Antwoorden Praktische Economie Module 5-8

advertisement
VWO 2E FASE
ANTWOORDEN MODULE 5
IT’S A DEAL!
Hoofdstuk 1 Van spel naar theorie
Verkenning
1
a Van 36 naar 35 is 1/36  100% = 2,8% arbeidstijdverkorting.
b Een werknemer produceert nu 97,2 eenheden met hetzelfde loon. Als we het loon op
100 stellen, waren de loonkosten per eenheid 100/100 = 1, en nu 100/97,2 = 1,029. Dus
een stijging van 2,9%.
c 105/97,2 = 1,080. Dus 8% hogere loonkosten per product.
d In beide gevallen stijgen de loonkosten per product.
e Een stijging van de arbeidsproductiviteit geeft andere uitkomsten bij vraag b en c. De
loonkosten per product zullen bij een stijging van de arbeidsproductiviteit minder of niet
stijgen.
f De winst(groei).
g Eigen antwoord. Voor de hand ligt de arbeidsproductiviteit. Deze factor is structureler
dan de winstgroei. Een stijging van de lonen zonder stijging van de arbeidsproductiviteit
kan het bedrijf in moeilijkheden brengen. Anderzijds: als de winst groeit, is er
waarschijnlijk wel ruimte om de werknemers meer te laten delen in de winst. Bovendien
is winstgroei mede het gevolg van gestegen arbeidsproductiviteit; het is indirect
hetzelfde.
2
a Dan valt er nog wat toe te geven bij de onderhandelingen. Het is een deel van de
onderhandelingstactiek.
b Door te wijzen op slechte cijfers van het bedrijf die hogere lonen onmogelijk maken;
door erop te wijzen dat te hoge lonen slecht zijn voor het bedrijf.
c Als de bedrijven door de hoge lonen de concurrentie niet of moeilijk aankunnen,
vallen er ontslagen of gaan de bedrijven zelfs failliet.
d Ontevreden werknemers presteren minder; werknemers kunnen overstappen naar
bedrijven die beter betalen.
e Zie de antwoorden op vraag c en d. Als het resultaat te ver uitslaat in één richting, is
het resultaat voor beide partijen nadeliger dan bij een redelijk resultaat. In het algemeen:
belangen komen beter op een lijn te liggen, waardoor de gezamenlijke prestatie
verbetert.
3
Bij het monopoliespel is er een duidelijke winnaar of verliezer; bij een economiespel wint
of verliest vaak iedereen een beetje.
4
Een economiespel is een economische situatie waarbij ‘spelers’ willen winnen. De
speltheorie voorspelt wat de uitkomst is van het economiespel.
5
a € 1.000
b Van € 1.000 naar € 1.200 = € 200.
c De winst van Burger King daalt van € 1.400 naar € 1.300.
d Burger King raakt klanten kwijt, waardoor de winst daalt. Als het bedrijf reageert, stijgt
de winst van € 1.300 naar € 1.500. Het is dus verstandig om te reageren.
6
a Burger King wil niet in deze situatie verkeren, en zal de prijzen dus ook verlagen.
b Om dezelfde reden als bij vraag a. McDonald’s verlaagt de prijs altijd, ongeacht wat
Burger King doet.
c Beide spelers veranderen niet van positie in de situatie dat beide spelers de lage prijs
voeren, omdat beide spelers zich niet kunnen verbeteren met een prijsverhoging.
 MALMBERG
1
VWO 2E FASE
ANTWOORDEN MODULE 5
IT’S A DEAL!
7
a t/m d
Schoenengigant
Footfeel
Geen prijsverlaging
Geen prijsverlaging
(€ 4.500, € 6.000)
Wel prijsverlaging
(€ 3.000, € 8.000)
Wel prijsverlaging
(€ 5.000, € 4.000)
(€ 4.000, € 5.000)
e Bij (wel prijsverlaging, wel prijsverlaging).
f Er is sprake van een situatie waarbij beide spelers tegelijkertijd hun beste actie
kiezen gegeven de actie van de andere speler.
g In dat geval zou de winst van Footfeel met € 1.000 afnemen.
h In dat geval zou de winst van Schoenengigant met € 1.000 afnemen.
i Nee, als beide spelers geen prijsverlaging doorvoeren, is de winst voor beide spelers
hoger.
8
a Het marktevenwicht is een feit als beide spelers een prijsverlaging doorvoeren.
Schilder B
Schilder A
Geen prijsverlaging
Wel prijsverlaging
Geen prijsverlaging
Wel prijsverlaging
(€ 2.290, € 2.830)
(€ 3.140, € 830)
(€ 1.610, € 4.180)
(€ 2.580, € 2.550)
b Schilder A ziet zijn opbrengsten stijgen; schilder B heeft te maken met een lagere
opbrengst.
c Schilder A heeft een hogere prijselasticiteit van de vraag naar zijn diensten, of hij kan
de gestegen vraag met lagere extra kosten bedienen.
Toepassing
1
a Bij een prijsverlaging gaat bij beide zaken de winst omhoog, terwijl de kosten bij een
hogere gevraagde hoeveelheid stijgen. Dat betekent dat de omzet flink is gestegen; de
gevraagde hoeveelheid is dus meer gestegen dan de prijs is gedaald.
b Het marktevenwicht valt bij (wel prijsverlaging, wel prijsverlaging), maar daarbij is,
dankzij de hoge prijselasticiteit van de vraag in de uitgangssituatie, voor beide spelers
ook de meeste winst te behalen.
2
a Het marktevenwicht valt bij (wel prijsverlaging, wel prijsverlaging). Maar bij een lage
elasticiteit neemt de gevraagde hoeveelheid minder toe dan de prijs daalt, waardoor de
omzet daalt. Bovendien zijn de kosten hoger als gevolg van de extra afzet, waardoor
voor beide spelers de winst daalt.
b De mate waarin een prijsverlaging van een van de twee partijen leidt tot een hogere
opbrengst bij diegene die de prijs verlaagt en een lagere opbrengst bij de andere partij,
zegt iets over de mate van productdifferentiatie. Hoe meer klanten overstappen bij een
prijsverlaging, hoe kleiner de productdifferentiatie.
3
a Met de lagere prijs kan Videomax aangeven dat een verdere liberalisatie van de
markt niet nodig is, omdat de prijs al laag genoeg is. Of: een voorschot nemen op het
afschrikken van potentiële concurrenten.
b De kostprijs bestaat vooral uit vaste kosten. Bij de nieuwe klanten zijn de marginale
kosten erg laag, lager dan de verkoopprijs. En bij toename van de afzet daalt de
gemiddelde kostprijs omdat er vooral sprake is van vaste kosten.
c In vak C. Videomax heeft de prijzen verlaagd, maar KVN wil niet meegaan in de
prijsverlaging.
d Ja, als KVN meegaat, slaat de winst van € 10 miljoen om in een verlies van € 2
miljoen.
 MALMBERG
2
VWO 2E FASE
ANTWOORDEN MODULE 5
IT’S A DEAL!
4
a
Koperslager
Jansen
Geen advertentie
Geen advertentie
(€ 40.000, € 35.000)
Wel advertentie
(€ 31.000, € 42.000)
Wel advertentie
(€ 50.000, € 29.000)
(€ 36.000, € 32.000)
b Zie bij a (wel advertentie, wel advertentie).
c Mensen gaan nauwelijks meer brood eten als er meer wordt geadverteerd. Bij gebak
kan het effect groter zijn, maar het blijft toch ook beperkt.
d Enerzijds vergroot het plaatsen van een advertentie (terwijl de concurrent dat niet
doet) de opbrengst. De productdifferentiatie is dus beperkt, waardoor de advertentie
klanten weglokt bij de concurrent en het plaatsen van een advertentie rendabel is als
één bakker dat doet. Anderzijds is de totale vraag naar bakkerijproducten tamelijk
constant, waardoor de gestegen kosten niet door een hogere omzet goedgemaakt
worden als beide bakkers een advertentie plaatsen.
Hoofdstuk 2 Samenwerken
Verkenning
1
a Boerkoel profiteert door zich eenzijdig niet aan de afspraak te houden en de prijs te
verlagen. Bij een marktevenwicht is dat niet mogelijk omdat beide partijen dan met een
eenzijdige actie geen voordeel kunnen behalen (hetzelfde geldt voor Mulder).
b Zowel Boerkoel (van € 5.000 naar € 7.000) als Mulder (van € 5.000 naar € 7.000)
kunnen hun winst vergroten door zich eenzijdig niet aan de afspraak te houden.
c Er moet onderling vertrouwen zijn. Zonder onderling vertrouwen is iemand minder of
niet bereid om de afspraak te maken. En: kom je elkaar in de toekomst weer tegen? Kun
je reageren op het gedrag van de ander?
2
a en b
Robert H.
Theo G.
De ander niet aangeven
De ander wel aangeven
De ander niet aangeven
De ander wel aangeven
(2 jaar cel, 2 jaar cel)
(geen cel, 14 jaar cel)
(14 jaar cel, geen cel)
(10 jaar cel, 10 jaar cel)
c 1 = eigenbelang; 2 = ongunstig.
3
B en D. Bij het evenwicht dat door het volgen van het eigenbelang ontstaat, zijn beide
partijen slechter af dan bij het volgen van het collectieve belang.
4
a Bij opbrengstenmatrix 1, beide spelers kiezen altijd voor ‘geen prijsverlaging’.
Bij opbrengstenmatrix 3, waar beide spelers altijd voor prijsverlaging kiezen.
Bij opbrengstenmatrix 4, waar speler A altijd voor een lagere prijs kiest en speler B nooit.
b Alleen in opbrengstenmatrix 3 is er sprake van twee dominante keuzes waarbij het
evenwicht voor beide partijen een slechte uitkomst is.
c Bij opbrengstenmatrix 1, 3 en 4 hebben beide spelers een dominante keuze en is er
maar één Nash-evenwicht.
5
A, B, D en E
6
De bewaking van gebouwen: als een gebouw bewaakt wordt, profiteren andere
gebouwen niet mee, consumenten worden dus van consumptie uitgesloten. Bij
surveillance op straat om de openbare orde te handhaven is het uitsluiten niet mogelijk.
 MALMBERG
3
VWO 2E FASE
ANTWOORDEN MODULE 5
IT’S A DEAL!
Hetzelfde principe geldt voor de verlichting in een huis versus de verlichting op straat. Bij
straatverlichting kunnen consumenten niet worden uitgesloten.
7
a Consumenten kunnen niet van consumptie uitgesloten worden, ze blijven profiteren
van de positieve externe effecten. Dus de opbrengst blijft even hoog, terwijl de kosten tot
nul dalen.
b Vanuit die situatie kunnen beide spelers hun positie verbeteren door niet bij te
dragen. Dit is een voorbeeld van het gevangenenprobleem.
8
a De winkeliers hebben beiden profijt van de verlichting.
b Ze zijn beiden bang dat de andere partij niet betaalt en ze alleen voor de kosten
opdraaien. Of: andere partijen profiteren ook van de verlichting, ze vinden het niet
rechtvaardig dat alleen zij moeten betalen.
c – De straatverlichting heeft ook positieve externe effecten. Bijvoorbeeld: als er
minder ingebroken wordt, bespaart de politie, en dus de hele maatschappij, geld.
– Omdat de verlichting een collectief goed is, valt te verwachten dat de winkeliers niet
betalen en er geen verlichting meer is, en dus ook de positieve externe effecten
wegvallen.
9
a Andere scholieren profiteren mee van de extra investering in het onderwijs; de hele
maatschappij profiteert mee van de hogere scholing van de Nederlander.
b Als een rijke Nederlander niet meedoet, en de rest wel, profiteert deze Nederlander
van de uitgaven van de anderen. Ook de rest van de Nederlanders profiteert mee van de
extra bestedingen. Kortom: er is een grote kans op meeliftgedrag, waardoor er weinig
animo is om mee te de doen.
c Iedereen profiteert mee, het individuele voordeel van de geldgever valt in het niet bij
zijn kosten (bijdrage). Daarnaast speelt in eigen land de ergernis dat anderen
meeprofiteren terwijl zij ook kunnen meebetalen. En: Als een miljardair beter onderwijs
voor zijn kinderen wenst, kan hij dit goedkoper oplossen met privéonderwijs.
d Met de hulp worden niet alleen de direct betrokkenen geholpen, maar de hele
maatschappij in ontwikkelingslanden (mits met de hulp collectieve goederen worden
gefinancierd).
e De mensen in ontwikkelingslanden kunnen niet uitgesloten worden van een deel van
de hulp, bijvoorbeeld bij het verbeteren van de waterhuishouding of de
gezondheidszorg, of de bestrijding van corruptie. De hulp heeft grote positieve effecten.
f In eigen land speelt de ergernis mee dat anderen meeprofiteren terwijl zij ook kunnen
meebetalen. Bij hulp aan ontwikkelingslanden speelt het geweten mee, dat het
menswaardig is om anderen te helpen. De sociale norm ligt anders, waardoor vrijwillig
meebetalen aan collectieve goederen in ontwikkelingslanden eerder tot stand komt.
10 a Er is weinig vertrouwen tussen de beide spelers. Ze hebben zich in het verleden niet
altijd aan afspraken gehouden en de winkeliers zijn meer geïnteresseerd in de eigen
winst dan in de collectieve winst.
b Bijvoorbeeld: Mulder plaatst groot op de voorruit ‘Altijd de laagste prijs’. Dat maakt
een prijsverlaging bij de concurrent zinloos.
c Belastingheffing is niet van toepassing. Een contract opstellen ligt ook niet voor de
hand bij prijsbeleid, zo’n contract lijkt al snel op een (wettelijk verboden) prijskartel.
d Bij de verlichting is een verplichte belasting wel mogelijk, ook een contract is niet
illegaal.
11 a Meelifters betalen niet, maar profiteren wel. Bovendien: particuliere beveiliging heeft
geen bevoegdheden.
 MALMBERG
4
VWO 2E FASE
ANTWOORDEN MODULE 5
IT’S A DEAL!
b Als de wijk klein is, kennen de bewoners elkaar beter. Dan is de sociale norm eerder
dat men bereid moet zijn om mee te doen aan samenwerking die collectief voordelen
oplevert.
c Als de initiatiefnemers met daden duidelijk laten merken dat zij bereid zijn om een
bijdrage te leveren, in geïnvesteerde tijd en in geld, zullen de andere bewoners ook
eerder gaan meedoen. Bijvoorbeeld: de initiatiefnemers surveilleren om de beurt een
dag in de week, waardoor er op twee van de vijf dagen al een oplossing is.
d Bijvoorbeeld: als de initiatiefnemers bij vraag c drie uur per avond surveilleren is de
zelfbinding geloofwaardiger dan als zij zich er met een kwartiertje van af maken.
e Belasting heffen is niet mogelijk. Een contract afsluiten met alle bewoners is ook niet
voor de hand liggend. Dat zal waarschijnlijk de sfeer in de wijk ook niet ten goede
komen.
Toepassing
1
a Anton kiest altijd voor ‘geen lid’.
De meerderheid van de werknemers
Anton Jansen
Geen lid
Wel lid
Geen lid
Wel lid
(€ 0, € 0)
(– € 80, € 0)
(€ 300, € 220)
(€ 220, € 220)
b Ja, wat de anderen doen is niet van belang, geen lid worden is bij Anton dominant.
c Hij wil solidair zijn met zijn collega’s, de sociale norm op het bedrijf maakt het moeilijk
om geen lid te zijn. Werknemers die geen lid zijn hebben moeite om een goede omgang
met collega’s te hebben.
d Bijvoorbeeld: er is geen sociale druk om lid te worden. Of: het overleg van de
vakbond van zzp’ers met andere partijen is vrijblijvender dan tussen vakbonden en
werkgeversorganisaties. Daardoor gelooft hij niet in de voordelen.
e Alle zzp’ers profiteren van een betere regelgeving en gunstigere belastingtarieven,
ook als je geen lid bent.
f Bijvoorbeeld: zzp’ers bijstaan bij zakelijke juridische problemen. Deze hulp geldt
alleen voor leden en motiveert dus eerder om lid te worden. Of: Het aanbieden van
cursussen.
2
a Het is crisistijd. Mensen geven minder geld uit, dus luchtvaartmaatschappijen raken
klanten kwijt en willen de klanten terugwinnen met prijsverlagingen. De olieprijs is
gedaald, waardoor de kosten gedaald zijn. Luchtvaartmaatschappijen kunnen lagere
prijzen hanteren bij een gelijkblijvende winst.
b 2 (van A naar C naar D).
c Er is sprake van een elastische vraag. De prijs daalt, maar de gevraagde hoeveelheid
stijgt procentueel meer dan de prijs daalt, waardoor de omzet stijgt.
d De omzet stijgt, maar de hogere afzet veroorzaakt ook hogere kosten. Het is de vraag
of de omzet meer stijgt dan de kosten stijgen.
e De gedaalde kosten zijn een oorzaak van de prijsverlagingen. Extra omzet hoeft dus
niet samen te gaan met hogere kosten, waardoor de winst stijgt.
f Als de winsten lager zijn dan in de oude situatie kan het nieuwe evenwicht verlaten
worden door bijvoorbeeld onderlinge afspraken om de oude prijzen weer te gaan
hanteren.
3
a Grote vraag uit Japan, enorme capaciteit bij de visserij, ontduiken van de quota, de
ICCAT functioneert niet goed, de EU weet geen afspraken te maken die nageleefd
worden.
 MALMBERG
5
VWO 2E FASE
ANTWOORDEN MODULE 5
IT’S A DEAL!
b Zij willen wel een stopzetting, maar beseffen dat anderen alleen maar meer profiteren
als zij wel stoppen, terwijl de anderen doorgaan.
c Collectief is de beste oplossing om veel minder te vangen. Maar wie daarvan afwijkt,
behaalt des te meer winst: een volle zee en zelf een goede vangst. Dus houdt niemand
zich eraan en wordt de zee leeggevist.
4
a De vissers kijken niet naar de collectieve opbrengsten omdat niemand ervan uitgaat
dat alle partijen daartoe in staat zijn. En als een deel van de vissers dat niet doet, heeft
het voor de rest van de partijen ook geen zin. Het uitsterven van de vis wordt kennelijk
ook niet als een zeer groot probleem gezien.
b Als de partijen elkaar niet vertrouwen heeft (geloofwaardige) zelfbinding door middel
van daden geen zin. De spelers geloven niet dat de zelfbinding gevolgd wordt door
zelfbinding bij de anderen.
c Bijvoorbeeld: vissersboten afbreken of ombouwen voor een andere toepassing.
d Contracten worden niet of onvoldoende nageleefd omdat er te weinig controle is en
naleving niet altijd kan worden afgedwongen vanwege het ontbreken van een mondiale
rechtstaat.
5
a De docent kan bij een intensieve begeleiding beter in de gaten houden welke
leerlingen meeliften.
b Een leerling die meelift loopt het risico dat hij de presentatie moet houden. Dat risico
stimuleert om toch mee te doen.
c Bijvoorbeeld: tip 2: dan is ieder deel van het werk duidelijk gerelateerd aan iedere
individuele leerling.
d Bijvoorbeeld: tip 5: daarbij is het vrij gemakkelijk om ‘van de waarheid af te wijken’.
Anderzijds: als je alle logboeken van een groepje hebt, kun je oneigenlijke gegevens wel
weer opsporen.
6
Bij de passage: ‘De afspraken over parkmanagement op een terrein kunnen het best
bindend zijn, met sancties als ondernemers de afspraken niet nakomen.’ Bedrijven die
niet meebetalen, profiteren toch van de voordelen van het nieuwe terrein, waardoor de
kans op meeliften groot is, en de noodzaak tot bindende afspraken groter is.
7
a Niemand kan uitgesloten worden van consumptie van het klimaat en als iemand het
klimaat consumeert, kan het ook door iemand anders worden geconsumeerd.
b Bijvoorbeeld: kosten van dijkverhogingen, omschakeling van de landbouw op andere
producten in gematigde streken, land wordt ongeschikt voor landbouw in warmere
streken.
c Landen moeten nu kosten maken om in de toekomst profijt te hebben van de
klimaatstabiliteit.
d Bijvoorbeeld: er wordt geen rekening gehouden met het aantal inwoners van een
land. Of: Europa en de VS stoten al vele jaren veel CO2 uit, China nog maar sinds kort.
Het is eerlijker dat de historische uitstoot, die bijgedragen heeft aan het probleem, ook
meetelt.
e Wie niet meedoet profiteert toch van de voordelen. Als Nederland niet meebetaalt en
Denemarken wel, ontloopt Nederland de € 30 miljard schade, terwijl ze geen € 20 miljard
heeft bijgedragen.
f Soedan heeft meer kosten als gevolg van de opwarming van de aarde (‘Afrika gaat
verbranden’). Bij Soedan is de schade als geen van beide partijen meebetaalt dus
hoger.
g In het geval van Gerard: Soedan heeft er zo veel belang bij dat het land zelfs bereid
kan zijn om alleen de kosten te dragen. Zelfbinding ligt bij Soedan voor de hand,
waardoor Nederland ook eerder meedoet. Algemener gesteld: een aantal landen heeft
geen keuze, er moet een oplossing komen. In het geval van Yvette: De landen waarbij
 MALMBERG
6
VWO 2E FASE
ANTWOORDEN MODULE 5
IT’S A DEAL!
het probleem minder dramatisch speelt, kijken de kat uit de boom en willen niet op korte
termijn het probleem echt oplossen.
h Een CO2-belasting, een controleorgaan dat in de landen zelf controleert.
i Er is geen wereldregering. Ook voor collectieve dwang is een akkoord tussen de
individuele lidstaten nodig, en een collectief akkoord ligt moeilijk. Zo heeft bijvoorbeeld
China geen zin in controle.
j Politici (in democratische landen) zijn gevoelig voor de publieke opinie omdat ze bij
volgende verkiezingen geen stemmen willen verliezen. Zij kunnen aan reputatie winnen
door het klimaatprobleem serieus te nemen. De betere reputatie kan hen op andere
terreinen winst opleveren.
k Een reductie van CO2-uitstoot aangeven en internationale controle toestaan door
middel van een getekend contract (met een ‘bindende afspraak’) of door akkoord te
gaan met het oprichten van een internationaal klimaatcontrolebureau.
8
a Albert Heijn is altijd beter af in de situatie dat haar prijzen laag zijn. Het is voor Albert
Heijn de dominante keuze.
b Bijvoorbeeld: ‘Om te voorkomen dat klanten de zaak, vanwege een te duur imago,
mijden, zoals een aantal jaar geleden gebeurde.’ Zij wil haar prijsniveau relatief laag
houden, omdat zij anders een te duur imago krijgt en (te) veel klanten verliest.
c De matrix geeft aan dat hun opbrengst hoger is als zij de prijs ook verlagen (van € 3
miljoen naar € 4 miljoen).
d ‘We moeten gewoon mee met prijsverlagingen, anders houden we te weinig sterke
punten over in vergelijking met Albert Heijn.’ Bron 17 maakt duidelijk dat een lage prijs
hun enige troef is. Op allerlei andere punten scoort Albert Heijn beter.
9
a Dorp 1 koopt bij ‘Vers uit zee’ (€ 200), dorp 2 gaat voor de helft naar dorp 1, en voor
de helft naar dorp 2 (€ 100 voor ‘Vers uit zee’, € 100 naar Harteveld), de rest van de
klanten gaat allemaal naar Harteveld (€ 700).
b Het evenwicht, waarbij beide partijen geen verbetering in de situatie kunnen
aanbrengen, ligt bij (dorp 3, dorp 3). Oftewel: beide viskramen staan in het derde dorp.
De bewoners van de andere dorpen vinden het oneerlijk dat dorp 3 beide kramen krijgt,
en alle andere dorpen geen enkele kraam.
Viskraam Harteveld
Viskraam
‘Vers uit zee’
Dorp 1
Dorp 2
Dorp 3
Dorp 4
Dorp 5
Dorp 1
(€ 500, € 500)
(€ 200, € 800)
(€ 300, € 700)
(€ 400, € 600)
(€ 500, € 500)
Dorp 2
(€ 800, € 200)
(€ 500, € 500)
(€ 400, € 600)
(€ 500, € 500)
(€ 600, € 400)
Dorp 3
(€ 700, € 300)
(€ 600, € 400)
(€ 500, € 500)
(€ 600, € 400)
(€ 700, € 300)
Dorp 4
(€ 600, € 400)
(€ 500, € 500)
(€ 400, € 600)
(€ 500, € 500)
(€ 800, € 200)
Dorp 5
(€ 500, € 500)
(€ 400, € 600)
(€ 300, € 700)
(€ 200, € 800)
(€ 500, € 500)
Hoofdstuk 3 Morgen is vandaag
Verkenning
1
A
2
Homogeen oligopolie. Consumenten zien geen verschil tussen de Noordzeegarnalen
van verschillende aanbieders. Er zijn een paar grote aanbieders. Het gegeven van een
prijsafspraak maakt ook duidelijk dat het een oligopolie moet zijn.
3
De NMa is natuurlijk niet aanwezig bij de afspraak zelf. Ze moeten door bijvoorbeeld het
te hoge prijspeil een vermoeden hebben, of van tipgevers informatie krijgen.
 MALMBERG
7
VWO 2E FASE
ANTWOORDEN MODULE 5
IT’S A DEAL!
4
A2, B1, C3, D4
5
a
Boetseer
Macello
Geen prijsverlaging
Geen prijsverlaging
(€ 500, € 500)
Wel prijsverlaging
(€ 400, € 550)
Wel prijsverlaging
(€ 550, € 400)
(€ 460, € 460)
b Beide spelers hebben een dominante keuze. Beide spelers zullen een prijsverlaging
doorvoeren.
c Eigenlijk voortdurend, in het gevoel van de spelers een eindeloze reeks spelen.
d Als het spel eenmalig wordt gespeeld, hoef je als speler niet na te denken over de
reactie van de andere speler in de toekomst. Als het spel herhaald wordt, speelt dat wel
een rol. De ene slager durft geen prijsverlaging door te voeren omdat hij weet dat de
andere slager in de volgende ronde reageert op de prijsverlaging, waardoor beide
spelers slechter af zijn dan bij geen prijsverlaging.
6
a
De winst van Friezenzoon in
het totale weekend
Jonker houdt zich op
zaterdag aan de afspraak
Friezenzoon houdt zich op
zaterdag aan de afspraak
zaterdag
zondag
totaal
zaterdag
zondag
totaal
Friezenzoon houdt zich op
zaterdag niet aan de afspraak
€ 7.500 +
€ 6.900 =
€ 14.400
€ 8.250 +
€ 6.900 =
€ 15.150
Jonker houdt zich op
zaterdag niet aan de
afspraak
zaterdag
€ 6.000
zondag
€ 6.900
totaal
€ 12.900
zaterdag
€ 6.900
zondag
€ 6.900
totaal
€ 13.800
+
=
+
=
b De tweede ronde doet er niet toe. De uitkomst is altijd hetzelfde: die van het
gevangenenprobleem als het eenmalig gespeeld wordt. Daardoor is het voor
Friezenzoon aantrekkelijk om op zaterdag de afspraak te schenden. Want op zondag zal
hij daarvoor niet extra gestraft kunnen worden; op zondag valt de afspraak altijd in
duigen. Dat levert hem altijd meer op, zowel als Jonker de afspraak wel schendt als niet
schendt.
c Voor Jonker geldt hetzelfde: de keuze voor het schenden van de afspraak levert altijd
meer op.
d Nu zijn er in hun gevoel heel veel spelrondes. Het niet nakomen van de afspraak in
de eerste ronde wordt wel gestraft in volgende rondes.
7
a Het dreigement van Boerkoel is in bron 3 niet geloofwaardig omdat hij, nadat Mulder
is toegetreden, een hogere opbrengst heeft door geen prijzenoorlog te voeren. Dit kan
alleen ongeloofwaardig zijn als Boerkoel op de hoogte is van deze cijfers. De
geloofwaardigheid in bron 4 is ook gebaseerd op dezelfde informatie bij beide spelers.
b De prijzenoorlog is het gevolg van de introductie van badkleding. Zonder badkleding
is een prijzenoorlog niet aan de orde.
8
A, B en D passen beter bij een herhaald simultaan spel, C en E bij een sequentieel spel.
Toepassing
1
a Bijvoorbeeld: het land moet voorzien worden van een kabelnetwerk om snel internet
mogelijk te maken. Dus: hoge vaste kosten.
b Ja, als de concurrent toetreedt, is de winst van Avidoon hoger als hij wel een
prijzenoorlog voert (€ 5 miljoen) dan als hij geen prijzenoorlog voert (€ 3 miljoen).
 MALMBERG
8
VWO 2E FASE
ANTWOORDEN MODULE 5
IT’S A DEAL!
2
a Bijvoorbeeld: marketing, administratieve kosten voor vergunningen, winkelpand,
werkplaats, bedrijfsauto’s.
b Als Smith toetreedt, is het voor ColorQuick de beste keuze om geen prijzenoorlog te
starten ($ 40.000 in plaats van $ 0).
c Meer dan $ 40.000. De optie prijzenoorlog moet beter uitpakken dan de optie geen
prijzenoorlog en het verschil in bron 4 is $ 40.000.
d Slecht voor de gezondheid van schilders, waardoor de gezondheidszorg duurder
uitvalt. Het milieu wordt (meer) vervuild.
e Consumenten zijn niet enthousiast, de verf is duurder, klanten zullen overstappen van
Smith naar ColorQuick.
f Het evenwicht ligt bij (niet overstappen, niet overstappen).
Smith
ColorQuick
Niet overstappen
Wel overstappen
Niet overstappen
Wel overstappen
($ 40.000, $ 20.000)
($ 20.000, $ 30.000)
($ 50.000, $ 0)
($ 30.000, $ 10.000)
g Een subsidie stuurt vraag en aanbod in een richting die de overheid wenst. Het
middel maakt gebruik van de marktwerking, dus ‘conform de markt’, door de kosten van
het gewenste alternatief te verlagen. Een verbod werkt niet via de markt.
h Het nieuwe evenwicht ligt bij 18 miljoen liter: 18 miljoen  $ 1,6 = $ 28,8 miljoen.
i Ja, overstappen wordt de dominante keuze.
Smith
ColorQuick
Niet overstappen
Niet overstappen
($ 40.000, $ 20.000)
Wel overstappen
($ 30.000, $ 30.000)
Wel overstappen
($ 50.000, $ 10.000)
($ 35.000, $ 15.000)
j De afname van negatief externe effecten is meegewogen in de prijs. Zonder subsidie
doen consumenten dat niet. De winst van de afname van negatieve effecten is groter
dan het verlies van het gebruikte belastinggeld, de kosten van de belastingheffing en de
mindere kwaliteit van de verf qua duurzaamheid.
k Cathy maakt de afweging andersom: de winst van de afname van negatieve effecten
is kleiner dan het verlies van het gebruikte belastinggeld, de kosten van de
belastingheffing en de mindere kwaliteit van de verf qua duurzaamheid.
3
a MO = MK valt bij q = 30.000. De prijs daarbij is € 140. De omzet is 30.000  140 =
€ 4,2 miljoen. De totale kosten zijn (30.000  € 80) = 2,4 miljoen. De winst is 4,2 – 2,4 =
€ 1,8 miljoen euro.
b De GTK = MK verschuift naar beneden naar € 60. MO = MK is nu bij q = 35.000. Bij
deze hoeveelheid is de prijs € 130.
c Een reactie verhoogt de winst: van € 0,9 miljoen naar € 0,95 miljoen. Het evenwicht
ligt ook bij (wel prijsverlaging, wel prijsverlaging).
