Basic Moral Philosophy

advertisement
Samenvatting Janneke Burger-Niemeijer
Basic Moral Philosophy
Robert L. Holmes
Chapter 2
Ethical Relativism
2.1 Culturele diversiteit
Gebruiken verschillen per groep. Per gemeenschap verschillen de waarden. Betekent dat dat moraliteit
relatief is?
2.2 Wat is ethisch relativisme?
A. Morele uitspraken en praktijken verschillen van cultuur tot cultuur
B. Moraliteit hangt af van menselijke natuur en menselijke conditie en specifieke omstandigheden
C. Moraliteit verschilt fundamenteel per persoon en cultuur
A: culturele diversiteit - niet problematisch
B: dependency thesis; combinatie van mens en omgeving. Ethisch conditionalisme
C: ethisch relativisme
Ethisch relativisme is niet sceptisch of nihilistisch; ze geloven in goed en kwaad - dat verschilt alleen
per persoon en cultuur. Bij die verschillen gaat het erom:
- zijn alle daden zo variabel wb goed en kwaad?
- krijg je dus variatie in wat basaal goed en kwaad is voor verschillende personen en culturen?
Ethisch relativisme beantwoordt beide vragen met JA. Hetzelfde gedrag kan dus goed en kwaad zijn
op hetzelfde moment.
Cultureel/sociaal relativisme: het verschilt per cultuur
Extreem/individueel relativisme: het verschilt per persoon
2.3 Universalisme en absolutisme
Ethisch universalisme: fundamenteel goed en kwaad voor alle mensen. Iets kan niet tegelijk goed en
kwaad zijn, of zo beoordeeld worden.
Als B ontkend wordt is het ethisch absolutisme: transcendente moraal.
B: discussie tussen absolutisten en conditionalisten
C: discussie tussen relativisten en universalisten
2.4 Wat maakt het uit of relativisme waar is?
Tegenstand: als goed en kwaad relatief zijn, doet iedereen zonder verhinderen wat hij/zij zelf wil.
Universalisme biedt dan een fundament voor moraliteit.
Het lastige van relativisme is, dat de ene cultuur de andere kan beoordelen vanuit haar eigen
standpunten. Maar er is geen objectieve maat waardoor je kunt aantonen dat jouw zienswijze
superieur is. Het is de vraag of er zo'n objectieve standaard is.
2.5 Relativisme en morele onenigheid
Het is niet zo dat je bij relativisme het gedrag van anderen niet meer kunt beoordelen. Zo'n discussie
kan wel, maar niet vanuit moreel gezichtspunt; een niet-morele discussie blijft over. Hoe kun je dan
morele onenigheid oplossen?
In een samenleving kan het, volgens moreel relativisme, zo zijn dat er in die samenleving wel een
objectieve standaard is om morele problemen op te lossen. Alleen tussen samenlevingen dus niet.
Relativisten hoeven dus geen subjectivisten te zijn. Ze kunnen vinden dat goed en kwaad worden
bepaald door externe waarden tov de oordelende persoon.
In een gesprek iemand proberen over te halen dmv morele redenen kun je doen als universalist, maar
niet als relativist. Als relativist moet je argumenteren met niet-morele redenen.
2.6 Kan er volgens het relativisme een echt moreel meningsverschil zijn?
Want: als twee mensen tegelijkertijd gelijk hebben; hoe kan er dan een moreel meningsverschil zijn?
Het gaat dus om de vraag: wat is bepalend voor je morele postie: je gevoel of je ratio? Het
meningsverschil is in het gevoel en niet in de mening.
2.7 Is er culturele diversiteit in basale morele overtuigingen?
Verschil in cultuur en verschil in basale morele overtuigingen. Maar dat verschil is niet zo duidelijk:
vaak zit er achter verschillend gedrag eenzelfde waarde. Bij verschillende morele praktijken kan er een
overeenstemming in basale waarden en principes onderliggen.
2.8 Culturele diversiteit in basale morele overtuigingen geeft geen relativisme
Relativisten kunnen niet ontkennen dat sommige waarden en praktijken gemeengoed bij alle mensen
zijn. Alleen zij geloven dat de verschillen tussen mensen niet te verklaren zijn als verschillende uitingen
van eenzelfde moreel principe.
Socrates: goed en kwaad wordt niet bepaald door een meerderheid. Hij gaat daarbij in tegen de
morele relativisten. Het kan zijn dat een paar mensen ingaan tegen de rest en gelijk hebben. Dat moet
je voorzichtig maken wb conventionele overtuigen over moraliteit. Je moet iets hebben om te
beoordelen...
2.9 Relativisme en het onderscheid tussen 'is' en 'moet zijn'
Hume: vanuit descriptieve nonmorele statements kun je geen morele oordelen herleiden. Dan moeten
er meer redenen worden gegeven. Gelijkschakeling tussen is en ought is naturalistische drogreden.
Hoe de natuur is, is vaak niet hoe het moet zijn. Je kunt niet een zin met ought krijgen vanuit een
premisse zonder ought. Dus: dat er culturele diversiteit is, wil niet zeggen dat relativisme dus er moet
zijn. Culturele varieteit geeft geen B.
2.10 Universalisme en de grond voor moraliteit
Universalist: er is een grond voor moraliteit voor alle mensen; zodoende zijn gelijke daden in het
algemeen goed of fout voor iedereen.
2.11 Zijn logica en waarheid zelf relatief?
Dan zou de logica in de redenering over is en ought niet meer zinnig zijn. Dan heeft goed en kwaad
enkel met gemeenschappen te maken en kun je daar niet bovenuit redeneren. Goed en kwaad
ontwikkelen zich in culturen en hebben geen absracte notie.
Antwoorden:
* Net zoals het bestaan van verschillen in culturen geen relativisme betekent, betekent het bestaan van
overeenkomsten nog geen universalisme. Het verhaal van is en ougth heeft ook geen waarde voor
universalisten.
* als je opkomt voor de relativiteit van waarheid kun je nog net zo goed bij universalisme uitkomen; ook
die discussie kun je dan nl. niet meer voeren.
2.12 Relativisme en morele tolerantie
Zullen relativisten meer tolerant zijn? Dat zou je moeten bestuderen.
Echter: het hangt er maar van af of een cultuur tolerant of intolerant is; daar zijn relativisten afhankelijk
van.
Als er meer tolerantie is, als relativisme klopt en iedereen weet dat het klopt, dan kan er minder
tolerantie zijn, als relativisme klopt, en iedereen gelooft het niet.
2.13 Conclusie
Dan heeft het relativisme dus een groot probleem.
Chapter 3
Theories of Moral Right and Wrong
3.1 Moreel legalisme en moreel particularisme
Morele juistheid kan gebaseerd zijn op regels of op omstandigheden of op allebei. Wetten hebben
betrekking op daden, niet op motieven, personen etc. De achterliggende vraag is of gedrag of karakter
moraliteit bepaalt.
