1996 - KU Leuven

advertisement
KATHOLIEKE UNIVERSITEIT
LEUVEN
JAARVERSLAG
1996
VOOR DE VERGADERING VAN DE
INRICHrENDEOVERHEID
OP 9 JULI 1997
Inhoud
INLEIDING
ORGANISATIESTRUCTUUR VAN DE K.U.LEUVEN
ONDERWIJS
1 . Globale beiei(jsiijnen inzake onderwijs
1 . l Algemene beleidsdoelen
1.2 Realisatie van beleidsdoelen
1.3 Beleidsdoelen voor de komende jaren
2. Kwali?ei?szorgvoor het onderwijs. Instrumenten en hefbomen
2.1 Omschrijving van het stelsel van interne onderwijskwaliteitszorg
2.2 Onderwijsvisitaties
2.3 Opvolging van de remediëring na de onderwijsvisitaties
2.4 Centrale Advies- en begeleidingsinctanties
3 . Opleidirii;i:riar.int->o0
3.1 Opleidingen
3.2 Samenwerkingsverbanden met andere universiteiten
en niet-universitaire onderwijsinstellingen
3.3 Postacademische vorming
3.4 Open onderwijs en afstandsonderwijs
3.5 Curriculumbewaking
3.6 Bijzondere onderwijsinitiatieven
4, Onderwijs- en examenregelingen
4.1 Onderwijsregeling
4.2 Examenregelingen
5 ' Gegevctns over studenten
5.1 Input - Studenten
5.2 Output - Examenresultaten en diploma's
6 Gegevens over cfe exarnencoininissies van de Vlaainse geineenschap
6.1 Reglementering
6.2 Aantal ingeschreven examinandi
6.3 Resultaten
7 In?ernationale relatles
7.1 Algemene duiding
7.2 Samenwerkingsovereenkomsten
ONDERZOEKSVERSLAG
3 . Het oriclerzoeksbeleid: resultateri en vooruitziciiten
1.1 Verslag over het gevoerde beleid: beoogde
doelen en resultaten
1.2 Intern reglement van de Onderzoeksraad en het
Bijzonder onderzoeksfonds inzake de allocatie van middelen
1.3 Beslissingen van de Onderzoeksraad tijdens 1 9 9 6
1.4 Het onderzoeksbeleid - bijzondere aandachtspunten
1.5 Beleidsdoelstellingen op korte termijn en op middellange termijn
2. K~wal~:eitsk)ewcik~ng
2.1 Opvolging en begeleiding van doctorandi
2.2 Evaluatie bij nieuwe aanstellingen en bevorderingen
van het academisch personeel
2.3 Evaluaties door andere instanties (FWO, IWT, EU)
2.4 Evaluaties door de Onderzoeksraad
2.5 Evaluaties met het oog op middelenverdeling in de faculteiten
2.6 Kwaliteitszorg in het kader van de V1.I.R.
3. Fir\an(:ieringsbronnen
3.1 Globaal
3.2 Per faculteit
3.3 Per wetenschapsdiscipline
4. Personeelsbestand
5. Output doc.toraten
6. Nationale wetenschappelijke samenwerking
6.1 Vlaamse onderzoeksacties
6.2 Federale onderzoeksacties
'7. Iriternatìonaie relaties
8. Besluit
PERSONEELSVERSLAG
1 . Personeelsevolutie aan de K.U.Leuven
1 .l Globaal personeelsbestand
1.2 Personeelsformatie van de K.LI.Leuven
1.3 Omkaderingssituatie
2, Percorieelctieleid vcior academisch pc?rscineel
2.1 Beleidsdoelen
2.2 Bevorderingspolitiek en selectiebeleid
2.3 Evaluatie van het academisch personeel
2.4 Vorming van het academisch personeel
2.5 Samenwerkingsovereenkomsten met andere universiteiten
of instellingen
2.6 Gemiddelde leeftijd bij promoties
2.7 Personeelsverloop
2.8 Aantal personeelsleden met uitsluitend formele
onderwijstaken o f zonder formele onderwijstaken
3. Personeelsbeleid voor ATP
SOCIALE VOORZIENINGEN VOOR DE STUDENTEN
2 . Huisvesting
2.1 Kerncijfers
2.2 Evolutie op de kamermarkt
2.3 Resultaat van veiligheidswerken en groot onderhoud
i n de eigen residenties
2.4 Nieuwe initiatieven
3. Voe:t~r~yssector:i;ri~versitt:itsrcstaurarïts Alriia
3.1 Kerncijfers
3.2 Omzet
3.3 Perspectieven
4. Diensten
4.1 Sociale dienstverlening
4.2 De dienst Studie-advies
5. Psychorneriische diensten
5.1 Kerncijfers
5.2 Medisch centrum
5.3 Psychotherapeutisch centrum
SYNTHESE V A N DE JAARREKENING
1 . Middelen
OVERZICHT VAN HET ALGEMENE VERMOGENSBESTAND
1. De balans van de K.U.Leuven
2, Besluit
WETENSCHAPPELIJKE DIENSTVERLENING
RUIMTELIJKE PLANNING EN INVESTERINGSPLANNING
CENTRALE LOGISTIEKE DIENSTEN
1 . LCIDIT
1 . l URC-LUDIT 1996
1.2 Verdere uitbreiding en ondersteuning van het KOTnet-project
1.3 Verdere uitbouw van het KULeuvenNet
1.4 Verdere uitbouw van het Campus Wijde Informatie
Systeem CWIS-systeem
1.5 Uitbreiding parallelle Unix server SP2
1.6 Verdere uitbouw HELPDESK
1.7 Uitbreiding campuslicenties
EXTRA-CURRICULAIRE MOGELIJKHEDEN
1 . Cultucir
1 . 1 Cultuurbeoefening
1.2 Receptieve Cultuur
1.3 Cultuur buiten de werking van de Cultuurcommissie
2,C[.)ori
3 . Universitaire parochie
#.U.LEUVEN CAMPUS KORTRIJK
3 Dienst CtLidie-advies
3, Pc?rniiint?nteVorrriiny
3.1 Postuniversitair Centrum West-Vlaanderen - KULAK
3.2 Eekhoutcentrum. Didactisch Pedagogisch Centrum
3 . 3 EuroStudieCentrum Open universiteit
4. Bibliotheek
5, Iritorrnaticabeleid
5.1 Algemeen
5.2 De voornaamste realisaties
5.3 Beleidsopties, plannen en knelpunten.
6.Ir:.;erd~sciplir:ôir Research C e n t r ~ i t n
7 . Algemeen Beheer
O , C;tiideritenvoorzieningf?n
8.1 Sociale sector
8.2 Sociaal-cultureel leven
UNIVERSITAIRE ZIEKENHUIZEN
1 . Ctrilc~urele,organisatorische e n personeelst~angc?legenheden
2, Financiële en economische aangelegenheden
3. Langetermijn-planning en ruimtelijke aangelegenheden
Met dit jaarverslag biedt de K.U.Leuven aan haar Inrichtende Overheid, aan de
Vlaamse regering en aan de brede gemeenschap een overzicht van haar werking in
1996.
De K.U.Leuven heeft reeds een lange traditie om via een jaarverslag aan de Inrichtende Overheid rekenschap af te leggen over haar taakvervulling. Sedert een twaalftal jaren wordt dit verslag ook ruim verspreid, intern als een verantwoording van het
universiteitsbestuur aan de academische gemeenschap, extern als een rapportering
over onze opdracht aan de gemeenschap die ons financiert en ons vertrouwen geeft.
Met een besluit van 4 februari 1997 heeft de Vlaamse regering in uitvoering van het
universiteitsdecreet van 1991 de inhoud omschreven van wat de universiteiten in
hun jaarverslag moeten opnemen. Naar de algemene inhoud en het concept beantwoordde het jaarverslag van de K.U.Leuven reeds lang aan wat nu wordt voorgeschreven: een beleidsverslag dat de voornaamste aspecten van het beleid vooral
inzake de hoofdopdrachten van onderwijs en onderzoek bestrijkt, samen met de
hoofdelementen van de financiële situatie, het personeelsbeleid en de voornaamste
ondersteunende functies.
Deze wijze van globale ex post-verantwoording naar de overheid en naar de
gemeenschap toe illustreert duidelijk de contouren van de nieuwe verhouding tussen
de overheid en de universiteiten: de overheid financiert met een globale som waarover de universiteit vrij beschikt en de universiteit legt een globale verantwoording
af, om het vertrouwen te verdienen en te behouden. Vereiste is daarbij dat zij
geloofwaardig kan aantonen dat zij de kwaliteit van haar functionering nauwkeurig in
de gaten houdt.
De K.U.Leuven heeft ernstige inspanningen gedaan voor haar kwaliteitszorg. Sinds
meer dan 25 jaar functioneert de Onderzoeksraad als een stevige motor voor het
intern onderzoeksbeleid, dat steeds een rigoureuze kwaliteitsstandaard heeft.
In het verslag van de VI.1.R.-commissie over de kwaliteitszorg in het wetenschappelijke onderzoek (september 1996) wordt de K.U.Leuven ronduit geprezen voor haar
kwaliteitszorg voor het onderzoek. Het aandeel van de K.U.Leuven in het competitief verwerven van onderzoeksmiddelen toont aan dat deze kwaliteitszorg ook loont.
Voor het onderwijs draait het visitatiestelsel nu op normale snelheid; de K.U.Leuven
heeft dit aangevuld met een systeem van interne evaluatie zowel op het niveau van
opleidingen als van individuele docenten; veel zorg wordt besteed aan de remediëring van lacunes en tekorten.
Ook inzake onderwijs wenst de K.U.Leuven
kwalitatief en kwantitatief haar vooraanstaande positie in Vlaanderen t e
consolideren.
Organisatiestructuur
van de K.U.Leuven
1.
De K.U.Leuven heeft haar bestuurlijke zetel op het adres Oude Markt 13,
3000 Leuven
2.
Bestuurlijke organen op het centrale niveau
De voornaamste gegevens over de organisatiestructuur van de universiteit
worden gepubliceerd in de jaarlijkse uitgave van 'Wegwijs'.
2.1 Als rechtspersoon heeft de K.U.Leuven haar juridische grondslag in de
wet van 1 2 augustus 191 1 (laatst gewijzigd in 1969 en 1970) die de
rechtspersoonlijkheid verleent aan de K.U.Leuven, de Université Catholique de Louvain, de Vrije Universiteit Brussel en de Université Libre de
Bruxelles. De basisregeling van de interne structuur is opgenomen in het
Organiek reglement, dat wordt vastgesteld door de Inrichtende Overheid
op advies van de Raad van beheer.
Verdere interne regelingen,
inzonderheid inzake de structuur van faculteiten, departementen en
diverse andere organen worden geregeld in het Gewoon reglement, dat
wordt vastgesteld door de Raad van beheer na advies van de Academische raad.
De Inrichtende overheid is het formele toporgaan van de universiteit; zij
bestaat uit de Aartsbisschop, de Vlaamse bisschoppen en tenminste vier
lekenleden. De Raad van beheer is het orgaan dat de verantwoordelijkheid van het universitair bestuur en de middelen van de universiteit draagt
tegenover derden; behoudens de leden van het Gemeenschappelijk bureau
omvat deze raad een aantal leden aangewezen buiten de universiteit. De
Academische raad draagt de verantwoordelijkheid voor het gehele
academisch beleid. Hij is samengesteld uit de rector en de leden van het
Gemeenschappelijk
bureau,
de
decanen,
vier
studentenvertegenwoordigers en drie vertegenwoordigers van het assisterend
academisch personeel en het bijzonder academisch personeel.
Het uitvoerend bureau van zowel de Raad van beheer als van de Academische raad is het 'Gemeenschappelijk bureau' dat behalve de rector, de
algemeen beheerder en de rector van de Campus Kortrijk maximum zes
andere leden omvat.
Deze leden worden door de rector, na zijn
verkiezing, ter benoeming aan de Academische raad voorgesteld als één
beleidsequipe. De huidige functie-invulling van deze leden is:
- drie vice-rectoren die als groepsvoorzitter het beleid coördineren van
de drie groepen Humane wetenschappen, Exacte wetenschappen en
Biomedische wetenschappen.
- drie coördinatoren voor Onderzoeksbeleid, voor Onderwijsbeleid en
voor Studentenbeleid.
Het Gemeenschappelijk bureau draagt de verantwoordelijkheid voor het
dagelijks bestuur en de beleidsvoorbereiding.
2.4 De rector wordt verkozen door een ruim kiescollege van alle voltijdse
ZAP-leden en vertegenwoordigers van het deeltijds ZAP, van het AAPBAP, van de studenten en van het administratief en technisch personeel.
De rector van de Campus Kortrijk wordt door een gelijkaardig kiescollege
van KULAK verkozen.
2.5 Eigen organen van de Campus Kortrijk zijn de rector KULAK, de Interfacultaire raad die het academisch beleid in KULAK bepaalt, en het
Beheerscomité.
2.6 De Universitaire Ziekenhuizen hebben een eigen beheersstructuur die een
ruime mate van bestuurlijke verantwoordelijkheid draagt voor het gehele
ziekenhuisbedrijf:
ORGANISATIESTRUCTUUR
VAN DE K.U.LEUVEN
- het beheerscomite;
- het directiecomité;
- de afgevaardigde beheerder (vroeger genaamd 'algemeen coördinator).
Diverse centrale adviescolleges zijn opgericht voor specifieke beleidssegmenten Vooral t e vermelden zijn:
- de Onderzoeksraad en de Raad Onderzoeksbeleid;
- de Onderwijsraad en de Stuurgroep Onderwijsbeleid;
- de Ondernemingsraad;
- het Comité voor Veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaats;
- de Raad van het Academisch vormingsinstituut voor leraren;
- de Bibliotheekraad;
- de Interfacultaire raad voor ontwikkelingssamenwerking;
- het Beleidscomité Internationale Relaties;
- de Raad Universitaire permanente vorming;
- de Cultuurcommissie;
- de Raad voor studentenvoorzieningen.
3.
Bestuurlijke organen op het decentrale niveau
3.1
De universiteit is ingedeeld in drie groepen, met name Humane wetenschappen, Exacte wetenschappen en Biomedische wetenschappen. De
groepen zijn coördinatieorganen tussen de faculteiten. De Groepsraad
bestaat uit de vice-rector, tevens groepsvoorzitter en de decanen en
eventueel de andere leden van de Academische raad uit dezelfde groep.
3.2
De faculteiten (dertien in totaal) zijn tegelijk de entiteiten die het
onderwijs plannen en doen uitvoeren en die de departementen coördineren. De faculteiten hebben een decaan, verkozen in de faculteitsraad,
die is samengesteld uit alle voltijdse ZAP-leden en vertegenwoordigers
van het deeltijds ZAP, van studenten en van de AAP-BAP-geleding. Een
beperkt bureau van de faculteit staat in voor dagelijks bestuur en
beleidsvoorbereiding.
3.3
De departementen
De departementen vormen de hoofdindeling voor de onderzoekstaken
van de universiteit en zijn dus gestructureerd volgens onderzoeksdomeinen. En zijn een vijftigtal departementen. Zij worden geleid door een
departementsraad met een structuur analoog aan de faculteitsraad, en
een departementsvoorzitter.
3.4
Afdelingen
De departementen zijn op zeer diverse wijze verder onderverdeeld in
afdelingen, centra, instituten of onderzoeksgroepen.
4.
Diverse interfacultaire en dienstverleningsorganen
4.1
Buiten deze gestroomlijnde structuur zijn er nog diverse interfacultaire of
gelijkaardige structuren van diverse aard:
- Academisch vormingsinstituut voor leraren;
- Hoger Instituut voor de Arbeid (HIVA);
- Katholiek Documentatie- en Onderzoekscentrum (KADOC);
- Leuvense Universiteit Caritas Samenwerkingsverband (LUCAS);
- Overlegcentrum voor Christelijke Ethiek;
- Instituut voor Levende Talen (ILT).
4.2
Tenslotte dient melding gemaakt van een belangrijke dienst voor onderzoeksvalorisatie: Leuven Research and Development. Deze entiteit staat
in voor een actieve transfertpolitiek van onderzoeksresultaten naar de
industrie, handel en andere sectoren. Deze heeft de status van een
exploitatie waarvan de inkomsten en uitgaven afzonderlijk worden
geboekt.
Onderwijs
In dit onderwijsverslag wordt gerapporteerd over het academiejaar 19951996, waarvoor de factuele gegevens (studentenaantallen enz.) worden gegeven. Op zekere punten, o.m. waar het de beleidsproblematiek betreft worden
ook ontwikkelingen voor geheel 1996 meegegeven.
1.l Algemene beleidsdoelen
De essentiële beleidslijnen van de K.U.Leuven inzake haar onderwijsopdracht
zijn in de opdrachtsverklaring als volgt weergegeven:
'Vaor haar kennlsaverdracht geeft (de K.U,Leuven) interdisciplinair wegenschappelijk onderwijs van hoge kwafiteit. k r programma's integreren de
professionele opleiding in een brede ethische, culture"le en socI$EI4 voming.
Eerder dan feitenkennis, bevordert zij de vaardigheid o m problemen t e onderkennen, t e formuleren en op t e bossen. Zij schept de noodzakelijke voorwaarden voor een stimulerende onderwijs- en vormingservaring. Bijzondere
aandacht gaat naar de blijvende evaluatie van haar onderwijs met het oog op
een verhoogde zelfwerkzaamheld van de studenten, een intensie'we persoonlijke begeleiding, een adequaat beoortSelingssysteem, de didactische
kwaliteiten van de docenten en de aanwending van nieuwe onderwijsvormen
en -technologieën. Door haar eerste- en tweedecyclusonderwijs draagt de
K.U.Leuven bij tot een zo breed mogelijke participatie van de Vlaamse jongeren aan kwalitatief hoogstaand universitair onderwijs, in een omgeving die
intellectueel stimulerend, sociaal ondersteunend en studentvriendelijk is;
tevens richt zij zich op nieuwe doelgroepen. Voorts gaat haar bijzondere
aandacht naar de vorming van jonge onderzoekers, vooral door middel van
het doctoraat, en biedt zij in een aantal kennisdameinen derdecyclusprogramma's aan, gericht op verbreding en verdieping van kennis.'
Deze hooggestemde principiële verklaring, samen met het feit dat de
K.U.Leuven de facto bijna de helft van de universitaire diploma's in Vlaanderen
aflevert, stelt haar voor een voortdurende en indringende uitdaging. Het is
evident dat het besef van deze uitdaging de jongste jaren is toegenomen,
mede door een groeiende concurrentieverhouding tussen de universiteiten
enerzijds en tussen de universiteiten en hogescholen anderzijds.
De K.U.Leuven heeft voor deze uitdaging bewust gekozen voor een verhoogde
responsabilisering van de faculteiten, die de beslissingscentra zijn inzake
programmering en uitvoering van het onderwijs.
Het centrale beleid kan op velerlei vlakken wel algemene impulsen geven, ten
dele randvoorwaarden bepalen, ondersteuning en service verlenen, maar de
essentie inzake programmering, implementatie, evaluatie en remediëring
gebeurt in de faculteiten. Ook wanneer men zich daarvan bewust is kan een
overzicht als wat gegeven wordt in dit onderwijsverslag het verkeerde beeld
scheppen van het onderwijsgebeuren. Het essentiële gebeurt op de werkvloer, in de collegezalen, practica, labo's, in de individuele begeleiding van de
verhandelingen en bij de examens.
In het centrale beleid hebben vooral de volgende actielijnen centraal gestaan:
het stimuleren van de permanente onderwijscommissies als de echte dragers en initiatiefnemers van de curriculumbepaling en de evaluatie van het
onderwijsgebeuren;
- het verder op brede schaal op gang brengen van geregelde evaluatie door
de interne onderwijsevaluaties;
- het preciseren en aanpassen van het examenreglement;
- het meer centraal stellen van de onderwijstaak in de taakbepaling van de
docenten en in de beoordeling van benoemingen en promoties;
- het stimuleren van de inspanningen voor permanente vorming;
- het voorzien van onderwijskundige ondersteuning voor onderwijsinnovatie
-
1.
Globale
beleidslijnen
inzake
onde ijs
mede met gebruik van nieuwe media.
1.2 Realisatie van beleidsdoelen
Verder in dit onderwijsverslag kan men de realisatie van de diverse actielijnen
voor het algemeen onderwijsbeleid afleiden. Men kan merken dat op vele punten substantiële vooruitgang wordt geboekt; ook al kan - dit is zeer belangrijk het succes van deze 'voluntaristische' centrale acties uiteindelijk niet
afgemeten worden aan de directe intermediaire resultaten, maar wel aan wat
men kan noemen de kwaliteit van het 'eindproduct', de gediplomeerde die met
zijnlhaar vorming en de hopelijk verworven leerattitudes het leven tegemoet
stapt.
Wat dat betreft zijn de indicaties die wij krijgen van externe referentiepunten,
de visitaties, de afnemers-werkgevers, enquêtes enz., globaal genomen gunstig tot zeer gunstig. Een K.U.Leuven-diploma wordt binnenlands en buitenlands stevig gewaardeerd, door een diversiteit aan gebruikers. Andere signalen, intern of extern, worden door ons ernstig genomen en direct doorgegeven.
1.3 Beleidsdoelen voor de komende jaren
Ongetwijfeld zal de K.U.Leuven in de komende jaren de grote actielijnen aanhouden die in de jongste paar jaren werden geaccentueerd.
Het is in ieder geval de bedoeling deze acties te integreren in 66n centraal
beleidsplan voor onderwijs, waarmee de K.U.Leuven verder aan de spits van
de onderwijszorg wil staan en haar belangrijk aandeel in de universitaire
opleiding in Vlaanderen wenst te consolideren.
Ook zal de uittekening van het internationaliseringcbeleid voor het onderwijs
bijzondere aandacht krijgen mede om ook inzake onderwijs de internationale
positie van Leuven te verstevigen.
2.
Kwaliteitszorg
het
onderwijs.
Inctrumenten
en hefbomen
"Oor
De K.U.Leuven hecht een groot belang aan de interne en externe onderwijsevaluatie als hefbomen voor de kwaliteitszorg. De nauwkeurige opvolging van
de remediëring voor de hier en daar vastgestelde tekorten moet onze universiteitscultuur worden. Vele individuele leden van het academisch personeel en
andere onderwijsbetrokken groepen optimaliseren op vrijwillige basis, al dan
niet ondersteund door de Dienst Universitair Onderwijs, het eigen onderwijs.
Dit gebeurt ook meer en meer na een voorafgaande evaluatie van dat onderwijs.
2.1 Omschrijving van het stelsel van interne onderwijskwaliteitszorg
2.1 . l Facultaire curriculumbewaking
De faculteiten worden in toenemende mate geresponsabiliseerd voor een eigen
beleid inzake onderwijsmanagement en -programmatie. De zorg voor de kwaliteit van het onderwijsproces is daarvan een belangrijk onderdeel.
De permanente onderwijscommissies, waarin naast het zelfstandig en assisterend academisch personeel ook studenten vertegenwoordigd zijn, doen op
het niveau van de opleidingen voorstellen over programmawijzigingen aan de
respectieve faculteitsraden.
Bovendien vormen ze op continue basis een
forum voor kwaliteitszorg bij het evalueren van de onderwijsinhoud, de didactische methoden en de evaluatiesystemen. Het verstrekken van onderwijs is
immers een groepsgebeuren, gebaseerd op een wisselwerking tussen alle
betrokken docenten en studenten. De permanente onderwijscommissies vervullen een vitale rol in dit proces. Voor de voorzitters van die permanente
onderwijscommissies betekent dit dat zij het gesprek effectief en tactisch
moeten stimuleren.
Met het oog op de verdere activering van de werking van de permanente
onderwijscommissies werden reeds t w e e maal alle voorzitters van de permanente onderwijscommissies uitgenodigd door de rector en de coördinator
onderwijsbeleid voor een universitair overleg over de werking van de permanente onderwijscommissies. Op een eerste vergadering werden de volgende
themata behandeld: de centrale rol van de permanente onderwijscommissies
voor de kwaliteitszorg inzake onderwijs, de algemene werking van de permanente onderwijscommissies en de coherentie en versterking van het onderwijscurriculum via een grondig onderzoek van de syllabi. Op een volgende
vergadering werd er speciale aandacht geschonken aan het thema van examen- en deliberatiecriteria. De Academische raad keurde op voorstel van de
Onderwijsraad een aanvullend reglement inzake de werking van de permanente
onderwijscommissies goed.
De synthese van de aansluitende groepgesprekken werd aan de Onderwijsraad bezorgd met de vraag o m een advies
inzake richtlijnen over deliberatiecriteria en de informatie ervan naar de docenten en studenten.
2.1.2 Interne onderwijsevaluatie en opvolging
Na een experimenteel jaar (1993-94) werd aan de K.U.Leuven vanaf 1994-95
gestart met een systematische onderwijsevaluatie. De inbreng van de studenten in de onderwijskwaliteitszorg is essentieel en daarom is ze verankerd in
de ganse procedure.
De interne onderwijsevaluatie, gesitueerd in het kader van interne en externe
onderwijskwaliteitszorg, is gebaseerd op de volgende zeven principes:
de verantwoordelijkheid voor onderwijskwaliteitszorg ligt bij de faculteiten;
onderwijskwaliteitszorg is gebaseerd op een vooraf geëxpliciteerde onderwijsvisie;
interne en externe onderwijskwaliteitszorg worden in een geïntegreerd systeem op elkaar afgestemd;
om de vier A vijf jaar wordt voor iedere opleiding een gerichte inspanning
geleverd inzake interne onderwijsevaluatie;
de onderwijsevaluatie gebeurt per opleiding;
in de onderwijsevaluatie ligt de klemtoon op kwaliteitsbevordering;
er wordt aandacht besteed aan het programma als geheel en aan de afzonderlijke opleidingsonderdelen.
Vooral aan de opvolging van het evaluatieproces werd aandacht besteed.
Binnen elk van de geëvalueerde opleidingen wordt een onderwijsevaluatiecommissie samengesteld waarin leden van het zelfstandig en assisterend
personeel en studenten zijn vertegenwoordigd.
De Dienst Universitair
Onderwijs staat in voor de onderwijskundige begeleiding en de praktische
ondersteuning van de verschillende evaluatiecommissies.
In het academiejaar 1995-96 werden de werkzaamheden voor de in voorgaand
academiejaar gestarte evaluaties verder gezet.
Zoals gevraagd in de richtlijnen in de Handleiding voor de evaluatiecommissie
werd in de meeste evaluatiecommissies aandacht besteed aan het curriculum
als geheel en aan de verschillende programma-onderdelen. Een bevraging,
veelal aan de hand van vragenlijsten met vragen met zowel gesloten als open
antwoordmogelijkheden, werd georganiseerd bij de verschillende geledingen
betrokken bij de opleiding (ZAP-leden, AAP-leden, studenten) en bij afgestudeerden. In het kader van de operatie werd tevens in een aantal studiejaren
een studietijdmeting uitgevoerd.
De specifieke handleiding, aanvankelijk
opgesteld door de Werkgroep Kwaliteitszorg voor de interne onderwijsevaluatie werd inmiddels beter georiënteerd op en geïntegreerd met de externe
onderwijsevaluatie (onderwijsvisitaties).
De belangrijkste bedoeling van de operatie is het verbeteren van de kwaliteit
van de opleiding en van de verschillende opleidingsonderdelen. Een belangrijk
instrument in dit verband zijn de opvolgingsplannen. De onderwijsevaluatie-
commissies zijn niet alleen verantwoordelijk voor het uitvoeren van de evaluatie zelf, maar tevens voor de opvolging van de remediëring. Bij vaststelling
van deficiënties wordt overleg gepleegd tussen de evaluatiecommissie en de
permanente onderwijscommissie (niveau van de opleiding) of de individuele
docenten (niveau van de afzonderlijke opleidingsonderdelen) met het oog op
het bepalen van acties ter remediëring van de vastgestelde tekorten. Die
acties worden vastgelegd in globale of individuele opvolgingsplannen.
Met het oog op het voortdurend bijstellen van de procedure maken de verschillende evaluatiecommissies eveneens een procesverslag. Op basis van
deze procesverslagen werd onder meer besloten de operatie vroeger van start
te laten gaan zodat er meer reflectietijd wordt gecreëerd. Om de afstemming
met de externe onderwijsevaluatie en de redactie van het zelfstudierapport te
optimaliseren, werd ook beslist de interne onderwijsevaluatie uit te voeren in
het academiejaar dat aan de onderwijsvisitatie voorafgaat.
In 1995-96 werd een interne onderwijsevaluatie uitgevoerd in de volgende
opleidingen: Wijsbegeerte, Notariaat, Kerkelijk recht, Biologie, Economische
wetenschappen, Oosterse studies, Godgeleerdheid, Materiaalkunde, Informatica, Computerwetenschappen, Sociologie. Tijdens het academiejaar 1996-97
nemen de volgende opleidingen aan de interne onderwijsevaluatie deel:
Germaanse talen, Communicatiewetenschappen, Natuurkunde, Logopedie en
Audiologie, Voedings- en dieetleer, Familiale en seksuologische wetenschappen, Elektrotechniek, Toegepaste biologische wetenschappen. Een verdere
planning voor de interne onderwijsevaluaties is reeds vastgelegd tot 19981999.
2.2 Onderwijsvisitaties
De K.U.Leuven neemt ook deel aan de onderwijsvisitaties zoals die gepland
worden door de Vlaamse Interuniversitaire Raad (VI.I.R.), sommige in samenwerking met de Vereniging van Samenwerkende Nederlandse Universiteiten
(VSNU). De voorbije jaren hebben ons geleerd dat deze onderwijsvisitaties
nuttige en deskundige adviezen opleveren, maar ook de weg wijzen naar een
kritischer bewustzijn van eigen kwaliteiten en gebreken. Ze geven ook soms
aanwijzingen waar er aan de werkvoorwaarden moet worden gesleuteld om
een optimaal onderwijs te kunnen aanbieden.
Ter voorbereiding van een onderwijsvisitatie redigeert een werkgroep onder
leiding van een facultair coördinator een 'zelfstudie' over de betrokken academische opleidingen. De K.U.Leuven organiseert voor deze facultaire coördinatoren een informatievergadering om de voornaamste aandachtspunten te
bespreken voor de interne voorbereiding en tevens de interne contactpersonen
aan te wijzen die gegevens en hulp kunnen leveren voor de zelfstudie.
Onderwijsvisitaties vonden in 1995 plaats voor Lichamelijke opvoeding, Werktuigbouwkunde, Wiskunde, Archeologie en kunstwetenschappen. In 1996
waren Motorische revalidatie en kinesitherapie, Wijsbegeerte, Rechten, Notariaat, Kerkelijk recht, Biologie aan de beurt. In 1997 zijn onderwijsvisitaties
gepland voor Geneeskunde, Economische wetenschappen, Godgeleerdheid en
Godsdienstwetenschappen en Oosterse studies.
2.3 Opvolging van de remediering na de onderwijsvisitaties
De K.U.Leuven heeft duidelijke regels bepaald voor de nauwgezette opvolging
van de visitaties. Uiterlijk één jaar na de publicatie van het visitatierapport
moet een opvolgingsverslag worden voorgelegd aan de Academische raad.
Speciale aandacht gaat naar de concrete remediëringsvoorstellen voor de
tekorten die expliciet werden aangeduid in het onderwijsvisitatierapport enlof
in de sterkte-zwakte-analyse van de opgestelde 'zelfstudie'. De opvolgingsverslagen worden echter vooraf grondig besproken door de coördinator
onderwijsbeleid, de betrokken vice-rector en de institutioneel coördinator voor
de visitaties met de betrokken decaan, de facultair coördinator en de
opleidingsverantwoordelijken.
Zo werden in 1995-19 9 6 de opvolgingsverslagen behandeld voor Farmaceutische wetenschappen, Tandheelkunde, Scheikunde, Musicologie en Psychologie. Daaruit blijkt dat de onderwijsvisitaties aanleiding gaven t o t programmawijzigingen via een verschuiving van (gedeelten van) opleidingconderdelen,
het wegwerken van overlappingen en het verhogen van de samenhang tussen
de vakken of het realiseren van een meer geïntegreerde (patiënten)-benadering. Waar mogelijk werd het toegeleverd onderwijs gereduceerd of meer toegesneden geprofileerd naar de specifieke opleiding onder meer via het geven
van meer toepassingen. Dit moet resulteren in een betere bewaking van de
maximum studietijd en in een meer evenwichtige verdeling van de studietijd
over de verschillende studiejaren enlof opties. Waar nodig werden practica
opgewaardeerd i n de eindbeoordeling. De informatie naar de studenten over
de examens en over de opties in de tweede cyclus werd verbeterd. Omtrent
de stages werd de voorbereiding en introductie van de studenten meer verzorgd, werd de begeleiding versterkt en werden ook mogelijkheden in het buitenland voorzien. Inzake de verhandeling werden in enkele gevallen de eisen
beter geëxpliciteerd en werd de begeleiding en de tussentijdse terugkoppeling
versterkt, w a t ook bevorderlijk was voor een tijdige afwerking. Waar nodig
werd het verticaal en horizontaal overleg tussen de stafleden en met de studenten nog verbeterd.
Een aantal aanbevelingen van de onderwijsvisitatiecommiccies werden evenwel niet ingevolgd omdat de faculteit specifieke andere opvattingen heeft over
het referentiekader van de opleiding of omdat er daarover in de permanente
onderwijscommissie en in de faculteit nog geen consensus was gegroeid over
de t e nemen opties.
Tijdens het academiejaar 1996-97 komen de opvolgingsverslagen van
Geschiedenis, Toegepaste economische wetenschappen-Handelsingenieur,
Toegepaste economische wetenschappen KULAK (K.U.Leuven i.s.m. UFSIA),
Lichamelijke opvoeding en Werktuigbouwkunde aan bod.
Er kan duidelijk vastgesteld worden dat de verschillende initiatieven voor evaluatie geleid hebben t o t een verhoogde aandacht voor de onderwijsopdracht,
inclusief examineren, cursusontwikkeling en onderzoek naar innoverende
onderwijsmiddelen.
2.4 Centrale Advies- en begeleidingsinstanties
2.4.1 Coördinator onderwijsbeleid - Stuurgroep onderwijsbeleid
In het Gemeenschappelijk bureau werd vanaf 1995-19 9 6 een coördinator
Onderwijsbeleid aangesteld die binnen het Gemeenschappelijk bureau de
centrale coördinatie op zich neemt van diverse onderwijsinitiatieven over de
universiteit heen. Hij zit tevens de nieuw opgerichte Stuurgroep onderwijsbeleid voor die de drie vice-rectoren, de coördinator studentenbeleid, de voorzitter van de Onderwijsraad en de verantwoordelijken van de dienstverlenende
groepen (DUO en LINOV) omvat. De opzet hiervan is een kleine beleidsvoorbereidende groep te vormen die direct de Gebu-beslissingen en voorstellen
voorbereidt. In de stuurgroep is een Cel voor onderzoek en ontwikkeling ingesteld die onderwijsgerichte onderzoeks-, ontwikkelings- en implementatieprojecten opvolgt en coördineert.
2.4.2 Onderwijsraad
Tijdens het academiejaar 1995-96 behartigde de Onderwijsraad enkele reeds
eerder genomen initiatieven: zelfstudieprojecten, optimaliseringsproject praktijkoefeningen, projecten didactisch computergebruik, onderwijskundige vor-
ming voor academici, Advies werd uitgebracht over wijzigingen aan het examenreglement. De Onderwijsraad heeft ook een oriënterende nota uitgewerkt
over de problematiek van de toegang t o t het universitair onderwijs. Daarnaast
werden werkgroepen opgestart inzake de examenvormen en de opvolging van
individuele docenten in het kader van de interne onderwijsevaluatie.
Onderwijskundige vorming voor academisch personeel
Na reflectie adviseerde de Onderwijsraad de Academische raad o m de
onderwijskundige vorming voor het academisch personeel grondig t e verbeteren; dit betreft de vorming van docenten, voor beginnende assistenten en een
project voor een mentoringsysteem voor beginnende docenten.
De vorming voor docenten is gespreid over twee jaar. In het eerste jaar volgen de docenten tijdens een residentieel seminarie van twee dagen vier basismodules: ( 1 ) leren, (2) lesgeven, (3) ondersteuningsmateriaal en (4) evaluatie.
In het tweede jaar worden een reeks bovenbouwmodules ingericht rond specifieke onderwijskundige thema's. Elke beginnende docent die zich inschrijft
voor deze vorming volgt alle basismodules en ten minste t w e e bovenbouwmodules. De bovenbouwmodules zijn tevens gericht op meer ervaren docenten.
De vorming voor assistenten wordt georganiseerd als een tweedaagse waarin
vier modules aan bod komen: (1) leren, (2) didactiek van de practicumsituatie,
(3) studentenproblemen en probleemstudenten en (4) evalueren. Omwille van
de grote belangstelling werd de vorming voor docenten en assistenten vanaf
1995-96 voor telkens t w e e groepen georganiseerd. Toch blijft de vraag nog
altijd groter dan het aanbod.
Onderwijsdossier
Het onderwijsdossier wordt door ieder ZAP-lid aangelegd. Hierin vermeldt elke
betrokkene die elementen waaruit kan blijken hoe hij zijn onderwijsopdracht
vervult (opdracht, vervolmakingsinitiatieven, evaluaties enz.).
Verwacht kan worden dat het onderwijsdossier steeds meer een essentieel
document wordt bij elke aanstelling, benoeming, bevordering enlof bevestiging
van opdrachten voor het academisch personeel.
Didactisch computergebruik
Drie vroeger opgestarte pilootprojecten inzake didactisch computergebruik zijn
thans afgerond. Om de resultaten en de Leuvense expertise terzake t e bundelen, werd een consolidatieproject opgestart. Binnen dit project wordt een
informatiepakket ontwikkeld over het gebruiken, ontwikkelen en evalueren van
didactische programmatuur. Het pakket wordt onder de naam 'DiglT' via het
KULeuvenNet voor docenten ter beschikking gesteld.
Begeleide zelfstudie
Zes vroeger gestarte projecten voor begeleide zelfstudie verkeren in een eindstadium. Aangezien het o m een centraal concept gaat in het onderwijsbeleid
van de komende decennia achtte de Onderwijsraad het wenselijk o m de lokaal
opgedane ervaringen verder t e consolideren. Daartoe werd de Werkgroep
Begeleide zelfstudie opgericht. Er wordt verwacht dat ze de plaats van begeleide zelfstudie binnen de doelstellingen eigen aan universitair onderwijs
expliciteert.
Praktijkoefeningen
Op voorstel van de Onderwijsraad werd door de Academische raad een optimalisatieproject goedgekeurd. Dit project beoogt een goed uitgewerkt kader
t e creëren voor het evalueren en ontwikkelen van praktijkoefeningen. Thans
wordt het noodzakelijke instrumentarium ontwikkeld.
.
2.4.3 Dienst Universitair Onderwijs
De Dienst Universitair Onderwijs (DUO) ondersteunt de onderwijskwaliteitszorg
aan de K.U.Leuven. Ze verzorgt in dit verband rechtstreekse onderwijskundige
en logistieke ondersteuning aan commissies en individuele betrokkenen.
Daarnaast staat de dienst in voor beleidsvoorbereidend onderzoek terzake.
2 . 4 . 3 . 1 Interne onderwijsk waliteitszorg
Tot de interne onderwijskwaliteit aan de K.U.Leuven wordt vanuit de Dienst
Universitair Onderwijs bijgedragen door initiatieven van de Onderwijsraad te
ondersteunen en te inspireren en deel te nemen aan werkgroepen inzake
welbepaalde onderwijsaspecten. De Dienst Universitair Onderwijs staat tevens
in voor het secretariaat van de Onderwijsraad.
DUO ondersteunt de gehele operatie interne onderwijsevaluatie en vormt de
logistieke ruggengraat ervan. De evaluatie leidt ook tot remediëring en hulp bij
verdere curriculumontwikkeling.
2 . 4 . 3 . 2 Onderwijskundige en logistieke dienstverlening
Op verzoek van faculteitsverantwoordelijken of permanente onderwijscommissies verleent de Dienst Universitair Onderwijs logistieke en onderwijskundige ondersteuning bij onderzoek van onderwijsproblemen, evaluatie van
studieprogramma's of studietijdmetingen.
Op verzoek van voorzitters van permanente onderwijscommissies of opleidingsverantwoordelijken werd een programma-evaluatie verricht van de specialisatie-opleiding Master of Laws (LL.M.) van de Faculteit Rechtsgeleerdheid,
de specialisatie-opleiding Master of Arts in European Studies van de Faculteit
Letteren, en de specialisatie-opleiding Master in Polymer and Composites
Engineering van de Faculteit Toegepaste wetenschappen.
Op de Dienst Universitair Onderwijs werd een beroep gedaan voor het gebruik
van de beschikbare onderwijsevaluatie-instrumenten ten behoeve van individuele docenten: uitvoerige evaluatie van doceergedrag, van klinische colleges
tijdens de opleiding van studenten Geneeskunde. Een instrument voor het
screenen van de kwaliteit van schriftelijk studiemateriaal werd verder ontwikkeld. Thans wordt nagegaan in welke mate een eenvormig instrument kan
worden gehanteerd dan wel of er een apart instrument moet gebruikt worden
voor specifieke vormen van schriftelijk studiemateriaal.
De Dienst Universitair Onderwijs organiseert ook de onderwijskundige vorming
voor docenten en assistenten (zie 2.4.2).
Docenten hebben gebruik kunnen maken van de faciliteiten die de Dienst Universitair Onderwijs biedt voor de verwerking en kwaliteitscontrole van meerkeuzetoetsen. Er wordt onderzocht hoe deze dienstverlening kan worden
vervangen door een specifiek computerprogramma en een intensieve en recurrente professionalisering van de betrokken docenten.
2 . 4 . 3 . 3 Mede werking aan onderzoeksprojecten
Om ook op langere termijn een kwaliteitsvolle dienstverlening mogelijk te maken, participeren medewerkers aan onderzoeksprojecten. Centraal staat hierbij
de begeleiding van het project van onderwijskundig beleids- en praktijkgericht
wetenschappelijk onderzoek (OBPWO) over effecten van onderwijskwaliteitszorg, gefinancierd door kredieten van de Minister van onderwijs. In dit project
wordt nagegaan wat de kenmerken en effecten zijn van verschillende soorten
kwaliteitszorg.
De Dienst Universitair Onderwijs begeleidt het optimaliseringsproject prak-
tijkoefeningen en het consolidatieproject didactisch computergebruik. Medewerking wordt verleend aan het EOUN-project (European Open Universities
Network) over het gebruik van telematica, i.s.m. het Leuvens Instituut voor
Nieuwe Onderwijsvormen (LINOV), en aan een onderzoek naar het belang van
mediërende variabelen in instructiesettings. Tevens wordt met I-INOV meegewerkt aan het ERT-project (European Round Table for Industrialists) inzake
de onderwijskundige implicaties van telematica en multimedia.
2.4.4 Leuvens Instituut voor Nieuwe Onderwijsvormen (LINOV)
Het Leuvens Instituut voor Nieuwe Onderwijsvormen (LINOV) werd door de
Academische overheid opgericht in 1 9 9 4 met als doel de uitbouw van nieuwe
onderwijsvormen voor verschillende onderwijsdoelgroepen via het gebruik van
telematica en multimedia.
Om deze doelstelling te bereiken werd geopteerd voor een fusieoperatie van
de volgende diensten die elk reeds met een deel van deze opdracht bezig waren: de Audiovisuele Dienst, de Eurostudiecentra Open Universiteit te Leuven
en te Kortrijk, de Dienst Universitaire Permanente Vorming K.U.Leuven en de
Dienst KULAK-Universitaire Permanente Vorming, die samen met de later
opgerichte cel EuroPACE de verschillende units vormen van LINOV.
Tijdens het academiejaar 1995-96 werd in LINOV centraal gewerkt aan de
integratie van de diensten en de uitwerking van de nota Opdracht, objectieven
en functies van LINOV en aan de verdere uitbouw van eigen LINOV-activiteiten. Als doelstellingen stelt LINOV:
de studenten van de K.U.Leuven leren te leren in het kader van een levenslang leerproces;
aanbieden van vorming en kennisoverdracht op vraag voor externe doelgroepen;
aanbieden van open onderwijs en afstandsonderwijs voor externe doelgroepen;
ontwikkelen van pedagogisch verantwoorde toepassingsmodellen van telematica en multimedia vanaf de eerste cyclus t o t de doctoraatsopleidingen
en de universitaire permanente vorming;
uitbouwen te Leuven van een knooppunt van een Europese en wereldwijde
virtuele universiteit.
In het kader van LINOV werd in 1995-96 verder gewerkt aan het studieproject
voor de federale diensten van wetenschapsbeleid over het gebruik van
telematica in het onderwijs. Dit project loopt in samenwerking met de Universiteit Gent en de VUB in het kader van het Impulsprogramma Telecommunicatie van de Vlaamse Regering t o t einde maart 1997.
Aansluitend bij deze studieopdracht en op vraag van de European Round Table
of Industrialists (ERT) coördineerde LINOV in samenwerking met het Centrum
voor instructiepsychologie en -technologie het studieproject Multimedia in
Education. De opdracht was een document uit te werken waarin de school,
de universiteit en het levenslang leren naar de toekomst toe worden voorgesteld. Met het Centrum voor Instructie-psychologie en -technologie, met
EuroPACE en met een uitgebreide wetenschappelijke raad van experten stelde
LINOV een rapport op dat in 1997 zal worden gepubliceerd.
Van de academische overheid van de K.U.Leuven kreeg LINOV de verantwoordelijkheid voor de uitbouw van de stand van de K.U.Leuven op FT1
Technoland in de wereld van de Telecommunicatie (1 5-21 april 1996). Op
deze stand werd in een reële situatie de virtuele universiteit getoond. De
bezoekers in Gent konden zelf experimenteren met de aanwezige software (tot
en met video op aanvraag) en rechtstreeks in of buiten beeld via microfoon,
camera en PC communiceren met de lesgever in Leuven.
Op voorstel van rector A. Oosterlinck werd de denkgroep Levenslang leren
opgestart, waaraan naast LINOV alle onderwijsgebonden instanties van de
K.U.Leuven meewerken.
Bij het IWT werd in 1 9 9 6 het Medialab-project Multimediale opleidingen: een
leven lang leren met breedbandtechnieken en multimedia toegewezen aan het
Leuvens Instituut voor Nieuwe Onderwijsvormen. In dit studieproject met een
looptijd van drie jaar, wordt samengewerkt met onderzoeksafdelingen binnen
de K.U.Leuven, nl. met het Centrum voor Instructie-psychologie en -technologie en met het Centrum voor Telecommunicatieonderzoek. Ook EuroPACE en
de VDAB zijn bij dit project betrokken.
Binnen de K.U.Leuven fungeert LINOV steeds meer als een ondersteunende
dienst voor het uitwerken van nieuwe onderwijsvormen. Zo wordt o.a. met de
Faculteit Geneeskunde een project voor afstandsonderwijs uitgewerkt voor
bijscholing van geneesheren-specialisten in geaffilieerde ziekenhuizen, met de
Faculteit Wetenschappen een computerondersteunend zelftestsysteem voor
studenten l e kandidatuur, met het Centrum voor Ziekenhuiswetenschappen
een cursus asynchroon leren voor werkende studenten Verplegingswetenschappen.
2.4.4.7 Audiovisuele Dienst
Door de integratie van de Audiovisuele Dienst (AVD) in het kader van LINOV
werden de in de loop der jaren verworven expertise en ervaring beter gevaloriseerd ter ondersteuning van nieuwe functies en methodes binnen de
K.U.Leuven. Zo werd ten behoeve van multimedia-ondersteund afstandsonderwijs logistieke ondersteuning geboden voor het uitvoeren van interactieve
satellietuitzendingen en ISDN-videoconferenties, onder andere ook met de
K.U.Leuven Campus Kortrijk.
Als coördinator van het SAVIE-project (Support Action t o facilitate the use of
Videoconferencing i n Education) en als partner in het BIC-consortium
(Blueprint for an Interactive Classroom) kreeg de Audiovisuele Dienst twee
projecten toegewezen voor het Telematics Application Programme: Education
and Training van de Europese Commissie (DG XIII).
Als productiehuis realiseerde de Audiovisuele dienst in 1 9 9 5 1 4 2 audiovisuele
(vooral video)-programma's ten behoeve van het onderwijs, het onderzoek, de
studievoorlichting en voor de sociaal-culturele uitstraling van de K.U.Leuven.
Hij fungeert bovendien als productiehuis voor EuroPACE. Voor interne producties en dienstverlening worden slechts de marginale kosten (gemiddeld lI3
van de totale kostprijs) doorberekend aan de gebruikers.
Externe dienstverlening loopt via de divisie ATOR (Audiovisuele Toepassingen
Door de externe
voor Onderwijs en Research) van K.U.Leuven R&D.
opdrachtgevers wordt de volledige kostprijs betaald. De inkomsten hiervan
worden geïnvesteerd in de Audiovisuele Dienst, w a t ten goede komt aan de
dienstverlening in de K.U.Leuven.
Verscheidene programma's kregen een internationale onderscheiding (onder
andere door de Verenigde Naties) en werden op televisiestations in binnen- en
buitenland vertoond.
Daarnaast werd de technisch-logistieke en mediakundige dienstverlening en
advisering verder gezet. In september 1 9 9 6 werd de nieuwe studio in gebruik
genomen in het gebouw van het Innovatie- en Incubatiecentrum (I&I) t e
Heverlee.
2.4.4.2 Universitaire Permanente Vorming K. U.Leuven en KULAK: postacademische vorming
Door de Dienst Universitaire Permanente Vorming (UPV) K.U.Leuven werd
tijdens het academiejaar 1995-96 gestart met de uitvoering van de beleidsprioriteiten van het eindrapport van de denkgroep Universitaire Permanente
Vorming zoals die werden goedgekeurd door het Gemeenschappelijk bureau en
de Academische raad. De Dienst Universitaire Permanente Vorming orga-
niseert onderzoeksondersteunde, vraaggerichte en interdisciplinaire postacademische vorming voor alumni van de K.LI.Leuven.
Een nieuwe Raad Universitaire Permanente Vorming werd samengesteld. Er
werden tevens stuurgroepen gevormd voor zes onderscheiden sectoren:
onderwijs, ondernemingen, overheid, gezondheid en welzijn, sociaal-cultureel
werk, vrije beroepen. Twee consulenten werden aangeworven: één voor de
sector onderwijs en één voor de sector ondernemingen. Een brochure die de
nieuwe werkwijze van Universitaire Permanente Vorming voorstelt, werd
intern en extern verspreid.
De stuurgroepen hebben in 1995-96 elk ten minste éénmaal vergaderd. De
dialoog tussen de vertegenwoordigers van de sector en de professoren van de
K.U.Leuven is verrijkend. Op basis van deze dialoog werden nieuwe programma's uitgewerkt. Er wordt voorzien dat voor elke sector met een nieuw
programma zal worden gestart tijdens het eerste semester van het academiejaar 1996-97.
Het gebruik van nieuwe technologieën wordt uitgeprobeerd. Dat gebeurt o m
voldoende ervaring t e verwerven en voorbereid t e zijn o m binnen enkele jaren
een volwaardig aanbod van afstandsonderwijs te kunnen aanbieden. Zo werd
op 3 mei 1 9 9 6 een seminarie over Vastgoedkunde in de KULAK (Kortrijk)
vanuit Leuven door een tiental deelnemers via videoconferentie gevolgd.
Tijdens de maand juli 1 9 9 6 werd de mogelijkheid geboden via videoconferentie
vanuit Leuven deel te nemen aan een aantal cursussen van de Barcelona
Summer School.
2.4.4.3 EuroPACE
In december 1 9 9 3 werd te Leuven het internationaal consortium
EuroPACE 2 0 0 0 opgericht'. EuroPACE is een transeuropees consortium van 4 0
universiteiten en 1 5 andere organisaties (bedrijven, telecom-operatoren, opleidingsorganisaties) met als doelstelling de ontwikkeling en ondersteuning van
telematica-ondersteunde onderwijs- en vormingsactiviteiten, leermaterialen en
leerondersteuningsdiensten in een Europees verband. Zeer typische voorbeelden hiervan zijn de Europese doctoraatsprogramma's en de Europese professionele postgraduaatprogramma's. In het kader van EuroPACE werden reeds
meerdere cursussen ontwikkeld en geproduceerd. EuroPACE heeft zijn operaties en administratie toevertrouwd aan de K.U.Leuven via een cel binnen
LINOV, de cel LINOV-PACE. EuroPACE ontvangt een substantiële steun van
de Vlaamse regering en verwierf belangrijke opdrachten voor studieprojecten
van de Europese Commissie in verband met trans-Europese telecommunicatienetwerken voor onderwijs en permanente vorming.
