Voeding en gezondheid van Europese Cultuurvogels en verwante

advertisement
SEC 6 december 2013
 Indeling naar eetgewoonte
 Natuur of Cultuur ?
 Spijsvertering
 Algemene principes
 Voeding nader bekeken
 Middelen
 Berekening voedingswaarden
zaadmengsels
 Kiemzaad
 Zaden uit de natuur
 Water
 Gezondheid
van
 Zaadeters
(granivoren)
 Insecteneters (insectivoren)
 Alleseters (omnivoren)
De grenzen zijn niet scherp afgebakend !
Zaadeters
 Ze hebben een krachtige, kegelvormige snavel, meestal met
scherpe snijkanten en altijd met een gecompliceerd, van soort tot
soort verschillend, reliëf van de snavelhelften, dat uit platen, rollen
en verhogingen is samengesteld en zodoende aangepast is aan de
voeding die de vogel van nature tot zich neemt. Met dit
verhoornde gedeelte kan het plantaardige voedsel worden
gerold, geplet of grof gebroken waardoor het voedsel wordt
verfijnd en sneller kan worden benut.
 Zeker gedurende de voortplantingstijd zullen veel “zogenaamde “
zaadeters ook insecten eten en die aan elkaar, of hun jongen,
voeren.
 Men kan een onderverdeling maken tussen vogels die gewend
zijn hun zaden te ontdoen van de schil (pellen) en vogels die de
zaden in hun geheel inslikken (duiven, hoenders, kwartels).
 Zaadeters hebben een relatief lang darmkanaal en een ‘langzame’
spijsvertering. De ontlasting is brijachtig tot droog.
Voedselreserves bouwen deze vogels op in borstspieren en buik.
Insecteneters
 Zij zijn over het algemeen aan hun dunne, fijne, spitse
snavels te herkennen. Hoe groter de insecten zo’n vogel eet
hoe grover de snavel. Er zijn soorten die uitsluitend leven
van muggen, vliegen, rupsen, torren en spinnen, maar ook
zijn er vogels, die wormen en slakken, bessen en zelfs zaden
eten. Dat varieert naar gelang jaargetijde en vooral ook wat
de natuur op dat moment biedt. De meeste Europese
insecteneters zijn trekvogels, daar ze ‘s winters bij ons
onvoldoende insecten kunnen vinden.
 Insecteneters hebben meestal een korter darmkanaal, een
snelle spijsvertering en de ontlasting is een dunne, vaak
witte substantie. Hun lichaam biedt weinig plaats aan
voedselreserves. Insecteneters moeten altijd wat kunnen
eten; insecten en soms bessen of zaden.


1.
‘natuurlijke’ voeding, zeker in de periode van schaarste, meer
‘noodvoeding’ is: eet wat er te eten is en overleef om de soort in stand te
houden.
2.
het ‘ideale beeld’ van voeding in de natuur kunnen wij nooit voor
100% benaderen:
a. omdat we meestal niet weten wat de vogels in de natuur precies eten,
b. omdat we nooit die hoeveelheden en die variatie voedsel kunnen geven die de vogel in
de natuur vindt
• c. is het natuurlijke voedsel – plantaardig en dierlijk – altijd in uw woonomgeving te vinden
(denk aan invasie- en trekvogels)
•
•

3.
een ander onderscheid tussen ‘natuur’ en ‘volièremilieu’ is dat in de
natuur, in principe, van een ouderpaar met jongen, het volgend seizoen
ten minste 2 vogels weer tot voortplanting over kunnen gaan (om de soort
sterk te handhaven vallen zwakkeren af). Wij, vogelkwekers, zien het liefst
dat zowel het ouderkoppel als minstens 5 jongen het nieuwe voorjaar in
gaan. Voedsel in de volière moet dus beter zijn.


Wat zou men dan moeten nastreven bij natuurlijke voeding?
Wat wil men imiteren? Hoe en waar wordt het door u in de
natuur verzameld? Hoeveel kunt u er van bijeenschrapen?
Hoe bewaart u het? Kunt u deze voeding het hele jaar door
geven of alleen maar als het uitkomt, als u tijd heeft om uren
achtereen dit voedsel te gaan verzamelen?
Hebt u zich wel eens afgevraagd welke aantallen wormen
een lijster nodig zou hebben? Als u die wormen zelf moet
gaan zoeken, dan zou u het misschien wel uit uw hoofd laten
met vier koppels zanglijsters te gaan kweken. Bij één nest
met 3 zanglijsterjongen werden per dag zo'n 100
regenwormen gegeven en dat drie weken lang.
 Ze
moeten eten wat wij ze aanbieden
• Goed zaadmengsel
• Eivoer/dierlijk voedsel
• Versnapering
direct opneembaar
 water
 lucht (voor ca. 20% bestaande uit
zuurstof)
 direct zonlicht
Indirect opneembaar
 eiwitten
 koolhydraten, suikers en zetmeel
 vetten
 vitaminen, mineralen en
 Koolhydraten
Functie -> energie
leverancier
 Eiwitten
Functie -> opbouw
lichaamcellen
 Vetten
Functie -> energie
leverancier
 Vitamines
Functie ->
•
•
•
•
•

