Preek op 13 maart 2016 in de Morgensterkerk over Exodus 14 Lieve

advertisement
Preek op 13 maart 2016 in de Morgensterkerk over Exodus 14
Lieve gemeente,
En toen viel ik stil. De tekst die we hoorden, dit gebeuren, is zo groot. Ik voel een intens ontzag voor
deze vertelling, huiver bijna. Alsof ik er niet teveel aan moet komen. Ik heb het gevoel dat ik er niet
teveel over moet zeggen. We zouden er ook een kwartier samen wat naar kunnen staren, zoals je
kunt kijken naar dit werk (‘De doortocht door de Rode Zee’) van Marc Chagall, die er altijd in slaagt
alles tegelijk in beeld te brengen. Chagall brengt zelfs nog meer in beeld, nl. in de verte, in het
donker, aan de overkant: David met de harp als beeld van het goede koningschap, het voltooide
vredesbeleid in het veelbelovende land. Daar gaat het heen! En rechts: Christus aan het kruis. Alsof
hij zeggen wil: Jezus is de Messias van Israël en is niet los te zien van dit gebeuren, zijn volk. De weg
van Israël is de weg van Jezus. Het gaat door de diepte heen.
Meer daarover trouwens volgende week, Palmzondag. De diensten vandaag en volgende week horen
bij elkaar als een tweeluik: vandaag dit, volgende week de vraag wat dit alles met Jezus te maken
heeft. Ik wil nu alleen dit nog even noemen: namelijk dat het wel heel veelzeggend is – precies raak!
– dat juist deze tekst een van de hoofdlezingen is in de liturgie van de Paasnacht. De kerk heeft door
alle eeuwen heen, in de nacht van Pasen, dit willen lezen, horen, zingen: Israël gaat deze onmogelijke
weg door de diepte van de zee naar de veilige overkant. De onmogelijke weg door de diepte van de
dood naar het nieuwe, bevrijde leven. En dat zegt ons alles over wie Jezus is.
II
Nu dan naar de tekst van vandaag. Ik wil er maar een paar losse dingen bij zeggen. Zoals gezegd, in
de hoop dat de zeggingskracht juist niet verloren gaat.
Allereerst: wat ons hier verkondigd wordt, is dat er een strijd gevoerd wordt en gewonnen wordt. En
dat maakt het ook tot een hard verhaal. Waar je ook van schrikt!
Zo strooide JHWH Egypte midden in de zee…
Israël zag Egypte, dood op het strand van de zee…
Dat zijn harde, nare beelden. Misschien wel geschikt voor kinderen (want die denken waarschijnlijk :
Ha, tsjak, yes!), maar niet geschikt voor onze tere zielen, volwassenen die wij zijn. Je schrikt ervan.
Maar nu is het van groot belang dat we bedenken: wie strijdt hier nu eigenlijk tegen wie? Adonaj, de
God van Israël vecht hier tegen… Egypte. Wat is dat?
Een aanwijzing zit erin, dat hier nergens ‘de Egyptenaren’ genoemd worden, maar dat het
consequent gaat over ‘Egypte’. Het gaat dus niet over mijnheer X en mijnheer Y, die arme jongens,
die er ook niks aan konden doen dat ze toevallig in het leger van mijnheer de Farao zaten. Zielig
eigenlijk, dat ze zo aan hun einde moesten komen… Nee, er wordt gestreden tegen Egypte, De
Macht. Deze God neemt het op tegen alles wat koud en verkeerd is, tegen alles wat onderdrukt. Dat
is niet iets vaags en algemeens, daar moeten we ons niet in vergissen, want het wordt weldegelijk
ingekleurd. Wat is dat, Egypte? De Farao en zijn legermacht: paarden, wagens, ruiters. En dat staat
overal in de Bijbel voor oorlogstuig: tanks, drones, clusterbommen, chemische wapens, kernkoppen.
Dat alles, de grote dingen, maar ook de kleine dingen waarmee mensen elkaar geweld aandoen.
De vreemde, de Stem, de Bevrijdergod van Israël, hij strijdt daartegen. Hij vecht het beslissende
gevecht. En wint:
Dat Egypte strooit JHWH midden in de zee…
Dat Egypte wordt door Israël gezien, dood op het strand van de zee…
III
Hier wordt iets verkondigd over een strijd. Maar nu het volgende, want midden in die strijd is daar
ineens de roep om te vertrouwen. En dat vertrouwen, dat komt er ook, in de slotzin:
Het volk vertrouwde op JHWH en zijn knecht Mozes.
Vertrouwen, dat is zeggen: Ja goed, deze is het, aan hem kan ik me toevertrouwen. Dat is het einde
van het verhaal. Maar het begint met de angst! Natúúrlijk! Komt daar dat Egypte aan… Zoals mensen
ook vandaag dat aan alle kanten beleven. Waarom zijn al de Syriërs en Eritreeërs op de vlucht
vandaag? Vanwege dit Egypte: Farao met zijn legermacht. En ook wij, in ons wel heel veilige
Nederland: ook wij kunnen soms zomaar ineens beleven dat ons leven bedreigd is. Dat we niet veilig
zijn. Op allerlei manieren.
