flappen van de vleugels van een vlinder) op de ene plaats kan op
een andere plaats een orkaan veroorzaken.
Declercq nuanceert de betekenis van chaos binnen het complexiteitsdenken.
Chaos staat hier niet voor de totale wanorde of onvoorspelbaarheid. Er spelen
wel degelijk deterministische wetten, maar het gedrag van de elementen waarop
ze inwerken is zo onregelmatig dat deze wetten moeilijk te ontdekken zijn.
Complexe systemen in enge zin: tussen orde en chaos
Door de lens van de complexiteitstheorie in enge zin zien we in elk systeem vele
bouwstenen. Deze bouwstenen organiseren en reorganiseren zich voortdurend.
Daarmee bevindt het systeem zich steeds in een toestand tussen rigiditeit en
willekeur. Het gaat om een dynamische toestand, die bestaat uit iteratieve cycli.
In deze cycli is de uitkomst van de ene cyclus elke keer weer de input voor een
volgende cyclus.
aantrekker
verstoringen
Deze toestand van relatieve stabiliteit speelt zich af in de buurt van een
aantrekker of attractor. Zulke attractor moet worden gezien als een set van
eigenschappen in de richting waarvan de eigenschappen van een systeem zich
ontwikkelen. Deze evolutie in de richting van de eigenschappen van de attractor
zal niet opgaan voor alle mogelijk verschillende startposities die de bouwstenen
ten opzichte van elkaar kunnen innemen. Voor een ruime variatie van deze
startposities echter zal dat wel het geval zijn. Een systeem dat zo evolueert dat
het de eigenschappen van de attractor dicht genoeg benadert zal eigenschappen
behouden die dicht liggen bij deze van de attractor, ook wanneer het systeem
licht verstoord wordt.
Interne of externe omgevingsveranderingen kunnen perturbaties, of
verstoringen, in het systeem veroorzaken. Deze perturbaties kunnen worden
uitgevlakt, in dat geval spreken we van negatieve feedback. Ze kunnen zich
echter ook ontwikkelen tot chaotisch gedrag van de bouwstenen op een ruimere
schaal. In dat geval spreken we van positieve feedback. Wanneer dit laatste het
geval is kan dit ertoe leiden dat het systeem zich ontwikkelt in de richting van de
eigenschappen van alternatieve attractoren. Op deze manier kunnen systemen
met identieke bouwstenen zich ontwikkelen in de richting van erg verschillende
attractoren, ook wanneer de startposities erg gelijkend zijn. Dit brengt Declercq
bij het begrip ‘emergentie’, ze citeert in dit verband Stacey:
15
III
Samen vermaatschappelijken. Verslagboek symposium
Emergence means that it is not possible to foresee the global
outcome of interaction between individuals or to reduce
the global pattern to the behavior of the agents. This is not
some kind of mysticism, but a hard, demonstrable property of
interactive, nonlinear feedback.”
(Stacey, 1996)
Samenvattend
Stacey
Declercq vat met Stacey samen wat het kijken door de lens van de
complexiteitstheorie in ruime zin ons leert over systemen:
■■ We moeten complexe systemen zien als levende systemen: ze staan in
wisselwerking met hun omgeving, ze leren uit hun ervaringen en ze passen
zich als gevolg daarvan aan.
■■ Complexe adaptieve systemen anticiperen op de toekomst. Ze veranderen
voortdurend omdat nonlineaire processen op zichzelf verder bouwen en dus
voor verandering van binnenin zorgen.
■■ Complexe systemen bevinden zich in een toestand aan de rand van de
chaos: dit is een zeer paradoxaal samengaan van simultane stabiliteit en
instabiliteit.
■■ Complexe systemen zijn dynamisch en hebben de neiging om te bewegen in
de richting van grotere complexiteit: systemen worden zelden eenvoudiger.
■■ Je kan een complex systeem niet ‘dirigeren’, je kan het enkel ‘verstoren’.
3.2.De Vlaamse geestelijke gezondheidszorg gezien door de lens van de complexiteitstheorie
Een sector in verandering
open systemen
Het perspectief van de complexiteitstheorie leent zich volgens Declercq bijzonder
goed om de dynamiek in beeld te brengen binnen de sectoren die samen deze
geestelijke gezondheidszorg vormen. Het zorgt er voor dat de focus meer op het
proces dan op het product komt te liggen.
In dit perspectief zijn organisaties zoals CAW’s, Centra Geestelijke
Gezondheidszorg of psychiatrische ziekenhuizen open systemen die interageren
met hun omgeving. Ze worden beïnvloed door die omgeving, maar tegelijk
beïnvloeden ze die omgeving ook.
Deze processen van wederzijdse beïnvloeding krijgt men minder goed in beeld
met klassieke analyses zoals input-throughput-output-schema’s.
Vermaatschappelijking en het belang van geschiedenis:
een illustratie
toenemende complexiteit
16
In het discours over vermaatschappelijking komen enkele punten steeds weer:
het nog beter luisteren naar de cliënt, de cliënt meer laten participeren, zorg
in de samenleving, zorg met de samenleving, … . Al deze elementen wijzen
in de richting van een toenemende complexiteit. De onvoorspelbaarheid van
processen zal dus toenemen. Dezelfde of soortgelijke acties kunnen de ene keer
Samen vermaatschappelijken. Verslagboek symposium
op zoek
open systemen
toenemende complexiteit
III
een klein effect veroorzaken en een andere keer een groot effect. Ook zal de
richting van het effect niet steeds de gewenste richting zijn.
In deze context is de wetenschap dat verandering in levende systemen nooit
ophoudt belangrijk. Dit impliceert het stilstaan bij het belang van tijd en
geschiedenis en een steeds ‘op zoek’ zijn. Declercq illustreerde dit aan de hand
van de geschiedenis die voorafging aan art. 107 en keek meer specifiek naar de
veranderingen in de manier waarop naar cliënten gekeken wordt. In een eerste
schema bracht ze evoluties in het beleid in beeld.
Gebruikers van voorzieningen
Burgers die leerkansen
ontwikkelen
van bedden naar stoelen een actief persoonlijk bestaan
van grootschalig naar kleinschalig
keuzemogelijkheden
van veel naar minder
ergens bijhoren
van algemeen naar specifiek
„stepping up and down„
van beperkingen naar sterktes
praktische steun bij dagelijks
functioneren in leven en werk
Structurele verbeteringen
Kwaliteit van zorg
Anders kijken naar de persoon
Kwaliteit van leven en relaties
Externe factoren die volgens Declercq het traject naar vermaatschappelijking
versnelden zijn de economische omstandigheden en de groeiende groep van
mensen met een zorgnood die staat tegenover middelen die niet groeien.
Intern ziet Declercq het traject naar vermaatschappelijking gepaard gaan met
conflict. Veel gehoorde uitspraken zijn dan: “Het is niet vanzelfsprekend” en “de
communicatie loopt niet goed.” Het perspectief van de complexiteitstheorie
leert dat deze conflicten eerder dan problematisch, noodzakelijk zijn om aan de
rand van de chaos te kunnen blijven functioneren en om verandering teweeg te
brengen.
17
III
Samen vermaatschappelijken. Verslagboek symposium
Een andere verzuchting die in dit verband gemaakt wordt is dat het stopt nooit:
“Telkens wanneer we denken alles op orde te hebben, komt er weer iets nieuws.”
Declercq verwijst hier naar het constante zoeken van evenwicht tussen aan de
ene kant flexibiliteit en aan de andere kant rigiditeit. Het thema emergentie
kwam aan bod in één van de tafels van het worldcafé. Het verslag van deze tafel
vind je op pagina 56 of via deze link.
3.3.Samenwerken in netwerken
emergentie
18
Declercq stelt vast dat in de veranderende context van de geestelijke
gezondheidszorg in Vlaanderen het ‘elk alleen’ geen optie meer is. Deze attractor
heeft alle kenmerken van thermodynamisch evenwicht en is dus dood. Als
nieuwe attractor dient zich het samenwerken in netwerken aan. Maar zoals bij
alle attractoren is het belangrijk om rekening te blijven houden met emergentie.
Met dezelfde bouwstenen en zelfs met gelijkende startposities kunnen immers
als gevolg van interne of externe verstoringen ook andere attractoren zich
aandienen. Om ons te organiseren op deze emergentie is het belangrijk om
de dingen niet vast te zetten. Zo maken we de openheid die nodig is om
nieuwe ideeën, nieuwe mogelijkheden, nieuwe kansen te bieden. Het exacte
tegenovergestelde van deze houding is hardnekkig proberen het oude in stand te
houden.
Samen vermaatschappelijken. Verslagboek symposium
III
19
IV
TUSSEN CENTRUM EN
PERIFERIE
PETER RAEYMAECKERS
UNIVERSITEIT ANTWERPEN
In de vorige bijdrage bekeek Anja Declercq de Vlaamse geestelijke
gezondheidszorg door de lens van de complexiteitstheorie. Gezien door deze
lens is deze sector een complex adaptief systeem. Het netwerkmodel is dan een
belangrijke attractor in de ontwikkeling van dit complex adaptief systeem.
Peter Raeymaeckers (Universiteit Antwerpen) richtte de focus op dat
netwerkmodel. Hij bracht verslag uit over zijn doctoraatsonderzoek
naar de integratie van netwerken tussen hulpverleningsorganisaties.
Zijn doctoraatsonderzoek verscheen ondertussen ook als boek bij Acco:
Tussen centrum en periferie: Over de integratie van netwerken tussen
hulpverleningsorganisaties (Raeymaeckers, 2014). Verslag door Peter Brepoels.
4.1.Hulpverleningsorganisaties en netwerken
gedefinieerd
hulpverleningsorganisaties
Raeymaeckers ontleent de definitie van hulpverleningsorganisaties bij
Hasenfeld: Deze organisaties … “promoten of verdedigen het welzijn van de
burger. (…) en staan in voor de verdeling van diensten zoals inkomen, voeding,
gezondheid, huisvesting en educatie” (Hasenfeld, 1983:2). Hij stelt daarna
vast dat er hulpverleningsorganisaties bestaan in soorten en maten: sociale
huisvestingsmaatschappijen, OCMW’s, woonbegeleiding, drughulpverlening, … netwerken
Voor een definitie van netwerken vindt hij inspiratie bij Provan en Milward.
Een netwerk is volgens hen “een systeem van sociale dienstverlening dat een
meerwaarde kan bieden aan een populatie geconfronteerd met diverse noden,
op een manier die niet kan bereikt worden door één enkele organisatie” (Provan
& Milward, 2001).
Raeymaeckers merkt dat hulpverleningsorganisaties zich vaak organiseren in
netwerken. Mogelijke redenen hiervoor vindt hij in de literatuur. Een eerste is
schaarste: een tekort aan hulpbronnen om hun doelstelling waar te maken. De
tweede is onzekerheid: één organisatie op zich heeft vaak een te beperkte kennis
over omgevingsveranderingen. Netwerken zijn dus nodig om aan hulpbronnen te
geraken en om kennis te vergaren.
Wanneer werken netwerken? Het meten van integratie.
Om een zicht te krijgen op de vraag wanneer netwerken werken wordt vaak
gekeken naar de integratie van netwerken. Deze integratie kan op twee niveaus
worden geoperationaliseerd: het organisatieniveau en het cliëntniveau. Wat
20
IV
Samen vermaatschappelijken. Verslagboek symposium
organisatieniveau
cliëntniveau
het organisatieniveau betreft is elke organisatie met elke andere organisatie in
het netwerk verbonden. Daarnaast verkrijgt elke organisatie van elke andere
organisatie vlot informatie, kan ze vlot cliënten doorverwijzen naar elke andere
organisatie en ziet ze ook met elke andere organisatie in het netwerk meerdere
mogelijkheden om te overleggen rond concrete cliëntsituaties.
Op het cliëntniveau gaat het over de continuïteit in de hulpverlening
doorheen de verschillende organisaties die deel uitmaken van het netwerk, de
toegankelijkheid van de organisaties in het netwerk voor cliënten die al cliënt
zijn bij één van de organisaties in het netwerk en de hogere responsiviteit naar
specifieke cliëntsituaties.
Verschillen in integratie
Voor zijn onderzoek richtte Raeymaeckers de focus op netwerken tussen
hulpverleningsorganisaties uit de Antwerpse districten die werken met cliënten
met een leefloon en die een onderlinge relatie hebben waarin ze informatie
uitwisselen, cliënten doorverwijzen en caseoverleg organiseren. Hij gebruikte bij
het bestuderen van deze netwerken een mix van methoden. In eerste instantie
bakende hij de netwerken af. Vervolgens voerde hij een sociale netwerkanalyse
uit waarbij hij de integratie van netwerken tussen hulpverleningsorganisaties in
kaart bracht. Tenslotte ging hij d.m.v. kwalitatieve interviews met hulpverleners
en coördinatoren en verklarende sociale netwerkanalyses op zoek naar een
verklaring voor de verschillen in integratie die hij vaststelde.
Samengevat leverde dit een beeld van de netwerken op waarin de netwerken in
de regio’s Deurne en Antwerpen-Noord sterk waren geïntegreerd. Het netwerk in
de regio Berchem was zwak geïntegreerd. Het netwerk in de regio Borgerhout zat
op een tussenpositie.
Governance als verklaring
Een eerste verklaring die in de literatuur wordt aangedragen voor verschillen in
netwerkintegratie is ‘governance’: ofte de manier waarop een netwerk be- of
gestuurd wordt. Kenis en Provan (Provan & Kenis, 2008) onderscheiden drie
soorten governance. Een eerste vorm is die waarin één organisatie duidelijk kan
worden aangeduid als de bestuurder van het netwerk. In een tweede vorm de
sturing van het netwerk in handen van een netwerk administratieve organisatie
(NAO). Hier wordt een aparte administratieve entiteit opgezet met als specifiek
doel het besturen van het netwerk en zijn activiteiten. Als derde vorm wijzen
Kenis en Provan de zelfregulerende netwerken aan.
De eerste twee soorten governance die Kenis en Provan onderscheiden, die
met één leidende organisatie en de NAO zijn formele netwerken. Tussen
zulke formele netwerken kan de relatieve effectiviteit berekend worden met
de parameters densiteit en centraliteit. Het meest effectieve netwerk is dan
het netwerk dat een lage densiteit combineert met een hoge centraliteit.
De achterliggende logica is hier dat hoe meer gecentraliseerd de leidende
organisatie is en hoe minder contacten er zijn tussen de perifere organisaties hoe
effectiever het netwerk. In dit denken ligt de nadruk dus sterk op het belang van
de leidende organisaties en de formalisering van relaties.
21
IV
Samen vermaatschappelijken. Verslagboek symposium
Echter, de netwerken in de vier Antwerpse districten in het onderzoek waren alle
vier zelfregulerende netwerken. Governance speelt zich in zulke netwerken af
op momenten van ‘shared participant governance’. In de vier districten werd dit
georganiseerd in welzijnsoverleg. Aan zulk overleg nemen verantwoordelijken
van de deelnemende organisaties deel. Ze wisselen er informatie uit en
bevorderen op die manier de samenwerking tussen de organisaties in deze
districten. Dit roept de vraag op naar de relatie tussen dit welzijnsoverleg en de
integratie van een netwerk tussen hulpverleningsorganisaties. Zoals blijkt uit de
tabel hieronder gaf de sociale netwerkanalyse op basis van de parameter geen
eenduidig beeld.
Netwerk
Integratie
Governance
Deurne
Sterk
?
Berchem
Zwak
-
Borgerhout
Gemiddeld
?
Antwerpen-Noord
Sterk
?
4.2.Sleutelorganisaties als verklaring
Een volgende mogelijke verklaring die in het onderzoek werd getoetst was de
rol van sleutelorganisaties of brokers. Deze term werd gedefinieerd door Burt
(Burt 2002). Sleutelorganisaties bevinden zich op sleutelposities in het netwerk
en hebben een sterke invloed op de netwerkintegratie. Marsden en Lin wijzen
erop dat niet zozeer de aanwezigheid van deze sleutelorganisaties maar wel het
‘gedrag’ van de sleutelorganisatie doorslaggevend is (Marsden & Lin 1982). In
deze sleutelorganisaties kunnen twee soorten worden onderscheiden: de eerste
soort hanteert een specialistische domeinafbakening. Zij specialiseren zich in één
probleemdomein of hulpvraag.
De tweede soort heeft een generalistische terreinafbakening. Binnen deze
organisaties wordt een holistisch perspectief op cliënten gehanteerd en werkt
men op verschillende probleemdomeinen of hulpvragen. Kenmerken zijn
een laagdrempelig onthaal, vraagverheldering, doorverwijzing en toeleiding
naar specialistische organisaties. Wanneer deze kenmerken gecombineerd
worden met intensieve begeleiding spreekt Raeymaeckers van generalistische
ondernemende organisaties. Binnen deze organisaties worden coöperatieve
strategieën ingezet zoals contextualiseren, ondersteunen van de cliënt en
onderhandelen.
Wanneer een kolom over de aanwezigheid van generalistische sleutelorganisaties
wordt toegevoegd aan de tabel die hierboven werd meegegeven over
governance en integratie, levert dit onderstaand resultaat.
22
IV
Samen vermaatschappelijken. Verslagboek symposium
Netwerk
Integratie
Governance
Deurne
Sterk
+
Veel
Berchem
Zwak
-
Weinig
Borgerhout
Gemiddeld
+
Weinig
AntwerpenNoord
Sterk
n.s.
