DOC - Europa EU

advertisement
EUROPESE COMMISSIE
MEMO
Brussel, 8 juli 2013
Het Erasmus-programma
toegelicht
in
2011/2012:
de
cijfers
Vandaag heeft de Europese Commissie nieuwe cijfers1 bekendgemaakt over het aantal
studenten, docenten en andere personeelsleden uit het hoger onderwijs dat in het
academisch jaar 2011/2012 aan het Erasmus-programma heeft deelgenomen
(IP/13/657). Aan 252 827 Europese studenten en 46 527 personeelsleden uit het hoger
onderwijs werden Erasmus-beurzen toegekend om te studeren, stage te lopen, onderwijs
te geven of een opleiding te volgen in het buitenland.
Erasmus biedt studenten uit het hoger onderwijs de mogelijkheid om een periode van drie
tot twaalf maanden in een ander Europees land door te brengen – voor studies of voor een
stage bij een bedrijf of een andere organisatie. Elke student die ingeschreven is bij een
deelnemende instelling voor hoger onderwijs in een van de 33 Erasmus-landen (de
lidstaten van de EU, IJsland, Liechtenstein, Noorwegen. Turkije en Zwitserland) komt
hiervoor in aanmerking. Ook studenten die een kortlopende hogere beroepsopleiding
volgen, kunnen steun uit het programma krijgen.
Nieuw record: meer dan 250 000 Erasmus-studenten in één jaar
Sinds het programma van start ging, is het aantal studenten met een Erasmus-beurs
gestaag gegroeid. De kaap van 200 000 werd voor het eerst overschreden in 2009/2010
en de 252 827 studenten die in 2011/2012 voor studie of opleiding naar het buitenland
trokken, zijn goed voor een nieuw record en een groeicijfer van 9 % op jaarbasis in
vergelijking met het jaar ervoor (het equivalente groeicijfer voor 2010/2011 bedroeg
8,5 % op jaarbasis).
De onderstaande statistieken hebben alleen betrekking op het Erasmus-programma. Zij omvatten geen andere
Europese programma's voor hoger onderwijs, zoals de Tempus- en Erasmus Mundus-programma's, die
verschillende samenwerkingsdoelstellingen met verschillende delen van de wereld nastreven.
1
MEMO/13/647
Diagram 1: Aantal Erasmus-studenten per jaar van 1987/1988 tot
en met 2011/2012
Diagram 2: Erasmus voor studentenmobiliteit – relatieve
verandering van het aantal studenten per uitzendland tussen
2010/2011 en 2011/2012
Uit diagram 2 blijkt dat het aantal Erasmus-studenten in bijna alle landen is toegenomen.
De grootste stijging van het aantal uitgaande studenten werd geregistreerd in Kroatië
(+62 %), dat vanaf 2009/2010 deel uitmaakt van het programma. Daarna komen
Denemarken (+20 %), Slovenië en Turkije (elk +17 %). In 11 landen lag de toename
hoger dan het gemiddelde van 8,3 %.
2
Drie landen, Cyprus, IJsland en Roemenië, vertoonden een daling van het aantal Erasmusstudenten (tussen -0,6 % en -2,7 %) in vergelijking met het voorgaande jaar.
Erasmus-kampioenen
Spanje zond het grootste aantal studenten naar het buitenland, zowel voor studie als voor
stages (39 545), gevolgd door Duitsland (33 363) en Frankrijk (33 269).
Spanje was met 39 300 gaststudenten tevens de populairste bestemming, gevolgd door
Frankrijk (28 964) en Duitsland (27 872). Het Verenigd Koninkrijk ontving bijna tweemaal
zoveel studenten (25 760) als het zelf naar het buitenland stuurde (13 662).
Studenten van 3 189 instellingen voor hoger onderwijs namen deel aan uitwisselingen; dit
is een stijging van 5 % ten opzichte van het voorgaande jaar.
