THEMA 1 1 Stoffen worden omgezet 2 Fotosynthese 3

advertisement
THEMA 1
1 Stoffen worden omgezet
2 Fotosynthese
3 Glucose als grondstof
4 Verbranding
5 Fotosynthese en verbranding
1 Stoffen worden omgezet.
Stofwisseling is het vormen van nieuwe stoffen en het vrijmaken van energie. Kortom
alle processen in organismen.
Verbranding is het omzetten van stoffen in andere stoffen waarbij energie vrij komt. Een
bijproduct van verbranding is koolstofdioxide. Alle organismen doen aan verbranding.
Organische stoffen zijn afkomstig van organismen of van producten van organismen
* Koolhydraten die in de natuur voorkomen
glucose, suiker, zetmeel worden gevormd door organismen
* eiwitten
* vetten
Anorganische stoffen afkomstig uit de levenloze natuur, komen voor in organismen als:
* mineralen (zouten)
* water (regenwater dus niet afkomstig van organismen)
Enzymen zijn stoffen die ervoor zorgen dat de reacties sneller plaatsvinden waarbij ze
zelf niet worden verbruikt.
Enzymen zijn speciale eiwitten, ze werken specifiek. Dat wil zeggen dat ze maar 1
bepaalde reactie kunnen versnellen.
Enzymen worden bij de reactie niet opgebruikt. Ze kunnen dus vaker gebruikt worden,
daarom heb je er niet zoveel van nodig.
2 Fotosynthese.
Fotosynthese vindt plaats in alle groene plantendelen, met bladgroenkorrels.
Fotosynthese kan alleen in (dag)licht plaatsvinden.
Voor fotosynthese is ook koolstofdioxide nodig uit de lucht, (wordt opgenomen door de
huidmondjes.)
Ook is er water nodig, dit haalt de plant met de wortels uit de grond.
Voor fotosynthese is het belangrijk dat de temperatuur niet te hoog/ laag is.
Door fotosynthese wordt glucose en zuurstof gemaakt.
De glucose wordt door planten, mensen en dieren gebruikt tijdens de stofwisseling. En
kan worden omgezet in verschillende andere stoffen. Hierover leer je verderop meer.
De zuurstof ademen we in.
Koolstofdioxide + water + lichtenergie = glucose + zuurstof
Bij fotosynthese verbruikt een plant koolstofdioxide en water. Koolstofdioxide wordt
opgenomen uit de lucht, vooral via huidmondjes. Water wordt opgenomen uit de bodem,
vooral via wortelharen.
3 Glucose als grondstof.
Glucose kan omgezet worden in:
- Suiker  vervoerd naar alle delen van de plant.
- Zetmeel  wordt tijdelijk opgeslagen in bladeren.
wordt langer opgeslagen in ondergrondse plantendelen = wortels,
winterpeen, knollen, aardappelplant.
- Cellulose  gebruikt voor het maken van celwanden van planten
- Vetten  er zitten veel vetten in sommige planten/ plantendelen:
- zonnebloempitten, noten, zaden
-
Eiwitten  gebruikt voor de vorming van cytoplasma
Liggen ook opgeslagen in zaden
Organische stoffen zijn nuttig als brandstoffen, bouwstoffen of regelstoffen
Brandstoffen: Bij de verbranding van deze stoffen komt energie vrij. (Vet/ suiker)
Bouwstoffen: Helpen bij de opbouw en/of herstel van het lichaam. (Cellulose/ water)
Regelstoffen: Zorgen ervoor dat processen in het lichaam door kunnen gaan. (Vitamines/
water)
Anorganische stoffen zijn altijd bouwstoffen of regelstoffen (mineralen, bijvoorbeeld
ijzerzouten)
4 Verbranding.
Verbranding is de reactie van brandstoffen met zuurstof:
Als verbrandingsproducten heb je koolstofdioxide, water en energie. (Bijvoorbeeld
warmte of beweging)
De verbrandingsreactie is als volgt:
Glucose + zuurstof = koolstofdioxide + water + energie
Grondstofwisseling = stofwisseling lichaam in rust. Dus het minimale energieverbruik
om je lichaam in stand te houden, zonder dat je echt iets doet.
Warmbloedige dieren hebben een constante lichaamstemperatuur, afhankelijk van de
stofwisseling. Met weinig voedsel zullen ze kouden worden. Bijvoorbeeld: vogels en
zoogdieren
Koudbloedige dieren hebben een lichaamstemperatuur die gelijk is aan de temperatuur
van omgeving. Hoe warmer de omgeving, hoe warmer het dier. Bijvoorbeeld: Reptielen,
amfibieën en insecten.
5 Verschillen tussen fotosynthese en verbranding.
Fotosynthese vindt alleen plaats in plantencellen met bladgroenkorrels.
Fotosynthese vindt alleen plaats in (dag)licht.
Fotosynthese maakt glucose en zuurstof.
Verbranding vindt plaats in alle organismen, dus planten, dieren en insekten.
Verbranding vindt plaats overdag en ’s nachts.
Bij verbranding ontstaat koolstofdioxide, water en energie.
Download