Moreel legalisme: de morele juistheid van een daad wordt enkel bepaald door regels, principes of
geboden. Een daad is dus enkel juist als hij overeenstemt met een juiste morele regel.
Ethisch egoisme: je moet altijd je eigen persoonlijke goed maximaliseren
Divine command theory: wat God beveelt is goed
Kantianisme: je moet altijd doen wat gemaximaliseerd kan worden
Utilitarianisme: je moet altijd het algemene goed maximaliseren
Principle of justice: je moet altijd rechtvaardig handelen
Ethiek van liefde: je moet altijd liefhebbend handelen
Ethiek tegen geweld: je moet altijd niet-gewelddadig handelen
Het is logisch in de ethiek naar een enkel principe te zoeken. Of meerdere die niet van elkaar af te
leiden zijn. Het kan dus monistisch of pluralistisch zijn.
Zijn regels adequaat om gedrag te leiden? Geen enkele regels dekt elke casus. Dan moet je dus
nadenken over wat er naast de regel aan juistheid te vinden is.
Moreel particularisme: de juistheid van daden hangt enkel af van de situatie en kan niet afgeleid
worden van regels, principes, geboden. Wat daden juist maakt is niet een bepaalde regel ofzo
waaronder de daad valt, maar iets aan de daad/situatie zelf. Regels kunnen alleen ontstaan vanuit
generalisatie van daden/situaties in het verleden. Maar die regels kunnen dan nooit alle
omstandigheden dekken.
3.2 Theorieen gebaseerd op recht
Dat is dan een soort utilitarianisme gebaseerd op recht en rechtvaardigheid. Het is echter de vraag of
goed en fout en plicht en verplichting uiteindelijk te begrijpen zijn in termen van rechten. MIsschien zijn
rechten in termen van al deze zaken te verstaan of zijn beide noties essentieel voor moraliteit.
Wijsgerige ethiek:
- axiologisch: vanuit een waarde (bijv. goed) bepalen wat ethiek is
- deontologisch: vanuit regels van fundamentele aard bepalen wat ethiek is. Soms wordt hieronder
verstaan alles wat niet axiologisch is. (deon = regel).
Het is de vraag of deze begrippen niet aan elkaar gerelateerd zijn.
Je hoeft ethiek niet te baseren op recht: alles wat je in morele oordelen wilt zeggen kun je zeggen door
axiologische en deontische concepten te gebruiken. Het is dus niet nodig de taal van het recht te
gebruiken.
Het is echter de vraag of je alle prescriptieve oordelen kunt uitdrukken in de taal van het recht. Dat
geldt helemaal bij waarde-oordelen (in de zin van 'ze is een goed persoon').
3.3 De relatie tussen goedheid en rechtvaardigheid
Hoe hebben axiologische en deontische ethiek met elkaar te maken? OF: hoe hebben goed en recht
met elkaar te maken?
Het belang van de vraag: dat iets goed is, wil in zichzelf niet zeggen wat je moet doen. Of: hoe bepaalt
evaluatie gedrag? Je moet dus een link leggen tussen evalueren en voorschrijven.
1. Er kan een causale relatie zijn. Mensen moeten doen wat ze goed vinden; het is niet plausibel dat ze
iets anders doen
2. Er kan een normatieve relatie zijn; het goede moet iedereen doen, ook als niet iedereen het goede
wil.
3. Er kan een conceptuele connectie zijn; juist betekent/kan gedefinieerd worden als wat het grootse
goede promoot.
Maar het kan ook zo zijn dat er geen relatie ligt tussen goedheid en morele juistheid. Dan hebben
morele oordelen van juistheid geen link met evaluaties. Dan moeten morele oordelen dus gegrond
worden in iets anders dan de waarde die in het gedrag naar voren komt. Voorbeeld: dat God de daad
beveelt. Dan wordt juist en onjuist bepaald zonder aandacht voor wat goed is. Het laat echter de
mogelijkheid open dat we meestal in onze leven en gedrag waarde-oordelen maken om goed te leven;
in een heleboel zaken moeten we dat oordeel nog maken.
3.4 Axiologische en deontologische morele theorieen
Axiologisch: primair is evalueren; morele oordelen zijn afhankelijk van waardeoordelen
Deontologisch: beschrijven is primair; morele oordelen zijn (ten dele) onafhankelijk van evaluaties.
Het gaat er dus om of ethiek afhankelijk is van het goede (ax.) of niet (deont.)
3.5 Sterk en zwak deontologisme
Sterk: wat juist, onjuist, verplicht, verboden is, is onafhankelijk van goed en kwaad.
Voorbeeld: moraliteit is afhankelijk van Gods gebod.
Zwak: goed is relevant voor juistheid bepalen, maar niet bepalend.
Er zijn dingen van groter belang dan het promoten van het goede.
3.6 Consequentiale en niet-consequentiale axiologische theorieen
Vragen belangrijk bij axiologisch:
1. Waar is de locus van het goede dat juistheid bepaalt? (gedrag of karakter)
2. Wat is de relevantie van iets kwaads dat met het goede meekomt? (goed en kwaad)
3. Als consequenties relevant zijn om juistheid te bepalen; welke consequenties zijn relevant voor
welke mensen/groepen? (goed voor wie)
Bij 1. gaat het om het goed-zijn van de daad zelf en de consequenties of allebei; het gaat om het
onderscheid tussen daden en consequenties van daden. Of de juistheid van daden afhangt van de
consequenties (consequentionalistisch) of niet (niet-consequentionalistisch). De nadruk op
consequenties kun je ook teleologisch noemen, soms utilitarianistisch.
Het gaat om de vraag: is goed gedrag het doen van goede daden of is goed gedrag enkel het gedrag
van goede mensen? Gaat het om de mensen of om de daden?
3.7 De balans tussen goed en kwaad in consequenties
Bij 2: Teleologen: een daad is goed als in de consequenties het goede het kwade domineert. De daad
is goed als het in evenwicht is en verplicht als goed kwaad domineert.
3.8 Het goede van zelf, anderen en collectiviteiten
Bij 3: het gaat om de vraag "goed voor wie?". Ethisch egoisme: mensen moeten bij de balans goedkwaad op hun eigen belang letten. Utilitarisme: mensen moeten letten op het belang van zoveel
mogelijk mensen. Of je kunt zeggen dat mensen het goede voor een collectiviteit als zodanig moeten
voorstaan. Dan moet er wel enige relatie zijn tussen het goed van de collectiviteit en van de individuen
afzonderlijk.
3.9 Micro-ethiek en macro-ethiek
Micro-ethiek: het welzijn van individuen als hoogste goed; alles wat dat goed maximaliseert, is goed.