Diagram 3: Erasmus voor
maandelijks EU-beursbedrag
studentenmobiliteit
–
gemiddeld
Het gemiddelde maandelijkse EU-beursbedrag was ongeveer even hoog (252 euro) als het
voorgaande jaar (250 euro). Bovenstaand diagram geeft de gemiddelde maandelijkse
beursbedragen voor de uitgezonden studenten weer. De Commissie stelt per gastland een
plafond vast voor het maandelijkse beursbedrag aan de hand van de kosten van
levensonderhoud in dat land; maar het exacte bedrag van de toelage voor elk geval wordt
bepaald door de nationale agentschappen en de instellingen voor hoger onderwijs die het
programma beheren.
In 2011/2012 hebben 336 studenten met bijzondere behoeften of handicaps bijkomende
steun ontvangen om deel te nemen aan Erasmus-uitwisselingen, tegenover 254 in
2010/2011.
3
Stijging van 7,5 % voor Erasmus-studies
Erasmus biedt studenten de mogelijkheid om een periode van drie tot twaalf maanden van
hun studietraject (op bachelor-, master of doctoraal niveau) aan een instelling voor hoger
onderwijs in een ander land door te brengen.
In 2011 gingen 204 744 Erasmus-studenten (van in totaal 252 827 Erasmus-studenten)
naar het buitenland in het kader van hun studies. Dit is een stijging van 7,5 % in
vergelijking met 2010/2011. Het aantal studenten dat voor studies naar het buitenland
ging, is in zes landen gedaald (Bulgarije, Cyprus, Estland, IJsland, Liechtenstein en
Roemenië), terwijl in 11 landen een meer dan gemiddelde groei werd vastgesteld.
Zwitserland, dat sinds 2011/2012 aan het programma deelneemt, zond 2 514 studenten
uit voor studies.
Spanje zond het grootste aantal studenten naar het buitenland voor studies (34 103),
gevolgd door Duitsland (27 593) en Frankrijk (25 924). Spanje bleef de populairste
bestemming voor studies in het buitenland en ontving 30 580 Erasmus-studenten, gevolgd
door Frankrijk (23 173) en Duitsland (19 120).
Luxemburg, Liechtenstein en Spanje zonden de meeste studenten uit in verhouding tot de
grootte van hun studentenpopulatie.
Gemiddeld gingen de studenten 6,3 maanden in het buitenland studeren en het
gemiddelde beursbedrag bedroeg 234 euro (tegen 226 euro in het jaar ervoor).
Sociale wetenschappen, bedrijfskunde en rechten waren voor Erasmus-studenten de
populairste vakgebieden (41,4 %), gevolgd door menswetenschappen en kunsten
(21,9 %) en technische wetenschappen en bouwkunde (15,1 %).
Stijging van 18 % voor Erasmus-stages (traineeships)
Sinds 2007 biedt Erasmus studenten de mogelijkheid om in het buitenland werkervaring
op te doen bij bedrijven of andere organisaties. In 2011/2012 heeft één op vijf Erasmusstudenten, 48 083 van de 252 827, voor deze optie gekozen. Dat is een stijging van 18 %
ten opzicht van het jaar daarvoor. De gemiddelde duur van een stage bedroeg
4,3 maanden en de studenten ontvingen een maandelijks EU-beursbedrag van gemiddeld
361 euro (minder dan de 366 euro in 2010/2011).
Evenals in de voorgaande jaren was Frankrijk het land dat het grootste aantal studenten
uitzond voor een Erasmus-stage (7 345), gevolgd door Duitsland (5 770) en Spanje
(5 442). Spanje was met 7 807 gaststudenten de populairste bestemming voor Erasmusstages, gevolgd door het Verenigd Koninkrijk (7 736) en Duitsland (6 655).
Om stages in het buitenland te stimuleren, kan een instelling voor hoger onderwijs een
stageconsortium oprichten. Deze consortia omvatten instellingen voor hoger onderwijs en
andere organisaties, zoals bedrijven of verenigingen. Er werden 93 stageconsortia
gefinancierd in 12 landen (BG, CZ, DE, GR, ES, FR, IT, NL, AT, PL, PT, FI). Deze consortia
organiseerden meer dan 15 % van alle buitenlandse werkstages in het kader van Erasmus
in 2011/2012.