En dan is daar de vrees. En het schreeuwen. En… gelukkig maar. Ik ben blij dat de tekst zo gaat en
niet anders. Dat het niet zo verteld wordt, dat Israël zegt: ‘Kan ons niet schelen, wij houden wel
stand! Maakt ons niet uit dat we martelaren worden…’ Dan zou ik een buitenstaander zijn. Nu niet,
want die angst, dat is mijn angst. Maar daartegenin wordt iets uitgeroepen:
Vrees niet.
Ga stevig staan…
JHWH zal voor je strijden
en jullie, wees stil.
Wees stil… Dat betekent misschien ook wel: Houd eens op met jammeren! Misschien ook wel eens
goed, als dat tegen ons gezegd wordt. Maar het betekent toch vooral, denk ik: laat het aan hem over.
IV
Wees stil, laat het aan hem over… Maar dat is niet hetzelfde als: wees passief, blijf met je handen in
je zakken staan kijken hoe het afloopt. Nee, want je moet wel gaan! Israël gaat. Het wordt zo
buitengewoon verteld, zo prachtig. Het staat er twee keer, met zo goed als dezelfde woorden:
De kinderen van Israël gaan midden door de zee, over het droge,
het water is voor hen een muur, rechts en links van hen.
En toen ik daar vandeweek zo naar zat te kijken, realiseerde ik mij ineens dat ik altijd heb gedacht,
dat dit de truc van het verhaal is. Knap he, van die God, dat hij water overeind kan laten staan, als
een rechtop staande wand. Maar het gaat hier niet om een truc. Het gaat om wat de woorden willen
verkondigen. Dat woord muur betekent elders: stadsmuur, of ook: omheining van een tuin.
Bescherming. In de diepte van de vloed is daar voor jou een muur, een bescherming, een
beschutting. En je denkt natuurlijk: dat kan niet, help, ik ga onder. Want je bent in de vloed, in de
zee, in het water. En de zee staat in heel de Bijbel voor: de chaosmachten. De dood zelf. We weten
dat het leven soms door de diepte gaat. En door de diepte van de dood moeten we allemaal. En dan
gebeurt het! Iets wat dus niet kán, maar het wordt ons hier aangezegd: juist daar, in die diepte – en
ja ook in de diepte van de dood zelf –, daar is een muur rechts en links. Dat kán dus niet. Maar deze
God wil dat wij beschermd zullen zijn. Dat wij veilig een weg vinden. En dat betekent dat wij niet –
ook al denken we dat nog duizendmaal –, dat wij niet helemaal, definitief kopje onder zullen gaan.
V
Lieve gemeente, ik sluit af. Eén ding nog. Ik had in de afgelopen weken een heel aantal gesprekken.
Dat is in de ene week wat meer, in de andere wat minder. Nu dus wat meer: allemaal heel intensieve
ontmoetingen. Met mensen in de gemeente en buiten de gemeente, leeftijdsgenoten, dertigers en
zestigers. En waarover gingen die gesprekken? Nu, dat ga ik u natuurlijk niet vertellen. Maar u
begrijpt: over het leven. Zoals wij allemaal het leven kennen, ieder op onze eigen unieke manier: met
z’n vreugde en z’n pijn. Dat dus. En: tegelijk was ik natuurlijk heel intensief met deze tekst bezig. Dit
grootse, ontzagwekkende, fantastische gebeuren. Dat stond in mijn afgelopen week zo naast elkaar.
Totdat het ineens ‘klik’ zei. Ik zat op de fiets, ’s avonds, op weg naar iemand, ik stond bij een
stoplicht, en het kwartje viel. En ik dacht ineens: Het is hetzelfde, het is één. Dit verhaal, van
doortocht, van een weg mogen gaan waar geen weg is… en onze verhalen, onze levens, waarin
steeds maar weer de vraag is: kan ik gaan op het droge, vind ik vaste grond onder de voeten, is daar
in de diepte een beschermende, beschuttende muur…? Het is één: één verhaal, één gebeuren. Die
grote vragen van ons bestaan, die worden in deze ongelofelijke vertelling ópgenomen. Niet ééntwee-drie beantwoord, niet in de zin van: dit is het, zo zit het, klaar-uit. Maar onze vragen, ons
zoeken, ons leven: het wordt allemaal omvat, in de zin van: Kijk maar, luister maar, kom maar mee.
Dit is jouw verhaal. Deze is jouw God.
Het verhaal is groots, ontzagwekkend, fantastisch. Maar het is tegelijk ook heel klein, nabij,
persoonlijk. En daarom gaan wij nu ook een persoonlijk lied zingen. Waarin een ‘ik’ aan het woord
komt, die zich gedragen weet en meegenomen. We moeten het niet individualistisch verstaan (‘als ik
mijn heil maar heb’), nee we zingen het samen, met elkaar en voor anderen.
Lof zij u, Christus!
(Lied 940, Verberg mij nu…)
Download