Opbrengstenmatrix in het nieuwe jaar
Concurrent
Easyflight
Geen prijsverlaging
Geen prijsverlaging
(€ 2,4 miljoen, € 1,0 miljoen)
Wel prijsverlaging
(€ 1,6 miljoen, € 1,1 miljoen)
Wel prijsverlaging
(€ 2,45 miljoen, € 0,9 miljoen)
(€ 1,8 miljoen, € 0,95 miljoen)
d Beide lijnen verschuiven naar links. Deze lijnen zijn getekend gegeven een bepaalde
prijs bij de concurrent. Bij een lagere prijs bij de concurrent blijft er bij ieder prijsniveau
minder marktaandeel over voor Easyflight.
 MALMBERG
9
VWO 2E FASE
ANTWOORDEN MODULE 5
IT’S A DEAL!
e Als de residuele vraaglijn en MO-lijn beide naar links verschuiven, zal de prijs waarbij
de winst maximaal is dalen. Easyflight verlaagt dus wederom haar prijs, waarop de
concurrent wellicht weer zal reageren.
4
a In scenario 1 is de winst van Napia bij een hoge prijs groter dan bij een lage prijs,
hetgeen wijst op een lage prijsgevoeligheid, terwijl in scenario 2 het tegenovergestelde
het geval is.
b In scenario 1 (bij de hoge prijs) is de totale winst van Napia en Mioto samen groter
dan in een monopoliesituatie van Napia, hetgeen erop wijst dat Napia niet alle
consumenten kan bedienen, terwijl in scenario 2 het tegenovergestelde het geval is.
c Napia zal in scenario 1 altijd de hoge prijs vragen omdat de winst dan het hoogst is
(dominante strategie) en dus zal ook Mioto winst maken en toetreden terwijl Napia in
scenario 2 op grond van dezelfde overweging altijd de lage prijs zal vragen en dus zal
Mioto verlies maken en niet toetreden.
d In scenario 2. Napia realiseert in scenario 2 met het hanteren van een lage prijs bij
toetreding van Mioto de hoogst mogelijke winst, terwijl Napia in scenario 1 met het
hanteren van een hoge prijs bij toetreding van Mioto de hoogst mogelijke winst
realiseert.
e Argumenten voor en toelichting:
• Als Napia niet in staat is aan de totale consumentenvraag te voldoen, zijn
consumenten gebaat met een groter aantal aanbieders.
• Toetreding bevordert de concurrentie wat de consumenten voordeel kan opleveren in
de vorm van lagere prijzen/ meer keuze/ meer innovatie.
Argumenten tegen en toelichting:
• Door het verdelen van de productie over twee aanbieders gaan schaalvoordelen
verloren en kunnen de prijzen stijgen/ middelen om te investeren afnemen.
• Als er meer aanbieders komen, kunnen er problemen ontstaan bij de
standaardisering van de producten wat de bruikbaarheid kan aantasten.
Hoofdstuk 4 Onderhandelen
Verkenning
1
a Er is geen evenwicht te vinden dat voor beide partijen de beste oplossing biedt. Er
zijn twee evenwichten die een gelijke hoge collectieve uitkomst bieden.
b Ze gaat ook naar Anouk.
c Ze gaat toch naar Anouk.
d Naar Anouk.
e Eva zeker, want het levert haar het grootst denkbare surplus. Paula niet. Zij krijgt nog
meer surplus als ze beiden naar Jan Smit gaan.
f Nee, de opbrengst is 7 als beide spelers naar Anouk gaan; andere varianten hebben
allemaal een lagere collectieve opbrengst.
g Nee, bij de optie Anouk heeft Eva de beste keuze gerealiseerd. Bij het
gevangenenprobleem bevinden beide spelers zich in een niet-optimale keuze.
2
Een avondjurk is niet bruikbaar in de meeste andere situaties, een spijkerbroek kan
meestal ook naar het werk worden gedragen, of om boodschappen te doen.
3
De auto is nergens anders voor te gebruiken dan voor het ophalen van vuilnis.
4
B, C en F
 MALMBERG
10
VWO 2E FASE
ANTWOORDEN MODULE 5
IT’S A DEAL!
5
a Het belang van de juiste keuze wordt voor Rani groter. Dit heeft tot gevolg dat haar
opbrengsten bij de tijdsbesteding waarbij de jurk gebruikt wordt stijgen en de
opbrengsten bij het alternatief dalen. De opbrengstenmatrix verandert ten gunste van
een keuze waarbij de jurk wordt gedragen.
b Kopen van de rechten, maken van de decors, loonkosten van de werknemers,
reclamekosten, maken van de kostuums.
c Zo’n bedrijf maakt hoge kosten voorafgaand aan de verkoop van zijn product. Deze
kosten kunnen nauwelijks teruggedraaid worden.
d Als hij aan het begin van het traject geen deal kan maken met een andere partij, kan
hij nog vervangers zoeken. Later wordt dat veel moeilijker. Ook zijn de verzonken kosten
aan het begin minder hoog als hij vanwege tegenslagen de productie moet staken.
e Een onderhandelaar met hoge verzonken kosten kan zich moeilijker terugtrekken uit
de onderhandelingen. Hij moet tot een akkoord komen. De andere partij weet dat en kan
meer eisen.
6
a De tijd die hij in de cursus gestopt heeft. (Bovendien is de cursus niet nuttig bij ander
werk, blijkt in paragraaf 4.3.)
b De geldelijke kosten van de cursus en de kosten van de arbeidsuren die nu niet op de
zaak ingezet worden omdat de werknemer op cursus is.
c Hij maakt gebruik van het feit dat Ferdinand buiten het bedrijf geen gebruik kan
maken van de scholing en dus niet zo snel geneigd is om te vertrekken want dan is alle
tijd die aan de cursus besteed is voor niets geweest.
d De baas wil graag dat Ferdinand blijft, anders zijn de kosten van de cursus voor niets
uitgegeven. Dat maakt de positie van Ferdinand sterker om een hoger loon te eisen.
7
a Voordat hij aan het kunstwerk begint, had hij met de school een contract kunnen
afsluiten, waardoor de school niet kan afzien van de aankoop.
b De school is niet geneigd een contract te tekenen waarin staat dat ze iets koopt, maar
wat dat precies is, is op het moment van het tekenen van het contract niet bekend; er
wordt als het ware een blanco cheque afgegeven.
Toepassing
1
a De aangelegde rails kunnen niet voor een andere bestemming gebruikt worden.
b Als de investering niet rendabel is, moeten de kosten als verloren worden
beschouwd. Als er geen sprake is van verzonken kosten kan bij een negatief rendement
nog besloten worden om een deel van de kosten terug te verdienen op een alternatieve
manier.
c De keuze is dan tussen veel geld verliezen of nog meer geld verliezen. Dan is de
eerste variant de minst ongunstige.
d De lobby van bouwmaatschappijen, de druk van ambtenaren.
2
a Als de treinreis niet door kan gaan, in hun geval omdat de bus naar Chengdu niet
rijdt, is het geld verloren.
b Als de chauffeur bereid is om ze naar Chengdu te rijden, zijn de kosten van het
treinticket niet voor niets gemaakt en kunnen ze het Chinese oud op nieuw meemaken.
En zij winnen vijf dagen omdat ze niet op de bus hoeven te wachten.
c Door informatie van de man van het hotel; hij weet dat de vakantiegangers heel graag
willen terugreizen.
3
a ‘Als type 2 niet op de markt komt, kunnen de kosten van dit onderzoek als verloren
worden beschouwd.’
b Uit de matrix blijkt dat fabriek A bij type 2 hoge opbrengsten kan verwachten.
 MALMBERG
11
VWO 2E FASE
ANTWOORDEN MODULE 5
IT’S A DEAL!
c Fabriek A heeft met het kostbare onderzoek naar type 2 aangegeven juist dit type op
de markt te willen gaan brengen. Door de hoge kosten is er sprake van geloofwaardige
zelfbinding.
d Fabriek B verdient € 40 miljoen + € 22 miljoen = € 62 miljoen; fabriek A verdient € 80
miljoen – € 22 miljoen = € 58 miljoen.
e Er was fabriek A veel aan gelegen om tot samenwerking bij type 2 te komen. De
verzonken kosten maakte haar onderhandelingspositie zwakker.
4
a De rechten zijn nodig om de film te kunnen maken omdat de film gebaseerd is op de
muziek van de Beatles. En: Er kunnen andere producenten zijn die een remake willen
maken.
b Als de film flopt of niet doorgaat, zijn de kosten van het verwerven van de rechten
verloren. De rechten kunnen niet op een andere manier ingezet worden.
c Het algemene bezit van de rechten kan op allerlei manieren terugverdiend worden,
bijvoorbeeld door het verlenen van toestemming aan de filmmakers, maar ook door de
verkoop van cd’s, voor reclamedoeleinden en allerlei andere toepassingen.
5
a De passage ‘Die opeens aftrekbaar blijkt, van de prijs. Het gaat de goede kant op,
maar nog niet genoeg…’ Hoe lager de prijs, hoe meer het geschapen surplus bij de
aankoop van een keuken verschuift van producent naar consument.
b Het is bedoeld om de klant onder druk te zetten, dat hij snel beslist en niet meer bij
concurrenten gaat kijken.
c Het risico op een foute keuze is groot als je je laat opjagen. En de keukenfirma’s
moeten volgende week weer keukens verkopen; dan zijn er weer kortingen.
6
a Op dat punt kan niemand zijn opbrengst verhogen door voor ‘geen permanente
tijdelijke acties’ te kiezen.
b De winst is voor beide partijen hoger als er geen tijdelijke acties zijn.
c Door bijvoorbeeld via zelfbinding afspreken om beiden geen permanente ‘tijdelijke’
acties te voeren.
d Hoe meer aanbieders, hoe meer kans dat er een aanbieder bij zit die de afspraak
verbreekt. Ook de sociale normen zullen zwakker zijn als er meer aanbieders zijn, zodat
een samenwerkingsverband om geen acties te houden moeilijk stand houdt.
7
a Achter verschillende namen kan dezelfde aanbieder schuilgaan.
b Monopolistische concurrentie of heterogeen oligopolie, afhankelijk van het bestaan
van toetredingsdrempels.
c Als er weinig spelers zijn, is de kans groter dat alle spelers het collectieve belang
blijven dienen en er niet een speler tussen zit die voor het eigenbelang gaat.
8
a – Bij een prijs van € 100 is de vraag naar kaartjes precies gelijk aan de capaciteit
van het stadion zodat er geen tekort aan kaartjes ontstaat.
– Er zijn fans die meer dan € 100 hadden willen betalen zodat de opbrengsten bij
gelijke kosten hoger hadden kunnen zijn.
 MALMBERG
12
VWO 2E FASE
ANTWOORDEN MODULE 5
IT’S A DEAL!
b
c De financieel manager verwacht dat de fans − om de kans op een kaartje zo groot
mogelijk te maken − een bod zullen uitbrengen overeenkomstig hun (maximale)
betalingsbereidheid zodat een aantal fans meer zal bieden/betalen dan € 100.
d – Boze fans zouden kunnen proberen een boycot van het concert te organiseren
waardoor A&C vanwege de verzonken kosten met een groot verlies te maken zou
krijgen.
– Maar er is bij een prijs hoger dan € 60 voldoende vraag om het stadion vol te krijgen
en boze fans hebben geen machtsmiddel om fans met een hoge betalingsbereidheid
van een bod te laten afzien.
Herhaling
1
a ‘Committeer jezelf en je groepsleden aan een maatregel door om de beurt kleine
maar onomkeerbare stappen te zetten.’
b Alle spelers hebben een dominante keuze waarbij niets doen altijd beter is,
onafhankelijk van de keuze van de andere partij, terwijl een andere uitkomst (geen
klimaatverandering) voor beide partijen beter zou zijn.
c Bijvoorbeeld:
Speler B
Speler A
Veel investeren om een
ramp af te wenden
Niet investeren om een
ramp af te wenden
Veel investeren om een
ramp af te wenden
(– 40, – 40)
Niet investeren om een
ramp af te wenden
(– 80, 0)
(0, – 80)
(– 60, – 60)
(Totale kosten 80, totale schade 120. Beide spelers betalen de helft van de kosten. Als
één speler niet bijdraagt aan de kosten, betaalt de andere speler alle kosten.)
d Het kunnen oplossen van het klimaatprobleem wordt beloond met een goede
reputatie.
e Een goede reputatie kan buiten het gevangenenprobleem voordelen opleveren.
Bijvoorbeeld: de politicus met een goede reputatie wordt eerder gekozen voor een hoge
functie bij een gezaghebbende organisatie. Door een actie die het gevangenenprobleem
oplost te belonen met een verbeterde reputatie, is een speler eerder geneigd die actie te
ondernemen omdat het hem zelf voordeel gaat opleveren.
f Als er sancties worden geïntroduceerd, wordt de optie om niet bij te dragen minder
gunstig.
 MALMBERG
13
VWO 2E FASE
ANTWOORDEN MODULE 5
IT’S A DEAL!
g Bijvoorbeeld: niet investeren levert een boete van 50 op.
Speler B
Speler A
Veel investeren om een
ramp af te wenden
Niet investeren om een
ramp af te wenden
Veel investeren om een
ramp af te wenden
(– 40, – 40)
(– 80, – 50)
Niet investeren om een
ramp af te wenden
(– 50, – 80)
(– 110, – 110)
(Totale kosten 80, totale schade 120. Beide spelers betalen de helft van de kosten. Als
één speler niet bijdraagt aan de kosten, betaalt de andere speler alle kosten.)
2
a kosten per leerling bij kopen: € 100 + (€ 120.000 / 1000) = € 220
kosten per leerling bij huren: 1,2  (€ 170) = € 204
Deze laatste prijs per leerling voldoet aan de eis dat de kosten niet hoger worden dan de
vergoeding die de school van de overheid ontvangt.
b Voorbeelden van een juist argument zijn:
− Het grote marktaandeel van Boekhuur op de totale markt voor schoolboeken (75%)
maakt het voor de uitgeverijen noodzakelijk tot een overeenkomst te komen met deze
grote aanbieder.
− Het grote marktaandeel van Boekhuur op de totale markt voor schoolboeken (75%)
maakt het voor de uitgeverijen efficiënt om met deze partij te onderhandelen en tot een
overeenkomst te komen.
c Het marktaandeel van deze drie uitgeverijen is samen zo groot (rechterdiagram in
bron 4) dat Boekhuur niet in staat zal zijn zonder de levering door deze uitgeverijen een
volwaardig huurpakket voor schoolboeken aan te bieden.
d € 195. Ongeacht de prijs die RAB zal kiezen, behaalt Boekhuur de hoogste totale
winst bij een eigen prijs van € 195 (42 > 34 en 31 > 19).
e Voor Boekhuur en Rent-A-Book is de keuze voor € 195 altijd de beste strategie,
gegeven de keuze van de ander. Dus zou een prijsafspraak nodig zijn om te bereiken
dat beide een hogere winst realiseren bij een prijs van € 204.
f Voor beide partijen geldt dat het eenzijdig schenden van de afspraak tot een hogere
winst leidt.
3
a De drogisterijafdeling bij Albert Heijn zal ook producten of merken verkopen die Spar
niet heeft. Het totale aanbod in het dorp zal toenemen, waardoor het totale aantal
Belgische klanten zal toenemen.
b Ja, als zij geen uitbreiding doet, zal Spar geen prijzenoorlog aangaan (€ 3,5 miljoen is
meer dan € 3 miljoen) en boekt Albert Heijn € 3,5 miljoen winst. Als Albert Heijn wel
uitbreidt, start Spar ook geen prijzenoorlog (€ 3 miljoen is meer dan € 2,5 miljoen) en
boekt Albert Heijn € 4,5 miljoen winst.
c Spar somt controleerbare feiten op. Of in België de werkloosheid stijgt, is na te gaan.
Dat Spar duurder is dan Albert Heijn is bij beide bekend en controleerbaar. Dat het
prijsverschil tussen België en Nederland groot is bij drogisterijproducten, is ook te
controleren. Spar noemt geen bedrijfseconomische gegevens van zichzelf op die door
Albert Heijn moeilijk(er) controleerbaar zijn.
d Nee, Spar start nu wel een prijzenoorlog (€ 2,5 miljoen is meer dan € 2 miljoen),
waardoor Albert Heijn € 3 miljoen winst maakt (als zij uitbreidt) in plaats van € 3,5
miljoen (als zij niet uitbreidt).
4
a Van het handhaven van de openbare orde profiteert iedereen; daar kun je
consumenten niet van uitsluiten. (Anderzijds: surveillerende agenten kunnen geen
andere taken doen. Consumptie van surveillance gaat ten koste van andere consumptie.
 MALMBERG
14
VWO 2E FASE
ANTWOORDEN MODULE 5
IT’S A DEAL!
Dus het is geen 100% goed voorbeeld van een collectief goed.) Het bewaken van een
bedrijf komt vooral ten goede van het bewaakte bedrijf zelf; de veiligheid van andere
bedrijven verbetert er niet of nauwelijks door.
b
De opbrengstenmatrix voor het economiespel van collectieve goederen
Gezin B
Gezin A
Wel bijdragen
Wel bijdragen
(€ 150, € 150)
Niet bijdragen
(– € 100, € 400)
Niet bijdragen
(€ 400, – € 100)
(€ 0, € 0)
c Gezien de actie van de ene speler, kiest de andere speler voor een actie waarbij het
collectieve belang geschaad wordt. De spelers komen in een situatie waarbij ze beiden
slechter af zijn dan in het alternatief.
d Met maar twee gezinnen is de kans op sociale controle en zelfbinding relatief groot.
Bij een straat met twintig gezinnen is de kans groot dat een aantal gezinnen niet
meedoet, waardoor andere gezinnen ook weer niet meedoen enzovoort. Ze wonen ook
wat afgelegen; ze zijn dus meer op elkaar aangewezen. En er kan vooraf een bindend
contract getekend worden.
e De bewaking van individuele gebouwen heeft veel minder sterke positieve externe
effecten. Andere consumenten worden uitgesloten van consumptie. Meeliftgedrag speelt
dus niet, en dus ook niet het gevangenenprobleem.
5
a Ja, iemand legt zich vast op het maken van bepaalde keuzes. Hij bindt zich en sluit
andere keuzes uit.
b De patiënt bindt zich in een periode dat hij zich goed voelt en verantwoord kan
nadenken over wat voor hem of haar een goede behandeling is. De zelfbinding wordt
vastgelegd in een schriftelijke verklaring.
c Bij zowel economie als in de psychiatrie is het doel er beter van te worden door
middel van het wegnemen van keuzes.
6
a
Basic BV
Arion
Cross-over van sportfiets en mountainbike
Racefiets met accu
Cross-over van sportfiets en mountainbike
(€ 8 miljoen, € 4 miljoen)
(€ 2 miljoen, € 1 miljoen)
Racefiets met accu
(€ 1 miljoen, € 2 miljoen)
(€ 5 miljoen, € 7 miljoen)
b Bijvoorbeeld: sommige kosten kunnen worden gedeeld, zoals de marketingkosten en
de ontwikkelkosten.
c Arion kan bijvoorbeeld voorstellen om een groter deel van de ontwikkel- of
marketingkosten kosten voor zijn rekening te nemen, zodat het voordeel voor een deel
overgeheveld wordt van Arion naar Basic BV.
7
Als gevolg van het gevangenenprobleem vangen vissers meer vis dan verantwoord is,
waardoor de visstand achteruitgaat. Paling en blauwvintonijn zijn twee bedreigde
soorten.
8
a Het spoor ligt waar het ligt, het is daarbij niet flexibel. De capaciteit blijft beperkt.
b Er kan veel, relatief milieuvriendelijk, tegelijk vervoerd worden, het passagiersvervoer
is redelijk comfortabel. Er kunnen veel mensen tegelijkertijd worden vervoerd (zet maar
eens het aantal auto’s achter elkaar dat evenveel personen vervoert als een trein).
 MALMBERG
15
VWO 2E FASE
ANTWOORDEN MODULE 5
IT’S A DEAL!
c De nieuwe spoorrails kunnen niet op een andere manier worden gebruikt. Het
netwerk moet voor treinvervoer ingezet worden, anders is de investering voor niets
geweest.
d Het spoorwegnet heeft al ruimte ingenomen, zodat het relatief makkelijk omgebouwd
kan worden in een net van asfaltwegen. Het zou veel moeilijker zijn om vanuit een ‘leeg’
landschap een nieuw netwerk van wegen op te bouwen. De investering in een
spoorwegnet maakt dus (letterlijk) de weg vrij voor een nieuw, ander, netwerk.
Verplichte context
1
a Als er bedrijven failliet gaan wordt de concurrentie minder en kunnen de prijzen hoger
worden dan vóór de prijzenoorlog het geval was.
b Bij een homogeen oligopolie. Bij een heterogeen oligopolie hebben de aanbieders
door het specifieke product meer hun eigen markt. Een prijsverlaging van een
concurrent snoept minder klanten weg.
c Bijvoorbeeld: de prijzen liggen hoger dan zonder kartelvorming.
2
a De prijselasticiteit is laag. Als de marktprijzen verlaagd zouden worden, komen er
nauwelijks meer mensen naar de markt. De gevraagde hoeveelheid reageert dus
nauwelijks op een prijsverlaging. En waarschijnlijk ook niet op een prijsverhoging omdat
de meeste mensen om andere redenen naar de markt gaan, bijvoorbeeld voor de
gezelligheid.
b Als de prijzen verlaagd worden komen er nauwelijks meer klanten en daalt de omzet.
De markt zou de ‘oorlog’ verliezen.
c Als een deel van de marktkooplui de prijzen verlaagt, lift de rest mee met deze actie.
Zij hebben het voordeel van meer klanten en niet het nadeel van de lagere prijzen die
door een lage elasticiteit minder omzet veroorzaakt.
d Aldi is één bedrijf, de marktkooplui zijn allemaal verschillende bedrijfjes. Het is heel
moeilijk om met elkaar prijsverlagingen af te spreken.
3
a De gedaalde energieprijzen. De kleinere aanbieders kopen de energie tegen lagere
prijzen in, en kunnen de verkoopprijs daardoor laag houden. Grotere aanbieders hebben
de energie al eerder, tegen hogere prijzen, moeten inkopen.
b Op langere termijn vallen nieuwe klanten ook onder de grote groep klanten waarvoor
de energiemaatschappij grootschalig ruim van tevoren de energie moet inkopen, wat
extra kosten met zich meebrengt en dus hogere kosten.
4
a Als Okura de prijzen verlaagt, kost het jaren om weer op het oude prijspeil terug te
keren. In die tijd blijft de winst beperkt, of is geen winst te behalen.
b Als de prijs verlaagd wordt, kan de kostprijs kennelijk nauwelijks omlaag, want de
winst daalt fors, of slaat zelfs om in een verlies (zie de bron). Anders gezegd: de
gemiddelde kosten per overnachting zijn hoog, vanwege de hoge vaste kosten.
c Bijvoorbeeld: huur van het pand, onderhoud van het pand, een (groot) deel van de
personeelskosten.
d Bijvoorbeeld: de inkoop van voedsel.
e Albert Heijn wil bijvoorbeeld dat de leveranciers van de producten waar veel korting
op gegeven wordt, hun producten goedkoper leveren omdat zij ook profiteren van de
hogere afzet. Zo beperkt Albert Heijn de inkoopkosten, wat variabele kosten zijn.
5
a ‘Niet meedoen is geen optie voor supermarkten’, aldus Gerard Rutte van
uwsupermarkt.nl in het Nederlands Dagblad. ‘In dit economisch klimaat oriënteert de
klant zich opnieuw, hij bezoekt de goedkopere winkels: Aldi, Lidl en Dirk.’ Deze
opmerking maakt duidelijk dat de klant gevoeliger is geworden voor prijsverlagingen.
 MALMBERG
16
VWO 2E FASE
ANTWOORDEN MODULE 5
IT’S A DEAL!
b De passage: ‘Volgens analisten is Albert Heijn financieel in de beste positie om de
prijzenoorlog lang vol te houden, omdat de winst groter is dan die van de meeste
concurrenten’. Albert Heijn is de sterkste, de concurrenten weten dat. Albert Heijn kan
dus uitstralen dat hij de prijzenoorlog voortzet.
6
a Leveranciers lijden verlies, de kwaliteit van producten daalt, er verdwijnt
werkgelegenheid, winkels verdwijnen waardoor de leefbaarheid in dorpen en
woonwijken daalt. En: Milieu en dierenwelzijn gaan achteruit.
b Consumenten houden geld over wat ze op andere markten (nu of later) kunnen
uitgeven. De werkloosheid daalt en de bedrijvigheid neemt toe.
c Geen enkele aanbieder kan zijn positie verbeteren door niet mee te doen. Onderlinge
afspraken zijn moeilijk te maken, omdat een of enkele aanbieders, zeker op langere
termijn, profijt hebben van de prijzenoorlog. Bovendien: onderling contact om een einde
te maken aan de prijzenoorlog is bij wet verboden.
7
a Albert Heijn schakelt steeds meer over naar huismerken om het prijspeil laag te
houden, zodat hij geen marktaandeel verliest waardoor een nieuwe prijzenoorlog nodig
zou zijn. De invloed op de (lever)prijs van huismerken is veel groter dan op A-merken;
Albert Heijn heeft zodoende meer grip op zijn prijsbeleid.
b De supermarkten bepalen niet eenmalig hun prijsniveau, maar in de loop van de tijd
elke keer opnieuw.
c Als een supermarkt een prijzenoorlog ontketent, verliest de zaak aan goede reputatie
ten opzichte van de concurrenten. Dat kan in de toekomst in zijn nadeel uitwerken
(concurrenten vertrouwen hem niet meer, waardoor in de toekomst de markt vaker met
het gevangenenprobleem van lage prijzen kampt). Het voordeel van een lage prijs op
korte termijn wordt dan tenietgedaan door het nadeel op lange termijn. Gevolg: de
supermarkt start geen prijzenoorlog.
8
a
Twee uiterste situaties op de markt van
medicijnen
Een prijzenoorlog tussen medicijnfabrikanten
Kartelvorming
Mogelijke nadelen
– Medicijnfabrikanten gaan failliet, waardoor
de markt monopolistisch wordt, en de prijzen
(te) hoog worden.
– Apotheken kunnen niet rondkomen als
gevolg van de lage prijzen.
– Verkoopprijzen zijn zo laag dat fabrikanten
niet voldoende onderzoek naar nieuwe
medicijnen kunnen doen.
– Te hoge prijzen werken nadelig voor de
consument.
– Bij de aanbieders weinig stimulans voor
innovatie.
b 3–1–4–5–2–6
9
a De vraag is gedaald, de olieprijs is gedaald, aanbieders komen met kortingsacties.
b Consumenten wachten met bestellen omdat ze een verdere daling verwachten; het is
crisis en het is dus de vraag of consumenten bij een lagere prijs wél toehappen.
c De inkomenselasticiteit van de vraag is bij een luxe goed hoger. Als het inkomen in
een tijd van recessie tegenvalt, daalt de gevraagde hoeveelheid ook sterk. Aanbieders
zien de afzet flink dalen en gaan prijsdalingen doorvoeren om afzet terug te veroveren.
d Het zijn luxe goederen.
 MALMBERG
17
VWO 2E FASE
ANTWOORDEN MODULE 5
IT’S A DEAL!
10 a In dit geval is er ruzie tussen een leverancier en een afnemer. Dat is een andere
‘oorlog’ dan tussen concurrenten van hetzelfde product.
b De consumentenprijs verandert niet. De ‘oorlog’ betreft de verdeling van het
producentensurplus tussen twee aanbieders. Het totale producentensurplus blijft gelijk.
Bij een ‘gewone’ prijzenoorlog daalt de consumentenprijs, waardoor er surplus
overgeheveld wordt van de producenten naar de consumenten.
 MALMBERG
18
VWO 2E FASE
ANTWOORDEN MODULE 6
STOP! GEEN RISICO!?
Hoofdstuk 1 Er zijn risico’s en risico’s
Verkenning
1
De pensioenen worden gefinancierd met een kapitaaldekkingsstelsel. Als de koersen
van de aandelen stijgen en/of de rente stijgt, kan de dekking van de pensoenen weer op
aanvaardbaar peil komen. De AOW wordt gefinancierd met een omslagstelsel. De
vergrijzing maakt de betaalbaarheid tot een probleem. De vergrijzing is niet op korte
termijn ten einde.
2
a De aandelenkoersen kunnen dalen. Als een belegger de aandelen verkoopt bij de
lagere koers, lijdt hij verlies.
b Je verliest alleen je geld als de bank failliet gaat en het geld niet gedekt is door het
garantiefonds van DNB. Dat is een heel kleine kans. Banken gaan niet snel failliet, en de
meeste banken vallen onder het Nederlandse depositogarantiefonds.
c Bijvoorbeeld: het risico op een ziekte.
3
a 1/300  € 9.000 = € 30
b Bijvoorbeeld: het aantal diefstallen in de straat in de afgelopen tien jaar geeft geen
zekerheid dat de frequentie de komende jaren hetzelfde blijft. En: het automerk waar Jan
in rijdt kan meer of minder gevoelig zijn voor diefstal dan andere merken.
c Het risico stijgt, niet door een hogere waarde van de auto, maar door een hogere
kans op diefstal.
4
De waarde van een scooter is redelijk goed inschatbaar, beter dan van het exclusieve
meubelstuk. En de kans op diefstal is bij een scooter beter in te schatten, bijvoorbeeld
doordat er statistieken beschikbaar zijn van diefstalcijfers.
5
De scheiding tussen onvrijwillig en vrijwillig is voor discussie vatbaar. Een voorbeeld van
een indeling is: 1, 3, 4, 6, 8, 9 en 10 zijn onvrijwillige risico’s, 2, 5 en 7 zijn vrijwillige
risico’s.
6
Bijna alle risico’s worden beïnvloed door het gedrag van mensen. Het is bij sommige
risico’s ook voor discussie vatbaar of een risico niet te vermijden is. Maar er zijn
uitzonderingen, zoals aangeboren erfelijke aandoeningen die zich later in het leven met
een kans openbaren.
7
a De ene keer wint ze € 4, de andere keer verliest ze € 4. De kans op winst is gelijk aan
het verlies. Op lange termijn komen beide situaties evenveel voor en speelt ze dus
‘quitte’.
b Ook € 0; € 20 winst en € 20 verlies komen even vaak voor.
c De verwachte opbrengst.
8
a 1/2  € 7 + 1/2  –€ 5 = € 1
b €5
c 1/2
d 1/2  € 5 = € 2,50
e D = 1/2  € 15 + 1/2  –€ 13 = € 1; E = € 13; F = € 6,50
f De verwachte opbrengst is hetzelfde als bij loterij II, maar het risico is lager.
g De verwachte opbrengst van loterij II is hetzelfde als bij loterij I, maar de kans op een
hoge winst is bij loterij II wel aanwezig en bij loterij I niet.
h Sjors, hij mijdt het hogere risico van loterij II, terwijl de verwachte opbrengst van beide
loterijen dezelfde is.
 MALMBERG
19
VWO 2E FASE
ANTWOORDEN MODULE 6
STOP! GEEN RISICO!?
Toepassing
1
a
b
c
–
–
–
d
1/500  € 10.000 + 499 / 500  € 0 = € 20
499 / 500  € 25 = € 24,95
Eigen antwoord leerling. Mogelijke antwoorden:
Nee, want de kans op een prijs is erg klein.
Nee, want de verwachte opbrengst is lager dan de prijs van een lot.
Ja, want er bestaat een kleine kans dat ik heel veel geld win.
Loterij
Eurobingo
Lucky Lot
Krasloterij
Prijs
per lot
€ 25
€ 25
€ 25
Kans op
een prijs
1/500
1/100
1/10
Uitbetaling op
een winnend lot
€
10.000
€
2.000
€
200
Verwachte
uitkering
€ 20
€ 20
€ 20
Mogelijke
schade
€ 25
€ 25
€ 25
Risico
€ 24,95
€ 24,75
€ 22,50
e Ze moet zich afvragen: wil ik een grotere kans maken op een kleinere prijs, of een
kleinere kans op een grotere prijs?
f De krasloterij. Deze loterij heeft het laagste risico bij een gelijke verwachte uitkering.
g Eurobingo, dat is de enige met een kans op een hoge uitkering.
