Vragenbank ms-word MC Anatomie niveau 4 en 5

advertisement
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
blad 1 van 232
1. Door contractie van de buikspieren kan men
A. inademen
B. uitademen
C. beide
D. geen van beide
2. Welke van de onderstaande spieren zijn bij de ademhaling het belangrijkst
A. buikwandspieren
B. grote borstspieren
C. halsspieren
D. middenrifspieren
3. Welke van de volgende spier(en) spelen GEEN rol bij de ademhaling
A. m.deltoideus
B. m.rectus abdominis
C. m.sternocleidomastoideus
D. intercostaalspieren
4. Als
A.
B.
C.
D.
de thorax groter wordt dan ...
vermindert de druk in de longen
verkleint de alveolaire ruimte
stroomt de lucht van binnen naar buiten
verslappen de ademhalingsspieren
5. Welke spieren zijn hulpademhalingsspieren
A. tussenribspieren
B. middenrifspieren
C. schoudergordelspieren
D. keelwandspieren
6. Bij
A.
B.
C.
D.
de buikademhaling ademt men in door ...
contractie van de buikspieren en contractie van het diafragma
ontspanning van de buikspieren en contractie van het diafragma
contractie van de buikspieren en ontspanning van het diafragma
ontspanning van de buikspieren en ontspanning van het diafragma
7. Bij
A.
B.
C.
D.
expiratie ...
wordt de inhoud van de buikholte kleiner
wordt de inhoud van de borstholte groter
beweegt het middenrif omlaag
beweegt het middenrif omhoog
8. Bij
A.
B.
C.
D.
inademing is de alveolaire druk altijd ..... dan de atmosferische druk.
gelijk
lager
hoger
soms lager en soms hoger
9. De
A.
B.
C.
D.
ademhalingbeweging in normale omstandigheden heeft een frequentie van ...
ongeveer 8 keer per minuut
ongeveer 16 keer per minuut
ongeveer 32 keer per minuut
ongeveer 40 maal per minuut
10. Gedurende de expiratie ...
A. wordt de thorax vergroot
B. contraheren de ademhalingsspieren
C. vergroot de alveolaire ruimte
D. stroomt de lucht van binnen naar buiten
B
D
A
A
C
B
D
B
B
D
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
11. Gedurende de expiratie ...
A. veert de long terug in rustpositie
B. rekt de long uit door spiercontractie
C. heffen de ribben zich voorwaarts
D. wordt de druk in de buikholte groter
12. Gedurende inspiratie ...
A. wordt het diafragma boller van vorm
B. wordt de alveolaire ruimte vergroot
C. contraheren de buikwandspieren
D. contraheren de inwendige tussenribspieren
13. Tijdens de inspiratie ...
A. contraheert het diafragma
B. neemt het volume in de alveolaire ruimte af
C. wordt de alveolaire druk groter dan de atmosferische druk
D. stroomt de lucht naar buiten
14. De
A.
B.
C.
D.
luchtweg bestaat achtereenvolgens uit ...
neusholte, pharynx, larynx, trachea, bronchi
neusholte, larynx, pharynx, trachea, bronchi
neusholte, trachea, larynx, pharynx, bronchi
neusholte, pharynx, trachea, larynx, bronchi
15. Alveolen zijn
A. longtrechtertjes
B. de kleinste vertakkingen van de luchtpijp
C. longcapillairen
D. longblaasjes
16. De
A.
B.
C.
D.
longen krijgen zuurstofrijk bloed toegevoerd via de
arteriae pulmonales
arteriae bronchiales
venae pulmonales
venae bronchialis
17. Het eigenlijke longweefsel wordt van zuurstof voorzien door
A. de arteria alveolares
B. de arteria pulmonalis
C. de arteria bronchialis
D. de inademingslucht
18. Het longweefsel wordt van voedingsstoffen voorzien door de
A. arteria pulmonalis
B. arteria bronchialis
C. venae pulmonalis
D. venae bronchialis
19. Welke twee grote arteriën lopen er naar elke long
A. arteria carotis en arteria bronchialis
B. arteria bronchialis en arteria brachialis
C. arteria pulmonalis en arteria bronchialis
D. arteria brachialis en arteria pulmonalis
20. De
A.
B.
C.
D.
buis van Eustachius vormt een verbinding tussen de neusholte en
het binnenoor
het middenoor
het buitenoor
de gehoorgang
blad 2 van 232
A
B
A
A
D
B
C
B
C
B
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
21. De
A.
B.
C.
D.
buis van Eustachius vormt een verbinding tussen de neusholte en
de gehoorgang
het slakkenhuis
het binnenoor
de trommelholte
22. Tot
A.
B.
C.
D.
de functies van het ademhalingsstelsel behoort NIET
uitscheiding van HCO3opname van O2
regeling van de pH
uitscheiding van CO2
23. De
A.
B.
C.
D.
CO2 afgifte van het bloed via de longen vindt plaats door middel van
osmose
diffusie
filtratie
resorptie
blad 3 van 232
24. Het lichaam komt aan energie door verbranding van voedingsstoffen, waarbij zuurstof
.....
A. en koolstofdioxide gevormd worden
B. vrij komt
C. gevormd wordt en koolstofdioxide verbruikt
D. wordt verbruikt en koolstofdioxide gevormd wordt
25. Aan welk eiwit wordt zuurstof gebonden en vervoerd
A. globuline
B. albumine
C. hemoglobine
D. erytropoëtine
26. De
A.
B.
C.
D.
longen bevatten een groot aantal longblaasjes, hetgeen tot gevolg heeft dat ...
er een snelle vermenging van lucht kan plaatsvinden
de borstkas geheel met lucht gevuld kan worden
het volume van de longen groter wordt
het oppervlak van de longen groter wordt
27. Een snellere diffusie van zuurstof vanuit de longblaasjes naar de capillairen wordt
verkregen door ...
A. minder keren per minuut in te ademen
B. de anatomische dode ruimte te vergroten
C. de diffusieafstand te vergroten
D. het concentratieverschil te vergroten
28. Energie verkrijgt het lichaam door verbranding van voedingsstoffen, waarbij ...
A. zuurstof gevormd wordt en koolstofdioxide verbruikt wordt
B. zuurstof en koolstofdioxide gevormd worden
C. zuurstof en koolstofdioxide verbruikt worden
D. zuurstof verbruikt wordt en koolstofdioxide gevormd wordt
29. Gaswisseling tussen lucht en bloed vindt plaats in de ...
A. bronchioli
B. bronchi
C. alveoli
D. longhilus
D
A
B
D
C
D
D
D
C
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
blad 4 van 232
30. Het verversen van de zuurstofvoorraad in het bloed is ...
A. een diffusie proces
B. een osmose proces
C. een filtratie proces
D. een excretie proces
31. Oxyhemoglobine wordt gevormd in ....
A. de longen
B. de lever
C. de nieren
D. het hart
32. Uitwisseling van zuurstof en koolstofdioxide vindt plaats in ...
A. de bronchioli
B. de alveoli
C. de trachea
D. de longhilus
33. Uitwisseling van zuurstof en koolstofdioxide vindt plaats in het capillairnet rondom ...
A. de bronchioli
B. de alveoli
C. de trachea
D. de pleura
34. In de hilus van de long vinden we onder andere
A. de arteria pulmonalis en de arteriae bronchiales
B. de arteriae alveolares en de arteria pulmonalis
C. de venae pulmonales en de venae bronchiales
D. de arteria pulmonalis en de venae bronchiales
35. Hoe noemt men de plaats waar de hoofdbronchus de long ingaat
A. bifurcatie
B. mediastinum
C. longhilus
D. longkwab
36. Onder de dode ruimte verstaat men
A. de hoeveelheid lucht, die na maximale expiratie nog in de long achterblijft
B. de hoeveelheid lucht die constant in de long aanwezig is
C. de hoeveelheid lucht in de bovenste luchtwegen, welke niet aan de gaswisseling
deelneemt
D. de hoeveelheid lucht, die de long na inspiratie nog extra kan opnemen
37. Onder het ademvolume wordt verstaan
A. de normale hoeveelheid uitgeademde lucht na normale inademing
B. de maximale hoeveelheid uitgeademde lucht na maximale inademing
C. de totale hoeveelheid lucht die de longen kunnen bevatten
D. de lucht die in de longen achterblijft na maximale uitademing
38. Onder het residu verstaat men
A. de hoeveelheid lucht die na maximale expiratie nog in de long achterblijft
B. de hoeveelheid lucht die constant in de long aanwezig is
C. de hoeveelheid lucht die niet aan de gaswisseling deelneemt
D. de hoeveelheid lucht die de long na inspiratie nog extra kan opnemen
39. Onder vitale capaciteit wordt verstaan
A. de maximale hoeveelheid uitgeademde lucht na maximale inademing
B. de normale hoeveelheid uitgeademde lucht na normale inademing
C. de totale hoeveelheid lucht die de longen kunnen bevatten
D. de lucht die in de longen achterblijft na maximale uitademing
A
A
C
B
A
C
C
A
A
A
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
40. De
A.
B.
C.
D.
blad 5 van 232
hoeveelheid lucht die in rust bij inademing verplaatst wordt is ongeveer ...
500 ml
1500 ml
2500 ml
4500 ml
41. De hoeveelheid lucht die men nog kan uitademen na een normale uitademing noemt
men ...
A. het inspiratoir reservevolume
B. het expiratoir reservevolume
C. het ademteugvolume
D. het residuaal volume
42. De
A.
B.
C.
D.
vitale capaciteit is ...
het grootst mogelijke ademvolume
de som van de inspiratoire en expiratoire reserve
de hoeveelheid lucht, die men, na een normale inademing, maximaal kan uitademen
geen van bovengenoemde volumina
43. De
A.
B.
C.
D.
vitale capaciteit is de som van het ademteugvolume en ...
het volume van de dode ruimte en het residuaal volume
het inspiratoir reservevolume en het residuaal volume
het expiratoir reservevolume en het residuaal volume
het expiratoir reservevolume en inspiratoir reservevolume
44. De
A.
B.
C.
D.
vitale capaciteit is de totale longcapaciteit min ....
het inspiratoir reservevolume
het expiratoir reservevolume
het ademteugvolume
het residuaal volume
45. De
A.
B.
C.
D.
vitale capaciteit van de longen is de hoeveelheid lucht ...
die men extra kan uitademen na een normale uitademing
die men extra kan inademen na een normale inademing
die men normaal inademt en/of uitademt
van A, B en C tezamen
46. Het minimale volume van de longen bedraagt ongeveer ...
A. 500 ml
B. 1500 ml
C. 2500 ml
D. 4500 ml
47. Het volume van de dode ruimte bedraagt ongeveer ...
A. 150 ml
B. 1500 ml
C. 2500 ml
D. 4500 ml
48. Met de anatomische dode ruimte wordt bedoeld ...
A. de ruimte in de luchtwegen, behalve de alveoli
B. de ruimte in de luchtpijp
C. de ruimte in de longblaasjes
D. de ruimte in de bronchioli
49. Na
A.
B.
C.
D.
een inademing bevat de dode ruimte relatief ....
meer koolstofdioxide dan de alveolaire ruimte
evenveel zuurstof als de alveolaire ruimte
evenveel zuurstof als de buitenlucht
meer koolstofdioxide dan de buitenlucht
A
B
A
D
D
D
B
A
A
C
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
blad 6 van 232
50. Onder het residuaal volume verstaat men de hoeveelheid lucht, die ...
A. men na een normale inademing nog extra kan inademen
B. na een maximale uitademing nog in de longen achterblijft
C. na een normale uitademing nog in de longen achterblijft
D. niet ververst wordt
51. Welk deel van het ademhalingsstelsel wordt niet tot de anatomische dode ruimte
gerekend
A. de alveoli
B. de trachea
C. de mondholte
D. de larynx
52. De
A.
B.
C.
D.
ruimte tussen de longen noemt men ...
het mediastinum
de pericardholte
de peritoneale holte
de pleuraholte
53. Bijholtes van de neus vindt men onder andere in het
A. neusbeen
B. slaapbeen
C. jukbeen
D. wiggebeen
54. De
A.
B.
C.
D.
bovenste - en middelste neusschelp zijn onderdelen van
de bovenkaak
het ploegschaarbeen
het zeefbeen
het wiggebeen
55. De
A.
B.
C.
D.
bovenzijde van de neusholte wordt vooral begrenst door
het wiggebeen
het neusbeen
het zeefbeen
de bovenkaak
56. De
A.
B.
C.
D.
neus-keelholte is bekleed met
trilhaarepitheel
plaveiselepitheel
meerlagig epitheel
overgangsepitheel
57. Door de aanwezigheid van de conchae ontstaat NIET
A. vergroting van het neusoppervlak
B. verwarming van de inademingslucht
C. verkleining van het neusoppervlak
D. bevochtiging van de inademingslucht
58. Wanneer er lucht met een temperatuur van 0C wordt ingeademd heeft deze lucht bij
aankomst in de trachea een temperatuur van .....
A. 10C
B. 20C
C. 25C
D. 30C
B
A
A
D
C
C
A
C
D
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
blad 7 van 232
59. Welke van de volgende uitspraken is ONJUIST. Het is goed om door de neus te ademen
omdat
A. de lucht dan voorverwarmd wordt
B. de lucht dan gezuiverd wordt
C. het de kortste weg voor de lucht is
D. de lucht dan bevochtigd wordt
60. De
A.
B.
C.
D.
functie van de trilhaarcellen in het epitheel van de luchtwegen is ...
het opnemen van zuurstof
het vormen van slijm
het transporteren van slijm
het afgeven van koolstofdioxide
61. Door een zeer dicht haarvatennetwerk onder het epitheel van de neusholte ...
A. worden bacteriën in de ademlucht snel gedood
B. wordt de ademlucht gezuiverd van stofdeeltjes
C. wordt de ademlucht bevochtigd
D. wordt de ademlucht snel verwarmd
62. De
A.
B.
C.
D.
bijholtes van de neus hebben hun afvoer voornamelijk naar de ..... neusgang
onderste
middelste
bovenste
onderste en middelste
63. De
A.
B.
C.
D.
voorhoofdsholte en de kaakholte monden uit in de .... neusgang
bovenste
middelste
bovenste en middelste
onderste
64. De
A.
B.
C.
D.
voorhoofdsholte heeft een afvoer naar de
zeefbeencellen
middelste neusgang
de keelholte
middelste neusschelp
65. In de onderste neusgang mondt uit
A. de sinus ethmoidalis
B. de sinus sphenoidalis
C. de ductus lacrimalis
D. de sinus frontalis
66. De
A.
B.
C.
D.
sinus maxillaris ligt in ...
het voorhoofdsbeen
de bovenkaak
het wiggebeen
het zeefbeen
67. Welke bewering is juist
A. de sinus maxillaris bevindt zich in wiggebeen
B. de sinus frontalis bevindt zich in het voorhoofdsbeen
C. de sinus ethmoidalis bevindt zich in bovenkaak
D. de sinus sphenoidalis bevindt zich in het zeefbeen
68. Choanen zijn de
A. achterste neusopeningen
B. voorste neusopeningen
C. neusgangen
D. neusschelpen
C
C
D
B
B
B
C
B
B
A
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
69. De
A.
B.
C.
D.
bovenste en middelste neusschelp zijn onderdeel van
het wiggebeen
het zeefbeen
het neusbeen
de bovenkaak
70. De
A.
B.
C.
D.
conchae zijn de
neusschelpen
achterste neusopeningen
voorste neusopeningen
neusgangen
71. De
A.
B.
C.
D.
onderste neusschelp behoort tot het volgende botstuk
het zeefbeen
de bovenkaak
het wiggebeen
het neusbeen
blad 8 van 232
72. Welk van de volgende botstukken neemt NIET deel aan het septum nasi
A. het ploegschaarbeen
B. het zeefbeen
C. het wiggebeen
D. het os ethmoidale
73. Welk van de volgende botstukken neemt NIET deel aan het septum nasi
A. het os sphenoidale
B. het os ethmoidale
C. het os vomer
D. het zeefbeen
74. De
A.
B.
C.
D.
neusholte wordt in tweeën gedeeld door ...
de neusschelpen
het septum nasi
de onderste neusgang
het harde gehemelte
75. De
A.
B.
C.
D.
pleuraholte ligt tussen
de pleura-visceralis en de pleura-parietalis
het longvlies en de longen
de longen en het hart
de beide longen
76. In de pleuraholte bevindt zich
A. een dun laagje vocht
B. een dun laagje lucht
C. een uitgebreid capillairnet
D. een atmosferische overdruk
77. De
A.
B.
C.
D.
pleura parietalis is niet vergroeid met ...
het middenrif
de borstwand
de longen
het mediastinum
78. De
A.
B.
C.
D.
pleura visceralis (longvlies) is als enige scheiding gelegen tussen de longen en ...
de borstkas
het hart
het middenrif
het pleuravocht
B
A
B
C
A
B
A
A
C
D
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
79. De
A.
B.
C.
D.
pleura visceralis (longvlies) is vergroeid met ...
het mediastinum
het longweefsel
het middenrif
de borstwand
80. De
A.
B.
C.
D.
pleuraholte is de ruimte tussen ...
longen en pleura visceralis
pleura parietalis en pleura visceralis
de beide longen
pleura parietalis en mediastinum
blad 9 van 232
81. Met welke structuur is de pleura parietalis niet vergroeid
A. mediastinum
B. longweefsel
C. thoraxwand
D. diafragma
82. Tussen de pleura parietalis en de pleura visceralis bevindt zich ...
A. lucht
B. vocht
C. longweefsel
D. niets
83. Waardoor wordt de pleuraholte gekenmerkt
A. de holte bezit langgerekte cellen met contractiele myofibrillen
B. hier vindt uitwisseling van zuurstof en koolstofdioxide plaats
C. de holte is luchtdicht afgesloten ruimte
D. de holte een met lucht gevulde ruimte rondom de longen
84. Bij
A.
B.
C.
D.
de regulatie van de ademhaling is het meest belangrijk
het O2 gehalte van de inademingslucht
het CO2 gehalte van de inademingslucht
het O2 gehalte van het bloed
het CO2 gehalte van het bloed
85. De
A.
B.
C.
D.
ademhaling wordt vooral gestimuleerd door het gehalte aan ..... in het bloed.
CO2
O2
H2O
NaHCO3
86. De
A.
B.
C.
D.
directe prikkel voor versnelling van de ademhaling is de
verlaging van de zuurstofspanning in de longen
verhoging van de energiebehoefte
verhoging van het koolstofdioxidegehalte van het bloed
versnelling van de hartslag
87. Een hoog CO2-gehalte in het bloed heeft tot gevolg dat ...
A. de circulatie in gevaar komt
B. de weefsels geen zuurstof krijgen
C. het ademhalingscentrum geprikkeld wordt
D. Er bloedvergiftiging ontstaat
88. Het ademcentrum wordt in het geheel niet beïnvloed door ...
A. de hoeveelheid zuurstof in het bloed
B. de hoeveelheid koolstofdioxide in het bloed
C. de hoeveelheid stikstof in het bloed
D. de zuurgraad van het bloed
B
B
B
B
C
D
A
C
C
C
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
89. Het ademhalingscentrum reguleert direct ...
A. de ademhalingsbewegingen
B. het opnemen van zuurstof
C. het afgeven van koolstofdioxidegas
D. de zuurgraad van bloed
90. Hoe ontstaat bij het inhouden van de adem de drang om weer te ademen
A. door een toename van de druk in de pleuraholte
B. door een toename van de hoeveelheid koolstofdioxide in het bloed
C. door een afname van de hoeveelheid zuurstof in het bloed
D. door geen van bovengenoemde oorzaken
91. Welke stof heeft een grote invloed op het ademcentrum
A. koolstofdioxide
B. keukenzout
C. zuurstof
D. stikstof
92. Het percentage zuurstof in de alveolaire lucht bedraagt ongeveer
A. 12
B. 14
C. 16
D. 20
93. Het percentage zuurstof in de uitademingslucht bedraagt ongeveer
A. 12
B. 14
C. 16
D. 20
94. De
A.
B.
C.
D.
alveolaire lucht bevat relatief ...
meer zuurstof dan de buitenlucht
meer koolstofdioxide dan de buitenlucht
minder waterdamp dan de buitenlucht
meer stikstof dan de buitenlucht
95. De
A.
B.
C.
D.
alveolaire lucht bevat relatief ...
meer zuurstof dan de inademingslucht
meer koolstofdioxide dan de uitademingslucht
evenveel zuurstof als de uitademingslucht
minder koolstofdioxide dan de inademingslucht
96. De
A.
B.
C.
D.
alveolaire lucht bevat relatief ...
meer zuurstof dan de inademingslucht
minder koolstofdioxide dan de inademingslucht
minder zuurstof dan de uitademingslucht
minder koolstofdioxide dan de uitademingslucht
97. De
A.
B.
C.
D.
inademingslucht bevat relatief ...
meer zuurstof dan de uitademingslucht
minder zuurstof dan de alveolaire lucht
meer koolstofdioxide dan de uitademingslucht
evenveel koolstofdioxide als de alveolaire lucht
98. De
A.
B.
C.
D.
uitademingslucht bevat relatief ...
meer zuurstof dan de inademingslucht
meer koolstofdioxide dan de alveolaire lucht
meer zuurstof dan de alveolaire lucht
minder koolstofdioxide dan de inademingslucht
blad 10 van 232
A
B
A
B
C
B
B
C
A
C
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
blad 11 van 232
99. Van welk gas verschilt de hoeveelheid in de buitenlucht het minst van die in de
alveolaire lucht
A. van koolstofdioxide
B. van stikstof
C. van waterdamp
D. van zuurstof
100.
A.
B.
C.
D.
Wat gebeurt er bij het slikken
het strottenhoofd wordt afgesloten
de slokdarm wordt afgesloten
de neusholte wordt afgesloten
zowel A als C zijn juist
101.
A.
B.
C.
D.
De glottis is
het strotklepje
het stemvormend apparaat
het strottenhoofd
de stemspleet
102.
A.
B.
C.
D.
De stembanden bevinden zich tussen
de beide bekerkraakbeentjes
de bekerkraakbeentjes en het schildkraakbeen
het schildkraakbeen en het ringkraakbeen
het ringkraakbeen en de bekerkraakbeentjes
103.
A.
B.
C.
D.
De stembanden bevinden zich tussen
bekerkraakbeentjes en schildkraakbeen
bekerkraakbeentjes en ringkraakbeen
ringkraakbeen en schildkraakbeen
ringkraakbeen en epiglottis
104.
A.
B.
C.
D.
De stembanden zijn bevestigd aan de/het
tongbeen en ringkraakbeen
bekerkraakbeentjes en schildkraakbeen
epiglottis en bekerkraakbeentjes
ringkraakbeen en schildkraakbeen
105.
A.
B.
C.
D.
De stemspleet bevindt zich tussen
de ware stembanden
de valse stembanden
de ware - en valse stembanden
de glottis
106.
A.
B.
C.
D.
De valse stembanden bevatten
geen spierweefsel
dwarsgestreept spierweefsel
glad spierweefsel
hartspierweefsel
107.
A.
B.
C.
D.
De valse stembanden bevatten
geen spierweefsel
glad spierweefsel
hyaline kraakbeen
dwarsgestreept spierweefsel
108.
A.
B.
C.
D.
De ware stembanden
bevinden zich tussen de bekerkraakbeentjes en het ringkraakbeen
worden gespannen door het draaien van het tongbeen en de bekerkraakbeentjes
bevinden zich boven de valse stembanden
bevinden zich onder de valse stembanden
B
D
B
B
A
B
A
A
A
D
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
109.
A.
B.
C.
D.
De ware stembanden bevatten
geen spierweefsel
dwarsgestreept spierweefsel
glad spierweefsel
hartspierweefsel
110.
A.
B.
C.
D.
Door welke zenuw wordt de larynx geïnnerveerd
de nervus facialis
de nervus trigeminus
de nervus vagus
de nervus accessiorius
111.
A.
B.
C.
D.
Het ringkraakbeen ligt met het breedste gedeelte naar
voren
achteren
opzij
boven
112.
A.
B.
C.
D.
Het ringkraakbeen ligt met het smalste gedeelte naar
voren
achter
onder
boven
113.
A.
B.
C.
D.
Het strottenhoofd is bekleed met
cilindrisch epitheel
kubisch epitheel
plaveiselepitheel
plaveiselepitheel en cilindrisch epitheel
114.
A.
B.
C.
D.
Met de epiglottis bedoelt men
de stemspleet
het strotklepje
de stembanden
het strottenhoofd
115.
A.
B.
C.
D.
Met de glottis bedoelt men
de stemspleet
het strotklepje
het stemvormend apparaat
het strottenhoofd
116.
A.
B.
C.
D.
Onder de larynx verstaan we
het strottenhoofd
de keelholte
overgang van neusholte naar keelholte
bovenste deel van de trachea
117.
A.
B.
C.
D.
Onder het thyroid verstaan we
het bekerkraakbeen
het schildkraakbeen
het ringkraakbeen
de keelholte
118.
A.
B.
C.
D.
De adamsappel is een onderdeel van ...
het ringkraakbeen
het schildkraakbeen
de bovenste luchtpijpring
het tongbeen
blad 12 van 232
B
C
B
A
D
B
C
A
B
B
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
119.
A.
B.
C.
D.
De bekerkraakbeentjes zijn bevestigd aan ...
de luchtpijp
het ringkraakbeen
het schildkraakbeen
het tongbeen
120.
A.
B.
C.
D.
De ingang van de larynx wordt beschermd door ...
het strotklepje
de valse stembanden
het schildkraakbeen
het ringkraakbeen
121.
A.
B.
C.
D.
De larynx is betrokken bij ...
de stemvorming
de hoest- en slikreflex
de braakreflex
zowel A, B en C zijn juist
122.
A.
B.
C.
D.
De stembanden bevinden zich ...
in de larynx
tussen de pharynxbogen
in de trachea
in de pharynx
123.
A.
B.
C.
D.
De stemspleet bevindt zich tussen ...
de valse en ware stembanden
de valse stembanden
de ware stembanden
geen van bovengenoemde structuren
124.
A.
B.
C.
D.
Het strotklepje is door middel van een ligament verbonden met ...
de bekerkraakbeentjes
het ringkraakbeen
het schildkraakbeen
het tongbeen
125.
A.
B.
C.
D.
Het strotklepje sluit ...
de keelholte van de neusholte af
de keelholte van het strottenhoofd af
de slokdarm van het strottenhoofd af
geen van bovengenoemde holtes van elkaar af
126.
A.
B.
C.
D.
Het strottenhoofd vormt een verbinding tussen ...
de keelholte en de luchtpijp
de mond- en de keelholte
de mondholte en de slokdarm
de slokdarm en de luchtpijp
127.
A.
B.
C.
D.
Het strottenhoofd wordt voornamelijk gevormd door ...
hoefijzervormige kraakbeenringen
het schildkraakbeen
de adamsappel
een zegelringvormig kraakbeenstuk
128.
A.
B.
C.
D.
Hoe noemt men de vooruitstekende punt van het schildkraakbeen
het strotklepje
het bekerkraakbeentje
het tongbeen (os hyoideum)
de adamsappel
blad 13 van 232
B
A
D
A
C
C
B
A
B
D
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
129.
A.
B.
C.
D.
Welke bewering omtrent het strottenhoofd (larynx) is juist
de larynx ligt ventraal van de oesophagus
de larynx ligt dorsaal van de oesophagus
de larynx ligt in het mediastinum
zowel B als C zijn juist
130.
A.
B.
C.
D.
Welke structuur van het strottenhoofd wordt epiglottis genoemd
de opening tussen de stembanden
het strotklepje
een bekerkraakbeentje
de ware stembanden
131.
A.
B.
C.
D.
De traanbuis mondt uit in de .... neusgang
bovenste
middelste
bovenste en middelste
onderste
132.
A.
B.
C.
D.
De traanbuis mondt uit ...
boven de bovenste neusschelp
boven de middelste neusschelp
boven de onderste neusschelp
onder de onderste neusschelp
133.
A.
B.
C.
D.
Bij de bronchioli ontbreekt het ..... in de wand
trilhaarepitheel
spierweefsel
bindweefsel
kraakbeen
134.
A.
B.
C.
D.
De trachea is bekleed met
plaveiselepitheel
trilhaarepitheel
meerlagig plaveiselepitheel
overgangsepitheel
135.
A.
B.
C.
D.
De wand van de alveolen bestaat uit
éénlagig cilindrisch epitheel
meerlagig kubisch epitheel
éénlagig plaveiselepitheel
meerlagig plaveiselepitheel
136.
A.
B.
C.
D.
De wand van de alveoli bestaat uit
kubisch epitheel
trilhaarepitheel
plaveiselepitheel
overgangsepitheel
137.
A.
B.
C.
D.
De wand van de bronchioli bestaat van binnen naar buiten uit
trilhaarepitheel, kraakbeen, glad spierweefsel, bindweefsel,
trilhaarepitheel, glad spierweefsel, bindweefsel,
plaveiselepitheel, glad spierweefsel, bindweefsel,
trilhaarepitheel, kraakbeen, dwarsgestreept spierweefsel, bindweefsel
138.
A.
B.
C.
D.
De wand van de trachea bestaat van binnen naar buiten uit
epitheel, bindweefsel, kraakbeen
bindweefsel, kraakbeen, epitheel
kraakbeen, epitheel, bindweefsel
epitheel, kraakbeen, bindweefsel
blad 14 van 232
A
B
D
D
D
B
C
C
B
A
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
139.
A.
B.
C.
D.
Het grootste deel van de luchtwegen is bekleed met
meerlagig kubisch epitheel
éénlagig plaveiselepitheel
meerlagig plaveiselepitheel
éénlagig cilindrisch epitheel
140.
A.
B.
C.
D.
Tussen de lucht en het bloed bevindt zich in de longblaasjes
n epitheellaag
n epitheellaag en een endotheellaag
twee endotheellagen
n mesotheellaag en één endotheellaag
141.
A.
B.
C.
D.
De luchtpijp is aan de binnenzijde bekleed met ...
plaveiselepitheel
kubisch epitheel
trilhaarepitheel
overgangsepitheel
142.
A.
B.
C.
D.
Trilhaarepitheel bevindt zich niet in de ...
trachea
bronchi
bronchioli
alveoli
143.
A.
B.
C.
D.
Welk weefsel is geen bestanddeel van de wand van de bronchioli
epitheel
bindweefsel
kraakbeen
spierweefsel
144.
A.
B.
C.
D.
Wat wordt bedoeld met het acetabulum
de gewrichtskom van het heupgewricht
de scheiding tussen grote en kleine bekken
de verbinding tussen linker en rechter schaambeen
een knik in de wervelkolom
145.
A.
B.
C.
D.
Een voorbeeld van een onregelmatig gevormd botstuk is
het sleutelbeen
het schouderblad
de wervel
de rib
146.
A.
B.
C.
D.
Een voorbeeld van een pijpbeen is
het borstbeen
het schouderblad
de wervel
het middenhandsbeentje
147.
A.
B.
C.
D.
Tot de functies van het beenderstelsel behoren
bescherming van inwendige organen
vorming van bloedcellen
het mogelijk maken van bewegingen
alle bovengenoemde
148.
A.
B.
C.
D.
Een voorbeeld van een kort en onregelmatig bot is ...
het middenhandsbeentje
het borstbeen
het voetwortelbeentje
geen van bovengenoemde botten
blad 15 van 232
D
B
C
D
C
A
C
D
D
D
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
149.
A.
B.
C.
D.
Het skelet heeft als functie ...
het beschermen van vitale orgaansystemen
het aanmaken van rode bloedcellen
het opslaan van mineralen
het skelet heeft alle bovenstaande functies
150.
A.
B.
C.
D.
Tot de functie van het skelet behoort onder andere
het tot stand brengen van bewegingen
de aanmaak van bloedlichaampjes
het opslaan van vitamine 1.
de aanmaak van vitamine B12
151.
A.
B.
C.
D.
Welk bot behoort tot de platte beenderen
de humerus
het heupbeen
de tibia
de vertebra
152.
A.
B.
C.
D.
Welk botstuk behoort tot de platte beenderen
de ulna
de radius
het sternum
de femur
blad 16 van 232
153.
Welke van de onderstaande beenderen wordt gerekend tot de onregelmatige
botstukken
A. de ribben
B. de scapula
C. de wervels
D. de radius
154.
A.
B.
C.
D.
Als de onderarm in pronatie is, dan ligt de
radius over de ulna
radius naast de ulna
ulna over de radius
ulna naast de radius
155.
A.
B.
C.
D.
Als de onderarm in supinatie is ligt de
ulna naast de humerus
radius over de humerus
ulna naast de radius
radius over de ulna
156.
A.
B.
C.
D.
Het olecranon is een onderdeel van de
enkel
humerus
radius
ulna
157.
A.
B.
C.
D.
Pronatie en supinatie zijn bewegingsmogelijkheden in het gewricht tussen
spaakbeen en ellepijp
opperarmbeen en ellepijp
spaakbeen en handwortelbeentjes
handwortelbeentjes en middenhandsbeentjes
158.
A.
B.
C.
D.
Welk botstuk breekt mogelijk af bij een val op de elleboog
het olecranon
het acromion
de processus coracoideus
de malleolus lateralis
D
A
B
C
C
A
C
D
A
A
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
159.
A.
B.
C.
D.
Welk botstuk is bij een polsfractuur meestal gebroken
het tweede middenhandsbeentje
het kubische botje
het bootsbotje
het begin van de radius
160.
A.
B.
C.
D.
Het synoniem voor spaakbeen is
radius
ulna
humerus
femur
161.
A.
B.
C.
D.
In het ellebooggewricht bevindt zich ...
een scharniergewricht
een rolgewricht
zowel een scharnier- als een rolgewricht
geen van bovengenoemde gewrichten
162.
A.
B.
C.
D.
Welke bewering is juist
de ulna draait om de radius
de radius draait om de ulna
de fibula draait om de tibia
de tibia draait om de fibula
163.
A.
B.
C.
D.
De achillespees is gehecht aan
het sprongbeen
het kuitbeen
de malleolus medialis
het hielbeen
164.
A.
B.
C.
D.
De achillespees is gehecht aan
de talus
de calcaneus
de fibula
de tibia
165.
A.
B.
C.
D.
De binnenenkel is een onderdeel van het
scheenbeen
hielbeen
sprongbeen
kuitbeen
166.
A.
B.
C.
D.
De buitenenkel is een onderdeel van het
scheenbeen
hielbeen
sprongbeen
kuitbeen
167.
A.
B.
C.
D.
De malleolus lateralis is een onderdeel van
de fibula
de tibia
de humerus
het femur
168.
A.
B.
C.
D.
De malleolus medialis is een onderdeel van
de fibula
de tibia
de humerus
het femur
blad 17 van 232
C
A
C
B
D
B
A
D
A
B
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
blad 18 van 232
169.
In het kniegewricht en in het ellebooggewricht wordt contact gemaakt door
gewrichtsvlakken, afkomstig van het volgende aantal pijpbeenderen
A. knie 2, elleboog 2
B. knie 2, elleboog 3
C. knie 3, elleboog 2
D. knie 3, elleboog 3
170.
A.
B.
C.
D.
Tot welk bot behoort de buitenenkel
tibia
fibula
femur
humerus
171.
A.
B.
C.
D.
De knieschijf is betrokken bij
rotatie van het kniegewricht
flexie van het kniegewricht
extensie van het kniegewricht
geen van bovengenoemde functies
172.
Hoe noemt men de vezelige hoefijzervormige kraakbeenstructuur in het
kniegewricht
A. de synovia
B. de meniscus
C. de patella
D. het olecranon
173.
A.
B.
C.
D.
De verbinding van de beide schaambeenderen aan de voorzijde is
het acetabulum
het sacro-iliacale gewricht
de symfyse
het promontorium
174.
A.
B.
C.
D.
De bekkengordel bestaat uit de beide
ossa coxae en het os sacrum
ossa iliaca en het os sacrum
ossa coxae en het os coccygis
ossa iliaca en het os coccygis
175.
A.
B.
C.
D.
De symfyse bevindt zich tussen de beide
zitbeenderen
darmbeenderen
heupbeenderen
schaambeenderen
176.
A.
B.
C.
D.
Een heupbeen is opgebouwd uit een
darmbeen, heiligbeen, en zitbeen
schaambeen, heiligbeen en zitbeen
bekkenbeen, zitbeen en schaambeen
zitbeen, schaambeen en darmbeen
177.
A.
B.
C.
D.
Het acetabulum is een onderdeel van
femur
os coxae
os sacrum
scapula
B
B
C
B
C
A
D
D
B
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
178.
A.
B.
C.
D.
Aan elk heupbeen onderscheidt men een ...
darmbeen, zitbeen, schaambeen, acetabulum
darmbeen, zitbeen, staartbeen, heiligbeen
darmbeen, zitbeen, schaambeen, heiligbeen
darmbeen, zitbeen, heiligbeen, acetabulum
179.
A.
B.
C.
D.
Het sacro-iliacale gewricht is een botverbinding tussen ...
het darmbeen en het heiligbeen
het darmbeen en het schaambeen
het schaambeen en het heiligbeen
het zitbeen en het darmbeen
180.
A.
B.
C.
D.
Welk botstuk vormt geen onderdeel van de bekkenring
het os ilium (darmbeen)
de femur (bovenbeen)
het os sacrum (heiligbeen)
het os pubis (schaambeen)
181.
A.
B.
C.
D.
Welke beenderen behoren NIET tot het bekken
de heiligbeenwervels
de lendenwervels
de staartbeenwervels
de heupbeenderen
182.
A.
B.
C.
D.
Het lieskanaal vormt een verbinding tussen de buikholte en ...
het scrotum (balzak)
de urethra (urinebuis)
het bovenbeen
de vagina
blad 19 van 232
183.
In het centrum tendineum (centrale peesplaat) van het diafragma bevindt zich de
doorgang voor ...
A. de vena cava inferior (onderste holle ader)
B. de vena cava superior (bovenste holle ader)
C. de aorta (lichaamsslagader)
D. de oesofagus (slokdarm)
184.
A.
B.
C.
D.
In het diafragma bevindt zich een doorgang voor ...
de vena cava superior (bovenste holle ader)
de arterie hepatica (leverslagader)
de aorta (lichaamsslagader)
de vena pulmonalis (longader)
185.
A.
B.
C.
D.
In het gespierde gedeelte van het diafragma treft men aan een doorgang voor ...
slokdarm
borstbuis (ductus thoracicus)
luchtpijp
poortader
186.
A.
B.
C.
D.
Welke van de onderstaande spieren is/zijn de voornaamste ademhalingsspier
de halsspieren
de grote borstspier
het middenrif
de buikwandspieren
187.
A.
B.
C.
D.
Het polsgewricht is een
straf gewricht
één assig gewricht
twee assig gewricht
drie assig gewricht
A
A
B
B
A
A
C
A
C
C
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
188.
A.
B.
C.
D.
Het sacroiliacale gewricht is een
straf gewricht
één assig gewricht
twee assig gewricht
drie assig gewricht
189.
A.
B.
C.
D.
Het schoudergewricht is een
één assig gewricht
twee assig gewricht
drie assig gewricht
straf gewricht
190.
A.
B.
C.
D.
De bovenkaak staat NIET in verbinding met
de onderkaak
het jukbeen
het slaapbeen
het voorhoofdsbeen
191.
A.
B.
C.
D.
De gewrichtsuiteinden van een bot zijn bedekt met
collageen bindweefsel
elastisch bindweefsel
elastisch kraakbeen
hyalien kraakbeen
192.
A.
B.
C.
D.
Een kogelgewricht geeft bewegingsmogelijkheden
in één richting
in vele vlakken
in twee vlakken
in één vlak
193.
A.
B.
C.
D.
Een voorbeeld van een plat botstuk is
een vingerkootje
het schouderblad
een wervel
het sleutelbeen
194.
A.
B.
C.
D.
Een zadelgewricht is een
strafgewricht
éénassig gewricht
tweeassig gewricht
drieassig gewricht
195.
A.
B.
C.
D.
Het ellebooggewricht is een
één assig gewricht
twee assig gewricht
drie assig gewricht
straf gewricht
196.
A.
B.
C.
D.
Het femur vormt een gewricht met de
tibia
fibula
humerus
a en b
197.
A.
B.
C.
D.
Het heupgewricht is een
straf gewricht
één assig gewricht
twee assig gewricht
drie assig gewricht
blad 20 van 232
A
C
C
D
B
B
C
A
A
D
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
198.
A.
B.
C.
D.
Het kniegewricht is een
straf gewricht
één assig gewricht
twee assig gewricht
drie assig gewricht
199.
A.
B.
C.
D.
De verbinding tussen darmbeen en schaambeen is een ...
synoviale verbinding
naadverbinding
kraakbeenverbinding
vergroeiing van beide tot ‚‚n structuur
200.
A.
B.
C.
D.
De verbinding tussen ware ribben en sternum is een ...
synoviale verbinding
bindweefselverbinding
kraakbeenverbinding
naadverbinding
201.
A.
B.
C.
D.
Een junctura synovialis geeft ...
extra stevigheid aan de beenderen
extra beweeglijkheid aan de beenderen
extra bloedvoorziening aan de beenderen
extra opslagruimte voor calcium
202.
A.
B.
C.
D.
Een kogelgewricht geeft bewegingsmogelijkheid ...
in ‚‚n richting
in ‚‚n vlak
in twee vlakken
in vele vlakken
203.
A.
B.
C.
D.
Een voorbeeld van een rolgewricht is het gewricht ...
tussen atlas en draaier
tussen duim en handwortel
tussen bovenbeen en kuitbeen
tussen onder- en bovenkaak
blad 21 van 232
204.
Het gewricht tussen het eerste middenhandsbeentje (die van de duim) en de
handwortel is een ...
A. zadelgewricht
B. rolgewricht
C. scharniergewricht
D. kogelgewricht
205.
A.
B.
C.
D.
Het kniegewricht wordt gevormd door een botverbinding tussen ...
het scheenbeen en het dijbeen
het kuitbeen en het dijbeen
het kuitbeen en het scheenbeen
het scheenbeen, het kuitbeen en het dijbeen
206.
A.
B.
C.
D.
Hoe heet de binnenste bekleding van een gewrichtskapsel
periost
endost
membrana synovialis
membrana fibrosa
207.
A.
B.
C.
D.
Op de gewrichtsvlakken van een synoviaal gewricht bevindt zich ...
bindweefsel
hyalien kraakbeen
elastisch kraakbeen
geen van bovengenoemde weefsels
B
D
C
B
D
A
A
A
C
B
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
208.
A.
B.
C.
D.
Scharniergewrichten bewegen ...
maar in ‚‚n vlak
in twee vlakken loodrecht op elkaar
om een soort spil
in vele vlakken
209.
A.
B.
C.
D.
Wat voor soort gewricht treft men aan tussen spaakbeen en ellepijp
een kogelgewricht
een scharniergewricht
een zadelgewricht
een rolgewricht
210.
A.
B.
C.
D.
Welke bewegingen kunnen rolgewrichten maken
een draaiing om hun lengte as of om een spil
bewegingen in alle gewenste richtingen
meer dan ‚‚n beweging, maar niet in alle richtingen
alleen bewegingen in twee richtingen
blad 22 van 232
211.
De beweeglijkheid van beenderen is het grootst wanneer de betreffende beenderen
zijn verbonden door een ...
A. naadverbinding
B. bindweefselverbinding
C. kraakbeenverbinding
D. synoviale verbinding
212.
A.
B.
C.
D.
De gewrichten met de grootste bewegingsvrijheid zijn ...
rolgewrichten
kogelgewrichten
zadelgewrichten
scharniergewrichten
213.
A.
B.
C.
D.
Het omdraaien van de hand wordt bereikt door ...
draaiing van de handwortelbeentjes
draaiing van de humerus in het schoudergewricht
draaiing van de pijpbeenderen in de onderarm
draaiing van de middenhandsbeentjes
214.
A.
B.
C.
D.
Een peesschede is gelegen ...
in een gewricht
rondom een pees
tussen de huid en een uitstekende botknobbel
tussen twee beenderen
215.
A.
B.
C.
D.
De grote fontanel bevindt zich tussen
achterhoofdsbeen en slaapbeenderen
achterhoofdsbeen en wandbeenderen
voorhoofdsbeen en slaapbeenderen
voorhoofdsbeen en wandbeenderen
216.
A.
B.
C.
D.
De kom van het kaakgewricht ligt in
het os temporale
het os zygomaticum
de maxilla
het os sphenoidale
217.
A.
B.
C.
D.
De kom van het kaakgewricht ligt in
het jukbeen
de bovenkaak
het wiggebeen
het slaapbeen
A
D
A
D
B
C
B
D
A
D
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
218.
A.
B.
C.
D.
De maxilla staat NIET in verbinding met
het os temporale
het os zygomaticum
het os frontale
de mandibula
219.
A.
B.
C.
D.
De onderkaak vormt een gewricht met het
slaapbeen
jukbeen
bovenkaaksbeen
wiggebeen
220.
A.
B.
C.
D.
De onderste neusschelpen zijn verbonden met
het zeefbeen
het wiggebeen
het neusbeen
de bovenkaak
221.
A.
B.
C.
D.
De sella Tursica bevindt zich in de ..... schedelgroeve
voorste
middelste
achterste
middelste en achterste
222.
A.
B.
C.
D.
De volgende botstukken nemen deel aan de vorming van de oogkas
voorhoofdsbeen, onderkaak, jukbeen
wiggebeen, ploegschaarbeen, zeefbeen
slaapbeen, wiggebeen, jukbeen
traanbeen, voorhoofdsbeen, bovenkaak
223.
A.
B.
C.
D.
De zeefplaat bevindt zich in de ..... schedelgroeve
voorste
middelste
achterste
middelste en achterste
224.
A.
B.
C.
D.
Het foramen magnum bevindt zich in de ..... schedelgroeve
voorste
middelste
achterste
middelste en achterste
225.
A.
B.
C.
D.
Het foramen magnum ligt in
het os occipitale
de ossa parietalia
het os sphenoidale
os temporale
226.
A.
B.
C.
D.
Het Turkse Zadel is een onderdeel van het
slaapbeen
wiggebeen
zeefbeen
voorhoofdsbeen
227.
A.
B.
C.
D.
Het volgende botstuk behoort tot de hersenschedel
de bovenkaak
het gehemeltebeen
het voorhoofdsbeen
het traanbeen
blad 23 van 232
A
A
D
B
D
A
C
A
B
C
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
228.
A.
B.
C.
D.
Het volgende botstuk behoort tot de hersenschedel
het achterhoofdsbeen
het jukbeen
het gehemeltebeen
het zeefbeen
229.
A.
B.
C.
D.
Het volgende botstuk behoort tot de hersenschedel
os zygomaticum
os palatinum
os nasale
os occipitale
230.
A.
B.
C.
D.
Het volgende botstuk behoort tot de hersenschedel
het jukbeen
het ploegschaarbeen
het neusbeen
het wiggebeen
231.
A.
B.
C.
D.
Het volgende botstuk behoort tot het neurocranium
os zygomaticum
os nasale
os sphenoidale
os vomer
232.
A.
B.
C.
D.
Het volgende botstuk behoort tot het viscerocranium
os frontale
os occipitale
os parietale
os lacrimale
233.
A.
B.
C.
D.
Het volgende botstuk is een onderdeel van het neustussenschot
zeefbeen
traanbeen
wiggebeen
neusbeen
234.
A.
B.
C.
D.
Het volgende botstuk is een onderdeel van het neustussenschot
traanbeen
wiggebeen
neusbeen
ploegschaarbeen
235.
A.
B.
C.
D.
Het volgende botstuk is een onderdeel van het septum nasi
os ethmoidale
os lacrimale
os sphenoidale
os nasale
236.
A.
B.
C.
D.
Het volgende botstuk is een onderdeel van het septum nasi
os lacrimale
os sphenoidale
os vomer
os nasale
237.
A.
B.
C.
D.
Het volgende botstuk neemt NIET deel aan de vorming van de oogkas
voorhoofdsbeen
bovenkaak
jukbeen
neusbeen
blad 24 van 232
A
D
D
C
D
A
D
A
C
D
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
238.
A.
B.
C.
D.
Het volgende botstuk neemt NIET deel aan de vorming van de oogkas
wiggebeen
ploegschaarbeen
bovenkaak
zeefbeen
239.
A.
B.
C.
D.
Het volgende botstuk neemt NIET deel aan de vorming van de oogkas
slaapbeen
voorhoofdsbeen
traanbeen
jukbeen
240.
A.
B.
C.
D.
Iedere zeefbeenholte staat in verbinding met
het neustussenschot
het neusbeen
de neusholte
de neusschelpen
241.
A.
B.
C.
D.
In welk botstuk ligt het gehoor- en evenwichtsorgaan
os sphenoidale
os ethmoidale
os temporale
os parietale
242.
A.
B.
C.
D.
Met welke beenderen is het slaapbeen verbonden
achterhoofdsbeen, wandbeen, jukbeen
voorhoofdsbeen, wiggebeen, bovenkaak
bovenkaak, wandbeen, jukbeen,
achterhoofdsbeen, wiggebeen, voorhoofdsbeen
243.
A.
B.
C.
D.
Met welke beenderen is het voorhoofdsbeen verbonden
achterhoofdsbeen, wandbeen, bovenkaak
neusbeen, wiggenbeen, bovenkaak
wandbeen, slaapbeen, jukbeen
wiggenbeen, achterhoofdsbeen, jukbeen
244.
A.
B.
C.
D.
Nee-schudden wordt mogelijk gemaakt doordat
de draaier t.o.v. de atlas beweegt;
de atlas t.o.v. de draaier beweegt;
schedel en draaier t.o.v. elkaar bewegen;
schedel en atlas t.o.v. elkaar bewegen.
245.
A.
B.
C.
D.
Welke neusschelpen behoren tot het zeefbeen
alleen het bovenste paar
het bovenste en het middelste paar
alleen het onderste paar
alle neusschelpen
246.
A.
B.
C.
D.
De bovenkaak vormt een synoviaalgewricht met ...
het slaapbeen
het jukbeen
het onderkaak
geen van de bovenstaande schedelbeenderen
247.
A.
B.
C.
D.
De onderkaak vormt een gewricht met het ...
het slaapbeen
het jukbeen
de bovenkaak
het wiggebeen
blad 25 van 232
B
A
C
C
A
B
B
B
D
A
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
248.
A.
B.
C.
D.
De sinus frontalis bevindt zich in ...
het zeefbeen
het voorhoofdsbeen
het wiggebeen
de bovenkaak
249.
A.
B.
C.
D.
De sinus sphenoidalis bevindt zich in ...
de neusschelpen
de bovenkaak
het voorhoofdsbeen
het wiggebeen
250.
A.
B.
C.
D.
Het foramen magnum is een opening in ...
het os frontale (voorhoofdsbeen)
het os parietale (wandbeen)
het os temporale (slaapbeen)
geen van bovengenoemde botstukken
251.
A.
B.
C.
D.
In welk been bevindt zich een gewrichtskom voor de onderkaak
bovenkaak
jukbeen
slaapbeen
wiggebeen
252.
A.
B.
C.
D.
In welk bot bevindt zich het evenwichtsorgaan
in het os nasale (neusbeen)
in het os frontale (voorhoofdsbeen)
in het pars petrosum van het os temporale (rotsbeen)
in het os ethmoidale (zeefbeen)
253.
A.
B.
C.
D.
Tot de beenderen van de aangezichtsschedel behoren ...
de neusbeenderen en de onderkaak
de neusbeenderen en het voorhoofdsbeen
de onderkaak en het wiggebeen
het voorhoofdsbeen en het wiggebeen
254.
A.
B.
C.
D.
Van welk beenstuk maakt het rotsbeen deel uit
van het voorhoofdsbeen
van het wandbeen
van het achterhoofdbeen
van het slaapbeen
255.
A.
B.
C.
D.
Van welk beenstuk maakt het Turkse zadel deel uit
van het os frontale (voorhoofdsbeen)
van het os ethmoidale (zeefbeen)
van het os sphenoidale (wiggebeen)
van het os temporale (slaapbeen)
256.
A.
B.
C.
D.
Welk been van het schedel komt in de hersenschedel gepaard voor
het achterhoofdsbeen
het wiggebeen
het rotsbeen
het zeefbeen
257.
A.
B.
C.
D.
Welk been van het schedel komt in de hersenschedel gepaard voor
os occipitale
os ethmoïdale
os pariëtale
os sphenoïdale
blad 26 van 232
B
D
D
C
C
A
D
C
C
C
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
258.
A.
B.
C.
D.
blad 27 van 232
Welk bot vormt een onderdeel van de bodem van de neusholte
het harde gehemelte
het neusbeen
het wiggebeen
het zeefbeen
259.
Welk van de onderstaande botten behoort niet tot de schedelbasis van de
hersenschedel
A. het achterhoofdsbeen
B. het neusbeen
C. het slaapbeen
D. het wiggebeen
260.
A.
B.
C.
D.
Welke verbindingen zijn er tussen de schedelbeenderen van het schedeldak
kraakbeenverbindingen
naadverbindingen
synoviale verbindingen
geen verbindingen, alles is met elkaar vergroeid
261.
A.
B.
C.
D.
De medische benaming voor de schoudertop is
acetabulum
acromion
mastoid
olecranon
262.
A.
B.
C.
D.
Het ravenbekuitsteeksel is een onderdeel van de
enkel
humerus
scapula
ulna
263.
A.
B.
C.
D.
Tot welk been behoort het acromion
clavicula
humerus
scapula
sternum
264.
A.
B.
C.
D.
Hoe zijn de schouderbladen met het rompskelet verbonden
door middel van een vezelverbinding
door middel van een kraakbeenverbinding
door middel van een synoviaal gewricht
de schouderbladen zijn niet direct met het rompskelet verbonden
265.
A.
B.
C.
D.
Wat voor soort gewricht is het schoudergewricht
een kogelgewricht
een rolgewricht
een zadelgewricht
een scharniergewricht
266.
A.
B.
C.
D.
De beide heupbeenderen zijn met het heiligbeen verbonden door een
bindweefselverbinding
kraakbeenverbinding
onbeweeglijke beenverbinding
synoviale verbinding
267.
A.
B.
C.
D.
De verbinding tussen het heupbeen en het heiligbeen is een ...
bindweefselverbinding
kraakbeenverbinding
synoviaalverbinding
vergroeiing van beide tot ‚‚n botstructuur
A
B
B
B
C
C
D
A
D
C
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
268.
A.
B.
C.
D.
Hoe noemt men de verbinding tussen heiligbeen en heupbeen
de symfyse
het sacro-iliacaal gewricht
een acetabulum
de diafyse
269.
A.
B.
C.
D.
Op welke plaats kan men een bursum synovialis (slijmbeurs) aantreffen
in een gewricht
achter de maag
tussen een pees en een bot
in de huid
270.
A.
B.
C.
D.
De verbinding tussen beide schaambeenderen is een ...
synoviale verbinding
bindweefselverbinding
kraakbeenverbinding
naadverbinding
271.
A.
B.
C.
D.
Hoe heet de verbinding tussen beide schaambeenderen
symfyse
acetabulum
diafyse
promontorium
272.
A.
B.
C.
D.
De verbinding tussen de ribben en de wervelkolom is een
kraakbeenverbinding
vliezige verbinding
synoviaal gewricht (echt gewricht)
bindweefselverbinding
blad 28 van 232
273.
Het aantal ribben dat via een kraakbeenverbinding rechtstreeks met het borstbeen
is verbonden bedraagt
A. 14
B. 12
C. 7
D. 5
274.
A.
B.
C.
D.
Het bovenste deel van het sternum heet
acetabulum
manubrium
mastoid
olecranon
275.
A.
B.
C.
D.
Het totaal aantal ribben bedraagt
8
12
16
24
276.
A.
B.
C.
D.
Hoeveel ribben bevinden zich aan één zijde van het lichaam
10
12
14
16
277.
A.
B.
C.
D.
Hoe zijn de zwevende ribben met het skelet verbonden
met gewrichten aan de wervelkolom
met kraakbeen aan de valse ribben
met kraakbeen aan het sternum
zij zijn niet met het skelet verbonden
B
C
C
A
C
A
B
D
B
A
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
278.
A.
B.
C.
D.
Het ellebooggewricht ligt ..... ten opzichte van het polsgewricht
proximaal
distaal
lateraal
mediaal
279.
A.
B.
C.
D.
Het enkelgewricht ligt ..... ten opzichte van het kniegewricht
distaal
lateraal
mediaal
proximaal
280.
A.
B.
C.
D.
Het heupgewricht ligt....ten opzichte van het kniegewricht
distaal
proximaal
mediaal
lateraal
281.
A.
B.
C.
D.
Het polsgewricht ligt ..... ten opzichte van het ellebooggewricht
proximaal
lateraal
mediaal
distaal
282.
A.
B.
C.
D.
De achillespees is gehecht aan
het sprongbeen
het hielbeen
het sprongbeen en het hielbeen
de tibia
283.
A.
B.
C.
D.
De voet kan het lichaamsgewicht makkelijk dragen doordat ...
de voet vijf beweegbare tenen heeft
de voet een gewelfvorm heeft
de hak aan de onderzijde plat is
de tenen korter zijn dan de vingers
284.
A.
B.
C.
D.
Bij het nee-schudden gebeurt er het volgende
de atlas en de draaier bewegen
alleen de draaier beweegt
alleen de atlas beweegt
zowel de atlas als de draaier zijn in rust
285.
A.
B.
C.
D.
De medulla spinalis ligt in
de canalis vertebralis
het foramen vertebrae
de processus spinosus
de corpora vertebrae
286.
A.
B.
C.
D.
De wervels met het grootste corpus vertebrae zijn de
cervicale wervels
thoracale wervels
lumbale wervels
sacrale wervels
287.
A.
B.
C.
D.
De wervels met het grootste doornuitsteeksel zijn de
cervicale wervels
thoracale wervels
lumbale wervels
sacrale wervels
blad 29 van 232
A
A
B
D
B
B
C
A
C
B
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
288.
A.
B.
C.
D.
De wervels met het grootste processus spinosus zijn de
cervicale wervels
thoracale wervels
lumbale wervels
sacrale wervels
289.
A.
B.
C.
D.
De wervels met het kleinste corpus vertebrae zijn de
cervicale wervels
thoracale wervels
lumbale wervels
sacrale wervels
290.
A.
B.
C.
D.
Een achterwaartse bolling van de wervelkolom noemt men een
ankylose
kyfose
lordose
scoliose
291.
A.
B.
C.
D.
Een kyfotische kromming is een
bolling van de wervelkolom naar dorsaal
holling van de wervelkolom naar dorsaal
bolling van de wervelkolom in het frontale vlak
holling van de wervelkolom in het transversale vlak
292.
A.
B.
C.
D.
Een ruggenmergzenuw verlaat het ruggenmerg via de/het
foramen vertebrale
foramen intervertebrale
processus spinosus
processus transversus
293.
A.
B.
C.
D.
Een zijwaartse kromming van de wervelkolom noemt men een
ankylose
kyfose
lordose
scoliose
294.
A.
B.
C.
D.
Halswervels hebben
doorboorde dwarsuitsteeksels
geen dwarsuitsteeksels
geen doornuitsteeksels
doorboorde doornuitsteeksels
295.
A.
B.
C.
D.
Het aantal borstwervels bedraagt
5
7
8
12
296.
A.
B.
C.
D.
Het aantal cervicale wervels bedraagt
5
7
8
12
297.
A.
B.
C.
D.
Het aantal halswervels bedraagt
5
6
7
8
blad 30 van 232
B
A
B
A
B
D
A
D
B
C
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
298.
A.
B.
C.
D.
Het aantal lendenwervels bedraagt
4
5
7
8
299.
A.
B.
C.
D.
Het aantal sacrale wervels bedraagt
4
5
7
12
300.
A.
B.
C.
D.