2.4.5 Nieuwe projecten voor onderwijsverbetering en innovatie
Naast de reeds vermelde projecten en initiatieven dient melding gemaakt van
de deelname van de K.U.Leuven aan het Consortium voor onderwijsinnovatie
dat op initiatief van de Nederlandse Open Universiteit werd opgericht. Dit
consortium dat in Nederland op indirecte wijze wordt ondersteund door het
zogenaamde 'Studeerbaarheidsfonds' en door de eigen middelenallocatie van
de Open Universiteit poogt samenwerkingsprojecten op t e zetten met de
deelnemende universiteiten.
Naast een aantal projecten waarvoor de
K.U.Leuven voor deelname werd aangezocht, werden door ons twee projecten
aangeboden.
Project 1: Omgaan met vakteksten: de rol van telematica bij begeleiding van
tekstbegrip
De K.U.Leuven verwezenlijkt dit tweejarig project in samenwerking met één
andere consortiumpartner: Universiteit Utrecht, en met t w e e andere instellingen: Universiteit Amsterdam en Universiteit Leiden.
Project 2: Virtuele Nederlandse universiteit: verrijking van het onderwijsaanbod
door telematica-onderwijs binnen het Nederlandse taalgebied.
De K.U.Leuven verwezenlijkt dit tweejarig project in samenwerking met twee
andere consortiumpartners: Open Universiteit en EHSALIKAHO Sint-Lieven.
Naast en in het verlengde van deze inspanning werden er nog in 1996 voorbereidingen getroffen voor het aanmoedigen van initiatieven van onderwijsgerichte onderzoeks-, ontwikkelings-, en implementatieprojecten; hiervoor werden alsnog 53 mio BEF gereserveerd voor een eerste serie projecten.
Als prioritaire actieterreinen voor deze eerste ronde werden gedefinieerd:
onderwijs aan en begeleiding van eerste kandidatuurstudenten;
vakdidaktiek;
professionele ontwikkeling van onderwijzend personeel;
het onderwijs gericht op vaardigheden.
Door de grotere aandacht die de onderwijsopdracht gekregen heeft, beseffen
steeds meer leden van het zelfstandig academisch personeel de noodzaak en
het belang van wetenschappelijk onderwijskundig gericht onderzoek. Tot nog
toe werden hiervoor enkel occasioneel en bescheiden middelen vrijgemaakt.
Hierdoor konden slechts enkele initiatieven genomen worden die, hoe veelbelovend ook, stilvallen wanneer geen middelen worden voorzien.
De projecten die de K.U.Leuven zelf wil ondersteunen moeten duidelijk gesitueerd zijn tegen de achtergrond van het onderwijskundig referentiekader van
een of meerdere studierichtingen. De projecten moeten naar het onderwijs toe
een onderwijskundig innovatief karakter hebben. De innovatie kan aldus
betrekking hebben op de onderwijsdoelen (bv. accentverschuiving van
'onderwijs genieten' naar 'zelfstandig en constructief leren onder begeleiding'), de leerinhouden, de werkvormen, de tussentijdse evaluatietoetsen (bv.
inzake voorkennis en voortgang), de feedback en begeleiding, de eindevaluatievormen, het doordacht gebruik van informatie- en communicatietechnologie ..., maar mag zich niet beperken tot een loutere technische introductie of
de aankoop van apparatuur en software.
De projecten moeten een duurzaam enlof multiplicatie-effect in zich dragen,
waar ook andere studiejaren, curricula en faculteiten wat uit leren.
De
onderwijsonderzoeks- en -ontwikkelingscel moet de diverse onderzoeksresultaten en beleidsvisies in samenhang introduceren op het veld zelf.
3.1 Opleidingen
3.1.l Academische opleidingen
Tijdens het academiejaar 1995-96 organiseerde de K.U.Leuven zestig academische opleidingen te Leuven waarvan twaalf ook gedeeltelijk (eerste cyclus
of eerste kandidatuur) te Kortrijk. Daarnaast werden er drie Engelstalige
academische opleidingen aangeboden: Theology, Philosophy en Canon Law
(enkel tweede cyclus). Vanaf het academiejaar 1995-96 werden te Leuven
twee academische opleidingen niet meer aangeboden: Toegepaste theologie
(tweede cyclus) en Medisch-sociale wetenschappen, richting Beleid van de
zorgverlening (eerste en tweede cyclus). Eén nieuwe academische opleiding
startte: Sociale en culturele antropologie (tweede cyclus). Een overzicht van
de Nederlandstalige academische opleidingen in voltijds enlof deeltijds
onderwijs en van de aangeboden keuzerichtingen in 1995-96 wordt gegeven
als bijlage 1. Speciale zorg werd besteed om de overgangen met studieduurverkorting te verruimen en bekend te maken voor gediplomeerden van andere
academische opleidingen, van het hogeschoolonderwijs van éBn of twee cycli
en van de Koninklijke Militaire School (zie bijlage 2).
Met de wijziging van het universiteitsdecreet over de huisartsopleiding conformeerde de Vlaamse gemeenschap zich aan de Europese richtlijn terzake. Na
het behalen van het einddiploma arts moeten de studenten nog twee specifieke jaren huisartsgeneeskunde volgen (het zogenaamde tweede en derde jaar
3.
Opleidingenaanbod
van de huisartsopleiding). De interuniversitaire organisatie van de opleiding
werd geregeld via een akkoord tussen de universiteiten en een akkoord met
het Interuniversitair Centrum voor de Huisartsopleiding.
Lacunes in de
decretale bepalingen veroorzaakten heel wat onzekerheden met betrekking tot
de inschrijvingsvoorwaarden en de overgangsmaatregelen.
Voor het academiejaar 1996-97 blijft het aanbod van academische opleidingen
behouden. Voor diverse academische opleidingen gelden evenwel diverse
wijzigingen van programma's en toelatingsvoorwaarden.
3.1.2 Voortgezette academische opleidingen: aanvullende en specialisatieopleidingen
In het totaal organiseerde de K.U.Leuven tijdens het academiejaar 1995-96
negentig voortgezette academische opleidingen en drie taalvarianten. Van de
vijftig aanvullende opleidingen (GAS) werden er vijftien Engelstalige opleidingen én drie taalvarianten aangeboden, terwijl er zeven interuniversitair werden georganiseerd. Van de veertig specialisatie-opleidingen (GGS) werden er
zeventien Engelstalige opleidingen aangeboden, terwijl er veertien interuniversitair werden georganiseerd.
Vanaf het academiejaar 1995-96 werden vijf voortgezette academische opleidingen en drie taalvarianten niet meer aangeboden. Daarnaast werd één
voortgezette academische opleiding, waarvoor interuniversitaire engagementen
bestaan met de RUG, voorlopig nog niet georganiseerd: GGS Stedenbouw en
ruimtelijke ordening.
Vier nieuwe voortgezette academische opleidingen
werden gestart: GGS Vertaalwetenschap (interuniversitair en in samenwerking
met het Hoger Instituut voor Vertalers en Tolken en de Katholieke Vlaamse
Hogeschool), GGS Master of Arts in Eastern Mediterranean Archaeology, GGS
Master in Comparative European Family Studies en GAS Master in Applied
Biologica1 Sciences. Tenslotte werden twee opleidingen grondig vernieuwd:
GAS Pastoraaltheologie en GGS Ziekenhuishygiëne. Een overzicht van de
voortgezette academische opleidingen 1995-96 vindt men als bijlage 3.
Speciale zorg werd besteed om de toegang te verruimen en bekend te maken
voor gediplomeerden van het hogeschoolonderwijs van twee cycli en van de
Koninklijke Militaire School
Vanaf 1996-97 worden de volgende negen nieuwe voortgezette academische
opleidingen bijkomend aangeboden: GGS Management en beleid in de gezondheidszorg (1 jaar, ook deeltijds), GGS European Master of Science in Biology
of Physical Activity ( 2 jaar), GGS Stedenbouw en ruimtelijke ordening (1 jaar,
interuniversitaire samenwerking met RUG, ook deeltijds), GGS Master (of
Science) in Remote sensing of Environmental Planning and Management of
Natural Resources (1 jaar, ook deeltijds), GGS Parodontologie (1 jaar, enkel
deeltijds), GGS Prothetische tandheelkunde (1 jaar, enkel deeltijds), GGS
Orthodontie (1 jaar, enkel deeltijds), GGS Kindertandheelkunde (1 jaar, enkel
deeltijds) en GGS Operatieve tandheelkunde (1 jaar, enkel deeltijds). Bovendien wordt de reeds bestaande specialisatie-opleiding GGS Jeugdgezondheidszorg (voortaan 2 jaar) interuniversitair aangeboden in samenwerking met
VUB, RUG en UIA. Voor zeventien voortgezette academische opleidingen
werd het programma grondig hervormd. Meer informatie hierover vindt men in
het programmaboek van de K.U.Leuven 1996-97.
Vanaf 1997-98 zullen de volgende twee nieuwe specialisatie-opleidingen worden aangeboden: GGS European Master in Exercise and Sportpsychology
(Europees en interfacultair programma) en GGS Master of Science in Molecular
Biology ( 2 jaar, interuniversitair programma i.s.m. VUB en UIA). Daarnaast
wordt GGS Master in Conservation of Historic Towns and Buildings een tweejarige specialisatie-opleiding, terwijl de interuniversitaire specialisatie-opleiding
GGS Gehandicaptenzorg door de RUG zal worden gecoördineerd. Voor de
interuniversitaire aanvulllende opleiding GAS Toegepaste ethiek en de Engelstalige variant GAS Master in Applied Ethics wordt de K.U.Leuven coördinator.
Meer informatie hierover vindt men in het programmaboek van de K.U.Leuven
1997-98.
Er stelt zich momenteel een ernstig probleem in verband met een minimale
titelbescherming voor een aantal academische opleidingen en voortgezette
academische opleidingen. Moeiteloos en soms schaamteloos worden in ons
land diverse Master-titels uitgereikt door niet-universitaire of privé-scholen
zonder enige kwaliteitsgarantie.
Terzelfdertijd verzoekt de overheid de Vlaamse universiteiten de Master-titel in vertaling uiteraard - voor te behouden als vertaling van de tweede-cyclusdiploma's, en niet meer te gebruiken voor de voortgezette opleidingen. Hierop
is door meerdere universiteiten bijzonder negatief gereageerd. Daardoor zou
aan universiteiten een internationaal gangbare titel onthouden worden precies
op het onderwijsniveau waarop ze zich meest internationaal kunnen profileren,
terwijl anderen straffeloos zouden kunnen doorgaan met het misbruik van deze
master-kwalificatie ... Dit is niet acceptabel.
3.1.3 Doctoraatsopleidingen
Tijdens het academiejaar 1995-96 organiseerden bijna alle faculteiten een
gestructureerde en verplicht te volgen doctoraatsopleiding' voor de doctorandi.
De faculteiten Landbouwkundige en toegepaste biologische wetenschappen,
Rechtsgeleerdheid en de Bijzondere faculteit Kerkelijk recht legden inmiddels
ook hun reglement ter goedkeuring voor. Alle faculteiten hebben in hun
reglementering beperkte
uitzonderingsmogelijkheden opgenomen
voor
studenten voor wie het praktisch onmogelijk is de doctoraatsopleiding te volgen. De lijst van doctoraatsdiploma's vindt men als bijlage 4.
Tijdens het academiejaar 1995-96 werd door de commissie doctoraatsopleiding ten behoeve van de Academische raad een eerste evaluatie gehouden van
de lopende doctoraatsopleidingen.
De doctoraatsopleidingen blijken in de
Exacte en Biomedische wetenschappen in de meeste faculteiten zonder problemen te verlopen. Voor de Humane wetenschappen verloopt de overgang
naar een gestructureerde opleiding evenwel moeilijker. Meer aandacht zal
worden besteed aan de betere informatieverspreiding over die vakken,
lezingen of seminaries die voor doctorandi uit meerdere faculteiten interessant
kunnen zijn.
De Academische raad keurde ook een aanbevelingsnota over de Goede promotor goed. De nota moet voor de faculteiten als richtsnoer dienen bij het
aanstellen van promotoren en biedt de doctorandi houvast bij wat zij van een
promotor mogen verwachten.
3.1.4 Academisch Vormingsinstituut voor Leraren (AVL): academische initiële
lerarenopleidingen
Reeds vóór de goedkeuring van het nieuwe decretale kader voor de lerarenopleiding werd de implementatie ervan voorbereid. Een werkgroep kreeg de
opdracht de nota 'Concretisering van het raamvoorstel voor de hernieuwing
van de lerarenopleiding', uitgewerkt door het Academisch Vormingsinstituut
voor Leraren (AVL), te onderzoeken, vooral inzake de implicaties voor fasering
van de invoering van de voorstellen, de kostenraming en de overgangsregeling
voor reeds ingeschreven studenten.
In samenspraak tussen AVL, de facultaire instanties en de vakdidactici werden
voor iedere lerarenopleiding tenminste drie vakken uitgekozen uit de gewone
academische opleidingen die een bepaalde meerwaarde hebben voor
toekomstige leraars en die een uitnodiging inhouden om onderzoek te initiëren
over onderwerpen die aansluiten bij de vakdidactiek..
Daarnaast werkte het AVL een voorstel met syllabus uit voor drie nieuwe
opleidingsonderdelen die door alle aggregatiestudenten als brugvak kunnen
worden gekozen: Doelgerichte communicatie en taakgericht werken met
groepen in het onderwijs, Psychologie van de adolescentie en de jongvolwassenheid, De evolutie van de wetenschappen en de relatie naar het onderwijs.
De invoering ervan gebeurt vanaf 1996-97.
De verdere planning is als volgt gesteld: de vernieuwde cursussen Algemene
en historische pedagogiek en Algemene didactiek zullen vanaf 1997-98 worden gerealiseerd en voortaan worden gedoceerd aan zeven min o f meer homogene groepen.
De titularissen van Vakdidactiek, Luisterstage en Lesstage herdenken en
actualiseren de bestaande colleges in de context van de vernieuwde lerarenopleiding; dit is rekening houdend met de toegevoegde componenten zoals de
brugvakken, de pedagogisch-didactische seminaries en de praktijkseminaries.
Benoemingen van vakdidactici gebeuren in combinatie met de seminaries. De
vakdidacticus blijft hoofdverantwoordelijk voor het Vakdidactisch seminarie.
Het concrete aanbod van Praktijkseminaries waaruit kan gekozen worden,
wordt in overleg met het Academisch Vormingsinstituut voor Leraren uitgewerkt door de co-titularissen samen met de praktijklectoren. De invoering
ervan gebeurt vanaf 1997-98.
De voorbereiding van het Pedagogisch-didactisch seminarie gebeurt in overleg
met het Academisch Vormingsinstituut voor Leraren door een college van cotitularissen (Vakdidactiek, Algemene didactiek en Algemene en historische
pedagogiek) per voorgestelde groep van min of meer homogene groepen. De
invoering ervan gebeurt tevens vanaf 1997-98.
Daarnaast wordt het kader van de praktijklectoren onmiddellijk verhoogd met
2 5 % o m de begeleiding van de stagelessen t e verstevigen. Overigens wordt
reeds vanaf 1 9 9 7 het aantal stagelessen verdubbeld.
Een overzicht van de academische lerarenopleidingen die in 1995-96 werden
georganiseerd, vindt men als bijlage 5.
3.2 Samenwerkingsverbanden met andere universiteiten en niet-universitaire
onderwijsinstellingen
Zoals reeds vermeld, is er een interuniversitaire samenwerking voor zeven aanvullende opleidingen en voor veertien specialisatie-opleidingen. Het ging hier
op een uitzondering na over een samenwerking met Vlaamse universiteiten.
Voor de specialisatie-opleiding Master in Comparative European Family Studies
was er een samenwerking met zeven buitenlandse universiteiten. Voor de
specialisatie-opleiding Vertaalwetenschap was er bovendien ook een
samenwerking met twee Vlaamse hogescholen: Hoger Instituut voor Vertalers
en Tolken en de Katholieke Vlaamse Hogeschool.
Institutionele samenwerkingsovereenkomsten werden gesloten met de
K.U.Brussel, de Hogeschool voor Wetenschap en Kunst t e Brussel, de Economische Hogeschool Sint-Aloysius te Brussel, de Katholieke Vlaamse Hogeschool t e Antwerpen. De afzonderlijke samenwerkingsovereenkomst met het
Lemmensinstituut bleef verder lopen. Voor de samenwerkingsovereenkomsten
met buitenlandse universiteiten verwijzen w e naar het hoofdstuk Internationale
samenwerking.
Halfjaarlijks was er overleg tussen de K.U.Leuven en het Vlaams Verbond
Katholiek Hoger Onderwijs (VVKHO). Vanuit die samenwerking behartigde het
Centrum voor Professionalisering in het Katholiek Hoger Onderwijs (CPKHO) de
aanvangsbegeleiding van docenten in het hoger onderwijs.
Tussen de KULAK en de Katholieke Hogeschool Zuid-West-Vlaanderen
(KATHO) werd een samenwerkingsovereenkomst gesloten met het oog op het
uitbouwen van een Impulscentrum voor Onderwijsvernieuwing.
Tussen de Faculteit Toegepaste wetenschappen en de Katholieke Industriële
Hogescholen was er overleg t o t samenwerking op het gebied van onderwijs en
onderzoek.
Een afzonderlijke samenwerkingsovereenkomst werd gesloten
tussen de Faculteit Toegepaste wetenschappen en de Industriële Hogeschool
Leuven (Groep T). Eenzelfde overleg tot samenwerking werd ook gestart tussen vanuit de Faculteit Landbouwkundige en toegepaste biologische weten-
schappen en de Katholieke Industriële Hogescholen.
3.3 Postacademische vorming
De postacademische vorming omvat een grote diversiteit van initiatieven.
Tijdens het academiejaar 1995-96 werd getracht om de activiteiten van
postacademische vorming, die vroeger werden opgesplitst per discipline, sectorieel in te delen. Ook in Campuskrant worden voortaan de belangrijkste
activiteiten per sector voorgesteld. Informatie over het extern opleidingsaanbod wordt verstrekt via de homepages van het Leuvens Instituut voor Nieuwe
Onderwijsvormen (I-INOV).
Nadere informatie over de inspanningen van het beleid vindt men onder punt
2.4.4.2 van dit verslag.
Tabel 1 geeft een overzicht van de activiteiten van postacademische vorming
per sector.
Daarnaast zijn er nog 9 2 algemene programma's die voor elke sector nuttig
kunnen zijn, zoals taalopleidingen, informatica.
Ongetwijfeld zijn er nog
talrijke niet meegedeelde activiteiten.
De post-academische cyclussen voor leraren van de Vliebergh-sencieleergangen worden herdacht in functie van de vraaggestuurde recyclage waarvoor
vanaf 1997 voor de scholen van het secundair onderwijs speciale kredieten
beschikbaar zijn.
De Dienst KULAK-Universitaire Permanente vorming organiseert in samenwerking met het Postuniversitair Centrum West-Vlaanderen (PUC) en het
Eekhoutcentrum te Kortrijk postacademische vorming in de vakgebieden:
recht, economie, management, beleidsinformatica, wetenschappen en toegepaste wetenschappen, geneeskunde, tandheelkunde, mondziekten en kaakchirurgie, farmaceutische wetenschappen, cultuurwetenschappen, gedrags- en
maatschappijwetenschappen. De dienst verzorgt ook bijscholingsprogramma's
voor leraren, onderwijsdirecties en PMS-medewerkers. Tijdens het academiejaar 1995-96 overschreed het aantal cursisten andermaal de 1 0 000.
3.4 Open onderwijs en afstandsonderwijs
De Eurostudiecentra Open Universiteit te Leuven en te Kortrijk organiseren
afstandsonderwijs voor volwassenen die afzonderlijke cursussen, korte opleidingen of een volwaardige universitaire studie wensen te volgen in de rechten,
cultuurwetenschappen, sociale wetenschappen, bedrijfs- en bestuurskunde,
economie, natuurwetenschappen, informatica. Deze centra verzorgen ook
afstandsonderwijs in samenwerking met de Open Universiteit Heerlen
(Nederland) en met andere instellingen uit het European Open University Network (EOUN), ontwikkelen eigen zelfstudiematerialen en ondersteunen
onderwijsvernieuwing.
De Eurostudiecentra Open Universiteit werken in een samenwerkingsverband
tussen Vlaamse universiteiten, Studiecentrum Open Hoger Onderwijs
Vlaanderen (STOHO) en de Nederlandse Open Universiteit. Leuven telt er 3 0 0
studenten en Kortrijk 164. Er wordt gepoogd om activiteiten voor externen
ook dienstbaar en beschikbaar te stellen voor de eigen universiteit.
Het Eurostudiecentrum Open Universiteit te Kortrijk, een afdeling van KULAKUniversitaire Permanente Vorming, is ingeschakeld in het Euroform-project
(Europees Sociaal Fonds). Vanuit de regio Kortrijk komen heel wat nieuwe
vragen, onder andere van de hogeschool te Kortrijk, om in samenwerking een
Impulscentrum nieuwe media op te richten.
3.5 Curriculumbewaking
Hiervoor is reeds vermeld (punt 2.1 .l)
welke rol de Permanente Onderwijscommissies spelen in de bewaking en bijsturing van de curricula, en hoe de
Academische overheid deze POC's en hun voorzitters stimuleert. Daarnaast
moet ook vermeld worden dat zowel de interne evaluaties als de visitaties een
stimulans inhouden voor reflectie over doelstellingen en eindtermen van de
opleidingen. Voor de interne evaluaties is het een basisvereiste dat deze
begint met een collectieve reflectie over de onderwijsvisie.
Veelal als een onderdeel van de Algemene Onderwijsevaluatie werden in het
academiejaar 1995-19 9 6 voor verscheidene studiejaren in diverse studierichtingen (sociologie, geneeskunde, architectuur, wiskunde, taal- en letterkunde:
latijn en grieks, kinesitherapie en motorische revalidatie) studietijdmetingen
uitgevoerd.
Aan de hand van deze metingen die steeds worden uitgevoerd in het begin
van het academiejaar over het voorgaande studiejaar, wordt de studielast bij
de studenten zelf nagegaan. De metingen laten toe vast t e stellen of de studielast beantwoordt aan de decretale normen en geven ook geregeld aanleiding t o t een aanpassing van de studielast voor verschillende opleidingsonderdelen of t o t een aanpassing van de studiepunten voor de verschillende opleidingsonderdelen o m een betere overeenstemming tussen vooropgestelde
(studiepunten) en vastgestelde studielast (studietijdmeting) t e realiseren. De
methoden die bij studietijdmeting worden gehanteerd bouwen verder op vroeger Leuvens onderzoek waarin verschillende benaderingen met elkaar werden
vergeleken en op de bevindingen in de Contactgroep Academisch Onderwijs bij
het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek (FWO). Voor studiejaren met
veel vakken die door de studenten zelf kunnen worden gekozen en die veeleer
ook door een geringer aantal studenten worden gevolgd wordt een absolute
schattingsmethode gevolgd. Aan de studenten wordt gevraagd de geïnvesteerde tijd voor elk vak t e schatten en dit door de tijd t e specificeren die aan
verschillende deeltaken werd besteed. Voor studiejaren met een stabiel programma (relatief weinig keuzevakken) wordt de methode van de paarsgewijze
vergelijking gebruikt. Alle opleidingsonderdelen worden qua studie-inspanning
met elkaar vergeleken. Deze vergelijkingen resulteren in een schaalwaarde
voor elk opleidingsonderdeel. Deze waarde geeft aan hoe zwaar elk vak is in
vergelijking met de andere vakken. Om de schaalwaarden o m t e zetten in
studie-uren wordt gebruik gemaakt van drie ijkvakken die goed over de
schaalwaarden gespreid zijn. De studielast voor deze ijkvakken worden door
de studenten geschat volgens de absolute schattingsmethode.
Gebruik
makend van de schaalwaarden en de schattingen voor de ijkvakken wordt dan
een mathematische functie berekend die de relatie weergeeft tussen de
schaalwaarde van de ijkvakken en de gemiddelde studietijd voor deze vakken.
In regel gaat het o m een niet-lineaire, exponentiële relatie. Op basis van de
vastgestelde relatie en de schaalwaarden wordt tenslotte de studietijd voor
alle opleidingsonderdelen berekend.
3.6 Bijzondere onderwijsinitiatieven
Lessen voor de XXle eeuw
Het initiatief van de lessenreeks Lessen voor de XXle eeuw startte vanaf het
academiejaar 1994-95 met de bedoeling de studenten inhoudelijk t e confronteren met een veelheid van recente, uitdagende probleemthema's via vijftien
colleges over recente structuurbreuken in de geschiedenis, wereldbeeld en
wetenschap en mens-zijn op de drempel van de 21e eeuw. Ook tijdens het
academiejaar 1995-96 had dit initiatief een overweldigend succes met ongeveer 8 5 0 deelnemers, waarvan 5 3 0 deze lessenreeks volgden als keuzevak in
de tweede cyclus en er ook examen over aflegden. Dit initiatief wordt in
1996-97 voortgezet rond de volgende vier onderwerpen: arbeid en werk, tijd
en tijdsbeleving, neurale netwerken, religie in een geseculariseerde wereld. De
onderwerpen worden telkens vanuit multidisciplinair perspectief behandeld.
Open jaar
Met het initiatief van het Open jaar wil de K.U.Leuven een brugjaar tussen
secundair en universitair onderwijs aanbieden. Het programma van het Open
jaar omvat vooreerst een huispakket, dat tot doel heeft te leren kiezen en
gericht is op zelfontplooiing én op gemeenschapsvorming. Dit gebeurt via tal
van activiteiten op cultureel, sociaal en religieus vlak en via sportbeoefening.
Daarnaast volgen de studenten een deeltijdse academische opleiding aan de
K.U.Leuven met het oog op een verbreding en verdieping van hun algemene
vorming. Dit project startte in 1994-95met 23 inschrijvingen en had in 199596 acht inschrijvingen.
4.1 Onderwijsregeling
4.1.l Overzicht inschrijvingsgelden
Voor alle opleidingen werden de interuniversitair afgesproken bedragen
gevraagd (zie programmaboek K.U.Leuven 1995-96).Ook de inschrijvingsgelden voor voortgezette academische opleidingen bleven op het interuniversitair afgesproken peil behouden, behalve voor enkele Engelstalige specialisatie-opleidingen die bedoeld zijn voor buitenlandse studenten uit niet-ontwikkelingslanden. Voor vijf specialisatie-opleidingen werden in 1995-96verhoogde
inschrijvingsgelden gevraagd:
- GGS Master of Arts in European Studies: 1 500 ECU voor EU-studenten;
3 000 ECU voor niet-EU-studenten;
- GGS Master of Arts in Eastern Mediterranean Archaeology: 750 ECU voor
studenten uit EU, Azië en Afrika; 2 750 ECU voor studenten uit USA,
Canada en Australië;
- GGS Master of Laws: 240 000 BEF;
- GGS European Master of Public Administration: 1 250 ECU voor studenten
uit EU, Centraal- en Oost-Europa en ontwikkelingslanden; 2 500 ECU voor
niet-EU-studenten;
- GGS Master in Conservation of Historic Towns and Buildings: gewone
inschrijvingsgelden + 20 000 BEF; voor bisstudenten: gewone inschrijvingsgelden.
Er werd beslist voor het academiejaar 1996-97ook enkel voor bovenvermelde
opleidingen verhoogde inschrijvingsgelden te vragen. Hieraan dient toegevoegd dat voor elk van deze opleidingen de mogelijkheid bestaat om op grond
van sociale motieven het inschrijvingsgeld te laten verminderen of wegvallen
(zogenaamde 'tuition waiver') .
Niet onbelangrijk is dat het Arbitragehof door een arrest belangrijke bepalingen
heeft vernietigd van het decreet van 12 juni 1991 inzake de financiering van
de voortgezette academische opleidingen evenals de mogelijkheid tot het
heffen van verhoogde inschrijvingsgelden, zoals deze waren ingevoerd door
het decreet van 21 december 1994. Er is in 1996 nog geen voortgang
gemaakt door de overheid om een nieuwe soliede rechtsgrond te scheppen in
deze zaak ...
4.1.2Toelatingsvoorwaarden
De K.U.Leuven besliste voor de eerste en tweede cyclus van haar opleidingen
studenten die met een diploma uit de Franse of Duitstalige gemeenschap een
academische opleiding wensen te volgen, te onderwerpen aan een taalproef
tenzij ze hun vroegere opleiding deels in het Nederlands hebben gevolgd of een
attest voorleggen waaruit hun kennis van het Nederlands (met een minimumniveau) blijkt. In een aantal gevallen bleek de taalkennis toch werkelijk onvoldoende om het onderwijs effectief te volgen. Bovendien kan men studenten
voor een bepaalde opleiding van buiten België slechts aan taalproeven onderwerpen indien ook een aantal studenten van binnen België potentieel onder
deze maatregel ressorteren; zoniet wordt in de huidige EU-context deze maat-
4.
Onderwijsen examenregelingen
regel gezien als een verkapte nationaliteitsdiscriminatie en zou de taalproef dus
voor EU-onderdanen ongeoorloofd zijn.
De K.U.Leuven houdt zich inzake artikel 3 4 en artikel 3 8 van het decreet strikt
aan de overheidsrichtlijnen en de verdragsbepalingen.
4.1.3 Toelatingsexamen
Voor sommige voortgezette academische opleidingen werden toelatingsproeven gehouden, zoals weergegeven in de lijsten met de voortgezette academische opleidingen en de toelatingsvoorwaarden zoals opgenomen in het
programmaboek.
Voor de toelating t o t de opleiding kandidaat burgerlijk ingenieur en de opleiding kandidaat burgerlijk ingenieur architect worden de toelatingsexamens
georganiseerd volgens een interuniversitair afgesproken model. Mede naar
aanleiding van het dalend aantal abituriënten voor de ingenieursopleiding is
recent afgesproken dat dit examen zich zal oriënteren op de inhoud van 6-uren
wiskunde opleiding in het secundair onderwijs, zonder dat het vereiste niveau
zou dalen.
4.1.4 Begeleiding van aspirant-studenten en eerstejaarsstudenten
Overeenkomstig de richtlijnen van het universiteitsdecreet en de memorie van
toelichting en inspelend op de beleidsoptie van de K.U.Leuven inzake het verhogen van de slaagkansen van eerstejaarsstudenten werden de initiatieven
qua opvang en begeleiding voortgezet en versterkt.
Hierna wordt systematisch ingegaan op de onderscheiden aandachtspunten
van het zogenaamde tienpuntenplan, vermeld in de memorie van toelichting bij
het universiteitendecreet van 1 2 juli 1991. Telkens wordt de tekst van het
tienpuntenplan geciteerd en worden de inititiatieven van de K.U.Leuven vermeld.
( I I ' D e navorming van de leraars in het laatste jaar secundair onderwijs zal
deze problematiek bij prioriteit behandelen. '
Reeds lang organiseert de K.U.Leuven jaarlijks een contactdag voor studiekeuzebegeleiders, nl. medewerkers van PMS-centra en leraars van het
secundair onderwijs ( 3 0 0 t o t 6 5 0 deelnemers). Daarbij wordt aandacht
besteed aan de eigenheid van de opleiding aan de K.U.Leuven, de voorkennis en geschiktheidseisen en de arbeidsmarkt. Men stelt vast dat de
interesse van leraren voor deze contactdag daalde, mede omdat de taak
van studie-informatie en -oriëntering meer en meer wordt overgelaten aan
de PMS-centra.
Vanaf 1995-96 werd een nieuwe vorm van contactdagen uitgewerkt, de
profieldagen, waarop diverse opleidingen het beroepsprofiel van hun afgestudeerden in het licht stellen. Tevens worden knelpunten in instroom en
programma open bediscussieerd tussen deelnemers en een panel van de
studierichting. Een eerste experiment met die formule werd positief geëvalueerd.
(21 'Alle instellingen voor hoger onderwijs stellen per opleiding een syllabus ter
beschikking van alle geïnteresseerden (leerlingen, leraars, PMS...1 met alle
informatie over voorkennis, inhoud, doelstellingen en praktische organisatie
van het eerste jaar. '
Zowel ten behoeve van aspirant-studenten (en hun ouders) als van de studiekeuzebegeleiders (leraars en PMS-medewerkers) wordt door de faculteiten en de monitoraten, in nauwe samenwerking met de Dienst Studieadvies,
een aanzienlijke inspanning geleverd o m degelijke en objectieve informatie
aan t e bieden. Diverse communicatiekanalen worden hierbij aangewend:
mondeling en schriftelijk, individueel (spreekuren, al dan niet telefonische
vragen) en collectief (info-dagen, regionale info-activiteiten, voordrachten in
scholen enz.). Er wordt aandacht besteed aan de eigenheid van de opleiding, de specifieke inhoud van de opleiding, de eisen met betrekking t o t
geschiktheid en voorkennis en de mogelijkheden op de arbeidsmarkt. De
informatie wordt regelmatig geactualiseerd.
De studie-inhoud, de voorkennis en de geschiktheidseisen worden door de
studierichtingen zo concreet mogelijk geformuleerd in informatiebrochures
Academische basisopleidingen aan de K.U.Leuven.
Op basis van een
beknopte kennismakingsbrochure kan de aspirant-student enkele voorkeurrichtingen uitkiezen. Vervolgens kan hij daarover meer uitgediepte informatie verkrijgen in de desbetreffende brochure(s) uit de 38-delige reeks over
specifieke opleidingsprogramma's.
Informatie over de doelstellingen van de opleiding en de praktische organisatie van het eerste jaar wordt door de meeste faculteiten in een Studiegids
of een Vademecum gepubliceerd.
De Dienst Studieadvies verzorgt daarnaast de publicatie van de reeks
Leidraad bij de universitaire studies: Studiemethode, Studieplanning, Doehet-zelf-handleiding voor de faalangstige student (en de ouders) en 'Blok en
examens'. De brochure 'Blok en examens' wordt toegezonden aan alle
nieuwe studenten van de K.U.Leuven rond Pasen.
(31'Alle instellingen voor hoger onderwijs moeten in het begin van de maand
september per opleiding informatiesessies organiseren, die vrij te volgen zijn
door de geïnteresseerden. '
Voor de aspirant-studenten van een aantal studierichtingen worden tijdens
de vakantiemaand september en soms reeds daarvóór opfrissings- en
inhaalcursussen of kennismakingsweken georganiseerd.
Talrijk zijn de inspanningen voor het onthaal en de introductie van de
nieuwkomers. Deze worden vooral geleverd door de faculteiten en de studentenkringen. Verder wordt de sociale integratie van eerstejaars bevorderd door de onthaalweken van de Universitaire Parochie. Een betere
coördinatie, ondersteuning en evaluatie werd gerealiseerd door het monitoraat in nauwe samenspraak met de permanente onderwijscommissies en
de betrokken faculteit. Tijdens de eerste twee dagen van het academiejaar
worden voor de nieuwe eerstejaars van alle academische opleidingen aan
de K.U.Leuven en aan de KULAK geïntegreerde informatiesessies georganiseerd.
Naast de klassieke introductiedagen zijn er ook de speciale groepssessies
waarin de monitoren de organisatie van de begeleiding uiteenzetten, het
jaarverloop doorgelicht wordt en getraind wordt rond studiemethode en
studieplanning. Bij het begin van het academiejaar worden rondleidingen
georganiseerd door de diensten voor studentenvoorzieningen.
(4)'Verhoogde individuele informatieverstrekking in de loop van de maand
september'
Het hele jaar door en vooral tijdens de vakantieperiodes is er op de Dienst
Studieadvies een individuele informatieverstrekking ten behoeve van aspirant-studenten. Ook tijdens de maanden juli en september en daarbuiten
kunnen de monitoren, de academisch secretaris en de administratief secretaris worden geraadpleegd, bij voorkeur na afspraak. Er wordt in grotere
mate aandacht geschonken aan de begeleiding bij het bepalen van de studiekeuze.
Gedurende de eerste lesweek van het academiejaar werden de studenten
zoals naar gewoonte in hun facultaire omgeving geïntroduceerd. Veel zorg
wordt besteed aan de opvang van de buitenlandse studenten, mede met de
hulp van een uitgebreide staf van meestal vrijwilligsters die de universiteit
loyaal bijspringen.
Tijdens de zomervakantie verzorgen een aantal faculteiten initiatieven die
een min of meer specifieke voorbereiding inhouden op de gekozen studierichting (talen, wiskunde, scheikunde, lichamelijke opvoeding, motorische
revalidatie en kinesitherapie). Zij stellen de studenten in staat een betere
inschatting te doen van de vereiste voorkennis enlof vaardigheden voor een
bepaalde studiekeuze.
(51'Elke instelling kan facultatieve oriëntatietests aanbieden ter ondersteuning
van de vrije studiekeuze. '
De permanente onderwijscommissies van de opleidingen worden aangespoord voor specifieke vakken zelfevaluatie-instrumenten te ontwikkelen
waarmee de toekomstige student zijn voorkennis ter zake kan evalueren en
bijsturen. Voor Scheikunde en Frans bestaan deze reeds en ze worden door
aspirant-studenten intensief gebruikt. Deze zelfevaluatie-instrumenten worden ter beschikking gesteld door de Dienst Studieadvies.
(61'lntensieve begeleiding door onderwijsassistenten'
In het universiteitendecreet wordt bovendien gestipuleerd:
Art. 70. De universiteiten moeten ten belope van tenminste vijf procent van
de effectieve formatie van het academische personeel in voltijdse eenheden
uitgedrukt, assistenten, doctor-assistenten of docenten aanduiden wier
opdracht hoofdzakelijk bestaat uit specifieke taken van onderwijsbegeleiding in de eerste kandidatuur. Het universiteitsbestuur brengt omtrent deze
onderwijsbegeleiding via de commissaris van de Vlaamse Regering jaarlijks
verslag uit bij de Vlaamse regering.
Het zwaartepunt van de studiebegeleiding ligt bij de faculteiten zelf. Die
studiebegeleiding start bij de docenten die met de nodige aandacht voor de
problematiek van eerstejaars hun cursussen geven en toezien op de taken
die zij aan assistenten toevertrouwen. De Dienst Studieadvies biedt individuele en groepsbegeleiding bij het verwerven van een adequate studiemethode.
Onmisbaar blijft het systeem van de proefexamens, een aanbod met een
niet verplicht karakter, maar waar bijna alle eerstejaars gebruik van maken.
De geïndividualiseerde feedback van de resultaten met commentaar van de
docent of de monitor wordt gewaardeerd.
Het aantal facultaire mandaten dat besteed wordt aan de specifieke begeleiding van eerstejaars is constant gebleven en voldoet aan de norm zoals
voorgeschreven door het decreet. Tabel 2 geeft het aantal AP-leden (tot en
met de rang van docent) die in 1995-96 als monitor waren ingeschakeld
voor de betrokken opleidingen en waarvan de opdracht hoofdzakelijk
bestaat uit specifieke taken van onderwijsbegeleiding in de eerste kandidatuur.
Hierbij zijn dan nog niet inbegrepen een aantal ZAP-leden van een hogere
graad dan docent en enkele ATP-leden in de Dienst voor Studieadvies
Bijgevoegd bij de andere onderwijsassistenten die hoofdzakelijk betrokken
zijn bij de onderwijsbegeleiding van de eerstejaars wordt aan de decretaal
vastgelegde norm van 5 % van de AP-formatie zeker voldaan.
(7) 'Zelfevaluatietests gedurende het eerste semester'
In enkele faculteiten worden in hoofdzaak tijdens de eerste kandidatuur
zelfevaluatietoetsen geboden.
Onmisbaar blijft het systeem van proefexamens, de zelfevaluatie bij uitstek
voor de eerstejaars. Dit is een aanbod met een niet verplicht karakter, waar
bijna alle eerstejaars gebruik van maken. De meestal geïndividualiseerde
terugkoppeling van de resultaten met commentaar van de docent of de
monitor is in vele opleidingen de regel en moet veralgemeend worden in alle
studierichtingen.
(8)'De examenregeling dient garanties te bevatten met het oog op een passende bescherming van de student, '
Het examenreglement aan de K.U.Leuven wordt herhaaldelijk aangepast op
voorstel van de Werkgroep Examenreglement (zie punt 4.2).
Een aspect van bekommernis naar het goede verloop van de toch telkens
weer belastende examenperiodes is gelegen in een optimale examenregeling
voor iedere student. De openheid van de meeste examensecretariaten
staat garant voor een voldoende inspraakmogelijkheid van de studenten,
eventueel via de examenombudsen.
De examenbegeleiding wordt aan de K.U.Leuven verzorgd door 2 3 0 examenombudsen. De examenombudsen staan in voor de oplossing van de
kleine en grotere problemen die opduiken. Uit de verslagen van de ombudsen kon worden afgeleid dat de examinatoren en de studenten hun autoriteit erkennen en - w a t belangrijker is - waarderen. Om hen t e helpen werd
een ombudsboek opgesteld en bijgewerkt.
(9)'Via een creditstelsel (waarbij vrijstelling bekomen kan worden voor
geslaagde examens, ook bij overgang naar andere opleidingen) en via coördinatie van de inschrijvingsperiodes bij het hoger onderwijs. '
Het verlenen van vrijstellingen voor reeds afgelegde vakken bij geslaagde
examens wordt door de respectieve faculteiten beoordeeld.
De brugmogelijkheden tussen diverse vormen van hoger onderwijs werden
reeds gedeeltelijk in uitvoeringsbesluiten geregeld. Overleg hierover wordt
voortgezet in de Vlaamse Interuniversitaire Raad (V1.I.R.) en de Vlaamse
Onderwijsraad (Vlor) en via overleg met het Vlaams Verbond Katholiek
Hoger Onderwijs (VVKHO) en de Dienst Studieadvies.
(10) 'Permanent onderzoek via de Vlaamse Onderwijsraad (Vlor) en rapportering via de Vlaamse Executieve aan de Vlaamse Raad'
De Vlaamse Interuniversitaire Raad onderzocht reeds de Opvang en
onderwijs aan eerstejaars aan de Vlaamse universiteiten (FKFO-MI-project)
en publiceerde in 1996 het rapport Slagen in de kandidaturen aan de
Vlaamse universiteiten (J. Van Damme, G. Lorent).
De Vlaamse Onderwijsraad publiceerde een tussentijds rapport en review
inzake de overgang van secundair naar hoger onderwijs en bereidt hierover
met een aparte werkgroep een advies voor. Diverse onderzoeksrapporten
uit de K.U.Leuven behandelen ook deze thematiek.
4.1.5 Beleid ten aanzien van doorstroming afgestudeerden hogescholen naar
academische en voortgezette academische opleidingen
De K.U.Leuven acht het niet aangewezen o m een wervend beleid t e voeren
ten aanzien van afgestudeerden van hogescholen. Wel zijn in de toelatingseisen voor diverse opleidingen zoveel als mogelijk zinvolle overgangen met
desgevallend studieduurverkortingen nauwkeurig aangegeven mede o m t e
vermijden dat ad hoc beslissingen worden getroffen op facultair niveau. Het
moet ook worden opgemerkt dat de doorstroming naar de academische
opleidingen alles bijeen eerder beperkt is. Slechts uit de hogeschoolopleiding
industrieel ingenieur naar de opleiding burgerlijk ingenieur en uit het graduaat
verpleegkunde naar de opleiding medisch-sociale wetenschappen is er een
constante significante doorstroming.
4.1.6 Toelating afgestudeerden twee-cycli hogeschoolonderwijs t o t doctoraat
Deze thematiek kreeg bijzondere aandacht i n 1995-1996. In het verleden
organiseerden de Vlaamse universiteiten predoctorale proeven, nogal verschillend in lengte en inhoud. De K.U.Leuven vroeg aan de V1.I.R. o m hierover
afspraken te maken op basis van een inventaris van de bestaande bruggen.
Bij de meest frequent gebruikte overgangen, nl. naar de doctoraten in de toegepaste wetenschappen en de landbouwkundige en toegepaste biologische
wetenschappen, komt de brug neer op een proef van 9 0 studiepunten
(ongeveer anderhalf jaar studie), voor wetenschappen wordt een consensus
rond de 6 0 studiepunten - eventueel minder - voorgesteld.
Tevens wordt ook grondig nagegaan welke diploma's t o t welke doctoraten
toegang kunnen verlenen. De eerste indruk is dat men daar zal blijven bij een
strikt toelatingsbeleid t o t 'voldoende aansluitend geachte' hogeschoolopleidingen
4.2 Examenregelingen
4.2.1 Examenreglement
Het examenreglement is opgenomen in het programmaboek. Voor de voorzitters van de examencommissies en de examenombudsen is een document
beschikbaar waarin de interpretatieve richtlijnen van de Academische raad
evenals de beperkt toegestane afwijkingen voor sommige faculteiten zijn
opgenomen. Diezelfde elementen zijn eveneens opgenomen in een voor de
studenten in vlottere taal omgezet boekje 'Examenvragen. Handleiding bij het
examenreglement'.
Voor het volgende academiejaar werkte de K.U.Leuven aan een versoepeling
en vereenvoudiging van het intern examenreglement. De examenperiode van
februari voor de eindjaren werd verplaatst naar januari. De examenperiode van
januari blijft echter een uitzondering voor bepaalde categorieën studenten die
men in het eindjaar niet de kans wenst te ontnemen o m zo vroeg mogelijk op
de arbeidsmarkt te komen. Een coherentere toepassing van het systeem
overdracht/vrijstelling werd ingevoerd. De interne beroepsprocedure werd
vereenvoudigd.
Tegelijk ging aandacht naar een meer uitgewerkte regeling voor de voortgezette academische opleidingen. Hierin moeten meer soepele voorwaarden
worden mogelijk gemaakt o m werkenden niet de mogelijkheid te ontzeggen
deze opleidingen te volgen. In casu wordt het vanaf het volgende academiejaar mogelijk voor deze opleidingen rekening te houden met lagere overdrachtsvoorwaarden: vanaf 1 0 kan men zonder bijkomende voorwaarde een
cijfer meedragen naar een volgende examenperiode binnen het jaar.
De
K.U.Leuven heeft reeds bij de Minister aangedrongen o m het decretaal raam
van de voortgezette opleidingen te versoepelen.
In het kader van zeer duidelijke afspraken op het niveau van universiteiten
wordt het mogelijk gemaakt dat ook academici van andere universiteiten in
onze instelling zullen optreden als promotor van een doctoraatsproefschrift.
Het is duidelijk dat het examenreglement een voorwerp van constante zorg zal
blijven en voortdurende bijsturing vergt. De indruk ontstaat dat er ook door de
overheid een te gedetailleerde regelgeving wordt opgelegd op dit punt. De
vraag naar een beperkte deregulering en zo mogelijk decentralisatie naar de
faculteiten is reeds herhaaldelijk gesteld. Er mag evenwel ook niet uit het oog
verloren worden dat inzonderheid voor examens een minutieuze regeltoepassing in elk geval moet gegarandeerd worden.
4.2.2 Overdracht van examencijfers en regeling van vrijstellingen
Overdracht van examencijfers wordt aan de K.U.Leuven enkel toegestaan bij
niet-geslaagde studenten die voor eenzelfde opleiding verder blijven studeren.
De overdrachtsregels zijn uitvoerig beschreven in artikels 39, 40, 4 0 bis en 4 0
quinquies van het examenreglement.
Vrijstelling kan gegeven worden aan studenten die reeds eerder aan de
K.U.Leuven of een andere instelling slaagden voor een deel van een opleiding.
De vrijstelling wordt in eerste orde gegeven op grond van een equivalentiebeoordeling. In de regel speelt het eerder behaalde cijfer dan geen rol. Men
kan dus in sommige gevallen ook een vrijstelling krijgen voor een opleidingsonderdeel waarvoor men eerder niet slaagde, maar dat men wel afwerkte binnen een opleiding waarvoor men in het geheel slaagde. De vrijstellingsmogelijkheden worden bij elke faculteit zelf bepaald en staan meestal uitvoerig
beschreven in de witte pagina's van het programmaboek.
4.2.3 Reglementering individueel aangepaste jaarprogramma's
De reglementering voor individueel aangepaste jaarprogramma's staat volledig
beschreven in de artikels 40ter t o t en met quinquies van het examenreglement. In het algemeen vindt men op dit ogenblik de regeling veel t e complex.
In heel wat faculteiten wordt vaak de vraag gesteld naar een volwaardig
creditsysteem. Dit kan echter enkel indien er grondige decretale wijzigingen
worden aangebracht in de vooruitgangsbewaking. In een V1.I.R.-werkgroep,
waarin regelmatig overleg gepleegd wordt over de toepassing van het decreet,
is een grote ontevredenheid merkbaar over de huidige t e strakke studiepuntenregeling.
4.2.4 Gelijkwaardigheidsbeslissingen
De K.U.Leuven wordt vaak o m advies gevraagd inzake de gelijkwaardigheidsbeslissingen die de Vlaamse overheid moet nemen ten aanzien van de universitaire einddiploma's. De adviestermijnen zijn relatief kort en de beschikbare
informatie is ook vaak eerder beperkt. Dit leidt bij verschillende faculteiten
nog steeds t o t gevoeligheden ter zake. Toch heeft men de indruk dat de
overheid in het algemeen met de meer gefundeerde adviezen ten volle rekening houdt.
De universiteit is in principe bevoegd om zelf gedeeltelijke gelijkwaardigheden
t e verlenen. Tot op heden verleende de K.U.Leuven dit soort gelijkwaardigheden niet.
Zolang er niet uitdrukkelijk o m gevraagd wordt, meent de
K.LI.Leuven immers zeer voorzichtig te moeten zijn met het uitreiken van
gedeeltelijke gelijkwaardigheden.
5.1 Input - Studenten
5.1 . l De totale studentenpopulatie aan de K.U.Leuven
Onderstaande bespreking omvat het geheel van de op de rol van de
K.U.Leuven ingeschreven studenten, zijnde de academische opleidingen, de
voortgezette academische opleidingen, lerarenopleidingen, doctoraatsopleidingen, doctorandi, navorsers, afzonderlijke vakken, postacademische opleidingen en voorbereidend instituut.
De gegevens hebben betrekking op het academiejaar 1995-96 (situatie op 1
februari 1996).
5.
Gegevens over
studenten
5.7 . 1 . 7 Evolutie
In totaal waren zevenentwintigduizend en veertien studenten (27 01 4 ) ingeschreven aan de K.U.Leuven, dit is 742 méér dan in 1994-95. Sedert 199293 nam deze groep jaarlijks gemiddeld met 345 eenheden toe. Procentueel
betekent dit een aangroei van 5 % sedert 1992-93. (Tabel 3)
Leuven telt 26 216 studenten, dit zijn 798 onderwijsvragenden méér dan het
voorgaande academiejaar. Deze toename te Leuven is identiek aan het totaal
aantal studenten ingeschreven te Kortrijk (7981, dat er 56 minder telt dan in
1994-95.
5. 7 . 7.2 Studiegebied
In tabel 3 zijn de studiegebieden weergegeven in dalende orde van studentenaantallen. Grosso modo kunnen er drie groepen in worden onderscheiden.
Een eerste groep met meer dan 2 500 studenten wordt aangevoerd door
Rechten-Notariaat-Criminologische wetenschappen (3 298) en Geneeskunde
( 3 2891, gevolgd door Economische en toegepaste economische wetenschappen (2 988) en tenslotte Psychologie en pedagogische wetenschappen ( 2 634)
en Toegepaste wetenschappen ( 2 551 ). Een tweede groep omvat eveneens
vijf studiegebieden waarvan het studentenaantal schommelt tussen ongeveer
1 300 en 2 000. De derde groep tenslotte omvat de overige zeven 'kleinere'
studiegebieden met tussen de 300 en 900 studenten.
De rangorde in omvang van studentenaantallen is quasi een spiegelbeeld van
de rangorde in aangroei tijdens de laatste vier jaar: de kleinere studiegebieden
zijn er relatief veel sterker op vooruit gegaan dan de grote, met als enige uitzondering Psychologie en pedagogische wetenschappen.