2
a De verwachte opbrengst is in deze bron de geschatte opbrengst bij verkoop waarbij
geen rekening wordt gehouden met de kans op verkoop.
b Niet alle tekeningen worden verkocht: 30% werd niet verkocht. De tekening van
Hergé loopt ook de kans niet verkocht te worden.
c 0,8  € 7.000 = € 5.600
d De kans op verkoop is niet zeker. En vooral de verkoopprijs is onzeker, bleek
achteraf. De uiteindelijke verkoopprijs lag ver boven de ingeschatte verkoopprijs.
3
a Ja, de kans op een gebeurtenis wordt vermenigvuldigd met de schade (‘de ernst’).
b De komst van een kerncentrale is voor de inwoners van het gebied een onvrijwillig
risico. Onvrijwillige risico’s worden al snel onaanvaardbaar geacht. Mensen die naar een
gebied verhuizen waar een kerncentrale gevestigd is, doen dit vrijwillig. Vrijwillige risico’s
worden veel eerder geaccepteerd.
c Mensen die dichtbij de centrale wonen ondergaan de negatieve externe effecten (het
risico), mensen die op grote afstand wonen niet of minder (= gevoelde oneerlijke
verdeling van de negatieve externe effecten). Terwijl iedere inwoner, ook die veraf
wonen van de centrale, de voordelen genieten (het gebruik van de opgewekte energie).
4
C
5
a De hoeveelheid testosteron die in iemands lichaam zit.
b Riet heeft gelijk. Omdat vrouwen gemiddeld minder testosteron hebben dan mannen
en de hoeveelheid testosteron (volgens bron 8) de mate van risicoaversie bepaalt, klopt
haar statistische feit. Zij zegt niets over de oorzaak van het verschil.
c Als het omgaan met grote risico’s onvermijdelijk verbonden is met de financiële
instellingen, is het feit van Quinten te verdedigen. Als dit niet het geval is, en de
financiële sector ook beter af kan zijn met personeel dat minder risico neemt, heeft Riet
gelijk.
d Quinten heeft gelijk. Riet draait oorzaak en gevolg om.
 MALMBERG
20
VWO 2E FASE
ANTWOORDEN MODULE 6
STOP! GEEN RISICO!?
Hoofdstuk 2 Het verzekeren van een risico
Verkenning
1
a Bijvoorbeeld: een reisverzekering waarbij diefstal van spullen verzekerd is. Meestal is
de waarde van de spullen beperkt en kan de vakantieganger de schade ook zelf betalen.
b De verzekeraar kan niet controleren of er werkelijk iets gestolen is op vakantie. De
verzekerde bedragen zijn bovendien vaak zo laag dat controle niet zou lonen.
c De schade aan het huis moet aantoonbaar zijn; de verzekeraar komt vaak
controleren omdat het meestal om grotere bedragen gaat.
2
a Als de fiets volgend jaar gestolen wordt, zijn de kosten geen € 60, maar € 600. Als de
leerling dit bedrag niet kan betalen en een fiets noodzakelijk is, is verzekeren verstandig
om deze kans uit te sluiten.
b Een risicoaverse leerling, die wil de kans op een schade van € 600 niet lopen.
3
a Enerzijds onvrijwillig: diefstal is geen ‘logisch’ risico bij een vakantie, zoals een
beenbreuk wel een risico is bij een skivakantie. Anderzijds waren ze erg onvoorzichtig,
waardoor ze zelf de kans groter hadden gemaakt.
b Met een verzekering worden sommige verzekerden zorgelozer: ‘De verzekering
betaalt wel.’
c Ze lijken niet risicoavers door zo makkelijk met hun spullen om te gaan (als ze niet
verzekerd zijn). Ze denken niet zo na over risico’s, waardoor de kans dat ze een
verzekering afsluiten kleiner is.
4
1F, 2D, 3A, 4C, 5E, 6B
5
C
6
a 1/20  € 500 = € 25
b TO = TK = 2000  € 25 = € 50.000
7
a De premie is hoger dan de verwachte uitbetaling per verkeringsnemer.
b Er zijn nog andere kosten, dan alleen de uitbetalingen als gevolg van schade.
Bijvoorbeeld: personeelskosten, huur van het pand. Ook: moreel wangedrag (wordt in
paragraaf 2.3 behandeld).
8
a 1/50  € 1.500  3000 = € 90.000
b TK = € 90.000 + € 30.000 = € 120.000
€ 120.000 / 3000 = € 40
9
TK = 14.000  € 80 + € 400.000 = € 1.520.000
€ 1.520.000 / 14.000 = € 108,57
10 a Averechtse selectie (alleen klanten met een hoog risico verzekeren zich) en moreel
wangedrag van klanten, beide het gevolg van onvoldoende informatie (de klant weet
meer dan de verzekeraar).
b De premie zal hoger zijn dan anders nodig was. Doordat alleen ‘slechte’ klanten zich
verzekeren en verzekerden zich roekelozer gaan gedragen, moet de verzekeraar meer
uitkeren dan anders nodig zou zijn.
11 a Dankzij Azra kan de premie laag blijven; dat is in het belang van Ingmar.
b De verzekeraar kan met een lage premie beter concurreren met andere aanbieders
van verzekeringen.
 MALMBERG
21
VWO 2E FASE
ANTWOORDEN MODULE 6
STOP! GEEN RISICO!?
12 a A = 120, B = 680, C = 600, D = 200, E = 1200, F = –400
b Totaal aan ontvangen premies: 300 klanten  € 800 = € 240.000
Totaal aan uitkeringen: 100  (€ 120 + € 600 + € 1.200) = € 192.000
€ 240.000 – € 192.000 – € 18.000 = € 30.000
13 a Moreel wangedrag. Klant 1 was heel voorzichtig, maar de automobilist wordt
onvoorzichtiger omdat hij toch verzekerd is.
b A = 240, B = 560
c Klant 1 kost nu € 240 in plaats van € 120; dat is een extra kostenpost van
100  € 120 = € 12.000. De winst daalt met € 12.000 (tot € 18.000).
d Verhogen. Het gemiddelde risico van alle klanten is hoger geworden door het
gewijzigde gedrag van klant 1.
14 a Bij alle klanten daalt de kans op schade. Zij letten dus beter op, omdat ze anders hun
eigen risico moeten betalen.
b De premie is verlaagd. Wie geen schade veroorzaakt, is goedkoper uit.
c Een kans van 1/30 op een uitkering van € 5.500 = 1/30  € 5.500 = € 183,33.
d 1/30 kans op € 500 eigen risico = 1/30  € 500 = € 16,67.
e Klant 2 en 3 hebben een grotere kans op schade, en dus een hoger individueel risico
voor de verzekeraar.
f A = 1/15  € 5.500 = € 366,67; B = 1/15  € 500 = € 33,33;
C = € 700 – € 366,67 = € 333,33; D = 1/10  € 5.500 = € 550;
E = 1/10  € 500 = € 50; F = € 700 – € 550 = € 150.
15 a De groepen moeten te onderscheiden zijn (bijvoorbeeld: groep 3 bestaat
(voornamelijk) uit jongeren, groep 2 uit volwassenen tot 65, groep 1 uit ouderen).
Onderlinge doorverkoop is niet mogelijk.
b Er is geen financiële prikkel meer om geen schade te veroorzaken. Een jongere
betaalt een hogere premie, of hij nu veel of weinig schade veroorzaakt.
c Moreel wangedrag wordt beperkt met verhóging van de premie na wangedrag, níét
met een vaste hoge premie.
d Averechtse selectie.
e Als je geen schade declareert, krijg je korting op de premie en betaal je dus minder
premie.
16 A en D
17 Alle vier de oplossingen zijn geschikt.
18 a Met een ziektekostenverzekering laten mensen zich eerder behandelen bij ziekte.
Een gezonde(re) bevolking heeft positief externe effecten: voordelen voor de hele
maatschappij, bijvoorbeeld een gezondere beroepsbevolking, waardoor er meer
geproduceerd kan worden.
b (12  € 58,30) + € 100 = € 799,60
c (12  € 51,10) + € 100 = € 713,20
d (12  € 35,40) + € 100 = € 524,80
e € 800
19 a
b
c
d
(12  € 62,90) + € 200 = € 954,80
(12  € 55,20) + € 400 = € 1.062,40
(12  € 39) + € 600 = € 1.068
€ 200
 MALMBERG
22
VWO 2E FASE
ANTWOORDEN MODULE 6
STOP! GEEN RISICO!?
20 1 = laag, 2 = hoog
21 C
22 Ziektekostenrisico’s zijn (voor een deel) onvrijwillige risico’s. Mensen kunnen er niets
aan doen als ze ziek worden. En de zorg voor een goede gezondheid is voor iedereen in
Nederland een basisrecht. Dat is democratisch zo besloten. Daarom zijn wij solidair met
de minder gezonde Nederlander. Iedereen kan tenslotte ziek worden. Risico’s die
verbonden zijn met reizen zijn meer vrijwillige risico’s (en reizen is minder belangrijk dan
gezondheid. Let op: je kunt ook ziek worden door te reizen, maar reizen als zodanig is
geen, democratisch verkregen, basisrecht).
23 a Bij de eerste is het gehele volk verzekerd, bij de tweede alleen werknemers.
b Alle werknemers.
c De premie kan relatief laag blijven omdat iedereen meedoet. En iedere Nederlander
(of werknemer) is verzekerd. Bij een particuliere verzekering valt de premie bij hoge
risico’s, zoals het risico op werkloosheid, te hoog uit voor mensen met een laag
inkomen.
Toepassing
1
a Bijvoorbeeld: hij heeft er zelf jaren mee gereden, de tijd gehad om de auto uitgebreid
te laten keuren, of door zijn beroep meer verstand van auto’s.
b Asymmetrische informatie.
c 1/2  € 6.000 + 1/2  € 15.000 = € 10.500
d De verkoper wil minstens € 13.000 ontvangen voor de auto. Hij weet dat het een
goede auto is. De koper wil dit bedrag niet betalen omdat de verwachte opbrengst lager
is. De koper weet niet of hij een goede auto koopt.
e De kopers zijn bereid om een prijs tussen € 5.000 en € 7.000 te betalen. En dat is
meer dan wat verkopers willen ontvangen voor een slechte auto.
f De consumenten die een slechte auto willen, kopen wel een auto; de consumenten
die een goede auto willen niet. Het uiteindelijke resultaat: op de markt worden alleen
maar slechte auto’s verkocht, de goede auto’s verdwijnen van de markt.
2
a Klanten krijgen hun spaargeld (tot een bepaald maximum) vergoed als de bank failliet
gaat, mits de bank aangesloten is bij het stelsel. De overgebleven banken betalen de
vergoedingen aan de klanten van de failliet gegane bank.
b Vooral banken die veel risico nemen en dus eerder kans lopen op gebrek aan
vertrouwen bij spaarders, willen graag onder het depositogarantiestelsel vallen.
c De goede banken die verantwoorde risico’s nemen betalen de schade veroorzaakt
door de banken die te hoge risico’s nemen.
d ‘Zulke banken nemen volgens Moerland een “moral hazard”; ze nemen te hoge
risico’s in de wetenschap dat ze er, als het fout gaat, niet voor worden gestraft.’ Het
depositostelsel verzekert de klanten van de banken dat ze hun geld terugkrijgen (tot een
bepaald maximum). Dit stelsel houdt het vertrouwen van de klanten in de banken op
peil, ook als ze het vertrouwen niet waard zijn.
e Banken die veel risico nemen, betalen een hogere premie. Het is dan in hun
(financiële) belang om de risico’s te beperken.
f ‘De Rabo-baas wil een strengere selectie van banken voor deelname aan het stelsel.
“De Nederlandsche Bank moet banken kunnen verbieden spaargeld op te halen of daar
strenge eisen aan verbinden,” stelt Moerland voor.’
 MALMBERG
23
VWO 2E FASE
ANTWOORDEN MODULE 6
STOP! GEEN RISICO!?
3
a Mannen rijden meer schade dan vrouwen (volgens bron 13 vijf schadevrije jaren bij
mannen versus zeven schadevrije jaren bij vrouwen). Als gevolg van de
prijsdiscriminatie wordt de asymmetrische selectie beperkt.
b Het is onduidelijk of mannen meer schade rijden, want bron 14 geeft aan dat mannen
juist langer schadevrij rijden.
c Discriminatie op basis van geslacht kan als een onrechtvaardigheid beschouwd
worden, ook omdat daarmee op ieder individu het gemiddelde kenmerk van de groep
wordt toegepast.
d Nee, de verzekerden kunnen geen financieel voordeel halen uit goed gedrag.
e Bron 12. De kans op overlijden binnen een bepaalde periode is bij vrouwen kleiner
dan bij mannen, omdat vrouwen gemiddeld langer leven. Een kleinere kans op overlijden
betekent voor de verzekeraar een kleinere kans op kosten, waardoor de premie lager
kan zijn.
f Rijden vrouwen langer of korter schadevrij (bron 13 versus bron 14)? Betalen
vrouwen bij de levensverzekering meer of minder premie (bron 11 versus bron 12)? Ook
het aantal jaren schadevrij rijden spoort niet met bron 13 in vergelijking met bron 14.
g Bijvoorbeeld: vrouwen maken minder risicovolle reizen, of letten beter op hun spullen
op reis (bij een reisverzekering). Een vrouw gaat zorgvuldiger met vuur om (controleert
beter of het gas uit is, houdt de frituurpan beter in de gaten), of rookt niet in bed omdat
het gevaarlijk is (bij een opstalverzekering). Een vrouw is banger uitgevallen en sluit het
huis zorgvuldiger af, kiest eerder voor goed hang- en sluitwerk (bij inboedelverzekering).
4
a De klant kan niet goed inschatten wat de kwaliteit van de makelaar is; de makelaar
weet dit van zichzelf veel beter.
b De klant is niet bereid om veel geld te betalen voor de dienst van een makelaar
omdat de kans te groot is dat het geen goede makelaar is. Goede makelaars moeten
wel een hoge prijs vragen om hun kosten te kunnen betalen. Maar omdat de klant deze
prijs niet wil betalen, verdwijnen goede makelaars van de markt.
c Bijvoorbeeld: een keurmerk afgeven dat goede makelaars onderscheidt van minder
goede.
d De Consumentenbond is een onafhankelijk orgaan dat eerder geloofd wordt door de
consument. Onder de beroepsgroep makelaars vallen ook de makelaars met slechte
dienstverlening die van zichzelf ook zeggen dat hun dienstverlening goed is. Door de
asymmetrische informatie weet de consument niet welke makelaars hij kan geloven op
hun woord.
5
a Mensen met een hoog inkomen hebben (gemiddeld) ook meer waardevolle spullen in
huis staan. Anders gezegd, als je veel verdient, is het minder gek om een dure
postzegelverzameling in huis te hebben. De inkomensgegevens zijn een
betrouwbaarheidscheck.
b Hoe hoger de herbouwwaarde, hoe groter het huis (gemiddeld) is, waardoor er ook
meer spullen in huis zullen staan; wederom een betrouwbaarheidscheck.
c Als er geen schade is, hebben zij voordeel aan de lagere premie. Als er wel schade
is, worden niet alle kosten vergoed.
d 12  € 15,60 = € 187,20
e 12  € 28,35 = € 340,20
f 1/20  € 6.000 = € 300
g De verzekeringsmaatschappij moet er ook de overige kosten van kunnen betalen en
er winst mee behalen.
h Het voordeel is € 340,20 – € 187,20 = € 153 per jaar. De verwachte schade per jaar is
€ 300, maar bij onderverzekering krijgen zij maar € 80.000 / € 120.000  100 = 66,7%
uitbetaald. De extra kosten bij onderverzekering zijn dus 33,3% van € 300 = € 100 per
jaar. Onderverzekering loont dus.
 MALMBERG
24
VWO 2E FASE
ANTWOORDEN MODULE 6
STOP! GEEN RISICO!?
i De sprong in premie bij de drempel van € 100.000 is erg groot. Daardoor is het voor
klanten voordelig om zich onder te verzekeren als de waarde niet te ver boven de
€ 100.000 valt. De verzekeraar zou dus meer categorieën kunnen onderscheiden als
oplossing.
j € 210.000 / € 1.000  € 1,15 = € 241,50
k Bij onderverzekering krijgen ze niet alle schade uitbetaald, maar bij een huis kan dat
een behoorlijk groot bedrag zijn waardoor ze in financiële moeilijkheden komen.
Bovendien hanteert de verzekeringsmaatschappij bij de premies geen ‘breuk’ zoals bij
de inboedelverzekering, waardoor onderverzekeren minder voordeel oplevert.
6
Klanten zijn met een verzekering met eigen risico altijd goedkoper uit, ook als er veel
kosten gedeclareerd worden. Bijvoorbeeld: bij een premie met € 300 eigen risico zijn de
maximale kosten 12  € 110 + € 300 = € 1.620; zonder eigen risico 12  € 140 =
€ 1.680.
7
a Voorbeelden van een juist antwoord zijn:
− Vrije toetreding: uit de toelichting moet blijken dat de voorwaarde van een vergunning
de toetreding beperkt.
− Homogeen product: de kenmerken met betrekking tot prijsvorming, routes en rijtijden
zijn een indicatie voor heterogeniteit van het product.
– Het marktmechanisme werkt niet want taxi’s concurreren niet tegelijkertijd voor
dezelfde klant; de taxi’s wachten hun beurt af in een rij.
b Oud: € 5,12 + (5  € 1,94) = € 14,82
Nieuw: € 7,50 + ((5 − 2)  € 2,20) = € 14,10
c Voorbeelden van een juist antwoord zijn:
− Het nieuwe stelsel kan taxichauffeurs verleiden tot misbruik van hun
informatievoorsprong, omdat ze zien dat het nieuwe tariefstelsel voor hen pas meer
oplevert dan het oude, als ze relatief langere ritten maken.
− Het nieuwe stelsel kan taxichauffeurs verleiden tot misbruik van hun
informatievoorsprong en dus tot omrijden om files te vermijden, want stilstaan betekent
in het nieuwe stelsel niets verdienen (het moreel wangedrag als gevolg van
asymmetrische informatie).
d Voorbeelden van een juist antwoord zijn:
− De reactie van Michel: uit de uitleg moet blijken dat de cartoon laat zien dat het voor
een klant onduidelijk is wat nu precies het begrip starttarief inhoudt en dat een
taxiaanbieder blijkbaar vrij kan bepalen wat daaronder valt.
− De reactie van Jan-Willem: uit de uitleg moet blijken dat de cartoon laat zien dat een
klant pas bij het uitkiezen van een taxi verneemt dat er vóór het rijden al een apart
bedrag in rekening wordt gebracht, terwijl nog onduidelijk is wat de rit zelf gaat kosten /
welke verdere kosten er nog in rekening worden gebracht.
8
a € 1.400 = 70%; 40% = € 1.400 / 70  40 = € 800
b B = (€ 1.200 + € 5)  1,07 = € 1.289,35
C = (€ 1.800 + € 5)  1,07 = € 1.931,35
c De premie van Ellie stijgt als gevolg van de schade in het eerste jaar na de schade
met € 642. Maar ook in het jaar daarna betaalt zij € 642 meer premie (schaal 2 in plaats
van schaal 5). Het nadeel van de hogere premie is groter dan het voordeel van de
schadevergoeding.
d Verzekerden gaan voorzichtiger rijden, en verzekerden zullen relatief kleine
schadegevallen niet melden.
9
a Tot q = 3333 hoort een prijs tussen de € 66,67 en € 100 (zie de totale collectieve
vraaglijn in bron 25 en 26). Bij deze prijzen nemen alleen Onvoorzichtigen een
verzekering. Zij hebben een risico van € 20. De verzekeraar is per jaar € 20 aan kosten
 MALMBERG
25
VWO 2E FASE
ANTWOORDEN MODULE 6
STOP! GEEN RISICO!?
kwijt per verzekerde. Andere kosten heeft de verzekeraar niet, volgens de inleiding. Dus
iedere verkochte verzekering gaat gepaard met € 20 aan (extra) kosten.
b Een grotere afzet wordt bereikt met een lagere prijs. Bij een lagere prijs nemen ook
Gemiddelden (en bij een nog lagere prijs Voorzichtigen) een verzekering. Zij hebben
lagere risico’s, dus lagere kosten voor de verzekeraar.
c
Onvoorzichtigen
Gemiddelden
Voorzichtigen
Totaal
Premie
Individueel
risico
Winst per
verzekerde
€ 36
€ 36
€ 36
€ 20
€ 15
€ 10
€ 16
€ 21
€ 26
Premie
Individueel
risico
Winst per
verzekerde
€ 46
€ 46
€ 46
€ 30
€ 25
€ 10
€ 16
€ 21
€ 36
Aantal
verkochte
verzekeringen
6.400
4.600
1.000
12.000
Winst
Aantal
verkochte
verzekeringen
5.400
3.100
0
8.500
Winst
€
€
€
€
102.400
96.600
26.000
225.000
d
Onvoorzichtigen
Gemiddelden
Voorzichtigen
Totaal
€
€
€
€
86.400
65.100
0
151.500
e De premieverhoging heeft tot gevolg dat de mensen met de laagste risico’s (en dus
de hoogste winstmarge voor de verzekeraar) geen verzekering meer nemen, waardoor
de ‘dure klanten’ overblijven (en de gemiddelde winstmarge per verzekerde daalt).
f In het advies kan bijvoorbeeld staan:
– Een eigen risico invoeren waardoor het moreel wangedrag beperkt wordt.
– Premiedifferentiatie invoeren. Een lage premie bij de Voorzichtigen waardoor ook zij
een reisverzekering aangaan. Een hoge premie bij de Onvoorzichtigen omdat zij een
hoge betalingsbereidheid hebben en een hoge premie daarom meer winst oplevert.
Hoofdstuk 3 Risico en rendement
Verkenning
1
a Met een aandeel ben je (mede-)eigenaar van een bedrijf en ontvang je een deel van
de winst (dividend). Met een obligatie ben je geen eigenaar en ontvang je rente. Een
aandeel heeft een hoger risico en geen bepaalde looptijd. Bij een faillissement krijgen
obligatiehouders eerder hun geld dan aandeelhouders.
b Je steekt geld in een bedrijf, je loopt risico dat je het geld niet terugontvangt, de koers
schommelt.
c De koers schommelt meer omdat de koers afhankelijk is van de te verwachten winst
van het bedrijf. De koers kan dus flink stijgen, meer dan bij obligaties, want daar staat de
rente-uitkering per jaar vast. Anders gezegd: het rendement op aandelen is afhankelijk
van de winstomvang, het rendement op obligaties staat vast, en is alleen afhankelijk van
de kans dat het bedrijf niet failliet gaat.
d Een hoger risico op het uitblijven van rendement.
2
1D, 2E, 3A, 4B, 5C
3
De kans dat de staat failliet gaat of niet tot uitbetalen kan overgaan is klein, kleiner dan
bij een bedrijf.
 MALMBERG
26
VWO 2E FASE
ANTWOORDEN MODULE 6
STOP! GEEN RISICO!?
4
a Het risico is laag; als er veel risicoaverse beleggers zijn, is lot A gewilder dan B en C.
b Lot B heeft voor een groot deel dezelfde eigenschappen als lot C, maar een lagere
verwachte opbrengst. Beleggers die risico niet mijden, kiezen bij dezelfde prijs allemaal
voor lot C en niet voor lot B.
c € 10
d De uitkering blijft gelijk, de kans op uitkering ook, maar de aankoopprijs is lager en
dus stijgt de verwachte opbrengst.
5
a € 2.000
b 1/4  € 2.000 = € 500
c (3/4  € 8.000 + 1/4  € 0) – € 2.000 = € 4.000
d € 4.000 / € 2.000  100% = 200%
e Eigen antwoord leerling. Voor de hand ligt: Ja, het risico is tamelijk klein (€ 500) in
vergelijking met de verwachte opbrengst (€ 4.000).
6
a 1/3  € 7.500 = € 2.500
b De verwachte opbrengst is (2/3  € 12.000 + 1/3  € 0) – € 7.500 = € 500.
€ 500 / € 7.500  100% = 6,7%
c Eigen antwoord leerling. Voor de hand ligt: Nee, het risico is erg groot (€ 2.500) in
vergelijking met de verwachte opbrengst (€ 500).
7
a De kans op schade is groter, wat het verwachte rendement verlaagt.
b Staatsobligaties keren altijd uit omdat ervan wordt uitgegaan dat de kans dat de
overheid niet kan uitbetalen praktisch nul is.
c De belegger had het geld in staatsobligaties kunnen beleggen, dan was hij zeker
geweest van € 6. Dit is dus de schade van niet in staatsobligaties beleggen en geen
opbrengst uit de alternatieven halen.
8
a
2011
Staatsobligaties
Bedrijfsobligaties
Aandelen
Schade
€0
€3
€3
Risico
€0
€ 0,30
€1
Verwacht rendement
3,0%
4,5%
6,0%
b hoger – mijden – hoog
c 1,5%. Het verschil tussen het verwachte rendement van de bedrijfsobligatie ten
opzichte van de staatsobligatie omdat de eerste een hoger risico draagt.
d 3%
9
Het verwachte rendement is 6%, maar geldt bij staatsobligaties ook, zonder risico.
Staatsobligaties zijn wat dat betreft aantrekkelijker dan bedrijfsobligaties. En aandelen
hebben hetzelfde risico als bedrijfsobligaties, maar een hoger verwacht rendement.
Beleggers die risico’s opzoeken kunnen dus beter aandelen kopen.
10 Dat geeft een mix van zekerheid en lager verwacht rendement, en risico’s met een hoger
verwacht rendement. Bij alleen beleggen in obligaties weet je zeker dat je niet de
hoogste rendementen haalt, bij alleen beleggen in aandelen is het risico te groot.
11 a Aandelen hebben geen einddatum, maar lopen door zolang het bedrijf bestaat.
b Een hoger rendement in het verleden betekent vaak ook een hoger risico. Sommige
beleggers kopen liever een effect met minder risico (en ook minder verwacht
rendement), andere beleggers hebben liever een hoger rendement, gekoppeld aan een
hoger risico.
 MALMBERG
27
VWO 2E FASE
ANTWOORDEN MODULE 6
STOP! GEEN RISICO!?
c Op de kapitaalmarkt.
d De nieuwe bieden 6%, de oude maar 4%, terwijl het risico niet verschilt.
e € 4 van € 80 = 5%
f Nee, zijn rendement is 5%, de nieuwe obligaties bieden 6%. Hij had beter een nieuwe
obligatie kunnen kopen.
g De € 80 is geen aantrekkelijke prijs, omdat de nieuwe obligaties dan gunstiger zijn.
De vraag is heel klein, de prijs zakt verder.
h € 4 van € 67 = 6% (afgerond)
i Ja, haar rendement is 6%, even aantrekkelijk als de hoge rente bij de nieuwe
obligaties.
j De aandelen bieden ook 6%, maar met een behoorlijk risico. De staatsobligaties
geven ook 6%, zonder risico. Beleggers stappen over van aandelen naar obligaties.
k De koers daalt, omdat de vraag naar aandelen daalt.
12 4 – 7 – 1 – 6 – 2 – 5 – 3
13 Het is niet eerlijk als de ene partij voorkennis heeft en de ander niet. De partij met
voorkennis is beter op de hoogte van de risico’s en toekomstige rendementen en kan zo
winst boeken ten koste van de andere partij die geen voorkennis heeft.
14 De kans op succes blijkt met voorkennis veel kleiner dan wordt aangenomen. De koers
zal dus gaan dalen als de informatie bekend wordt. De belegger met voorkennis zal zijn
aandelen dus verkopen om de koersdaling voor te zijn.
Toepassing
1
a ((0,20  15,5) – (0,05  11,5)) / (0,05  11,5)  100% = 439,13%
b 3 (beheren van vermogen)
c E
2
a 1 = beurs, 2 = rendementen, 3 = laag, 4 = verwachte rendement, 5 = obligaties, 6 =
risico, 7 = beleggen
b Door een crisis kan de animo flink afnemen omdat de bedrijfswinsten onder druk
staan, en aandelen minder aantrekkelijk zijn. De winstdeling vermindert immers. Sparen
is een concurrent van beleggen; als de rente laag is, wordt beleggen in aandelen
aantrekkelijker. Het schommelen van de rente kan dus tot gevolg hebben dat ook de
koersen op en neer gaan.
3
a Bron 11 geeft aan dat de ECB de rente wellicht verhoogt als de inflatie stijgt. Een
stijgende rente maakt sparen aantrekkelijker ten opzichte van beleggen in aandelen,
waardoor mensen overstappen van aandelen naar spaarrekeningen en de koers van
aandelen kan gaan dalen.
b Als de lonen stijgen kunnen consumenten meer besteden en stijgt de
winst(verwachting) van bedrijven.
c Bedrijven krijgen te maken met hogere loonkosten (per product), waardoor de winst
juist onder druk komt te staan.
4
a Het uitgeleende geld kan verloren gaan, waardoor de bank geld verliest. En als de
bank daardoor failliet gaat, kan de spaarder zijn geld verliezen.
b Aan deze producten is ook vaak een hoger rendement verbonden. Juist in die periode
behaalden risicovolle beleggingen hoge rendementen.
c Een grote bank is een essentiële pion in het betalingsverkeer en kan/mag niet failliet
gaan. Zij kan zich dus wangedrag veroorloven (de van spaarders ontvangen gelden te
risicovol beleggen), want ze wordt toch wel gered door de overheid.
 MALMBERG
28
VWO 2E FASE
ANTWOORDEN MODULE 6
STOP! GEEN RISICO!?
d Het straffen van de banken boven op het terugbetalen van de steunbedragen. Dat
doet banken beseffen dat zij zelf ook de dupe zijn van het nemen van te grote risico’s.
e Het regelen van het betalingsverkeer en het behalen van hoge rendementen op
ontvangen spaargeld. De tweede functie gaat gepaard met risico’s die niet gewenst zijn
bij de eerstgenoemde functie.
5
a Moreel wangedrag.
b De kans bestaat dat Griekenland als gevolg van haar hoge tekort de rente niet kan
betalen.
c De kans is groter dat beleggers hun geld niet terugkrijgen, en daardoor stijgt het risico
voor de belegger. Zij zijn alleen bereid om een Griekse staatsobligatie te kopen als de
hoge rente dat risico compenseert.
d Omdat de Griekse overheid in 2010 een groot tekort heeft en er maar beperkt
vertrouwen is in de markt, moet zij een hoge rente op Griekse staatsobligaties geven.
Hierdoor stijgen haar uitgaven, stijgt haar tekort nog meer, waardoor er weer meer
geleend moet worden tegen nog hogere rente, enzovoort.
e De schade is het mislopen van de opbrengst van een Nederlandse obligatie (€ 3), het
risico is dus 1/4  € 3 = € 0,75.
f 3/4  € 6 + 1/4  € 0 = € 4,50
g Minder succesvol. Bestaande obligaties waaronder de 2010-obligatie, dalen in koers
als de rente stijgt. Obligatiehouders lijden verlies als ze hun obligatie tussentijds van de
hand doen. Of: beleggers wachten met het kopen van een obligatie tot meer
aantrekkelijke obligaties (met een hogere rente) aangeboden worden.
h Meer succesvol. Als gevolg van succesvolle bezuinigingen daalt het risico op schade
en stijgt het verwachte rendement.