Het wervelkanaal wordt gevormd door de opeenvolgende
wervelgaten
tussenwervelgaten
wervelbogen
wervellichamen
301.
A.
B.
C.
D.
Jaknikken wordt mogelijk gemaakt doordat
de draaier t.o.v. de atlas beweegt;
de atlas t.o.v. de draaier beweegt;
schedel en draaier t.o.v. elkaar bewegen;
schedel en atlas t.o.v. elkaar bewegen.
302.
A.
B.
C.
D.
Onder het promontorium verstaat men
de verbinding tussen de twee schaambeenderen
de overgang van de 12e thoracale naar de 1e lendenwervel
de overgang van de 5e lendenwervel naar het heiligbeen
de overgang van het heiligbeen naar het staartbeen
303.
A.
B.
C.
D.
Tussenwervelschijven bevinden zich tussen opeenvolgende
wervelbogen
wervelgaten
wervellichamen
doornuitsteeksels
blad 31 van 232
304.
Wanneer de wervelkolom in een getalsformule wordt weergegeven, dient deze
formule er als volgt uit te zien
A. 7-12-5-4-4
B. 7-12-5-5-4
C. 8-12-5-5-4
D. 7-12-4-5-4
305.
A.
B.
C.
D.
De atlas heeft in tegenstelling tot de andere wervels g‚‚n ...
wervelgat
wervelboog
wervellichaam
werveluitsteeksels
306.
A.
B.
C.
D.
De doornuitsteeksels van de wervelkolom zijn ...
ventraal gericht
lateraal gericht
craniaal gericht
dorsaal gericht
307.
A.
B.
C.
D.
Een discus articularis (gewrichtsschijf) bevindt zich in ...
het schoudergewricht
het ellebooggewricht
het kaakgewricht
het enkelgewricht
B
B
A
D
C
C
B
C
D
C
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
308.
A.
B.
C.
D.
Een zijwaartse kromming van de wervelkolom noemt men een ...
lordose
scoliose
kyfose
osteoporose
309.
A.
B.
C.
D.
Halswervels verschillen van lendenwervels doordat ze ...
geen doornuitsteeksels hebben
grotere wervellichamen hebben
doorboorde dwarsuitsteeksels hebben
aanhechtingsplaatsen voor ribben hebben
310.
A.
B.
C.
D.
Het promontorium is ...
de verbindingsplaats tussen beide schaambeenderen
de scherpe knik tussen het lumbale en sacrale gebied van de wervelkolom
een kromming in het cervicale deel van de wervelkolom
een zijwaartse kromming van de wervelkolom
311.
A.
B.
C.
D.
Het wervellichaam ligt .... van de wervelboog
ventraal
caudaal
lateraal
dorsaal
312.
A.
B.
C.
D.
Hoeveel halswervels bevinden zich in de wervelkolom
5
7
10
12
313.
A.
B.
C.
D.
Hoeveel thoracale wervels bevinden zich in de wervelkolom
5
10
12
20
314.
A.
B.
C.
D.
Hoeveel uitsteeksels heeft de wervelboog van een wervel
2
3
5
7
315.
A.
B.
C.
D.
In de wervelkolom treft men .... lumbale wervels aan
4
5
7
12
316.
A.
B.
C.
D.
In welk gedeelte van de wervelkolom wordt een kyfose aangetroffen
in het cervicale en thoracale deel
in het cervicale en lumbale deel
in het lumbale deel en sacrale deel
in het thoracale en sacrale deel
317.
A.
B.
C.
D.
Nee-schudden is mogelijk, doordat ...
de 2e halswervel t.o.v. de 1e halswervel beweegt
de 1e halswervel t.o.v. de 2e halswervel beweegt
de schedel en 2e halswervel t.o.v. elkaar bewegen
de schedel en 1e halswervel t.o.v. elkaar bewegen
blad 32 van 232
B
C
B
A
B
C
D
B
D
B
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
blad 33 van 232
318.
A.
B.
C.
D.
Tussenwervelschijven bevinden zich tussen opeenvolgende ...
wervelbogen
wervellichamen
wervelgaten
gewrichtsuitsteeksels
319.
A.
B.
C.
D.
Van welke soort wervels treft men er twaalf aan in de wervelkolom
cervicale wervels
thoracale wervels
lumbale wervels
sacrale wervels
320.
A.
B.
C.
D.
Van welke van de onderstaande wervels bevinden zich er 7 in de wervelkolom
thoracale wervels
cervicale wervels
coccygeale wervels
sacrale wervels
321.
A.
B.
C.
Wat gebeurt er bij het nee-schudden
De atlas draait om de tand van de draaier
De draaier draait om de tand van de atlas
De achterhoofdsknobbels van het schedel bewegen in de gewrichtsvlakken van de
atlas
D. De achterhoofdsknobbels van het schedel bewegen in de gewrichtsvlakken van
dedraaier
322.
A.
B.
C.
D.
Wat is de functie van de wervelkolom met betrekking tot het ruggenmerg
beweging
aanhechtingsplaats
steun
bescherming
323.
A.
B.
C.
D.
Wat is een scoliose
een geringe achterwaartse kromming van de wervelkolom
een geringe zijwaardse kromming van de wervelkolom
een geringe voorwaartse kromming van de wervelkolom
een rotatie van de wervelkolom
324.
A.
B.
C.
D.
Welke bewering omtrent de bouw van een wervel is juist
een wervel bezit 4 craniale gewrichtsuitsteeksels
een wervel bezit 2 doornuitsteeksels
een wervel bezit 1 dwarsuitsteeksel
een wervel bezit 2 caudale gewrichtsuitsteeksels
325.
A.
B.
C.
D.
Welke kenmerken hebben de tussenwervelschijven
ze zijn drukvast en onvervormbaar
ze zijn drukvast en in enige mate vervormbaar
ze zijn trekvast en onvervormbaar
ze zijn trekvast en in enige mate vervormbaar
326.
A.
B.
C.
D.
Welke van onderstaande delen ontbreekt bij een lendenwervel
een wervelboog
een wervelgat
gewrichtsvlakken voor de ribben
doornuitsteeksels
B
B
B
A
D
B
D
B
C
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
327.
A.
B.
C.
D.
Welke wervelsoort ligt caudaal ten opzichte van alle andere wervelsoorten
de lumbale wervels
de coccygeale wervels
de cervicale wervels
de thoracale wervels
328.
A.
B.
C.
D.
Welke wervelsoort ligt craniaal ten opzichte van alle andere wervelsoorten
de lumbale wervels
de coccygeale wervels
de cervicale wervels
de thoracale wervels
329.
A.
B.
C.
D.
Voorbeelden van bioritmen bij de mens zijn NIET
lichaamstemperatuur, polsslag, ademhalingsvolume
hongergevoel, zuurstofopname, slaap/waakritme
uitscheiding van urine, menstruatiecyclus, CO2-afgifte
stikstofgehalte van de urine, hartslag, slaap/waakritme
330.
A.
B.
C.
D.
Desynchronisatie kan optreden bij
arbeiders in ploegendiensten
verpleegkundigen in de nachtdienst
piloten op intercontinentale vluchten
alle bovengenoemde
331.
A.
B.
C.
D.
Een "jetlag" na een lange vliegtocht is het hevigst bij een vlucht
over het noorden
over het zuiden
over het oosten
over het westen
332.
A.
B.
C.
D.
De REM-slaap
staat voor Rapid Eye Motions-slaap
is met een ECG te meten
neemt toe met de leeftijd
wordt ook wel droomslaap genoemd
333.
A.
B.
C.
D.
Het waak- en slaapritme van de mens
staat onder invloed van de omgeving
is niet te benvloeden
vindt zijn oorsprong buiten de hersenen
is bij het toedienen van medicijnen onbelangrijk
334.
A.
B.
C.
D.
De fundamentele stofwisselingseenheid van een organisme is ...
de cel
het spijsverteringsstelsel
de mitochondrien
de celorganellen
335.
A.
B.
C.
D.
Wat is de kleinste levende eenheid van het menselijk lichaam
de cel
de celkern
een chromosoom
een celorganel
336.
A.
B.
C.
D.
Chromatine is een stof die voorkomt in
de celwand
het cytoplasma
de celorganellen
de celkern
blad 34 van 232
B
C
D
C
D
A
A
A
D
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
blad 35 van 232
337.
A.
B.
C.
D.
De kleinst levende eenheid van het menselijk lichaam is een
cel
celkern
chromosoom
organel
338.
A.
B.
C.
D.
De uitwisseling van stoffen van en naar de cel verloopt via
de celkern
het cytoplasma
het celmembraan
de celorganellen
339.
A.
B.
C.
D.
De volgende celorganellen hebben vooral een functie bij de aanmaak van eiwitten
ribosomen
lysosomen
centrosomen
endoplasmatisch reticulum
340.
A.
B.
C.
D.
De volgende celorganellen zorgen voor de energievoorziening van de cel
endoplasmatisch reticulum
lysosomen
mitochondrin
ribosomen
341.
A.
B.
C.
D.
Het cytoplasma behoort tot de ..... vloeistoffen
extracellulaire
intercellulaire
intracellulaire
interstitile
342.
A.
B.
C.
D.
Het hoofdbestanddeel van cytoplasma bestaat uit
water
natriumchloride
zouten
eiwitten
343.
A.
B.
C.
D.
Chromatine bevindt zich in de ...
kern
mitochondriën
ribosomen
vacuolen
344.
A.
B.
C.
D.
De aanmaak van eiwitten in een cel vindt plaats in ....
de celkern
de ribosomen in samenwerking met de kern
het glad endoplasmatisch reticlum
de lysosomen
345.
A.
B.
C.
D.
De kern van een cel bevat ...
chromatine
organellen
vacuolen
poollichaampjes
346.
A.
B.
C.
D.
De kern van een cel bevat ...
organellen
DNA
vacuolen
cytoplasma
A
C
A
C
C
A
A
B
A
B
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
347.
A.
B.
C.
D.
De kern van een cel wordt omsloten door ...
kernmembraan
cytoplasma
celmembraan
chromatinekorrels
348.
A.
B.
C.
D.
De membraan van een menselijke cel ...
is geschikt voor passief en actief transport
is alleen geschikt voor passief transport
is alleen geschikt voor actief transport
vormt een ondoordringbare barriþre
349.
A.
B.
C.
D.
De membraan van een menselijke cel ...
vormt een ondoordringbare barriþre
laat afvalstoffen van die cel door
bestaat uit collagene vezels
laat bloedcellen door
350.
A.
B.
C.
D.
Glad endoplasmatisch reticulum speelt een rol bij ...
energie productie voor de cel
lipidenaanmaak voor de membranen
de afbraak van eiwitten
de opname van zuurstof
351.
A.
B.
C.
D.
Het geleiachtige celvocht in een cel noemt men ...
kernplasma
cytoplasma
milieu exterieur
bloedplasma
352.
A.
B.
C.
D.
Het hoofdbestanddeel van cytoplasma bestaat uit ...
eiwitten
zouten
water
vetten
353.
A.
B.
C.
D.
Het nucleoplasma in de kern bestaat voor het grootste deel uit ...
zouten
eiwitten
water
vetten
354.
A.
B.
C.
D.
Het vrijmaken van energie uit brandstof gebeurt in ...
het Golgi-apparaat
het endoplasmatische reticulum
de celkern
de mitochondriën
blad 36 van 232
355.
In de celkern van een bindweefselcel en een botcel van hetzelfde individu zijn de
erfelijke eigenschappen ...
A. volkomen aan elkaar gelijk
B. gedeeltelijk aan elkaar gelijk
C. volkomen verschillend
D. alleen tijdens de delingsfase aan elkaar gelijk
356.
A.
B.
C.
D.
In de kern van een menselijke cel liggen ...
23 chromosomen
23 paar chromosomen
23 chromatiden
46 paar chromosomen
A
A
B
B
B
C
C
D
A
B
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
357.
A.
B.
C.
D.
In de mitochondriën vindt .... plaats
de aanmaak van eiwitten
de opslag van vetten
de opslag van schadelijke stoffen
de verbranding van glucose
358.
A.
B.
C.
D.
In het glad endoplasmatisch reticulum vindt .... plaats
de opslag van eiwitten
de aanmaak van vetten
de opslag van schadelijke stoffen
de verbranding van glucose
359.
A.
B.
C.
D.
In het ruw endoplasmatisch reticulum vindt de ..... plaats
aanmaak van eiwitten
opslag van vetten
opslag van schadelijke stoffen
verbranding van glucose
360.
A.
B.
C.
D.
In lysosomen vindt .... plaats
de aanmaak van eiwitten
de aanmaak van vetten
de opslag van schadelijke stoffen
de verpakking van eiwitten
361.
A.
B.
C.
D.
Ribosomen zijn organellen die een rol spelen bij ...
de aanmaak van eiwitten
de opslag van vetten
de opslag van schadelijke stoffen
de verbranding van glucose
362.
A.
B.
C.
D.
Wat is de functie van het centrosoom
het vormt de trekdraden bij de celdeling
het reguleert de chromosomale verdubbeling
het reguleert de celstofwisseling
het is een opslagplaats voor opgeloste voedingsstoffen
363.
A.
B.
C.
D.
Wat is een functie van de kern
regulatie van de stofwisseling
opbouw van suikers
een opslagplaats voor suikers
het leveren van energie
364.
A.
B.
C.
D.
Welke functie hebben de lysosomen
regulatie van de celdeling
opbouw van celeiwitten
energieproductie door verbrandingsprocessen
afbraak van overtollige eiwitten
365.
A.
B.
C.
D.
Welke organellen zijn in het nucleoplasma van een cel aanwezig
mitochondriën
lysosomen
ribosomen
in het nucleoplasma zijn geen organellen aanwezig
366.
A.
B.
C.
D.
Welke structuren bevinden zich binnen het kernmembraan
celorganellen
chromatinekorrels
vacuolen
centriolen
blad 37 van 232
D
B
A
C
A
A
A
D
D
B
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
367.
A.
B.
C.
D.
Welke van de volgende cellen heeft geen kern
een witte bloedcel
een spiercel
een zenuwcel
een rode bloedcel
368.
A.
B.
C.
D.
Welke van de volgende cellen heeft geen kern
een zenuwcel
een kraakbeencel
een rode bloedcel
een levercel
369.
A.
B.
C.
D.
De eicel van de mens bevat de volgende chromosomen
23 paar, waarvan 2 X chromosomen
23 paar, waarvan 1 X en 1 Y chromosoom
23, waarvan 1 X chromosoom
23, waarvan 1 Y chromosoom
370.
A.
B.
C.
D.
Genen bevinden zich in
het kernmembraan
de chromosomen
de nucleoli
het cytoplasma
371.
A.
B.
C.
D.
Het gen voor de oogkleur bevindt zich
in alle cellen
in alle cellen met een kern
uitsluitend in de geslachtscellen
uitsluitend in de cellen van de iris van het oog
372.
A.
B.
C.
D.
Hoeveel autosomen bevat een eicel bij de mens
1
2
22
23
373.
A.
B.
C.
D.
Hoeveel autosomen en X- of Y-chromosomen kan een zaadcel bevatten
21 autosomen + 2 X-chromosomen
21 autosomen + 1 X-chromosoom en 1 Y-chromosoom
22 autosomen + 1 X-chromosoom
23 autosomen + 1 Y-chromosoom
374.
A.
B.
C.
D.
Hoeveel geslachtschromosomen bevat een eicel bij de mens
1
2
46
23
375.
A.
B.
C.
D.
Hoeveel geslachtschromosomen bevat een zaadcel bij de mens
1
2
46
23
blad 38 van 232
376.
Stel: Zowel vader als moeder hebben heterozygoot bruine ogen; hoeveel procent
kans is er (statistisch gezien) dat hun kind blauwe ogen heeft
A. 1
B. 10
C. 25
D. 50
D
C
C
B
B
C
C
A
A
C
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
377.
A.
B.
C.
D.
Wat zijn de specifieke dragers van de erfelijke eigenschappen
autosomen
genen
chromosomen
D.N.A. strengen
378.
A.
B.
C.
D.
Zaadcellen bevatten
een X-chromosoom
een Y-chromosoom
een X- of een Y-chromosoom
zowel een X- als een Y-chromosoom
379.
A.
B.
C.
D.
Chromosomen zijn ...
de dragers van de erfelijke eigenschappen
de lichtgevoelige elementen in het oog
bestanddelen van de celmembraan
kleurstoffen in het cytoplasma
380.
A.
B.
C.
D.
Een chromatide is ...
een organel in het cytoplasma
een celorganel
een DNA-keten
niet aanwezig in de cel
381.
A.
B.
C.
D.
Het aantal chromosomen in een menselijke zenuwcel bedraagt ...
42
44
46
48
382.
A.
B.
C.
D.
Het DNA in de kern dient direct en indirect voor ...
de overdracht van erfelijke factoren naar een nieuw te vormen cel
de regulatie van de stofwisseling van de cel
de code-overdracht voor de vorming van celeiwitten
alle bovengenoemde functies
blad 39 van 232
383.
Het genetisch materiaal in de kern van een spiercel is .... het genetisch materiaal in
een zenuwcel van hetzelfde individu
A. volkomen gelijk aan
B. gedeeltelijk gelijk aan
C. volkomen verschillend van
D. alleen tijdens de delingsfase gelijk aan
384.
A.
B.
C.
D.
Hoeveel chromosomen bevatten menselijke voortplantingscellen
22
23
44
46
385.
Hoeveel chromosomen zijn er aanwezig in een menselijke cel direct na een meioseII-deling
A. 22
B. 23
C. 44
D. 46
B
C
A
C
C
D
A
B
B
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
blad 40 van 232
386.
A.
B.
C.
D.
Hoeveel chromosomen zijn er direct na een mitose aanwezig in de menselijke cel
22
23
44
46
387.
A.
B.
C.
D.
Hoeveel paar chromosomen bevat de celkern van een menselijke bindweefselcel
22
23
44
46
388.
A.
B.
C.
D.
Rijpe geslachtscellen van de mens hebben in hun kern ...
23 chromosomen
23 paar chromosomen
23 chromatiden
46 paar chromosomen
389.
A.
B.
C.
D.
Wanneer chromosomen enkelvoudig in een cel voorkomen spreekt men van ...
anploïdie
haploïdie
diploïdie
triploïdie
390.
A.
B.
C.
D.
Het eerste stadium van de mitose heet
anafase
metafase
profase
telofase
391.
A.
B.
C.
D.
Het laatste stadium van de mitose heet
anafase
metafase
profase
telofase
392.
A.
B.
C.
D.
Het typische kenmerk van de meiose is
halvering van het oorspronkelijk aantal chromosomen
halvering van de hoeveelheid cytoplasma
overlangse splitsing van chromosomen
verdwijning van het kernmembraan
393.
A.
B.
C.
D.
Aan het begin van de mitose ...
vindt de vorming van 2 gelijke delen cytoplasma plaats
vindt de vorming van celorganellen plaats
vindt het oprollen van chromatine tot chromosomen plaats
vindt splitsing van de kernmembraan plaats
394.
A.
B.
C.
D.
De celdeling wordt geregeld vanuit ...
de vacuole
de kern
het centriool
de kernmembraan
395.
A.
B.
C.
D.
Welk van de onderstaande processen geschiedt het eerst bij een celdeling
het verdwijnen van de kernmembraan
de aanmaak van celorganellen
de insnoering van de celwand
een overlangse splitsing van de chromosomen
D
B
A
B
C
D
A
C
B
A
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
396.
A.
B.
C.
D.
blad 41 van 232
Welk van de onderstaande processen geschiedt het eerst bij een celdeling
de aanmaak van celmembraan
het verdwijnen van de celmembraan
de aanmaak van kernmembraan
het verdwijnen van kernmembraan
397.
Het genotype kan worden weergegeven door het symbool AA. Er is dan sprake van
een ..... genotype
A. heterozygoot dominant
B. heterozygoot recessief
C. homozygoot dominant
D. homozygoot recessief
398.
Stel: Zowel vader als moeder hebben heterozygoot bruine ogen; hoeveel procent
kans is er (statistisch gezien) dat hun kind bruine ogen heeft
A. 100
B. 75
C. 50
D. 25
399.
A.
B.
C.
D.
Erfelijke eigenschappen van de mens liggen opgeslagen in ...
de celorganellen
de chromosomen
de vacuolen
de centriolen
400.
A.
B.
C.
D.
Wat wordt verstaan onder de term milieu interieur
de intracellulaire vloeistof
het spijsverteringsstelsel
de intercellulaire vloeistof
de buitenwereld
401.
A.
B.
C.
D.
Blaasjestransport van eiwitten vanuit de cel naar zijn omgeving is een vorm van ...
endocytose
fagocytose
pinocytose
exocytose
402.
A.
B.
C.
D.
De passage van koolstofdioxide door het celmembraan is een vorm van ...
diffusie
osmose
blaasjestransport
transport door poriën
403.
A.
B.
C.
D.
De passage van zuurstof door het celmembraan is een vorm van ...
diffusie
osmose
blaasjestransport
transport door poriën
404.
A.
B.
C.
D.
Passage van zouten door het celmembraan is een vorm van ....
diffusie
osmose
blaasjestransport
transport door poriën
D
C
B
B
C
D
A
A
D
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
405.
A.
B.
C.
D.
Antistoffen circuleren in de bloedbaan
vrij in het serum
gebonden aan de leukocyten
gebonden aan het hemoglobine
gebonden aan de erytrocyten
406.
A.
B.
C.
D.
Bij een te hoog hematocriet bevat het bloed relatief gezien te weinig
bloedcellen
plasma
serum
bloedeiwitten
407.
A.
B.
C.
D.
Bij een te laag hematocriet bevat het bloed relatief gezien te weinig
plasma
serum
bloedcellen
bloedeiwitten
408.
A.
B.
C.
D.
De bezinkingssnelheid van de erytrocyten wordt bepaald door de
hoeveelheid rode bloedcellen
hoeveelheid bloedcellen
samenstelling van de bloedzouten
samenstelling van de plasmaeiwitten
409.
A.
B.
C.
D.
De grootste hoeveelheid vocht van het lichaam bevindt zich
in de bloedbaan
in de lymfbaan
tussen de cellen
in de cellen
410.
A.
B.
C.
D.
De lichaamscellen worden omgeven door
bloed
weefselvloeistof
lymfe
intracellulaire vloeistof
411.
A.
B.
C.
D.
De meest voorkomende eiwitgroep in het plasma is
globulinen
albumine
fibrinogeen
protrombine
412.
A.
B.
C.
D.
De minst voorkomende eiwitgroep in het plasma is
globulinen
albumine
fibrinogeen
hemoglobine
blad 42 van 232
413.
De normaalwaarde voor de bezinkingssnelheid van de erytrocyten bedraagt
ongeveer
A. 1-10mm/uur
B. 2-20mm/uur
C. 10-100mm/uur
D. 50-100mm/uur
414.
A.
B.
C.
D.
De uitwisseling tussen weefselvloeistof en bloed vindt plaats bij
de capillairen
de venen
de arteriolen
de arteriën
A
B
C
D
D
B
B
C
A
A
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
blad 43 van 232
415.
A.
B.
C.
D.
De volgende cellen in het bloed bezitten het vermogen tot fagocyteren
erytrocyten
leukocyten
trombocyten
lymfocyten
416.
A.
B.
C.
D.
De volgende organen voegen voedingsstoffen aan het bloed toe
longen
lever
nieren
alvleesklier
417.
A.
B.
C.
D.
De weefselvloeistof wordt op directe wijze ververst door de/het
lymfe
intracellulaire vloeistof
bloed
longen en spijsverteringsstelsel
418.
A.
B.
C.
D.
Een antistof die gericht is tegen een bloedgroepantigeen noemen we een
agglutinine
agglutinogeen
albumine
globuline
419.
A.
B.
C.
D.
Een normale colloid-osmotische waarde van het bloed bedraagt ongeveer
5mmHg
15mmHg
25mmHg
35mmHg
420.
A.
B.
C.
D.
Erytrocyten hebben voornamelijk als taak transport van
koolzuur
HCO3ijzer
zuurstof
421.
A.
B.
C.
D.
Hemoglobine bevindt zich in de
erytrocyten
lymfocyten
monocyten
granulocyten
422.
A.
B.
C.
D.
Hemoglobine is vooral verantwoordelijk voor de binding aan
koolstofdioxide
zuurstof
natriumbicarbonaat
mineralen
423.
uit
A.
B.
C.
D.
Het begrip hematocriet geeft aan voor hoeveel honderdste delen het bloed bestaat
424.
A.
B.
C.
D.
Het begrip hematocriet geeft de verhouding aan van
bloedvloeistof/bloedcellen
bloedvloeistof/plasma
bloedcellen/serum
bloedcellen/bloedvloeistof
B
B
C
A
C
D
A
B
D
bloedeiwitten
serumeiwitten
bloedvloeistof
bloedcellen
D
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
425.
A.
B.
C.
D.
Het begrip hematocriet geeft het gehalte aan ..... in procenten aan
bloedvloeistof
bloedeiwitten
bloedcellen
serumeiwitten
426.
A.
B.
C.
D.
Het meeste water van het lichaam bevindt zich
tussen de cellen
in de bloedbaan
in de lymfbaan
in de cellen
427.
A.
B.
C.
D.
Het meeste water van het lichaam bevindt zich
intracellulair
intercellulair
intravasculair
interstitieel
428.
A.
B.
C.
D.
Het meeste water van het lichaam bevindt zich in
de weefselvloeistof
de cellen
de bloedbaan
de lymfbaan
429.
A.
B.
C.
D.
In het plasma is de eiwitconcentratie ..... als in de weefselvloeistof
veel kleiner
een beetje kleiner
even groot
groter
430.
A.
B.
C.
D.
In het serum bevinden zich de volgende eiwitten
albumine en fibrinogeen
globuline en albumine
albumine en fibrine
fibrinogeen en globuline
431.
A.
B.
C.
D.
In serum bevindt zich het volgende bloedeiwit NIET
albumine
globuline
fibrinogeen
plasmaeiwit
432.
A.
B.
C.
D.
Met het m.i. = milieu interieur van het lichaam wordt bedoeld
de intracellulaire vloeistof
de ruimten in de longen en het spijsverteringskanaal
de ruimten tussen de cellen
de conditie van het bloed
433.
A.
B.
C.
D.
Plasma is gelijk aan
serum zonder fibrinogeen
bloed zonder fibrinogeen
bloed zonder bloedcellen
bloed zonder bloedeiwitten
434.
A.
B.
C.
D.
Serum is gelijk aan
plasma zonder fibrinogeen
bloed zonder bloedcellen
bloed zonder fibrinogeen
bloed zonder bloedeiwitten
blad 44 van 232
C
D
A
B
D
B
C
C
C
A
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
blad 45 van 232
435.
Theoretisch gezien kan een persoon met bloedgroep AB bloed ontvangen van een
donor met bloedgroep
A. 0
B. A
C. B
D. alle bovengenoemde
436.
A.
B.
C.
D.
Weefselvocht wordt afgevoerd via
het lymfvatstelsel
het bloedvatstelsel
het celmembraan
A en B
437.
A.
B.
C.
D.
Van weefselvocht is bekend ...
dat het zich in de cellen bevindt
dat de totale hoeveelheid ongeveer 14 % van het lichaamsgewicht bedraagt
dat het 't bloed ververst
dat het voldoet aan bovengenoemde eigenschappen
438.
A.
B.
C.
D.
De myeloblast is de moedercel van
de lymfocyten en de monocyten
de granulocyten, de lymfocyten en de monocyten
de granulocyten en de monocyten
de granulocyten en de lymfocyten
439.
A.
B.
C.
D.
Hemoglobine bevat als belangrijk bestanddeel
bilirubine
chroom
albumine
ijzer
440.
Het ijzer dat bij afbraak van de rode bloedlichaampjes vrijkomt wordt onder andere
opgeslagen in
A. het onderhuidse bindweefsel
B. het rode beenmerg
C. het nierweefsel
D. het gele beenmerg
441.
A.
B.
C.
D.
Lymfocyten hebben als functie
vorming van antigenen
vorming van antistoffen
vervoer van bloedeiwitten
fagocyteren
442.
A.
B.
C.
D.
Monocyten hebben als functie
vorming van antilichamen
fagocytose van bacterin
fagocytose van dode stof
fagocytose van antigenen
443.
A.
B.
C.
D.
Welke van de volgende eigenschappen geldt voor de erytrocyten
ze zijn grillig van vorm
ze kunnen zich zelfstandig bewegen
ze hebben een levensduur van ongeveer 30 dagen
ze hebben geen kern
D
D
B
C
D
B
B
C
D
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
444.
A.
B.
C.
D.
blad 46 van 232
Welke van de volgende eigenschappen geldt voor de erytrocyten
ze zijn bolrond van vorm
ze kunnen fagocyteren
ze hebben een levensduur van ongeveer 100 dagen
ze hebben een ronde kern
445.
Tijdens contractie van de hartventrikels stijgt de arteriële bloeddruk, tijdens
relaxatie van de ventrikels daalt deze. Hoe noemt men dit arteriële bloeddrukverschil
A. de diastolische bloeddruk
B. de polsdruk
C. de systolische bloeddruk
D. de polsgolf
446.
A.
B.
C.
D.
Als universele donor kan gelden, de mens met bloedgroep
A
B
AB
0
447.
A.
B.
C.
D.
Als universele ontvanger kan gelden, de mens met bloedgroep
A
B
AB
0 (nul)
448.
A.
B.
C.
D.
Bij een resusnegatief persoon vindt men ..... resusantistof
altijd
bijna altijd
soms
nooit
449.
A.
B.
C.
D.
De antigenen die de bloedgroep bepalen noemen we
agglutininen
agglutinogenen
albuminen
globulinen
450.
De bewering dat een resusnegatieve vrouw in verwachting kan zijn van een
resuspositief kind als de verwekker resusnegatief is
A. is juist omdat de resusfactor bepaald wordt door een recessief gen
B. is niet juist omdat de resusfactor in dit geval niet in de genen aanwezig is
C. is niet juist omdat de resusfactor bepaald wordt door een recessief gen
D. is juist omdat de resusfactor bepaald wordt door een dominant gen
451.
De bewering dat een resuspositieve vrouw in verwachting kan zijn van een
resusnegatief kind als de verwekker resuspositief is
A. is niet juist omdat de resusfactor alleen homozygoot bepaald wordt
B. is niet juist omdat de resusfactor bepaald wordt door een dominant gen
C. is juist omdat de partners heterozygoot voor de resusfactor kunnen zijn
D. is juist omdat de resusfactor bepaald wordt door een recessief gen
452.
A.
B.
C.
Er bestaat gevaar voor resusantagonisme van het kind tijdens de zwangerschap
als de moeder resusnegatief is en de vader resuspositief
als de moeder resuspositief is en de vader resusnegatief
als de moeder resuspositief en vroeger een bloedtransfusie met resusnegatief bloed
heeft gehad
D. altijd als moeder en kind een tegengestelde resusfactor hebben
C
B
D
C
C
B
B
C
A
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
blad 47 van 232
453.
A.
B.
C.
Er bestaat gevaar voor resusantagonisme van het kind tijdens de zwangerschap
altijd als moeder en kind een tegengestelde resusfactor hebben
als de moeder resusnegatief is en de vader resuspositief
als de moeder resuspositief is en vroeger een bloedtransfusie met resusnegatief
bloed heeft gehad
D. als de moeder resuspositief is en de vader resusnegatief
454.
A.
B.
C.
D.
Mensen met bloedgroep 0 (nul) resusnegatief bezitten geen
antigenen
agglutininen
agglutinogenen
antilichamen
455.
A.
B.
C.
D.
Mensen met bloedgroep 0 resusnegatief;
bezitten geen antilichamen
bezitten geen antigenen
bezitten geen agglutininen
bezitten geen agglutinogenen
456.
Theoretisch gezien kan een persoon met bloedgroep AB resusnegatief, bloed
ontvangen van een donor met bloedgroep
A. 0 resusnegatief
B. AB resuspositief
C. B resuspositief
D. alle bovengenoemde
457.
A.
B.
C.
D.
Voor agglutininen geldt
ze zijn gebonden aan de witte bloedlichaampjes
ze circuleren vrij in het plasma
ze komen alleen voor bij bloedgroep AB
ze zijn gebonden aan de rode bloedlichaampjes
458.
A.
B.
C.
D.
Voor agglutinogenen geldt
ze zijn gebonden aan de witte bloedlichaampjes
ze circuleren vrij in het plasma
ze komen alleen voor bij bloedgroep AB
ze zijn gebonden aan de rode bloedlichaampjes
459.
A.
B.
C.
D.
Wat is juist
resusnegatief bloed bevat geen antigenen
resuspositief bloed bevat geen antistoffen
bloedgroep A bevat antigeen A en antistof b
bloedgroep 0 behoort tot de universele ontvanger
460.
A.
B.
C.
D.
De normale duur van de bloedstolling bedraagt ongeveer
1 - 3 minuten
3 - 6 minuten
6 - 9 minuten
9 - 12 minuten
461.
A.
B.
C.
D.
De trombocyten in het bloed kunnen de volgende stof vrijgeven
protrombine
trombine
calcium
trombokinase
B
C
D
A
B
D
C
B
D
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
blad 48 van 232
462.
A.
B.
C.
D.
Fibrinogeen wordt omgezet in fibrine onder invloed van
trombine
vitamine K
protrombine
trombokinase
463.
A.
B.
C.
D.
Fibrinogeen wordt onder invloed van trombine omgezet in
vitamine K
protrombine
trombokinase
fibrine
464.
A.
B.
C.
D.
Protrombine wordt onder invloed van ..... en calcium omgezet in trombine
fibrinogeen
vitamine K
trombokinase
fibrine
465.
A.
B.
C.
D.
Protrombine wordt onder invloed van trombokinase en ..... omgezet in trombine
calcium
fibrinogeen
vitamine K
fibrine
466.
A.
B.
C.
D.
Protrombine wordt onder invloed van trombokinase en calcium omgezet in
fibrinogeen
trombine
vitamine K
fibrine
467.
A.
B.
C.
D.
De arteria iliaca externa zet zich voort in de
arteria tibialis anterior
arteria femoralis
arteria tibialis posterior
arteria brachialis
468.
De benamingen van de lagen van de wand van de bloedvaten (van binnen naar
buiten) zijn als volgt
A. intima, adventitia, media
B. adventitia, intima, media
C. media, intima, adventitia
D. intima, media, adventitia
469.
A.
B.
C.
D.
De capillairwand is vrijwel ondoorgankelijk voor
zouten
eiwitten
bloedvloeistof
water
470.
A.
B.
C.
D.
De windketelfunctie van de aorta zorgt ervoor dat
de systolische bloeddruk niet te hoog wordt
de diastolische bloeddruk niet te hoog wordt
de systolische bloeddruk niet te laag wordt
het bloed pulserend door de vaten stroomt
471.
A.
B.
C.
D.
Door de kleine bloedsomloop gaat ..... bloed als door de grote bloedsomloop
twee keer zoveel
evenveel
twee keer minder
vier keer minder
A
D
C
A
B
B
D
B
A
B
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
472.
A.
B.
C.
D.
Door de kleine bloedsomloop gaat ..... door de grote bloedsomloop
minder bloed dan
evenveel bloed als
meer bloed dan
****
473.
A.
B.
C.
D.
Een specifiek kenmerk van eindarteriën is
dat ze ook huidgebieden verzorgen
dat ze geen functionele anastomosen hebben
dat ze zuurstofarm bloed vervoeren
dat ze overgaan in capillairen
474.
A.
B.
C.
D.
Elke arterie is een bloedvat dat
zuurstofrijk bloed bevat
bloed van het hart afvoert
bloed naar het hart toevoert
zuurstofrijk bloed van het hart afvoert
blad 49 van 232
475.
Enkele bloedvaten zijn: 1.Kransslagader; 2.Halsader; 3.Longslagader. De volgende
bloedvaten behoren tot de grote bloedsomloop
A. 1, 2 en 3
B. 1 en 2
C. 2 en 3
D. 3
476.
A.
B.
C.
D.
Het bloed in het slagaderlijke deel van de longvaten bevat
weinig O2 en weinig CO2
veel O2 en veel CO2
veel O2 en weinig CO2
weinig O2 en veel CO2
477.
A.
B.
C.
D.
Het weer inkrimpen van de aorta na de systole komt tot stand door
de aanzuigende werking van het hart
de pompwerking van het hart
actieve spierwerking van de wand van de aorta
de elasticiteit van de wand van de aorta
478.
A.
B.
C.
Onder een collateraal verstaan we
de kleinste vertakking van een arterie
een verbinding tussen twee gelijkwaardige bloedvaten
een bloedvat dat de functie van een hoofdbloedvat kan overnemen door zich te
verwijden
D. een bloedvat, waarvan de functie niet door een ander bloedvat kan worden
overgenomen
479.
A.
B.
C.
D.
Onder vasoconstrictie verstaan we
vaatvernauwing
vaatkramp
vaatafsluiting
vaatverwijding
480.
A.
B.
C.
D.
Onder vasodilatatie verstaan we
vaatvernauwing
vaatkramp
vaatafsluiting
vaatverwijding
B
B
B
B
D
D
C
A
D
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
blad 50 van 232
481.
Van een bloedvat is het volgende bekend; het heeft een dikke wand, het ligt niet
aan de oppervlakte, het bloed stroomt van het hart af, het bloed is zuurstofarm; dit
bloedvat is
A. een lichaamsader
B. een haarvat
C. de aorta
D. een longslagader
482.
A.
B.
C.
D.
Welke van de onderstaande beweringen is juist
arterin zijn kleinere slagaders
arteriolen zijn kleinere aders
venulen zijn veneuze capillairen
arterin zijn slagaders
483.
A.
B.
C.
D.
De colloïd-osmotische druk van plasma is ongeveer
15 mmHg.
20 mmHg.
25 mmHg.
30 mmHg.
484.
A.
B.
C.
D.
De colloïd-osmotische waarde van het bloed is verantwoordelijk voor
het terugbrengen van weefselvloeistof naar het bloed
de uitwisseling van bloed en weefselvloeistof
het tegenwerken van de veneuze druk
het uitdrijven van vloeistof vanuit de capillairen naar de interstitiële ruimte
485.
Welke van de volgende plasma-eiwitten vormen het belangrijkste aandeel in de
colloïd-osmotische druk van het plasma
A. alfa- en betaglobulinen
B. gamma-globulinen
C. fibrinogeen
D. albumine
486.
A.
B.
C.
D.
De ductus arteriosus is de verbinding tussen de
longslagaders en aorta
linker kamer en aorta
linker boezem en longader
longaders en aorta
487.
A.
B.
C.
D.
De ductus van Botalli bevindt zich tussen de
navelstrengader en bovenste holle ader
onderste holle ader en aorta
navelstrengader en onderste holle ader
longslagader en aorta
488.
A.
B.
C.
D.
Het bloed in de navelstrengader bevat
weinig zuurstof en veel koolzuur
veel zuurstof en weinig koolzuur
weinig zuurstof en weinig koolzuur
veel zuurstof en veel koolzuur
489.
A.
B.
C.
D.
Het foramen ovale is voor de geboorte een verbinding tussen
linker boezem en rechter boezem
aorta en arteria pulmonalis
navelstrengader en onderste holle ader
linker kamer en rechter kamer
D
D
C
A
D
A
D
B
A
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
blad 51 van 232
490.
Twee bijzondere anastomosen tussen de grote en de kleine bloedsomloop van de
foetus zijn
A. het foramen ovale en de ductus venosus
B. het foramen ovale en de ductus arteriosus
C. de ductus venosus en de ductus arteriosus
D. de navelstrengader en de navelstrengslagader
491.
A.
B.
C.
D.
De fibreuze ring van het hart onderbreekt
de verbinding atrioventriculaire knoop-ventrikelwand
de overgang van atriummyocard naar ventrikelmyocard
de overgang van linker- naar rechter hartshelft
de verbinding sinusknoop-atrioventriculaire knoop
492.
A.
B.
C.
D.
De hartspier krijgt bloed toegevoerd
rechtstreeks door de hartwand
via de kransslagaders
via de sinus coronarius
via A + B
493.
A.
B.
C.
D.
De kransslagaderen ontspringen uit
de rechter boezem
de aorta
de linker kamer
de linker boezem
494.
A.
B.
C.
D.
De natuurlijke pacemaker van het hart is
de sinusknoop
de AV-knoop
de nervus vagus
de knoop van Aschoff-Tawara
495.
A.
B.
C.
D.
De prikkel die het hart in normale gevallen aanzet, ontstaat in
de vezels van Purkinje
de bundel van His
de sinusknoop
de atrioventriculaire knoop
496.
A.
B.
C.
D.
De rechter ventrikel verricht
evenveel arbeid als de linker ventrikel
minder arbeid dan de linker ventrikel
meer arbeid dan de linker ventrikel
geen arbeid
497.
A.
B.
C.
D.
De sinusknoop ligt in
het linker atrium
het ventrikelseptum
de rechter ventrikelwand
het rechter atrium
498.
A.
B.
C.
D.
De valva tricuspidalis ligt
tussen linker atrium en linker ventrikel
aan het begin van de aorta
aan het begin van de truncus pulmonalis
tussen rechter atrium en rechter ventrikel
B
B
B
B
A
C
B
D
D
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
blad 52 van 232
499.
De wand van de linker kamer van het hart is dikker dan die van de rechter kamer
omdat
A. het bloed in de linker kamer zuurstofarm is
B. het bloed in de rechter kamer zuurstofarm is
C. er meer bloed door de linker dan door de rechter kamer gaat
D. de druk in de grote circulatie hoger is dan in de kleine circulatie
500.
A.
B.
C.
D.
Halvemaanvormige kleppen bevinden zich
tussen rechter kamer en boezem
aan het begin van de slagaderen
in de aderen boven het hart
tussen linker kamer en boezem
501.
A.
B.
C.
D.
Het hart ligt
links in de borstholte
rechts in de borstholte
in het midden van de borstholte met de punt naar links
in het midden van de borstholte met de punt naar rechts
502.
A.
B.
C.
D.
In de linker boezem van het hart monden de volgende bloedvaten uit
de onderste holle ader
de bovenste holle ader
de onderste en bovenste holle ader
de longaders
503.
uit
A.
B.
C.
D.
In de linker boezem van het hart mondt (monden) het volgende aantal bloedvaten
504.
A.
B.
C.
D.
In het rechter atrium van het hart monden de volgende bloedvaten uit
de onderste holle ader
de bovenste holle ader
de onderste en bovenste holle ader
de longaders
505.
A.
B.
C.
D.
Onder normale omstandigheden wordt de hartfrequentie geregeld door de
de bundel van His
de atrioventriculaire knoop
de bundeltakken
sinusknoop
506.
A.
B.
C.
D.
Tijdens de diastole zijn de kleppen tussen
atria en ventrikels gesloten en tussen ventrikels en arterin open
atria en ventrikels open en tussen ventrikels en arterin open
atria en ventrikels gesloten en tussen ventrikels en arterin gesloten.
atria en ventrikels open en tussen ventrikels en arterin gesloten
507.
A.
B.
C.
D.
Tijdens de systole zijn de kleppen tussen
atria en ventrikels gesloten en tussen ventrikels en arteriën open
atria en ventrikels open en tussen ventrikels en arteriën open
atria en ventrikels gesloten en tussen ventrikels en arteriën gesloten
atria en ventrikels open en tussen ventrikels en arteriën gesloten
D
B
C
D
C
1
2
4
6
C
D
D
A
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
blad 53 van 232
508.
A.
B.
C.
D.
Tussen het linker atrium en de linker ventrikel van het hart bevindt zich
de tricuspidalisklep
de aortaklep
de pulmonaalklep
de mitralisklep
509.
A.
B.
C.
D.
Uit de linker kamer van het hart ontspringt(en) het volgende aantal bloedvaten
1
2
4
6
510.
A.
B.
C.
D.
Uit de rechter kamer van het hart ontspringt(en) het volgende aantal bloedvaten
1
2
4
6
511.
A.
B.
C.
D.
Uit de rechter ventrikel van het hart ontspringt de
sinus coronarius
chordae tendineae
truncus pulmonalis
valva pulmonalis
512.
A.
B.
C.
D.
Chylus is
een lymfe-capillair
lymfe uit het maagdarmkanaal
een hormoon dat de tensie verhoogt
een hormoon dat de tensie verlaagt
513.
A.
B.
C.
D.
De borstbuis mondt uit in de
linker ondersleutelbeenader
rechter ondersleutelbeenader
linker ondersleutelbeenslagader
rechter ondersleutelbeenslagader
514.
A.
B.
C.
D.
De ligging van de milt is
retroperitoneaal achter de lever
intraperitoneaal tegen de staart van de pancreas
intraperitoneaal tegen de kop van de pancreas
retroperitoneaal achter de maag
515.
A.
B.
C.
D.
De meeste lymfevaten verenigen zich tot de
ductus lymfaticus
ductus thoracicus
ductus chylus
rechter borstbuis
516.
A.
B.
C.
D.
Lymfe bevat ..... eiwit als de weefselvloeistof
meer
evenveel
minder
veel minder
517.
A.
B.
C.
D.
Reticulumcellen hebben als functie
antilichaamproductie
bloedcelvorming
fagocytose
A, B en C
D
A
A
C
B
A
B
B
A
C
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
518.
A.
B.
C.
D.
Tot de lymfatische organen behoren
tonsillen, appendix, aorta
milt, ductus arteriosus, thymus
lymfknopen, tonsillen, appendix
annulus fibrosus, milt, R.E.S.
519.
A.
B.
C.
D.
Tussengeschakeld in de bloedbaan zijn
de lymfknopen en het beenmerg
de milt en het beenmerg
de milt en de lymfknopen
de milt, de lymfknopen en het beenmerg
520.
A.
B.
C.
D.
Met het m.i. of milieu interieur van het lichaam wordt bedoeld
de zuurgraad
de weefselvloeistof
de zuurstofverzadiging van het bloed
de inwendige ruimten van de organen
521.
A.
B.
C.
D.
Welke functie behoort NIET tot de functies van de milt
bloedreservoir
opslag van ijzer
aanmaak van erytrocyten bij embryo's
stimulerende invloed op de aanmaak van erytrocyten
522.
A.
B.
C.
D.
Aan de arteriële kant van een capillair is de bloeddruk ...
hoger dan de colloïd-osmotische waarde
lager dan de colloïd-osmotische waarde
gelijk aan de colloïd-osmotische waarde
soms hoger, soms lager dan de colloïd-osmotische waarde
523.
A.
B.
C.
D.
Aan het begin van de aorta bevindt of bevinden zich ...
de tweeslippige klep
de drieslippige klep
twee halvemaanvormige kleppen
drie halvemaanvormige kleppen
524.
A.
B.
C.
D.
Als het parasympathisch zenuwstelsel het hart prikkelt dan ...
versnelt de hartactie
daalt de hartcapaciteit
verwijden de coronairvaten
ontstaat er een extra-systole
525.
A.
B.
C.
D.
Antilichaamvorming vindt plaats door ...
de lymfocyten
de granulocyten
de monocyten
de erytrocyten
526.
A.
B.
C.
D.
Antilichamen worden in ons lichaam gemaakt in ...
het bloedplasma
de lymfocyten
de erytrocyten
de monocyten
527.
A.
B.
C.
D.
De a. mesenterica superior (bovenste darmslagader) voorziet ...
de gehele dunne darm van bloed
de gehele dikke darm van bloed
samen met de a. mesenterica inferior de gehele dunne darm van bloed
geen van bovenstaande organen van bloed
blad 54 van 232
C
B
B
D
A
D
B
A
B
A
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
blad 55 van 232
528.
A.
B.
C.
D.
De aa. coronariae (kransslagaders) ontspringen uit ...
de aorta ascendens (opstijgend deel van de aorta)
de aorta descendens (dalende deel van de aorta)
de a. pulmonalis (longslagader)
de v. pulmonalis (longader)
529.
A.
B.
C.
D.
De arterio-veneuze anastomosen bevinden zich vooral ...
in de lever
in lymfeknopen
in de huid
in het hart
530.
A.
B.
C.
D.
De atrioventriculaire knoop is gelegen in de wand van de ...
linker boezem
linker kamer
rechter boezem
rechter kamer
531.
A.
B.
C.
D.
De binnenbekleding van de hartwand noemt men ...
endocard
myocard
pericard
epicard
532.
A.
B.
C.
D.
De bloedgroepantigenen A en B ...
zijn gebonden aan de erytrocyten
zijn gebonden aan de globulinen
zitten in het bloedplasma
komen voor in de lymfocyten
533.
A.
B.
C.
D.
De bloedstelping is onafhankelijk van ...
de trombocyten
fibrinogeen
de granulocyten
calciumionen
534.
A.
B.
C.
D.
De bloedvaatjes die gelegen zijn tussen arteriolen en venulen noemt men ...
capillairen
venen
arteriën
aders
535.
A.
B.
C.
D.
De bronchiale arteriën zijn vertakkingen van ...
de aorta
de a. pulmonalis
de a. subclavia
het linker ventrikel
536.
A.
B.
C.
D.
De colloïd-osmotische waarde in de kleine bloedsomloop is ...
groter dan die in de grote bloedsomloop
kleiner dan die in de grote bloedsomloop
gelijk aan die in de grote bloedsomloop
soms groter, soms kleiner dan die in de grote bloedsomloop
537.
A.
B.
C.
D.
De coronairarteriën ontspringen uit ...
aorta thoracica
aorta abdominalis
linker ventrikel
truncus pulmonalis
A
C
C
A
A
C
A
A
C
A
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
blad 56 van 232
538.
A.
B.
C.
D.
De ductus thoracicus (borstbuis) mondt uit in ...
het rechter atrium
het linker atrium
de linker sleutelbeenader
de rechter sleutelbeenader
539.
A.
B.
C.
D.
De ductus thoracicus (borstbuis) transporteert lymfe uit ...
het gehele lichaam
het gehele lichaam, behalve de rechter bovenste helft
de rechter bovenste helft van het lichaam
het gehele lichaam, behalve de linker bovenste helft
540.
A.
B.
C.
D.
De eerste harttoon wordt gevormd door ...
het sluiten van de atrioventriculaire kleppen
het sluiten van de halvemaanvormige kleppen
de contractie van de atriumwand
de relaxatie van de ventrikelwand
541.
A.
B.
C.
D.
De eerste harttoon wordt veroorzaakt door ...
het uitpompen van bloed tijdens de ejectiefase
het dichtslaan van de semilunaire kleppen
het dichtslaan van de AV-kleppen
geen van de bovengenoemde verschijnselen
542.
A.
B.
C.
D.
De eerste harttoon wordt veroorzaakt door ...
het sluiten van de atrioventriculaire kleppen
het sluiten van de halvemaanvormige kleppen
het openen van de atrioventriculaire kleppen
het openen van de halvemaanvormige kleppen
543.
A.
B.
C.
D.
De eerste reactie die optreedt bij bloedvatbeschadiging is ...
vorming van een trombocyten-prop
activatie van fibrinogeen tot fibrine
vernauwing van de vaten (vaat-kramp)
weefsel-herstel
544.
A.
B.
C.
D.
De frequentie van de sinusknoop bij een persoon in rust is gemiddeld ...
50 per minuut
70 per minuut
100 per minuut
120 per minuut
545.
A.
B.
C.
D.
De functie van erytrocyten staat in verband met ...
de bescherming tegen micro-organismen
de energiebehoefte van de levende cellen
de warmteregulatie van het lichaam
de vochthuishouding van het lichaam
546.
A.
B.
C.
D.
De gemiddelde levensduur van erytrocyten bedraagt ...
1 dag
120 dagen
1 jaar
12 jaar
547.
A.
B.
C.
D.
De halvemaanvormige kleppen verhinderen dat het bloed terugstroomt in ...
de atria
de ventrikels
de longslagaders
de venae cavae
C
B
A
C
A
C
B
B
B
B
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
548.
A.
B.
C.
D.
De hartwand bestaat van binnen naar buiten uit ...
myocard, epicard, pericard en endocard
pericard, endocard, myocard en epicard
endocard, myocard, epicard en pericard
epicard, pericard, endocard en myocard
549.
A.
B.
C.
D.
De hartwand van .... is het dikst
de rechter ventrikel (kamer)
de linker ventrikel
het rechter atrium (boezem)
het linker atrium
550.
A.
B.
C.
D.
De hematocriet is ...
de snelheid, waarmee bloedlichaampjes bezinken
de hoeveelheid leukocyten
de verhouding tussen het volume bloedcellen en het totale bloedvolume
de verhouding tussen het volume bloedcellen en het plasma-volume
blad 57 van 232
551.
De hoeveelheid bloed die per minuut door het linker ventrikel wordt rondgepompt is
gelijk aan ...
A. de helft van het hartminuutvolume
B. de helft van het hartslagvolume
C. het hartminuutvolume
D. het slagvolume
552.
A.
B.
C.
D.
De hoogte van de diastolische bloeddruk is afhankelijk van ...
de polsdruk
de perifere weerstand
het bloedvolume
de hartkracht
553.
A.
B.
C.
D.
De hoogte van de gemiddelde arteriële bloeddruk wordt beïnvloed door ...
de hoeveelheid bloed in het vaatstelsel
de pompkracht van het hart
de elasticiteit van de vaatwand
alle bovengenoemde factoren
554.
A.
B.
C.
D.
De hoogte van de gemiddelde arteriële bloeddruk wordt beïnvloed door ...
de diameter van de arteriolen
de pompkracht van het hart
het bloedvolume
alle bovengenoemde factoren
555.
A.
B.
C.
D.
De hoogte van de systolische bloeddruk is afhankelijk van ...
de polsdruk
de perifere weerstand
het bloedvolume
de hartkracht
556.
A.
B.
C.
D.
De laatste vertakkingen van de coronaire arteriën ...
zijn anastomosen
zijn eindarteriën
zijn collateralen
vormen een een portale circulatie
557.
A.
B.
C.
D.
De linker boezem en de linker kamer zijn van elkaar gescheiden door ...
de chordae tendineae
de semilunaire kleppen
de mitraalklep
de tricuspidaalklep
C
B
C
C
B
D
D
D
B
C
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
558.
A.
B.
C.
D.
De lymfestroming in de richting van het hart wordt bevorderd door ...
de ademhaling
contracties van de beenspieren
de aanzuigende werking van het hart
alle bovenstaande processen bevorderen de lymfestroming
559.
A.
B.
C.
D.
De lymfestroming wordt bevorderd door ...
de kleppen in de lymfevaten
spiercontracties
de aanzuigende werking van het hart
alle bovenstaande factoren bevorderen de lymfestroming
560.
A.
B.
C.
D.
De milt ligt ...
retroperitoneaal en rechts boven in de buikholte
retroperitoneaal en links boven in de buikholte
intraperitoneaal en rechts boven in de buikholte
intraperitoneaal en links boven in de buikholte
561.
A.
B.
C.
D.
De milt speelt een rol bij ...
de vorming van rode bloedlichaampjes
de afbraak van erytrocyten
de verwijdering van melkzuur
de water- en zoutbalans van het bloed
562.
A.
B.
C.
D.
De mitralisklep bevindt zich tussen ...
het linker atrium en het linker ventrikel
het linker ventrikel en de grote lichaamsslagader
het rechter atrium en het rechter ventrikel
het rechter atrium en de longslagader
563.
A.
B.
C.
D.
De omzetting van fibrinogeen in fibrine komt tot stand door ...
tromboplastine
trombine
protrombine
trombocyten
564.
A.
B.
C.
D.
De periode waarin het myocard contraheert heet ...
systole
diastole
slagvolume
minuutvolume
565.
A.
B.
C.
D.
De periode waarin het myocard ontspant heet ...
systole
diastole
polsdruk
ejectiefase
blad 58 van 232
566.
De productie van weefselvocht vindt plaats door ....
A. filtratie onder invloed van de bloeddruk in het arteriële deel van de capillairen
B. resorptie onder invloed van de colloïd-osmotische druk in het veneuze deel van de
capillairen
C. opname van weefselvocht in de lymfecapillairen
D. afgifte van lymfe vanuit de lymfevaten
567.
A.
B.
C.
D.
De rechter kamer en de rechter boezem zijn gescheiden door ...
de chordae tendineae
de halvemaanvormige kleppen
de tweeslippige klep
de drieslippige klep
D
D
D
B
A
B
A
B
A
D
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
blad 59 van 232
568.
A.
B.
C.
D.
De sereuze holte om het hart heet ...
de pleuraholte
de peritoneale holte
de pericardholte
het mediastinum
569.
A.
B.
C.
D.
De sereuze holte om het hart wordt gevormd door ...
middenrif en longen
pericard en epicard
endocard en septum cordis
pericard en endocard
570.
A.
B.
C.
D.
De sinus coronarius mondt uit in ...
het linker atrium
het rechter atrium
de bovenste holle ader
de onderste holle ader
571.
A.
B.
C.
D.
De thymus ligt ...
ventraal van het sternum
dorsaal van het hart
craniaal ten opzichte van de longen
in het mediastinum
572.
A.
B.
C.
D.
De truncus coeliacus is een tak van ...
de aorta thoracica
de aorta abdominalis
dea. hepatica
de v. cava inferior
573.
A.
B.
C.
D.
De tunica intima in de wand van arteriolen bestaat uit ...
een endotheellaag met een dun laagje bindweefsel
een laag losmazig bindweefsel
een laag gladde spiercellen
een laag elastisch bindweefsel
574.
A.
B.
C.
D.
De tunica intima is ...
een endotheellaag met een dun laagje bindweefsel
een laag losmazig bindweefsel
de middelste laag van de wand van een bloedvat
de buitenste laag van de wand van een bloedvat
575.
A.
B.
C.
D.
De tunica media van de grote arteriën bestaat voor het grootste deel uit ...
glad spierweefsel met vezelig bindweefsel
endotheel
dwarsgestreept spierweefsel met kraakbeenschilfers
elastisch bindweefsel tussen glad spierweefsel
576.
A.
B.
C.
D.
De twee sereuze vliezen om het hart zijn ...
het myocard en het pericard
het endocard en het myocard
het epicard en het pericard
het pericard en het endocard
577.
A.
B.
C.
D.
De tweede harttoon wordt veroorzaakt door ...
het uitpompen van bloed tijdens de ejectiefase
het dichtslaan van de semilunaire kleppen
het dichtslaan van de AV-kleppen
geen van de bovengenoemde verschijnselen
C
B
B
D
B
A
A
D
C
B
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
blad 60 van 232
578.
A.
B.
C.
D.
De tweede harttoon wordt veroorzaakt door ...
het sluiten van de atrioventriculaire kleppen
het sluiten van de halvemaanvormige kleppen
het openen van de atrioventriculaire kleppen
het openen van de halvemaanvormige kleppen
579.
A.
B.
C.
D.
De tweede harttoon wordt veroorzaakt door ...
het sluiten van de atrioventriculaire kleppen
het sluiten van de halvemaanvormige kleppen
de relaxatie van de ventrikelwand
de contractie van de atriumwand
580.
A.
B.
C.
D.
De vaten die het bloed weer naar het hart toe vervoeren zijn ...
capillairen
arteriën
aders
slagaders
581.
A.
B.
C.
D.
De volgorde van processen die zich afspelen tijdens de bloedstelping is ...
lokale vaatvernauwing, bloedstolling, propvorming en weefselherstel
lokale vaatvernauwing, propvorming, bloedstolling en lokale vaatverwijding
lokale vaatvernauwing, propvorming, weefselherstel en bloedstolling
propvorming, lokale vaatverwijding, bloedstolling en lokale vaatvernauwing
582.
A.
B.
C.
D.
Een antigeen is een stof, die aanleiding geeft tot de produktie van ...
enzymen
hormonen
antilichamen
bloedstollingseiwitten
583.
A.
B.
C.
D.
Een arterie (slagader) is een bloedvat ....
dat zuurstofarm bloed vervoert
dat zuurstofrijk bloed vervoert
waarin bloed van het hart af stroomt
waarin bloed naar het hart toe stroomt
584.