Van de eerste
'grote' groep is Rechten-Notariaat-Criminologische wetenschappen stabiel
gebleven, maar zijn Economische en toegepaste economische wetenschappen
(-20 %) en Toegepaste wetenschappen (-14 %) relatief sterk gedaald sedert
1992-93. Geneeskunde situeert zich zowat in de middenmoot ( 12 %).
+
Vergeleken met 1994-95 is de absolute aangroei van studentenaantallen het
grootst in de studiegebieden Psychologie en pedagogische wetenschappen
( 1901, Geneeskunde ( 1381, Taal- en letterkunde ( + 133) en Lichamelijke
opvoeding en kinesitherapie ( 126) De grootste afname stellen we vast in de
Toegepaste wetenschappen (-104).
+
+
+
5. 7 . 7.3 Regime, geslacht, nationaliteit en leeftijd van de studenten
Uit tabel 4 blijkt duidelijk dat deeltijdse studenten vooralsnog marginale groep
vormen. In totaal zijn slechts 484 studenten deeltijds ingeschreven, dit is 2 %
van de studentenpopulatie. 91 % van de studenten zijn ingeschreven voor
een voltijds programma en de overige 7 % hebben wegens de aard van hun
inschrijving geen specifiek programma.
Met dit jaar 13 576 mannen en 13 438 vrouwen of respectievelijk 50,3 % en
49,7 %, zullen wellicht vanaf 1996-97 de vrouwen voor het eerst eveneens
een meerderheid vormen in de totale studentenpopulatie. De verhouding
mannen-vrouwen is quasi identiek aan beide campussen. Uiteraard zijn er
belangrijke verschillen in de verhouding mannen-vrouwen tussen de studiegebieden, variërend van respectievelijk 80 %-20 % in Toegepaste wetenschappen tot 25 %-75 % in Psychologie en pedagogische wetenschappen.
De studenten van vreemde nationaliteit vertegenwoordigen met 2 296 eenheden 8,5 % van de totale studentenpopulatie. Het grootste deel hiervan (1 31 5
of 57 %) is niet afkomstig uit een EU-land. Vergeleken met vorig academiejaar noteren we een vrij aanzienlijke toename van de buitenlandse studenten
( + 260 of één derde van de totale aangroei), waarvan een meerderheid (176)
afkomstig is uit een Europees land, met uiteraard Nederland op kop ( + 8 6 ) .
De grootste concentratie studenten uit een EU-land vinden we uiteraard terug
in Geneeskunde (14 %) en Tandheelkunde (13 % i .
Tabel 5 geeft aan dat 8 0 % van de studentenpopulatie jonger is dan 23 jaar,
wat overigens als 'normaal' kan worden beschouwd. Boven deze leeftijdsgrens neemt het aandeel van elke categorie snel af.
5.1.2 Generatiestudenten
5.1.2.1 Evolutie
In 1995-96 waren er 5 318 generatiestudenten ingeschreven, een lichte toename met 8 4 eenheden vergeleken met 1994-95. Deze globale toestand is
het resultaat van een aangroei van 128 te Leuven en een afname van 4 4 te
Kortrijk.
5. 1.2.2 Studiegebied
Door de aanhoudende aangroei vanaf het begin van de negentiger jaren is
Psychologie en pedagogische wetenschappen uitgegroeid tot het studiegebied
met het grootste aantal generatiestudenten (713) aan de K.U.Leuven (Tabel 6)
en is Taal-en letterkunde met 542 eenheden vierde in de rangorde geworden.
Maar Rechten-Notariaat-Criminologische wetenschappen (642) en Economische en toegepaste economische wetenschappen (589) blijven nog steeds
aan de top van deze rangorde. Bijna 47 % van de generatiestudenten zijn
ingeschreven in deze vier studiegebieden van de Humane wetenschappen. De
Toegepaste wetenschappen zijn met 351 generatiestudenten in de middenmoot verzeild.
Zoals in de totale studentenpopulatie zijn er wat betreft de generatiestudenten
dezelfde zeven studiegebieden met een relatief klein aantal schommelend tussen 160 en 4 6 eenheden.
5. 1.2.3 Regime, geslacht, nationaliteit
Bij de generatiestudenten in de eerste kandidatuur is er vooralsnog een zeer
geringe interesse voor deeltijds studeren. Slechts 1 0 van de 5 31 8 generatiestudenten zijn ingeschreven op deeltijdse basis, waarvan 8 in WijsbegeerteMoraalwetenschappen.
Naar geslacht stellen we dit jaar een zeer lichte afname vast van de mannelijke
generatiestudenten (-6), zodat de globale positieve evolutie opnieuw volledig
op naam van de vrouwen moet worden geschreven ( + g o ) . Met respectievelijk 2 4 6 2 mannen en 2 856 vrouwen benadert de globale verhouding de
4 6 %-54 %. Uiteraard stellen we ook hier, en zelfs nog in verscherpte mate,
de reeds vroeger vastgestelde verschillen tussen de studiegebieden vast, met
name van resp. 8 2 % - l 8 % in de Toegepaste wetenschappen tot 11 %-89 %
in de Sociale gezondheidswetenschappen. Er zijn nog slechts zes studiegebieden met een meerderheid van mannelijke generatiestudenten (Toegepaste
wetenschappen, Economische en toegepaste economische wetenschappen,
Wijsbegeerte-Moraalwetenschappen, Wetenschappen en Geschiedenis), vier
studiegebieden met tussen de 42 % en de 46 % mannen (Rechten-NotariaatCriminologische wetenschappen, Lichamelijke opvoeding en kinesitherapie,
Politieke en sociale wetenschappen en Geneeskunde) en de overige met minder dan 37 % mannen.
Globaal vertegenwoordigen de buitenlanders met 296 eenheden slechts 5,6 %
van de generatiepopulatie aan de K.U.Leuven, waarvan het grootste deel
(260) afkomstig is uit een EU-land, en dus vooral Nederland. Dit laatste kan
onder meer worden afgeleid van de grote concentratie buitenlandse generatiestudenten uit een EU-land in Geneeskunde (199) en in mindere mate in Tandheelkunde (22). De toename van de generatiepopulatie in 1995-96 ( + 84) is
grotendeels het resultaat van de aangroei van de groep buitenlanders ( +51 1.
5.1.3 Nieuwe niet-generatiestudenten (tabel 7)
5.1.3. 7 Studiegebied
Van de in totaal 9 4 6 nieuwe niet-generatiestudenten vinden we een belangrijk
aandeel in Rechten-Notariaat-Criminologie (21 1 eenheden of 22 % van het
totaal) en eveneens 133 eenheden of 1 4 % in in Economische en toegepaste
economische wetenschappen.
Vermeldenswaard zijn verder ook nog de
instroom in Geneeskunde (95), Taal- en letterkunde (84), Wetenschappen (73)
en Politieke en sociale wetenschappen (63). Voor de overige studiegebieden
varieert dit aantal tussen 6 en 4 7 nieuwe niet-generatiestudenten.
5,7.3.2 Niveau van instroom
Slechts 9 % van deze groep nieuwe niet-generatiestudenten stroomt aan de
K.U.Leuven in op het niveau van een eerste kandidatuur.
Aangezien het grootste deel van deze populatie afkomstig is uit de kandidatuurinstellingen LUC, KUB en UFSIA (elk ongeveer 1 5 %), stroomt een meerderheid in op het niveau van het eerste jaar van de tweede cyclus (51 %). De
voortgezette opleidingen GAS en GGS vertegenwoordigen toch reeds 25 %
van deze groep.
5.1.4 Financierbare studenten
De werkingsuitkeringen in het begrotingsjaar 1997 worden bepaald op grond
van de financierbare studenten, vastgesteld in de telling per 11211996.
De financierbare studenten worden uitgedrukt in volgende eenheden:
het aantal studenten;
het aantal voltijdse eenheden, waarbij deeltijds studerenden en studenten
voor wie de studieomvang tussen 5 0 % en 7 5 % ligt, slechts voor een
halve eenheid in aanmerking worden genomen;
- het aantal onderwijsbelastingseenheden (OBE) verkregen door weging der
voltijdse eenheden met de coëfficienten toegekend aan de verschillende
financieringsgroepen: A = l; B = 2; C = 3; L=0,67 (academische lerarenopleiding).
-
Tabel 8 geeft per faculteit afzonderlijk per campus en per financieringsgoep de
volgende gegevens: hoofdinschrijvingen, financierbare voltijdse eenheden en
de overeenstemmende aantallen OBE, ten laste van het departement Onderwijs. Daarnaast worden ook de aantallen ten laste van de nationaal gebleven
kredieten voor ontwikkelingssamenwerking vermeld. In de begroting 1997 zal
er een toename met 685 OBE zijn ten gevolge van de resultaten op 1/2/95.
5.2 Output
- Examenresultaten en diploma's
5.2.1 Eerste kandidatuur
De aantallen studenten hebben uiteraard betrekking op het einde van het academiejaar en omvatten bovendien niet de studenten ingeschreven voor afzonderlijke vakken, navorser, voorbereidend instituut en postacademische opleidingen. (Tabel 9)
Over de ganse eerste kandidatuur bekeken slaagt 4 5 % van het aantal op de
rol ingeschreven studenten. Eveneens berekend ten opzichte van het totaal
aantal ingeschrevenen op de rol, bedraagt het slaagpercentage van de genera-
tiestudenten 4 3 %. Dit slaagpercentage varieert tussen de studiegebieden van
2 7 % in Tandheelkunde t o t 7 0 % in Toegepaste wetenschappen. Relatief
lage slaagpercentages vinden w e in een aantal studierichtingen met hoge aantrekkingskracht, met name Psychologie en pedagogische wetenschappen
(32 %), Rechten-Notariaat-Criminologie (35 %) en Economische en Toegepaste Economische wetenschappen (39 %), maar ook in Politieke en sociale
Wetenschappen ( 3 7 %) en in Wijsbegeerte-Moraalwetenschappen ( 3 9 %).
De hogere slaagpercentages vinden we, naast de Toegepaste wetenschappen
( 7 0 %) terug in Godgeleerdheid-Godsdienstwetenschappen-Kerkelijk recht
(65 %), Farmaceutische wetenschappen (55 %) en Geschiedenis (55 %).
De overige studiegebieden situeren zich qua examenresultaten van generatiestudenten rond het gemiddelde.
De 'andere' studenten in de eerste kandidatuur scoren beduidend hoger dan
de generatiestudenten w a t examenresultaten betreft, met name 51 %
geslaagden. Aangezien w e reeds vroeger hebben vastgesteld dat de instroom
van nieuwe niet-generatiestudenten op het niveau van de eerste kandidatuur
beperkt is, gaat het hier in hoofdzaak om bissers. Dit fenomeen van hogere
slaagpercentages na een bisjaar werd reeds vroeger vastgesteld voor het
ganse universitaire onderwijs in Vlaanderen. Bij deze groep varieert het slaagpercentage'tussen 3 8 % en 8 2 %.
Voor de onderscheiden studiegebieden is er evenwel geen rechtlijnige relatie
tussen een laag of hoog slaagpercentage bij de generatiestudenten en een
overeenstemmend laag of hoog slaagpercentage bij de overige studenten van
de eerste kandidatuur. Bovendien is niet voor elke studierichting het slaagpercentage van de andere studenten in de eerste kandidatuur hoger dan dat
van de generatiestudenten.
5.2.2 Overige studiejaren
In de tweede kandidatuur bedraagt het slaagpercentage globaal 7 9 %, variërend tussen 6 8 % en 9 1 %. Algemeen kunnen w e stellen dat er een vrij
goede relatie is tussen het slaagpercentage in de eerste kandidatuur en dat
van de tweede kandidatuur. De belangrijkste uitzonderingen die w e hier willen
vermelden zijn drie studiegebieden met een relatief laag slaagpercentage in
zowel de eerste als de tweede kandidatuur, met name, Psychologie en
pedagogische wetenschappen (resp. 3 4 % en 7 0 %), Politieke en sociale
wetenschappen (resp. 3 8 % en 6 8 %) en Rechten-Notariaat-Criminologie
(resp.40 % en 7 6 %).
In de eerste licentie of het eerste jaar van de tweede cyclus slaagt 9 0 % van
de ingeschreven studenten. Twee belangrijke uitschieters naar beneden zijn
Wijsbegeerte-Moraalwetenschappen ( 7 9 %l en Farmaceutische wetenschappen ( 8 0 %), maar ook het slaagpercentage van bv. Rechten-Notariaat-Criminologie (81 %) situeert zich onder het gemiddelde.
Voor de tweede licentie of het tweede jaar van de tweede cyclus, globaal
8 9 % geslaagden, stellen w e relatief zeer lage slaagpercentages vast in een
aantal kleinere studierichtingen zoals Godgeleerdheid-Godsdienstwetenschappen-Kerkelijk Recht ( 6 2 %), Geschiedenis ( 6 6 %), Wijsbegeerte-Moraalwetenschappen ( 6 7 %) en Sociale gezondheidswetenschappen (75 %).
Het in tabel 9 vermelde slaagpercentage onder 2elicljaar Geneeskunde ( 7 3 %)
is in realiteit niet juist omdat in het totaal aantal studenten voor dat studiejaar
121 studenten 2e jaar Huisarts zijn inbegrepen, die niet ingeschreven hebben
voor de examens; het slaagpercentage moet als dusdanig berekend worden op
3 4 0 studenten, w a t neerkomt op 9 9 % geslaagden.
Voor de overige slaagpercentages verwijzen w e naar tabel 9.
5.2.3 Diploma's
5.2.3.1Niveau en regime
Op het einde van academiejaar 1995-96 werden aan de K.U.Leuven 9 6 1 4
diplomas uitgereikt (Tabel I O ) , waarvan 3 272 kandidaatsdiploma's ( 3 4 % i ,
4 115 diploma's academische opleiding ( 4 3 %), 1 123 getuigschriften van
voortgezette academische opleiding (12 %), 828 diploma's van lerarenopleiding ( 9 % i en 269 doctoraatsdiploma's ( 3 % i .
Slechts 142 of 1 % van de totaliteit van deze diploma's en getuigschriften
werd behaald op basis van deeltijds studeren, waarvan de overgrote meerderheid (127) in de voortgezette academische opleidingen.
5.2.3.2 Niveau en studiegebied
De hierboven aangehaalde percentages behaalde diploma's per niveau zijn
uiteraard sterk verschillend naargelang het studiegebied. Zonder in detail deze
verschillen hier te bespreken (zie tabel 111, willen wij er enkel op wijzen dat de
verschillen op kandidaatsniveau en op niveau van de voortgezette academische opleiding niet enkel verklaard worden door verschillen in rendement,
maar eveneens door de instroom op het niveau van het eerste jaar van de
tweede cyclus (vanuit kandidatuurinstellingen).
5.2.3.3Niveau en geslacht
Tabel 11 geeft een gedetailleerd overzicht van de diploma's per studiegebied,
niveau en geslacht. Wij beperken ons onder deze rubriek tot de relatie tussen
niveau en geslacht, zonder deze verder nog op te splitsen naar studiegebied.
Aangezien de vrouwen reeds gedurende enkele jaren een meerderheid van de
studentenpopulatie vertegenwoordigen, zien w e ook deze meerderheid weerspiegeld in de diploma-verhouding. Zowel op het niveau van de kandidaatsdiploma's als die van de academische opleiding is de verhouding mannen-vrouwen ongeveer 48-52 %.
Een relatief beduidend groter aantal vrouwen dan mannen behaalt een diploma
lerarenopleiding, deels omdat het grootste deel van deze diploma's worden
behaald in de humane studiegebieden en de vrouwen hierin zeer sterk vertegenwoordigd zijn, maar wellicht deels ook nog in functie van arbeidsmarktperspectieven.
Bij de getuigschriften van voortgezette academische opleidingen zijn de mannen in de meerderheid (52 %) en dit is nog duidelijker voor wat betreft het
behalen van een doctoraat (68 %).
5.2.4 Opvolging arbeidsloopbaan van de afgestudeerden
De laatste globale enquête over de tewerkstelling van afgestudeerden van de
K.U.Leuven dateert van 1993.
Er wordt momenteel in de Dienst Studieadvies gewerkt aan de voorbereiding
van een nieuwe enquête over de tewerkstellingssituatie van tweede cyclusgediplomeerden van 1995. In een paar gevallen werden ook voor zelfstudierapporten van visitaties enquêtes verricht over de tewerkstelling van gediplomeerden.
In nauwe coöperatie met de Jobdienst verrichte Studieadvies een onderzoek
bij 7 7 6 bedrijven. Bedoeling hiervan was de ingewonnen informatie over die
bedrijven ter beschikking te stellen van werkzoekende studenten en alumni en
anderzijds die bedrijven te informeren over de werking van de Coördinatiecommissie Plaatsingshulp, de dienst Studieadvies en de Jobdienst K.U.Leuven.
Aan studenten zou enerzijds de kans geboden worden o m langs studentenjobs
ervaring op te doen in functie van een latere tewerkstelling. Andere studenten
dan weer, die nog geen idee hebben van een toekomstig beroep, zouden langs
eenzelfde ervaring een beter beeld kunnen krijgen van een aantal beroepsalternatieven. Waar de respons op de vragenlijst eerder gering was, bleek het
onderzoek wel stimulerend voor bedrijven om interessante studentenjobs aan
te bieden.
5.2.5 Plaatsingshulp
De Coördinatiecommissie Plaatsingshulp coördineert samen met andere centrale diensten de plaatsingshulpwerking aan de K.U.Leuven. Terwijl de 55
facultaire plaatsingsverantwoordelijken zich inspannen om de laatstejaars en
afgestudeerden uit hun eigen studierichting te informeren over de arbeidsmarkt, biedt de Coördinatiecommissie een faculteitsoverkoepelend informatiepakket aan. Tijdens een reeks informatievergaderingen worden de sollicitatieprocedure (sollicitatiebrief en CV, sollicitatiegesprek, de verhandeling) en
enkele arbeidsmarktsectoren (onderwijs, diplomatie, werken in het buitenland,
algemene jobinformatiedag) toegelicht. In 1996 werd een intensieve begeleidingscursus 'Eerste Hulp bij Solliciteren' opgestart. De afstuderenden worden
persoonlijk op de hoogte gebracht van deze activiteiten via het Informatieblad
Plaatsingshulp.
Zij vinden ook schriftelijke informatie in de brochures
'Diplomatieke Loopbaan',
'Adressenlijst Werken in het Buitenland'
'Dag
Unief. Wat nu?'
In de mediatheek Plaatsingshulp kunnen naslagwerken
geraadpleegd worden die kunnen helpen bij het voorbereiden van (spontane)
sollicitaties. Ook het WIS-systeem van de VDAB en andere computerprogramma's, staan in de mediatheek ter beschikking van de werkzoekende
(oud)-studenten.
Er werd gestart met de voorbereidingen van een vacaturebank op CWIS die
aan studenten en afgestudeerden (na intikken van hun alumninummer) de kans
geeft, alle vacatures die aan de plaatsingsdiensten worden meegedeeld, te
raadplegen.
In 1996 was het gunstige klimaat op de arbeidsmarkt duidelijk voelbaar bij de
plaatsingshulp door het grote aantal vacatures dat werd gemeld, de grote
opkomst van werkgevers tijdens de Jobinformatiedag en de vele advertenties
in het Informatieblad. De vraag naar informatici kent een grote stijging.
6.1 Reglementering
De reglementering voor de examencommissies van de Vlaamse gemeenschap
is dezelfde als die voor de universitaire examencommissies, uitgezonderd
uiteraard die bepalingen die bij het besluit van de Vlaamse regering uitdrukkelijk buiten werking zijn gesteld in verband met de overdrachtsvoorwaarden.
Voor de meeste faculteiten stelt het systeem inzake organisatie weinig problemen. Enkel in bepaalde faculteiten waar heel wat bijzondere werkvormen
worden gehanteerd, zoals begeleide practica, excursies enz. stelt zich soms
een probleem indien de beoordeling hiervan een essentieel onderdeel van het
programma of van een opleidingsonderdeel uitmaakt
6.2 Aantal ingeschreven examinandi
In het totaal schreven zich in 1995-1996 9 3 (59 mannen en 3 4 vrouwen) studenten in voor de eerste examenperiode, gespreid over 57 verschillende
studiejaren. Voor de tweede examenperiode schreven zich 52 (30 mannen en
22 vrouwen) studenten in, gespreid over 4 0 studiejaren.
Het merendeel van de studenten is Belg (86 in de eerste examenperiode,
tegenover 6 EU-onderdanen en 1 andere; 47 in de tweede examenperiode,
tegenover 3 EU-onderdanen en 2 andere).
Naar leeftijd is er een normale verdeling met een concentratie van studenten
geboren in de jaren tussen 1967 en 1973. Inzake vooropleiding gaat het in
6.
Gegevens Over
de examencommissies van
de Vlaamse
gemeenschap
het merendeel van de gevallen ( 6 2 op 9 3 in de eerste examenperiode, 3 6 op
5 2 in de tweede examenperiode) o m studenten die reeds eerder een ander
academisch einddiploma behaalden en die bijgevolg de goedkoopste weg zoeken o m een tweede diploma te behalen. In een beperkte mate ziet men ook
studenten die bij herhaling niet slaagden voor de eerste jaren binnen een universitaire formule, via deze weg toch nog eens herkansen: 2 3 studenten op 9 3
in de eerste examenperiode en 1 5 op 5 2 in de tweede examenperiode schrijven nog altijd in op basis van een diploma van secundair onderwijs.
Enkel indien de student formeel reeds een ander einddiploma behaalde, beschikken w e over inschrijvingsgegevens aan een andere Vlaamse universiteit.
Het volledig curriculum aan de K.U.Leuven is wel altijd beschikbaar, maar ook
dan blijft het weinig zinvol o m voor zo'n kleine groep studenten uitspraken te
doen.
6.3 Resultaten
De resultaten voor de examencommissies van de Vlaamse gemeenschap zijn
niet erg gunstig. In het totaal moest slechts voor 106 personen een beoordeling geveld worden, gezien verschillende personen zich voor de beide examenperiodes inschreven. Voor die 1 0 6 personen is de verdeling als volgt:
- 25 (23,6 %) bereikten na een examenperiode een gunstig resultaat;
- 1 6 (15,1 %) bereikten na twee examenperiodes een gunstig resultaat;
- 4 2 (39,6 %) namen slechts aan één examenperiode met negatief resultaat
deel;
- 2 3 (21,7 %) bereikten na twee examenperiodes een negatief resultaat.
In het totaal reikten de examencommissies van de Vlaamse gemeenschap in
1995-19 9 6 21 diploma's uit (5 eerste cyclus, 1 6 tweede cyclus).
7.
lnternationa'e
relaties
7.1 Algemene duiding
De universiteit ontsnapt uiteraard niet aan de internationaliseringstrend die alle
segmenten van de maatschappij op dit ogenblik kennen. De universiteiten zijn
het aan zichzelf verplicht zich geleidelijk te ontwikkelen t o t kenniscentra die
inspirerend en creatief meebouwen aan de internationale gemeenschap.
Dit is in feite reeds langer het geval voor de onderzoekstaak, waar de internationale uitwisseling van gegevens en de internationale toetsing van resultaten
behoort t o t de wezenskenmerken van het fundamenteel onderzoek. Dit wordt
de jongste paar decennia nog bijkomend gestimuleerd door financieringsmechanismen als dat van het Europees kaderprogramma en dergelijke. In het
onderzoeksgedeelte van dit jaarverslag blijkt dat overduidelijk.
Deze internationalisering dringt ook dieper en dieper door in het onderwijsgebeuren aan de universiteit. Bij het uittekenen van het beleid dient rekening
gehouden met enkele essentiële punten. Vooreerst de kwaliteit: in een meer
internationale en concurrentiële omgeving zal de kwaliteit van onderwijs en
onderzoek wellicht het belangrijkste element worden voor de aantrekking van
studenten, stafleden en financiële middelen.
Verder zal de universiteit over de nodige flexibiliteit moeten beschikken o m
voldoende snel in te spelen op mogelijkheden die de internationalisering biedt
en moet ze in staat zijn effectieve keuzen te maken tussen diverse mogelijkheden.
7.2 Samenwerkingsovereenkomsten
7.2.1 Samenwerkingsovereenkomsten met buitenlandse universiteiten
De bilaterale akkoorden van de K.U.Leuven functioneren van oudsher naast de
nationale en Europese programma's en trachten ze waar mogelijk aan t e vullen
of bij t e sturen. Tijdens het academiejaar 1995-19 9 6 werd gestart met een
grondige evaluatie van deze 'klassieke instrumenten voor internationale
samenwerking'. In bijlage 6 vindt men een overzicht van de lopende akkoorden van de K.U.Leuven met buitenlandse universiteiten. In de meeste gevallen
houden deze akkoorden mogelijkheden in voor regelmatige en wederzijdse
uitwisselingen van stafleden enlof doctorandi.
7.2.2 Buitenlandse studenten
Tijdens het academiejaar 1995-96 waren er 2 3 0 4 buitenlandse studenten
ingeschreven aan de K.U.Leuven (zie bijlage 7). Zij waren afkomstig uit 9 9
verschillende landen. In dit getal zijn niet begrepen de 6 3 4 studenten die in
het kader van de Europese Erasmus- en Tempusprogramma's in Leuven studeerden, maar die ingeschreven bleven aan hun universiteit van herkomst.
Nederland leverde opnieuw het grootste aantal studenten die voornamelijk in
de Faculteit Geneeskunde terug t e vinden waren (414). De reden van deze
massale toestroom is nog steeds t e wijten aan het feit dat vele Nederlandse
studenten 'uitgeloot' worden in het eigen land en bijgevolg uitwijken naar de
universiteiten in Vlaanderen. Sedert het verdwijnen van de apartheid bieden
zich meer studenten afkomstig uit Zuid-Afrika aan. Dit wordt uiteraard in de
hand gewerkt door de taalverwantschap tussen het Nederlands en het
Afrikaans.
Van de 2 3 0 4 buitenlandse studenten schreven er zich 9 7 7 in voor de eerste
en tweede cyclus, 587 voor voortgezette opleidingen, 4 0 0 als doctoraatsstudent en 3 4 0 voor vrije opzoekingen.
Het afleveren van verblijfsvergunningen aan buitenlandse studenten van buiten
de EU bleek i n een aantal gevallen nog steeds moeilijkheden op t e leveren.
Het statuut van de vrije onderzoekers, de situatie van de echtgenoten die
wensen t e studeren, de omschakeling van het statuut van doctoraatsstudent
naar vrij opzoeker en de omschakeling van het statuut van student naar werknemer is zeer problematisch en vaak een bron van ergernis.
Er wordt aangedrongen bij de bevoegde overheid o m het precaire statuut van
de zogenaamde vrije onderzoekers op t e lossen door een zuiverder aflijning
enerzijds van de categorie doctorandi die behoren t o t de studenten en anderzijds voor de eigenlijke navorsers.
Het aantal studiebeurzen dat aan buitenlandse studenten werd toegekend voor
1995-96 en door de Dienst internationale relaties geadministreerd werd, Erasmus- en Tempus-beurzen niet meegerekend, bedroeg ongeveer 450. Deze
werden toegekend in het kader van de ontwikkelingssamenwerking (46), de
interuniversitaire bilaterale akkoorden (45) en op kredieten verstrekt door
facultaire units, de universitaire ziekenhuizen, IMEC, LR&D (ca. 241 ), de
Dienst Onderzoekscoördinatie (100), en de Soros Foundation (18).
7.2.3 Gastprofessoren
Aan de K.U.Leuven werden 1 0 4 gastprofessoren aangesteld. Het onderzoeksfonds kende 7 6 fellowships toe aan academici van gerenommeerde buitenlandse instellingen o m een bepaalde periode in onze laboratoria onderzoek
t e verrichten.
De unit 'Huisvesting Gastprofessoren' zorgt voor de accommodatie van buitenlandse hoogleraren en onderzoekers. De laatste jaren werd deze service ook
uitgebreid t o t leden van het academisch personeel afkomstig uit de Europese
Unie en de landen van Oost- en Centraal-Europa die t e Leuven verbleven in het
kader van de Erasmus- en Tempusprogramma's, t o t de buitenlandse academici
die de K.U.Leuven uitkiezen o m er hun sabbatical leave door t e brengen en t o t
de houders van een doctorsgraad die participeren aan een researchproject met
inbegrip van research fellows van het Onderzoeksfonds. In het totaal worden,
gespreid over een jaar, circa 2 4 8 gasten gehuisvest in een veertigtal
appartementen in het Universitair Centrum Groot Begijnhof en in een vijftigtal
gehuurde appartementen.
7.2.4 Ontwikkelingssamenwerking
Van de 2 2 0 3 ingeschreven buitenlandse studenten zijn er 7 4 4 afkomstig uit
erkende ontwikkelingslanden. De K.U.Leuven wenst daarin vooral t e mikken
op voortgezette academische opleidingen en doctoraten.
De Academische overheid stelde 2 4 mio BEF ter beschikking voor het toekennen van 4 6 studiebeurzen aan postgraduaatsstudenten uit de ontwikkelingslanden van wie er in 1995-96 1 5 een master- en 3 1 een doctoraal-programma uitvoerden. Ongeveer 4 0 % van deze bursalen beëindigden hun
studies en keerden naar hun land van herkomst terug. De anderen zetten hun
studies verder.
Studenten van de Derde Wereld vond men vooral i n de studierichtingen Godgeleerdheid, Wijsbegeerte, Geneeskunde en Toegepaste wetenschappen. De
programma's Human Settlements en Water Resources Engineering worden
speciaal georganiseerd voor postgraduaatsstudenten met beroepservaring.
Op eigen budgetten van de Interfacultaire Raad voor Ontwikkelingssamenwerking (IR01 werden kleinschalige doch nuttige projecten gefinancierd, zoals
onder andere het project medische hulp aan de Universiteit van Kinshasa,
recyclage van artsen uit Latijns-Amerika, coöperatie i n het kader van het programma 'Maestro en educación' aan de Katholieke Universiteit van Uruguay t e
Montevideo.
De grootste 'omzet' van samenwerking werd gerealiseerd via het kanaal van
de 'VL.1.R.-eigen initiatieven': de overheid stelt langs ABOS fondsen ter
beschikking waarbinnen de universiteiten samenwerkingsprojecten met de
Derde Wereld kunnen laten financieren.
Einde december 1 9 9 6 was de K.U.Leuven in de volgende landen met 'VL.1.R.eigen initiatieven' actief: Ivoorkust (4x1, Kameroen, Kenya (2x1, Nigeria (2x1,
Senegal, Tanzania, Zuid-Afrika, Cambodja, China (2x1, Filipijnen (2x1,
Indonesië, Maleisië, Thailand, Vietnam (4x1, Bolivia (2x1, Brazilië (2x1,
Colombia (2x1, Ecuador (3x), Mexico, Peru, Suriname. De goedkeuring van
projectvoorstellen laat de laatste jaren echter bijzonder lang op zich wachten.
Diverse opmerkingen terzake hebben t o t nog toe geen effect gehad. Er valt t e
vrezen dat de bureaucratische gewoonten van het bevoegde bestuur een
demotiverend effect gaan hebben.
Aan de Academische raad werd in het voorjaar 1 9 9 6 een bilan voorgelegd van
de eigen initiatieven tussen 1 9 8 6 en 1995. Hieruit blijkt dat de K.U.Leuven
ten opzichte van de andere Vlaamse universiteiten gemiddeld vrij goed scoort.
Het overgrote deel van onze projectvoorstellen komt uit de Exacte wetenschappen. Er worden inspanningen geleverd om ook de Biomedische en de
Humane wetenschappen t o t meer activiteit t e bewegen.
Het is nochtans hoopvol vast t e stellen dat deze groepen dan weer op andere
terreinen een grotere activiteit beginnen t e ontplooien. Zo stelde de overheid
weer mogelijkheden open o m met kleinschalige, relationele netwerken in Zaïre
t e starten. De K.U.Leuven legde negen voorstellen voor, grotendeels uit de
Biomedische wetenschappen. Ook hierin werd opnieuw vertraging vastgesteld.
Inmiddels blijft er wel op basis van eigen middelen van de universiteit vanuit
de faculteiten Geneeskunde en Godgeleerdheid een belangrijke voortzetting
van de contacten.
De Humane wetenschappen deden het dit jaar dan weer goed in het
'beleidsvoorbereidend onderzoek'. Hiervoor werd ook een aparte financiering
voorzien sinds enkele jaren. Het gaat hier o m punctueel onderzoek dat wordt
uitgevoerd o m de Staatssecretaris te ondersteunen in zijn politiek (omtrent
lange-termijn-economische gevolgen van bepaalde ingrepen, mensenrechtenproblematiek, duurzame gevolgen op het leefmilieu enz.). Via dit kanaal moet
zo een permanente expertise worden opgebouwd waarop de overheid dan
beroep kan doen bij de voorbereiding van internationale afspraken.
Een belangrijk nieuw gegeven in 1996 was de voorbereiding van de
'institutionele' samenwerking waartoe de Vlaamse universiteiten zich einde
1994-95 ten opzichte van de bevoegde Minister verbonden. De universiteiten
zelf hebben binnen de VI.1.R. hun voorbereidingsinspanning verder gezet. De
gezamenlijke universiteiten besloten - onder voorbehoud van goedkeuring door
de Staatssecretaris - hun samenwerking te concentreren op een tiental
partners in de Derde Wereld, waarvan de helft in Afrika. Voorlopig werd reeds
een eerste selectie gemaakt. In Afrika zouden als prioritaire partners gelden :
University of Nairobi (Kenya), University of Dar-es-Salaam (Tanzania), Sokoine
Agricultural University (Tanzania), University of Zambia (Zambia), University of
Zimbabwe (Zimbabwe), University of Can Tho (Vietnam), Hanoi University of
Technology (Vietnam), Universidad Mayor San Simon de Cochabamba
(Bolivia). De keuze zal op termijn nog uitgebreid worden met vermoedelijk één
Westafrikaanse partner, één Aziatische partner en één Latijns-Amerikaanse
partner. Met betrekking t o t deze laatste twee stelde Leuven een keuze binnen
de Filipijnen en Ecuador voorop.
Het nieuwe samenwerkingsprogramma is op verschillende terreinen
vernieuwend. Er komt immers een maximale samenwerking tussen de Vlaamse
universiteiten t o t stand. Dit uit zich onder meer in de coördinatie van de universitaire samenwerking. Met betrekking t o t elke overzeese partner wordt de
coördinatie aan één Vlaamse universiteit toegewezen. Die moet alle administratieve stappen ten aanzien van de overzeese partner - ook voor deelprojecten die zullen uitgevoerd worden door andere universiteiten - op zich nemen.
Tegelijk wordt er ook een wetenschappelijke coördinator binnen die Vlaamse
instelling aangesteld. Die moet er in Vlaanderen mee voor garant staan dat de
projectuitvoering voor alle luiken in consensus verloopt tussen alle Vlaamse
universiteiten. Ook hierin treedt een ernstige vertraging op in de besluitvorming van de overheid. Het lijdt geen twijfel dat dit nieuwe programma een
toetssteen wordt zowel voor het overheidsbeleid in ons land, als voor de
intrinsieke bereidheid van de Vlaamse universiteiten o m op een coöperatieve
wijze samen t e werken in ontwikkelingslanden.
Voorlopig kreeg de K.U.Leuven de coördinatie toegewezen met betrekking t o t
de University of Zimbabwe en de Universidad San Simon van Cochabamba.
De K.U.Leuven blijft ook actief in de wetenschappelijke begeleiding van een
aantal NGO's. De akkoorden met Wereldsolidariteit en de Dienst Missie en
Ontwikkelingssamenwerking blijven lopen. Het samenwerkingsverband met
Act en Internationaal Hulpbetoon Caritas werd uitgebreid t o t een groter geheel
van NGO's, dat zich profileert onder de benaming Aaron: hieraan participeren
nu ook leder voor Allen (IVA), Form, enz. De K.U.Leuven wenst echter uitdrukkelijk een exclusief beslag op haar wetenschappelijke begeleiding t e
vermijden en staat open voor samenwerking met andere NGO's.
Intern moet gewezen worden op de verhoogde activiteit van de Interfacultaire
raad voor ontwikkelingssamenwerking. Deze besprak een conceptnota voor
haar verdere initiatieven. Op grond hiervan werd een eerste aanzet gegeven
t o t het herschikken van het licht verhoogde budget dat de Raad ter beschikking kreeg. Waar t o t voorheen de klemtoon exclusief op het verlenen van
beurzen voor studies t e Leuven lag, werden enkele nieuwe budgetlijnen
gecreëerd met het oog op het stimuleren van kleinschalige initiatieven in de
Derde wereld zelf, het uitzenden van studenten in het kader van reeds lopende
projecten, de recyclage van academisch personeel uit ontwikkelingslanden
enz.
7.2.5 Europese onderwijsprogramma's
7.2.5.1 Socrates en ERASMUS
Tijdens het academiejaar 1995-1996 stuurde de K.U.Leuven 6 4 9 studenten
naar de Europese partnerinstellingen uit. Tegelijkertijd werden 5 3 0 buitenlandse ERASMUS-studenten in Leuven ontvangen. Deze studentenmobiliteit
vormt een belangrijk onderdeel van de 1'39 ERASMUS-projecten waarbij de
K.U.Leuven betrokken is. Hiervan worden er 3 2 gecoördineerd door de
K.U.Leuven.
In 1995-19 9 6 werd het ECTS-schema, na de positieve ervaringen van het
Departement Werktuigkunde in de Faculteit Toegepaste Wetenschappen,
uitgebreid t o t bijna alle faculteiten. Wijlen Prof. Dutré vervulde sedert 1 9 9 2
op supra-nationaal vlak de functie van 'Europees ECTS-Coördinator' en 'ECTS
Subject Area Coordinator for Mechanica1 Engineering'. Het is wenselijk dat
het ECTS-schema zonder meer naar alle faculteiten wordt uitgebreid.
ERASMUS-studenten uitgestuurd door de K.U.Leuven
Finland
Totaal
Uitzendende faculteit
Totaal
13
649
Buitenlandse ERASMUS-studenten aan de K.U.Leuven
Verenigd Kaninkrijk
Ijsland
f weden
Zwitserland
Totaal
51
8
530
Totaal
530
Vanaf het academiejaar 1997-19 9 8 wordt het Erasmus-programma ondergebracht onder het Socratesprogramma van de Europese Commissie. Dit houdt
evenwel een belangrijke wijziging in: universiteiten die hieraan willen deelnemen moeten dit kaderen in een globaal institutioneel internationaliseringsbeleid
en vervolgens een institutioneel contract afsluiten met de Commissie. De
K.U.Leuven heeft veel aandacht besteed aan haar Europese beleidsverklaring.
Deze houdt de volgende doelstellingen in:(a) het verbreden en verdiepen van
de academische curricula door programmatische samenwerking met andere
universiteiten; (b) het waarborgen van de Europese vorming van haar studenten door openstelling en uitwisseling met een diversiteit van Europese universiteiten; en (c) de uitbreiding van haar rol van wetenschappelijke dienstverlening t o t de bredere Europese gemeenschap in samenwerking met Europese
partneruniversiteiten.
In haar voorstel t o t institutioneel contract met de Europese Commissie heeft
de K.U.Leuven de volgende activiteiten voorgesteld ter uitvoering van de
Europese beleidsverklaring:
- de introductie van eerste cyclusstudenten in de Europese zwaartepunten
van de onderscheiden disciplines en de begeleiding van hun keuze voor
deelname aan mobiliteit in de latere studiefasen;
- de organisatie van de Europese mobiliteit van studenten van de tweede en
derde cyclus. Het doel doel is een instroom en uitstroom van telkens 1 000
studenten per jaar;
- de verdere invoering van het ECTS-stelsel in al haar geledingen o m deze
mobiliteit t e bevorderen;
- de uitwisseling van docenten op het niveau van de tweede en derde cyclus
(telkens een honderdtal inkomende en uitgaande) waardoor partneruniversiteiten het Europees profiel van hun programma's bevorderen door
-
wederzijdse inbreng van hun sterke en complementaire punten;
de deelname aan een vijftigtal intensieve programma's, voornamelijk op het
niveau van de tweede cyclus waarvan ze er zeven coördineert;
een belangrijke aanzet van transnationale cursus- en curriculumontwikkeling, veelal met open en afstandscomponenten (deelname aan acht Europese modules, in twee als coördinator, en aan twaalf curriculum developmentprogramma's).
Waar deze activiteiten zich situeren op het niveau van de derde cyclus kunnen
zij aanzienlijk bijdragen t o t het beleid inzake onderwijs en onderzoek dat de
K.U. Leuven beoogt.
Inmiddels is de K.U.Leuven bezorgd over het financieringsniveau van het
Socratesprogramma: daar waar de strategieën van de Europese Commissie het
Europese karakter en de kwaliteit van het hoger onderwijs in zeer hoge mate
bevorderen, blijkt de Europese overheid een onvoldoende financieel draagvlak
t e voorzien.
7.2.5.2De andere Europese onderwijsprogramma's
De K.U.Leuven is van bij de start ook een actieve partner in de Europese
onderwijsprogramma's met landen buiten de EU. Tijdens het academiejaar
1995-19 9 6 participeerde de K.U.Leuven in meerdere andere programma's.
Het TEMPUS-PHARE-programma richt zich op samenwerking met partnerinstellingen uit Centraal- en Oost-Europa. In het kader van dit programma verbleven
7 7 Centraal- en Oost-Europese studenten aan de K.U.Leuven.
Zij zijn
afkomstig uit Hongarije, de Tsjechische Republiek, Slovakije, Albanië, Polen en
Bulgarije. Zelf stuurden w e zes K.U.Leuven-studenten voor een studieperiode
naar de Tsjechische Republiek en Hongarije.
Het TEMPUS TACIS-programma tracht de universiteiten uit de vroegere
Sovjet-Unie bij t e staan in de herstructurering van hun faculteiten en diensten
en bij de vernieuwing van de curricula. De K.U.Leuven nam tijdens het academiejaar 1995-19 9 6 aan acht projecten deel.
Sedert het academiejaarl994-1995 financiert de Europese Commissie universitaire samenwerking met Latijns-Amerika via het ALFA-programma
(America Latina Formacion Academica). Tijdens het voorbije academiejaar
participeerde de K.U.Leuven in acht ALFA-projecten, waarvan ze er drie zelf
coördineerde.
Recent gingen t w e e nieuwe Europese onderwijsprogramma's van start voor
samenwerking met de Verenigde Staten en met Canada. K.U.Leuven coördineert één van de zes op Europees vlak goedgekeurde netwerken in het kader
van het EU-Canada-programma.
Het project situeert zich in de Faculteit
Rechtsgeleerdheid en zal van start gaan in het academiejaar 1997-1998.
7.2.5.3Het grenslandenbeleid
In het raam van het grenslandenbeleid (akkoord ondertekend door de ministers
van Onderwijs van Bremen, Nederland, Nedersaksen, Noordrijn-Westfalen en
Vlaanderen) zijn er een aantal exploratieve contacten met Nederlandse universiteiten, waarmee de K.U.Leuven reeds langer samenwerkt. In tegenstelling t o t Nederland waar een Grenslandenfonds dergelijke initiatieven steunt
zijn er in Vlaanderen geen specifieke middelen voorzien. Toch wenst de
K.U.Leuven op dit punt verder door t e gaan en t e zoeken naar vruchtbare
samenwerkingsmogelijkheden.
Tabel 1. Postacademische vorming aan de K.U.Leuven naar sector
Sector
Gezondheid en
welzijn
Onderwijs
Sociaal-cultureel
werk
Ondernemingen
Vrije beroepen
Overheid
Totalen
minder dan 6 uur
23
6 tot t 2 uur
68
meer dan 12 uur
25
Totaal
116
Tabel 2. Aantal 'monitoren en onderwijsbegeleiders' voor eerstejaars van de
K.U.Leuven 1995-96
Faculteit
Godgeleerdheid
Letteren &
HIW
Rechten &
Criminol. wet.
Psych. en ped. wet.
Soc. wet.
ETEW
wetenschappen &
Geneeskunde &
Farmaceut. wet. &.
LTBW
Toegepaste wet.
FLOK
Dienst Studieadvies
KULAK
Totaal
Aantal
eerstejaars
65
1 100
65
741
975
439
747
1 638
431
502
470
7 173
ZAPIVTE
O10
313
AAP + BAPNTE
zie HIW
4/2,2
313
1219
Totaal
010
715.2
313
12tQ
614
212
11111
13111
7/7
111
313
f4/11,7
79/67,9
Tabel 3. Evolutie totale studentenpopulatie K.U.Leuven
P
N
Mudfegebied
Rechten-notariaat-crim.wet.
Geneeskunde
€TEW
Psych. en ped. wet.
Toegepaste wet.
Taal- en letterkunde
Wetenschappen
Tosgepaste biol. wet.
Pol. en soc. wet.
Uch. opw. en kinesttherapie
Geschiedenis
Farmaceut. wet.
Afc hedogia en kunstwet.
Soc. gtazondheidswet.
Godgeleerdh-godsdienstwet-&k.
fecht
Wijsbegeerte-moraalwet.
Tandheelkun&
TOTAAL
92-93
3 301
2 947
3 734
2 032
2 956
1901
1939
1444
i226
905
629
676
356
413
458
381
2 73
26 631
93-94
5 312
2 933
3 369
2 272
2 822
1896
1 920
1494
1 286
989
747
692
413
474
485
341
312
25 757
!H-95
3 323
3 157
2 984
2 444
2655
1927
1 953
1 523
1 299
1344
815
690
538
522
518
446
340
26 272
S
gc r,
g,
E 8
T
r
Q+
mL : #
ii'
fs
lil
L'V .g2
:u%
E O it
O=..rn
0%:
G
d)
$5
n2
UP
f2 8
r .E
E O
G .c
~
Y
.g3
d)g;xocq
J
J
.P
G E
3.5
.
=
i
4
g
Cu$
' l d O s q
C C #
@$gfg$k$
2
cg
e
oErz
2
C g $ :
c
g2ggggg
gf p3 r2p3,3e Fc3"
C
t
J
5
c 4
Q>
3
!i
UI
c
a‘g.8g6s.
s . I g $ f : f g .'z=
li-8' wg5
& gj .ge
.*Z
35
SU@g
..BciIg
~ $ 3arna.
58@g3893P
m a Y 9
88#0~=6~dw~t:,~rcocur
#j
-&-
a L-8%
a 8 .~
j d ~ i i i ~
%$*qLT
,~POr$g~(ggg$~
1 4 : g 3 î a@ t
s f ~ # # % ~ ~
a
w:Bgggxaáda.
f;eE$.&gc g
0 0 %
$!~?OaPg$ku>zI:CcocY
i ~ ~
Tabel 5. Totale studentenpopulatie K.U.Leuven naar leeftijd
Studiegebied
251
24
14
32
17
27
81
45
57
25
41
12
Wijsbegeerte-moraalw~chappen
Godgeleerdh-Gadsdienstwet-Uerk.rec
ht
Taal- en letterkunde
Geschiedenis
Archeologie en kunstwetenschappen
Rechten-notariaat-crim. wet
Psych. en ped. wet.
ETEW
Pal. en soc. wet.
Soc.gezondheidswet.
Li&. opv. en kinesitfierapb
Wetenschappen
Toegepaste wet.
Toegepaste bid. wet.
Geneeskunde
Tandheelkunde
Farmaceut. wet.
TOTAAL
Totaal - aantallen
Totaal - procentuele verdeling
80
30jen+
123
258
93
27
28
57
99
105
55
32
60
50
84
22
167
200
87
26-2Qj
65
59
57
23
19
97
20
203
73
198
46
95
194
319
1O
13
27
34
815
1479
815
1479
3,09t
5,5%
90
280
30
23
1683
1683
62%
Totaal
442
546
2060
896
61 6
3 298
2 634
2 988
12SO
576
1270
1 996
2551
1544
3 289
332
686
27014
27014
100%
Tabel 6.Generatiestudenten K.U.Leuven ( 1 1211 996)
Studiegetitled
Oeslsfacht
Vrouw
38
23
15
31
196
346
85
75
51
94
297
345
146
567
394
195
131
170
6
51
167
205
233
168
289
62
157
134
196
270
38
32
29
82
2462
2856
Man
Wijsbegeerte-moraa1wetensottappen
Godgeleerdh-Godsdienstwet-Kerk.racht
Taak en letterkunde
Geschiedenis
Araeologie en kunstwetenschappen
Rechten-notariaatcdm. wet
Psych. en ped. wet.
ETEW
Pok. en soc. wet.
Soc. gezondheidswet.
tieh. opv. en kimitherapb
Wetenschappen
Toegepaste wet.
Toegepaste biol. wet.
Geneeskunde
Tandheelkunde
Farmaceut. wet.
TOTAAL
Regime
Deelt.
13%
0%
0%
0%
0%
0%
0%
0%
0%
0%
0%
0%
0%
0%
0%
0%
0%
0%
Volt.
87%
100%
100%
100%
100%
100%
100%
100%
100%
100%
100%
100%
100%
100%
100%
100%
100%
100%
G&t
Man
62%
33%
36%
53%
35%
46%
47%
65%
54%
Belg
82%
89%
89%
100%
96%
89%
20%
80%
S%
67%
44%
11%
45%
58%
82%
33%
S6%
89%
55%
42%
18%
46%
58%
54%
74%
54%
99%
98%
54%
42%
46%
26%
46%
Vrouw
38%
67%
64%
100%
8@%
98%
99%
700%
57%
66%
99%
94%
NationaIiteR
EU
And.
7%
11%
9%
2%
0%
0%
0%
0%
1%
3%
0%
0%
0%
0%
0%
0%
0%
1%
0%
W
0%
0%
0%
0%
0%
0%
0%
0%
43%
0%
3%
31%
0%
0%
0%
5%
Tabel 7. Nieuwe niet-generatiestudenten K.U.Leuven (11211996)
Rechten-notaria&-criminologische wet
ETEW
Geneeskunde
TaaC en letterkunde
Wetenschappen
Pol, en soc. wet.
Geschiedenis
Toegepaste wet.
Psych. en p c l . wet.
"Taegep. bial. wet.
Wijsbegeerte-Maraalwtbr,
Soc. gezondheidswet.
TaMfheefkunckArcheolrygie en kmmwetenschappsn
Uch. ow. en kineskhsrapiei
Farmaceut, wet.
Go*e$eerdh-godsd'~(fnstwet-kerk.rscht
Eindtotaal
Rest
202
127
89
72
70
57
41
46
33
29
22
21
21
12
1o
11
2
865
Totaal
21 1
133
95
84
73
63
47
46
43
31
26
21
21
18
17
11
6
946
Rest
96%
95%
94%
88%
96%
90%
87 %
100%
77%
94%
86%
100%
100%
67%
5!3%
100%
33%
91%
Totaal
22%
1496
10%
9%
8%
7%
5%
6%
5%
396
3%
2%
2%
2%
2%
7%
0%
100%
Tabel 8. Telling financierbare studenten per 1 februari 1996
Faculteit en financieringsgroep
Godgeleerdheid A
Kerkelijk reoM A
HIW Leuven A
HIW Kortrijk A
Rechtsgeleerdheid Leuven A
Rechtsgeleerdheid Kortrijk A
ETEW Leuven A
ETEW Kortrijk A
Sociale wetenscheppen A
Letteren Leuven A
Letteren Kortriik A
Psych. en ped. wet.
HUMANE WET. Leuven A
HUMANE WET. Kortrijk A
HUMANE WET. A
Wetenschappen Leuven A
Wetenschappen Leuven B
Wetenschappen Kortrijk B
Toegepaste wet. A
Toegepaste wet. B
Toegepaste wet. C
LTBW A
LTBW B
LTBW C
EXACTE WET. Leuven A
EXACTE WET. Leuven B
EXACTE WET. Leuven C
EXACTE WET. Leuven Tot.
EXACTE WET. Kortrijk A
EXACTE WET. A.
EXACTE WET. B
EXACTE WET. C.
EXACTE WET. Totaal
Geneeskunde Leuven A
Geneeskunde Leuven B
Geneeskunde Leuven C
Geneeskunde Kortrijk B
Farmaceut. wet. A
Farmaceut. wet. B
Farmaceut. wet. C
FLOK A
FLOK 3
BtOMED. WET. Leuven A
BIOMED. WET. Leuven B
BIOMED. WET. Leuven C
BIOMED. WET. Leuven Tot.
BIOMED. WET. Kortrijk B
BIOMED. WET. A.
BIOMED. WET. B.
BIOMED. WET. C.