6
a De rente was volgens bron 15 op de markt opgelopen van 7 tot 7,5%.
b Griekenland wordt alleen geholpen met een rente onder de marktrente; de hoge rente
is juist het probleem. Daarnaast is het in het belang van de andere eurolanden dat
Griekenland er financieel bovenop komt.
c De gemiddelde rente op Griekse staatsobligaties was in 2010 5,5% (bron 175).
d Risicopremie.
e Belastinggeld wordt eenmalig besteed, waarna de overheid het geld kwijt is. In dit
geval leent de overheid geld uit waar rendement tegenover staat.
f Griekenland kan geen obligaties meer plaatsen tegen een redelijke rente omdat het
risico bestaat dat ze de lening niet terugbetaalt. Nu loopt de overheid dat risico. Als de
lening niet terugbetaald wordt, verliest de overheid, oftewel de belastingbetaler, geld.
g Staatsobligaties hebben geen risico. In de werkelijkheid is er wel een risico.
Hoofdstuk 4 Ondernemen is risico’s nemen
Verkenning
1
a De vraag kan inzakken, de continuïteit kan gevaar lopen als de vader te oud wordt.
b Een percentage op de standaardrente omdat de bank het risico dat de lening niet
terugbetaald wordt, wil indekken.
c Onderpand aanbieden, bijvoorbeeld het bedrijfspand.
2
a Met de machine kan de veestapel vergroot worden; dat geeft hogere inkomsten.
b Een daling van de melkprijs.
c 1/4  –€ 0 + 3/4  € 1.000.000 = € 750.000
€ 750.000 – € 500.000 = € 250.000
d € 250.000 / € 500.000  100% = 50%
e 1/4  € 500.000 = € 125.000
 MALMBERG
29
VWO 2E FASE
ANTWOORDEN MODULE 6
STOP! GEEN RISICO!?
f De kans op een verlies van € 500.000 is met 25% behoorlijk groot. En Irma en Peter
hebben geen of weinig reserves om het risico op te vangen. (Anderzijds: de verwachte
opbrengst is erg groot.)
g Bijvoorbeeld: met een melkmachine kan het bedrijf goedkoper melk produceren, de
kostprijs van melk daalt. Zonder de investering blijft de kostprijs hoog en lijdt het bedrijf
eerder verlies.
h Onderpand geeft zekerheid dat het uitgeleende geld weer terugkomt. Dan hoeft de
bank geen, of een lagere, risicopremie te berekenen.
i Een melkmachine is moeilijker te verkopen en daalt in de loop der jaren door
afschrijving fors in waarde.
3
De financiering van een investering
Lenen bij een bank
Voordeel
Zeggenschap over eigen
bedrijf blijft in stand
Nadeel
Duur
Aandelen uitgeven
Kan veel geld inbrengen, goedkoper.
Zeggenschap gaat naar aandeelhouders, (deel van
de) winst gaat naar aandeelhouders.
4
A en C
5
De aandelen van een nv staan niet op naam en kunnen gemakkelijk verkocht en gekocht
worden. Daardoor kunnen veel meer aandelen uitgegeven worden. Bij een bv staan de
aandelen wel op naam; dat maakt ze veel moeilijker verhandelbaar.
6
Bijvoorbeeld: hij wil niet meer persoonlijk aansprakelijk zijn voor de schulden.
7
a Een principaal. Hij koopt aandelen en wordt (mede-)eigenaar van het bedrijf.
b Oom Jos werkt niet in het bedrijf. Hij weet veel minder van het bedrijf dan Irma en
Peter. Hij kan niet goed inschatten of zijn geïnvesteerde geld goed besteed wordt.
c Informatie inwinnen, prikkelcontracten afspreken.
8
a De NS heeft een natuurlijk monopolie; bij postbezorging en telefonie zijn meerdere
aanbieders mogelijk en dus concurrentie op de markt.
b Bijvoorbeeld: als de treinen niet op tijd rijden, kan de NS technische oorzaken
noemen, waarbij de overheid moeilijk kan beoordelen of dat realistisch is.
c Bijvoorbeeld: prikkelcontracten opstellen waarbij een minimumpercentage
afgesproken wordt van het aantal treinen dat op tijd moet rijden.
Toepassing
1
a Ajax heeft eigen aandelen op de beurs.
b De eigenaren van de aandelen Ajax.
2
a De tolk werkt in opdracht van de persoon of organisatie die de tolk inhuurt.
b ‘Afnemers kunnen immers door de lage kennisgraad van de dienst vooraf en veelal
ook achteraf moeilijk de kwaliteit (waaronder ook integriteit) van de geleverde tolkdienst
bepalen.’
c Hij moet eerlijk vertalen en de inhoud van de gesproken tekst niet veranderen in zijn
voordeel of andermans voordeel.
d De consument heeft moeite om de kwaliteit van een tolk te beoordelen. Daarom daalt
de bereidheid om een hoge prijs voor een (goede) tolk te betalen omdat het risico te
groot is dat de tolk niet goed is.
 MALMBERG
30
VWO 2E FASE
ANTWOORDEN MODULE 6
STOP! GEEN RISICO!?
e Bijvoorbeeld: verplichte opleiding voor tolken, een kwaliteitsregister aanleggen, een
toets op integriteit opstellen.
3
Na privatisering kregen de sportclubs geld van de gemeente om de zaak te
onderhouden en sportactiviteiten te organiseren (‘Die krijgen daarvoor geld van de
gemeente…’), waarbij het geld naar de smaak van de gemeente goed besteed moet
worden (gezien het citaat ‘vaststellen dat het beleid op koers ligt’).
De gemeente is dus de principaal, de clubs de agenten. Daarbij speelde het ‘klassieke’
probleem van de informatieasymmetrie (‘De gemeente heeft amper zicht gehad op het
onderhoud dat sinds de privatisering in handen van de clubs is.’).
De oplossing moet gevonden worden in onder meer informatie inwinnen (‘Systemen om
te informeren ontbraken…’) en meer controle (‘zo moet een financiële verantwoording
verplicht worden’).
4
a Lagere prijzen en betere dienstverlening aan de klanten.
b De markt is ingezakt, waardoor de concurrentie moordend is en de prijzen zeer laag.
Daardoor kunnen zij zich geen hogere kosten veroorloven, wat bij hogere prijzen wel
mogelijk zou zijn volgens de bron. Bij hogere prijzen is de omzet en de winst dus hoger.
Kortom: lage prijzen is hun dominante keuze, maar hogere prijzen is voor iedere partij
een betere keuze.
c Zij zitten ‘klem’ in het gevangenenprobleem en gaan met het aangaan van vaste
dienstverbanden failliet.
d A. Bijvoorbeeld: deze maatregel bevrijdt de bedrijven uit het gevangenenprobleem.
B. Bijvoorbeeld: de zwakste zal afvallen, de omzet van de overgebleven bedrijven zal
stijgen, waardoor vaste contracten mogelijk worden.
C. Bijvoorbeeld: de bedrijven zijn nu verplicht om vaste arbeidscontracten aan te gaan.
De zwakste zal afvallen, de anderen kunnen doorgaan.
e A: bijvoorbeeld: het vrijmaken van de postmarkt had juist als doel om de concurrentie
te bevorderen en de prijzen laag te houden. Deze oplossing is in dat perspectief het
paard achter de wagen spannen.
B en C: bijvoorbeeld: één of meer bedrijven vallen af waardoor de concurrentie op de
markt te klein wordt en de beoogde doelen van vrijmaken niet bereikt worden.
f Kleine zelfstandigen vallen niet onder het minimumloon. Er is in Nederland geen
minimumtarief waartegen kleine zelfstandigen moeten werken. Het tarief van
zelfstandigen kan in een tijd met hoge werkloosheid zo laag uitvallen (zoals bij de
postbestellers) dat een rechtvaardige inkomensverdeling naar de smaak van veel
mensen niet bereikt wordt.
5
De overheid komt daarbij in de rol van principaal, en wil dat de agent naar haar wensen
opereert. Om dit te bereiken zijn controles en regels nodig.
Herhaling
1
a Totale ontvangsten: € 120,20 + € 350,45 + € 259,76 = € 730,41
€ 820,50 – € 730,41 = € 90,09
b Een huis is verkoopbaar door de bank, het ‘kapitaal’ dat een student met zijn studie
opbouwt is niet direct verkoopbaar.
c De bank kan het risico moeilijk inschatten. Bijvoorbeeld: is zij een serieuze student of
niet?
d 1 = arbeidsmarkt, 2 = inkomen
e ‘Risico ontmoedigt onderwijsinvesteringen en leidt tot een lagere deelname aan hoger
onderwijs dan maatschappelijk gezien wenselijk is.’
f Niet alleen de jongere profiteert van de studie, ook de maatschappij. Bijvoorbeeld:
een zieke profiteert van de studie die een specialist gevolgd heeft.
 MALMBERG
31
VWO 2E FASE
ANTWOORDEN MODULE 6
STOP! GEEN RISICO!?
g ‘Zij zullen het soms niet nodig vinden om een verzekering af te sluiten.’
h Zij weegt het risico op een mislukte studie of een tegenvallend resultaat na het
behalen van de studie, af tegen de kosten van de verzekering.
i Een student kan zijn eigen capaciteiten en motivatie beter inschatten dan de
verzekeringsmaatschappij, en daardoor ook een betere inschatting maken van het risico
van studeren.
j ‘Het verzekeringselement kan, net als bij andere verzekeringen, ongewenst gedrag
uitlokken. Studenten of afgestudeerden kunnen ervoor kiezen zich minder in te spannen
omdat ze geen financiële risico’s lopen.’ De student in de cartoon neemt zijn studie niet
serieus. Als hij mislukt, krijgt hij de schade vergoed van de verzekering.
k Bijvoorbeeld: door het invoeren van bijvoorbeeld strikte temponormen (geen lening
voor studenten die niet studeren) of differentiatie van terugbetalingstarief naar
studielengte (langer gestudeerd betekent hoger tarief).
2
a € 900 / 15 = € 60
b € 100 / 15 = € 6,67
c 1 = 5, 2 = 100
d Een eigen risico verbetert het gedrag van verzekeringsnemers, waardoor de kans op
schade kleiner wordt.
e De verzekeringsmaatschappij ontvangt € 5 minder premie, maar wint een afname aan
risico van 1/15 van € 100 = € 6,67.
3
a
Eigen
risico
€ 0
€ 100
Jaarpremie
€ 200
€ 58
€ 300
€ 52
€ 72
€ 65
Kans op schade per
jaar: 1 op 5
30  € 72 + € 0 = € 2.160
30  € 65 + 6  € 100 =
€ 2.550
30  € 58 + 6  € 200 =
€ 2.940
30  € 52 + 6  € 300 =
€ 3.360
Kans op schade per
jaar: 1 op 15
30  € 72 + € 0 = € 2.160
30  € 65 + 2  € 100 =
€ 2.150
30  € 58 + 2  € 200 =
€ 2.140
30  € 52 + 2  € 300 =
€ 2.160
Kans op schade per
jaar: 1 op 30
30  € 72 + € 0 = € 2.160
30  € 65 + 1  € 100 =
€ 2.050
30  € 58 + 1  € 200 =
€ 1.940
30  € 52 + 1  € 300 =
€ 1.860
b De variant met € 200 eigen risico.
c Hoe kleiner de kans op schade, hoe hoger het eigen risico bij de voordeligste keuze.
d Hij zal gemiddeld 1 keer in de 15 jaar het eigen risico van € 100 moeten betalen. Dat
komt neer op € 100 / 15 = € 6,67 per jaar.
e €7
f € 6,67
g Hij bespaart € 7 per jaar, terwijl hij (gemiddeld) € 6,67 per jaar kwijt is aan eigen
risico.
h De premie daalt met € 7, de verwachte schade stijgt met € 6,67. De overstap is
verstandig.
i De premie daalt met € 6, de verwachte schade stijgt met € 6,67. De overstap is niet
verstandig.
j € 100 meer eigen risico nemen kost bij iedere stap € 100 / 30 = € 3,33. Het voordeel
van een lagere premie is bij iedere stap groter dan € 3,33.
4
a Inboedel: 0,0027  € 100.000 = € 270
Opstal: 0,0012  € 320.000 = € 384
Totaal: € 270 + € 384 = € 654
b Dat staat in de polisvoorwaarden. Als zij meer zouden uitkeren, wordt het voor
verzekerden erg aantrekkelijk om schade op te lopen omdat de uitkering dan hoger is
dan de werkelijke waarde.
 MALMBERG
32
VWO 2E FASE
ANTWOORDEN MODULE 6
STOP! GEEN RISICO!?
c De klant heeft maar een deel van de waarde verzekerd, en krijgt dus ook maar een
deel uitgekeerd.
5
– De rente. Als de rente laag is, is het alternatief van beleggen (je geld op de bank
zetten) onaantrekkelijk, en kopen meer mensen aandelen, waardoor de koers stijgt.
(Tegelijkertijd zorgt een lagere rente voor meer bedrijfsinvesteringen, wat weer goed is
voor de winstgevendheid op de langere termijn, en dus voor de dividenduitkeringen.)
– Berichten over de afzetmogelijkheden van bedrijven. Bij positieve berichtgeving
verwacht men een hogere winst en daardoor stijgt de koers van het aandeel van het
bedrijf.
– De koersveranderingen in de afgelopen tijd. Een forse stijging kan de animo om ook
te kopen wat afremmen (er is geen verdere stijging te verwachten). Deze factor is vooral
van belang bij speculanten.
6
a Het risico dat je door schade terugvalt op de bonus-malusladder.
b Bij een andere verzekeraar telt het aantal schades en begint hij laag op de
bonus-malusladder. Bij Womar blijft zijn korting intact door de no-claimbeschermer.
c Deze klanten hebben nog vele jaren te gaan op de ladder, maar bij terugval betalen
ze dus vele jaren een hogere premie dan zonder terugval het geval was geweest.
d Je verzekert je tegen aanzienlijke extra kosten (gestegen premiebetalingen). Daar
moet een flinke premie tegenover staan omdat verzekeraars winst willen behalen op de
verzekering.
e Met deze verzekering bind je klanten aan het bedrijf. Dat voordeel kan groter zijn dan
het verlies op de no-claimbeschermer.
f Voor verzekerden die nog niet bovenaan de ladder staan en daardoor geen
bonusbescherming hebben.
7
a De kosten van een nieuwe paraplu zijn gemakkelijk zelf te dragen.
b Als je geen echt dure spullen meeneemt, kun je het risico van bijvoorbeeld diefstal
zelf ook dragen. Risico’s op andere hoge kosten zijn vaak al verzekerd (auto-ongeluk,
ziektekosten).
c Alle Nederlanders bij elkaar betalen meer premie voor het afdekken van deze risico’s
dan ze aan uitkering terugontvangen (omdat de verzekeraars ook kosten maken en
winst willen behalen). Als de gemiddelde Nederlander zich niet verzekert, is hij dus beter
af, gesteld dat de schade altijd zelf opgebracht kan worden.
d Negatief. Het risico op slecht weer kun je zelf ook dragen. Sterker: dat kost geen
geld, het is alleen jammer van de vakantie. Je krijgt wel geld terug, maar de kans op
teruggave is zo klein dat je er gemiddeld als verzekeringsnemer altijd bij inschiet.
8
a De verwachte schade is erg hoog omdat de kans op schade zo hoog is. Verzekeraars
kunnen op zo’n klant alleen maar verlies lijden. Anders gezegd: je kunt bij een
verzekeraar een risico verzekeren, maar geen vaststaand feit. En ook: het probleem van
averechtse selectie is hier evident. Iemand die ontslag boven het hoofd hangt, is een
groot risico voor verzekeraars.
b De meeste mensen gaan hun risico op ontslag niet moedwillig vergroten omdat ze er
zeker van zijn dat hun woonlasten doorbetaald kunnen worden. (Anderzijds: als iemand
zijn werk niet leuk vindt, kan hij een verzekering afsluiten en vervolgens aansturen op
ontslag plus ontslagvergoeding.)
c Potentiële klanten zijn altijd beter op de hoogte van het risico op ontslag dan de
verzekeraar. De klant kent het bedrijf door en door, en kan de kans op verlies van de
baan beter inschatten dan de verzekeraar.
9
a Een bv is een rechtspersoon.
b Bij onbehoorlijk bestuur.
 MALMBERG
33
VWO 2E FASE
ANTWOORDEN MODULE 6
STOP! GEEN RISICO!?
c Mensen durven geen bestuurder van een bv te worden, of bestuurders durven geen
goede beslissingen te nemen die met risico gepaard gaan.
d Met een bestuurdersaansprakelijkheidsverzekering.
e Een directeur is niet hoofdelijk aansprakelijk, tenzij er onbehoorlijk bestuur is
geweest.
10 a Met de winst, met leningen door obligaties uit te geven, door aandelen uit te geven,
door geld te lenen van de bank.
b De aandelenkoersen stonden zo laag dat de uitgifte van nieuwe aandelen niet veel
opleverde.
c De rente op obligaties biedt een compensatie voor het risico dat de koper van een
obligatie zijn geld niet terugziet. De rente op bedrijfsobligaties was dus relatief hoog, in
vergelijking tot een spaarrekening en een staatsobligatie.
11 a MO = MK
–0,2q + 100 = 60
q = 200
200 = –10p + 1000
p = 80
TO = 80  200 = 16.000
TK = 200  60 = 12.000
Maximale winst is € 4.000
b
c Zie de getekende vierhoek in de grafiek bij b.
d Een verzekeraar moet de klanten kunnen onderscheiden op basis van bijvoorbeeld
geslacht of leeftijd. Als deze kenmerken niet overeenkomen met de indeling in risico, is
er geen mogelijkheid om premiedifferentiatie toe te passen.
e Groep 1, 2 en 3: (€ 66 – € 32)  153 = € 5.202
Groep 4 en 5: (€ 90 – € 80)  55 = € 550
In totaal is de winst: € 5.202 + € 550 = € 5.752. De winst is dus gestegen.
 MALMBERG
34
VWO 2E FASE
ANTWOORDEN MODULE 6
STOP! GEEN RISICO!?
f De winst (producentensurplus) stijgt (zie antwoord bij b en e), het
consumentensurplus ook (van 200  € 20  0,5 = € 2.000 naar (153  € 34  0,5) +
(55  € 10  0,5) = € 2.876).
g Een deel van de mensen met een hoog risico is nu niet meer verzekerd; deze
mensen waren zonder premiedifferentiatie wel verzekerd. Bij schade kunnen zij in de
problemen komen. Dit nadeel moet gewogen worden tegen het voordeel van een hoger
consumenten- en producentensurplus.
Verplichte context
1
a Bij een verzekering ben je verzekerd en betaal je een premie. Bij een voorziening is
geen sprake van een verzekering maar van een regeling die de overheid uitvoert.
Daarvoor betaal je geen premie. De overheid betaalt de collectieve voorzieningen met
belastinggeld.
b De WW-uitkering is lager dan het loon. Als hij lang werkloos blijft, zakt het inkomen
tot bijstandsniveau. Deze inkomensdaling spoort mensen aan om weer een betaalde
baan te zoeken.
2
a Iedereen doet mee, waardoor de premie relatief laaf kan blijven; de maatschappij is
solidair met mensen met een hoge risico op ziekte. Mensen met een zwakke gezondheid
vinden gemakkelijker een baan.
b Er is geen prikkel om ziekteverzuim tegen te gaan.
3
3–1–2–4
4
a Bijvoorbeeld: zo’n verzekering zou erg duur en voor veel werknemers onbetaalbaar
zijn. In dat geval betekent langdurige ziekte voor onverzekerde werknemers een enorme
achteruitgang in inkomen. Arbeidsrust verhoogt ook de productiviteit.
b Via onderhandelingen over de cao.
c Werknemers voelen zelf geen prikkel om gezond te blijven.
d Solidariteit met werknemers met minder goede gezondheid. (En: macro-economisch:
koopkracht blijft op pijl, het is een automatische stabilisator, vraaguitval blijft beperkt.)
5
B
6
A, B en D
7
Werkenden moeten door middel van (het weer instellen van) een WW-premie solidair
zijn met de werklozen. Als dat niet gebeurt, wordt het moeilijk om de uitkering op peil te
houden en zijn werklozen twee keer de dupe: ze zijn werkloos geworden én de
werkloosheidsuitkering daalt.
8
a Het nastreven van een goede gezondheid wordt door het zorgstelsel niet
gestimuleerd.
b Als gevolg van een verbeterde gezondheid daalt de verwachte schade van de
verzekerde en kan de verzekeraar (met dezelfde premie) meer winst behalen.
9
a Wie niet meedoet draagt niet bij aan de kosten, maar profiteert wel van de verbeterde
gezondheid van de gemiddelde Nederlander.
b CZ-groep wil de bijdrage van € 10 verplicht stellen voor alle verzekeraars.
c Mensen die ongezond leven krijgen de zorgkosten toch vergoed, vergelijkbaar met de
situatie bij mensen die wel gezond leven.
 MALMBERG
35
VWO 2E FASE
ANTWOORDEN MODULE 6
STOP! GEEN RISICO!?
d Bijvoorbeeld: het is moeilijk meetbaar wie wel en niet gezond leeft. Bovendien: veel
gezondheidsklachten zijn genetisch bepaald. Daar heeft een levensstijl niet zoveel mee
te maken.
10 a 1 = E, 2 = C, 3 = A, 4 = D, 5 = B
b Pijl B.
11 a Tip 1 en 2. De apothekers is niet duidelijk gemaakt waarom het voorstel voor hen
gunstig is (tip 1). Per aangetekende brief het voorstel lanceren komt agressief over
(tip 2).
b Achmea wil een vast bedrag per medicijn uitbetalen. Dit stimuleert de apothekers om
goedkope varianten van een medicijn te gaan leveren.
c Dit kan tot gevolg hebben dat klanten van Achmea overstappen naar een andere
zorgverzekeraar.
d Achmea zal veel klanten verliezen als medicijnen niet meer betaald worden, terwijl
dat bij de concurrerende verzekeraars wel het geval is. Er is Achmea veel aan gelegen
om tot een overeenkomst te komen.
e ‘Als dit werkelijkheid wordt, kost dat een apotheker tienduizenden euro’s per jaar.’ Er
wordt in dat geval dus winst overgeheveld van de apothekers naar de
ziektekostenverzekeraar.
12 a Iedere Nederlander betaalt voor de basisverzekering bij dezelfde verzekeraar
dezelfde prijs; er is alleen een speling van 10% mogelijk bij groepskorting.
b Als de maatschappij winst kan behalen op de groep nieuw geworven studenten (wat
waarschijnlijk is omdat ze weinig ziektekosten maken), hoeft het tarief van ouderen en
zieken niet omhoog, of kan zelfs omlaag.
c Andere verzekeraars verliezen de studenten als klant, waardoor ze een groep
verliezen die de kosten van ouderen met hun ‘gewone’ premie meebetaalde. Zij moeten
de premie bij ouderen en zieken verhogen om geen verlies te gaan lijden.
d Kosten door ziekte horen bij de onvrijwillige risico’s; risico’s op een reis worden
vrijwillig aangegaan. In het gevoel van mensen (en ook democratisch besloten) hoor je
eerder solidair te zijn bij onvrijwillige risico’s.
13 a 60% van de bevolking kampt niet met overgewicht, maar deze mensen zullen
gemiddeld beter op hun voeding letten dan mensen die bij de 40% met overgewicht
horen. Door veel te ‘snacken’ is het risico op overgewicht veel groter dan 40%.
b Niet terecht, bijvoorbeeld:
– Het verschil tussen vrijwillige en onvrijwillige risico’s. Ziekte blijft voor een behoorlijk
deel een kwestie van onvrijwillige risico’s. Veel mensen met overgewicht maken geen
bovenmatige ziektekosten, een deel van de mensen met een normaal gewicht wel. Wat
is precies de invloed van het gewicht?
– De betaalbaarheid van de zorg in Nederland. De betaalbaarheid kan ook op peil
blijven door marktwerking in de zorg, door gezondheidsprogramma’s, door versobering
van het basispakket. Het is de vraag of een hogere premie voldoende middel is om
mensen gezonder te laten leven. Als het verschil in premie heel groot wordt, wordt het
onbetaalbaar voor mensen met een lager inkomen. Als het verschil klein is, motiveert het
niet om de levensstijl te veranderen.
– De vergrijzing van de bevolking. Mensen met overgewicht laten ‘opdraaien’ voor de
vergrijzing is onterecht; het zijn twee verschillende ‘problemen’.
– De meetbaarheid van een ongezonde levensstijl. Hoe meet je of iemand door een
ongezonde levensstijl dik is? Sommige mensen worden veel gemakkelijker dik dan
anderen; dat is genetisch zo bepaald. Jongeren kunnen al dik zijn door de opvoeding
van de ouderen, wie moet dan betalen?
 MALMBERG
36
VWO 2E FASE
ANTWOORDEN MODULE 6
STOP! GEEN RISICO!?
Wel terecht, bijvoorbeeld:
– Het verschil tussen vrijwillige en onvrijwillige risico’s. Als wetenschappelijk is
aangetoond dat overgewicht extra risico’s geeft, is er sprake van een vrijwillig risico. Dat
is weliswaar een gemiddelde, maar dat geldt bij andere verzekeringen met
premiedifferentiatie ook. Een jongere betaalt een hogere premie bij de autoverzekering,
ook als hij heel oppassend rijdt.
– De betaalbaarheid van de zorg in Nederland. De betaalbaarheid is een probleem in
Nederland (het basispakket kan nauwelijks meer verder versoberd worden, de
vergrijzing met als gevolg hogere ziektekosten, gaat door). Mensen die bewust voor
extra kosten zorgen, mogen dan ook wel meer bijdragen.
– De vergrijzing van de bevolking. De vergrijzing zorgt voor extra financiële problemen,
des te meer reden om premiedifferentiatie toe te passen om extra geld binnen te krijgen
en om mensen te stimuleren gezonder te gaan leven zodat het vergrijzingsprobleem
minder financieel gaat wegen.
– De meetbaarheid van een ongezonde levensstijl. Als wetenschappelijk is aangetoond
dat overgewicht extra risico’s geeft, is er dus meetbaar een verband. Dan hoef je het niet
meer individueel te bewijzen, zoals dat bij andere verzekeringen ook niet individueel
wordt gemeten.
 MALMBERG
37
VWO 2E FASE
ANTWOORDEN MODULE 7
WELVAART EN GROEI
Hoofdstuk 1 Spelers en hun spel: de economie
Verkenning
1
a Het bbp geeft het totaal aan geproduceerde goederen en diensten weer, en
(ongeveer) het inkomen dat met deze productie wordt verdiend. Het geeft dus ook min of
meer de mate weer waarin mensen goederen en diensten kunnen consumeren.
Consumptie leidt tot behoeftebevrediging en dus tot welvaart.
b De groei van het bbp kan leiden tot meer milieuvervuiling. Mensen hebben ook
behoefte aan een goed milieu (schone lucht bijvoorbeeld). Milieuvervuiling leidt dus tot
lagere welvaart.
2
Totale export, totale import, totale consumptie, totale netto-investeringen.
3
Bijvoorbeeld: een schoenenfabriek koopt leer, rubberzolen en veters, enzovoort. Daar
maakt de fabriek schoenen van. De waarde van de schoenen is hoger dan de waarde
van het leer, de rubberzolen, de veters enzovoort. In de schoenenfabriek wordt waarde
toegevoegd.
4
a Bedrijven leveren aan elkaar goederen en diensten. Dit zijn leveringen tussen de
bedrijven onderling, dus niet aan de consument.
b De toegevoegde waarde voorkomt dubbeltelling. Bijvoorbeeld: de productiewaarde
van de bakker omvat ook de waarde van het ingekochte meel, waardoor dubbeltelling
plaatsvindt omdat deze waarde ook bij de productiewaarde van de meelfabrikant
meegeteld wordt. Met de optelsom van alle toegevoegde waarden voorkom je deze
dubbeltelling.
5
a totale opbrengst = opbrengst staal + opbrengst ijzer =
250.000  € 400 + 200.000  € 600 = € 220.000.000
b bruto toegevoegde waarde = totale opbrengst – ingekochte goederen en diensten =
€ 220 miljoen – (€ 46 + € 36 + € 8) miljoen = € 130 miljoen
c winst = totale opbrengst (TO) – totale kosten (TK) =
€ 220 miljoen – € 188 miljoen = € 32 miljoen
d bijdrage aan nbp = bruto toegevoegde waarde – afschrijvingen =
€ 130 miljoen – € 12 miljoen = € 118 miljoen
6
bruto toegevoegde waarde = TO – onderlinge leveringen =
€ 72 miljoen – (5 + 2 + 36 + 1) miljoen = € 28 miljoen
netto toegevoegde waarde = bruto toegevoegde waarde – afschrijvingen =
€ 28 miljoen – € 2 miljoen (afschrijvingen) = € 26 miljoen
Bijdrage aan het nbp is gelijk aan de netto toegevoegde waarde = € 26 miljoen.
7
a Het bbp is gelijk aan de bruto toegevoegde waarde van de drie sectoren samen.
Landbouw: € 12 miljoen – € 2 miljoen = € 10 miljoen
Industrie: € 20 miljoen – € 8 miljoen = € 12 miljoen
Dienstensector: € 20 miljoen – € 2 miljoen = € 18 miljoen
Totaal: € 40 miljoen
b nbp = bbp – afschrijvingen = € 40 miljoen – € 2,8 miljoen = € 37,2 miljoen
8
a Dit komt door het verslijten van vaste kapitaalgoederen.
b De afschrijvingen worden van het bbp afgetrokken om het nbp te berekenen.
9
a De industrie maakt meer dan de dienstensector gebruik van vaste kapitaalgoederen
in verhouding tot de bruto toegevoegde waarde.
 MALMBERG
38
VWO 2E FASE
ANTWOORDEN MODULE 7
WELVAART EN GROEI
b De industrie verwerkt grondstoffen en halffabricaten (inputs) tot eindproducten en
maakt dus meer gebruik van onderlinge leveringen. De landbouw haalt zijn inputs vooral
uit de natuur (regenwater, zonlicht, bodemvruchtbaarheid).
10 1 = primair (pacht, natuur); 2 = niet primair; 3 = primair (winst, ondernemerschap);
4 = primair (pacht, natuur); 5 = primair (loon, arbeid); 6 = primair (rente, kapitaal);
7 = niet primair
11 a Kapitaal € 30 miljoen; arbeid € 44 miljoen; natuur € 12 miljoen; ondernemerschap
€ 32 miljoen. Totaal: 30 + 44 + 12 + 32 = € 118 miljoen = bijdrage aan het nbi.
b De bijdrage aan het nbp was ook € 118 miljoen (zie vraag 5d). Meer algemene uitleg:
de netto toegevoegde waarde van een bedrijf wordt in zijn geheel uitgekeerd in de vorm
van de beloningen voor productiefactoren (loon en dergelijke). Het nbp is de som van
alle toegevoegde waarden van alle bedrijven en de overheid. Deze is dus per definitie
gelijk aan de som van alle primaire inkomens, en dus aan het nbi.
12 (1) binnenlands inkomen, (2) nationaal inkomen, (3) binnenlands inkomen, (4) nationaal
inkomen.
13 nbp = € 37,2 miljoen (vraag 7b)
nni = nnp = € 37,2 + € 0,5 – € 0,3 = € 37 miljoen
14 a De overheid keert ook primair inkomen uit, bijvoorbeeld de ambtenarensalarissen.
b Bijvoorbeeld: de belastingstroom (bedrijven betalen ook belasting), de
overheidsbestedingen (de overheid koopt ook rechtstreeks producten in het buitenland).
15 A en C
16 Bijvoorbeeld: de afschrijvingen blijven binnen de sector bedrijven. Of: de kringloop geeft
de herkomst en bestemming van Y, het nbi; hier horen de afschrijvingen niet bij.
17 Als een netto stroom (B – O) van overheid naar financiële instellingen (de overheid lost
dan per saldo af, de overheidsschuld wordt kleiner).