Het kan dan nog wel gaan om zoveel mogelijk individuen (uti.)
Macro-ethiek: de waarde van het welzijn van groepen en collectieven; die entiteiten hebben in zichzelf
een interest. Boven de individuen.
3.11 Karakter en gedrag
Je hebt een ethiek van gedrag en een ethiek van deugd.
Chapter 5
Virtue and Happiness
5.1 Plato en Aristoteles over de noodzaak van deugd voor geluk
Gaat het om het bereiken van geluk bij moreel handelen? Is moraliteit noodzakelijk voor geluk? Plato:
deugd levert wat op, zodra je begrijpt wat deugd is. De genoegens van een filosoof zijn maximaal; ratio
is belangrijker dan spiritus en behoefte. Lastig bij Plato: hij definieert geluk niet.
Voorbeeld tegen Plato: Job; niet (alleen) de deugdelijken zijn gelukkig. Aristoteles stemt met Plato in
dat deugd noodzakelijk is voor geluk, maar vraagt zich af, of het voldoende is. Geluk: een activiteit van
de ziel in overeenstemming met de meest perfecte deugd. Mensen met superieure intellectuele
capaciteiten zijn capabel tot het grootste geluk.
Wat is er, naast deugd, nodig voor geluk: een zekere lengte van leven en basale materiele noodzaken
om gelukkig te zijn. Deze dingen zijn niet volledig in onze controle.
Overeenkomsten Plato en Aristoteles:
- iedereen wil geluk
- deugd is noodzakelijk voor geluk
- geluk komt van het vervolmaken van onze geest en karakter, dat is grotendeels in onze macht om te
doen.
5.2 Perfectionisme en het hoogste goed
Kun je iets zomaar als het hoogste goed definieren; geluk bijv? Als dat het hoogste goed is, moet het
ook blijved zijn. In dit leven is dat niet zo. Het zit niet in onze macht om geluk vast te houden.
Augustinus:
- iedereen verdient geluk
- deugd is noodzakelijk voor geluk
- het vervolmaken van je karakter voldoet niet
- iets goeds kan niet het hoogste goed zijn, als er iets anders is dat beter is
Het hoogste goed kan dus in dit leven niet bereikt worden; dit leven kan nl. elke dag weg zijn.
5.3 Augustinus en het blijvende van het hoogste goed
Augustinus: de ziel is het goede van het lichaam. Het goede van de ziel is deugd, het represtenteert
uitzonderlijkheid. De ziel bereikt perfectie alleen in het volgen van God; dwz in het liefhebben van God.
Als we dit in dit leven doen, krijgen we geluk in het hiernamaals. Dit is niet te verliezen; het is dus het
hoogste goed.
We kunnen dus, als Aristoteles en Plato, streven naar eigen perfectie en zo geluk proberen te
bereiken. We kunnen ook, als Augustinus, streven naar perfectie in het liefhebben van God. Dan heb
je dus andere idealen van perfectie. Ook Maimonides zegt dit: de kennis van God is de enige perfectie
die we moeten zoeken.
Augustinus: in God geloven is geloof hebben en zo ook hoop op redding. Geloof en hoop komen voort
uit de perfecte liefde van God. Liefde geeft dan goede wil, een voorwaarde om goed te doen voor
anderen. De overige deugden zijn afgeleiden van liefde. Naast de vier deugden van Plato (wijsheid,
moed, geduld, rechtvaardigheid) heeft Augustinus er drie: geloof, hoop en liefde.
Volgens hem is geluk niet iets hebben, maar iets zijn: iemand die liefdevol toegewijd is aan God,
ondergeschikt aan Gods wil. Perfectie van geest en karakter zonder God is nutteloos.
Thomas van Aquino: we willen allemaal geluk; voorwaarde voor geluk is deugd. Hij stelt alleen dat het
bereiken van deugd kan zonder God, een soort natuurlijk geluk. Hij onderscheidt tussen theologische
en humane deugden. Theologisch: geloof, hoop en liefde. Humaan: intellectueel of moreel.
Plato en Aristoteles: deugd heeft met ratio te maken
Augustinus en Thomas: deugd heeft met gehoorzaamheid aan God te maken
5.4 Begeert iedereen geluk? Nietzsche over de herenmoraal en slavenmoraal
Begeert iedereen geluk boven alles?
Nietzsche: vervolmaking van het zelf komt niet door moraliteit, religie of ascetisme. Juist door het zelf
meester zijn en vrije uitoefening van de creatieve krachten van jezelf. Er zijn superieure mensen die
grote dingen bereiken. Zij respecteren hun gelijken, maar minachten de zwakken en gebruiken of
onderdrukken hen. De kwaliteiten van deze meesters bepalen de deugden van de herenmoraal: trots,
assertiviteit, kracht, wreedheid, eer, etc. De zwakken hebben geprobeerd de heren te overmeesteren;
dat is de Joods-christelijke moraal; die ging niet om het goede, maar om macht. Er is dus een
herenmoraal en een slavenmoraal. Nietzsche pleit dus voor een transvaluation van waarden.
NB: er is hier een afwijzing van ethisch absolutisme.
Hier is er dus de mogelijkheid dat niet iedereen geluk begeert. Geluk is ook niet de ingang tot
moraliteit, of tot het bestuderen van moraliteit. Misschien zijn deugden die streven naar geluk wel niet
de centrale deugden. MIsschien is moraliteit wel helemaal niet belangrijk: je kunt ook kiezen een nietmoreel persoon te zijn.
Belangrijk: de notie dat moraliteit ook niet van belang kan zijn in het beslissen hoe te leven. De
kwaliteiten die het leven het waard maken, hebben misschien niet met moraliteit van doen.
5.5 Is morele deugd wenselijk?
Moet je streven naar morele perfectie? Wat zijn morele mensen precies:
- ze hebben niet een plan ofzo om deugdzaam te worden; waarschijnlijk hebben ze in situaties
beslissingen genomen en als resultaat daarvan zijn ze morele mensen geworden.
- juist mensen die extreem met moraliteit bezig zijn, zullen het wel niet bereiken
- moraliteit hoeft niet saai te zijn; het betekent niet dat je je kwaliteiten niet ontwikkelt ofzo. Ook in ons
gewone leven kunnen we ervoor kiezen moreel te zijn; juist in de uitdagingen van het gewone leven.
Om een perfect prachtig mens te zijn, hoef je je er niet van te weerhouden perfect moreel te zijn.
5.6 Het belang van een account van gedrag voor deugdethiek
Om een wijze en rationele keuze te maken over hoe je wilt leven vraagt het begrijpen van moraliteit,
alleen al om te weten wat je niet wilt.