Een bepaald bloedvat heeft de volgende kenmerken: Het heeft een dikke wand, het
ligt niet aan de oppervlakte, het bloed stroomt van het hart af en is zuurstofarm. Wat is
dit voor een bloedvat
A. een longslagader
B. een longader
C. een haarvat
D. de aorta
585.
A.
B.
C.
D.
Een functie van elastische arteriën is ...
de distributie van bloed
de beperking van de hoogte van de systolische bloeddruk
de uitwisseling van vocht met de omgeving
de opname van afvalstoffen uit de omgeving
586.
A.
B.
C.
D.
Een functie van lymfeknopen is ...
de zuivering van de lymfe
de aanmaak van trombocyten
de aanmaak van granulocyten
de afbraak van erytrocyten
B
B
C
B
C
C
A
C
A
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
587.
A.
B.
C.
D.
blad 61 van 232
Een stof die het lichaam vormt tegen lichaamsvreemde stoffen noemt men een ...
antigeen
antilichaam
macrofaag
fagocyt
588.
Een vaat-zenuwstreng is samengesteld uit ..... en wordt omhuld door een laagje
bindweefsel
A. een arterie en een vene
B. een arterie en een zenuw
C. een vene en een zenuw
D. een arterie, een vene en een zenuw
589.
A.
B.
C.
D.
Een vene (ader) is een bloedvat ...
dat zuurstofarm bloed vervoert
dat zuurstofrijk bloed vervoert
waarin bloed van het hart af stroomt
waarin bloed naar het hart toe stroomt
590.
A.
B.
C.
D.
Elektrolyten ...
zijn de brandstoffen voor erytocyten
hebben invloed op het watergehalte van het bloed
bepalen de colloïd-osmotische waarde van het bloed
worden door het lichaam zelf geproduceerd
591.
A.
B.
C.
D.
Elektrolyten worden vervoerd door ...
bloedplasma
erytrocyten
globulinen
plasma-eiwitten
592.
A.
B.
C.
D.
Fagocytose is een functie van ...
granulocyten
trombocyten
erytorcyten
B-lymfocyten
593.
A.
B.
C.
D.
Het aantal leukocyten per mm3 bloed is ongeveer ...
100
6000
250000
5000000
594.
A.
B.
C.
D.
Het aantal rode bloedlichaampjes per mm is ongeveer ...
100
6000
250000
5000000
595.
A.
B.
C.
D.
Het aantal trombocyten per mm bloed is ongeveer ...
100
6000
250000
5000000
596.
A.
B.
C.
D.
Het bloed uit de benen wordt in de richting van het hart gepompt door ...
de arteriële bloeddruk
de veneuze bloeddruk
vasoconstrictie van de venen
contracties van skeletspieren in het been
B
D
D
B
A
A
B
D
C
D
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
597.
A.
B.
C.
D.
blad 62 van 232
Het epicard is ...
het viscerale blad van het hartzakje
het pariëtale blad van het hartzakje
de binnenbekleding van boezems en kamers
de fibreuze ring, waarin de kleppen zijn aangehecht
598.
Het groepje pacemakercellen, dat zich bevindt bij de inmonding van de bovenste
holle ader in het rechter atrium, heet ...
A. de bundel van His
B. de AV-knoop
C. het Purkinje netwerk
D. de sinusknoop
599.
A.
B.
C.
D.
Het grootste deel van het plasma bestaat uit ...
zouten
fibrinogeen
water
albuminen
600.
A.
B.
C.
D.
Het hart wordt gescheiden in een linker- en een rechterhelft door ...
arteriële kleppen
het septum cordis
atrioventriculaire kleppen
chordae tendineae en papillaire spieren
601.
A.
B.
C.
D.
Het myocard bestaat uit ...
spierweefsel
endotheel
bindweefsel
mesotheel
602.
A.
B.
C.
D.
Het terugstromen van bloed naar het hart gebeurt onder invloed van ...
de ademhaling
spiercontracties in de ledematen
pulsatie-bewegingen van de slagaders
alle bovengenoemde antwoorden zijn juist
603.
A.
B.
C.
D.
Het terugstromen van bloed naar het hart staat onder invloed van ...
spieractiviteit van de tussenribspieren en diafragma
spieractiviteit van de armen en benen
pulsaties in slagaders
alle bovengenoemde factoren zijn juist
604.
A.
B.
C.
D.
Het transport van bloed door de venen terug naar het hart wordt beïnvloed door ...
de ademhaling
de zuigkracht van het hart
de spieractiviteit van skeletspieren
alle bovengenoemde factoren
605.
Hoe keert weefselvocht terug in het bloed
A. door filtratie onder invloed van de bloeddruk in het arteriële deel van de capillairen
B. door resorptie onder invloed van de colloïd-osmotische druk in het veneuze deel van
de capillairen
C. door opname van weefselvocht in de lymfecapillairen
D. door afgifte van lymfe vanuit de lymfevaten
A
D
C
B
A
D
D
D
B
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
606.
A.
B.
C.
D.
blad 63 van 232
Hoe noemt men het verschil tussen systolische en diastolische bloeddruk
de polsdruk
de filtratiedruk
het slagvolume
de colloïd-osmotische waarde
607.
Hoe ontstaat lymfe
A. door filtratie onder invloed van de bloeddruk in het arteriële deel van de capillairen
B. door resorptie onder invloed van de colloïd-osmotische druk in het veneuze deel van
decappillairen
C. door opname van weefselvocht in de lymfecapillairen
D. door afgifte van lymfe vanuit de lymfevaten
608.
A.
B.
C.
D.
Hoe verloopt de impulsgeleiding door het hart
via sinusknoop, bundel van His, bundeltakken, AV-knoop
via AV-knoop, bundel van His, sinusknoop, bundeltakken
via sinusknoop, AV-knoop, bundeltakken, bundel van His
via sinusknoop, AV-knoop, bundel van His, bundeltakken
609.
A.
B.
C.
D.
Hoe worden de bloedvaten genoemd die het bloed van het hart af vervoeren
haarvaten
slagaders
aders
venen
610.
A.
B.
C.
D.
Iemand met bloedgroep 0 (nul) heeft in zijn plasma ...
agglutinine anti-A
agglutinine anti-B
agglutinine anti-A en anti-B
geen agglutininen
611.
A.
B.
C.
D.
Iemand met bloedgroep A heeft in zijn plasma ...
agglutinine anti-A
agglutinine anti-B
agglutinine anti-A en anti-B
geen agglutininen
612.
A.
B.
C.
D.
Iemand met bloedgroep AB heeft ...
in het plasma antistoffen tegen de agglutinogenen A en 1.
erytrocyten met antistoffen tegen de agglutinogenen A en B
in het plasma agglutinogenen A en B
in het erytrocytenmembraan de agglutinogenen A en B
613.
A.
B.
C.
D.
In het linker artium vindt men de inmonding(en) van ...
de aorta
de bovenste en onderste holle ader
de longslagader
de longaders
614.
A.
B.
C.
D.
In het rechter artium vindt men de inmonding(en) van ...
de aorta
de bovenste en onderste holle ader
de longslagader
de longaders
615.
A.
B.
C.
D.
In welk opzicht lijkt het hart op het gladde spierweefsel
het wordt willekeurig geïnnerveerd
het wordt vegetatief geïnnerveerd
het reageert snel
de myofibrillen vertonen geen dwarsstreping
A
C
D
B
C
B
C
D
B
B
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
blad 64 van 232
616.
A.
B.
C.
D.
In welke bloedvaten is de polsdruk gelijk aan nul
in arteriën en arteriolen
in arteriolen en capillairen
in capillairen en venen
in venen en arteriën
617.
A.
B.
C.
D.
In welke lichaamsruimte ligt de thymus
in de hals
in het mediastinum
in de subperitoneale ruimte
in de pleuraholte
618.
A.
B.
C.
D.
Lymfe bevat geen ...
lymfocyten
vetzuren
zouten
erytrocyten
619.
A.
B.
C.
D.
Lymfe is direct ontstaan uit ...
weefselvocht
plasma
bloed
celvocht
620.
A.
B.
C.
D.
Lymfe wordt gezuiverd in ...
de milt
het weefselvocht
de capillairen
de lymfeknopen
621.
A.
B.
C.
D.
Mediastinum is de ruimte ...
tussen long- en borstvlies
onder het hart
tussen de longen
onder het middenrif
622.
A.
B.
C.
D.
Men spreekt van actieve immunisatie indien deze tot stand komt ...
door het inspuiten van antilichamen
wanneer men de ziekte doormaakt
door overdracht van immunoglobuline van de moeder aan haar ongeboren kind
door het toedienen van antiserum
623.
Men spreekt van passieve immunisatie indien deze tot stand komt ...
A. wanneer men de ziekte doormaakt
B. door passage van antilichamen door de placenta van een zwangere vrouw naar haar
ongeboren kind
C. door overdracht van verzwakte antigenen tijdens vaccinatie
D. een van de bovenstaande oorzaken zijn juist
624.
A.
B.
C.
D.
Met bloedplasma wordt bedoeld de vloeistof, die overblijft nadat ...
aan bloed de stollingseiwitten zijn onttrokken
aan bloed de bloedcellen zijn onttrokken
men het bloed heeft laten stollen
aan bloed fibrinogeen en bloedcellen zijn onttrokken
625.
A.
B.
C.
D.
Met een elektrocardiogram registreert men ...
de werking van het impulsgeleidingssysteem in het hart
de bloedcirculatie door het hart
de contractie van de coronairarteriën
het dichtslaan van de AV-kleppen
B
B
D
A
D
C
B
B
B
A
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
626.
A.
B.
C.
D.
Met vasoconstrictie wordt bedoeld ...
de spanning van de bloedvatwand
de snelheid waarmee het bloed stroomt
de vernauwing van een bloedvat
de elasticiteit van de bloedvatwand
627.
A.
B.
C.
D.
Nieuwe erytrocyten worden bij een volwassen persoon aangemaakt in ...
het beenmerg
de lymfeknopen
de milt
de nier
628.
A.
B.
C.
D.
Onder een collaterale circulatie verstaat men een bloedvat dat ...
als enige bloedvat een bepaald weefsel van bloed voorziet
een verbinding vormt tussen twee arteriën
een verbinding vormt tussen een arterie en een vene
de functie van een hoofdbloedvat over kan nemen
blad 65 van 232
629.
Onder normale omstandigheden stolt het bloed niet in de bloedvaten door de
afwezigheid van ...
A. fibrinogeen in plasma
B. protrombine in plasma
C. tromboplastine in plasma
D. calcium in plasma
630.
A.
B.
C.
D.
Pacemakercellen liggen gegroepeerd in ...
de bundel van His
de AV-knoop
de Purkinje vezels
de sinusknoop
631.
A.
B.
C.
D.
Papillairspieren zitten enerzijds vast aan de chordae tendineae en anderzijds ...
aan de wand van de ventrikels
aan de arteriële kleppen
aan de atrioventriculaire kleppen
aan de wand van de atria
632.
A.
B.
C.
D.
Plasmacellen komen voort uit ...
lymfocyten
monocyten
granulocyten
trombocyten
633.
A.
B.
C.
D.
Plasma-eiwitten worden voornamelijk in ...
het rode beenmerg aangemaakt
de lever aangemaakt
de milt afgebroken
lymfatisch weefsel afgebroken
634.
A.
B.
C.
D.
Serum bevat geen ...
fibrinogeen
antistoffen
albuminen
zouten
635.
A.
B.
C.
D.
Tijdens de atriumsystole is sprake van ...
contractie van de atria en ventrikels
contractie van de atria en relaxatie van de ventrikels
relaxatie van de atria en contractie van de ventrikels
relaxatie van de atria en ventrikels
C
A
D
C
D
A
A
B
A
B
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
636.
A.
B.
C.
D.
Tijdens de ejectiefase van het hart zijn ...
de mitraalklep en de tricuspidaalklep geopend
de mitraalklep en de tricuspidaalklep gesloten
de pulmonaalklep geopend en de aortaklep gesloten
de pulmonaalklep gesloten en de aortaklep geopend
637.
A.
B.
C.
D.
Tijdens de ventrikelsystole is sprake van ...
contractie van de atria en ventrikels
contractie van de atria en relaxatie van de ventrikels
relaxatie van de atria en contractie van de ventrikels
relaxatie van de atria en ventrikels
638.
A.
B.
C.
D.
Trombocyten worden geproduceerd in ...
de lever
het rode beenmerg
de milt
de lymfeknopen
639.
A.
B.
C.
D.
Uit de linker hartventrikel ontspringt of ontspringen ...
de vena pulmonalis
de arteria pulmonalis
de aorta
de vena cava inferior en de vena cava superior
640.
A.
B.
C.
D.
Uit de rechter hartventrikel ontspringt of ontspringen ...
de vena pulmonalis
de truncus pulmonalis
de aorta
de vena cava inferior en de vena cava superior
641.
Uit welke laag zijn de kleppen tussen de atria (hartboezems) en ventrikels
(hartkamers) gevormd
A. het epicard
B. het endocard
C. het myocard
D. het pericard
642.
A.
B.
C.
D.
Vanuit welke vaten vindt er vochtuitwisseling plaats met het weefsel
de aders
de haarvaten
de arteriolen
de venulen
643.
A.
B.
C.
D.
Via het lymfevatenstelsel komt alle lymfe uiteindelijk terecht in de ...
bovenste holle ader
onderste holle ader
linker ondersleutelbeenader
rechter ondersleutelbeenader
644.
A.
B.
C.
D.
Voor welk bloedvat treft men een doorgang aan in het diafragma
de vena cava superior
de arteria hepatica
de aorta
de vena pulmonalis
645.
A.
B.
C.
D.
Waar bevindt zich in het hart een klep
tussen de bovenste holle ader en de rechter boezem
tussen de longader en de linker boezem
tussen de rechter en de linker kamer
tussen de rechter kamer en de longslagader
blad 66 van 232
B
C
B
C
B
B
B
A
C
D
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
blad 67 van 232
646.
A.
B.
C.
D.
Waar is de colloïd-osmotische waarde in een capillair het grootst
aan het begin van een capillair
in het midden van een capillair
op het einde van een capillair
in een capillair is colloïd-osmotische waarde overal gelijk
647.
A.
B.
C.
D.
Waar ligt het hart
in de pleuraholte
in het mediastinum
in de peritoneale ruimte
in de abdominale holte
648.
A.
B.
C.
D.
Waardoor worden capillairen gekenmerkt
ze hebben een dikke wand
ze hebben een zeer dunne, half doorlaatbare wand
ze vervoeren het bloed van het hart af
ze vervoeren het bloed naar het hart toe
649.
A.
B.
C.
D.
Waardoor worden kleine venen van het been gekenmerkt
zij bezitten een dikkere wand dan arteriën
zij vervoeren bloed van het hart af
zij hebben meer elastische vezels dan arteriën
zij bevatten kleppen
650.
A.
B.
C.
D.
Waardoor worden venen gekenmerkt
zij bevatten geen glad spierweefsel in hun wand
zij transporteren het bloed naar het hart toe
hier vindt vochtuitwisseling plaats met het weefsel
de tunica media bestaat voornamelijk uit endotheel
651.
A.
B.
C.
D.
Waaruit bestaat serum
uit bloed zonder bloedcellen
uit bloed zonder bloedcellen en fibrinogeen
uit bloed zonder bloedeiwitten
uit bloed zonder albuminen
652.
tot
A.
B.
C.
D.
Wanneer het hart gestimuleerd wordt door de nervus vagus (een zenuw, behorende
het paraympathische deel van het vegetatieve zenuwstelsel) dan ...
neemt de hartfrequentie toe
neemt de hartfrequentie af
worden de kransslagaders wijder
neemt de hartkracht toe
653.
Wanneer men een katheter via een ader in de linker arm opschuift tot in het hart,
komt deze het eerst terecht ...
A. in het rechter ventrikel
B. in het linker atrium
C. in het rechter atrium
D. in het linker ventrikel
654.
Wat gebeurt er als het hart in ventrikelsystole is
A. de kamers trekken samen, de arteriële kleppen zijn gesloten en de
atrioventriculairekleppen zijn open
B. de kamers verwijden, de arteriële kleppen zijn open en de atrioventriculaire kleppen
zijn gesloten
C. de kamers trekken samen, de arteriële kleppen zijn open en de atrioventriculaire
kleppen zijn gesloten
D. de kamers verwijden, de arteriële kleppen zijn gesloten en de atrioventriculaire
kleppen zijn open
D
B
B
D
B
B
B
C
C
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
blad 68 van 232
655.
Wat gebeurt er tijdens diastole in het hart
A. de kamers trekken samen, de arteriële kleppen zijn gesloten en de
atrioventriculairekleppen zijn open
B. de kamers verwijden, de arteriële kleppen zijn open en de atrioventriculaire kleppen
zijn gesloten
C. de kamers trekken samen, de arteriële kleppen zijn open en de atrioventriculaire
kleppen zijn gesloten
D. de kamers verwijden, de arteriële kleppen zijn gesloten en de atrioventriculaire
kleppen zijn open
656.
A.
B.
C.
D.
Wat is de bloedgroep van een universele donor
bloedgroep A
bloedgroep B
bloedgroep AB
bloedgroep O
657.
A.
B.
C.
D.
Wat is de functie van erytrocyten
zij activeren het bloedstelpingsproces
zij kunnen vreemde stoffen onschadelijk maken
zij vervoeren antistoffen
zij vervoeren zuurstof
658.
A.
B.
C.
D.
Wat is de functie van monocyten
productie van antilichamen
vervoeren van zuurstof en koolstofdioxide
fagocyteren van micro-organismen
stimuleren van de bloedstelping
659.
A.
B.
C.
D.
Wat is de functie van trombocyten
ze vervoeren zuurstof en koolzuurgas
ze activeren de bloedstolling
ze fagocyteren micro-organismen
ze produceren van antistoffen
660.
A.
B.
C.
D.
Wat is een algemeen kenmerk van slagaders
zij bevatten zuurstofrijk bloed
zij bezitten een dunne wand
zij bezitten kleppen in de wand
zij vervoeren bloed van het hart af
661.
A.
B.
C.
D.
Wat is het endocard
een dun laagje mesotheel dat het hartzakje vormt
de binnenste bekleding van de ruimten in het hart
een bindweefsellaagje dat samen met het pericard het hartzakje vormt
de buitenste bekleding van het hart
662.
A.
B.
C.
D.
Wat verstaat men onder de hematocriet
volumepercentage van het aantal cellen in het bloed
volumepercentage van de erytrocyten in het bloed
de verhouding van het plasma en de leukocyten
de verhouding van het aantal leukocyten en het aantal erytrocyten
663.
A.
B.
C.
D.
Wat verstaat men onder het slagvolume van het hart
de frequentie van het hart
de vulling van de bloedvaten
de hartcapaciteit
de bloedhoeveelheid die het hart per contractie in de slagaders perst
D
D
D
C
B
D
B
A
D
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
blad 69 van 232
664.
A.
B.
C.
D.
Wat zijn de chordae tendineae
peesjes die vast zitten aan de kleppen in de atria
peesjes die vast zitten aan de kleppen in de ventrikels
spiertjes die vastzitten aan de wand van de ventrikels
spiertjes die vastzitten aan de wand van de atria
665.
A.
B.
C.
D.
Wat zijn eindarteriën
arteriën met talrijke anastomosen
arteriën die blind eindigen
arteriën die onderling geen verbinding met elkaar hebben
arteriën die direct overgaan in een vene
666.
A.
B.
C.
D.
Welk bloedvat vervoert zuurstofarm bloed
aorta
longader
poortader
halsslagader
667.
A.
B.
C.
D.
Welk bloedvat vervoert zuurstofarm bloed
longslagader
longader
aorta
leverslagader
668.
A.
B.
C.
D.
Welk bloedvat vervoert zuurstofrijk bloed
de longslagader
de longader
de poortader
de bovenste holle ader
669.
A.
B.
C.
D.
Welk orgaan is gespecialiseerd in de afbraak van oude erytrocyten
het beenmerg
de milt
de lever
de nier
670.
A.
B.
C.
D.
Welk orgaan produceert de meeste plasma-eiwitten
het rode beenmerg
de milt
de lymfeknopen
de lever
671.
A.
B.
C.
D.
Welk weefsel speelt in de tunica media van de kleinere arteriën de hoofdrol
endotheel
spierweefsel
elastisch kraakbeen
vezelig bindweefsel
672.
A.
B.
C.
D.
Welke agglutinine(n) bezit iemand met bloedgroep AB
agglutinine anti-A
agglutinine anti-B
agglutinine anti-A en anti-B
geen agglutininen
673.
A.
B.
C.
D.
Welke bewering over de erytrocyten bij de mens is juist
zij hebben geen mitochondriën
zij hebben een kern met 46 chromosomen
zij zijn bolrond van vorm
zij kunnen fagocyteren
B
C
C
A
B
B
D
B
D
A
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
674.
A.
B.
C.
D.
Welke bewering over de kransslagaders is juist
zij ontspringen uit de aorta ascendens
zij ontspringen uit de aorta descendens
zij ontspringen uit de truncus pulmonalis
zij ontspringen uit het linker atrium
675.
A.
B.
C.
D.
Welke bewering over de kransslagaders is juist
het zijn arteriën met veel anastomosen
het zijn arteriën met veel collateralen
het zijn eindarteriën
het zijn arteriën, die niet overgaan in capillairen
blad 70 van 232
676.
Welke bloedcellen worden behalve in het rode beenmerg ook op andere plaatsen
aangemaakt
A. granulocyten
B. lymfocyten
C. trombocyten
D. monocyten
677.
A
A.
B.
C.
D.
Welke donoren zijn geschikt voor donatie van bloed aan een patiënt met bloedgroep
678.
AB
A.
B.
C.
D.
Welke donoren zijn geschikt voor donatie van bloed aan een patiënt met bloedgroep
679.
A.
B.
C.
D.
Welke drie organen liggen in het mediastinum
longen, hart en luchtpijp
schildklier, hart en slokdarm
longen, strottenhoofd en aorta
longslagader, slokdarm en luchtpijp
680.
A.
B.
C.
D.
Welke eigenschap hoort bij antilichamen
ze zijn opgebouwd uit aminozuren
ze gaan een binding aan met antistoffen
ze worden geproduceerd door bloedplaatjes
ze kunnen zuurstof binden
681.
A.
B.
C.
D.
Welke eigenschap is kenmerkend voor leukocyten
zij kunnen zuurstof vervoeren
zij spelen een rol bij de weerstand vanhet lichaam
zij hebben een levensduur van ongeveer 120 dagen
zij hebben geen kern
682.
A.
B.
C.
D.
Welke eigenschap(pen) hebben antilichamen
zij zijn specifiek gericht tegen ‚‚n antigeen
zij zijn opgebouwd uit aminozuren
zij behoren tot de immuno-globulinen
zij hebben alle bovengenoemde eigenschappen
donoren
donoren
donoren
donoren
donoren
donoren
donoren
donoren
met
met
met
met
met
met
met
met
bloedgroep
bloedgroep
bloedgroep
bloedgroep
bloedgroep
bloedgroep
bloedgroep
bloedgroep
A
C
B
C
Aa.
B
AB of B
O
D
A
A of B
O
A, B of O
D
A
B
D
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
683.
A.
B.
C.
D.
Welke functie heeft de milt
productie van antigenen
opruimen van micro-organismen in de bloedcirculatie
afvoer van lymfe naar het bloed
afbraak van wateroplosbare afvalstoffen
684.
A.
B.
C.
D.
Welke invloed heeft het sympathische zenuwstelsel op het hart
het verhoogt de hartcapaciteit
het remt de hartwerking
het regelt de rustfase van het hart
het regelt de ejectiefase van het hart
685.
A.
B.
C.
D.
Welke kleppen zijn gesloten tijdens de gehele ventrikelsystole
de tweeslippige klep en de aortaklep
de aortaklep en de pulmonaalklep
de pulmonaalklep en de drieslippige klep
de drieslippige klep en de tweeslippige klep
686.
A.
B.
C.
D.
Welke kleppen zijn tijdens de atriumsystole gesloten
de mitraalklep en de aortaklep
de aortaklep en de pulmonaalklep
de pulmonaalklep en tricuspidaalklep
de tricuspidaalklep en mitraalklep
687.
A.
B.
C.
D.
Welke kleppen zijn tijdens de ejectiefase van het hart gesloten
de mitraalklep en de aortaklep
de aortaklep en de pulmonaalklep
de pulmonaalklep en tricuspidaalklep
de tricuspidaalklep en mitraalklep
688.
A.
B.
C.
D.
Welke omzetting wordt door trombine mogelijk gemaakt
de omzetting van vitamine K in protrombine
de omzetting van tromboplastinogeen in tromboplastine
de omzetting van fibrinogeen in fibrine
de omzetting van protrombine in trombokinase
689.
A.
B.
C.
D.
Welke omzetting wordt door tromboplastine mogelijk gemaakt
de omzetting van trombine in fibrinogeen
de omzetting van vitamine K in protrombine
de omzetting van fibrinogeen in fibrine
de omzetting van protrombine in trombine
690.
A.
B.
C.
D.
Welke stof katalyseert de omzetting van fibrinogeen in fibrine
trombine
protrombine
tromboplastine
tromboplastinogeen
691.
A.
B.
C.
D.
Welke van onderstaande beweringen is juist
lymfevaten hebben geen kleppen
let lymfevatenstelsel heeft aan- en afvoerende vaten
lymfevaten spelen een rol bij de opname van voedingsstoffen
lymfeknopen funferen als pomp voor stoming van de lymfe
692.
A.
B.
C.
D.
Welke van onderstaande beweringen over erytrocyten is juist
zij kunnen actief de circulatie verlaten
zij bezitten geen kern
zij fagocyteren
zij maken antistoffen
blad 71 van 232
B
A
D
B
D
C
D
A
C
B
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
blad 72 van 232
693.
A.
B.
C.
D.
Welke van onderstaande eigenschappen behoort bij granulocyten
zij hebben een ronde kern
zij rijpen in de thymus
zij kunnen actief de circulatie verlaten
zij maken antilichamen
694.
A.
B.
C.
D.
Welke van onderstaande eigenschappen behoort bij monocyten
zij hebben geen kern
zij rijpen in de thymus (zwezerik)
zij kunnen actief de circulatie verlaten
zij maken antilichamen
695.
A.
B.
C.
D.
Welke van onderstaande stoffen veroorzaakt een plaatselijke bloeddrukverlaging
adrenaline
histamine
aldosteron
renine
696.
A.
B.
C.
D.
Welke vene mondt uit in de v. portae (poortader)
de v. hepatica (leverader)
de v. lienalis (miltader)
de v. renalis (nierader)
de v. iliaca communis (bekkenader)
697.
A.
B.
C.
D.
Wie heeft als functie het transport van afvalstoffen
de erytrocyten
het bloedplasma
de leukocyten
de bloedplaatjes
698.
A.
B.
C.
D.
Wie heeft als functie het transport van koolstofdioxide
de leukocyten
het bloedplasma
de bloedplaatjes
de monocyten
699.
A.
B.
C.
D.
Wie heeft als functie het transport van warmte
de erytrocyten
het bloedplasma
de leukocyten
de bloedplaatjes
700.
A.
B.
C.
D.
Wie is de katalysator voor de omzetting van protrombine in trombine
fibrinogeen
fibrine
tromboplastine en calcium
tromboplastinogeen
701.
A.
B.
C.
D.
Wie is de katalysator voor de omzetting van tromboplastinogeen in tromboplastine
trombine
protrombine
plasmafactoren (eiwitten in plasma)
fibrine
702.
A.
B.
C.
D.
Zuurstof-arm bloed passeert ...
de tricuspidaalklep en de mitraalklep
de pulmonaalklep en de aortaklep
de tricuspidaalklep en de pulmonaalklep
de mitraalklep en de aortaklep
C
C
B
B
B
B
B
C
C
C
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
703.
A.
B.
C.
D.
Tot de adnexa behoort onder andere de
uterus
tuba
vagina
cervix
704.
A.
B.
C.
D.
De bacillen van Döderlein produceren
geslachtshormonen
glycogeen
melkzuur
slijm
705.
A.
B.
C.
D.
De slijmprop van de uterus bevindt zich in de/het
fornix vaginae
portio vaginalis
pars uterina
cervixkanaal
706.
A.
B.
C.
D.
Opstijgende infecties worden NIET tegengegaan door
de slijmprop in de cervix
de veranderingen van het vaginale slijm onder invloed van hormonen
het zure milieu in de vagina
de bacillen van Döderlein
blad 73 van 232
707.
Met het begrip "anteflexie" van de uterus wordt bedoeld
A. de naar voren gebogen ligging van de uterushals ten opzichte van de vagina
B. de naar voren gebogen ligging van het corpus van de uterus ten opzichte van de
urineblaas
C. de naar achter gebogen ligging van het corpus van de uterus ten opzichte van de
urineblaas
D. de naar voren gebogen ligging van het corpus van de uterus ten opzichte van de
uterushals
708.
Met het begrip "anteversie" van de uterus wordt bedoeld
A. de naar voren gebogen ligging van de uterushals ten opzichte van de vagina
B. de naar voren gebogen ligging van het corpus van de uterus ten opzichte van de
urineblaas
C. de naar voren gebogen ligging van het corpus van de uterus ten opzichte van de
uterushals
D. de naar achter gebogen ligging van het corpus van de uterus ten opzichte van de
urineblaas
709.
Wanneer de blaas geleidelijk voller wordt verandert de stand van de uterus wat
betreft anteflexie en anteversie. De anteflexie (1) ..... en de anteversie (2) .....
A. (1) neemt af, (2) neemt af
B. (1) neemt af, (2) neemt toe
C. (1) neemt toe, (2) neemt af
D. (1) neemt toe, (2) neemt toe
710.
A.
B.
C.
D.
In de kern van een zaadcel kunnen zich bevinden
21 autosomen, één X-chromosoom en één Y-chromosoom
22 autosomen en één Y-chromosoom
22 autosomen en twee geslachtschromosomen
23 autosomen en één Y-chromosoom
711.
A.
B.
C.
D.
De bevruchting vindt normaal gesproken plaats in de
uterus
ovaria
cervix
tuba
B
C
D
B
D
A
A
B
D
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
712.
A.
B.
C.
D.
De conceptie vindt over het algemeen plaats in de
tuba
uterus
urethra
ovaria
713.
A.
B.
C.
D.
Wanneer heeft de bevruchting van de eicel plaats
Kort na de innesteling in het endometrium
op het moment van de ovulatie
tijdens de menstruatie
tussen ovulatie en menstruatie
714.
A.
B.
C.
D.
De kliertjes van Cowper
bevinden zich boven de prostaat
monden uit in de ureter
zijn kliertjes ter grootte van een kastanje
produceren slijm
715.
A.
B.
C.
D.
De holte van Douglas is
de ruimte terzijde van de uterus
de uitbreiding van de peritoneale holte tussen blaas en uterus
de uitbreiding van de peritoneale holte tussen rectum en uterus
de holte in de uterus
716.
A.
B.
C.
D.
De ductus ejaculatorius mondt uit in de
zaadleider
prostaat
urethra
ductus epididymidis
blad 74 van 232
717.
Het gedeelte van de ductus deferens dat door de prostaat verloopt heeft als
benaming
A. vesica seminales
B. ductus ejaculatorius
C. pars prostaticus
D. funiculus spermaticus
718.
De erectie van het mannelijke lid komt tot stand door een (1) .... van de
bloedaanvoer en een (2) .... van de bloedafvoer
A. (1) vermeerdering, (2) vermeerdering
B. (1) vermeerdering, (2) vermindering
C. (1) vermindering, (2) vermeerdering
D. (1) vermindering, (2) vermindering
719.
A.
B.
C.
D.
De functie van het hormoon FSH is
het stimuleert de ontwikkeling van de Graafse follikel
het stimuleert de progesteronproductie in de Graafse follikel
het houdt de zwangerschap in stand
het zorgt voor de spierontwikkeling en de eiwitopbouw
720.
A.
B.
C.
D.
De werking van het hormoon FSH bij de man is het
stimuleren van de productie van testosteron
stimuleren van de spermatogenese
remmen van de productie van oestron
remmen van de productie van LH
A
D
D
C
C
B
B
A
B
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
721.
A.
B.
C.
D.
blad 75 van 232
Het tijdstip waarop FSH wordt gemaakt vindt plaats
reeds voor de geboorte
direct na de geboorte
vanaf de puberteit
vanaf het climacterium
722.
Bij de mens is de eicel groter dan de zaadcel. Dit hangt samen met het feit dat de
eicel
A. een dubbele kern bevat
B. extra mogelijkheden heeft om de versmelting met de zaadcel te realiseren
C. meer chromosomen bevat dan de zaadcel
D. meer cytoplasma bevat dan de zaadcel
723.
A.
B.
C.
D.
De eicellen in een ovarium ontwikkelen zich vooral onder invloed van
follikelstimulerend hormoon
progesteron
luteniserend hormoon
oestron
724.
A.
B.
C.
D.
De eirijping vindt plaats onder invloed van
Luteniserend Hormoon
Follikel Stimulerend Hormoon
Oestrogenen
Progesteron
725.
A.
B.
C.
D.
De levensduur van een eicel wordt geschat op enkele
dagen
minuten
uren
weken
726.
A.
B.
C.
D.
Een ééneiige tweeling ontstaat door bevruchting van
één eicel door één zaadcel
één eicel door twee zaadcellen
één zygote door twee zaadcellen
twee eicellen door één zaadcel
727.
A.
B.
C.
D.
Een twee-eiige tweeling ontstaat door bevruchting van
één eicel door één zaadcel
één eicel door twee zaadcellen
n zygote door twee zaadcellen
twee eicellen door twee zaadcellen
728.
A.
B.
C.
D.
Welk van de volgende kenmerken geldt zowel voor de eicel als voor de zaadcel
ze zijn beweeglijk
ze zijn ongeveer rond van vorm
ze hebben altijd een X-chromosoom
ze hebben een reductiedeling doorgemaakt
729.
Welke van de onderstaande kenmerken behoren tot de primaire
geslachtskenmerken van de man
A. okselbeharing en prostaat
B. penis en stevig ontwikkelde spieren
C. testes en beharing in de schaamstreek
D. testes en prostaat
C
D
A
B
C
A
D
D
D
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
blad 76 van 232
730.
Welke van de onderstaande kenmerken behoren tot de primaire
geslachtskenmerken van de vrouw
A. borstklieren en baarmoeder
B. borstklieren en vagina
C. eierstokken en vagina
D. vagina en een breed bekken
731.
Welke van de onderstaande organen of kenmerken behoort tot de primaire
geslachtskenmerken
A. de prostaat
B. de ontwikkeling van de borstklieren
C. een breed bekken
D. het beharingspatroon van de schaamstreek
732.
De man en de vrouw hebben een geslachtsrijpe periode; over de duur ervan kan
men stellen dat deze
A. bij de man en de vrouw gemiddeld even lang is en waarbij de periodes gedeeltelijk
samenvallen
B. bij de man en de vrouw gemiddeld even lang is en waarbij de periodes vrijwel
samenvallen
C. bij de vrouw langer dan bij de man
D. bij de man langer is dan bij de vrouw
733.
A.
B.
C.
D.
Het aantal zaadcellen per ml. sperma bedraagt ongeveer
2.000.000
50.000.000
100.000.000
400.000.000
734.
A.
B.
C.
D.
Het aantal zaadcellen per ml. sperma bedraagt ongeveer
100.000
1.000.000
10.000.000
100.000.000
735.
A.
B.
C.
D.
Hoe groot is in het sperma het percentage dat wordt ingenomen door de zaadcellen
1
50
75
99
736.
Tijdens de geslachtsrijpe periode van de vrouw komt een groot aantal follikels tot
rijping; dit aantal bedraagt ongeveer
A. 40
B. 400
C. 4.000
D. 40.000
737.
De gonadotrope hormonen die de werking van de ovaria reguleren worden gevormd
in de
A. achterkwab van de hypofyse
B. achterkwab van de schildklier
C. voorkwab van de bijnieren
D. voorkwab van de hypofyse
738.
In welk orgaan wordt het hormoon gemaakt dat de productie van testosteron
stimuleert.
A. in het bijniermerg
B. in de schildklier
C. in de testes
D. in de hypofyse
C
A
D
C
D
A
B
D
D
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
blad 77 van 232
739.
A.
B.
C.
D.
Ten aanzien van de gonadotrope hormonen kan men het volgende beweren
ze hebben invloed op de hypofyse-voorkwab
ze hebben invloed op de geslachtsklieren
ze hebben vooral vóór de menarche veel effect
ze worden in de hypofyse-achterkwab gemaakt
740.
A.
B.
C.
D.
De cellen van Leydig produceren
FSH
LH
testosteron
oestron
741.
A.
B.
C.
D.
De cellen van Leydig produceren
voorvocht
oestron
progesteron
testosteron
742.
A.
B.
C.
D.
De interstitile cellen van Leydig bevinden zich in de
ruimte tussen de zaadkanaaltjes
ruimte tussen de zaadleiders
zaadkanaaltjes
zaadleider
743.
A.
B.
C.
D.
Luteniserend Hormoon bevordert de
ovulatie
menstruatie
proliferatie van het uterusslijmvlies
secretie van het uterusslijmvlies
744.
Het ligamentum teres verloopt als volgt
A. van de bovenkant van de uterus naar een ovarium en dan naar de binnenste
buikwand
B. van de zijkant van de uterus naar een eileider en dan naar de m. psoas major
C. van de zijkant van de uterus door het lieskanaal naar het labium majus
D. van de zijkant van de uterus door het lieskanaal naar het labium minus
745.
A.
B.
C.
D.
Het tijdstip van de eerste menstruatie noemt men
climacterium
menarche
menopauze
mensis
746.
Wat verstaat men onder menarche
A. de periode waarin de hypofyse geleidelijk minder geslachtshormonen gaat
produceren
B. de periode waarin de vruchtbaarheid afneemt
C. het begin van de geslachtsrijpe periode
D. het begin van de ontwikkeling van secundaire geslachtskenmerken
747.
de
A.
B.
C.
D.
De Graafse follikel rijpt en springt open waardoor een eicel vrijkomt. Dit noemt men
conceptie
involutie
menstruatie
ovulatie
B
C
D
A
A
C
B
C
D
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
blad 78 van 232
748.
A.
B.
C.
D.
De menstruatie ontstaat door een tekort aan
oestron
progesteron
follikel stimulerend hormoon
luteniserend hormoon
749.
A.
B.
C.
D.
De ovulatie wordt bevorderd door
stijging van het FSH-gehalte
stijging van het LH-gehalte
daling van het oestrogeengehalte
daling van het progesterongehalte
750.
A.
B.
C.
D.
De secretiefase van het endometrium wordt vooral benvloed door het hormoon
FSH
LH
progesteron
secretine
751.
A.
B.
C.
D.
Het corpus luteum heeft als functie
stimuleren van de ovulatie
produceren van progesteron
remmen van de proliferatie van het uterusslijmvlies
produceren HCG
752.
Het gele lichaam in het ovarium heeft in geval van zwangerschap een gemiddelde
levensduur van
A. 1 week
B. 4 weken
C. 14 weken
D. 40 weken
753.
A.
B.
C.
D.
Het tijdstip van het begin van de menstruatie valt op
de eerste dag van de menstruele cyclus
de laatste dag van de menstruele cyclus
ongeveer één week vóór de ovulatie
ongeveer één week na de ovulatie
754.
A.
B.
C.
D.
In de ovaria van een vrouw met een normale menstruele cyclus komt een eicel vrij
tijdens de menstruatie
iedere vier weken bij het begin van de menstruatie
iedere vier weken vlak voor de daarop volgende menstruatie
iedere vier weken ongeveer halverwege tussen twee opeenvolgende menstruaties
755.
A.
B.
C.
D.
In welke tijdsperiode vindt als regel de ovulatie plaats
n week na de menstruatie
n week voor de menstruatie
in het midden van de menstruele cyclus
vijf dagen voor de menstruatie
756.
A.
B.
C.
D.
Kort na de ovulatie zal het restant van de Graafse follikel
het hormoon LH gaan produceren
opnieuw beginnen met de vorming van een eicel
tijdelijk een endocriene functie gaan vervullen
via de eileider worden afgevoerd
757.
A.
B.
C.
D.
Tijdens de menstruatie is er sprake van afstoting
proliferatief endometrium
alleen oud bloed
secretoir endometrium
het niet bevruchte eitje
B
B
C
B
C
A
D
C
C
C
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
blad 79 van 232
758.
Vanaf het tijdstip van follikelrijping in het ovarium ondergaat het endometrium een
aantal cyclische veranderingen. Deze veranderingen zijn in volgorde van tijd
A. menstruatiefase - secretiefase - proliferatiefase
B. proliferatiefase - secretiefase - menstruatiefase
C. secretiefase - menstruatiefase - proliferatiefase
D. secretiefase - proliferatiefase - menstruatiefase
759.
A.
B.
C.
D.
Voor het corpus luteum geldt het volgende
het blijft bestaan tot de volgende ovulatie
het wordt na ongeveer 12 dagen met het menstruatiebloed afgestoten
het produceert het hormoon oestron
het produceert het hormoon progesteron
760.
A.
B.
C.
D.
De nidatie vindt ongeveer ... dagen na de conceptie plaats.
1 dag
3 dagen
5 dagen
6 dagen
761.
A.
B.
C.
D.
Het begrip "nidatie" betekent
het vrijkomen van een eicel uit een eierstok
het samensmelten van een zaadcel met een eicel
het dikker worden van het baarmoederslijmvlies
het innestelen van de bevruchte eicel in het baarmoederslijmvlies
762.
A.
B.
C.
D.
Het hormoon dat door de Graafse follikel wordt gevormd heet
cortisol
FSH
oestron
pitressine
763.
A.
B.
C.
D.
Oestrogeen stimuleert de
ontwikkeling van de Graafse follikel
ontwikkeling van borstklierweefsel
secretie van het endometrium
sluiting van de epifisairschijven
764.
A.
B.
C.
D.
Oestrogenen
stimuleren de follikelrijping
bepalen het tijdstip van de ovulatie
hebben invloed op de secundaire geslachtskenmerken
hebben invloed op de primaire geslachtskenmerken
765.
A.
B.
C.
D.
Onder invloed van het hormoon oestron wordt GEREMD
de ontwikkeling van de primaire geslachtskenmerken
de ontwikkeling van de secundaire geslachtskenmerken
de productie van FSH
de productie van LH
766.
A.
B.
C.
D.
De eicellen ontwikkelen zich in de follikels, die zijn gelegen in
de merglaag van het ovarium
de schorslaag van het ovarium
het bovenste gedeelte van de eileider
het corpus luteum
767.
A.
B.
C.
D.
De ligging van de eierstok duidt men aan met
extraperitoneaal
intraperitoneaal
preperitoneaal
retroperitoneaal
B
D
C
D
C
D
C
C
B
B
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
blad 80 van 232
768.
A.
B.
C.
D.
De primordiale follikels zijn in het ovarium aanwezig vanaf de
geboorte
jonge volwassenheid
kleutertijd
puberteit
769.
A.
B.
C.
D.
Het ovarium zorgt voor de vorming van
eicellen en gonadotrope hormonen
eicellen en progesteron
gonadotrope hormonen en geslachtshormonen
progesteron en FSH
770.
A.
B.
C.
D.
Onder het perineum verstaat men de ruimte tussen
anus en schaamheuvel
anus en vulva
schaamheuvel en vagina
vagina en urethra
771.
A.
B.
C.
D.
Het hormoon progesteron zorgt ervoor dat
de onbevruchte eicel in leven blijft
het endometrium afgestoten wordt
het endometrium in de proliferatiefase komt
het endometrium voorbereid wordt om het jonge embryo te kunnen ontvangen
772.
A.
B.
C.
D.
De belangrijkste functie van de prostaat is de
productie van vocht waarin zich bij een zaadlozing de zaadcellen bevinden
opslag van zaadcellen
productie van het hormoon testosteron
regeling van de zaadlozing en de urinelozing
773.
A.
B.
C.
D.
De prostaat
ligt om de ureter
ligt onder de bekkenbodem
produceert een alkalische vloeistof
is een klier met interne secretie
774.
A.
B.
C.
D.
De prostaat bevat NIET
de urethra
de ductus deferens
klierweefsel
de ductus ejaculatorius
775.
A.
B.
C.
D.
Voor het vocht dat door de prostaat wordt geproduceerd geldt het volgende
het heeft een alkalisch karakter
het heeft een zuur karakter
het bevat veel fructose
het maakt ongeveer 30% van het zaadvocht uit
776.
A.
B.
C.
D.
Wat bevindt zich NIET in de prostaat
de ductus deferens
de urethra
klierweefsel
de ductus ejaculatorius
777.
A.
B.
C.
D.
Het voorste en achterste schedegewelf zijn de ruimten tussen
cervixkanaal en portio vaginalis
portio vaginalis en wand van de vagina
schaamheuvel en vagina
vagina en rectum
A
B
B
D
A
C
B
A
A
B
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
778.
A.
B.
C.
D.
blad 81 van 232
De zaadvloeistof is voornamelijk afkomstig uit de
zaadblaasjes
prostaat
kliertjes van Cowper
zaadkanaaltjes
779.
Hoe groot is in het sperma het percentage dat wordt ingenomen door de
zaadvloeistof
A. 1
B. 50
C. 75
D. 99
780.
A.
B.
C.
D.
Spermatogoniën zijn
de moedercellen van de zaadcellen
rijpe zaadcellen
de cellen van de wand van de zaadkanaaltjes
verzorgende cellen voor de zaadcellen
781.
A.
B.
C.
D.
De spermatogenese wordt vooral benvloed door het
hormoon ICSH
hormoon testosteron
follikel stimulerend hormoon
luteniserend hormoon
782.
A.
B.
C.
D.
De in de testis gevormde zaadcellen worden opgeslagen in de
testis
epididymis
prostaat
zaadblaasjes
783.
De testes zijn afgedaald vanuit de buikholte tot in het scrotum; een aanwijzing
hiervoor kan worden gevonden in de ligging van de
A. ureters
B. urineblaas
C. zaadblaasjes
D. zaadleiders
784.
A.
B.
C.
D.
De testes zorgen voor de productie van
de hormonen testosteron en ICSH
gameten en het hormoon LH
gonadotrope hormonen en gameten
zaadcellen en het hormoon testosteron
785.
A.
B.
C.
D.
De testis is een klier die behoort tot de categorie der
endocriene klieren
exocriene en endocriene klieren
trosvormige klieren
geslachtsklieren en lymfeklieren
786.
A.
B.
C.
D.
In de testes worden de volgende hoeveelheden hormonen geproduceerd
zeer veel testosteron en zeer veel oestron
zeer veel testosteron en zeer weinig oestron
zeer weinig testosteron en zeer veel oestron
zeer weinig testosteron en zeer weinig oestron
B
D
B
C
B
D
D
B
B
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
blad 82 van 232
787.
Met welk onderdeel van de vrouwelijke geslachtsorganen is de testis van de man
functioneel te vergelijken
A. clitoris
B. corpus luteum
C. Graafse follikel
D. ovarium
788.
A.
B.
C.
D.
Spermacellen worden gemaakt door de
epididymidis
prostaat
testes
zaadblaasjes
789.
Tijdens de ontwikkeling van het mannelijke embryo dalen de testes af vanuit de
buikholte naar het scrotum. De testes arriveren bij het begin van de ..... maand in het
scrotum
A. derde
B. vijfde
C. zevende
D. negende
790.
A.
B.
C.
D.
Voor de afdaling van de testis is benodigd
testosteron
prolactine
oestron
oxytocine
791.
De productie van testosteron wordt gestimuleerd door een ander hormoon. In welk
orgaan wordt dit laatste hormoon gemaakt
A. in het bijniermerg
B. in de hypofyse
C. in de schildklier
D. in een testis
792.
A.
B.
C.
D.
Het hormoon testosteron behoort tot de groep van de
androgene hormonen
bijniermerghormonen
gonadotrope hormonen
oestrogenen hormonen
793.
Het in de testes gevormde testosteron is vergelijkbaar met het door de vrouw
gevormde
A. prolactine
B. oestron
C. oxytocine
D. luteotroop hormoon
794.
A.
B.
C.
D.
Testosteron wordt gevormd door de
epididymis
cellen van Sertoli
zaadkanaaltjes
cellen van Leydig
795.
A.
B.
C.
D.
Testosteron wordt gevormd in
het mediastinum testes
de cellen van Sertoli
de zaadkanaaltjes
de cellen van Leydig
D
C
D
A
B
A
B
D
D
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
blad 83 van 232
796.
Tijdens de puberteit wordt bij de jongen de stem verlaagd onder invloed van een
hormoon. Door welk orgaan wordt dit hormoon geproduceerd
A. prostaat
B. schildklier
C. strottenhoofd
D. testis
797.
A.
B.
C.
D.
Het transport van de eicel in de eileider vindt plaats onder invloed van
de aanzuigende werking van de uterus
het zelfstandige voortbewegingsvermogen van de eicel
de trilhaarbeweging, peristaltiek en vloeistofstroom in de eileider
de kracht van de ovulatie
798.
A.
B.
C.
D.
De wand van de tuba bestaat voornamelijk uit
plaveiselepitheel + glad spierweefsel
plaveiselepitheel + elastisch bindweefsel
trilhaarepitheel + glad spierweefsel
trilhaarepitheel + elastisch bindweefsel
799.
A.
B.
C.
D.
De urethra van de man loopt
boven het corpus spongiosum
door het corpus cavernosum
tussen het corpus spongiosum en het corpus cavernosum
door het corpus spongiosum
800.
A.
B.
C.
D.
De juiste benaming voor het slijmvlies van de uterus is
endometrium
myometrium
parametrium
perimetrium
801.
A.
B.
C.
D.
De portio vaginalis is
het in de vagina uitstekende deel van de cervix
het bovenste deel van de vagina
de top van de baarmoeder
de plaats waar de eileiders in de baarmoeder komen
802.
A.
B.
C.
D.
De uterus bestaat uit o.a. de volgende delen
fundus, ampulla en isthmus
fundus, corpus en cervix
corpus, cervix en infundibulum
infundibulum, ampulla en isthmus
803.
A.
B.
C.
D.
De uterus bevindt zich
midden in het grote bekken, gedeeltelijk rustend op de blaas
midden in het grote bekken, gedeeltelijk rustend op het rectum
midden in het kleine bekken, gedeeltelijk rustend op de blaas
midden in het kleine bekken, gedeeltelijk rustend op het rectum
804.
De uterus bevindt zich midden in het (1) ....... bekken, gedeeltelijk rustend op
de/het (2)......
A. 1. grote
B. 1. grote
C. 1. kleine
D. 1. kleine
D
C
C
D
A
A
B
C
C
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
blad 84 van 232
805.
A.
B.
C.
D.
De wand van de uterus bestaat van binnen naar buiten uit
endometrium - myometrium - perimetrium
endometrium - perimetrium - myometrium
myometrium - perimetrium - endometrium
perimetrium - myometrium - endometrium
806.
A.
B.
C.
D.
Met het endometrium wordt bedoeld
de binnenbekleding van de uterus
de buitenbekleding van de uterus
de spierlaag van de uterus
het bloedvatensysteem van de uterus
807.
A.
B.
C.
D.
Met het myometrium wordt bedoeld
de binnenbekleding van de uterus
de buitenbekleding van de uterus
de spierlaag van de uterus
het bloedvatensysteem van de uterus
808.
A.
B.
C.
D.
Onder de fundus van de baarmoeder verstaat men het
gedeelte boven en tussen de inmonding van de eileiders
gedeelte onder de inmonding van de eileiders
onderste brede deel
onderste smalle deel
809.
A.
B.
C.
D.
Onder de portio vaginalis verstaat men
de inwendige opening van de vagina
de uitwendige opening van de vagina
het gedeelte van de cervix dat in de vagina uitsteekt
het gedeelte van de vagina dat in de cervix uitsteekt
810.
A.
B.
C.
D.
Voor het verkrijgen van cellen voor een uitstrijkje wordt de spatel gebracht in
het endometrium
de portio
de fundus
de isthmus
811.
Bij jonge meisjes is de vagina gedeeltelijk afgesloten door een halvemaan- of
cirkelvormige slijmvliesplooi. Men noemt deze plooi
A. hymen
B. labium minor
C. menarche
D. mons pubis
812.
A.
B.
C.
D.
De klieren van Bartholini
produceren geurstoffen
monden uit naast de uitmonding van de urethra
monden uit aan de binnenkant van de labia minora
bevinden zich in de wand van de vagina
813.
A.
B.
C.
D.
De klieren van Bartholini monden uit
naast de uitmonding van de urethra
aan de binnenkant van de labia minora
in de wand van de vagina
in de portio vaginalis
814.
A.
B.
C.
D.
De portio vaginalis is een onderdeel van
de uterus
de vagina
het vestibulum
het ovarium
A
A
C
A
C
B
A
C
B
A
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
815.
A.
B.
C.
D.
Welk deel behoort NIET tot de inwendige vrouwelijke geslachtsorganen
baarmoeder
eierstok
eileider
kleine schaamlippen
816.
A.
B.
C.
D.
De wand van de zaadkanaaltjes bestaat uit
trilhaarepitheel en glad spierweefsel
plaveiselepitheel en bindweefsel
spermatozon en cellen van Leydig
spermatogoniën en steuncellen van Sertoli
blad 85 van 232
817.
Bij de sterilisatie van de man worden de beide zaadleiders onderbroken; hierdoor
verhindert men
A. de afvoer van hormonen en de lozing van zaadcellen
B. de afvoer van hormonen vanuit de testes
C. de lozing van zaadcellen
D. de productie van testosteron en de lozing van zaadcellen
818.
A.
B.
C.
D.
De afvoerbuis van de zaadcellen voegt zich bij de urethra
boven de prostaat
in de prostaat
onder de prostaat
in de penis
819.
A.
B.
C.
D.
De wand van de zaadleider bestaat uit
bindweefsel
dwarsgestreept spierweefsel
glad spierweefsel en bindweefsel
glad spierweefsel
820.
A.
B.
C.
D.
Door onderbreking van de ductus deferens verhindert men
de afvoer van zaadcellen
de afvoer van hormonen
de afvoer van zowel geslachtscellen als hormonen
de aanvoer van stimulerende hypofyse-hormonen
821.
A.
B.
C.
D.
Er bestaat de volgende relatie tussen zaadleider en zaadstreng
de zaadstreng bevindt zich in de zaadleider
de zaadstreng is langer dan de zaadleider
zaadstreng en zaadleider lopen gemeenschappelijk tot de inwendige liesopening
zaadstreng en zaadleider zijn ongeveer even lang
822.
A.
B.
C.
D.
Welke uitspraak is juist
de zaadstreng ligt om de zaadleider
de zaadleider ligt om de zaadstreng
de zaadstreng is langer dan de zaadleider
de zaadleider eindigt bij de inwendige liesopening
823.
Wanneer een vrouw zwanger is blijft de menstruatie achterwege doordat
A. er hormonen worden gevormd die zorgen voor het in stand houden van het
endometrium
B. het embryo zich innestelt in het endometrium en dit hierdoor niet meer loslaat
C. het embryo de baarmoedermond afsluit met de vruchtvliezen
D. de productie van oestrogenen geremd wordt
D
D
C
B
C
A
C
A
A
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
824.
A.
B.
C.
D.
blad 86 van 232
Allelen zijn genen die ........ voorkomen
op overeenkomstige plaatsen op homologe chromosomen
op verschillende plaatsen op homologe chromosomen
nooit op de X-chromosomen
uitsluitend op de X-chromosomen
825.
Als een spermatozo met een X-chromosoom een eicel bevrucht zal na 9 maanden
een .... geboren worden
A. meisje
B. jongetje
C. ‚‚n-eiïge tweeling
D. twee-eiïge tweeling
826.
Als een spermatozo met een Y-chromosoom een eicel bevrucht zal na 9 maanden
een .... geboren worden
A. meisje
B. jongetje
C. ‚‚n-eiïge tweeling
D. twee-eiïge tweeling
827.
A.
B.
C.
D.
De ..... van de tuba uterina draagt zorg voor de opvang van de eicel na de eisprong
de istmus
het ligamentum latum (brede baarmoederband)
de ampulla
het infundibulum
828.
A.
B.
C.
D.
De bacillen van Döderlein in de vagina ...
produceren slijm waardoor de penis gemakkelijk kan binnen dringen
wekken de geslachtsdrift op
beschermen de geslachtsorganen tegen infecties
reinigen de vulva van urineresten
829.
A.
B.
C.
D.
De bekleding van de vaginawand wordt gevormd door ...
eenlagig trilhaarepitheel
eenlagig cilindrisch epitheel
meerlagig plaveisel epitheel
meerlagig overgangsepitheel
830.
A.
B.
C.
D.
De binnenbekleding van de tubae bestaat uit ...
trilhaarepitheel
overgangsepitheel
eenlagig plaveiselepitheel
glad spierweefsel
831.
A.
B.
C.
D.
De cellen van Leydig produceren ...
spermatogoniën
testosteron
het luteïniserend hormoon
zaadvocht
832.
A.
B.
C.
D.
De eicel ontwikkeld zich in ...
de Graafse follikel
het corpus rubrum
het corpus albicans
het corpus luteum
A
A
B
D
C
C
A
B
A
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
833.
A.
B.
C.
D.
De eileiders liggen ...
extraperitoneaal
intrapreitoneaal
retroperitoneaal
preperitoneaal
834.
A.
B.
C.
D.
De fimbriae vormen ...
de overgang van de tuba uterina in de uterus
de overgang van het infundibulum in de ampulla
uitlopers van het infundubulum
geen onderdeel van de tuba uterina
blad 87 van 232
835.
De follikelrijping tot de vorming van de Graafse follikel vindt plaats onder invloed
van ...
A. oestrogenen
B. progesteron
C. het follikelstimulerend hormoon (FSH)
D. het luteïniserend hormaan (LH)
836.
A.
B.
C.
D.
De follikels, waarin zich de eicellen ontwikkelen, liggen ...
in de merglaag van de ovaria
in de schorslaag van de ovaria
in de ampulla van de eileider
in het corpus luteum
837.
A.
B.
C.
D.
De functie van de epididymis (bijbal) is ...
het produceren van zaadcellen
het produceren van testosteron
het toevoegen van zaadvocht aan de zaadcellen
het opslaan van zaadcellen
838.
A.
B.
C.
D.
De functie van de prostaat is productie van ...
sperma
zaadcellen
zaadvloeistof
geslachtshormonen
839.
...
A.
B.
C.
D.
De handhaving van het endometrium tijdens de secretiefase wordt gereguleerd door
C
C
B
D
C
D
oestron
het follikelstimulerend hormoon
het luteïniserend hormoon
progesteron
840.
De kleine opening in de portio die de overgang vormt tussen vagina holte en
cervixkanaal heet ...
A. clitoris
B. schedegewelf
C. ostium internum uteri
D. ostium externum uteri
841.
A.
B.
C.
D.
B
De ligging van de tubae uterinae duidt men aan met ...
subperitoneaal
intraperitoneaal
preperitoneaal
retroperitoneaal
D
B
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
blad 88 van 232
842.
A.
B.
C.
D.
De meiotische celdeling is een celdeling, waarbij ...
cellen ontstaan met een diploïd aantal chromosomen
cellen ontstaan met een teveel aan chromosomen
cellen ontstaan met een haploïd aantal chromosomen
cellen ontstaan met te weinig chromosomen
843.
A.
B.
C.
D.
De menstruatiefase wordt gekenmerkt door ...
groei van het endometrium
afstoting van het endometrium
activatie van klieren in het endometrium
relaxatie van het myometrium
844.
A.
B.
C.
D.
De mitotische celdeling is een celdeling, waarbij ...
cellen ontstaan met een diploïd aantal chromosomen
cellen ontstaan met een teveel aan chromosomen
cellen ontstaan met een haploïd aantal chromosomen
cellen ontstaan met te weinig chromosomen
845.
