Nederlands Taalkunde

advertisement
Nederlands Taalkunde
Taalvariatie Taalverwerving Taalverandering Pragmatiek Semantiek Hoofdstuk 1:
Signaal Verschillen binnen een taal Hoe leren kinderen hun moedertaal Wat veroorzaakt de verandering van een taal Welk taalgebruik past bij welke situatie en hoe begrijpen wij elkaar Hoe kennen taalgebruikers de betekenis van woorden Gebaar/geluid waarmee dieren communiceren, waarschuwen, aandacht trekken, voedselbronnen doorgeven. Productiviteit Doordat er oneindig veel combinaties zijn in taal is het een opensysteem. (productief systeem) Culturele transmissie Overdracht die niet genetisch is, maar van generatie op generatie dmv leren. (vb: taal) Verplaatsing Communiceren over daar en toen (niet van hier en nu) Gearticuleerd Een boodschap waarin onderdelen met een specifieke waarde te herkennen zijn. (een woord dat in de ene combinatie iets anders betekend dan in de andere combinaties) Articulatie Een zin is uit verschillende woorden opgebouwd. Dubbele articulatie Boodschappen zijn opgebouwd uit betekenisvolle kleinere eenheden, deze zijn weer opgebouwd uit betekenisloze kleinere eenheden. Fonetiek Studie van spreken en verstaan Fonologie Studie van regelmatigheden in klankstructuren 1.1 1 jaar Leert een baby de meest voorkomende klanken 3 jaar Grammatica en woordenschat 1.2 Mensen: Dieren: Culturele transmissie Culturele transmissie / Genetisch bepaald Communiceren met woorden Communiceren met signalen. Verplaatsing (toen en daar) Geen verplaatsing mogelijk (slechts hier en nu) Productief Bereiden hun communicatiesysteem niet zomaar uit. 1.3 Dezelfde elementen komen in verschillende boodschappen voor. Een boodschap waarin onderdelen met een specifieke waarde te herkennen is, is gearticuleerd. (Verkeersborden) Opbouw van taal: Zinnen -­‐> Woorden -­‐> Klanken (geen bepaalde betekenis) Om verwarring te voorkomen moet het onderscheid van klanken zo groot mogelijk zijn. Oplossing: Dubbele articulatie: -­‐ Door combineren van klanken, beter te onderscheiden -­‐ Meer combinatiemogelijkheden Hoofdstuk 2:
2.1 Er is een vloeiende overgang tussen de ene taal en de andere taal. Talen lijken soms best veel op elkaar maar het kan niet als 1 taal gezien worden. De standaardtaal wordt in verband gebracht met maatschappelijk succes en vooruitgang. Hierdoor worden dialecten veelal voor minderwaardig aangezien. 2.2 Factoren die het taalgebruik kunnen beïnvloeden: -­‐ Positie van de spreker in de maatschappij (hoog/laag opgeleid) -­‐ De leeftijd van de spreker -­‐ De woonplaats/herkomst -­‐ Situatie waarin de spreker zich bevindt Idiolect is persoonlijk taalgebruik van een individu (slissen, andere ‘r’) Sociolect is de taalvariëteit gekoppeld aan sekse of leeftijd. Vrouwen praten meer standaardtaal: -­‐ Moeder moet het goede voorbeeld aan de kinderen geven -­‐ Mannen vinden plat praten stoer Mannen: Vrouwen: Onnodig moeilijke woorden gebruiken Gebruiken -­‐onnodig-­‐ verkleinwoorden Moeilijke constructies gebruiken Gebruiken -­‐onnodig-­‐ versterkingswoorden Meer schelden Gebruiken modale constructies Dominanter in een gesprek Doen meer hun best het gesprek gaande te houden 2.3 Er wordt door het hele land heen een accent gesproken, dit wordt Poldernederlands genoemd. Deze uitspraak komt voor door het hele land heen. Het is volgens het Standaardnederlands niet ‘netjes’maar over het algemeen gezien wordt het wel als ‘net’ervaren. 