18 a Y = 650 + 140 + 110 + 200 – 180 = 920
b 920 = 650 + 100 + S; S = 170
c
 MALMBERG
39
VWO 2E FASE
ANTWOORDEN MODULE 7
WELVAART EN GROEI
19 Y = C + B + S, dus 520 = 440 + B + 50, dus B = 30
Y = C + I + O + E – M, dus 520 = 440 + I + 40 + 120 – 115, dus I = 35
20 a Y = 3500 + 3200 + 3000 = 9700
b B = 970 (10% van Y)
c O – B = 270, dus O = 1240
d Y = C + I + O + E – M, dus 9700 = 7760 + 300 + 1240 + 700 – 300
e Eerst S berekenen met Y = C + B + S: 9700 = 7760 + 970 + S, dus S = 970.
I / S  100% = 300 / 970  100% = 30,9%
f O – B = 270
270 / 970  100% = 27,8%
g E – M = 400
400 / 970  100% = 41,2%
h Omdat S = I + (O – B) + (E – M). De besparingen van huishoudens worden in hun
geheel (voor 100%) gebruikt om de investeringen door bedrijven, het overheidstekort en
het tekort van het buitenland te financieren.
21 a Eerst S berekenen met Y = C + B + S: 510 = 324 + 126 + S, dus S = 60.
Daarna I berekenen met de vergelijking S = I + (O – B) + (E – M).
O – B = –2; E – M = 50.
Dus 60 = I – 2 + 50; I is 12.
b A = juist; B = onjuist; C = onjuist; D = juist.
c De netto toegevoegde waarde is 510. De netto toegevoegde waarde is gelijk aan Y.
22
Baten
Y=
Baten
B=
(O – B) =
Baten
C=
I=
O=
E=
Baten
M=
(E – M) =
 MALMBERG
Gezinnen
9700 C =
B=
S=
Overheid
970 O =
270
Bedrijven
7760 Y =
300 M =
1240
700
Buitenland
300 E =
400
Lasten
7760
970
970
Lasten
1240
Lasten
9700
300
Lasten
700
40
VWO 2E FASE
ANTWOORDEN MODULE 7
WELVAART EN GROEI
23 1 = goederenrekening; inkomsten
2 = inkomensoverdrachtenrekening; uitgaven
3 = dienstenrekening; inkomsten
4 = kapitaalrekening; uitgaven
5 = primaire inkomensrekening; inkomsten
6 = primaire inkomensrekening; uitgaven
7 = dienstenrekening; uitgaven
8 = hier is sprake van vier transacties: de export wordt geboekt op de goederenrekening
(inkomsten); de kredietverlening wordt geboekt op de kapitaalrekening (uitgaven); de
rentebetalingen worden geboekt op de primaire inkomensrekening (inkomsten); de
aflossing wordt geboekt op de kapitaalrekening (inkomsten).
24 Beleggingen in het buitenland vormen uitgaven op de kapitaalrekening. Deze
beleggingen gaan rente of winst (dividend) opleveren. Deze stromen terug en worden
geboekt op de primaire inkomensrekening (inkomsten).
25 a
Inkomsten
€ 980 miljard
€ 400 miljard
€ 80 miljard
€ 23 miljard
€ 770 miljard
Betalingsbalans
Rekening
Goederenrekening
Dienstenrekening
Primaire inkomensrekening
Secundaire inkomensrekening
Saldo lopende rekening =
Kapitaalrekening
Saldo kapitaalrekening =
Saldo betalingsbalans =
€
€
€
€
€
€
€
€
Uitgaven
780 miljard
233 miljard
95 miljard
19 miljard
356 miljard
610 miljard
160 miljard
516 miljard
b Er stromen meer valuta het eurogebied binnen dan dat er naar buiten stromen. De
buitenlandse valutareserve van het eurogebied zal dus toenemen.
Toepassing
1
a E = 197
b Y = C + B + S, dus 350 = 199 + B + 47, dus B = 104
De andere berekeningswijze gaat als volgt:
(S – I) = (E – M) + (O – B)  (47 – 28) = (197 – 180) + (106 – B)  B = 104
c Bijvoorbeeld een pijl van overheid naar gezinnen (ambtenarensalarissen), of een pijl
van bedrijven naar overheid (vennootschapsbelasting).
2
a
b
c
d
e
3
a Kapitaal stroomt naar de VS; Chinese investeerders kopen bijvoorbeeld een
olieraffinaderij in de VS of beleggen in aandelen Microsoft.
b Chinezen exporteerden steeds meer kapitaal naar de VS waardoor het saldo op de
kapitaalrekening verslechtert.
c De Chinese beleggingen gaan rente (obligaties) of dividend (aandelen) opleveren.
Deze stromen weer terug naar China en worden geboekt op de primaire
inkomensrekening.
Op de dienstenrekening.
Toename van de goederenexport, afname van de goederenimport.
De primaire inkomensrekening.
+9.225 + saldo kapitaalrekening = –420. Het saldo op de kapitaalrekening is –9.645.
Het op de lopende rekening verdiende geld wordt in het buitenland belegd.
 MALMBERG
41
VWO 2E FASE
ANTWOORDEN MODULE 7
WELVAART EN GROEI
4
a Extra groei bbp: 0,0015  € 450 miljard = € 675 miljoen. Extra afdracht plus gederfde
inkomsten: € 1 miljard + € 0,3 miljard = € 1,3 miljard. Per saldo gaat de toetreding
Nederland geld kosten (€ 625 miljoen).
b Bijvoorbeeld: de toetreding zal aanleiding zijn voor de landbouwproducenten in de
EU-landen tot verlaging van hun prijzen om de prijsconcurrentie met de MOE-landen
aan te kunnen.
c Nederland: (0,02  450) / (0,05  100) = 1,8
Toetredingslanden: (0,07  450) / (0,20  500) = 0,315
Index toetredingslanden: 0,315 / 1,8  100 = 17,5
d Een lage bruto toegevoegde waarde per werkzame persoon kan het gevolg zijn van
een geringe inzet van kapitaalgoederen in combinatie met een grote inzet van
arbeidskrachten.
e Ja, Nederland spaart in verhouding tot het binnenlands product twee keer zo veel, en
het bbp van Nederland en het totaal van de MOE-landen is gelijk.
f De Nederlandse spaarquote is twee keer zo hoog. Investeringen die voor
modernisering moeten zorgen, worden voor een groot deel met geleend geld, dus met
de particuliere besparingen gefinancierd. In de MOE-landen wordt (naar verhouding)
minder gespaard; er is dus minder geld beschikbaar voor nieuwe innovatieve
investeringen.
Hoofdstuk 2 Alleen op de wereld?
Verkenning
1
Dat markten wederzijds afhankelijk zijn.
2
a Aandelen en obligaties zijn alternatieve beleggingsmogelijkheden. Als bijvoorbeeld de
bedrijfswinsten dalen, daalt de vraag naar aandelen en zal de vraag naar obligaties
stijgen.
b Als de vraag naar software toeneemt, neemt ook de vraag naar ICT-specialisten toe
(en omgekeerd).
3
a ‘De vissers profiteren dus ook van een prijsverhoging in de landbouw.’
b De capaciteit. Er kan bijvoorbeeld niet meer vis gevangen worden.
4
Op korte termijn. De aanbodlijn is op lange termijn een horizontale lijn (zie module 3).
5
a Mensen bieden hun arbeid aan op de arbeidsmarkt als het loon dat zij ontvangen
hoger is dan de opofferingskosten. Deze opofferingskosten zijn bijvoorbeeld de baten
van vrije tijd (ofwel het belang dat iemand toekent aan vrije tijd). Bij een hogere loonvoet
zijn er meer mensen waarvoor geldt dat de loonvoet hoger is dan de opofferingskosten.
De aangeboden hoeveelheid arbeid stijgt dan.
b Vragers van arbeid (werkgevers/ondernemers) nemen een beslissing op basis van
(marginale) opbrengsten en kosten: MO moet groter zijn dan MK. De (marginale) kosten
van een extra werknemer worden gevormd door zijn loonkosten; de marginale opbrengst
van een extra werknemer is de bijdrage die hij levert aan de productie. Een stijging van
de loonvoet zorgt ervoor dat de kosten-batenafweging en dus de beslissing om een
werknemer in dienst te nemen vaker negatief zal uitvallen.
c Het netto loon daalt. Voor meer potentiële aanbieders op de arbeidsmarkt weegt dit
netto loon niet op tegen de opofferingskosten van de verloren vrije tijd.
6
3–2–4–1–5
 MALMBERG
42
VWO 2E FASE
ANTWOORDEN MODULE 7
WELVAART EN GROEI
7
De efficiëntie neemt af. Overheidsingrijpen verlaagt het consumenten- en
producentensurplus meer dan de opbrengst van de belastingen waardoor het totale
surplus daalt.
Toepassing
1
a Grafiek 3. Als gevolg van de subsidies daalt de MK, zodat bij iedere prijs het aanbod
toeneemt.
b Grafiek 2. De prijs van biobrandstoffen daalt, waardoor de vraag naar het substituut
aardolie daalt.
c De vraag naar biobrandstof stijgt, waardoor de vraag naar de grondstof maïs ook
stijgt. De vraaglijn verschuift naar rechts.
d De prijs van maïs stijgt, waardoor het substituut tarwe aantrekkelijker wordt. De
vraaglijn van tarwe verschuift naar rechts.
e De prijs van maïs stijgt, waardoor de productie van vlees duurder wordt. De
aanbodlijn verschuift naar links.
2
a De waarde inclusief inflatie stijgt van 100 naar (ongeveer) 400, gecorrigeerd voor
inflatie van 100 naar (ongeveer) 250. De stijging van 250 naar 400 is dus het gevolg van
de inflatie: 150 / 250  100% = 60%.
b De huizenmarkt en de kapitaalmarkt. Als de rente op de kapitaalmarkt daalt (bron 3)
zal op de woningmarkt de vraag naar huizen, en dus de gemiddelde prijs van een huis
stijgen.
Hoofdstuk 3 Welvaart
Verkenning
1
Het bbp meet allerlei zaken die niet of weinig bijdragen aan de welvaart van mensen.
Belangrijke dingen worden juist weer niet meegenomen in de berekening van het bbp.
2
a Een hoger inkomen geeft een individu de mogelijkheid om een hogere kwaliteit aan
voedsel te consumeren, of om op een comfortabeler en veiliger manier te reizen.
b Een hoger inkomen geeft een land de mogelijkheid om meer geld te besteden aan
onderwijs en onderzoek, gezondheidszorg, of kustverdediging. Dit komt de leefbaarheid
van het land en dus de welvaart van de bewoners ten goede.
3
a Het consumentensurplus is het verschil tussen de prijs die een consument bereid is
te betalen voor een bepaald goed, en de (markt)prijs die hij daadwerkelijk moet betalen.
b Het is moeilijk te meten. Het is niet bekend wat een consument maximaal had willen
betalen.
c Ja, want dat is de winst van producenten en die maakt onderdeel uit van de
toegevoegde waarde.
4
a De effecten zijn niet geprijsd en (dus) moeilijk te meten.
b Overschat. Het gezamenlijke effect van negatieve en positieve externe effecten is
welvaartsverlagend.
5
a Onbetaalde arbeid leidt tot behoeftebevrediging en dus tot welvaart. Voorbeelden:
vrijwilligerswerk, huishoudelijke arbeid (koken, schoonmaken), opvoeding van kinderen
binnen gezinnen.
b Moeilijk te meten, want er vindt geen registratie plaats.
 MALMBERG
43
VWO 2E FASE
ANTWOORDEN MODULE 7
WELVAART EN GROEI
6
Zij verrichtte eerst betaalde arbeid. Nu wordt dezelfde arbeid onbetaald gedaan en komt
dus niet meer in het bbp tot uitdrukking. Het bbp daalt.
7
a 1: Het bbp daalt. 2: Het bbp neemt toe. 3: Het bbp daalt.
b Een stijgend bbp kan gepaard gaan met negatieve externe effecten (2), een dalend
bbp met positieve externe effecten (1 en 3), waardoor de verandering van het bbp niet
overeenkomt met de verandering van de welvaart.
8
a 9,1%
b Nee, de Lorenzcurve wordt samengesteld door de groepen personen qua inkomen te
rangschikken van laag naar hoog. Daarom is het cumulatieve percentage aan inkomen
altijd lager dan het cumulatieve percentage aan mensen.
c 100 – 31,4 = 69,6%
9
a Nee, het is een overdrachtsinkomen. Er zijn geen productiefactoren ter beschikking
gesteld.
b Ja, hier is wel sprake van het ter beschikking stellen van een productiefactor (arbeid);
dus primair inkomen.
c Het totale inkomen van groep A = € 4  € 5 + € 1  € 6 = € 26. Het totale inkomen van
alle groepen is € 346; € 26 / € 346 = 0,075 = 7,5%.
d
Groep
Totaal
inkomen
per groep
A
B
C
D
€ 26
€ 50
€ 70
€ 200
Percentage
van het
totale
inkomen
7,5%
14,5%
20,2%
57,8%
Gezamenlijk inkomen
A
A+B
A+B+C
A+B+C+D
€ 26
€ 76
€ 146
€ 346
Percentage van het
totale inkomen
A
A+B
A+B+C
A+B+C+D
7,5%
22%
42,2%
100%
e
 MALMBERG
44
VWO 2E FASE
ANTWOORDEN MODULE 7
WELVAART EN GROEI
10 a
Groepen
huishoudens
1
2
3
4
5
Totaal
Percentage
huishoudens
cumulatief
20%
40%
60%
80%
100%
Totaal inkomen
per groep
Percentage van
het nbi
€ 28 miljard
€ 56 miljard
€ 84 miljard
€ 140 miljard
€ 252 miljard
€ 560 miljard
5%
10%
15%
25%
45%
100%
Percentage
personen
cumulatief
20%
40%
60%
80%
100%
Totaal inkomen
per groep
Percentage van
het nbi
€ 22,4 miljard
€ 44,8 miljard
€ 89,6 miljard
€151,2 miljard
€ 252 miljard
€ 560 miljard
4%
8%
16%
27%
45%
100%
Percentage
inkomen
cumulatief
5%
15%
30%
55%
100%
b
Groep
1
2
3
4
5
Totaal
Percentage
inkomen
cumulatief
4%
12%
28%
55%
100%
c Bij de huishoudens met een laag inkomen zijn meer tweeverdieners.
11 De bevolking wordt verdeeld in vijf groepen van vier gezinnen.
Groep
1
2
3
4
5
Totaal
 MALMBERG
Percentage
gezinnen
cumulatief
20%
40%
60%
80%
100%
Totaal inkomen
per groep
Percentage van
het nbi
€
€
€
€
€
€
4,7%
14,7%
20%
20,5%
40%
450
1.400
1.900
1.950
3.800
9.500
Percentage
inkomen
cumulatief
4,7%
19,5%
39,5%
60%
100%
45
VWO 2E FASE
ANTWOORDEN MODULE 7
WELVAART EN GROEI
12 B, C en E
13 D
14 Hun bruto inkomen is na de veranderingen gelijk aan hun netto inkomen. Zij betalen nu
geen belasting meer.
15 a
b
c
d
e
f
0,3  € 1.200 = € 360
0,45  € 200 = € 90
€ 90 / € 1.200  100% = 7,5%
0,3  € 5.000 = € 1.500
0,45  € 4.000 = € 1.800
€ 1.800 / € 5.000  100% = 36%
16 De inkomensverdeling wordt minder scheef. De belastingvrije voet is gunstig voor lage
inkomens. De verhoging van de vlaktaks is ongunstig voor hoge inkomens.
17 Alle drie de uitspraken zijn juist.
18 Alle drie de uitspraken zijn juist.
19 a
b
c
d
€ 1.000  0,1 + € 200  0,3 = € 160
€ 160 / € 1.200  100% = 13,3%
€ 1.000  0,1 + € 1.000  0,3 + € 3.000  0,5 = € 1.900
€ 1.900 / € 5. 000  100% = 38%
20 a € 2.000 – € 1.650 = € 350; € 350 is 35% van € 1.000
b € 2.100 – € 1.650 = € 450; € 450 is 45% van € 1.000, dus 45%
21 a € 10.000  0,1 + € 3.000  0,3 = € 1.900, dit is minder dan de heffingskorting.
b € 10.000  0,1 + € 30.000  0,3 = € 10.000
€ 10.000 – € 2.000 (heffingskorting) = € 8.000
c € 10.000  0,1 + € 30.000  0,3 + € 30.000  0,5 = € 25.000
€ 25.000 – € 2.000 (heffingskorting) = € 23.000
d Een heffingskorting werkt nivellerend. De heffingskorting is een korting (in euro’s) op
het te betalen belastingbedrag. Shariz profiteert in verhouding minder van deze korting
dan Rachid; hogere inkomens profiteren in verhouding minder dan lage inkomens.
22 a 52%
b algemene heffingskorting
c € 18.218  0,3345 = € 6.093,92
d (€ 32.738 – € 18.218)  0,4195 = € 6.091,14
e (€ 54.367 – € 32.738)  0,42 = € 9.084,18;
(€ 57.000 – € 54.367) = € 2.633; € 2.633  0,52 = € 1.369,16; in totaal € 22.638,40;
€ 22.638,40 – € 1.987 – € 1.489 = € 19.162,40
23 a € 44.500 – € 3.400 = € 41.100
b Eerst voor iedere schijf uitrekenen hoeveel belasting zij moet betalen (goed
gebruikmaken van de antwoorden in de vorige opgave): schijf 1: € 6.093,92; schijf 2:
€ 6.091,14; schijf 3: (€ 41.100 – € 32.738)  0,42 = € 3.512,04. Daarna het totaal aan
belasting over drie schijven uitrekenen: € 15.697,10. Vervolgens twee heffingskortingen
eraf trekken, dit maakt € 12.221,10. Dat is het uiteindelijke bedrag dat zij in box 1 aan de
Belastingdienst moet betalen.
 MALMBERG
46
VWO 2E FASE
ANTWOORDEN MODULE 7
WELVAART EN GROEI
24 a Het ontzien van kleine spaarders kan een reden zijn. Een andere reden kan zijn dat
de administratieve kosten van belastinginning hoog zijn en dat het dan niet rendabel is
om spaarders met een laag spaarbedrag te belasten.
b Dan blijft de reële waarde van het bedrag constant. Anders zou door inflatie het reële
bedrag steeds lager worden, waardoor op den duur alleen nog maar heel kleine
spaarders onder de drempel vallen.
c Sparen en beleggen kan op vele manieren. Met name het risicovolle beleggen in
aandelen kan een veel hoger rendement opleveren. Anderzijds kan risicomijdend sparen
op de bank minder dan 4% opleveren. Verder fluctueert het rendement van beleggen
sterk; dit geldt vooral voor het rendement van aandelen maar toch ook wel voor de
spaarrente.
d De spaarder betaalt jaarlijks 30% van 4% van zijn vermogen, ofwel 0,3  4% = 1,2%
van zijn vermogen.
25 a Curve B. Bij een vlaktaks is de secundaire inkomensverdeling identiek aan de
primaire inkomensverdeling.
b Curve A. De belastingvrije voet zorgt voor nivellering.
c Curve C. Een degressief belastingsysteem werkt denivellerend.
Toepassing
1
a Mensen kookten vroeger meer thuis (onbetaald). Onbetaalde arbeid wordt niet
meegenomen in de berekening van het bbp. Nu wordt het koken voor hen gedaan in de
voedingsmiddelenindustrie (betaald). Het bbp neemt toe.
b De vraag is of de behoeftebevrediging in de nieuwe situatie groter is dan in de oude
situatie. De bevrediging van de behoefte aan een warme maaltijd vindt in de nieuwe
situatie in dezelfde mate plaats als in de oude situatie. Wat dat betreft blijft de welvaart
gelijk. Bovendien: mensen zijn nu minder tijd kwijt aan (onbetaald) koken, maar betalen
wel een hogere prijs voor elke maaltijd. Waarschijnlijk moeten zij meer (betaald) werken
om deze hoge prijs te kunnen betalen.
c De welvaart neemt toe als de waarde van de vrije-tijdswinst van het niet hoeven
koken groter is dan de waarde van het vrije-tijdsverlies doordat men meer betaald moet
werken.
d Kant-en-klaarproducten zijn niet altijd even gezond en kunnen dus leiden tot hogere
kosten voor gezondheidszorg en ziekteverzuim: externe effecten. De welvaart neemt af.
e Kant-en-klaarmaaltijden zijn relatief duur omdat zij meer bewerkingen hebben
ondergaan dan basisvoedingsmiddelen zoals aardappelen en groenten; zij zijn geschikt
gemaakt voor consumptie. Er heeft een grotere waardetoevoeging plaatsgevonden.
2
Partij A: gelijkmatiger, want met name lagere inkomensgroepen profiteren van deze
maatregel, omdat zij met een naar verhouding groter deel van hun inkomen in deze
schijf vallen. Partij B: gelijkmatiger, want hogere inkomensgroepen hebben minder
aftrekposten en dus wordt hun belastbaar inkomen daardoor hoger en dus ook hun
belastingbedrag. Partij C: gelijkmatiger, want alleen de hoogste inkomens vallen (deels)
binnen deze schijf en moeten dus meer belasting betalen. Partij D: ongelijkmatiger, want
lagere inkomensgroepen profiteren in verhouding meer van een heffingskorting dan
hogere inkomensgroepen en worden bij een verlaging van de korting dus meer
benadeeld.
3
– Door de vlaktaks wordt het Nederlandse stelsel minder progressief. De
inkomensverdeling na belastingheffing wordt dus schever.
– Een en ander wordt verzacht door het afschaffen van aftrekposten. Het zijn immers
met name hogere inkomensgroepen die aftrekposten kunnen opvoeren. Bovendien
profiteren hogere inkomens meer van aftrekposten omdat hun marginale tarief hoger is.
 MALMBERG
47
VWO 2E FASE
ANTWOORDEN MODULE 7
WELVAART EN GROEI
– Er zal meer mobiliteit op de arbeidsmarkt komen, omdat het financieel meer loont om
een zwaardere functie te gaan vervullen.
– De huizenmarkt zal minder krap worden in het duurdere segment. Door de vlaktaks
zullen hogere inkomens een kleiner deel van de rente kunnen ‘aftrekken’. Lenen wordt
daardoor duurder. De vraag naar duurdere huizen zal dus afnemen. Duurdere woningen
dalen in prijs. De vraag naar goedkopere woningen zal dus toenemen. Goedkopere
woningen zullen stijgen in prijs.
4
a Als mensen voor 100% worden belast, zullen ze waarschijnlijk niet gemotiveerd zijn
om betaald werk te doen. 100% van nul verdiende euro’s is € 0.
b De hoge belastingtarieven leiden tot een verminderde motivatie om betaald werk te
doen; mensen blijven liever in hun bed liggen of gaan liever vissen. Ook zal het
zwartwerken toenemen.
c Bij het lage tarief A. Het belastingtarief is hier laag dus moet het bbp hier hoog zijn.
d Niet doen, het zal ten koste gaan van het bbp en de belastingopbrengst.
5
a Uit het feit dat de lorenzcurven niet in de oorsprong beginnen. Een deel van de
beroepsbevolking is werkloos en ontvangt dus geen primair inkomen.
b Bij de laagste inkomens is sprake van nivellering omdat het desbetreffende aandeel
in het inkomen is toegenomen (van 2,5% naar 6%). Bij de hoogste inkomens is sprake
van denivellering omdat het desbetreffende aandeel in het inkomen is toegenomen (van
40% naar 45%).
c Het inkomensaandeel van de vierde 20%-groep in 2000 bedraagt 60% – 30% = 30%.
Het inkomensaandeel van de vierde 20%-groep in 2010 bedraagt 55% – 30% = 25%.
Het gemiddeld inkomen in 2000 bedraagt (0,30  € 200 miljard) / (0,20  5.750.000) =
€ 52.174.
Het gemiddeld inkomen in 2010 bedraagt (0,25  € 275 miljard) / (0,20  7.250.000) =
€ 47.414. Het gemiddeld inkomen is gedaald met € 52.174 – € 47.414 = € 4.760.
6
a Gelijk. Bij een volledig proportionele heffing is het gemiddelde belastingtarief gelijk
aan het tarief over de laatst verdiende euro (in dit geval 35%).
b Bijvoorbeeld: het bestaan van heffingskortingen bij het ‘Schijvenstelsel’ romen een
deel van de relatief (afgezet tegen de ‘Vlaktaks’) hogere inkomsten uit de marginale
tarieven af. Of: het bestaan van aftrekposten versmalt de grondslag waarop deze hogere
tarieven worden geheven, hetgeen bovendien in relatief sterke mate de
belastinginkomsten drukt, omdat deze aftrekposten vooral door de hogere inkomens
opgevoerd worden.
c Het ‘Schijvenstelsel’. Met de progressieve tarieven van het ‘Schijvenstelsel’ kan
worden bereikt dat de hogere inkomens relatief meer afdragen dan de lagere, hetgeen
de inkomensverschillen verkleint.
d Deciel 4: belastbaar inkomen = 0,86  € 17.000 = € 14.620
belasting = 0,325  € 14.620 = € 4.751
€ 4.751 / € 17.000  100% = 27,9%
Deciel 10: belastbaar inkomen = 0,75  € 60.000 = € 45.000
belasting = € 10.500 + 0,42  (€ 45.000 – € 30.000) = € 16.800
€ 16.800 / € 60.000  100% = 28,0%
e Nivellerend. De vaste heffingskorting van € 2.000 is voor de lagere inkomens een
relatief groter belastingvoordeel dan voor de hogere inkomens, hetgeen de
inkomensverschillen na belastingheffing verkleint.
 MALMBERG
48
VWO 2E FASE
ANTWOORDEN MODULE 7
WELVAART EN GROEI
Hoofdstuk 4 Economische groei
Verkenning
1
Een toename van het bbp betekent een hoger inkomen voor de bevolking. Dit geeft hen
de middelen om in behoeften te voorzien, bijvoorbeeld de behoefte aan
gezondheidszorg voor iedereen.
2
A Kamer van Koophandel. De overige drie behoren tot de fysieke infrastructuur.
B Prijsstabiliteit. De overige drie behoren tot de sociale infrastructuur.
3
A, C en D
4
Het kopen van producten wordt dan minder risicovol. Indien het rechtssysteem van een
land goed functioneert, kunnen mensen erop vertrouwen dat producten betrouwbaar en
niet gevaarlijk zijn; als je voedsel koopt, kun je er bijvoorbeeld van uitgaan dat het niet
giftig is, als je in een vliegtuig stapt, kun je ervan uitgaan dat het vliegtuig regelmatig
wordt onderhouden en gecontroleerd, enzovoort. De verplichtingen van producenten om
veilige goederen en diensten te leveren staan in talrijke wetten omschreven.
5
a Ondernemers gaan alleen transacties aan met andere bedrijven als zij zeker weten
dat die bedrijven ook werkelijk bestaan; dat het niet om nepopdrachten gaat. Zij kunnen
dit controleren bij de KvK. Daarvoor is het wel nodig dat elk bedrijf wettelijk geregistreerd
is.
b Iedereen moet toegang kunnen hebben tot de informatie. Anders heeft de
opgeslagen informatie geen nut.
c Bedrijven kunnen nu gemakkelijk controleren of andere bedrijven ‘betrouwbaar’ zijn.
Zij hebben dus minder onzekerheid en zullen gemakkelijker met andere bedrijven handel
drijven.
6
a € 300 miljard / € 900 miljard  100% = 33,3%
b € 350 miljard / € 900 miljard  100% = 38,9%
c Veel inkomen wordt uitgekeerd in de vorm van pacht.
d Veel inkomen wordt dan uitgekeerd in de vorm van pacht, rente, huur of winst. Deze
inkomens komen meestal de hogere inkomensgroepen ten goede, omdat die beschikken
over de productiefactoren kapitaal, natuur en ondernemerschap. Het gevolg is een
scheve inkomensverdeling. Deze wordt door veel mensen als onrechtvaardig ervaren.
7
a € 500 miljard / € 600 miljard  100% = 83,3%
b € 540 miljard / € 600 miljard  100% = 90%
c Een hoge loonquote betekent een lage restquote, en dus ook een lage winstquote.
Indien de winstgevendheid van bedrijven laag is, zullen bedrijven niet geneigd zijn om
veel te investeren. Lage winsten betekent immers dat de investeringen weinig
rendement opleveren. Ook betekenen lage winsten dat er weinig middelen zijn om te
investeren. Investeringen worden immers (deels) uit behaalde winsten gefinancierd.
d De loonquote gaat omlaag omdat deze zzp’ers geen werknemers zijn en dus geen
loon ontvangen.
e Voor de grootte van de arbeidsinkomensquote maakt het niet uit. De samenstelling
verandert wel; het loonaandeel daalt en het aandeel winst zelfstandigen neemt toe.
8
a De monetaire infrastructuur omvat alle regels, afspraken en organisaties die de
transactiekosten van geldverkeer verlagen en de betrouwbaarheid van dit verkeer
verhogen.
 MALMBERG
49
VWO 2E FASE
ANTWOORDEN MODULE 7
WELVAART EN GROEI
b Door de activiteiten van skimmers worden mensen voorzichtig met het betalen met de
pinpas. Dat kan leiden tot een daling van het ruilverkeer.
9
A, B en C
10 a Door te kijken naar de hoogte van het bbp.
b Door meer mensen uit de bevolking van 15 tot 65 jaar aan het werk te krijgen of door
de mensen meer uren per jaar/week/dag te laten werken.
c Door de arbeidsproductiviteit te verhogen.
d Mensen bevredigen hun behoeften niet alleen door het consumeren van goederen en
diensten. Ook vrije tijd, vrijwilligerswerk en genieten van de gratis natuur kunnen
bijdragen aan de welvaart van mensen. Deze zaken zitten niet in het bbp verwerkt.
11 a 0,7  12 + 0,1  0,5  12 = 0,75  12 = 9 miljoen fulltime banen
b 9 miljoen  € 50.000 = € 450 miljard;
€ 450 miljard / 16 miljoen = € 28.125 per hoofd van de bevolking
12 Oezbekistan telt ongeveer 28 miljoen inwoners. Dat is ruim 90 keer de bevolking van
IJsland (300.000).
13 a € 810 miljard / € 720 miljard  100 = 112,5, dus 12,5%
b 112,5 / 112  100 = 100,446, dus ruim 0,4%
c 100,4 / 101  100 = 99,4, dus –0,6%
14 a In de reële economische groei. De werknemer kan gewoon meer kopen voor zijn
loon.
b Mensen hoeven minder vrije tijd in te leveren om een bepaalde behoefte
(bijvoorbeeld aan automobiliteit) te kunnen bevredigen. Dat op zich is al welvaartswinst.
c De arbeidsproductiviteit is tussen 1960 en 2009 sterk toegenomen, en daarmee ook
het loon van de gemiddelde werknemer. Tegelijkertijd zijn de productiekosten van een
auto enorm gedaald. Beide verklaringen hebben te maken met technologische
ontwikkelingen.
15 Hoge inkomensgroepen sparen meer dan lage inkomensgroepen. Bij een gelijkmatige
inkomensverdeling wordt er dus relatief veel geconsumeerd en weinig gespaard.
Besparingen dienen als financieringsbron voor investeringen. Lage investeringen leiden
tot afnemende economische groei.
16 a (1) De scholingsgraad van de bevolking is hoger in Ierland dan in Ethiopië. (2) De
kapitaalgoederenvoorraad is groter in Ierland dan in Ethiopië. (3) De infrastructuur is
beter in Ierland dan in Ethiopië.
b A Het nominale bbp/hoofd zegt op zichzelf niet zoveel. Het gaat in feit om de
koopkracht. Door het lage prijsniveau in Ethiopië is de koopkracht (per dollar) daar dus
hoger. De Ethiopiër kan per dollar meer goederen en diensten aanschaffen dan de Ier.
B De informele economie wordt niet meegenomen in de berekening van het bbp/hoofd.