het in stand houden van gezondheid en energie (vitaliteit)
functioneren als ‘geneesmiddel’ tegen bepaalde gebreken (opbouwen van weerstand)
het activeren van hormonen
fungeren als antioxidant (vitamine E)
samenwerking met mineralen en enzymen
Mineralen en sporenelementen
•
Macro-elementen: calcium(2), fosfor(1), magnesium, kalium, natrium, zwavel
 Voedingsbehoefte
seizoen
• Winter/rust
koolhydraten)
• Broedseizoen
• Jonge vogels
• Rui
afhankelijk van het
energie (vet en
eiwit
eiwit (opbouw)
eiwit
• Het verstrekken van energierijk voedsel aan
nestjongen zorgt ervoor dat het
verzadigingsgevoel snel wordt bereikt, maar er
onvoldoende eiwit wordt opgenomen.
• te veel vet
•
•
•
•
•
•
de vogel wordt vet, lui,
traag
te veel suiker of zetmeel idem
te veel eiwit
jicht, nierproblemen,
dunne ontlasting
te veel vitaminen
stofwisseling
problemen
te veel groenvoer
diarree
te veel dierlijke eiwitten jicht
te veel ……..
……..
NAAM
Ruw eiwit
ANALYSES ZADEN EN BESSEN
Ruw vet
Ruwe celstof
Zetmeel en
suikers
As
Vocht
Boekweit
Cardizaad/saffloer
11,5
14,3
2,4
27,8
10,8
31,2
57,8
16,5
2,4
3
15,1
7,2
Chia
Cichorei
Dari
Dennenzaad
Gerst
Graszaad
Haver
Gepelde haver
Hennep (Kemp)
Jeneverbessen
Katjang Idjoe.
Klaverzaad
Koolzaad/ raapzaad
15,6
5
10,2
13.7
10,9
10,7
10,4
13,9
19,5
4
21,4
32,1
20
30,7
0,6
3,2
68
2
1,6
4,9
8
32,1
15
1,7
6,8
42,6
37,7
5,5
2
3.7
5,1
10,4
10,4
1,5
16,9
60
4,4
12,1
7,6
43,8
71,4
69,6
13
66,5
58,9
59,7
64,2
18
0
57,5
33,2
17,8
6,1
1,9
2,8
4,7
3,2
1,8
4,8
3
3,6
6
4,5
11,4
13,1
12,7
13,7
11,4
10,6
8,7
18
11,4
9,8
7,5
22,3
0
31,9
15,6
69,8
59,8
13,1
5,3
3
4,4
6,9
1,4
3,8
3,9
9,4
20
12
7,2
13,1
12,7
6,6
64,1
4
13,4
53,1
34,5
13,6
16,1
38,9
51,4
68,8
27,1
5,1
3
2,4
2,8
4,7
5,4
4,2
7,8
4,8
1,7
4,2
11,6
9,0
7
6,9
10,5
5,6
7,2
12,5
10,9
14,2
9,5
34,7
56
13,1
3,2
4,7
3,8
12,7
12,8
6,6
Lijnzaad
Lijsterbessen
Lucernezaad
(Bl.) maanzaad
Maïs
Millet/gierst
Negerzaad
Onkruidzaden
Paddy
Perillazaad
Pinda's
Quinoazaad.
Seradellazaad
Sesamzaad
Slazaad
Spinaziezaad
Spurriezaad
Tarwe
Teunisbloemzaad
Weegbree
Witzaad
Zonneblp.(z.dop)
21,5
34,2
7,3
6
6
65
33,1
10,5
8,1
20,5
44,3
5,5
9,1
4,2
2,4
11,1
3,7
8,9
20,7
42,2
13,5
Samenstelling afhankelijk van de mengeling
7,1
2,1
10
25
44
15,0
29,1
45,2
2,9
14,2
9,7
13,3
21,5
7,9
20,9
20,9
50
4,5
28,8
35,8
7,9
12,3
3,5
25
13,2
10,9
8,8
11,5
1,7
2,1
19,9
27,5
11,8
16,2
15,1
27,7
6,3
6,1
45,2
26,9
5,3
3,6
Voorbeeld
We berekenen de theoretische voedingswaarde van een eenvoudig mengsel bestaande uit:
•500 gram witzaad
•250 gram negerzaad
•250 gram raapzaad
•50 gram lijnzaad
•100 gram perilla