A.
B.
C.
D.
De opbouw van endometrium tijdens de proliferatiefase wordt gereguleerd door ...
oestron
het follikelstimulerend hormoon
het luteïniserend hormoon
progesteron
846.
A.
B.
C.
D.
De overgang van de baarmoederholte naar het cervixkanaal heet ...
portio vaginalis uteri
cavum uteri
ostium internum uteri
ostium externum uteri
847.
A.
B.
C.
D.
De poollichaampjes bevatten ...
23 chromosomen
23 paar chromosomen
22 chromosomen plus een Y-chromosoom
21 chromosomen plus XX-chromosomen
848.
A.
B.
C.
D.
De portio is ...
de plaats waar de eileider uitmondt in de baarmoeder
het onderste deel van de cervix dat uitsteekt in de vagina
de uitmonding van de vagina in de voorhof
een welving aan de voorzijde van de symfyse
849.
A.
B.
C.
D.
De primaire follikels zijn in het ovarium aanwezig vanaf ...
de geboorte
de kleutertijd
de pubertijd
de jonge volwassenheid
850.
A.
B.
C.
D.
De proliferatiefase wordt gekenmerkt door ...
groei van het endometrium
afstoting van het endometrium
activatie van klieren in het endometrium
contractie van het myometrium
851.
A.
B.
C.
D.
De reductiedeling begint bij een eicel ...
tijdens de embryonale ontwikkeling
tijdens de rijping van de eicel
vlak voor of tijdens de ovulatie
na de ovulatie
C
B
A
A
C
A
B
A
A
A
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
blad 89 van 232
852.
A.
B.
C.
D.
De secretiefase wordt gekenmerkt door ...
groei van het endometrium
afstoting van het endometrium
activatie van klieren in het endometrium
contractie van het myometrium
853.
A.
B.
C.
D.
De testes zorgen voor de productie van ...
gonadotrope hormonen en gameten
de gameten en het hormoon LH
de hormonen testosteron en LH
de gameten en het hormoon testosteron
854.
A.
B.
C.
D.
De versmelting van de voortplantingscellen tot ‚‚n nieuwe cel noemt men ...
bevruchting (conceptie)
ovulatie
menarche
copulatie
855.
A.
B.
C.
D.
De wand van de ductus deferens bestaat voornamelijk uit ...
dwarsgestreept spierweefsel
gladspierweefsel
elastisch bindweefsel
reticulair bindweefsel
856.
de
A.
B.
C.
D.
Door welk hormoon of hormonen wordt de vorming van primaire spermatocyten in
testes bevorderd
door androgenen
door oestrogenen
door het follikelstimulerend hormoon
door het luteïniserend hormoon
857.
Een cel is voor een bepaalde eigenschap homozygoot indien de cel voor deze
eigenschap ...
A. twee identieke genen bevat
B. ‚‚n gen bevat
C. meerdere verschillende genen bevat
D. op elk geslachtschromosoom een gen bevat
858.
Een cel is voor een bepaalde eigenschap homozygoot indien de cel voor deze
eigenschap ...
A. ‚‚n gen bevat
B. twee identieke genen bevat
C. twee verschillende genen bevat
D. meerdere verschillende genen bevat
859.
A.
B.
C.
D.
Een celdeling met behoud van het aantal chromosomen heet ...
mitose
meiose
kyfose
osmose
860.
A.
B.
C.
D.
Een functie van de fimbriae is ...
het opvangen van een eicel na de ovulatie
het vormen van hormonen
het ontwikkelen van een eicel
het vormen van een Graafse follikel
C
D
A
B
C
A
B
A
A
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
861.
A.
B.
C.
D.
Een inwendig vrouwelijke geslachtsorgaanis ...
de clitoris
het hymen
het perineum
de cervix uteri
862.
A.
B.
C.
D.
Een nakomeling heeft altijd bloedgroep AB als ...
vader bloedgroep AB heeft en moeder bloedgroep OO
vader bloedgroep AO heeft en moeder bloedgroep BO
vader bloedgroep BO heeft en moeder bloedgroep AO
vader bloedgroep AA heeft en moeder bloedgroep BB
863.
A.
B.
C.
D.
Een opslagplaats van spermatozoën is (zijn) ...
de prostaat
de zaadblaasjes
de ductus deferens
de epididymis
864.
A.
B.
C.
D.
Een primair mannelijk geslachtskenmerk is ...
de aanwezigheid van testes
de groei van de larynx
de baardgroei
de productie van testosteron
865.
A.
B.
C.
D.
Een primair mannelijk geslachtskenmerk is ...
de aanwezigheid van de prostaat
de groei van het strottenhoofd
de baardgroei
de zaadlozing
866.
A.
B.
C.
D.
Een primair vrouwelijk geslachtskenmerk is ...
de okselbeharing
het bezitten van ovaria
de borstontwikkeling
de menstruatie
blad 90 van 232
867.
Een recessief kenmerk dat zich niet bij de ouders manifesteert, kan alleen dan bij
hun kinderen voorkomen, als ...
A. beide ouders drager zijn van dat erfelijk kenmerk
B. de moeder draagster is van dat erfelijk kenmerk
C. de vader drager is van dat erfelijk kenmerk
D. het recessieve kenmerk gecompenseerd wordt door een dominant kenmerk
868.
A.
B.
C.
D.
Een secundair mannelijk geslachtskenmerk is ...
de aanwezigheid van de larynx
de aanwezigheid van testes
de aanwezigheid van huidbeharing
de productie van testosteron
869.
A.
B.
C.
D.
Een toename van het aantal primaire spermatocyten is een direct effect van ...
aldosteron
testosteron
FSH
LH (luteïniserend hormoon)
D
D
D
A
A
B
A
D
C
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
blad 91 van 232
870.
Een verhoogde celdelingsactiviteit van spermatogoniën wordt gestimuleerd door
hormonen van ...
A. de bijnierschors
B. de hypofyse
C. de bijnierschors en de hypofyse
D. geen van bovenstaande organen
871.
A.
B.
C.
D.
Een
een
een
een
een
zygote is ...
bevruchte eicel met 23 chromosomen
bevruchte eicel met 46 chromosomen
bevruchte eicel met 46 paar chromosomen
poollichaampje
872.
A.
B.
C.
D.
Hemofilie of bloederziekte is een afwijking van een ...
X-chromosomaal gen
Y-chromosomaal gen
compleet X-chromosoom
compleet Y-chromosoom
873.
A.
B.
C.
D.
Het aantal geslachtschromosomen in een mannelijke zaadcel bedraagt ...
1
2
23
46
874.
A.
B.
C.
D.
Het bovenste deel van de baarmoeder noemt men ...
corpus uteri
cervix uteri
cervix kanaal
fundus uteri
875.
A.
B.
C.
D.
Het endometrium is opgebouwd uit ...
endotheel
epitheel
mesotheel
geen van de bovengenoemde weefsels
876.
A.
B.
C.
D.
Het endometrium komt in de secretiefase onder invloed van ...
FSH
LH
progesteron
secretine
877.
A.
B.
C.
D.
Het FSH bevordert bij de man ...
de beweeglijkheid van de zaadcellen
de testosteronsecretie
de rijping van schildklierfollikels
de vorming van spermatocyten
878.
A.
B.
C.
D.
Het FSH zorgt bij de man voor ...
de aanmaak van testosteron
de ontwikkeling van secundaire geslachtskenmerken
een toename van het aantal primaire spermatocyten
de differentiatie van spermatozoën
879.
A.
B.
C.
D.
Het gele lichaam ontstaat vanuit ...
de primordiale follikel
de Graafse follikel
het corpus rubrum
het corpus albicans
B
B
A
A
D
B
C
D
C
C
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
880.
A.
B.
C.
D.
Het geslacht wordt bepaald door ...
het X-chromosoom in een eicel
de X-chromosomen in een eicel
het X- of Y-chromosoom in een zaadcel
de Y-chromosomen in een zaadcel
881.
A.
B.
C.
D.
Het LH bevordert bij de man ...
de beweeglijkheid van de zaadcellen
de testosteronsecretie
de rijping van schildklierfollikels
de activiteit in de zaadkanaaltjes
882.
A.
B.
C.
D.
Het LH zorgt bij de man voor ...
de aanmaak van testosteron
de secundaire geslachtskenmerken
de vorming van de voorlopers van de zaadcellen
de rijping van de zaadcellen
883.
A.
B.
C.
D.
Het ligamentum cardinale vormt ...
de ventrale begrenzing van het brede ligament
de dorsale begrenzing van het brede ligament
de ventrale begrenzing van het ronde ligament
de dorsale begrenzing van het ronde ligament
884.
A.
B.
C.
D.
Het ronde ligament vormt ...
de ventrale begrenzing van het brede ligament
de dorsale begrenzing van het brede ligament
de ventrale begrenzing van het ligamentum cardinale
de dorsale begrenzing van het ligamentum cardinale
blad 92 van 232
885.
Hoe groot is de kans dat het tweede kind als jongen geboren wordt indien het eerste
kind ook al een jongen is
A. 0,25
B. 0,5
C. 0,75
D. 1
886.
A.
B.
C.
D.
Hoe groot is de kans, dat na de bevruchting een jongen geboren wordt
0,25
0,5
0,75
1
887.
A.
B.
C.
D.
Hoe noemt men het proces waarbij de penis zich opricht
copulatie
immissie
ejaculatie
erectie
888.
A.
B.
C.
D.
Hoe noemt men het spierweefsel van de uterus
myocard
myomysium
myometrium
myoneurium
889.
A.
B.
C.
D.
Hoeveel chromosomen bevat een bevruchte eicel
44 plus XX-chromosomen
22 plus XX- of XY-chromosomen
22 plus XY-chromosomen
44 plus XX- of XY-chromosomen
C
B
A
B
A
B
B
D
C
D
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
blad 93 van 232
890.
A.
B.
C.
D.
Hoeveel chromosomen bevat een mannelijke zaadcel
22 plus ‚‚n Y-chromosoom
22 plus een X-chromosoom
22 plus twee Y-chromosomen
22 plus ‚‚n X- of Y-chromosoom
891.
A.
B.
C.
D.
Hoeveel chromosomen bezitten de menselijke geslachtscellen
22 paar chromosomen
23 chromosomen
46 paar chromosomen
46 chromosomen
892.
A.
B.
C.
D.
Iedere primaire follikel in het ovarium bestaat uit ...
follikelcellen
eicellen
‚‚n eicel omgeven door een laag follikelcellen
een groepje eicellen omgeven door een laag follikelcellen
893.
A.
B.
C.
D.
In de Graafse follikel worden .... geproduceerd
follikelstimulerende hormonen
oestrogenen
progestagenen
luteïniserende hormonen
894.
A.
B.
C.
D.
In welk gedeelte van de eileider vindt meestal de bevruchting van de eicel plaats
in de ampulla
in de istmus
in de fimbriae
in de infundibulum
895.
In welke achtereenvolgende fasen bevindt zich het endometrium vanaf het moment
van de ovulatie, wanneer de eicel niet bevrucht is
A. menstruatie-, secretie- en proliferatiefase
B. proliferatie-, secretie- en menstruatiefase
C. secretie-, menstruatie- en proliferatiefase
D. secretie-, proliferatie- en menstruatiefase
896.
A.
B.
C.
D.
Indien er geen bevruchting plaatsvindt verdwijnt het gele lichaam na circa ...
2 dagen
12 dagen
2 maanden
4 maanden
897.
Kleurenblindheid komt bij mannen vaker voor dan bij vrouwen, omdat het een
erfelijke afwijking is van een ...
A. X-chromosomaal gen
B. Y-chromosomaal gen
C. compleet X-chromosoom
D. compleet Y-chromosoom
898.
Met anteflexie van de uterus wordt bedoeld dat ...
A. het corpus en de fundus van de baarmoeder meer naar voren gebogen zijn dan de
cervix in de baarmoeder
B. de fundus van de baarmoeder meer naar voren gebogen is dan het corpus van de
baarmoeder
C. de gehele baarmoeder ten opzichte van de vagina naar voren gebogen is
D. de gehele baarmoeder ten opzichte van de vagina naar achteren gebogen is
D
B
C
B
A
C
B
A
A
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
899.
A.
B.
C.
D.
Met anteversie van de uterus wordt bedoeld dat ...
de corpus en fundus meer naar voren gebogen zijn dan de cervix
de fundus meer naar voren gebogen is dan het corpus
de gehele uterus ten opzichte van de vagina naar voren gebogen is
de gehele uterus ten opzichte van de vagina naar achteren gebogen is
900.
A.
B.
C.
D.
Na de eisprong zal het restant van de Graafse follikel ...
opnieuw beginnen met de vorming van een eicel
tijdelijk een endocriene functie gaan vervullen
het hormoon LH gaan produceren
binnen vier dagen geheel verdwijnen
901.
A.
B.
C.
D.
Na de meiose vanuit ‚‚n oöcyt ontstaat of ontstaan bij de vrouw ...
4 rijpe geslachtscellen
3 rijpe geslachtscellen
2 rijpe geslachtscellen
1 rijpe geslachtscel
902.
A.
B.
C.
D.
Na de meiose vanuit ‚‚n spermatocyt ontstaat of ontstaan bij de man ...
4 rijpe geslachtscellen
3 rijpe geslachtscellen
2 rijpe geslachtscellen
1 rijpe geslachtscel
903.
A.
B.
C.
D.
Onder de corpus uteri verstaat men ...
het uterusgedeelte boven de inmonding van de eileider
het uterusgedeelte onder de inmonding van de eileider
het middelste deel van de baarmoeder
het smalste deel van de baarmoeder
904.
A.
B.
C.
D.
Onder de fundus uteri verstaat men ...
het uterusgedeelte boven de inmonding van de eileider
het uterusgedeelte onder de inmonding van de eileider
het middelste deel van de baarmoeder
het smalste deel van de uterus
905.
A.
B.
C.
D.
Onder perineum verstaat men ...
het vlies dat de buikorganen bekleedt
de huid die om de glans van de penis ligt
de binnenbekleding van de uterus
een huidplooi tussen de schaamspleet en de anus
906.
A.
B.
C.
D.
Onder preputium verstaat men ...
het vlies dat de buikorganen bekleedt
de huid die om de glans van de penis ligt
de binnenbekleding van de baarmoeder
de huidplooi tussen de schaamspleet en de anus
907.
A.
B.
C.
D.
Ontwikkeling van zaadcellen vindt plaats in ...
de testis
de epididymis
het zaadblaasje
de prostaat
908.
A.
B.
C.
D.
Progesteron wordt geproduceerd in ...
de follikels van het ovarium
de corpora lutea
het endometrium
de hypofyse
blad 94 van 232
C
B
D
A
C
A
D
B
A
B
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
blad 95 van 232
909.
Tijdens de puberteit wordt bij jongens de stem onder invloed van een hormoon
verlaagd. Door welke klier wordt dit hormoon geproduceerd
A. de prostaat
B. de schildklier
C. het bijniermerg
D. de testes
910.
A.
B.
C.
D.
Tot de inwendige vrouwelijke geslachtsorganen rekent men ...
de uterus en de tubae
de vagina en de vulva
de uterus en de clitoris
de hymen en de portio
911.
A.
B.
C.
D.
Tot de uitwendige vrouwelijke geslachtsorganen rekent men ...
de uterus en de tubae
de ovaria en de tubae
de portio en de uterus
de labia minora en de clitoris
912.
Twee genen die op dezelfde locus van homologe chromosomen voorkomen
beïnvloeden ...
A. elk een verschillende eigenschap van een individu
B. een bepaalde eigenschap van een individu
C. het geslacht van een individu
D. het fenotype van een individu
913.
Vader heeft hemofilie (bloederziekte) en moeder heeft de ziekte niet. Uit dit
huwelijk worden vier jongens geboren, die alle vier hemofilie hebben. Deze jongens
hebben de afwijking ontvangen van ...
A. hun vader en moeder
B. hun vader en niet van hun moeder
C. hun moeder en niet van hun vader
D. noch van hun vader en noch van hun moeder omdat hemofilie spontaan optreedt
914.
Vader is kleurenblind en de moeder is draagster voor deze afwijking. Hoe groot is de
kans dat er uit dit huwelijk kinderen geboren worden, die kleurenblind zijn
A. 25% van de jongens en alle meisjes zijn kleurenblind
B. 50% van de jongens en 50% van de meisjes zijn kleurenblind
C. geen van de jongens en 25% van de meisjes zijn kleurenblind
D. alle jongens en geen van de meisjes zijn kleurenblind
915.
...
A.
B.
C.
D.
Van binnen (uterusholte) naar buiten (buikholte) bestaat de wand van de uterus uit
A
D
B
C
B
A
endometrium, myometrium en perimetrium
endometrium, perimetrium en myometrium
myometrium, perimetrium en endometrium
perimetrium, myometrium en endometrium
916.
Vanaf het begin van de follikelrijping in het ovarium ondergaat het endometrium
achtereenvolgens de ...
A. menstruatiefase, secretiefase en proliferatiefase
B. proliferatiefase, secretiefase en menstruatiefase
C. secretiefase, menstruatiefase en proliferatiefase
D. secretiefase, proliferatiefase en menstruatiefase
917.
A.
B.
C.
D.
D
Waar vindt meestal de bevruchting van de eicel plaats
in de ampulla van de tuba uterina
in de corpus uteri
in de cervix uteri
in de vagina
B
A
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
918.
A.
B.
C.
D.
Waar vindt productie van vrouwelijke geslachtshormonen plaats
in de Graafse follikel
in het rode lichaam
in het witte lichaam
in de primordiale follikel
919.
A.
B.
C.
D.
Waar vindt productie van vrouwelijke geslachtshormonen plaats
in het gele lichaam
in het rode lichaam
in het witte lichaam
in de hypofyse
920.
A.
B.
C.
D.
Wat is een gen
een bouwsteen van het DNA
een eenheid van erfelijke informatie
een chromosoom
een specifiek eiwit
blad 96 van 232
921.
A.
B.
C.
Wat is het hymen
de structuur die om de clitoris ligt
de spleetvormige ruimte omgeven door de beide kleine schaamlippen
een slijmvliesplooi die een gedeeltelijke afsluiting vormt tussen de voorhof en de
vaginaholte
D. het gebied tussen de geslachtsdelen en de anus
922.
A.
B.
C.
D.
Wat verstaat men onder geslachtelijke voortplanting
een organisme dat zich in tweeën deelt
delen van een organisme die tot een nieuw organisme uit groeien
twee cellen (gameten) die versmelten tot ‚‚n nieuwe cel
alle bovengenoemde processen zijn vormen van geslachtelijke voortplanting
923.
A.
B.
C.
D.
Welk gedeelte van de baarmoeder ligt het laagst in de bekkenholte
corpus uteri
cervix uteri
protio vaginalis uteri
fundus uteri
924.
Welk hormoon zorgt voor een blijvende verlaging van de stem bij jongens tijdens de
puberteit
A. LH
B. FSH
C. testosteron
D. het schildklierhormoon
925.
Welke bloedgroepen kunnen kinderen hebben als de vader bloedgroep A heeft en de
moeder bloedgroep B
A. bloedgroep A, bloedgroep a.
B. bloedgroep A, bloedgroep B, bloedgroep AB
C. bloedgroep A, bloedgroep B, bloedgroep AB, bloedgroep O
D. alleen bloedgroep AB
926.
A.
B.
C.
D.
Welke functie hebben de zaadblaasjes
vorming van zaadcellen
productie van zaadvloeistof
transport van spermatozoën
opslag van spermatozoën
A
A
B
C
C
C
C
B
B
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
927.
A.
B.
C.
D.
Welke functie heeft de testis
opslag van spermatozoën
transport van spermatozon
productie van zaadvloeistof
productie van testosteron
928.
A.
B.
C.
D.
Welke functie vervult de ductus deferens
vorming van zaadcellen
productie van zaadvloeistof
transport van spermatozoën
opslag van spermatozoën
929.
A.
B.
C.
D.
Welke organen monden uit in het vestibulum
vagina en anus
urethra en anus
vagina en urethra
vagina, urethra en anus
930.
A.
B.
C.
D.
Welke van de onderstaande cellen zijn gevormd na reductiedeling
bloed- en kraakbeencellen
zaad- en eicellen
spier- en zenuwcellen
slijm- en kliercellen
931.
A.
B.
C.
D.
Welke van de onderstaande structuren bevat een eicel
het corpus albicans
het gele lichaam
hen primordiale follikel
geen van de bovenstaande structuren bevat een eicel
932.
A.
B.
C.
D.
Welke van onderstaande structuren verloopt door het lieskanaal
de ductus epididymidis
de ductus efferens
de ductus ejaculatorius
de ductus deferens
933.
A.
B.
C.
D.
wordt geproduceerd in de ...
zaadkanaaltjes
ductus epididymidis (bijbalbuis)
cellen van Leydig
prostaat
934.
A.
B.
C.
D.
Adrenaline heeft de volgende werking
het verlaagt de hartfrequentie
het verlaagt de bloeddruk
het brengt het organisme in een soort van rusttoestand
het remt de darmperistaltiek
935.
A.
B.
C.
D.
Adrenaline wordt geproduceerd door de/het
bijnierschors
bijniermerg
bijschildkliertjes
eilandjes van Langerhans
936.
A.
B.
C.
D.
Aldosteron ..... de kaliumuitscheiding
vermeerdert
vermindert
heeft geen effect op
****
blad 97 van 232
D
C
C
B
C
D
C
D
B
A
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
937.
A.
B.
C.
D.
Corticosteroïden worden gemaakt door
de ovaria
het bijniermerg
de testes
de bijnierschors
938.
A.
B.
C.
D.
Corticosteroïden worden gemaakt door
het juxtaglomulair apparaat
het bijniermerg
de ovaria
de bijnierschors
939.
A.
B.
C.
D.
Cortisol wordt gemaakt in
de ovaria
de hypofyse
de testes
de bijnierschors
940.
A.
B.
C.
D.
De bijnierschors produceert
cortisol
ACTH
adrenaline
noradrenaline
941.
A.
B.
C.
D.
De bijnierschors produceert GEEN hormonen met de volgende werking
vergelijkbaar met die van de mannelijke geslachtshormonen
invloed op de suikerstofwisseling
invloed op de zouthuishouding
verhoging van de hartfrequentie
942.
A.
B.
C.
D.
De bijschildklieren produceren
T3 en T4
thyroxine
parathyroid hormoon
calcitonine
943.
A.
B.
C.
D.
Het calciumgehalte in het bloed wordt geregeld door
parathormoon
aldosteron
adrenaline
groeihormoon
944.
A.
B.
C.
D.
Het calciumgehalte in het bloed wordt geregeld door
de hypofyse
de schildklier
de alvleesklier
de bijschildkliertjes
945.
A.
B.
C.
D.
Het parathormoon van de bijschildklier heeft GEEN invloed op
het spiercontractiemechanisme
het calciumgehalte in het bloed
het calciumgehalte in de botten
de hypofyse
blad 98 van 232
D
D
D
A
D
C
A
D
D
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
blad 99 van 232
946.
Parathormoon heeft de volgende werkingen
A. het verhoogt de terugresorptie van calcium in de nier en stimuleert de
calciumopname uit de darm
B. het verhoogt het calciumgehalte in het bloed en in het bot
C. het verlaagt het calciumgehalte in het bot en vermindert de terugresorptie van
calcium in de nier
D. het verlaagt het calciumgehalte in het bloed en remt de calciumopname uit de darm
947.
A.
B.
C.
D.
Voor de bijschildklieren geldt het volgende
zij liggen midden voor de schildklier
zij benvloeden het basaalmetabolisme
zij produceren parathormoon
zij benvloeden de jodiumstofwisseling
948.
A.
B.
C.
D.
Welke klier met interne secretie werkt onafhankelijk van de hypofyse
de bijschildklieren
de schors van de bijnier
de geslachtsklieren
de schildklier
949.
A.
B.
C.
D.
De functie van insuline is
doorlaatbaar maken van het celmembraan voor glucose
verhogen van het bloedsuikergehalte
omzetten van glycogeen in glucose
verhogen van het basaal metabolisme
950.
A.
B.
C.
D.
Een verlaging van de bloedsuikerspiegel wordt bewerkstelligd door
insuline
adrenaline
glucagon
cortison
951.
A.
B.
C.
D.
Het bloedsuikergehalte wordt verhoogd door de volgende hormonen
adrenaline, insuline, cortisol en groeihormoon
adrenaline, thyroxine, groeihormoon en glucagon
glucagon, adrenaline, cortisol en groeihormoon
insuline, geslachtshormonen, glucagon en parathormoon
952.
A.
B.
C.
D.
In welk gedeelte van het lichaam oefent glucagon zijn werking voornamelijk uit
in het hele lichaam
in de lever
in de spieren
in de lever en de spieren
953.
A.
B.
C.
D.
Insuline heeft de volgende werking
het verhoogt het calciumgehalte van het bloed
het verlaagt het glucosegehalte van het bloed
het verhoogt het glucosegehalte van het bloed
het verlaagt de frequentie van de hartslag
954.
A.
B.
C.
D.
Wat is GEEN functie van insuline
verlagen van het bloedsuikergehalte
bevorderen van de eiwitsynthese in de cel
doorlaatbaar maken van het celmembraan voor glucose
omzetten van glycogeen in glucose
A
C
A
A
A
C
B
B
D
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
955.
A.
B.
C.
D.
Wat is NIET juist Antagonisten van insuline zijn
adrenaline
glucocorticoden
parathormoon
glucagon
956.
A.
B.
C.
D.
Welk hormoon wordt geproduceerd door de eilandjes van Langerhans
angiotensine
cortisol
adrenaline
glucagon
blad 100 van 232
957.
Welke van de onderstaande stoffen veroorzaakt een verhoging van de
bloedsuikerspiegel
A. aldosteron
B. glycogeen
C. insuline
D. adrenaline
958.
A.
B.
C.
D.
Een endocriene klier is een klier die
zijn producten aan de darm afgeeft
zijn producten direct aan het bloed afgeeft
zijn producten via een afvoerbuis naar buiten voert
zijn producten aan de weefselvloeistof afgeeft
959.
A.
B.
C.
D.
Bij welke klieren met interne secretie heeft het begrip "terugkoppeling" plaats
de schildklier
de schors van de bijnier
de geslachtsklieren
alle bovengenoemde
960.
A.
B.
C.
D.
ADH heeft de volgende werking
het bevordert de terugresorptie van water in de verzamelbuisjes
het bevordert de urineproductie
het vermindert de terugresorptie van kalium in de lis van Henle
het bevordert de terugresorptie van natrium in de tubulus contortus II
961.
A.
B.
C.
D.
De hypofyse ligt in het
zeefbeen
turkse zadel
rotsbeen
voorhoofdsbeen
962.
A.
B.
C.
D.
De hypofyse-achterkwab kan de volgende hormonen afgeven
ADH en oxytocine
MSH, ADH en oxytocine
oxytocine en prolactine
TSH, ACTH en ADH
963.
A.
B.
C.
D.
De volgende hormonen worden door de hypofyseachterkwab afgegeven
prolactine en oxytocine
follikel stimulerend hormoon en prolactine
thyroxine en adrenaline
oxytocine en antidiuretisch hormoon
964.
A.
B.
C.
D.
De volgende hormonen worden door de hypofysevoorkwab geproduceerd
prolactine, groeihormoon en thyrotroop hormoon
follikel stimulerend hormoon, oxytocine en prolactine
oxytocine, antidiuretisch hormoon en luteniserend hormoon
groeihormoon, thyroxine en adrenaline
C
D
D
B
D
A
B
A
D
A
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
965.
A.
B.
C.
D.
De volgende werking heeft groeihormoon NIET
verlaging van het bloedsuikergehalte
vermeerderd vetzuurgebruik voor de energievoorziening van de cel
vermeerderde eiwitproductie in de cel
stimulatie van de epifysairschijf
966.
A.
B.
C.
D.
Een andere naam voor de hypofysevoorkwab is
adenohypofyse
pijnappelklier
hypothalamus
neurohypofyse
967.
A.
B.
C.
D.
Een van de functies van prolactine is
bevordering van de melkproductie
stimulering van de melkejectie
remmen van de werking van progesteron
remmen van L.H.
968.
A.
B.
C.
D.
Groeihormoon zorgt voor
de ontwikkeling van de melkklieren
vermeerderd vetzuurgebruik voor de energievoorziening van de cel
verminderde eiwitproductie in de cel
verlaging van het bloedsuikergehalte
969.
A.
B.
C.
D.
Het ACTH heeft de volgende werking
remming van de hypofysevoorkwab
stimulering van de bijnierschors
remming van de bijnierschors
stimulering van de hypofysevoorkwab
970.
A.
B.
C.
D.
Het thyrotroop hormoon heeft de volgende werking
het stimuleert de werking van de hypofyse t.o.v. de schildklier
het remt de werking van de hypofyse t.o.v. de schildklier
het stimuleert de werking van de schildklier
het remt de werking van de schildklier
971.
A.
B.
C.
D.
Het thyrotroop hormoon is een hormoon van
de hypofyse
de schildklier
de bijschildklier
de bijnierschors
972.
A.
B.
C.
D.
Het Turkse zadel is een onderdeel van
het zeefbeen
het wiggenbeen
het rotsbeen
het voorhoofdsbeen
973.
A.
B.
C.
D.
Naast groeihormoon bevorderen de volgende hormonen de groei
oestron, thyroxine, insuline
glucagon, adrenaline, cortisol
thyroxine, adrenaline, testosteron
testosteron, cortisol, thyroxine
blad 101 van 232
974.
Via welke structuren worden de hormonen uit de hypothalamus vervoerd naar de
hypofyse-achterkwab
A. via zenuwvezels
B. via releasingfactors
C. via bloedvaten
D. via het extrapiramidale systeem
A
A
A
B
B
C
A
B
A
A
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
blad 102 van 232
975.
Via welke structuren worden de hormonen uit de hypothalamus vervoerd naar de
hypofysevoorkwab
A. via zenuwvezels
B. via releasingfactors
C. via bloedvaten
D. via het piramidale systeem
976.
A.
B.
C.
D.
Wat is het centraal regulerend orgaan van het hormoonstelsel
de hersenen
de epifyse
de hypofyse
het vasomotorencentrum
977.
A.
B.
C.
D.
Welk hormoon wordt NIET door de hypofysevoorkwab geproduceerd
groeihormoon
prolactine
adrenocorticotroop hormoon
oxytocine
978.
A.
B.
C.
D.
Welke bewering omtrent de functie van de hypofyse is ONJUIST
de hypofyse produceert ACTH
de hypofyse produceert groeihormoon
de hypofyse produceert antidiuretisch hormoon
de hypofyse produceert thyroidstimulerend hormoon
979.
A.
B.
C.
D.
Welke van de onderstaande hormonen wordt NIET door de hypofyse afgegeven
het antidiuretisch hormoon
adrenocorticotroop hormoon
parathormoon
thyrotroop hormoon
980.
A.
B.
C.
D.
De nier produceert de volgende stof om (indirect) de bloeddruk te verhogen
aldosteron
renine
angiotensine
histamine
981.
Met welk systeem werkt het hormoonstelsel samen, om tot een evenwichtig
samenspel in de orgaanfuncties te komen
A. het perifere zenuwstelsel
B. het autonome zenuwstelsel
C. de bloedsomloop
D. het merg van de bijnier
982.
A.
B.
C.
D.
De glandula thyroidea is gelegen
in het mediastinum voor de bifurcatie van de trachea
voor het bovenste gedeelte van het sternum
voor de larynx en het bovenste deel van de trachea
hoog boven in de pharynx
983.
A.
B.
C.
D.
Thyroxine heeft onder andere de volgende werking
het remt de werking van de hypofyse ten opzichte van de schildklier
het stimuleert de werking van de hypofyse ten opzichte van de schildklier
het stimuleert de werking van de schildklier
het remt de werking van de schildklier
C
C
D
C
C
B
B
C
A
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
blad 103 van 232
984.
A.
B.
C.
D.
Secretine wordt geproduceerd door
de maagwand
de duodenumwand
de pancreas
de lever
985.
A.
B.
C.
D.
Wat is de structuur van hormonen
het zijn allemaal stoffen met een eiwitstructuur
alle hormonen hebben een vetachtige structuur
ze hebben dezelfde structuur als enzymen
een aantal hormonen hebben een eiwitstructuur, andere hormonen hebben een
structuur als van cholesterol
986.
A.
B.
C.
D.
Wat verstaat men onder een hormoon
het product van een klier met uitwendige afscheiding
het product van een klier met inwendige afscheiding
een cholesterolachtige stof, die via het bloed, prikkels op organen kan overbrengen
een stof die bij de ontleding van voedsel actief is
987.
A.
B.
C.
D.
Aldosteron bevordert in de nier ...
de uitscheiding van natrium en water
de productie van renine
de terugresorptie van kalium en water
de terugresorptie van natrium en water
988.
A.
B.
C.
D.
Cholecystokinine-pancreozymine stimuleert .
de productie van maagsap
de maagcontracties
de galblaascontractie
de activatie van trypsinogeen tot trypsine
989.
A.
B.
C.
D.
De activiteit van de hypofyse met betrekking tot de afgifte van TSH ...
wordt gestimuleerd bij een hoge bloedtemperatuur
wordt geremd bij een hoge bloedtemperatuur
wordt gestimuleerd bij een hoge bloedglucosespiegel
wordt geremd bij een hoge bloedglucosespiegel
990.
A.
B.
C.
D.
De activiteit van de hypothalamus ...
wordt beïnvloed door het zenuwstelsel
wordt beïnvloed door hormonen
wordt beïnvloed door de effecten van sommige organen
alle bovenstaande mogelijkheden zijn juist
991.
A.
B.
C.
D.
De afgifte van TSH aan het bloed wordt geremd door ...
renine
parathormoon
aldosteron
thyronine
992.
A.
B.
C.
D.
De bijnieren liggen ...
op de top van de nieren
achter de beide nieren
ingekapseld in het nierbekken
ingekapseld in het merg van de nieren
993.
A.
B.
C.
D.
De bijnieren zijn opgebouwd uit ...
een schorslaag, een merglaag en het bijnierbekken
een schorslaag en een piramidelaag
een schorslaag en een merglaag
een merglaag en een piramidelaag
B
D
B
D
C
B
D
D
A
C
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
blad 104 van 232
994.
A.
B.
C.
D.
De eilandjes van Langerhans liggen in ...
de milt
de lever
de pancreas
het duodenum
995.
A.
B.
C.
D.
De endocriene klieren geven hun gevormde stoffen af aan ...
het bloed
de weefsels
de organen
de hypofyse
996.
A.
B.
C.
D.
De functie van hormonen is ...
regulatie van bepaalde weefsel- en orgaanfuncties
regulatie van bepaalde zintuigen
regulatie van bepaalde spijsverteringsorganen
regulatie van bepaalde bloedvormende organen
997.
A.
B.
C.
D.
De gonadotrope hormenen worden gevormd in ...
de gonaden
de voorkwab van de hypofyse
de achterkwab van de hypofyse
de hypothalamus
998.
A.
B.
C.
D.
De gonadotrope hormonen zijn producten van ...
de testes
de hypofyse
de hypothalamus
de ovaria
999.
A.
B.
C.
D.
De klieren waarin hormonen gevormd worden zijn ...
slijmklieren
darmsapklieren
exocriene klieren
endocriene klieren
1000.
A.
B.
C.
D.
De meeste endocriene klieren staan onder rechtstreekse invloed van ...
de thalamus
de hypothalamus
de hypofyse
de epifyse
1001.
A.
B.
C.
D.
De neurale regulatie van het hormonale systeem geschiedt door ...
de hypothalamus
de hypofyse
de thalamus
alle bovengenoemde structuren reguleren het hormonale systeem op neurale wijze
1002.
A.
B.
C.
D.
De omzetting van glucose in glycogeen geschiedt onder invloed van ...
insuline
adrenaline
glucagon
hydrocortison
1003.
A.
B.
C.
D.
De ontwikkeling van de secundaire geslachtskenmerken wordt bevorderd door ...
het luteïniserend hormoon
de oestrogenen en testosteron
het luteotroop hormoon
het adrenocorticotroop hormoon
C
A
A
B
B
D
C
A
A
B
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
1004.
A.
B.
C.
D.
De TSH-productie in de hypofyse wordt ...
gestimuleerd door thyronine
geremd door thyronine
gestimuleerd door het colloïd in de schildklierfollikels
geremd door het colloïd in de schildklierfollikels
1005.
A.
B.
C.
D.
Door het parathormoon wordt ...
calcium door de nieren verhoogd uitgescheiden
vitamine D gevormd
calcium uit het skelet gemobiliseerd
opname van calcium in de darmen geremd
1006.
A.
B.
C.
D.
Een functie van de testis is de productie van ...
progesteron
testosteron
oestrogenen
luteïniserend hormoon
1007.
A.
B.
C.
D.
Een werking van aldosteron is het ...
stimuleren van de natriumreabsorptie
remmen van allergische reacties
stimuleren van de ACTH-productie
remmen van de kaliumexcretie
1008.
A.
B.
C.
D.
Een werking van hydrocortison is het ...
stimuleren van de natriumuitscheiding
remmen van allergische reacties
stimuleren van de ACTH-productie
remmen van de kaliumterugabsorptie
blad 105 van 232
1009. Handhaving van het gele lichaam en de werking ervan in het begin van de
zwangerschap staan onder invloed van ...
A. het luteïniserend hormoon
B. het luteotroop hormoon
C. het follikelstimulerend hormoon
D. de bijnierschorshormonen
1010.
A.
B.
C.
D.
Het adrenocorticotroop hormoon ...
bevordert de groei en secretie van het bijniermerg
bevordert de groei en secretie van de bijnierschors
stimuleert de functie van het mergweefsel in de nier
stimuleert de functie van het schorsweefsel in de nier
1011.
A.
B.
C.
D.
Het adrenocorticotroop hormoon stimuleert de productie van ...
oestrogenen
adrenaline
thyronine
hydrocortison
1012.
A.
B.
C.
D.
Het follikelstimulerend hormoon stimuleert bij de man ...
de deling van spermatogoniën
de vorming van testosteron in de testis
de rijping en de secretie van de follikels in de schildklier
de ontwikkeling van de bijnierschors
1013.
A.
B.
C.
D.
Het groeihormoon stimuleert de groei en ontwikkeling van ...
botweefsel
spierweefsel
bindweefsel
alle weefsel
B
C
B
A
B
B
B
D
A
D
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
blad 106 van 232
1014.
A.
B.
C.
D.
Het groeihormoon wordt gevormd door ...
de ovariumschors
de schildklier
de hypofyseachterkwab
de hypofysevoorkwab
1015.
A.
B.
C.
D.
Het hormoon gastrine wordt gevormd in ...
het duodenum en regelt de secretie van secretine
het antrum van de maag en regelt de secretie van maagsap
de glomerulus en regelt de uitscheiding van water
de lever en regelt de secretie van gal
1016.
A.
B.
C.
D.
Het hormoon, afkomstig uit de bijschildklieren, reguleert ...
de calcium- en fosfaathuishouding
de natrium- en kaliumhuishouding
het basaalmetabolisme
het glucosegehalte in het bloed
1017.
A.
B.
C.
D.
Het luteïniserend hormoon zal ...
de bevruchting van de eicel bevorderen
de ovulatie bevorderen
de vorming van spermatozoën bevorderen
de testosteronafgifte tijdelijk remmen
1018.
A.
B.
C.
D.
Het omzetten van glycogeen in glucose wordt bewerkstelligd onder invloed van ...
glucagon
gastrine
insuline
pepsine
1019.
A.
B.
C.
D.
Het thyroïdstimulerend hormoon ...
stimuleert de groei en secretie van de schildklier
remt de groei en secretie van de schildklier
stimuleert de groei en secretie van de bijschildklier
remt de groei en secretie van de bijschildklier
1020.
A.
B.
C.
D.
Het thyroïdstimulerend hormoon ...
stimuleert de productie van calcitonine
remt de productie van calcitonine
stimuleert de productie van thyronine
remt de productie van thyronine
1021.
A.
B.
C.
D.
Het thyroïdstimulerend hormoon ...
stimuleert de productie van calcitonine
stimuleert de productie van thyronine
stimuleert de productie van calcitonine en thyronine
heeft geen effect op de productie van calcitonine of thyronine
1022.
A.
B.
C.
D.
Het Turkse zadel is ...
de benige rand rondom
de benige rand rondom
de benige rand rondom
de benige rand rondom
1023.
A.
B.
C.
D.
Insuline wordt geproduceerd door ...
de pancreas
het bijniermerg
de bijnierschors
de lever
het oog
de hypofyse
het inwendige oor
de hypothalamus
D
B
A
B
A
A
C
B
B
A
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
1024.
A.
B.
C.
D.
Oxytocine is een hormoon dat ...
de aanmaak van erytrocyten in het beenmerg bevordert
de speekselafgifte stimuleert
de opname van koolstofdioxide door de rode bloedcellen remt
glad spierweefsel aanzet tot ritmische contracties
1025.
A.
B.
C.
D.
Oxytocine is een hormoon dat zorgt voor ...
stimulatie van kliercellen in de melklieren van de borst
inhibitie van kliercellen in de melklieren van de borst
stimulatie van spiercellen in de melklieren van de borst
inhibitie van spiercellen in de melklieren van de borst
1026.
A.
B.
C.
D.
Oxytocine leidt tot ...
contractie van dwarsgestreept spierweefsel
contractie van glad spierweefsel
relaxatie van dwarsgestreept spierweefsel
relaxatie van glad spierweefsel
1027.
A.
B.
C.
D.
Waar wordt het luteotroop hormoon geproduceerd
in het corpus luteum
in de melkklieren
in de hypofyse
in de Graafse follikels
1028.
A.
B.
C.
D.
Wat is de functie van het anti-diuretisch hormoon
bevordering van het filtratieproces uit de glomeruli
remming van het filtratieproces uit de glomeruli
bevordering van het reabsorptieproces uit de niertubuli
remming van het reabsorptieproces uit de niertubuli
1029.
A.
B.
C.
D.
Wat is de invloed van het groeihormoon op pijpbeenderen
stopt lengtegroei
stopt diktegroei
stimuleert lengte- en diktegroei
heeft geen invloed op pijpbeenderen
1030.
A.
B.
C.
D.
Wat is de werking van het lactotroop hormoon
het stimuleert de melkafgifte
het stimuleert de ontwikkeling en werking van het gele lichaam
het stimuleert de rijping van de follikels in het ovarium
het stimuleert de secretie van de follikels in het ovarium
1031.
A.
B.
C.
D.
Wat is de werking van vitamine D
het mobiliseert calcium uit het skelet
het bevordert de resorptie van calcium uit de darm
remt de terugresorptie van calcium in de niertubuli
verlaagt de calciumconcentratie
1032.
A.
B.
C.
D.
Wat is een directe functie van het secretine
stimulatie van de maagmotoriek
stimulatie van de pancreasactiviteit
neutralisatie van het zure milieu in de maag
splitsing van voedsel in de dunne darm
1033.
A.
B.
C.
D.
Wat zijn hormonen
stoffen, afgescheiden
stoffen, afgescheiden
stoffen, afgescheiden
stoffen, afgescheiden
door
door
door
door
slijmvliesepitheel
klieren met externe secretie
klieren met interne secretie
darmsapklieren
blad 107 van 232
D
C
B
C
C
C
B
B
B
C
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
1034.
A.
B.
C.
D.
Welk effect heeft het parathormoon (PTH) met betrekking tot calcium
PTH verlaagt de calciumspiegel in het bloed
PTH remt de resorptie van calcium uit de darm
PTH stimuleert de terugabsorptie van calcium in de niertubuli
PTH verhoogt de stapeling van calcium in botten
1035.
A.
B.
C.
D.
Welk hormoon bevordert de melkafgifte
de androgenen van de bijnierschors
oxytocine
het luteïniserend hormoon
het follikelstimulerend hormoon
blad 108 van 232
1036. Welk hormoon uit de hypofysevoorkwab heeft een directe werking op de
weefselcellen
A. het antidiuretisch hormoon
B. het oxytocine
C. het groeihormoon
D. een glandotroophormoon
1037.
A.
B.
C.
D.
Welk hormoon wordt bij een stress-situaties in verhoogde mate geproduceerd
hydrocortison
aldosteron
oestrogenen
testosteron
1038.
A.
B.
C.
D.
Welk hormoon wordt door de hypofyse geproduceerd
thyronine
lactotroop hormoon (prolactine)
histamine
adrenaline
1039.
A.
B.
C.
D.
Welk hormoon wordt door de neurohypofyse afgegeven aan het bloed
angiotensinogeen
aldosteron
ADH
renine
1040.
A.
B.
C.
D.
Welk hormoon wordt geproduceerd in de schildklier
adrenocorticotroop hormoon
thyroidstimulerend hormoon
thyronine
oxytocine
1041.
A.
B.
C.
D.
Welk hormoon wordt niet door de hypofyse geproduceerd
adrenocorticotroop hormoon
follikelstimulerend hormoon
corticoïden
groeihormoon
1042. Welk hormoon zorgt bij de vrouw voor beëindiging van de lengtegroei van
pijpbeenderen
A. groeihormoon
B. follikelstimulerend hormoon
C. oestrogenen
D. progestagenen
C
B
C
A
B
C
C
C
C
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
blad 109 van 232
1043.
A.
B.
C.
D.
Welk van de onderstaande hormonen behoort niet tot de gonadotrope hormonen
oxytocine
FSH
LH
luteotroop hormoon
1044.
A.
B.
C.
D.
Welk van de volgende hormonen wordt geproduceerd door het bijniermerg
hydrocortison
parathormoon
renine
adrenaline
1045.
A.
B.
C.
D.
Welke bewering met betrekking tot adrenaline is onjuist
adrenaline versnelt de hartactie
adrenaline verhoogt de spanning in de skeletspieren
adrenaline stimuleert de spijsvertering
adrenaline verhoogt de bloedsuikerspiegel
1046.
A.
B.
C.
D.
Welke bewering met betrekking tot hydrocortison is onjuist
hydrocortison bevordert de gluconeogenese
hydrocortison remt ontstekingsreacties
hydrocortison remt de ACTH-productie door de hypofyse
hydrocortison bevordert de terugresorptie van natrium en water
1047. Welke bewering met betrekking tot oestrogenen is onjuist
A. oestrogenen brengen het endometrium in de proliferatiefase
B. oestrogenen bevorderen bij de vrouw de ontwikkeling van secundaire
geslachtskenmerken
C. oestrogenen remmen de FSH-productie
D. oestrogenen remmen de LH-productie
1048.
A.
B.
C.
D.
Welke bewering over het groeihormoon is juist
het wordt geproduceerd in de hypofysevoorkwab
het wordt gedurende het gehele leven geproduceerd
het bevordert de eiwitsynthese in cellen
alle bovenstaande beweringen zijn juist
1049.
A.
B.
C.
D.
Welke bewering over het groeihormoon is niet juist
het bevordert de groei van meerdere weefsels
het wordt gedurende het gehele leven geproduceerd
het bevordert de opname van aminozuren in de cellen
het wordt geproduceerd door de hypothalamus
1050.
A.
B.
C.
D.
Welke hormonen worden in de binnenste schorslaag van de bijnier gevormd
mineraalcorticoïden
glucocorticoïden
oestrogenen en androgenen
adrenaline en noradrenaline
1051.
A.
B.
C.
D.
Welke hormonen worden in de buitenste schorslaag van de bijnier gevormd
glucocorticoïden
androgenen
mineralocorticoïden
oestrogenen
1052.
A.
B.
C.
D.
Welke hormonen worden in de middelste schorslaag van de bijnier gevormd
mineraalcorticoïden
glucocorticoïden
oestrogenen
adrenaline en noradrenaline
A
D
C
D
D
D
D
C
C
B
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
1053.
A.
B.
C.
D.
Welke van de volgende hormonen is een corticosteroïd
hydrocortison
parathormoon
renine
testosteron
1054.
A.
B.
C.
D.
Welke van de volgende stoffen behoort tot de glucocorticoïden
aldosteron
adrenaline
hydrocortison
glucagon
1055.
A.
B.
C.
D.
Welke van de volgende stoffen behoort tot de mineralocorticoïden
aldosteron
calcitonine
hydrocortison
parathormoon
1056.
A.
B.
C.
D.
De huid speelt een belangrijke rol bij
het opnemen van O2 uit de omgeving
het constant houden van de zweetproductie
de bescherming tegen uitwendige invloeden
de regulatie van het zoutgehalte van het lichaam
1057.
A.
B.
C.
D.
Haren worden gevormd door
de opperhuid
de lederhuid
de subcutis
de hoornlaag
1058.
A.
B.
C.
D.
Vanuit welke structuur ontstaan de haren
de opperhuid
de lederhuid
het onderhuidse vetweefsel
het onderhuidse bindweefsel
1059.
A.
B.
C.
D.
De basale cellaag van de epidermis bestaat uit
plaveiselcellen
overgangscellen
kubische of cilindrische cellen
trilhaarepitheel
1060.
A.
B.
C.
D.
De epidermis bestaat uit
verhoornend plaveiselepitheel
niet verhoornend plaveiselepitheel
kubisch epitheel
bindweefselcellen
1061.
A.
B.
C.
D.
Pigmentvormende cellen vindt men in
de hoornlaag
de moederlaag
de lederhuid
het onderhuidse bindweefsel
1062.
A.
B.
C.
D.
Zweetklieren zijn ontstaan uit
onderhuids bindweefsel
lederhuid
opperhuid
hoornlaag
blad 110 van 232
A
C
A
C
A
A
C
A
B
C
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
1063.
A.
B.
C.
D.
De huid bestaat uit de volgende lagen
epidermis, dermis en subcutis
stratum corneum, dermis en subcutis
stratum corneum, stratum basale en subcutis
epidermis, corium en stratum basale
1064.
A.
B.
C.
D.
De huid bestaat uit de volgende lagen
opperhuid, lederhuid en slijmlaag
hoornlaag, lederhuid en vetweefsel
hoornlaag, slijmlaag en onderhuidse bindweefsel
opperhuid, lederhuid en onderhuidse bindweefsel
1065.
A.
B.
C.
D.
De kiemlaag van de huid ligt in
de hoornlaag
de lederhuid
het onderhuidse bindweefsel
de opperhuid
1066.
A.
B.
C.
D.
De onderste cellaag van de epidermis bestaat uit
overgangscellen
kubische of cilindrische cellen
trilhaarepitheel
plaveiselcellen
1067.
A.
B.
C.
D.
De lederhuid bestaat uit
vetweefsel en losmazig bindweefsel
cilindrische cellen
collagene en elastische bindweefselvezels
de kiemlaag van de huid
blad 111 van 232
1068. Een vrouw epileert haar onderbenen; uit welke lagen van de huid kunnen de haren
worden getrokken
A. alleen de opperhuid
B. de opperhuid en de lederhuid
C. de hoornlaag, de kiemlaag en de lederhuid
D. de opperhuid, de lederhuid en het onderhuidse bindweefsel
1069.
A.
B.
C.
D.
Het stratum basale of de moederlaag van de huid bestaat uit
plaveiselcellen
overgangsepitheel
kubische of cilindrische cellen
stekelcellen
1070.
A.
B.
C.
D.
De cellen die het pigment vormen vindt men in
de lederhuid
de hoornlaag
het onderhuidse bindweefsel
de moederlaag
1071.
A.
B.
C.
D.
De lichaamstemperatuur wordt geregeld door
de mate van bloeddoorstroming door de huid
het niveau van de stofwisseling
het willekeurige zenuwstelsel
het onwillekeurige zenuwstelsel
1072.
A.
B.
C.
D.
De lichaamstemperatuur wordt gereguleerd door
de huiddoorbloeding
de hypothalamus
de zweetklieren
de thalamus
A
D
D
B
C
D
C
D
D
B
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
blad 112 van 232
1073. De spiertjes in de huid die verantwoordelijk zijn voor het zogenaamde kippenvel,
zijn bevestigd aan een
A. zweetklier
B. haarzakje
C. zenuwuitloper
D. bloedvat
1074.
A.
B.
C.
D.
De zweetklieren in de huid spelen een rol bij
warmte-afgifte door middel van uitstraling
bescherming tegen afkoeling door stilleggen van de zweetsecretie
alle bovenstaande alternatieven
warmte-afgifte door middel van verdamping
1075.
A.
B.
C.
D.
Het lichaam verliest de meeste warmte door
transpireren
verlaging van het niveau van de stofwisseling
verlaging van de bloeddoorstroming door de weefsels
uitstraling
1076.
A.
B.
C.
D.
'Kippenvel' krijg je door
vasoconstrictie = bloedvatvernauwing
samentrekken van gladde spiertjes in de huid
vasodilatatie = bloedvatverwijding
samentrekken van dwarsgestreept spierweefsel in de huid
1077.
A.
B.
C.
D.
Bij stijging van de lichaamstemperatuur zien we
vermindering van de zweetproductie
vermindering van de doorbloeding van de huid
rechtop gaan staan van de haren
vermeerdering van de doorbloeding van de huid
1078.
A.
B.
C.
D.
Het lichaam verliest z'n warmte voornamelijk door middel van
regeling van de huiddoorbloeding
uitstraling
zweten
rillen
1079.
A.
B.
C.
D.
Dat de huid rekbaar is komt door de bouw van ...
de hoornlaag
de kiemlaag
de lederhuid
de opperhuid
1080.
A.
B.
C.
D.
De borsten van de vrouw bestaan voor het grootste gedeelte uit ...
epitheel
klierweefsel
elastisch bindweefsel
vetweefsel
1081.
A.
B.
C.
D.
De groei van nagels vindt plaats vanuit ...
de kiemlaag
de hoornlaag
de lederhuid
het onderhuids bindweefsel
1082.
A.
B.
C.
D.
De huid bestaat van buiten naar binnen uit ...
opperhuid, lederhuid en kiemlaag
hoornlaag, lederhuid en vetweefsel
hoornlaag, kiemlaag en opperhuid
opperhuid, lederhuid en onderhuids bindweefsel
B
D
D
B
D
B
C
D
A
D
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
blad 113 van 232
1083.
A.
B.
C.
D.
De lederhuid bestaat voornamelijk uit ...
epitheel
klierweefsel
bindweefsel
spierweefsel
1084.
A.
B.
C.
D.
Een functie van de huid is ...
het bevorderen van de gaswisseling
het mogelijk maken van bewegingen
het beschermen tegen invloeden van buitenaf
het bevorderen van de bloedstolling
1085.
A.
B.
C.
D.
Haren worden gevormd door cellen van ....
de opperhuid
de papillaire laag van de lederhuid
de reticulaire laag van de lederhuid
het onderhuidse bindweefsel
1086.
A.
B.
C.
D.
Het centrum voor de temperatuurregulatie ligt in ...
de huid
de lever
het ruggenmerg
de hersenen
1087.
A.
B.
C.
D.
Het lichaam produceert zweet wanneer ...
de warmte-isolatie van de huid onvoldoende is
de warmte-afgifte via de huid onvoldoende is
de huid te droog is
de hoeveelheid water in het lichaam te hoog is
1088.
A.
B.
C.
D.
Het rood worden van de huid bij emotie is het gevolg van ...
vasodilatatie van bloedvaten in de epidermis
vasoconstrictie van bloedvaten in de epidermis
vasodilatatie van bloedvaten in de dermis
vasoconstrictie van bloedvaten in de dermis
1089.
...
A.
B.
C.
D.
Het rood worden van de huid tijdens zware lichamelijke inspanning is het gevolg van
1090.
A.
B.
C.
D.
Het vetweefsel van de huid bevindt zich ...
in de lederhuid
in de kiemlaag
in het onderhuidse bindweefsel
in de hoornlaag
C
B
A
D
B
C
C
vasodilatatie in de epidermis
vasoconstrictie in de epidermis
vasodilatatie in de dermis
vasoconstrictie in de dermis
1091. Iemand heeft een bloedende schaafwond. Welke laag is (of welke lagen zijn) in
ieder geval beschadigd
A. de hoornlaag
B. de hoornlaag en de kiemlaag
C. de hoornlaag, de kiemlaag en de lederhuid
D. de hoornlaag, de kiemlaag, de lederhuid en het onderhuidse bindweefsel
C
C
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
1092.
A.
B.
C.
D.
In welke laag van de huid bevinden zich de meeste vetcellen
in de hoornlaag
in de kiemlaag
in de lederhuid
in het onderhuidse bindweefsel
1093.
A.
B.
C.
D.
In welke laag van de huid bevinden zich dode cellen
in het stratum corneum
in het stratum germinativum
in de dermis
in de subcutis
1094.
A.
B.
C.
D.
In welke laag van de huid vindt pigmentvorming plaats
in de subcutis
in de lederhuid
in de kiemlaag
in de hoornlaag
1095.
A.
B.
C.
D.
Nagels bestaan uit ...
dode cellen met veel hoornstof
dode cellen met weinig hoornstof
levende cellen met veel hoornstof
levende cellen met weinig hoornstof
1096.
A.
B.
C.
D.
Pigmentvorming vindt plaats in ...
het stratum basale
het stratum corneum
de dermis
de subcutis
1097.
A.
B.
C.
D.
Talgklieren ...
hebben een eigen afvoergang door de hoornlaag naar buiten
hebben een gezamenlijke afvoergang met zweetklieren
monden uit in de haarzakjes
monden uit in het onderhuidse bindweefsel
1098.
A.
B.
C.
D.
Talgkliertjes monden uit in ...
de haarpapil
de haarwortel
het haarzakje
de haarschacht
1099.
A.
B.
C.
D.
Uit welk weefsel is de subcutis opgebouwd
reticulair bindweefsel met vetcellen
collageen bindweefsel met vetcellen
losmazig bindweefsel met vetcellen
elastisch bindweefsel met vetcellen
1100.
A.
B.
C.
D.
Waar treft men cerumen-producerende zweetklieren aan
rondom de tepel van de borstklieren
in het klierweefsel van de borstklieren
rondom het haarzakje
in de uitwendige gehoorgang
1101.
A.
B.
C.
D.
Wat is de functie van het vetweefsel in de subcutis
warmte-isolator
brandstofopslag
stootkussen
alle bovenstaande functies zijn van toepassing
blad 114 van 232
D
A
C
A
A
C
C
B
D
D
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
1102.
A.
B.
C.
D.
blad 115 van 232
Wat is kenmerkend voor de opperhuid
deze is een aaneengesloten laag van aan elkaar grenzende cellen
deze bestaat uit losliggende cellen met veel hoornstof ertussen
deze bestaat uit losliggende cellen met veel collagene vezels ertussen
deze bestaat uit losliggende cellen met veel chondrine ertussen
1103. Welke laag van de huid fungeert als isolatielaag en beschermt tegen koude
omgevingstemperaturen
A. de subcutis
B. de dermis
C. het stratum germinativum
D. het stratum corneum
1104.
A.
B.
C.
D.
Welke laag van de huid wordt gekenmerkt door een hoge celdelingsactiviteit
de lederhuid
de hoornlaag
het onderhuidse bindweefsel
de kiemlaag
1105.
A.
B.
C.
D.
Zweet bevat voornamelijk ...
water en melkzuur
water en antilichamen
water en zouten
water en ureum
1106.
A.
B.
C.
D.
Wat verstaat men onder de fysiologie van het hart
de bouw van het hart
de werking van het hart
de grootte van het hart
de vorm van het hart
1107.
A.
B.
C.
D.
De regulatie van de bloeddruk is een......verrichting van het lichaam
anabole
animale
willekeurige
autonome
1108.
A.
B.
C.
D.
De studie van de anatomie van de lever betreft de ..... van de lever
bouw
bouw en werking
werking
functie
1109.
A.
B.
C.
D.
De studie van de anatomie van het hart betreft de ..... van het hart
bouw
bouw en werking
werking
functie
1110.
A.
B.
C.
D.