Generalistische
Sleutel-organisaties
Veel
Dit leidt Raeymaeckers tot het besluit dat de integratie van de netwerken in de
Antwerpse districten kan worden verklaard door een samengaan van coördinatie
en sleutelorganisaties. Coördinatie neemt in deze specifieke netwerken dan
de vorm aan van welzijnsoverleg waarin diensten elkaars werking aan elkaar
voorstellen en samenwerken rond structurele thema’s. Sleutelorganisaties zijn
hier dan generalisten die netwerken vanuit ondernemende organisaties.
Zowel de rol van medewerkers in sleutelorganisaties brokeren als het werken als
generalist waren het thema van tafels in het worldcafétafel. Je vindt het verslag
van deze tafels op respectievelijk pagina 49, 54 en 55.
23
V
HANDVATTEN VOOR
SAMENWERKERS
PETER BREPOELS
Samenwerking tussen diensten, vaak uit verschillende sectoren, wordt door
beleidsmakers vaak en meer en meer naar voor geschoven als de te volgen
weg. In de context van de geestelijke gezondheidszorg zien we dit bijvoorbeeld
in het kader van art. 107 van de wet betreffende de ziekenhuizen en andere
verzorgingsinstellingen. In de context van de jeugdhulp zien we dit in het Decreet
Integrale Jeugdhulp (Vlaams Parlement, 2014). Samenwerken lijkt wel het
nieuwe antwoord van de overheid op ieder probleem dat zich aandient.
Maar ook wanneer het werkveld, al dan niet samen met universiteiten en
hogescholen methodieken ontwikkelt is samenwerking vaak één van de
bestanddelen. Methodieken zoals Assertive Community Treatment (Marx,
Test, & Stein, 1973), Maatzorg (Demeyer, Princen, & Van Regenmortel, 1997),
Casemanagement (Roovers & Wilken, 2000), Bemoeizorg (van de Lindt, 2000)
geven telkens een belangrijke plaats aan de samenwerking tussen organisaties,
vaak uit verschillende sectoren. Een model als Shared Care (Kates & Mazowita,
2011) of gedeelde zorg zet die samenwerking centraal.
Echter, samenwerking is vaak lastig en soms gevaarlijk. In Groot Brittannië werd
fout gelopen samenwerking tussen diensten en medewerkers uit verschillende
sectoren aangeduid als de bepalende factoren die leidde tot de tragische
overlijdens van Jonathon Zito, Victoria Climbié en Baby Peter (Laming, 2003).
Ook te weten komen of het samenwerken tussen organisaties echt werkt is niet
evident. Nog in het Verenigd Koninkrijk geeft een uitgebreid literatuuronderzoek
naar samenwerking tussen organisaties uit de sectoren gezondheid en welzijn
aan dat deze kennis erg beperkt blijft (Dowling, Powell, & Glendinning, 2004).
In deze introductie wil ik een theoretische achtergrond schetsen bij een
inventaris van goede praktijken m.b.t. samenwerking tussen Centra Algemeen
Welzijnswerk en organisaties uit de geestelijke gezondheidszorg.
Deze schets zal lopen langs volgende grote lijnen. Eerst geef ik een aantal
definities en theoretische achtergronden die in de literatuur worden gebruikt
als achtergrond om samenwerking tussen organisaties te analyseren. Deze
definities en analysekaders leveren enkele concepten op en bieden enkele
typologieën voor samenwerkingsinitiatieven aan. Vervolgens sta ik kort stil bij de
effectiviteitsvraag: werkt samenwerken? Na dit eerder theoretische luik schets
ik richtlijnen voor de praktijk en reflectieschema’s die, nog steeds vanuit de
vakliteratuur, uit dit alles kunnen worden gedestilleerd.
24
V
Samen vermaatschappelijken. Verslagboek symposium
5.1.Enkele definities
In dit hoofdstuk sta ik stil bij de definitie van de begrippen ‘samenwerking tussen
organisaties’, ‘alliantie’ en synergie.
Interagency collaboration
samenwerking
Mattesisch en Monsey gaan in de literatuur op zoek naar de factoren die
samenwerking tussen organisaties positief beïnvloeden en hanteren. Hierbij
volgende werkdefinitie van samenwerking tussen voorzieningen (Mattessich &
Monsey, 1992):
Samenwerking is een wederzijds gunstige en goed gedefinieerde relatie. In
deze relatie treden twee of meer organisaties toe om gedeelde doelen te
bereiken. De relatie omvat een engagement m.b.t. het definiëren van onderlinge
relaties en doelen, een gezamenlijk ontwikkelde structuur en gedeelde
verantwoordelijkheid, gedeelde autoriteit en rekenschap voor succes en het
delen van middelen en beloningen.
Een iets oudere en bredere definitie vinden we bij Barbara Gray (Gray, 1989):
Een proces, door hetwelke partijen die verschillende aspecten
van eenzelfde probleem zien, hun punten van verschil
constructief kunnen verkennen en zoeken naar oplossingen die
verder gaan dan de eigen individuele, en dus beperkte, kijk op
wat mogelijk is.
Alliantie
Een andere term die in deze context vaak wordt gebruikt is alliantie: Zuckerman
definieert een alliantie als volgt (Zuckerman, Kaluzny, & Ricketts, 1995):
afhankelijkheden
Allianties komen voort uit wederzijdse nood en de wil van organisaties om risico’s
en kosten te delen, om kennis en mogelijkheden te delen en om de voordelen
te plukken van wederzijdse afhankelijkheden om gedeelde doelen te bereiken.
De basisdoelen van allianties zijn het bereiken van een competitief voordeel, het
versterken van, voor het te bereiken doel belangrijke kwaliteiten, het versnellen
van innovatie en het verhogen van de flexibiliteit in respons op veranderingen in
de markt en in de technologie.
Synergie
Een derde belangrijk begrip in dit verband is synergie. Hier is de definitie van
Lasker (Lasker, Weiss, & Miller, 2001) toonaangevend:
“The power to combine the perspectives, resources and skills of a group of
people and organizations”. m.a.w. de kracht om perspectieven, middelen en
vaardigheden van een groep mensen en organisaties te combineren.
Wat hier opvalt is dat, in de context van samenwerken, Lasker afwijkt van de
gangbare definitie van synergie die verwijst naar het ‘meer dan de som van de
delen’ zijn.
25
V
Samen vermaatschappelijken. Verslagboek symposium
5.2.Werkt samenwerken?
Een voorbeeld ter introductie
Uiteraard is het goed om de vraag te stellen of al dit samenwerken ook zoden
aan de dijk brengt. Een studie die een antwoord probeert te geven op deze vraag
is van Keith Provan. Hij bestudeerde vier samenwerkingsverbanden in de sector
van de geestelijke gezondheidszorg door een netwerkbril. Hij leerde:
De resultaten van ons onderzoek bij vier, qua grootte
vergelijkbare, hulpsystemen in de geestelijke gezondheidszorg
wijst erop dat verschillen in de effectiviteit van het netwerk
verklaard konden worden door de structuur van het netwerk en
door de context waarin het netwerk opereert.
(Provan & Milward, 2001)
centraal
tekortkomingen
De belangrijkste structuurcomponent die Provan ziet is de mate waarin de
integratie van de diensten die de organisatie leveren centraal wordt aangestuurd.
Contextvariabelen met een rol van betekenis zijn dan: de mate van directe en
niet gefragmenteerde aansturing door de overheid, de stabiliteit en de gulheid
waarmee middelen werden toebedeeld aan de samenwerking.
Maar zo voegt hij hieraan toe: Ondanks deze bevindingen is dit onderzoek niet
zonder tekortkomingen. Deze tekortkomingen limiteren de overdraagbaarheid
van onze bevindingen en geven tegelijkertijd de richting aan voor verder
onderzoek.
Een eerste tekortkoming waarop Provan wijst is dat variabelen andere dan
diegene die hier werden onderzocht een verklaring kunnen bieden voor
belangrijke verschillen in de uitkomsten bij de cliënt en dus voor de effectiviteit
van het netwerk. Bijvoorbeeld: Het is goed mogelijk dat de verschillen in de
structuur van het netwerk een minder zware impact gehad hebben dan de
onderzoekers veronderstellen. In plaats van de structuur van het netwerk
kunnen ook historische patronen in subsidiestromen, evoluties in het systeem,
behandelingspatronen, of de mix en verdeling van diensten onder de organisaties
meer rechtstreeks gerelateerd zijn aan de uitkomsten die we vaststelden.
Bijkomend wijst Provan erop dat er, ondanks inspanningen om vergelijkbare
cliëntsteekproeven te selecteren op elke onderzoekssite, er verschillend kunnen
geweest zijn in de mix van casussen, hulpverleningsgeschiedenis en de mate
waarin cliënten positief reageren op een behandeling waarvan we ons niet
bewust waren.
Nog volgens Provan kunnen ook factoren op organisatieniveau zoals hogere
mate van betrokkenheid of toewijding bij de medewerkers binnen organisaties
op sleutelposities een verklaring kunnen bieden voor de verschillende
effectiviteitsscores op elke site.
Deze tekortkomingen hebben Provan niet tegengehouden om verder onderzoek
te doen naar samenwerking tussen organisaties. We kunnen in dit verband
ook verwijzen naar het onderzoek dat hij deed met Patrick Kenis dat in de
uiteenzetting van Peter Raeymaeckers al aan bod kwam wanneer het ging over
het belang van governance (Provan & Kenis, 2008).
26
V
Samen vermaatschappelijken. Verslagboek symposium
Effectiviteit is moeilijk te meten
Het bovenstaande geeft aan dat de effectiviteit van samenwerkingsinitiatieven
moeilijk te meten is. Walid El Ansari probeert de literatuur hierover te linken
aan vijf community partnerships in Zuid Afrika en somt de moeilijkheden die hij
tegenkomt op:
methodologische
problemen
technische valkuilen
context
De diversiteit aan perspectieven, de veelheid van conceptuele facetten en de
moeilijkheden die te maken hebben met het meten van elk van deze betrokken
noties kan zorgen voor methodologische problemen.
Parallel hiermee kunnen keuzes voor een micro- dan wel een macroevaluatie, indicators die dicht opzittende effecten dan wel meer van de
interventie verwijderde effecten meten, voor het meten van korte dan wel
langetermijneffecten, effecten op individueel dan wel op gemeenschapsniveau,
voor technische valkuilen zorgen.
Hier bovenop mogen we het belang van de context niet minimaliseren wanneer
we samenwerkingen, partnerships of andere schema’s voor gezamenlijk werken
evalueren (El Ansari, Phillips, & Hammick, 2001).
Toch enkele meer recente bundelingen van
effectiviteitsstudies en hun besluiten
Ook bestaan er al enkele bundelingen van effectiviteitsstudies. Myfawny
Mcdonald bekijkt het domein van de kinderbescherming en destilleert uit de
studies volgende boodschappen (McDonald & Rosier, 2011):
Alhoewel onderzoek heeft aangetoond dat samenwerking tussen organisaties de
professionals en de betrokken organisaties ten goede komt, bijvoorbeeld door
verhoogde kennis en vaardigheden, is er nog maar erg beperkt empirisch bewijs
dat duidelijk aangeeft dat samenwerking wel degelijk leidt tot betere uitkomsten
voor gebruikers.
Onderzoek dat wil aantonen of samenwerking tussen diensten leidt tot
verbeterde uitkomsten voor cliënten, vertoont zowel geografisch (onderzoek
in de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk) als qua onderzoeksdomein
(kinderbescherming in de Verenigde Staten en gezondheid in het Verenigd
Koninkrijk) een aanzienlijke vertekening.
Het succes van samenwerking hangt sterk af van de context: de kwaliteit
van de relatie tussen de organisaties, de betrokken sectoren (bijvoorbeeld:
kinderbescherming, geestelijke gezondheid, kinderziekenhuizen en pediaters) en
de strategieën die worden gebruikt door de organisaties.
negatieve impact
Samenwerking is het meest effectief voor kinderen met meerdere en complexe
noden, hierbij moet worden opgemerkt dat er enig bewijs is dat suggereert dat
samenwerking een negatieve impact kan hebben op die kinderen wiens noden
niet zo complex zijn.
Hoe sterker de banden tussen de organisaties, hoe waarschijnlijker het is dat
families, waarvan de achtergronden wat betreft taal en cultuur verschillend
zijn, deze diensten ook zullen gebruiken. In Australië is er enig bewijs voor het
verhoogd gebruik van de prenatale diensten door cliënten uit de ‘indigenous
populations’.
27
V
Samen vermaatschappelijken. Verslagboek symposium
June Statham bekijkt het domein van de hulpverlening aan kinderen en gezinnen
en besluit:
Er is op dit moment slechts beperkt aangetoond dat samenwerking zorgt voor
betere uitkomsten voor kinderen en hun families. Wel zijn er veelbelovende
aanzetten van bewijs over de voordelen van een meer gezamenlijke aanpak
in het verbeteren van de professionele praktijk en het bieden van betere
ondersteuning in een vroegere fase voor kinderen en families die dit nodig
hebben (Statham, 2011).
niet inherent goed
Het inbedden van zulke systemen in de praktijk vraagt echter tijd, in het
bijzonder wanneer er weinig voorgaande geschiedenis is in het samenwerken van
de organisaties. De literatuur bevestigt dat samenwerking tussen organisaties
niet eenvoudig is en dat het niet inherent goed is.
5.3.Adviezen gebaseerd op meningen van experten eerder dan op effectmetingen
Enigszins in contrast met deze beperkte aangetoonde effectiviteit wordt er in
de literatuur toch veel praktisch advies gegeven m.b.t. het samenwerken van
organisaties.
Versterkende factoren
Mattessich en Monsey zien 19 factoren die de samenwerking tussen organisaties
positief beïnvloeden en verdeelt ze over 6 domeinen (Mattessich & Monsey,
1992). Dit levert volgende opsomming op:
Omgeving
de kunst van het
compromis
■■ Een geschiedenis van samenwerking in de gemeenschap
■■ De samenwerkende groep wordt gezien als leidinggevend in de
gemeenschap
■■ Het politieke en sociale klimaat zijn gunstig
■■ Karakteristieken m.b.t. lidmaatschap
■■ Onderling respect, verstandhouding en vertrouwen
■■ Een gepaste samenstelling van de groep
■■ Deelnemers aan de samenwerking zijn ervan overtuigd dat de samenwerking
ook hun eigen belang dient
■■ Deelnemers beheersen de kunst van het compromis
Factoren m.b.t. proces en structuur
■■
■■
■■
■■
■■
Deelnemers delen een belang in zowel het proces als de uitkomst
Er zijn meerdere niveaus voor het nemen van beslissingen
Er is de nodige flexibiliteit aanwezig in zowel het proces als de structuur
Er worden heldere rollen en beleidslijnen uitgezet
Zowel proces en structuur kunnen zich snel aanpassen aan veranderingen in
de context
Factoren m.b.t. communicatie
communicatielijnen
28
■■ De communicatie in de samenwerking is open en frequent
■■ Zowel de formele als de informele communicatielijnen zijn goed
uitgebouwd
■■ Factoren m.b.t. de doelen van de samenwerking
■■ Er worden concrete en haalbare doelen gesteld
V
Samen vermaatschappelijken. Verslagboek symposium
haalbare doelen
■■ Er is een gedeelde visie
■■ Een uniek doel voor de samenwerking dat niet volledig samenvalt met de
doelen van de aparte leden van de samenwerking
Factoren m.b.t. middelen
■■ Er zijn voldoende middelen
■■ Er staat een vaardige voorzitter aan het roer
5.4.Bryson: success will be very difficult to achieve
Bryson neemt de literatuur over intersectorale samenwerking door en komt
tot 22 vaststellingen, ook verdeeld over zes domeinen. Hierbij moet worden
opgemerkt dat hij het heeft over samenwerking tussen organisaties uit
verschillende sectoren. Hij onderscheidt drie sectoren: overheid, private sector
en NGO’s (Bryson et al, 2006).
In verband met de omstandigheden bij de start van de
samenwerking
Zoals in alle relaties tussen organisaties, komen sectoroverstijgende
samenwerkingen eerder tot stand in turbulente omgevingen. In het bijzonder
de totstandkoming en de mate waarin deze samenwerkingen kunnen worden
gehandhaafd worden beïnvloed door duwende en remmende krachten in de
marktomgeving en de institutionele omgeving.
falen als succesfactor
Beleidsmakers zullen sneller sectoroverstijgende samenwerkingen proberen
wanneer ze geloven dat de gescheiden inspanningen van elke sector om een
probleem aan te pakken hebben gefaald, of zullen falen en de huidige of
toekomstige tekortkomingen niet kunnen worden opgelost door de sectoren
wanneer deze op zichzelf handelen.
Samenwerkingen – over verschillende sectoren heen - hebben meer kans op
slagen als er minstens één verbindend mechanisme – zoals machtige sponsors –
het eens zijn over het aan te pakken probleem. Een andere succesfactor is dat er
al bestaande samenwerking was op het moment dat de nieuwe samenwerking
tot stand komt.
Over de elementen in het samenwerkingsproces
De vorm en inhoud van de initiële samenwerkingsovereenkomsten en de
processen die werden ingezet om deze te formuleren beïnvloeden de uitkomsten
van het samenwerken.
voorvechters
Samenwerkingen tussen organisaties hebben meer kans op slagen wanneer
ze kunnen terugvallen op toegewijde sponsoren en krachtige voorvechters die
zowel formeel als informeel leiderschap kunnen bieden.