7.1 De zaak van Abraham
God is goed, wetend, machtig. Hij houdt van ons en weet wat goed voor ons is. En hij openbaart zijn wil in geen verboden. Geen probleem zolang die geboden ook goed lijken. Hoe weet je wat Gods wil in een situatie
is?
7.2 Griekse en christelijke visie op de menselijke natuur
Grieks: mensen zijn rationeel en als ze weten wat goed is, doen ze het ook. Geen kwaad in de mens.
Christelijk: mens is gecorrumpeerd door de zonde. We hebben openbaring nodig. Om dan Gods geboden
ook te doen hebben we wedergeboorte nodig. Deugden: geloof, hoop, liefde.
7.3 Gods geboden volgens Jodendom, christendom, Islam
OT, NT, Koran. Als je in God gelooft, doe je zijn wil, ongeacht de consequenties. Een ongekwalificeerd
commitment aan God. Maar: zijn de dingen die God gebiedt, goed?
7.4 Verhouding tussen Gods wil en morele juistheid
1. Wat God goed vindt is juist
Probleem: we weten niet wat God wel en niet goed vindt. Dus:
2. Wat God toelaat is juist
Probleem: alles dat gebeurt is dan juist. Dan is er geen onderscheid meer tussen juist en onjuist; einde van de
moraliteit. Je kunt toestaan ook opvatten als 'uitdrukkelijk toestaan'. De Divine Permission Theory.
3. Wat God beveelt is juist
Niet wat God toestaat, maar wat hij beveelt. Veel verplichtender.
3'. Wat God beveelt, is verplicht
Dat is de Divine Command Theory: Wat God toestaat, verbiedt, beveelt is juist, fout of verplicht.
Het ligt er dan aan hoe breed je Gods wil ziet in hoeverre die je gedrag bepaalt. Vorm van moreel legaisme
dus.
7.5 Probleem voor de Divine Command Theory
Eutyphro-dilemma: bindt God zich aan het goede, of is het goede gebonden aan God? Als het goede goed is,
omdat God het gebiedt, heb je een probleem met het verhaal van Abraham die Isaak offert. De andere variant
impliceert dat juistheid los van God bestaat; God als middelaar tussen de morele wet en de mensen. Dat
begrenst Gods macht.
7.6 Gebiedt God soms iets dat verkeerd is?
*
God gebiedt iets verschrikkelijks
*
Gods geboden zijn te idealistisch, niet voor sterfelijke mensen. Zoals: je vijanden liefhebben.
7.7 Poging om het gebod vijanden lief te hebben te combineren met menselijke oordelen van wat
toegestaan is
Augustinus: gaat om de innerlijke geest, niet om uiterlijke daden. Onderscheid in actus reus en mens reus.
7.8 Gebiedt God soms verkeerde dingen?
Soms gebiedt God verkeerde dingen, zoals bij Abraham.
7.9 Poging om Gods geboden te combineren met menselijke oordelen
Aquino: het leven is in Gods handen; hij regeert en wij moeten gehoorzamen. Hij ontkent dus dat zo'n daad
fout is.
7.10 Als God beveelt een kind te martelen in conflict zijn met zijn goedheid?
1'' Als God X toestaat is X juist
Kunnen we zeggen dat God toch geen verkeerde dingen toestaat, dus dat we ons er geen zorgen over
hoeven maken? Het gaat dan om de relatie tussen moraliteit en Gods wil. Een test voor DCT: dan zou DCT
nl. niet voldoen; die gaat ervan uit, dat als God iets beveelt het (daardoor?) goed is. Als God echter nooit
zoiets zou kunnen doen, zou DCT het probleem ook niet hebben. God is in zijn natuur nl. volkomen goed;
daarom zou hij geen verkeerde dingen doen.
7.11 Wat betekent het God goed te noemen?
Als God intrinsiek goed is, is hij goed zonder dat dat van een relatie afhankelijk is. Dat betekent dat zijn
goedheid onaangetast zou blijven, ook al zou hij in zijn relatie met ons verkeerde dingen gebieden. Dat
verkeerde zou het intrinsieke goed van hem niet aantasten. Iets verkeerds kan alleen met extrinsieke
goedheid strijden. Dan moet God goed zijn in relatie met iets/iemand. Wat:
- de morele wet; dan is er echter een morele wet apart van God. Dat kan dus niet.
Mogelijkheden:
- dat betekent dat God moreel goed is. Als God de schepper van moraliteit is, staat God buiten het bereik van
moraliteit. Dus kan God niet moreel goed zijn. Het is niet zo dat God fout kan doen, maar ervoor kiest het niet
te doen. God kan geen kwaad doen. Dat zegt niets van betekening over God.
- dat betekent dat God een liefhebbende God is.
7.12 Is God extrinsiek goed omdat hij een liefdevolle God is?
Als God goed is, omdat hij liefhebbend is, is zijn goedheid extrinsiek, omdat het alleen door het object van zijn
liefde begrepen kan worden. Maar betekent liefhebben voor christenen afzien van negatieve dingen?
Blijft staan: een kind martelen zou juist zijn als God het zou zeggen. Volgens DCT. Dat is een tekortkoming
van de theorie.
7.13 Kan 'juist' worden vastgesteld nav Gods geboden?
Het is niet voldoende alleen te zeggen dat 'juist' betekend 'door God bevolen'. Het zou een cirkel worden:
1. God beval X
2. Is dat juist?
2'. Maar is het bevolen door God?
3. Alles wat God beveelt, is juist.
3'. Wat door God bevolen is, is door God bevolen.
Dan wordt het geen richting meer om in gedrag goed en kwaad van elkaar te onderscheiden. De verbinding
tussen 'juist' en 'bevolen door God' moet dus anders lopen dan dmv een definitie. Anders is DCT inadequaat.
7.14 Conclusie
Grootste probleem: DCT laat de autonomie van moraal niet staan. Moraliteit is niet dat iemand ons beschrijft
wat de toestand is; dat zou naturalistic fallacy zijn. Moraliteit mag niet tot iemand anders gereduceerd worden.
Chapter 8
Kantianism
8.1 Moraliteit is niet gefundeerd op geluk
Ethisch egoisme: problemen met consistentie
Divine command theory: probleem dat je een externe autoriteit hebt.
Kant: consistentie & morele oordelen kun je niet afleiden van een externe autoriteit (ook niet van God).
Vraag: is geluk in onze macht? Nee, het hangt af van zaken buiten onze wil om. We weten nooit de
gevolgen van onze daden op termijn. Kant stelt daarom: geluk is niet de basis van moraliteit. We
zouden dan nl. nooit weten wat goed gedrag is. Geluk kan niet zonder kwalificatie; goede wil wel.
8.2 De goede wil
Het is onze plicht moreel correcte doelen na te streven, in ieder geval te proberen ze te bereiken.