De studie van de fysiologie van de lever betreft de ...... van de lever.
bouw
bouw en werking
functies
weefselstructuur
1111.
A.
B.
C.
D.
De studie van de fysiologie van het hart betreft de ..... van het hart
bouw
bouw en werking
werking
mogelijke afwijkingen
A
A
D
C
A
D
A
A
C
C
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
blad 116 van 232
1112.
A.
B.
C.
D.
Het grootste inwendige orgaan van het menselijk lichaam is
de hersenen
de lever
de huid
het hart
1113.
A.
B.
C.
D.
Het maagdarmkanaal is hirarchisch gezien een
orgaan
orgaanstelsel
weefselstructuur
organisme
1114.
A.
B.
C.
D.
In het vakgebied Anatomie houdt men zich bezig met de bestudering van
de werking van het menselijk lichaam
de functies van het menselijk lichaam
de ontwikkeling van het menselijk lichaam
de bouw van het menselijk lichaam
1115.
A.
B.
C.
D.
In het vakgebied Fysiologie houdt men zich bezig met de bestudering van
de functies van het menselijk lichaam
de groei van het menselijk lichaam
de ontwikkeling van het menselijk lichaam
de bouw van het menselijk lichaam
1116.
A.
B.
C.
D.
Tot de vegetatieve verrichtingen behoren
het lopen
het eten
de spijsvertering
het bestuderen van de leerstof
1117.
A.
B.
C.
D.
Welk van de volgende kenmerken is NIET karakteristiek voor levende organismen
adaptatie
voortbeweging
voortplanting
groei
1118.
A.
B.
C.
D.
De huid is een
orgaan
orgaanstelsel
weefselstructuur
organisme
1119.
A.
B.
C.
D.
Het hart is hiërarchisch gezien een
orgaan
orgaanstelsel
weefsel
organisme
1120. Het menselijk lichaam heeft een hiërarchische opbouw. Welke hiërarchische
volgorde is de juiste
A. cel, organel, orgaan, orgaanstelsel, organisme
B. weefsel, orgaan, organel, orgaanstelsel, organisme
C. orgaan, cel, weefsel, orgaanstelsel, organisme
D. cel, weefsel, orgaan, orgaanstelsel, organisme
1121.
A.
B.
C.
D.
Het skelet mag men een ..... noemen
orgaan
orgaanstelsel
weefselstructuur
organisme
B
B
D
A
C
B
A
A
D
B
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
1122.
A.
B.
C.
D.
blad 117 van 232
Een orgaanstelsel is samengesteld uit een groep organen, die ...
dicht bij elkaar liggen
dezelfde structuur bezitten
samen een bepaalde functie verrichten
door bloedvaten met elkaar verbonden zijn
1123. Het menselijk lichaam heeft een hiërarchische opbouw. Welke hiërarchische
volgorde is de juiste
A. cel-organel-orgaan-orgaanstelsel-organisme
B. cel-weefsel-orgaan-orgaanstelsel-organisme
C. orgaan-cel-weefsel-orgaanstelsel-organisme
D. weefsel-orgaan-organel-orgaanstelsel-organisme
1124. Het volgende kenmerk van het leven is HET MEEST karakteristiek voor levende
organismen
A. adaptatie
B. voortbeweging
C. stofwisseling
D. voortplanting
1125.
A.
B.
C.
D.
Een kenmerk van leven is ...
opname van voedingsstoffen voor de energiestofwisseling
de neiging tot soorthandhaving
aanpassing aan omstandigheden
alle bovengenoemde antwoorden zijn kenmerken van leven
1126.
A.
B.
C.
D.
Onder het milieu interieur verstaat men ...
de extracellulaire vloeistof
de intercellulaire vloeistof
het celplasma
het kernplasma
1127.
A.
B.
C.
D.
Wat wordt verstaan onder de term milieu exterieur
de intracellulaire vloeistof
het spijsverteringsstelsel
de intercellulaire vloeistof
de buitenwereld
1128.
het
A.
B.
C.
D.
De registratie van de elektrische activiteit van de hersenen aan de buitenzijde van
hoofd is een ...
elektro-cardiogram
elektro-encefalogram
elektro-myogram
nog niet bestaande onderzoeksmethode
1129.
A.
B.
C.
D.
Een elektro-myogram is een registratie van de elektrische activiteit van ...
het hart
de ruggemergzenuwen
een spier
de hersenen
1130.
A.
B.
C.
D.
Welke onderzoeksmethode maakt gebruik van geluiden
palpatie en percussie
palpatie en auscultatie
percussie en auscultatie
percussie, auscultatie en palpatie
C
B
C
D
B
D
B
C
C
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
blad 118 van 232
1131.
A.
B.
C.
D.
Welke onderzoeksmethode maakt gebruik van geluidsgolven
echografie en percussie
echografie en auscultatie
percussie en auscultatie
percussie, auscultatie en echografie
1132.
A.
B.
C.
D.
Welk orgaanstelsel geeft geen stoffen af aan het milieu exterieur
zenuwstelsel
urinewegstelsel
ademhalingstelsel
begrenzingstelsel (huid)
1133.
het
A.
B.
C.
D.
Welk orgaanstelsel neemt stoffen op uit het milieu exterieur en geeft stoffen af aan
milieu exterieur
zenuwstelsel
urinewegstelsel
ademhalingstelsel
hormoonstelsel
1134.
A.
B.
C.
D.
Welke orgaanstelsels zorgen voor intergratie
Bloedvatstelsel en zenuwstelsel
Hormoonstelsel en spijsverteringsstelsel
Hormoonstelsel en zenuwstelsel
Bloedvatstelsel en hormoonstelsel
1135.
A.
B.
C.
D.
Welke orgaanstelsels zorgen voor regulatie en coördinatie van orgaanfuncties
bloedvatstelsel en hormoonstelsel
bloedvatstelsel en zenuwstelsel
hormoonstelsel en spijsverteringsstelsel
hormoonstelsel en zenuwstelsel
1136.
A.
B.
C.
D.
Animale verrichtingen staan onder controle van
het willekeurige zenuwstelsel
het vegetatieve zenuwstelsel
het hormonale stelsel
het autonome zenuwstelsel
1137.
A.
B.
C.
D.
Het opmaken van bedden is een ..... verrichting
animale
anabole
vegetatieve
autonome
1138. Welke orgaanstelsels zorgen voor de regulatie, samenhang en coördinatie van
lichamelijke functies
A. bloedvatstelsel en hormoonstelsel
B. bloedvatstelsel en zenuwstelsel
C. hormoonstelsel en spijsverteringsstelsel
D. hormoonstelsel en zenuwstelsel
1139.
A.
B.
C.
D.
De knie ligt ..... ten opzichte van de heup
proximaal
distaal
dorsaal
ventraal
D
A
C
C
D
A
A
D
B
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
1140.
A.
B.
C.
D.
De maag ligt ..... ten opzichte van de wervelkolom
caudaal
craniaal
dorsaal
ventraal
1141.
A.
B.
C.
D.
Een frontale doorsnede van het lichaam is een doorsnede
door het voorhoofd
door het voorhoofdsbeen
evenwijdig aan het voorhoofd
dwars door het lichaam
1142.
A.
B.
C.
D.
Een transversale doorsnede van het lichaam is een doorsnede
door het voorhoofd
verticaal door het lichaam
evenwijdig aan het voorhoofd
horizontaal door het lichaam
1143.
A.
B.
C.
D.
Het binnenwaarts draaien van een arm of been staat bekend als
anteflexie
endorotatie
exorotatie
retroflexie
1144.
A.
B.
C.
D.
Het naar buiten draaien van een arm of been staat bekend als
anteflexie
endorotatie
exorotatie
retroflexie
1145.
A.
B.
C.
D.
Onder de term extensie verstaat men
buigen
spannen
strekken
draaien
1146.
A.
B.
C.
D.
Onder de term 'flexie' verstaat men
buigen
spannen
strekken
draaien
blad 119 van 232
1147. Wanneer een zijwaarts gestrekte arm naar de romp toe wordt bewogen is er sprake
van
A. abductie
B. adductie
C. anteflexie
D. retroflexie
1148. Wanneer een zijwaarts gestrekte arm van de romp af wordt bewogen, is er sprake
van
A. abductie
B. adductie
C. anteflexie
D. retroflexie
D
C
D
B
C
C
A
B
A
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
1149.
A.
B.
C.
D.
Wanneer men de arm naar achter beweegt is er sprake van
anteflexie
anteversie
retroflexie
adductie
1150.
A.
B.
C.
D.
Wanneer men de arm naar voren beweegt is er sprake van
anteflexie
anteversie
retroflexie
adductie
blad 120 van 232
1151. Wanneer men de onderarm zodanig draait dat de handpalm aan de bovenzijde komt
te liggen is er sprake van
A. endorotatie
B. pronatie
C. supinatie
D. exorotatie
1152. Wanneer men de onderarm zodanig draait dat de handpalm aan de onderzijde komt
te liggen is er sprake van
A. endorotatie
B. pronatie
C. supinatie
D. exorotatie
1153.
...
A.
B.
C.
D.
Als de ligging van een orgaan aangeduid wordt met de term lateraal, wil dat zeggen
dat
dat
dat
dat
het
het
het
het
orgaan
orgaan
orgaan
orgaan
C
A
C
B
C
aan de achterzijde ligt
naar de schedel toe ligt
aan de zijkant ligt
aan de voorzijde ligt
1154. Als een orgaan aan de achterzijde, tegen de rugzijde, gelegen is, wordt dit
aangeduid met de term ...
A. ventraal
B. dorsaal
C. lateraal
D. distaal
1155.
A.
B.
C.
D.
Als een orgaan aan de voorzijde, buikzijde, gelegen is, gebruikt men de term ...
ventraal
dorsaal
craniaal
caudaal
1156.
A.
B.
C.
D.
De borstholte wordt gescheiden van de buikholte door ...
het diafragma
de pleurae
het mediastinum
de pleuraholte
1157.
A.
B.
C.
D.
De term supinatie staat voor ...
de beweging van de duim naar de vingers
de beweging van de handpalm naar boven (bij gebogen elleboog)
de draaiing van de atlas om een benige spil van de draaier
de draaiing van het kuitbeen om het scheenbeen
B
A
A
B
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
1158.
A.
B.
C.
D.
Hoe heet een zijwaartse beweging van een extremiteit naar de romp toe
een abductie
een adductie
een extensie
een flexie
1159.
A.
B.
C.
D.
Hoe noemt men een naar voren gerichte beweging van het been
abductie
anteflexie
adductie
retroflexie
blad 121 van 232
1160. Hoe wordt de beweging genoemd, waarbij de onderarm (met gebogen elleboog)
zodanig gedraaid wordt, dat de handpalm naar beneden wijst
A. endorotatie
B. pronatie
C. supinatie
D. exorotatie
1161.
A.
B.
C.
D.
Pronatie en supinatie zijn bewegingsmogelijkheden in het gewricht tussen ...
spaakbeen en ellepijp
bovenbeen en scheenbeen
ellepijp en handwortelbeentjes
handwortelbeentjes en middenhandsbeentjes
1162.
A.
B.
C.
D.
Voor welke beweging wordt de term abductie gebruikt
de voorzijde van de arm naar binnen draaien
de voet naar buiten draaien
een zijwaartse beweging van het been van de romp af
een zijwaartse beweging van het been naar de romp toe
1163.
A.
B.
C.
D.
Voor welke beweging wordt de term adductie gebruikt
het naar de romp toe bewegen van de ledematen
het van de romp af bewegen van de ledematen
een beweging van de onderarm waarbij de duim naar buiten draait
een beweging van de onderarm waarbij de duim naar binnen draait
1164.
dat
A.
B.
C.
D.
Wanneer men de onderarm (vanuit een gebogen ellebooggewricht) zodanig draait
de handpalm naar boven wijst, is er sprake van ...
endorotatie
pronatie
supinatie
exorotatie
1165.
A.
B.
C.
D.
Wat verstaat men onder het begrip flexie
buigen
strekken
voorwaarts heffen
achterwaarts heffen
1166.
A.
B.
C.
D.
Wat verstaat men onder rotatie
buiging
heffing
strekking
draaiing
B
B
B
A
C
B
C
A
D
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
1167.
A.
B.
C.
D.
Wat wordt bedoeld met opponeren
plaatsing van de duim tegenover de vingers
buiging van het polsgewricht
strekking van de vingers
draaiing van de radius om de ulna
1168.
A.
B.
C.
D.
Welke beweging komt overeen met de term extensie
buigen
strekken
heffen
draaien
1169.
A.
B.
C.
D.
Welke beweging vindt in de onderarm plaats tijdens pronatie
De ulna draait om de radius
De radius draait om de ulna
De fibula draait om de tibia
De tibia draait om de fibula
blad 122 van 232
1170. Welke beweging wordt aangeduid met de term pronatie
A. het naar binnen draaien van de onderarm waardoor de handpalm naar beneden
wijst
B. het naar buiten draaien van de onderarm waardoor de handpalm naar boven wijst
C. het buigen van de arm
D. het strekken van de arm
1171.
A.
B.
C.
D.
Welke omschrijving gebruikt men bij het begrip endorotatie
een extremiteit van de romp af bewegen
een extremiteit naar de romp toe bewegen
een binnenwaarts draaiende beweging van het been
een buitenwaarts draaiende beweging van de arm
1172.
A.
B.
C.
D.
Voortplanting is een levensproces waarbij...
een eicel ontstaat
een zaadcel zich ontwikkelt
een bevruchte eicel zich ontwikkelt
zelfhandhaving de hoofdrol speelt
1173.
A.
B.
C.
D.
De musculus triceps brachii is een
adductor
extensor
flexor
abductor
1174.
A.
B.
C.
D.
De achillespees is gehecht aan
het sprongbeen
het hielbeen
het kuitbeen
het scheenbeen
1175.
A.
B.
C.
D.
De Latijnse benaming voor de kleermakersspier is
m.masseter
m.sartorius
m.deltoideus
m.trapesius
1176.
A.
B.
C.
D.
De musculus quadriceps femoris is
de buiger van het onderbeen
de strekker van het onderbeen
de buiger van het bovenbeen
de strekker van het bovenbeen
A
B
B
A
C
C
B
B
B
B
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
1177.
A.
B.
C.
D.
Welke spier zorgt voor de endorotatie van het onderbeen
kleermakersspier
kuitspier
vierhoofdige dijspier
tweehoofdige dijspier
1178.
A.
B.
C.
D.
Welke spier zorgt voor het naar binnen draaien van het onderbeen. De
kuitspier
vierhoofdige dijspier
tweehoofdige dijspier
kleermakersspier
1179.
A.
B.
C.
D.
De anus bevindt zich aan de
onderzijde van het diafragma urogenitale
bovenzijde van het diafragma urogenitale
bovenzijde van de musculus levator ani
onderzijde van de musculus levator ani
1180.
A.
B.
C.
D.
De bekkenbodem van de man is voornamelijk opgebouwd uit
bindweefsel
spierweefsel
kraakbeen
beenweefsel
1181.
A.
B.
C.
D.
De bekkenbodem van de vrouw is voornamelijk opgebouwd uit
bindweefsel
spierweefsel
kraakbeen
beenweefsel
1182.
A.
B.
C.
D.
De bekkenbodem wordt voornamelijk gevormd door
de musculus levator ani
het diafragma urogenitale
de anus en de urinebuis
de linea arcuata
1183.
A.
B.
C.
D.
De de doorgang voor de urethra bevindt zich in
het diafragma urogenitale
de musculus levator ani
de wand van de blaas
de linea arcuata
1184.
A.
B.
C.
D.
De musculus levator ani vormt als het ware een trechter tussen
het darmbeen en het staartbeen
de schaambeenderen en de stuitbeenderen
de schaambeenderen en het staartbeen
het darmbeen en de stuitbeenderen
1185.
A.
B.
C.
D.
De willekeurige sluitspier van de blaas bevindt zich in
de musculus levator ani
de wand van de blaas
de linea arcuata
het diafragma urogenitale
1186.
A.
B.
C.
D.
In het spiergedeelte van het diafragma vinden we de doorgangen voor
de vena cava inferior
de aorta
de aorta en de vena cava inferior
de oesofagus en de aorta
blad 123 van 232
A
D
D
B
B
A
A
C
D
D
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
1187.
A.
B.
C.
D.
Welke structuur doorboort de bekkenbodemspier
het rectum (endeldarm)
de urethra (urinebuis)
de vagina
alle drie bovengenoemde structuren
1188.
A.
B.
C.
D.
De musculus gluteus maximus is een synoniem voor de
grote bilspier
deltaspier
kuitspier
monnikskapspier
1189.
A.
B.
C.
D.
Injecties in de bilspier worden gegeven in de
m.gluteus maximus
m.biceps femoris
m.quadriceps femoris
m.sartorius
1190.
A.
B.
C.
D.
De musculus pectoralis major is de
lange rugspier
grote borstspier
brede rugspier
monnikskapspier
1191.
A.
B.
C.
D.
De musculus pectoralis major is de
deltaspier
monnikskapspier
kleermakersspier
grote borstspier
1192.
A.
B.
C.
D.
De tweehoofdige bovenarmspier (biceps brachii) is een
toevoerder
strekker
buiger
afvoerder
1193.
A.
B.
C.
D.
De volgende spieren zijn extensoren
m.biceps brachii, m.quadriceps femoris
m.triceps brachii, m.quadriceps femoris
m.biceps brachii, m.biceps femoris
m.triceps brachii, m.biceps femoris
1194.
A.
B.
C.
D.
De volgende spieren zijn flexoren
m.biceps brachii, m.quadriceps femoris
m.triceps brachii, m.quadriceps femoris
m.biceps brachii, m.biceps femoris
m.triceps brachii, m.biceps femoris
1195.
A.
B.
C.
D.
Aan het ligament van Poupart hechten zich de
borstwandspieren
buikwandspieren
rugspieren
bovenbeenspieren
blad 124 van 232
1196. Als de chirurg een incisie maakt in de laterale buikwand, hoeveel spierlagen
passeert hij dan.
A. 0
B. 1
C. 2
D. 3
D
A
A
B
D
C
B
C
B
D
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
blad 125 van 232
1197. Als de chirurg een incisie maakt ter hoogte van de linea alba, hoeveel spierlagen
passeert hij dan
A. 0
B. 1
C. 2
D. 3
1198. Als de chirurg een incisie maakt ter hoogte van de rectusschede, hoeveel spierlagen
passeert hij dan.
A. 0
B. 1
C. 2
D. 3
1199.
A.
B.
C.
D.
Bij welke van de onderstaande spieren treft men aponeurosen aan
armspier
beenspier
buikspieren
kauwspieren
1200.
A.
B.
C.
D.
De benaming "ligament van Poupart" is een synoniem voor
het lieskanaal
de ronde baarmoederband
de liesband
de ductus deferens
1201.
A.
B.
C.
D.
De buikpers ontstaat door contractie van
de musculus obliquus externus abdominis
de musculus obliquus internus abdominis
de musculus rectus abdominis
alle buikspieren
1202.
A.
B.
C.
D.
De volgende structuur gaat over de liesband heen
de grote bloedvaten voor het been
de lymfevaten voor het been
de zenuwen voor het been
de ronde baarmoederband
1203.
A.
B.
C.
D.
De volgende structuur loopt NIET onder het ligamentum inguinale door
de arteria femoralis
de zaadleider
de lymfevaten voor het been
de zenuwen voor het been
1204.
A.
B.
C.
D.
De zaadleider van de man loopt
over de liesband heen
onder de liesband door
over het lieskanaal heen
door de liesband
1205.
A.
B.
C.
D.
Het aantal spierlagen in de laterale buikwand bedraagt
1
2
3
4
A
B
C
C
D
D
B
A
C
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
1206.
A.
B.
C.
D.
blad 126 van 232
De meest voorkomende contractie-vorm bij het dwarsgestreepte spierweefsel is de
auxotonische contractie
isotonische contractie
isometrische contractie
tonische contractie
1207. Stel dat je een gewicht van twee kilo optilt, welke contractievorm vindt er dan
plaats
A. hypertonisch
B. isometrisch
C. isotonisch
D. auxotonisch
1208. Wanneer de spanning in een spier toeneemt waardoor deze spier korter wordt
spreken we van een
A. auxotonische contractie
B. isotonische contractie
C. isometrische contractie
D. tonische contractie
1209.
A.
B.
C.
D.
Wanneer een spier zich aanspant maar daarbij niet korter wordt spreken we van een
auxotonische contractie
isotonische contractie
isometrische contractie
tonische contractie
1210.
A.
B.
C.
D.
In het centrum tendineum van het diafragma vinden we de doorgang(en) voor
de vena cava inferior
de aorta
de aorta en de vena cava inferior
de oesofagus en de vena cava inferior
1211.
A.
B.
C.
D.
In het gespierde gedeelte van het diafragma bevinden zich de openingen voor de
luchtpijp en aorta
aorta en slokdarm
onderste en bovenste holle ader
aorta en onderste holle ader
1212.
A.
B.
C.
D.
De mimische spieren worden geïnnerveerd door de ..... hersenzenuw
1e
5e
7e
10e
1213.
A.
B.
C.
D.
De musculus sternocleidomastoideus bevindt zich tussen
de processus xiphoideus, de symfyse en het promontorium
het mastoid, het sternum en het acromion
het sternum, het sleutelbeen en het mastoid
het sternum, de processus coracoideus en het mastoid
1214.
A.
B.
C.
D.
De musculus temporalis bevindt zich tussen
het jukbeen en de bovenkaak
de bovenkaak en de onderkaak
het slaapbeen en de onderkaak
het slaapbeen en het jukbeen
A
D
A
C
A
B
C
C
C
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
1215.
A.
B.
C.
D.
De Nederlandse benaming voor "musculus sternocleidomastoideus" is
schuine halsspier
rechte halsspier
diepe halsspier
borstbeen-sleutelbeenspier
1216.
A.
B.
C.
D.
De schuine halsspier bevindt zich tussen
het slaapbeen en het borstbeen
het sleutelbeen en het borstbeen
het slaapbeen en de bovenste rib
het borstbeen en de bovenste rib
1217.
A.
B.
C.
D.
Een peesschede is een soort
kraakbeenkoker
bindweefselomhulling
slijmbeurs
vetachtige omhulling van een pees
1218.
A.
B.
C.
D.
Pezen zijn ..... rekbaar
niet
een klein beetje
behoorlijk
sterk
1219.
A.
B.
C.
D.
De musculus trapezius is de
deltaspier
grote borstspier
kleermakersspier
monnikskapspier
1220.
A.
B.
C.
D.
Slijmbeurzen komen vooral voor
bij uitstekende botpunten
tussen spieren en pezen
tussen de gewrichtsvlakken
in de spieren
1221.
A.
B.
C.
D.
De spanning van de in rust zijnde spier wordt genoemd
clonus
tonus
contractie
tonische contractie
1222.
A.
B.
C.
D.
Hoe noemt men de rustspanning van een spier
rustpotentiaal
tetanus
tonus
clonus
1223.
A.
B.
C.
D.
Door het spierstelsel wordt geproduceerd
rode bloedcellen
vitamine-K
glycogeen
warmte
1224.
A.
B.
C.
D.
Contractie van de musculus trapezius (monnikskapspier) resulteert in ...
adductie van de arm
abductie van de arm
naar achteren trekken van de schouders
naar voren trekken van de schouders
blad 127 van 232
A
A
C
A
D
A
B
C
D
C
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
blad 128 van 232
1225.
A.
B.
C.
D.
De bindweefsel omhulling om een spier noemt men ...
pees
spierfascie
synoviaal- membraan
spierbuik
1226.
A.
B.
C.
D.
De hamstrings ...
zijn extensoren
zijn flexoren
zorgen voor strekking van het kniegewricht
zorgen voor strekking van het heupgewricht
1227.
A.
B.
C.
D.
De m. gastrocnemius en m. soleus zijn:
dorsaalflexoren
plantairflexoren
palmairflexoren
geen flexoren
1228.
A.
B.
C.
D.
De musculus gluteus maximus (grote bilspier) ligt ...
achter het bekken
voor het bekken
in de bekkenholte
in geen van bovengenoemde gebieden
1229.
A.
B.
C.
D.
De musculus pectoralis major (grote borstspier) ligt op ...
de voorste borstwand
de wervelkolom
het schouderblad
geen van bovengenoemde structuren
1230.
A.
B.
C.
D.
De rectusschede vormt een omhulling rondom ...
het lieskanaal
de diepere rugspieren
de schuine buikspieren
de rechte buikspieren
1231.
A.
B.
C.
D.
De spieren die zorgen voor buigbewegingen noemt men ...
exoratoren
flexoren
adductoren
extensoren
1232.
A.
B.
C.
D.
De spieren die zorgen voor strekbewegingen noemt men ...
extensoren
endoratoren
abductoren
flexoren
1233.
A.
B.
C.
D.
De vierhoofdige dijbeenspier (m. quadriceps) ...
is een extensor
is een flexor
zorgt voor buiging van het kniegewricht
zorgt voor buiging van het heupgewricht
1234.
A.
B.
C.
D.
Door welke structuur zijn de beide rechte buikspieren van elkaar gescheiden
linea alba
promontorium
symfyse
sternum
B
B
B
A
A
D
B
A
A
A
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
1235.
A.
B.
C.
D.
blad 129 van 232
Hoe noemt men spieren die tegengestelde bewegingen veroorzaken
antagonisten
extensoren
flexoren
synergisten
1236. In welke van de onderstaande spier of spieren hebben de spiervezels een diagonaal
verloop
A. in de musculi intercostales interni (binnenste tussenribspieren)
B. in de musculus rectus abdominis (rechte buikspier)
C. in de musculus transversus abdominis (schuine buikspier)
D. in geen van bovengenoemde spieren
1237.
A.
B.
C.
D.
Mimische spieren zijn vastgehecht aan ...
een peesplaat
een ronde pees
het kaakbeen
de huid
1238.
A.
B.
C.
D.
Wat is de belangrijkste functie van de tussenribspieren
Ondersteuning van de ademhalingsbewegingen
De fixatie van de ribben
De bescherming van organen in de thorax
Stabilisatie van de lichaamshouding
1239.
A.
B.
C.
D.
Welke bewering over de extremiteitsspieren is juist
in de arm liggen de buigspieren aan de achterzijde
in het been liggen de buigspieren aan de voorzijde
in de arm liggen de strekspieren aan de voorzijde
in het been liggen de strekspieren aan de voorzijde
1240.
A.
B.
C.
D.
Welke buikwandspier ligt het meest naar binnen toe
de rechte buikspier
de buitenste schuine buikspier
de binnenste schuine buikspier
de dwarse buikspier
1241.
A.
B.
C.
D.
Welke spieren zijn buigspieren
de m. biceps branchii en de m. quadriceps femoris
de m. triceps branchii en de m. quadriceps femoris
de m. triceps branchii en de m. biceps femoris
de m. biceps branchii en de m. biceps femoris
1242. Welke spieren zorgen voor het bewegen van de onderkaak ten opzichte van de
bovenkaak
A. halsspieren
B. mimische spieren
C. kauwspieren
D. tongspieren
1243.
A.
B.
C.
D.
Welke van de onderstaande spieren bestaan uit dwarsgestreept spierweefsel
de diepe rugspieren
de dwarse buikspieren
de schuine buikspieren
alle bovengenoemde spieren
A
A
D
A
D
D
D
C
D
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
blad 130 van 232
1244.
A.
B.
C.
D.
Welke van de onderstaande spieren speelt een rol bij de ademhaling
het diafragma
de m. pectoralis major
de mm. recti abdominis
geen van bovengenoemde spieren
1245.
A.
B.
C.
D.
Welke van de volgende organen behoort NIET tot het spijsverteringsstelsel
pancreas
lever
milt
duodenum
1246.
A.
B.
C.
D.
Wat wordt bedoeld met assimilatie
afbraak van stoffen
opbouw van stoffen
omzetten van een stof in de andere stof
productie van energie
1247.
A.
B.
C.
D.
Wat wordt bedoeld met dissimilatie
afbraak van stoffen
opbouw van stoffen
omzetten van een stof in de andere stof
productie van energie
1248. De bloedvaten, lymfevaten en zenuwen die vanuit de achterste buikwand naar de
darm gaan, lopen door het
A. mesenterium
B. omentum majus
C. omentum minus
D. peritoneum
1249.
A.
B.
C.
D.
De ophangband van het jejunum en ileum wordt genoemd
omentum majus
peritoneum viscerale
mesenterium
omentum minus
1250.
A.
B.
C.
D.
De volgende buikorganen liggen intraperitoneaal
colon ascendens, blaas, pancreas
sigmoid, coecum, milt
dunne darm, lever, aorta
colon transversum, nieren, uterus
1251.
we
A.
B.
C.
D.
Het deel van het buikvlies dat tegen de binnenwand van de buikholte ligt noemen
A
C
B
A
A
C
B
B
peritoneum viscerale
peritoneum parietale
omentum majus
mesenterium
1252. Het deel van het buikvlies dat vergroeid is met de buitenwand van de buikorganen
noemen we
A. mesenterium
B. peritoneum viscerale
C. peritoneum parietale
D. omentum
B
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
1253.
A.
B.
C.
D.
Het orgaanstandig deel van het buikvlies noemen we
peritoneum parietale
omentum
mesenterium
peritoneum viscerale
1254.
A.
B.
C.
D.
Het peritoneum parietale is
de binnenbekleding van het maagdarmkanaal
het orgaanstandig buikvlies
de buitenbekleding van het maagdarmkanaal
het wandstandig buikvlies
1255.
A.
B.
C.
D.
Het peritoneum viscerale is
de binnenbekleding van het maagdarmkanaal
het orgaanstandig buikvlies
de buitenbekleding van het maagdarmkanaal
het wandstandig buikvlies
1256.
A.
B.
C.
D.
Het wandstandig deel van het buikvlies noemen we
mesenterium
peritoneum parietale
peritoneum viscerale
omentum
1257.
A.
B.
C.
D.
Intraperitoneaal liggen de volgende organen
duodenum, jejunum en ileum
ureteren en blaas
pancreas en aorta abdominalis
milt en galblaas
1258.
A.
B.
C.
D.
Retroperitoneaal liggen de volgende organen
duodenum, jejunum en ileum
duodenum, nieren en pancreas
pancreas, colon transversum en aorta abdominalis
lever, milt en galblaas
1259.
A.
B.
C.
D.
Welke van de volgende organen liggen retroperitoneaal
duodenum, pancreas en colon ascendens
maag en het gehele colon
pancreas, colon descendens en ileum
coecum, sigmoid en ileum
1260.
A.
B.
C.
D.
De appendix van de blinde darm heeft als functie
afweerfunctie
opslagfunctie
productie van vitamine-K
heeft GEEN functie
1261.
A.
B.
C.
D.
De binnenste sfincter van de anus bevat de volgende soort spierweefsel
glad en willekeurig
dwarsgestreept en willekeurig
glad en onwillekeurig
dwarsgestreept en onwillekeurig
1262.
A.
B.
C.
D.
De buitenste sfincter van de anus bevat de volgende soort spierweefsel
glad en willekeurig
dwarsgestreept en willekeurig
glad en onwillekeurig
dwarsgestreept en onwillekeurig
blad 131 van 232
D
D
B
B
D
B
A
A
C
B
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
blad 132 van 232
1263.
A.
B.
C.
D.
De dikke darm bestaat achtereenvolgens uit
coecum; colon ascendens; colon transversum; colon descendens; sigmoid; rectum
coecum; colon ascendens; colon transversum; colon descendens; rectum; sigmoid
colon ascendens; coecum; colon transversum; colon descendens; rectum; sigmoid
colon descendens; coecum; colon transversum; colon ascendens; rectum; sigmoid
1264.
A.
B.
C.
D.
De dikke darm bevat GEEN
villi
microvilli
plooien
kronkels
1265.
A.
B.
C.
D.
De dikke darm bevat GEEN
bobbels
lengte streping
plooien
darmvlokken
1266.
we
A.
B.
C.
D.
De dikke darm bezit een zogenaamde lengtestreping; deze lengtestreping noemen
1267.
A.
B.
C.
D.
De dikke darm is aan de binnenzijde bekleed met
éénlagig cilindrisch epitheel
meerlagig plaveiselepitheel
éénlagig plaveiselepitheel
kubisch epitheel
1268.
A.
B.
C.
D.
De functie van de dikke darm is NIET
indikking van voedselresten
afscheiding van spijsverteringssappen
inwerking van darmbacterin
vorming van vitamine K
1269.
A.
B.
C.
D.
De klep van Bauhin bevindt zich op de overgang van
dikke darm naar endeldarm
papil van Vater naar darm
slokdarm naar maag
dunne darm naar dikke darm
1270.
A.
B.
C.
D.
De klep van Bauhin bevindt zich op de overgang van
slokdarm naar maag
maag naar duodenum
duodenum naar jejunum
ileum naar colon
A
A
D
B
haustrae
teniae
darmlissen
plicae
1271. De longitudinale spierlaag van de dikke darm is gegroepeerd tot drie strengen; deze
strengen noemen we
A. plicae
B. haustrae
C. teniae
D. darmlissen
A
B
D
D
C
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
1272.
A.
B.
C.
D.
In de dikke darm vindt het volgende NIET plaats
indikking van voedselresten
inwerking van darmbacteriën
vorming van vitamine K
afscheiding van spijsverteringsenzymen
1273.
A.
B.
C.
D.
In de dikke darm vindt het volgende plaats
vertering van voedsel
resorptie van vetzuren en glycerol
vorming van vitamine-K
afscheiding van spijsverteringsenzymen
1274.
A.
B.
C.
D.
Plicae, haustrae en taeniae zijn kenmerkend voor de
dikke darm
dunne darm
pancreas
lever
1275.
A.
B.
C.
D.
Vitamine K wordt gevormd in
de dunne darm
de lever
de dikke darm
het plasma
1276.
A.
B.
C.
D.
Welke functie hebben zowel de dunne darm als de dikke darm
peristaltiek
aanmaak van enzymen
aanmaak van vitamine K
resorptie van voedingsstoffen
1277.
A.
B.
C.
D.
Welke van de volgende delen behoort NIET tot de dikke darm
coecum
jejunum
appendix vermiformis
sigmoid
1278.
A.
B.
C.
D.
Welke functie hebben zowel de dunne darm als de dikke darm
peristaltiek en slijmsecretie
slijmsecretie en enzymaanmaak
aanmaak van vitaminen K en enzymen
peristaltiek en resorptie van eiwitten
1279.
A.
B.
C.
D.
De belangrijkste functie van de dunne darm is
resorptie van voedingsstoffen
transport van voedingsstoffen
indikken van voedselresten
productie van vitamine K
1280.
A.
B.
C.
D.
De dunne darm bestaat achtereenvolgens uit de volgende delen
12-vingerige darm, nuchtere darm, kronkeldarm,
nuchtere darm, 12-vingerige darm, kronkeldarm,
kronkeldarm, 12-vingerige darm, nuchtere darm,
kronkeldarm, nuchtere darm, 12-vingerige darm,
1281.
A.
B.
C.
D.
De dunne darm bestaat achtereenvolgens uit de volgende delen
jejunum, duodenum, ileum,
ileum, duodenum, jejunum,
ileum, jejunum, duodenum,
duodenum, jejunum, ileum,
blad 133 van 232
D
C
A
C
A
B
A
A
A
D
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
1282.
A.
B.
C.
D.
blad 134 van 232
De dunne darm is aan de binnenzijde bekleed met
trilhaarepitheel
meerlagig plaveiselepitheel
meerlagig cilindrisch epitheel
éénlagig cilindrisch epitheel
1283. De grootste mate van oppervlaktevergroting in de dunne darm ontstaat door de
aanwezigheid van de
A. plooien van Kerckring
B. villi
C. microvilli
D. darmlissen (-kronkels)
1284. Oppervlaktevergroting van het slijmvlies van de dunne darm wordt vooral
gerealiseerd door de aanwezigheid van
A. villi
B. microvilli
C. plicae en haustrae
D. plooien van Kerckring
1285.
A.
B.
C.
D.
Wat heeft NIETS met oppervlaktevergroting in het spijsverteringsstelsel te maken
het kauwen van voedsel
de inwerking van gal op vetdruppels
de darmvlokken in de dunne darm
de appendix van de blinde darm
1286.
A.
B.
C.
D.
In de dunne darm vindt de afbraak plaats van
koolhydraten
eiwitten
vetten
A, B en C
1287.
A.
B.
C.
D.
De papil van Vater bevindt zich in
het ileum
het jejunum
het duodenum
de maag
1288.
A.
B.
C.
D.
Stimulatie tot afscheiding van gal en pancreassap wordt veroorzaakt door
zoutzuur
gastrine
secretine
prosecretine
1289.
A.
B.
C.
D.
Welke stof bevindt zich NIET in het darmsap
enterokinase
saccharase
maltase
intrinsic factor
1290.
A.
B.
C.
D.
De belangrijkste functie van gal is
bruin kleuren van de ontlasting
neutraliseren van het maagzuur
bederfwering in de darm
emulgeren van de vetten
D
C
B
D
D
C
C
D
D
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
1291.
A.
B.
C.
D.
De ductus choledochus is
de verbinding tussen lever en ductus cysticus
de verbinding tussen ductus hepaticus en galblaas
de afvoergang van de galblaas naar het duodenum
de afvoergang van de alvleesklier
1292.
A.
B.
C.
D.
De volgende buis mondt NIET uit op de papil van Vater
de ductus choledochus
de ductus pancreaticus
de ductus hepaticus
de pancreasbuis
1293.
A.
B.
C.
D.
De volgende buizen monden uit op de papil van Vater
de ductus hepaticus en de ductus cysticus
de ductus choledochus en de ductus pancreaticus
de ductus hepaticus en de ductus choledochus
de ductus cysticus en de ductus pancreaticus
1294.
A.
B.
C.
D.
Gastrine is
een hormoon uit het maagsap
een hormoon uit de maagwand
een stof die de maagsapproductie remt
een enzym dat nodig is voor het sluiten van de pylorus
1295.
A.
B.
C.
D.
De cellen van Kupffer zijn gelegen in
de milt
de thymus
de lever
het beenmerg
1296.
A.
B.
C.
D.
De lever geeft zijn producten af aan
de dunne darm
de dikke darm
het bloed
A en C
1297.
A.
B.
C.
D.
De lever ligt
links boven in de buikholte tegen het middenrif
rechts boven in de buikholte achter de maag
rechts boven in de buikholte tegen de voorste buikwand
links boven in de buikholte achter de alvleesklier
1298.
A.
B.
C.
D.
De lever ontvangt bloed via
de leverader en de poortader
de leverbuis en de onderste holle ader
de aorta en de leverbuis
de poortader en de leverslagader
1299.
A.
B.
C.
D.
De lever zal veel ureum produceren na het nuttigen van
patat met mayonaise
biefstuk met appelmoes
brood met jam
alcoholhoudende dranken
1300.
A.
B.
C.
D.
De lever zorgt onder andere voor
omzetting van aminozuren tot bloedeiwitten
regulatie van de warmteproductie
de vorming van vitamine K uit protrombine
vorming van trombine
blad 135 van 232
C
C
B
B
C
D
C
D
B
A
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
blad 136 van 232
1301.
A.
B.
C.
D.
De opslag van glycogeen in de lever vindt plaats onder invloed van
glucagon
insuline
NaHCO3
adrenaline
1302.
A.
B.
C.
D.
Gal wordt geproduceerd door de
lever
galblaas
pancreas
wand van de dunne darm
1303.
A.
B.
C.
D.
Gluconeogenese vindt plaats onder invloed van het hormoon
adrenaline
cortisol
insuline
glucagon
1304.
A.
B.
C.
D.
Het bloed uit de lever wordt afgevoerd via de
bovenste holle ader
onderste holle ader
poortader
ductus hepaticus
1305.
we
A.
B.
C.
D.
Het synthetiseren van glucose zonder dat daarbij glycogeen omgezet wordt noemen
1306.
A.
B.
C.
D.
In de cellen van Kupffer wordt o.a. opgeslagen
geconjugeerde bilirubine
zware metalen
glycogeen
onverteerbare vetten
1307.
A.
B.
C.
D.
In de hilus van de lever bevindt zich o.a
de poortader
de aorta
de darmslagader
de ductus choledochus
1308.
A.
B.
C.
D.
Naar en van de leverhilus lopen onder andere de volgende structuren
ductus choledochus en arteria hepatica
ductus hepaticus en vena portae
arteria hepatica en ductus cysticus
ductus hepaticus en vena hepatica
1309.
A.
B.
C.
D.
Onder het begrip glucogenese verstaan we
het omzetten van glucose in glycogeen
het omzetten van glycogeen in glugose
de productie van glucose zonder dat daarbij glycogeen wordt afgebroken
het omzetten van glucose in fructose en galactose
1310.
A.
B.
C.
D.
Onder het begrip gluconeogenese verstaan we
het omzetten van glucose in glycogeen
het omzetten van glycogeen in glugose
de productie van glucose zonder dat daarbij glycogeen wordt afgebroken
het omzetten van fructose en galactose in glucose
B
A
B
B
A
gluconeogenese
glycogenolyse
glucogenolyse
glycogenese
B
A
B
B
C
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
blad 137 van 232
1311.
A.
B.
C.
D.
Onder het begrip glycogenese verstaan we
het omzetten van glucose in glycogeen
het omzetten van glycogeen in glugose
de productie van glucose zonder dat daarbij glycogeen wordt afgebroken
het omzetten van fructose en galactose in glucose
1312.
A.
B.
C.
D.
Onder het begrip glycogenolyse verstaan we
het omzetten van glucose in glycogeen
het omzetten van glycogeen in glucose
de productie van glucose zonder dat daarbij glycogeen wordt afgebroken
het omzetten van fructose en galactose in glucose
1313.
A.
B.
C.
D.
Wanneer in de lever aminozuren omgezet worden in glucose is er sprake van
glycogenolyse
glycogenese
conjugatie
desaminatie
1314. Wanneer overtollige aminozuren in de lever omgezet worden tot glucose is er sprake
van
A. conjugatie
B. glycogenolyse
C. glycogenese
D. desaminatie
1315.
A.
B.
C.
D.
Wat bevindt zich NIET in de hilus van de lever
de leverslagader
de levergalbuis
de poortader
de onderste holle ader
1316.
A.
B.
C.
D.
Wat bevindt zich NIET in de hilus van de lever
de vena cava inferior
de arteria hepatica
de ductus hepaticus
de vena portae
1317.
A.
B.
C.
D.
Bij het zien van voedsel gebeurt het volgende
reflectorisch wordt de maagsapsecretie op gang gebracht
de galblaas contraheert
de darmperistaltiek neemt af
de pancreas wordt aangezet tot vorming van enzymen
1318.
A.
B.
C.
D.
De buitenkant van de maag wordt bekleed door
peritoneum viscerale
omentum majus
omentum minus
mesenterium
1319.
A.
B.
C.
D.
De functie van zoutzuur in het maagdarmkanaal is vooral
het verteren van vetten
het verteren van koolhydraten
het doden van bacterin
het stimuleren van de maagperistaltiek
1320.
A.
B.
C.
D.
De ingang van de maag is
de fundus
de cardia
het corpus
de pylorus
A
B
D
D
D
A
A
A
C
B
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
1321.
A.
B.
C.
D.
De maag is aan de binnenzijde bekleed met
meerlagig cilindrisch epitheel
meerlagig plaveiselepitheel
éénlagig cilindrisch epitheel
kubisch epitheel
1322.
A.
B.
C.
D.
De nervus vagus heeft de volgende invloed op de maag
hij remt de maagsapsecretie en stimuleert de maagperistaltiek
hij stimuleert de maagsapsecretie en stimuleert de maagperistaltiek
hij stimuleert de maagsapsecretie en remt de maagperistaltiek
hij remt de maagsapsecretie en remt de maagperistaltiek
1323.
A.
B.
C.
D.
De productie van maagsap wordt gestimuleerd door
de nervus vagus en secretine
de nervus vagus en gastrine
de klieren van Brunner en de klieren van Lieberkhn
gastrine en secretine
1324.
A.
B.
C.
D.
De pylorus gaat open door
de werking van gastrine
de werking van secretine
een tekort aan gastrine
een tekort aan secretine
1325.
A.
B.
C.
D.
De pylorus sluit door
de werking van gastrine
de werking van secretine
een tekort aan gastrine
een tekort aan secretine
1326.
A.
B.
C.
D.
De
als
als
als
als
pylorusspier wordt geopend
er een zuur brokje voedsel in de dunne darm is
er zuur voedsel in de pars pylorica van de maag aanwezig is
er in de dunne darm een basisch milieu is
er in de maag voldoende gastrine aanwezig is
1327.
A.
B.
C.
D.
De
als
als
als
als
pylorusspier wordt geopend
er een zuur brokje voedsel in de dunne darm is
er zuur voedsel in de pars pylorica van de maag aanwezig is
er in de dunne darm een basisch milieu is
de pylorusspier geprikkeld wordt door gastrine
1328.
A.
B.
C.
D.
De uitgang van de maag is
het antrum
het corpus
de pylorus
de cardia
1329.
A.
B.
C.
D.
Gastrine wordt geproduceerd door
de maagwand
de duodenumwand
het pancreas
de lever
1330.
A.
B.
C.
D.
Het gedeelte van de maag bij de inmonding van de slokdarm heet
pylorus
antrum
cardia
fundus
blad 138 van 232
C
B
B
D
B
C
C
C
A
C
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
1331.
A.
B.
C.
D.
Het horizontaal verlopend deel van de maag is
het antrum
het corpus
de pylorus
de cardia
1332.
A.
B.
C.
D.
Het hormoon gastrine wordt vooral geproduceerd
als de maagwand geprikkeld wordt door voedsel
onder invloed van de prikkels van de nervus vagus
als de duodenumwand geprikkeld wordt door HCL
als de wand van de dunne darm geprikkeld wordt door NaHCO3
blad 139 van 232
1333. Hoewel de maagwand eiwit bevat, wordt dit niet aangetast door het maagsap. Dit
komt doordat
A. dit eiwit onverteerbaar is
B. pepsine dit eiwit niet kan afbreken
C. de maagwand door een slijmlaag wordt bedekt
D. het maagsap geen eiwitsplitsende enzymen bevat
1334.
A.
B.
C.
D.
In de maag vindt hoofdzakelijk de afbraak plaats van
koolhydraten
eiwitten
vetten
A, B en C
1335.
A.
B.
C.
D.
Intrinsic factor zorgt ervoor dat
de wand van de dunne darm vitamine-B12 kan opnemen
vitamine-B12 door de maag opgenomen wordt
de dikke darm vitamine-B12 kan produceren
de lever vitamine-B12 kan opslaan
1336.
A.
B.
C.
D.
Pepsinogeen wordt geactiveerd door
trypsine
enterokinase
natriumbicarbonaat
zoutzuur
1337.
A.
B.
C.
D.
Pepsinogeen wordt geactiveerd tot pepsine door
zoutzuur
secretine
enterokinase
gastrine
1338.
A.
B.
C.
D.
Waar ligt de maag
links boven in de buikholte tegen het diafragma
rechts boven in de buikholte tegen de voorste buikwand
rechts boven in de buikholte achter de lever
links boven in de buikholte achter de alvleesklier
1339.
A.
B.
C.
D.
Welke stof bevindt zich NIET in het maagsap
pepsinogeen
zoutzuur
intrinsic factor
trypsinogeen
1340.
A.
B.
C.
D.
Welke stof bevindt zich NIET in het maagsap
lebferment
zoutzuur
amylase
intrinsic factor
A
A
C
B
A
D
A
A
D
C
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
1341.
A.
B.
C.
D.
Welke stof bevindt zich NIET in het maagsap
gastrine
zoutzuur
pepsinogeen
intrinsic factor
1342.
A.
B.
C.
D.
Zoutzuur heeft GEEN functie bij de/het
vetvertering
remmen van de werking van maaglipase
activeren van pepsinogeen
afbreken van eiwitten
1343.
A.
B.
C.
D.
Waar bevindt zich cement in de tand
In de tandholte
In de tandkroon
In het wortelkanaal
Rondom de tandwortel
1344.
A.
B.
C.
D.
Amylase is een stof die
polysacchariden splitst tot disacchariden
vetten emulgeert
eiwitten splitst tot aminozuren
werkzaam is in een zuur milieu
1345.
A.
B.
C.
D.
Bij het slikken gebeurt het volgende
de huig gaat omhoog
het strotklepje gaat omlaag
de tong gaat omhoog
alle bovengenoemde alternatieven
1346.
A.
B.
C.
D.
De achterste begrenzing van de mondholte wordt gevormd door
de voorste gehemeltebogen
de achterste gehemeltebogen
de huig
het zachte gehemelte
1347.
A.
B.
C.
D.
De gebitsformule van het blijvend gebit is per kaakhelft
2 snijtanden, 1 hoektand, 2 valse kiezen, 3 ware kiezen
2 snijtanden, 1 hoektand, 1 valse kies, 3 ware kiezen
4 snijtanden, 2 hoektanden, 2 valse kiezen, 2 ware kiezen
2 snijtanden, 2 hoektanden, 2 valse kiezen, 2 ware kiezen
1348.
A.
B.
C.
D.
De glandula parotis is een
klier die oorsmeer maakt
klier die speeksel maakt
voor het oor gelegen lymfklier
achter het oor gelegen lymfklier
1349.
A.
B.
C.
D.
De keelamandelen bevinden zich
tussen de gehemeltebogen
in de keel
voor de gehemeltebogen
achter de gehemeltebogen
1350.
A.
B.
C.
D.
De keelwand is bekleed met
trilhaarepitheel
cilindrisch epitheel
éénlagig plaveiselepitheel
meerlagig plaveiselepitheel
blad 140 van 232
A
A
D
A
D
B
A
B
A
D
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
1351.
A.
B.
C.
D.
De mond heeft als functie
peristaltiek van voedsel
klein maken van voedsel
splitsen van eiwitten
emulgeren van voedsel
1352.
A.
B.
C.
D.
De mondholte is bekleed met
trilhaarepitheel
meerlagig plaveiselepitheel
éénlagig plaveiselepitheel
kubisch epitheel
1353.
A.
B.
C.
D.
De oropharynx is de ..... en is bekleed met .....
neus-keelholte, meerlagig plaveisel epitheel
strottenhoofd-keelholte, meerlagig plaveisel epitheel
mond-keelholte, trilhaarepitheel
mond-keelholte, meerlagig plaveisel epitheel
1354.
A.
B.
C.
D.
De ring van Waldeyer bestaat voornamelijk uit de volgende soort weefsel
bindweefsel
spierweefsel
kraakbeen
lymfatisch weefsel
1355.
A.
B.
C.
D.
De ring van Waldeyer bevindt zich in/bij de
dunne darm
dikke darm
keelholte
maag
1356.
A.
B.
C.
D.
De ring van Waldeyer heeft een functie bij
de afweer tegen ziektekiemen
het slikken
de darmperistaltiek
het sluiten van de pylorus
1357.
A.
B.
C.
D.
De smaak 'bitter' wordt het beste waargenomen op de ..... van de tong
punt
voor-zijrand
achter-zijrand
wortel
1358.
A.
B.
C.
D.
De tong is bekleed met
trilhaarepitheel
cilindrisch epitheel
éénlagig slijmvlies
meerlagig plaveisel epitheel
1359.
A.
B.
C.
D.
De uitmonding van de glandula sublingualis bevindt zich
onder de tong
in het wangslijmvlies ter hoogte van de bovenste, achterste kiezen
in het wangslijmvlies ter hoogte van de onderste, achterste kiezen
in de zijwand van de onderkaak
1360.
A.
B.
C.
D.
De voorste wand van de mondholte wordt gevormd door
de snijtanden en de hoektanden
het harde gehemelte
de lippen
de gehemeltebogen
blad 141 van 232
B
B
D
D
C
A
D
D
A
C
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
1361.
A.
B.
C.
D.
Dentes premolares zijn
ware kiezen
valse kiezen
hoektanden
snijtanden
1362.
A.
B.
C.
D.
Het aantal gebitselementen van een melkgebit bedraagt
14
16
18
20
1363.
A.
B.
C.
D.
Het aantal gebitselementen van een volwassen gebit bedraagt
28
30
32
34
1364.
A.
B.
C.
D.
Het aantal gebitselementen van het melkgebit bedraagt
16
18
20
22
1365.
A.
B.
C.
D.
Het aantal gebitselementen van het volwassen gebit bedraagt
26
28
30
32
1366.
A.
B.
C.
D.
Het dak van de mondholte wordt gevormd door
het zachte gehemelte en de huig
het zachte en het harde gehemelte
de gehemeltebogen en de huig
de keelholte en de huig
1367.
A.
B.
C.
D.
Het volgende onderdeel behoort tot de ring van Waldeijer
de voorste gehemelteboog
de achterste gehemelteboog
de buis van Eustachius
de neusamandel
1368.
A.
B.
C.
D.
Het volgende weefsel behoort NIET tot een tand of kies
kraakbeen
pulpa
cement
dentine
1369.
A.
B.
C.
D.
In het speeksel bevindt zich het enzym
maltase
lactase
saccharase
amylase
1370.
A.
B.
C.
D.
Tijdens het slikken wordt de neusholte afgesloten door
de huig
het strotklepje
het harde gehemelte
het zachte gehemelte
blad 142 van 232
B
D
C
C
D
B
D
A
D
D
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
1371.
A.
B.
C.
D.
De exocriene pancreas maakt o.a. de volgende stof
amylase
enterokinase
glucagon
erepsine
1372.
A.
B.
C.
D.
De exocriene pancreas maakt o.a. de volgende stof
enterokinase
glucagon
erepsine
NaHCO3 (natriumbicarbonaat)
1373.
A.
B.
C.
D.
De pancreas is een klier met ..... secretie
alleen endocriene
alleen exocriene
endocriene en exocriene
GEEN
1374.
A.
B.
C.
D.
Het pancreas geeft zijn producten af aan
het duodenum
het jejunum
het bloed
A en C
1375.
A.
B.
C.
D.
Het pancreassap heeft een ..... karakter
alkalisch
neutraal
zuur
****
1376.
A.
B.
C.
D.
Pancreassap bevat
amylase, secretine, lipase
amylase, trypsine, zoutzuur
lipase, natriumbicarbonaat, glucagon
lipase, trypsine, natriumbicarbonaat
1377.
A.
B.
C.
D.
Trypsinogeen wordt door ..... geactiveerd tot trypsine.
amylase
HCL
natriumbicarbonaat
enterokinase
1378.
A.
B.
C.
D.
Trypsinogeen wordt geactiveerd door
trypsine
enterokinase
natriumbicarbonaat
zoutzuur
1379.
A.
B.
C.
D.
Voor glucagon uit de alvleesklier geldt het volgende
het wordt gevormd door de kop van de alvleesklier
het bevordert de omzetting van melkzuur in glycogeen
het bevordert de omzetting van glycogeen in glucose
heeft een verlagende invloed op het bloedsuikergehalte
1380.
A.
B.
C.
D.
Voor insuline uit het pancreas geldt het volgende
het wordt gevormd door de alfa-cellen van het pancreas
het bevordert de omzetting van melkzuur in glycogeen
het bevordert de omzetting van glycogeen in glucose
het heeft een verlagende invloed op het bloedsuikergehalte
blad 143 van 232
A
D
C
D
A
D
D
B
C
D
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
blad 144 van 232
1381.
A.
B.
C.
D.
Welke stof bevindt zich NIET in het pancreassap
lipase
trypsinogeen
amylase
secretine
1382.
A.
B.
C.
D.
Welke stof bevindt zich NIET in het pancreassap
lipase
trypsinogeen
amylase
zoutzuur
1383.
A.
B.
C.
D.
Amylase is een stof die
vetten emulgeert
eiwitten splitst
koolhydraten splitst
glucose omzet tot glycogeen
1384.
A.
B.
C.
D.
Amylase wordt gevormd door
de maagwand
de speekselklieren en het pancreas
de lever en het pancreas
de darmsapkliertjes en het pancreas
1385.
A.
B.
C.
D.
De eindprodukten van de eiwitvertering in het maagdarmkanaal noemen we
aminozuren
glucose, fructose en galactose
vetzuren en glycerol
emulgeren
1386. De eindprodukten van de vertering van koolhydraten in het maagdarmkanaal
noemen we
A. aminozuren
B. glucose, fructose en galactose
C. vetzuren en glycerol
D. emulgeren
1387.
A.
B.
C.
D.
De eindprodukten van de vetvertering in het maagdarmkanaal noemen we
aminozuren
glucose, fructose en galactose
vetzuren en glycerol
emulgeren
1388.
A.
B.
C.
D.
De functie van het darmsap is
afbreken van voedingsstoffen
doden van bacteriën
indikken van voedselresten
productie van vitamine-K
1389.
A.
B.
C.
D.
De spijsverteringsorganen hebben GEEN functie bij
het ontleden van het voedsel door enzymen
de distributie van het verteerde voedsel door het bloed
de opname van voedsel door het lichaam
de opname van het verteerde voedsel in het bloed
1390.
A.
B.
C.
D.
De volgende stof heeft een functie bij de splitsing van eiwitten
amylase
lipase
trypsine
maltase
D
D
C
B
A
B
C
A
B
C
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
blad 145 van 232
1391.
A.
B.
C.
D.
De volgende stof heeft een functie bij de splitsing van koolhydraten
amylase
lipase
pepsine
zoutzuur
1392.
A.
B.
C.
D.
De volgende stof heeft een functie bij de vertering van eiwitten
amylase
lipase
pepsine
maltase
1393.
A.
B.
C.
D.
De volgende stof heeft een functie bij de vetsplitsing
amylase
lipase
peptidase
zoutzuur
1394.
A.
B.
C.
D.
Glucose wordt in ons lichaam opgeslagen in de vorm van
vet
eiwit
mineralen
glycogeen
1395.
A.
B.
C.
D.
In speeksel bevindt zich het enzym
amylase
lipase
proteinase
trypsine
1396.
A.
B.
C.
D.
In speeksel bevindt zich het enzym
pepsine
lipase
amylase
peptidase
1397.
A.
B.
C.
D.
In welk deel van het spijsverteringskanaal begint de splitsing van eiwitten
de mond
de maag
het duodenum
de pancreas
1398.
A.
B.
C.
D.
In welk deel van het spijsverteringskanaal begint de splitsing van koolhydraten
de mond
de maag
het duodenum
het pancreas
1399.
A.
B.
C.
D.
In welk gedeelte van het spijsverteringskanaal begint de splitsing van vetten
de pancreas
de lever
het duodenum
het jejunum
1400.
A.
B.
C.
D.
Koolhydraatsplitsende enzymen worden afgescheiden in
de mondholte
de mondholte, maag en dunne darm
mondholte, dunne darm en pancreas
maag, dunne darm en pancreas
A
C
B
D
A
C
B
A
C
C
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
1401.
A.
B.
C.
D.
Na een koolhydraatrijke maaltijd gaat de alvleesklier
veel insuline maken
weinig insuline maken
veel glucagon maken
weinig glucagon maken
1402.
A.
B.
C.
D.
Pepsine is
een eiwitsplitsend enzym dat alleen in een zuur milieu werkt
een vetsplitsend enzym dat alleen in een zuur milieu werkt
een vetsplitsend enzym dat alleen in een basisch milieu werkt
een koolhydraatsplitsend enzym dat alleen in een basisch milieu werkt
1403.
A.
B.
C.
D.
Tijdens de resorptie komen
de koolhydraten in de bloedvaten, de vetten in de lymfevaten
de koolhydraten in de bloedvaten, de eiwitten in de lymfevaten
de vetten in de bloedvaten, de eiwitten in de lymfevaten
de eiwitten in de bloedvaten, de koolhydraten in de lymfevaten
1404.
A.
B.
C.
D.
Welke stof bevindt zich NIET in het darmsap
secretine
enterokinase
saccharase
maltase
1405.
A.
B.
C.
D.