Het bbp/hoofd onderschat dus de welvaart in Ethiopië meer dan in Ierland.
C Als men uitgaat van de veronderstelling dat een gelijkmatiger inkomensverdeling
bijdraagt (doordat een extra dollar aan inkomen voor een arm iemand tot meer
behoeftebevrediging leidt dan voor een rijk iemand) aan een toename van de welvaart,
dan overschat het bbp/hoofd de welvaart in Ethiopië meer dan in Ierland.
 MALMBERG
50
VWO 2E FASE
ANTWOORDEN MODULE 7
WELVAART EN GROEI
17 a Door internationale handel kunnen lagelonenlanden arbeidsintensieve
productieprocessen overnemen van landen met hogere lonen. In lagelonenlanden wordt
arbeid daardoor schaarser en gaan de lonen omhoog. In landen met een hoog
loonniveau wordt arbeid minder schaars en zal het loonniveau dalen.
b Technologische ontwikkelingen kunnen op verschillende manieren bijdragen aan het
verkleinen van inkomensverschillen tussen landen. Internet (over de glasvezelkabel)
heeft er bijvoorbeeld voor gezorgd dat de transactiekosten dalen en dat in India veel
administratieve diensten worden geproduceerd voor de westerse markt. Zo stroomt
inkomen van rijke landen naar India. Verder kunnen ‘arme’ landen direct overschakelen
op de nieuwste technologieën en productiemethoden. Voorbeelden zijn wind- en zonneenergie en mobiele telefonie. In Afrika worden geen ingewikkelde en kostbare
telefoonkabelnetwerken aangelegd; men schakelt direct over naar mobiele telefonie.
c Fysieke infrastructuur.
18 Gebrek aan infrastructuur (havens, wegen enzovoort), gebrek aan scholing. Maar vooral
het gebrek aan een efficiënte en betrouwbare overheid en rechtssysteem.
19 a De betreffende landen hebben hard gewerkt om hun overheid en rechtssysteem
betrouwbaar en efficiënt te maken. Hierdoor namen de buitenlandse investeringen en de
economische activiteit in het algemeen toe.
b De betreffende landen rekenden op een toename van buitenlandse investeringen en
economische activiteit in het algemeen. Zij hebben hun fysieke infrastructuur daarop
voorbereid. Internationale banken waren waarschijnlijk wel bereid geld hiervoor ter
beschikking te stellen, gezien de belofte van het lidmaatschap van de EU.
c Hogere inkomens in de nieuwe EU-landen zorgt voor nieuwe afzetmogelijkheden. De
inwoners van die landen willen natuurlijk ook allemaal een auto, een wasmachine, een
autoverzekering en een hypotheek. West-Europese bedrijven stonden klaar om die
producten te leveren.
d Bijvoorbeeld: op dit moment worden in Nederland nog veel huizen opgeknapt door
hardwerkende en relatief goedkope Polen. Als in Polen de inkomens blijven doorstijgen,
zal het aanbod van goede en goedkope Poolse bouwvakkers afnemen.
20 A en C
Toepassing
1
a Ongeveer 50%.
b De inflatie over de genoemde periode was 189 / 143  100 = 132, dus 32%.
150 / 132  100 = 113,6. Dus een reële economische groei van 13,6%.
c Lager. De groei van de industrie was minder dan de groei van de totale economie.
Het aandeel van de industrie nam dus af.
d Bijvoorbeeld: verplaatsing van bedrijven naar lagelonenlanden.
2
a Het aandeel van de dienstensector in het arbeidsvolume in 2007 is 77%. Het is dus
toegenomen. In 1990 was het (ongeveer) 4 / 5,6  100% = 71%.
b In de energievoorziening; 5% van de toegevoegde waarde en maar 1% van de
werkgelegenheid.
c Sterk gemechaniseerd, geautomatiseerd. Verder waren de gasprijzen in 2007 ook
heel hoog.
 MALMBERG
51
VWO 2E FASE
ANTWOORDEN MODULE 7
WELVAART EN GROEI
3
a Kapitaalintensivering betekent meer machines en andere apparatuur per werknemer.
b Meestal zijn het de meest arbeidsintensieve productieprocessen die naar
lagelonenlanden worden verplaatst. Vaak gaat het ook om ongeschoolde arbeid. Het
gaat dus om productieprocessen met een lage arbeidsproductiviteit. Hierdoor neemt de
gemiddelde arbeidsproductiviteit in Nederland toe.
4
a Reële groei: in de bron wordt gesproken van volumemutaties.
b 1,4 van de 2,5 is 56%.
c De stijging van de arbeidsdeelname (1,5 procentpunt), waardoor de arbeidsduur per
inwoner stijgt.
d De deeltijdfactor heeft in die periode in negatieve zin bijgedragen aan de
economische groei/hoofd. Er werd dus meer in deeltijd gewerkt.
e In 1958/1974 was er sprake van sterke groei. In 1975/1980 was die veel lager. De
daling van de productiegroei ging niet gepaard met een even grote daling van het
arbeidsvolume. Werkgevers zaten met ‘overtollige’ werknemers. De gemiddelde
arbeidsproductiviteit nam af.
5
a 1: Dit kan hebben geleid tot een daling van de gemiddelde arbeidsproductiviteit in
Nederland, omdat de arbeidsproductiviteit van die minder gekwalificeerde werknemers
waarschijnlijk laag was.
2: Het gaat om het bbp/uur, dus de arbeidsproductiviteit per uur. Die neemt niet af
wanneer men minder uren per jaar gaat werken.
3: Een lage rentestand betekent lage investeringskosten. Dit zou hebben moeten leiden
tot meer investeringen en dus een hogere kapitaalintensiteit van de productie en dus ook
hogere arbeidsproductiviteit. Dit kan dus nooit de oorzaak zijn.
4: Een hoog loonpeil stimuleert bedrijven tot het doen van arbeidsbesparende diepteinvesteringen, waardoor de gemiddelde arbeidsproductiviteit zal stijgen. Ook dit kan dus
niet de oorzaak zijn.
b De arbeidsinzet kan niet veel meer stijgen. De meeste vrouwen en mannen werken
al, er is alleen nog wat toename mogelijk door het terugdringen van het deeltijdwerk. En
de Nederlandse bevolking vergrijst.
6
a De SGR garandeert de teruggave van geld indien reizen niet doorgaan omdat de
reisorganisatie failliet is gegaan of op een andere wijze in gebreke is gebleven. Mensen
krijgen van de SGR hun geld terug.
b Dan weet je zeker dat je je geld niet zomaar kwijt bent bij een faillissement.
c Ze krijgen daardoor meer klanten.
d Consumenten krijgen meer zekerheid dat de beloofde dienst ook daadwerkelijk
geleverd wordt. Zij zullen sneller een vakantie gaan boeken. Het ruilverkeer neemt toe.
e Sociale infrastructuur.
7
A: Amerikanen werken meer en hebben dus minder vrije tijd. Het hebben van vrije tijd
kan bijdragen aan behoeftebevrediging.
B: De informele sector is in Nederland in verhouding tot de economie groter in
Nederland dan in de VS. Ook onbetaalde arbeid kan bijdragen aan behoeftebevrediging.
Deze onbetaalde arbeid zit echter niet in het bbp verwerkt. Overigens nuanceert dit weer
het antwoord bij A: Amerikanen hebben minder vrije tijd maar hoeven thuis ook minder
te klussen.
C: Verschillen in inflatie zitten al in het reële bbp verwerkt, dus doen hier niet ter zake.
D: Indien de lorenzcurve verder van de diagonaal is verwijderd, wijst dat op een
schevere inkomensverdeling. Als men uitgaat van de veronderstelling dat een
gelijkmatiger inkomensverdeling bijdraagt (doordat extra koopkracht voor een arm
iemand tot meer behoeftebevrediging leidt dan voor een rijk iemand) aan een toename
 MALMBERG
52
VWO 2E FASE
ANTWOORDEN MODULE 7
WELVAART EN GROEI
van de welvaart dan nuanceert dit verschijnsel het in bron 15 getoonde welvaartsverschil
tussen de VS en Nederland.
8
a De EU hecht aan goed bestuur (= weinig corruptie) en aan een goed rechtssysteem,
een goed functionerende rechtsstaat.
b Concurrentie zorgt voor innovatie en efficiëntie: onder de druk van concurrentie zullen
bedrijven proberen goede producten te maken tegen een lage prijs.
9
a Hoe lager het belastingtarief, hoe groter de groei.
b Lage loonbelasting betekent vaak lagere loonkosten voor bedrijven. Dit trekt
buitenlandse investeringen, bijvoorbeeld van multinationals. Verder betekent een lage
loonbelasting een hoog netto loon. Dit kan werknemers prikkelen om hard te werken,
waardoor de productiviteit omhoog gaat.
10 a Bijvoorbeeld:
– een argument waaruit blijkt dat extra arbeidsaanbod, via het relatief laag blijven van
de loonkosten, leidt tot verbetering van de concurrentiepositie;
– het beschikbaar komen van meer arbeid voor bedrijven/sectoren waarbij arbeid het
knelpunt vormt zodat uitbreiding van de productie mogelijk wordt.
b Bijvoorbeeld: te denken valt aan de mensen die niet direct beschikbaar zijn en de
mensen die niet actief op zoek zijn naar betaald werk. De groep van 3.053.000 personen
valt af omdat deze mensen niet kunnen of willen werken.
c Bijvoorbeeld: te denken valt aan de grote mate waarin het extra arbeidsaanbod
kansrijk blijkt te zijn.
d Bijvoorbeeld:
– mogelijkheden vergroten voor flexibele werktijden;
– subsidies gericht op verbeteren van kinderopvang.
Beide maatregelen passen bij het profiel uit bron 14 waaruit blijkt dat het kansrijk extra
arbeidsaanbod met name bestaat uit vrouwen met kind(eren) die op zoek zijn naar een
deeltijdbaan. Andere maatregelen passen niet bij het gewenste beleid en/of zijn niet te
verantwoorden met de gegevens uit de bron.
Herhaling
1
a Bij sommige industrietakken is de export in de periode 1996-2006 sterker gestegen
dan het Nederlands gemiddelde. Nederland is een exportland. Een voortrekkersrol in de
export is dus van groot belang.
b De toegevoegde waarde van de industrie is in de periode 1996-2006 veel minder snel
gestegen dan in de overige sectoren, omdat de toegevoegde waarde van de totale
economie een veel hoger groeicijfer had. Daarbij is het wel aannemelijk dat de groei van
de dienstensector voor een deel het gevolg is van de groei van de industrie, maar in
welke mate wordt niet duidelijk met de gegevens in bron 1. Wat betreft banengroei blijft
de industrie fors achter bij het Nederlands gemiddelde (het ligt er ook maar aan hoe je
‘de motor van de Nederlandse economie’ definieert. De industrie is niet de motor van de
banengroei.)
c De machine-industrie is waarschijnlijk veel minder kapitaalintensief dan de chemische
industrie. Dat heeft te maken met de aard van het product. Chemische producten zoals
kunststoffen of verfstoffen zijn standaardproducten die in grote hoeveelheden worden
gemaakt. De productie is vrijwel volledig gemechaniseerd/geautomatiseerd. Machines
worden in beperkter hoeveelheden gemaakt. Verder zijn het ingewikkelder producten die
meer handwerk vereisen.
d De toegevoegde waarde is sterk gestegen (+30,8%), terwijl de werkgelegenheid is
gedaald (–9,5%).
 MALMBERG
53
VWO 2E FASE
ANTWOORDEN MODULE 7
WELVAART EN GROEI
e Met indexcijfers: 130,8 / 90,5  100 = 144,5. De arbeidsproductiviteit is dus met
44,5% toegenomen.
f De productieprocessen die naar lagelonenlanden worden verplaatst, zijn meestal
arbeidsintensieve productieprocessen die een grote inzet van laaggeschoolde arbeid
vereisen. De arbeidsproductiviteit bij dit soort productieprocessen ligt laag in verhouding
tot die van de productieprocessen die niet worden verplaatst. De gemiddelde
arbeidsproductiviteit binnen de Nederlandse industrie gaat dus omhoog.
2
a Opkomende economieën hebben een steeds groter aandeel in de internationale
handel. Het is dus waarschijnlijk dat het aandeel van de opkomende economieën in de
totale productie van de wereld (zeg maar: het wereld-bbp) toeneemt. Deze landen
maken een inhaalslag ten opzichte van de ontwikkelde economieën.
b Als Amerikanen steeds minder sparen (en dus meer besteden) neemt de import toe
en ontstaat een tekort op de lopende rekening.
c Amerikanen sparen weinig en steeds minder; S is klein (bron 4). De overheid heeft
een groeiend tekort (bron 5) en moet steeds meer geld lenen; (O – B) is dus positief en
‘verbruikt’ spaargeld. De Verenigde Staten hebben een tekort op de lopende rekening
(bron 3); (E – M) is negatief.
d Er is een (groot) overschot op de kapitaalrekening.
e De Zuid- en Oost-Europese landen.
f De beleggingsstroom naar de VS veroorzaakt een verschuiving van bezit (Aziatische
landen beleggen hun overschotten in Amerikaanse bedrijven); de Amerikaanse
economie steunt steeds meer op productiemiddelen en financieel kapitaal in eigendom
van Aziatische landen. Dit fysieke en financiële kapitaal levert een inkomensstroom
(rente, dividend, huur) op van de VS richting Azië. De VS verliezen inkomen ten gunste
van Azië. Of: de beleggingsstroom kan sterk afnemen, waardoor de VS hun hoge
bestedingsniveau niet vol kunnen houden. Ook de Zuid-Europese landen kunnen moeite
krijgen om op langere termijn hun hoge bestedingen vol te houden (in 2010 werd dit ook
actueel in een ander verband: hun begrotingstekorten stegen tot een haast niet meer
financierbare hoogte).
3
a Een van de doelen van de hypotheekrenteaftrek is het bevorderen van het
eigenwoningbezit bij de huishoudens met de laagste inkomens. Uit bron 7 blijkt dat
onder huishoudens met lage inkomens het aantal huishoudens met een
hypotheekschuld in verhouding laag is (10%). Het doel wordt dus nauwelijks bereikt.
b Sociale rechtvaardigheid betekent hier dat de regeling bijdraagt aan een nivellering
van de netto inkomensverdeling. Uit bron 7 blijkt dat dit niet het geval is. Het gemiddeld
fiscaal voordeel per huishouden (in euro’s) is voor huishoudens met hoge inkomens
ongeveer twintig keer zo hoog als voor huishoudens met lage inkomens. De regeling
leidt dus tot denivellering.
c Nederland heeft een progressief belastingstelsel gebaseerd op het schijvensysteem.
Aftrekposten als de hypotheekrenteaftrek verlagen het belastbaar inkomen; over dat
deel van het inkomen (gelijk aan het hypotheekrentebedrag) hoeft dus geen belasting te
worden betaald. Hogere inkomensgroepen hebben een hoger marginaal belastingtarief
(bijvoorbeeld 52%) dan lage inkomensgroepen (bijvoorbeeld 34%). Op deze manier
hebben hogere inkomensgroepen dus van dergelijke aftrekposten een groter
belastingvoordeel dan lage inkomensgroepen.
d De rente is gedaald. Indien de rente niet was gedaald waren de gevolgen van de
toename van de totale hypotheekschuld in Nederland voor de Nederlandse schatkist nog
groter geweest. In bron 6 staat dat de misgelopen belastinginkomsten zijn verdubbeld
tussen 1990 en 2010. De hypotheekschuld is sterker toegenomen.
 MALMBERG
54
VWO 2E FASE
ANTWOORDEN MODULE 7
WELVAART EN GROEI
e De schatkist loopt door de sterke stijging van de hypotheekschuld steeds meer
belastinginkomsten mis (bron 6). Hierdoor zijn bezuinigingen noodzakelijk of moeten de
belastingen worden verhoogd. Beide maatregelen hebben negatieve gevolgen. De
discussie over de hypotheekrenteaftrek wordt dus steeds heftiger.
f De partijen die het meeste stemmen ontvangen van huizenbezitters. Dus vooral
rechtse partijen zoals de VVD.
4
a € 25.000  0,3 + € 25.000  0,4 + € 20.000  0,5 – € 2.000 = € 25.500
b (6.000.000  € 20.000  0,3) – (6.000.000  € 2.000) = € 24 miljard
c Het totale netto inkomen is € 325 miljard – € 90 miljard = € 235 miljard. Het netto
inkomen van de eerste groep is € 120 miljard – € 24 miljard = € 96 miljard. Dus € 96
miljard van € 235 miljard = 40,9% van het netto inkomen.
d De totale belastinginkomsten moeten uitkomen op € 90 miljard. Door de
heffingskorting loopt de regering € 20 miljard (10 miljoen belastingplichtingen  € 2.000)
mis. De vlaktaks moet dus € 110 miljard opbrengen: € 110 miljard / € 325 miljard  100%
= 33,8%.
e Nu betaalt iedere belastingplichtige uit deze groep € 4.000 aan belasting (berekening:
0,3  € 20.000 = € 6.000; € 6.000 – € 2.000 = € 4.000). Bij het 35%-tarief wordt dat
0,35  € 20.000 = € 7.000 min de heffingskorting. Die moet dan € 3.000 bedragen.
f Progressief. Er is sprake van een vlaktaks maar wel met een heffingskorting. De
heffingskorting maakt het stelsel progressief.
5
a € 7.078 – € 2.995 = 30% van het WML.
Het WML bedraagt dus (€ 7.078 – € 2.995) / 30  100 = € 13.610.
b Het extra netto loon uitgedrukt als percentage van het extra bruto loon is voor
mensen die tegen het WML gaan werken, hoger dan voor mensen die tegen 130% van
het WML gaan werken. Bij het minimumloon: € 1.815 / € 2.995  100% = 60,6%. Bij
130% van het minimumloon: € 4.175 / € 7.078  100% = 59%. We hebben dus te maken
met een oplopend marginaal tarief.
c De stijging van het netto inkomen na gemeentelijke regelingen is negatief. Dus als je
het effect van alle inkomensafhankelijke regelingen meeneemt, houdt de WML’er dus
nog minder over dan toen hij/zij in de uitkering zat, een marginale druk dus van meer
dan 100%.
d De bron toont dat de toename van het inkomen lager uitvalt als je de gemeentelijke
regelingen in de berekening meeneemt. Hieruit kun je concluderen dat hoe hoger het
bruto inkomen, hoe meer de regelingen wegvallen. Het gaat dus om
inkomensafhankelijke regelingen.
e Minder inkomensafhankelijk. Dan blijven de regelingen toch van kracht bij stijging van
het bruto inkomen en gaan mensen er meer in besteedbaar inkomen op vooruit als zij
een baan aanvaarden.
6
a Een daling van het wereldhandelsvolume met 2% zorgt voor een daling van de
Nederlandse export met 1,7% en een wat kleinere daling van de consumptie van
huishoudens (–0,2%). Geconfronteerd met een afnemende afzet zullen bedrijven hun
investeringen terugschroeven.
b Olie en grondstoffen worden goedkoper. Deze prijsdalingen zullen doorwerken in de
prijzen van eindproducten en dus ook in de CPI.
c Een daling van de inflatie zorgt voor een daling van de rente, omdat de reële rente op
niveau blijft bij een dalende nominale rente. Of: een lagere inflatie maakt sparen
aantrekkelijker en lenen minder aantrekkelijk, waardoor de rente zal dalen als gevolg
van een stijgend aanbod versus een kleinere vraag.
 MALMBERG
55
VWO 2E FASE
ANTWOORDEN MODULE 7
WELVAART EN GROEI
d In variant A. Het bbp neemt daar flink toe, terwijl de contractlonen in de marktsector
nauwelijks stijgen (door de lage inflatie). Het aandeel van de winst in het nationaal
inkomen neemt dan toe.
7
a 34 / 100  € 31.850 = € 10.829.
b 27 / 100  € 31.850  10,4 miljoen = € 89,4 miljard
c De arbeidsproductiviteit van de Poolse landbouw wordt berekend door de omvang
van de bijdrage van de landbouw aan het bbp (in miljarden euro’s) te delen door de
bijdrage van de landbouw aan de werkgelegenheid. Eerst bereken je het bbp van Polen:
39,8  22 / 100  € 31.850 = € 278,8786 miljard. De bijdrage van de landbouw is dan
3,3%  bbp = € 9,203 miljard. De werkgelegenheid in de landbouw bedraagt 19,1% van
18,2 miljoen arbeidsjaren = 3,4762 miljoen arbeidsjaren. De arbeidsproductiviteit is dan
€ 9,203 miljard / 3,4762 miljoen arbeidsjaren = € 2.647,43.
d Gebruik de formule: indexcijfer reëel = indexcijfer nominaal / CPI  100, ofwel:
CPI = indexcijfer nominaal / indexcijfer reëel  100. Voor Polen is dat 22 / 41  100 =
53,7; voor de EU15 is de CPI gelijk aan 100.
e Het verschil in euro’s houdt geen rekening met het verschil in prijsniveau. Een
arbeidsproductiviteit van € 2.647 staat in Polen voor meer producten dan in de EU15.
8
Human capital heeft betrekking op de kwaliteit en kwantiteit van de (beroeps)bevolking
(bron 17). Factorkosten hebben betrekking op de kosten van productiefactoren, met
name arbeid (bron 16). Het begrip belastingklimaat heeft betrekking op de hoogte van de
belastingen, met name vennootschapsbelasting (bron 15). De overige bronnen (13 en
14) geven informatie over het functioneren van de overheid in het algemeen en over het
gemak en de snelheid waarmee in een land een bedrijf kan worden opgezet. In de
opgave moeten Nederland en België worden vergeleken. Nederland scoort beter dan
België op het criterium van de vennootschapsbelasting. Ook wat betreft de
arbeidskosten scoort Nederland beter, vooral binnen de dienstensector. Binnen de
industrie is het verschil verwaarloosbaar. Het opleidingsniveau is hoger in België, vooral
op het gebied van bèta-afgestudeerden. Deze zijn bij R&D goed inzetbaar. Bètaafgestudeerden zijn op een hoofdkantoor veel minder gevraagd. Blijft over het gemak
waarmee in een land een bedrijf kan worden opgestart. Hier heeft België een duidelijk
voordeel. Conclusie: wanneer het om een R&D-afdeling gaat, zal geadviseerd worden
voor België, vanwege het hoge aantal bèta-afgestudeerden. Wanneer het gaat om een
hoofdkwartier zal Nederland worden geadviseerd vanwege de lage
vennootschapsbelasting.
 MALMBERG
56
VWO 2E FASE
ANTWOORDEN MODULE 8
GOEDE TIJDEN, SLECHTE TIJDEN
Hoofdstuk 1 De conjunctuurbeweging
Verkenning
1
a ‘Veel families zaten rond de keukentafel en probeerden erachter te komen hoe ze
konden besparen. Veel bedrijven doen hetzelfde.’ C en I nemen beide af.
b De overheid moet de plaats innemen van gezinnen en bedrijven; zij moet dus
(tijdelijk) extra besteden. Dus O omhoog om de daling van C en I te compenseren.
c De fout was dat zij te veel consumeerden, te weinig spaarden en te veel leenden. De
Amerikanen hebben te lang op te grote voet geleefd.
d Minder zelf consumeren, meer sparen en investeren, meer exporteren
2
Bedrijven en gezinnen gingen snijden in hun uitgaven. Op zich verstandig, want in
onzekere tijden moet je reserves opbouwen. Maar door het gebrek aan bestedingen kan
de economie als geheel in de problemen komen.
3
B, C en D
4
Waarschijnlijk heftiger. Nominale economische groei wordt bepaald door enerzijds reële
groei (volumegroei) en anderzijds de ontwikkeling (meestal stijging) van het prijspeil. In
tijden van hoogconjunctuur is de inflatie hoger dan in tijden van laagconjunctuur. De
grafiek van de nominale groei zal dus sterkere fluctuaties vertonen dan de grafiek van de
reële groei.
5
a 2003 en 2009
b 2004
c In 2005: 103,4 / 102,2  100 = 101,372549
In 2006: 104,0 / 102,8  100 = 101,1673152
In 2005 was de inflatie hoger. Overigens kun je dit ook zonder berekening al zien: het
verschil tussen reëel en nominaal is in beide jaren 2,2. Dit getal is relatief groter ten
opzichte van 102,2 dan ten opzichte van 102,8.
6
a Nee. Het bericht suggereert dat het vierde kwartaal van 2008 het eerste
krimpkwartaal was. In het handboek wordt gesproken van een recessie als de economie
twee kwartalen of meer achter elkaar krimpt.
b Je kunt zeggen dat het een procyclische variabele is omdat de export net als het bbp
is gedaald. In theorie is het echter niet onmogelijk dat de economie krimpt maar de
export toeneemt. De export is immers niet afhankelijk van de binnenlandse conjunctuur
maar van de buitenlandse conjunctuur.
c De vergelijking met hetzelfde kwartaal een jaar eerder. Hierdoor wordt gecorrigeerd
voor seizoensfluctuaties.
7
a Een macro-economische variabele die een indicatie geeft over de ontwikkeling van
het (toekomstig) bbp.
b Als er minder bouwvergunningen worden afgegeven, wordt er in de toekomst dus
minder gebouwd. Minder woningen, minder kantoren, minder wegen en minder
fabrieken. Dit zegt dus wel iets over de ontwikkeling van het toekomstige bbp.
c Faillissementen komen elke week voor en kunnen worden veroorzaakt door
uiteenlopende oorzaken (inclusief mismanagement of sterke concurrentie). Maar als het
aantal faillissementen duidelijk toeneemt, ligt de oorzaak daarvan waarschijnlijk in een
economische terugval. Bedrijven krijgen waarschijnlijk te weinig omzet binnen en kunnen
hun kosten niet meer betalen. Door deze faillissementen kunnen andere bedrijven ook in
moeilijkheden komen, bijvoorbeeld doordat de vraag naar hun producten wegvalt of
 MALMBERG
57
VWO 2E FASE
ANTWOORDEN MODULE 8
GOEDE TIJDEN, SLECHTE TIJDEN
omdat bepaalde rekeningen niet betaald zullen worden. In die zin is het aantal
faillissementen ook een conjunctuurindicator.
8
Bedrijven produceren niet voor het magazijn, maar voor de verkoop. Als de voorraden
eindproduct toenemen, is dat omdat de verkoop terugvalt. Er is dus sprake van
laagconjunctuur.
9
a De verloop van het bbp is het resultaat van het verloop van de vijf verschillende
bestedingscomponenten (C + I + O + E – M). Het is dus een soort gemiddelde van deze
vijf componenten. Alleen al om deze reden zal hij meestal dus minder grillig zijn dan het
verloop van I. Daarnaast hebben ondernemers de eigenschap om te overreageren; als
de vraag naar hun producten terugloopt, snijden zij stevig in hun investeringen. Zij zullen
flink in de kosten snijden. En als de vraag weer aantrekt, gaan zij juist weer heel stevig
investeren. Zij maken dan een soort inhaalslag.
b Vervangingsinvesteringen zijn niet afhankelijk van de conjunctuur of in ieder geval
veel minder dan uitbreidingsinvesteringen. Het verloop van de netto-investeringen zal
dus een veel grilliger verloop hebben dan het verloop van de bruto-investeringen.
10 a In de jaren 1981 en 1982 was sprake van economische krimp. In die jaren liep de
werkloosheid sterk op tot die in 1983 het maximum bereikte.
b Bedrijven gaan blijkbaar niet onmiddellijk over tot het ontslag van werknemers op
momenten dat het niet goed gaat met hun afzet en omzet. De redenen hiervoor zijn
divers; misschien kijken zij de boel nog even aan in de hoop dat de economie snel weer
aantrekt. Misschien zitten bedrijven vast aan contractuele verplichtingen of is het
anderszins moeilijk om snel personeel te ontslaan.
11 a Wanneer de arbeidsproductiviteit meer toeneemt dan de totale productie (het bbp),
neemt de werkgelegenheid in arbeidsjaren af. De werkloosheid kan in dat geval
toenemen, ook al is er sprake van economische groei.
b Sterke groei van de beroepsbevolking, bijvoorbeeld door immigratie of doordat veel
jongeren de arbeidsmarkt betreden.
12 a Wanneer mensen werkloos worden, gaan zij er in inkomen op achteruit. Dus betalen
zij ook minder inkomstenbelasting. De belastingontvangsten van de overheid nemen af.
b Doordat veel mensen werkloos worden en in inkomen erop achteruit gaan, zullen de
uitgaven van de overheid aan sociale zekerheid (bijstand, huurtoeslag) toenemen.
c Bij een proportioneel (inkomsten)belastingsysteem nemen de belastinginkomsten van
de overheid (in procenten) precies evenveel toe of af als het nationaal inkomen toe of af
neemt. Bij een progressief belastingsysteem neemt de gemiddelde belastingdruk toe bij
een stijging van het inkomen. Omgekeerd neemt de gemiddelde belastingdruk af bij een
daling van het inkomen. Bij een progressief belastingsysteem nemen de
belastinginkomsten van de overheid (in procenten) dus meer toe dan het nationaal
inkomen als het nationaal inkomen toeneemt en (omgekeerd) nemen de
belastinginkomsten van de overheid (in procenten) dus meer af dan het nationaal
inkomen als het nationaal inkomen afneemt.
13 a Welvaartsvast betekent gekoppeld aan de loonontwikkeling.
Dus: 1,017  € 1.353,15 = € 1.376,15
b Nee, want waardevast betekent gekoppeld aan de inflatie. En de inflatie was minder
dan de loonontwikkeling.
14 2 – 4 – 3 – 1
 MALMBERG
58
VWO 2E FASE
ANTWOORDEN MODULE 8
GOEDE TIJDEN, SLECHTE TIJDEN
15 a 1 / 1,39 = 0,72
b Hoger. Als de euro/dollar koers daalt, stijgt de dollar/euro koers.
16 Verschijnsel 2. Bij verschijnsel 2 kopen Amerikanen meer Europese producten waardoor
de vraag naar euro’s stijgt.
17 A, B en D
18 a Depreciatie.
b Die stijgt (appreciatie van de dollar ten opzichte van de euro).
c De vraag naar Europese producten vanuit de VS neemt toe, omdat Europese
producten in dollars goedkoper worden.
d D
e Die neemt toe. De obligaties zijn genoteerd in dollars. De dollar is geapprecieerd ten
opzichte van de euro.
19
Inkomsten
8
2
11
1
Betalingsbalans
Rekening
Goederenrekening
Dienstenrekening
Primaire inkomensrekening
Inkomensoverdrachtenrekening
Kapitaalrekening
Uitgaven
5
7
6
10
4, 9
20 2 – 4 – 3 – 8 – 1 – 6 – 9 – 7 – 5
21 a Wanneer de wereldhandel als percentage van het wereld-bbp toeneemt, volgt daaruit
dat de conjunctuur in een land steeds meer afhankelijk wordt van schommelingen in de
export oftewel van conjuncturele ontwikkelingen in andere landen. De voortplanting van
de conjunctuur over grenzen heen wordt sterker. Conjuncturele ontwikkelingen in
verschillende landen gaan daardoor steeds meer synchroon lopen. Vergelijk het met
twee meren die met een sloot met elkaar zijn verbonden. Via deze sloot kunnen golven
in het ene meer zich verplaatsen naar het andere meer. Indien de sloot wordt verbreed
(= toename internationale handel) zullen golven zich nog makkelijker van meer tot meer
kunnen overplanten.
b Op zich zal het feit dat de conjunctuurcycli van de verschillende landen meer
synchroon gaan lopen leiden tot steeds heftiger conjuncturele schommelingen.
Anderzijds: voor zover de conjunctuurcycli nog niet synchroon lopen geldt dat de
conjunctuurcyclus in een bepaald land als gevolg van de toename van internationale
handel juist kan worden gedempt. Gebrek aan binnenlandse vraag naar goederen kan
dan worden gecompenseerd door extra vraag naar goederen vanuit het buitenland
(export).