BIOMED. WET. Tot.
Campus Leuven A
Campus Leuven B
Campus Leuven C
Campus Leuven Tot.
Campus Kortrijk A
Campus Kortrijk 8
Campus Kortrijk C
Campus Kortrijk Tot.
K.U,Lewen A
K.U.Leuven B
K.U.Leuven C
K.U.Leuven Totaal
Hoofd.
insoti.
51 1
35
429
13
3 098
200
2 904
85
1 289
3 392
181
2 635
14 293
479
14 772
21 1
1 653
133
1 o9
990
f 487
69
609
829
389
3 252
2 316
5 957
133
389
3 385
2 316
6 O90
74
1 670
2 266
186
11
276
399
12
1 258
97
a 204
2 666
5 966
l 86
97
3 390
2 665
6 152
14 779
6 456
4 981
26 216
479
31 9
O
798
15 258
6 775
4 981
27 014
Einanc.
Stud.
Vdtijdse
eiquiual.
350
22
277
1o
2 857
198
2 419
83
1 078
2 870
179
2 458
12 331
468
12 799
36
1 207
133
17
797
1115
32
592
641
185
2 596
't 756
4 537
133
185
2 729
1 756
4 670
30
21 561
1 638
185
6
271
301
67
1112
't 03
2 944
1 939
4 986
185
1 03
3 129
1 939
5 171
12 619
5 540
3 695
21 854
468
318
529,5
20,O
259,5
910
2 855,s
195,O
2 408.0
82.5
1 056,5
2 865.5
178,5
2 433,Q
12 227.5
465.0
12 692,5
136,O
1 196,O
132,Q
17.0
786,O
1 103,5
32,O
587,O
836,O
185,O
2 568,O
1 739,5
4 492,5
132,O
185.0
2 700,O
1 739.5
4 624,5
30,O
1 540.5
1 630,O
184,5
6.0
269,O
297,O
67,O
1 104,O
103,O
2 913,5
1 927.0
4 943,5
184,5
103,O
3 098,O
t 927,O
5128.0
12 516.5
5 481.5
366,5
21 663,5
465,O
316.5
0.0
781,5
12 980,5
5 798.0
3 666.5
22 445.0
o
786
13 087
6 858
3 695
22 640
OBE
0318,9
20.0
255,2
@,O
2 843.3
193,O
2 392.2
82,5
1 044,6
2 797,5
178.5
2 396.0
12 067,8
465,O
12 532.8
91.1
2 392,O
264.0
1 1.4
1 570,O
3 310.5
21.4
1 174.0
1 W8,O
124,O
6 136,O
5 218,5
10 478,5
264.0
124,O
5 400.0
5 21 8.5
10 742.5
20.1
3 081 ,o
4 890.0
369.0
4.0
538.0
891.0
44,s
2 208.0
69,O
5 827,O
S T81 ,O
1 1 877,O
369,O
69,O
6 196.0
5 781.0
12 046.0
12 260.7
1 O 963,O
10 999,5
34 223.2
465,O
633.0
0.0
1 098.0
12 725,7
1 l 596,O
10 $99.5
35321,2
ABOS
Tabel 9. Examenresultaten per opleiding en studiejaar (301911996)
StuclkgeMed
le Kandidatuur
2% Kand..
Andere
N4
5
G
Tot
G
NI
Tot
G
12
29
28
4
34
Godgeleerdh-Godsdienstwet-Kerkete&
11
5
27
50
5
61
9
TaaC en tetterkunde
18
549
94
5
200
322
353
Bwchiedenis
35
80
115
f
129
Archedogie en kunstvurnenschappen
15
152
35
5
76
87
93
Rechten-notariaat-crim. wet
11
649
128
5
233
333
441
Psych. e n ped. wet.
19
724
104
5
264
297
1
423
ETEW
13
595
119
3
210
349
4
408
Pat- en soc. wet.
58
f38
152
222
Soc. gezondheidswet.
14
18
136
9
170
tich. opv. en kinesitherapie
75
3
131
204
1
260
Wetenschappen
76
4
132
208
274
Tmgepaste wet.
67
2
82
292
372
Toegepaste bil. wet,
43
75
196
1
234
Geneeskunde
54
3
126
300
2
359
254
Tandheelkunde
9
24
IK)
47
Farmaceut. wet.
2
112
31
1
45
97
3
f 21
TOTAAL
163
5401
965
46
1890 3179
31
4001
263
G = geslaagd; NI = niet ingeschreven voor de examens; Tot. = totaal aantal studenten ingeschreven op de rol(')
('Iniet inbegrepen: afzonderlijke vakken, navorser, voorbereidend instituut, doctoraatsopleiding, doctoraat, postacademische opleidingen.
Wijsbegeerte-moraalwetenschappen
3e Kand.
NI
1
Enige Kandidatuur
Tot
13
G
21
29
NI
4
7
Tot
37
36
2
18
16
57
48
12
23
w n n ~ w - - w * m .- -
*Nb
z
P
F P J W N ~
.i?
I
%t
m
C
w
w UI
w
u
0)
2y
Yw , U
c g
2
2
C
$m
;s
w
w
tor
f i K 2 $ q ~ i Z $ $ z
m
"l
f i m m c a a e ~ w o f i m o m m c n f i o ~
N
inmm-
bficaaaNat-4fihU3NNQmbmO"
N
Inca.--
i
3
fi*NtO(Cib@NCtCn
LOmgVO)hmmpJAgg&m
E
,e
mg
2Y
UI
ar
-
Tabel 9. Vervolg
Studiesebled
G
Wijsbegeerte-rnoraalwetenschapp8n
Godgeleerdh-Godsdienstwet-Kerk.recht
l
Taal- en letterkunde
Geschiedenis
Archeologie en kunstwetenschappen
Rechten-nutariaat-ch wet
Psych. en ped. wet.
ETEW
Pol. en soc. wat.
Soc. gezondheiciswet.
Lich. opv. en kinesitherapie
W e t e m happen
Toegepaste wet.
Toegepaste biol. wet.
Geneeskunde
Tandheelkunde
Farmaceut. wet.
TOTAAL
4
5
46
26
t9
43
30
24
15
40
4
52
8
23
4
6
349
Lerarenop1
NI
4
3
37
13
7
29
15
37
22
27
9
64
20
52
6
Tot
8
9
96
44
28
76
46
61
38
74
13
122
28
76
10
Aanv. opl.
NI
12
24
Tot
52
4
57
32
8
6
21
56
S
75
24
6
5
10
181
139
46
20
10
80
12
10
5
5
3
181
35
92
88
11
5
6
1049
G
36
15
23
56
117
5
65
10
104
7
49
30
27
544
Spet. op1
NI
5
3
3
7
12
1
1
3
36
5
31
1
2
109
Tot
5
41
21
23
64
182
6
1
78
48
168
8
109
34
31
819
/
%tot = percentages berekend t.o.v. het aantal studenten ingeschreven op de rol ( lj
%in = percentages berekend t.o.v. het aantal studenten ingeschreven voor de examens
Studkrgebied
l e Kand
Gen
Godgeleerdh-Godsdienstwet-Kerk.recht
Taal- en letterkunde
%tot
39%
65%
%in
44%
69%
44%
46%
Geschiedenis
Archeologie en kunstwetenschappen
Rectiten-notariaat-crim. wet
wch. en p&. wet.
55%
4 7
35%
32%
57%
53%
35%
33%
WEW
Pol. en soc. wet.
39%
4G%
3796
47%
44%
46%
70%
44%
46%
37%
43%
45%
47%
71%
27%
28%
Wijsbegeerte-moraalwetenschappen
50c. gezondheidswet.
Lich. opv. en kinesitherapie
Wetenschappen
Tmgepaste wet.
Toegepaste b d . wet.
Geneeskunde
Tandheelkunde
Famiaceut. wet.
TOTAAL
45%
48%
65%
56%
43%
4496
And.
%tot
%%in
41%
50%
41%
50%
47%
48%
44%
44%
46%
49%
56%
56%
39%
40%
57%
57%
42%
42%
78%
78%
57%
59%
58%
59%
82%
84%
57%
57%
43%
44%
38%
38%
69%
70%
51%
52%
2e Kand
%in
%tot
82%
82%
91%
89%
87%
76%
93%
89%
91%
90%
87%
76%
70%
70%
86%
68%
68%
78%
%in
69%
86%
72%
79%
76%
78%
84%
79%
%tot
88%
78%
83%
84%
85%
&o%
3e Kand
78%
84%
85%
92%
92%
97%
91%
82%
80%
En Kan
88$$*S
m m B m vm o
rnm
EL8
8 8%
1-
#*i8
m
m
mmm
S8#8$&R2h
(DmQtr
EEEEEE
mmmwo w
cnmaol~m
Tabel 1 1. Diploma's K.U.Leuven 1995-1996 naar studiegebied, niveau en geslacht
Aan tallen
Studlegebied
Wijsbegeerte-maraalwetenschappen
Gudgeleerdh-Gadsdienstwet-Kerk.recht
Taal- en letterkunde
.Geschiedenis
Archttologie en ktmmtwetenschappen
Rechten-notariaat-o&. wet
Psych. en ped. wet.
nw
Pd. en wc. wet.
Soc. gezondheidswet.
Lich. opv. en kinesktherapk
Werenschappen
Toegepaste wet.
Toegepaste Wil. wet,
Geneeskunde
Tandheelkunde
F a m e u t . wet.
TOTAAL
Kandidaat
V
19
31
231
61
53
200
230
l20
88
Q7
123
105
60
79
141
29
61
1728
T
58
53
324
123
91
370
319
358
165
1F6
208
209
292
195
254
40
97
3272
Academische Opl
V
T
13
48
46
31
77
96
192
288
46
98
52
21
48
69
306
583
277
204
266
62
331
198
529
106
177
71
80
77
17
116
183
67
220
IQ7
113
367
292
75
178
103
75
359
465
824
18
36
52
18
68
86
1976 2146
4122
M
35
Vaortgez. Ac.Opl
M
V
T
12
6
18
O
4
4
40
3
37
18
23
41
20
32
52
69
72
741
33
55
88
131
65
196
54
41
95
14
5
19
27
63
90
31
9
40
95
42
137
43
23
66
23
35
58
6
8
2
6
24
30
681
542
1 123
M
7
11
46
18
7
18
16
9
1
12
39
42
If
10
5
O
O
252
Lerarenopleiding
V
T
2
9
27
38
107
153
28
46
22
29
46
64
93
109
34
43
19
20
29
41
35
74
80
122
8
19
28
38
11
16
O
O
7
7
576
828
Doctoraat
v
O
1
1
1
1
1
5
3
O
4
1
35
8
12
10
O
2
85
f
6
17
6
5
4
10
10
1O
4
4
3
74
54
26
32
O
4
269
Percentages mannen - vrouwen
Stvdiegebied
Wijsbegeerte-moraalwetenschappen
UodgaleerdbOodsdienstwet-Kerk.recfut
Taal- en bnerkunde
Geschiederiis
Archeologie en kunstwetenschappen
Rechten-notariaat-crim. wet
Psych. en p d . wet.
67%
42%
29%
r@%
FIEW
42%
86%
28%
66%
W.en soc. wet.
47%
%c. gezomltwidswet,
Liuh. opv. en kinesitherapie
16%
41%
50%
79%
59%
Wetenschappen
Toegepaste wet.
Toegepaste biol. wet.
Cientteskunde
Tandheelkunde
Farmaceut. wet.
TOTAAL
44%
28%
37 %
47%
Kandidaat
V
T
33%
100%
58%
100%
71%
100%
50%
100%
58%
100%
54%
100%
72%
100%
34%
100%
53%
100%
84%
100%
59%
100%
50%
100%
21%
100%
100%
41%
66%
100%
73%
100%
100%
63%
53%
100%
Academische Opl
M
V
T
73%
27%
100%
40%
100%
60%
33%
100%
67%
53%
47% 100%
30%
100%
70%
48%
62%
100%
23%
77%
100%
63%
37%
100%
40%
60%
100%
22%
78%
100%
63% 100%
37%
51%
49%
100%
80%
20%
100%
58%
42% ?O@%
44%
58% 100%
69% 100%
31%
21%
79%
100%
48%
62%
100%
S
O
!i3
a
4.
"g
s5 AgSxE%S i
gu,f$'=w
gz 5Ìx
G +c
2
cT
@ g
t o l
:qif<$
mew
I-o.rreat
De basisgegevens voor deze analyse bestaan in hoofdzaak uit de boekhoudkundige uitgaven voor onderzoek, die verwijzen naar de reële bestedingen voor
onderzoek in het overeenkomstig boekjaar. In tegenstelling tot begrotings- of
betoelagingscijfers, zijn deze boekhoudkundige gegevens minder afhankelijk
van toevallige externe evoluties en laten zij toe trendmatige evoluties te onderkennen. Om een zekere extrapolatie naar de nabije toekomst mogelijk te
maken, worden deze uitgavencijfers aangevuld met begrotingscijfers en cijfers
met betrekking tot toekenningen van nieuwe projecten.
Er wordt echter op gewezen dat de vergelijkbaarheid van dit cijfermateriaal
met dit van andere universiteiten afhankelijk is van de aard van de uitgangsgegevens en alleszins moet gepaard gaan met een correcte interpretatie.
1. l Verslag over het gevoerde beleid: beoogde doelen en resultaten
1.1.1 Raad voor Onderzoeksbeleid
De Raad voor Onderzoeksbeleid heeft als opdracht te zorgen voor een algemene analyse van het wetenschappeliik
. . - onderzoek aan de K.U.Leuven en hieromtrent siggesties te formuleren voor verbetering van zowel interne als
externe structuren en beleidsopties. De Raad omvat naast de voorzitter (de
coördinator Onderzoeksbeleid) en de secretaris, veertien leden.
In de loop van 1996 werd vooral aandacht besteed aan:
1. de grondige bespreking per faculteit van de gebruikte methoden voor evaluatie van de onderzoeksactiviteiten en de intrafacultaire verdelingsmechanismen van (onderzoeks)middelen. Op basis hiervan werd een algemene
reeks maatregelen voor jaarlijkse onderzoeksevaluatie voorgesteld en goedgekeurd door de Academische raad;
2. de bespreking van het algemeen onderzoeksbeleid van de K.U.Leuven;
3. de bespreking van het VI.1.R.-rapport over de kwaliteitszorg aan de
Vlaamse universiteiten;
4. het FWO-beleidsplan, met inbegrip van de problematiek van de vaste mandaten en FWO-commissies.
1 .l .2 Dienst Onderzoekscoördinatie (DOC)
De Dienst Onderzoekscoördinatie is het uitvoerend orgaan voor de Raad voor
Onderzoeksbeleid en de Onderzoeksraad. Hij omvat naast de academisch
directeur vier stafmedewerkers en 3,5 secretariaatsmedewerkers.
De Dienst Onderzoekscoördinatie is belast met diverse adviserende taken
inzake beleid en functioneren van het wetenschappelijk onderzoek in zijn
nationale en internationale dimensies. De aandacht gaat hierbij vooral naar de
evaluatie van dit onderzoek en de inventarisatie, administratie, voorlichting en
bijstand die met het onderzoek aan de universiteit gepaard gaan.
Een belangrijk werkinstrument bij de opvolging van de externe financiering
evenals voor het intern onderzoeksbeleid vormen de IWETO-databanken, die
ook door derden kunnen geraadpleegd worden. Deze databanken bevatten de
relevante projectgegevens, de wetenschappelijke uitwisselingen, de expertisemogelijkheden en een inventaris van de wetenschappelijk apparatuur.
Vanaf januari 1996 werd het '~utodoc-systeem1'operationeel. Het betreft
hier een automatiseringssysteem dat via het K.U.Leuven-net aan de onderzoe-
Uitgewerkt in samenwerking met de Dienst AIV en de Dienst Financieel Beleid
1.
Het onderzoeksbeleid:
resultaten en
v~oruitzichten
kers de mogelijkheid geeft o m hun lopende onderzoeksprojecten van dag t o t
dag boekhoudkundig op t e volgen. Dit systeem biedt dus een direct en actueel inzicht in de stand van inkomsten en uitgaven per project, hetgeen ongetwijfeld zal leiden t o t een verbetering van de efficiëntie van de middelenaanwending.
Als grote doelstellingen staan voorop:
1. Voorbereiden en formuleren van voorstellen inzake de grote krachtlijnen van
het beleid voor het wetenschappelijk onderzoek aan de K.U.Leuven, met
zeer grote nadruk op kwaliteit en competitiviteit, teneinde de K.U.Leuven
als topuniversiteit t e zien fungeren in het Europa van morgen en in de
wereld.
2. Optimalisering, binnen de bestaande en bereikbare middelen, van het onderzoekspotentieel van de K.U.Leuven in alle onderzoekseenheden, en uiteraard ook in zijn uitmuntende centra.
3. Stimuleren van jonge onderzoekers en groepen in een competitieve geest
en met een optimaal gebruik van mensen en middelen.
4. Maximale valorisatie van de vruchten en resultaten van dit wetenschappelijk onderzoek ten bate van de maatschappij, de economie en de industrie.
1.2 Intern reglement van de Onderzoeksraad en het Bijzonder onderzoeksfonds inzake de allocatie van middelen
1.2.1 Reglementering Onderzoeksraad
Ingevolge het KB van 1 4 juni 1 9 7 8 houdende instelling van een Onderzoeksraad aan de universitaire instellingen werd aan de K.U.Leuven in 1 9 7 8 de eerste Onderzoeksraad samengesteld.
De Onderzoeksraad telt achttien eigenlijke leden van wie negen uit de Humane
en negen uit de Exacte en Biomedische wetenschappen. Slechts een deel van
de departementen kan dus in de Onderzoeksraad worden vertegenwoordigd,
gelet op het feit dat er een 50-tal departementen zijn in de K.U.Leuven.
Buiten de eigenlijke leden bestaat de Onderzoeksraad verder uit de voorzitter,
de coördinator voor Onderzoeksbeleid en de drie vice-rectoren. De rector, de
algemeen beheerder, de regeringscommissaris en de afgevaardigde voor de
minister van begroting kunnen aan de vergadering deelnemen.
De leden worden ten persoonlijke titel aangeduid, op basis van hun wetenschappelijke verdiensten. De mandaatsduur bedraagt zes jaar; o m de drie jaar
wordt de helft van de mandaten herzien.
Het Bureau bestaat uit negen leden: vier leden uit de Raad worden aangeduid
als bureauleden naast de voorzitter, de coördinator voor het Onderzoeksbeleid,
en de drie vice-rectoren.
1.2.2 Werking en taakstelling van de Onderzoeksraad
De Onderzoeksraad speelt een essentiële rol in het onderzoeksbeleid van de
universiteit en heeft zowel een evaluerende, adviserende als stimulerende
taak. De Onderzoeksraad wijst de door hem t e verdelen onderzoeksmiddelen
toe op basis van evaluatie van de ingediende voorstellen en uitsluitend
steunend op wetenschappelijke argumenten.
Alle dossiers worden door de gezamenlijke Onderzoeksraad besproken en
geëvalueerd. De beslissingen worden zoveel mogelijk bij consensus genomen.
Er worden door de Onderzoeksraad geen sleutels gehanteerd voor de verdeling
tussen wetenschapsgebieden, voor de evaluatie van dossiers of voor de toewijzing van budgetten; het enige criterium is de kwaliteit.
In een tiental vergaderingen worden jaarlijks meer dan vijfhonderd dossiers
behandeld. Er is geen preselectie door de Onderzoeksraad van de aanvragen
bij het FWO, het IWT of voor projectvoorstellen die bij andere instellingen
worden ingediend (EU, Impulsprogramma's, enz.). Van alle categorieën van
door de Onderzoeksraad betoelaagd onderzoek worden activiteitenverslagen
verwacht, die door de leden van de Onderzoeksraad geëvalueerd worden.
De Onderzoeksraad adviseert hoofdzakelijk voor volgende financieringscategorieën.
+
Geconcerteerde onderzoeksacties
+
Speciale onderzoeksfondsen (SOF): ~ n d e r z o e k s t o e l a ~ e n ,Postdoctorale
mandaten, Fellowships, Doctorandusbeurzen, Prijzen van de Onderzoeksraad, Derde cyclusprogramma's.
+ Acties ter stimulering van de deelname aan EU-onderzoeksprogramma's:
Bijkomende financiering, Verkennende internationale samenwerking.
+
IUAP - Interuniversitaire Attractiepolen; advies van de Onderzoeksraad
desgevallend op verzoek van de federale overheid.
+
Eigen Centraal- en Oost-Europese initiatieven.
1.2.3 Reglement inzake het Bijzonder onderzoeksfonds en de allocatie van
deze middelen
Het 'Bijzonder onderzoeksfonds' is samengesteld uit de hiervoor bestemde
overheidstoelage, vermeerderd met een verplichte bijdrage van de universiteit
van minimum 20 %.
Het besluit van de Vlaamse regering terzake bepaalt regels voor de toekenning
van de middelen, voor de verantwoording ervan en voor de beoordeling van de
kwaliteit van de geleverde onderzoeksprestaties.
De Onderzoeksraad heeft als gevolg van deze reglementering door de overheid
een volledig uitgewerkt document gemaakt dat dan verschijnt in het onderzoeksblad 'GeDOCumenteerd'.
1.3 Beslissingen van de Onderzoeksraad tijdens 1996
1.3.1 Geconcerteerde Onderzoeksacties
Geconcerteerde onderzoeksacties zijn een ondersteuning van excellente, vooraanstaande universitaire onderzoekscentra of onderzoeksgroepen door de
Vlaamse regering gefinancierd, op voorstel van de Onderzoeksraad en met de
goedkeuring van de Academische raad en de Raad van beheer van de universiteit. GOA's kunnen worden toegekend aan onderzoeksprojecten van onderzoekseenheden uit alle disciplines waarvan de uitstekende waarde op grond
van objectieve gegevens aantoonbaar is, inzonderheid op grond van peer
review en op basis van publicaties of andere indicatoren van wetenschappelijke kwaliteit, steeds in vergelijking met onderzoekseenheden in dezelfde discipline.
De minimale omvang van een GOA wordt voorgeschreven door het besluit en
komt neer op 2 8 mio BEF (7mio BEF per jaar) gedurende vier jaar, of 3 5 mio
BEF voor een vijfjarig project, dit is zonder de kosten voor apparatuur.
Ook hier worden alle aanvragen beoordeeld door de Onderzoeksraad, na voorbereiding door het Bureau. Aangezien het verkrijgen van een GOA-'label' de
onderzoeksgroep onderbrengt bij de 'centres of excellence' van de instelling, is
de selectie zeer streng. De evaluatie gebeurt zowel ter plaatse in de laboratoria
als met de hulp van enkele externe topexperts in het gebied.
De aanvragen die in 1 9 9 6 werden geselecteerd, worden geïmputeerd op de
begroting van de BOF-middelen van het budgetjaar 1998. Vermits deze middelen nog niet zijn gekend gaat de Onderzoeksraad ervan uit dat minstens het
budget van 1997 wordt gehaald. Bovendien werd een beperkte financiële
reserve opgebouwd uit de stijging van 1996. De Academische raad gaf aldus
toestemming om 4 2 0 mio BEF vast t e leggen.
Er werden twaalf GOA aanvragen ingediend (twee aanvragen werden naderhand ingetrokken) voor een totaal bedrag van ca. 6 3 8 1 9 9 000 BEF.
Bij de beoordeling werden in de eerste fase de kwalitatieve aspecten van het
project grondig besproken(*). In een tweede fase kwamen de kwantitatieve
aspecten aan bod(* * ) .
Uiteindelijk adviseerde de Onderzoeksraad om op grond van deze grondige en
uitgebreide evaluatie de negen volgende onderzoeksprogramma's (voor 4 tot 6
jaar) voor t e stellen voor de Geconcerteerde onderzoeksacties ( 1997-2002).
De voorliggende voorstellen voor 1 9 9 8 bedragen 4 2 0 0 0 0 000 BEF. Indien de
begroting 1 9 9 8 slechts het niveau van 1997 haalt (337 5 0 0 000 BEF) dan
blijft er een negatief saldo van 8 2 5 0 0 000 BEF dat door de saldi van vorige
jaren amper zou kunnen worden verzekerd. De saldi van 1 9 9 6 en 1997 kunnen hiervoor worden aangesproken.
1.3.2 OT-Onderzoekstoelagen voor K.U.Leuven-onderzoekers
Naast de GOA's vormen de onderzoekstoelagen de belangrijkste interventiecategorie van het Speciaal onderzoeksfonds. Ze kaderen in de algemene onderzoekspolitiek van de K.U.Leuven die ernaar streeft het bestaand onderzoekspotentieel t e optimaliseren en enkel kwalitatief hoogstaand onderzoek t e
financieren. Gevestigde onderzoekers, alsook vaste FWO-mandaathouders, of
onderzoeksgroepen met internationaal competitief en kwalitatief hoogstaand
onderzoek en die reeds in ruime mate op externe middelen kunnen beroep
doen, zoals GOA's en IUAP-stuurploegen, doen in principe geen aanvraag voor
Onderzoekstoelagen.
*
(d.w.z. verslag van de visitatie, projectvorm en -voorstelling, projectinhoud (evaluatie
buitenlandse experten en leden van de Onderzoeksraad), innovatieve elementen, valorisatie
voor het onderzoek aan de K.U.Leuven).
("1
(d.w.z.
samenstelling
van
de
onderzoeksploeg,
nationale
en
internationale
financieringsbronnen, interacties met andere ploegen, wetenschappelijke publicaties,
uitwisseling
van
onderzoekers
met
buitenlandse
ploegen,
wetenschappelijke
onderscheidingen, aantal doctoraten, citatiegegevens en impactfactorberekeningen).
Binnen de categorie onderzoekstoelagen worden twee soorten onderscheiden.
1. Toelagen van bijzondere aard: die kunnen bestemd zijn voor impulsfinanciering gedurende 2 3 jaar voor onderzoeksinitiatieven die nog niet voor substantiële financiering in aanmerking komen, of voor toelagen voor onderzoek van hoog niveau, doch uit hoofde van de discipline of o m andere
redenen beperkt in omvang.
2. Onderzoekstoelagen:
- Ondersteuning, als impuls, van bestaand onderzoek van hoog niveau of van
een innovatieve onderzoeksrichting van hoogstaand niveau en waarin de
K.U.Leuven een toekomst ziet. Deze projecten zullen uitvoerig samen worden besproken en na afweging van de prioriteiten kunnen enkele daarvan
substantieel worden betoelaagd;
- Komen eveneens in aanmerking: de uitstekende programma's die wegens
modetrends of tijdelijk anders liggende nationale of internationale financieringsmodaliteiten niet onmiddellijk de nodige middelen kunnen vinden;
- De projecten dienen over minimum twee en maximum vier jaar te lopen en
financieren in hoofdzaak personeels- en werkingskosten. Voor grotere
apparatuur wordt, in principe, g6én beroep gedaan op het Onderzoeksfonds. De omvang dient omgerekend in financiële termen per jaar looptijd
van het project, tenminste het equivalent van één manjaar van het niveau
van een predoctoraal onderzoeker, vermeerderd met 2 0 % voor werkingskosten, t e bedragen (ca. 2,5 mio BEF per jaar). De Onderzoeksraad beveelt
vierjarige projecten aan indien dit de mogelijkheid inhoudt dat in het kader
van het project een doctoraat kan worden gemaakt.
Via een uitgewerkte procedure worden jaarlijks voor deze categorie intentiebrieven opgevraagd die inhoudelijk geëvalueerd worden. Aan 2 9 onderzoekers
of onderzoeksgroepen werd gevraagd een omstandig project voor t e leggen.
Alle overige van de 7 0 aanvragers kregen de gelegenheid expliciete uitleg t e
vragen over de reden van de niet-prioritaire selectie.
Deze ingezonden projecten werden door de Onderzoeksraad onderzocht en
tevens gestuurd naar minstens acht externe referees. Op grond van verdere
evaluatie en interviews werden in 1 9 9 6 uiteindelijk 2 6 projecten voor een
totaal bedrag van 2 0 0 mio BEF geselecteerd. Eén toelage van bijzondere aard
werd geselecteerd.
Bij de voorgestelde projecten wordt aan de Humane wetenschappen 31,2 %
van de middelen, aan de Exacte wetenschappen 24,3 % en aan de Biomedische wetenschappen 44,5 % toegekend.
1.3.3 Postdoctorale mandaten voor Belgische onderzoekers in 1 9 9 6
De Onderzoeksraad reserveert jaarlijks een aanzienlijk bedrag voor Belgische
postdoctorale onderzoekers. Ze worden beschouwd als de meest actieve én
productieve groep binnen het onderzoek. Deze mandaten zijn bestemd o m het
doctoraat t e valoriseren aan de eigen instelling. De mandaten worden voor
één jaar toegekend. Ze zijn verlengbaar met één jaar.
Dat de nood aan postdoctorale onderzoekersmandaten hoog is, blijkt uit het
hoge aantal aanvragen: 1 0 7 in 1996, 9 0 in 1995, 101 in 1994, 7 2 in 1 9 9 3 en
5 6 in 1992. Een aantal aanvragen gebeurt parallel aan de analoge categorie
van het FWO (alwaar aanstelling voor drie jaar). De beoordeling gebeurt op
kwalitatieve en competitieve basis waarbij de kwaliteit van de promotor, de
kandidaat en het project, evenals het belang voor de onderzoekseenheid mede
in rekening worden gebracht.
Uit 7 4 aanvragen werden er 4 8 goedgekeurd voor een totaal bedrag van
1 10,622 mio BEF.
1.3.4 Fellowships voor buitenlanders
Een aantal fellowships (junior- of senior-fellowships), met looptijd van één jaar,
met bijzondere motivering en nieuwe aanvraag verlengbaar met één jaar, worden ter beschikking gesteld van buitenlandse onderzoekers.
Stringente voorwaarden zijn hoge kwaliteit, duidelijke inbreng vanwege de
fellow in het onderzoeksbeleid van de aanvragende eenheid, en een voldoende
lang verblijf in één enkele periode (of mits aanvraag t e onderbreken). De
totale duur (maximum t w e e jaar) mag echter niet overschreden worden. Deze
fellowships worden voorbehouden aan kandidaten op postdoctoraal niveau.
In 1 9 9 6 waren er drie sessies van aanvragen, in totaal goed voor 1 4 9 aanvragen. Daarvan werden er 8 5 aanvragen goedgekeurd voor een bedrag van
56,882 mio BEF. De toekenningen gingen voor 15,5 % naar de Humane
wetenschappen, 12,8 % naar de Biomedische en voor 71,7 % naar de Exacte
Wetenschappen.
1.3.5 Doctorandusbeurzen voor buitenlanders
Beurzen worden ter beschikking gesteld van jonge buitenlandse doctorandi, die
worden voorgesteld door een promotor binnen een onderzoekseenheid van de
K.U.Leuven waar het mandaat zal worden opgenomen. Het is de bedoeling
deze beurzen voor t e behouden aan beloftevolle, reeds gevorderde doctorandi
die aan de K.U.Leuven zullen promoveren. De promotor stelt zich garant voor
de voltooiing van het doctoraat. De beurzen hebben een looptijd van één jaar.
Een verlenging met één jaar is mogelijk mits nieuwe aanvraag en grondig
verslag over het verloop van het doctoraat. In 1 9 9 6 waren er 3 9 aanvragen.
Hiervan konden er 2 5 worden gehonoreerd. In totaal werd hiervoor 11,8 mio
BEF gereserveerd.
Hierbij gingen 2 8 % van de mandaten naar de Humane wetenschappen, 2 0 %
naar de Biomedische en 5 2 % naar de Exacte wetenschappen.
1.3.6 Prijzen van de Onderzoeksraad
Jaarlijks kunnen drie prijzen toegekend worden aan jonge, beloftevolle onderzoekers: één prijs Onderzoeksraad Humane wetenschappen, één prijs Exacte
wetenschappen, en één prijs Biomedische wetenschappen. De prijzen worden
niet toegekend indien de vereiste hoge kwaliteit niet aanwezig is. Elke prijs
bedraagt 2 0 0 000 BEF. Minimaal de helft van dit bedrag dient t o t dekking van
kosten voor wetenschappelijk onderzoek.
In 1 9 9 6 werden respectievelijk dr. M . Brysbaert (Lab. Algemene en experimentele psychologie), dr. T. Verbiest (Lab. Chemische en biologische dynamica) en
dr. Z. Debyser (Afd. Virologie en chemotherapie) bekroond.
1.3.7 Derde cyclusprogramma's voor K.U.Leuven-onderzoekers
Toelagen kunnen worden verleend aan een ploeg van onderzoekers voor de
organisatie van derde cyclusprogramma's, onder de vorm van colloquia en
seminariereeksen. De nadruk moet liggen op de doctoraatsopleiding door een
confrontatie met nieuwe wetenschapsontwikkelingen. De tussenkomst geldt
als een 'waarborg' i.e. dat maximaal een bepaald bedrag wordt uitgekeerd op
voorwaarde dat de eigen inkomsten en de andere financieringsbronnen niet
voldoende zijn.
In 1 9 9 6 waren er slechts t w e e aanvragen die beiden gehonoreerd werden.
1.3.8 Speciale Centraal- en Oost-Europese initiatieven
De academische overheid keurde in 1996 een budget van 7 mio BEF goed,
vooraf t e nemen van het Speciaal onderzoeksfonds, o m tegemoet t e komen
aan de co-financiering van beurzen en andere dringende noden voor goede
onderzoekers uit Centraal- en Oost-Europa.
1.3.9 Actie van de Vlaamse Gemeenschap ter stimulering van de Vlaamse
participatie aan de EU-programma's
Er zijn t w e e onderdelen bij deze stimuleringsactie, de Verkennende internationale samenwerking (VIS) enerzijds en de Co-financiering (COF) anderzijds.
Voor 1996 (begroting 1995) bedroeg het aandeel K.U.Leuven 6 0 7 7 6 000
BEF.
Tenminste 6 0 % van de middelen moest worden besteed aan de VIS-projecten
en maximum 4 0 % mocht besteed aan de COF-financiering.
De aanvragen werden door de Onderzoeksraad geëvalueerd op basis van de
criteria vastgelegd door de Vlaamse gemeenschap en de bijkomende aandachtspunten van de Onderzoeksraad.
Verkennende internationale samenwerking (VIS)
Deze middelen moeten besteed worden aan internationale onderzoeksprojecten
die potentieel de basis vormen voor i n een latere fase bij de EU in t e dienen
projectvoorstellen. Daartoe selecteert de Onderzoeksraad zeer streng naar
inhoud en vorm, waarbij de specifieke voorwaarden o m succesvol te zijn bij de
EU de doorslag geven.
Uiteindelijk stelde de Onderzoeksraad 7 projecten ter waarde van 3 6 4 6 6 0 0 0
BEF ter financiering voor aan de Vlaamse ministers bevoegd voor Wetenschapsbeleid. Per project werd tussen de 4,5 en de 6 mio BEF toegekend.
In het kader hiervan krijgt de universiteit middelen t e besteden als co-financiering van onderzoeksprojecten die reeds door de EU worden gefinancierd. Voor
de COF-evaluatie werd de wetenschappelijke evaluatie reeds ten gronde uitgevoerd door de EU. De eigen evaluatie beperkt zich dan ook t o t de ontvankelijkheidscriteria enerzijds en enkele aandachtspunten van de Onderzoeksraad
anderzijds.
Vermits deze aanvragen reeds de strenge EU-selectie hebben doorstaan, oordeelt de Onderzoeksraad vooral op grond van de 'noodzaak' aan co-financiering, de doelstelling van de aanvraag en de voorgestelde aanwending van de
middelen.
Zeventien aanvragers kregen een steun krijgen variërend tussen 1 ,O en de 2,9
mio BEF voor een totaal bedrag van 24,31 mio BEF.
1.3.10 IUAP's- Interuniversitaire attractiepolen
Deze evaluatie omvat het voorstellen van stuurgroepen en satellieten van de
K.U.Leuven die passen in het initiatief van de federale minister van Wetenschapsbeleid gericht op het uitbouwen van netwerkgebonden fundamenteel
onderzoek aan Belgische universiteiten, i.e. de IUAP's. Deze evaluatie beoogt
het voordragen van excellentiecentra van de K.U.Leuven als stuurploeg van
een netwerk en van kwalitatief goede satellieten bij stuurploegen van andere
Belgische universiteiten.
Tijdens de fase I waren er 1 4 netwerken ( 1987-1991 ) die allen verlengd werden als fase 111 (1992-1996) met uitbreiding t o t twee extra netwerken. De
IUAP-fase II financierde i n het totaal nogmaals 2 3 netwerken gedurende de
periode 1990-1996. De K.U.Leuven-participatie bestond tijdens de fase II en
III uit 8 pilootgroepen en 1 6 satellieten.
Begin 1996 werd door de federale regering beslist tot een verlenging van de
IUAP-netwerkfinanciering waarbij fase II en III zouden worden verdergezet in
één globale fase IV. Hiervoor was een budget voorzien van rond de 4,5 mia
BEF.
De universiteiten werden via hun Onderzoeksraden gevraagd een voorstel van
IUAP-netwerken in te dienen bij de minister van Wetenschapsbeleid die daaropvolgend een externe evaluatie ex-ante zal uitvoeren. Finaal werd de lijst van
de geselecteerde netwerken ter goedkeuring aan de ministerraad voorgelegd.
Selectieprocedure K.U.Leuven
Bij de bespreking van de modaliteiten voor de selectie bleek dat de voltallige
Onderzoeksraad niet volwaardig zou kunnen functioneren wegens de betrokkenheid van een te groot aantal leden van de Onderzoeksraad bij de aanvragen. Daarom werd een beperkt comité belast met de preselectie van de aanvragen.
Een uitvoerige interne procedure met oproep tot intentiebrieven, successieve
evaluaties, selectie van potentiële stuurploegen en satellietgroepen werd uitgevoerd.
IUAP-fase IV: selectie
Na de voorselectie (met weliswaar een zeer uiteenlopende methodologie) door
de verschillende universiteiten volgde een externe evaluatie georganiseerd
door de DWTC met advies van minstens 3 niet-Belgische referees. De evaluatierapporten werden door de DWTC-administratie geïnterpreteerd en omgezet
in een algemene score. Daarop volgden moeilijke onderhandelingen tussen de
universiteiten onderling en de DWTC om een juiste rangschikking mogelijk te
maken binnen het keurslijf van de voornoemde evaluaties, criteria van netwerkfunctionering en budgettaire mogelijkheden van iedere universiteit. Uiteindelijk kwam men tot een vergelijk.
In totaal financiert de federale overheid gedurende vijf jaar 35 netwerken. De
K.U.Leuven participeert met 11 copilootgroepen en 25 satellieten in een
geheel van 2 4 netwerken. Het totale K.U.Leuven-budget bedraagt nagenoeg
1 134 0 0 0 0 0 0 BEF.
IUAP-fase IV: promotoren van deelnemende K.U.Leuven-groepen
Stuurploegen
Humane wetenschappen:
G . D'Ydewalle (departement Psychologie)
M. Waelkens (Archeologie, kunstwetenschap en musicologie)
Exacte wetenschappen:
E. Aernoudt (Metaalkunde en toegepaste materiaalkunde)
Y. Bruynseraede (Natuurkunde)
F. De Schryver (Scheikunde)
P. Jacobs (Interfasechemie)
H. Van Brussel (Werktuigkunde)
Biomedische wetenschappen
D. Collen (Moleculair en cardiovasculair onderzoek)
W. Merlevede (Moleculaire celbiologie)
G. Orban (Neurowetenschappen en psychiatrie)
H. Vanden Berghe (Moleculaire celbiologie)
Satellieten
Humane wetenschappen
A. Alen (Rechtsgeleerdheid)
R. De Bondt (Toegepaste economische wetenschappen)
F. Spinnewyn (Economie)
A. Vandeputte (Wijsbegeerte)
K. Van Lerberghe (Oosterse en Slavische studies)
Exacte wetenschappen
R . Belmans (Elektrotechniek)
H. Berghmans (Scheikunde)
R. Coussement (Natuurkunde)
A. De Loof (Biologie)
B. De Moor (Elektrotechniek)
M . Huyse (Natuurkunde)
J.P. Kruth (Werktuigkunde)
G. L'Abbé ( t )(Scheikunde)
A. Persoons (Scheikunde)
D. Roose (Computerwetenschappen)
J. Thevelein (Biologie)
L. Van Gool (Elektrotechniek)
C. Waelkens (Sterrenkunde)
Biomedische wetenschappen
A. Billiau (Microbiologie en immunologie)
R. Bouillon (Ontwikkelingsbiologie)
T.L. Peeters (Pathofysiologie)
J. Van Damme (Microbiologie en immunologie)
F. Vandenheede (Moleculaire celbiologie)
G. Verhoeven (Ontwikkelingsbiologie)
F. Wuytack (Moleculaire celbiologie)
1.4 Het onderzoeksbeleid
- bijzondere aandachtspunten
Binnen de algemene context van het onderzoeksbeleid zijn er een aantal
bijzondere aandachtspunten.
1.4.1 Evenwicht
Een eerste aandachtspunt betreft het evenwicht tussen het fundamenteel onderzoek enerzijds en het toegepast en beleidsgericht onderzoek anderzijds. De
uitgaven van toegepast onderzoek stegen in 1 9 9 6 minder snel. De sterkere
stijging van de uitgaven van fundamenteel onderzoek is vooral het gevolg van
de stijging van de mandaten IWT en FWO en de stijging van de uitgaven op
projecten van het FWO (Figuur 1). De uitgaven van fundamenteel onderzoek
waren in 1 9 9 6 iets groter dan die van het toegepast onderzoek.
Het
fundamenteel onderzoek is op termijn het meest innoverend, omdat het in vele
gevallen de basis kan vormen van de opbouw van knowhow o m toegepast
onderzoek op t e zetten. Hierbij dient opgemerkt dat de definitie die hierbij
gebruikt wordt voor 'fundamenteel onderzoek' en 'toegepast en beleidsgericht
onderzoek' artificieel is. Met fondsen voor 'fundamenteel onderzoek' doelt
men hierbij exclusief op Onderzoeksfonds, FWO, GOA en IUAP inclusief de
FWO-mandaten en IWT-bursalen.
1.4.2 Uitbouw van het statuut van de doctoraatsbursalen
De regeling voor doctoraatsbursalen werd verder gepreciseerd.
Essentieel blijft de notie dat het gaat o m een beurs voor zelfvervolmaking van
de bursaal door het verrichten van wetenschappelijk onderzoek met het oog
op het behalen van een doctoraat, en niet o m de betaling voor een
arbeidsprestatie.
Deze beurzen zijn vrij van personenbelasting, maar zijn wel onderworpen aan
de volledige sociale zekerheid.
Doctoraatsbeurzen kunnen worden toegekend ten laste van de volgende
financieringsmiddelen onder de volgende voorwaarden:
- patrimoniumgelden, met inbegrip van mecenaat voor zover de mecenaatsbeurs door de K.U.Leuven wordt uitbetaald;
- middelen van het Onderzoeksfonds met inbegrip van die van de GOA, in de
mate dat in de betrokken financieringsformule ruimte aanwezig is voor
doctoraatsbeurzen;
- middelen van IUAP-projecten evenals van projecten van Belgische en Euro-
pese Overheden, eveneens op voorwaarde dat in het project ruimte wordt
gelaten voor doctoraatsonderzoek;
saldi van projecten voor zover hierover vrij kan worden beschikt.
De regeling is van toepassing op onderzoekers van gelijk welke nationaliteit die
een beurs ten laste van deze financieringsbronnen ontvangen.
Doctoraatsbursalen worden opgenomen in een onderzoekseenheid en nemen
deel aan de collectieve wetenschappelijke activiteiten en interactie binnen
deze onderzoekseenheid. In dit kader kunnen zij binnen dezelfde grenzen als
deze geldend voor de bursalen-aspiranten van het FWO met beperkte onderwijsbegeleidende of administratieve activiteiten worden belast.
Een doctoraatsbeurs wordt toegekend voor een termijn van minimum één jaar,
met uitzondering van overbruggingsbeurzen, en maximum twee jaar. Zij kan
worden verlengd, zonder dat de totale duur van deze beurs vier jaar mag overschrijden.
Het nettobedrag van een doctoraatsbeurs bedraagt minimum 9 0 % van het
netto-bedrag van de bezoldiging van een assistent met dezelfde kwalificatie,
leeftijd en gezinstoestand en maximum 1 0 0 % van het netto-bedrag van de
bezoldiging inbegrepen het vakantiegeld en de eindejaarstoelage, van een
assistent met dezelfde kwalificatie, leeftijd en gezinstoestand.
1.4.3 Postdoctorale onderzoekers
Een tweede aandachtspunt betreft het beleid ten opzichte van postdoctorale
onderzoekers. Financieringsmogelijkheden voor deze categorie vormen een
van de meest prangende problemen in het onderzoeksbeleid. In modern, kwalitatief zeer hoogstaand onderzoek is de nood aan postdoctorale onderzoekers
zeer groot. In Tabel 3 wordt voor de periode 1991-1996 een vergelijking
gemaakt tussen het aantal aanvragen enerzijds en het aantal toegewezen
postdoctorale mandaten bij het Onderzoeksfonds anderzijds.
Het aantal
aanvragen lijkt zich sinds de laatste jaren t e stabiliseren rond de 75 terwijl het
aantal toekenningen in 1 9 9 6 naar 4 8 steeg, zodat het toekenningspercentage
weer de 6 5 % benadert.
Figuur 1. De evolutie van de uitgaven voor fundamenteel onderzoek enerzijds
en beleidsgericht en toegepast onderzoek anderzijds
Mio BEF
2500
+ +
Basis: cf. a
b
c uit Tabel 4
'toegepast en beleidsgericht onderzoek' = rubrieken 3, 4 en 5 uit financieringsgroep a (cf. Tabel 4)
projectonderzoek Leuven Research &
Development (financieringsgroep b)
'fundamenteel onderzoek' = rubrieken 1 en 2 uit financieringsgroep a (cf.
Tabel 41 + FWO en IWT (financieringsgroep c )
n
+
De opname van postdoctorale navorsers in het lopend onderzoekswerk is van
cruciaal belang. Jonge postdocs beschikken doorgaans over een ver geavanceerde kennis in bepaalde deeldomeinen, hetgeen hen in de mogelijkheid stelt
om in de eerste jaren, volgend op het behalen van het doctoraat, belangrijke
wetenschappelijke bijdragen t e leveren en t e publiceren. De Onderzoeksraad
selecteert de aanvragen voor postdoctorale mandaten vooral op basis van het
publicatiegedrag van de betrokkenen. Het spreekt voor zich dat de competitieve allocatie van deze personele middelen kwaliteitsbevorderend is. Deze
periode volgend op het doctoraat is tevens bepalend voor de verdere loopbaanmogelijkheden in het wetenschappelijk onderzoek. Gezien de leeftijdspiramide van de huidige wetenschappelijke staf groeien thans enigszins de loopbaanmogelijkheden voor jonge vorsers.
1.4.4 Concentratie van middelen
Een aandachtspunt is de behoefte aan concentratie van middelen en zwaartepuntvorming. Dit kan echter enkel lukken als gevolg van een natuurlijk proces. In bepaalde specifieke domeinen binnen de context van het zeer gespecialiseerd fundamenteel onderzoek kan de behoefte t o t samenwerking ontbreken omdat zij geen meerwaarde kan geven aan het lopend onderzoekswerk.
In domeinen waarin deze behoefte wel bestaat - het betreft meestal thema's
met een meer toegepast karakter - kan dit proces geoptimaliseerd en versneld
worden door de katalyserende rol die de Onderzoeksraad en de Dienst Onder-
zoekscoördinatie hierin kunnen vervullen.
In bepaalde gebieden van de
Humane wetenschappen heeft deze aanpak reeds geleid t o t concrete resultaten.
Ondanks het feit dat het bestaande systeem van middelenallocatie dergelijke
vormen van interfacultaire samenwerking niet meteen of niet selectief bevordert, is het vanuit onderzoeksoogpunt noodzakelijk dat interfacultaire initiatieven in de toekomst verder bestendigd en aangemoedigd worden. De uitdagingen op dit vlak zijn van uiteenlopende aard: aardobservatie, geografische
informatiesystemen, ruimteonderzoek, archeologie, sociale wetenschappen,
materiaalonderzoek, ethiek, neurale netwerken,
...
1.4.5 Interne dienstverlening
Een vierde aandachtspunt betreft de dienstverlening die de centrale universitaire diensten verrichten ten behoeve van het beheer van meer dan 3 0 0 0
extern gefinancierde onderzoeksprojecten die aan de K.U.Leuven worden uitgevoerd. Deze dienstverlening start bij de informatiedoorstroming rond de
diverse financieringsmogelijkheden voor onderzoeksprojecten via het infoblad
GeDOCumenteerd.
Dit heeft bij vele onderzoekers een positieve houding
gewekt ten aanzien van doorgedreven onderzoeksinspanningen met inbegrip
van de werving van externe middelen. Ook wordt progressief meer aandacht
besteed aan het efficiënt beheer van de verworven onderzoeksmiddelen. Er
ontstaat een groeiende behoefte aan een flexibel, inzichtelijk en vereenvoudigd
beheer van de projectfinanciering. Hierom werd in 1 9 9 6 een informatiecampagne voor het informatiesysteem 'Autodoc' georganiseerd, zodat de onderzoekers via hun PC de financiële toestand van hun eigen projecten kunnen
opvolgen.
1.5 Beleidsdoelstellingen op korte termijn en op middellange termijn
Op basis van de opdrachtsverklaring van de K.U.Leuven, met daarbij inbegrepen de specifieke rol die de K.U.Leuven wenst te vervullen in het organiseren,
stimuleren en valoriseren van wetenschappelijk onderzoek, legde de coördinator Onderzoeksbeleid de beleidsopties voor de periode 1 9 9 6 - 2 0 0 0 voor aan
de bevoegde organen.
Het document beschrijft o.a. de facultaire1 departementale taken qua onderzoek, een geactualiseerd voorstel voor de besteding van de middelen van het
Bijzonder onderzoeksfonds, de cumulregeling voor middelen voor fundamenteel
onderzoek en beleidsaspecten met betrekking t o t het FWO, federale middelen
voor fundamenteel onderzoek, overheadregeling, personeelsstructuur en infrastructuurbehoeften.
Samengevat leidt dit document t o t volgende adviezen:
1. De aanzienlijke groei van middelen voor fundamenteel onderzoek is een
lang gevraagde en verhoopte vervulling van een reële behoefte o m de
internationale competitiviteit van onze onderzoekers en onderzoeksresultaten t e verbeteren. De Vlaamse Overheid moet gelukgewenst worden en de
geleverde inspanningen moeten volgehouden worden. De verwachte cumulatieve toename van de middelen voor fundamenteel onderzoek kan men
5 0 % in de periode 1995-19 9 9 met nog een extra groei van
schatten op
2 0 % voor de Humane wetenschappen. Dit alles i n de hypothese van
reële uitvoering van plannen van de Vlaamse en Federale Overheid betreffende wetenschappelijk onderzoek en bij gelijkblijvende trends in verdeling
van de middelen over de diverse disciplines.
2. Bij behoud van bestaande bestedingsgewoonten* kan een toename van het
BAP-kader met minimum 5 0 0 eenheden worden verwacht ( + 2501250 via
+
+
Aangezien de meeste onderzoeksmiddelen toegekend worden op basis van competitie zonder
voorafgaande compartimentalisatie, kan geen correcte voorspelling hieromtrent worden
gemaakt.
FWO en BOF). Dit veronderstelt duidelijk aanpassingen van infrastructuur,
recrutering, begeleiding en aanpassing van de werkingsmiddelen gezien het
volledige BAP-kader (inclusief FWO) met meer dan 35 % zou toenemen.
Dit betekent een globale uitbreiding van het tijdelijke kader (AAP + BAP +
FWO & IWT . . . l met ongeveer 25 % (van I 2 0 0 in 1995 naar 2 2 0 0 in
1999).
3. De omkadering van ZAP-leden tegenover het AAP en het BAP is in 1995
ongeveer 1 :2 ( + 1 000 ZAP + vast FWO versus 2.000 AAP+BAP + niet
vast FWO). Een toename van 5 0 0 tijdelijke mandaten met eventueel
beperkte reductie van AAP verhoogt deze ratio, doch binnen redelijke
grenzen. Wel is de effectieve belasting per ZAP wel zeer ongelijk verdeeld
(volgens faculteit en volgens talent/werkkracht/reputatie van ZAP). Voor
enkele departementen en faculteiten zal een aanpassing van het vast kader
echter noodzakelijk worden.