Het hormoon secretine heeft de volgende werkingen
opent pylorus, remt afscheiding NaHCO3, remt galsecretie
opent pylorus, stimuleert afscheiding NaHCO3, stimuleert galsecretie
sluit pylorus, remt afscheiding NaHCO3, stimuleert galsecretie
sluit pylorus, stimuleert afscheiding NaHCO3, stimuleert galsecretie
1406.
A.
B.
C.
D.
De bloedafvoer van de slokdarm vindt plaats naar
de onderste holle ader
de poortader
de bovenste holle ader
de leveraders
1407.
A.
B.
C.
D.
De buitenste laag van de slokdarm heet
muscularis
sub-mucosa
adventitia
mucosa
1408.
A.
B.
C.
D.
De oesophagus ligt ..... de trachea
links van
rechts van
voor
achter
1409.
A.
B.
C.
D.
De slokdarm heeft als functie
peristaltiek van voedsel
transport van voedsel
bevochtigen van voedsel
emulgeren van voedsel
1410.
A.
B.
C.
D.
De slokdarm ligt ..... de grote luchtpijp
voor
achter
links van
rechts van
blad 146 van 232
A
A
A
A
D
C
C
D
B
B
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
1411.
A.
B.
C.
D.
De wand van de slokdarm bestaat van binnen naar buiten uit
mucosa, submucosa, muscularis
submucosa, mucosa, muscularis
muscularis, submucosa, mucosa
mucosa, muscularis, submucosa
1412.
A.
B.
C.
D.
In het volgende orgaan wordt geen spijsverteringssap afgescheiden
de mond
de oesofagus
de maag
het duodenum
1413.
A.
B.
C.
D.
De binnenbekleding van het maagdarmkanaal bestaat uit
éénlagig cilindrisch epitheel
éénlagig plaveisel epitheel
meerlagig cilindrisch epitheel
meerlagig plaveisel epitheel
1414.
A.
B.
C.
D.
De wand van het maagdarmkanaal bestaat van binnen naar buiten uit
mucosa, glad spierweefsel, serosa
glad spierweefsel, mucosa, serosa
serosa, mucosa, glad spierweefsel
glad spierweefsel, serosa, mucosa
1415.
A.
B.
C.
D.
Het maagdarmkanaal is vrijwel geheel bekleed met
meerlagig plaveiselepitheel
éénlagig plaveiselepitheel
cilindrisch epitheel
kubisch epitheel
1416.
A.
B.
C.
D.
Aan het begin van een slikbewegingen gaat ...
de huig omhoog en het strotteklepje omhoog
de huig omlaag en het strotteklepje omhoog
de huig omhoog en het strotteklepje omlaag
de huig omlaag en het strotteklepje omlaag
blad 147 van 232
1417. Als de chirurg in de buikwand een insnijding maakt, welke structuren passeert hij
dan achtereenvolgens
A. huid, onderhuidse bindweefsel, spieren en peritoneum
B. huid, spieren, peritoneum en algemene fasie
C. huid, botten, peritoneum en spieren
D. huid, algemene fasie, peritoneum en spieren
1418.
A.
B.
C.
D.
Bij het ruiken en/of zien van voedsel ...
neemt de maagsapproductie toe
neemt de galproductie af
neemt de glucagonproductie toe
neemt de darmsapproductie af
1419.
A.
B.
C.
D.
Calcium is als bouwstof onontbeerlijk voor ...
de celmembranen
de enzymen
het bot
hemoglobine
1420.
A.
B.
C.
D.
Cholecystokinine-pancreozymine ...
remt de productie van pancreassap
remt de peristaltiek van de slokdarm
stimuleert de contractie van de galblaas
stimuleert de contractie van de sphincter Oddi
A
B
A
A
C
C
A
A
C
C
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
blad 148 van 232
1421.
A.
B.
C.
D.
Darmvlokken (villi) zorgen speciaal voor ...
bescherming van de darmwand
oppervlakte vergroting van de darmwand
productie van de spijsverteringsenzymen
voedseltransport in de darm
1422.
A.
B.
C.
D.
De .... ruimte behoort niet tot de extraperitoneale ruimte
preperitoneale
intraperitoneale
subperitoneale
retroperitoneale
1423.
A.
B.
C.
D.
De alvleesklier geeft zijn producten af aan ...
het bloed
het duodenum
het bloed en het duodenum
geen van bovengenoemde structuren
1424.
A.
B.
C.
D.
De bouw van het ileum van binnen naar buiten is ...
mucosa, submucosa, circulaire spieren, longitudinale
submucosa, mucosa, circulaire spieren, longitudinale
mucosa, submucosa, longitudinale spieren, circulaire
submucosa, mucosa, longitudinale spieren, circulaire
1425.
A.
B.
C.
D.
De buitenkant van de maag wordt bekleed door ...
de curvatura major
het peritoneum viscerale
het omentum minus
het serosa
1426.
A.
B.
C.
D.
De emulgerende werking van gal is noodzakelijk voor een optimale werking van ...
natriumbicarbonaat
pancreasamylasen
pancreaslipasen
pancreasproteïnasen
1427.
A.
B.
C.
D.
De functie van enterokinase is activatie van ...
trypsinogeen
pepsinogeen
fibrinogeen
angiotensinogeen
1428.
A.
B.
C.
D.
De gal komt in het duodenum vanuit ...
de ductus hepaticus
de ductus cysticus
de ductus choledochus
de ductus pancreaticus
1429.
A.
B.
C.
D.
De galbuis (ductus choledochus) mondt uit in ...
de leverbuis (ductus hepaticus)
de galblaas
in het duodenum via de papil van Vater
de galblaasbuis (ductus cysticus)
1430.
...
A.
B.
C.
D.
De gemiddelde hoeveelheid maagsap die per etmaal wordt geproduceerd, bedraagt
250 ml
500 ml
2500 ml
5000 ml
B
B
C
spieren
spieren
spieren
spieren
A
D
C
A
C
C
C
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
blad 149 van 232
1431.
A.
B.
C.
D.
De hoeveelheid darmsap, die per etmaal geproduceerd wordt, is gemiddeld ...
20 ml
200 ml
2000 ml
20000 ml
1432.
A.
B.
C.
D.
De huig behoort tot ...
het harde gehemelte
het zachte gehemelte
de mondbodem
de ring van Waldeyer
1433.
A.
B.
C.
D.
De klep van Bauhin ligt op de overgang van ...
het ileum naar het jejunum
de maag naar het duodenum
het ileum naar het colon
het colon sigmoideum naar het rectum
1434.
A.
B.
C.
D.
De kroon van een tand is bekleed met ...
glazuur
tandbeen
pulpa
cement
1435.
A.
B.
C.
D.
De lever is in staat tot uitscheiding van ...
ureum
geconjugeerd bilirubine
eiwitten
glucose
1436.
A.
B.
C.
D.
De maag ligt ...
intraperitoneaal
extraperitoneaal
retroperitoneaal
preperitoneaal
1437.
A.
B.
C.
D.
De maagsapsecretie komt als eerste op gang door ...
gastrine
secretine
cholecystokinine-pancreozymine
een prikkel vanuit het zenuwstelsel
1438.
A.
B.
C.
D.
De mucosa van de dikke darm produceert ...
spijsverteringsenzymen
stollingseiwitten
slijm
vitamine K
1439.
A.
B.
C.
D.
De oesofagus produceert ....
ptyaline
hormonen
slijm
niets
1440.
A.
B.
C.
D.
De omzetting van glycogeen in glucose wordt gestimuleerd door (
glucagon
gastrine
insuline
pepsine
C
B
C
A
B
A
D
C
C
A
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
1441.
A.
B.
C.
D.
De omzetting van pepsinogeen tot pepsine vindt plaats ...
in het duodenum
onder invloed van enterokinase
onder invloed van zoutzuur
zodra er vet voedsel in de maag komt
1442.
A.
B.
C.
D.
De papil van Vater bevindt zich aan het einde van ...
de ductus hepaticus (leverbuis)
de ductus cysticus (galblaasbuis)
de ductus choledochus (galbuis)
geen van de bovengenoemde buizen
1443.
A.
B.
C.
D.
De peritoneale holte is de ruimte ...
tussen binnen- en buitenblad van het buikvlies
waarin de longen zich bevinden
rondom het hart
tussen de longen
blad 150 van 232
1444. De plaats waar de ductus choledochus en de ductus pancreaticus uitmonden in het
duodenum heet ...
A. de valvula ileocaecalis (klep van Bauhin)
B. het mesenterium
C. de plaque van Peyer
D. de papil van Vater
1445.
A.
B.
C.
D.
De plaats waar de galbuis in het duodenum uitmondt heet ...
plaques van Peyer
klep van Bauhin
papil van Vater
sphincter pylorus
1446.
A.
B.
C.
D.
De smaakkwaliteit zoet wordt geregistreerd ...
op de zijranden van de tong
op de punt van de tong
op het gehele tongoppervlak
op de tongbasis
1447.
A.
B.
C.
D.
De sphincter pylorus is gelegen tussen ...
de slokdarm en de maag
de maag en het duodenum
de dunne darm en de dikke darm
op geen van bovengenoemde plaatsen
1448.
A.
B.
C.
D.
De tong bestaat voornamelijk uit ...
losmazig bindweefsel
retculair bindweefsel
glad spierweefsel
dwarsgestreept spierweefsel
1449.
A.
B.
C.
D.
De tong is verbonden aan ...
bovenkaak en tongbeen
kauwspieren en onderkaak
onderkaak en tongbeen
tongbeen en ringkraakbeen
1450.
A.
B.
C.
D.
De veneuze afvoer van de dunne darm geschiedt via ...
de poortader
de lymfcapillairen
de onderste holle ader
de arteria mesenterica superior
C
C
A
D
C
B
B
D
C
A
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
1451.
A.
B.
C.
D.
De veneuze afvoer van de maag gaat naar de ...
buikaorta
leverslagader
onderste holle ader
poortader
1452.
A.
B.
C.
D.
De veneuze afvoer van de maag gaat naar de ...
aorta abdominalis
arteria hepatica
vena cava inferior
vena portae
1453.
A.
B.
C.
D.
De wortels van de tanden zijn bekleed met ...
glazuur
tandbeen
pulpa
cement
1454.
A.
B.
C.
D.
Door welke klieren worden amylasen afgegeven
door de alvleesklier en de speekselklieren
door de maagsapklieren en de speekselklieren
door de lever en de speekselklieren
door de lever en de maagsapklieren
1455.
A.
B.
C.
D.
Door welke klieren worden proteïnasen afgegeven
door de maagsapklieren en de speekselklieren
door de lever en de speekselklieren
door de maagsapklieren en de alvleesklier
door de lever en de alvleesklier
1456.
A.
B.
C.
D.
Een functie van gastrine is de indirecte stimulatie van ...
de eiwitvertering
de vetvertering
de koolhydraatvertering
gastrine heeft geen indirect effect op de vertering
1457.
A.
B.
C.
D.
Een functie van het colon transversum is ...
het voltooien van het verteringsproces
de resorptie van voedingsstoffen
de resorptie van water
het opslaan van feces
1458.
A.
B.
C.
D.
Een onderdeel van de dunne darm is ...
het jejunum
de ductus choledochus
deappendix vermiformis
de ventriculus
1459.
A.
B.
C.
D.
Een subperitoneaal liggend orgaan is ...
de urineblaas
de nier
de alvleesklier
de ureter
1460.
A.
B.
C.
D.
Een subperitoneaal liggend orgaan is ...
de nier
de lever
de kronkeldarm
de endeldarm
blad 151 van 232
D
D
D
A
C
A
C
A
A
D
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
1461.
A.
B.
C.
D.
Een taenia coli is een ...
darmbacil
strook spierweefsel op de dikke darm
strook spierweefsel op de dunne darm
uitstulping van de dikke darm
1462.
A.
B.
C.
D.
Enterokinase heeft als functie(s) ...
het omzetten van trypsinogeen in trypsine
het omzetten van pepsinogeen in pepsine
het stimuleren van de productie van natriumbicarbonaat
alle bovengenoemde functies
1463.
A.
B.
C.
D.
Extraperitoneale ruimten zijn gelegen ....
buiten het buikvlies
voor het buikvlies
binnen het buikvlies
onder het buikvlies
1464.
A.
B.
C.
D.
Gal is onmisbaar bij ...
de resorptie van de in vet oplosbare vitaminen
de stapeling van ijzer
afbraak van hemoglobine
uitscheiding van ureum
1465.
A.
B.
C.
D.
Glycogeen wordt opgeslagen in de ...
alvleesklier
milt
lever
zwezerik
1466.
A.
B.
C.
D.
Het caecum ligt ...
rechts onder in de buikholte
links onder in de buikholte
links boven in de buikholte
rechts boven in de buikholte
1467.
A.
B.
C.
D.
Het duodenum ligt ...
retroperitoneaal
intraperitoneaal
subperitoneaal
preperitoneaal
1468.
A.
B.
C.
D.
Het ileum ligt ...
intraperitoneaal
retroperitoneaal
subperitoneaal
preperitoneaal
1469.
A.
B.
C.
D.
Het jejunum en ileum liggen ...
retroperitoneaal
intraperitoneaal
extraperitoneaal
preperitoneaal
1470.
A.
B.
C.
D.
Het jejunum ligt ...
retroperitoneaal
intraperitoneaal
subperitoneaal
preperitoneaal
blad 152 van 232
B
A
A
A
C
A
A
A
B
B
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
blad 153 van 232
1471.
A.
B.
C.
D.
Het orgaanstandig gedeelte van de sereuze vliezen wordt genoemd
het viscerale blad
het perirenale blad
het pariëtale blad
het mesenterium
1472.
A.
B.
C.
D.
Het slijmvlies van de maag en dunne darm bestaat uit ...
eenlagig cilindrisch epitheel
eenlagig kubisch epitheel
eenlagig plaveiselepitheel
meerlagig plaveiselepitheel
1473.
A.
B.
C.
D.
Het slijmvlies van de slokdarm bestaat uit ...
‚‚nlagig plaveiselepitheel
‚‚nlagig cilindrisch epitheel
meerlagig verhoornd epitheel
meerlagig niet verhoornd epitheel
1474.
A.
B.
C.
D.
Het slijmvlies van jejunum en ileum bestaat uit ...
eenlagig cilindrisch epitheel
eenlagig kubisch epitheel
eenlagig plaveiselepitheel
meerlagig plaveiselepitheel
1475.
A.
B.
C.
D.
Het tongslijmvlies dat de tong bekleedt, bestaat uit ...
eenlagig cilindrisch epitheel
eenlagig plaveisel epitheel
meerlagig cilindrisch epitheel
meerlagig plaveisel epitheel
1476.
A.
B.
C.
D.
Het veneuze bloed uit het laatste deel van de rectumwand wordt afgevoerd via ...
de poortader
de onderste holle ader
de leverader
de vena mesenterica superior
1477.
A.
B.
C.
D.
Het wandstandig gedeelte van de sereuze vliezen noemt men ...
het viscerale blad
het perirenale blad
het pariëtale blad
het mesenterium
1478.
A.
B.
C.
D.
Het water in de voeding fungeert als ...
brandstof
energiebron
oplosmiddel
geen van bovengenoemde functies
1479.
A.
B.
C.
D.
Hoe heet de binnenbocht van de maag naar links
curvatura minor
ventriculus
pylorus
cardia
1480.
A.
B.
C.
D.
Hoe heet de overgang van maag naar duodenum
cardia
corpus
pylorus
fundus
A
A
D
A
D
B
C
C
A
C
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
1481.
A.
B.
C.
D.
blad 154 van 232
Hoe heet de plaats waar de oesophagus in de maag uitmondt
cardia
pylorus
fundus
corpus
1482. Hoe heet het deel van de dikke darm, dat gelegen is tussen het opstijgende en
dalende deel van de dikke darm
A. het colon transversum
B. het colon sigmoïdeum
C. het colon ascendens
D. het colon descendens
1483.
A.
B.
C.
D.
Hoe heet het deel van dikke darm dat direct gelegen is voor het colon rectalis
het colon caecalis (caecum)
het colon descendens
het colon ascendens
het colon sigmoïdeum
1484. Hoe heet het deel van dikke darm direct voorbij het S-vormige deel van de dikke
darm
A. het colon sigmoïdeum
B. het colon rectalis
C. het colon ascendens
D. het colon descendens
1485.
A.
B.
C.
D.
Hoe heet het deel van het buikvlies dat de darmen bekleedt
het peritoneum parietale
het peritoneum viscerale
het mesenterium
het omentum minus
1486. Hoe wordt het grootste deel van de maag, wat zich direct onder de fundus bevindt,
genoemd
A. cardia
B. pyorus
C. antrum
D. corpus
1487. Hoe wordt het horizontale gedeelte van de maag, dat naar het duodenum voert,
genoemd
A. cardia
B. pylorus
C. antrum
D. fundus
1488.
A.
B.
C.
D.
In de hals ligt de slokdarm ...
voor de luchtpijp
voor de aorta
achter de luchtpijp
achter de aorta
1489.
A.
B.
C.
D.
In welk orgaan begint de splitsing van eiwitten
in de alvleesklier
in de maag
in de mond
in de twaalfvingerige darm
A
A
D
B
B
D
C
C
B
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
blad 155 van 232
1490.
A.
B.
C.
D.
Intraperitoneale organen zijn ...
maag, lever en milt
nieren, ureteren en alvleesklier
prostaat, baarmoederhals en urineblaas
twaalfvingerige darm, nuchtere darm en dikke darm
1491.
A.
B.
C.
D.
Intraperitoneale ruimte ligt ....
buiten het buikvlies
voor het buikvlies
binnen het buikvlies
onder het buikvlies
1492.
A.
B.
C.
D.
Jodium is als bouwstof onontbeerlijk voor ...
levercellen
schildklierhormoon
hemoglobine
celmembranen
1493.
A.
B.
C.
D.
Koolhydraten worden verteerd tot glucose door de ...
amylasen
lipasen
glucagon
proteïnasen
1494.
A.
B.
C.
D.
Lipasen worden voornamelijk gevormd in ...
de lever en de dunne darm
de alvleesklier en de lever
de maag en de lever
de alvleesklier en de dunne darm
1495.
A.
B.
C.
D.
Met gluconeogenese wordt bedoeld ...
het vrijmaken van glucose uit glycogeen
het vrijmaken van glycogeen uit glucose
de synthese van glucose uit aminozuren
de synthese van glycogeen uit aminozuren
1496.
A.
B.
C.
D.
Natriumbicarbonaat wordt door de alvleesklier afgegeven aan ...
de maag
het duodenum
het jejunum
het bloed
1497.
A.
B.
C.
D.
Natriumcarbonaat (NaHCO3) komt voor in ...
het maagsap
het pancreassap
het dikke darmsap
het speeksel
1498.
A.
B.
C.
D.
Onder het mesenterium verstaat men ...
de binnenbekleding van de dunne darm
een dubbelblad van het peritoneum, waartussen zich bindweefsel bevindt
de ruimte achter de maag
de ruimte tussen het peritoneum parietale en peritoneum viscerale
1499.
A.
B.
C.
D.
Op de hoeken van de leverkwabjes ligt (liggen) ...
een takje van de poortader
een takje van de leverslagader
een galgang
alle bovengenoemde structuren
A
C
B
A
D
C
B
B
B
D
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
1500.
A.
B.
C.
D.
Op de overgang van het ileum naar de dikke darm bevindt zich ...
de klep van Bauhin
de plaques van Peyer
de papilla duodeni
de cardia
1501.
A.
B.
C.
D.
Preperitoneale ruimte ligt ...
binnen het buikvlies
achter het buikvlies
voor het buikvlies
onder het buikvlies
1502.
A.
B.
C.
D.
Retroperitoneaal liggende organen zijn ...
maag en nuchtere darm
nieren en alvleesklier
milt en lever
endeldarm en prostaat
1503.
A.
B.
C.
D.
Retroperitoneale ruimte ligt ...
binnen het buikvlies
achter het buikvlies
voor het buikvlies
onder het buikvlies
1504.
A.
B.
C.
D.
Speekselamylase (ptyaline) is een enzym dat ...
koolhydraten in de mondholte ontleedt
eiwitten in de mondholte splitst
het voedsel vloeibaar maakt
vetten in de mondholte splitst
1505.
A.
B.
C.
D.
Tot de functie van het pancreassap behoort de splitsing van ...
eiwitten
koolhydraten
vetten
alle bovengenoemde voedingsstoffen
1506.
A.
B.
C.
D.
Transport van voedsel in de slokdarm vindt plaats door middel van ...
de zwaartekracht
een zuigwerking vanuit de maag
contractie van de slokdarmwand
de duwkracht van de tong
1507.
A.
B.
C.
D.
Uit wat voor soort spierweefsel is de keelwand opgebouwd
uit hartspierweefsel
uit dwarsgestreept spierweefsel
uit gladspierweefsel
de keelwand bevat geen spierweefsel
blad 156 van 232
1508. Uit welk deel van het spijsverteringskanaal vindt bloedafvoer direct via de bovenste
holle ader plaats
A. uit de mondholte
B. uit het duodenum
C. uit het colon ascendens
D. uit het distale gedeelte van het rectum
A
C
B
B
A
D
C
B
D
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
blad 157 van 232
1509. Uit welk deel van het spijsverteringskanaal vindt bloedafvoer direct via de onderste
holle ader plaats
A. uit het ileum
B. uit het jejunum
C. uit het colon ascendens
D. uit het distale gedeelte van het rectum
1510.
A.
B.
C.
D.
Uit welke delen bestaat de dunne darm
duodenum - ductus choledochus - pancreasbuis
duodenum - ductus choledochus - jejunum
duodenum - jejunum - colon
duodenum - jejunum - ileum
1511.
A.
B.
C.
D.
Vertering van eiwitten levert ...
glucose
glycerol
aminozuren
glycogeen
1512.
A.
B.
C.
D.
Vet is een oplosmiddel voor ...
vitamine C
vitamine A, D, E en K
glucose
mineralen
1513.
A.
B.
C.
D.
Vet is nodig voor de vorming van ...
enzymen
koolhydraten
celmembranen
bloedeiwitten
1514.
A.
B.
C.
D.
Vet wordt verteerd tot ...
glucose en glycerol
glycerol en vetzuren
vetzuren en aminozuren
aminozuren en glucose
1515.
A.
B.
C.
D.
Vetten worden ontleed door ...
lipasen en daarna geëmulgeerd door gal
lipasen na emulgering door gal
proteïnasen tot glycerol en vetzuren
proteïnasen tot verzadigde en onverzadigde vetzuren
1516.
A.
B.
C.
D.
Waar bevindt zich cement in de tand
in het wortelkanaal
in de tandkroon
rondom de tandwortel
in de tandholte
1517.
A.
B.
C.
D.
Waar worden verteringenzymen geproduceerd
in klieren of kliercellen met interne secretie
in klieren of kliercellen met externe secretie
in slijmcellen van het maagdarmkanaal
in bindweefselcellen van het maagdarmkanaal
1518.
A.
B.
C.
D.
Waar wordt het hormoon gastrine gevormd
in de wand van het duodenum
in de eilandjes van Langerhans
in exocrienklierweefsel van de pancreas
in het antrum-deel van de maag
D
D
C
B
C
B
B
C
B
D
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
1519.
A.
B.
C.
D.
Waaruit zijn eiwitten opgebouwd
aminozuren
vetzuren
suikers
collagene vezels
1520.
A.
B.
C.
D.
Wat hoort bij stofwisseling
afbraak van stoffen
opbouw van stoffen
opslag van stoffen
A, B en C zijn juist
1521.
A.
B.
C.
D.
Wat is de belangrijkste functie van darmvlokken
resoptie van voedingsstoffen
afbraak van voedingsstoffen
excretie van voedingsstoffen
stapeling van voedingsstoffen
1522.
A.
B.
C.
D.
Wat is de functie van de intrinsieke factor
bescherming tegen micro-organismen
resorptie van vitamine B12 in de dunne darm
resorptie van calcium in de maag
bescherming van de maagwand tegen zoutzuur
1523.
A.
B.
C.
D.
Wat is de functie van de lever met betrekking tot gal
de lever produceert gal en slaat gal op
de lever produceert gal, maar slaat gal niet op
de lever produceert geen gal, maar slaat gal wel op
de lever produceert geen gal en slaat gal ook niet op
1524.
A.
B.
C.
D.
Wat is de functie van de plaques van Peyer
productie van maagsap
vergroten het darmoppervlak
oprekken van weerstand tegen micro-organismen
productie van spijsverteringsenzymen
1525.
A.
B.
C.
D.
Wat is de functie van de slokdarm
verdunnen van voedsel
opslag van voedsel
transport van voedsel
kneden van voedsel
1526.
A.
B.
C.
D.
Wat is de functie van gastrine
het stimuleert de productie van maagsap
het maakt giftige stoffen onschadelijk
het stimuleert de vertering van vetten
het stimuleert de vertering van koolhydraten
1527.
A.
B.
C.
D.
Wat is de functie van het maagslijm
het breekt eiwitten af tot aminozuren
het stimuleert de vorming van enzymen
het doodt verscheidene soorten bacteriën
het beschermt het maagepitheel
1528.
A.
B.
C.
D.
Wat is de functie van het zoutzuur in de maag
het verteert koolhydraten
het verteert eiwitten
het verteert vetten
het stimuleert de vitamine B12 resorptie
blad 158 van 232
A
D
A
B
B
C
C
A
D
B
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
1529.
A.
B.
C.
D.
Wat is de werking van glucagon
het bevordert glycogeenvorming
het bevordert insulinevorming
het bevordert glucosevorming
het remt glucosevorming
1530.
A.
B.
C.
D.
Wat is de werking van natrium bicarbonaat
het verlaagt de zuurgraad van de dunnedarm-inhoud
het splitst koolhydraten
het emulgeert vetten
het zet glucose om glycogeen
1531.
A.
B.
C.
D.
Wat is een functie van het hormoon secretine
het stimuleert de maagsapproductie
het stimuleert de pancreassapsecretie
het remt de galproductie
het remt de darmsapproductie
1532.
A.
B.
C.
D.
Wat is een functie van het mesenterium
het vormen van antistoffen
onschadelijk maken van lichaamsvreemde stoffen
vorming van erytrocyten
geleiding van zenuwen, bloed- en lymfevaten
1533.
A.
B.
C.
D.
Wat is een functie van water in het menselijk lichaam
het is een brandstof ten behoeve van de energieproductie
het is een oplosmiddel voor vitamine A, D, E en K
het is een oplosmiddel voor zouten en glucose
het is een bouwstof voor enzymen
blad 159 van 232
1534. Wat is het mesenterium
A. een dubbelblad van het peritoneum, waartussen zich een vaatrijk bindweefsel
bevindt
B. de bindweefselruimte tussen de beide longen
C. de ruimte tussen het parietale en viscerale blad van het peritoneum
D. de bindweefselruimte in de hals
1535.
A.
B.
C.
D.
Wat wordt door de dikke darmwand geresorbeerd
glucose en aminozuren
water en aminozuren
vetzuren en glycerol
water en zouten
1536.
A.
B.
C.
D.
Wat zijn lipasen
zetmeelsplitsende enzymen
eiwitsplitsende enzymen
suikersplitsende enzymen
vetsplitsende enzymen
1537.
A.
B.
C.
D.
Welk orgaan ligt retroperitoneaal
de alvleesklier
de milt
de endeldarm
de urineblaas
1538.
A.
B.
C.
D.
Welk orgaan wordt omgeven door het peritoneum
de lever
de alvleesklier
de nier
het duodenum
C
A
B
D
C
A
D
D
A
A
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
1539.
A.
B.
C.
D.
blad 160 van 232
Welk stof wordt in de lever opgeslagen
adrenaline
hemoglobine
ijzer
gal
1540. Welk van de onderstaande bloedvaten bevat na een eiwitrijke maaltijd veel
aminozuren
A. aorta
B. onderste holle ader
C. poortader
D. leverader
1541.
A.
B.
C.
D.
Welk van onderstaande processen vindt in de lever plaats
de productie van insuline
de afgifte van vitamine K
de vorming van bilirubine
de vorming van plasma-eiwitten
1542.
A.
B.
C.
D.
Welke formule van een blijvend gebit in de boven- of onderkaak is juist
122/221
3122/2213
212/212
3212/2123
1543.
A.
B.
C.
D.
Welke formule van het melkgebit in de boven- of onderkaak is juist
122/221
3122/2213
212/212
3212/2123
1544.
A.
B.
C.
D.
Welke functie behoort niet tot die van de lever
het vormen van trombocyten
het afbreken van aminozuren tot ureum
het vormen van protrombine
omzetting van glycogeen in glucose
1545.
A.
B.
C.
D.
Welke functie heeft de dikke darm wel en de dunne darm niet
de productie van darmsap
de productie van vitamine K
de productie van slijm
het maken van peristaltische bewegingen
1546.
A.
B.
C.
D.
Welke functie heeft de galblaas
vorming van gal
opslaan van gal
vorming van vetten
opslaan van vetten
1547.
A.
B.
C.
D.
Welke functie heeft de lever met betrekking tot gal
de lever breekt gal af
de lever dikt gal in
de lever slaat gal op
de lever produceert gal
1548.
A.
B.
C.
D.
Welke klier(en) wordt (worden) geactiveerd door secretine
de alvleesklier
de darmklieren
de maagklieren
de speekselklieren
C
C
D
D
C
A
B
B
D
A
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
blad 161 van 232
1549.
A.
B.
C.
D.
Welke ruimte ligt niet extraperitoneaal
de retroperitoneale ruimt
de subperitoneale ruimte
de preperitoneale ruimte
de intraperitoneale ruimte
1550.
A.
B.
C.
D.
Welke stof is een bestanddeel van gal
cholesterol
eiwit
erytrocyten
vitamine K
1551.
A.
B.
C.
D.
Welke stof is een bestanddeel van het pancreassap
cholesterol
glucagon
insuline
natriumbicarbonaat
1552.
A.
B.
C.
D.
Welke stof wordt door de maag rechtstreeks afgegeven aan het bloed
vitamine B12
intrinsieke factor
gastrine
pepsinogeen
1553.
A.
B.
C.
D.
Welke stof wordt geproduceerd door de alvleesklier
adrenaline
enterokinase
glucagon
pancreozymine
1554.
A.
B.
C.
D.
Welke stof wordt niet door de alvleesklier geproduceerd
insuline
natriumbicarbonaat
proteïnase
enterokinase
1555.
A.
B.
C.
D.
Welke stof wordt niet door het exocriene deel van de alvleesklier geproduceerd
amylase
lipase
glucagon
natriumbicarbonaat
1556. Welke stof(fen) moet(en) gebruik maken van lymfevaten om getransporteerd te
worden
A. glucose
B. aminozuren
C. vetten
D. vitaminen
1557.
A.
B.
C.
D.
Welke van de onderstaande functies is een leverfunctie
de productie van vitamine K
De productie van plasma-eiwitten
De productie van adrenaline
de productie van hydrocortison
1558.
A.
B.
C.
D.
Welke van de volgende organen ligt intraperitoneaal
de blaas
de milt
de nieren
de alvleesklier
D
A
D
C
C
D
C
C
B
B
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
1559.
A.
B.
C.
D.
Welke van de volgende stoffen vormen bestanddelen van maagsap
slijm, intrinsieke factor, proteïnasen
intrinsieke factor, enterokinase, slijm
lipasen, extrinsieke factor, trypsinogeen
gastrine, slijm, proteïnasen
1560.
A.
B.
C.
D.
Welke vitaminen kunnen in het lichaam geproduceerd worden
vitamine A en vitamine D
vitamine A en vitamine E
vitamine D en vitamine K
vitamine E en vitamine K
1561.
A.
B.
C.
D.
ADH oefent z'n invloed voornamelijk uit op
proximale tubulus
distale tubulus + lis van Henle
lis van Henle
verzamelbuis + distale tubulus
1562.
A.
B.
C.
D.
ADH wordt afgegeven door
de hypofyse
het bijniermerg
de bijnierschors
de bijschildkliertjes
1563.
A.
B.
C.
D.
ADH wordt geproduceerd in
de hypofyse
het bijniermerg
de bijnierschors
de hypothalamus
1564.
A.
B.
C.
D.
Als er meer ADH aanwezig is dan normaal zal er
meer urine en meer voorurine dan normaal gevormd worden
evenveel voorurine en meer urine dan normaal gevormd worden
evenveel voorurine en minder urine dan normaal gevormd worden
minder voorurine en minder urine dan normaal gevormd worden
1565.
A.
B.
C.
D.
Als er minder ADH aanwezig is als normaal zal er
meer urine en meer voorurine als normaal gevormd worden
minder urine en minder voorurine als normaal gevormd worden
meer urine en evenveel voorurine als normaal gevormd worden
minder urine en evenveel voorurine als normaal gevormd worden
blad 162 van 232
1566. De terugresorptie in de nier staat - op indirecte wijze - onder invloed van het
volgende hormoon
A. aldosteron
B. ADH
C. parathormoon
D. renine
1567.
A.
B.
C.
D.
Het hormoon ADH bevordert vooral de terugresorptie van
natrium
kalium
calcium
water
1568.
A.
B.
C.
D.
Het hormoon ADH heeft vooral invloed in
de glomerulus
de proximale tubulus en de lis van Henle
de lis van Henle en de distale tubulus
de distale tubulus en de verzamelbuis
A
C
D
A
D
C
C
A
D
D
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
blad 163 van 232
1569.
A.
B.
C.
D.
Aldosteron bevordert de terugresorptie van
natrium
glucose
aminozuren
kalium
1570.
A.
B.
C.
D.
Aldosteron wordt geproduceerd in
de hypofyse
de bijnierschors
het bijniermerg
de bijschildkliertjes
1571.
A.
B.
C.
D.
Het hormoon aldosteron bevordert vooral de terugresorptie van
natrium
kalium
calcium
water
1572.
A.
B.
C.
D.
Welke stof wordt door de nier onder invloed van aldosteron uitgescheiden
natrium
glucose
aminozuren
kalium
1573.
A.
B.
C.
D.
Welke van de volgende processen staat onder invloed van aldosteron
regeling van de filtratiedruk
terugresorptie van water
terugresorptie van glucose en aminozuren
regeling van de natrium- en kaliumconcentratie
1574.
A.
B.
C.
D.
De gevulde blaas ligt ten opzichte van het peritoneum
retroperitoneaal
intraperitoneaal
subperitoneaal
zowel pre- als subperitoneaal
1575.
A.
B.
C.
D.
De sluitspieren van de blaas worden gecontroleerd door
het vegetatieve zenuwstelsel
het animale zenuwstelsel
beide
geen van beide
1576.
A.
B.
C.
D.
De blaasdriehoek bevindt zich tussen
de voorste bovenste bekkenpunten en de symfyse
de achterste bovenste bekkenpunten en de symfyse
de uitmondingen van de ureteren en de top van de blaas
de uitmondingen van de ureteren en de urethra
1577.
A.
B.
C.
D.
De nieren ontvangen hun bloed via de nierslagader rechtstreeks uit de
aorta
arteria iliaca
vena cava superior
vena cava inferior
1578.
A.
B.
C.
D.
Onder de netto filtratiedruk in de nieren verstaan we de druk die het gevolg is van
de bloeddruk in de glomerulus
de bloeddruk en de collod-osmotische druk
de bloeddruk en de mineralo-osmotische druk
de bloeddruk, de collod-osmotische druk en de kapseldruk
A
B
A
D
D
D
C
D
A
D
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
1579.
A.
B.
C.
D.
Met het begrip "homeostase" wordt bedoeld
biologisch evenwicht
regeling van de vochthuishouding
uitscheiding van afvalproducten
regeling van de hormoonhuishouding
1580.
A.
B.
C.
D.
In de hilus van de nier vinden we
vas afferens, vas efferens, urethra
glomerulus, lis van Henle, tubulus
nierslagader, nierader, ureter
nierslagader, nierader, urethra
1581.
A.
B.
C.
D.
Per 24 uur wordt er ongeveer ... liter voorurine geproduceerd
100
120
150
180
1582.
A.
B.
C.
D.
Per 24 uur wordt ongeveer ..... ultrafiltraat geproduceerd
20 liter
80 liter
120 liter
180 liter
1583.
A.
B.
C.
D.
Per minuut wordt er ongeveer ... ml voorurine geproduceerd
50
75
125
250
1584.
A.
B.
C.
D.
Wanneer men weinig drinkt zal de osmotische waarde van de urine
licht dalen
sterk dalen
niet veranderen
stijgen
1585.
A.
B.
C.
D.
Als het bloedplasma hypertoon wordt, dan scheidt als gevolg hiervan
de bijnierschors minder aldosteron uit
de nier minder renine uit
de hypofyse meer A.D.H uit
de hypofyse minder A.D.H uit
1586.
A.
B.
C.
D.
Als het bloedplasma hypotoon wordt, dan scheidt als gevolg hiervan
de hypofyse meer A.D.H uit
de hypofyse minder A.D.H uit
de bijnierschors meer aldosteron uit
de nier meer renine uit
blad 164 van 232
1587. Beschouwt men achtereenvolgens aan- en afvoerend vat van de glomerulus van de
nier dan hebben we respectievelijk te maken met
A. een arterie en een vena
B. een arterie en een arterie
C. een vena en een arterie
D. een vena en een vena
1588.
A.
B.
C.
D.
Bij excretie in de nier gaan stoffen
vanuit het bloed naar de tubulus
vanuit de tubulus naar het bloed
vanuit het kapsel van Bowman naar het bloed
vanuit het bloed naar het kapsel van Bowman
A
C
D
D
C
D
C
B
B
A
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
blad 165 van 232
1589. Bij het proces van filtratie in de nier is er sprake van een aantal soorten 'drukken'.
Welke druk is onder normale omstandigheden het hoogste
A. de filtratiedruk
B. de bloeddruk
C. de kapseldruk
D. de tubulaire druk
1590.
A.
B.
C.
D.
De definitieve selectie van de voorurine vindt plaats in
het afdalend deel van de lis van Henle
afdalend en stijgend deel van de lis van Henle
stijgend deel van de lis van Henle
tubulus contortus II en de verzamelbuis
1591.
A.
B.
C.
D.
De grootste mate van terugresorptie vindt plaats in
de proximale tubulus
de lis van Henle.
de distale tubulus
de verzamelbuis
1592.
A.
B.
C.
D.
De nefronen liggen in
de nierschors
het niermerg
zowel de nierschors als het niermerg
de fascia renalis
1593.
A.
B.
C.
D.
De samenstelling van ultrafiltraat komt overeen met bloed zonder
bloedcellen
bloedcellen en plasma-eiwitten
bloedcellen en serum eiwitten
bloedcellen, plasma-eiwitten en glucose
1594.
A.
B.
C.
D.
De terugresorptie van voorurine vindt voor het grootste deel plaats in
de proximale tubulus
de lis van Henle
de distale tubulus
de verzamelbuis
1595.
A.
B.
C.
D.
De urineproductie stopt als de bloeddruk in de glomerulus lager wordt dan
70 mmHg
60 mmHg
50 mmHg
40 mmHg
1596.
A.
B.
C.
D.
Een lichaampje van malpighi van de nier bestaat uit
kapsel van Bowman en glomerulus
kapsel van Bowman en proximale tubulus
kapsel van Bowman met lis van Henle en proximale en distale tubulus
kapsel van Bowman met lis van Henle, proximale en distale tubulus en
verzamelbuisje
1597.
A.
B.
C.
D.
Een nier bevat ongeveer het volgende aantal nefronen
100
500
1.000.000
2.000.000
B
D
A
C
B
A
D
A
C
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
1598.
A.
B.
C.
D.
Het filtratieproces in de nier staat onder invloed van
de bloeddruk
hormonen
actieve spierwerking
uitwisseling van natrium en kalium
1599.
A.
B.
C.
D.
Het proces van terugresorptie in de nier staat onder invloed van
de bloeddruk
hormonen
actieve spierwerking
uitwisseling van natrium en kalium
1600.
A.
B.
C.
D.
Het toevoerende bloedvaatje van een nefron heet
tubulus contortus II
juxtaglomulair apparaat
vas afferens
glomerulus
1601.
A.
B.
C.
D.
Het vocht dat in het kapsel van Bowman terecht komt noemen we
bloed
afvalstoffen
bloedvloeistof
voorurine
1602. In de nierbuisjes van een gezond mens wordt vanuit de voorurine
teruggeresorbeerd naar het bloed
A. alle glucose en een deel van het keukenzout
B. een deel van het glucose en alle keukenzout
C. een deel van het glucose en een deel van het keukenzout
D. alle keukenzout en alle glucose
1603.
A.
B.
C.
D.
In de tubulus contortus I vindt terugresorptie plaats van
natrium
glucose
water
A, B en C zijn juist
1604.
A.
B.
C.
D.
In de verzamelbuis vindt voornamelijk terugresorptie plaats van
natrium
glucose
water
A, B en C
1605.
A.
B.
C.
D.
Kenmerken van de terugresorptie in de nier zijn
het is een passief proces
het kost energie
het is niet selectief
het vertoont een transportminimum
1606.
A.
B.
C.
D.
Onder het lichaampje van Malpighi verstaan we
de glomerulus en de tubuli
het nefron en de tubuli
het kapsel van Bowman en de tubuli
de glomerulus en het kapsel van Bowman
1607.
A.
B.
C.
D.
Per minuut wordt ongeveer ....... ultrafiltraat in de nieren geproduceerd
125 milliliter
500 milliliter
20 liter
180 liter
blad 166 van 232
A
B
C
D
A
D
C
B
D
A
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
blad 167 van 232
1608.
A.
B.
C.
D.
Primaire urine is
het vocht dat vanuit de glomerulus in het kapsel van Bowman terecht komt
het vocht dat vanuit de tubuli in het bloed terecht komt
de urine die zich in de blaas bevindt
de eerste urine welke tijdens de mictie geloosd wordt
1609.
A.
B.
C.
D.
Terugresorptie in de nier
vertoont een transportmaximum
kost energie
is een actief proces
alle bovengenoemde
1610.
A.
B.
C.
D.
Wanneer men veel drinkt zal de osmotische waarde van de urine
dalen
niet veranderen
licht stijgen
sterk stijgen
1611.
A.
B.
C.
D.
Welke van de volgende processen in het nefron geldt als een passief proces
filtratie
resorptie
excretie
terugresorptie
1612. De hoeveelheid bloed die per minuut door de beide nieren gaat bedraagt ongeveer
..... liter.
A. 0,2
B. 0,5
C. 1
D. 2
1613.
A.
B.
C.
D.
De nier bestaat van buiten naar binnen uit
pyelum, cortex, medulla, calices
cortex, medulla, calices, pyelum
calices, medulla, pyelum, cortex
medulla, calices, cortex, pyelum
1614.
A.
B.
C.
D.
De nier bestaat van buiten naar binnen uit
schors, bekken, merg, nierkelkjes
schors, nierkelkjes, merg, bekken
merg, nierkelkjes, schors, bekken
schors, merg, nierkelkjes, bekken
1615.
A.
B.
C.
D.
De nieren voeren hun bloed via de nierader rechtstreeks af naar de
bovenste holle ader
onderste holle ader
aorta
vena iliaca
1616.
A.
B.
C.
D.
De nieren worden op hun plaats gehouden door
een directe vergroeiing met het diafragma
ligamenten
een vetkapsel om de nier
een spierkapsel om de nier
1617.
A.
B.
C.
D.
De rechter nier ligt lager dan de linker nier door de erboven liggende
maag
lever
alvleesklier
bocht van de dikke darm
A
D
A
A
C
B
D
B
C
B
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
1618.
A.
B.
C.
D.
De rechter nier ligt lager dan de linker nier omdat
de rechter nier zwaarder is dan de linker nier
de pancreas boven de rechter nier ligt
de darmen de linker nier omhoog duwen
de lever boven de rechter nier ligt
1619.
A.
B.
C.
D.
De rechter nier ligt lager dan de linker nier, dit komt door
de ribben
de lever
de milt
de alvleesklier
1620.
A.
B.
C.
D.
De structuren van de nier bestaan van buiten naar binnen uit
schors, merg, pyelum
pyelum, merg, schors
merg, schors, nierbekken
schors, pyelum, merg
1621.
A.
B.
C.
D.
Een nierpapil sluit rechtstreeks aan op
de calyx minor
de calyx major
de ureter
het pyelum
1622.
A.
B.
C.
D.
In de hilus van de nier bevindt zich NIET
de arteria renalis
de vena renalis
de ureter
de urethra
1623.
A.
B.
C.
D.
De nier heeft GEEN functie bij
de regulatie van de bloeddruk
de vorming van vitamine D
de productie van groeihormonen
de regulatie van het bloedsuikergehalte
1624.
A.
B.
C.
D.
Parathormoon bevordert de terugresorptie van
calcium
fosfaten
kalium
natrium
1625.
A.
B.
C.
D.
Parathormoon heeft de volgende werking in de nier
het verlaagt de bloeddruk en vermeerdert de productie van aldosteron
het bevordert de terugresorptie van calcium
het vermindert de terugresorptie van calcium
het vermindert de terugresorptie van kalium
1626.
A.
B.
C.
D.
Parathormoon wordt geproduceerd in
de hypofyse
het bijniermerg
de bijnierschors
de bijschildkliertjes
1627.
A.
B.
C.
D.
De werking van renine is als volgt
het verhoogt de bloeddruk en verlaagt de aldosteron-uitscheiding
het verlaagt de bloeddruk en verlaagt de aldosteron-uitscheiding
het verhoogt de bloeddruk en verhoogt de aldosteron-uitscheiding
het verlaagt de bloeddruk en verhoogt de aldosteron-uitscheiding
blad 168 van 232
D
B
A
A
D
D
A
B
D
C
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
1628.
A.
B.
C.
D.
Het hormoon renine heeft de volgende werkingen
het verhoogt de bloeddruk en vermeerdert de productie van aldosteron
het verlaagt de bloeddruk en vermeerdert de productie van aldosteron
het verhoogt de bloeddruk en vermindert de productie van aldosteron
het verlaagt de bloeddruk en vermindert de productie van aldosteron
1629.
A.
B.
C.
D.
Het juxtaglomulair apparaat produceert
aldosteron als de bloeddruk te hoog wordt
renine als de bloeddruk te hoog wordt
ADH als de bloeddruk te laag wordt
renine als de bloeddruk te laag wordt
1630.
A.
B.
C.
D.
Renine wordt geproduceerd in
de maag
de nier
de bijnierschors
het bijniermerg
1631.
A.
B.
C.
D.
Welke van de volgende is GEEN kenmerk van terugresorptie
het is een actief proces
het kost energie
het is een passief proces
het vertoont een transportmaximum
1632.
A.
B.
C.
D.
De ureter van de man loopt van de
nier naar de onderzijde van de blaas
nier naar de bovenzijde van de blaas
bovenzijde van de blaas naar het uiteinde van de penis
onderzijde van de blaas naar het uiteinde van de penis
1633.
A.
B.
C.
D.
De ureteren monden uit ..... in de blaas
voor
boven
midden
onder
1634.
A.
B.
C.
D.
De ureters liggen ten opzichte van het peritoneum
intraperitoneaal
subperitoneaal
preperitoneaal
retroperitoneaal
1635.
A.
B.
C.
D.
Het transport van urine in de ureteren vindt plaats onder invloed van
peristaltiek
zwaartekracht
stuwing vanuit de nieren
aanzuiging vanuit de blaas
1636.
A.
B.
C.
D.
Door de huid wordt ongeveer ..... liter vocht per dag uitgescheiden.
0,2
0,6
1
1,5
1637.
A.
B.
C.
D.
Door de longen wordt ongeveer ..... liter vocht per dag uitgescheiden.
0,2
0,5
1
1,5
blad 169 van 232
A
D
B
C
A
D
D
A
B
B
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
blad 170 van 232
1638.
A.
B.
C.
D.
Door de nieren wordt ongeveer ..... liter vocht per dag uitgescheiden
0,7
1
1,5
2
1639.
A.
B.
C.
D.
Door het maagdarmkanaal wordt ongeveer ..... liter vocht per dag uitgescheiden.
0,1
0,3
0,7
1
1640.
A.
B.
C.
D.
De blaas is van binnen bekleed met ...
eenlagig kubisch epitheel
eenlagig trilhaarepitheelepitheel
meerlagig plaveiselepitheel
meerlagig overgangsepitheel
1641.
A.
B.
C.
D.
De gemiddelde glomerulaire filtratie bij de mens bedraagt ...
1,5 liter/etmaal
5 liter/etmaal
180 liter/etmaal
1440 liter/etmaal
1642.
A.
B.
C.
D.
De gemiddelde glomerulaire filtratie bij de mens bedraagt ...
1 ml/minuut
125 ml/minuut
1000 ml/minuut
2500 ml/minuut
1643.
A.
B.
C.
D.
De glomerulus wordt omsloten door ...
het nierkapsel
de nierkelkjes
de mergpiramiden
het kapsel van Bowman
1644.
A.
B.
C.
D.
De huid is een uitscheidingsorgaan, omdat de huid ...
dode cellen als hoornstof afgeeft
warmte afgeeft aan de omgeving
water en zouten afgeeft
de huid is geen uitscheidingsorgaan
1645.
A.
B.
C.
D.
De kracht waarmee de urinelozing geschiedt is onafhankelijk van ...
de spanning in de blaaswand
de prikkel vanuit de urethra
de samenstelling van de urine
de druk in de buikholte
1646.
A.
B.
C.
D.
De lever is een uitscheidingsorgaan, omdat de lever ...
glucose aan bloed afstaat
giftige stoffen aan glucuronzuur bindt
ammoniak kan omzetten in ureum
geconjugeerd-bilirubine afgeeft aan het darmkanaal
1647.
A.
B.
C.
D.
De lumenzijde van de blaaswand is bekleed met een ...
epitheel
endotheel
mesotheel
peritoneum
C
A
D
C
B
D
C
C
D
A
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
blad 171 van 232
1648.
A.
B.
C.
D.
De nieren liggen ...
omgeven door het buikvlies (intraperitoneaal)
achter het buikvlies (retroperitoneaal)
voor het buikblies (preperitoneaal)
onder het buikvlies (subperitoneaal)
1649.
A.
B.
C.
D.
De nieren liggen in ...
de borstholte
de bekkenholte
de buikholte
de pleuraholte
1650.
A.
B.
C.
D.
De nieren liggen ingebed in ...
de fascia renalis
het perirenale vet
het nierkapsel
elastisch bindweefsel
1651.
A.
B.
C.
D.
De nieren worden op hun plaats gehouden door ...
vetweefsel
het nierkapsel
de nierslagaders
het buikvlies
1652.
A.
B.
C.
D.
De samenstelling van het filtraat is vergelijkbaar met ...
bloed zonder bloedcellen
bloed zonder eiwitten
plasma zonder eiwitten
urine in de blaas
1653.
A.
B.
C.
D.
De tubulus contortus II mondt uit in ...
de lis van Henle
een nierkelkje
de verzamelbuis
de ureter
1654.
A.
B.
C.
D.
De uitscheiding van kalium wordt bevorderd door ...
parathormoon
aldosteron
A.1.H
adrenaline
1655.
A.
B.
C.
D.
Een nierkelkje is een onderdeel van ...
het nierkapsel
de schorslaag
het nierbekken
de mergpiramiden
1656.
A.
B.
C.
D.
Er kan bij een volle blaas geen urine terugstromen naar de ureteren, omdat ...
er kleppen in de ureteren zitten
de opening wordt dichtgedrukt door de druk in de blaas
de blaaswand wordt opgerekt
de productie en afvoer van de urine in balans is
1657.
A.
B.
C.
D.
Het lichaampje van Malpighi in de nier bestaat uit ...
kapsel van Bowman en de proximale tubulus
proximale en distale tubulus en de lis van Henle
vas afferens en vas efferens
glomerulus en kapsel van Bowman
B
C
B
A
C
C
B
C
B
D
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
1658.
A.
B.
C.
D.
Het merg van de nier ziet er gestreept uit door de aanwezigheid van ...
lissen van Henle
glomeruli
gekronkelde buisjes
kapsels van Bowman
1659.
A.
B.
C.
D.
Het nierbekken gaat over in de ...
urethra
ureter
verzamelbuis
lis van Henle
1660.
A.
B.
C.
D.
Het product van de filtratie in de nieren noemt men ...
(ultra)filtraat
urine
plasma
weefselvocht
blad 172 van 232
1661. Hoe heet het proces waarbij stoffen uit het filtraat weer opgenomen worden in de
bloedbaan
A. diffusie
B. terugabsorptie
C. filtratie
D. excretie
1662.
A.
B.
C.
D.
Hoe is de ligging van de lege blaas
omgeven door het buikvlies (intraperitoneaal)
achter het buikvlies (retroperitoneaal)
voor het buikblies (preperitoneaal)
onder het buikvlies (subperitoneaal)
1663.
A.
B.
C.
D.
Hoe noemt men de laag van de nier waarin de glomeruli liggen
nierbekken
nierkapsel
merglaag
schorslaag
1664.
II
A.
B.
C.
D.
Hoe noemt men de verbinding tussen de tubulus contortus I en de tubulus contortus
1665.
A.
B.
C.
D.
Hoe verloopt de ureter bij de vrouw
van de bovenzijde van de blaas naar de vulva
van de onderzijde van de blaas naar de vulva
van de nier naar de bovenzijde van de blaas
van de nier naar de onderzijde van de blaas
1666.
A.
B.
C.
D.
Hoeveel filtraat wordt er gemiddeld door de nieren geproduceerd
1,5 liter/etmaal
5 liter/etmaal
180 liter/etmaal
1440 liter/etmaal
A
B
A
B
D
D
C
glomerulus
kapsel van Bowman
lis van Henle
verzamelbuis
D
C
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
blad 173 van 232
1667.
A.
B.
C.
D.
In de tubuli van de nier vindt volledige terugresorptie plaats van ...
glucose
keukenzout
ureum
geen van deze stoffen
1668.
A.
B.
C.
D.
In het merg van de nier bevinden zich ...
de lichaampjes van Malpighi
de tubuli contorti I
de lissen van Henle
de tubuli contorti II
1669.
A.
B.
C.
D.
In het merggedeelte van de nier liggen ...
de nefronen
de lissen van Henle
de kapsels van Bowman
alle bovengenoemde structuren
1670.
A.
B.
C.
D.
In rust bedraagt de totale bloeddoorstroming door de beide nieren gemiddeld ...
100 ml per minuut
500 ml per minuut
1000 ml per minuut
5000 ml per minuut
1671.
A.
B.
C.
D.
In welke structuur van een nier is de eiwitconcentratie het hoogst
in het kapsel van Bowman
in het vas afferens
in het vas efferens
in de lis van Henle
1672.
A.
B.
C.
D.
In welke structuur van een nier is de eiwitconcentratie het hoogst
in het kapsel van Bowman
in het vas afferens
in het vas efferens
in alle bovengenoemde structuren even hoog
1673.
A.
B.
C.
D.
Met wat voor soort epitheel is het nierbekken bekleed
plaveiselepitheel
trilhaarepitheel
cilindrisch epitheel
overgangsepitheel
1674. Microscopisch gezien is de nier opgebouwd uit functionele eenheden. Zon eenheid
noemt men ...
A. glomerulus
B. tubulus
C. mergpiramide
D. nephron
1675.
A.
B.
C.
D.
Op een te lage bloeddruk reageren de nieren door ...
de vorming van renine
de uitscheiding van zouten
de vorming van de renale erytropoëtische factor
de uitscheiding van water
1676.
A.
B.
C.
D.
Terugabsorptie van natrium wordt bevorderd door ...
parathormoon
aldosteron
A.1.H
adrenaline
A
C
B
C
C
B
D
D
A
B
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
1677.
A.
B.
C.
D.
Terugabsorptie van water in de tubuli geschiedt onder invloed van ...
A.D.H
renine
adrenaline
glucagon
1678.
A.
B.
C.
D.
Urinetransport in de ureteren vindt plaats door ...
de activiteit van het overgangsepitheel
de zwaartekracht
contractie van dwarsgestreept spierweefsel
contractie van glad spierweefsel
1679.
A.
B.
C.
D.
Waar komt de urine terecht na passage door de blaas
in de urethra
in de ureter
in de prostaat
in de vagina
1680.
A.
B.
C.
D.
Wanneer neemt de filtratiedruk af
bij verhoging van het zoutgehalte in bloed
bij vermindering van de bloedeiwitten
onder invloed van de renale erytropoëtische factor
bij daling van de bloeddruk
1681.
A.
B.
C.
D.
Wat is de functie van het lichaampje van Malpighi
terugabsorptie
ultrafiltratie
excretie
geen van bovengenoemde functies
1682.
A.
B.
C.
D.
Wat is filtratiedruk
colloïd osmotische druk + bloeddruk - kapseldruk
bloeddruk + colloïd osmotische druk - kapseldruk
colloïd osmotische druk - kapseldruk - bloeddruk
bloeddruk - kapseldruk + colloïd osmotische druk
1683.
A.
B.
C.
D.
Welk deel van een nephron heeft de functie van terugabsorptie
kapsel van Bowman
glomerulus
tubulus contortus I en II
lichaampje van Malpighi
1684.
A.
B.
C.
D.
Welk deel van het nephron mondt uit in het nierbekken
de lis van Henle
de verzamelbuis
de tubulus contortus I
de tubulus contortus II
1685.
A.
B.
C.
D.
Welk orgaan is een uitscheidingsorgaan
milt
mondholte
longen
dikke darm
1686.
A.
B.
C.
D.
Welk orgaan is een uitscheidingsorgaan
milt
mondholte
nieren
dikke darm
blad 174 van 232
A
D
A
D
B
B
C
B
C
C
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
1687.
A.
B.
C.
D.
Welk orgaan is een uitscheidingsorgaan
milt
maag
lever
dikke darm
1688.
A.
B.
C.
D.
Welk orgaan is geen uitscheidingsorgaan
nieren
longen
lever
dikke darm
1689.
A.
B.
C.
D.
Welke bewering omtrent de glomerulus is juist
het is een arterieel haarvatennet
het is een arterieel-veneus haarvatennet
het is een veneus haarvatennet
het is een veneus-arterieel haarvatennet
1690.
A.
B.
C.
D.
Welke cellen kan men normaal in de urine aantreffen
bacteriën
erytrocyten
epitheelcellen
trombocyten
1691.
A.
B.
C.
D.
Welke functie heeft de glomerulus en het kapsel van Bowman
filtratie
excretie
osmose
diffusie
1692.
A.
B.
C.
D.
Welke stof is aanwezig in het filtraat maar niet in de (secundaire) urine
glucose
zouten
ureum
water
1693.
A.
B.
C.
D.
Welke structuren zijn bekleed met overgangsepitheel
de blaas
de blaas en de ureteren
de blaas, de ureteren en de nierbekkens
de blaas, de ureteren, de nierbekkens en de urethra
1694.
A.
B.
C.
D.
Welke structuur draagt bij aan het gestreepte karakter van het niermerg
kapsel van Bowman
de proximale tubulus
de verzamelbuisjes
de distale tubulus
1695.
A.
B.
C.
D.
Welke structuur ligt in de schorslaag van de nier
lis van Henle
glomerulus
nierpapil
verzamlbuis
1696.
A.
B.
C.
D.
Welke van onderstaande stoffen komen niet voor in de urine
ureum
rode bloedcellen
zouten
hormonen
blad 175 van 232
C
D
A
C
A
A
D
C
B
B
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
blad 176 van 232
1697. Wat is een weefsel
A. een groep cellen die alle dezelfde bouw bezitten en alle een verschillende functie
hebben
B. een groep cellen met dezelfde bouw en dezelfde functie
C. een groep cellen met dezelfde bouw, maar zonder speciale functie
D. een groep cellen met verschillende bouw, maar dezelfde functie
1698.
A.
B.
C.
D.
Bloedcellen worden gevormd in
het rode beenmerg
het gele beenmerg
het rode en gele beenmerg
de kanalen van Havers
1699.
A.
B.