Samenwerkingen tussen organisaties in verschillende sectoren hebben meer
kans op slagen wanneer ze, voor zowel interne als externe belanghebbenden, de
legitimiteit van de samenwerking kunnen aantonen. Deze legitimiteit aantonen
heeft betrekking op de samenwerking als de juiste vorm van organiseren, de
samenwerking als een aparte entiteit en de samenwerking als een bron van
vertrouwenwekkende interactie tussen de leden.
29
V
Samen vermaatschappelijken. Verslagboek symposium
vertrouwen
machtsonevenwichten
Samenwerkingen tussen organisaties uit verschillende sectoren hebben meer
kans op slagen wanneer er blijvend activiteiten worden georganiseerd die
erop gericht zijn het vertrouwen tussen de organisaties te vergroten of te
bestendigen.
Omdat conflict veel voorkomt in partnerschapsrelaties hebben samenwerkingen
tussen organisaties uit verschillende sectoren meer kans op slagen wanneer de
partners middelen en tactieken inzetten om de machtsonevenwichten tussen de
partners te verkleinen en om conflicten effectief aan te pakken.
Samenwerkingen tussen organisaties uit verschillende sectoren hebben meer
kans op slagen wanneer ze zowel een weloverwogen als op de veranderende
situaties inspelende planning kunnen hanteren. Een weloverwogen planning is
meer aangewezen in opgelegde samenwerkingen en een planning die inspeelt op
veranderende situaties is meer aangewezen in niet-opgelegde samenwerkingen.
Samenwerkingen tussen organisaties uit verschillende sectoren hebben meer
kans op slagen wanneer ze gefocust blijven op de stakeholders. Dit kan door
het uitvoeren van stakeholderanalyses, het aanspreekbaar zijn en blijven voor
belangrijke stakeholders, het gebruik maken van het proces om vertrouwen op
te bouwen en de vaardigheden in het hanteren van conflicten te vergroten en te
bouwen op de onderscheiden competenties van de leden.
In verband met de structuur en het beheer van de
samenwerking
De structuur van de samenwerking wordt beïnvloed door omgevingsfactoren
zoals de stabiliteit van het systeem en het strategische doel van de
samenwerking.
De structuur van de samenwerking zal waarschijnlijk met de tijd veranderen. Dit
omwille van de ambiguïteit in de lidmaatschappen en de complexiteit van de
lokale omgeving.
De structuur van de samenwerking en de aard van de taken die worden
uitgevoerd op cliëntniveau zullen waarschijnlijk een invloed hebben op de
algemene effectiviteit van de samenwerking.
De formele maar ook de informele beheersmechanismen zullen waarschijnlijk de
effectiviteit van de samenwerking beïnvloeden.
Over eventualiteiten en beperkingen m.b.t. het proces, de
structuur en de leiding van samenwerking
Samenwerkingen die gaan over planning van activiteiten op systeemniveau
zullen waarschijnlijk het meeste onderhandeling vragen. Ze zullen wat dit betreft
gevolgd worden door samenwerkingen die focussen op het administratieve
niveau en, ten derde, samenwerkingen die gaan over de eigenlijke
dienstverlening.
machtsbalansen
Samenwerkingen tussen organisaties uit verschillende sectoren hebben meer
kans op slagen wanneer ze manieren inbouwen om machtsonevenwichten en
plotse veranderingen in de machtsbalansen te hanteren.
Wanneer organisaties uit verschillende sectoren samenwerken, mag men zich
verwachten aan tegenstrijdige institutionele logica’s. Deze tegenstrijdige logica’s
30
V
Samen vermaatschappelijken. Verslagboek symposium
kunnen een grote invloed hebben op de mate waarin deze samenwerkingen er in
slagen overeenkomsten te bereiken over essentiële aspecten van het proces, de
structuur, het beheer en de gewenste uitkomsten.
eigenbelang
eerste orde
tweede orde
derde orde
Samenwerkingen tussen organisaties uit verschillende sectoren hebben
meer kans op het creëren van een meerwaarde voor het publiek wanneer ze
bouwen op het eigenbelang van de betrokken individuen en organisaties en
de sterktes van elke betrokken sector. Daarnaast is het belangrijk dat in deze
samenwerkingen manieren worden gevonden om de zwaktes van elke sector te
verkleinen, te overstijgen of te compenseren.
Samenwerkingen tussen organisaties uit verschillende sectoren hebben meer
kans op het creëren van een meerwaarde voor het publiek wanneer ze zorgen
voor positieve effecten in de eerste, tweede en derde orde. Deze drie ordes
haalt Bryson bij Innes en Booher. Positieve effecten in de eerste orde zijn
onmiddellijk zichtbaar als direct resultaat van de samenwerking. Het kan gaan
over het vergroten van het sociaal, intellectueel en politieke kapitaal van de
organisatie, over goede afspraken tussen de organisaties, over innovatieve
strategieën die ontstaan in de samenwerking. Positieve effecten van de tweede
orde komen er wanneer de samenwerking al een tijd loopt of ontstaan buiten
de formeel afgesproken kaders van de samenwerking. Het kan gaan over nieuwe
partnerschappen, veranderingen in percepties, gezamenlijke acties op terreinen
waar dit initieel niet de bedoeling was, … .
Positieve effecten van de derde orde komen nog later aan de oppervlakte. Het
kan gaan over nieuwe samenwerkingen, minder conflicten tussen de partners,
het meer op elkaars terrein durven komen, nieuwe organisaties, nieuwe
manieren om sociale problemen aan te pakken, het ontwikkelen van een nieuw
discours of een nieuwe gezamenlijke taal (Innes & Booher, 1999).
Samenwerkingen tussen organisaties uit verschillende sectoren zullen
waarschijnlijk een grotere meerwaarde voor het publiek creëren wanneer ze
veerkrachtig zijn en wanneer ze zich met regelmaat laten bevragen.
rekenschapssysteem
Samenwerkingen tussen organisaties uit verschillende sectoren zullen
waarschijnlijk meer effectief zijn wanneer ze een rekenschapssysteem hanteren
dat input, proces en uitkomsten in kaart brengt, wanneer ze gebruik maken
van een verscheidenheid aan manieren voor het verzamelen, interpreteren en
gebruiken van data en wanneer ze een op uitkomsten gebaseerd meetsysteem
hanteren dat bouwt op sterke relaties met de belangrijkste politieke en
professionele gezagsdragers.
In een laatste en algemene bemerking vat Bryson de 21 andere observaties
gevat, zij het eerder pessimistisch samen:
The normal expectation ought to be that success will be very
difficult to achieve in cross-sector collaborations.
31
V
Samen vermaatschappelijken. Verslagboek symposium
5.5.Concepten en schema’s
Collaborative advantage en collaborative inertia
Chris Huxham put uit 15 jaren actieonderzoek bij mensen die
samenwerkingen concreet gestalte geven, ze faciliteren, consult bieden bij
samenwerkingsproblemen, …. . Ze leert er uit dat samenwerking niet altijd
zaligmakend is (Huxham & Vangen, 2004). Ze introduceert naast de term
collaborative advantage ook de term collaborative inertia. Collaborative
advantage staat dan voor het synergie-argument.
Om het echte voordeel van samenwerking te realiseren is het
nodig dat iets bereikt wordt dat niet kon worden bereikt door elk
van de organisaties afzonderlijk. Dit concept biedt een bruikbaar
zoeklicht voor het zoeken naar het doel van samenwerking.
(Huxham with Macdonald 1992; Huxham 1993).
Collaborative inertia verwijst dan naar:
Dit houdt in dat de uitkomst van samenwerkingsverbintenissen
vaak verwaarloosbaar lijkt of dat het tempo waarmee de
uitkomst wordt gerealiseerd erg laag is. Zelfs wanneer
succesvolle uitkomsten worden vermeld, maken verhalen over
pijn en hard labeur integraal deel uit van het bereikte succes.
(Sector) failure als een belangrijke succesfactor
John Bryson botst bij het bestuderen van de literatuur over cross sector agency
collaboration op het begrip ‘sector failure’. Sector failure komt uit de literatuur
tevoorschijn als een belangrijke factor in het slagen van samenwerking tussen
organisaties uit verschillende sectoren (Bryson, Crosby, & Middleton Stone,
2006):
Zeker samenwerkingen over de sectorgrenzen heen, lijken
beïnvloed te worden door de mate waarin afzonderlijke
inspanningen om een gedeeld probleem op te lossen, hebben
gefaald.
Deze notie vinden we ook terug op het niet-intersectorale niveau, wanneer de
organisaties die samenwerken tot dezelfde sector behoren. Ze zit bijvoorbeeld
vervat in de definitie die Huxham geeft van ‘collaboration’:
32
V
Samen vermaatschappelijken. Verslagboek symposium
We use the term ‘‘collaboration’’ to refer to formalized joint
working arrangements between organizations that remain
legally autonomous while they engage in coordinated collective
action to achieve outcomes that none of them can achieve on
their own.
(Vangen & Huxham, 2011)
Unique purpose: Een eigen en uniek doel voor de
samenwerking.
Mattessich en Monsey benoemen een uniek doel voor de samenwerking als
een factor die het succes van de samenwerking positief beïnvloedt. Het gaat
dan over de opdracht, het doel of de aanpak van de samenwerking die minstens
ten dele verschilt van de opdrachten, doelen en aanpakken van elk van de
samenwerkende organisaties afzonderlijk (Mattessich & Monsey, 1992).
5.6.Drie perspectieven om naar de motivatie voor samenwerking tussen organisaties te kijken
Nadia Farmakopoulou bestudeert kwalitatieve data uit het buitengewoon
onderwijs. Ze leidt uit deze studie drie perspectieven af om naar interagency
collaboration te kijken:
■■ Het perspectief van sociale uitwisseling: de motivatie om samen te werken is
intern voor elke organisatie.
■■ Relaties tussen organisaties vormen zich waar leden van organisaties
wederzijdse winsten of voordelen zien in het samenwerken.
■■ Het krachten/middelenafhankelijkheidsmodel: organisaties worden soms
gedwongen in verbindingen die ze zelf niet zouden hebben gekozen. Maar
de organisaties worden desalniettemin verondersteld samen te werken uit
rationeel eigenbelang.
■■ Het politiek-economisch perspectief: in het echte leven, zullen alle
welzijnsorganisaties wel enigszins beperkt zijn door wettelijke druk
(opgelegde samenwerking), administratieve druk (lokaal politieke
besluitvorming), sociale druk (pressiegroepen) of directieven van
een hoger niveau. Dit geeft aan dat verbindingen tussen organisaties
zich moeten verhouden tot wijdere economische, politieke en sociale
krachten. Dit principe staat centraal in het politiek-economisch perspectief
(Farmakopoulou, 2002).
5.7.Drie samenwerkingsstrategieën
Ulrica Nylén deed een uitgebreide literatuurstudie en volgde in een
verkennende casestudie zeven samenwerkingsinitiatieven op in de brede
welzijnssector in Zweden (Nylén, 2007). Haar literatuurstudie bracht drie
samenwerkingsstrategieën aan het licht die ze uitzet op een twee-assenstelsel.
De eerste as geeft de graad van formalisering weer; de tweede as de intensiteit
waarmee wordt samengewerkt.
33
V
Samen vermaatschappelijken. Verslagboek symposium
Figuur 1: Interagency collaboration strategies in the human services
sector
INTENSITY
Low
High
FORMALIZATION
Low
2. COMMITMENTBASED
NETWORKING
1. ASSIGNMENTS
REALLOCATION
3. FORMALIZED TEAMBUILDING
High
De samenwerkingsstrategieën die dit assenstel oplevert zijn:
■■ Herverdelen van opdrachte:
dit staat voor samenwerking tussen organisaties waar cliënten of specifieke
plichten worden uitgewisseld tussen aanbieders. Een vergelijkbare typologie
kwam aan bod aan de tafel ‘Wat met cliëntinformatie in het netwerk? van
het worldcafe. Je vindt het verslag van deze tafel op pagina 51 of via deze
link.
■■ Op telkens nieuwe engagementen bouwende samenwerking: deze
samenwerking bouwt op hechte, meestal informele interactie tussen
professionelen die gezamenlijk een nieuwe of een verbeterde set van
diensten aanbieden.
■■ Het bouwen van een nieuw formeel team is de strategie die op beide
assen hoog scoort. Hier wordt intense interactie tussen professionelen
georganiseerd in een nieuwe organisatie-eenheid met het doel een meer
kwaliteitsvolle dienstverlening te bieden aan een specifieke cliëntengroep.
5.8.Een typologie naar doelen
Mary Atkinson bestudeerde 30 samenwerkingsinitiatieven in het Verenigd
Koninkrijk waarbij organisaties uit de sectoren onderwijs, welzijn en
gezondheidszorg betrokken waren. 139 interviews leverden een inzicht op in
de doelen die worden geformuleerd (Atkinson, Wilkin, Stott, Doherty, & Kinder,
2002). Ze onderscheidt:
Decision-making groups
Het hoofddoel van de gezamenlijke activiteit in de initiatieven die in deze groep
worden ingedeeld is om een forum te bieden waarin professionelen uit de
verschillende organisaties elkaar konden ontmoeten om thema’s te bespreken en
beslissingen te nemen.
34
V
Samen vermaatschappelijken. Verslagboek symposium
Figuur 2: Decision-making group
Education
Social
Services
Health
Other
Operational
Strategic
Decision-making group
Consultatie- en trainingssamenwerkingen
Binnen initiatieven die onder de noemer ‘consultatie- en
trainingssamenwerkingen’ vielen was het belangrijkste doel van de
samenwerking het verhogen van de expertise van de professionelen van de ene
organisatie door hen consultatie en training aan te bieden. Dit gebeurde meestal
op het operationele niveau.
Operational
Strategic
Figuur 3: Consultation and training
Agency
Agency
35
V
Samen vermaatschappelijken. Verslagboek symposium
Centrebased delivery
Het hoofddoel in de samenwerking tussen deze organisaties is om een bepaalde
expertise op één plaats samen te brengen, dit om een meer gecoördineerde en
meer uitgebreide dienst te kunnen bieden.
Operational
Strategic
Figuur 4: Centre-based delivery
Education
Health
Social
Services
Other
Coordinated delivery
Coordinated delivery lijkt enigszins op centre-based delivery. Het belangrijkste
doel van coordinated delivery is het samenbrengen, door samenwerking
tussen meerdere organisaties, van een aantal organisaties bij het leveren van
diensten opdat een meer gecoördineerd en samenhangend antwoord op de
nood kon worden geboden. Meestal werd dit bereikt door het aanduiden van
een coördinator die verantwoordelijk was voor het samenbrengen van eerder
gescheiden diensten.
Strategic
Figuur 5: Coordinated delivery
Operational
Coordinator
36
Education
Social
Services
Health
Other
V
Samen vermaatschappelijken. Verslagboek symposium
Operational-team delivery
Het doel van initiatieven binnen deze categorie is dat professionals van
verschillende organisaties gingen samenwerken op een dagdagelijkse basis en
zo een samenhangend, vanuit meerdere organisaties samengesteld, team gaan
vormen. Dit team levert dan zijn diensten direct aan de cliënten.
Operational
Strategic
Figuur 6: Operational-team delivery
Education
Health
Social
Services
Other
5.9.Praktische instrumenten voor het nadenken
over samenwerking tussen organisaties
Twee schema’s voor een breedspectrumanalyse
Zowel Bryson als Mattessich bieden een schematisch overzicht met een
breed spectrum om de samenwerking tussen organisaties te analyseren. Bij
Mattessich is dit schema het meest overzichtelijk (Mattessich & Monsey, 1992).
De auteurs splitsen de factoren die een samenwerking bepalen op in de eerder
al geschetste zes categorieën: omgevingsfactoren, lidmaatschapsfactoren,
proces- en structuurfactoren, de manier waarop gecommuniceerd wordt binnen
de samenwerking, het doel van de samenwerking en de middelen waarop de
samenwerkende partners een beroep kunnen doen.
Het schema van Bryson dat gaat over intersectorale samenwerking, legt meer
nadruk op de verbanden tussen de verschillende factoren (Bryson et al., 2006),.
37
V
Samen vermaatschappelijken. Verslagboek symposium
Figuur 7: A Framework for Understanding Cross-sector Collaborations
INITIAL CONDITIONS
General Environment
Turbulence
Competitive and institutional elements
Sector Failure
Direct Antecedents
Conveners
General agreement on the problem
Existing relationships or networks
PROCESS
STRUCTURE AND
GOVERNANCE
Formal and Informal
Forging agreements
Building leadership
Building legitimacy
Building trust
Managing conflict
Planning
Formal and Informal
Membership
Structural configuration
Governance structure
CONTINGENCIES
AND CONSTRAINTS
Type of collaboration
Power imbalances
Competing institutional
logics
OUTCOMES AND ACCOUNTABILITIES
Outcomes
Public value
First-, second, and third-order effects
Resilience and reassessment
Accountabilities
Inputs, processes, and outputs
Results management system
Relationships with political and
professional constituencies
Bron: Bryson et al., 2006
.
Dit schema deelt heel wat aspecten met de factoren van Mattessich maar legt
meer nadruk op de beginsituatie van een samenwerking tussen organisaties en
benoemt een aantal belemmeringen zoals machtonevenwichten en wedijverende
institutionele logica’s.
Nadenken over doelen in de samenwerking tussen
organisaties
Andere auteurs bieden schema’s die meer specifiek stilstaan bij de verschillende
aspecten van het samenwerken tussen organisaties. Chris Huxham biedt een
schema waarin de gedeelde doelen in een samenwerking kunnen worden
geanalyseerd (Vangen & Huxham, 2011).