Bij de Erasmus-stages was de grootste groep studenten afkomstig uit de richtingen sociale
wetenschappen, bedrijfskunde en rechten (31,9 %), gevolgd door technische
wetenschappen en bouwkunde (17,1 %) en menswetenschappen en kunsten (16,9 %).
4
Hoeveel hogeronderwijsstudenten (bachelors en masters) zijn er
in de landen die aan Erasmus deelnemen? Hoeveel daarvan hebben
in 2011/2012 hun studies (gedeeltelijk) in het buitenland gevolgd?
Op een totale studentenpopulatie van meer dan 24 miljoen in de 33 deelnemende landen
heeft in 2011/2012 ongeveer 1 % een Erasmus-mobiliteitsbeurs voor studenten gekregen.
Als wordt aangenomen dat de gemiddelde studieduur in het hoger onderwijs vier tot vijf
jaar bedraagt (bachelors en masters), krijgt naar schatting zo'n 4,5 % van alle Europese
studenten op een bepaald moment tijdens hun hogere opleiding een Erasmus-beurs.
Daarvan gaat 68 % naar bachelorstudenten, 28 % naar masterstudenten, 1 % naar
studenten op doctoraal niveau en 3 % naar studenten die een kortlopende hogere studie
volgen.
Met Erasmus-steun of andere openbare of particuliere middelen brengt ongeveer 10 %
van het totale aantal studenten zijn studies geheel of gedeeltelijk in het buitenland door,
of heeft dit reeds gedaan.
Op een bijeenkomst in Boekarest (Roemenië) op 26 en 27 april 2012 (IP/12/394) hebben
de voor het hoger onderwijs verantwoordelijke ministers uit 47 Europese landen de
mobiliteitsstrategie van Bologna goedgekeurd, waarin is bepaald dat in 2020 ongeveer
20 % van de afgestudeerden uit het Europese hoger onderwijs een deel van zijn studies in
het buitenland zal hebben gedaan. De Europese Unie heeft dezelfde benchmark in
november 2011 goedgekeurd.
Erasmus intensieve taalcursussen (EILC)
Erasmus biedt ook gespecialiseerde taalcursussen aan voor de in de EU minder gebruikte
en onderwezen talen om de studenten te helpen bij de voorbereiding van hun studies of
stages in het buitenland. De cursussen worden georganiseerd in de landen waar deze
talen als officiële taal gebruikt worden. Er worden geen cursussen aangeboden voor de
meest courante talen zoals Duits, Engels, Frans en Spaans (Castiliaans).
Sinds de introductie van de EILC's is het aantal cursussen waarvoor door Erasmus steun
wordt verstrekt aanzienlijk gestegen. In 2011/2012 werden in 26 landen voor in totaal
6 631 Erasmus-studenten (+13 %) zo'n 435 cursussen georganiseerd (een stijging van
+11 % ten opzichte van 392 in het jaar daarvoor).
De populairste bestemmingen voor de EILC's waren Italië, Portugal, België (Vlaanderen),
Turkije en Zweden. Het hoogste percentage inkomende studenten dat deelnam aan een
taalcursus werd opgetekend in Slovenië, waar 19,1 % van alle inkomende Erasmusstudenten deelnam, gevolgd door Kroatië (12,7 %). De deelnamepercentages lagen in
IJsland, Roemenië, Griekenland en Estland tussen de 10 en 11 %.
Erasmus voor personeelsmobiliteit
personeelsopleiding)
(onderwijsopdrachten
en
Ook biedt Erasmus onderwijzend personeel uit het hoger onderwijs en werknemers uit
particuliere ondernemingen de mogelijkheid om voor een periode van één dag tot zes
weken te gaan lesgeven in het buitenland. Daarnaast kan ieder wetenschappelijk en nietwetenschappelijk personeelslid van een instelling in het hoger onderwijs voor een periode
van vijf dagen tot zes weken in het buitenland een opleiding volgen.
5
In het academisch jaar 2011/2012 heeft Erasmus 46 527 onderwijzende en
niet-onderwijzende personeelsleden uit instellingen voor hoger onderwijs gesteund om in
het buitenland les te geven of een opleiding te volgen. Dit is een jaarlijkse toename van
8,6 %.