Belangrijk is:
- het goede doen
- het goede doen met de juiste reden/motivatie
De morele waarde van onze daden wordt bepaald door een goed motief. Het enige motief met morele
waarde is plicht. Plicht: het juiste doen, omdat het juist is. Wie handelen vanuit het motief van plicht
hebben een goede wil. En dan gaat het vervolgens niet om het slagen, maar om het proberen goed te
doen.
De goede wil is het enige dat in zichzelf goed is, onvoorwaardelijk; zelfs zonder dat je het ziet/weet. Het
probleem is nl. dat je nooit de motieven van mensen weet.
Zo heeft Kant de waarde van het goede/moraliteit niet bepaald vanuit:
- gevolgen
- subjectiviteit
Er zijn dan twee dingen die daden juist maken:
* plicht
* rationaliteit
8.3 Het concept van plicht
Morele plicht is absoluut; niet variabel per persoon. Dan moeten morele principes dus ook iets
absoluuts hebben.
Centraal in het idee van moraliteit staat rationaliteit. Elk wezen dat kan:
- nadenken, afwegen
- regels opvolgen
- vrije keus maken
is subject van de morele wet.
8.4 Objectieve principes en hypothetische imperatieven
Moraliteit vraagt van ons als rationele wezens te handelen. Moreel gedrag is rationeel gedrag.
Rationeel betekent dan mn consistent.
Dan kun je dus objectieve principes formuleren hoe een rationeel iemand zou handelen in een
gegeven situatie.
Verschillende soorten objectieve principes:
- objectieve principes van vaardigheid
- objectieve principes van beleid
- objectieve principes van moraliteit
Het gaat dan zo: hoe volkomen rationele wezens handelen, is de norm voor hoe niet-volkomen
rationele wezens moeten handelen. Dat oordeel, die norm, noemt Kant een imperatief. Imperatief:
- als... : de wens in kwestie
- dan... : wat je moet doen om de wens te vervullen
Het is een hypothetische imperatief: de 'dan' kan alleen als er een 'als' is. Hypothetische imperatieven
komen van de objectieve principes.
Deze imperatief is een problematische imperatief: wensen verschillen van persoon tot persoon.
Ethisch egoisme is inadequaat als moreel principe: het gaat er nl. om wat je moet doen, met als enige
wens gelukkig te worden. Dan worden de hypothetische imperatieven tot die wens beperkt.
Volgens Kant kan moraliteit niet gegrond worden in natuur of consequenties, maar in rede. Zo is er een
derde type van objectieve principes: die van moraliteit. Dit principe is niet gebaseerd op wensen of
voorkeuren. Dit principe beschrijft wat onvolkomen rationele wezens moeten doen onafhankelijk van
wensen/voorkeuren. Wat je dan krijgt is een categorische imperatief: morele eisen/oordelen.
8.5 Subjectieve principes of maxims
Wanneer we iets vrijwillig doen, hebben we voor onszelf een soort regel. Voor alles wat we doen is er
zo'n regel: wat je wilt doen, en evt. waarom. Kant noemt dat subjectieve principes of maxims. Dus:
1. Subjectieve principes/maxims
conditioneel
2. Objectieve principes
a. vaardigheid
conditioneel
b. beleid
conditioneel
c. moraliteit
onconditioneel
Deze subjectieve principes moeten wel rationeel zijn.
8.6 De categorische imperatief
CI 1: handel alleen volgens die grondregel waarvan je tegelijk wilt dat het een universele wet wordt.
Het handhaven van deze regel maakt Kant een moreel legalist. Onze prive-CI's moeten van deze CI afgeleid
zijn. Daarbij gaat het niet om goedheid of om consequenties, maar om wil om het juiste te doen, omdat het
juist is. Daarom is Kant nonconsequentialist en deontologisch.
8.7 De categorische imperatief toepassen
Om te zien of een daad juist (=rationeel) is, moeten we naar de context kijken. Juist door de context mee te
laten wegen, wordt duidelijk of een daad rationeel of irrationeel is. Eerst moet je dan een grondregel stellen.
Een rationeel iemand zou alleen werken op grondregels die universeel toepasbaar zijn. Dat is dus toetsbaar.
Het wordt inconsistent als daden en doelen en de universele toepassing met elkaar gaan strijden.
De inconsistentie kan zitten in de combinatie van universeel toepassen & doel vd daad of in het universeel
toepassen zelf al.
8.8 Principe van menselijkheid
Andere formuleringen van CI:
CI 2:
handel zo dat je mensheid, zowel door jezelf als door anderen, als een doel en niet alleen als middel
behandelt.
Principe van menselijkheid dus. Mensen niet gebruiken, maar als autonome wezens respecteren.
8.9 De wil als universele wetgever
Nog andere formulering van CI:
CI 3:
handel alleen zo, dat de wil door z'n grondregel zichzelf op hetzelfde moment als universele
wetgever kan beschwouwen.
Als je de grondregel-regel toepast, ben je zelf een soort universele wetgever. Autonomie. We zijn alleen
autonoom, als we plicht als motief hebben.
8.10 Kant geen consequentalist
Kant heeft een deugdtheorie: karakter en deugden.
Kant is geen consequentionalist: het gaat niet om de daadwerkelijke consequenties, maar om de rationaliteit
en consistentie van de mogelijke consequenties.
Problemen met Kant:
*
Je kunt bij een handeling verschillende grondregels stellen
*
Naturalistische drogreden: gaat uit van het zijn van de perfecte rationalist om voor te schrijven voor
anderen. Je moet nog bewijzen dat 'je moet handelen als een perfecte rationalist'. En dan is het de vraag hoe
belangrijk rationaliteit is.
Chapter 9
Consequentionalisme
9.1 De aantrekkingskracht van consequentialisme
Altijd doen wat de beste gevolgen heeft. De gevolgen van een daad bepalen de daad zelf.
9.2 Deontologisch consequentialisme
Sommige zaken aan de consequenties maken ze goed of fout: deontologisch. Voorbeeld: utilitarianisme van
rechten. Dan bepalen consequenties de juistheid. De gevolgen zijn echter niet primair beslissend hier: een
soort regel.
9.3 Utilitarianisme
Als je zegt: gevolgen bepalen de daad, moet je vragen: gevolgen voor wie? Utilitarianisme: het goede voor
alle mensen maximaliseren. Grootste balans van goed over kwaad voor zoveel mogelijk mensen. Vervolgens
de vraag: wat voor dingen zijn goed of fout?
9.4 Intrinsieke en extrinsieke waarde
Intrinsieke waarde: goedheid hangt af van intrinsieke eigenschappen. Extrinsieke waarde: goedheid hangt af
van relationele eigenschappen. Intrinsieke waarde: plezier. Hedonistische utilitarianisme: plezier/geluk is het
enige intrinsieke goede (John Stuart Mill). Ideeel utilitarianisme: pluraliteit van goede dingen als deugd, kennis
etc.