4. Het jonge onderzoekskader dat zich situeert in de periode postdoc - hoofddocent-verdient kwantitatieve uitbreiding. De lesopdrachten van de postdocs moeten beperkt blijven t o t maximum 2 A 4 j.u. Dit zou best ook voor
een ruim aantal jonge, talentvolle docenten en hoofddocenten zo blijven
zodat pas vanaf latere leeftijd meer lesopdrachten worden toevertrouwd.
Dit model kan worden gerealiseerd door interne verschuiving van de voorziene expansie van middelen en hopelijk ook door uitbreiding van het vaste
FWO-kader (onder diverse scenario's).
5. De noodzakelijke uitbreiding van werkingsmiddelen o m de activiteit van het
toegenomen aantal BAP op te vangen is geen probleem voor middelen
verworven via het BOF omwille van de vrijheid van bestedingen. Voor het
FWO is de groei van mandaten groter dan de parallelle groei in andere middelen.
Gezien de bestedingsvrijheid via enveloppefinanciering kan dit
evenwel grotendeels worden opgevangen voor grotere groepen met diverse
financieringsbronnen. Voor individuele kleinere groepen kan dit occasioneel
problemen stellen.
6. Bij een toename van tijdelijk kader is het nodig om het doctoraatsrendement ( + 8 0 %, cf. jaarverslag OR 1995) minstens te behouden en zo
mogelijk te verhogen, zowel in het belang van de doctorandi als van de
K.U.Leuven.
7. Bij dergelijke forse uitbreiding van predoctorale mandaten moet ook een
verhoging van postdoctorale mandaten voorzien worden. Dit is grotendeels
gerealiseerd aangezien ongeveer 1 0 0 postdoc extra mandaten gecreëerd
worden (BOF & FWO) en gezien de vrijheid van besteding van sommige
andere middelen.
8. Het echte probleem zal zich echter voordoen wanneer een groeiend aantal
schitterende postdocs reële verdere universitaire verwachtingen zullen
manifesteren. De uitbreiding van het vast ZAP + FWO kader moet dus
progressief kunnen ingevoerd worden, doch vooral na 1999.
9. De nieuwe middelen mogen niet in de eerste plaats t o t doel hebben diverse
nieuwe kleinere onderzoeksgroepen t o t onafhankelijke eenheden te laten
ontwikkelen met nutteloze duplicatie van infrastructuur. Een versterking of
bundeling van bestaande groepen moet toelaten betere ontwikkelings- en
ontplooiingsmogelijkheden te bereiken. Behoud en zelfs versterking van de
kwaliteitsbewaking moet een absolute prioriteit blijven.
10.De groei van de middelen voor fundamenteel onderzoek zal de werkbelasting van de ondersteunende diensten (bv. Dienst Onderzoekscoördinatie,
personeelsadministratie) verder verhogen.
1 1 .De groei van de middelen voor fundamenteel onderzoek brengt Vlaanderen
en zijn universiteiten stilaan op een niveau dat aansluit op dat van zijn economische partners. Het creëert ook de verwachting en de intellectuele en
morele plicht o m de nieuwe mogelijkheden waar mogelijk sneller te vertalen
in concrete maatschappelijke of economische resultaten via een vernieuwd
innovatieproces.
2.
bewaking
-
2.1 Opvolging en begeleiding van doctorandi
Doctorandi worden in de eerste plaats opgevolgd en begeleid door hun individuele promotoren, door algemene enlof individuele doctoraatscommissies, of
door andere adviescommissies. Dit kan gebeuren via een systematisch enlof
periodiek opvolgen en begeleiden van het onderzoekswerk, het begeleiden en
evalueren bij de doctoraatsopleiding of de evaluatie bij de hernieuwing van
mandaten.
De K.U.Leuven heeft de doctoraatsopleiding t o t algemene regel gemaakt voor
iedere doctorandus(a) die zijnlhaar doctoraat aangevat heeft na 1 juli 1 9 9 4
(academiejaar 1994-1995) voor zover de betrokken faculteit haar reglement
terzake en haar aanbod voor de opleiding klaar had. In ieder geval geldt de
verplichting voor alle doctorandi(ae) die vanaf 1998-19 9 9 hun proefschrift
verdedigen. Vrijstelling van de verplichting t o t het volgen van de doctoraatsopleiding kan volgens het facultair reglement toegestaan worden in welomschreven gevallen.
De inhoud van de doctoraatsopleiding wordt door de faculteitsraad vastgesteld
in een facultair reglement, desgevallend in overeenstemming met andere faculteiten van dezelfde groep, en ter goedkeuring voorgelegd aan de Academische
raad.
Per faculteit wordt een algemene doctoraatscommissie ingesteld, aan wie de
doctorandusía) per jaar, of voor meerdere jaren samen, zijnlhaar programma
voor de doctoraatsopleiding voorlegt.
De algemene doctoraatscommissie
beslist over de goedkeuring van dit programma, ziet toe op de uitvoering en de
regelmatige evaluatie daarvan en beslist over de toekenning van het getuigschrift van de doctoraatsopleiding.
Bij de hernieuwing van het mandaat van AAP wordt vooreerst het advies van
de departementcvoorzitter, van het rechtstreeks diensthoofd en van het
bureau van de faculteit gevraagd. Dit advies slaat op de wetenschappelijke
waarde van het AAP-lid en, in voorkomend geval, op de vordering van het
doctoraat, de wijze waarop de taken onderzoek enlof onderwijs(assistentie~
werden vervuld alsook op de morele en pedagogische waarde van het AAP-lid.
2.2 Evaluatie bij nieuwe aanstellingen en bevorderingen van het academisch
personeel
Bij de benoeming of aanstelling in BBn van de graden van het ZAP wordt
rekening gehouden met de bekwaamheid en de verdiensten van de kandidaat
inzake wetenschappelijk onderzoek en wetenschappelijk onderwijs, eventueel
wetenschappelijke dienstverlening, en, in voorkomend geval, met de mate
waarin hijlzij voordien als lid van het AP zijnlhaar taken plichtsgetrouw heeft
vervuld, en met de opdracht van de kandidaat en de goede werking van het
departement.
Gegevens terzake vindt men in het personeelsverslag.
2.3 Evaluaties door andere instanties (FWO, IWT, EU)
Uiteraard worden doctorandi en andere mandaathouders geregeld, o.m. naar
aanleiding van hernieuwingen van mandaten, geëvalueerd door de bevoegde
organen van FWO, IWT, EU.
2.4 Evaluaties door de Onderzoeksraad
De evaluatie van het onderzoek ligt de Onderzoeksraad nauw aan het hart. De
ingezette middelen moeten immers optimaal worden aangewend voor het
gestelde doel. Deze evaluatie gebeurt dan ook systematisch onder verschil-
lende vormen.
De evaluatie vóór de toekenning van een project of mandaat werd beschreven
in punt 1.3. De evaluatie van de projectuitvoering gebeurt onder de vorm van
beoordeling van de tussentijdse en eindrapporten over alle projecten die via
het GOA- of OT-systeem worden toegekend.
De eindrapporten opgesteld door de woordvoerders van de afgelopen projecten van de K.U.Leuven werden in 1996 ter evaluatie aan de leden van de
Onderzoeksraad van onze universiteit voorgelegd. De procedure bestond erin
dat deze eindrapporten telkens door dat lid van de Onderzoeksraad, dat qua
discipline het best een afgelopen project kon beoordelen, geëvalueerd werden.
Deze rapporten én de verschillende evaluaties daarvan werden nadien ook nog
eens door de voorzitter van de Onderzoeksraad doorgenomen en beoordeeld.
De conclusies werden in het Bureau van de Onderzoeksraad, en vervolgens in
de Plenaire Onderzoeksraad kritisch besproken.
2.5 Evaluaties met het oog op middelenverdeling in de faculteiten
Reeds langer bestond in een paar faculteiten een systeem van puntenmeting
voor wetenschappelijk onderzoek dat mede gebruikt werd als een der parameters voor de verdeling van werkingsmiddelen binnen de faculteit.
Deze
werkwijze wordt veralgemeend; iedere faculteit kan daarbij rekening houden
met de specifieke eigenheid in de discipline en de publicatiegebruiken. In de
loop van 1996 hebben de meeste faculteitenldepartementen hun
(langbestaande of recente) methodologie terzake voorgelegd aan de Raad voor
Onderzoeksbeleid. Op basis hiervan werden algemene richtlijnen opgesteld die
voor alle faculteitenldepartementen bruikbaar zijn. Het is de bedoeling dat
iedere faculteit jaarlijks zijn intern evaluatieverslag overmaakt aan de Raad
voor Onderzoeksbeleid zodat op basis van deze uitwisseling van ervaring en
internationale vergelijkingen een voortdurende verbetering van de evaluatieprocedure kan worden opgebouwd.
2.6 Kwaliteitszorg in het kader van de VI.1.R.
Tijdens 1996 werd er via diverse stuurgroepen en ad hoc comités binnen de
V1.I.R. gewerkt aan drie projecten.
2.6.1 Rapport Kwaliteitszorg
Hier wordt verwezen naar de intensieve inspanningen die zijn geleverd om
twee rapporten op te stellen die uiteindelijk een externe commissie in de
V1.I.R. zou moeten toelaten een meta-evaluatie door te voeren over de kwaliteitszorg in de Vlaamse universiteiten.
In een eerste rapport 'Gegevensverzamelingen binnen de universiteiten inzake
het wetenschappelijk onderzoek' werd er een overzicht gegeven van alle
gegevensverzamelingen aangelegd binnen de universiteit over het wetenschappelijk onderzoek (op niveau Academische raad, Onderzoeksraad, respectievelijke faculteiten, departementen, onderzoekseenheden) evenals diegene die zijn opgelegd door externe instanties - in de eerste plaats de verschillende overheden (jaarverslag universiteit, jaarverslag Onderzoeksraad, IWETO,
OESO-inventaris, enz.).
Het was de bedoeling dat deze documenten zouden leiden tot een voorstel
waarbij alle mogelijke vragen in één bevragingsdocument zouden worden
vastgelegd. Hieraan is nog steeds geen gevolg gegeven.
Het tweede rapport 'Intra-universitaire kwaliteitszorg in het wetenschappelijk
onderzoek' is gestructureerd volgens het door de commissie ontwikkelde con-
cept van kwaliteitszorg, waarbij de functionaliteit van kwaliteitszorg als
bestuursinstrument centraal stond. Daarbij werd aandacht besteed aan:
- de evaluatie via het personeelsbeleid;
-
het eigen evaluatiesysteem, dat de opvolging van de ontwikkeling van het
onderzoek mogelijk maakt en een kwaliteitscultuur ingang doet vinden.
Daarnaast worden ook het verdelingsinstrumentarium en het periodiek
opvolgings-, informatie- en begeleidingssysteem behandeld.
Nadien heeft de externe commissie gesprekken gevoerd met een delegatie van
de universiteit waarbij vooral naar het 'zelfbeeld' van de instelling gepolst
werd. Het uiteindelijke rapport 'Om de kwaliteit. Een analyse van het beleid
van de Vlaamse universiteiten inzake kwaliteitszorg in het wetenschappelijk
onderzoek' wordt in een verdere fase aan de diverse instellingen worden
besproken en van commentaar voorzien.
2.6.2 Interuniversitaire afspraken inzake bibliometrie
Tijdens 1996 werden verscheidene besprekingen gevoerd die uiteindelijk zouden moeten leiden t o t een interuniversitaire meerjarenovereenkomst met
betrekking t o t bibliometrische studies. Men ging er van uit dat gezamenlijke
onderhandelingen met bijvoorbeeld het CWTS in Leiden t o t veel goedkopere
overeenkomsten aanleiding zouden geven.
2.6.3 Pilootproject betreffende het zichtbaar maken van onderzoeksprestaties
in de cultuur-en gedragswetenschappen
Met de uitwerking van dit project werd gestart in de loop van 1996. Het
project beoogt een exploratieve studie t e laten uitvoeren teneinde t e onderzoeken of voor de cultuur- en gedragswetenschappen een methodologie ontwikkeld kan worden o m de omvang van onderzoeksactiviteiten en de wetenschappelijke betekenis ervan zichtbaar t e maken. Dit pilootproject houdt niet
in dat een waardeoordeel zal worden uitgesproken over het werk van individuele onderzoekers.
Er werd beslist o m zich in deze studie (gezien de enorme inzet van bevraging
en gegevenslevering) te beperken t o t de rechten (exclusief criminologie1 en de
taalkunde.
De Dienst Onderzoekscoördinatie staat in voor de concrete coördinatie van het
werk.
3.
Financieringsbronnen
3.1 Globaal
De totale uitgaven voor onderzoek bedroegen in 1996 4,609 mia BEF, hetgeen
een toename betekent van 6,O % ten opzichte van 1995. De totale uitgaven
houden geen rekening met onderzoek via VIB en UZ. Tabel 4 toont dat deze
toename het resultaat is van een erg gedifferentieerde groei in de onderzoeksbestedingen van de onderscheiden financieringskanalen.
Indien men het projectonderzoek via LR&D, de wetenschappelijke dienstverlening, royalties en de mandaten FWO en IWT niet meerekent, bedraagt het
groeicijfer 7,7 %. De uitgaven voor projectonderzoek via LR&D (K.U.Leuven
Research and Development) stegen met 1,6 %. Deze lichte stijging is vergelijkbaar met die van 1995 ( + 2,3 %). Uitgaven via LR&D zijn negatief beïnvloed door transfer van extra onderzoeksprojecten aan de VIB departementen
naar het VIB-Beheer en anderzijds positief beïnvloed doordat LR&D een groter
aantal van onderzoeksprojecten van EU en mecenaat beheert.
De uitgaven via het Bijzonder onderzoeksfonds stijgen met 28,3 % in 1996.
De extra middelen voor fundamenteel onderzoek die door de Vlaamse overheid
vanaf 1994 ter beschikking worden gesteld, zijn vanaf dit jaar zichtbaar in de
uitgaven. Verwacht wordt dat in de komende jaren de uitgaven via deze
categorie verder zullen stijgen, omdat de Vlaamse overheid haar inspanning
cumulatief zal verhogen. De uitgaven voor GOA's toegekend na 1994 worden
sinds vorig jaar opgenomen in het budget van het Speciaal onderzoeksfonds.
Dit betekent dat de uitgaven voor GOA's (Categorie l .b.) voortaan uitdovend
zijn.
De uitgaven voor de mandaten FWO en IWT stegen in 1996 met 5,9 %. Deze
grote stijging is t e wijten aan het verhoogd aantal mandaten (in totaal gestegen met 75 eenheden, w a t overeenkomt met 13 %). De stijging in kostprijs is
kleiner dan de stijging in aantal daar bij het FWO de kostprijs per mandaat
gedaald is. De uitgaven via FWO stegen met 14,5% waardoor de inspanningen van de Vlaamse overheid duidelijk zichtbaar worden.
Indien men de som maakt van alle financieringsmiddelen voor fundamenteel
onderzoek, nl. Onderzoeksfonds, FWO, GOA, IUAP en de mandaten FWO en
IWT, dan stelt men een groei vast van 10,8 %
De inspanningen van de Vlaamse regering voor het onderzoek zorgen ervoor
dat in 1996, zoals in 1995, de onderzoeksuitgaven op contracten van de
Vlaamse overheid spectaculair stijgen ( + 18,l %), zodat die meer dan één
tiende van de totale onderzoeksuitgaven van de K.U.Leuven uitmaken. Daarbij
valt op dat de uitgaven op middelen van de federale overheid echter dalen met
2,6 %.
Bij de internationale projecten stelt men een daling van 10,4 % vast, die volledig toe te schrijven is aan de vermindering van de projecten via de Europese
Commissie,
ten gevolge van thematische accentverleggingen binnen het
Europees Kaderprogramma voor Onderzoek en van het toenemend toepassingsgericht karakter van EU-projecten. Mede hierdoor wordt een groter deel
van de toegekende projecten beheerd via K.U.Leuven Research and Development.
De aanzienlijke daling van de financiering via privélmecenaat kan hoofdzakelijk
verklaard worden doordat steeds meer onderzoek uit de privé-sector via LR&D
verloopt.
3.2 Per faculteit
De totale uitgaven voor onderzoek aan de K.U.Leuven bedroegen in 1996
4,609 mia BEF. De globale stijging van de onderzoeksuitgaven bedroeg in
1996 6,O % (zie tabel 4 ) . Indien men het projectonderzoek via LR&D, de
wetenschappelijke dienstverlening, royalties en de mandaten FWO en IWT niet
meerekent, bedraagt het groeicijfer 7,7 %.
Tabellen 5 en 6 geven een totaaloverzicht van de onderzoeksuitgaven, opgedeeld per faculteit. Uitgaande van de gegevens van tabel 6, blijkt dat het
groeicijfer van de groep van de Exacte wetenschappen boven het gemiddelde
van de K.U.Leuven ligt (8,3 %) en dat het groeicijfer van de groep van de
Humane wetenschappen (6,5 %) onder het gemiddelde liggen. Het groeicijfer
van de groep van de Biomedische wetenschappen is in 1996 zelfs negatief (2 , 3 %).
De faculteit met het grootste onderzoeksbudget, nl. Geneeskunde zag haar
uitgaven van onderzoek dalen (- 4 , 2 %), terwijl de volgende drie faculteiten,
nl. Wetenschappen, Toegepaste wetenschappen en Landbouwkundige en
toegepaste biologische wetenschappen, hun uitgaven van onderzoek zagen
stijgen.
Deze 4 faculteiten gaven bijna 80 % van het totaal aan de
K.U.Leuven uit.
De faculteiten Sociale wetenschappen, Farmaceutische wetenschappen en
Lichamelijke opvoeding behoorden in 1996 tot de grootste stijgers in onderzoeksuitgaven in 1996 met respectievelijk 21,3 %, 34,7 % en 21,5 %.
3.3 Per wetenschapsdiscipline
De besteding van de financiële middelen per wetenschapsdiscipline wordt
gegeven in tabel 7.
4.
Persaroeelsbestand
Tabel 8 geeft een overzicht van het personeelsbestand per faculteit in
voltijdse equivalenten.
In het kader van de competitieve allocatie van personeel en middelen, en met
het oog op de vorming van jonge onderzoekers, verdienen de mandaten FWO
en IWT bijzondere aandacht.
a) Mandaten FWO
Tabel 9 toont dat het aantal FWO-mandaten tijdens het academiejaar 19961 9 9 7 4 1 6 eenheden bedroeg t e verdelen over 201 Aspiranten, 1 2 4 Postdoctorale onderzoekers, 5 8 Onderzoeksleiders, 2 8 Onderzoeksdirecteurs en 5
Bijzondere doctoraatsbeurzen.
Ten opzichte van het voorgaande academiejaar zijn zowel het aantal Aspiranten als het aantal Postdoctorale onderzoekers sterk toegenomen. Respectievelijk is er een stijging van 27 en 21 eenheden. Dit werd mogelijk gemaakt
door de verhoogde financiële steun van de Vlaamse Gemeenschap aan het
FWO. Hierdoor kwamen niet alleen meer middelen vrij voor onderzoeksprojecten maar vooral ook voor nieuwe mandaten (voor Vlaanderen ca. 2 0 0 mio BEF
extra).
Wat de mandaten van onbepaalde duur bij het FWO betreft (nl. Onderzoeksleiders en Onderzoeksdirecteurs), werd door de Vlaamse Regering het totaal aantal vastgelegd op 200. Bovendien mag het geïndexeerd budget (anno '93) van
5 8 0 mio BEF niet worden overschreden. Concreet betekent dit dat enkel via
inleveringen (opname van een vast mandaat FWO in het ZAP) een evenredig
aantal nieuwe onderzoekers kan worden aangesteld. In 1996 werd deze regel
aan de K.U.Leuven toegepast voor vier onderzoekers.
b) Mandaten IWT
Het IWT financierde in 1996-19 9 7 2 3 7 Specialisatiebeurzen (inclusief wijzigingen aan de hand van de reservelijst). In Tabel 1 0 wordt de vergelijking
gemaakt met het voorgaande academiejaar: in absolute cijfers betekent dit een
toename met 25 eenheden. Ten opzichte van het aantal IWT-bursalen voor de
Vlaamse universiteiten is het K.U.Leuven-aandeel met 1 O h toegenomen. De
slaagkans voor een eerste periode lag op 41,O % ten opzichte van 37,4 %
vorig jaar.
Voor het eerst heeft de Raad van Bestuur van het IWT beslist o m vanaf de
eerstejaarsbursalen 1996 een jaarlijkse projectkostenvergoeding ten bedrage
van 1 0 8 000 BEF per bursaal t e voorzien.
Wat betreft de verdeling van deze bursalen onder de faculteiten blijkt de reeds
vroeger vastgestelde tendens zich nog steeds verder door t e zetten. De Faculteit Wetenschappen levert opnieuw in ten voordele van de faculteiten Toegepaste wetenschappen en Landbouwkundige en toegepaste biologische wetenschappen en Geneeskunde.
Het overzicht van het personeelsbestand per wetenschapsdiscipline wordt
gegeven in tabel 1 1.
Het aantal behaalde doctoraatstitels wordt beschouwd als een belangrijke output-indicator aangezien de doorstroming van jong talent duidt op de wetenschappelijke dynamiek van de onderzoeksgroep. In Tabel 1 2 wordt een overzicht gegeven van de verschillende doctoraten die in het academiejaar 19951 9 9 6 aan de K.U.Leuven werden uitgereikt. Opvallend is de sterke stijging
van het aantal doctoraten in de faculteiten Wetenschappen en Toegepaste
wetenschappen en de sterke daling in de Faculteit Geneeskunde. De forse
daling van het aantal doctoraten aan de Faculteit Geneeskunde moet zeker
gezocht worden in het ongewoon hoog aantal 'doctoraten' in het jaar 1995,
het laatste waarin nog de graad van Geaggregeerde voor het Hoger Onderwijs
aan de Faculteit Geneeskunde kon worden behaald.
6.1 Vlaamse onderzoeksacties
6.1.1 Deelname K.U.Leuven-onderzoeksgroepen aan projecten IWT-autonome
functie
De stimulering die het IWT geeft aan het industrieel onderzoek via de onderzoeksactiviteiten onder de 'autonome functie' zijn onrechtstreeks ook een
stimulans voor het universitair onderzoek. In 1 9 9 6 werden aan de K.U.Leuven
een 30-tal IWT-projecten toegewezen die in totaal een bedrag vertegenwoordigen van 2 2 2 mio BEF. In het kader van het Eureka-programma werd door
het IWT in de loop van 1 9 9 6 voor ruim 3 0 mio BEF middelen toegewezen aan
de K.U .Leuven. De deelname van K.U.Leuven-onderzoeksgroepen aan IWTprojecten nam in de voorbije jaren toe, hetgeen wijst op de slagkracht van de
onderzoeksgroepen die, naast het technologisch basisonderzoek, ook in het
kader van precompetitief en toepassingsgericht onderzoek meer en meer
samenwerkingsverbanden opzetten met het bedrijfsleven.
6.1.2 Medialab
Het programma Medialab beoogt de mobilisatie van kennis en expertise op het
vlak van de economische, sociale, juridische en maatschappelijke aspecten
van het gebruik van multimediatoepassingen die potentieel via breedbandnetwerken geleverd kunnen worden. De oproep van begin 1 9 9 6 resulteerde in 1 5
goedgekeurde projecten. De K.U.Leuven is coördinator in 6 van de goedgekeurde projecten en participeert nog in een interuniversitair initiatief met de
Universiteit Antwerpen. De projecten van de K.U.Leuven situeren zich rond
juridische aspecten, elektronisch publiceren, afstandsopleiding in het hoger
onderwijs, toegankelijkheid voor slechtzienden, lokale overheidsdiensten,
telewerken en arbeidsorganisatie.
6.1.3 Uitrusting voor materiaalonderzoek
Begin 1996 werd de selectie uitgevoerd voor dit programma voor materiaalonderzoek in Vlaamse onderzoekslaboratoria. Er werden zestien projecten gefinancierd waaronder acht voorstellen van de K.U.Leuven. Bij de uitvoering van
deze projecten moet er bijzondere aandacht besteed worden aan samenwerking met andere onderzoekslaboratoria en bedrijven. De ter beschikking
gestelde apparatuur biedt aldus bijzondere mogelijkheden voor technologische
innovaties en samenwerking.
6.1.4 Vlaams Interuniversitair Instituut Biotechnologie (VIB)
In 1996 organiseerde het VIB een bijzondere oproep voor het zogenaamd
'projectmatig onderzoek', dat zich richtte t o t onderzoeksgroepen die niet deel
uitmaken van de reeds erkende VIB-departementen. Na selectie werden aan
de Vlaamse Regering uiteindelijk vijf projecten voor financiering voorgedragen,
5.
Output
doctoraten
6.
Nationale
wetenschappelijke samenwerking
waaronder t w e e projecten van de K.U.Leuven. Hierdoor wordt de deelname
van de K.U.Leuven aan het VIB verder geconsolideerd.
Inmiddels werden aan de VIB-departementen van de professoren H. Van den
Berghe, D. Collen en D. Huylebroeck de VIB-activiteiten verder geïmplementeerd. In totaal bedroeg de VIB-dotatie voor deze drie groepen in 1996 255
mio BEF. Gezien de onafhankelijke structurering van het VIB, wordt het in een
afzonderlijke rubriek vermeld en niet bij de reguliere financieringskanalen van
de tweede financieringsgroep en bijgevolg ook niet bij de verdeling van de
onderzoeksmiddelen over faculteiten en departementen. Bijzondere aandacht
dient echter besteed te worden aan de verdere uitwerking van de algemene
doelstelling o m een grootschalig initiatief zoals het VIB in blijvende symbiose
met het universitair onderzoek uit te bouwen. De eerste wetenschappelijke
resultaten in die zin zijn alvast positief: uit de jaarlijkse bibliometrische analyse
van het VIB bleek dat de departementen van Prof. H. Van den Berghe en van
Prof. D. Collen t o t de top drie behoren, w a t betreft de productiviteit, gemeten
o p basis van de som van de impactfactoren.
6.1.5Impulsprogramma Natuurontwikkeling (VLINA)
Na evaluatie door het Beheerscomité, dat hierbij o.a. beroep deed op buitenlandse experts, werden aan de K.U.Leuven in 1996 t w e e en voor 1997 vier
projecten toegekend. De K.U.Leuven haalt 22,2 % van het totale budget
beschikbaar voor deze oproep 1996. Daaruit blijkt dat aan de K.U.Leuven
kwalitatief hoogstaand onderzoek binnen dit thema wordt verricht, zonder dat
dit ruimer bekend is. Dankzij dit programma toont de K.U.Leuven aan dat ze
een niet te miskennen expertise bezit w a t betreft milieubehoud.
6.1.6Bilaterale Wetenschappelijke en Technologische Samenwerking met de
Geo-politieke Prioritaire Landen
De bilaterale wetenschappelijke en technologische samenwerking tussen
Vlaanderen en zeven geopolitieke landen of deelstaten, nl. Polen, Hongarije,
Roemenië, Zuid-Afrika, Chili, China en QuBbec werd in 1996 volgens een
nieuwe procedure opgezet.
Het totaal budget voor Vlaanderen bedroeg
1 13 mio BEF.
Rekening houdend met de Vlaamse selectiecriteria en met de eigen strategie
inzake internationale samenwerking heeft, in opdracht van de Academische
Overheid, het Bureau van de Onderzoeksraad, aangevuld met experts in
bepaalde gebieden, een evaluatie doorgevoerd.
Uiteindelijk participeert de K.U.Leuven als hoofd- of copromotor in 26 van de
38 toegekende onderzoeksprojecten (68,4%). De financiële weerslag bedroeg 43,3 mio BEF t.o.v. 1 1 1,l BEF in het totaal (dus 39 %). Hieruit kunnen
we besluiten dat relatief gezien veel onderzoeksgroepen deelnemen doch met
lage budgetten.
6.1.7Onderzoeksprogramma Humane wetenschappen
In 1996 werd een nieuw impulsprogramma opgestart ter stimulering van het
wetenschappelijk onderzoek in de sociale en gedragswetenschappen en de
cultuur- en geesteswetenschappen. Het programma bestaat uit twee grote
luiken waarbinnen telkens een aantal prioritaire onderzoekslijnen gedefinieerd
werden.
Het luik 'Beleidsgericht onderzoek' gaf twee grotere richtingen aan. In het
deel 'Vrouwenstudies' werden deelthema's naar voor geschoven zoals gelijke
kansen voor mannen en vrouwen, differentiële beeldvorming rond mannen en
vrouwen in de media, rolgedrag en opvoeding. In totaal werden hier vijf proBinnen dit luik werd voor 20,4 mio BEF toegewezen. De
jecten toegekend.
76
K.U.Leuven behaalde hier 23 % of 4,7 mio BEF.
In het deel 'Beleidsindicatoren en -instrumenten in Vlaanderen' heeft de
K.U.Leuven projecten gefinancierd gekregen rond maatschappelijke integratie
van personen met handicap, basisindicatoren voor een coherent jeugdbeleid,
de kwaliteit van de informele zorg, overheidsdienstverlening, legistiek ontwerpen van normen, verzelfstandiging van taken binnen de Vlaamse overheid.
In totaal ging hiervan voor 46,6 mio naar de K.U.Leuven. Dit is 52 % van het
totaal toegekende bedrag van 80,5 mio BEF. De twee deelrichtingen samen
leveren voor de K.U.Leuven 46,l % van de middelen in het luik beleidsgericht
onderzoek (100,9mio BEF) op.
In het luik 'Wetenschap als Cultuur' werden als prioritaire thema's naar voor
geschoven: het Vlaams cultuur-historisch patrimonium en de onderzoekslijn
'Leo Apostel'. Er was een massale respons aan projectvoorstellen, doch o m
budgettaire redenen - voor Vlaanderen maximum 150 mio - kon slechts een
beperkt aantal toegekend worden. Voor dit luik werd in totaal aan Leuven
72,7 mio BEF (of 47,9 %) toegekend. De Leuvense onderzoekers participeren
in elf van de twaalf toegekende Vlaamse projecten hetzij als hoofdpromotor
hetzij als copromotor.
6.1.8Onderwijskundig Beleids- en Praktijkgericht Wetenschappelijk Onderzoek
1996 (oud FKFO - Ministerieel Initiatief)
Dit jaar behaalde de K.U.Leuven 43,6 % van de totale toekenning. Vorig jaar
lag de score op 77 %. Vijf nieuwe projecten werden toegekend.
6.1.9Stimulering deelname Vlaamse onderzoeksgroepen aan EU-programma's
In het kader van de Verkennende internationale samenwerking (zie hiervoor
punt 1.3.9)organiseert de Dienst Onderzoekscoördinatie jaarlijks oproepen, die
door de Onderzoeksraad geëvalueerd worden. In 1994 werden achttien aanvragen ingediend, waarvan er uiteindelijk elf werden gehonoreerd. Nadien was
het aantal aanvragen enigszins lager: in 1995 twaalf, waarvan acht toegekend, en i n 1996 elf aanvragen waarvan er zeven werden gehonoreerd.
Eind 1996 werd een eerste evaluatie gemaakt van de resultaten van deze acties . Hierbij wordt bijzondere aandacht besteed aan het aantal EU-aanvragen
dat door de toegekende 'VIS1-projecten gegenereerd werd en aan de slaagkans
van deze aanvragen.
6.2 Federale onderzoeksacties
6.2.1Toekomstgericht Sociaal-economisch Onderzoek
Eind 1995 werden twaalf projecten goedgekeurd ten bedrage van 125 rnio
BEF, w a t overeenkomt met 27,36 % van het totale budget dat door de federale regering ter beschikking werd gesteld voor dit impulsprogramma. Onderzoeksthemata behelzen ziekenhuisbeleid, drugs, criminaliteit, sociaal beleid,
delokalisatie, openbaar bestuur en democratie. In 1996 werden de projecten
gestart.
6.2.2Wetenschappelijk Ondersteuningsprogramma voor de Normalisatie
Het programma heeft t o t doel de wetenschappelijke en technische wereld t e
sensibiliseren en het wetenschappelijk potentieel t e versterken teneinde activiteiten op het gebied van de normalisatie te ondersteunen. In 1996 werden
de projecten aan de K.U.Leuven in het kader van dit programma opgestart.
De projecten situeren zich in de domeinen van voeding, materiaalkunde, elek-
tronica en farmacie.
6.2.3 Plan voor Wetenschappelijke Ondersteuning van een Beleid gericht op
Duurzame Ontwikkeling
Dit plan groepeert de thema's van een aantal vroegere onderzoeksacties
(Antarctica, Global Change, Telsat, Transport en Mobiliteit, Zeewetenschappen) tezamen met een aantal nieuwe (Normen voor Voedingsproducten, Hefbomen gericht op Duurzame Ontwikkeling). Het plan loopt van 1996 t o t
2002. Bij de oproep die in 1996 werd georganiseerd, werden een 15-tal projecten aan de K.U.Leuven toegewezen inzake duurzame mobiliteit, Global
Change, Beheer van de Noordzee, Hefbomen voor een Beleid van Duurzame
Ontwikkeling.
Binnen Antarctica en binnen het onderdeel over de stand van zaken in voedings-normen heeft de K.U.Leuven geen project behaald. De K.U.Leuven
heeft slechts 10,8 % behaald van het totale beschikbare budget voor de
oproepen van 1996. Het is duidelijk voor een groot deel toe te schrijven aan
de ongelukkige keuze en invulling van de themata die voor de K.LI.Leuven (en
Vlaanderen) dikwijls niet in de centrale belangstelling stonden.
6.2.4 Wetenschappelijke en Technologische Samenwerking met Centraal- en
Oost-Europa: fellowships
Onderzoeksgroepen die momenteel financiering ontvangen in het kader van
een federaal impulsprogramma kunnen als onthaalinstelling optreden voor een
postdoctorale onderzoeker uit Centraal- en Oost-Europa. Deze beurzen hebben
een maximale duur van 12 maanden.
In 1996 werden twaalf aanvragen door K.U.Leuven-onthaalinstellingen ingediend. Uiteindelijk werden acht beurzen toegekend.
7.
Internationale
relaties
Figuur 2 geeft een beeld van de evolutie van de EU-financiering in de periode
1989-1996. De Europese onderzoeksfinanciering aan de K.U.Leuven is in de
voorbije 10 jaar sterk gegroeid: de inkomsten evolueerden van ongeveer 100
mio BEF in 1987 naar 360 mio BEF in 1993. Na 1993 daalden de inkomsten
relatief sterk o m terug Joe t e nemen t o t 31 9 mio BEF in 1996. Het cumulatief
boekhoudkundig saldo , dat in 1994 254 mio BEF bedroeg, werd inmiddels
teruggebracht tot 136 mio BEF. Het aantal lopende EU-projecten bedroeg in
1996 ongeveer 200.
Enerzijds voortkomend uit voorschotten die de EU verleent bij het opstarten van projecten en
anderzijds voortkomend uit reserves op basis van EU-financiering ( = een deel van de 20 %
overhead).
Figuur 2. Evolutie van saldi, inkomsten en uitgaven gegenereerd door EUprojecten; in mio BEF gedurende de periode 1989-1996. Bedragen
exclusief financiering EU-projecten via LR&D.
Bij deze boekhoudkundige analyse werden de inkomsten via LR&D niet meegerekend. Sinds het relatief plotse wegvallen van een groot aantal ESPRIT- en
BriteIEuRam-projecten (1993-1 994) was het aantal EU-projecten via LR&D
sterk teruggelopen. Dit neemt opnieuw toe: zo stegen de LR&D-inkomsten uit
EU-programma's in 1996 tot 166 mio BEF.
Samenvattend mag men stellen dat de EU-financiering ogenschijnlijk een
(tijdelijke) bovengrens bereikt heeft. Het afnemend cumulatief saldo en de
verwachting dat de inkomsten vanaf 1997 zullen teruglopen ten gevolge van
het verminderd aantal oproepen (Vierde Kaderprogramma eindigt in 19981,
doen bovendien vermoeden dat de EU-financiering in de volgende jaren zal
afnemen.
De EU-financiering (inclusief EU-projecten via LR&D) vertegenwoordigt ongeveer 1 0 % van de globale onderzoeksfinanciering aan de K.U.Leuven.
De totale uitgaven voor onderzoek, bestaande uit 'projectonderzoek
K.U.Leuvenl, 'mandaten FWO en IWT' en 'industriële projecten via LR&D1
bedroegen 4,609 mia BEF, een toename met 6,O % hetgeen iets hoger uitvalt
dan vorig jaar ( + 5,3 %).
Met grote waakzaamheid moet de financiering van het fundamenteel onderzoek en het aandeel daarvan in de globale universitaire onderzoeksmiddelen
worden opgevolgd. Het aandeel van de klassieke fondsen voor fundamenteel
onderzoek (Onderzoeksfonds, FWO, GOA en IUAP) in de totale onderzoeksfinanciering daalde van 6 0 % in 1987 naar 51 % in 1996. De algemene wending in het beleid van de Europese Unie en ook van de federale en regionale
overheden ten voordele van projecten met directe maatschappelijke relevantie
en industriële projecten waarin het accent in belangrijke mate verschoven is
naar 'Development', dreigt het meer innovatieve onderzoekswerk onder de
vorm van fundamenteel basisonderzoek te ondermijnen.
Inzake de werving van externe middelen stelt men nochtans vast dat de slagkracht van de K.U.Leuven bij nagenoeg alle belangrijke financieringskanalen
voor wetenschappelijk onderzoek gehandhaafd blijft.
De kostenstructuur van het wetenschappelijk onderzoek blijft kritisch: de
personeelskosten bedragen thans 51,O % van de totale onderzoekskosten,
terwijl het aandeel van de uitrustingsmiddelen gedaald is tot 18,2 % In 1989
vormden de personeelskosten slechts 44,8 % van de totale onderzoeksmiddelen en werd 33,2 % van de onderzoeksuitgaven besteed aan uitrustingsmidde-
8.
Besluit
len. Het financieringsniveau voor uitrustingsmiddelen is thans dermate teruggelopen dat het onvoldoende is o m de actuele waarde van de wetenschappelijke apparatuur op eenzelfde niveau t e handhaven.
Wat betreft de nieuwe toekenningen stellen we vast dat zowel de nieuwe
projecten als mandaten FWO die i n 1996 werden toegekend een duidelijke
stijging vertonen ten opzichte van 1995.
Ook de toekenningen (1996) van nieuwe OT- en GOA-projecten is gekenmerkt
door een groter aantal An een groter bedrag per toekenning in vergelijking met
1995. Vooral het aantal GOA-aanvragen dat na grondige interne en externe
evaluatie minstens het niveau van 1994 of 1995 bereikte, was zeer hoog
zodat een uitzonderlijk aantal (9) nieuwe GOA's zullen kunnen starten op 1
januari 1998, terwijl het gemiddeld bedrag per GOA toch hoog blijft (47 mio
per project over 5 jaar). Daarom moesten alle reserves worden ingezet (of
zelfs lichte 'overspending') o m de honorering van aanvragen over verschillende
aanvraagjaren op een gelijkaardige basis t e kunnen verrekenen. Dit bewijst
eens t e meer dat onze universiteit een groot aantal 'centers of excellence'
bezit en dat dit aantal blijft groeien dankzij het doorgroeien van onderzoeksgroepen die via AAn of meer OT's en andere projectfinanciering momenteel een GOA-niveau bereikt hebben.
Opmerkelijk blijft de relatief lage slaagkans van aanvragen voor Onderzoekstoelagen (OT). Inderdaad, hoewel de totale financieringsenveloppe duidelijk
toeneemt, blijft de spanning tussen het aantal aanvragen en het aantal toekenningen hoog, hoger zelfs dan bij de selectie van FWO-projecten. Dit verplicht ons ertoe de toegekende middelen per OT-project slechts in beperkte
mate t e laten stijgen, hetgeen ten dele gecompenseerd wordt door een lagere
netto kostprijs van de predoctorale onderzoekers die in het kader van OTprojecten hun doctoraat voorbereiden.
Een bijzonder lovenswaardig initiatief betreft het beleidsgericht onderzoek,
vooral in het domein der Humane wetenschappen. Indien 1996 het reële
begin betekent van een volgehouden inspanning waarbij projectfinanciering
een meer langlopend karakter verwerft, zal dit zowel voor de onderzoekers,
maar vooral voor de maatschappij een visie brengen voor vele lang aanslepende vragen waarvoor de bevolking reeds lang een oplossing vraagt. De
aansluitende extra financiering voor meer fundamenteel wetenschappelijk
onderzoek wordt gelukkig toevertrouwd aan het FWO, doch dit mag niet leiden t o t een echte compartimentalisering van de onderzoeksfinanciering.
Een ander nieuw geluid was de start van samenwerkingscontracten tussen
minstens t w e e Vlaamse onderzoeksinstellingen en een partner uit AAn van de
zeven geopolitiek belangrijk geachte landen.
Tabel 1. Allocatie van de middelen van het Bijzonder onderzoeksfonds 1996
INKOMSTEN 1996
Totale overheidstoelage
K.U.Leuven-bijdrage (20%)
Totale middelen BOF
GOA-toelage: min % van (1)
SFO-toelage: (3) + (2)
OT-projecten: min. 1/3 van (1)
andere categorieën
TOEKENNIGFN 1996
1.
De GOA-toekenningenbedroegen
Toeslag voor lopende GOA-operaties
Totaat
Budget: zie (4)
Saldo voor volgende GOA-operaties
2.
De SFO-toekenningen bedroegen
OT-toekenningen
Doctorandusbeurzen
Fellowsitips
Postdoctorale mandatsn voor Belgen
Prijzen Onderzoeksraad
Derde cyclus programma's
Oost-Europese initiatieven
Totaal
Facuitaire doctoraatsbeurzen
Werking Dienst Onderzoekscoördinatie
ii o 620 aoQ (3)
663 7 2 0 OW)
200 700 000
11 804 O00
58 882 000
110 622 000
600 WO
250 O00
7 000 000
387 858 OW)
30 620 O00
8 O00 000
51,7%
3O
, %
14,746
28,5%
0,2 %
0,146
13%
Tabel 2. Overzicht van de reeds toegekende mandaten sinds de oprichting van
het Bijzonder onderzoeksfonds in 1987.
Humane wet.
19S8
1989
1990
1991
1992
1993
1994
1995
1996
Tot.
%
2
5
6
8
13
16
12
1o
14
86
32,3
Wetenschappen
2
8
8
7
8
8
f0
1o
9
70
26,3
Biomed. wet.
Toegep. wet.
3
5
1
6
4
a
8
11
12
43
20,7
Tabel 3. Postdoctorale mandaten Onderzoeksfonds K.U.Leuven
Jaar
Aantal aanvragen
Aantal toekenningen
Toeùenningsprrcentage
Tabel 4.
Boekhoudkundige uitgaven voor onderzoek K.U.Leuven
- Boekjaar 1 9 9 6 (x 1 0 0 0 BEF)
Flnancieringsgroep
Pereonseiskosten
e) projectonderzoek K .U.Leuwen
l . Totaal Onder252 447
zoeksfonds
l.a. Bijz. OF
204 657
1.b. OOA
47 790
2. W O .
275 447
3.
IUAP
128687
4.
overheden"'
547 562
4.a. Federaal
229 970
4. b. Regionaal
288 321
4.c. Andere
29 271
5.a. Internationale
132 807
Organisaties
59 824
5.b. PrivB
Mecenaat
Totmuil f .U.leuven
1 396 774
b) &o]sotondenoek
Leuven Research &
Development
C) Mandaten FWO en
IWT'~)
Totaal
+
% aandeel
1996
66 428
46 789
19 639
279 639
27514
88 875
34 B81
47 888
6 006
27 541
8 384
488 383
d) Wetenschappe
tijke Dienstverlening
Totaal
e) ~ 1 6 ' ~ '
Totaal
"'
"'
'3'
-
De groep van overheden werd als volgt ingedeeld:
4a. Federale overheden: alle onderzoeksacties die rechtstreeks door de federale overheid gefinancierd worden, met inbegrip van het IWONL, ABOS en de Nationale Loterij.
4b. Regionale overheden: alle onderzoeksacties die rechtstreeks door de regionale overheid
(Vlaamse Gemeenschap of Gewest) gefinancierd worden, met inbegrip van het IWT,
Aminal, Vlaamse Investeringsmaatschappij e.a.
4c. Andere: bevatten de onderzoeksacties die niet rechtstreeks gefinancierd worden door de
federale of regionale overheid, maar via een daartoe geëigend orgaan (VI.I.R., SERV, Regie
der Posterijen, Nationale Bank, steden en gemeenten, ...).
De mandaathouders FWO en IWT zijn rechtstreeks verbonden aan deze fondsen, zodanig dat
de financiële tegenwaarde van deze mandaten moet worden toegevoegd aan de boekhoudkundige uitgaven uit financieringsgroep a. De mandaten op FWO-, IWT- en IWONL-projecten
werden daarentegen wel in Financieringsgroep a meegerekend.
Het cijfer voor VIB geeft de dotatie van VIB aan de departementen van VIB die in de
K.U.Leuven gelokaliseerd zijn.
Bron: op basis van jaarrekeningen Boekhouding K.U.Leuven, Leuven Research and
Development, VIB en eigen berekeningen Dienst Onderzoekscoördinatie
Tabel 5.
t 395 774
Totaal
Tabel 6.
1)
2)
3)
4)
5)
Onderzoeksuitgaven voor projectonderzoek in 1 9 9 6 per faculteit,
exclusief Leuven Research and Development en exclusief mandaten
FWO en IWT in 1 000 BEF
846 85.8
498 p83
Onderzoeksuitgaven in 1 9 9 6 per faculteit, inclusief Leuven
Research and Development en inclusief mandaten FWO en IWT in
1 000 BEF
Stemt overeen met financieringsgroep a uit Tabel 4
Stemt overen met financieringsgroep b uit Tabel 4
Stemt overeen met financieringsgroep c uit Tabel 4
Administratieve Diensten, Universitair Rekencentrum, Audiovisuele Dienst e.a.
Inclusief Centraal Beheer LR&D
Bron:
op basis van de jaarrekeningen Dienst Financieel Beleid K.U.Leuven 1996, Leuven
Research and Development en eigen berekeningen Dienst Onderzoekscoördinatie
Tabel 7 . Totale uitgaven (x 1 000 BEF) voor onderzoek (inclusief le
geldstroom) per discipline, opgedeeld in personeel, uitrusting en
werking.
Discipline
Psychorirgie
Reohtswetenschappen
Scheikunde
Petsoneei
77 $57
147 268
105809
Uitrusting
5 791
8268
58&3Z
Werking
9 O66
15000
50228
Totaal
92 474
170S25
214@%3
Tabel 8. Personele middelen per faculteit in voltijds equivalenten
1)
2)
3)
AAP: academisch assisterend personeel; ZAP: zelfstandig academisch personeel; VWP:
vastbenoemd wetenschappelijk personeel; WET. MED.: wetenschappelijk medewerker
ASP: aspirant; And.: postdoctorale onderzoekers, vaste mandaten FWO
SB: specialisatiebeurzen
Bron: Dienst Studie en Planning en Dienst Onderzoekscoördinatie
ASP: aspirant; PDO: postdoctoraal onderzoeker; BS: bijzondere doctorandus; OL: onderzoeksleider;
OD: onderzoeksdirecteur.
incl. Subfaculteit KULAK Bron: Dienst Onderzoekscoördinatie
Tabel 10. K.U.Leuven: evolutie aantal IWT-bursalen per faculteit
Tabel l l. Inzet van personele middelen, uitgedrukt in voltijdse eenheden:
globaal en per wetenschapsdiscipline, opgedeeld in Zelfstandig
Academisch Personeel (ZAP), Assisterend Academisch Personeel
(AAP), Administratief en Technisch Personeel (ATP) en overig
wetenschappelijk personeel (OWP)
Sociale gezondheidswetenschappen
Technische en toegepaste scheikunde
Theol., bijbel- en godsdienstwet.
Toegepaste biologische wetenschappen
Werktuigkunde
Wijsbegeerte
Wiskunde
Totaal
20,64
10,99
24,90
3139
8,32
27,42
14,199
920.48
7,67
8,46
3,88
22,81
13,83
8,97
11,62
696,80
13,27 17,49
13,39
12,80
12,23 15,90
99'09 159,$8
58,97
45,44
56,91
313,27
,
59,42
106,40
8,64 17,02
62,m
4,84
12,76
44,21
2 072,SO 1 529,39 5 21 8,82
Tabel 12. Doctoraten uitgereikt aan de K.U.Leuven tijdens het academiejaar
1995-1996;vergelijking met het academiejaar 1994-1995
Tabel 13. Overzicht van het aantal K.U.Leuven-voorstellen die in 1995-19 9 6
werden ingediend en het slaagpercentage per EU-programma
Personeelsverslag
1.l Globaal personeelsbestand
1. Personeelsevolutie
aan de
K.U.Leuven
Per 3 1 december 1 9 9 6 bedroeg het totaal aantal personeelsleden aan de
K.U.Leuven, met inbegrip van de universitaire ziekenhuizen, 1 3 9 2 5 personen. Ten opzichte van 3 1 december 1995 is er een toename met 4 3 4 personen. De globale personeelsaangroei neemt de laatste vijf jaar gestaag toe.
Opmerkelijk is evenwel dat de groei van de K.U.Leuven vooral plaats heeft bij
het personeel, betaald met patrimoniuminkomsten (vooral inkomsten uit
onderzoeksactiviteiten). Tabel 1 geeft een beeld van deze evolutie.
Tabel 1 . Personeelsbestand K.U.Leuven (cijfers per 31 / l 2/96)
1992
vte
1658
1 198
ATP-wu
AT?-nwu
ATP-b2.t~
2105
1 280
3 386
1 529
822
272
ATP
K.U.teuven
UZ .Leuven
Totaal
2 623
6 008
6663
12 671
AP-wu
AP-nwu
AP
1 994
1993
aantal
2 815
1 448
734
272
2454
5 309
-
-
aantal
vte
2085
1 390
3 476
1 523
916
308
2 747
6 222
6 783
13005
1625
1 302
2 927
1 438
736
3Oû
-
2 482
5 409
-
1996
1995
aantal
He
2121
1 422
3 543
1 523
857
388
2 768
1612
1 309
2 922
1 428
763
3$8
santat
vte
aantal
vte
2204 1652 2 1 6 9
1 521 1 382 1 808
3 728 3 034 3 877
1 480 1 411 1 497
956 816
930
298 298
270
2 734 2 525 2 897
1609
1 643
3 252
1 391
787
270
-
-
2 579
2 448
6 311 5 501 6 4 5 9 5 559 6 674 5 700
6 892
7032
- 7251
13203
- 13491
13925
wu: ten laste van de werkingsuitkeringen.
nwu: ten laste van andere financieringsbronnen.
bz.tw: bijzondere tewerkstelling (voluntariaat, vrijgestelden sternpelcontrole, jobisten).
1.2 Personeelsformatie van de K.U.Leuven
Voor het personeel ten laste van de werkingsuitkeringen stelt de K.U.Leuven
jaarlijks een formatie op. De AP (academisch personeel)-formatie nam toe met
1 3 voltijdse equivalenten en de ATP (administratief en technisch personeel)formatie met 3 voltijdse equivalenten.
Tabel 2. Personeelsformatie K.U.Leuven (in voltijdse equivalenten)
ZAP
AAP
AP
ATP niv. l
ATP niv.2
ATP niv.3
ATP niv.4
ATP reserve
ATP
TOTAAL
1.3 Omkaderingssituatie
De omkaderingscijfers geven een beeld van het aantal t e begeleiden studenten
per lid van het academisch personeel (AP). Uit tabel 3 blijkt dat het aantal
studenten dat door een AP-lid begeleid wordt constant blijft.
De situatie per faculteit is een weerspiegeling van het al dan niet arbeidsintensieve karakter van het onderwijs en van de sterk fluctuerende studentenaantallen per faculteit.