Topland voor het uitzenden van personeel was Polen (6 312), gevolgd door Spanje
(4 654) en Duitsland (3 937). De favoriete bestemming in het kader van
personeelsmobiliteit was Spanje (4 554), gevolgd door Duitsland (4 491) en Italië (3 876).
In 2011/2012 vormden mannen 50,5 % van het personeel dat aan Erasmus deelnam. Aan
16 personeelsleden met bijzondere behoeften werd bijkomende steun toegekend om aan
de Erasmus-uitwisselingen deel te nemen (tegenover 13 in het jaar daarvoor). De
gemiddelde duur van dergelijke mobiliteitsperioden bedroeg 5,7 dagen en het gemiddelde
beursbedrag – bovenop het gebruikelijke salaris – bedroeg 713 euro (een stijging ten
opzichte van de 662 euro in 2010/2011).
In totaal hebben 2 336 instellingen voor hoger onderwijs deelgenomen aan
mobiliteitsactiviteiten, dat is een stijging van 3,6% in vergelijking met het jaar ervoor.
Onderwijsopdrachten winnen nog steeds aan populariteit
Erasmus biedt het onderwijzend personeel uit het hoger onderwijs en werknemers uit
particuliere ondernemingen de mogelijkheid om voor een periode van één dag – ten
minste vijf onderwijsuren – tot zes weken te gaan lesgeven aan een
hogereonderwijsinstelling in een ander land. Het aantal docenten dat op deze manier uit
Erasmus steun krijgt is gestaag gegroeid en sinds het programma in 1997/1998 van start
ging, zijn al meer dan 300 000 personeelsuitwisselingen financieel gesteund. Van de
46 527 ondersteunde personeelsuitwisselingen in 2011/2012 ging het in 33 323 gevallen
om onderwijsopdrachten (+5,4 % meer dan het jaar daarvoor).
Topland voor het uitzenden van personeel was Polen met 3 994 gesteunde
onderwijsopdrachten, gevolgd door Spanje (3 256) en Duitsland (3 110). De populairste
bestemmingen voor onderwijsopdrachten waren Spanje (3 258), Duitsland (3 149), en
Italië (2 903).
De meeste mobiele docenten waren afkomstig uit de volgende vakgebieden:
menswetenschappen en kunsten (32 %), sociale wetenschappen, bedrijfskunde en
rechten (22 %), technische wetenschappen en bouwkunde (14 %). Docenten brachten
gemiddeld 5,5 dagen in het buitenland door om colleges te geven; er is een lichte maar
constante daling waargenomen sinds 2000/2001, toen het gemiddelde 6,9 dagen bedroeg.
De gemiddelde beurs per onderwijsopdracht – bovenop het gebruikelijke salaris – bedroeg
686 euro, een stijging van 6,3 % in vergelijking met het voorgaande jaar (645 euro).
Er werden 422 onderwijsopdrachten uitgevoerd door personeel van ondernemingen dat
door instellingen voor hoger onderwijs in andere Europese landen werd uitgenodigd om er
te gaan lesgeven ( +19 % in vergelijking met het jaar daarvoor).
Personeelsopleiding vertoont aanzienlijke groei
Sinds de start in 2007 is de populariteit van het steunprogramma voor de opleiding van
personeel opmerkelijk toegenomen. Van de 46 527 ondersteunde personeelsuitwisselingen
in 2011/2012 ging het in 13 204 gevallen om personeelsopleiding (+18 % meer dan het
jaar daarvoor). Deze uitwisselingen zijn bestemd voor zowel universitair als nietuniversitair personeel, met inbegrip van het personeel van de administratieve en
ondersteunende diensten.
6
3 336 personeelsleden uit het hoger onderwijs volgden in 2011/2012 een opleiding in het
buitenland (+13,2 % meer dan het jaar daarvoor).
Polen heeft het grootste aantal personeelsleden (2 318) naar het buitenland gestuurd voor
opleiding, gevolgd door Spanje (1 398) en Duitsland (827). Duitsland was de populairste
bestemming (1 342) gevolgd door Spanje (1 296) en het Verenigd Koninkrijk (1 214).