9.5 Problemen voor utilitarianisme
*
Kunnen we consequenties van daden wel voorspellen?
*
Wat doen we als er belangrijker zaken zijn dan de gevolgen (bv. liegen)? Waarheid vertellen of
beloftes houden kun je doen zonder de consequenties te kennen.
*
Probleem van rechten: kan er soms niet een groter goed worden bewerkt door sommige rechten
geweld aan te doen dan door ze te respecteren?
*
Probleem van rechtvaardigheid: is onrecht de juiste consequentie/uitkomst waard? Wat heb je
allemaal over voor een goed gevolg?
Allemaal punten van spanning tussen utilitarianisme en deontologie.
John Stuart Mill: we hoeven niet elke keer bij elke daad af te vragen of die daad wereldwijd het goede
voortbrengt. Zelfs niet of die daad voor alle betrokkenen een gevolg heeft. Vaak is het voldoende regels te
gebruiken die hun waarde hebben bewezen dat ze gevolg hebben voor het geluk van mensen. Dat is dus een
antwoord: niet alleen nut, maar ook regels mogen meespelen.
9.6 Act Utilitarianisme en Rule Utilitarianisme
Een regel mag alleen als hij gerechtvaardigd is door utilitarianistische overwegingen en de daad is
gerechtvaardigd als die overeenkomt met de regel.
Act Utilitarianisme:
Een daad is goed als het een balans van goed over kwaad bewerkt in de gevolgen
voor alle mensen, meer dan een andere daad zou doen.
Rule Utilitarianisme:
Een daad is juist als het overeenkomt
met een regel die als je die volgt
een balans van goed over kwaad bewerkt voor alle mensen in geding, meer dan een andere
regel zou doen.
Als er bij RU geen regel is, moet het zonder regel en gewoon als AU.
9.7 Feitelijk RU en Ideel RU
Wat zijn de regels van RU? Actueel (ARU) of Ideeel (IRU)? Eigenlijk breken ze beiden met
consequentialisme: het gaat niet meer alleen om de gevolgen die de juistheid van een daad bepalen. De
relatie van daad tov regel en niet van daad tov gevolgen bepaalt juistheid. Bij IRU het meest: de regel hoeft
niet algemeen geaccepteerd te zijn; alleen als dat wel zo zou zijn, zou het de beste gevolgen hebben.
Voorbeeld: de andere wang toekeren.
General Utilitarianisme: Als de gevolgen van iedereen die een daad doet slecht zijn en onwenselijk, zou het
voor iedereen fout zijn die daad te doen.
Dat komt dan redelijk overeen met Kant; is dus niet consequentialistisch meer.
9.8 Zijn AU en IRU equivalent?
Geven ze in situaties dezelfde antwoorden? AU als de ideele regel van IRU zelf. Ze zijn echter te
onderscheiden. Als mensen van een samenleving allemaal volgens AU werken en dezelfde daden doen. Een
andere samenleving ook. Maar die samenlevingen kunnen elkaar dan weer tegenwerken. Dan zijn die
gevolgen in conflict met elkaar. Regels zijn echter wel vaak gelijk voor elke samenleving. Ideele regels. Als
iedereen dat doet is het wel niet-strijdend.
9.9 Kunnen we alle gevolgen van een daad overzien?
Wat zijn gevolgen op korte en vooral lange termijn; volkomen onduidelijk. Als we moeten handelen is dus de
morele status van onze daden onbepaalbaar. Wie weet gaan we het gewoon zo goed mogelijk voor onszelf
denken.
9.10 Wat telt als gevolg van een daad?
Wat is sowieso een gevolg? Bemiddelde (ivm met gedachten, keuzes, daden van anderen) en onbemiddelde
(1e) consequenties. Maar misschien zijn alle gevolgen wel bemiddeld? Jouw daden kunnen gevolgen hebben
door keuzes en daden die anderen weer hebben. Wat is dan precies een gevolg en waarvan? Dan kun je
ontzettend gaan manipuleren.
Wat een gevolg is, is een morele vraag op zich. De vraag naar een consequentie is zelf een morele vraag.
Dat ondermijnt alle consequentie-theorie behalve Kant en DCT.
Chapter 11
Can Moral Principles be Justified?
11.1 Diversiteit op het nivo van principes
Zijn er alleen verschillende morele praktijken of ook verschillende morele principes: vraag van ethisch
relativisme. Die verschillende principes zijn er inderdaad. Dan moet je zoeken naar een rechtvaardiging van
zo'n moreel basisprincipe. Drie van de meest invloedrijke:
- intuitonisme
- ethisch naturalisme
- contract-theorie.
11.2 Filosofisch intuitionisme
Intuitionisme: een principe kan niet bewezen worden. Soort Common Sense Filosofie. Een propositie is een
intuitie. Moore en Mill. Die propositie is de eerste van een argument. Intuitionisme:
*
De eerste premisse kan niet verdedigd worden door een basaal moreel principe. Alle principes zijn
intuitief.
*
Je kunt een principe een intuitie noemen als het self-evident is. Aquino, W.D.Ross. Ross: er zijn
prima facie plichten: ze vertellen ons wat we moeten doen, als er geen andere morele overwegingen zijn.
Problemen bij hem:
- pluraliteit van principes gebaseerd op pluraliteit van moraliteit
- combinatie van particularisme en legalisme.
Problemen van intuitionisme:
- Hoe moet je kiezen tussen tegensprekende intuities?
- Hoe kun je echte van schijnbare intuities onderscheiden?
- Tegenover kritische ethiek is dit wat naief: zo van 'dat ziet toch iedereen!'
11.3 Ethisch Naturalisme
Ethiek als overlevingsstrategie. Ligt dicht bij intuitionisme en ethisch relativisme.
Een principe wordt bewezen door zekere feiten over de wereld en de aard van de taal. Voorbeeld:
1. Plezier is het enige intrinsieke goede
2. Geluk bestaat uit een leven van genot
3. Je moet een daad beoordelen op genotskarakter.
Sommige feiten (given's) over wereld en taal zijn dus voldoende. Probleem: als een term als 'juist' of 'goed' te
definieren is, door wie? Er zijn daar altijd verschillende meningen over. Om te overtuigen moeten die mensen
dan uitleggen hoe de bedoeling overeenkomt met de definities en waarom de definities relevant zijn om
moraliteit te begrijpen.
11.4 Contract-theorie
Rechtvaardiging van een principe: alle mensen spreken het samen af. Dat is de rechtvaardiging van de
contract-theorie voor principes. Die afspraak wordt hypothetisch genomen. Belangrijk:
- welke mensen nemen de beslissing
- condities van het contract
11.5 Rawls en de oorspronkelijke positie
Het is zijn poging om een goede samenleving te bewerken. Liberalisme. Hij spreekt niet meer over morele
principes, maar over procedures. Mensen moeten in een objectief gesprek (met achterlating van het
subjectieve) afspreken wat in een maatschappij als rechtvaardig geldt (is dus niet is).