•50 gram hennep
•50 gram slazaad
•50 gram gepelde zonnepitten
U past de volgende berekening toe:
500 gram witzaad geeft:
500 x 15,1 /100 = 75,5 gram eiwit
500 x 6,1/100 = 30,5 gram vet
500 x 5,3 /100 = 26,5 gram vezel
500 x 56/100 = 280 gram koolhydraten
500 x 4,7/100 = 23,5 gram as
500 x 12,8/100 = 64 gram vocht
Hoeveelheid
Ruw eiwit
Ruw vet
Ruwe celstof
Zetmeel en suikers
As
Vocht
Hennep (Kemp)
50
9,75
16,05
8,45
9
2,4
4,35
Koolzaad/ raapzaad
250
50
106,5
19
44,5
11,25
18,75
Lijnzaad
50
10,75
17,1
3,65
11,15
2,65
4,7
Negerzaad
250
51,75
105,5
33,75
32,75
9,75
16,5
Perillazaad
100
7,1
44
15
4
3
9
Slazaad
50
14,4
17,9
3,95
8,05
2,1
3,6
Witzaad
500
75,5
30,5
26,5
280
23,5
64
Zonnebloem pitten z.
dop
50
13,85
22,60
1,80
6,55
1,90
3,30
TOTAAL
1300
233,10
360,15
112,10
396,00
56,55
124,20
Ruw eiwit
Vet
Celstof
Koolhydraten
As
%
17,93
27,70
8,62
30,46
4,35
de bakjes
 dienen van materiaal te zijn dat tegen vallen, stoten en vorst
kan
 liefst uniform van kleur en vorm en daardoor herkenbaar
voor al uw vogels
 dienen eenvoudig en deugdelijk te kunnen worden
schoongemaakt. Beter is het om van elk een tweede of
derde set te hebben. Als er een in gebruik is kan het andere
in de afwasautomaat worden gereinigd. Chemisch
ontsmetten is dan niet nodig.
 moeten goed toegankelijk voor de vogels
 moeten niet smal en diep maar liever wat breder en
ondieper zijn. Een ‘kapje’ kan morsen tegen gaan
 En……..GERANTSOENEERD !
de voederplaats:
 er moet geen ontlasting in kunnen vallen (afdakje erboven of niet in de buurt
van zitstokken)
 voeren moet snel en eenvoudig kunnen gebeuren (denk aan uw
vakantieverzorger!)
 er moeten bij het voeren geen vogels kunnen ontsnappen. Gebruik van een
sluis, voedergang in de volière of voederplateaus in de deuren voorkomt dat.
 de etende vogel moet zich op zijn voederplaats veilig en vertrouwd voelen.
 uniformiteit is een voordeel voor u en voor de vogels; het voorkomt namelijk
vergissingen.
 de plaats waar het voeder wordt aangeboden dient enigszins overeen te
stemmen met de natuurlijke zoekplaats; hoog of juist op de grond (zie
beschrijving van de vogels)
 grondvogels als kwartels en leeuweriken worden op een lage verhoging
gevoerd. Vogels als kwartels hebben de neiging al krabbend in de voerbak te
zoeken. Baardmannetjes trouwens ook. Een voerbakje afgeschermd met grof
gaas kan helpen te veel morsen te voorkomen. Voor hoppen die veel
meelwormen willen eten kan men een dieper bakje nemen en afdekken met
gaas. Hoppen met hun lange snavel moeten er dan wel bij kunnen; andere
vogels wellicht niet.