2.4 Jongerentaal is een soort groepstaal, een taal die gesproken wordt door een groep mensen die om de een of andere reden een eenheid vormen. Verschillen in jongerentaal door: Woonplaats, afkomst, sociale situatie en interesses. Mensen die goed Nederlands beheersen, gebruiken ook straattaal. Straattaal leent voornamelijk woorden uit het Surinaams en daarnaast het Engels. In jongerentaal verdwijnt het onderscheid tussen ‘de’-­‐ en ‘het’-­‐woorden. ‘Het’-­‐ woorden, worden met ‘de’ aangeduid en adjectieven bij ‘het’-­‐woorden worden verbogen, terwijl adjectieven alleen bij ‘de’-­‐woorden moeten worden verbogen. Begrippen: Dialectologie Sociolinguïstiek Standaardtaal Sociolect Idiolect Taalattitude Poldernederlands Groepstaal Straattaal Register Dialect Klasse Peer Group Jargon Register Straattaal Codewisseling Bestudeert de regionale taalverschillen De relatie tussen taal en maatschappij wordt bestudeerd De taal die door de grootste deel van de bevolking wordt gesproken De taalvariëteit die door een bepaalde sociale klasse wordt gesproken Persoonlijk taalgebruik van een individu De associaties die een taal of een dialect opwekt bij een spreker Een accent dat door het hele land heen te horen is Een taal die wordt gesproken door een groep mensen die een soort eenheid vormen Taalgebruik dat ontstaan is tussen vooral meertalige jongeren taalstijl Vormen van taalgebruik in bepaalde gebieden/gemeenschappen. Een soort ‘rang’ in de maatschappij. Lagere opeiding -­‐> lagere klasse Groep van gelijkgestemden Groepstaal/beroepstaal Taalstijl Mengtaal die jongeren van verschillende culturen en sociale achtergronden in het dagelijks leven op school/straat spreken. Een bepaalde vorm van taalmenging, waarbij tijdens een gesprek tussen twee of meer mensen van de ene op de andere taal wordt overgeschakeld. Hoofdstuk 3:
Moedertaal Taal die je van je ouders hebt geleerd Taalverwerving Het aanleren van (moeder)taal Imiteren Taal wordt voorgedaan, kinderen nemen het over Aangeboren taalvermogen Vermogen dat een kind vanaf zijn 3.1 Moedertaal leer je heel gemakkelijk, door taalverwerving. (je doet er niet bewust je best voor) 3.2 Hoe leer je een taal? -­‐ Behaviorisme Imitatie Taalomgeving staat centraal. Kind doet alles na van zijn omgeving. -­‐ Generatieve taalkunde Aangeboren taalvermogen (Chomsky) Kind staat centraal, weet de algemene taalregels. -­‐ Cognitieve taalkunde Taalomgeving (Tomasello) Aangeboren taalvermogen en interactie van omgeving belangrijk. 5 fases: -­‐ Leert losse woorden geen grammatica -­‐ Leert werkwoorden, nog problemen met vervoegen -­‐ Leert werkwoorden vervoegen en abstracte grammaticale constructies -­‐ Leert de grammatica (lv en ww vervoegen) -­‐ Daarna overgeneralisatie -­‐> echte taalgebruik kan beginnen 3.3 Taalverwervingsperiode Van eerste tot negende jaar. Passief Je begrijpt iets Actief Je past het ook toe, je kunt het gebruiken 3.4 Simultane tweetaligheid Tweetalig vanaf je geboorte Successieve meertaligheid Tussen 3e en 10e levensjaar een andere taal Invloed op het leren van een tweede taal: Persoonlijkheid, leerstijl, taalaanbod, taalomgeving, leeftijd, intelligentie en taalaanleg. Analystische leerstijl: Langer stil, als ze spreken wel correct Fiene