Rawls:
- rationaliteit
- hypothetische situatie
- wat is eigen belang?
*
Mensen: er is een 'original position' om vast te stellen. Die mensen zijn rationeel en uit op eigen
belang.
*
Condities: doel is relaties onder zichzelf te beheersen.
Om een variatie van belangen te voorkomen stelt Rawls de 'veil of ignorance': dekmantel van onwetendheid.
Blanco situatie waar alle risico's voor jezelf zijn weggehaald. Er worden dan 2 principes gekozen:
- ieder heeft recht op basale vrijheid
- sociale en economische ongelijkheden zijn zo dat:
* ze zijn in ieders voordeel
* ze horen bij posities die voor iedereen open zijn.
Deze principes zijn dan juist, omdat ze de uitkomst zijn van een keuze in 'original position'.
De procedure van gerechtigheid van Rawls: de procedure staat vast en garandeert een eerlijke uitkomst. De
uitkomst is echter niet bekend. Dat is Rawls' idee van rechtvaardigheid: puur procedureel.
Probleem: welke relevantie heeft het hele idee als het hypothetisch is? Wat voor verband heeft het
hypothetische met interacties in onze werkelijkheid? Reflectief equilibrium: proces van condities aanpassen
en onze oordelen over gerechtigheid in een soort balans. Dat is een proces van het samenbrengen van
principes en particuliere oordelen.
Probleem: dit geeft geen antwoord op ethisch relativisme. De principes van een eigen oordeel kunnen alleen
van jezelf zijn en niet voor anderen opgaan.
11.6 Problemen bij regels en principes
Problemen bij regels en principes:
- wanneer hebben ze betrekking op welke situatie?
- wat schrijven ze precies voor?
Het lastige van legalisme is dat het niet voldoet voor gedragsethiek. Vanuit het praktisch standpunt van het
maken van feitelijke morele beslissingen in concrete situaties voldoet het legalisme niet.
Chapter 12
Personal Decision in Situation Ethics, Existentialism and the Ethics of Caring
12.1 Verwerping van traditionele ethiek
Door een aantal auteurs wordt benadrukt:
- het unieke van bijzondere situaties
- de inadekwaatheid van een regel-georienteerde benadering van ethiek.
Neiging tot moreel particularisme dus.
12.2 Situatie-ethiek
Fletcher verbindt ethiek met waarde. Het enige dat intrinsiek goed is, is agape, liefde. Liefde is niet een warm
gevoel of iedereen sympathiek vinden, maar:
- afzien van haat
- het behandelen van mensen als schepselen van God.
Naast zeggen wat goed is, moet een gedragsethiek ook aanwijzingen geven voor handelen. Volgens situatieethiek moet je handelen:
- niet/nauwelijks door regels
- wel door je af te vragen wat in een situatie de meest liefdevolle handeling is. Liefhebben is je enige
verplichting.
12.3 Het principe van liefde
Gebod tot liefde lijkt een moreel principe of op utilitarianisme (vergroot de hoeveelheid liefde in de wereld
zoveel mogelijk). Omdat er toch een gedragsprincipe is, lijkt het een legalistisch concept. Kanttekeningen
hierbij:
- Fletcher: de betekenis van dit formele principe voor de praktijk wordt afgeleid uit de situatie zelf. Het principe
biedt geen handelingsrecept voor de concrete situatie (als elke legalistische theorie). Situatie-ethiek is hierin
halfslachtig: oog hebben voor het probleem van de toepassing <> toch vasthouden aan een principe.
- Het is een gebod; roept de problemen van DCT op: is alles wat God beveelt goed?
Conclusie: situatie-ethiek is alleen schijnbaar een vorm van moreel particularisme.
12.4 Existentialistische ethiek
Vrijheid als grootste waarde en opdracht.
Nadruk op belang van individuele keuze. Tegen ethiek gebaseerd op wetten of religie. Waarde komt voort uit
vrijheid, de mens is tot vrijheid veroordeeld. Soorten vrijheid:
- originele vrijheid: spontaniteit, vrije wil. Heeft iedereen
- creatieve vrijheid: authentiek. Heeft niet iedereen.
Je moet dus kiezen:
* Blijf je kinderlijk en inauthentiek, achter vastgelegde patronen van ouders en maatschappij (zelfbedrog)
* of kies je voor vrijheid die zich nergens achter verschuilt, maar zelf verantwoordelijk is (eerlijkheid)?
12.5 Vrijheid, supreme end
Iedereen is voor zijn eigen leven verantwoordelijk, weigeren je ergens achter te verschuilen en andermans
vrijheid respecteren. Vrijheid is het hoogste doel en definieert andere doelen. Mensen moeten in vrijheid zelf
waarde aan het leven geven. Zin en waarde zijn niet aan het leven gegeven.
Dit lijkt echter ook een principe: handel zo dat de creatieve vrijheid toeneemt. Afgewezen worden als
rechtvaardiging van dat principe:
- God, gebod van God
- traditionele rechtvaardigingen
Een eigen rechtvaardiging is nog niet gevonden.
Conclusie: extistentialisme is een mogelijke, nog niet uitgewerkte optie.
12.6 Ethiek van zorgen
Ethiek uit de hulpverlening.
Centraal voor de condition humaine is zorgen. Dat is een manier om je tot de wereld te verhouden. Invulling:
- de dingen zien met een waarde in zichzelf, niet met een waarde die wij ze toekennen
- leiden zonder controle/dwang
Vraag: masculien of feminien?
12.7 Hoe leidt zorgen gedrag?
Anders dan traditionele ethiek:
- regels zijn niet centraal
- principes afgewezen; die kunnen moraal niet funderen.
- universaliteit wordt afgewezen
- de betekenis van morele oordelen gerelativeerd.
Zorg is immers relationeel: er is een persoon en een relatie met de situatie. Dat zijn de twee belangrijke
dingen.
Soms is zorgen natuurlijk. Maar juist als het natuurlijk niet gebeurd, moet het ethisch aanwezig zijn. Om het
ideaal van zorgend mens-zijn.
Probleem: is dit niet een principe: zorgend leven. De uitspraak 'zorg is goed' geeft ook geen
handelingsrichtlijnen. Kom je zo niet weer op de problemen van legalisme?
Antwoord:
*
Bij een ethiek van zorgen gaat het niet om een ethiek van doen. Het is een deugdethiek. Maar kan
die zorgethiek dan bieden wat deugdethieken misten: aanwijzingen voor handelen?