C.
D.
De meest massieve soort beenweefsel noemen we
compacta
corticalis
rood beenmerg
spongiosa
1700. Het bot van een kind is elastischer en minder breekbaar dan het bot van een oudere
doordat het relatief meer ...... bevat
A. collagene vezels
B. reticulair bindweefsel
C. calcium
D. elastische vezels
1701. Het bot van een oudere is breekbaarder en minder elastisch dan het bot van een
kind omdat het relatief minder ..... bevat
A. elastische vezels
B. collagene vezels
C. reticulair bindweefsel
D. calcium
1702.
A.
B.
C.
D.
Het rode beenmerg bevindt zich in de ..... van het bot
spongiosa
compacta
corticalis
gewrichtsvlakken
1703.
A.
B.
C.
D.
In de volgende beenderen bevindt zich spongiosa
platte beenderen
pijpbeenderen
onregelmatig gevormde beenderen
alle bovengenoemde alternatieven
1704.
A.
B.
C.
D.
Sponsachtig beenweefsel noemen we
spongiosa
compacta
corticalis
rood beenmerg
1705.
A.
B.
C.
D.
Waar bevinden zich in het beenweefsel calciumzouten
in de collagene vezels
in de intracellulaire ruimten
tussen de botcellen
in de botcellen
B
A
B
A
B
A
D
A
C
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
blad 177 van 232
1706.
A.
B.
C.
D.
Groei van pijpbeenderen wordt veroorzaakt door botvorming vanuit ...
het periost en de epifysairschijf
de epifysairschijf
het periost
het beenmerg
1707.
A.
B.
C.
D.
Het uiteinde van een pijpbeen noemt men de ...
epifyse
schacht
diafyse
mergholte
1708.
A.
B.
C.
D.
Het vlies, dat een botstuk omgeeft, heet ...
het peritoneum
het perineum
het pericard
het periost
1709.
A.
B.
C.
D.
In het gele beenmerg wordt/worden ...
bloedcellen gevormd
nieuwe botcellen aangemaakt
vet opgeslagen
bloedcellen afgebroken
1710.
A.
B.
C.
D.
Periost is een andere naam voor ...
bot
beenmerg
beenvlies
kraakbeenschijf
1711.
A.
B.
C.
D.
Rood beenmerg vindt men in ...
de neusbijholten
de schachten van volwassen pijpbeenderen
de bekkenbeenderen
de symphysis
1712.
A.
B.
C.
D.
Spongiosa bevindt zich in ...
de epifysairschijven
de platte beenderen
de menisci
de oorschelpen
1713.
A.
B.
C.
D.
Waar wordt het meeste gele beenmerg aangetroffen
in de lange pijpbeenderen
in de korte pijpbeenderen
in de platte beenderen
in de onregelmatige beenderen
1714.
A.
B.
C.
D.
Welk weefsel vormt de basis voor de embryonale ontwikkeling van pijpbeenderen
vetweefsel
bindweefsel
kraakbeen
bloed
1715.
A.
B.
C.
D.
De mechanisch sterkste soort bindweefselvezel is de
collagene
elastische
reticuline
dwarsgestreepte
A
A
D
C
C
C
B
A
C
A
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
blad 178 van 232
1716.
A.
B.
C.
D.
Een aponeurose is een
pees
peesblad
spierkapsel
bindweefselband
1717.
A.
B.
C.
D.
In een pees bevindt zich de volgende soort bindweefsel
collageen
elastisch
reticulair
hyaline
1718.
A.
B.
C.
D.
In welk deel van het lichaam komt reticulair bindweefsel voor
in en rondom de organen
in de wand van de bloedvaten
in het rode beenmerg en het lymfatisch weefsel
in pezen en gewrichten
1719.
A.
B.
C.
D.
Pezen zijn opgebouwd uit
dwarsgestreept spierweefsel
glad spierweefsel
elastisch bindweefsel
collageen bindweefsel
1720.
A.
B.
C.
D.
Reticulumcellen
vormen een netwerk
kunnen fagocyteren
zijn beweeglijk
zowel A B als C zijn juist
1721.
A.
B.
C.
D.
Tot
het
het
het
het
1722.
A.
B.
C.
D.
Vetweefsel is een vorm van
epitheel
bindweefsel
mesotheel
endotheel
1723.
A.
B.
C.
D.
Welke van de volgende weefselsoorten kan men in vrijwel ieder orgaan aantreffen
spierweefsel
epitheel
kraakbeen
bindweefsel
1724.
A.
B.
C.
D.
De volgende soort cellen betrekken hun voeding uit naburige cellen
kraakbeencellen
botcellen
spiercellen
cellen van de hormoonklieren
de steunweefsels worden onder andere gerekend
zenuwweefsel en het bindweefsel
zintuigweefsel en het bloed
spierweefsel en de beenderen
beenweefsel en het kraakbeen
1725. De volgende weefsels zijn niet doorbloed en halen hun voeding uit de naastliggende
weefsels
A. epitheel en kraakbeen
B. kraakbeen en beenweefsel
C. spierweefsel en zenuwweefsel
D. bindweefsel en spierweefsel
B
A
C
D
D
D
B
D
A
A
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
blad 179 van 232
1726.
A.
B.
C.
D.
De cellen van trilhaarepitheel zijn
plat
kubisch
cilindrisch
meerlagig
1727.
A.
B.
C.
D.
Een belangrijk kenmerk van epitheel is
de cellen liggen aaneengesloten, zonder tussenstof
het heeft een resorberende en secretoire functie
het bevindt zich tussen alle organen
de cellen liggen niet aaneengesloten, ze zijn via een tussenstof met elkaar
verbonden
1728.
A.
B.
C.
D.
éénlagig plaveiselepitheel treft men aan in de wand van de
alveolen (longblaasjes)
dunne darm
nierbuisjes
eileiders
1729.
A.
B.
C.
D.
Endotheel is de/het
slijmvlies
buitenste laag van het maagdarmkanaal
weivlies
binnenbekleding bloedvaten
1730.
A.
B.
C.
D.
Kubisch epitheel vindt men in
klieren en nierbuisjes
bindweefsel
de longblaasjes
in het peritoneum
1731.
A.
B.
C.
D.
Meerlagig cilindrisch epitheel komt voor in de
klieren en nierbuisjes
longblaasjes
binnenbekleding van de uterus
vagina
1732.
A.
B.
C.
D.
Trilhaarepitheel komt voor in de wand van
het maagdarmkanaal
de luchtwegen
de baarmoeder
de bloedvaten
1733.
A.
B.
C.
D.
Trilhaarepitheel treft men onder andere aan in de wand van de
alveolen = longblaasjes
dunne darm
nierbuisjes
eileiders
1734.
A.
B.
C.
D.
Uit welk epitheel bestaat het slijmvlies van de dikke darm
cilindrisch epitheel
éénlagig plaveiselepitheel met veel slijmcellen
trilhaarepitheel
overgangsepitheel
1735.
A.
B.
C.
D.
Uit welk epitheel bestaat het slijmvlies van het maagdarmkanaal
cilindrisch epitheel
éénlagig plaveiselepitheel met veel slijmcellen
trilhaarepitheel
overgangsepitheel
C
A
A
D
A
C
B
D
A
A
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
1736.
A.
B.
C.
D.
Wat is mesotheel
weivlies
slijmvlies
hoornvlies
netvlies
1737.
A.
B.
C.
D.
Welke functie heeft epitheel NIET
bescherming
contractie
resorptie
secretie
blad 180 van 232
1738. De alvleesklier is een voorbeeld van een klier met de volgende vorm(en) van
secretie
A. exocriene secretie
B. endocriene secretie
C. endocriene- en exocriene secretie
D. geen van bovengenoemde vormen van secretie
1739.
A.
B.
C.
D.
De volgende klieren behoren tot de buisvormige klieren
alvleesklier
speekselklieren
maagsapklieren
talgklieren
1740. Een speekselklier is een voorbeeld van een klier met de volgende vorm(en) van
secretie
A. endocriene secretie
B. exocriene secretie
C. endocriene- en exocriene secretie
D. geen van bovengenoemde vormen van secretie
1741.
A.
B.
C.
D.
Hormoonklieren zijn klieren met
interne secretie
zowel interne als externe secretie
externe secretie
geen van bovengenoemde
1742.
A.
B.
C.
D.
Uit welke cellen is klierweefsel opgebouwd
reticulumcellen
slijmcellen
epitheelcellen
bindweefselcellen
1743.
A.
B.
C.
D.
Welke van de onderstaande klieren behoort tot de buisvormige klieren
talgklier
alvleesklier
speekselklier
zweetklier
1744.
A.
B.
C.
D.
Zweetklieren zijn klieren met
externe secretie
interne secretie
zowel interne als externe secretie
geen van bovengenoemde
A
B
C
C
B
A
C
D
A
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
1745.
A.
B.
C.
D.
De gewrichtsvlakken van een synoviaal gewricht zijn bekleed met
hyaline kraakbeen
corticalis
elastisch kraakbeen
synovia
1746.
A.
B.
C.
D.
De mechanisch sterkste soort kraakbeen is
hyalien kraakbeen
elastisch kraakbeen
vezelig kraakbeen
spongieus kraakbeen
1747.
A.
B.
C.
D.
De meest doorschijnende soort kraakbeen is
hyalien kraakbeen
elastisch kraakbeen
vezelig kraakbeen
compact kraakbeen
1748.
A.
B.
C.
D.
Het vlies dat een kraakbeenstuk omgeeft heet
peritoneum
pericard
periost
perichondrium
1749.
A.
B.
C.
D.
In de oorschelpen vinden we
hyalien kraakbeen
elastisch kraakbeen
vezelig kraakbeen
spongieus kraakbeen
1750.
A.
B.
C.
D.
Welke consistentie heeft de matrix van het kraakbeen
vast
geleiachtig
losmazig
vloeibaar
1751.
A.
B.
C.
D.
Bij de volgende activiteit is het gladde spierweefsel betrokken
het maken van oogbewegingen
de kniepeesreflex
de oogknipperreflex
het krijgen van 'kippenvel'
1752.
A.
B.
C.
D.
De kleinste contractiele eenheid van een spier is een
spiercel
spierbundel
syncytium
myofibril
1753.
A.
B.
C.
D.
Glad spierweefsel kan het volgende NIET veroorzaken
contractie van de uterus
vasoconstrictie (vernauwing van bloedvaten)
oogbewegingen
kippenvel
1754.
A.
B.
C.
D.
Het skeletspierweefsel is
onwillekeurig, dwarsgestreept spierweefsel
willekeurig, glad spierweefsel
onwillekeurig, glad spierweefsel
willekeurig, dwarsgestreept spierweefsel
blad 181 van 232
A
C
A
D
B
B
D
D
C
D
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
1755.
A.
B.
C.
D.
Welke activiteit kan door glad spierweefsel verricht worden
het krijgen van 'kippenvel'
oogbewegingen
samentrekken van de bovenarmspieren
slikken
1756.
A.
B.
C.
D.
Welke activiteit kan NIET verricht worden door glad spierweefsel
het krijgen van 'kippenvel'
oogbewegingen
uteruscontractie
vasoconstrictie (vernauwing van bloedvaten)
1757.
A.
B.
C.
D.
Een zenuwceluitloper die impulsen afvoert heet
myelineschede
dendriet
neuriet
perikaryon
blad 182 van 232
1758. Een zenuwceluitloper die impulsen vervoert naar de celkern van de betreffende
zenuwcel heet
A. axon
B. dendriet
C. neuriet
D. perikaryon
1759. Een zenuwceluitloper die impulsen vervoert naar de celkern van de betreffende
zenuwcel heet
A. dendriet
B. neuriet
C. perikaryon
D. axon
1760.
A.
B.
C.
D.
Onder een neuriet verstaan we
een zenuwbaan
een zenuwvezel die de zenuwprikkel naar het zenuwcellichaam toevoert
een zenuwvezel die de zenuwprikkel van het zenuwcellichaam afvoert
een zenuwcel
1761.
A.
B.
C.
D.
Onder een neuron verstaat men een
zenuwcel
zenuwvezel
zenuwcellichaam
zenuw
1762.
A.
B.
C.
D.
Wat verstaat men onder een neuron
zenuw
zenuwcel
zenuwvezel
zenuwcellichaam
1763.
A.
B.
C.
D.
Cilindrisch epitheel bevindt zich in ...
de blaaswand
de darmwand
de luchtpijpwand
alle bovengenoemde wanden
A
B
C
B
A
C
A
B
B
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
1764.
A.
B.
C.
D.
Collagene vezels ...
bevinden zich in pezen
zijn trekvast
zijn niet rekbaar
bezitten alle bovengenoemde eigenschappen
1765.
A.
B.
C.
D.
De eigenschappen van een steunweefsel worden bepaald door ...
de vorm van de cellen
de stoffen die zich in het cytoplasma bevinden
de stoffen die zich tussen de cellen bevinden
de rangschikking van de cellen
1766.
A.
B.
C.
D.
De functie van neuronen is ...
het voeden van zenuwcellen
de afweer tegen schadelijke micro-organismen
het steun geven aan zenuwcellen
het geleiden van impulsen
1767.
A.
B.
C.
D.
De meeste neuronen ...
bezitten ‚‚n lange uitloper (neuriet)
bezitten meerdere korte uitlopers (dendrieten)
transporteren elektrische impulsen
hebben alle bovengenoemde eigenschappen
1768.
A.
B.
C.
D.
De tussencelstof van bindweefsel wordt gekenmerkt door ...
een geleiachtige massa
vervormbare vezels
niet vervormbare vezels
opslag van mineralen
1769.
A.
B.
C.
D.
Een
een
een
een
een
1770.
A.
B.
C.
D.
Een kenmerk van dekweefsel is dat de cellen ...
vertakte uitlopers hebben
ver uit elkaar liggen
zich kunnen verkleinen
aan elkaar grenzen
1771.
A.
B.
C.
D.
Een klier met interne secretie geeft zijn producten af aan ...
darmsap
bloed
zweet
speeksel
1772.
A.
B.
C.
D.
Een
een
een
een
een
stamcel is ...
rood bloedlichaampje
half-gedifferentiëerde cel
cel die zich niet meer kan delen
cel die alleen voor de geboorte actief is
1773.
A.
B.
C.
D.
Een
een
een
een
een
stamcel is ...
half-gedifferentiëerde cel
cel die zich kan delen
cel die zowel voor als na de geboorte actief kan zijn
stamcel heeft alle bovengenoemde eigenschappen
hormoon is een product van ...
slijmvlies
weivlies
klier met externe secretie
klier met interne secretie
blad 183 van 232
D
C
D
D
B
D
D
B
B
D
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
blad 184 van 232
1774.
A.
B.
C.
D.
Een vloeibare intercellulaire stof treft men aan ....
in kraakbeen
in bindweefsel
in bloed
in alle bovengenoemde weefsels
1775.
A.
B.
C.
D.
Een voorbeeld van een endocriene klier is ...
een zweetklier
de schildklier
een speekselklier
een traanklier
1776.
A.
B.
C.
D.
Een
een
een
een
een
1777.
A.
B.
C.
D.
Elastisch kraakbeen bevindt zich ...
op de gewrichtsvlakken
in de oorschelpen
in het rode beenmerg
in de tussenwervelschijven
1778.
A.
B.
C.
D.
Endotheel is ...
de bovenste huidlaag
de bekleding van de buikholte
de binnenbekleding van bloedvaten
een vorm van spierweefsel
1779.
A.
B.
C.
D.
Epithelen kenmerken zich door ...
de aanwezigheid van meerdere kernen per cel
de aanwezigheid van veel interstitiële vloeistof
de aanwezigheid van een basaalmembraan
de aanwezigheid van myofibrillen
1780.
A.
B.
C.
D.
Glad spierweefsel bevindt zich ...
in de blaaswand
in de keelwand
in de hartwand
in de biceps van de arm
1781.
A.
B.
C.
D.
Glad spierweefsel bevindt zich in ...
de maagwand
in het hartwand
in de skeletspieren
in geen van de bovengenoemde structuren
1782.
A.
B.
C.
D.
Gladde spiercellen bevinden zich in ...
de hartwand
de maagwand
de keelwand
het middenrif (diafragma)
1783.
A.
B.
C.
D.
Hoe heet de uitloper van een zenuwcel die impulsen vanuit het cellichaam wegvoert
een neuron
een dendriet
een neuriet
het perikaryon
voorbeeld van een onvervangbare, gespecialiseerdecel is ...
stamcel
rode bloedcel
zenuwcel
verhoornde epitheelcel
C
C
C
B
C
C
A
A
B
C
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
blad 185 van 232
1784.
A.
B.
C.
D.
Hoe heet de uitloper van een zenuwcel die impulsen vervoert naar het cellichaam
een neuron
een dendriet
een neuriet
het perikaryon
1785.
A.
B.
C.
D.
Hoe noemen we een groep van gelijksoortige cellen die samenwerken
cytoplasma
een weefsel
een orgaan
een orgaanstelsel
1786.
A.
B.
C.
D.
Hoe wordt het dekweefsel gevoed
vanuit zijn eigen bloedvaten
het heeft geen voeding nodig, omdat het uit dode cellen bestaat
vanuit het onderliggend bindweefsel
zowel A als C is mogelijk
1787.
A.
B.
C.
D.
Intercellulaire stof treft men vooral aan in...
plaveisel epitheel
een klier met interne secretie
spierweefsel
botweefsel
1788.
A.
B.
C.
D.
Klieren met interne secretie zijn ...
klieren met een afvoerbuis
klieren zonder afvoerbuis
trosvormige klieren
buisvormige klieren
1789.
A.
B.
C.
D.
Meerlagig epitheel bevindt zich in ...
de huid
de wand van de vagina
de wand van de slokdarm
alle bovengenoemde plaatsen
1790.
A.
B.
C.
D.
Meerlagig epitheel treft men aan ...
in de opperhuid
als slijmvlies van de mond
als slijmvlies van de vagina
zowel A, B en C zijn juist
1791.
A.
B.
C.
D.
Overgangsepitheel bevindt zich in ...
het buikvlies
de wand van het maagdarmkanaal
de wand van de longblaasjes
de blaaswand
1792.
A.
B.
C.
D.
Overgangsepitheel bevindt zich in de ...
darmwand
blaaswand
ademhalingswegen
bloedvaten
1793.
A.
B.
C.
D.
Pezen bestaan uit ...
dwarsgestreept spierweefsel
bindweefsel
glad spierweefsel
dekweefsel
B
B
C
D
B
D
D
D
B
B
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
1794.
A.
B.
C.
D.
Tot welke weefselsoort behoort een kliercel
tot het dekweefsel
tot het spierweefsel
tot het steunweefsel
tot het zenuwweefsel
1795.
A.
B.
C.
D.
Tot welke weefselsoort behoort een trilhaarcel
tot het dekweefsel
tot het spierweefsel
tot het steunweefsel
tot het zenuwweefsel
1796.
A.
B.
C.
D.
Trilhaarepitheel bevindt zich in ...
de blaaswand
de darmwand
de luchtpijpwand
alle bovengenoemde wanden
1797.
A.
B.
C.
D.
Trilhaarepitheel vinden we onder andere in de ...
opperhuid (epidermis)
luchtpijp
urineleiders
galwegen
1798.
A.
B.
C.
D.
Uit wat voor soort weefsel bestaan pezen
straf bindweesfel
elastisch bindweefsel
reticulair bindweefsel
losmazig bindweefsel
1799.
A.
B.
C.
D.
Vanuit welke cellen zijn kliercellen ontstaan
vanuit vetcellen
vanuit spiercellencellen
vanuit epitheelcellen
vanuit bindweefselcellen
1800.
A.
B.
C.
D.
Vezelig kraakbeen bevindt zich ...
in pezen
in de symfyse
in de oorschelpen
op de gewrichtsvlakken
1801.
A.
B.
C.
D.
Voorbeelden van gespecialiseerde cellen zijn ...
kliercellen
dekweefselcellen
bindweefselcellen
alle bovengenoemde cellen
1802.
A.
B.
C.
D.
Voorbeelden van onvervangbare, gespecialiseerde cellen zijn ...
bindweefselcellen
botcellen
verhoornde epitheelcellen
zintuigcellen
1803.
A.
B.
C.
D.
Voorbeelden van onvervangbare, gespecialiseerde cellen zijn ...
bindweefselcellen
botcellen
onverhoornde epitheelcellen
spiercellen
blad 186 van 232
A
A
C
B
A
C
B
D
D
D
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
1804.
A.
B.
C.
D.
Waar bevindt zich dwarsgestreept spierweefsel
in het grootste deel van de slokdarmwand
in het middenrif
in de maagwand
in de galblaaswand
1805.
A.
B.
C.
D.
Waar treft men glad spierweefsel aan
in het hart
in de galblaas
in het middenrif
tussen de ribben
1806.
A.
B.
C.
D.
Waar wordt cilindrisch epitheel aangetroffen
in de longblaasjes
in de mondholte
in het darmkanaal
in de urineleiders
1807.
A.
B.
C.
D.
Waar wordt dwarsgestreept spierweefsel aangetroffen
in het hart
in het middenrif
in de maag
in de galblaas
1808.
A.
B.
C.
D.
Waar wordt hyalien kraakbeen aangetroffen
in de symfyse
in de oorschelp
in het ribkraakbeen
in de neus
1809.
A.
B.
C.
D.
Waardoor worden zenuwcellen gekenmerkt
ze bestaan uit cellichamen met sterk vertakte uitlopers
ze bestaan uit lange ketens die veel kernen bevatten
het zijn langgerekte cellen met contractiele fibrillen
het zijn cellen die een aangesloten laag vormen
1810.
A.
B.
C.
D.
Waardoor wordt botweefsel gekenmerkt
ontbreken van bloedvaten
tussenstof is vast en nauwelijks vervormbaar
aanwezigheid van chondrine
cellen liggen aaneengesloten tegen elkaar
1811.
A.
B.
C.
D.
Waardoor wordt een zenuwcel gekenmerkt
de cel heeft een cellichaam met vele vertakte cytoplasmatische uitlopers
de cel heeft een langgerekt cellichaam dat meerdere kernen bevat
de cel heeft een langgerekt cellichaam dat myofibrillen bevat
zenuwcellen zijn ronde losliggende cellen met veel tussencelstof
1812.
A.
B.
C.
D.
Waardoor
het wordt
het wordt
het wordt
het wordt
wordt glad spierweefsel gekenmerkt
animaal (willekeurig) geïnnerveerd
vegetatief (onwillekeurig) geïnnerveerd
noch animaal noch vegetatief geïnnerveerd
zowel animaal als vegetatief geïnnerveerd
1813.
A.
B.
C.
D.
Waardoor
het wordt
het wordt
het wordt
het wordt
wordt het dwarsgestreept spierweefsel gekenmerkt
vegetatief (onwillekeurig) geïnnerveerd
animaal (willekeurig) geïnnerveerd
noch animaal noch vegetatief geïnnerveerd
zowel animaal als vegetatief geïnnerveerd
blad 187 van 232
B
B
C
B
C
A
B
A
B
B
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
1814.
A.
B.
C.
D.
Waardoor wordt het dwarsgestreept spierweefsel gekenmerkt
het bestaat uit spoelvormige cellen
het is onvermoeibaar
het kan snel reageren
het wordt vegetatief (onwillekeurig) geïnnerveerd
1815.
A.
B.
C.
D.
Waardoor wordt kraakbeenweefsel gekenmerkt
het is rijk aan bloedvaten
het bezit geen tussencelstof
de tussencelstof is vast maar vervormbaar
de tussencelstof bevat geen vezels
1816.
A.
B.
C.
D.
Wat is een algemeen kenmerk van het dekweefsel
het bestaat uit cellen die aan elkaar grenzen zonder tussencelstof
het is een weefsel met veel tussencelstof
het is een weefsel met tussencelstof waarin veel vezels liggen
een weefsel waarvan de cellen sterk vertakte uitlopers hebben
1817.
A.
B.
C.
D.
Wat is een algemeen kenmerk van steunweefsel
de cellen vormen een aaneengesloten laag
steunweefsels bevatten veel tussencelstof
het zijn weefsels waarin de bloedvaten ontbreken
ze bestaan uit langgerekte cellen met myofibrillen
1818.
A.
B.
C.
D.
Wat voor soort bindweefsel ligt als kapsel om gewrichten
straf bindweefsel
elastisch bindweefsel
reticulair bindweefsel
losmazig bindweefsel
1819.
A.
B.
C.
D.
Welk epitheel heeft vooral slijmproductie als functie
plaveiselepitheel
kubisch epitheel
overgangsepitheel
cilindrisch epitheel
1820.
A.
B.
C.
D.
Welk van de onderstaande weefsels is het rijkste doorbloed
opperhuid
botweefsel
kraakbeenweefsel
slijmvliezen
1821.
A.
B.
C.
D.
Welk weefsel bevat geen tussencelstof
botweefsel
kraakbeenweefsel
epitheel
bindweefsel
1822.
A.
B.
C.
D.
Welk weefsel heeft vooral een begrenzende functie
plaveiselepitheel
botweefsel
spierweefsel
klierweefsel
blad 188 van 232
1823. Welk weefsel wordt gekenmerkt door een onvervormbare tussencelstofmet
bloedvaten
A. botweefsel
B. epitheelweefsel
C. bindweefsel
D. kraakbeenweefsel
C
C
A
B
A
B
B
C
A
B
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
blad 189 van 232
1824.
A.
B.
C.
D.
Welke bewering over een stamcel is juist
een stamcel is half-gedifferentiëerd
een stamcel kan zich ontwikkelen tot een erytrocyt (rode bloedcel)
de ontwikkeling van stamcel tot bloedcel is mogelijk gedurende het hele leven
alle bovengenoemde beweringen zijn juist
1825.
A.
B.
C.
D.
Welke bewering over hartspierweefsel is juist
het bezit geen myofibrillen
het wordt onwillekeurig geïnnerveerd
het contraheert langzamer dan glad spierweefsel
geen van bovengenoemde beweringen is juist
1826.
A.
B.
C.
D.
Welke bewering over het endotheel is juist
het komt voor als de binnenbekleding van de borstholte
het komt voor als de binnenbekleding van de buikholte
het komt voor als de binnenbekleding van de bloedvaten
geen van bovengenoemde beweringen is juist
1827.
A.
B.
C.
D.
Welke bewering over het mesotheel is juist
het komt voor als de bekleding van de borstholte
het komt voor als de bekleding van de buikholte
het komt voor als de bekleding rondom het hart
alle bovengenoemde alternatieven zijn juist
1828.
A.
B.
C.
D.
Welke bewering over neuronen is juist
Zij bezitten ‚‚n lange uitloper
Zij bezitten meerdere korte uitlopers
Zij kunnen zich niet meer delen
Alle bovengenoemde beweringen zijn juist
1829. Welke cel kan, na verloren te zijn gegaan, niet meer vervangen worden door een
gelijksoortige cel
A. een cel van het slijmvlies van de darm
B. een rode bloedcel
C. een levercel
D. een zintuigcel
1830.
A.
B.
C.
D.
Welke eigenschap is typerend voor botweefsel
de aanwezigheid van bloedvaten
de aanwezigheid van kalkzouten
de aanwezigheid van collagene vezels
de aanwezigheid van elastische vezels
1831.
A.
B.
C.
D.
Welke klier(en) heeft (hebben) een externe secretie
schildklier
speekselklier
bijnieren
hypofyse
1832.
A.
B.
C.
D.
Welke uitspraak over hyalien kraakbeen is juist
het heeft een bruine kleur
het bevat elastische vezels
het bevat reticulaire vezels
het bevindt zich op gewrichtsvlakken
1833.
A.
B.
C.
D.
Welke van de onderstaande bewering is juist
vetweefsel dient o.a. als reservevoorraad brandstof
vetweefsel dient o.a. als warmte-isolator
vetweefsel dient o.a. als steunweefsel
alle bovenstaande beweringen zijn juist
D
B
D
D
D
D
B
B
D
D
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
1834.
A.
B.
C.
D.
Welke van onderstaande klieren is een endocriene klier
de zweetklier
de borstklier
de speekselklier
de schildklier
1835.
A.
B.
C.
D.
Welke van onderstaande klieren is een exocriene klier
de schildklier
de speekselklier
de bijnierschors
het hersenaanhangsel
blad 190 van 232
1836. Wanneer iemand wel kan zien maar bijv. een familielid niet meer als zodanig kan
herkennen, is er een storing in
A. de nervus opticus
B. de retina
C. het cerebellum
D. het cerebrum
1837.
A.
B.
C.
D.
De beide grensstrengen zijn een onderdeel van
het sympathische zenuwstelsel
het animale zenuwstelsel
het parasympathische zenuwstelsel
het willekeurige zenuwstelsel
1838.
in
A.
B.
C.
D.
De cellichamen van de zenuwcellen die de spieren van het rectum activeren liggen
1839.
A.
B.
C.
D.
De invloed van het sympathische zenuwstelsel op het hart is
het trekt samen
het gaat langzamer en zwakker slaan
het gaat sneller en krachtiger slaan
het ontspant
1840.
A.
B.
C.
D.
De invloed van het zenuwstelsel op het hart blijkt uit het volgende
de contractie van boezems en kamers is gecordineerd
de hartslagfrequentie is niet altijd gelijk
hormonen in het bloed kunnen de hartslagfrequentie benvloeden
de linker hartshelft verricht meer arbeid dan de rechter hartshelft
1841.
A.
B.
C.
D.
Door het autonome zenuwstelsel wordt onder andere geregeld
slaap, bloeddruk, waarneming van licht en geluid
lichaamstemperatuur, spraak, bloeddruk
lichaamstemperatuur, slaap, orgaanstofwisseling
bloeddruk, lichaamstemperatuur, cordinatie van spierwerking
1842.
A.
B.
C.
D.
Het ..... zenuwstelsel bepaalt hoe hard de organen werken
motorisch
perifere
centraal
autonome
D
B
D
A
D
de hersenen
de hypothalamus
de thalamus
het sacrale deel van het ruggenmerg
C
B
C
D
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
blad 191 van 232
1843.
A.
B.
C.
D.
Het ..... zenuwstelsel is NIET rechtstreeks aan de wil onderhevig
autonome
perifere
centrale
motorische
1844.
A.
B.
C.
D.
Het autonome zenuwstelsel bestaat uit twee delen namelijk
motorische zenuwen en achterwortels van het ruggenmerg
willekeurig en onwillekeurig
bewegingszenuwen en gevoelszenuwen
sympathisch en parasympathisch
1845.
A.
B.
C.
D.
Het autonome zenuwstelsel heeft een rol bij
het slapen
de werking van de klieren met inwendige afscheiding
het ledigen van de blaas en de darm
A. B. en C. zijn alle drie juist
1846.
A.
B.
C.
D.
Het sympathische zenuwstelsel is een onderdeel van
de beide grensstrengen
het animale zenuwstelsel
het autonome zenuwstelsel
het willekeurige zenuwstelsel
1847.
A.
B.
C.
D.
In de zijhoorns van het ruggenmerg bevinden zich cellichamen van
motorische zenuwcellen
parasympathische zenuwcellen
sensibele zenuwcellen
sympathische zenuwcellen
1848.
A.
B.
C.
D.
Waar hebben de zenuwen van het sympathische zenuwstelsel hun oorsprong
in de beide grensstrengen
in de ingewandsganglia
in de spinale ganglia
in de zijhoorns van het ruggenmerg
1849.
A.
B.
C.
D.
Welke functie behoort tot die van het parasympathische systeem
activering van de werking van het centrale zenuwstelsel
bevordering van de spijsvertering
verhoging van de ademfrequentie
verhoging van de bloeddruk
1850. De beide hemisferen van de grote hersenen staan met elkaar in contact door middel
van
A. de brug van Varol
B. de falx cerebri
C. het corpus callosum
D. het tentorium cerebelli
1851.
A.
B.
C.
D.
De verbinding tussen de grote hersenhelften wordt gevormd door de
pons
piramidebaan
balk
thalamus
1852.
A.
B.
C.
D.
Het corpus callosum is de verbinding tussen
kleine hersenen en hersenstam
linker en rechter helft van de grote hersenen
grote en kleine hersenen
grote hersenen en ruggenmerg
A
D
D
C
D
D
B
C
C
B
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
1853.
A.
B.
C.
D.
De hersenen krijgen bloed toegevoerd via
de halsslagaders
de arteria vertebralis
de halsslagaders en de arteria vertebralis
de halsslagaders, de arteria vertebralis, en de arteria spinalis
1854.
A.
B.
C.
D.
Het centrale zenuwstelsel bestaat uit
grote hersenen, kleine hersenen, hersenzenuwen, ruggenmerg
grote hersenen, kleine hersenen, hersenstam, ruggenmerg
grote hersenen, kleine hersenen, hersenzenuwen, ruggenmergzenuwen
grote hersenen, kleine hersenen, hersenzenuwen, witte en grijze stof
1855.
A.
B.
C.
D.
Het centrale zenuwstelsel bestaat uit
animale en vegetatieve zenuwstelsel
grote hersenen, kleine hersenen en hersenstam
hersenen en hersenzenuwen
hersenen en ruggenmerg
1856.
A.
B.
C.
D.
Tot het volledige centrale zenuwstelsel behoren
grote hersenen, kleine hersenen, hersenstam
grote hersenen, kleine hersenen, hersenstam, ruggenmerg
grote hersenen, kleine hersenen, ruggenmerg
grote hersenen, hersenstam, ruggenmerg
blad 192 van 232
1857. Wanneer je een dagverslag schrijft hebben de volgende delen van je centrale
zenuwstelsel hierbij een functie
A. grote hersenen
B. grote hersenen en kleine hersenen
C. grote hersenen, kleine hersenen en ruggenmerg
D. grote hersenen en ruggenmerg
1858.
A.
B.
C.
D.
Welke van de volgende structuren behoort tot het centrale zenuwstelsel
de hersenzenuwen
de ruggenmergzenuwen
de perifere zenuwen
de hersenstam
1859.
A.
B.
C.
D.
Beschadiging van de kleine hersenen leidt tot de volgende neurologische stoornis
afname van het gehoor
beperking van het gezichtsvermogen
geheugenverlies
waggelende gang
1860.
A.
B.
C.
D.
De kleine hersenen zorgen voor
een automatische reactie op een prikkel
afvoeren van zenuwprikkels
de voeding naar de grote hersenen
cordinatie van de bewegingen en de lichaamshouding
1861.
A.
B.
C.
D.
De sulcus centralis is de groeve, die de scheiding vormt tussen
de frontaalkwab en pariëtaalkwab
de beide hemisferen
de grote hersenen en de kleine hersenen
de temporaalkwabben en de pariëtaalkwabben
C
B
D
B
C
D
D
D
A
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
blad 193 van 232
1862. Iemand trapt in een kapot glas; dit leidt achtereen volgens tot: 1.Het optillen van de
voet. 2.Het voelen van pijn. 3.Het met beide handen naar de voet grijpen. Bij welke
activiteit(en) is (zijn) de grote hersenen betrokken
A. alleen bij 2
B. bij 1 en 2
C. bij 2 en 3
D. bij 1, 2 en 3
1863.
A.
B.
C.
D.
Een verzameling zenuwcellen buiten het centrale zenuwstelsel noemt men een
perikaryon
ganglion
nucleus
plexus
1864.
A.
B.
C.
D.
De cauda equina (paardenstaart) bestaat uit
achterhoorns en voorhoorns van lumbale en sacrale ruggenmergzenuwen
achterwortels en voorwortels van de laatste ruggenmergzenuwen
uitlopers van het onderste deel van de grensstreng
uitlopers van hersenzenuwen
1865.
A.
B.
C.
D.
De hersenstam bestaat uit
tussenhersenen, middenhersenen en verlengde merg
tussenhersenen, pons en verlengde merg
tussenhersenen, middenhersenen, pons en verlengde merg
middenhersenen, pons en verlengde merg
1866.
A.
B.
C.
D.
Bij een lumbale punctie gaat de punctienaald achtereen volgens door
arachnoidea en pia mater
dura mater en arachnoidea
dura mater en pia mater
pia mater en arachnoidea
1867.
A.
B.
C.
D.
De durale sinussen bevinden zich tussen
de pia mater en het hersenoppervlak
een dubbelblad van de dura mater
de dura mater en de arachnoidea
de arachnoidea en de pia mater
1868.
A.
B.
C.
D.
De falx cerebri
loopt van voor naar achter tussen de hemisferen van de hersenen
loopt van links naar rechts tussen het cerebellum en het cerebrum
is een deel van het pia mater
geen van de bovengenoemde is juist
1869.
A.
B.
C.
D.
Het tentorium cerebelli bevindt zich tussen
de grote en de kleine hersenen
de hersenstam en de kleine hersenen
de beide hemisferen van de kleine hersenen
de beide hemisferen van de grote hersenen
1870.
A.
B.
C.
D.
Hoe heet de duraplooi tussen cerebrum en cerebellum
cisterna cerebellomedullaris
epidurale plooi
tentorium cerebelli
falx cerebri
C
B
B
D
B
B
A
A
C
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
1871.
A.
B.
C.
D.
De piamater is het …
harde hersenvlies dat parallel loopt met de schedel
periost dat over de schedelbasis loopt
spinnenwebvlies dat tussen de beide andere hersenvliezen loopt
zachte hersenvlies dat over hersenoppervlak loopt
1872.
A.
B.
C.
D.
Beschadiging van de 2e hersenzenuw geeft
reukstoornissen
visuele stoornissen
sensibele stoornissen van het gelaat
motorische stoornissen van het gelaat
1873.
A.
B.
C.
D.
De nervus olfactorius dient voor
het gehoor
het evenwicht
de smaak
de reuk
1874.
A.
B.
C.
D.
Tot welke groep behoort de oogzenuw
gemengde zenuwen
motorische zenuwen
sensibele zenuwen
****
1875.
A.
B.
C.
D.
Wat is de functie van de nervus oculomotorius
het zien
motorische innervatie van de oogspieren
motorische innervatie van het gelaat
sensibele innervatie van het gelaat
1876.
A.
B.
C.
D.
Welke hersenzenuw staat bekend als de zevende hersenzenuw
aangezichtszenuw
oogzenuw
reukzenuw
zwervende zenuw
blad 194 van 232
1877. In welk deel van het centrale zenuwstelsel liggen de centra voor honger- en
dorstgevoel
A. grote hersenen
B. kleine hersenen
C. middenhersenen
D. tussenhersenen
1878.
A.
B.
C.
D.
In welk deel van het centrale zenuwstelsel ligt het warmteregulatiecentrum
cerebellum
cerebrum
hypothalamus
thalamus
1879.
A.
B.
C.
D.
Met welk deel van het zenuwstelsel staat de hypofyse direct in contact
de brug van Varol
de hypothalamus
de kleine hersenen
het verlengde merg
1880.
A.
B.
C.
D.
De aquaductus Sylvii bevindt zich tussen
1e en 2e ventrikel
2e en 3e ventrikel
3e en 4e ventrikel
4e ventrikel en subarachnoidale ruimte
D
B
D
C
B
A
D
C
B
C
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
1881.
A.
B.
C.
D.
De cisterna magna ligt tussen
grote hersenen en kleine hersenen
grote hersenen en verlengde merg
verlengde merg en kleine hersenen
verlengde merg en ruggenmerg
1882.
A.
B.
C.
D.
De derde hersenventrikel bevindt zich in de
grote hersenen
kleine hersenen
tussenhersenen
hersenstam
1883.
A.
B.
C.
D.
De vierde hersenventrikel bevindt zich ten dele in
het cerebrum
het cerebellum
het diencephalon
de medulla oblongata
1884.
A.
B.
C.
D.
Liquor cerebrospinalis bevindt zich NIET in
de subarachnoidale ruimte
de aquaductus Sylvii
de cisterna magna
de epidurale ruimte
1885.
A.
B.
C.
D.
Vanuit de vierde ventrikel stroomt de liquor direct naar
de epidurale ruimte
de veneuze sinussen
de overige ventrikels
het centrale kanaal van het ruggenmerg
1886.
A.
B.
C.
D.
Waar bevinden zich de zijventrikels
in de hypothalamus
in de thalamus
in het cerebellum
in het cerebrum
1887.
A.
B.
C.
D.
Waar bevindt zich de derde ventrikel
in de grote hersenen
in de middenhersenen
in de tussenhersenen
in het verlengde merg
1888.
A.
B.
C.
D.
Waar bevindt zich een deel van de vierde ventrikel
in de hypothalamus
in de middenhersenen
in de thalamus
in het verlengde merg
1889.
A.
B.
C.
D.
Wat zit er in de lumbale zak
pepernoten
spinnenwebben
liquor
geelgerande watertorren
1890.
A.
B.
C.
D.
In welk deel van de hersenen bevinden zich de piramidecellen
voor de centrale groeve
achter de centrale groeve
in de hersenbalk
in het verlengde merg
blad 195 van 232
C
C
D
D
D
D
C
D
C
A
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
blad 196 van 232
1891.
A.
B.
C.
D.
In welk deel van de hersenen bevindt zich het motorische centrum
lobus temporalis
lobus occipitalis
lobus frontalis
lobus parietalis
1892.
A.
B.
C.
D.
Wanneer men een arm wil buigen moeten eerst impulsen in de .... worden opgewekt
grijze stof van de grote hersenen
spinale ganglia
witte stof van de kleine hersenen
witte stof van het ruggenmerg
1893.
A.
B.
C.
D.
Myeline wordt gevormd door
de grijze stof
de witte stof
het gliaweefsel
de neurieten
1894.
A.
B.
C.
D.
De functie van de dendrieten is
doorgeven van prikkels aan de klieren
doorgeven van prikkels aan de spieren
toevoeren van prikkels naar het zenuwcellichaam
afvoeren van prikkels van het zenuwcellichaam
1895.
A.
B.
C.
D.
De functie van de neurieten is
doorgeven van prikkels aan de klieren
doorgeven van prikkels aan de spieren
toevoeren van prikkels naar het zenuwcellichaam
afvoeren van prikkels van het zenuwcellichaam
1896. De zenuwceluitlopers die impulsen vervoeren naar het cellichaam van de zenuwcel
waartoe ze behoren, worden ..... genoemd
A. axonen
B. dendrieten
C. neurieten
D. neuronen
1897.
A.
B.
C.
D.
Een motorische zenuwcel heeft over het algemeen
korte dendrieten en een korte neuriet
korte dendrieten en een lange neuriet
lange dendrieten en een korte neuriet
lange dendrieten en een lange neuriet
1898.
A.
B.
C.
D.
Een neuron dat twee andere neuronen verbindt noemt men een
synaps
sensibel neuron
motorisch neuron
schakelneuron
1899.
A.
B.
C.
D.
Motorische zenuwcellen bevatten onder andere de volgende onderdelen
een celkern en mitochondrin
een lange dendriet en een celkern
korte dendrieten en geen mitochondrin
mitochondrin en korte neurieten
1900.
A.
B.
C.
D.
Een verzameling zenuwcellen binnen het centrale zenuwstelsel noemt men
perikaryon
ganglion
nucleus
plexus
C
A
C
C
D
B
B
D
A
C
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
blad 197 van 232
1901.
A.
B.
C.
D.
Het perifere zenuwstelsel bestaat uit
hersenen - hersenstam - ruggenmergzenuwen
hersenzenuwen - ruggenmergzenuwen - perifere zenuwen
grote hersenen - kleine hersenen - ruggenmerg
verlengde merg - gevoelszenuwen - bewegingszenuwen
1902.
A.
B.
C.
D.
Welke structuren behoren tot het perifere zenuwstelsel
de achterhoorn van het ruggenmerg
de hersenvliezen
de ruggenmergvliezen
de sympathische grensstreng
1903.
A.
B.
C.
D.
Welke van de volgende structuren behoort niet tot het perifere zenuwstelsel
de hersenzenuwen
de ruggenmergzenuwen
de perifere zenuwen
het verlengde merg
1904.
A.
B.
C.
D.
De piramidebaan verloopt (gedeeltelijk) op de volgende wijze
motorisch centrum - hersenstam - ruggenmerg
motorische zenuwbaan - ruggenmerg - spier
ruggenmerg - sensibele zenuwbaan - spier
motorisch centrum - thalamus - ruggenmerg
1905.
A.
B.
C.
D.
De verbinding tussen de grote en de kleine hersenen schakelt over in
de middenhersenen
de pons
de tussenhersenen
het corpus callosum
1906.
via
A.
B.
C.
D.
Een impuls die van een pijnzintuig in de hand afkomstig is, bereikt het ruggenmerg
1907.
A.
B.
C.
D.
Een reflexbaan bestaat achtereenvolgens uit
sensibele zenuw, achterhoorn, voorhoorn, motorische zenuw, spier
sensibele zenuw, voorhoorn, achterhoorn, motorische zenuw, spier
motorische zenuw, achterhoorn, voorhoorn, sensibele zenuw, spier
motorische zenuw, spier, sensibele zenuw, voorhoorn, achterhoorn
1908.
A.
B.
C.
D.
Een spinaal ganglion bevat cellichamen van
motorische zenuwcellen
schakelzenuwcellen
sensibele zenuwcellen
zenuwcellen die behoren tot het vegetatieve zenuwstelsel
1909.
A.
B.
C.
D.
Hoeveel neuronen zijn tenminste betrokken bij een reflexboog
2
3
4
5
1910.
A.
B.
C.
D.
Het ademhalingscentrum is gelegen in
de hypothalamus
de pons
het verlengde merg
de thalamus
B
D
D
A
B
A
de achterhoorn
de voorhoorn
een schakelneuron
het spinale ganglion
A
C
A
C
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
blad 198 van 232
1911.
A.
B.
C.
D.
Het braakcentrum is gelegen in
de thalamus
de hypothalamus
het verlengde merg
de pons
1912.
A.
B.
C.
D.
Het centrum voor de cordinatie van houding en beweging ligt in
de grote hersenen
de hersenstam
de kleine hersenen
het verlengde merg
1913.
A.
B.
C.
D.
Het warmteregulatiecentrum is gelegen in
de hypothalamus
de pons
de thalamus
het verlengde merg
1914.
A.
B.
C.
D.
De formatio reticularis ligt in
de hersenstam
het cerebellum
het verlengde merg
de pons
1915.
A.
B.
C.
D.
De formatio reticularis of reticulaire substantie heeft een functie bij de regulatie van
het alertheidsniveau
het waak/slaapritme
de concentratie van de aandacht
het agressieniveau
1916.
A.
B.
C.
D.
In welk deel van een ruggenmergsegment bevinden zich de motorische cellichamen
achterhoorn
achterwortel
voorhoorn
voorwortel
1917.
A.
B.
C.
D.
Tot welke soort zenuwcellen behoren de cellichamen van een spinaal ganglion
gemengde zenuwcellen
motorische zenuwcellen
schakel zenuwcellen
sensibele zenuwcellen
1918.
A.
B.
C.
D.
Vrijwel alle ruggenmergzenuwen bevatten de volgende structuren
afferente banen, efferente banen en schakelneuronen
afferente- en efferente banen
motorische- en efferente banen
sensibele- en afferente banen
1919.
A.
B.
C.
D.
De achterhoorn van het ruggenmerg bestaat hoofdzakelijk uit
schakelneuronen
sensibele neuronen
motorische neuronen
motorische neurieten
1920.
A.
B.
C.
D.
De achterwortel van het ruggenmerg bestaat hoofdzakelijk uit
sensibele cellichamen
sensibele vezels
motorische cellichamen
motorische vezels
C
C
A
A
A
C
D
B
A
B
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
blad 199 van 232
1921.
A.
B.
C.
D.
De cauda equina wordt gevormd door
voor- en achterhoorns van de laatste ruggenmergsegmenten
voor- en achterwortels van lumbale en sacrale ruggenmergsegmenten
een bundel uitlopers van de hersenzenuwen
de laagste uitloper van de grensstreng
1922.
A.
B.
C.
D.
De mens bezit het volgende aantal ruggenmergzenuwen
8 paar
12 paar
16 paar
32 paar
1923.
A.
B.
C.
D.
De voorhoorn van het ruggenmerg bestaat hoofdzakelijk uit
sensibele cellen
sensibele neurieten
motorische cellen
motorische neurieten
1924.
A.
B.
C.
D.
De voorwortel van het ruggenmerg bestaat hoofdzakelijk uit
sensibele cellen
sensibele neurieten
motorische cellen
motorische neurieten
1925.
A.
B.
C.
D.
Een ruggenmergzenuw wordt gevormd door het samenkomen van
sensibele voorhoorn en motorische achterhoorn
sensibele voorwortel en motorische achterwortel
motorische voorhoorn en sensibele achterhoorn
motorische voorwortel en sensibele achterwortel
1926.
A.
B.
C.
D.
Het ruggenmerg eindigt ongeveer
bij het heiligbeen
bij het staartbeen
ter hoogte van de laatste lendenwervel
ter hoogte van de tweede lendenwervel
1927.
A.
B.
C.
D.
Het ruggenmerg eindigt ter hoogte van de
2e lumbale wervel
3e lumbale wervel
4e lumbale wervel
5e lumbale wervel
1928.
A.
B.
C.
D.
Ieder mens bezit ongeveer het volgende aantal paren ruggenmergzenuwen
8
12
16
32
1929.
A.
B.
C.
D.
In welk deel van de grote hersenen ligt het motorische spraakcentrum
frontaalkwab
occipitaalkwab
pariëtaalkwab
temporaalkwab
1930.
A.
B.
C.
D.
In welk deel van de grote hersenen ligt het sensorische spraakcentrum
frontaalkwab
occipitaalkwab
paritaalkwab
temporaalkwab
B
D
C
D
D
D
A
D
A
D
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
1931.
A.
B.
C.
D.
De synaps bevindt zich tussen
twee neuronen
een neuriet en een axon
twee zenuwen
twee spiervezels
1932.
A.
B.
C.
D.
De verbinding tussen twee neuronen is een
ganglion
nucleus
receptor
synaps
1933.
A.
B.
C.
D.
Een synaps is een
neurotransmitter
schakelplaats tussen twee neuronen
onderbreking van de myelineschede
zenuwknoop
1934.
A.
B.
C.
D.
Een synaps is een
motorisch neuron
sensibel neuron
schakelplaats tussen twee neuronen
zenuwknoop
blad 200 van 232
1935.
A.
B.
C.
Welk van de volgende uitspraken is juist
alle afvoerende vezels van de grote hersenen gaan naar de thalamus
de piramidebaan bevat sensibele vezels, die naar de grote hersenen gaan
alle sensibele vezels, die voor de grote hersenen zijn bestemd schakelen eerst in de
thalamus
D. de piramidebaan uit de rechter hemisfeer van de grote hersenen komt aan de
rechterzijde in het ruggenmerg terecht
1936. De hersenen en het ruggenmerg worden van buiten naar binnen door de volgende
vliezen omgeven
A. dura mater, arachnoidea, pia mater
B. dura mater, pia mater, arachnoidea
C. pia mater, arachnoidea, dura mater
D. arachnoidea, pia mater, dura mater
1937.
A.
B.
C.
D.
Het ademcentrum ligt in ...
het cerebellum (kleine hersenen)
de medulla oblongata (verlengde merg)
de pons Varoli (brug van Varol)
het mesencephalon (middenhersenen)
1938.
A.
B.
C.
D.
Het ademcentrum ontvangt informatie over ...
de hoeveelheid zuurstof in het bloed
de hoeveelheid stikstof in het bloed
de zuurgraad van het bloed
alle bovenstaande factoren bereiken het ademcentrum
1939.
A.
B.
C.
D.
Het arachnoïdea is opgebouwd uit ...
witte stof
bindweefsel
kraakbeen
liqour cerebrospinalis
A
D
B
C
C
A
B
C
B
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
blad 201 van 232
1940.
A.
B.
C.
D.
Het braakcentrum ligt in ...
het cerebellum
de medulla oblongata
de pons Varoli
het mesencephalon
1941.
A.
B.
C.
D.
Het centrale kanaal bevindt zich ...
tussen de zijventrikels en het derde ventrikel
tussen de zijventrikels onderling
tussen het derde en het vierde ventrikel
in het ruggenmerg
1942.
A.
B.
C.
D.
Het centrale zenuwstelsel bestaat onder andere uit ...
de hersenzenuwen, de kleine hersenen en de grote hersenen
de hersenzenuwen, het ruggenmerg, de tussenhersenen en de spinale ganglia
de hersenstam, de kleine hersenen, de tussenhersenen en de grote hersenen
de hersenzenuwen, de ruggenmergszenuwen en structuren van het vegetatieve
zenuwstelsel
1943.
A.
B.
C.
D.
Het cerebellum ontvangt impulsen uit ...
de grote hersenen
het evenwichtsorgaan
het ruggenmerg
alle bovengenoemde plaatsen
1944.
A.
B.
C.
D.
Het gehoororgaan wordt geïnerveerd door ...
de nervus octavus
de nervus facialis
de nervus trigeminus
de nervus trochlearis
1945.
A.
B.
C.
D.
Het hoestcentrum ligt in ...
de pons Varoli
het mesencephalon
het cerebellum
de medulla oblongata
1946.
A.
B.
C.
D.
Het limbische systeem heeft invloed op ...
het denkvermogen en de mate van intelligentie
de emotionaliteit van de mens
het slaap-en waakritme
het korte termijngeheugen
1947.
A.
B.
C.
D.
Het meest inwendige vlies, direct gelegen tegen het zenuwweefsel, noemt men ...
arachnoïdea
dura mater
pia mater
subarachnoïdea
1948.
A.
B.
C.
D.
Het niescentrum ligt in ...
het cerebellum
de medulla oblongata
de pons Varoli
het mesencephalon
1949.
A.
B.
C.
D.
Het onwillekeurig zenuwstelsel noemt men ook wel ...
vegetatief zenuwstelsel
animaal zenuwstelsel
perifeer zenuwstelsel
centraal zenuwstelsel
B
D
C
D
A
D
B
C
B
A
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
blad 202 van 232
1950.
A.
B.
C.
D.
Het parasympathisch deel van het vegetatieve zenuwstelsel stimuleert ...
de darmperistaltiek
de vasoconstrictie in het maagdarmkanaal
de afgifte van adrenaline
de ademhalingsbewegingen
1951.
A.
B.
C.
D.
Het perifere zenuwstelsel bestaat uit ...
de hersenzenuwen, de kleine hersenen en de spinale zenuwen
de hersenzenuwen, het ruggenmerg, de spinale zenuwen en de spinale ganglia
de hersenzenuwen, het ruggenmerg en de spinale ganglia
de hersenzenuwen, de ruggenmergszenuwen en structuren van het vegetatieve
zenuwstelsel
1952.
A.
B.
C.
D.
Het proces van de ademhaling is een ...
animale functie
vegetatieve functie
psychische functie
parasympathische functie
1953.
A.
B.
C.
D.
Het proces van de lichaamsbeweging is een ...
animale functie
vegetatieve functie
psychische functie
sympathische functie
1954.
A.
B.
C.
D.
Het sympathische deel van het vegetatieve zenuwstelsel remt ...
de darmperistaltiek
de vasoconstrictie in het maagdarmkanaal
de afgifte van adrenaline
de ademhalingsbewegingen
1955.
A.
B.
C.
D.
Het sympathische deel van het vegetatieve zenuwstelsel stimuleert ...
de darmperistaltiek
de vasodilataie in het maagdarmkanaal
de opbouw van energievoorraden
de ademhalingsbewegingen
1956.
A.
B.
C.
D.
Het temperatuurregulatiecentrum ligt in ...
het cerebellum
het cerebrum
de hypothalamus
de thalamus
1957.
A.
B.
C.
D.
Het vasomotorisch centrum ligt in ...
de pons Varoli
het mesencephalon
het cerebellum
de medulla oblongata
1958.
A.
B.
C.
D.
Het vasomotorisch centrum ontvangt informatie over ...
de hoeveelheid zouten in het bloed
de hoeveelheid koolstofdioxide in het bloed
de druk van bloed in de vaten
alle bovenstaande factoren beïnvloeden het ademcentrum
A
D
B
A
A
D
C
D
C
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
blad 203 van 232
1959.
‚‚n
A.
B.
C.
D.
Hoe heet een verzameling zenuwcellen in het centrale zenuwstelsel, die gezamenlijk
functie reguleren
een synaps
een ganglion
een nucleus
een plexus
1960.
‚‚n
A.
B.
C.
D.
Hoe heet een verzameling zenuwcellen in het perifere zenuwstelsel, die gezamenlijk
functie reguleren
een synaps
een ganglion
een nucleus
een plexus
1961. In de achterhoorns van het ruggenmerg ter hoogte van de thoracale wervels
bevinden zich cellichamen van ...
A. motorische neuronen
B. schakelneuronen
C. parasympatische neuronen
D. sympatische neuronen
1962.
A.
B.
C.
D.
In de pia mater bevindt zich ...
liquor cerebrospinalis
witte stof
een netwerk van bloedvaten
de paardenstaart
1963. In de voorhoorns van het ruggenmerg ter hoogte van de thoracale wervels bevinden
zich cellichamen van ...
A. motorische neuronen
B. sensorische neuronen
C. parasympatische neuronen
D. sympatische neuronen
1964. In de zijhoorns van het ruggenmerg ter hoogte van de thoracale wervels bevinden
zich cellichamen van ...
A. motorische neuronen
B. sensorische neoronen
C. parasympatische neuronen
D. sympatische neuronen
1965.
A.
B.
C.
D.
In welk deel van de grote hersenen wordt de animale motoriek verzorgd
in de lobus frontalis
in de lobus pariëtalis
in de lobus occipitalis
in de lobus temporalis
1966.
A.
B.
C.
D.
Liquor cerebrospinalis wordt gevormd in ...
de subarachnoïdale ruimte
de ventrikels
de dura mater
het arachnoidea
1967.
A.
B.
C.
D.
Men noemt de aanvoerende banen in het zenuwstelsel ...
efferente banen
motorische banen
dalende banen
sensorische banen
C
B
B
C
A
D
A
B
D
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
1968.
A.
B.
C.
D.
Men noemt de afvoerende banen in het zenuwstelsel ...
afferente banen
motorische banen
stijgende banen
sensorische banen
1969.
A.
B.
C.
D.
Met reageren op prikkels wordt bedoeld ...
het aanpassen aan omstandigheden
het aanpassen aan veranderde omstandigheden
het registreren van omstandigheden
het registreren van veranderde omstandigheden
1970.
A.
B.
C.
D.
Onder coördinatie door het zenuwstelsel verstaat men ...
het waarnemen van de functies van organen
het regelen van de samenwerking tussen de organen
het regelen van de spierwerking
het regelen van de stofwisseling
1971.
A.
B.
C.
D.
Onder psychische functies van het zenuwstelsel verstaat men ...
het registreren van prikkels
het verwerken van prikkels
het bewust worden van prikkels
het coördineren van prikkels
1972.
A.
B.
C.
D.
Op welke plaats eindigen de piramidebanen
in de voorhoorns van het ruggenmerg
in het verlengde merg
in de spinale ganglia
in de hypothalamus
blad 204 van 232
1973. Op welke plaats liggen de cellichamen van de neuronen die de piramidebanen
vormen
A. in de voorhoorns van het ruggenmerg
B. in het verlengde merg
C. in de grote hersenen
D. in de hypothalamus
1974. Tot welke soort zenuwcellen behoren de cellichamen die gelegen zijn in een spinaal
ganglion
A. tot motorische zenuwcellen
B. tot schakelzenuwcellen
C. tot sensorische zenuwcellen
D. tot geen van de bovenstaande zenuwcellen
1975.
A.
B.
C.
D.
Voelen is een functie van ...
de hersenstam
de kleine hersenen
de schors van de grote hersenen
de thalamus
1976.
A.
B.
C.
D.
Volgens de anatomie deelt men het zenuwstelsel in ...
in een sympathische en parasympatische zenuwstelsel
in een centraal en perifeer zenuwstelsel
in hersenen en ruggenmerg
in een autonoom en vegetatief zenuwstelsel
B
B
B
C
A
C
C
C
B
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
blad 205 van 232
1977.