Analystische leerstijl: Eerder spreken, meer fouten Madelief Begrippen: Moedertaal Taal die je van je ouders hebt geleerd Taalverwerving Aanleren van taal Imiteren Taal overnemen als het vaak wordt voorgedaan Aangeboren taalvermogen Kind selecteert regels die voor moedertaal van toepassing is. Taalomgeving Taalaanbod aan het kind. Interactie tussen kind -­‐ omgeving Poverty of stimulus Kinderen kunnen geen taal leren op basis van gesprekken. Kinderen hebben aangeboren taalvermogen nodig Cognitief vermogen Instinct om bedoelingen van andere te begrijpen Overgeneralisatie Fase tussen losse woorden naar zinnen met grammaticale regels Kritische periode Periode waarin een moedertaal geleerd moet worden Taalverwervingsperiode 0-­‐9e levensjaar Voortalige periode 0-­‐1e levensjaar Vroegtalige periode 0-­‐2e levensjaar Semantische vaardigheden Betekenis toekennen aan klankreeksen Syntactische vaardigheden Kind gaat woorden met elkaar combineren Fonologische vaardigheden Klanken leren uitspreken en verstaan. Differentiatiefase 2-­‐5e levensjaar, woordenschat uitbreiden enz. ‘verbeteren van taal’ Metalinguïstisch bewustzijn Het nadenken over taal Pragmatische vaardigheden Succesvol een gesprek voeren Theory of mind Kennis die nodig is om in te schatten hoeveel een luisteraar weet Interfentie Bang dat een kind in de war raakt bij tweetaligheid Codewisseling Overschakeling van de ene op de andere taal Hoofdstuk 4:
4.1 Taalverandering vindt altijd plaats. Variëteiten ontstaan doordat een leeftijdsgroep sociaal belangrijk wordt. Talen die op dezelfde manier met elkaar verwant zijn behoren tot dezelfde taalfamilie 4.2 2 principes in het taalgebruik Communicatieve principe Je moet elkaar kunnen verstaan Economische principe Het moet niet moeilijk zijn om een woord uit te spreken 4.3 SVO-­‐taal Subject Verb Object Engels SOV-­‐taal Subject Object Verb Nederlands 4.4 Er worden woorden van een andere taal overgenomen -­‐> ontlening -­‐> leenwoorden Begrippen: Variëteit Geheel van eigen kenmerken die gemeenschappelijke taal van een land bij bepaalde groepen sprekers heeft. Proto-­‐talen Talen die niet meer gebruikt worden, ze zijn gereconstrueerd Indo-­‐Europees Oude taal waaruit hedendaagse talen zijn ontstaan Klankwet Dezelfde klanken ondergaan dezelfde verandering Klankcorrespondentie Overeenkomsten van klanken Isoglosse Grens tussen gebieden waar een klank anders uitgesproken wordt Syntaxis Regels van zinsbouw in een taal Morfologie Regels voor woordvorming in een taal Productief -­‐heid Mogelijkheid om woordenschat uit te breiden Improductief -­‐te Woordenschat woord niet uitgebreid Betekenisspecialisatie Een woord had meer betekenissen, nu minder Betekenisverruiming Een woord krijgt nieuwe betekenissen Eufemistisch taalgebruik Om woorden heen draaien (ongunstige gevoelswaarde) Hoofdstuk 5:
5.1 Taalsystematiek Regels van de grammatica Taalgebruiksystematiek Geheel van regels en principes dat taalgebruik bepaalt. Ook wel pragmatiek 5.2 Uitingen hebben 2 aspecten: Linguïstisch aspect Klanken, woorden, zinsverband + betekenis zinsgeheel. Locutie Functioneel aspect Taalhandeling, met uiting uitgevoerd Illocutie Taalhandelling Handeling (uitspraak, communicatieve handeling) Performatieve ww Kunnen de illocutie van de uiting aangeven. meedelen, informeren, waarschuwen, beloven, vragen enz. Directe taalhandeling Uitingen met performatief werkwoord Indirecte taalhandeling Zonder performatief werkwoord Samenwerkingsbeginsel: Gecoördineerd handelen Gedrag op elkaar afstemmen als je met iemand praat. -­‐ Aanname van kwantiteit Precies zoveel info geven als nodig, niet meer niet minder -­‐ Aanname van kwaliteit Waarheid spreken -­‐ Aanname van relevantie Gespreksbijdrage moet relevant voor het gesprek -­‐ Aanname van stijl Gespreksbijdrage moet duidelijk zijn (niet dubbelzinnig) Implicatuur Hoorder kan meer uit een uiting halen dan de spreker uitdrukt 5.3 Beleefdheidstheorie: -­‐
Negatief gezicht: Mensen willen respect in hun vrijheid en onafhankelijkheid -­‐ Positief gezicht: Mensen willen sympathie en betrokkenheid, aardig gevonden worden -­‐ Direct Formulering met maar 1 bedoeling -­‐ Indirect Formulering waaruit meerdere bedoelingen uit af te leiden zijn. Gezichtsbedreigend Verwijt maken -­‐> je valt het positieve gezicht aan Bevel geven -­‐> je valt het negatieve gezicht aan 5.4 Conversatieanalyse Samenhang tussen verschillende zinnen in een gesprek Beurtwisseling In een gesprek wissel je van rol. Niet door elkaar praten Aangrenzend paar 2 Beurten. Vraag, antwoord. Groet, wedergroet enz. Drieslag 3 Beurten. Vraag, antwoord, bevestiging. Genderstudies Onderzoeken naar verschillen in praten tussen man/vrouw Gender Cultureel (dus niet biologisch) verschil tussen man en vrouw. Hoofdstuk 6:
6.1 Semantiek Bestudeert betekenis van woorden van een taal en combinaties van die woorden. Arbitrair Klank en schrijfwijze hebben niets te maken met concept/begrip Onomatopeeën Woorden met een klanknabootsing (koekoek) 6.2 Metafoor Object wordt vergeleken met ander object Rots in de branding Metonymie Iets/iemand wordt niet bij naam genoemd maar benoemd met ander woord. Er is wel een verband tussen de 2 woorden. Er hangt een Rembrandt aan de muur Synoniemen Woorden met dezelfde betekenissen Geld, poen, valuta Homoniem Hetzelfde woord met meer betekenissen Bal: Schoolfeest, Voetbal Polysemie Zelfde woord andere aan elkaar verwante betekenissen Poot: Stoelpoot, Dierenpoot Hyperoniem Overkoepelende term Fruit, woning enz. Hyponiem Onderdeel van de categorie Appel, banaan, perzik Connotatie Gevoelswaarde voor een woord (geld, poen of valuta) 6.3 Betekenis van een zin hangt af van: -­‐ Spreeksituatie -­‐ Negatie (ontkennen van een zin) Niet/geen enz. zijn negatie-­‐elementen. o 1 woord ontkennen Ik heb geen banaan o Hele zin ontkennen Hij kwam niet Deixis Afhankelijkheid van betekenis van woorden van de situatie waarin ze gebruikt worden. 6.4 LInguiïstische relativiteitstheorie: Theorie die beweert dat taal het wereldbeeld van een spreker beïnvloedt. Cultuur gewoonten en gebruiken van een land beïnvloed een taal. -­‐ Iets wat belangrijk is in een cultuur zijn veel woorden voor. -­‐ Ruimtelijke verhoudingen worden anders uitgedrukt Primitieven 61 basisbegrippen van taal 6.5 Lexicon Woordenschat waarin de informatie over woorden is opgeslagen En taalbeschouwende kennis, welk lidwoord, wanneer ww enz. Mentale lexicon Betekenis van woorden Contaminatie Uitdrukkingen verkeerd gebruiken (duur kosten) 
Download
Random flashcards
fff

2 Cards Rick Jimenez

mij droom land

4 Cards Lisandro Kurasaki DLuffy

Rekenen

3 Cards Patricia van Oirschot

Create flashcards