22 Het ontstaan van een betalingsbalansoverschot houdt in dit geval in dat de vraag naar
euro’s groter is dan het aanbod van euro’s. De euro apprecieert daardoor ten opzichte
van de dollar. Europese producten worden daardoor duurder voor Amerikanen.
Amerikaanse producten worden juist goedkoper voor Europeanen. De export vanuit
Europa naar de VS zal daardoor afnemen, maar de import zal juist toenemen. Het
overschot op de betalingsbalans neemt af en de betalingsbalans komt weer in
evenwicht.
 MALMBERG
59
VWO 2E FASE
ANTWOORDEN MODULE 8
GOEDE TIJDEN, SLECHTE TIJDEN
23 a De grafiek van de lats/euro koers is een horizontale lijn. De koers ligt immers vast.
b Deze heeft precies hetzelfde verloop als de euro/dollar koers (alleen de waarden links
zijn anders). De lats/euro koers ligt immers vast.
24 B en D
25 Zekerheid voor importerende en exporterende bedrijven. Zij hebben geen last meer van
heftige schommelingen in aankoop en verkoopprijzen, voor zover die worden
veroorzaakt door koersfluctuaties.
26 a Wanneer alle (of veel) valutahandelaren denken dat de euro/dollar koers zal gaan
dalen (of zelfs wanneer veel valutahandelaren denken dat andere valutahandelaren
denken dat de euro/dollar koers zal gaan dalen), dan zal deze ook gaan dalen. Het is
een soort selffulfilling prophecy. Een selffulfilling prophecy of zelfbevestigende
voorspelling is een voorspelling die zichzelf direct of indirect waarmaakt. Wanneer
valutahandelaren denken dat de euro/dollar koers zal gaan dalen, dan gaan zij
speculeren tegen de euro. Zij gaan euro’s verkopen voor dollars. Door deze massale
verkoop van euro’s zal de euro/dollar koers ook inderdaad gaan dalen. Het is voor de
individuele handelaar dus verstandig om mee te doen met de verkoop van euro’s.
Vergelijkbare processen spelen in de aandelenhandel.
b Vanuit macro-economisch perspectief is kuddegedrag onwenselijk omdat het
destabiliserend werkt, in dit geval op de wisselkoersen. Kuddegedrag kan leiden tot
heftige koersfluctuaties en dat vergroot de onzekerheid voor internationale handelaren
en beleggers en is daarom slecht voor de economie.
27 a De vraag is of de centrale bank bereid en in staat is om de vaste wisselkoers te
garanderen. Beschikt de centrale bank bijvoorbeeld over voldoende reserves aan
buitenlandse valuta om een tekort op de betalingsbalans een tijd uit te zingen?
b In dat geval zal er flink worden gespeculeerd tegen de munt. Als valutahandelaren in
de nabije toekomst een devaluatie van een munt verwachten, gaan zij die munt
verkopen in de verwachting die later tegen een lagere prijs weer terug te kunnen kopen.
De centrale bank moet continu ingrijpen om de munt te steunen en zal haar buitenlandse
valutareserves flink zien afnemen. Een devaluatie wordt steeds waarschijnlijker.
28 a Aan de (vrijwel) verticale daling van de koers halverwege 2005. Daarvoor liep de
koerslijn horizontaal, wat duidt op een vaste koers.
b De dollar/yuan koers daalde. Dat wil zeggen dat de yuan/dollar koers steeg;
revaluatie dus.
c De VS kampen met een groot tekort op de goederenrekening met China. De Chinese
goederenproductie is dus blijkbaar veel goedkoper dan die van de Amerikanen. Volgens
de Amerikanen is de lage yuan/dollar koers daarvan (mede) de oorzaak. Een stijging
van de yuan/dollar koers zal vanuit dit perspectief dus leiden tot een verkleining van het
tekort op de goederenrekening van de VS met China.
Toepassing
1
a Anticyclisch. Als de bbp-groei afneemt, neemt het aantal faillissementen toe.
b Eenmanszaken zijn heel kleine bedrijven, die makkelijk kunnen worden opgericht,
maar vaak ook weer even makkelijk failliet gaan.
c Mismanagement, zware concurrentie.
2
a De consumentenuitgaven (C), de wereldhandel. Deze nemen allebei af.
b Het begrotingstekort (gaat omhoog) en de werkloosheid (stijgt).
 MALMBERG
60
VWO 2E FASE
ANTWOORDEN MODULE 8
GOEDE TIJDEN, SLECHTE TIJDEN
c Procyclisch. Als het slecht gaat met de economie wordt er minder geconsumeerd en
geïnvesteerd en (dus) ook minder geïmporteerd.
3
a De goederenproducenten. Veel van dit soort goederen zijn bestemd voor de export.
En juist de export zakte sterk in.
b Supermarkten; mensen blijven eten en drinken. Horeca is toch een beetje luxe, dus
mensen zullen daar wel op bezuinigen.
c Uitzendbureaus hebben flink last van de recessie omdat bedrijven als eerste hun
uitzendkrachten ontslaan, als het economisch een beetje tegenzit.
d De zorg in Nederland vertoont al jaren een stabiele groei. De oorzaak is de
vergrijzing.
4
a Er staat uitvoervolume dus het gaat om reële grootheden.
b De aankoop van halffabricaten en kapitaalgoederen valt onder de
bedrijfsinvesteringen. Uit HB bron 2 wordt duidelijk dat de bedrijfsinvesteringen heftiger
fluctueren dan de economie als geheel. Blijkbaar reageren bedrijven sterk op
schommelingen in de afzet.
c Alleen Levi heeft gelijk. De afname van de categorie totaal is een gewogen
gemiddelde van die van de andere categorieën. Dit gewogen gemiddelde ligt meer in de
buurt van de kapitaalgoederen en halffabricaten dan in de buurt van de
consumptiegoederen. De weegfactor van deze twee goederen is dus groter dan die van
consumptiegoederen. Marijn heeft ongelijk aangezien het aandeel consumptiegoederen
juist is toegenomen; de daling van de categorie consumptiegoederen is immers kleiner
dan de daling van het totaal.
5
a Die verbetert, doordat de Britse import hierdoor indirect ook afneemt.
b De rente moet omlaag. Hierdoor wordt lenen gestimuleerd en sparen ontmoedigd. De
investeringen en de consumptieve bestedingen zullen dan toenemen.
c De pond/euro koers moet dalen. Daardoor wordt het pond voor Europeanen uit
eurolanden goedkoper en daarmee ook de producten uit het Verenigd Koninkrijk. De
Britse export zal hierdoor toenemen.
6
a Een deel van de omzet van Ahold vindt plaats in de VS en is dus in dollars. Indien de
dollar/euro koers daalt wordt de in de VS gemaakte omzet in euro’s gemeten minder
waard. Daardoor neemt de totale omzet van Ahold af.
b Variabele wisselkoersen zorgen ervoor dat de waarde van de grensoverschrijdende
investeringen kan fluctueren. Dit vergroot de onzekerheid verbonden aan
grensoverschrijdend investeren.
c Een jaar eerder was de omzet € 7,634 miljard. Hij is nu 1,3% lager. Bij een constante
wisselkoers zou de winst 6,8% hoger zijn geweest. De daling van de dollarkoers heeft
dus geleid tot een winstdaling van 8,1% van € 7,634 miljard = € 618,354 miljoen.
7
a Economische groei in de VS leidt tot een toename van de inkomens in de VS en
daarmee tot een toename van de consumptie en van de import. Bij gelijkblijvende export
neemt het tekort op de lopende rekening toe.
b De import van de VS is (deels) de export van de EU. Een toename van deze export
leidt tot meer productie en dus tot economische groei in de EU.
c Dat kan alleen indien een tekort op de lopende rekening ruimschoots wordt
gecompenseerd door een overschot op de kapitaalrekening. Blijkbaar waren veel
buitenlandse ondernemingen/beleggers bereid geld te investeren in de VS.
d De Europese export wordt hierdoor nog goedkoper voor Amerikanen en dus
aantrekkelijk in verhouding tot in de VS gemaakte goederen. De export van de EU naar
de VS zal toenemen, evenals de economische groei in de EU.
 MALMBERG
61
VWO 2E FASE
ANTWOORDEN MODULE 8
GOEDE TIJDEN, SLECHTE TIJDEN
e Beleggers van buiten de EMU (bijvoorbeeld Verenigd Koninkrijk of de VS) verkopen
hun Griekse staatsobligaties en/of zijn steeds minder bereid om te beleggen in Griekse
staatsobligaties. Het aanbod van euro’s neemt toe en de vraag neemt af. De koers van
de euro daalt.
8
a Dit bevordert de onderlinge handel tussen de deelnemende landen.
b Door de overwaardering van de CFA zijn Afrikaanse landbouwproducten niet
concurrerend op de Europese markt. In euro’s uitgedrukt zijn ze gewoon te duur.
c Import uit Europa blijft op deze manier voor Afrikaanse landen goedkoop. Aangezien
de deelnemende landen sterk afhankelijk zijn van de import van consumptiegoederen en
kapitaalgoederen uit Europa zorgen deze lage importprijzen voor een relatief stevige
beperking van de inflatie in de deelnemende landen.
d Voor de devaluatie was een euro 6,55957 Franse francs en dus 50  6,55957 =
327,9785 CFA waard. Een CFA was dus 1/327,9785 = € 0,00304898 waard. Nu nog
maar € 0,0015267. Dat is een daling van bijna 50%.
9
a Land A heeft een tekort op de betalingsbalans met de eurolanden. Bij een zwevende
wisselkoers zou de koers van de munt van dit land dus de neiging hebben om te gaan
dalen. Hierdoor zou import duurder worden en het prijspeil dus stijgen. Het handhaven
van een vaste wisselkoers voorkomt deze prijsstijging.
b Deze nemen af. Door de vaste wisselkoers blijft het betalingsbalanstekort bestaan.
Deviezen stromen per saldo het land het uit.
c Revaluatie. De tekst spreekt van een overschot op de betalingsbalans. De monetaire
autoriteiten willen dit overschot verkleinen. In dat geval moet de export van land B
omlaag en/of de import omhoog.
d Structurele overschotten leiden in dit geval tot een appreciatie van de munt en
daarmee tot een duurder worden van de export en het goedkoper worden van de import,
waardoor het overschot weer verdwijnt. Andersom geldt een vergelijkbare redenering:
structurele tekorten leiden in dit geval tot een depreciatie van de munt en daarmee tot
een goedkoper worden van de export en het duurder worden van de import, waardoor
het tekort weer verdwijnt.
10 a Qv = Qa; –50p + 86 = 25p + 17  75p = 69  p = 0,92  Q = 25  0,92 + 17 = 40 
40  0,92 = € 36,8 miljard
b Het aanbod van euro’s stijgt met 3 miljard. Dus: –50p + 86 = 25p + 17 + 3  75p =
66  p = 0,88  0,88 – 0,92 / 0,92  100% = 4,35% (afgerond)
c Groter. Bij een minder elastische vraag zou dezelfde aanbodtoename van euro’s tot
een minder sterke stijging van de marktafzet leiden en tot een sterke/scherpere daling
van de evenwichtsprijs (koers).
d De toename van de investeringen van de VS in China gaat ten koste van de
investeringen van de VS in Europa. De toename van de investeringen van de VS in
China kan ertoe leiden dat minder dollars door de VS worden aangeboden in ruil voor
euro’s en dus ook minder euro’s worden gevraagd op dit deel van de valutamarkt,
hetgeen kan leiden tot een daling van de koers van de euro in dollars, en dus tot een
stijging van de koers van de dollar in euro’s.
Hoofdstuk 2 De verklaring voor de conjunctuurbeweging
Verkenning
1
De vraag is of de werknemers bereid zijn loon in te leveren. Blijkbaar kan alleen op die
manier worden voorkomen dat er gedwongen ontslagen vallen. Het gaat dus om de
solidariteit van het voltallige personeel met diegenen die hun baan kwijt raken.
 MALMBERG
62
VWO 2E FASE
ANTWOORDEN MODULE 8
GOEDE TIJDEN, SLECHTE TIJDEN
2
De geaggregeerde vraag is de totale vraag in een economie in alle markten samen. De
collectieve vraag is de totale vraag binnen een markt, bijvoorbeeld de markt voor
perssinaasappelen.
3
Invullen in M  V = P  Y geeft 80  V = 10  40. V = 5.
4
M  V = P  Y, dus M = (P  Y) / V = 480 miljard / 8 = 60 miljard
5
M  V = P  Y; M nam meer toe dan Y; V bleef constant. Dus moet P zijn gestegen.
6
M  V = P  Y  P = (M  V) / Y  in CPI = (104,7  98,8) / 98 = 105,5546939  5,55%
7
a Het geld in de kas van de bank is hetzelfde geld als eerst chartaal in handen van de
familie en daarna op de rekening van de familie Janssen. Het geld op de betaalrekening
telt ook mee bij M en zou twee keer meetellen als de kas van de bank ook bij M zou
horen.
b Zowel het chartale als girale geld in handen van de familie hoort bij M. M blijft dus
constant.
c Nee, alleen chartaal en giraal geld in handen van het publiek behoren tot M.
d Het voorzorgsmotief; mensen zien de (economische) toekomst somber in, en willen
geld achter de hand houden voor slechte tijden.
e M gaat omlaag.
f M gaat omlaag. Bij gelijkblijvende V gaat P  Y ook omlaag. Een daling van Y leidt tot
een daling van de werkgelegenheid en (dus) tot een stijging van de werkloosheid.
8
a Mensen houden een bepaalde hoeveelheid cashgeld aan in hun portemonnee en in
de onderste lade in de kast thuis. Hetzelfde geld voor het bedrag dat op de girorekening
staat. Als het gedrag hoe met geld omgegaan wordt ongeveer gelijk blijft, blijft de
omloopsnelheid ook min of meer gelijk.
b M neemt toe.
c M neemt af.
d Het geld dat mensen op de bank zetten wordt door de banken weer uitgeleend, dus
weer teruggepompt in de economie. Het wordt dan nog steeds gebruikt voor transacties.
Als mensen het thuis bewaren, wordt het echt onttrokken aan de economie; het wordt
niet gebruikt voor transacties. V daalt.
e V daalt en daarmee ook P  Y. De economie gaat krimpen, in ieder geval nominaal.
9
a Wim denkt in nominale prijzen, niet in reële prijzen. Hij vergeet dat de ƒ 2 van vroeger
gegeven het toenmalige prijs- en loonniveau eigenlijk ook een flink bedrag was.
b Niet alleen de prijs van een kopje koffie is in de loop van de tijd gestegen, ook de
lonen zijn in de loop der tijd flink toegenomen. Vroeger moesten mensen gemiddeld 8
minuten werken om een kopje koffie op een terras te kunnen betalen. Nu is dat nog
steeds zo.
10 C, D, E, H
11 Waarschijnlijk afnemen. Door de invoering van de chipkaart kunnen prijsveranderingen
immers sneller en gemakkelijker worden ingevoerd.
12 Bedrijven willen snijden in hun kosten wanneer zij geconfronteerd worden met een
dalende afzet. De loonkosten kunnen omlaag, hetzij door een verlaging van de lonen,
hetzij door het laten afvloeien van een deel van de werknemers. Door loonstarheid is het
eerste niet mogelijk, dus gebeurt het tweede: Theo en de overige werknemers willen
geen loonsverlaging, en ook de vakbonden zijn tegen. De bedrijven kampen echter met
 MALMBERG
63
VWO 2E FASE
ANTWOORDEN MODULE 8
GOEDE TIJDEN, SLECHTE TIJDEN
een terugvallende vraag naar hun producten. Zij zullen dus op een andere manier in de
kosten gaan snijden en mensen gaan ontslaan.
13 a Bedrijven worden geconfronteerd met een stevige toename van de vraag naar hun
producten. Zij willen meer arbeid inschakelen. Maar een vraagoverschot betekent dat de
vraag naar arbeid groter is dan het aanbod. Bedrijven kunnen dus niet of heel moeilijk
aan voldoende werknemers komen. Hun productie neemt onvoldoende toe.
b Een vraagoverschot leidt tot een opwaartse druk op de loonvoet. Door een stijging
van de loonvoet neemt de vraag naar arbeid af en het aanbod toe.
c Door loonstarheid kan de loonvoet zich niet aanpassen aan gewijzigde
schaarsteverhoudingen.
14 Marijn heeft gelijk. Loon is de prijs van arbeid.
15 Door loonstarheid en prijsrigiditeit kunnen zich op de korte termijn prijzen en lonen niet
aanpassen aan gewijzigde schaarsteverhoudingen. Hierdoor blijven vraag- (en aanbod-)
overschotten en -tekorten in stand.
16 B
17 a Een daling van M (V constant) leidt (bij prijsrigiditeit) tot een daling van Y en dus tot
een daling van de werkgelegenheid.
b Schommelingen van M leiden tot schommelingen van Y.
18 B
19 A
20 a De computerchip zorgde voor grote veranderingen van productietechnieken
(computers, robots). Hierdoor kon met de beschikbare hoeveelheid productiefactoren
een veel grotere productie worden gerealiseerd.
b Ten tijde van de industriële revolutie was dat bijvoorbeeld de stoommachine. Deze
werd in fabrieken ingeschakeld bij de mechanisering van productieprocessen als
spinnen en weven (in de textielindustrie) of zagen (in de houtindustrie). In het transport
werd de stoommachine ingezet in de vorm van de stoomlocomotief. Al deze
toepassingen zorgden voor een toename van de productiecapaciteit.
c Bijvoorbeeld:
– Immigratie. Deze zorgt voor een toename van de productiefactor arbeid.
– Uitbreidingsinvesteringen. Deze zorgen voor een toename van de productiefactor
kapitaal.
21 a Consumenten stappen over op substituten als appels.
b Als goederen en diensten duurder worden, kun je er minder van kopen: substitutie is
niet mogelijk bij de geaggregeerde vraag.
22 a Monetaire expansie betekent een toename van M, bijvoorbeeld doordat de centrale
bank de maatschappelijke geldhoeveelheid verhoogt.
b B, C en E
23 A
24 Neutraliteit van geld.
 MALMBERG
64
VWO 2E FASE
ANTWOORDEN MODULE 8
GOEDE TIJDEN, SLECHTE TIJDEN
25 a 600 hamburgers
b M  V = P  Y, dus € 100  V = € 3  400. V = 12.
c De prijs kan niet tegelijk veranderd worden, omdat dan alle folders, billboards en
dergelijke aangepast moeten worden.
d M  V = P  Y, dus € 150  12 = € 3  Y. Y stijgt tot 600, dus tot op het niveau van de
natuurlijke productieomvang.
e M  V = P  Y: Y zit al op het niveau van de natuurlijke productieomvang en kan dus
voorlopig niet toenemen. P zal stijgen. Inflatie dus.
26 a Y2005 is groter dan Y1995 is groter dan Y1985
b Door technologische ontwikkeling.
c Door de toename van M.
27 A
28 B
29 a Een daling van de omloopsnelheid (bij oppotten) of een daling van M (bij sparen).
b Door prijsrigiditeit leidt de verschuiving van de GV-curve tot een daling van Y. Door
loonstarheid leidt een daling van Y direct tot een stijging van de werkloosheid.
30 3 – 8 – 1 – 4 – 2 – 7 – 6 – 9 – 5
Toepassing
1
a Mensen met een relatief hoge arbeidsproductiviteit komen wel aan een baan. Hun
productie is immers groot genoeg om de kosten van een minimumloon goed te maken.
Mensen met een lage arbeidsproductiviteit komen niet aan een baan. Werkgevers willen
ze misschien wel in dienst nemen maar niet tegen het huidige, relatief hoge
minimumloon. Hoe hoger het minimumloon, hoe hoger de werkloosheid.
b Uitgaande van de redenering bij het antwoord op vraag a zullen bij een relatief hoog
minimumloon meer mensen werkloos blijven dan bij een lager minimumloon. Het
minimumloon draagt zo bij aan werkloosheid.
c Het minimumloon is niet alleen een kostenpost voor werkgevers, maar ook een
inkomstenbron voor werknemers. Hiervan moeten zij leven. Mensen hebben recht op
een zeker minimaal inkomensniveau wanneer zij arbeid verrichten.
2
a Het zit er een beetje tussenin. Het is niet de vraag naar een product (bijvoorbeeld het
bouwen van eengezinswoningen), maar ook niet de vraag in de economie als geheel
(van alle markten samen).
b De verkoop van nieuwbouwwoningen is met 60% ingezakt. Dat is een relatief grote
vraagdaling. De economie als geheel is in dat kwartaal immers maar een paar procenten
gedaald. De sector is dus conjunctuurgevoelig.
c In de bouw is sprake van een zekere traagheid, doordat er een bepaalde tijd zit
tussen een bouworder en de uiteindelijke oplevering van een bouwproject (bijvoorbeeld
een woning). Dit wordt in de tekst ‘lange doorlooptijd’ genoemd. De bouw krijgt geen
nieuwe orders meer (‘de orderportefeuille droogt op’), maar de bouwvakkers zijn nu nog
aan het werk om de bestaande orders (‘van anderhalf jaar geleden,’ zegt de bron) uit te
voeren. De feitelijke daling van de productie vindt dus pas jaren na de feitelijke
vraagterugval plaats.
3
Uit de bronnen blijkt dat er sprake is van prijsrigiditeit en een stagnatie van de verkoop
bij de nieuwbouwwoningen. In de bronnen is dus sprake van een verschuiving van A
naar B. De NVM en de Vereniging Eigen Huis willen een einde maken aan de
 MALMBERG
65
VWO 2E FASE
ANTWOORDEN MODULE 8
GOEDE TIJDEN, SLECHTE TIJDEN
prijsrigiditeit, zodat de markt weer in beweging komt. Hun wensen komen overeen met
een verschuiving van B naar C.
4
a (132 – 114) / 114  100 = 15,8%
b (132 / 114)  (148 / 122)  100 = 140,5, dus 40,5% (of: van (114  122) naar
(132  148) is 40,5%
c Y is afgenomen.
d Door een daling van het algehele prijsniveau is de vraag naar goederen en diensten
weer toegenomen.
5
a De Nederlandse bouwsector bevond zich in 2009 in een crisissituatie. Er was weinig
vraag naar nieuwbouwwoningen en daardoor dus ook weinig vraag naar
arbeidskrachten in de bouw. Normaal gesproken dienen de lonen zich aan te passen
aan de nieuwe schaarsteverhouding. De cao voor 2009 spreekt echter niet van
loondalingen maar van loonstijgingen.
b Misschien ‘het vasthouden van vakmensen tijdens de economische crisis’.
6
a Omdat je geen gegevens hebt over het verloop van de conjunctuur.
b Cao’s hebben een bepaalde looptijd (meestal twee jaar). Vakbonden zijn niet altijd
doordrongen van de noodzaak om lonen te matigen.
c De Jager stelt voor een deel van de beloning van werknemers te koppelen aan de
omzet en winstgevendheid van bedrijven en dus aan de conjunctuur. Op deze manier
vermindert de loonstarheid (lonen passen zich sneller aan aan de conjuncturele situatie).
Voor zover werkloosheid veroorzaakt wordt door loonstarheid, neemt de werkloosheid
af.
d De beloning van werknemers wordt dan minder stabiel maar schommelt met de
conjunctuur mee. De consumptieve uitgaven (Y = C + B + S) schommelen met Y mee.
De conjunctuur wordt versterkt.
7
De glasvezelkabel biedt bedrijven nieuwe mogelijkheden om hun productie op een
efficiënter manier te organiseren, bijvoorbeeld door arbeidsintensieve dienstverlenende
activiteiten naar India te verplaatsen. Hierdoor worden productiefactoren op een betere
manier ingezet en neemt de gemiddelde arbeidsproductiviteit toe en de productiviteit van
natuur en kapitaal toe. De natuurlijke productieomvang gaat omhoog; de LTGA gaat
naar rechts.
8
a M  V = € 1.900 miljard  5 = € 9.500 miljard. P  Y moet dus ook € 9.500 miljard zijn,
en dat klopt: € 125  € 76 miljard = € 9.500 miljard.
b Bijvoorbeeld negatieve berichten over aandelenkoersen of wereldhandel.
c Consumenten gaan sparen op grond van het voorzorgsmotief en stellen hun
bestedingen uit.
d Pk = 100, P  Y = 9500  Y = 9500 / 100 = 95 (miljard)
e De productie in euro’s is 95 miljard  € 100 = € 9.500 miljard.
€ 9.500 miljard / € 125.000 = 76 miljoen arbeidsjaren
80 miljoen – 76 miljoen = 4 miljoen  4 miljoen werklozen dus.
 MALMBERG
66
VWO 2E FASE
ANTWOORDEN MODULE 8
GOEDE TIJDEN, SLECHTE TIJDEN
f
Toelichting: voor GV2 geldt: M  V = € 1.700 miljard  5 = € 8.500 miljard. Dit betekent
dat P = 100, Y = 85 miljard een punt op de GV2-lijn is.
g M  V = € 1.700 miljard  5 = € 8.500 miljard; Pk = 100, P  Y = 8500 
Y = 85 (miljard)  Ap = 125.000  Av = € 8.500 miljard / € 125.000 = 68 miljoen
arbeidsjaren
AA – AV = 12 miljoen  12 miljoen werklozen dus.
h AA = 80 miljoen; Ap = 125.000  de natuurlijke productieomvang is 100 miljard 
LTGA-vergelijking is Y = 100 miljard.
i M  V = € 8.500 miljard; LTGA-vergelijking is Y = 100 miljard  volledige
werkgelegenheid ontstaat bij € 8.500 miljard / 100 miljard = € 85  P = € 85
j
k De natuurlijke productieomvang in jaar 8 is 100 miljard  (1,02)5  (1,01)5 = 116,04
miljard.
l Zij moet ervoor zorgen dat de gemiddelde groei van M ten minste even groot is als de
gemiddelde jaarlijkse groei van de natuurlijke productieomvang.
Hoofdstuk 3 Conjunctuurpolitiek
Verkenning
1
a Een groot deel van de in/door Nederland geproduceerde goederen is bestemd voor
buitenlandse afnemers, oftewel: de economie in Nederland is sterk afhankelijk van de
export. Gaat het goed met de export, dan gaat het meestal ook goed met de
Nederlandse economie (en andersom).
b Tijdens een recessie nemen de inkomsten van de overheid sterk af.
 MALMBERG
67
VWO 2E FASE
ANTWOORDEN MODULE 8
GOEDE TIJDEN, SLECHTE TIJDEN
c Allebei. Investeringen in de infrastructuur vergroten de effectieve vraag maar
versterken tegelijkertijd de economische structuur van Nederland. De twee overige
maatregelen (werkzoekenden intensiever begeleiden en de internationale
concurrentiepositie versterken) zijn maatregelen aan de aanbodzijde van de economie.
2
C, E, G, H
3
a ‘Er worden passende maatregelen genomen die de vraaguitval compenseren.’
b De investeringen in de infrastructuur. Deze investeringen vergroten I, er worden meer
kapitaalgoederen gekocht in een tijd van laagconjunctuur.
c De belastinginkomsten zijn niet voldoende om deze extra uitgaven te dekken. En op
dit moment is het onverstandig om de belastingen te verhogen. Een verhoging van de
belastingen zou het anticyclische effect van de vergroting van de overheidsbestedingen
grotendeels teniet doen. Bij leningen is dit veel minder het geval.
d In tijden van hoogconjunctuur nemen de belastingen sterk toe. De uitgaven van de
overheid, met name aan sociale zekerheid, nemen juist af. Er blijft voldoende geld over
om de leningen af te lossen.
4
€ 90 / 18 = € 5 per paar
5
Het gaat niet alleen om de loonkosten. Ook de arbeidsproductiviteit is belangrijk. Samen
bepalen zij de loonkosten per product en daarmee (deels) de concurrentiepositie.
6
a 103 / 102  100 = 100,98, een verandering dus van 0,98%.
b 106 / 105  100 = 100,95, een verandering dus van 0,95%.
c Verslechterd, de loonkosten per product zijn meer gestegen.
d Bijvoorbeeld: de overige kosten per product (bijvoorbeeld kapitaalkosten), de kwaliteit
van het product.
7
a De overheid moet concurreren met de marktsector bij het aantrekken van voldoende
gekwalificeerde werknemers. Dat kan alleen als de overheid redelijke lonen biedt.
b De overheid heeft geen directe invloed op de lonen in de marktsector. Die komen tot
stand in cao-onderhandelingen tussen werkgevers en werknemers. Bij de ambtenaren is
de overheid de werkgever, maar bij de werknemers in de marktsector niet.
c Bijvoorbeeld: door de loonbelasting te verlagen in ruil voor een gematigde
loonontwikkeling in de marktsector.
d Als de lonen dalen of weinig toenemen, zal dit ten koste gaan van de consumptie (C)
en dus van EV. Maar tegelijkertijd leidt loonmatiging tot lagere loonkosten per product en
daarmee tot een versterking van de concurrentiepositie. M gaat omhoog en dus gaat EV
omhoog.
8
Nederland is sterk afhankelijk van de export. Een groot deel van onze goederen wordt in
het buitenland verkocht. In de VS is sprake van een gesloten economie. De exportquote
is klein en daarmee het positieve effect van loonmatiging.
9
a Bij een progressief belastingsysteem neemt de gemiddelde belastingdruk toe als het
inkomen toeneemt. Van elke inkomenstoename neemt de overheid dus een steeds
grotere hap. Dat betekent dat het netto inkomen van burgers procentueel gezien minder
toeneemt dan het bruto inkomen. Dat is de reden waarom een progressief
belastingsysteem werkt als een automatische stabilisator. Een proportioneel
belastingsysteem heeft deze eigenschappen niet (bij een proportioneel belastingsysteem
blijft de gemiddelde belastingdruk constant). Een proportioneel belastingsysteem werkt
dus niet als een automatische stabilisator.
 MALMBERG
68
VWO 2E FASE
ANTWOORDEN MODULE 8
GOEDE TIJDEN, SLECHTE TIJDEN
b Een degressief belastingsysteem is precies het tegenovergestelde van een
progressief belastingsysteem. Bij een degressief belastingsysteem neemt de
gemiddelde belastingdruk af als het inkomen toeneemt. Van elke inkomenstoename
neemt de overheid dus een steeds kleinere hap. Dat betekent dat het netto inkomen van
burgers procentueel gezien meer toeneemt dan het bruto inkomen. Dat is de reden
waarom een progressief belastingsysteem werkt als een automatische destabilisator.
10 De vennootschapsbelasting. De inkomsten hieruit zijn afhankelijk van de winsten van
nv’s en bv’s. Deze winsten fluctueren heel sterk. Bovendien is een bepaald
drempelbedrag aan winst vrijgesteld van vennootschapsbelasting. (De inkomsten uit
omzetbelasting zijn afhankelijk van de consumptieve uitgaven van burgers. Deze
fluctueren veel minder dan de winsten van bedrijven.)
11 a Welvaartsvast, aangezien ze meegaan met de lonen in de marktsector.
b Meer procyclisch. Het aanpassen van de ambtenarensalarissen aan de
ontwikkelingen in de marktsector betekent in geval van hoogconjunctuur dat deze
salarissen sterk stijgen. De overheidsuitgaven nemen sterk toe. De groei van de
bestedingen wordt dus versterkt. In een laagconjunctuur geldt het tegenovergestelde.
c Uitgaven aan bijstand en huursubsidie.
12 De WW-uitkering. De inkomensachteruitgang blijft beperkt doordat de hoogte van de
uitkering is gekoppeld aan het laatstverdiende inkomen.
13 Automatische stabilisatoren zorgen dat de vraaguitval tijdens een laagconjunctuur wordt
gedempt. Tegelijkertijd nemen de inkomsten van de overheid sterk af en de uitgaven
sterk toe. De automatische stabilisatoren zorgen voor een extra groot begrotingstekort.
