neptoets taalbeschouwing

advertisement
nepTOETS TAAL:
naam: …………………………
taalbeschouwing thema 4
behaald:
/ 50
datum: ..........................
DEEL 1: WOORDEN
1. Omkring alle zelfstandige naamwoorden die geen eigennaam zijn.
Op Kerstmis was er in Brussel een loopwedstrijd voor mindervaliden.
Freddy legde de marathon af in een vrij snelle tijd.
Heel wat supporters moedigden hem aan langs de rand van de weg.
Hij kreeg veel applaus van de mensen op de Grote Markt.
Freddy De Martelaere was er gewoonweg de populairste loper.
Noteer hier alle eigennamen uit de bovenstaande zinnen van oefening 1.
…………………………………………………………………………………………………………………………..
2. Plaats een kruisje waar nodig.
z.n.
mannelijk
vrouwelijk
onzijdig
stand
atleet
depressie
stof
slee
3. Schrijf het meervoud. Let op de spellingafspraken !
sneeuwman
………………………………………..
zee
………………………………………..
sleutel
………………………………………..
Marina ………………………………………..
4. Maak 2 samenstellingen met (een keuze uit) deze woorden:
af - herfst - deel - woord - storm - leiding
……………………………………………………………………………………….……………………………………….
5. Maak afleidingen met deze woorden:
achter, berg, wachten, zien
Kies uit deze voor- of achtervoegsels:
ig, erig, achtig, ver, be, ge, ont, lijk
………………………………………..
………………………………………..
………………………………………..
………………………………………..
6. Geef het verkleinwoord. Let op de spellingafspraken.
wijsvinger
………………………………………..
korrel ………………………………………..
storing
………………………………………..
bom
………………………………………..
7. Kruis het verschil in betekenis aan tussen een zin zonder verkleinwoorden
en een zin met verkleinwoorden.
wordt
lief
wordt
spottend
wordt
minder
erg
De man reed tegen een winkel.
Het mannetje reed tegen een winkeltje.
De rode vis zwemt vrolijk rond.
Het rode visje zwemt vrolijk rond.
Die snotneus sukkelt in de vijver.
Dat snotneusje sukkelt in het vijvertje.
8. Schrijf de bijvoeglijke naamwoorden uit deze tekst in de juiste kolom.
Stomme Maurits scheurde zijn lederen broek aan een ijzeren paaltje.
Sarah had gezien dat hij het express had gedaan.
gewone bijvoeglijke naamwoorden
stoffelijke bijvoeglijke naamwoorden
DEEL 2: ZINNEN
9. Verdeel de zinnen in zinsdelen met een schuine streep.
Markeer het onderwerp in het groen.
Markeer wat er over het onderwerp wordt gezegd in het blauw.
Onderstreep de persoonsvorm dubbel.
Morgen is er weeral een toets van taalbeschouwing.
Nu bereid ik er me zeer degelijk op voor.
De vragen van meester Johan zullen wel weer veel te moeilijk zijn.
Wees slim !
10. Zegt een werkwoord iets over het onderwerp, schrijf dan WW bij de zin.
Zegt een bijvoeglijk of zelfstandig naamwoord iets over het onderwerp,
schrijf dan NW bij de zin.
Lovendegemse vissers knuppelden vorige maand hun vissen dood.
Een aquarium vol tropische vissen is heel erg mooi.
In Zomergem zijn er veel leegstaande woningen.
Vloeken blijft verboden.
De jonge katjes zijn schattig geworden.
11. Schrap de zinsdelen die niet strikt noodzakelijk zijn voor de boodschap van de zin.
/ Op school / zijn / er / vorige week / drie oudleerlingen / geweest. /
/ De leerkrachten / observeren / de kinderen / op de speelplaats. /
/ Morgen / krijgen / de meesten / een pluim / voor hun eerlijk spel. /
/ Volgende week / verwachten / we / allen / een goed rapport. /
12. Maak een zin met het werkwoord.
Voeg er enkel de absoluut noodzakelijke zinsdelen aan toe.
sneeuwen
……………………………………………………………………………………….……………………………………….
betalen
……………………………………………………………………………………….……………………………………….
eten
……………………………………………………………………………………….……………………………………….
krijgen
……………………………………………………………………………………….……………………………………….
Download