De duur van de opleiding voor personeel bedroeg gemiddeld 6,1 dagen. Er namen meer
vrouwen dan mannen deel aan de opleidingen voor personeel (69,5 %); vrouwen maakten
42,9 % van de deelnemers uit bij de onderwijsopdrachten.
Aantal intensieve Erasmus-programma's blijft stijgen
Erasmus biedt docenten en studenten de kans thematische studieprogramma's bij te
wonen, die van tien dagen tot zes weken kunnen duren. De EU financiert de organisatie
van deze zogeheten intensieve programma's, zoals de reiskosten en de dagvergoeding
voor de deelnemers.
De landen die het grootste aantal dergelijke programma's organiseerden waren Italië met
60 cursussen (13 % van het totale aantal), gevolgd door Duitsland (43) en Frankrijk (35).
De populairste vakgebieden waren sociale wetenschappen, bedrijfskunde en rechten
(26 %); technische wetenschappen en bouwkunde (18 %). Intensieve programma's op
het gebied van wiskunde en informatica, evenals menswetenschappen en kunsten, waren
elk goed voor een aandeel van 15 %. De gemiddelde duur van de intensieve programma's
bedroeg 11,5 dagen.
In 2011/2012 werden 462 intensieve Erasmus-programma's georganiseerd (een stijging
van 14 % in vergelijking met de 404 in het voorgaande jaar). Hieraan hebben 16 806
studenten (zowel internationale als nationale studenten) en 5 663 docenten deelgenomen.
Erasmus-samenwerkingsprojecten tussen universiteiten
Het
Erasmus-programma
bevordert
door
middel
van
de financiering
van
samenwerkingsprojecten tevens de modernisering van het Europees hoger onderwijs. Met
deze tussen één en drie jaar durende projecten wordt via grensoverschrijdende
samenwerking tussen de instellingen voor hoger onderwijs en de belanghebbenden de
hervorming van het beleid gestimuleerd. De aanvragen worden eenmaal per kalenderjaar
ingediend en jaarlijks wordt ongeveer 20 miljoen euro aan deze projecten toegewezen.
Veel van de door dit onderdeel van het Erasmus-programma gefinancierde projecten
hebben bijgedragen aan belangrijke ontwikkelingen in het beleid. Zo was het Europees
systeem voor het verzamelen en overdragen van studiepunten (ECTS) oorspronkelijk een
Erasmus-project en werd het pas later een van de belangrijkste instrumenten ter
bevordering van de mobiliteit. (ECTS kent op basis van de studiebelasting en vastgestelde
leerresultaten aan elk onderdeel van een studieprogramma studiepunten toe. Dit maakt
het voor studenten eenvoudiger in verschillende programma's behaalde studiepunten te
verzamelen en het vereenvoudigt de erkenning van de studie in het buitenland bij hun
eigen instelling.)
Het aantal aanvragen voor samenwerkingsprojecten tussen universiteiten neemt van jaar
tot jaar toe. In 2012 werden 250 aanvragen ingediend (een stijging ten opzichte van de
197 in 2011). Daarvan werden er 57 geselecteerd voor financiering. Dit betekent dat
gemiddeld 22,8 % positief geëvalueerd wordt. Het Verenigd Koninkrijk heeft het grootste
aantal voorstellen ingediend (35), gevolgd door België (25) en Finland (24). België was
het succesvolst op het gebied van goedgekeurde projecten, 11 projecten kregen groen
licht.
7
Hoeveel geeft de EU uit aan het Erasmus-programma?
In de huidige begrotingsperiode (2007-2013) heeft de EU 3,1 miljard euro voor het
Erasmus-programma uitgetrokken. In 2011/2012 bedroeg de totale begroting ongeveer
494 miljoen euro, waarvan 473 miljoen euro gebruikt werd voor de ondersteuning van de
mobiliteit van studenten en personeel.