In tijden van hoogconjunctuur is het precies andersom. De overheidsbegroting is niet
stabiel.
14 Een stijging van de rente betekent een stijging van de algehele prijs van tijd. Mensen
sparen indien hun individuele prijs van tijd lager is dan de algemene prijs van tijd, de
rente. Mensen lenen indien hun individuele prijs van tijd hoger is dan de algemene prijs
van tijd, de rente. Door de stijging van de rente wordt de groep spaarders dus groter en
de groep leners kleiner.
15 2 – 4 – 5 – 1 – 3
16 a Het bijdrukken (in omloop brengen) van te veel geld. Daarnaast speelt kuddegedrag
een rol. Als mensen inflatie verwachten gaan zijn hun geld snel uitgeven, voordat de
prijzen stijgen. Dit versterkt de inflatie.
b Ruilmiddel en oppotmiddel/spaarmiddel. Ook het rekenen wordt steeds lastiger.
17 3 – 1 – 4 – 2 – 6 – 5
Toepassing
1
a (1) … ‘een periode waarin bedrijven moeite hebben het hoofd boven water te
houden.’ (2) … ‘dat de werkloosheid kan stijgen tot 6,5% in 2010.’ Eventueel (3)
‘economische tegenwind’.
b In de tekst staat: ‘… de koopkracht wordt al beter dan verwacht’. De inflatie is dus
lager dan verwacht.
c (1) Het gaat slecht met de winstgevendheid van bedrijven (‘een periode waarin
bedrijven moeite hebben het hoofd boven water te houden’) en (2) in tijden van hoge
 MALMBERG
69
VWO 2E FASE
ANTWOORDEN MODULE 8
GOEDE TIJDEN, SLECHTE TIJDEN
werkloosheid is het niet slim om hoge looneisen te stellen (‘dat de werkloosheid kan
stijgen tot 6,5% in 2010’).
d Exporterende bedrijven. Zij hebben voordeel van lagere loonkosten, omdat hun
concurrentiepositie verbetert.
e Bedrijven die produceren voor de binnenlandse markt (bijvoorbeeld kappers,
restaurants). Zij krijgen te maken met lagere consumptieve bestedingen.
2
a ‘Als mensen meer te besteden hebben, kopen ze meer en is dat goed voor de
economie, stelt de bond.’ Oftewel: Y = C + B + S (als Y toeneemt neemt C toe).
b EV = C + I + O + E – M. Een deel van de effectieve vraag zal in een open economie
weglekken naar het buitenland.
3
a 2007, 2008, 2009
b Het begin van de economische crisis. De afzet (omzet) van bedrijven daalde, maar
het werknemersbestand bleef (nog) constant.
c 103,5 / 98,8  100 = 1,04757085; dus 4,8%.
d In deze periode namen de loonkosten per product over het geheel genomen toe.
e Gegevens met betrekking tot de ontwikkeling van de loonkosten per product in
andere landen, met name de landen waarmee Nederland concurreert.
4
a Het argument dat hierdoor de netto inkomens van huishoudens en daarmee de
consumptieve bestedingen van huishoudens niet worden aangetast.
b Het argument van de internationale concurrentiepositie van Nederland. Indien
werkgevers opdraaien voor de verhoging van de WW-premie nemen de loonkosten toe
en daarmee de loonkosten per product.
5
a DE VS stelde het gebruik van Amerikaans staal verplicht, de EU subsidieerde export
van varkensvlees, de oproep om in eigen land op vakantie te gaan of om eigen
producten te kopen is ook van protectionistische aard.
b Zij hopen hiermee de import af te remmen en de binnenlandse bestedingen te
stimuleren.
c Landen gaan over tot protectionisme omdat dat voor hen voordeel oplevert,
onafhankelijk van de keuze van de andere partij.
d Beide partijen hebben een dominante keuze, en die keuze leidt tot een situatie die
voor beide partijen slechter is.
e Goede afspraken maken op de G20-bijeenkomst.
6
a Op korte termijn is sprake van prijsrigiditeit waardoor het aanbod kan stijgen, terwijl
het prijsniveau niet meestijgt. Of: er is sprake van (grote) onderbezetting van de
productiecapaciteit zodat aan de toename van de vraag (gemakkelijk) voldaan kan
worden.
b Yr stijgt bij gelijkblijvende P; als P  Yr op een hoger niveau komt, moet ook M  V op
een hoger niveau komen en (bij een constant veronderstelde V) moet M dus toenemen.
c De centrale bank kan de rentetarieven wel verlagen maar het is twijfelachtig of
consumenten en producenten gezien hun pessimisme daardoor worden aangezet meer
krediet op te nemen. Of: een verlaging van de rente wijst op (het ontstaan van) deflatie
en consumenten en producenten kunnen daarop anticiperen door te gaan oppotten
waardoor de particuliere bestedingen stagneren.
d De binnenlandse geldhoeveelheid neemt toe als de door de regering geleende
vreemde valuta’s worden omgezet in de binnenlandse valuta (en vervolgens worden
uitgegeven).
 MALMBERG
70
VWO 2E FASE
ANTWOORDEN MODULE 8
GOEDE TIJDEN, SLECHTE TIJDEN
e – Bij het begrotingsbeleid valt te denken aan:
• Een verhoging van de overheidsbestedingen leidt tot een grotere import en dus niet
tot meer binnenlandse productie tenzij ook andere landen de overheidsbestedingen
vergroten.
• Een verhoging van de overheidsbestedingen kan met protectionistische neigingen
gepaard gaan en zo de internationale handel afremmen tenzij landen hun grenzen niet
gaan afsluiten.
– Bij het monetaire beleid valt te denken aan:
• Bij een renteverlaging wordt het land minder aantrekkelijk voor beleggers zodat
beleggingen het land verlaten en de geldhoeveelheid afneemt tenzij de andere landen
hun rente ook verlagen.
• Door een renteverlaging daalt de koers van de valuta van het land en krijgt het land
een onbedoeld concurrentievoordeel, hetgeen tegenmaatregelen kan uitlokken tenzij
landen de rente gezamenlijk verlagen.
Herhaling
1
a De reële economische groei, want het gaat om volumemutaties.
b De overheidsconsumptie, omdat de groei lager uitvalt als de groei van het bbp hoger
uitvalt.
c De afzetverwachtingen en de rentestand.
d Huishoudens kunnen hun consumptie maar zeer ten dele terugschroeven. De
aanschaf van duurzame consumptiegoederen uitstellen kan wel, maar bezuinigen op
primaire levensbehoeften of vaste lasten is moeilijk. Bedrijven kunnen in tijden van
laagconjunctuur wel hun investeringen fors terugschroeven, bijvoorbeeld door
investeringen op de lange baan te schuiven of voorraden af te bouwen.
e Een recessie is een krimp gedurende twee kwartalen of meer. Dat is duidelijk het
geval. Een depressie is volgens het handboek een krimp van drie kwartalen of meer.
Ook dat is het geval.
2
a Bedrijven weten niet of de economische neergang doorzet. Het kan zijn dat zij nog
even wachten met het ontslaan van personeel totdat zij zeker weten dat er sprake is van
een echte economische neergang. Het kan ook zijn dat bedrijven wel werknemers willen
ontslaan maar dat zij dat op korte termijn niet kunnen, door allerlei juridische en
administratieve drempels.
b Wanneer de productie inzakt maar het aantal werknemers blijft op peil (om de
hiervoor genoemde regelingen), neemt de arbeidsproductiviteit noodzakelijkerwijs af.
c Als tijdens een conjuncturele neergang de afzet van bedrijven daalt, dalen ook de
opbrengsten (omzet). De kosten dalen echter niet of in ieder geval niet evenredig (onder
meer omdat er niet onmiddellijk werknemers ontslagen worden). Door dit verschijnsel
nemen de winsten meer dan evenredig af.
d De daling van de arbeidsinkomensquote in 2010 en de stijging van de winstquote in
dat jaar. Ook de sterke verslechtering van het EMU-saldo kan worden gezien als een
indicatie dat het aantal uitkeringsgerechtigden stijgt en het aantal werknemers dus daalt.
e Deze wordt voor een belangrijk deel veroorzaakt door de scherpe daling van de
bedrijfsinvesteringen in vaste activa. Maar ook de daling van de consumptie door
huishoudens en verminderde aanschaf van grondstoffen en halffabricaten door bedrijven
(niet in de tabel opgenomen) hebben een rol gespeeld.
f (1) 3%; (2) hoog; (3) laag.
3
De productie in de marktsector nam sterker af dan het bbp als geheel. Dit betekent dat
de collectieve sector nog moet zijn gegroeid. Of: het EMU-saldo verslechterde fors, wat
een teken is dat de overheid in een laagconjunctuur de uitgaven meer liet oplopen ten
opzichte van de belastingen.
 MALMBERG
71
VWO 2E FASE
ANTWOORDEN MODULE 8
GOEDE TIJDEN, SLECHTE TIJDEN
4
a Een toename van de werkloosheid.
b Ten eerste de toename van de werkloosheid, dus de afname van het aantal mensen
dat een loon ontvangt. Ten tweede mogelijke loonmatigingseffecten. Het is immers
waarschijnlijk dat in 2010, een jaar waarin veel mensen werkloos werden, de lonen niet
veel zijn gestegen.
c Op grond van de cijfers is niet te bewijzen dat het gezinsinkomen over het geheel
genomen is toegenomen omdat niet bekend is hoeveel procent van het inkomen in
Nederland looninkomen, hoeveel procent winstinkomen en hoeveel procent
uitkeringsinkomen is. Met andere woorden: de wegingsfactoren ontbreken.
d Wilma gaat ervan uit dat winstinkomen met name terecht komt bij hogere
inkomensgroepen.
e Wilma houdt geen rekening met de daling van het looninkomen en de effecten
daarvan op de inkomensverdeling. Ook is door de forse toename van het aantal zzp’ers
niet meer eenduidig dat het winstinkomen vooral toevalt aan de hogere
inkomensgroepen.
5
a In 2008 was het EMU-saldo nog positief. Blijkbaar kampte de overheid niet met een
financieringstekort. Toch groeide in dat jaar de EMU-schuld met 12,7 procentpunt.
b Door middel van de uitgifte van staatsobligaties, leningen dus.
c Het gaat hier niet om lopende uitgaven maar om incidentele uitgaven in de vorm van
de aankoop van grote bankbedrijven. Deze uitgaven moeten dus eigenlijk worden
opgevat als een vorm van investeringen. Tegenover de uitgaven staat een toename aan
activa. In module 4 is al gesteld dat incidentele baten apart worden vermeld op de
resultatenrekening. Om vergelijkbare redenen worden incidentele uitgaven hier buiten de
lopende begroting gehouden.
d De overheid schiet banken met geldproblemen te hulp maar komt daardoor zelf in de
problemen. Uiteindelijk is het de burger die de rekening krijgt gepresenteerd als gevolg
van hogere belastingen en/of bezuinigingen.
6
a Positief verband. Een verbetering van het saldo op de lopende rekening (E – M) leidt
tot een vergroting van de effectieve vraag (EV = C + I + O + E – M).
b Positief verband. Een stijging van de rentetarieven van de ECB leidt tot een algehele
stijging van de korte rente. Hierdoor worden buitenlandse beleggers aangemoedigd om
hun vermogen in EMU-landen te beleggen. De vraag naar de euro neemt toe en
daarmee de koers van de euro.
c Negatief verband. Een stijging van het binnenlands prijspeil leidt tot een
verslechtering van de concurrentiepositie. Verklaring: de prijzen van exportproducten
zullen door de binnenlandse prijsstijging ook toenemen. (Eventuele aanvulling: stijgende
prijzen leiden immers tot stijgende lonen (prijscompensatie). Stijgende lonen leiden
(ceteris paribus) tot hogere loonkosten per product en dus tot een verslechtering van de
concurrentiepositie.)
d De rentetarieven van de ECB. Die zijn in dit model niet afhankelijk van andere
variabelen binnen het model.
e Pijl 13: hogere loonkosten leiden tot hogere prijzen, voor zover zij worden
doorberekend in de prijzen. Pijl 3: een daling van de eurokoers leidt tot hogere prijzen
voor geïmporteerde goederen en daarmee tot een stijging van het binnenlands prijspeil.
f Door een verhoging van de rentetarieven stijgt de eurokoers (pijl 4; positief verband).
Volgens pijl 3 daalt nu het binnenlandse prijspeil (negatief verband).
Of: bij een hoger rentetarief daalt de effectieve vraag (pijl 5; negatief verband) en daalt
vervolgens het binnenlands prijspeil (pijl 8; positief verband).
g Een daling van de koers van de euro zorgt voor een verbetering van de
concurrentiepositie (pijl 1) en daarmee een verbetering van het saldo op de lopende
rekening (pijl 7), tot een toename van de effectieve vraag (pijl 9) en een afname van de
werkloosheid (pijl 10).
 MALMBERG
72
VWO 2E FASE
ANTWOORDEN MODULE 8
GOEDE TIJDEN, SLECHTE TIJDEN
7
a De wisselkoers van de euro (ten opzichte van niet-euroconcurrenten).
b 96,7 = (100 + A) / 105,3  100  100 + A = 101,8251  A = 1,8
c De concurrentiepositie van Nederland is verbeterd, zowel ten opzichte van de
euroconcurrenten als ten opzichte van de niet-euroconcurrenten. Deze arbeidskosten
nemen namelijk bij Nederland meer af dan bij de concurrenten.
d De wisselkoers van de euro is gestegen. Op basis van de loonvoet en
arbeidsproductiviteit is een stijging van arbeidskosten per eenheid product te verwachten
van ongeveer 0,5% (in lokale munteenheid). Maar de arbeidskosten per eenheid product
in euro’s zijn niet verslechterd, dus hebben de niet-eurolanden geprofiteerd van een
stijging van de eurokoers waardoor ze met hun product goedkoper worden ten opzichte
van de eurolanden.
8
a Zo wordt voorkomen dat vakkrachten worden ontlagen die straks bij een
aantrekkende vraag weer nodig zijn. Hier wordt dus gewezen op het belang en de
kwaliteit (scholing, knowhow, ervaring) van de productiefactor arbeid. Dit is een
structurele factor.
b Bedrijven zullen misschien deeltijd-WW aanvragen voor werknemers, die gewoon
aan het werk blijven. Op deze manier proberen bedrijven hun loonkosten te verlagen
door de overheid ‘mee te laten betalen’. Er is dan ook sprake van asymmetrische
informatie: de overheid weet natuurlijk niet precies hoe slecht het met de bedrijven gaat.
Overigens controleert de overheid actief of de aanvragen terecht zijn. Bij misbruik volgt
terugbetaling en eventueel boetes. Zo probeert zij moreel wangedrag tegen te gaan.
c Een hoge WW-premie kan leiden tot hogere loonkosten, als werknemers erin slagen
via hoge looneisen de premieverhoging af te wentelen op de werkgevers.
d Bedrijven proberen de recessie onder meer door te komen door op loonkosten te
besparen door middel van mechanisatie/automatisering en/of reorganisatie. Deze banen
komen in de volgende hoogconjunctuur niet meer terug.
9
a De verkeersvergelijking van Fisher luidt: M  V = P  Y. Een stijging van M leidt (bij
een constante V) tot een toename van de bestedingen (P  Y). Omdat het aanbod op de
lange termijn vastligt (LTGA verticaal), kan Y op de lange termijn niet toenemen, zodat P
moet toenemen. Inflatie dus.
b Normaal gesproken reageren banken op een daling van de reporente met een
toename van de kredietverlening, waardoor M stijgt. Maar in 2009 hebben de banken het
extra geld voornamelijk gebruikt om hun eigen balansen te verstevigen. M groeide
helemaal niet of daalde zelfs.
c Als consumenten verwachten dat de deflatie zal aanhouden, dus dat de prijzen zullen
blijven dalen, zullen zij hun bestedingen uitstellen in de hoop goedkoper uit te zijn.
d Procyclisch. Doordat consumenten hun bestedingen uitstellen wordt de
laagconjunctuur verder versterkt.
10 a Landen moeten binnen de grenzen van het stabiliteitspact blijven. Zo mag
bijvoorbeeld het EMU-saldo niet boven de 3% uitkomen. Actief (anticyclisch)
begrotingsbeleid leidt vaak juist tot grotere tekorten dan 3%. Op deze manier belemmert
het stabiliteitspact de speelruimte van overheden.
b Het stabiliteitspact stelt dat overheden maar in beperkte mate geld in de economie
mogen pompen. Hierdoor blijft de inflatie binnen de perken.
c Door de beperking van de inflatie blijft de concurrentiekracht van de Europese
economie intact. Er ontstaan geen grote structurele tekorten op de Europese
betalingsbalans. De euro blijft stabiel.
d Collectieve dwang. De EU beschikt over dwangmaatregelen en sancties om naleving
van het pact af te dwingen. Overigens is de EU in het verleden zeer terughoudend
geweest in het toepassen van sancties.
 MALMBERG
73
VWO 2E FASE
ANTWOORDEN MODULE 8
GOEDE TIJDEN, SLECHTE TIJDEN
e Een dure euro betekent een relatief slechte concurrentiepositie ten opzichte van nietEMU-landen. De export van Europa naar landen buiten Europa zal stagneren.
11 a De Duitse overheid stimuleert haar economie (wat geld kost), waardoor de
bestedingen in Duitsland stijgen en Duitsland meer gaat importeren uit Nederland.
Nederland profiteert dus mee, terwijl ze geen inspanning heeft gedaan.
b Beide landen voeren geen actief begrotingsbeleid.
c De EU-landen moeten zo snel mogelijk een gecoördineerd begrotingsbeleid
ontwikkelen (oftewel ‘één stimuleringsplan voor de hele EU’, ofwel ‘een gezamenlijke
inspanning van alle eurolanden’).
d Oprichting van een Europees technologiefonds waaruit R&D-activiteiten kunnen
worden gefinancierd; verbetering van de Europese infrastructuur.
12 a Je moet uitgaan van de onderste interventiekoers, gezien uitspraak 1. Je vult dus
koers 0,925  € 0,40 = € 0,37 in in de vraag- en aanbodvergelijkingen. Je komt dan op
een vraagtekort van 4 miljard. Berekening: (300  0,37 – 76) – (–100  0,37 + 68) = 4.
Het interventiebedrag is dan 4 miljard  € 0,37 = € 1,48 miljard.
b De evenwichtskoers (€ 0,36) ligt onder de onderste interventiekoers (€ 0,37). Door de
interventie zal de koers dus stijgen boven de evenwichtskoers. De internationale
concurrentiepositie van het land zal verslechteren door de overwaardering van de eigen
munt. Qa wordt groter dan Qv; er ontstaat een tekort op de betalingsbalans.
c Door de directe belastingen te verhogen kan de overheid proberen de consumptieve
bestedingen en daarmee de import af te remmen.
13 a Een Big Mac is in elk land hetzelfde. Brood is niet in elk land hetzelfde (vergelijk een
Frans stokbrood met een Duits roggebrood).
b Blijkbaar is China in staat een Big Mac (en uitgaande van de Big Mac als indicator
voor veel andere producten) veel goedkoper te produceren dan andere landen.
c Een Big Mac is toch een bepaald type product, heel anders dan bijvoorbeeld het
product ‘vrachtwagen’ of het product ‘medicijn tegen aids’. Het kan zijn dat andere
landen juist concurrerender zijn wat betreft de productie van dit soort (kapitaalintensieve
of kennisintensieve) producten. Een lager algemeen prijspeil kan ook gepaard gaan met
een lagere gemiddelde kwaliteit van de producten.
d Als de Big Mac-index een indicator is voor de concurrentiekracht van een economie,
dan is de conclusie dat de Noorse economie niet concurrerend is en dus zal (gaan)
kampen met een tekort op de handelsbalans. Een dergelijk tekort kan leiden tot
depreciatie van de munt.
Verplichte context
1
a Frankrijk, Luxemburg, Duitsland, Finland, Portugal, Griekenland, Oostenrijk, Ierland.
b Een verzameling landen die dezelfde muntsoort hebben (en onder dezelfde centrale
bank en hetzelfde monetaire beleid vallen).
c Bij de introductie van de girale euro werden de onderlinge wisselkoersen tussen de
euro en de valuta van de deelnemende landen definitief vastgelegd. Dit betekent dat er
feitelijk sprake was van één munt. De verschillende oorspronkelijke munten werden
verschijningsvormen van de euro, net als het muntstuk van 50 eurocent, een
verschijningsvorm van de euro is.
2
a Hoge inflatie zorgt voor een stijging van de prijzen van exportproducten. De export
neemt af en dus ook de vraag naar de euro en vervolgens de koers van de euro.
b Wanneer de eurokoers daalt, worden de valuta van andere landen (VS, Verenigd
Koninkrijk, Japan, China) in verhouding duurder. Goederen die de eurolanden
 MALMBERG
74
VWO 2E FASE
ANTWOORDEN MODULE 8
GOEDE TIJDEN, SLECHTE TIJDEN
importeren uit die landen worden dus ook duurder. Dit leidt tot een toename van de
inflatie binnen het eurogebied.
3
De ECB is bang voor deflatie (deflatie kan tot uitstelgedrag bij consumenten leiden
waardoor de bestedingen dalen) en probeert dus weg te blijven van de 0%. Of: een
beetje inflatie wordt ook wel gezien als de ‘smeerolie van de economie’.
4
A, B, C, D, E
5
a Nominale productie gecorrigeerd voor inflatie.
b Prijsstabiliteit zorgt voor zekerheid en vertrouwen. Deze factoren zijn cruciaal voor de
economische beslissingen van bedrijven en huishoudens. Prijsstabiliteit stimuleert zo het
aantal economische activiteiten.
c Politieke en sociale stabiliteit en verder de structuurkenmerken die in module 7 aan
de orde zijn gekomen: bijvoorbeeld human capital en de kwaliteit van de fysieke en
sociale infrastructuur.
6
Ja, dit blijkt uit uitgangspunt 1: ‘Op de lange termijn kan de centrale bank de
economische groei niet beïnvloeden door de geldhoeveelheid aan te passen… Op de
lange termijn heeft een verandering in de geldhoeveelheid binnen de economie
uitsluitend een verandering in het algemene prijspeil tot gevolg. Zij is niet van invloed op
reële grootheden, zoals de reële productie of de werkloosheid.’
7
a M  V = P  Y. M is dus gerelateerd aan Y, P en V.
b Wanneer de omloopsnelheid toeneemt (∆V is positief), kan de ECB met een kleinere
toename van M de toename van ∆Y en ∆P moeilijk maken.
c De groei van M wordt afhankelijk gesteld van (onder andere) Y. Met andere woorden:
de economische groei (∆Y) bepaalt mede de groei van M. In uitgangspunt 1 staat dat
deze economische groei zelf uiteindelijk niet afhankelijk is van (de groei van) M. In het
kort: ∆Y bepaalt ∆M, maar ∆M bepaalt niet ∆Y.
8
4–1–3–2–5
9
a De hoogte van het officiële rentetarief bepaalt de hoogte van de rente die
handelsbanken rekenen aan huishoudens en bedrijven. Een verlaging van de officiële
rente stimuleert indirect dus het lenen en ontmoedigt het sparen. Hierdoor neemt de
maatschappelijke geldhoeveelheid toe.
b Als banken ruim bij kas zijn, hoeven zij hun basisgeldhoeveelheid niet te vergroten.
Zij hoeven niet (bij) te lenen van de centrale bank en in dat geval is er dus ook geen
noodzaak eventuele wijzigingen in het officiële rentetarief door te berekenen aan hun
klanten.
10 a Tijdens een hoogconjunctuur is sprake van overbesteding; (de groei van) de
productiecapaciteit is kleiner dan (de groei van) de bestedingen. Indien de vraag het
aanbod overtreft, stijgen de prijzen.
b De ECB moet de rente verhogen om de bestedingen af te remmen.
c Anticyclisch, want door de hogere rente gaan bestedingen omlaag in een tijd van
hoge bestedingen (hoogconjunctuur).
d Ja. Tijdens een laagconjunctuur is sprake van onderbesteding. Een renteverlaging
kan de bestedingen stimuleren met behoud van prijsstabiliteit, omdat met 0,4% inflatie er
nog ‘speelruimte’ is voor renteverlaging. De ECB vindt een inflatie net onder de 2% het
meest wenselijk.
 MALMBERG
75
VWO 2E FASE
ANTWOORDEN MODULE 8
GOEDE TIJDEN, SLECHTE TIJDEN
e Doordat de ECB de rente verhoogt in tijden van overbesteding en de rente verlaagt in
tijden van onderbesteding, draagt de ECB bij aan het afremmen van conjuncturele
schommelingen in het eurogebied.
11 a Bij het ontstaan van de EMU was er nog maar één munt (de euro) en nog maar één
maatschappelijke geldhoeveelheid; namelijk de maatschappelijke geldhoeveelheid in de
EMU als geheel. Deze M zou voortaan door een centrale en relatief onafhankelijke
organisatie worden gecontroleerd: de ECB. Het monetair beleid van de ECB heeft per
definitie betrekking op alle EMU-landen en kan niet worden toegespitst op individuele
landen. Conclusie: individuele landen leverden hun recht in om een eigen monetair
beleid te voeren.
b Omdat landen economische gezien naar elkaar toegroeien (steeds minder verschil
wat betreft inflatie, rente, begrotingstekort, enzovoort).
12 a Deze hoge inflatie leidt tot een dalende export van dat land (en dus van het
eurogebied als geheel) en dus tot een daling van de koers van de euro.
b Een dalende koers van de euro betekent een stijgende koers van de dollar (yen, yuan
enzovoort). Importgoederen uit de VS, China en Japan worden duurder. De CPI gaat
omhoog: inflatie.
c Het antwoord op deze vraag volgt direct uit de antwoorden op de vragen a en b. Als
je de antwoorden achter elkaar zet, heb je een vicieuze cirkel.
d Inflatie in één land heeft gevolgen voor de interne en externe waarde van de euro. En
deze euro is de euro van alle deelnemende landen. De kosten van inflatie worden
hiermee als het ware door één land afgewenteld op andere landen. Het zal duidelijk zijn
dat dit het draagvlak voor de munt ondermijnt.
13 a Een hoge rente heeft een negatief effect op de bestedingen in het algemeen en op de
investeringen in het bijzonder. Investeringen zijn belangrijk voor technologische
ontwikkeling en het verhogen van de productiecapaciteit (natuurlijke productieomvang).
Dalende investeringen verminderen de economische groei op langere termijn.
b Landen zijn met elkaar verbonden via import en export. Wanneer Duitsland een lage
groei heeft, zal dat te merken zijn in de Nederlandse exportsector. De voortplanting van
de conjunctuurgolf van lidstaat naar lidstaat wordt niet afgezwakt door vrij zwevende
wisselkoersen. Ze hebben immers allemaal dezelfde euro!
14 Landen met een groot overheidstekort oefenen een grote vraag uit op de
vermogensmarkt. Deze grote vraag kan leiden tot een hoge rente. Door een maximum te
stellen aan overheidstekorten kan deze renteopdrijvende invloed worden tegengegaan.
15 … neemt de geaggregeerde vraag in een land hierdoor per saldo toe. Indien de
geaggregeerde vraag de capaciteit overtreft, leidt dit tot inflatie.
16 In het stabiliteitspact zijn afspraken gemaakt over maximale begrotingstekorten.
Begrotingstekorten kunnen leiden tot inflatie en een stijging van de rente, die op hun
beurt weer kunnen leiden tot een conjuncturele neergang. Indien landen zich aan het
stabiliteitspact houden, zullen inflatie en rente zich stabiliseren op een laag niveau en
zullen conjuncturele schommelingen dus afnemen.
17 a Banken in liquiditeitsproblemen willen hun balansen versterken. Zij gaan minder
krediet verlenen.
b Banken zijn angstig en gebruiken het extra basisgeld voornamelijk om hun balans te
versterken.
 MALMBERG
76
VWO 2E FASE
ANTWOORDEN MODULE 8
GOEDE TIJDEN, SLECHTE TIJDEN
c Doordat banken het extra geld voorlopig gebruiken voor balansversterking, is er nu
nog geen probleem. De kredietmultiplier is laag. Maar stel dat de banken weer overgaan
tot hernieuwde kredietverlening. Dan kan de toename van het basisgeld leiden tot een
grote toename van M, en daarmee tot hoge inflatie.
18 a De belastinginkomsten lopen terug en de uitgaven, met name aan sociale zekerheid,
lopen sterk op.
b Geen.
c Bezuinigingen kunnen de laagconjunctuur nog verder verdiepen, doordat de
effectieve vraag daalt.
19 a Aan het kopen van Griekse staatsobligaties is meer risico verbonden dan aan het
kopen van Duitse staatsobligaties. Dit komt omdat Griekenland een enorme
overheidsschuld heeft en misschien in de toekomst haar schulden niet kan afbetalen. In
het hoge rentepercentage dat de Grieken moeten betalen, zit dus een bepaalde risicoopslag.
b Ook deze landen hebben te maken met een groot begrotingstekort en/of
overheidsschuld.
c De Grieken worden op deze wijze als het ware beloond voor slecht gedrag. Andere
landen zien dit en zullen zich ook minder aan de begrotingsdiscipline gaan houden. Zij
gaan moreel wangedrag vertonen; zij gaan risico’s nemen omdat zij ervan uitgaan dat
andere landen voor de kosten van deze risico’s zullen opdraaien.
d Als Griekenland failliet gaat, dat wil zeggen niet meer aan haar
betalingsverplichtingen kan voldoen, zullen veel Europese banken in de problemen
komen. Dit kan leiden tot een nieuwe kredietcrisis, die de Europese economie ernstig
kan schaden.
20 a De ECB koopt staatsobligaties van Europese banken. Op deze manier vergroot zij de
basisgeldhoeveelheid en versterkt daarmee de balans van banken. Banken kunnen op
basis van dit basisgeld de maatschappelijke geldhoeveelheid vergroten. Als de ECB
rechtstreeks obligaties van overheden opkoopt, gebruiken overheden het geld voor
uitgaven en stijgt M ook.
b Zie ook het antwoord op vraag 17c. M  V = P  Y. Een verhoging van M leidt op de
langere termijn tot een toename van P, omdat de natuurlijke productieomvang van een
economie op langere termijn vast staat (de LTGA is verticaal).
21 a Men twijfelt eraan of het opkopen van staatsobligaties van Europese banken wel
voldoende gecompenseerd wordt; de daling van de euro/dollar koers na de
aankondiging van het nieuwe beleid; het ogenschijnlijk bezwijken voor politieke druk; de
angst dat het nieuwe beleid tot (hyper)inflatie leidt.
b De kans op inflatie neemt toe, en daarmee de kans op een waardedaling van de
euro. Beleggers nemen alvast een voorschot op deze waardedaling van de euro door
euro’s te verkopen in ruil voor andere valuta.
c Het opkopen van staatsobligaties leidt ertoe dat het vertrouwen in de euro afneemt,
omdat het nu lijkt dat prijsstabiliteit als prioriteit door de ECB is losgelaten. Verder is ook
duidelijk dat het stabiliteitspact met deze actie in feit in de prullenbak is gegooid; landen
die zich niet aan de begrotingsdiscipline houden worden op deze wijze indirect
gesteund.
d Het ECB moet zich houden aan de afspraak dat er geen (laagwaardige)
staatsobligaties van banken worden opgekocht ‘om overheden te helpen’.
e Het is een uiterst middel, andere middelen werkten niet. Dit middel niet toepassen
zou tot een ernstige kredietcrisis en economische crisis kunnen leiden (zie ook vraag
19d). Hierdoor neemt het vertrouwen van internationale beleggers in de Europese
economie af en daalt de koers van de euro nog verder.
 MALMBERG
77
Download
Random flashcards
Create flashcards