'uapJoM uauoua6 6u!>l~auiueeu! 'OMJ iay uep alapue yaozlapuo yjh(addey3s
-uaiaM JOOA ua6u!((aisu!uee ua uai!ai!sJaA!un aspueluai!nq uee 'uai!ai!sJaA!un
iaq ueA
aq3s!61aa a6!leisuey uee i!ai!uua!3ue yoo ueeiJooA y[!lauieu uey
JayaozJapuo iseA sle 40 i!ai!sJaA!un asuieelA uaa ueA ( a a u o ~ ~ aq3s!uiape3e
d
G!pueis~laziaq ueA p!l sle u a ~ e !ap iseeN - p ! a ~ q a B i ! nuapJaM ' u a p ~ o Muaui
-0ua6 uauuny 6u!y~auiueeu! a!p uaisua!p ap Jeew ' ( ~ e e ~ a 1 6 o ouqo o ~ a 6 u a i ! n q
ua U O O M ~JOOA
~
Jee! g '~ee~a16ooq
JOOA Jeei p 'IuaDoppjooq JOOA i!ai!uua!3ue
Jee[ Z ) uapnoqaq 6 u ! l a 6 a ~aleia~3apa ~ a 6 a oap~ ueA
~ uais!aJaAs!seq ap uapJaM
i u a u i a l 6 a ~$!p u1 '966 L ueA a~npa30Jd~6u!uiaouaq
ap [!q iseda6aoi pJaM isJaa
iaq JOOA i e p ' i y ~ a ~ a 6 i ayezJai
!n
iuauial6aJ ua6!a uaa yaaq uaAna1.n.y a a
.ua66al ai iseA u a i s ! a ~ a ~ s i ! a i ! u u a ! 3 u e
ay!!laB~ap4laz uio ua6e~pa6doual!ai!sJaA!unap ijaaq 6 ~ ! 6 ! z a[ !l e~ i a ~ ~ aua3
p
d ~ iaq
z ueA u a p e ~ 6
a ~ a 6 o qap u ! 6u!uiaouaq JOOA u a i s ! a ~ a ~ s i ! a i ~ u u aap
! ~ueA
u e 6 u ! l a d a o s ~ aL *~1.z
.paaisaq i q ~ e p u e elaau0~Jadc(3s!uiape3e iaq ueA 6u!~aiuauial6aJap
ayezu! u a 6 u ! 6 ! z [ !a~p u a 6 l o ~ap uee ~ a p u o z ! ! qiaq u! pJaM 966 L ueA dool ap u1
laauos~ad
JOOh pialaq
-slaauosJad
.uai!a)ln3e& ap u! piaai6aiu!.a6 >(yin>(
seM p66 L iaui ua 101 (p)
'(aiBM ua uaiepueui
- 0 ~&a!snpu!)
j
9661 laauosiadwn!uoui!iied iaui pln~a6ueei p i o ~a!ieuiio&-dyieeui '(Z) spo2 (E)
'(966 L
:6u!uayaiaq eisieel) 6u!ualia~isua!p-o~iau
s u a 6 l o ~iseda6uee s! leiueeuaiuapnis ieeui ' ( L ) sleoz (Z)
.a!geuiio4-,jy ioop plaapa6 !ieniqa) L iad U ~ ~ U ! A ! ! J ~ ~ S U (! L~) J O O H
.6u!~apeyuioaJaiaq uaa iaui
JOOA Jeeu u a d d e q 3 s u a i a ~ai3ex3 d a o ~ 6ap ueA u a i ! a i l n 3 e ~ap IeJooA uauioy
' p ~ a y a ~ a 6 a a uI i~ J O M (uales~nq-lm1 ua uaiepueui-om4 ' y a o z ~ a p u o i 3 a í o ~ d )
u a 6 u ! ~ a y i ! n s 6 u ! y ~ aap
~
uai!nq
p ~ a ! ~ u e u ! y a 6d ~ iaq
yoo
ua!pul
-pueisaoi a y [ ! i a y ~ ap
a ~ueA u a ~ a 6plaaq ~ a i s ! nuaa
!
snp ua ' ~ u ! ~ ~ s s !a!p
M Iiaui
! ~ uapnoq 6 u ! u a y a ~a!p uawoua6do s~a4[!3yoo iaqei
ap u! uapJaM ' s ! 6 u ! ~ a ~ a l a o i s [ ! ~ ~laaA
a p uyoo
o uai!ailn3e4 ap uassni i a i e p w o
2.1.2 Verruiming van de mogelijkheid t o t overdracht van onderwijstaken tussen voltijdse leden van het ZAP
Totnogtoe voorziet het reglement van het academisch personeel enkel de
mogelijkheid dat leden van het ZAP zonder vacature wederzijds onderwijstaken
konden uitwisselen.
Er wordt een wijziging van het reglement voorbereid o m deze overdracht t e
vergemakkelijken, weliswaar na degelijke controle. Dit zal nutteloze administratie en vergeefse kandidaatstellingen van externen vermijden bij toewijzing
van onderwijstaken, waarvoor men valabele interne kandidaten op het oog
heeft.
Deze mogelijkheid van overdracht zonder vacature is beperkt t o t ZAP-leden
met de graad van hoofddocent en hoger. Dergelijke overdracht van taken
wordt ook uitgesloten gedurende de laatste drie jaar vóór het emeritaat van de
titularis.
2.1.3 Ruimere invulling van het profiel van de doctor-assistenten
Totnogtoe was de opdracht van doctor-assistenten aan de K.U.Leuven zeer
sterk geconcentreerd op het wetenschappelijk onderzoek.
Thans wordt ook de mogelijkheid geboden o m doctor-assistenten meer met
didactische taken t e belasten. Hierdoor probeert het universiteitsbestuur
tegemoet t e komen aan de moeilijkheden die het ondervindt o m alle didactische opdrachten met het huidig aantal academische personeelsleden te vervullen.
2.1.4 Uitbouw van een emeritibeleid
Met het oog op de verdere valorisatie van het belangrijk geestelijk potentieel
dat de emeriti vertegenwoordigen, en op de nood aan omkadering zowel van
studenten, jonge assistenten als doctorandi, wordt geoordeeld dat het in de
K.LI.Leuven moet mogelijk zijn nog bepaalde taken aan emeriti toe t e
vertrouwen en hiertoe ook de nodige infrastructuur en middelen ter
beschikking te stellen. Daartoe werden een aantal beleidslijnen uitgewerkt.
Onder bepaalde voorwaarden kunnen emeriti t o t het einde van het academiejaar waarin ze de leeftijd van 70 jaar bereiken, worden ingeschakeld voor colleges en begeleiding van doctoraatsthesissen en licentieverhandelingen.
Emeriti kunnen eveneens hun onderzoekswerkzaamheden verderzetten voor
zover daartoe het uitdrukkelijk akkoord van het diensthoofd van de onderzoeksgroep, of van het divisiehoofd voor wat LR&D betreft, en van de decaan
verkregen wordt.
Dit geldt zowel voor onderzoek zonder externe financiering, als FWO- en IWTprojecten (voor zover de reglementeringen van deze instellingen het toelaten),
onderzoek via LR&D (zowel individuele onderzoeksopdrachten als onderzoek
binnen de divisies), en onderzoek ten laste van andere externe financieringsbronnen.
Er werd tevens gestreefd naar de mogelijkheid om professoren die vervroegd
met emeritaat gaan en die nog taken van onderwijs, onderzoek of wetenschappelijke dienstverlening opnemen, t o t hun 65 jaar volledig dezelfde autoriteit en faciliteiten toe t e kennen o m deze taken uit te oefenen, als vóór hun
emeritaat. Elke individuele vraag o m van dit bijzonder statuut gebruik te
maken, dient evenwel expliciet door het universiteitsbestuur t e worden goedgekeurd. Er wordt bovendien geijverd voor een wetgevend initiatief o m voor
deze verleende diensten een beperkte bezoldiging mogelijk t e maken.
2.2 Bevorderingspolitiek en selectiebeleid
Het belangrijkste criterium voor de selectie van assistenten is het studiecurriculum. Andere centrale elementen zijn eventuele onderzoekservaring en
publicaties, studieverblijven, didactische kwaliteiten en persoonlijkheidskenmerken. Voor praktijkassistenten primeert de relevante praktijkervaring en
specifieke deskundigheid. Voor doctor-assistenten staat het onderzoekscurriculum centraal, tezamen met de voorgestelde onderzoeks- en eventueel
onderwijstaken.
Bij benoeming of aanstelling in een van de graden van het ZAP wordt rekening
gehouden enerzijds met de bekwaamheid en verdiensten van de kandidaat
inzake wetenschappelijk onderzoek en wetenschappelijk onderwijs, eventueel
wetenschappelijke dienstverlening, en, in voorkomend geval, met de mate
waarin hijlzij voordien als lid van het AP zijnlhaar taken plichtsgetrouw heeft
vervuld, anderzijds met de opdracht van de kandidaat en de goede werking
van het departement.
Voor de benoemingen en bevorderingen van ZAP-leden worden strengere
evaluatiecriteria inzake wetenschappelijk onderzoek ingebouwd dan voor AAP.
De academische overheid stelt niemand aan voor een voltijds ZAP-mandaat die
geen uitstekend onderzoeksdossier kan voorleggen. Bij de eerste benoeming
wordt hoofdzakelijk gekeken naar de onderzoekscapaciteiten van de
betrokkene. Bij promoties wordt rekening gehouden met de concrete taakinvulling inzake zowel onderwijs, onderzoek als eventueel wetenschappelijke
dienstverlening.
Als basiscriteria o m tot de onderscheiden graden van het ZAP t e kunnen worden benoemd of aangesteld, werd in het reglement van het academisch personeel ingeschreven dat de betrokkene moet:
1. voor docent: op grond van de voordien geleverde prestaties beantwoorden
aan de redelijke verwachting dat hijlzij degelijk wetenschappelijk onderzoek
en onderwijs zal verrichten en verstrekken;
2. voor hoofddocent: bewezen hebben dat hijlzij degelijk wetenschappelijk
onderzoek en onderwijs verricht en verstrekt;
3. voor hoogleraar: zich hebben ontwikkeld t o t een meer dan gemiddeld creatief en productief onderzoeker en t o t een lesgever met didactische kwaliteiten en met een brede onderwijservaring;
4. voor gewoon hoogleraar en buitengewoon hoogleraar: zich hebben ontwikkeld t o t een uitstekend onderzoeker die ruime erkenning geniet in zijnlhaar
vakgebied en t o t een lesgever met didactische kwaliteiten en met een
brede onderwijservaring, alsmede over leidinggevende kwaliteiten beschikken.
Kandidaten voor zowel nieuwe benoemingen als bevorderingen dienen een
uitvoerig dossier voor t e leggen waarin voor ieder van de opdrachten van
onderwijs, onderzoek en desgevallend wetenschappelijke dienstverlening
preciese gegevens dienen verstrekt t e worden over een uitgebreide set van
prestatie-indicatoren.
De facultaire of departementale beoordelingscommissies dienen een afzonderlijke beoordeling t e geven van de prestaties inzake onderzoek, onderwijs en
wetenschappelijke dienstverlening, gevolgd door een globale conclusie.
2.3 Evaluatie van het academisch personeel
Voor toelichting over de bestaande initiatieven inzake evaluatie van zowel
onderwijs als onderzoek wordt verwezen naar de betrokken gedeelten van dit
jaarverslag.
Voor het overige dient verwezen naar de evaluatiemomenten bij het bevorderingsbeleid. In dit verband dient verwezen naar de huidige decretale con-
straints inzake het ZAP-statuut.
In dit verband moet er nog op gewezen worden dat een al t e rigoureus vasthouden aan het principe van de vaste benoeming het effectief optreden tegen
disfunctionaliteit aanzienlijk kan bemoeilijken. Thans is ontslag door de universiteit alleen mogelijk door een tuchtprocedure die enkel kan worden ingezet
bij gekarakteriseerde schuld. Anderzijds garandeert de vaste benoeming de
intellectuele onafhankelijkheid van het ZAP-lid, die zijn academische vrijheid
kan uitoefenen zonder vrees voor sanctionering. De K.U.Leuven wenst deze
discussie niet uit de weg t e gaan. Om een en ander t e verzoenen werd
gedacht aan de mogelijkheid dat de vaste benoeming behouden blijft, doch dat
op regelmatige tijdstippen evaluaties worden voorzien en dat de mogelijkheid
wordt ingebouwd o m bij herhaalde negatieve evaluatie de benoeming t e
beëindigen. Uiteraard moet een dergelijke aangelegenheid via decreet geregeld
worden.
Verder ijvert de K.U.Leuven voor een aanpassing aan het universiteitsdecreet
waardoor de mogelijkheid wordt geschapen o m kandidaten bij het begin van
hun loopbaan voltijds aan t e stellen i n het zelfstandig academisch personeel,
bv. voor t w e e of drie jaar, zonder dat de universiteit zich meteen tot een vaste
benoeming - die meestal een investering van in totaal ongeveer honderd
miljoen impliceert - moet engageren.
2.4 Vorming van het academisch personeel
Hier dienen inzonderheid twee initiatieven vermeld, met name de
doctoraatsopleiding voor de assistenten, wetenschappelijk medewerkers en
doctoraatsbursalen, en de docententraining voor ZAP-leden. Voor verdere
toelichting over beide wordt verwezen naar het deel over het onderwijsbeleid.
2.5 Samenwerkingsovereenkomsten met andere universiteiten of instellingen
Er zijn zeventien overeenkomsten opgesteld voor het uitvoeren van een
opdracht i n een andere universiteit of instelling. Vijftien hiervan zijn afgesloten op basis van artikel 8 0 van het universiteitsdecreet.
Elf overeenkomsten regelen de komst van personeel van andere universiteiten
of instellingen naar de K.U.Leuven terwijl zes overeenkomsten personeel van
de K.U.Leuven uitsturen naar andere universiteiten (5) of een hogeschool.
Twee overeenkomsten zijn afgesloten voor een onbepaalde duur terwijl de
andere zijn afgesloten voor één ( 1 1 ) of meerdere ( 4 ) jaren.
2.6 Gemiddelde leeftijd bij promoties
De gemiddelde leeftijd bij promotie wordt hieronder per graad weergegeven:
gewoon hoogleraar
buitengewoon hoogleraar
hoogleraar
deeltijds hoogleraar
hoofddocent
deeltijds hoofddocent
4 6 jaar
4 6 jaar
4 6 jaar
4 5 jaar
4 3 jaar
43 jaar
2.7 Personeelsverloop
In tabel 4 wordt het personeelsverloop globaal weergegeven.
Het einde van een mandaat is de grootste reden van verloop (57,22%) en het
ontslag door de werknemer de tweede belangrijkste ( 19,50). Naar de financieringsbron toe neemt de groep bijzonder academisch personeel bijna drie vierden van het verloop op zich (78,38), het assisterend academisch personeel
17,99% en het zelfstandig academisch personeel slechts 3,63%.
Tabel 4. Personeelsverloop 1996
(1) ontslag door de werkgever
(2) verlof zonder wedde
2.8 Aantal personeelsleden met uitsluitend formele onderwijstaken of zonder
formele onderwijstaken
Er zijn 3 6 0 personeelsleden aan wie uitsluitend een formele onderwijsopdracht
is toegewezen. Formele onderwijstaken worden toegewezen op grond van
een interne of externe vacature en houden de verantwoordelijkheid in voor een
opleidingsonderdeel.
Per graad zijn de aantallen als volgt:
buitengewoon hoogleraar
buitengewoon hoogleraar voltijds aan de universiteit
deeltijds hoogleraar
deeltijds hoogleraar voltijds aan de universiteit
deeltijds hoofddocent
deeltijds hoofddocent voltijds aan de universiteit
deeltijds docent
deeltijds docent voltijds aan de universiteit
Er zijn 4 9 personeelsleden zonder formele leeropdracht. De meeste van deze
personeelsleden hebben echter wel andere dan formele leeropdrachten zoals
coördinator van of medewerker aan een vak, beleidcondersteunende of organisatorische onderwijsopdrachten, deelname aan voortgezette academische
opleidingen enlof begeleiding van studenten, leiding van verhandelingen.
Deze groep is samengesteld als volgt:
t w e e gewoon hoogleraren waarvan één in een faculteit en één in het centraal
beheer;
éAn hoogleraar in de faculteit geneeskunde;
t w e e hoofddocenten waarvan één bij de onderwijscoördinator en AAn in een
faculteit;
vier deeltijdse hoofddocenten waarvan twee voltijds aan de universiteit;
vierentwintig docenten waarvan elf in de faculteiten, negen in monitoraten,
drie in centrale diensten en Aén in een interfacultair onderzoekscentrum;
elf deeltijdse docenten i n de faculteiten.
3.
Personeelsbeleid
voor ATP
Na de inwerkingtreding van een nieuwe globale c.a.o. in 1 9 9 5 werden, conform met de afspraken binnen deze c.a.o., i n 1 9 9 6 ernstige inspanningen
geleverd in de richting van een verdere ontwikkeling van een hedendaags personeelsbeleid.
OD het terrein van de remuneratie~olitiekwerd een informatiebrochure netiteld
'De meest gestelde vragen over' funtieclassificatie' verspreid bij alle-personeelsleden. Ze probeert helder uit t e leggen dat de functie-inhoud bepalend is
voor de graad waarin de medewerker verloond wordt en dat de manier van
presteren een invloed kan hebben op een normale of vervroegde overgang
naar een volgende salarisschaal.
In de formatie-oefening werden deze principes in de praktijk omgezet. Voor
alle voorstellen inzake graadverhoging werd een functiebeschrijving opgesteld.
Dit document beschrijft de werkelijke functie-inhoud en wordt voor akkoord
ondertekend door de medewerker An zijn rechtstreekse overste.
Deze
informatie, eventueel aangevuld door een onderzoek ter plaatse, wordt
gebruikt o m de functie op de 'weegschaal' te leggen en een advies te vormen
voor het universiteitsbestuur die de finale beslissingen neemt in de Raad van
beheer.
Wat betreft de overgangen naar een volgende salarisschaal zijn w e na de
inschalingsoperatie nog niet toe aan de normale overgangen. Wel mocht,
maar enkel uitzonderlijk en op basis van een uitmuntende prestatie-evaluatie,
een beperkt aantal vervroegde overgangen naar een volgende salarisschaal
toegekend worden.
De brochure had als doel de transparantie van deze systematiek te verbeteren.
Toch blijft het zoeken naar een systeem o m de beslissingen over salaris beter
te ondersteunen en vooral een hogere acceptatiegraad t e verwerven. Daarom
wordt in een werkgroep nog verder gewerkt aan een nieuw concept o m verschillende functies beter onderling met elkaar t e kunnen vergelijken en vervolgens een logische en financieel haalbare link naar de remuneratie te kunnen
ma ken.
Elk personeelsbeleid moet er op gericht zijn een bijdrage t e leveren t o t de realisatie van de doelstellingen van de organisatie net zoals elk personeelslid via
het werk er op rekent enkele van zijn persoonlijke doelstellingen te kunnen
realiseren. Daarom is het van wezenlijk belang dat erop geregelde tijdstippen
tussen lijnverantwoordelijke en medewerker communicatie ontstaat over de zin
van de functie en de verwachtingen die alle betrokkenen hierrond koesteren.
Een werkgroep 'Evaluatie' startte een project o m via een verbeterde en meer
geformaliseerde chef-medewerker communicatie zowel de effectiviteit van de
geleverde inspanningen als de betrokkenheid van de medewerkers te verhogen. Een afgeleid effect is dat deze systematiek ook nuttige informatie kan
opleveren voor het nemen van beslissingen over de loopbaan van de medewerker.
Het universiteitsbestuur besliste met twee pilootprojecten van wal te steken.
Het is de bedoeling dat de medewerkers met hun chef, over een standaardperiode de cyclus van eerst het functiegesprek (wat wordt verwacht), over het
functioneringsgesprek (hoe loopt het en w a t kan bijgestuurd worden) en
tenslotte het evaluatiegesprek (hoe hebben w e het er afgebracht) doormaakt.
Een basisdocument daarbij is de 'functiekaart' die door dialoog t o t stand komt
en expliciteert w a t de toegevoegde waarde van een functie is, w a t er in de
functie gerealiseerd moet worden, en waardoor de kwaliteit van de realisaties
gemeten kan worden.
Ietwat administratiever maar niet minder belangrijk voor de goeie relaties tussen werkgever en werknemers is het arbeidsreglement. Hierin worden een
aantal afspraken die voor iedereen gelden duidelijk geregeld.
Het oude
arbeidsreglement is na twee decennia duidelijk aan een opfrisbeurt toe. In
paritair overleg met alle vakbonden werd een werkgroep in de schoot van de
Ondernemingsraad opgericht die in 1997 haar werk zal finaliseren.
De ATP-personeelsdienst zelf liet zich ook grondig opfrissen. Via een ingrijpende reorganisatie waardoor zowat elke medewerker een functiewijziging
kreeg werd gepoogd de organisatie beter t e richten op de interne gebruikers,
dit wil zeggen personeelsleden en diensthoofden, alsook de interne administratieve procedure beter te stroomlijnen. Elk personeelslid of diensthoofd kan
nu rechtstreeks beroep doen op een team van personeelsconsulenten en dossierbeheerders o m problematieken van diverse aard aan t e kaarten.
Op het vlak van de interne communicatie worden sedert 1 9 9 6 alle belangrijke
reglementen, procedures, dienstvoorschriften ... via het Campus Wide Information System (CWIS) op een vlotte manier voor het personeel toegankelijk
gesteld. We hopen dat deze verbetering van efficiëntie ook t o t een wezenlijke
verbetering van het doelmatig gebruik ervan zal leiden.
Inzake herverdeling van de arbeid werd gebruik gemaakt van de kortstondige
mogelijkheid t o t afsluiten van een c.a.0. voor conventioneel brugpensioen voor
55-jarige personeelsleden met 33 jaar beroepsverleden waarvan toch enkele
medewerkers gebruik gemaakt hebben en op die manier aan jongeren een kans
t o t intreden op de arbeidsmarkt geboden hebben.
Met betrekking tot de Preventie en Bescherming op het werk werden diverse
problematieken bewerkt: afvalbeheer, specifieke risico-evaluaties, massabalans, laboveiligheid ...
Speciaal vermeld dient de aanstelling van een milieucoördinator voor de
bedrijfsinterne milieuzorg.
Sociale voorzieningen
voor studenten
Studentenvoorzieningen heeft t w e e basisdoelstellingen.
Vooreerst een
bijdrage leveren t o t de democratisering van het universitair onderwijs. Onder
democratisering van het onderwijs kan worden verstaan: aan alle jongeren
volledige kansen geven t o t vorming en intellectuele ontplooiing, ongeacht hun
afkomst, financiële mogelijkheden of sociaal-cultureel milieu. Verder het
'informeren, opvangen en begeleiden van studenten die problemen hebben,
voortspruitend uit of nauw samenhangend met hun verblijf aan de universiteit'. De consequentie hiervan is dat de Studentenvoorzieningen toegankelijk
zijn voor alle studenten.
De Raad voor Studentenvoorzieningen, samengesteld uit studenten, personeelsleden en academici waakt over de realisering van deze doelstellingen. De
Raad neemt initiatieven op diverse werkterreinen en beschikt daarvoor over
een budget van ongeveer 4 5 0 mio BEF, waarvan ruim 250 rnio BEF toelagen
(inclusief een gedeelte van het inschrijvingsgeld) en bijna 2 0 0 rnio BEF eigen
inkomsten.
De exploitatie 1 9 9 6 van Studentenvoorzieningen werd afgesloten met een
negatief resultaat van 1 6 1 2 5 3 0 BEF. Hierbij werd, volledig in overeenstemming met de beslissing van de Raad van beheer van de K.U.Leuven van
3 0 januari 1 9 9 0 (V11/90/210/621), voor meer dan 1 5 rnio BEF groot onderhoudswerken opgenomen, waar er slechts 1 0 rnio BEF werd begroot in een
sluitende begroting. De RvS van 29 maart 1 9 9 6 besliste om, op basis van het
exploitatieoverschot 1995, voor 5,2 rnio BEF bijkomende werken goed te keuren. In de exploitatie werden verder buiten begroting, zowel aan de kostenals aan de opbrengstenzijde, de effecten opgenomen van de nieuwbouw Alma
I - Romero. Het gaat o m 4 9 1 0 4 7 2 3 BEF kosten en 4 4 6 7 6 4 9 9 BEF
opbrengsten.
De opbrengsten stegen met een 4 % naar 4 4 6 7 6 6 2 8 5 BEF De niet begrote
toelagen van de hogescholen bedroegen 11,8 rnio BEF
De uitstaande studieleningen op lange termijn zijn dit jaar licht gestegen
( + 3 3 3 4 6 4 BEF). Gedurende de volledige geschiedenis van het financieringssysteem werd een kleine 2 3 6 mio BEF in het systeem gebracht, waarvan
149,7 rnio BEF omgezet werd in een toelage en ruim 83,3 rnio BEF op termijn
terugvorderbaar is.
De betalingspositie tegenover de universiteit evolueerde van een schuld van
6 8 9 4 421 BEF per 31/12/1995 naar een vordering van 5 255 4 7 3 BEF per
3 1/ l 211 996.
Men kan de exploitatiegegevens ook voorstellen in functie van de doelstellingenrealisatie. Per ingeschreven student beschikt de sociale sector, naast
eigen middelen, over 9 6 4 5 BEF toelagen. Daarvan gaat 43,8 % naar voeding, 20,1 % naar huisvesting, 9,9 O h naar sociale dienst en bijzondere doelgroepen, 7,5 % naar gezondheid, 5,O % naar de ondersteuning van studentenorganisaties, bv. ten aanzien van medebeheer, sport en cultuur. 13,7 %
gaat naar andere toepassingen, georiënteerd op de democratisering van het
hoger onderwijs enlof de optimalisering van de randvoorwaarden voor studie.
Dit betekent dat, buiten de studietoelagen van de Vlaamse gemeenschap (als
budget ongeveer het dubbele van dat van de sociale voorzieningen), ten
minste 3 0 % van de sociale toelagen strikt selectief wordt gegeven (eigen
huisvesting, sociale dienst, aanvullende studiefinanciering ...1. De overige
bestedingsvormen zijn in mindere of meerdere mate voor alle studenten toegankelijk. Deze zgn. universele besteding biedt een vangnet voor studenten
die binnen de fiscale operationalisering van sociale doelgroepen uit de boot
vallen, maar toch noden hebben die verband houden met hun verblijf aan de
1.
Globaal
overzicht en
financiële
situatie
universiteit. We gaan er van uit dat, als men studietoelagen en sociale voorzieningen geïntegreerd beschouwd, op deze wijze meer dan 75 % van de middelen van de Vlaamse Gemeenschap selectief en een kleine 25 % aanvullend
gebruikt worden.
De inspanningen die de sector levert voor de democratisering van en de randvoorwaarden t o t het hoger onderwijs, zijn in principe en voor de meeste
werkterreinen ook letterlijk gelijkaardig voor hogeschool- en universiteitsstudenten uit de Leuvense regio. Voor de werkvelden voeding, privé-huisvesting,
gezondheid en enkele andere vormen van juridische en sociale dienstverlening,
werd een raamovereenkomst afgesloten met de Katholieke Hogeschool, de
Groep T-Hogeschool en de Hogeschool voor Wetenschap en Kunst t e Leuven.
De studenten van deze Hogescholen kunnen op dezelfde wijze als universiteitsstudenten gebruik maken van de afgesproken vormen van dienstverlening.
In ruil betalen ze een gedeelte van hun sociale toelagen (in totaal
12,l mio BEF). Aangezien de voor sociale voorzieningen verantwoordelijke
hogeschool-v.z.w.'s slechts over één derde van het toelagenpakket van de
universiteiten beschikken, ondermeer omdat er geen eigen bijdrage uit
inschrijvingsgelden besteed wordt, kan niet de volledige kostprijs van de
dienstverlening doorgerekend worden.
Het Rekenhof heeft gedurende 1996 een evaluatie-onderzoek uitgevoerd met
betrekking t o t de sociale voorzieningen van de drie grote Vlaamse universiteiten (d0c.j 971.439,deelverslagen voor K.U.Leuven, RUG en VUB). Er werd
een survey-onderzoek gedaan. Op basis van de antwoorden van de universiteiten (geformuleerd door de coördinatoren van de betreffende diensten onder
supervisie van de Voorzitter Studentenaangelegenheden) werd een rapport
opgesteld dat vooreerst beschrijft wat geantwoord werd en vervolgens aanbevelingen bevat op basis van de inzichten van het Rekenhof.
Deze aanbevelingen voor de K.U.Leuven betreffen zes thema's:
1. DOELGERICHTHEID: dat de universiteit evaluatiecriteria vaststelt met dewelke
de realisatie van de beoogde beleidsdoelstellingen kan worden geëvalueerd;
2. REGELGEVING: dat de regelgeving duidelijker uitgewerkt wordt, vooral de
controlebevoegdheid van de universiteit en de verantwoordingsplicht van
de begunstigden van sociale toelagen;
3. UITVOERINGSPROCES: dat een berekening van de netto-kostprijs per student,
gekoppeld aan termijnbepalingen inzake afrekening van toelagen, wordt
afgesproken voor alle werkingssectoren;
4. KASBEHEERSING: dat per werkingssector begrotingen en exploitatierekeningen
worden gemaakt;
5. CONTROLE: dat er geregeld een interne audit gebeurt;
6. EVALUATIE:dat het bereiken van de doelstellingen (met vooraf bepaalde
evaluatiecriteria) geëvalueerd wordt.
Afgesproken werd om de aanbevelingen consecutief aan t e pakken in functie
van een latere hernieuwde audit door het Rekenhof. De belangrijkste vraag
daarbij is vanzelfsprekend die van de doelgerichtheid. Er is dan ook vooreerst
werk gemaakt van het expliciteren van de teamdoelstellingen.
De volgende jaren zal deze doelstellingenlijst verfijnd worden en mee-evolueren
op de noden van het ogenblik. In de loop van 1997 zullen dan de aanbevelingen twee t o t en met vijf aangepakt worden in het kader van een op kwaliteit georiënteerde managementcyclus. De bedoelde aanbevelingen behandelen
het werkingsproces tussen doelstellingen en evaluatie en kunnen enkel in dit
proces bestudeerd worden.
2.
Huisvesting
2.1 Kerncijfers
Kotstudenten versus pendelstudenten: 19 985 studenten (of 75.05 % van de
studenten K.U.Leuven) huren een kamer i n de universiteitsstad. Privé-markt:
16 298 studenten (of 61,58 % van de studenten K.U.Leuven) huren een
kamer op de privé-markt.
De gemiddelde huurprijs bedraagt 7 227 BEF.
Eigen residenties:
gesubsidieerd:
2 6 2 5 kamers (prijzen van 2 3 5 0 tot 5 7 5 0 BEF), 1 3
studio's, 1 1 6 appartementen, 3 kleine huizen
niet-gesubsidieerd: 787 kamers (prijzen van 4 6 0 0 t o t 8 000 BEF), 1 5 0 studio's en appartementen
2.2 Evolutie op de kamermarkt
De bekendmaking van een decreet op de verhuring van kamers en de politiek
van de Stad Leuven, ten aanzien van het al dan niet verlenen van bouwtoelatingen voor studentenkamers, brengen mee dat de private kamermarkt niet
langer betekenisvol groeit.
Bij de voorbereiding van het decreet kreeg de Huisvestingsdienst naast 2 4
andere diensten en organisaties tijdens hoorzittingen de gelegenheid haar
standpunt terzake t e verduidelijken. Onze zorg was voornamelijk effecten op
het aanbod aan studentenkamers niet t e bruusk t e laten werken o m fricties op
de kamermarkt t e vermijden. Consultatie met de indieners van het decreet,
met een afgevaardigde van het kabinet van de Minister van Huisvesting, met
twee studenten van VVS en enkele andere deskundigen, droeg er toe bij o m
de eerste versie van het decreet t e verbeteren, met name de definitie van student t e verduidelijken, bestaande residenties gebouwd met overheidssubsidies
vrij t e stellen van een aantal verplichtingen, de basisnormen van BBn douche
en BBn toilet per vier studenten naar telkens ABn per zes t e verlagen, een
overgangstermijn van tien jaar t e voorzien voor bestaande kamers die tussen
de 9 en de 1 2 m Z meten en een bescherming t e leveren voor de hoofdhuurder
van gemeenschapshuizen waardoor de lasten van het decreet niet op hem
kunnen afgewenteld worden.
2.3 Resultaat van veiligheidswerken en groot onderhoud in de eigen residenties
In al onze residenties is op dit ogenblik branddetectie, de veiligheidsverlichting
is overal aangepast en in overleg met Brandweer en Preventiedienst werden de
belangrijkste compartimenteringswerken uitgevoerd.
Er werden voor meer dan 1 5 mio BEF groot onderhoudswerken uitgevoerd.
Tevens werd in 1 9 9 6 voorbereidend werk verricht om een aantal huizen aan t e
passen aan de veranderde woonbehoeften van de studenten. Voor het Pius Xcollege kregen de plannen vaste vorm. Uitvoering wordt voorzien in de verlofperiode van 1998.
De bezettingsgraad in de eigen residenties bedroeg op 15-12-1 9 9 6 toch nog
95,9 %.
2.4 Nieuwe initiatieven
In de Tiensestraat werden 2 8 nieuwe kamers gebouwd, geïntegreerd in het
project Alma I als uitbreiding van het Romero-huis. Er kunnen twee gehandicapte studen- ten worden gehuisvest, samen met hun omkaderingsgroepen.
Studentenvoorzieningen en de VZW Sociaal Studentenfonds werden partners
in het project 'Samenwonen met een motief', dat aan studenten de kans wil
geven o m in groep t e wonen rond een Leitmotiv en daardoor een eigen woonen studieklimaat t e realiseren. Dit project gaat van start vanaf september
1 9 9 7 binnen de eigen residenties van Studentenvoorzieningen. Er worden vier
woonentiteiten voorzien, drie in de stad en één in Heverlee. In 1997 wordt
getracht o m voor dit project externe middelen t e vinden.
In Heverlee werden 190 studentenkamers aangesloten op 'Kotnet'.
-
-
Voedingssector:
restaurants
Alma
3.1 Kerncijfers
Totale omzet: 398 81 0 41 7 BEF
Maaltijden:
1 484 81 9 maaltijden
Gemiddelde maaltijdprijs: 107.74 BEF
Samenstelling cliënteel: studenten K.LI.Leuven 75 %; personeel K.U.Leuven
10 %; studenten hogescholen 7 %; anderen 8 %
3.2 Omzet
+
In 1996 steeg de omzet van ALMA met 22,3 mio BEF ( =
6 %), maar de
kosten stegen sterker: +32,8 mio BEF. Het eindresultaat vertoont een bijna
perfect evenwicht tussen opbrengsten en kosten; de afwijking bedroeg
+ 149 139 BEF De stijging van de omzet is vooral te danken aan de uitbreiding van dienstverlening: De Spuye, Groep T, Thomas Morus en KULAK. De
omzet van maaltijden in de eigen restaurants daalde met 2,23 % en de omzet
van consumpties was -1,90% ten opzichte van 1995. De andere activiteiten:
automaten, broodjesservice, congresservice ... kenden een groei van de omzet
met 23 %.
De activiteiten van ALMA werden de laatste jaren sterk
gediversifieerd zowel op het vlak van klantengroepen als diensten.
Onderstaand schema geeft een overzicht van de mix van klanten en diensten.
Klantengroepen
1 =
2 =
3 =
4 =
maaltijden in zelfbediening
cafetaria
automaten
broodjesservice
5 = congresservice
6 = levering voedingsprodukten
7 = ontbijten
8 = onderzoek
Door de daling van het aantal maaltijden (-1,l %) en van de gemiddelde prijs
(-1 %), verminderde het belang van de traditionele hoofdactiviteit, warme
maaltijden aan studenten, verder maar de diversificatie zorgde voor een positieve evolutie van de omzet. De maaltijdprijzen bleven in '95 en '96 ongewijzigd. De daling van de gemiddelde maaltijdprijs werd veroorzaakt door toename van broodmaaltijden. De gemiddelde ontvangst per warme maaltijd
steeg met 0,40 BEF. Ondanks een prijsdaling in reële termen in de periode '95'96 en kwaliteitsverbetering van het aanbod is de verschuiving in eetgewoonten (minder warme maaltijden in Leuven, meer broodmaaltijden) niet o m t e
keren en wordt er vooral gestreefd naar een behoud van het marktaandeel. In
1996 werd er vooral aandacht geschonken aan het aanbod en de prijszetting
van de vegetarische schotels, streekgerechten ... en een systematische opvolging van suggestiebussen en opmerkingen via Internet.
In het voorjaar werd de nieuwe Alma 1 in gebruik genomen, bijna een half jaar
vroeger dan oorspronkelijk verwacht. We rekenden op een toename van het
cliënteel en hebben alles gedaan o m de overrompeling van dit uitstekend
gelegen restaurant t e vermijden bij de start van het academiejaar '96-'97.
Zelfs de zeer grondige facelift van Alma 2 heeft de klantenverschuiving tussen
de restaurants in de binnenstad echter niet kunnen vermijden. De ALMArestaurants in de binnenstad die zeer dicht bij elkaar liggen, dienen sterker
gedifferentieerd te worden op vlak van bedieningsvorm, sfeer en aanbod.
Vanaf eind april ' 9 6 werd gestart met leveringen van vacuumproducten aan de
KULAK. De overschakeling naar het vacuumsysteem, de verschillende eetcultuur, de samenwerking met een commerciële partner zorgden enerzijds voor
heel wat problemen, maar waren anderzijds ook zeer leerrijke ervaringen.
Op het einde van september werd er, omwille van de niet afgewerkte infrastructuur, in zeer moeilijke omstandigheden in Groep T en in Alma 2 gestart.
Toch bleef de schade beperkt en werden de meeste problemen in de loop van
oktober en november opgelost. De opstart van de nieuwe ontbijtservice in
residentie Thomas Morus verliep geruisloos.
3.3 Perspectieven
De sterke verschuivingen tussen de diverse inkomsten- en uitgavenrubrieken
illustreren zeer goed de dynamiek die ALMA in 1996 ontwikkelde. De veelheid
van activiteiten en bouwprojecten hebben de draagkracht van ALMA zwaar op
proef gesteld. Toch is het gelukt om een serieuze groei van de omzet t e realiseren en kunnen w e nu op een rustiger tempo consolideren wat w e in 1 9 9 6
gestart hebben. Na een kwantitatieve groei in 1996, werken w e in 1997
vooral aan een groei die gebaseerd is op systematische verbetering van kwalitatieve elementen. Om deze systematische kwaliteitsverbetering te realiseren
en om ook een duidelijke verantwoording te geven aan de diverse opdrachtgevers, wordt in 1997 en 1 9 9 8 gewerkt aan een 1S0-9001-certificatie. ALMA
wenst zich nog duidelijker t e profileren als een professioneel cateringbedrijf dat
een volledige service kan leveren op maat van de klant.
4.1 Sociale dienstverlening
4.1.1 Kerncijfers
Sociale dienst: 6 9 3 9 cliënten
Studiefinanciering: 41 2 studenten hebben een financiële tussenkomst
ontvangen
Buitenlandse studenten: 2 101 consultaties, 3 4 studenten kregen een huurtoelage, 3 2 een lening voor het betalen van de huurwaarborg
Juridische dienst: 1 5 8 3 consultaties
Jobdienst: 7 8 6 2 consultaties van studenten, 2 2 7 0 van werkgevers
4.1.2 Dienstverlening
De problematiek van de studiefinanciering blijft het belangrijkste werkveld van
de Sociale dienst. Toch kan men dit niet verengen tot een louter materiële
invulling, want vaak is dit verweven met onderhuidse sociale verhoudingen en
spanningen. Ook vragen met betrekking t o t het sociaal statuut houden heel
wat studenten bezig. Persoonlijke problemen van studenten, relatieproblemen
of conflicten thuis, worden op eerstelijnsniveau opgevangen en begeleid.
Rond de hoofdthema's van de werking worden een aantal publicaties verspreid
die jaarlijks een actualiseringsbeurt krijgen. Zeer belangrijk blijven de contacten met de sociale organisaties en het onderwijsmiddenveld (PMS-centra,
scholen, gespecialiseerde diensten) om de juiste informatie op de juiste plaats
te brengen. Extra aandacht dit jaar was er voor de samenwerking met de
Leuvense hogescholen.
De werking van de buitenlandse studenten richt zich vooral op een goed onthaal en het creëren van gunstige leefomstandigheden die optimale concentratie op de studies toelaten en daarnaast de gelegenheid bieden t o t integratie
van de student en zijn gezin. De beurzen voor bi-iitenlandse studenten zijn
onrealistisch en niet afgestemd op de kosten van levensonderhoud in ons land.
4.
Diensten
Daarnaast stelt men een opvallende stijging van het aantal studenten vast die
door hun sponsor in de steek worden gelaten of die met onvoldoende
financiële middelen aan hun studies beginnen. De dienst blijft op dit vlak
inspanningen leveren naar het beleid toe. Pangaea, het ontmoetingcentrum
voor buitenlandse en Belgische studenten, kent een groot succes en telt momenteel 1 8 1 0 leden uit 7 5 verschillende landen.
De Juridische dienst blijft in de eerste plaats een dienst voor individuele, juridische vragen van studenten. In de loop der jaren evolueerde deze dienst ook
naar een adviesdienst voor directie en andere studentendiensten. De invalshoek en de specialisatie is gericht op de uitbouw van een coherent studentenstatuut.
De Jobdienst ijvert door goede informatie en advies met betrekking t o t het
sociaal- en arbeidsrechterlijk statuut van de werkende student alle betrokkenen bij studentenarbeid t e ondersteunen. Door de jobbemiddeling probeert de
dienst de financiële draagkracht van de student rechtstreeks t e beïnvloeden
waardoor de drempel t o t het hoger onderwijs voor een aantal studenten wat
lager wordt.
4.2
De dienst Studie-advies
Studie-advies verstrekt informatie omtrent studierichtingen en aanvullende
studie-mogelijkheden. Aan aspirant-studenten en studenten wordt loopbaanbegeleiding geboden: advies bij studiekeuze, begeleiding bij hernieuwde studiekeuze en studieproblemen, advies omtrent tewerkstelling.
Drie teams
binnen Studie-advies, ondersteund door een secretariaats- en onthaal-pool, zijn
verantwoordelijk voor het verstrekken van informatie, voor studiebegeleiding
en voor begeleiding van studenten met een handicap.
4.2. l Informatie
Aspirant-studenten en studenten krijgen onder diverse vormen een informatieaanbod over de eigen K.U.Leuven-studierichtingen en over de studiemogelijkheden in binnen- en buitenland:
meer dan 2 2 5 0 studenten werden individueel geïnformeerd tijdens de
spreekuren. Ruim zoveel cliënten ontvingen telefonisch advies.
infodagen bieden een zeer belangrijke contactmogelijkheid voor de aspirant-studenten en hun ouders.
In 1 9 9 6 waren er meer dan 1 1 000
inschrijvingen, w a t een stijging betekende t.o.v. 1995. Daarnaast werd
nog aan een 10-tal infobeurzen deelgenomen die door PMS-centra georganiseerd worden en werden een 20-tal voordrachten geboden omtrent
studeren in het Hoger Onderwijs en omtrent verdere studiemogelijkheden
na hogeschoolopleidingen. Laatstejaarsleerlingen werden in klasverband t e
Leuven ontvangen.
in de serie brochures over basisstudierichtingen werd een eerste brochure
volledig hertaald voor jongeren. Het ligt in de bedoeling na een kritische
evaluatie en binnen een termijn van één jaar de volledige reeks te hertalen.
de infotheek van Studie-advies beschikt buiten de klassieke naslagwerken
ook over interactieve programma's die ondersteuning bieden bij beroepskeuze en over een aantal PC opzoekingsprogramma's. De infotheek werd
daarom t o t mediatheek omgedoopt.
Op Studie-advies wordt nu gewerkt in termen van loopbaanbegeleiding, met
als einddoel een volwaardige inschakeling in de arbeidsmarkt. In 1 9 9 6 werd
onder de vorm van een intensieve groepstraining het pilootproject 'Eerste Hulp
bij Solliciteren' opgestart.
4.2.2 Studiebegeleiding
Studenten met studiegebonden problemen worden op verschillende wijzen
begeleid.
In het afgelopen academiejaar werden meer dan 2 000 individuele
gesprekken gevoerd met studenten.
De aanvragen voor testonderzoeken
namen toe: 4 1 4 studenten namen deel aan een volledig testonderzoek, 3 0 0
werden getest met beperktere opgaven. Drie vierde van de cliënten zijn
eerstejaarsstudenten. De meest voorkomende problemen zijn: examenproblemen, studiekeuze en eventuele heroriëntering, studiemotivatie en studievaardigheden. Ter remediëring worden individuele adviezen gegeven en studiemethodetrainingen.
De afdeling Studiebegeleiding kreeg bezoek van diverse PMS-teams waarvoor
casusbesprekingen werden ingelegd, ondersteund met een demonstratie van
computergestuurd testen.
4.2.3 Begeleiding gehandicapte studenten
Aspirant-studenten en studenten met een handicap worden begeleid door de
Werkgroep Gehandicapte Studenten, waarin leden van diverse studentendiensten en facultaire groepen participeren. In 1996 groeide de Werkgroep aan
met een nieuw personeelslid dat zich halftijds uitsluitend met studiebegeleiding
van studenten met een handicap zal bezighouden.
In totaal werden aan de K.U.Leuven 9 6 gehandicapte studenten en 7 aspirantstudenten begeleid.
De thematiek van architecturale toegankelijkheid werd door de Werkgroep
toegelicht op vormingsdagen voor gebouwcoördinatoren. De coöperatie met
diverse andere diensten van de K.U.Leuven bij de voorbereiding van die
studiedagen werd aanleiding t o t de oprichting van de koepelorganisatie
ACCESS, die deze samenwerking zal bestendigen.
5.1 Kerncijfers
Medisch centrum 5 0 4 7 patiënten, 2 7 5 6 nieuwe patiënten, 9 0 4 2 prestaties.
Psychotherapeutisch centrum: 4 0 0 cliënten, 2 8 3 nieuwe aanmeldingen, 4 1 1 8
therapie-uren.
5.2 Medisch centrum
Het Medisch centrum zag een licht stijgend aantal patiënten. Uit de morbiditeitsgegevens van de jongste vijf jaren blijkt dat de leeftijds- en studiegebonden medische problemen de specialiteit en de kwaliteit van de dienst uitmaken. Er werden verschillende preventieve activiteiten opgezet. Zoals de
vorige jaren werd meegewerkt aan onderzoeksprojecten. Dit jaar werd een
cyclus over relatie-vorming en seksualiteit opgezet.
5.3 Psychotherapeutisch centrum
Op het Psychotherapeutisch centrum doet een sterk toenemend aantal studenten een beroep. Daarbij lijkt de zwaarte van de behandelde thematieken toe t e
nemen. Meer en meer begaafde studenten uit ontwrichte gezinssituaties
dienen persoon-lijke problemen t e verwerken. Het lijkt belangrijk o m de volgende jaren bijzondere aandacht t e besteden aan de groeiende noden op het
vlak van psycho-medisch-sociale begeleiding van begaafde studenten.
Buiten de individuele psychotherapeutische en psychiatrische dienstverlening,
werd een belangrijke reeks assertiviteitstrainingen opgezet. Het centrum geeft
ook ondersteuning aan diverse preventief georiënteerde werkgroepen.
5.
Psychemedische
diensten
6.
Studentenadministratie
1 9 9 6 werd voor Studentenadministratie gedomineerd door de realisatie van de
nieuwe (elektronische) studentenkaart, tevens bibliotheekkaart en - voor wie
het wil - ook sportkaart. Op 01/02/1997 waren er 27 1 2 6 studenten ingeschreven, die allemaal een nieuwe kaart ontvingen ( + 0,4 % t.o.v. vorig jaar).
Voor het eerst werden ook de gaststudenten ingeschreven op Studentenadministratie. Zij kregen er hun eigen gaststudenten-kaart.
De hele inschrijvingsprocedure en bijhorende gegevensverwerking werd erg
vereenvoudigd en in het kader van '1 dossier per student' kon alvast gerealiseerd worden dat studenten i.p.v. op 3 plaatsen hun gegevens t e moeten
meedelen, dit maar op 1 meer moeten doen.
Voor de buitenlandse studenten en voor de studenten, die in het kader van
een project naar een buitenlandse universiteit vertrekken, kon het doorverwijzen gereduceerd worden: voortaan wordt de verzekering burgerlijke aansprakelijkheid resp. de uitbetaling van de beurs bij de inschrijving mee geregeld op
Studentenadministratie.
7.
studentenorganisaties
Studentenvoorzieningen betoelaagt Loko, de Leuvense Overkoepelende
Kringorganisatie. De facultaire of departementale kringen houden jaarlijkse
praesidiaverkiezingen. Afgevaardigden uit deze praesidia vinden zich terug in
de thematische raden binnen de koepel Loko: Sociale Raad, Kringraad,
Kultuurraad, Sportraad, Portulaka. Ze zijn verantwoordelijk voor inspraak en
medebeheer in en de stimulering van de sector die hen toevertrouwd wordt
door de praesidia. Veto besteedt als weekblad van de Leuvense Kringorganisatie aandacht aan alle topics die voor een studentenorganisatie en voor studenten in het bijzonder van belang zijn. Doelstellingen per raad werden uitgeschreven in het hogervernoemd document aan het Rekenhof, dat ook de
teamdoelstellingen per dienst binnen Studentenvoorzieningen weergeeft.
Synthese van de jaarrekening
Financiële rekeningen zijn uiteraard de financiële vertaling van het gevoerde
beleid.
In de K.U.Leuven is dit beleid normaal de emanatie van de opdrachtsverklaring
en haar vertaling in 'policy statements' voor haar diverse hoofdfuncties:
onderwijs, onderzoek en wetenschappelijke dienstverlening.
In deze periode van afkalvende tewerkstelling heeft de K.U.Leuven inzake
wetenschappelijke dienstverlening haar beleidsprioriteiten expliciet verschoven
naar economische valorisatie van onderzoeksresultaten en transfer van
wetenschappelijke en technologische knowhow.
Het vertalen ervan in
industriële initiatieven, die nieuwe hoogwaardige tewerkstelling creëren wordt
beschouwd als een maatschappelijke plicht voor de universiteiten.
De middelen die de K.U.Leuven in 1996 voor de uitoefening van diverse
taken kon verwerven beliepen in totaal 14,4 mia BEF ( 14,9 mia BEF min 0,5
mia BEF transfer), waarvan 3 2 2 mio BEF voor investeringen (zie tabel 1).
1.
Middelen
Over de jaren heen blijft het aandeel van de basissubsidie, bestemd voor de
normale werking van de universiteit, dalen. Het bedraagt in 1996 nog slechts
51,7 % van het jaartotaal. Het vergelijkbaar cijfer voor 1995 was 54,3 %.
Het overige deel heeft hoofdzakelijk betrekking op de onderzoeksfinanciering
die een meer competitief karakter heeft. Wanneer nauwkeuriger nagegaan
wordt w a t in het totaal van 14,4 mia BEF uiteindelijk afkomstig is van de
overheid, dan komt men t o t het cijfer van 73,5 %. In 1995 was dit 73,9 %.
De samenstelling van de inkomende middelen over de verschillende rubrieken
was als volgt (zonder transfer):
Werkingssubsidie
Fonds onroerende investeringen
Sociale voorzieningen voar studenten
Eigen bijzonder onderzoeksfonds
Andere onderzoeksfondsen
Patrimonium
waarvan
Inschrijvingsgelden
Past-academische vorming
Niet-Wetenschappelijke dienstverlening
Andere opbrengsten
Financiële opbrengsten
Onroerende opbrengsten
Overhead
Mecenaat
Voor orde
Totaal
Aandacht wordt gevraagd voor de blijvende stijging van de directe onderzoeksfinanciering. In 1 9 9 6 maakt deze inkomstenbron reeds 26,8 % van de
totale jaarinkomsten uit tegenover 26,5 % in 1995. In feite is de toename
nog hoger dan in de cijfers t o t uiting komt omwille van het feit dat een niet
onaanzienlijk bedrag overgeheveld werd naar het Vlaams Instituut voor Biotechnologie.
Het gunstig resultaat voor mecenaat is in ruime mate te danken aan de campagne voor het instellen van een systeem van afzonderlijk gefinancierde leerstoelen op naam.
Tegenover middelen staan uiteraard uitgaven. Globaal gezien hebben de
middelen voor 62,8 % betrekking op salarissen en andere personeelskosten.
De personeelsquote van 62,8 % geldt voor het geheel van de universiteit.
Uiteraard is dit percentage erg verschillend van rubriek t o t rubriek. Voor de
afdeling werkingstoelage wordt de begroting opgemaakt met het oog op de
2.