Het grootste gedeelte van de Erasmus-begroting wordt beheerd door de nationale
agentschappen in de deelnemende landen. Erasmus steunt ook multilaterale projecten en
netwerken ten belope van circa 20 miljoen euro (ongeveer 4 % van de begroting). Deze
worden centraal beheerd door het Uitvoerend Agentschap voor onderwijs, audiovisuele
media en cultuur (EACEA) in Brussel.
De onderstaande tabel geeft het totale bedrag aan Erasmus-middelen weer dat elk jaar
aan mobiliteit wordt besteed.
Tabel 1: Gedecentraliseerde middelen voor Erasmus die aan de
nationale agentschappen zijn toegewezen
Jaarlijkse Erasmus-begroting voor
Wijziging, op
jaarbasis
Jaar
mobiliteit van studenten en personeel in
miljoen euro
1988
13,00
1989
26,84
106,46 %
1990
32,88
22,50 %
1991
43,86
33,39 %
1992
62,88
43,37 %
1993
67,88
7,95 %
1994
72,78
7,22 %
1995
73,46
0,93 %
1996
74,3
1,14 %
1997
70,00
-5,79 %
1998
100,27
43,24 %
1999
100,27
0,00 %
2000
111,79
11,49 %
2001
116,19
3,94 %
2002
121,9
4,91 %
2003
142,53
16,92 %
2004
168,00
17,87 %
2005
200,96
19,62 %
2006
245,75
22,29 %
2007
372,25
51,48 %
2008
416,36
11,85 %
8
2009
415,37
-0,24 %
2010
434,83
4,68 %
2011
473,91
8,99 %
2012
547,26
15,48 %
2013
547,14
-0,02 %
Hoe
worden
toegewezen?
de
Erasmus-middelen
op
nationaal
niveau
Het totale Erasmus-budget wordt op basis van de onderstaande factoren onder de
deelnemende landen verdeeld:

bevolking: aantal studenten, afgestudeerden en docenten in het hoger onderwijs
(niveau 5-6 van de Internationale standaardclassificatie van het onderwijs, ISCED). De
gegevens worden aangeleverd door Eurostat;

kosten van levensonderhoud en afstand tussen hoofdsteden: worden gebruikt als
correctiefactoren bij de factor bevolking;

indicator van eerdere prestaties: wordt berekend op basis van het aantal in het
verleden uitgezonden personeelsleden en studenten (op basis van de laatst
beschikbare gegevens).
Hoe wordt het maandelijkse EU-beursbedrag bepaald?
Erasmus-beurzen zijn bedoeld om een deel van de extra woon- en reiskosten in het
buitenland te dekken. Erasmus-studenten betalen geen inschrijvingsgeld aan de
gastinstelling in het buitenland.
In elk land wijzen de nationale agentschappen de ter beschikking gestelde middelen toe
aan de instellingen voor hoger onderwijs. Een nationaal agentschap kan beslissen om
hogere beurzen toe te kennen aan een kleiner aantal studenten (zoals bijvoorbeeld in
Bulgarije, Cyprus en Turkije gebeurt), of lagere beurzen aan een groter aantal studenten
(zoals bijvoorbeeld in Frankrijk en Italië). Het moet zich wel houden aan het plafond voor
beurzen dat door de Europese Commissie voor elk land van bestemming wordt vastgelegd
(zie de gids voor het programma Een Leven Lang Leren).
Op basis van factoren zoals de aangevraagde bedragen en de resultaten uit het verleden
wijzen de nationale agentschappen de middelen toe aan de aanvragende instellingen.
Binnen een door het nationale agentschap vastgestelde marge die van land tot land
verschilt, kan de instelling dan beslissen welk bedrag het precies betaalt aan de studenten
(en hoeveel de week- of dagbijdrage voor personeel bedraagt).
Het maandelijkse beursbedrag is afhankelijk van het land van bestemming en van het
type mobiliteit. Zo wordt vaak een hoger beursbedrag toegekend voor stages dan voor
studies in het buitenland.
De Erasmus-beurs van de Europese Unie kan worden aangevuld met medefinanciering uit
diverse nationale, regionale en lokale bronnen.