38
V
Samen vermaatschappelijken. Verslagboek symposium
Figuur 8: Means of achievement
HIDDEN
openness ASSUMED
EXPLICIT
COLLABORATIVE GOALS
goal
ownership ORGANIZATION GOALS
INDIVIDUAL GOALS
THE
COLLABORATION
THE
ORGANIZATION
THE
INDIVIDUAL
means of achievement
Het schema maakt een onderscheid op drie assen. Een eerste as gaat over
de middelen die er in een samenwerking ter beschikking zijn om het doel te
bereiken. Kan de samenwerking beschikken over de middelen van één of enkele
individuen om haar doel te bereiken? Of wordt het potentieel van één of enkele
van de samenwerkende organisaties ingezet? Of leveren alle organisaties die deel
nemen aan de samenwerking een bijdrage?
Een volgende as gaat over het eigenaarschap van de doelen. Wordt dit
eigenaarschap gedragen door één of enkele individuen? Wordt er samengewerkt
rond een doel waarvan het eigenaarschap gedragen wordt door één of enkele
van de samenwerkende partners? Of is de samenwerking zelf eigenaar van het
doel?
doelen die men
doelbewust verbergt
De laatste as stelt vragen over de openheid waarmee de doelen, en daarmee
ook de antwoorden, op de voorgaande vragen worden geformuleerd. Het kan
hierbij gaan over expliciet gemaakte doelen, meestal te vinden in verslagen van
vergaderingen. Maar evengoed kan het gaan over doelen die in de samenwerking
niet zijn uitgesproken maar die als veronderstelling, vaak in verschillende versies,
leven bij de deelnemers. Huxham benoemt ook de verborgen doelen als een
categorie. Naast de doelen waarover men open communiceert zijn er voor
individuen en organisaties ook doelen die men doelbewust verbergt voor de
andere partijen in de samenwerking.
Nadenken over vertrouwen in samenwerking tussen
organisaties
paard
Vertrouwen komt te voet en gaat te paard. Huxham geeft ook een oude wijsheid
schematisch weer. Vertrouwen wordt moeizaam opgebouwd maar kan snel
worden verloren. Dit geldt uiteraard ook in de complexe samenwerking tussen
organisaties.
39
V
Samen vermaatschappelijken. Verslagboek symposium
Figurur 9: Dynamics in the membership structures of collaborations
Policy influences
on purpose
Policy influences on
member organisations
collaborative
purpose
collaborative
membership
moving to new
collaborative agendas
individual’s
job changes
Bron: Huxham & Vangen (2000)
Figuur 10: Fragility of the trust building loop
Reinforce trusting
attitudes
Gain underpinnings for
more ambitious collaboration
Aim for realistic
(initially modest)
but succesful outcomes
form expectations
about the future of
the collaboration
based on reputation or
past behaviour or
contracts and
agreements
have enough trust
and take a risk to
initiate the
collaboration
Bron: Huxham & Vangen; 2004
Kijken naar de structuur van een samenwerking tussen
organisaties
Huxham biedt ook een schema om de netwerkstructuur van een samenwerking
tussen organisaties in beeld te brengen (Huxham & Vangen, 2005). Het
schema kan ook gebruikt worden om het netwerk waarin één organisatie
opereert in kaart te brengen. De letters in onderstaand schema staan
voor samenwerkingsverbanden, de cijfers voor individuele medewerkers.
Medewerkers kunnen een eigen kleur krijgen op basis van de organisatie waartoe
ze behoren. Samenwerkingsverbanden kunnen ook per typologie, bijvoorbeeld
doel, een kleur krijgen.
40
V
Samen vermaatschappelijken. Verslagboek symposium
Figuur 11: Illustration of complexity through multiple membership of
partnerships
5 individuals
members and 5 individuals
from other member
organisations or
partnerships
20
4 individuals
from other member
organisations
23,30,
37,38,
39
32
46,47,
48,49
D
E
8
18
A
F
50
13
10
C
B
1 individuals member
and 3 individuals
from other member
organisations
4
2
1
G
H
16
I
3
12
Note: Letters represent partnerships, numbers indicate individual people who are represented on them.
Source: Sweeting et al. (1999) study of membership of partnerships in Bristol.
Ook Ulrica Nylén presenteert een schema om de structuur van
samenwerkingsinitiatieven tussen organisaties in kaart te brengen. Dit kwam
eerder al aan bod (Nylén, 2007).
Voor het kijken naar leiderschap in samenwerking tussen
organisaties
Huxham destilleert uit de interviews, die ze gedurende 17 jaar afnam van
mensen in samenwerkingsverbanden tussen organisaties, volgend schema
wat het leiderschap betreft (Huxham, 2003). Men kan het bekijken als een
continuüm met aan de linkerkant leiderschapsstijlen die baden in de geest van
samenwerking. Aan deze zijde vindt men veel sociaal wenselijke uitspraken over
leiderschap in samenwerkingsverbanden. De juiste leden bij elkaar brengen, de
leden empoweren en zo participatie mogelijk maken, iedereen actief betrekken,
enz.
Huxham merkte in haar interviews dat dit niet de enige kant van het verhaal was.
Soms werkt een samenwerking omdat de persoon die ze leidt niet te beroerd
is om het pad van ‘collaborative thuggery’, ofte boevenstreken in te slaan. Het
manipuleren van de agenda van de samenwerking, het spelen van ‘politieke
spelletjes’.
41
V
Samen vermaatschappelijken. Verslagboek symposium
Figuur 12: The essence of leadership for collaborative advantage
From the spirit of collaboration ...
the essence of
EMBRACING
Embracing
the right
kind of
members
EMPOWERING
empowering
members
to enable
participation
INVOLVING
involving
and
supporting
all members
MOBLILZING
mobilizing
members to
make things
happen
MANIPULATING THE
COLLABORATIVE AGENDA
making things
happen through
leadership
enactment
for
collaborative
advantage
PLAYING THE POLITICS
making things
happen through
... towards collaborative thuggery
Bron: The essence of leadership for collaborative advantage; Vangen & Huxham (2003)
Voor het nadenken over leren in samenwerking
eerste generatie:
individu
Yrjö Engeström bouwt verder op de ‘activity theory’ van Vygotsky om te komen
tot een theoretisch kader over hoe mensen leren in samenwerkingsverbanden
tussen organisaties (Engeström & Glăveanu, 2012). Hij bouwt zijn theorie op
in drie generaties. In de eerste generatie activity theory gaat het over hoe een
individu leert of een losse groep mensen leert.
Figuur 13: First generation activity theory model
Meditational Means (Tools)
(machines, writing, speaking, gesture, architecture, music, etc.)
Subject(s)
(individual, dyad, group)
Object/Motive ----> Outcome(s)
De basis van de driehoek waarin wordt geleerd bestaat hier uit de relatie tussen
het subject of de subjecten die iets willen leren en het object, dat wat ze willen
leren, of datgene wat ze willen bereiken. Vaak zal er bij het bereiken van dit
doel gebruik gemaakt worden van middelen die helpen dit doel te bereiken. Dit
veronderstelt dat de subjecten de middelen leren gebruiken, de linkerzijde van
de driehoek, en zicht hebben of ontwikkelen op welke middelen hen op welke
manier zullen helpen bij het realiseren van het doel, de rechterzijde van de
driehoek.
tweede generatie:
organisatie
42
Activity theory van de tweede generatie gaat over leren in een organisatie.
Oorspronkelijke driehoeksschema van de eerste generatie zit nog in dit schema
vervat, het zit bovenaan in de tekening, maar het is uitgebreid.
V
Samen vermaatschappelijken. Verslagboek symposium
Figuur 14: second generation activity theory model
Mediating Artefacts:
Tools and Signs
Object
Sense
Subject
Rules
Outcome
Meaning
Community
Division of Labour
Bron:
The
structure
a human
activity
system
Engestrom
1987
p.78
The
structure
ofofa human
activity
system
Engestrom
1987
p.78
Een aantal aspecten van een organisatie zijn er bijgekomen. Zo heeft een
organisatie een set van regels waarnaar men zich binnen de organisatie gedraagt,
de linkerkant van de basis. Ook heeft een organisatie een arbeidsverdeling, de
rechterkant van de basis van de driehoek. In het midden van de basis vinden we
de ruimere gemeenschap waarbinnen de organisatie functioneert terug. Ook
hier zijn het de verbindingen tussen al deze punten en het gedeelde doel van de
organisatie, het midden van de rechterkant van het schema die onze aandacht
vragen.
samenwerking
In de activity theory van de derde generatie staat het samenwerken van
organisaties centraal.
Figuur 15: third generation activity theory model
Two interacting activity systems as minimal model for
third generation of activity theory ... Engeström 1999
Mediating Artefact
Mediating Artefact
Object 2
Object 2
Object 1
Rules
Community
Division
of Labour
Object 1
Division Community
of Labor
Rules
Object 3
Uiteraard blijven de schema’s uit de eerste en tweede generatie geldig. Maar het
gaat hier nu over meerdere organisaties die, als het goed is, doelen nastreven
die minstens gedeeltelijk worden gedeeld door de betrokken organisaties en de
mensen die er in werken.
leermechanismen
Boundary crossing
Binnen de ‘activity theory’ gaat er recent veel aandacht naar het gegeven
‘boundary crossing’. Dit wordt gedefinieerd als het overschrijden van de grenzen
tussen verschillende types van professionals en tussen verschillende instellingen
die elk hun eigen cultuur en geschiedenis hebben. Akkerman maakte een review
van 181 studies over ‘boundary crossing’ (Akkerman, 2011). In deze studies
wordt aangetoond dat ‘boundary crossing’ vier soorten leermechanismen in
gang kan zetten.
43
V
Samen vermaatschappelijken. Verslagboek symposium
identificatie
coördinatie
reflectieproces
veranderingsproces
Het eerste leermechanisme is wederzijdse identificatie waarbij overlappende
praktijken worden gedefinieerd of geherdefinieerd in het licht van elkaar. In dit
proces focussen de betrokkenen op hoe de overlappende praktijken van elkaar
verschillen en hoe ze legitiem naast elkaar kunnen bestaan.
Het tweede leermechanisme is de coördinatie van de verschillende praktijken.
Dit houdt in dat er middelen worden gezocht en procedures ontwikkeld die het
mogelijk maken dat er efficiënt kan worden samengewerkt in de werkverdeling.
Consensus over de praktijken en de manier waarop ze overlappen is hierbij
wenselijk doch niet noodzakelijk.
Het derde leermechanisme is een reflectieproces. Hier gaat het over het
wederzijds definiëren van de verschillende perspectieven die elk van de
verschillende praktijken met zich mee kan brengen en het creëren van openheid
om vanuit het perspectief van de ander te kijken naar de eigen praktijken.
Het vierde mechanisme is een veranderingsproces. Hier wordt, vaak in antwoord
op een confrontatie met een nieuw vraagstuk of probleem, een gedeeld
kader afgesproken waarbinnen oplossingen kunnen worden gezocht voor dit
vraagstuk of probleem. De oplossingen houden in dat overlappende praktijken
worden geïntegreerd door het ontwikkelen van hybride perspectieven en/of
activiteiten.
Aan de tafel participatie van cliënten in samenwerking tussen hulpverleningsorganisaties van het worldcafé werd het thema cliëntparticipatie als voorbeeld
gegeven van een domein waarop via boundary crossing veel van elkaar kan worden geleerd. Je vindt het verslag van deze tafel op pagina 52 of via deze link.
In het worldcafé ging het aan één tafel over boundary crossing. Je vindt het
verslag van deze tafel op pagina 52 of via deze link.
44
V
Samen vermaatschappelijken. Verslagboek symposium
45
VI
WORLDCAFÉ
Het namiddagluik van het symposium werd opgevat als een World Café waarbij
in blokjes van telkens 20 minuten enkele topics uit de voormiddag verder werden
uitgediept. De gastheren en –vrouwen bezorgden achteraf volgend verslag. Meer
info over de World Café methode vind je op: http://www.theworldcafe.com/
method.html.
6.1.Tafel 1: gastheer Jan Vos
Thema: samen effectiever verwonderd, bezorgd en verontwaardigd?
gemis
Het vertrekpunt van de eerste tafel was de vaststelling dat er op het vlak
van het signaleren van structurele problemen nog nauwelijks of niet wordt
samengewerkt tussen de sectoren geestelijke gezondheidszorg en de CAW’s. De
deelnemers aan dit Worldcafé benoemen dit als een gemis én werkten al dadelijk
twee voorbeelden uit die illustreren hoe dit gemis ingevuld kan worden.
Iedereen wint
Het eerste gaat over de woonproblematiek: thema zijn de normen voor de
kwaliteit van de woningen, die worden opgelegd in het pandendecreet,
waardoor heel wat kamers niet meer beschikbaar zijn voor mensen in trajecten
van begeleid wonen. Het is, aan de ene kant, goed dat deze normen verbeteren
maar wanneer er geen betaalbare alternatieven zijn voor kamers die niet aan
de normen beantwoorden verdwijnt wel een deel van de woningmarkt dat
essentieel is voor de begeleidingsvorm begeleid wonen.
Hiermee samenhangend stellen de deelnemers vast dat cliënten die gebruik
maken van de regeling voor beschut wonen geen aanspraak kunnen maken op
huursubsidie. Ook ontbreekt voor beschut wonen nog een agogisch voortraject
waarin de mensen getraind worden in de vaardigheden die nodig zijn om
zelfstandiger te wonen. Ook het gebrek aan een partnerschap met de CLB’s is
hier een hiaat.
Een meer omvattende Vlaamse regelgeving op dit vlak is nodig. Deze thema’s zijn
weliswaar opgenomen in de ad hoc werkgroep wonen-welzijn wat resulteerde in
een conceptnota wonen-welzijn van het Kabinet van Vlaams minister van Energie
& Wonen en het Kabinet van Vlaams minister van Welzijn Volksgezondheid
& Gezin (Jo Vandeurzen, 2010). Doch dit blijft in te grote mate een ad hoc
gebeuren en zou volgens de deelnemers beter in een gezamenlijk project van
Zorgnet, FDGG en SOM kunnen opgenomen worden. Conflicterende belangen
Het tweede voorbeeld wordt aangebracht door medewerkers van ’t Kruispunt.
Zij wijzen op het gat waarin mensen vallen die worden verwezen vanuit een CAW
naar organisaties uit de geestelijke gezondheidszorg. Dit gat heeft te maken met
een gebrek aan capaciteit op de eerste lijn van de geestelijke gezondheidszorg.
46
VI
Samen vermaatschappelijken. Verslagboek symposium
Naast dit capaciteitstekort zien de deelnemers ook aspecten van regelgeving die
voor verbetering vatbaar zijn:
■■ Een afstemming van de regels m.b.t. cliëntinformatie dringt zich op.
■■ Er is geen afstemming van de prijssystemen voor aanbodsvormen van begeleid wonen in de verschillende sectoren.
niet ernstig
Wat het capaciteitstekort betreft wijzen enkele deelnemers erop dat de
omzetting van een residentieel aanbod naar een ambulant aanbod nog niet
ernstig aangevat is. Achtergrond bij deze vaststellingen is dat in het kader van
de implementatie van art. 107 van de wet betreffende de ziekenhuizen en de
verzorgingsinstellingen (Gecoördineerde wet op de ziekenhuizen en andere
verzorgingsinrichtingen, 2008) de omzetting van residentieel aanbod naar de
eerste drie kernfuncties van zorgcircuits en netwerken erg moeilijk van de grond
komt. Ter herinnering, deze eerste drie functies zijn:
■■ Functie 1: activiteiten inzake preventie en promotie van geestelijke gezondheidszorg, vroegdetectie, screening en diagnosestelling.
■■ Functie 2: ambulante intensieve behandelteams voor zowel de acute als
chronische problemen inzake geestelijke gezondheid.
■■ Functie 3: rehabilitatieteams die werken rond herstel en sociale inclusie (Interministeriële Conferentie Volksgezondheid, 2010).
De gesprekken aan deze tafel waaraan zowel medewerkers van CAW’s, CGG’s
en ziekenhuizen deelnamen gaf aan dat vooral met betrekking tot het laatste
voorbeeld de belangenconflicten tussen de verschillende sectoren een
belangrijke rol spelen.
6.2.Tafel 2: gastvrouw Like Vandamme
Thema: samen effectiever verontwaardigd
Aan deze tafel werd de vraag als confronterend ervaren. Vermaatschappelijken
heeft inderdaad ook een structurele en maatschappelijke kant waarbij een
kritische kijk vanuit het werkveld onontbeerlijk is. Tegelijk zagen de deelnemers
dat deze alertheid grotendeels afwezig is in de huidige samenwerkingsverbanden
tussen CAW’s, CGG’s en GGZ en dat het zinvol was om dit aspect meer uit de
verf te laten komen. Krachten bundelen op beleidsniveau leek dan een logische
vertaling.
Onbekend is …
Een eerste stap is het beter leren kennen en benutten van elkaars aanbod. Enkel
op die manier kunnen hiaten in het aanbod op een goede manier worden geduid.
De bedoeling moet zijn te komen tot een meer geïntegreerd aanbod, dat in de
plaats komt van het huidige aanbod dat door de deelnemers als gefragmenteerd
werd ervaren.
kansen
Kansen in samenwerking werden er vooral gezien in de aanwezigheid van aan de
ene kant de GGZ-specifieke competenties en know how en aan de andere kant de
brede kijk van CAW-medewerkers.