Uitgaven
zgn. 8 0 %-norm. Een maximale benutting van de normatieve personeelsruimte wordt verantwoord geacht, niet in het minst omdat ten laste van deze,
meer structureel-stabiele financieringsbron, normalerwijze de vaste omkadering
moet gezocht worden voor een sterk stijgend aantal tijdelijke wetenschappelijke medewerkers en ATP-ers die op korte-termijn-contracten aangeworven
worden.
Hoewel begroot op 8 0 %, geven de rekeningen ex post uiteindelijk toch weer
een ander beeld.
De decentralisatie van de financiële verantwoordelijkheid naar de faculteiten
toe, evenals de facultaire mogelijkheid saldi over t e dragen naar volgende jaren
en mandaten t e ruilen voor werkingskredieten, heeft als resultaat gehad dat
voor de afdeling werking, de personeelsquote in 1 9 9 6 ruim onder de 8 0 %norm gebleven is. De grote nood aan werkingskredieten in een aantal faculteiten is hier niet vreemd aan.
Met de verantwoordelijkheid voor een tewerkstelling van niet minder dan
6.674 personen die samen 5 7 0 0 VTE vertegenwoordigen, blijft het voor de
universiteit een voortdurende zorg in alle rubrieken de inkomensstromen op
peil t e houden en nauwkeurig de impliciete engagementen ten laste van de
beschikbare middelen op t e volgen. Dit is vooral het geval voor de sectoren
van het onderzoek en de investeringen; tegenover de vermelde saldi staan hier
inderdaad telkens zeer belangrijke verplichtingen, die zich over meerdere jaren
spreiden.
Ondertussen blijft de stijging van de totale loonmassa, spijts een stijgend aantal werknemers, aan de lage kant (+2,3 %). De verklaring hiervoor moet
gezocht worden bij een niet onaanzienlijk aantal emeritaten en pensioneringen
w a t meebrengt dat de gemiddelde anciënniteit van het personeel daalt en dat
de vervangers vooralsnog in de lagere rangen geremunereerd worden. Dit is
uiteraard een situatie die van voorbijgaande aard zal zijn.
Bij het opmaken van de rekeningen stelt zich nog het probleem van de interne
transfers tussen de verschillende inkomensrubrieken.
In de eerste plaats
wordt hier verwezen naar de decretaal verplichte bijdrage aan het Bijzonder
onderzoeksfonds. Het jaar 1 9 9 6 is onder dit oogpunt speciaal omdat in dit
jaar een aantal nog achterstallige transfers ineens overgeboekt zijn. Om die
reden vertonen de rekeningen 1996 een daling van de gecumuleerde saldi op
werkingstoelagen.
Dit wordt uiteraard gecompenseerd door een stijging van de nog beschikbare
maar grotendeels geëngageerde kredieten in de onderzoeksrubriek. Andere
transfers hadden betrekking op een aanvulling van het investeringsfonds en
een bijdrage van 5 0 mio BEF uit het patrimonium naar de afdeling studentenvoorzieningen.
De totale nog niet uitgegeven kredietsaldi van de K.U.Leuven vertonen in
1 9 9 6 opnieuw een stijging die sterker is dan de inkomstentoename. Gegeven
de inherente meerjarigheid van de onderzoeksprojecten is dit het logisch
correllarium van een expanderende onderzoeksfinanciering.
Het is belangrijk dat bij de interpretatie van deze cijfers terdege rekening
gehouden wordt met de lange-termijn-verplichtingen die erop rusten. Het
totaal van deze kredietsaldi beantwoordt voor de universiteit aan zesmaal de
maanduitgaven.
Wanneer men evenwel nagaat hoeveel hiervan kan
beschouwd worden als vrij beschikbaar patrimonium, komt men niet verder
dan het ontstellend laag percentage van 7,7 % van de totale jaaruitgaven of 4
keer de uitgaven die de K.U.Leuven wekelijks doet.
Tabel 1. Resultatenrekening K.U.Leuven 1996: Algemeen overzicht (duizendtallen)
Werkingstoelagen
Overdracht saldo voria iaar
Inkomsten iorwnd i a a
Overheidsuitkeringen
Inkomsten van internationale organismen
inkomsten uit de p M =kor
inkomsten uit rechten, rayafties en overhead
Inschrijvings- en examengelden
Financiële inkornsterii
Inkomsten u& onroerende gaederen
Diversen
fonds
Onroerende
investeringen
230 470
Sociale
voorzieningen
studenten
179 500
322 470
300 300
451 461
182 100
O
O
O
O
4 405
192 002
72 954
o
O
O
O
9 301
10 779
2 090
Uitgaven
Personeel
Werking en uitrusting
Transfer
Inkomsten
Uitgaven
Saldo huidia iaar
Saldo over te d r a a m r volaend iaar
f
Onbestemd saldo over te draaen naar volaend
iaar
..34 4
24 OW)
49 308
Bijzonder
Universitair
Onderzoeksfonds
424 123
Andere
Ondermeksfondsen
652 483
Patrimonium
Orde
Overzicht van het algemene
vermogensbestand
Een vermogenssituatie opmaken voor een eeuwenoude universiteit is niet evident: op welke manier worden historische gebouwen geëvalueerd; welk
afschrijvingspercentage mag gebruikt worden voor oude enlof nieuwe boeken;
hoe worden de verplichtingen van contractueel aanvaarde onderzoeksopdrachten ingeschat en genoteerd ? Ook blijft het probleem van de consolidering gesteld evenals de moeilijkheid een begrotingsboekhouding zonder
afschrijvingen t e combineren met een balanslogica afgeleid uit de vennootschapsboekhouding.
Het balanstotaal is vastgelegd op 16,7 mia BEF (zie tabel 1).
Het bestaat voor meer dan de helft uit vaste activa. Vermits het gaat over erg
oude en, voor een niet onaanzienlijk deel, historische gebouwen mag geredelijk
aangenomen worden dat de waardering erg voorzichtig is en onderschat. Hetzelfde geldt voor de installaties, machines en uitrusting alsook voor de boekenvoorraad die in de K.U.Leuven verspreid is over de centrale bibliotheek en
diverse deelbibliotheken.
Voor deze rubrieken werd verkozen in het jaar 1995 de waardering alleen t e
steunen op eenduidige en boekhoudkundig exact verifieerbare cijfers die alleen
vanaf 1995 beschikbaar zijn, eerder dan beroep te doen op een onzekere
schatting. Deze scheeftrekkende onderschatting zal zich evenwel de komende
3 jaar corrigeren. Trouwens naarmate dit vast actief hoger gewaardeerd zou
worden, zou ook in gelijke mate een toename moeten ingeschreven worden in
het eigen vermogen bv. onder de post onbeschikbare reserves.
Het vast actief wordt in de eerste plaats gefinancierd door eigen vermogen.
Deze activabestanddelen zijn immers ook reeds in de kosten opgenomen. Dit
eigen vermogen bestaat uit een historisch opgebouwde onbeschikbare reserve
van ongeveer 2,6 mia BEF en een kapitaalssubsidie van 2,3 mia BEF.
Uiteraard dekt dit niet het totaal van de vaste activa. Hiervoor kon evenwel
beroep gedaan worden op langlopende leningen die in het verleden in het kader van het Fonds voor de ontwikkeling van de vrije universiteiten werden
afgesloten. Dit zgn. FOVU-consortium van financiële instellingen ziet zijn
leningen en de daarbij horende intrestvergoedingen rechtstreeks terugbetaald
door de overheid. Deze leningen hebben een looptijd van 3 3 jaar. Voor de
K.U.Leuven gaat het hier over een risicoloze langlopende schuld, die balansanalytisch kan beschouwd worden als eigen vermogen. T.O.V. 1995 stijgt het
eigen vermogen nog sneller dan het balanstotaal. Naast de balanstechnische
jaarlijkse aanvulling van de kapitaalsubsidie tengevolge van de aflossing van
de langlopende schuld van de overheid, is er vooral de belangrijke stijging van
de onderzoeksfinanciering.
Onderzoeksfinanciering is evenwel een langetermijn-financiering waartegenover intern een hele reeks toekomstige verplichtingen staan. Dit komt als dusdanig niet direct in de balans t o t uiting.
Een belangrijk deel van het passief heeft t e maken met diverse overgedragen
saldi en provisies.
Behalve voor de rubrieken Pooled Fund, Voorzorgsfonds en het Niet-bestemd
patrimonium, gaat het in feite over bedragen die voor een ruim deel kunnen
beschouwd worden als de tegenwaarde voor 'projecten in uitvoering' waarvan
de engagementen zich over meerdere jaren uitstrekken.
Tevens zijn het de provisies die uit het oogpunt van goed beheer moeten aangelegd worden voor tegenslagende contractverwerving voor de onderscheiden
onderzoekslabo's of onderzoekscentra.
In een decentrale bestuursstructuur vormen zij bovendien de reserve-opbouw
voor de vervanging van de bestaande wetenschappelijke apparatuur. Een
belangrijke nieuwe gegevenheid voor de K.U.Leuven is het enorm sociaal passief dat geleidelijk samen met de toegenomen contractfinanciering gegroeid is.
Het wordt dringend noodzakelijk ook dit in de vermogenssituatie t e expliciteren. Hun classificatie onder eigen vermogen vergt dan ook enige interpretatie.
l.
De balans van
de K.U.Leuven
OVERZICHT
VAN HET ALGEMENE VERMOGENSBESTAND
Het Pooled fund is de boekwaarde van 8 4 mecenaatsfondsen waarvan het
thesauriebeheer centraal gebeurt; elk fonds deelt in de opbrengsten in functie
van zijn aandeel in het gezamenlijk kapitaal. De merkwaardige aangroei heeft
te maken met een behoorlijk beleggingsresultaat maar eveneens met het
succesrijk mecenaatsinitiatief van leerstoelen op naam.
Het Voorzorgsfonds waarvan de middelen nog afkomstig zijn van de vroegere
unitaire universiteit is bestemd voor uitdovende pensioenverplichtingen in
eigen beheer. Dit belangrijk fonds is tevens de uiteindelijke waarborg voor de
honorering van de steeds toenemende verplichtingen inzake de groepsverzekering van het ATP, waarvoor de subsidie tot op heden in onaanvaardbare
mate tekort schiet. Ook dient dit fonds voor de dubieuze vordering op de
staat voor een naar ons oordeel niet nagekomen subsidiëringsverplichting voor
pensioenlasten van weduwen en wezen van emeriti van v66r 1970. Vermits
nog geen juridische uitspraak is geveld, is deze oude schuld tot op heden niet
weggeboekt.
Voor het specifiek eigen beleid van de K.U.Leuven zou het Niet-bestemd
patrimonium belangrijk moeten zijn. T.O.V. een 'maandelijkse' uitgavenstroom
in de K.U.Leuven van meer dan één mia BEF, is een Niet-bestemd patrimonium
van 246 mio BEF echter ontstellend laag. Dit Niet-bestemd patrimonium
wordt gevoed door inschrijvingsgelden, overhead en diverse financiële
inkomsten.
De uitgaven hebben betrekking op personeelskosten,
studentenvoorzieningen en ruilbeurzen. Ook de groepsverzekering moet noodgedwongen ten laste gelegd worden van dit Niet-bestemd patrimonium.
De hoge korte-termijn vordering tenslotte heeft te maken met de verschuiving
van d e subsidie voor december 1996 naar begin januari 1997 (600 mio BEF).
Naast deze vordering op de Vlaamse overheid staat in deze rubriek ook een
belangrijke vordering op ABOS (56 mio BEF) en de diverse onderzoeksinstellingen van de overheid (523 mio BEF).
2.
Besluit
Globaal genomen kan de vermogenssituatie van de K.U.Leuven als volgt gekarakteriseerd worden. Het jaarlijks investeringsbedrag is te laag om, naast de
noodzakelijke uitbreiding ten behoeve van het succesrijk en expansief onderzoek, in de toekomst ook nog te voorzien in het groot onderhoud en het in
stand houden van het opgebouwde patrimonium aan gebouwen en didactische
infrastructuur.
Vooral in de sociale sector begint de degradatie van een eens mooie huisvestingsinfrastructuur voelbaar te worden. De K.U.Leuven, zoals trouwens de
andere universiteiten, staat hier voor een moeilijk aanvaardbare afbouw van
haar essentieel werkinstrument.
Uit vermogensstandpunt wordt deze afbouw van de basisinfrastructuur onvoldoende gecompenseerd door de opbouw van meerjarige provisies en reserves
die vooral te vinden zijn in de sector van het fundamenteel onderzoek, LR&D
en het Pooled Fund. Ook daar zijn de behoeften groot en kan omwille van de
decentrale verwerving enlof toewijzing de bestemming niet zo maar gewijzigd
worden. Samengenomen gaat het bovendien in hoofdzaak om bedragen die
intern vastgelegd zijn voor de toekomstige weddefinanciering van contractueel
personeel dat reeds in dienst is. Het mogelijk sociaal passief dat er inherent
mee verbonden is, moet in het financieel beleid van de universiteit een
belangrijke bezorgdheid zijn. Sinds enkele jaren moet de kostenstijging van de
universiteit telkens opnieuw gezocht worden in de sectoren van het onderzoek
en de dienstverlening. Om deze kostenstijging, zij het dan slechts gedeeltelijk,
ook daar ten laste te leggen wordt een overhead aangerekend van 1 0 %. Dit
percentage ligt ontegensprekelijk lager dan de centrale kosten die met dit soort
activiteit verbonden zijn, maar is een stap in de goede richting waarvan de
toepassing zou moeten veralgemeend worden.
Expansie in de sector van het onderzoek en de dienstverlening brengt mee dat
een steeds groter deel van het personeel tijdelijk wordt. Voor de omkadering
en de begeleiding is men in essentie aangewezen op de vaste aanstellingen
ten laste van de normale werkingstoelagen. Deze toenemende vraag naar
vast-academisch omkaderingspersoneel, vormt dan op zijn beurt weer een
bedreiging voor de eigenlijke werkingskredieten voor de normale taken van de
diverse faculteiten.
De meeste faculteiten zien zich verplicht mandaten onbezet t e laten o m op die
manier hun werkingskredieten toch nog enigszins op peil t e houden. Globaal
gezien is de universiteit verplicht t o t 3 % van haar voormalige 'formatie' op de
werkingssubsidie niet in t e vullen. Dit heeft evenwel niet verhinderd dat de
K.U.Leuven, voor alle rubrieken samen, jaar na jaar, steeds opnieuw meer
personen tewerk stelt dan het jaar voorheen.
Zoals hoger reeds aangehaald, is de welgekomen expansie van de onderzoeksfinanciering zowel door de overheid als door de privé-contracten hiervan
de overwegende oorzaak.
Tabel 1. Balans K.U.Leuven
%SB5
ACTIVA
VASTEACTWA
I. OPRICHTINGSKOSTEN
ll. IMMATERI~LE
VASTE ACTtVA
114. MATER~ELEVASTE ACTIVA
a. terreinen en gebouwen
b. installaties, maohines en uitrusting
c. meubilair en rollend materieel
d. leasing en soortgelijke rechten
e. overige materiiile vaste activa
f. activa in aanbouw en vooruitbetalingen
IV.
FINANCIELE
VASTE ACTIVA
a. verbonden ondernemingen
b. ondernemingen waarmee een deelneming
bestaat
c. ancfere finanoiële vaste activa
VLOTTENDE
ACTIVA
V. VORDERtNGEN OP MEER DAM EEN JAAR
a. handatsvordefingen
b. overige vorderingen
Vl. VOORRADEN EN BESflXLINGEN IN UITVOERING
a. voorraden
b. beotelingen i n uitvoering
8 103 175 244
O
t9 498 036
8062856781
7 255 789 885
589 893 766
58 323 214
O
158 849 91 7
O
20 820 427
O
19 583 242
1 237 185
7 353 368 494
92 457 325
O
92 457 320
96 611 935
96 578 693
33 242
VIi. VORDERtNGEN OP f EN HOOGSTE EEN JAAR
a. handelsvorderingen
b, overige vorderingen
VIII. ANDERE VLOTTENDE ACTIVA EN F I N A N C I ~ EWAARDEN
4 544 318 372
IX. LIQUIDE MIDDELEN
386 773 837
X. OVERLOPENDE REKENINaEN
364 061 259
f OTAAL DER ACTIVA
16 456 543 648
OVERZICHT VAN HET ALGEMENE VERMOGENSBESTAND
Wetenschappelijke
dienstverlening
.
De wetenschappelijke dienstverlening wordt algemeen aangezien als de
derde belangrijke maatschappelijke functie van de universiteit. Zij omvat de
ruime waaier van alle activiteiten en bijdragen die het kenniscentrum dat de
universiteit is, levert naar de maatschappij toe. De universitaire ziekenhuizen zijn daarvan het meest zichtbare, het financieel zwaarste deel, dat een
kernstuk vormt van de gezondheidszorg in ons land. Daarover wordt in
globale termen gerapporteerd in het deel 'Universitaire Ziekenhuizen'.
Maar ook de aanwezigheid van zoveel professoren in diverse publieke discussies, de ingezonden stukken in kranten en weekbladen van onderzoekers die als deskundigen hun stem laten horen vormt een deel van onze
dienstverlening, net zoals de 'sprekers uit Leuven' die bereid zijn een thema
uit hun onderzoeksterrein toe te lichten voor verenigingen.
2. Het decreet van 2 2 februari 1995 betreffende de wetenschappelijke dienstverlening of maatschappelijke dienstverlening door de universiteiten of de
hogescholen en betreffende de relaties van de universiteiten en de
hogescholen met andere rechtspersonen, bepaalt voor de dienstverlening
een aantal elementaire spelregels (contract vooraf, aanrekening van
kosten); het legt de universiteit op een eigen reglement te maken om dit
alles procedureel nader te regelen.
Opgemerkt weze dat de definitie die gegeven wordt aan de wetenschappelijke dienstverlening in feite alle prestaties voor derden omvat, zodat het
geheel van het contractueel onderzoek ook daaronder valt.
De K.U.Leuven vaardigde een dergelijk eigen reglement uit dat vooral de
procedurele aspecten regelt.
De exploitatie K.U.Leuven Research and
Development beheert de contracten die gesloten worden met bedrijven.
Deze zijn in de regel gegroepeerd in zogenaamde divisies, wat in grote
lijnen het equivalent is van een onderzoeksgroep. De andere contracten
lopen via de gewone interne administratieve
kanalen (Dienst
Onderzoekscoördinatie, Financiële diensten).
In beide filieres wordt
gezorgd voor de overhead-afname en de financiële verrekeningen.
Het decreet staat ook toe dat er persoonlijke vergoedingen kunnen worden
toegestaan aan de personeelsleden die het contract hebben uitgevoerd,
doch dit is beperkt tot maximum de helft van wat er netto overblijft na uitvoering van een contract. In het K.U.Leuven-reglement wordt deze mogelijkheid voorzien:
- in het raam van LR&D gebeurt dit per divisie, op voorstel van het divisiehoofd en onder controle van het Beheerscomité van LR&D;
- in het raam van andere contracten kan dit slechts gebeuren op vraag van
de projectleiders doch na toestemming van de Centrale commissie overhead en wetenschappelijke dienstverlening.
Het dient gezegd dat er slechts in heel beperkte mate gebruik wordt
gemaakt van de mogelijkheid: in LR&D zijn de divisies er vooral over
bekommerd om reserves te vormen voor toekomstige noden van hun
onderzoeksgroep. In de andere filieres komt het eerder zelden voor dat er
een overschot is, dat vatbaar is voor uitkeringen.
3. Het financieel volume van de wetenschappelijke dienstverlening kan, gelet
op de decretale definitie, moeilijk onderscheiden worden van het toegepast
onderzoek. Uit het globaal overzicht van de onderzoeksuitgaven (zie deel
Onderzoeksverslag, Tabel 4) onthoudt men dat een totaal uitgavenbedrag
van 920,5 mio BEF vermeld wordt voor LR&D, waarnaast nog een bedrag
van 87,7 mio BEF voor specifieke dienstverleningscontracten, dit naast het
geheel van projectmatig onderzoek ten behoeve van federale, regionale en
internationale overheden en ten behoeve van privé-instanties.
WETENSCHAPPELIJKE
DIENSTVERLENING
4. De K.U.Leuven heeft ook uitvoering gegeven aan de voorschriften van hetzelfde decreet van 22 februari 1995 inzake de relaties met andere rechtspersonen. Overeenkomstig de voorschriften werd de lijst van de vzw's die
rechtstreeks of minder rechtstreeks met de universiteit verbonden zijn
opgesteld; in de regel werden met deze vzw's contracten afgesloten die de
verhoudingen en de wederzijdse afspraken en eventuele verrekeningen
regelen.
Ruimtelijke planning en
investeringsplanning
1. De vooruitzichten op een snelle realisatie van de wetenschapsparken
moesten in de loop van het voorbije jaar plaats ruimen voor onzekerheid en
teleurstelling. Omwille van procedurefouten werd het reeds goedgekeurde
nieuwe gewestplan voor Leuven door de Raad van State geschorst. Als
gevolg hiervan liep het project aanzienlijke vertraging op.
Intern werd echter voort gewerkt; er werd een oriënterend bodemonderzoek uitgevoerd en de planning van de eerste fase, een multifunctioneel
doorgangsgebouw op het universiteitspark, werd verder besproken. Momenteel is het echter nog steeds wachten op een uitspraak 'ten grondel
door de Raad van State.
In het kader van het openbaar onderzoek over het Ruimtelijk Structuurplan
Vlaanderen werden de standpunten van de K.U.Leuven overgemaakt.
2. Zoals steeds moesten ook n u in het voorbije jaar oplossingen worden
gevonden voor de talloze huisvestingsproblemen aan onze universiteit.
Daarnaast werd verder gewerkt aan de grotere lopende projecten: de ruimtenood van de faculteit Rechtsgeleerdheid, de herprogrammatie van de
bibliotheek van de faculteit Sociale wetenschappen, de herlocatie van het
Steunpunt WAV, het nieuwbouwproject voor LINOV en de mogelijke
omvorming van het Arenberginstituut t o t kunstencentrum.
Naar aanleiding van het voorbereidend werk van een ad hoc-commissie
besliste de universitaire overheid t o t de realisatie van een nieuwe centrale
campusbibliotheek Exacte wetenschappen in het Celestijnenklooster op
Arenberg.
Ook het dossier 'Ontmoetingscentrum Campus Arenberg' werd verder op
punt gesteld. Er werd een ontwerp-wedstrijd uitgeschreven, die zich
richtte t o t de laatstejaars ingenieurs-architecten en stagiairs ingenieurarchitect van onze universiteit.
In de eerstkomende jaren mag de K.U.Leuven een aanzienlijke toename
verwachten van het aantal onderzoeksmandaten. Het vinden van een
geschikte huisvesting hiervoor en de ruimtelijke ontwikkeling op langere
termijn van de faculteit Geneeskunde zijn belangrijke prioriteiten voor de
onmiddellijke toekomst.
In het domein van de studentenhuisvesting keurde de Vlaamse regering
een nieuw decreet goed met betrekking t o t de kwaliteits- en veiligheidsnormen voor kamers en studentenkamers. De consequenties kunnen vrij
ingrijpend zijn zowel voor het eigen patrimonium als voor de Leuvense
kamermarkt. Ook hier dringt een lange termijnplanning zich op, zodat tijdig kan worden geanticipeerd op de volgende periode van kamerschaarste.
Op gebied van mobiliteit was het zwaartepunt van de actie vooral gericht
op de fietsproblematiek in de Leuvense binnenstad.
Een fietsoverleg
K.U.Leuven - stad Leuven werd opgestart. Binnen deze overleggroep
wordt momenteel gewerkt aan de uitgave van een fietsvademecum en
fietskaart ten behoeve van de studenten.
Naar de toekomst toe wordt beheersing van de mobiliteit één van de
belangrijke uitdagingen. Er is niet alleen de maatschappelijke context,
maar goede bereikbaarheid en vlotte mobiliteit zijn voor onze instelling van
cruciaal belang o m onze troeven blijvend t e kunnen uitspelen in de toekomst. Vanuit dit gegeven zal samen met Studentenvoorzieningen een
onderzoek worden opgezet naar de bereikbaarheid van Leuven met het
openbaar vervoer.
4. De investeringsuitgaven in het kader van het vijfjarenplan voor onroerende
investeringen bedroegen 2 2 3 mio BEF in 1996, inclusief de uitgaven voor
groot onderhoud en veiligheid.
In het meerjarenprogramma van belangrijke reconversie- en uitbreidingspro-
RUIMTELIJKE
PLANNING EN INVESTERINGSPLANNING
jecten werden lopende projecten verder afgewerkt en nieuwe opgestart:
Pedagogische wetenschappen in het Van Den Heuvelinstituut, ILT-CLT in
het gebouw ex-Fysiologie, diverse projecten voor de Faculteit Landbouwkundige en toegepaste biologische wetenschappen, het proefgebouw voor
Bouwfysica, renovatie van het museumcircuit in het Arenbergkasteel,
renovatie van de Tekenzalen ten behoeve van Computerwetenschappen en
de nieuwe telefooncentrales. Op Arenberg II werden de werken aangevat
voor de bouw van het nieuwe afvalgebouw.
Ook op Gasthuisberg gaat de geplande uitbouw van fase III verder haar
gang, daarnaast werd er ook begonnen met de uitbouw van het Animalium.
Centrale logistieke diensten
1.1 URC-LUDIT 1996
In 1 9 9 6 werd door de academische overheid beslist o m de vroegere naam
URC (Universitair Rekencentrum) t e vervangen door een nieuwe en ruimere
naam, nl. LUDIT, welke de afkorting is van 'Leuvens Universitair Dienstencentrum voor Informatica en Telematica'. De naamsverandering illustreert de
taakverschuiving die reeds lange tijd aan de gang is.
De missie en taakomschrijving van LLIDIT bestaat erin o m zorg t e dragen voor
een kwalitatief hoogstaande centrale dienstverlening inzake informatica en
telematica ten dienste van onderwijs, onderzoek, bibliotheek en administratie,
en dit met de daarbijhorende praktische en wetenschappelijke ondersteuning.
Het betreft o.a. diensten in verband met infrastructuur (centrale en decentrale
computersystemen zoals mainframe, parallelle Unix server, PC-klassen e.d.),
netwerkdiensten (KULeuvenNet en lokale netwerkdiensten zoals Vines),
diensten voor computationele methoden en software, wetenschappelijke
visualisatie, campuslicenties, inrichten van cursussen, symposia en informatiesessies, verhuur en verkoop van computermateriaal, het organiseren van
een helpdeskfunctie e.d.
Gelijktijdig met de naamsverandering werden een aantal structuren aangepast.
Naast de structurele verandering en naamsveranderingen werden in 1 9 9 6 o.a.
volgende concrete projecten gerealiseerd.
1 . 2 Verdere uitbreiding en ondersteuning van het KOTnet-project
Het Kotnet-project kadert in een geheel o m aan de student een maximale toegankelijkheid t e bieden t o t de informatie- en telematicamiddelen, zowel binnen
als buiten de K.U.Leuven.
Naast de PC-klassen in de diverse departementen werden in 1 9 9 6 door LUDIT
3 bijkomende PC-klassen ingericht. Hierdoor worden er in totaal 1 1 PC-klassen door LUDIT beschikbaar gesteld (sommige van die PC-klassen zijn 2 4 uur
op 2 4 uur open, de studenten hebben er volledige internettoegang).
Elke student heeft de mogelijkheid zich via de PC's t e registreren zodat hijlzij
gebruik kan maken van alle faciliteiten van de PC-klassen, zoals bv.:
- het gebruik maken van de diverse programma's die op de servers van de
PC-klassen staan;
- het versturen of ontvangen van elektronische post (E-mail);
- het gebruiken van de volledige internetfaciliteiten (WWW-toegang, bibliotheekraadplegingen, ...).
Meer dan de helft van alle studenten van de K.U.Leuven heeft een elektronische brievenbus.
1.2.2 Aansluiting studentenresidenties
- Gezien meer en meer studenten over een eigen PC beschikken op hun kot,
lijkt het dan ook aangewezen om deze PC's zoveel mogelijk aan het
KULeuvenNet, het computernetwerk van de K.U.Leuven, aan te sluiten.
-
Daarom werden bij het begin van het academiejaar (19 9 6 -1 997) drie residenties intern bekabeld en via een glasvezelverbinding aan het KULeuven-
l.
LUDIT
Net aangesloten. Hierdoor hebben de studenten op hun kamer volledige en
snelle internetconnectiviteit. Onze planning voorziet de aansluiting van alle
residenties van de K.U.Leuven binnen een termijn van t w e e jaar.
1.2.3 Aansluiting via telefoon
Voor de studenten die niet in deze residenties verblijven, bestaat de mogelijkheid o m via het gewone telefoonnet de PC t e laten inbellen in het KULeuvenNet. Hiervoor werden er in 1 9 9 6 6 0 analoge inbellijnen beschikbaar gesteld.
Er werd gezocht naar een manier o m aan elke student op kot de mogelijkheid
t e bieden een PC ter beschikking t e hebben voor een aantrekkelijke prijs.
Daarom groeide het idee o m PC's t e verhuren. Navraag werd gedaan binnen
diverse andere Europese universiteiten, nergens bleek een dusdanig project te
bestaan.
Bij het begin van het academiejaar werd een standaard verhuur-PC, geconfigureerd met standaard Office software, gelanceerd met de slogan 'Huur een PC
voor de prijs van een pintje per dag'. De maandelijkse huurprijs van de standaard PC werd 1.350 BEF en dezelfde configuratie in multimedia-uitvoering
(cd-rom, geluidskaart en luidsprekers) zou worden verhuurd voor 1 6 2 0 BEF.
Niet alleen was de prijs attractief, maar tevens werd in het contract een
afkoopmogelijkheid voorzien, zodanig dat na verloop van de huurtermijn de
student de PC kan kopen met recuperatie van het geïnvesteerde huurbedrag.
Tegen eind 1 9 9 6 waren er 7 2 0 PC's aan de studenten verhuurd. Bijkomend
bij de verhuur kan men ook aan een lage prijs PC's kopen. Meer dan 3 0 0 PC's
werden verkocht. Bij het 'PC-verhuur1koop'-project werden dan ook meer dan
1 0 0 0 PC's verhandeld.
1.3 Verdere uitbouw van het KULeuvenNet
In de loop van 1 9 9 6 werd het KULeuvenNet verder uitgebouwd met het oog
op het halen van hogere snelheden. Parallel ging ook aandacht naar het aansluiten van nieuwe gebouwen of afdelingen.
- Tegen eind 1 9 9 6 waren praktisch alle glasvezels van het ruggegraatnetwerk beschikbaar en afgewerkt. Hierdoor was het mogelijk o m een aantal
gebouwen op een merkelijk hogere snelheid aan t e sluiten.
- Ook meer en meer gebouwen worden intern op een gestructureerde manier
bekabeld zodat het dan ook eenvoudiger wordt o m hen op een (snelle) manier aan het KULeuvenNet aan t e sluiten.
- Rekening houdend met de vaststelling dat de gebruikte hardware van het
KULeuvenNet de technische limieten bereikt (ouderdom en beperkt aantal
interfaces van de apparatuur), wordt een pilootproject opgestart gebruik
makend van de ATM-schakeltechnologie. Hierdoor kan op een relatief eenvoudige manier het netwerk verder worden uitgebreid en kunnen veel hogere snelheden worden behaald en blijft het netwerk beter beheerbaar. In
de toekomst kan dan zowel spraak-, data- als beeldcommunicatie worden
geïntegreerd.
1.4 Verdere uitbouw van het 'Campus Wijde Informatie Systeem'
CWIS-systeem
In 1 9 9 4 werd beslist o m een overkoepelend informatiesysteem van de
K.U.Leuven uit te bouwen. Hiervoor werd voor de zogenaamde W W W technologie geopteerd. Het CWIS-systeem wordt uitgebouwd door zeer veel
faculteiten, departementen en diensten. Het geheel wordt gestuurd en ondersteund door diverse CWIS-commissies en gedragen door alle informatieleveranciers.
In 1 9 9 6 werd het CWIS-systeem verder uitgebouwd en k w a m er merkelijk
meer informatie beschikbaar.
1.5 Uitbreiding parallelle Unix server SP2
Dankzij middelen verkregen door de onderzoeksgroep Quantumchemie werd de
SP2 uitgebreid met vijf processoren.
In totaal zijn er nu 21 processoren.
1.6 Verdere uitbouw HELPDESK
De Helpdesk van LUDIT is een centraal aanspreekpunt in verband met de
LUDIT-taken.
Via éBn centraal telefoonnummer en BBn centraal elektronisch adres kunnen
problemen bij de Helpdesk worden aangebracht. Deze Helpdesk wordt zowel
door de studenten als het personeel erg geapprecieerd.
1.7 Uitbreiding campuslicenties
Via een campusovereenkomst kunnen voor de universitaire gebruikers veel
lagere prijzen worden bekomen.
In 1 9 9 6 werden enkele nieuwe campuslicenties afgesloten of werden sommigen vernieuwd.
Hiertoe behoren o.a. de softwarepakketten SAS, S-Plus,
Mathematica, Maple, Matlab, Banyan-Vines, Microsoft en de leveranciers
SUN, Digital, IBM en HP.
1 9 6 6 is door de academische overheid uitgeroepen t o t het 'Jaar van de Bibliotheek'. De aanleiding was de 25e verjaring van de splitsing van het unitaire
bibliotheekwezen. Sinds 1971 is het aantal boekdelen meer dan verviervoudigd en hebben versplintering en manuele activiteiten plaats gemaakt voor een
geïntegreerd en geautomatiseerd bedrijf. Heel het jaar 1 9 9 6 werd met
tentoonstellingen, opendeurdagen en artikels in de 'Campuskrant' de schijnwerper gericht op de Universiteitsbibliotheek, een amalgaam van meer dan
dertig bibliotheken en diensten.
De eerstelijnszorg is de taak van de faculteits- en departementsbibliotheken,
die de eigen studenten en onderzoekers en vele anderen een ruime keuze van
gespecialiseerde literatuur aanbieden. De vier Leuvense campusbibliotheekdiensten staan in voor de aanschaf en de deskundige verwerking van het
documentatiemateriaal, in de Biomedische en Exacte wetenschappen ook voor
de interbibliothecaire documentlevering. De centrale bibliotheek op het
Ladeuzeplein en de Kortrijkse campusbibliotheek hebben de opdracht als
referentiebibliotheek en algemene bewaarbibliotheek ten dienste te staan van
de hele universitaire gemeenschap. Ze coördineren ook een aantal biblio-
2.
Universiteitsbibliotheek
theekactiviteiten en verzorgen het interbibliothecair leenverkeer voor de eigen
gebruikers, de centrale ook voor die van de Leuvense bibliotheken Geestes- en
Gedragswetenschappen. Het hele bibliotheekwerk wordt geschraagd door het
informatica-team van het LIBIS-net, dat het geautomatiseerde bibliotheeknetwerk draaiend houdt niet alleen voor de K.U.Leuven, maar ook voor
een twintigtal andere instellingen. In de centrale en verschillende andere bibliotheken worden n u ook, naast de LIBIS-faciliteiten, bijkomende geavanceerde
zoekmogelijkheden aangeboden o m documentaire informatie t e lokaliseren in
Belgische en buitenlandse bibliotheken, documentatiecentra en computersystemen.
Raf Dekeyser heeft als nieuwe hoofdbibliothecaris het roer overgenomen van
Jan Roegiers. De aandacht van de Bibliotheekraad ging onder meer naar een
eventuele extra-financiering voor de aanschaf van publicaties via de tweede
geldstroom, de integratie van de lezerskaart met de studentenkaart, een analyse van de lopende tijdschriftencollecties in tien Vlaamse wetenschappelijke
bibliotheken (waaruit bleek dat de K.U.Leuven in het algemeen de hoogste
scores behaalde, w a t wijst op het groeiende nationale belang van de Leuvense
Universiteitsbibliotheek), de verrekening van het LIBIS-verbruik en, last but not
least, een 'globaal informatiseringsplan bibliotheekwezen K.U.Leuvenf. Bij dit
plan wordt niet alleen gedacht aan meer bibliografische databanken en
elektronische documentlevering, maar ook aan de beschikbaarstelling van elektronische tijdschriften en een digitale didactische bibliotheek.
Het aantal personeelsleden in de verschillende bibliotheken, dat overeenkomt
met meer dan 150 voltijdse eenheden, is vrijwel ongewijzigd gebleven. Dankzij
een paar extra-mandaten is men erin geslaagd de gegevens van alle (ook
afgesloten) tijdschrifttitels binnen de K.U.Leuven in de LIBIS-databank t e
registreren; er blijft wel nog een serieuze inspanning nodig o m de gegevens
over het boekenmateriaal van voor 1971 machine-leesbaar op t e slaan en zo
alle steekkaartcatalogi en dubbele opzoekingen overbodig t e maken. Eind
1995 kon de centrale bibliotheek een extern boekenmagazijn in gebruik
nemen. Daarmee is haar ruimteprobleem nog niet van de baan, want midden
1996 werd de bibliotheek van het China-Europa-Instituut in de daar reeds
gevestigde Oost-Aziatische Bibliotheek geïntegreerd en er blijft maar materiaal
toestromen, onder meer door transferten uit overvolle faculteits- en departementsbibliotheken. Anderzijds is er grote vooruitgang geboekt in twee dossiers: in het eindrapport van de Commissie Campusbibliotheek Arenberg voor
de Exacte wetenschappen, dat in juni klaar was, is geopteerd voor een
centrale nieuwbouw; in Psychologie en pedagogische wetenschappen wordt
de samensmelting van de t w e e departementsbibliotheken in AAn faculteitsbibliotheek voorbereid.
Aangezien de prijzen van boeken en tijdschriften blijven stijgen, kan er minder
worden gekocht. Op die manier dreigt de dienstverlening verder uitgehold t e
raken en moeten de lezers meer geld op tafel leggen o m van elders hun
materiaal t e betrekken via interbibliothecaire documentlevering. Dankzij elektronische bibliografieën en catalogi weten die lezers trouwens ook beter dan
vroeger wat er verschijnt en in welke bibliotheek het ter beschikking is. De
bibliotheken worden stilaan ook geconfronteerd met de publicatie van elektronische tijdschriften, die belangrijke investeringen qua hard- en software
vergen. Om een pakket van die tijdschriften t e kunnen aanbieden op de
werkplek van de wetenschappers en in de bibliotheken voor de studenten,
wordt in het kader van het VOWB (samenwerkingsverband van de Vlaamse
wetenschappelijke bibliotheken) het Elektron-project uitgewerkt met de steun
van de Vlaamse regering.
Er zijn thans ongeveer 3,5 miljoen boekdelen in de verschillende bibliotheken.
Het aantal documenten van de K.U.Leuven in de LIBIS-databank is gegroeid
t o t bijna 1,9 miljoen, zowat 53 % van het totaal (ca. 3,6 miljoen; de overige
47 % zijn van de andere netwerkbibliotheken). De cijfers van de lopende
abonnementen op tijdschriften zijn lichtjes gedaald, maar in het totaal blijven
er toch nog bijna 16 000. De aanvragen voor interbibliothecair leenverkeer
blijven stijgen en hebben in 1 9 9 6 bijna de kaap van 1 0 0 000 bereikt; 30 %
daarvan waren uitgaande vragen, 70 % kwamen van andere instellingen die
een beroep deden op ons bibliotheekbezit. Bibliotheekinstructie zit blijkbaar in
de lift: meer en meer worden bibliothecarissen actief bij het onderwijsproces
betrokken. Dit jaar werden nog meer dan anders voor gebruikers, bezoekers en
personeel allerlei rondleidingen, demonstraties, introducties en opleidingen
georganiseerd. In de centrale bibliotheek vonden ook dit jaar verschillende
tentoonstellingen plaats. 'Muzikale schatten uit de Leuvense Universiteitsbibliotheek' zette het 'Jaar van de Bibliotheek' in en ging gepaard met de presentatie van een driedelige cd. Een andere kreeg als titel: 'Van Croesus t o t
Keizer Karel: preciosa t o t circa 1550: een selectie uit de aanwinsten 19711996'.
Begin 1 9 9 6 is aangekondigd dat voor het bibliotheeksysteem DOBISILIBIS een
opvolgingsproduct werd gevonden in AMICUS, het nieuwe systeem van de
Nationale Bibliotheek van Canada, dat steunt op een volledig nieuwe technologie. Intussen werd de LIBIS-software echter nog voortdurend aan de nieuwe
noden aangepast: zo kan men de publiekscatalogus nu via Internet op het
World Wide Web raadplegen, is er een functie 'gecombineerd zoeken voor
gevorderden' toegevoegd en werd een nieuwe module voor interbibliothecaire
documentlevering in gebruik genomen. Ook naast LIBIS schrijdt de toepassing
van de informatietechnologie verder. Zo zijn in de bibliotheken meer en meer
cd-roms ter beschikking gekomen, niet alleen voor het eigen publiek, maar ook
voor de gebruikers van facultaire netwerken die via het KULnet verbonden zijn.
Er is ook heel wat energie gestoken in een optimaal aanbod van Internetfaciliteiten (o.m. Nederlandse catalogi en databanken van artikels), alsmede in
het aanmaken van CWIS (Campus Wide Information Systeml-pagina's die
beter informeren over de gebruiksmogelijkheden van de eigen bibliotheken en
met name hun referentiecollecties meer zullen laten renderen. In het kader van
het Elektron-project werkt de K.U.Leuven mee aan het opzetten van een elektronische documentatiepool en documentlevering voor Vlaanderen. Eind 1 9 9 6
is een ERL-server ter beschikking gesteld waarmee onderzoekers van de hele
Universiteit optimaal zullen kunnen zoeken in de 'Current contents' en andere
belangrijke databanken.
Het Universiteitsarchief zorgt voor de stoffering en de vormgeving van het
collectieve geheugen van onze universiteit. In de eerste plaats bewaart deze
dienst de documenten die de Universiteit in al haar geledingen (rector, algemeen beheer, centrale diensten, faculteiten) heeft ontvangen of opgemaakt.
Ook dit jaar zette de stijging van het aantal lezers zich voort. In de studiezaaltjes van het Universiteitsarchief kwamen ruim vijftienhonderd bezoekers
over de vloer.
De bestanden van het Universiteitsarchief groeien permanent aan. Om t e
beginnen door een soort natuurlijke drainage vanuit de door papier overwoekerde kantoren van universitaire diensten. In het kielzog van enkele professorenbibliotheken die de Universiteitsbibliotheek verwierf, vloeiden enkele
belangrijke archieven naar het Universiteitsarchief toe.
Het gaat o m de
wetenschappelijke nalatenschap van de archeoloog Louis Reekmans (192519921, van de mediëvist Jozef Maria de Smet (1916-1996) en van de romanist Raymond Pouilliart (1919-1995), die eigenlijk aan de UCL doceerde. Maar
ook van buiten de universiteit bereikten ons belangrijke schenkingen.
De
donateurs in kwestie voelen zich kennelijk aangetrokken door de renommee
van de Leuvense universiteit, zoals in het geval van de bekende Nederlandse
psychiater Jan Hendrik van den Berg (1914), de grondlegger van de zogenaamde metabletica, die daarover dit jaar nog een indrukwekkende reeks gastcolleges gaf aan de Faculteit Rechtsgeleerdheid. Andere donateurs wenden
zich na een leven van omzwervingen en velerlei activiteit t o t hun oude Alma
Mater.
De meeste tijd en aandacht ging evenwel naar de voorbereiding van een boek
en een tentoonstelling over de zogenaamde blinde hertog Louis Engelbert van
Arenberg (1750-1 820) die in de achttiende eeuw het wetenschappelijk onderzoek aan de universiteit begunstigde. Blikvanger op de tentoonstelling waren
de historische kostuums uit de Arenbergcollectie van de universiteit, die zeer
3.
Universiteitsarchief
minutieus werden gerestaureerd. De opening van de tentoonstelling over de
blinde hertog viel samen met de ingebruikneming van de heringerichte salons
in het Arenbergkasteel en met de uitreiking van de prestigieuze Arenbergprijs
voor cultuurgeschiedenis. Het geheel groeide uit t o t een bijzonder feestelijke
manifestatie.
Het Universiteitsarchief blijft zich op nationaal en internationaal vlak profileren
als promotor van het bedrijven van universiteitsgeschiedenis. Nationaal treedt
het op als penvoerder van de vereniging Studium generale. Deze interdisciplinaire en interuniversitaire werkgroep groepeert wetenschappers uit verspreide
disciplines: de leden houden zich bezig met institutionele of sociale geschiedenis, geschiedenis van de opvoedkunde, wetenschapsgeschiedenis, rechtsgeschiedenis, architectuur, enzovoort.
1.lCultuurbeoefening
1 .l.1 De ensembles
Het Universitair Symfonisch Orkest (USO), het Universitair Harmonie Orkest
(UHO) en het Leuvens Universitair Koor (LUK) hebben in hun jaarlijks universiteitsconcert blijk gegeven van een hoogstaande professionele werking. Dit
hebben ze t e danken aan de professionele leiding waaronder zij alle drie konden werken. Het symfonie-orkest werd geleid door Etienne Siebens, het harmonie orkest door Maurice Van Mechelen en het koor door Edwig Abrath.
Dank zij een degelijke leiding kunnen deze ensembles een hoog muzikaal
niveau bereiken. De Interfak Bigband staat nog steeds onder leiding van Bart
Preneel, wetenschappelijk medewerker aan ESAT.
Het USO bracht in maart een muzikaal veeleisend programma met werk van
Ives, Copland en de 9e symfonie van Dvorak. Het U H 0 liet zich opmerken
door een multimediaspektakel waarbij de muziek voor de film van 'Dances
w i t h Wolves' werd uitgevoerd onder vertoning van computerbeelden uit de
film.
Nieuw voor het symfonisch orkest was de oprichting (zomer 96) van het
Leuvens Alumni Orkest (LAO). De afgestudeerden binnen het orkest beslisten
namelijk hun plaats af t e staan aan jongere studentenmusici en besloten een
eigen kamerorkest op t e richten, dat administratieve steun krijgt van Alumni
Lovanienses. Door deze operatie kon het USO in oktober opstarten met een
voor het grootste deel vernieuwd en verjongd orkest.
Het USO en het U H 0 zijn voor hun werkingsmiddelen en betaling van de dirigenten aangewezen op de Cultuurcommissie, van wie ze een jaarlijkse dotatie
krijgen. Het koor en de bigband daarentegen zijn vzw's en krijgen een kleine
steun voor hun jaarlijks maart-concert.
1 .l .2Campustoneel
Campustoneel (vzw), een toneelvereniging voor studenten, personeel en
alumni, bracht in januari 9 6 'De bittere tranen van Petra von Kant'. In de loop
van het najaar werd gewerkt aan de productie 'De koning sterft' van lonesco.
In het kader van de Cultuurdag richtten zij een cursus 'initiatie acteren' alsook
een improvisatiecursus in.
1.1.3Subsidies van de Cultuurcommissie
De Cultuurcommissie steunde een aantal initiatieven waarbij de actieve
cultuurbeoefening bij studenten wordt aangesproken: Romania-toneel,
Germania Literaire Wedstrijd, Ithaka (Hedendaags kunstproject van Kultuurraad), 'lce' van Walter Verdin, opgezet door een aantal studenten van Culturele Studies.
1.2 Receptieve Cultuur
1.2.1UUR KULtUUR
Het UUR KULtUUR dat van oktober t o t maart op woensdagmiddag gratis
l.
Cultuur
EXTRA-CURRICULAIRE
ONTPLOOIINGSMOGELIJKHEDEN
wordt aangeboden heeft t o t doel een ruime waaier van cultureel hoogstaande
activiteiten aan te bieden o m studenten te kans t e geven met alle vormen van
cultuur in aanraking te komen. In het voorjaar werden voorstellingen geprogrammeerd in het teken van Gynaika, een Vlaams-Brussels project rond vrouw
en kunst. De concerten, zowel de klassieke als die rond jazz- en uitheemse
muziek kennen steeds de grootste bijval. Bekende musici en ensembles in het
klassieke genre waren de claveciniste Christine Wauters en de pianist Jan
Michiels en het Rubio strijkkwartet. Het gesprek met Aldo Rossi in januari
kende een enorme toeloop.
1.2.2 Cultuurdag
Voor de tweede maal (4 december '96) organiseerde de Cultuurcommissie een
Cultuurdag. M e t dit initiatief wil zij haar doelstellingen verduidelijken: een
gratis aanbod van hoogstaande cultuurvoorstellingen en steun aan de actieve
cultuurbeoefening. Deze keer werd een nauwe samenwerking aangegaan met
Kultuurraad voor de organisatie van workshops en cursussen. Deze werden
vanaf oktober georganiseerd in allerlei domeinen (muziek, dans, video, theater,...).
De Cultuurdag werd een platform en bood een toonmoment voor de
meeste van deze cursussen, terwijl andere cursussen op 3 december plaatsvonden (beeldhouwen, pottenbakken, theater-improvisatie, ...).
De dag startte o m 1 3 uur met 3 succesvolle simultane ULIR KULtUUR-voorstellingen. 's Namiddags en 's avonds werden 2 filmversies van het Othellodrama geconfronteerd, waarvan die van Orson Welles als slotvoorstelling in de
Pieter De Somer-aula plaatsvond. Deze voorstelling werd voorafgegaan door
de uitreiking van de Blanlin-Evrart-prijs, sinds die dag de K.U.Leuvencultuurprijs. Het betreft een prijs van 5 0 0 000 BEF (uit een legaat) die jaarlijks
aan een belangrijk kunstenaar of ensemble wordt overgemaakt ter bevordering
van de kunst in België. Hierbij komen verschillende disciplines aan bod
(muziek, podiumkunsten, architectuur, beeldende kunst...). De prijs werd uitgereikt aan het Ensemble Champ dlAction voor haar belangrijke, katalyserende
rol in het domein van de hedendaagse muziekontwikkeling in binnen- en
buitenland.
1.2.3 Orgel- en beiaardconcerten
In de reeks orgelconcerten waren Peter Pieters (organist van de St.-Romboutskathedraal t e Mechelen), samen met trompettist Rik Ghesquihre en Bernard
Foccroulle (directeur van de Muntschouwburg) te gast in april. Foccroulle
bracht een opmerkelijk en hoogstand programma op het 17e eeuwse Goltfuszorgel.
Op 7 november vond in samenwerking met de Leuvense Culturele Damesvereniging een concert plaats met organist Benjamin Steens en celliste Laetitia
Vauxion. Deze zeer jonge musici brachten een gevarieerd programma waarbij
gerefereerd werd aan de Leuvense historische muziek en ook die uit de universiteitsbibliotheek (Jaar van de Bibliotheek).
Ook de beiaard behoort t o t het cultureel patrimonium van de universiteit.
Sinds oktober werden de wekelijkse dinsdagbespelingen verzorgd door een
gastbeiaardier (Eddy Mariën, Jos D'hollander, Koen Van Assche en Carl Van
Eyndhoven), terwijl op vrijdagavond universiteitsbeiaardier LUC Rombouts concerteerde.
1.2.4 Door de Cultuurcommissie gesteunde projecten
Ongeveer 2 5 % van het budget van de Cultuurcommissie gaat naar subsidies
aan projecten die groeien vanuit de universitaire gemeenschap, van originaliteit
getuigen en van belang zijn voor een ruim publiek. Initiatieven waarbij de
actieve cultuurbeoefening wordt aangesproken, krijgen voorrang maar ook
initiatieven met een hoog cultureel gehalte die een belangrijke bijdrage leveren
aan het universitaire en Leuvens cultuurgebeuren. Dit jaar ging financiële
steun naar het Festival van Vlaanderen, Stuc- en Klapstuk-producties (Crash
Landing, Raimund Hoghe, Maten), de driedelige cd 'Muzikale schatten uit de
universiteitsbibliotheek', enz.
1.3 Cultuur buiten de werking van de Cultuurcommissie
1.3.1 Het Jaar van de Bibliotheek: cd Muzikale schatten uit de universiteitsbibliotheek
Naar aanleiding van het Jaar van de Bibliotheek werden de meest interessante
en nooit eerder opgenomen muzikale bronnen uit het universiteitsarchief op cd
vastgelegd in samenwerking met een heel aantal musici. Het werd een
verzameling van drie cd's De verkoop was een succes. De artistieke en coördinerende leiding lag in handen van Gilbert Huybens in samenwerking met de
afdeling Musicologie en de dienst Cultuurcoördinatie.