De nationale agentschappen of de instellingen voor hoger onderwijs kunnen het
beursbedrag voor studenten uit minder bevoorrechte milieus verhogen.
In 2011/2012 varieerde het gemiddelde maandelijkse EU-beursbedrag voor
studentenmobiliteit van 123 euro voor Spaanse studenten tot 641 euro voor studenten uit
Letland. Het gemiddelde maandelijkse beursbedrag over alle landen bedroeg 252 euro.
9
Hoe kunnen studenten en personeelsleden een Erasmus-beurs
aanvragen?
Het Erasmus-programma staat open voor alle studenten van hogeronderwijsinstellingen
met een Erasmus University Charter in een van de deelnemende landen. De meeste
instellingen voor hoger onderwijs in Europa – bijna 5 000 – hebben het Erasmus
University Charter ondertekend.
Om een aanvraag voor een Erasmus-studieperiode of -stage in te dienen, moet men eerst
contact opnemen met het bureau buitenland van de eigen instelling en een studie- of
stageovereenkomst invullen. Deze documenten bakenen het programma af dat de student
tijdens zijn studie- of stageperiode moet volgen. Zij moeten worden goedgekeurd en
ondertekend door de eigen instelling, de gastinstelling of –onderneming en door de
student zelf. Hierdoor wordt volledige academische erkenning door de eigen instelling van
het tijdens de Erasmus-periode naar behoren afgewerkte programma vereenvoudigd en
gewaarborgd.
Erasmus-studie: wie een deel van zijn studie in het buitenland wil volgen, moet ten
minste in het tweede jaar hoger onderwijs zitten.
Erasmus-stages: studenten kunnen een Erasmus-stage volgen vanaf het eerste jaar van
hun studie in het hoger onderwijs.
Looptijd: Elke periode in het buitenland duurt, voor zowel studies als stages, 3 tot
12 maanden; gecombineerde perioden in het buitenland mogen in totaal niet langer dan
24 maanden duren. Voor studenten die een kortlopende hogere beroepsopleiding volgen,
bedraagt de minimumduur voor een stage twee maanden.
Erasmus voor personeelsleden: het onderwijzend personeel moet aan de thuisinstelling
een door de gastinstelling goedgekeurd lesprogramma voorleggen. Personeelsleden die
een
Erasmus-opleidingsbeurs
willen
aanvragen,
moeten
eveneens
hun
opleidingsprogramma laten goedkeuren door hun eigen instelling en de gastinstelling of onderneming.
Hoe komt een universiteit in aanmerking voor deelname aan het
Erasmus-programma?
Een universiteit of een andere instelling voor hoger onderwijs moet een aantal beginselen
en andere verplichtingen uit het Erasmus University Charter onderschrijven voor zij kan
deelnemen aan de Erasmus-projecten voor mobiliteit of samenwerking. De nadruk ligt op
het verzekeren van een hoog kwaliteitsniveau. De gastinstelling mag inkomende Erasmusstudenten geen inschrijvingsgeld aanrekenen, en na terugkeer naar de thuisinstelling
moeten succesvol afgelegde vakken of stages automatisch volledig worden erkend.
Waarom draagt het programma de naam Erasmus?
Het Erasmus-programma is genoemd naar de filosoof, theoloog en humanist Desiderius
Erasmus van Rotterdam (1466-1536). Erasmus, die tijdens de Reformatie leefde, geniet
ruime bekendheid als tegenstander van het dogmatisme.
Erasmus heeft tijdens zijn zoektocht naar kennis, ervaring en inzicht uit de contacten met
andere landen in verschillende delen van Europa gewoond en gewerkt.
10
Het acroniem ERASMUS kan ook worden gelezen als EuRopean Community Action Scheme
for the Mobility of University Students (actieprogramma van de Europese Gemeenschap
inzake de mobiliteit van studenten), zoals in het eerste besluit tot vaststelling van het
programma (Besluit 87/327/EEG van de Raad van 15 juni 1987 tot vaststelling van het
communautaire actieprogramma inzake de mobiliteit van studenten).
Voor meer informatie
Zie ook IP/13/657
Meer over het Erasmus-programma
Statistieken over Erasmus
11
Download