47
VI
Samen vermaatschappelijken. Verslagboek symposium
6.3.Tafel 3: gastvrouw Kristin Nuyts
Thema: participatie van cliënten in samenwerking tussen hulpverleningsorganisaties
Micro & meso
beslisser
De rode draad in de gesprekken aan deze tafel is het onderscheid tussen
participatie op microniveau en op mesoniveau.
Bij participatie op microniveau gaat het over de cliënt die inzage heeft in zijn
dossier en/of het in grote mate zelf beheert en die de uiteindelijke beslisser is in
het verloop van het hulpverleningstraject, ook wanneer bij dit traject organisaties
uit verschillende sectoren betrokken zijn.
Participatie op mesoniveau gaat dan over het betrekken van cliënten bij
beslissingen op niveau van de organisatie of het samenwerkingsverband. Dit kan
gaan over de keuze van een organisatie om meer dan wel minder in te zetten
op residentiële hulp, de keuze in grote bijscholingstrajecten voor medewerkers,
maar ook inzet van mensen uit de doelgroep bij intervisie en supervisie en de opleiding van nieuwe medewerkers. Dit onderscheid kwam op verschillende
momenten in de gesprekken aan bod.
Ambulant & residentieel
Verder werd aan deze tafel een verschil vastgesteld tussen ambulante en
residentiële settingen. Participatie is in residentiële settingen al meer ingebed in
de werking stelden de deelnemers vast. Dit zowel op micro- als op mesoniveau.
De deelnemers uit ambulante deelwerkingen, met vaak minder ervaring met
cliëntparticipatie, gaven in de gesprekken aan te willen leren van de ervaring
van hun collega’s uit residentiële settingen. Ook de medewerkers uit CAW’s
gaven aan dat ze nog erg zoekend zijn als het gaat om cliëntparticipatie. Zowel medewerkers uit residentiële als uit ambulante settingen stelden dat er nog een
lange weg te gaan is wanneer het gaat over participatie, zowel op micro- als op
mesoniveau.
Creatief met obstakels
Hindernissen op weg naar meer participatie die werden geïdentificeerd zijn
gebrek aan tijd en middelen, de niet evidente doelgroepen en contexten
waarmee en waarin gewerkt wordt en last but not least de vraag in welke mate
cliënten zelf vragende partij zijn.
Onafhankelijk van het niveau (micro-meso) waarop de participatie zich moest
afspelen bleek een tekort aan middelen vaak een struikelblok. Het gaat dan om
extra vergadertijd die er omwille van deadlines niet is of om geld om opgeleide
ervaringsdeskundigen te betalen. Andere stemmen aan de tafel stelden dit
in vraag: als participatie echt is ingebouwd in de werking zijn deze budgetten
voorzien en worden deadlines hierop afgestemd.
geïnterneerden
48
Participatie in samenwerking tussen organisaties bleek, zowel op micro- als op
mesoniveau ook sterk af te hangen van de context waarin werd gewerkt en de
doelgroep. Een voorbeeld dat werd gegeven was het verhaal met veel vallen en
opstaan van OPZC Rekem waar de medewerkers ook de ‘geïnterneerden vrij op
proef’ meer wil laten participeren. In de context van het sterk gestructureerde
VI
Samen vermaatschappelijken. Verslagboek symposium
regime en de therapie die gebaseerd is op token economy system is dit een
ambitieus doel. Maar ook hier was de boodschap dat een moeilijke doelgroep
geen excuus mag zijn om de participatie van cliënten maar te laten voor wat het
is.
Ook de vraag naar de mate waarin cliënten zelf vragende partij zijn naar
participatie werkt soms als een rem. Het antwoord op deze vraag bleek echter
eenvoudig: Begin met het hen te vragen en stel de vraag zowel op micro- als op
mesoniveau.
VAPH
positieve ervaringen
vaardigheden en
attitudes
Inspiratie m.b.t. beide niveaus van participatie kon volgens de deelnemers
gevonden worden in Nederland. Een zoektocht van het Overlegplatform
Geestelijke Gezondheid en Psychiatrie Antwerpen leidde naar Nederlandse
voorbeelden waar een wettelijke basis voor deze particiatie is gelegd. Maar
ook wat er op dit vlak nu al in de Vlaamse sector VAPH gebeurt, werd door de
deelnemers met interesse en vaak bewondering gevolgd.
Er werd uiteraard ook naar de eigen organisaties gekeken. In de eigen positieve
ervaringen op mesoniveau vermelden de deelnemers hun erg positieve
ervaringen met bewonersraden, opgeleide ervaringsdeskundigen van o.a.
TAO, de Gentse deelwerking van De Link, Open armen, een Vereniging waar
armen het woord nemen in Halle, en de Werkgroep Verder, een organisatie van
nabestaanden na zelfdoding; Uilenspiegel, Ups & Downs, Similes, …
Op microniveau leken de uitdagingen groter. Bijvoorbeeld: medewerkers van
de CAW’s gaven aan dat ze het moeilijk vinden om de Eigen Kracht Conferenties
een plaats te geven binnen, of aansluitend bij, hun reguliere aanbod. Ook
medewerkers uit de geestelijke gezondheidszorg benoemden de eigen twijfels
over de capaciteiten van de cliënt om meer dan nu het touw in handen te nemen
in de hulpverlening. Het is geen verhaal van willen alleen. Verder doorgedreven
participatie op microniveau veronderstelt vaardigheden en attitudes als het
durven loslaten, het kunnen werken met meerzijdige partijdigheid, het zich
hierin gesteund voelen door team en teamverantwoordelijke, … . Methodische
handvatten waren volgens de deelnemers te vinden in het verhaal van de Eigen
Kracht Conferenties (Doolan, 2011) en in CAPA, de Choice And Partnership
Approach (York & Kingsbury, 2009).
Samenvattend: wat cliëntparticipatie betreft hebben de CAW’s en de actoren
uit de geestelijke gezondheidszorg nog een lange weg te gaan. Dit zowel wat
betreft participatie op meso- als op microniveau. Inspiratie valt te halen bij de
Nederlandse collega’s maar ook in de sector VAPH. De functie van samenwerken
op dit vlak is dan vooral het samen experimenteren en delen van kennis. Deze
tafel in het Worldcafé deed verlangen naar meer.
6.4.Tafel 4: gastvrouw Helen Blow
Thema: brokeren in de hulpverlening
Tiens, ik ben een broker
Herkenning in de groep van het pleidooi dat Peter Raeymaeckers hield:
■■ Het groeiende belang van netwerken in de hulpverlening
■■ De rol van sleutelorganisaties
■■ Het generalistische profiel van deze sleutelorganisaties
49
VI
Samen vermaatschappelijken. Verslagboek symposium
Voorbeelden van good practices die werden gegeven waren: Welzijnsraad Regio
Gent, Welzijnsoverleg, Welzijnsraad in Zuid West-Vlaanderen, het overleg dat
Sociale Huisvestingsmaatschappij Dijledal in Leuven organiseert over zowel
wonen als sociale thema’s.
Hulpverleners ervaarden de werking van deze overlegstructuren over het
algemeen als positief. Tegelijk echter gaven ze aan dat ze vaak in het duister
tasten over de manier waarop verschillende overlegtafels zich tot elkaar
verhouden.
De deelnemers aan het World café zien deze overlegtafels vooral adviezen
uitbrengen over projecten die dan al dan niet worden opgestart, de evaluaties
van deze projecten bespreken, de ervaring en kennis die in projecten werd
opgedaan bundelen en verspreiden.
Er kwamen duidelijke verschillen aan bod in de manier waarop de
vertegenwoordiging van de organisaties opgenomen wordt. In sommige CAW’s
nam een vaste hulpverlener deel aan één bepaald overleg. In andere CAW’s
waren er één of meer directieleden die deze overleggen voor hun rekening
namen. Beide pistes veronderstellen wel dat wie het overleg volgt ook binnen de
organisatie nog gericht doorcommuniceert wat er op het overleg is gedeeld.
Het gesprek kwam waarschijnlijk door recente fusie en schaalvergrotingen ook
terecht bij de interne overlegstructuren in de nieuw gevormde organisaties. Ook
hier wordt als vanzelfsprekend gebrokerd en worden ‘boundaries gecrossed’.
Echter, dit alles riskeert te resulteren in een overvloed aan informatie waarin
medewerkers/hulpverleners verdwalen.
Onzichtbaar & onmisbaar en toch te leren
De functies die hulpverleners zagen weggelegd voor de overlegstructuren
op regionaal vlak waren het delen van informatie en leren van elkaar en het
creëren van draagvlak voor gezamenlijke initiatieven. Het brokeren zoals Peter
Raeymaeckers het omschreef in zijn presentatie in de voormiddag bleef volgens
de deelnemers in de huidige overlegstructuren nog onderbelicht. Ze herkennen
dit brokeren wel wanneer het wordt benoemd maar stellen vast dat het
bijvoorbeeld in agendapunten voor een vergadering niet terug te vinden is. Te
vaak nog hangt het af van personen die deze rol spontaan opnemen.
een competentie
kosten/batenanalyse
50
Het brokeren werd door de deelnemers ook benoemd als een competentie.
Sommige mensen lijken het van nature te hebben. De ideale gastheer/vrouw
die de competenties van de deelnemers aan een overleg perfect inschat, hun
interessesferen en achtergronden kent, mensen vlot met elkaar in verbinding
brengt, inzicht heeft in belangenconflicten en deze met enige flair kan hanteren,
de juiste informatie bezorgt aan de juiste personen zonder voor information
overload te zorgen, … . Veel van dit alles kan volgens de deelnemers ook worden
geleerd.
Ondanks het feit dat de deelnemers de regionale overlegstructuren over het
algemeen positief evalueerden pleitten ze toch voor het maken, met enige
regelmaat, van een kosten/batenanalyse voor elk overleg. Hoeveel tijd stoppen
we erin, met voorbereiden, doorcommuniceren binnen de eigen organisatie,
verplaatsingen, …. En wat brengt het aan meerwaarde op de werkvloer?
VI
Samen vermaatschappelijken. Verslagboek symposium
6.5.Tafel 5: gastvrouw Kris Stas
Thema: wat met cliëntinformatie in het netwerk?
Onderscheid en nuance
Aan deze tafel werd van in het begin een duidelijk onderscheid gemaakt tussen
beleidsoverleg, consult en overleg over gemeenschappelijke cliënten.
beleidsoverleg
consult
gedeelde cliënten
Een voorbeeld van beleidsoverleg was een overleg tussen CAW’s, actoren uit
de sector geestelijke gezondheidszorg, politie en parket waarin een actieplan
werd opgesteld tegen partnergeweld en familiaal geweld. Kader voor dit overleg
was een convenant tussen justitie, politie, CAW’s en actoren uit de geestelijke
gezondheidszorg. De beleidsbasis was een rondzendbrief van Minister van
Justitie Onkelinx en het college van procureurs generaal. Er was binnen dit
overleg niet de behoefte om cliëntinformatie uit te wisselen en het overleg werd
als erg positief ervaren. Het zorgde voor tal van tastbare verbeteringen op de
werkvloer.
In een voorbeeld van een samenwerking i.f.v. consult werden de casussen steeds
ook geanonimiseerd besproken. Het ging in dit voorbeeld om een medewerker
van een CGG die consult geeft aan medewerkers van een CAW. Het anonimiseren
van de hulpverleningssituaties bleek vrij vlot te gaan en de inbrengers van deze
good practice zagen geen negatieve invloed op de kwaliteit van het consult
omwille van het anoniem zijn van de casus.
In overleg over gedeelde cliënten kwamen voorbeelden aan bod waarin strikte
en heldere afspraken werden gemaakt over het delen van cliëntinformatie. Een
eerste voorbeeld is een overleg waarin gemeenschappelijke cliënten van CGG’s,
GGZ en CAW’s besproken worden. De afspraken m.b.t. dit overleg zijn strikt. Zo
moet de cliënt z’n toestemming geven voor dit overleg, worden de besluiten
die uit het overleg komen teruggekoppeld naar de cliënt en wordt er aan de
hulpverleners gevraagd om bij het brengen van informatie een relevantiefilter
te hanteren. Dit overleg kan ook plaats vinden in aanwezigheid van de cliënt en
uiteraard kan de cliënt zijn toestemming voor dit overleg weigeren. Het overleg
gaat dan niet door. Dit overleg werd aan de World Café tafel voorgesteld door
een CAW-medewerker die werkte voor een project in het kader van Alternatieve
Gerechtelijke Maatregelen. Het overleg werd vooral ingezet voor cliënten die
veroordeeld waren wegens drug- of gewelddelicten. In het eerste gesprek over
iedere cliëntsituatie wordt stilgestaan bij de verwachtingen van alle betrokkenen
bij dit overleg rond deze concrete cliëntsituatie en worden de deontologische
regels nog eens duidelijk gesteld. De medewerkers die dit voorbeeld inbrachten
gaven aan dat het advies dat vanuit het overleg kwam vaak neerkwam op een
aanmoediging om op de ingeslagen weg verder te gaan, dit is een belangrijke
boodschap in situaties waar twijfel voor de hulpverlener die de casus brengt
verlammend kan gaan werken.
Overleg over en/of met cliënten
co-hulpverlening
In een ander voorbeeld werkten twee hulpverleners uit verschillende
organisaties nauw samen in één team. De inbrenger noemde dit cohulpverlening. Eén hulpververlener wordt mee in de casus betrokken om een
specifiek aspect van de hulpverlening op te nemen. Dit wordt vooraf met de
cliënt besproken, de cliënt moet zijn toestemming geven, de cliënt moet ook zijn
toestemming geven voor overleg tussen deze hulpverleners.
51
VI
Samen vermaatschappelijken. Verslagboek symposium
over en niet mét
zorgschakels
Verder werd stilgestaan bij situaties waarin de samenwerking het omgaan met
cliëntinformatie meer haken en ogen had. Vaak gaat het om experimenten in
intersectoraal overleg waarin men door samenwerking een antwoord tracht
te bieden aan een urgente nood. Een eerste voorbeeld was de experimentele
betrokkenheid van de Centra Geestelijke Gezondheidszorg in de knelpuntdossiers
binnnen Integrale Jeugdhulp. Bijzonder is hier uiteraard dat het gaat om
minderjarigen en hun context maar ook de intensieve manier waarop werd
samengewerkt. Er werden zelfs gezamenlijke handelingsplannen uitgewerkt
bijvoorbeeld met CLB, CGG en organisaties uit de bijzondere jeugdzorg. Als
meerwaarde van dit project vermeldde de inbrenger de betere afstemming
die er kwam tussen de samenwerkende organisaties, die haast als één team
overleg pleegden en de kruisbestuiving die er spontaan tussen hen ontstond. Een
kritische bedenking die hier werd gemaakt is dat het in hoofdzaak een overleg
over de clënten is, en niet mét die cliënten. Uit het voorbeeld bleek ook niet
duidelijk of cliënten binnen het kader van dit experiment inzage hadden in hun
dossier of in het handelingsplan dat op deze manier tot stand kwam.
Een ander voorbeeld in deze reeks schetste een samenwerking in Antwerpen
over dossiers van geïnterneerden waar het de bedoeling is een doorstroom naar
andere voorzieningen te realiseren, het werken met zogenaamde zorgschakels.
Ook in dit project gaat het over een overleg waarbij de geïnterneerde zelf niet
is betrokken. Zijn wel betrokken: mensen uit omgeving van de geïnterneerde,
de verwijzende instelling en instellingen waarnaar mogelijk verwezen zal
worden. In deze situatie vond het overleg plaats wanneer de cliënt hiervoor zijn
toestemming gaf en goed geïnformeerd werd over de inhoud die men voorzag
voor het overleg (informed consent). Hier kwam de bedenking dat de positie
waarin de cliënt zit weinig ruimte voor keuze laat in het al dan niet geven van
toestemming.
Een derde voorbeeld in deze reeks was het CO3 overleg in de provincie
Antwerpen. Het gaat over een permanente overlegstructuur waarbij partners
uit de sectoren veiligheid en justitie en hulpverlening de meest complexe en
chronische situaties van familiaal geweld bespreken. Als wettelijk kader gelden
hier de uitbreiding van art. 458bis voor feiten inzake partnergeweld, art. 422bis
inzake schuldig verzuim en de eigen samenwerkingsverklaring.
Voorzichtig samenvattend: heel wat intersectoraal beleidsoverleg levert
een grote meerwaarde op de werkvloer en hiervoor hoeft helemaal geen
cliëntinformatie te worden gedeeld. Alvast één voorbeeld geeft aan dat consult
kwalitatief kan gebeuren op basis van geanonimiseerde cliëntsituaties. Ook
zagen we voorbeelden waar overleg over gemeenschappelijke cliënten kan
binnen een strikte toepassing van de bestaande wettelijke kaders. Daarnaast
leverde deze tafel van het World Café enkele voorbeelden van situaties waarin
er voorzichtig moet worden gewikt en gewogen als het gaat over het omgaan
met cliëntinformatie. Dit wikken en wegen is vaak al aanwezig wanneer er
in de hulpverlening niet wordt samengewerkt tussen verschillende partners,
maar dit wikken en wegen wordt er niet makkelijker op wanneer partners uit
verschillende sectoren samenwerken.
52
VI
Samen vermaatschappelijken. Verslagboek symposium
6.6.Tafel 6: gastvrouw Evelien Demaerschalk
Thema: boundary crossing
We doen dit en we doen dit graag
In iedere groep die aan deze tafel passeerde werd eerst gezocht naar concrete
voorbeelden van wat boundary crossing zou kunnen betekenen in de huidige
werkcontexten. Hierin werd bevestigd wat Akkerman al aangaf: boundary
crossing kan vele vormen aannemen: een externe die deelneemt aan de
teambespreking, iemand die een dag of een week komt meelopen, een
supervisor uit een andere sector, een nieuw samengesteld team dat bestaat uit
hulpverleners uit verschillende sectoren, … .