*
Het principe is afgeleid van oordelen van situaties en niet vanuit een norm. Anders dan situatieethiek: vanuit Gods gebod. Dit zegt iets belangrijks over moraal. Maar: hoe bepaal je in een situatie wat juist
moreel handelen is. Wat is zorgzaam om te doen? Dat is een uitdaging voor de zorgethiek.
Conclusie: existentialisme en zorg-ethiek zijn uitdagend.
Chapter 13
Contextualism: An Ethics of Pragmatism
13.1 Een Deweyaanse benadering van ethiek
Moreel contextualisme: alternatief tov particularisme en legalisme. Een pragmatische ethiek.
13.2 Subjectief, feitelijk en actionable juistheid
Subjectieve juistheid: wat jij denkt dat juist is
Feitelijke juistheid: wat juist is (geloofd of niet).
Bij handelen gaat het erom, waarom jij denkt dat iets juist is om te doen. Of je goede gronden hebt.
Alleen daden die je kunt rechtvaardigen juist te zijn zijn actionably juist. Daarin kun je je dus vergissen.
In het toepassen van een regel kun je je ook gauw vergissen; wanneer moet een regel op een situatie
toegepast worden? Ook al is je daad actionably juist (te rechtvaardigen en goed overdacht); je kunt je
vergissen. Bijna alle ethische theorieen hebben ruimte voor deze mogelijkheid. Als je moreel wilt leven, moet
je dus proberen zo consistent mogelijk feitelijk juist te zijn. Dat is het beste wat je kan. Als je mensen
beoordeelt, gaat het er dus niet alleen om of ze iets feitelijk juist doen, maar meer om of het actionably juist is.
Het gaat ook om motieven en intenties. Dat is juist wat contextualisme wil.
13.3 Het alternatief van contextualisme
Contextualisme:
- benadrukt de situatie waarin oordelen gemaakt worden (particularisme)
- geeft een rol aan regels en principes (legalisme)
Waar particularisme en legalisme over feitelijke juistheid gaan, gaat contextualisme over actionably juistheid:
je moet het beste oordeel maken gegeven je situatie van beperkte kennis en begrip. Iedere situatie op z'n
merites beoordelen.
Onze verplichting in situaties is niet de uiterlijke wereld te veranderen (dat is niet in je macht), maar om het te
proberen, en dat zo zorgzaam en verantwoordelijk als mogelijk en in de moreel zo juist mogelijke weg.
Er is ook een innerlijke kant aan elke situatie: als je er niet in slaagt de uiterlijke situatie te veranderen, kan je
innerlijke wereld de situatie transformeren. Je kunt het goede nastreven en anderen motiveren dat ook te
doen.
13.4 Elementen van de morele situatie
In elke situatie ontmoeten we regels, praktijken en gewoonten: de uiterlijke wereld. In je eigen rol komen ook
regels, verantwoordelijkheden en plichten mee. In je beoordelen van de situatie zit iets van een grondregel
zoeken. Contextualisme: als je een daad juist/verplicht oordeelt, moet je tegelijk dezelfde of een andere daad
beoordelen tenzij er ongelijkheden aan te tonen zijn. "Ik zal alle daden van deze soort als fout beoordelen,
tenzij ik aan kan tonen dat er relevante verschillen zijn". Als er grondregels strijden; daar is geen uiteindelijk
antwoord op te geven.
Dewey: Een regel is een hulpmiddel om de situatie te analyseren. Een morele regel is dus geen
gebod/verbod, maar een hulpmiddel om een specifieke situatie te analyseren. Het goed of
fout wordt bepaald door de situatie en niet door de regel.
Er is dus geen regel die over alles heerst.
Contextualisme is niet consequentialistisch: de gevolgen zijn niet de ultieme relevantie. Daden kunnen in
zichzelf iets goeds hebben. Dit goede kunnen we in praktisch elke situatie realiseren. Een (on-middelijk)
gevolg is een eigenschap in de situatie die meegewogen moet worden, maar niet meer. Het is een morele
beslissing, welke gevolgen meegenomen moeten worden in de beslissing, en welke niet.
In de overweging kunnen allerlei morele overwegingen meespelen. Maar ze hebben geen vaststaande plek.
13.5 Nurturing Goods
Moraliteit: een creatieve, samenwerkende onderneming met als doel een betere wereld. Daarom proberen we
in onszelf en in anderen goede dingen te bewerken. Of dat gebeurt, is niet in onze macht.
Bij morele beslissingen kunnen we allerlei overwegingen gebruiken, maar uiteindelijk zullen we doen wat het
beste voor de situatie is. Die keuze is een deel van de situatie.
Bij contextualisme staat dus goedheid centraal. Dat maakt contextualisme axiologisch. Daarbij is er wel een
relevantie van regels en principes. Het gaat erom dat wij in een situatie mbv waarden en ook regels een keus
maken die actionably juist is.
Hierdoor is contextualisme een ethiek van deugd. Hoewel het niet een te sterke tegenstelling wil zien. Deze
deugdethiek heeft een ethiek van gedrag die axiologisch is. Het gaat om karakter dat groeit uit juist gedrag en
een voorbode is voor juist gedrag.
13.6 Een Kantiaans protest
Misschien gaat het dan toch om een principe: "doe altijd het goede" of "beoordeel elke situatie op z'n merites".
Maar het blijft belangrijk dat dit contextualisme nadruk legt op persoonlijke beslissing.
13.7 Het belang van persoonlijke beslissing
Ook al is er een regel: het is jouw persoonlijke beslissing welke toepassing je kiest. En die beslissing moet je
in een specifieke situatie nemen. Een principe kan niet voor je beslissen. We moeten altijd beslissen of een
gevolgtrekking van een regel juist is of niet. We moeten altijd zelf kwalificeren. De situatie vraagt juist of het
principe juist is of niet. Is het principe relevant of niet? Die beslissing moet je nemen. Daden kunnen alleen
goed of fout zijn in een bepaalde situatie. We kunnen principes alleen rechtvaardigen door te beslissen dat
ze voor een bepaalde situatie juist zijn. Deze beoordeling is dus experimenteel.
13.8 Intuitie of emotie?
Is dit nu intuitie of emotie? Niet zo belangrijk: wat de een ziet als intuitie van juistheid, beoordeelt de ander als
emotie van toestemming. Het is theoretisch. Het is belangrijk om in de praktijk kloppende morele oordelen te
maken, niet om te beoordelen of je dan een intuitie of een emotie ervaart.
13.9 Geweten en menselijk natuur
We herkennen moraliteit in onszelf en bij anderen: er is iets gemeenschappelijks, geweten ofzo. Een moreel
onderscheidingsvermogen. Geweten. Universele grond voor moraliteit. Dat is geen principe, een fundering
van moraliteit in de menselijke natuur.
13.10 Contextualisme en relativisme
Download