A.
B.
C.
D.
Wat is de functie van de mergschede die gelegen is om de neurieten
het voeden van de neuriet
het voorkomen van signaal-overdrachten in de synaps
versnellen van het signaaltransport in de neuriet
alle bovengenoemde functies behoren bij de mergschede
1978.
A.
B.
C.
D.
Wat is de functie van gliacellen die een myelineschede vormen om de neurieten
het voeden van de neuriet
het opruimen van dode zenuwcellen
versnellen van het signaaltransport in de neuriet
alle bovengenoemde functies behoren bij deze gliacellen
1979. Welk deel van het centrale zenuwstelsel vormt geen onderdeel van het limbische
systeem
A. de grote hersenen
B. de thalamus
C. de hypothalamus
D. de kleine hersenen
1980.
A.
B.
C.
D.
Welke plaats vormt het begin van de piramidebanen
de spinale ganglia
de achterhoorns van het ruggenmerg
de voorhoorns van het ruggenmerg
de motorische schors van de grote hersenen
1981.
A.
B.
C.
D.
Welke plaats vormt het begin van de piramidebanen
de voorhoorns van het ruggenmerg
de gyrus postcentralis (sensibele schors)
de gyrus praecentralis (motorische schors)
de thalamus
1982.
A.
B.
C.
D.
Welke zenuwvezels eindigen in de sinusknoop
parasympathische zenuwvezels
sympathische zenuwvezels
parasympatische en sympathische zenuwvezels
motorische zenuwvezels van het animale systeem
1983.
A.
B.
C.
D.
Willen is een functie van ...
de hersenstam
de kleine hersenen
de schors van de grote hersenen
de thalamus
1984.
...
A.
B.
C.
D.
Zenuwvezels die prikkels van de huid naar het centrale zenuwstelsel toevoeren zijn
1985.
A.
B.
C.
D.
Afgifte van liquor cerebrospinalis aan de bloedvaten vindt plaats in ...
de subarachnoïdale ruimte
het vierde ventrikel
de granulas gelegen in de durasinus
de pia mater
C
C
D
D
C
C
C
C
efferente vezels
motorische vezels
afferente vezels
vegetatieve vezels
C
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
blad 206 van 232
1986.
A.
B.
C.
D.
Bewustzijn is een ...
vegetatieve functie
animale functie
fysische functie
psychische functie
1987.
A.
B.
C.
D.
Bloedvaten die de cirkel van Willis verlaten worden gerekend tot ....
eindarteriën
collateralen
anastomosen
tot geen van de bovenvermelde circulatie systemen
1988.
A.
B.
C.
D.
De a. cerebri anterior is een synoniem voor ...
de voorste hersenslagader
de middelste hersenslagader
de achterste hersenslagader
de a. cerebri anterior is geen hersenslagader
1989.
A.
B.
C.
D.
De a. cerebri posterior is een synoniem voor ...
de voorste hersenslagader
de middelste hersenslagader
de achterste hersenslagader
de a. cerebri anterior is geen hersenslagader
1990.
A.
B.
C.
D.
De aquaductus cerebri vormt een verbinding tussen ...
het eerste en het tweede ventrikel
het tweede en het derde ventrikel
het derde en het vierde ventrikel
de zijventrikels onderling
1991.
A.
B.
C.
D.
De bloedvoorziening van de hersenen geschiedt door de beide ...
aa. carotis communes
aa. vertebrales
aa. subclaviae
aa. carotis internae en a. basilaris
1992.
A.
B.
C.
D.
De bovenste schuine oogspier wordt geïnnerveerd door ...
de nervus octavus
de nervus facialis
de nervus trigeminus
de nervus trochlearis
1993.
A.
B.
C.
D.
De capsula interna (binnenste kapsel) is gelegen tussen ....
hersenstam en hersenschors
in de grote hersenen
de lensvormige kern en de staartkern
alle bovenstaande plaatsen zijn juist
1994.
A.
B.
C.
D.
De cellichamen van de neuronen die behoren tot de nervus femoralis liggen in ...
de grote hersenen
de tussenhersenen
de thalamus
het ruggenmerg
1995. De cellichamen van neuronen die de skeletspieren van de bovenarm innerveren
liggen in ...
A. de thalamus
B. het ruggenmerg
C. de grote hersenen
D. de tussenhersenen
D
A
A
C
C
D
D
D
D
B
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
blad 207 van 232
1996. De cellichamen van neuronen die de skeletspieren van het dijbeen activeren liggen
in ...
A. de thalamus
B. het ruggenmerg
C. de grote hersenen
D. de tussenhersenen
1997. De cellichamen van neuronen die de skeletspieren van het onderbeen innerveren
liggen in ...
A. de thalamus
B. het ruggenmerg
C. de hersenstam
D. de tussenhersenen
1998. De cellichamen van neuronen die de uitwendige sluitspieren van de blaas activeren
liggen in ...
A. de grote hersenen
B. de tussenhersenen
C. de thalamus
D. het ruggenmerg
1999. De cellichamen van neuronen, waarvan de neurieten contact maken met spiercellen
van de biceps in de arm, liggen in ...
A. de thalamus
B. het ruggenmerg
C. de grote hersenen
D. de tussenhersenen
2000.
A.
B.
C.
D.
De cirkel van Willis ontvangt bloed vanuit ...
2 arteriën
3 arteriën
4 arteriën
5 arteriën
2001. De cytoplasmatische celuitlopers van zenuwcellen die impulsen uit de zenuwcel
wegvoeren, noemt men de ...
A. neurieten
B. myelineschede
C. dendrieten
D. neuronen
2002.
A.
B.
C.
D.
De foramen van Monro vormen de verbindingen tussen ...
de zijventrikels en het derde ventrikel
het eerste en het tweede ventrikel
het derde en het vierde ventrikel
de zijventrikels onderling
2003.
A.
B.
C.
D.
De formatio reticularis is betrokken bij de regulatie van ...
het bewustzijnsniveau van het centrale zenuwstelsel
het emotionele gedrag
aangeleerde motoriek (bijv. pianospelen)
aangeleerde reflexen
2004.
A.
B.
C.
D.
De formatio reticularis regelt ...
het dorstgevoel
het hongergevoel
het slaap-waak ritme
het emotionele gedrag
B
B
D
B
B
A
A
A
C
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
2005.
A.
B.
C.
D.
De grote hersenen hebben in totaal ...
4 kwabben
6 kwabben
8 kwabben
10 kwabben
2006.
A.
B.
C.
D.
De grote hersenen hebben in totaal ...
1 hemisfeer
2 hemisferen
4 hemisferen
8 hemisferen
2007.
A.
B.
C.
D.
De hersenstam is opgebouwd uit ...
medulla oblongata, pons Varoli en mesencephalon
medulla oblongata, mesencephalon en diencephalon
diencephalon, thalamus en hypothalamus
pons Varoli, mesencephalon en formatio reticularis
2008.
A.
B.
C.
D.
De hersenstam omvat naast de brug van Varol ook nog ...
het verlengde merg en de hypothalamus
de hersenbalk en de tussenhersenen
het verlengde merg en de middenhersenen
de tussenhersenen en het verlengde merg
2009.
A.
B.
C.
D.
De hersenzenuwen ontspringen uit ...
het ruggenmerg
de grote hersenen
de kleine hersenen
de hersenstam
2010.
A.
B.
C.
D.
De hersenzenuwen ontspringen uit ...
het ruggenmerg
de hersenstam
de thalamus
de hypothalamus
2011.
A.
B.
C.
D.
De hersenzenuwen ontspringen uit ...
het verlengde merg
de brug van varol (pons)
de middenhersenen
alle bovengenoemde structuren
2012.
A.
B.
C.
D.
De kauwspieren worden geïnnerveerd door ...
de nervus octavus
de nervus facialis
de nervus trigeminus
de nervus trochlearis
2013.
A.
B.
C.
D.
De kniepees-reflex is een voorbeeld van ...
een spierspoelreflex
een voetzoolreflex
een flexiereflex
een fixatiereflex
2014.
A.
B.
C.
D.
De mimische spieren (aangezichtsspieren) worden geïnnerveerd door ...
de nervus olfactorius
de nervus facialis
de nervus trigeminus
de nervus hypoglossus
blad 208 van 232
C
B
A
C
D
B
D
C
A
B
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
2015.
A.
B.
C.
D.
blad 209 van 232
De nervus vagus innerveert ...
het hart
de longen
de maag en darmen
alle bovengenoemde organen
2016. De openingen, waardoor liquor cerebrospinalis in de subarachnoïdale ruimte komt,
liggen in de wand van...
A. het derde ventrikel
B. de aquaeductus cerebri
C. het vierde ventrikel
D. de durazak
2017.
A.
B.
C.
D.
De primaire visuele schors is gelegen in ...
de lobus frontalis
de lobus pariëtalis
de lobus occipitalis
de lobus temporalis
2018.
A.
B.
C.
D.
De sensibele schors van de grote hersenen is gelegen in ...
de lobus frontalis
de lobus pariëtalis
de lobus occipitalis
de lobus temporalis
2019.
A.
B.
C.
D.
De terugtrek-reflex is een voorbeeld van ...
een spierspoelreflex
een voetzoolreflex
een flexiereflex
een fixatiereflex
2020.
A.
B.
C.
D.
De thalamus reguleert onder andere ...
de mate van geconcentreerdheid op een bepaalde bezigheid
het dorstgevoel en de aandrang om te drinken
de niesreflex
de hormoonproductie in de hypofyse
2021.
A.
B.
C.
D.
De uitwendige spieren van het oog worden geïnnerveerd door ...
de nervus oculomotorius
de nervus trochlearis
de nervus abducens
alle bovenstaande hersenzenuwen
2022.
A.
B.
C.
D.
De verbinding tussen de hemisferen van de grote hersenen wordt gevormd door ...
associatiebanen
commissuren
de piramidale banen
de extrapiramidale banen
2023.
...
A.
B.
C.
D.
De verbinding tussen de hemisferen van de grote hersenen wordt gevormd door de
brug van Varol
piramidebaan
thalamus
hersenbalk
D
C
C
B
C
A
D
B
D
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
blad 210 van 232
2024.
A.
B.
C.
D.
Denken is een functie van ...
de hersenstam
de kleine hersenen
de schors van de grote hersenen
de thalamus
2025.
A.
B.
C.
D.
Door middel van de kniepeesreflex kan men de werking controleren van ...
de grote hersenen
de kleine hersenen
de hersenstam
het ruggenmerg
2026.
A.
B.
C.
D.
Door middel van de pupilreflex kan men de werking controleren van ...
het ruggenmerg
de grote hersenen
de kleine hersenen
de hersenstam
2027.
A.
B.
C.
D.
Een bloedvat dat vanuit de cirkel van Willis ontspringt is een ...
a. vertebralis
a. basilaris
a. cerebri
a. carotis
2028. Een
men ...
A. een
B. een
C. een
D. een
deel van de huid dat geïnnerveerd wordt door ‚‚n ruggenmergssegment noemt
C
D
D
C
B
myotoom
dermatoom
cauda equina
plexus
2029.
A.
B.
C.
D.
Een gemengde zenuw bevat ...
afferente zenuwvezels
efferente zenuwvezels
zowel afferente als efferente zenuwvezels
noch afferente noch efferente zenuwvezels
2030.
A.
B.
C.
D.
Een hemisfeer van de grote hersenen heeft ...
2 kwabben
4 kwabben
6 kwabben
8 kwabben
2031.
A.
B.
C.
D.
Een motorisch eindplaatje vormt een contactplaats tussen ...
een sensorisch neuron en spiervezel
een motorisch neuron en een spiervezel
een schakelneuron en een spiervezel
geen van de bovengenoemde plaatsen
2032.
A.
B.
C.
D.
Een
een
een
een
een
2033.
A.
B.
C.
D.
Een ruggenmergzenuw bevat ...
afferente zenuwvezels
efferente zenuwvezels
zowel afferente als efferente zenuwvezels
noch afferente noch efferente zenuwvezels
motorisch neuron bestaat uit ...
cellichaam, ‚‚n neuriet en ‚‚n dendriet
cellichaam, meerdere neurieten en ‚‚n dendriet
cellichaam, ‚‚n neuriet en meerdere dendrieten
cellichaam, meerdere neurieten en meerdere dendrieten
C
B
B
C
C
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
2034.
A.
B.
C.
D.
Een
een
een
een
een
2035.
A.
B.
C.
D.
Een spinale zenuw ontspringt uit ...
het ruggenmerg
het ruggenmerg en de hersenstam
de hersenstam
geen van bovenstaande plaatsen
2036.
A.
B.
C.
D.
Een synaps treft men aan als schakelplaats tussen ...
een sensorisch neuron en een motorisch neuron
een sensorisch neuron en een schakelneuron
een schakelneuron en een motorisch neuron
op alle bovengenoemde plaatsen treft men een synaps aan
2037.
A.
B.
C.
D.
Herinneren is een functie van ...
de hersenstam
de kleine hersenen
de schors van de grote hersenen
het ruggemerg
2038.
A.
B.
C.
D.
Onder een adequate prikkel verstaat men
een prikkel die boven de drempelwaarde ligt
een prikkel die bij een bepaald zintuig behoort
een prikkel die slechts één zintuig prikkelt
een prikkel die boven de onderscheidingsdrempel ligt
blad 211 van 232
spier die geïnnerveerd wordt door ‚‚n ruggenmergssegment noemt men ...
myotoom
dermatoom
cauda equina
plexus
2039.
A.
B.
C.
Onder de drempelwaarde van een zintuig verstaat men
de hoogste prikkelfrequentie waarbij een gewaarwording in de hersenen optreedt
de mate van onderscheid (verandering) waarvoor een zintuig gevoelig is
de maximale toelaatbare intensiteit waarmee men een zintuig kan prikkelen zonder
pijngewaarwording
D. de minimaal benodigde prikkelsterkte om een gewaarwording tot stand te brengen
2040.
A.
B.
C.
D.
De evenwichtssteentjes (otolieten) liggen onder andere in
de halfcirkelvormige kanalen
het ovale - en het ronde zakje
het middenoor
het orgaan van Corti
2041.
A.
B.
C.
D.
De halfcirkelvormige kanalen registreren de volgende bewegingen
op en neergaande bewegingen
zijwaartse bewegingen
draaiende bewegingen
alle bovenstaande
2042.
A.
B.
C.
D.
De sacculus en de utriculus zijn gelegen in
het labyrint
het cavum tympani
de cochlea
de ampulla
2043.
A.
B.
C.
D.
De stand van het hoofd wordt geregistreerd door
de drie halfcirkelvormige kanalen
het ovale zakje en het ronde zakje
de drie halfcirkelvormige kanalen en het ovale en ronde zakje
het labyrint
A
A
D
C
B
D
B
C
A
B
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
2044.
A.
B.
C.
D.
Draaibewegingen worden in het evenwichtsorgaan geregistreerd door
het ovale zakje
het ronde zakje
de drie halfcirkelvormige kanalen
het labyrint
2045.
A.
B.
C.
D.
Draaiing van het hoofd wordt geregistreerd door de/het
drie halfcirkelvormige kanalen
ovale zakje
ronde zakje
slakkenhuis
2046.
A.
B.
C.
D.
Het evenwichtszintuig werkt nauw samen met
het hormonale stelsel
de proprioceptoren
het gehoororgaan
de tastzin
2047.
A.
B.
C.
D.
Welk deel behoort tot het evenwichtsorgaan
buis van Eustachius
orgaan van Corti
ovale venster
ovale zakje
2048.
A.
B.
C.
D.
Welk orgaan bevat rotatiezintuigen
buis van Eustachius
halfcirkelvormige kanalen
ronde venster
slakkenhuisgang
2049.
A.
B.
C.
D.
De evenwichtsteentjes liggen in
de halfcirkelvormige kanalen
de utriculus en sacculus
het slakkenhuis
het vestibulum
2050.
A.
B.
C.
D.
De halfcirkelvormige kanalen geven informatie over ...
de stand van het hoofd bij het schilderen van een plafond
de snelheidsverandering van het lichaam tijdens hardlopen
de draaibewegingen van het lichaam tijdens dansen
geen van bovengenoemde situaties
2051.
A.
B.
C.
D.
De halfcirkelvormige kanalen registreren ...
hoge tonen
hoek- en/of draaiversnellingen
de positie van het hoofd
de positie van de ogen in de oogkassen
2052.
A.
B.
C.
D.
De halfcirkelvormige kanalen zijn gevuld met ...
lucht
endo- en perilymfe
een taaie slijmerige substantie
zoutkristallen
2053.
A.
B.
C.
D.
Het evenwichtsgevoel wordt bepaald door de waarnemingen ...
van sensoren in het evenwichtsorgaan
van de druk in de huid (bijv. druksensoren in de voetzolen)
in spierspoelen en peessensoren
van alle bovengenoemde sensoren samen
blad 212 van 232
C
A
B
D
B
B
C
B
B
D
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
blad 213 van 232
2054.
A.
B.
C.
D.
Het evenwichtsorgaan bestaat uit ...
drie halfcirkelvormige kanalen
sacculus
utriculus
alle drie bovengenoemde structuren
2055.
A.
B.
C.
D.
Het evenwichtsorgaan ligt ...
in het wandbeen (os parietale)
in het slaapbeen (os temporale)
in het mastoïd (tepelbeen)
in het rotsbeen (os petrosum)
2056.
A.
B.
C.
D.
Het evenwichtsorgaan wordt geinnerveerd door ....
de nervus vagus
de nervus cochlearis
de nervus vestibularis
de nervus trigeminus
2057.
A.
B.
C.
D.
Het vliezige labyrint is gevuld met ...
lucht
perilymfe
endolymfe
botweefsel
2058.
A.
B.
C.
D.
Welke sensoren van het evenwichtsorgaan worden geprikkeld door draaibewegingen
sensoren in de ampulla van halfcirkelvormige kanalen
sensoren in de sacculus
sensoren in de utriculus
sensoren in alle drie bovengenoemde plaatsen
2059.
A.
B.
C.
D.
In de volgende structuur bevinden zich GEEN pijnreceptoren
hersenen
hersenvliezen
peritoneum
periost
2060.
A.
B.
C.
D.
Pijnzintuigen treft men NIET aan in
de huid
de hersenen
het periost
de pleurabladen
2061.
A.
B.
C.
D.
De elektromagnetische receptoren staan in verbinding met de nervus
facialis
oculomotorius
opticus
trigeminus
2062.
A.
B.
C.
D.
De zintuigcellen van het evenwichtsorgaan zijn
mechanoreceptoren
chemoreceptoren
elektromagnetische receptoren
thermoreceptoren
2063.
A.
B.
C.
D.
Het volgende zintuig bevat mechanoreceptoren
gezichtszintuig
pijnzintuig
reukzintuig
smaakzintuig
D
D
C
C
D
A
B
C
A
B
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
2064.
A.
B.
C.
D.
Waarin bevinden zich chemoreceptoren
de huid
de neus
het oog
het oor
2065.
A.
B.
C.
D.
Welk van onderstaande zintuigen behoort tot de mechanoreceptoren
het oog
de reuk
de smaak
het gehoor
2066.
A.
B.
C.
D.
Welke soort receptoren bevinden zich in de retina
chemoreceptoren
elektromagnetische receptoren
mechanoreceptoren
thermoreceptoren
2067.
A.
B.
C.
D.
De receptoren van het reukzintuig bevinden zich in
de bovenste neusgang
de middelste neusgang
de onderste neusgang
het zeefbeen
2068.
A.
B.
C.
D.
De uitlopers van de reukzenuw gaan door
het zeefbeen
het voorhoofdsbeen
het wiggenbeen
alle drie de bovenstaande botstukken
2069.
A.
B.
C.
D.
De mens proeft bittere stoffen het beste met
de punt van de tong
de zijkant van de tong
het achterste deel van de tong
het middelste deel van de tong
2070.
A.
B.
C.
D.
De mens proeft zoete stoffen het beste met
de tongpunt
de zijkant van de tong
het achterste deel van de tong
het middelste deel van de tong
2071.
A.
B.
C.
D.
Als we iets optillen met de hand, dan reageren hier (. op
alleen de tastsensoren
de tast- en druksensoren
de tast-, druk- en thermosensoren
de tast-, druk-, thermo- en spierspoelsensoren
blad 214 van 232
2072. Bepaalde emoties kunnen leiden tot overmatige traanproductie omdat de traanklier
geïnnerveerd wordt ...
A. door het vegetatieve zenuwstelsel
B. door het animale zenuwstelsel
C. door de nervus opticus
D. door verschillende hormonen
2073.
A.
B.
C.
D.
Contractie van de uitwendige oogspieren resulteert in ...
het afgeven van traanvocht
het vergroten of verkleinen van de pupil
het bewegen van de oogbollen
het boller worden van de ooglens
B
D
B
A
A
C
A
D
A
C
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
2074.
A.
B.
C.
D.
De achterste oogkamer ligt tussen ...
de iris en de lens
de lens en het glasachtige lichaam
de het glasachtige lichaam en het netvlies
de cornea en de iris
2075.
A.
B.
C.
D.
De buis van Eustachius ligt ...
in het middenoor
tussen het buitenoor en de keelholte
tussen de trommelholte en de keelholte
tussen het binnenoor en de keelholte
2076.
A.
B.
C.
D.
De buitenste laag van de oogbol bestaat uit ...
de sclera
de cornea
de sclera en cornea
geen van bovengenoemde lagen
2077.
A.
B.
C.
D.
De cornea is een andere naam voor ...
harde oogrok
het doorzichtige hoornvlies
het vaatvlies
de ooglens
2078.
A.
B.
C.
D.
De elektromagnetische sensoren zijn ...
de zintuigcellen van het gehoor
de lichtgevoelige zintuigcellen van het oog
de reuk- en smaakzintuigcellen
de tast- en drukzintuigcellen in de huid
2079.
A.
B.
C.
D.
De functie van het middenoor is ...
het verzwakken van geluid bij te harde geluiden
het geleiden van geluid naar het binnenoor
het versterken van geluid
zowel A, B als C zijn functies van het middenoor
2080.
A.
B.
C.
D.
De functie van het pigmentblad is ...
het oog een kleur te geven
het absorberen van licht
het reflecteren van licht
het filtreren van licht
2081.
A.
B.
C.
D.
De functie van het ronde venster is het opvangen van trillingen ...
in de lucht van het buitenoor
in de lucht van het middenoor
in de endolymfe van het binnenoor
in de perilymfe van het binnenoor
2082.
A.
B.
C.
D.
De functie van traanvocht is ...
voeding van bindvlies en hoornvlies
wegspoelen van vuil en stofdeeltjes
voorkomen dat de cornea uitdroogt
traanvocht heeft alle bovengenoemde functies
2083.
A.
B.
C.
D.
De functie van zowel de staafjes als de kegeltjes is ...
beeldvorming
beeldwaarneming
stereoscopisch zien
zowel A, B als C zijn juist
blad 215 van 232
A
C
C
B
B
D
B
D
D
B
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
blad 216 van 232
2084.
A.
B.
C.
D.
De gehoorzintuigcellen bevinden zich in ...
de scala vestibuli
de scala media
de scala tympani
geen van de bovengenoemde gangen
2085.
A.
B.
C.
D.
De huid van de oogleden zet zich aan de voorzijde van het oog voort als ...
een willekeurige spier
bindvlies
iris
sclera
2086.
A.
B.
C.
D.
De lichaampjes van Krause ...
kunnen alleen een temperatuursdaling waarnemen
kunnen alleen een temperatuursstijging waarnemen
kunnen zowel een daling als stijging van de temperatuur waarnemen
kunnen geen verandering van temperatuur waarnemen
2087.
A.
B.
C.
D.
De lichaampjes van Meissner bevatten ....-sensoren
druk
tast
koude
warmte
2088.
A.
B.
C.
D.
De lichaampjes van Ruffini ...
kunnen alleen een temperatuursdaling waarnemen
kunnen alleen een temperatuursstijging waarnemen
kunnen zowel een daling als stijging van de temperatuur waarnemen
kunnen geen verandering van temperatuur waarnemen
2089.
A.
B.
C.
D.
De lichtgevoelige sensoren van het oog worden geïnnerveerd door ...
de nervus olfactorius
de nervus opticus
de nervus oculomotorius
de nervus trochlearis
2090.
A.
B.
C.
D.
De lidslagreflex ontstaat als .... geprikkeld worden
de lens of glasachtig lichaam
de traankliertjes
het bindvlies of het hoornvlies
de oogspieren
2091.
A.
B.
C.
D.
De meeste mechanosensoren, per oppervlakte eenheid, worden gevonden ...
rondom de navel
op de rug van de hand en de onderarm
op het voorhoofd en de wangen
op de vingertoppen en de lippen
2092.
A.
B.
C.
D.
De meeste zintuigorganen van de huid bevinden zich ...
in de lederhuid
in de opperhuid
het onderhuidse bindweefsel
gelijkmatig verspreid in alle bovengenoemde lagen
2093.
A.
B.
C.
D.
De ogen liggen in de oogkassen omgeven door ...
traanvocht
kraakbeenweefsel
glad spierweefsel
vetweefsel
B
B
C
B
C
B
C
D
A
D
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
2094.
A.
B.
C.
D.
De oogleden beschermen het oog tegen ...
mechanisch geweld
licht met een te hoge intensiteit
stofdeeltjes
de oogleden hebben alle bovengenoemde functies
2095.
A.
B.
C.
D.
De oorschelp is opgebouwd uit ...., bedekt met huid
hyalien kraakbeen
vezelig kraakbeen
elastisch kraakbeen
straf bindweefsel
2096.
A.
B.
C.
D.
De papil is de plaats op de retina ...
waar de meeste zintuigcellen liggen
waar de meeste staafjes liggen
waar de meeste kegeltjes liggen
waar helemaal geen lichtgevoelige sensoren liggen
2097.
A.
B.
C.
D.
De perilymfe in het labyrint heeft een functie bij ...
de voortgeleiding van de geluidstrillingen
de gevoeligheid voor zwaartekracht
de registratie van draaiingen van het hoofd
speelt in alle drie de processen een belangrijke rol
2098.
A.
B.
C.
D.
De punt van de tong is gevoelig voor ...
zoete etenswaren
zure etenswaren
bittere etenswaren
zowel zoete, zure als bittere etenswaren
2099.
A.
B.
C.
D.
De reuk wordt geïnnerveerd door ...
de nervus facialis (de zevende hersenzenuw)
de nervus vagus (de tiende hersenzenuw)
de nervus olfactorius (de eerste hersenzenuw)
de nervus trochlearis (de vierde hersenzenuw)
2100.
A.
B.
C.
D.
De sclera is opgebouwd uit ...
spierweefsel
bindweefsel
kraakbeen
botweefsel
2101.
A.
B.
C.
D.
De smaakpapillen liggen in het slijmvlies van ...
de tong
de mondholte
de keelholte
alle bovengenoemde structuren
2102.
A.
B.
C.
D.
De stand van de extremiteiten wordt waargenomen door ...
chemosensoren
electromagnetische sensoren
interosensoren
propriosensoren
2103.
A.
B.
C.
D.
De traanbuis mondt uit in ...
de bovenste neusgang
de middelste neusgang
de onderste neusgang
de keelholte
blad 217 van 232
D
C
D
A
A
C
B
D
D
C
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
blad 218 van 232
2104.
A.
B.
C.
D.
De uitwendige oogspieren worden geïnnerveerd door ...
de derde hersenzenuw
de vierde hersenzenuw
de zesde hersenzenuw
zowel A, B en C zijn juist
2105.
A.
B.
C.
D.
De voorste oogkamer ligt tussen ...
de iris en de lens
de lens en het glasachtige lichaam
de het glasachtige lichaam en het netvlies
de cornea en de iris
2106.
A.
B.
C.
D.
De zenuwimpulsen van het geluid worden geleid door ...
de nervus vagus (de tiende zenuw)
de nervus facialis (de zevende hersenzenuw)
de nervus octavus (de achtste hersenzenuw)
de nervus trigeminus (de vijfde hersenzenuw)
2107.
A.
B.
C.
D.
De zintuigcellen die de stand van het hoofd waarnemen zijn gelegen ...
in de drie halfcirkelvormige kanalen
in de utriculus en sacculus
in de ampulla gelegen nabij het vestibulum
in het orgaan van Corti
2108.
A.
B.
C.
D.
Duwen met een potlood op de huid wordt waargenomen door ...
de lichaampjes van Vater Pancini
de lichaampjes van Krause
de lichaampjes van Ruffini
de lichaampjes van Meissner
2109.
A.
B.
C.
D.
Een functie van de iris is .... invallend licht
de doorsnede van de pupil te vergroten bij te veel
de doorsnede van de pupil te vergroten bij te weinig
lichtabsorptie bij te veel
lichtabsorptie bij te weinig
2110.
A.
B.
C.
D.
Een koude omgevingstemperatuur wordt waargenomen door ...
chemosensoren
exterosensoren
interosensoren
mechanosensoren
2111.
A.
B.
C.
D.
Endolymfe bevindt zich ...
rondom de vliezige wand van het labyrinth
in de scala madia
in de scala tympani
in alle bovengenoemde ruimten
2112.
A.
B.
C.
D.
Exterosensoren nemen veranderingen .... waar
in het lichaam
in de spieren
in de darmen
van de omgeving
2113.
A.
B.
C.
D.
Het buitenoor is opgebouwd uit ...
de oorschelp
de oorschelp en de gehoorgang
de oorschelp, de gehoorgang en het laterale deel van het trommelvlies
de oorschelp , de gehoorgang, het laterale deel van het trommelvlies en de buis van
Eustachius
D
D
C
B
A
B
B
B
D
C
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
2114.
A.
B.
C.
D.
Het choroïdea ...
bevat staafjes
bevat kegeltjes
bevat staafjes en kegeltjes
bevat geen staafjes en geen kegeltjes
2115.
A.
B.
C.
D.
Het gehoororgaan ligt in ...
het rotsbeen (os petrosum)
het wiggebeen (os spehnoidale)
het achterhoofdsbeen (os occipitale)
het wandbeen (os parietale)
2116.
A.
B.
C.
D.
Het glasachtige lichaam is ...
gevuld met helder water
gevuld met een heldere gelei-achtige substantie
gevuld met gitzwart water
gevuld met een gitzwarte gelei-achtige substantie
2117.
A.
B.
C.
D.
Het hoornvlies is een voortzetting van ....
de retina
de choroïdea
de iris
de sclera
2118.
A.
B.
C.
D.
Het kanaal van Schlemm zorgt voor ...
aanvoer van kamervocht
afvoer van kamervocht
aanvoer van traanvocht
afvoer van traanvocht
2119.
A.
B.
C.
D.
Het lichtgevoelige deel van het oog is ...
de sclera
de retina
het choroïdea
de cornea
2120.
A.
B.
C.
D.
Het oogkamervocht komt in samenstelling overeen met ...
speeksel
slijm
plasma
weefselvocht
2121.
A.
B.
C.
D.
Het ovale venster is een afscheiding tussen ...
het binnenoor en het middenoor
het binnenoor en het buitenoor
de trommelholte en het middenoor
het buitenoor en het middenoor
2122.
A.
B.
C.
D.
Het reukslijmvlies ligt in het slijmvlies ...
op het onderste gedeelte van het neustussenschot
van de onderste neusschelpen
van de middelste neusschelpen
van de bovenste neusschelpen
2123.
A.
B.
C.
D.
Het reukzintuig bevat ...
mechanosensoren
chemosensoren
thermosensoren
electromagnetische sensoren
blad 219 van 232
D
A
B
D
B
B
D
A
D
B
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
blad 220 van 232
2124.
A.
B.
C.
D.
Het reukzintuig bevindt zich ...
in de onderste neusgang
in de middelste neusgang
in de bovenste neusgang
boven op het zeefbeen
2125.
A.
B.
C.
D.
Het ronde venster is een afscheiding tussen ...
het binnenoor en het middenoor
het binnenoor en het buitenoor
de trommelholte en het middenoor
het buitenoor en het middenoor
2126.
A.
B.
C.
D.
Het slakkenhuis is een onderdeel van het ...
buitenoor
middennoor
binnenoor
evenwichtsorgaan
2127.
A.
B.
C.
D.
In het slakkenhuis wordt .... waargenomen
geluid
de snelheid van het lichaam
de stand van het hoofd
draaiingen van het hoofd
2128.
A.
B.
C.
D.
In welke laag van de huid bevinden zich de meeste zintuigcellen
in de hoornlaag
in de kiemlaag
in de lederhuid
in het onderhuidse bindweefsel
2129.
A.
B.
C.
D.
Interosensoren nemen veranderingen .... waar
in het lichaam
in de spieren
in de gewrichten
van de omgeving
2130.
A.
B.
C.
D.
Onder accomodatie van het oog verstaat men ...
het aanpassen van de vorm van de ooglens
het aanpassen van de vorm van het glasachtig lichaam
het aanpassen van de worm van het hoornvlies
het aanpassen van de vorm van het regenboogvlies
2131.
A.
B.
C.
D.
Op welk moment worden de luchttrillingen uiteindelijk omgezet in zenuwimpulsen
wanneer het ovale venster in beweging wordt gebracht
wanneer de gehoorbeentjes in beweging worden gebracht
wanneer de zintuigcellen in beweging worden gebracht
wanneer de basale membraan in beweging wordt gebracht
2132.
A.
B.
C.
D.
Ouderdomsverziendheid (presbyopie) ontstaat ...
door verminderde kwaliteit van de m. ciliaris
door verminderde elasticiteit van de ooglens
door verminderde productie van kamervocht
door verminderde kwaliteit van de staafjes
2133.
A.
B.
C.
D.
Prikkels uit de buitenwereld worden geregistreerd door ...
interosensoren
exterosensoren
peessensoren
propriosensoren
C
A
C
A
C
A
A
C
B
B
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
2134.
A.
B.
C.
D.
Propriosensoren nemen veranderingen .... waar
in het lichaam
in de spieren
in de darmen
van de omgeving
2135.
A.
B.
C.
D.
Stereoscopisch zien ontstaat doordat de beide ogen een voorwerp ...
vanuit eenzelfde hoek waarnemen
vanuit verschillende hoek waarnemen
vergroot waarnemen
verkleind waarnemen
2136.
A.
B.
C.
D.
Tot de mechanosensoren behoren ...
de gehoorzintuigcellen
de gezichtszintuigcellen
de reukzintuigcellen
de smaakzintuigcellen
2137.
A.
B.
C.
D.
Waar bevinden zich de traankliertjes
aan de boven-binnenzijde van het ooglid
aan de boven-buitenzijde achter het ooglid
aan de onder-binnenzijde van het ooglid
aan de onder-buitenzijde achter het ooglid
2138.
A.
B.
C.
D.
Waar in het oog is de ooglens gelegen
tussen cornea en iris
tussen iris en glasachtig lichaam
tussen achterste oogkamer en glasachtig lichaam
tussen voorste oogkamer en pupil
2139.
A.
B.
C.
D.
Waar liggen de oogkamers
tussen het bindvlies en het hoornvlies
tussen de lens en het glasachtig lichaam
tussen het glasachtige lichaam en het netvlies
tussen de lens en het hoornvlies
2140.
A.
B.
C.
D.
Waar liggen de staafjes en kegeltjes
in het buitenste blad van de retina
in het binnenste blad van de retina
in het buitenste blad van de sclera
in het binnenste blad van de choroïdea
blad 221 van 232
2141. Wanneer een geluidstrilling/geluidsgolf het oor binnenkomt, worden een aantal
structuren in trilling gebracht. De volgorde, waarin deze structuren in trilling worden
gebracht is ...
A. trommelvlies, aambeeld, hamer, stijgbeugel
B. trommelvlies, aambeeld, ronde venster, ovale venster
C. hamer, aambeeld, stijgbeugel, ovale venster
D. stijgbeugel, ronde venster, orgaan van Corti, ovale venster
2142. Wanneer iemand wel een verkeersbord kan waarnemen maar niet in staat is om de
betekenis te achterhalen, dan heeft deze persoon een stoornis in ...
A. de retina
B. de nervus opticus
C. de thalamus
D. de grote hersenen
B
B
A
B
C
D
B
C
D
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
blad 222 van 232
2143. Wanneer licht op het netvlies valt, passeert dit achtereenvolgens de volgende
structuren ...
A. lens - achterste oogkamer - pupil - vaatvlies
B. achterste oogkamer - iris - glasachtig lichaam - lens
C. netvlies - pupil - lens - glasachtig lichaam
D. voorste oogkamer - pupil - lens - glasachtig lichaam
2144.
A.
B.
C.
D.
Wat hoort bij elkaar
staafjes, donker-adaptatie, liggen aan de rand van de retina
kegeltjes, donker-adaptatie, liggen aan de rand van de retina
staafjes, liggen in het centrum van de retina en nemen kleuren waar
kegeltjes, liggen in de blinde vlek van de retina en nemen kleuren waar
2145.
A.
B.
C.
D.
Wat is de functie van de buis van Eustachius
voortgeleiding van het geluid
aanpassing van luchtdruk in het middenoor
afvoer van een overmaat aan oorsmeer
verzwakking van te sterke geluiden
2146.
A.
B.
C.
D.
Wat is de functie van de ooglens
de invallende lichtstraal versterken bij te weinig licht
de invallende lichtstraal meer of minder afbuigen
de invallende lichtstraal absorberen bij te veel licht
De invallende lichtstraal controleren op oneffenheden
2147.
A.
B.
C.
D.
Wat is de functie van sensoren
opvangen van prikkels
vertalen van prikkels in elektrische impulsen
doorgeven van impulsen aan zenuwstelsel
alle bovengenoemde functies
2148.
A.
B.
C.
D.
Wat is een functie van het oorsmeer (cerumen)
houdt het trommelvlies soepel
geeft stevigheid aan de uitwendige gehoorgang
versnelt de geleiding van geluid naar het trommelvlies
versterkt het geluid in de gehoorgang
2149.
A.
B.
C.
D.
Wat is geen functie van sensoren
opvangen van prikkels
bewustwording van prikkels
vertalen van prikkels in elektrische impulsen
doorgeven van impulsen aan zenuwstelsel
2150.
A.
B.
C.
D.
Wat wordt niet door de thermosensoren waargenomen
warmte
koude
temperatuur
temperatuursveranderingen
2151.
A.
B.
C.
D.
Welke bewering met betrekking tot sensoren is waar
de smaakzin is een chemosensor
de reukzin is een mechanosensor
de staafjes in het oog zijn thermosensoren
de pijnzin is een electromagnetische sensor
2152.
A.
B.
C.
D.
Welke chemische stoffen leiden nooit tot prikkeling van de chemosensoren
droge vaste chemische stoffen
opgeloste chemische stoffen
gasvormige chemische stoffen
onoplosbare chemische stoffen
D
A
B
B
D
A
B
C
A
D
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
2153.
A.
B.
C.
D.
Welke sensor wordt altijd tot de exterosensoren gerekend
een thermosensor
een mechanosensor
een chemosensor
een electromagnetische sensor
2154.
A.
B.
C.
D.
Welke sensor wordt nooit tot de interosensoren gerekend
een thermosensor
een mechanosensor
een chemosensor
een electromagnetische sensor
2155.
A.
B.
C.
D.
Welke sensoren treft men aan in de huid
elektromagnetische sensoren
thermosensoren
chemosensoren
interosensoren
2156.
A.
B.
C.
D.
Welke smaakkwaliteit wordt op de tongbasis geregistreerd
zout
zoet
zuur
bitter
2157.
A.
B.
C.
D.
Welke spier moet samentrekken om de lens boller te maken
de m. dilatator pupillae
de m. constrictor pupullae
de m. ciliaris
geen enkele spier
2158.
A.
B.
C.
D.
Welke spier moet samentrekken om de lens platter te maken
de m. dilatator pupillae
de m. constrictor pupullae
de m. ciliaris
geen enkele spier
blad 223 van 232
2159. Welke spier moet samentrekken om het oog scherp te stellen op voorwerpen die op
1 meter van het oog gelegen zijn
A. de m. dilatator pupillae
B. de m. constrictor pupullae
C. de m. ciliaris
D. geen enkele spier
2160. Welke spier moet samentrekken om het oog scherp te stellen op voorwerpen die op
100 meter van het oog verwijderd liggen
A. de m. dilatator pupillae
B. de m. constrictor pupullae
C. de m. ciliaris
D. geen enkele spier
2161.
A.
B.
C.
D.
Welke structuren in het oog zorgen voor lichtbreking
de cornea, de ooglens, het kamervocht, het glasachtig lichaam
de cornea, de choroidea, het glasachtig lichaam, de gele vlek
de choroidea, het kamervocht, de ooglens, het glasachtig lichaam
de cornea, het kamervocht, de iris, de ooglens
D
D
B
D
C
D
C
D
A
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
2162.
A.
B.
C.
D.
De gehoorcellen worden geprikkeld door
het trillen van het basaalmembraan waarop de zintuigcellen liggen
het trillen van het membraan van Reissner
het trillen van de zintuighaartjes tegen het dekmembraan
het trillen van de lymfe in het slakkenhuis
2163.
A.
B.
C.
D.
De gehoorzintuigcellen bevinden zich in
de neerdalende trap
de vliezige slakkenhuisgang
de opstijgende trap
het middenoor
2164.
A.
B.
C.
D.
Het labyrint is gevuld met
lucht
lymfe
plasma
water
blad 224 van 232
2165. In de lymfachtige vloeistof in het binnenoor vindt de geleiding van de luchttrillingen
plaats in de volgorde
A. ovale venster; neerdalende trap; opstijgende trap; ronde venster
B. ovale venster; opstijgende trap; neerdalende trap; ronde venster
C. ronde venster; neerdalende trap; opstijgende trap; ovale venster
D. ronde venster; opstijgende trap; neerdalende trap; ovale venster
2166.
A.
B.
C.
D.
Luchttrillingen zetten zich voort in de lymfachtige vloeistof in het binnenoor via
ovale venster, opstijgende trap, neerdalende trap, ronde venster
ovale venster, neerdalende trap, opstijgende trap, ronde venster
ronde venster, opstijgende trap, neerdalende trap, ovale venster
ronde venster, neerdalende trap, opstijgende trap, ovale venster
2167.
A.
B.
C.
D.
Op welk moment wordt geluid uiteindelijk omgezet in zenuwimpulsen
wanneer de haartjes van de zintuigcellen tegen het dakmembraan worden gedrukt
wanneer het ovale venster gaat trillen
wanneer het ronde venster gaat trillen
wanneer de vloeistof in de ductus cochlearis gaat trillen
2168.
A.
B.
C.
D.
De zintuigcellen waarmee men geluid waarneemt liggen in
de drie halfcirkelvormige kanalen
het ovale en ronde zakje
het orgaan van Corti
in het middenoor
2169.
A.
B.
C.
D.
Het orgaan van Corti bevindt zich
op het membraan van Reissner
op het basale membraan
in de opstijgende trap
in de neerdalende trap
2170.
A.
B.
C.
D.
Het orgaan van Corti is gelegen in
de drie halfcirkelvormige kanalen
de trommelholte
het middenoor
het slakkenhuis
C
B
B
B
A
A
C
B
D
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
blad 225 van 232
2171. Een bepaald geluid is door persoon X nog te horen, terwijl persoon Y het geluid niet
waarneemt. Hieruit kunnen we concluderen dat persoon X voor deze zintuiglijke prikkel
een
A. hogere drempelwaarde bezit
B. hogere onderscheidingsdrempel bezit
C. lagere drempelwaarde bezit
D. lagere onderscheidingsdrempel bezit
2172.
A.
B.
C.
D.
De buis van Eustachius vormt een verbinding tussen middenoor en
mastoidholten
sinus ethmoidalis
sinus frontalis
pharynx
2173.
A.
B.
C.
D.
De tuba auditiva (buis van Eustachius) vormt een verbinding tussen
het binnenoor en de keelholte
het middenoor en de keelholte
het middenoor en de mondholte
het middenoor en het binnenoor
2174.
A.
B.
C.
D.
De gehoorbeentjes zijn met elkaar verbonden d.m.v.
synoviale gewrichtjes
ligamenten
vergroeiing
spiertjes
2175.
A.
B.
C.
D.
De hamer van de gehoorbeentjes is verbonden met
de stijgbeugel
het ronde venster
het trommelvlies
het ovale venster
2176.
A.
B.
C.
D.
De gehoorimpulsen worden via de ..... hersenzenuw naar de hersenen gevoerd
7e
8e
9e
5e
2177.
A.
B.
C.
D.
Door welk bot loopt de gehoor- en evenwichtszenuw
het achterhoofdsbeen
het rotsbeen
het wiggenbeen
het zeefbeen
2178. Door welke hersenzenuw worden de impulsen van het gehoororgaan naar het
gehoorcentrum in de hersenen geleid
A. hersenzenuw V
B. hersenzenuw VII
C. hersenzenuw VIII
D. hersenzenuw X
2179.
A.
B.
C.
D.
Het gehoororgaan ligt in het
rotsbeen
mastoid
wiggenbeen
zeefbeen
C
D
B
A
C
B
B
C
A
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
2180.
A.
B.
C.
D.
In welk bot bevindt zich het gehoorzintuig
os ethmoidale
os sphenoidale
os temporale
os occipitale
2181.
A.
B.
C.
D.
De trommelholte is gevuld met
water
endolymfe
perilymfe
lucht
2182.
A.
B.
C.
D.
Geluid wordt vanaf het trommelvlies voortgeleid via
ovale venster, hamer, aambeeld, stijgbeugel
hamer, aambeeld, stijgbeugel, ronde venster
hamer, aambeeld, stijgbeugel, ovale venster
ronde venster, hamer, aambeeld, stijgbeugel
blad 226 van 232
2183. In welke volgorde worden de luchttrillingen (het geluid) vanaf het trommelvlies
voortgeleid
A. hamer; aambeeld; stijgbeugel; ovale venster
B. hamer; aambeeld; stijgbeugel; ronde venster
C. stijgbeugel; aambeeld; hamer; ovale venster
D. stijgbeugel; aambeeld; hamer; ronde venster
2184.
A.
B.
C.
D.
Welke structuren bevinden zich in het middenoor
het slakkenhuis
de drie halfcirkelvormige kanalen
het ovale en ronde zakje
de drie gehoorbeentjes
2185.
A.
B.
C.
D.
Het ovale venster is de afscheiding tussen
inwendig oor en trommelholte
inwendig oor en uitwendig oor
trommelholte en buis van Eustachius
trommelholte en uitwendig oor
2186.
A.
B.
C.
D.
Waar worden in het gehoororgaan de luchttrillingen overgebracht op een vloeistof
bij de buis van Eustachius
bij het ovale venster
bij het ronde venster
bij het trommelvlies
2187. Het trommelvlies moet, willen wij goed kunnen horen, zo vrij mogelijk kunnen
trillen. Daartoe dient er een open verbinding te zijn tussen
A. buitenwereld en middenoor
B. binnenoor en buis van Eustachius
C. binnenoor en middenoor
D. binnenoor en buitenwereld
2188.
A.
B.
C.
D.
Wat is de functie van het trommelvlies
aanhechtingsplaats voor het aambeeld
handhaving van de druk in het middenoor
luchttrillingen overbrengen op de gehoorbeentjes
productie van cerumen
C
D
C
A
D
A
B
A
C
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
blad 227 van 232
2189. Accommoderen om voorwerpen van dichtbij te kunnen waarnemen komt tot stand
door
A. contractie van de kringspier in de iris
B. contractie van de kringspier in het corpus ciliare
C. ontspanning van de kringspier in de iris
D. ontspanning van de kringspier in het corpus ciliare
2190. Bij een geaccommodeerd oog is (zijn) in vergelijking met een ongeaccommodeerd
oog de
A. accommodatiespier meer ontspannen
B. afstand tussen lens en accommodatiespier groter
C. lens zodanig van vorm dat hij een sterkere werking heeft
D. ophangbandjes van de lens strakker gespannen.
2191. Het accommodatievermogen van het oog heeft betrekking op vormveranderingen of
bewegingen van de
A. iris
B. lens
C. oogbol
D. pupil
2192.
A.
B.
C.
D.
Samentrekking van de accommodatiespier dient voor
van het oog aan de lichtsterkte
maken van oogbewegingen
beter in de verte zien
beter dichtbij zien
2193. Wanneer bij een patint een ooglens is vervangen door een kunstlens, is het oog
NIET meer in staat tot
A. accommodatie
B. pupilverandering
C. waarneming van verschillen in lichtsterkte
D. kleuren zien
2194.
A.
B.
C.
D.
Wanneer de ooglens erg plat is, is het oog ingesteld op waarneming van voorwerpen
die schitteren in de zon
in de schaduw
op grote afstand
van dichtbij
2195.
dat
A.
B.
C.
D.
Wanneer de spieren in het straalvormig lichaam zijn verlamd, heeft dit tot gevolg
2196.
A.
B.
C.
D.
Wanneer je een boek zit te lezen in een enigszins donkere hoek is
de lens plat en de pupil klein
de lens bol en de pupil klein
de lens bol en de pupil groot
de lens plat en de pupil groot
B
C
B
D
A
C
A
de lens niet meer accommodeert
de oogbol niet meer bewogen kan worden
de oogleden niet meer bewogen kunnen worden
het netvlies geen impulsen meer doorgeeft aan de hersenen
2197. Op het netvlies wordt een omgekeerd beeld gevormd van de voorwerpen die wij
waarnemen. Toch zien wij de voorwerpen niet op de kop. Waar vindt de terug-omkering
van het beeld plaats
A. in de oogzenuw tijdens de voortgeleiding van de impulsen
B. in de staafjes en de kegeltjes
C. in het gezichtscentrum in de hersenen
D. op de plaats waar de oogzenuwen elkaar kruisen
C
C
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
blad 228 van 232
2198. Wat voor beelden ontstaan op beide netvliezen als men naar een voorwerp kijkt dat
zich op een halve meter afstand bevindt
A. twee gelijke, omgekeerde, verkleinde beelden
B. twee gelijke, rechtopstaande, verkleinde beelden
C. twee ongelijke, omgekeerde, verkleinde beelden
D. twee ongelijke, rechtopstaande, verkleinde beelden
2199.
A.
B.
C.
D.
De lichtstralen die het menselijke oog binnenvallen worden gebroken door
de lens
het hoornvlies
hoornvlies en lens
lens en pupil
2200.
A.
B.
C.
D.
Welk deel van het oog veroorzaakt de sterkste lichtbreking
glasachtig lichaam
hoornvlies
lens
netvlies
2201.
A.
B.
C.
D.
Bij een myoop oog valt het beeld
vóór het netvlies
achter het netvlies
te laag op het netvlies
te hoog op het netvlies
2202.
A.
B.
C.
D.
Bij het gebruik van een "leesbril" is er sprake van een .......lens.
bolle
holle
negatieve
platte
2203.
A.
B.
C.
D.
Een normaal functionerend oog noemt men
emmetroop
presbyoop
myoop
hypermetroop
2204.
A.
B.
C.
D.
Men spreekt van astigmatisme als
het beeld vóór het netvlies valt
het beeld achter het netvlies valt
de breking van de lichtstralen in het horizontale- en verticale vlak niet gelijk is
de iris onregelmatig gekromd is
2205. Een albino is een persoon bij wie pigment ontbreekt; hierdoor lijkt een albino rode
ogen te hebben. De rode kleur blijkt afkomstig te zijn van het bloed in de bloedvaten
van de
A. choroidea
B. lens
C. retina
D. sclera
2206.
A.
B.
C.
D.
Met de choroidea bedoelen wij
de harde oogrok
het hoornvlies
het vaatvlies
het regenboogvlies
C
C
C
A
A
A
C
A
C
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
blad 229 van 232
2207.
A.
B.
C.
D.
Met de conjunctiva wordt bedoeld
het bindvlies dat de voorzijde van de oogbol bedekt
de binnenbekleding van de oogleden
het bindvlies dat de gehele oogbol bedekt
de binnenbekleding van de oogleden dat zich voortzet over de voorzijde van de
oogbol
2208.
A.
B.
C.
D.
De gele vlek is de plek waar
de oogzenuw de oogbol verlaat
het scherpst kan worden waargenomen
hoofdzakelijk staafjes zijn gelokaliseerd
veel bloedvaten de oogbol binnenkomen
2209.
A.
B.
C.
D.
De ligging van de gele vlek ten opzichte van de blinde vlek is
craniaal
caudaal
lateraal
mediaal
2210.
A.
B.
C.
D.
De zenuw die de impulsen van het oog afvoert is de nervus
facialis
oculomotorius
opticus
trochlearis
2211.
A.
B.
C.
D.
In de linker achterhoofdskwab komen vezels binnen vanuit
de linker retinahelft van beide ogen
de rechter retinahelft van beide ogen
het totale netvlies van het linker oog
het totale netvlies van het rechter oog
2212.
A.
B.
C.
D.
Vanaf het netvlies van het rechter oog gaan zenuwvezels naar
beide hersenhelften
de linker hersenhelft
de rechter hersenhelft
de kleine hersenen
2213.
A.
B.
C.
D.
Wat verstaat men onder het chiasma opticum
de kruising van de oogspieren
de kruising van de oogzenuwen
de ruimte tussen iris en cornea
de ruimte tussen iris en lens
2214.
A.
B.
C.
D.
Het hoornvlies is een voortzetting van het
harde oogvlies
netvlies
regenboogvlies
vaatvlies
2215.
A.
B.
C.
D.
De iris van het oog is een voortzetting van de
choroidea
cornea
retina
sclera
2216.
A.
B.
C.
D.
Het regenboogvlies van het oog kan wat functie betreft worden vergeleken met een
diafragma
fotocel
kleurenfilter
lens
D
B
C
C
A
A
B
A
A
A
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
blad 230 van 232
2217. In het oog bevinden zich spieren die de hoeveelheid binnenvallend licht regelen,
Deze spieren bevinden zich in
A. de iris
B. de lens
C. de pupil
D. het netvlies
2218.
A.
B.
C.
D.
Als er licht in het oog valt passeert dit achtereenvolgens de volgende structuren
vaatvlies, hoornvlies, lens, glasachtig lichaam, netvlies
hoornvlies, lens, glasachtig lichaam, netvlies
netvlies, glasachtig lichaam, vaatvlies
hoornvlies, glasachtig lichaam, lens, netvlies
2219.
A.
B.
C.
D.
Een lichtstraal van buiten bereikt het netvlies. Hierbij passeert zij achtereenvolgens
pupil; glasachtig lichaam; vaatvlies; netvlies
vaatvlies; achterste oogkamer; lens; straalvormig lichaam
voorste oogkamer; iris; glasachtig lichaam; lens
voorste oogkamer; pupil; lens; glasachtig lichaam
2220.
A.
B.
C.
D.
In welke volgorde passeert een lichtstraal deze onderdelen van het oog.
lens; pupil; glasachtig lichaam
pupil; lens; glasachtig lichaam
glasachtig lichaam; lens; pupil
glasachtig lichaam; pupil; lens
2221.
A.
B.
C.
D.
De lagen van de retina van glasvocht naar oogkas zijn als volgt;
pigmentlaag, staafjes, kegeltjes
kegeltjes, staafjes, pigmentlaag
pigmentlaag, zintuigcellen, zenuwvezels
zenuwvezels, zintuigcellen, pigmentlaag
2222.
A.
B.
C.
D.
Op welke plaats worden de lichtprikkels omgezet in impulsen
in het netvlies
in het hoornvlies
in de oogzenuw
in het vaatvlies
2223.
A.
B.
C.
D.
Welke laag van het oog is te vergelijken met een fotografisch negatief
choroidea
conjunctiva
retina
sclera
2224.
A.
B.
C.
D.
De achterste oogkamer bevindt zich tussen
cornea en iris
cornea en lens
lens en iris
pupil en lens
2225.
A.
B.
C.
D.
De voorste begrenzing van de voorste oogkamer wordt gevormd door de
de voorzijde van de iris
de achterzijde van de lens
de voorzijde van de cornea
de achterzijde van de cornea
2226.
A.
B.
C.
D.
De voorzijde van de achterste oogkamer wordt gevormd door
de cornea
de achterzijde van de lens
de choroidea
de iris
A
B
D
B
D
A
C
C
D
D
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
blad 231 van 232
2227.
A.
B.
C.
D.
Het kamervocht wordt naar het bloed afgevoerd via
het kanaal van Schlemm
de bloedvaten in de iris
de achterkant van de cornea
de achterkant van de iris
2228.
A.
B.
C.
D.
Kamervocht wordt geproduceerd in ....... door .......
de achterste oogkamer door het corpus ciliare en de iris
de achterste oogkamer door het corpus vitreum
voorste oogkamer door het corpus ciliare en de pupil
voorste oogkamer door het corpus vitreum en de cornea
2229.
A.
B.
C.
D.
De bodem van de oogkas wordt onder andere gevormd door
het os frontale
het os maxillare
het os mandibulare
het os lacrimale
2230.
A.
B.
C.
D.
Welk been is GEEN onderdeel van de wand van de oogkas
de bovenkaak
het jukbeen
het slaapbeen
het voorhoofdsbeen
2231.
A.
B.
C.
D.
De functie van het pigment van het oog is;
het geven van kleur aan de iris
het opvangen van lichtstralen
absorberen van licht
regelen van de hoeveelheid licht
2232.
A.
B.
C.
D.
De volgorde van de oogrokken van buiten naar binnen is
sclera, choroidea, retina
retina, choroidea, sclera
bindweefselblad, pigmentblad, vaatblad
pigmentblad, vaatblad, zintuigblad
2233.
A.
B.
C.
D.
Door hoeveel hersenzenuwen worden de oogspieren voorzien van prikkels
1
2
3
4
2234. Welke van de onderstaande hersenzenuwen zijn belast met de innervatie van de
oogspieren
A. de 2e, 5e, en 7e
B. de 3e, 4e, en 6e
C. de 3e, 6e, en 9e
D. de 1e, 2e, en 3e
2235.
A.
B.
C.
D.
De volgende stof speelt een rol bij de omzetting van licht in een zenuwprikkel
vitamine A
rhodopsine
vitamine E
caroteen
A
A
B
C
C
A
C
B
B
Meerkeuzevragen Anatomie & Fysiologie niveau 4
blad 232 van 232
2236. Als men 's nachts een lichtzwakke ster goed wil waarnemen, moet men het oog
fixeren op een punt ernaast. Dat de ster dan beter wordt gezien komt doordat het beeld
ervan ontstaat op de
A. blinde vlek
B. gele vlek
C. plaats waar veel kegeltjes zijn
D. plaats waar veel staafjes zijn
2237.
A.
B.
C.
D.
De kegeltjes in het netvlies zijn zintuigcellen die gevoelig zijn voor
het waarnemen van kleuren
het waarnemen van zwart-wit velden
waarnemingen bij een geringe lichtsterkte
waarnemingen bij nacht
2238.
A.
B.
C.
D.
De staafjes in het netvlies hebben de volgende eigenschappen
ze zijn in staat om kleuren waar te nemen
ze zijn in staat om scherp waar te nemen
ze komen in hoofdzaak voor op de gele vlek
ze zijn bijzonder gevoelig voor licht
2239.
A.
B.
C.
D.
Hoe heet de verdikte rand op de plaats waar de iris het vaatvlies verlaat
het glasachtig lichaam
het straalvormig lichaam
de accommodatiespier
de limbus
2240.
A.
B.
C.
D.
De traanbuis mondt uit in
de onderste neusgang
de middelste neusgang
de bovenste neusgang
het dak van de neusholte
2241.
A.
B.
C.
D.
Het traankanaal eindigt in de
bovenste neusgang
middelste neusgang
onderste neusgang
neuskeelholte
2242.
A.
B.
C.
D.
Welke vitamine is van belang voor waarneming in de schemer
vitamine-A
vitamine-B
vitamine-C
vitamine-D
D
A
D
B
A
C
A
Download
Random flashcards
fff

2 Cards Rick Jimenez

Create flashcards