Nadat deze voorbeelden werden verzameld bleek dat de deelnemers aan het
World Café positief stonden tegenover het idee van boundary crossing. Ze
herkennen de positieve impact die het kan hebben op de werking. Dit was
bijvoorbeeld zo in het CO3 project, maar ook in projecten waar medewerkers
uit een CGG supervisie bieden in een CAW-werking, en ook in situaties waar
die boundary crossing eerder een onbedoeld neveneffect was in concrete
samenwerking rond één cliënt.
Gekend is niet altijd …
Toch ook één nuchtere bedenking bij het idee van boundary crossen: het kan
ook tegenvallen wanneer je de professionals uit andere teams persoonlijk leert
kennen. In zulke situaties zal er weinig geleerd worden uit het boundary crossen
en kan de impact op de werking van een netwerk negatief zijn.
leren uit verschillen
De deelnemers zagen als pluspunten: het leren uit verschillen. Dit kunnen
verschillen in visie zijn, maar ook in positionering van de setting waarin je
werkt (eerste vs tweede lijn) en tussen sectoren (AWW, CGG, residentiële
psychiatrische voorziening, …). De deelnemers aan het world café gaven aan
dat boundary crossen ook leidt tot meer appreciatie voor elkaars werk in de
verschillende samenstellende delen van een hulpverleningsnetwerk.
Obstakels
Vervolgens werd er stilgestaan bij de drempels die maken dat boundary crossing
nog weinig wordt georganiseerd. “Want als we het zo vlot herkennen, en we
staan er zo positief tegenover, waarom doen we het dan niet veel meer?”
Hiervoor werden tal van redenen gegeven: een aantal hebben te maken met
tijden en middelen. Gelet op de wachttijden die er nu al zijn in de sector en de
beperkte tijd die er is om met cliënten te werken, is het dan wel verantwoord dat
we mensen dubbel gaan inzetten?
Daarnaast zijn er organisatorische drempels: zo moeten er uiteraard goede
afspraken gemaakt worden over de hantering van het beroepsgeheim. Ook moet
het bekendgemaakt worden dat je team vragende partij is naar deze manier
van leren. Vooral voor situaties van boundary crossing waarin een medewerker
mee kwam draaien in een andere deelwerking leek een inlooptraject vooraf
wel belangrijk. Het gaat dan om het wat beter leren kennen van de deelwerking
waarin je gaat meedraaien, de collega’s daar, de woordenschat, …. En wanneer
je zulke mogelijkheden tot boundary crossen organiseert leek het de deelnemers
ook een goede zaak dat dit achteraf werd geëvalueerd. Boundary crossen kan
dus heel wat voeten in de aarde hebben.
53
VI
Samen vermaatschappelijken. Verslagboek symposium
Als laatste soort drempels kwamen de psychologische drempels aan bod. Het
getuigt van realiteitszin wanneer men enige achterdocht tussen medewerkers
uit verschillende teams veronderstelt. Dit maakt dat er durf voor nodig is om
bijvoorbeeld iemand uit een ander team uit te nodigen om deel te komen nemen
aan een teamvergadering of om te komen meedraaien en observeren in een
werking. Veel kan volgens de deelnemers aan dit world café echter weggenomen
worden door voldoende aandacht te besteden aan de organisatorische drempels
die hierboven al werden aangehaald. Vooral stilstaan bij de verwachtingen die
beide partijen hebben bij het boundary crossen leek de deelnemers essentieel.
Stilstaan bij wederzijdse verwachtingen
tastbaar resultaat
Een voorzichtig getrokken conclusie uit deze World Café-tafel is dat het zeker
de moeite loont om alert te zijn voor de mogelijkheden die boundary crossing
biedt. Het kan een manier van leren zijn die erg praktijkgericht is en snel tastbaar
resultaat oplevert op de werkvloer. De belangrijkste drempels kunnen worden
weggenomen door uitdrukkelijk stil te staan bij de wederzijdse verwachtingen.
6.7.Tafel 7: gastvrouw Lifa Ouald Chaïb
Thema: de rol van generalisten in het netwerk
De gesprekken aan deze tafel begonnen met een korte samenvatting van
wat men leerde uit de presentatie van Peter Raeymaeckers. “Wanneer we
goed hebben geluisterd dan stelt de spreker dat de aanwezigheid van meer
generalisten in een netwerk leidt tot betere integratie tussen de onderscheiden
organisaties met als gevolg een betere samenwerking.”
De bevindingen van Peter Raeymaeckers werden beaamd door de deelnemers
aan deze World Café tafel. Zo zagen medewerkers van justitieel welzijnswerk
dat trajectbegeleiders het generalistisch stuk op zich nemen maar stellen ze
tegelijk vast dat de vraag groter is dan het aanbod. De medewerkers van justitieel
welzijnswerk gaven aan dat ze te weinig generalisten in het netwerk telden. Dat
maakt het moeilijk werken omdat de verwachtingen van anderen hoog zijn en ze
er niet altijd aan kunnen tegemoetkomen.
Generalist vermist
Vanuit twee voorbeelden werden de bevindingen van Raeymaeckers in negatieve
zin beaamd. Het eerste is een GGZ netwerk waarin op dit moment nog geen
CAW participeert. Volgens de inbrenger bestond het netwerk uit verschillende
specialisten bij mekaar en ontbreken de generalisten. In dit netwerk is het nu de
bedoeling om de samenwerking met eerste lijn, in de vorm van een CAW, verder
uit te bouwen. Maar dit is nog niet gebeurd.
Azis
Ook in de praktijk van Reling (artikel 107, begeleiding van langdurig psychatrisch
patiënten) was geen CAW vertegenwoordigd. Volgens de inbrenger van dit
voorbeeld zou dit zeker een meerwaarde zijn. Het gaat hier over gespecialiseerde
medewerkers die werken rond de verschillende levensdomeinen maar toch
allemaal een sterke psychiatrische focus hebben. Men tracht om de verschillende
focussen (generalistisch en specialistisch) te hanteren maar dit lukt moeilijk.
Met een positief voorbeeld beaamt de coördinator van Azis de bevindingen. Azis
staat voor assertieve zorg in de samenleving en is een samenwerkingsverband
dat focust op zorgwekkende zorgmijders. “Wij zitten met heel wat generalisten in
een netwerk aan tafel en dat is een meerwaarde.”
54
VI
Samen vermaatschappelijken. Verslagboek symposium
Kijk ook onder het etiket
Eén van de deelnemers die de voormiddag niet had kunnen bijwonen vroeg naar
de definities van generalist en specialist en generalistische en specialistische
organisaties. Hiervoor werd verwezen naar de definities die Peter Raeymaeckers
in de voormiddag had gegeven. Ter herinnering: “Onderscheid tussen
organisaties met een generalistische of een specialistische domeinafbakening:
Generalisten hanteren in deze opdeling een holistisch perspectief op cliënten
en werken op verschillende probleemdomeinen of hulpvragen. Specialisten
specialiseren zich dan in één probleemdomein of hulpvraag.
Het heropfrissen van deze definitie ontlokte bij een deelnemer, die werkte in
slachtofferhulp in een CAW, dat ook in haar deelwerking het generalistische
aspect te vaak ontbreekt. Deze deelnemer maakte de bedenking dat
slachtofferhulp binnen het algemeen welzijnswerk in het licht van wat
Raeymaeckers aantoont misschien te veel een specialisme op zich is geworden.
Ook in het project wonen-welzijn (CAW) zag men de bevindingen bevestigd. Het
generalisme (zicht op alle levensdomeinen) is belangrijk en een meerwaarde. In
dit project gaf men wel aan dat er rond de tafel van dit project wonen-welzijn
behoefte was aan meer specialisten. Beide zijn dus nodig.
6.8.Tafel 8: gastheer Ludo Serrien
Thema: de rol van generalisten in het netwerk
Kwetsbare goede praktijken
Aan deze tafel werden een aantal ‘good practices’ geschetst: een eerste was Azis.
Dit project richt zich op zorgmijders. Betrokken actoren zijn de spoedafdeling van
een ziekenhuis, sociale huisvestingsmaatschappijen, OCMW, CAW, psychiatrische
ziekenhuizen en CGG. Het overleg wordt gecoördineerd door een psychiater.
Voor dit overleg zijn middelen voorzien vanuit art. 107.
Het gaat om een intensief overleg: de partners komen wekelijks samen. De
inbrenger van dit voorbeeld gaf aan dat dit overleg niet zou kunnen werken
zonder de mix van generalisten en specialisten. Tegelijk gaf de inbrenger aan dat
dit project kwetsbaar is omdat het voor de financiering afhangt van artikel 107.
onthaalpunt
Een ander voorbeeld dat werd ingebracht was Het Kruispunt (Kalmthout).
Dit project werd opgezet om een hiaat in de regio te vullen. De partners zijn
een CGG, een CAW, Klina en een organisatie met zowel een erkenning in de
bijzondere jeugdbijstand als in het VAPH. Samen organiseren deze diensten
een onthaalpunt in de regio. Hierbij opereren de gedetacheerde medewerkers
als één team. Het CAW is de trekker van dit project. Als meerwaarde zag de
inbrenger het feit dat er één duidelijk herkenbaar adres is voor laagdrempelige
hulpverlening in deze regio waar dit er vroeger niet was. Daarnaast verloopt
ook het doorverwijzen naar andere partners in de regio vlot. Ook hier werd het
samenleggen van zowel de generalistische als de specialistische expertise als een
sterk punt gezien. Tegelijk werd er gewezen op de kwetsbaarheid van dit initiatief
omdat het zwak verankerd is in de regelgeving.
Een ander voorbeeld dat werd ingebracht was minder gestructureerd: het team
JOVO. Hierin participeren medewerkers uit het JAC-team van het CAW, het
OCMW, sociale huisvestingsmaatschappijen en een CGG. De doelgroep van dit
project zijn jonge thuislozen.
55
VI
Samen vermaatschappelijken. Verslagboek symposium
Ook hier: onder het etiket kijken
Vanuit deze drie voorbeelden werd stilgestaan bij de definities die Raeymaeckers
gaf van zowel generalistische als specialistische organisaties. Het onderscheid
bleek niet zo zwart-wit te maken. Zo zullen er binnen organisaties die men op het
eerste zicht generalistisch bestempelt toch personen, en zelfs deelwerkingen,
te vinden zijn waar die holistische kijk ontbreekt of in verdrukking raakt. Een
voorbeeld dat in deze groep gegeven werd zijn hulpverleners in een OCMW die
erg sterk gespecialiseerd zijn in financiële hulpverlening en schuldhulpverlening.
(Aan een andere tafel werd over hetzelfde thema het voorbeeld gegeven van
medewerkers uit de deelwerking slachtofferhulp van een CAW).
De deelnemers stelden ook vast dat een multidisciplinair team niet noodzakelijk
generalistisch is. Veel zal in deze teams afhangen van het feit of er al dan
niet personen aanwezig zijn die deze generalistische competenties hebben
en zich als generalist profileren. Aan de andere kant zal men bijvoorbeeld
ook in specialistische organisaties, mensen, maar misschien ook afdelingen
of beroepsgroepen aantreffen die wel een generalistische, holistische focus
hanteren.
6.9.Tafel 9: gastvrouw Itte Van Hecke
Thema: emergentie
hardnekkig vasthouden
Bij de gasten aan deze tafel had Anja Declercq een gevoelige snaar geraakt met
wat ze vertelde over het zich organiseren voor emergentie. Dat houdt in dat
je dingen niet vastzet, maar openheid maakt om nieuwe ideeën, en nieuwe
mogelijkheden een nieuwe kans te bieden. De deelnemers aan deze tafel zagen
vaak het tegenovergestelde gebeuren: hardnekkig vasthouden aan het oude.
Aan deze tafel kwamen heel wat werkvloermedewerkers, die nauw betrokken
waren bij samenwerkingen op werkvloerniveau, hun hart luchten. Ze vertelden
over samenwerkingsinitiatieven die op de werkvloer veel dynamiek genereerden,
waarbij voor de betrokken medewerkers het voordeel van samenwerken als
een paal boven water stond maar die door beslissingen op directieniveau
gefnuikt werden. De dooddoeners waren dan: “Dit behoort eigenlijk niet tot
onze opdracht, maar tot die van partner X.” ofte “Hier investeren we overmaats
in een opdracht die volgens decreet Y een opdracht is voor partner Z in de
samenwerking en niet voor ons”, … .
doen alsof
De winst voor cliënten, of voor de bevolking komt volgens de deelnemers in zulke
redeneringen op het tweede plan. Ook de ‘winst’ voor de eigen organisatie op
langere termijn valt buiten de focus. “Soms lijkt het erop dat men ons bij elkaar
zet om te doen alsof we samenwerken. Maar wanneer er een dynamiek ontstaat,
wanneer de direct betrokkenen zien dat de samenwerking begint te leven, wordt
de handrem opgetrokken. En dan is samenwerkende stilstand het resultaat.”
Excuses om een opdracht niet uit te voeren of op z’n smalst te interpreteren zijn
dan gauw gevonden. Exclusiecriteria naar nieuwe partners ook.
Gelukkig waren er ook voorbeelden van hoe het anders kon. De medewerkers die
betrokken waren bij ‘t Kruispunt vertelden enthousiast over de mogelijkheden
die ze van hun directie kregen. Bij ’t Kruispunt gaat de samenwerking zover dat
de betrokken medewerkers opereren als een nieuw samengesteld team. Het
vraagt durf van de moederorganisaties om dit te laten gebeuren.
56
VI
Samen vermaatschappelijken. Verslagboek symposium
Organisatiecultuur was hier volgens hen bepalend: hoe dynamisch is je
organisatie? Hoeveel ruimte durft ze te geven aan creativiteit? Hoe wordt
er gecommuniceerd binnen de organisatie? En hoe gaat men om met
verantwoordelijkheid? Kortom: kan ze zich organiseren op emergentie?
57
VII
INSPIRERENDE
SAMENWERKING TUSSEN
ALGEMEEN WELZIJNSWERK
EN GEESTELIJKE
GEZONDHEIDSZORG IN DE
SCHIJNWERPER
In de voorbereiding van het symposium verzamelden we good practices bij de
CAW’s. De CAW’s kregen een mail met de vraag om initiatieven te signaleren
waaraan ze zelf deelnamen. Een eerste criterium om een good practice voor te
dragen was dat het moest gaan om een samenwerkingsverband dat inspeelde
op vermaatschappelijking van de zorg voor personen met psychische problemen
zoals hierboven omschreven. Daarnaast moest het gaan om een samenwerking
die al uit de startblokken was. Het laatste criterium valt samen te vatten onder
de noemer fierheid: het moest gaan over samenwerkingen die als inspiratie
konden dienen voor collega’s of om samenwerkingen waarover ze meer wilden
communiceren met beleidsmakers en sleutelfiguren.
momentopname
Deze mail leverde in eerste instantie een beperkte respons op. Deze respons
werd gebundeld en in een tweede oproep meegestuurd. Blijkbaar strekten de
voorbeelden. De respons op de tweede oproep was veel groter.
Een opmerking bij deze lijst is dat het gaat om een momentopname. Tijdens
het samenstellen van de lijst in de aanloop naar het symposium kregen we
zowel signalen over nieuwe inspirerende initiatieven die niet in de eerste twee
inventarissen waren opgenomen, maar ook de vragen om initieel als inspirerende
initiatieven voorlopig even uit de lijst te laten.
Hieronder een overzicht.
7.1.CAW Antwerpen
‘t Kruispunt
In de regio Antwerpen Noord (zorgregio Brasschaat) zijn er weinig tot geen
voorzieningen voor geestelijke gezondheidszorg voor volwassenen. Afstanden tot
voorzieningen in Antwerpen stad of tot aan de stadsrand zijn groot.
Vier bij deze problematiek betrokken organisaties (AZ KLINA, DBC
Openluchtopvoeding, CAW De Terp en CGG Andante) startten in mei 2011 een
gezamenlijk intersectoraal, experimenteel initiatief om de toegankelijkheid tot
zorg voor nieuwe hulpvragers uit de regio Antwerpen Noord te verbeteren: ‘t
Kruispunt.
58
VII
Samen vermaatschappelijken. Verslagboek symposium
Bij ‘t Kruispunt kunnen volwassenen terecht met een brede waaier van
problemen. Zowel bij eerste- als tweedelijnsvragen, emotionele, relationele,
psychische als psychiatrische problemen, willen de medewerkers van ‘t Kruispunt
advies en/of hulp bieden. Naast het ‘brede’ onthaal, met ruimte voor informatie
en advies, worden volgende zorgfuncties voorzien:
■■ De screeningsfunctie staat centraal. Elke hulpvrager wordt onthaald via
een screeningsgesprek. Indien aangewezen zal verdere diagnostiek en
indicatiestelling in functie van verdere hulp plaatsvinden.
■■ Na de screening kan een kortdurend hulptraject opgezet worden in het
onthaalpunt: maximaal à 10 contacten, aansluitend op de hulpvraag van de
cliënt.
■■ Voor langdurende begeleiding/behandeling gebeurt een gerichte
(geïndiceerde) verwijzing.