Rond deze cd groeide nog veel meer: een tentoonstelling, een concert, een
facsimile-uitgave van de preludia van M. Van Den Gheyn en een tijdschriftnummer van Musica Antiqua, volledig gewijd aan het muziekfonds.
1.3.2 Tentoonstellingen Stad-K.U.Leuven-Davidsfonds
In de reeks najaarstentoonstellingen van Stad-K.U.Leuven-Davidsfonds stond
dit najaar het 'ABC van het DNA, mens en erfelijkheid' op de affiche, inhoudelijk gerealiseerd door het Centrum voor Menselijke Erfelijkheid. Deze prestigieuze tentoonstellingen kennen een nationale uitstraling. De tentoonstelling
vond plaats in de Predikherenkerk van oktober t o t december.
1.3.3 Festival van Vlaanderen
In 1 9 9 6 vond de tweede editie plaats van het Festival van Vlaanderen-VlaamsBrabant met als hoofdthema muziek uit de 20e eeuw, aangevuld met een aantal repertoriumconcerten, waaronder het openingsconcert met de bariton W.
Holzmair die samen met T. Palm Die schöne Magelone van J. Brahms bracht.
Opmerkelijk was het zeer originele project Futuristengefahr dat plaatsvond op
de campus 'Toegepaste wetenschappen', afgerond met een concert door het
BRTN-filharmonisch Orkest in de NMBS-werkplaatsen met op het programma
werk van o.m. Honegger, Prokofiev en Stravinsky.
De studenten waren dankzij de prijsreductie talrijk aanwezig op de festivalconcerten. Het volledige festival-programma wordt financieel ondersteund
door de Cultuurcommissie.
1.3.4 Andere tentoonstellingen
Het KADOC, de Faculty Club, de universiteitsbibliotheek en de universitaire
ziekenhuizen richtten tentoonstellingen in van zeer uiteenlopende aard.
Opgemerkt waren in de universiteitsbibliotheek, 'Muzikale schatten uit de universiteitsbibliotheek' (n.a.v. het Jaar van de Bibliotheek), 'Van tekst naar
fotografie: de fotoroman, Marie Plissart', De blinde hertog van Arenberg en
zijn tijd: 1750-1820' en in het KADOC 'Sinterklaas in Vlaanderen'.
Naar aanleiding van de fotowedstrijd 'Student in close up', georganiseerd door
de studentendiensten, werden in december de geselecteerde foto's tentoongesteld in de faculteit ETEW.
1.3.5 STUC en Kultuurraad
Op artistiek vlak koos het STUC resoluut voor een geïntegreerde aanpak die
gericht is op de uitbouw van een atelierwerking en op de zoektocht naar raakpunten tussen de verschillende disciplines binnen de programmatie. Hierbij
werd in 1 9 9 6 systematisch een muziekluik toegevoegd aan de disciplines
theater, dans, film en video. In plaats van een continue programmatie werden
programmablokken geprogrammeerd die een inhoudelijke samenhang vertoonden over de disciplines heen. Met het atelier wil het STUC tegemoet
komen aan reële noden van kunstenaars, die behoefte hebben aan een structuur op maat. Het atelier is opgezet als een laboratorium, zonder een vrijblijvend karakter t e hebben: het verblijf moet leiden naar kwaliteit-op-termijn.
Ateliergasten waren Bart Meuleman (auteurlacteur), Franciska Lambrechts
(film), Johan Grimonprez (video) en Jeroen Olyslaegers (auteur).
De dansprogrammatie binnen het STUC wordt sinds '95 integraal door de zusterorganisatie KLAPSTUK verzorgd. In ' 9 6 - een overgangsjaar tussen twee
festivals - realiseerde Klapstuk residenties, co-producties, dansvoorstellingen
en workshops.
Workshops complementeren de receptieve en productieve STUC-werking: er
zijn inleidende cursussen, praktische workshops (voor jonge kunstenaars in
spe) en reflectieve cursussen.
De beslissing van de Minister van Cultuur o m voor het STUC een jaarlijkse
werkingstoelage toe t e kennen van slechts 1 3 mio BEF (juni 1996) veroorzaakte een fundamentele crisis die uiteindelijk leidde t o t het ontslag van de
hele artistieke ploeg.
Wat betreft het lopende infrastructuurdossier met betrekking t o t het Arenberginstituut werden in '96 de principiële overeenkomsten met de regionale partners (Stad, Provincie, K.U.Leuven) verder geconcretiseerd en werd verder
overlegd omtrent een participatie van de Vlaamse Gemeenschap. Er werd een
haalbaarheidsstudie uitgevoerd en een eerste globaal ruimtelijk concept uitgewerkt.
De Kultuurraad, een forum van geïnteresseerden en vertegenwoordigers van
alle faculteitskringen, realiseert specifiek student-gerichte activiteiten en probeert tegelijk in t e spelen op leemtes in het Leuvense culturele veld. Opnieuw
werd Ithaka georganiseerd als een parcours waarlangs een confrontatie met
hedendaagse kunst mogelijk wordt. Voor het eerste werd gekozen o m werk
t e tonen van studenten uit verschillende hogere kunstopleidingen. Daarnaast
realiseerde Kultuurraad een tentoonstelling met nieuw werk van het grafisch
collectief BILL (Belgian Illustrators).
2.
1p0t-t
De sportbeoefening blijft het Leuvens studentenpubliek sterk aanspreken.
Bewijs hiervan zijn de meer dan 1 3 000 sportkaarten en 2 5 000 dagkaarten
die werden aangeschaft. Een sportkaart of een dagsportkaart (geldig voor BBn
dag) is een allesdekkend pasje dat de studenten toelaat gebruik t e maken van
alle sportaccommodaties (terreinen, zalen, kleedkamers, stortbaden, enz.) van
het Universitair Sportcentrum, maar dat ook de kans geeft om, eveneens kosteloos, deel t e nemen aan de activiteiten die door het sportcomit6 georganiseerd worden.
Door een raamakkoord gesloten tussen de universiteit en de Leuvense hogescholen kunnen de studenten van de hogescholen onder dezelfde voorwaarden
de universitaire sportinfrastructuur gebruiken.
Voor personeel en studenten worden zowat vijftig verschillende sporten aangeboden, zowel op competitief als op recreatief vlak.
Op competitief vlak neemt K.U.Leuven in een 20-tal verschillende sporttakken
deel aan de Vlaamse en de Belgische universitaire competities. In de interuniversitaire competities is de K.U.Leuven zonder meer de primus inter pares.
Ook dit jaar behaalde de K.U,Leuven de meeste overwinningen, zowel op
Vlaams als op Belgisch vlak.
Naast deze interuniversitaire competities wordt
ook geregeld deel genomen aan buitenlandse wedstrijden.
Ook de recreatieve sporter komt ruimschoots aan zijn trekken. Een groep van
bekwame monitoren staat dagelijks van oktober tot april paraat om de studenten te initiëren en te begeleiden in hun favoriete sport. Deze vorm van
dienstverlening en uitnodiging tot actieve participatie is een unicum voor de
Vlaamse universiteiten en hogescholen en een meerwaarde die de K.U.Leuven
haar studenten aanbiedt. Vooral activiteiten die in het algemeen de 'fitness'
verbeteren, zoals aerobics en conditietraining genieten veel bijval. Dit omdat
deze activiteiten dagelijks klokvast zijn, een beperkte tijdsinvestering vragen
en de moeilijkheidsgraad individueel kan bepaald worden. Een andere voltreffer is het 'vrij zwemmen'. Door het toenemend aantal zwembeurten wordt de
verzadigingsgraad in het zwembad frequent bereikt.
Voor de gehandicapte sporters worden ook georganiseerde trainings- en begeleidingssessies gehouden.
Om hun collega-studenten ervan te overtuigen dat studie en sport best samengaan en dat het ook af en toe wat ludieker kan, organiseert Sportraad
Studenten K.U.Leuven V.Z.W., een studentenorganisatie waarbij de studenten
de touwtjes volledig zelf in handen hebben, een aantal massasportmanifestaties. Met enkele vrijgestelden en heel veel vrijwillige medewerkers slagen zij
er telkens in tijdens de gekende 'massasportklassiekers' heel wat studenten
op een ludieke manier te laten sporten. De meest gekende zijn: de Sporthappening, een introductiedag in verschillende sporten, de Vier Wielen Wheely,
een race met kwistaxen in het hartje van Leuven, de 24-uren aflossingsloop,
de Studentenmarathon, de Gasthuisbergtrophy, Sport Zonder Grenzen, het
recreatief badmintontornooi en de Interfacultaire Bekercompetities. De jaarlijkse activiteiten worden afgesloten met een degelijk georganiseerd Leuvens
Internationaal Studentensport Tornooi, LISST. De deelname van elf verschillende landen en 470 deelnemers zijn getuigen van het succes. Een vlotte
organisatie van al deze evenementen is alleen maar mogelijk dank zij de vlotte
samenwerking tussen Sportraad en het Sportcomité van de K.U.Leuven.
Tijdens de zomervakantie kunnen de inwoners van Leuven gebruik maken van
de sportinfrastructuur van het Universitair Sportcentrum (vooral de tennisvelden en het zwembad worden dan druk bezet). Door het organiseren van
omnisportkampen in juli en augustus krijgt de Leuvense jeugd de kans om zich
sportief te ontspannen en kennis te maken met voor hen minder gekende sporten.
K.U.Leuven Sportnieuws, een sportkrantje dat tweemaandelijks verschijnt,
informeert de studenten en alle personeelsleden over de uurregeling van de
verschillende activiteiten, de aankondiging van cursussen, de openingsuren
van het zwembad, enz., maar houdt ze ook op de hoogte van alle organisaties
via wedstrijd- en activiteitenverslagen.
De Universitaire parochie is één van de ruimten waar de K.U.Leuven, in de lijn
van haar opdrachtsverklaring 'een geestesklimaat schept dat de menselijke en
gelovige ontplooiing van de leden van de universitaire gemeenschap bevordert'. Zij ervaart trouwens in haar dagelijkse praktijk dat deze opdracht aansluit bij een duidelijke en vrij breed verspreide vraag naar zin en 'uit-zicht'.
Deze vraag neemt de meest verscheidene uitdrukkingsvormen aan, al dan niet
religieus gekleurd, met of zonder verwijzing naar de christelijke geloofstraditie.
Enerzijds speelt de werking van Universitaire parochie in op het brede veld van
deze 'zinzoekers'.
Anderzijds is het haar specifieke zorg een kerkgemeenschap op te bouwen waarin het christelijk geloof op actuele en levensnabije wijze handen en voeten krijgt: in gebed en liturgie, in geloofsvormingen verdieping, in gemeenschapsleven en dienstbare inzet. In de grote verscheidenheid van activiteiten en groepen wordt tegelijk de geleidelijkheid van
alle zoeken en groeien ernstig genomen en staat terzelfdertijd de zorg om een
duidelijk identiteit voorop.
Precies deze identiteit is voor velen de basis
waarop zij een open en breeddenkende opstelling in het universitaire milieu en
de brede samenleving kunnen realiseren.
3.
Uïii~€?ï~itaiï€2
parochie
EXTRA-CURHICULAIRE ONTPLOOIINGSMOGELIJKHEDEN
Aan het onthaal van de eerstejaarsstudenten blijven wij veel zorg besteden.
Tijdens zes vijfdaagse sessies in de maand september maakten 190 eerstejaarsstudenten kennis met elkaar, met Leuven en met de studentenparochie.
Deze groepen werden begeleid door in totaal 43 oudejaarsstudenten met
telkens één pastor. Zij worden daar langs een viertal vormingsavonden op
voorbereid. De deelnemers aan deze onthaaldagen komen ook i n de daaropvolgende maanden enkele keren samen.
De 'Uitpaknacht' - dit keer met 1 330 (betalende) deelnemers - was voor de
zevende keer een spetterend feest van ontmoeting en vriendschap. Het biedt
een veelheid aan informatie over wat de parochie en enkele aanverwante
groepen t e bieden hebben en is voor velen een instapmogelijkheid in allerlei
initiatieven en groepen.
Jona, de krant van de studentenparochie kan voor haar twaalf nummers rekenen op een ploeg van toegewijde en trouwe medewerkers, zowel voor redactiewerk, fotografie en correctie als voor opmaak en distributie. Met een
oplage van 6 0 0 0 exemplaren is Jona een vaste aanwezigheid in het Leuvense
krantenlandschap. De regelmatige rubriek Jona international in het Engels legt
een brug naar heel w a t buitenlandse studenten.
Voor een paar honderd studenten is de wekelijkse woensdagavondviering een
vaste afspraak, hoe moeilijk dit voor velen ook is omwille van lessen, labosessies en andere academische verplichtingen. Deze vieringen worden gedragen
door vele vrijwilligers die instaan voor voorbereiding en vormgeving, onthaal,
muzikale ondersteuning, klaarmaken van de broodmaaltijd achteraf enz.
Buitenstaanders die deze vieringen meemaken, drukken dikwijls hun verwondering uit over de ingetogen stilte en de eenvoudig directe geloofsuitdrukking
die er te beleven valt.
De vraag naar verdieping, bijbelse en liturgische vorming, die reeds enkele
jaren hoorbaar was, klinkt verder door. Zo waren dit jaar de traditionele startdagen in Dworp in hoofdzaak gewijd aan studie en uitwisseling over de liturgie. Voor een zestigtal deelnemers waren de uiteenzettingen en gedachtenwisselingen met verantwoordelijken in de jongerenpastoraal van andere bisdommen erg verrijkend. Het hele jaar werd trouwens verder doorgewerkt op
de in Dworp afgesproken oriëntaties.
Naast de wekelijkse eucharistievieringen in de Begijnhofkerk, komen er i n de
studentenparochie nog heel wat andere, kleinschaliger, liturgievieringen aan
bod. Zo zijn er de wekelijkse of tweewekelijkse samenkomsten van gebedsgroepen en van een grote Taizé-groep. Rond een kleine vaste kern blijven zich
voor het tweede opeenvolgende jaar studenten verzamelen o m elke maandag,
dinsdag of donderdag een vesperdienst t e zingen. Enkele vormingssessies
ondersteunden dit initiatief. Er was ook de jaarlijkse abdijweek tijdens de
kerstvakantie, dit keer in de abdij van Maredsous.
De tentoonstelling - mede met steun van de Cultuurcommissie - van de kruisweg van kunstschilder Armand Demeulemeester heeft niet alleen op de opening en tijdens de expositieweken in maart en april veel belangstellenden naar
de Begijnhofkerk gebracht. Deze, door het Davidsfonds ook in boekvorm
uitgegeven kruisweg was ook de aanleiding t o t verschillende liturgische
vieringen daarrond.
Ons solidariteitskoor Pati Pati is niet alleen voor zijn honderd leden maar voor
heel de parochie een enthousiaste en inhoudsvolle ervaring. De uitvoeringen
in de Begijnhofkerk (met 1 150 kaarten verkocht), maar ook in Zolder en
Ronse, waren de vrucht van stevige samenwerking en intense motivatie.
Twee weekends buiten Leuven en heel wat andere groepsactiviteiten, naast
de wekelijkse repetities, maken van het koor een echt gemeenschapsgebeuren, Vermeldenswaard is dat dit jaar uit Pati Pati een nieuw initiatief ontstond
dat ondersteuning verleent aan koorwerking bij jongeren in of buiten schoolverband in het kader van multicultureel kerkwerk, mundiale vorming en spiritualiteit. Dit initiatief, dat de naam Lisanga meekreeg, is een samenwerkingsverband van de jeugddienst van het bisdom Gent, Broederlijk Delen en de Uni-
versitaire parochie.
De 11 gemeenschapshuizen, samen goed voor 1 2 2 studenten, zijn vaste
waarden in onze werking. Binnen een gemeenschappelijk Up-kader en een
traditioneel programma van gemeenschappelijk kotleven, samenkomsten,
kotweekend, vormingsavonden, gebed of bezinning heeft ieder huis een eigen
profiel. Zo concentreerde een huis zich op het thema ecospiritualiteit en organiseerde daarrond voor een ruimer publiek een zestal avonden over ecospiritualiteit vanuit Oud en Nieuw Testament.
In het vorig jaarverslag werd uitvoeriger ingegaan op de werking met buitenlandse studenten. Naast de bloeiende engelstalige en franstalige zondagsvieringen waarrond zich een eigen gemeenschap heeft gevormd, blijven wij
werken voor alles w a t integratie ten goede komt. Goede steunpunten daarvoor zijn: de gemeenschapshuizen, het Pati Pati koor, Jona, het Steunfonds
voor buitenlandse studenten met de speelpleinactie voor hun kinderen.
Pastoraal werk laat zich voor het overgrote deel niet vatten in een lijst van
activiteiten. Het gaat er n u eenmaal in hoofdzaak o m een langzame gemeenschapsopbouw en een aandachtige aanwezigheid bij wat zich verwacht of
onverwacht in het leven van mensen aandient. Een zeer groot deel van de
agenda van de pastors is gewijd aan allerlei vormen van begeleiding, opvang,
vriendschappelijke nabijheid. Bijzondere zorg wordt besteed aan de rouwbegeleiding bij het overlijden van studenten. Ook voor de medestudenten zijn
het telkens hevige confrontaties met de diepste zinsvragen. De gedachtenisviering voor de in het afgelopen jaar overleden studenten, waarop ook ouders
en familie aanwezig zijn, is telkens weer een aangrijpende gebeurtenis. Wij
zijn bijzonder dankbaar voor de steun en nauwe samenwerking die wij voor dat
alles vanwege de overheid mogen ondervinden.
Vele andere domeinen van de werking kunnen in dit bestek niet aan de orde
komen. De gewone werking van tientallen groepen, de werking rond adventen vastentijd met de acties rond Welzijnszorg en Broederlijk Delen, de pastoraal rond huwelijk (84 dit jaar), doop, vormsel, enz.
Naast de studentenwerking is er de uitgebreide gemeenschap, hoofdzakelijk
samengesteld uit personeelsleden van de universiteit, die in de zaterdag- en
zondagsvieringen haar verankeringsplaats heeft. Tientallen vrijwilligers zorgen
er voor de coördinatie, de liturgie met koor en orgel, het onthaal, de kindernevendiensten, de werking met 12-15 jarigen.
Twee keer werd voor de
gemeenschap een succesvol parochiefeest georganiseerd. De vastenwerking
kreeg, onder meer door de organisatie van een vastenweekend, een nieuwe
impuls. En speciale cyclus van drie zondagen rond de figuur van Jacob werd
gedegen voorbereid en uitgewerkt. Een groep vrouwen staat sinds dat jaar in
voor het voorgaan in de woorddienst van ene reeks vieringen.
K.U.Leuven Campus Kortrijk
De KULAK blijft een kleine universitaire campus, alhoewel de werving van
generatiestudenten bijzonder succesvol verlopen is. De studentenaantallen
vindt men in de tabellen bij het Onderwijsverslag onder punt 5. Gegevens over
studenten.
1.
Algemeen
De KULAK kent sedert 1 9 9 4 een beperkte vorm van budgettaire autonomie,
geruggesteund door het zogenaamd allocatiemodel dat de financiële subsidiariteit van de KULAK en de Leuvense Faculteiten wenst t e promoveren.
Voor een kleine campus echter, die een gevarieerd palet van studierichtingen
aanbiedt en daarvoor veel beroep moet doen op dienstverlening uit de moederfaculteiten, creëert dit een moeilijke situatie. Het is voor de KLILAK van
levensbelang dat een optimale bezetting van sleuteldisciplines door residenten
gewaarborgd blijft. De budgettaire ruimte echter om de nodige profielvacatures te openen, is bijzonder krap en dreigt, bij overbenutting, de werkingskredieten aan t e vreten.
Zoals voordien blijft onze Campus een bijzondere aandacht besteden aan het
onderwijs en meer bepaald aan de opvang en de begeleiding van de eerstejaars. Ook w a t betreft onderzoek en dienstverlening heeft de Campus Kortrijk
in het voorbije academiejaar een grote vooruitgang geboekt. In het Interdisciplinair Research-Centrum (IRC) noteert men vooral de succesvolle verwerving
van extra-universitaire fondsen en mandaten. Deze laatste vertegenwoordigen
een bijkomende tewerkstelling van een 10-tal hooggeschoolde medewerkers.
Het Provinciebestuur heeft, van zijn kant, het initiatief genomen o m een Cel
voor het Hoger Onderwijs in West-Vlaanderen op t e richten, en door bemiddeling van het Eekhoutcentrum werden afspraken gemaakt tussen de Campus
Kortrijk en de Hogescholen van de katholieke zuil om de nascholing in WestVlaanderen gezamenlijk en in onderlinge afspraak t e verzorgen.
Het Postuniversitair Centrum, dat in 1 9 7 6 t e Brugge was opgericht als het
Centrum voor Hoger Onderwijs, heeft in 1985 zijn huidige naam verworven.
In afspraak met de oorspronkelijke initiatiefnemers werd het postuniversitair
onderwijs in het organigram van de Campus Kortrijk geïncorporeerd als een
rectorale dienst, terwijl de oorspronkelijke vzw, met zetel t e Brugge, omgedoopt werd t o t Domus Lovaniensis met als opdracht (1) het postuniversitair
onderwijs in West-Vlaanderen t e stimuleren, (2) de alumni-werking ten
behoeve van de K.U.Leuven en de KULAK-alumni ter harte t e nemen en (3) de
mecenaatswerking ten voordele van de Campus Kortrijk t e kanaliseren.
Het Impulscentrum voor Onderwijsvernieuwing is een gemeenschappelijk initiatief van de KULAK en de Kortrijkse Campus van de Katholieke Hogeschool
Zuid-West-Vlaanderen (KATHO) en werd opgestart in april 1996. Van KULAKzijde werd hiervoor een halftijds ATP-lid met academische vorming ter beschikking gesteld. Nu is dit centrum op kruissnelheid gekomen o.a. door de
installatie van een stuur- en een werkgroep. Verschillende activiteiten werden
op t o u w gezet, waaronder een studiedag, t e Kortrijk en t e Tielt, over de
ontwikkeling van Zelfstudiemateriaal;
deelname aan een Symposium over
projectgestuurd onderwijs t e Maastricht; bezoek aan een paar centra voor
Zelfstudie. Een website werd ingericht en een informatieblad uitgegeven.
Het doel van de Dienst voor Studie-advies kan in de meest algemene termen
omschreven worden als het helpen creëren van optimale kansen voor de studenten zodat ze hun eigen studieproject kunnen waarmaken. Concreet valt dit
uiteen in een aantal taken. Ten eerste is er de ondersteuning van de overgang
van het secundair naar het hoger onderwijs, ten tweede is er de begeleiding
van de studenten zelf (hoofdzakelijk eerste kandidatuur), ten derde is er de
opvolging van een aantal evoluties (inschrijvingen, slaagpercentages, doorstroming, ...). Om de overgang tussen secundair en hoger onderwijs t e helpen
bevorderen, is er eerst en vooral correcte en volledige informatie over het
studieaanbod nodig.
Dit gebeurt via onze aanwezigheid op de studie- en in-
2.
Dienst
Studie-advies
formatiedagen die vanaf dit jaar provinciaal werden georganiseerd door de
PMS-centra en het departement onderwijs. De KULAK was aanwezig in Gent
en in Roeselare en beperkt ook in Leuven, steeds in samenwerking met de
K.U.Leuven. Verder is er de eigen infodag en het ingaan op individuele vragen
van ouders en leerlingen. Via deelname aan studiedagen, contacten met PMScentra en in samenwerking met de Dienst voor Studie-advies in Leuven wordt
het keuzeproces ook inzichtelijk verder uitgediept.
De begeleiding van de eerstekandidatuursstudenten richt zich op de ondersteuning van de evolutie van 'leerlingen' naar 'studenten'.
De specifieke
invalshoek is steeds de studie. De begeleiding staat open voor alle studenten,
het aanbod is vrij. Er zijn twee grote sporen in het aanbod, die complementair
zijn; enerzijds is er de begeleiding door docenten, assistenten en monitoren,
anderzijds is er de begeleiding door de Dienst voor Studie-advies. Dit laatste is
specifiek vakoverstijgend. In de periode eind oktober - eind mei kwam een
kleine 1 0 % van de eerste kandidatuursstudenten langs op de dienst. Ongeveer de helft van de vragen heeft te maken met het studeren zelf, een kwart
met heroriëntering of het stopzetten van de studies, daarnaast is ongeveer 115
van de problemen eerder van psychische of relationele aard. De begeleiding
gebeurde steeds individueel. De Dienst voor Studie-advies wil ernaar streven
om de begeleiding uit te bouwen op basis van een zo groot mogelijke samenwerking. Er wordt momenteel een stijgende mate van doorverwijzing vastgesteld tussen de monitoren en docenten enerzijds en de Dienst voor Studieadvies anderzijds.
3.
Vorming
3.1 Postuniversitair Centrum West-Vlaanderen
- KULAK
Aan de K.U.Leuven Campus Kortrijk wordt de permanente vorming niet per
facultaire groep georganiseerd, maar door een rectorale dienst: het Postuniversitair Centrum West-Vlaanderen - KULAK.
Het PUC organiseerde tijdens h e t academiejaar 1995-96 7 1 verschillende UPVprogramma's in de vakgebieden recht, economie, vastgoedkunde, wetenschappen en toegepaste wetenschappen, geneeskunde en aanverwante
wetenschappen, cultuurwetenschappen, gedrags- en sociale wetenschappen.
5 1 4 5 deelnemers schreven hiervoor in. Iets minder dan 2 0 0 verschillende
lesgevers verzorgden 1 1 2 2 uren les. De inschrijfprijs varieerde van 2 0 0 BEF
voor een avondvoordracht in de culturele sector (anderhalf uur) t o t 9 0 0 0 0
BEF voor een postuniversitaire opleiding vastgoedkunde ( 2 2 0 uren).
Daarnaast werkte de staf actief mee aan een aantal programma's van het
Eekhoutcentrum (dat navorming voor de onderwijssector organiseert), werden
colloquia en niet-professioneel gerichte U.P.V.-lessenreeksen aangeboden, en
kregen een aantal verwante initiatieven ondersteuning.
Samenwerking met de U.P.V.-dienst te Leuven en met LINOV heeft geleid t o t
een aantal succesvolle programma's die simultaan in Leuven en in Kortrijk
plaatsvonden (o.m. voor juristen, ziekenhuisgeneesheren). Dit was telkens
mogelijk door middel van een interactieve videoconferentie.
De communicatietechnologie speelde ook een belangrijke rol in een internationaal symposium dat werd gehouden in het kader van het Europees Jaar voor
Levenslang Leren. Daarbij werd niet alleen ter plaatse gedebatteerd over de
gevolgen van deze evolutie op onderwijskundig vlak, maar kwam er ook via
een videoconferentie een actieve inbreng vanuit Dublin, Milaan en Porto.
Voor tal van programma's werd samengewerkt met de hogescholen uit de
provincie, met beroepsverenigingen, bedrijven en organisaties. Op die wijze
ontstaat telkens een vruchtbare wisselwerking tussen de wetenschappelijke
kennis en de ervaring, de vragen en problemen die leven in de professionele
praktijk.
3.2 Eekhoutcentrum. Didactisch Pedagogisch Centrum
In 1995-96 organiseerde het Eekhoutcentrum bijscholing voor 6 8 0 0 leraren,
PMS-medewerkers en onderwijsdirecties van alle onderwijsniveaus. Veelal
gaat het o m studienamiddagen over heel concrete, met de klaspraktijk verbonden onderwerpen. leder jaar zijn er ook een aantal erg geslaagde studiedagen
waar de nadruk ligt op uitwisseling van ervaringen en leermaterialen: de dag
van het Nederlands, de dag van de classici, de dag van de docent hoger
onderwijs, de wiskundebeurs enz. Een nieuwe ontwikkeling is de succesvolle
organisatie van drie langlopende cursussen voor onderwijzend personeel van
het basisonderwijs: Creatief bewegen met kinderen, Metend rekenen en
Educatief computergebruik.
3.3 EuroStudieCentrum Open universiteit
In de eerste plaats verzorgt het ESC Open universiteit de dienstverlening aan
mensen die zelfstudiecursussen volgen van de Nederlandse Open universiteit.
De volledige studiecyclus wordt vanuit het studiecentrum opgevolgd : werving
van studenten, administratie, organiseren van studiebegeleiding, tentaminering, curriculumsturing, scriptiebegeleiding ... Elk jaar worden een aantal
cursussen met groepsbegeleiding aangeboden.
Het ESC Open universiteit werkt actief mee aan de werking van het
Impulscentrum voor onderwijsvernieuwing, een samenwerkingsverband van de
KULAK met de naburige hogeschool KATHO.
De Europese dimensie werd ruimschoots ingevuld door deelname aan de ESC's
Managers Conference in Parijs (oktober); door de participatie in een projectgroep Open- en afstandsleren in de Euregio Scheldemond met Zeeland, WestVlaanderen en Oost-Vlaanderen; door de voorbereiding van een project Scholing toerisme Zeeland - Vlaanderen, en de voorbereiding van een cursusontwikkelingsproject rondom de cd-l 'Materialen interactief'.
Tenslotte is het ESC Open universiteit een actieve partner in het WIRE-project
van de EADTU (European Association of Distance Teaching Universities).
WIRE is een haalbaarheidsstudie over het aanbieden en ontwikkelen van Europese zelfstudiecursussen via ISDN-breedband-technologie (netwerken, videoconferentie, Internet,. ..).
Op een studiedag met de naam Bibliotheeklink in november 1 9 9 6 bespraken
bibliothecarissen en informatici van de K.U.Leuven de bijzondere kansen en de
bijzondere problemen die de Campus Kortrijk heeft op het vlak van nieuwe
bibliotheektechnologieën. Twee punten stonden centraal tijdens het academiejaar' 1996-1997: de creatie van een nieuwe didactische omgeving en de
computerverbinding met Leuven. De bibliotheek, van oudsher een labo van
zelfwerkzaamheid, kan zich profileren als een van de draaischijven voor de
huidige onderwijsvernieuwing.
In de splinternieuwe computerklas werd
uitgebreide ervaring opgedaan met instructiesessies en hands-on-lessen. De
studenten leerden kritisch omspringen met catalogi, bibliografische databanken
en andere informatie op cd-rom en op Internet, en leerden de gegevens
creatief verwerken en deskundig rapporteren. De organisatie van dergelijke
lessenreeksen vraagt grote technische zorgen. Met name werd veel geëxperimenteerd met cd-rom's in netwerk. De connectie met Leuven bleef daarbij
een zwak punt. Dit academiejaar tekent zich echter gerechtvaardigde hoop af
dat ook hierin verbetering komt. Verder wordt binnenkort, volledig parallel
met de genoemde computerklas, een geheel van nieuwe computers geïnstalleerd in de bibliotheek zelf. Bij dit alles werd ook de traditionele bibliotheekwerking geconsolideerd en verder uitgebouwd.
De meerdisciplinaire
collectie blijft bijvoorbeeld zorgen voor 1 2 2 6 ingeschreven gebruikers en
1 8 227 uitleningen, en voor een druk interbibliothecair leenverkeer. Op de
eerste verdieping greep een ontdubbeling en herinrichting plaats van de
archiefkamer en van de kostbare drukken-ruimte. Ten slotte wordt hier ook
het bredere engagement aangestipt van het bibliotheekteam in verband met
cultuur- en tentoonstellingsinitiatieven, en in verband met tijdschriftredactie en
onthaal van buitenlandse gasten.
4.
Bibliotheek
5.
Informaticabeleid
5.1 Algemeen
Voor KULAK werd 1 9 9 6 op informaticavlak (zowel beleidsmatig als uitrustingsmatig) een jaar van voortdurende beweging en vernieuwing. De aanpassing van de statuten van de InformaticaBeleidscommiccie, de aanwerving
van een netwerkbeheerder en de veralgemeende uitbouw van de studentennetwerktoegang zijn belangrijke punten. De plannen om een inbelserver te
voorzien, een aanvang te maken met de bekabeling en de informatica-ontsluiting van studentenresidenties en een meer intensieve uitbouw van diverse
opleidingsinitiatieven informatica voor het personeel vullen dit geheel aan.
5.2 De voornaamste realisaties
5.2.1 Vernieuwing van de PC-klas, veralgemeende studentenregistratie
Er wordt een aanvang gemaakt met de vernieuwing en herconcipiëring van de
PC-klas. Voor de vervanging van de zowel qua apparatuur als qua concept
verouderde PC klas wordt een nieuwe uitrusting voorzien.
Voortaan kunnen alle studenten over een gepersonaliseerd E-mail adres, en
over bijhorende netwerkfaciliteiten beschikken (zoals geregistreerde toegang
t o t netwerkprinters en INTERNET toegang). Eind 1 9 9 6 kan vastgesteld
worden dat ongeveer 5 0 0 studenten (d.w.z. 58 % van de KULAK populatie)
ook daadwerkelijk regelmatig actief zijn op de KULAKnet apparatuur.
Het opstartbudget van de PC-klas laat toe de klas-PC's van de courante
burotica- en netwerksoftware te voorzien. De verschillende subfaculteiten
breiden de voor didactische toepassingen beschikbare software op eigen kosten uit, zodat eind 1 9 9 6 kan gesteld worden dat KULAK over een operationele, hedendaagse en open (dagelijks van 1 0 u 's morgens t o t 1 0 u 's avonds)
PC-infrastructuur voor haar studenten beschikt.
5.2.2 Toenemende netwerkfaciliteiten voor personeel, studenten en gasten.
De reeds aangevatte expansie van het KULAKnet wordt in 1996, ook voor de
personeelsleden, krachtig doorgezet (45 % stijging van de aan KULAKnet
aangesloten PC's).
5.3 Beleidsopties, plannen en knelpunten.
5.3.1 Het veralgemenen en volhouden van opleidingsinitiatieven.
Ondanks de toegenomen connectiviteit kan niet ontkend worden dat de
'operationele werkzaamheid' van heel wat personeelsleden (alle geledingen)
vaak nog te wensen overlaat. De Commissie InformaticaBeleid ziet het bijgevolg als één van haar belangrijke taken o m op een volgehouden manier en met
zin voor diversificatie aan de opleiding van de personeelsleden t e werken
5.3.2 Het verder verspreiden van PC-gebruik en KULAKnet-toegang voor studenten
Vrijwel de enige plaatsen waar de studenten momenteel computerfaciliteiten
met netwerktoegang hebben, zijn de Terminalklas (X-terminals) en de vernieuwde PC-klas. De nieuwere omgeving van de PC-klas en het beter bekende
uitbatingssysteem (Windows 9 5 versus Unix en X-Windows) maken dat de
PC-klas veruit de grootste aantrekkingskracht geniet. Over de periode november 1996-maart 1 9 9 7 evolueert het aantal studenten-inlogsessies in de PC-
klas van 2 500 tot meer dan 3 800 per maand, Hierbij zijn de steeds maar
talrijker wordende sessies voor navorming en gebruik door derden van de PC-
klas niet verrekend.
Het plaatsen van een inbelserver, zodat KULAKnet- (en K.U.Leuvennet-) toegang van thuis uit mogelijk wordt voor zowel personeelsleden als studenten
die een PC met modem ter beschikking hebben, liet in 1996 nog even op zich
wachten.
Er wordt bij voorrang gestreefd om de studentenresidenties op de campus,
met name het Studentenhuis, De Groene Mote en het Studentendorp voor
netwerktoegang te ontsluiten. In een voorbereidende fase werd dit jaar reeds
een glasvezelkabel geplaatst die het Hoofgebouw verbindt met De Groene
Mote en het Studentenhuis. Om deze verbinding operationeel te kunnen
maken werd een uitbreiding van de KULnet router voorzien, zodat, althans
voor het Studentenhuis, samen met de algemene verbouwingswerken, tegen
het begin van het academiejaar 1997-1998 de eerste netwerk-PC's kunnen
opgesteld worden. Zo werkt KULAK gestaag aan een eigen KOTnet.
5.3.3 De problematiek van de verbinding KLILAK-K.U.Leuven en de uitbouw
van KULAK-INTRANET
Toch moet voor KULAK met bijzondere aandacht het knelpunt van de verbinding KULAK-K.U.Leuven aangestipt worden. De toenemende behoefte aan
werken met geïntegreerde (multimedia e.a.) toepassingen langsheen een
netwerkverbinding en de versterkte uitbouw van INTRANET-toepassingen vergen van de academische overheid te Leuven en te Kortrijk een bijzondere
aandacht voor deze situatie. Kosten-batenstudies hierover zullen worden uitgevoerd.
Het gepresteerde werk binnen het IRC evolueerde tijdens het afgelopen jaar
verder in crescendo. Dit weerspiegelde zich o.a. duidelijk in het stijgend aantal publicaties in internationaal gerenommeerde, wetenschappelijke tijdschriften. Nauw hiermee verbonden konden ook de extra-universitaire, financiële
middelen verhoogd worden, waardoor naast het opkrikken van de werkingsen uitrustingsmiddelen, eveneens het personeelsbestand kon uitgebreid worden. Er lopen momenteel 1 1 mandaten op extra-facultaire fondsen, op een
totale staf van 46 personen.
6.
Interdisciplinair
Research
Centrum
Omdat het IRC, hoe dan ook, beperkt in omvang is, bleef de tendens duidelijk
merkbaar om ons te blijven concentreren op een beperkt aantal, welomlijnde
researchtopics die voldoende originaliteit in zich dragen en die een grotere
toegevoegde waarde krijgen door het smeden van samenwerkingsverbanden
met performante onderzoekseenheden, zowel binnen de Leuvense Alma Mater
als erbuiten.
Een ander belangrijk aspect betrof de verhouding fundamenteel - toegepast
onderzoek. Ofschoon de hoofdmoot van het onderzoek dat aan het IRC
bedreven wordt, zich - om historische redenen - in fundamentele richting
ontwikkeld heeft, werd constant en doelbewust gezocht naar mogelijke praktische toepassingen die uit sommige onderzoekstopics kunnen voortvloeien.
De opportuniteiten die zich eventueel aandienen naar aanleiding van het
oprichten van het nabijgelegen Incubatie- en Innovatiecentrum en het
Researchpark, waarbij het IRC overigens nauw betrokken is, zullen nauwlettend in het oog gehouden worden.
Het Comité van Beheer zocht samen met de Interfacultaire Raad naar concrete
acties voor een betere profilering van de KULAK en het op peil houden van de
studentenaantallen.
Voor de aanleg van een park omsloten door het
Researchpark en de KULAK sloot het Comité van Beheer een erfpachtovereenkomst met de Stad Kortrijk. Een ander belangrijk aandachtspunt was een
vriendelijk en efficiënt onthaal op de KULAK en de verbetering van de communicatie; dit resulteerde o.m. in een nieuwe bewegwijzering en in de installatie van op afstand te bedienen infoschermen.
7.
*lgemeen
Beheer
Het ATP-personeelsbestand breidde uit met een informaticus en een verantwoordelijke voor studie-advies. De opleiding van het personeel had vooral
betrekking op de toepassing van nieuwe communicatietechnologieën, het
gebruik van nieuwe softwarepakketten, de implementering van een nieuw
boekhoudpakket en de nieuwe reglementering op de overheidsopdrachten.
Het Algemeen Beheer zocht naar een nieuwe formule voor de uitbating van
het studentenrestaurant en sloot bij wijze van proef een samenwerkingsovereenkomst af met de v.z.w. Alma universiteitsrestaurants en met de NV
Sodexho en de NV Resco. Het Comité van Beheer zette tevens het licht op
groen voor een renovatieplan van het Studentencentrum met de bedoeling dit
centrum opnieuw t e promoten als dé ontmoetingsplaats op de Campus.
De werkingsmiddelen toegekend vanuit Leuven waren globaal lager dan vorig
jaar. De toelage voor de algemene diensten bleef op het peil van 1 9 9 5 zodat
evenals vorig jaar de reserves moesten worden aangewend o m de recurrente
uitgaven t e financieren. Bovendien werden t w e e projecten van groot onderhoud, namelijk de vernieuwing van de buitenverlichting en de nieuwe
bewegwijzering, met reserves gefinancierd. De facultaire toelage lag 1 0 %
lager dan in 1995. Dankzij de opbouw van personeelssaldi door het onbezet
laten van mandaten en het goed beheer van deze saldi konden de faculteiten
hun bestedingsniveau in 1 9 9 6 toch op peil houden.
8.
Studentenvoorzieningen
8.1 Sociale sector
De studentenhomes waren volledig verhuurd en er was nog een kleine wachtlijst.
In het studentenrestaurant werd geëxperimenteerd met vacuüm-voorbereid
voedsel, toegeleverd door Alma Leuven (volgens contract met Sodexho, de
restauranthouder). Tijdens een eerste moeilijke periode, viel het restaurantbezoek duidelijk terug. Nadien werd er een duidelijke verbetering vastgesteld,
doch het aantal maaltijden nam niet meer evenredig toe. Men verhoopt dat
volgend jaar, na de vernieuwing van de keuken en het restaurant, het aantal
maaltijden weer het normale peil zal bereiken.
Er werden zoals vorige jaren, heel w a t inspanningen gedaan o m het cultureel
en sociaal studentenleven t e betoelagen. Dit is duidelijk prioritair voor de
KULAK, die hierdoor de weinig talrijke private initiatieven van de stad kan helpen aanvullen.
8.2 Sociaal-cultureel leven
Naar aloude traditie bloeide het sociaal-culturele leven op de campus rijk. De
participatie van de studenten aan debatten allerhande, filmvoorstellingen,
muziekuitvoeringen, voordracht, gezamenlijk kerstfeest, enz... was hoog. De
deelname aan de contactdagen net voor de opening van het academisch jaar
was quasi 1 0 0 %. Dankzij de inspanningen van het presidium stond ook het
studentikoze ontspanningsleven op een hoog niveau, zowel qua organisatie als
qua deelname.
De KULAK-studenten speelden een belangrijke rol in de
organisatie van de eerste uitgave van Kortrijk studentenstad, waarbij in
samenwerking met het HOBU een poging gedaan werd o m een traditie op te
starten waarbij de stad meer betrokken wordt bij het studentenleven.
Het intense contact tussen de studenten onderling (zeker en vooral tussen de
verschillende faculteiten) werkt zeer bevorderlijk voor de open geest die
binnen de KULAK-studentenpopulatie waait. Ook de frequente persoonlijke
contacten tussen studenten en docenten was eens te meer één van de
belangrijkste kenmerken van het sociale leven op de campus.
1 9 9 6 was voor de universitaire parochie een moeilijk jaar door een vervanging
van de pastorale begeleiding.
9.
Universitaire
1 6 6 nieuwe studenten (meer dan een derde van de nieuwe generatie studen-.
ten1 namen deel aan de ontmoetingsdagen in Anseremme.
parochie
De wekelijkse broodmaaltijd mocht rekenen op een gemiddelde van 8 0 studenten. De opbrengst van deze broodmaaltijd gaat naar oud-studenten die werken in de derde wereld.
Tot grote tevredenheid van de betrokkenen kenden de werkgroepen
(gehandicapten, bejaarden, kinderen, wereldwinkel) een zeer goede werking.
De avondactiviteiten kenden naast ontspannende activiteiten (zeewandeling,
dropping) sterke inhouden (voordrachten over incest, liefde en seksualiteit,
vierde wereld, Ecuador...). Het waren vaak oud-studenten die de voordrachten gaven. Op oudejaarsavond werd de draad opnieuw opgenomen. Voor de
achttiende keer werd een feest voor eenzamen ingericht. 1 6 0 mensen hebben
de snijdende kou getrotseerd o m die gezellige avond t e kunnen meemaken.
De deelname aan de wekelijkse eucharistieviering lag echter aan de lage kant.
De inzet van de jeugdige, vrouwelijke pastor heeft wel het beeld van de
parochie aantrekkelijker gemaakt.
Universitaire Ziekenhuizen
In 1996 heeft het Beheerscomité van de U.Z. K.U.Leuven bijzondere aandacht gehad voor de taak en de positie van de U.Z.Leuven in een sterk wijzigende omgeving.
De door de overheid opgelegde rationalisering in de
gezondheidssector in het algemeen en in de ziekenhuissector in het bijzonder
vergroot de nood o m t o t een juiste omschrijving en correcte financieringsregels t e komen voor de universitaire ziekenhuizen.
In die zin heeft het beheerscomité, mede met het oog op verdere onderhandelingen samen met andere universitaire ziekenhuizen met de overheid, bijzondere aandacht besteed aan de uitwerking van een nieuwe definitie inzake
universitaire ziekenhuizen en van de respectieve opdrachten van het universitair ziekenhuis, universitaire ziekenhuisdiensten en geaffilieerde ziekenhuizen.
Drie nieuwe directies op medisch vlak werden ingevoerd, met name de directie
medische zaken, de directie medische beleidsvoorbereiding en de directe
beleidsvoorbereidingen, gezondheidszorgstructuren en ziekteverzekering.
Voorts werd een Permanente Overlegcommissie K.U.Leuven-U.Z.Leuven
opgericht. Aan de Raad van beheer werden voorstellen ter goedkeuring voorgelegd inzake de samenstelling en de werking van het beheerscomité.
Al deze hier vermelde herstructureringen moeten het voor de U.Z.Leuven mogelijk maken de uitdagingen die ontstaan hoofdzakelijk door fundamentele
wijzigingen in de gezondheidszorg en door de overheidsmaatregelen inzake
ziekenhuisfinanciering, beter t e kunnen aangaan.
Naar aanleiding van wijzigingen in de reglementering inzake het Ethisch Comité
werd de samenstelling van het Ethisch Comité van de U.Z.Leuven aangepast.
Voor de vaste medische staf werd een regeling uitgewerkt voor verlof en
afwezigheid voor deelname aan congressen.
Voor de geneesheren-specialisten in opleiding werd een wijziging van statuut
goedgekeurd. Het betreft specifieke maatregelen inzake moederschapsbescherming, de verloning en de arbeidstijd. Tevens werd een nieuw reglement
inzake de wachtvergoeding uitgewerkt.
Er werd overgegaan t o t de instelling
medewerker. Het is bedoeld voor
takenpakket. Essentieel is dat deze
ten, uitsluitend binnen de U.Z.Leuven
van een statuut van geneesheer-klinisch
deeltijdse stafleden met een specifiek
stafleden, in tegenstelling t o t consulenmedische activiteiten mogen verrichten.
Specifieke aandacht is eveneens besteed aan een globaal overzicht van de
vele initiatieven binnen de U.Z.Leuven op het vlak van medisch kwaliteitsbeleid. Het is de taak van een universitair ziekenhuis op substantiële wijze mee
t e werken aan het ontwerpen van modellen van medische kwaliteitscontrole,
en in die zin wordt vanuit de U.Z.Leuven sterk geparticipeerd in de BIOMEDkwaliteitsprojecten in het kader van de 'Concerted Action Program on Quality
Assurance in Hospitals'.
In 1996 is het aanbod van organen voor transplantatie gedaald, w a t zijn
invloed heeft op het transplantatieprogramma. Aan de Raad voor Transplantatie werd gevraagd een meerjarenplan op t e stellen inzake de verdere ontwikkeling en uitbouw van het transplantatiegebeuren. Tevens werd beslist over
t e gaan t o t de oprichting van een autonome afdeling transplantatiechirurgie,
met als opdracht de coördinatie van de prelevatie van organen en de transplantatie van lever, pancreas en nieren.
Naar aanleiding van het in uitvoering zijnde herstructureringsproces van het
Universitair Psychiatrisch Centrum Salve Mater Lovenjoel, werden in overleg
met de personeelsafgevaardigden, voorstellen goedgekeurd inzake het toe te
kennen personeelsstatuut, dit op basis van de nieuwe tewerkstellingsplaats en
1.
0rganisatorische en
personeelsaangelegenheden
UNIVERSITAIRE
ZIEKENHUIZEN
het verschillend ondernemingsstatuut.
Ondanks het klimaat van rationalisatie en besparing is het personeelsbestand
van de U.Z.Leuven gegroeid. In 1996 kwamen er 976 nieuwe medewerkers
en waren er 849 uitdiensttredingen. Dit betekent een aangroei van 127
personeelsleden, wat een totaal van 7 282 medewerkers betreft (6 121,3
VTEI.
In december 1996 werd de collectieve arbeidsovereenkomst met betrekking
tot het conventioneel brugpensioen afgesloten. Voortaan is het mogelijk op
58 jaar te genieten van het brugpensioen indien men een loopbaan van
25 jaren telt. Personeelsleden met een loopbaan van 38 jaar kunnen nog
steeds op 55 jaar genieten van het brugpensioen.
2.
Financiële en
economische
aangelegenheden
De rekeningen betreffende het dienstjaar 1996 konden in evenwicht worden
afgesloten. Dit resultaat sluit aan op een beleid dat voortdurend gericht bleef
op een zo rationeel mogelijke inzet van personeel en middelen.
Verwacht wordt dat het in de toekomst meer mogelijk zal zijn de aard en de
omvang van zorgactiviteiten te plannen en hun weerslag op de exploitatie te
voorzien, zulks doordat, in het kader van de voortzetting van de tijdens de
voorbije jaren voorbereide responsabilisering van de operationele eenheden,
relevante managementsinformatie wordt ter beschikking gesteld van de verantwoordelijken van de verschillende units. Organisatiedoeleinden zullen, in
het belang van de patiëntenzorg, beter kunnen worden geconcretiseerd, opgevolgd en bijgestuurd.
In het kader van de sanering van de ziekteverzekering werden door de overheid bezuinigingsmaatregelen uitgevaardigd die, vooral omwille van hun lineair
karakter, voor gevolg hebben dat de ziekenhuizen aanzienlijk zullen worden
beperkt in hun mogelijkheden tot het voeren van een efficiënt en effectief
beleid. Zij zullen worden geconfronteerd met financieel-economische consequenties van factoren en verrekeningen die volledig of grotendeels aan hun
controle ontsnappen en waardoor een zinvolle begrotingsopvolging nagenoeg
onmogelijk wordt gemaakt.
Mede rekening houdend met hun eigen opdracht en structuur hebben de universitaire ziekenhuizen van het land gezamenlijk en ten behoeve van de overheid structurele voorstellen uitgewerkt die, in tegenstelling tot voornoemde
lineaire maatregelen, garanderen dat een beleid kan worden gevoerd dat toelaat de aanwending van middelen te optimaliseren. Het voorgestelde systeem
berust op het ter beschikking zijn van een jaarbudget per universitair ziekenhuis, overeengekomen met de overheid en afgestemd op een bepaald activiteitenpakket.
Het bedrijfsresultaat van 1997 zal in grote mate afhankelijk zijn van het feit of
de geldende lineaire besparingsmaatregelen al dan niet worden behouden en
eventueel zelfs nog worden verscherpt. Een systeem van budgetfinanciering
zal, indien het nog in 1997 tot stand komt, de exploitatie slechts op beperkte
schaal in gunstige zin kunnen beïnvloeden. Mede daarom wordt gewerkt aan
interne schikkingen ter beperking van het verwachte negatieve bedrijfsresultaat. Gezien het de bedoeling blijft de kwaliteit van de patiëntenzorg op haar
huidig niveau te behouden is dit een moeilijke opgave. Daarbij komt dat het
intensieve karakter van het door de U.Z. K.LI.Leuven verstrekte zorgenpakket
nog steeds toeneemt.
Eind september 1996 werden meerdere eenheden van de stadscampus overgebracht naar het U.Z. Gasthuisberg. Deze overbrenging, kaderend in de uitvoering van fase III van het project Gasthuisberg, ging gepaard met een verhoging van het aantal intensieve bedden en met enkele aanpassingen van
medisch-organisatorische aard. Zij gaf ook aanleiding t o t een voorstel t o t
wijziging van de verdeling van de universitaire bedden over de verschillende
ziekenhuizen van de K.U.Leuven.
De programmatie van de psychiatrie in de U.Z. K.U.Leuven werd verder onderzocht en aangepast. In dat verband werd ook beslist geen bedden en plaatsen
voor chronische psychiatrie meer t e exploiteren. Bijgevolg zal het Universitair
psychiatrisch centrum Salve Mater nog uitsluitend over bedden voor acute
psychiatrie beschikken. Voorzien is dat deze bedden in het najaar van 1997
naar het U.Z. Sint-Pieter zullen worden overgebracht.
Gedacht wordt aan de uitbreiding van het aantal consultatie-eenheden.
3.
Langetermijnplanning en
ruimtelijke
aangelegenheden
Download