Website
www.kruispunt-kalmthout.be
Contact
Mia Gys
CAW Antwerpen
Lange Lozanastraat 200
2018 Antwerpen
03 326 00 00
[email protected]
Samenwerking binnen VDIP Antwerpen
VDIP staat voor Vroege Detectie en Interventie bij Psychiatrische (Psychotische)
Stoornissen en is een project in het kader van het Vlaams actieplan
suïcidepreventie. Een VDIP-team helpt jonge mensen tussen 16 en 35 jaar én hun
omgeving om een eerste of tweede psychose te voorkomen.
VDIP wil mensen met “psychotischachtige” ervaringen en mensen met een eerste
psychose zo snel mogelijk bereiken om de situatie grondig te evalueren en waar
nodig gepaste behandeling te starten. Ook wil VDIP de alertheid voor psychose
vergroten en streven naar een positieve beeldvorming. VDIP is een initiatief van
de Vlaamse Gemeenschap Preventie en Gezondheid.
Website
www.vdip.be
Contact:
Julie Degrieck
CAW Antwerpen
Korte Nieuwstraat 26
2000 Antwerpen
03 232 27 28
[email protected]
59
VII
Samen vermaatschappelijken. Verslagboek symposium
7.2.CAW Brussel
I.T.E.R.
CAW Brussel participeert al sinds 1998 aan het samenwerkingsverband I.T.E.R.,
een ambulant centrum voor preventie, begeleiding en behandeling van seksueel
grensoverschrijdend gedrag. Van bij de start van de convenanten daderhulp
voor CAW’s en CGG’s hebben we als CAW ervoor gekozen om onze middelen
en specifieke deskundigheid te bundelen met het betrokken CGG van de regio
(eerst CGG Aeneas, later CGG Ahasverus). Ook de Leerprojecten Daders Seksueel
Geweld participeren van bij de start als partner. Toen binnen I.T.E.R. een apart
jongerenteam geïnstalleerd werd, kwam vzw Alba er vanuit Bijzondere Jeugdzorg
als vierde werkgever bij.
I.T.E.R. functioneert als multidisciplinair team op basis van gelijkwaardige
deskundigheden. Als CAW kunnen we onze welzijnsmethodieken ten volle
inbrengen en voor de cliënten met vaak een heel complexe problematiek
van seksueel grensoverschrijdend gedrag biedt dit het voordeel van een
totaalaanpak: sociaal-maatschappelijk, psychosociaal, psychotherapeutisch
en psychiatrisch in één aanbod. Als CAW brengen we bijvoorbeeld ook extra
methodieken als laagdrempeligheid, vroegpreventie, slachtofferperspectief en
herstelgerichte delict verwerking in.
Website
www.iter-hulp.be
Contact
Alain Rogiers
CAW Brussel
Antwerpselaan 34
1000 Brussel
02 514 40 25
[email protected]
Multi Methodisch Maatschappelijk Werk
Doel is de verhoging van de competenties van de maatschappelijk werkers
(vandaar MMMW) en het uitbouwen van een toegankelijk aanbod eerste lijn,
zoals mindfulness. Het CAW heeft geïnvesteerd in de opleiding Multi Methodisch
Maatschappelijk Werk, en in het bijzonder binnen de werking Vrienden van
het Huizeke (transitwonen voor thuisloze mannen) en Puerto (dienst begeleid
wonen voor thuislozen). In 2013 werd de opleiding ook intern gegeven aan
hulpverleners binnen het CAW.
Cliëntgericht multimethodisch maatschappelijk werk (C-MMMW) werd
beschreven door Herman de Mönnink en zorgt er voor dat het onderscheid
tussen eerste en tweede lijn opnieuw duidelijk wordt, dat tweede lijn in dienst
staat van de eerste lijn (coaching, ondersteuning) én voor tweedelijnsproblemen
(= gecompliceerde reacties op probleemsituaties). Dit kan alleen wanneer
de eerste lijn competent genoeg is om de ongecompliceerde reacties op
probleemsituaties te herkennen, te analyseren en te interveniëren. C-MMMW
biedt hiervoor tools aan (de Mönnink, 2009).
Ook Vrienden van het Huizeke heeft meegewerkt aan een toegankelijk aanbod
van mindfulness aan kansarmen. Mindfulness is voor cliënten een methode om
via groepswerk te werken aan de eigen zelfredzaamheid (= empowerment). De
60
VII
Samen vermaatschappelijken. Verslagboek symposium
wijkgezondheidscentra spreken ons op dit ogenblik aan om trainingen te gaan
geven voor zeer kwetsbare mensen (armen, asielzoekers,..).
Contact
Kris Raemdonck
CAW Brussel
Vossenplein 23
1000 Brussel
02 513 28 46
[email protected]
Samenwerking met VDIP Brussel
VDIP projecten binnen het CGG houden zich bezig met detectie en vroegtijdige
interventie bij mensen met een hoog risico op een psychose en mensen met een
eerste psychose. CAW medewerkers kunnen op deze dienst beroep doen indien
dit risico opgemerkt wordt binnen de eerstelijnsbegeleidingen.
Contact
Ann Van Malderen
CAW Brussel
Triomflaan 1
1050 Etterbeek
02 629 23 45
[email protected]
7.3.CAW Centraal West Vlaanderen
Meet & Greet
Tot vorig jaar organiseerde het toenmalig CAW Midden West-Vlaanderen jaarlijks
een Meet & Greet voor de regio, een intersectoraal gebeuren waarop diverse
organisaties en beleid uitgenodigd werden rond een concreet thema om vanuit
regionale realiteiten/signalen aan te moedigen tot oppikken van die signalen,
daadwerkelijk iets op gang te trekken (intern in eigen dienst of over organisaties
heen) en samen waar mogelijk actie te ondernemen.
Zo kwam in 2012 de link “welzijnwonen” aan bod (vnl. rond kwetsbare
doelgroepen) en in 2013 welzijn- geestelijke gezondheidszorg. Deze initiatieven
worden steeds positief geëvalueerd door een (deels) wisselende groep van
deelnemers, met de vraag om jaarlijks dit aanbod te herhalen. Het is vanuit het
oogpunt van preventie en vroegdetectie letterlijk werken aan ontschotting en
bruggen bouwen tussen sectoren, omdat welzijn nu eenmaal veel linken heeft
met andere beleidsdomeinen. De formule behelst het uitnodigen van zowel
beleid, leidinggevenden als basismedewerkers voor een halve dag interactieve
vorming met een spreker van formaat, wat theoretische inzichten, enkele
getuigenissen uit de praktijk, én een aantal oefeningen in groepjes.
Het nieuwe fusie-CAW wil deze traditie verderzetten. Steeds wordt afgerond met
het aanbod dat men beroep kan doen op de beleidsmedewerker om in eigen
dienst aan de slag te gaan met deskundig signaleren en actie ondernemen. Over
sectoren heen werken vanuit dezelfde inzichten en met dezelfde tools, versterkt
de samenwerking.
61
VII
Samen vermaatschappelijken. Verslagboek symposium
Contact
Johan Vandamme
CAW Centraal West Vlaanderen
Nijverheidsstraat 11
8800 Roeselare
051 26 98 00
[email protected]
Vormingsreeks: Deskundigheidbevordering in het omgaan
met mensen met psychische problemen
In het kader van de vermaatschappelijking van de Geestelijke Gezondheidszorg
werd een vormingsreeks ‘Deskundigheidsbevordering in het omgaan met
mensen met psychische problemen’ opgezet. Deze vormingsreeks wil eerstelijnsen welzijnswerkers deskundig maken in het detecteren van psychiatrische
problemen. Daarnaast wil men een aantal kapstokken aanreiken in het omgaan
met de verschillende problematieken om gericht te kunnen doorverwijzen naar
gespecialiseerde GGZ-diensten.
Deze reeks richt zich tot medewerkers uit de eerstelijns- en welzijnszorg in de
regio Ieper-Diksmuide. Deze vormingsreeks is ontstaan in de schoot van het
netwerk geestelijke gezondheidszorg voor deze regio en beoogde om zoveel
mogelijk sprekers te rekruteren die actief zijn binnen het netwerk en vanuit
verschillende diensten. Voor de module ‘omgaan met moeilijk gedrag’ werd
beroep gedaan op de expertise van het CAW Centraal West Vlaanderen in het
omgaan met mensen in kansarmoede.
Mensen met ernstige psychische problemen zijn vaak ook mensen die kampen
met kansarmoede. Deze vormingsreeks is zo succesvol dat ze integraal herhaald
wordt vanaf het najaar 2014.
Contact
Koen Demuynck
[email protected]
7.4.CAW De Kempen
Gedeelde zorg voor mensen met dubbele diagnose
Mensen met zowel een psychiatrische als een verslavingsproblematiek vallen
in arrondissement Turnhout door de mazen van het net; met een boutade ‘te
verslaafd voor de psychiatrie en te gek voor de verslavingszorg’. Daarom zijn het
vooral diensten in de eerste lijn, zoals OCMW, laagdrempelige hulpverlening van
het CAW en politie die geconfronteerd worden met deze mensen. De eerste lijn is
echter niet gespecialiseerd m.b.t. psychiatrie of verslaving, terwijl zij dikwijls de
enige houvast of binding met de hulpverlening vormen voor deze doelgroep.
Er dringt zich dus een gedeelde zorg op, waarbij alle zorgpartners hun expertise
m.b.t. een deelaspect van de problematiek voor de cliënt kunnen garanderen.
Het opzetten van een zorgtraject gedeelde zorg voor mensen met een dubbele
diagnose, via het op te richten Netwerk Dubbele Diagnose (beleid) en de
goede samenwerking tussen de betrokken zorgpartners (op de werkvloer/
hulpverleners professionals) werd zo dus het doel. Het project ‘Gedeelde zorg
voor mensen met dubbeldiagnose’ kwam tot stand met de steun van de Vlaamse
Overheid, minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin.
62
VII
Samen vermaatschappelijken. Verslagboek symposium
Website
www.steunpunt.be/onderwerpen/thuisloosheid/inspirerende_praktijken_voor_
de_aanpak_van
Contact
Jos Bortels
CAW De Kempen
Hofkwartier 23
2200 Herentals
014 23 55 38
[email protected]
Bea De Potter
SPK vzw
Campus Blairon 714
2300 Turnhout
014 71 11 10
[email protected]
7.5.CAW Limburg
Let op de kleintjes Limburg
Groepsprogramma voor kinderen (6-12jarigen) en hun ouders rond verwerking
van familiaal geweld.
Het programma bestaat uit een vijftiental bijeenkomsten rond thema’s die te
maken hebben met ruzie en geweld in het gezin. De eerste vier sessies zijn voor
de ouders alleen en gaan over hun eigen verhaal en hun zorgen om de kinderen.
Daarna komen ouders en kinderen samen naar de sessies.
Tijdens het eerste deel van de bijeenkomst werken ouders en kinderen in aparte
groepen en in het tweede gedeelte gaan de ouders naar de kindergroep en
werken ouders en kinderen samen. Dit groepsprogramma is een samenwerking
tussen de Limburgse CGG’s, het VK, vzw Daidalos en CAW Limburg en is een
initiatief van de regionale stuurgroep IJH.
Contact
Jaklien Eyckerman
[email protected]
7.6.CAW Oost Brabant
Ambupuur: stuurgroep en werkgroep
Deelnemers aan dit samenwerkingsinitiatief zijn CGG Vlaams Brabant-Oost;
art 107 mobiel Team Aarschot; Beschut wonen; CAW Oost Brabant; OCMW
Aarschot; Stad Aarschot (Stafmedewerker en opbouwwerker); Komaraaf vzw
(voedselbedeling Aarschot).
Het initiatief werkt met een stuurgroep en een werkgroep. De stuurgroep
heeft als doelstelling het doen van een haalbaarheidsonderzoek voor de
opstart van een intersectoraal inloopcentrum in Aarschot op basis van de
basisschakelmethodiek.
63
VII
Samen vermaatschappelijken. Verslagboek symposium
In de werkgroep plegen hulpverleners van de verschillende organisaties
casusoverleg in het kader afstemming en de uitbouw van gedeelde zorg.
Contact
Lieve Polfliet
CAW Oost Brabant
Redingenstraat 6
3000 Leuven
016 21 01 58
[email protected]
Forumfuncties artikel 107
CAW Oost Brabant is actieve partner binnen verschillende overlegfora/functies in
het kader van art. 107.
Functie 1 omvat preventie, promotie van de geestelijke gezondheid,
vroegdetectie, screening en diagnosestelling. Concrete activiteiten hier zijn:
■■ Telefonische psychosociale consultdesk: op vraag van de huisartsen deden
we een projectaanvraag voor de uitbouw van een telefonische psychosociale
consultdesk naast de telefonische psychologische consultdesk die reeds
actief is via CGG Passant. Deze consultdesk zou georganiseerd worden door
het CAW en de diensten maatschappelijk werk van de ziekenfondsen. Deze
projectaanvraag werd ingediend maar niet weerhouden.
■■ GOAL vzw ontwikkelt een zorgpad voor mensen met een psychische
kwetsbaarheid. In dit zorgpad ligt de focus op eerstelijnsthuisverzorgenden.
CAW, CGG sluiten nu aan om het model te verbreden naar eerstelijns
welzijnswerk en tweedelijns geestelijke gezondheidszorg.
■■ Inhoudelijk mee vorm geven aan de nieuwe portaalsite van VLABO: Op deze
portaalsite wordt het ganse aanbod van eerste tot en met derde lijn van de
geestelijke gezondheidszorg vanuit de visie getrapte zorg in kaart gebracht
en op een toegankelijke wijze beschikbaar gesteld voor ‘patiënten/cliënten’
en hulpverleners.
■■ Uitbouw van een samenwerking met CGG Vlaams Brabant Oost in het kader
van het project VDIP (vroegdetectie en interventie psychose) met CAW Oost
Brabant, Halte 51 (opvangcentrum voor jongvolwassenen).
Functie 2 omvat ambulante intensieve behandelteams voor zowel acute als
chronische psychische problemen. Concreet nemen we deel aan de stuurgroep
mobiele teams Tienen Aarschot en Diest, de FACT teams. Op casusniveau nemen
we deel aan cliëntoverleg in het kader van afstemming van de zorg. Het gaat
dan meer specifiek over de doorstroom vanuit mobiele teams naar eerstelijns
welzijnszorg.
Functie 3 bestaat uit rehabilitatieteams die werken rond herstel en sociale
inclusie. Concreet houdt dit in dat we als CAW lid zijn van de werkgroep uitbouw
dagactiviteitencentrum in Leuven.
In zijn algemeenheid en over de drie forumfuncties heen is het voor
CAW Oost Brabant belangrijk dat we onze visie m.b.t. de kansen tot
samenwerking/complementariteit tussen eerstelijnswelzijnszorg en tweede- en
derdelijnsgeestelijke gezondheidszorg kunnen toelichten. Daarnaast vinden
we het ook belangrijk dat we via dit forum lid zijn van het regionaal overleg
geestelijke gezondheidszorg. Op de agenda van dit regionaal overleg staat:
beleidssignalering en het nemen van gemeenschappelijke initiatieven in het
kader van de vermaatschappelijking van de geestelijke gezondheidszorg.
64
VII
Samen vermaatschappelijken. Verslagboek symposium
Contact
Lieve Polfliet
CAW Oost Brabant
Redingenstraat 6
3000 Leuven
016 21 01 58
[email protected]
Goed weekend!
De chronische impact van stress die armoede met zich meebrengt, maakt dat
gezinnen in armoede vaak fysieke, sociale en mentale ruimte missen voor de
opvoedingsrelatie. Deze vaststelling, samen met de vraag van heel wat gezinnen
naar een toegankelijk aanbod in het weekend, vormde de aanleiding voor ons
project. Goed weekend! is een samenwerking tussen CAW Oost Brabant, CGG
Vlaams Brabant Oost, Vereniging tegen armoede, Leren Ondernemen, vzw De
Mobim, vzw De Wissel (bijzondere jeudzorg) en DOMO Leuven vzw.
We stelden onszelf vier doelen:
1. Inschrijving binnen de bestaande werkingen en de doelgroep: Een
psychotherapeut van het CGG-team voor kinderen en jongeren is aanwezig
in het inloopcentrum De Meander, in Leren Ondernemen en in het
Inloopteam Mobil (gezinsgerichte werking, op dezelfde locatie als Leren
Ondernemen). Vanuit een basishouding die presentie vooropstelt, staat hij
open voor momenten waarop een therapeutische interventie wenselijk of
gepast is.
2. Toeleiding van het CGG-denkkader naar gezinnen in armoede én omgekeerd:
De inbedding van een psychotherapeut binnen de bestaande werkingen met
gezinnen in armoede is een noodzakelijke voorwaarde om tot interventie
te kunnen komen. Door de aanwezigheid van de psychotherapeut in
de basiswerkingen en tijdens de weekendmomenten ontstonden vele
dialoogmomenten. Een bevraging van mensen in armoede rond de kennis
en perceptie van de klassieke CGG-werking bracht nieuwe inzichten voor het
CGG en de andere betrokken partners.
3. Fysieke en mentale ruimte bieden in het weekend opdat het gesprek
rond (het ontbreken van) mentale ruimte kan worden aangegaan: De
psychotherapeut begeleidde mee de zoektocht naar een weekendplek,
waar de interactie tussen ouders en hun kinderen op de voorgrond kan
treden. In de betrokken basiswerkingen liep tegelijk een themawerking
rond ‘plekken in het weekend, ruimte in je hoofd’. Daarnaast verzorgde het
project weekendmomenten, waar fysieke en mentale ruimte gecreëerd werd
voor gezinnen in armoede. De psychotherapeut van het CGG ging met deze
gezinnen het gesprek aan rond innerlijke ruimte, het gebrek eraan en de
impact hiervan op hun ouder-kind relatie.
4. Het spanningsveld tussen presentie en interventie verkennen.
Een actieve groep van hulpverleners en basiswerkers van vijf organisaties (Leren
Ondernemen, CAW Oost-Brabant, CGG Vlaams Brabant Oost, Inloopteam Mobil
en het Wijkgezondheidscentrum) beoogden een verbreding in het werkveld
rond het thema presentie en interventie ten aanzien van gezinnen in armoede.
De nulde, eerste en tweede lijn werden hier op elkaar afgestemd, elk vanuit de
eigen kerntaak, maar met oog voor elkaar.
65
VII
Samen vermaatschappelijken. Verslagboek symposium
Contact
Gert Vits
CGG Vlaams Brabant Oost, afdeling Kinderen en Jongeren
Kapucijnenvoer 35
3000 Leuven
016 33 69 32
[email protected]
Ondersteuning mantelzorgers van personen met problemen
geestelijke gezondheidszorg
Nieuw goedgekeurd project. Deze actie past in de functie van artikel 107. Een
familiecoach ondersteunt families en gaat na wat de noden van de mantelzorgers
zijn. De betrokken partners zijn: CGG Oost Brabant, CGG Passant, Similes en CAW
Oost Brabant
Contact
Lieve Polfliet
CAW Oost Brabant
Redingenstraat 6
3000 Leuven
016 21 01 58
[email protected]
Participatie aan Te GEK
CAW Oost Brabant werkt actief mee aan de activiteiten die georganiseerd
worden in het kader van de Te Gek-campagne en maakt deze campagne ook mee
bekend.
Website
www.sad.be/tegek/
Contact
Greet Monstrey
CAW Oost Brabant
Redingenstraat 6
3000 Leuven
0016 21 01 66
[email protected]
Structureel overleg dak-en thuislozen met verslavings- en/
of psychiatrische problemen
Dit initiatief is gestart vanuit het structureel overleg (opdrachtgever OCMW
Leuven) over dak- en thuislozen, waarbij een onderzoek werd uitgevoerd door
het HIVA. Een van de aanbevelingen uit het rapport was om de kracht van het
opgezette netwerk in de focusgroep structureel uit te zetten, door een deel van
de inhoud van het rapport om te zetten in concrete acties en beleidssignalen.
De opdracht bestaat uit kennisdeling, de uitbouw van gedeelde zorg,
afstemming, samenwerking en beleidssignalering. Tot de doelgroep behoren
dak- en thuislozen met psychiatrische en/of verslavingsproblemen, ook wel
‘zorgwekkende zorgmijders’ genoemd.
Het samenwerkingsverband is als volgt georganiseerd: er is een brede groep met
66
VII
Samen vermaatschappelijken. Verslagboek symposium
alle partners en een meer beperkte kerngroep die ook als stuurgroep fungeert.
De kerngroep ter voorbereiding van dit overleg bestaat uit: OCMW Leuven
Stad Leuven Dijledal CAW Leuven, CGG, VBO Walden vzw en ’t Lampeke. De
coördinatie berust bij het CAW regio Leuven en kadert binnen het lokaal sociaal
beleid.
Middelen: er zijn geen financiële middelen voorzien voor dit overleg. Alle
partners rond de tafel engageren zich vanuit eigen middelen voor deelname aan
het overleg. De rol van coördinatie wordt opgenomen door CAW regio Leuven
binnen de functie regio-netwerking.
Het structureel overleg steunt op twee grote pijlers: ten eerste werd een
gezamenlijk initiatief genomen voor het uitschrijven van een project over
aanklampende zorg voor de kerngroep dak-en thuislozen met een verslavingsen/of psychiatrische problematiek, die aanwezig is op verschillende plaatsen
in Leuven maar niet bereikt worden; mensen die vaak alle verbinding verloren
hebben met zichzelf, anderen en de samenleving. Voor de uitvoering van
het project (duurtijd jaar) werd een projectaanvraag ingediend bij de Koning
Boudewijnstichting. Daarnaast werd een bedrag van 80.000€ goedgekeurd
in het kader van het Lokaal Sociaal beleid (Stad Leuven) en zowel het OCMW
als het CAW investeren elk 20.000€. Er werden twee outreach medewerkers
aangeworven, tewerkgesteld in het ‘mobiel team Minderbroederstraat’ (art.
107) met de volgende opdrachten: 1) vindplaatsgerichte presentie/interventie, 2)
toeleiding naar bestaande hulpverlening op maat en 3) de deskundigheid van de
medewerkers van de partnerorganisaties bevorderen, op het vlak van presentie/
interventie voor deze doelgroep. De stuurgroep structureel overleg is ook de
stuurgroep van dit project; de leden van het structureel overleg vormen een
‘adviesgroep’.
Ten tweede: werken aan afstemming en gedeelde zorg. De partners rond de tafel
worden uitgenodigd om casussen (anoniem) voor te leggen. Samen zoeken ze
uit wie in een casus hulpverlening op maat kan aanbieden, vertrekkend vanuit
de visie krachtgericht werken en de minst ingrijpende zorg. Ze bekijken wat
goed loopt en wat moeilijk loopt en zoeken naar verbetermogelijkheden. Daarbij
brengen ze de mogelijkheden en grenzen van ieders aanbod in beeld. Indien er
geen zorg op maat kan aangeboden worden is de uitdaging (voor de toekomst)
om uit te zoeken of er, mits enige aanpassing in het bestaande aanbod, toch een
aanbod op maat kan gerealiseerd worden. De vaststelling dat er hiaten zijn in het
aanbod kan ook leiden tot een gezamenlijk beleidssignaal.
Website:
Achter deze link.
Contact:
Lieve Polfliet
CAW Oost Brabant
Redingenstraat 6
3000 Leuven
016 21 01 58
[email protected]
67
VII
Samen vermaatschappelijken. Verslagboek symposium
7.7.CAW Oost Vlaanderen
AZIS+, Vangnet-, advies en bemiddelingsfunctie
AZIS+ is een cliëntoverleg m.b.t. volwassenen met complexe en chronische
psychiatrische problematieken, voor wie het huidige hulpaanbod er niet in
slaagt een passend antwoord te formuleren. Het aanbod bestaat uit: het geven
van advies aan en het ondersteunen van het al aanwezige zorgnetwerk, snelle
toeleiding naar hulp en zorg, uitwerken en coördineren van een zorgtraject.
Men maakt op basis van een gedeelde verantwoordelijkheid afspraken
over gedeelde zorg voor de cliënt. Daartoe is een aanmeldingsprocedure
uitgewerkt. AZIS heeft naast het cliëntoverleg ook een stuurgroep. Het
samenwerkingsverband beschikte over middelen vanuit het RIZIV, de
therapeutische projecten.
Website
www.azis.be
Contact
Netwerkpunt
09 216 74 70
[email protected]
Mind-Spring
Internationaal onderzoek maakt duidelijk dat asielzoekers klachten ondervinden
op zowel sociaal, psychisch als somatisch gebied, als gevolg van wat zij in het
land van herkomst dan wel tijdens de vlucht doormaakten.
Ook in Vlaanderen werden dezelfde signalen gehoord. Het psychisch onwelzijn
van vluchtelingen en asielzoekers stond in schril contrast met de moeilijke
doorstroom naar de reguliere welzijnsvoorzieningen. De lange wachtlijsten voor
de individuele hulpverlening in de Centra Algemeen Welzijnswerk en Centra
Geestelijke Gezondheidszorg waren in dat opzicht bijzonder problematisch voor
de betrokken doelgroep.
Een Mind-Spring programma formuleert hierop een antwoord. Het bestaat uit
zes bijeenkomsten in eigen taal met ontspanningsoefeningen. Gedurende deze
zes bijeenkomsten zoeken de deelnemers gericht in hun eigen taal hoe ze aan
hun toekomst kunnen werken. Er wordt tijdens de cursussen uitvoerig aandacht
besteed aan het aanpassen aan de nieuwe situatie en het (her)vinden van een
positieve, ‘nieuwe’ identiteit van vluchtelingen en asielzoekers in België.
Daarnaast krijgen vluchtelingen inzicht in veel voorkomende psychosociale en
psychische klachten zoals stress, depressie, lusteloosheid, trauma, rouw ... Zij
verwerven ook vaardigheden om hiermee om te gaan, dat leidt tot een betere
‘coping’.
De sessies worden in de eigen taal gegeven van de deelnemers door de
Mind-Springtrainer. De Mind-Spring trainer is een erkend vluchteling die zelf
de asielprocedure heeft doorlopen. Naast de Mind-Spring-trainer wordt de
groep mee begeleid door de co-begeleider, een hulpverlener uit de reguliere
welzijnssector. Meestal gaat het hier om hulpverleners uit de Centra Algemeen
Welzijnswerk en de Centra Geestelijke Gezondheidszorg.
Een cursus bestaat uit zes sessies van twee uur. Elke sessie eindigt met
een ontspanningsoefening. Deze oefeningen helpen de deelnemers zich te
68
VII
Samen vermaatschappelijken. Verslagboek symposium
ontspannen in het leven van alledag.
De thema’s die tijdens de cursus aan bod komen zijn:
■■
■■
■■
■■
■■
de normale reactie op abnormale gebeurtenissen
omgaan met stress en spanning
gedachten bepalen je gevoel en je gedrag
omgaan met verlies
identiteit
Het Mind-Spring Junior programma richt zich naar minderjarigen tussen 14 en
18 jaar. Het gaat hier om niet begeleide minderjarige vreemdelingen, begeleide
minderjarige vreemdelingen en anderstalige nieuwkomers.
Website
www.mindspring.be
Contact
Joke Impens
Mind-Spring
09 267 68 19
[email protected]
7.8.CAW Zuid West-Vlaanderen
Ik en de Ander
In maart 2014 werd het project “Ik en de Ander” opnieuw gestart. Dit is een
samenwerking van CGG Mandel en Leie Menen (Vicky Veys) en CAW ZuidWest Vlaanderen. De formule is licht gewijzigd tegenover de vorige jaren. We
houden het op drie groepsbijeenkomsten met elk hun thema: identiteit, rouw en
relaties.
De groep is bedoeld voor mannen en vrouwen uit onze residentiële
opvangcentra. Het positieve aan het feit dat dit in groep gebeurt, is dat onze
mensen zich minder geïsoleerd voelen en meer gesteund. Ook kunnen ze van
elkaar leren. We zorgen ervoor dat dit alles in een positieve sfeer gebeurt met
respect voor de eigenheid en het tempo van ieder individu.
Momenteel hebben er al twee sessies plaatsgevonden (identiteit en rouw). De
cliënten komen terug en stellen vast dat praten helpt. In een poging om van
de zeer divers samengestelde en niet-zelfgekozen groep een (h)échte groep te
maken, kozen we ervoor om gezamenlijk vervoer te organiseren naar CGG in
Menen én gaan we achteraf ook samen iets eten. De start vervangt de anders
noodzakelijke ijsbrekers en de groepsmaaltijd zorgt voor de noodzakelijke nazorg.
Er wordt stoom afgelaten en de mensen bekomen letterlijk bij een hapje en een
drankje. Er wordt nagekaart over de sessies maar ook gebabbeld over andere
dagdagelijkse zaken.
Contact
Pieterjan Glorieux
CAW Zuid West Vlaanderen
Blekersstraat 33
8500 Kortrijk
056 21 59 09
[email protected]
69
VIII
BIBLIOGRAFIE
■■ Akkerman, S. F. (2011). Learning at boundaries. International Journal of
Educational Research, 50(1), 21–25. doi:10.1016/j.ijer.2011.04.005
■■ Atkinson, M., Wilkin, A., Stott, A., Doherty, P., & Kinder, K. (2002). Multiagency working: a detailed study (p. 238). Slough, Berkshire.
■■ Burt, R.S., 2002. The Social Capital of Structural Holes. In M. Guillén, ed. The
New Economic Sociology: Developments in an Emerging Field. New York:
Russell Sage Foundation, pp. 201–247.
■■ De Mönnink, H. (2009). De gereedschapskist van de maatschappelijk werker
(p. 608). Maarssen: Elsevier gezondheidszorg.
■■ Demeyer, B., Princen, M., & Van Regenmortel, T. (1997). Maatzorg in de
thuislozenzorg. Een proces van herankeren (p. 231). Leuven: Hoger Instituut
voor de arbeid.
■■ Doolan, M. (2011). The Family Group Conference : Changing the face of Child
Welfare. Ontario Association of Children’s Aid Societies, 56(Fall), 15–24.
■■ Dowling, B., Powell, M., & Glendinning, C. (2004). Conceptualising successful
partnerships. Health & Social Care in the Community, 12(4), 309–17.
doi:10.1111/j.1365-2524.2004.00500.x
■■ El Ansari, W., Phillips, C. J., & Hammick, M. (2001). Collaboration and
partnerships: developing the evidence base. Health & Social Care in the
Community, 9(4), 215–27. Retrieved from http://www.ncbi.nlm.nih.gov/
pubmed/11560737
■■ Gecoördineerde wet op de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen
(2008). Brussel: Kamer van Volksvertegenwoordigers. Retrieved from: Justel
– geconsolideerde wetgeving
■■ Gray, B. (1989). Collaborating: Finding Common Ground for Multiparty
Problems (p. 329). San Francisco: Jossey-Bass Publishers.
■■ Huxham, C. (2003). Theorizing collaboration practice. Public Management
Review, 5(3), 401–423. doi:10.1080/1471903032000146964
■■ Innes, J. E., & Booher, D. E. (1999). Consensus building and complex adaptive
systems : A framework for evaluating collaborative planning. Journal of the
American Planning Association, 65(4), 412–423.
■■ Interministeriële Conferentie Volksgezondheid. (2010). Gids naar een betere
ggz door de realisatie van zorgcircuits en zorgnetwerken (p. 38). Brussel.
Retrieved from www.psy107.be
■■ Kabinet van Vlaams minister van Energie, Wonen, S. en S. E. F. V. den B.,
& Kabinet van Vlaams minister van Welzijn Volksgezondheid en Gezin Jo
Vandeurzen. (2010). Conceptnota: afsprakenkader samenwerking wonen welzijn (p. 16). Brussel. Retrieved from http://www.jovandeurzen.be
■■ Kates, N., & Mazowita, G. (2011). The evolution of collaborative mental
health care in Canada: A shared vision for the future. Canadian Journal of …,
56(5), 1–10. Retrieved from http://cat.inist.fr
■■ Laming. (2003). The Victoria Climbié Inquiry (p. 427). London.
70
VIII
Samen vermaatschappelijken. Verslagboek symposium
■■ Marsden, P.V. & Lin, N., 1982. Social Structure and Network Analysis, Beverly
Hills, California: SAGE.
■■ Marx, A. J., Test, M. A., & Stein, L. I. (1973). Extrahospital Management of
Severe Mental Illness. Archives of General Psychiatry, 29(5), 669–675.
■■ Mattessich, P. W., & Monsey, B. R. (1992). Collaboration: What makes it
work A Review of Research Literature on Factors influencing Succesful
Collaboration (p. 57). St. Paul, MN.
■■ McDonald, M., & Rosier, K. (2011). Interagency collaboration Part B. Does
collaboration benefit children and families? Exploring the evidence (pp.
1–12). Melbourne.
■■ Prigogine, I., & Stengers, I. (1984). Order Out of Chaos: Man’s New Dialogue
with Nature (p. 349). Ann Arbor: Bantam Books.
■■ Provan, K. G., & Kenis, P. (2008). Modes of Network Governance : Structure ,
Management , and Effectiveness. Journal of Public Administration Research
and Theory, 18, 229–252. doi:10.1093/jopart/mum015
■■ Provan, K. G., & Milward, H. B. (2001). Do Networks Really Work ?
Framework for Evaluating Public-Sector Organizational Networks. Public
Administration Review, 61(4), 414–423.
■■ Raeymaeckers, P. (2014). Tussen centrum en periferie. Over de integratie van
netwerken tussen hulpverleningsorganisaties (p. 428). Leuven: Acco.
■■ Roovers, S. E., & Wilken, J. P. (2000). Van zorgcoördinatie naar integrale zorg.
De ontwikkeling van casemanagement. In M. Nuy (Ed.), Zorgcoördinatie,
casemanagement en bemoeizorg. Tussen Chaos en orde (pp. 23–32). SWP.
■■ Stacey, R. (1996). Complexity and Creativity in Organizations (p. 312). San
Francisco: Berrett-Koehler.
■■ Statham, J. (2011). A review of international evidence on interagency
working , to inform the development of Children ’ s Services Committees in
Ireland (p. 60). Dublin.
■■ Van de Lindt, S. (2000). Bemoei je ermee! (p. 116). Uitgeverij Van Gorcum.
■■ Vangen, S., & Huxham, C. (2011). The Tangled Web: Unraveling the Principle
of Common Goals in Collaborations. Journal of Public Administration
Research and Theory, 22(4), 731–760. doi:10.1093/jopart/mur065
■■ York, A., & Kingsbury, S. (2009). The Choice and Partnership Approach: A
Guide to CAPA (p. 240). London: CaMHS Network.
71
Steunpunt Algemeen Welzijnswerk vzw
Diksmuidelaan 36a • 2600 Berchem
tel. 03 366 15 40 • email: [email protected]
www.steunpunt.be • www.kennisplein.be
Download