Voeren doet men bij voorkeur:
• volgens een vast patroon bijvoorbeeld ‘s avonds
het hoofdvoedsel en ‘s morgens en ‘s middags
het eivoer, versnaperingen, e.d.
• in de kweektijd meerdere keren per dag kleine
hoeveelheden eivoer of versnaperingen geven
die aanzetten tot het voeren van de jongen.
Vogels leren snel de gewoontes van de
verzorger.
Zaden geschikt voor kiemzaad(mengsels)
Zaadsoort
Bijzonderheden
Alfalfazaad
Fijne zaden
Dari (wit of rood)
Voor grotere zaadeters
Japanse gierst
Ook voor kleinere vogels
Hennep
Pas de grootte aan op de vogelgrootte
Katjang idjoe
Voor grotere zaadeters
La Plata gierst
Milo
Voor grotere zaadeters
Negerzaad
Let op kiemkracht
Raapzaad
voor Europese kanaries, kneuen, groenlingen
Radijszaad
Let op kiemkracht
Slazaad (wit of zwart)
Fijn gebekte vogels
Spinaziezaad
Fijn gebekte vogels
Tuinkers en waterkers
Kiemt snel, fijne kiem
Quinoazaad
Kiemt snel







8-10 uur weken in water met
20 ml/liter appelazijn
Goed wassen onder stromend
water in huishoudzeef
Minimaal 6 x per dag goed
spoelen
Als witte kiempjes
verschijnen, goed spoelen uit
laten lekken
Uitspreiden over keuken
papier om vocht te
verwijderen
Uitspreiden op keukenpapier
in bakblikken
Invriezen, verdelen
Stelling:
 Europese zaadeters hebben geen darmflora ! (hoenderachtigen,
watervogels uitgezonderd)
 Horen ook geen darmflora te hebben !
 Bacteriën worden in de maag geëlimineerd
Onderbouwing:
 Darmflora is noodzakelijk bij het verteren van cellulose
 Onze zaadeters hoeven geen cellulose te verteren
 Bij “celluloseverteerders” dient de blinde darm als reservoir voor de
darmflora
 Bij onze zaadeters is de blinde darm slechts rudimentair aanwezig en
heeft geen functie
Toedienen van probiotica:
 Probiotica (bifidobacterium, lactobacilli) zullen de darm niet bereiken
vanwege de natuurlijke barrière.
 Probiotica kunnen zich NOOIT in de darm handhaven door afwezigheid
van blinde darm
Conclusie
Het geven van probiotica zal niet
bijdragen aan de gezondheid of conditie
van onze vogels !
Zonde van het geld !
Appelazijn
ml/liter
20
10
5
2.5
pH
3.98
4.19
4.56
5.22
ml/liter Zoutzuur 10% ( 37%)
10
5
2.5
2.0
1.7
1.25
pH
2.25
2.60
3.23
4.10
4.40
5.65
Voeding
Universeel
Eivoer
Insecten diepvries of levend
 Meng
in een keukenmixer:
 125 gram fijn gemalen gedroogd brood
(of beschuitmeel)
 125 gram (blad)groenten (boerenkool,
broccoli, vogelmuur of bladeren van de
paardenbloem en brandnetel)
 15 gram krijt (calcium preparaat)
 Multi vitamine (volg aangegeven
dosering)
 Kleine
insecteneters
hebben graag de
eerste 4 dagen
kleine insecten
Escherichia coli
pH 7.2
pH 4.5
pH 4.1
Lag phase
3.3 uur
7.4 uur
>24 uur
Verdubbelings tijd
0.6 uur
1.5 uur
>24 uur
Tijd om een factor
1000 te groeien
9.4 uur
22.1 uur
oneindig
 Door
pH verlaging van het
drinkwater kunnen schadelijke
bacteriën zich niet ontwikkelen.
 pH verlaging heeft geen enkele
nadelige invloed op de gezondheid
en spijsvertering
 Kan 7d per week worden gegeven
 Voor gunstige invloed op de
vertering in de krop zijn geen
aanwijzingen






Roerei in tefal pan
afkoelen
CEDE toevoegen
Toevoegen megabactol
(olie)
Mengen spirulina,
megabactin, cometaves
Mixen
verpakken en in de
diepvries (jaar
houdbaar)
WILDE PLANTEN ALS VOGELVOEDSEL
Nederlandse en
Wetenschappelijke
naam
Bloeitijd
(maanden
)
Biotoop
Welke vogels (In principe steeds voor
zaadetende soorten.)
Akkerdistel
Cirsium arvense
Bijvoet
Artemisia vulgaris
Boerenwormkruid
Tanacetum vulgare
Brandnetel, grote
Urtica dioica
Hennepnetel
Galeopsis tetrahit
Herderstasje
Capsella bursapastoris
Klis, kleine
Arctium minus
Krodde, witte
(Boerenkers)
Thlaspi arvense
Kruiskruid
Senico vulgaris
Melkdistel, gewone
Sonchus oleraceus
7–9
Velden en akkers.
Putter, sijs, barmsijs, goudvink.
7-9
Wegranden en
ruigten.
Alle inlandse vinkachtigen.
7–9
Veldwegen, spooren wegbermen.
Rietgors, appelvink, sijs, putter, frater,
barmsijs, goudvink, heggenmus.
6 - 10
Wegbermen, ruigten,
woeste gronden.
Goudvink, Europese kanarie.
6–9
Wegbermen,
bosranden.
Wegbermen,
akkerranden, licht
bewerkte grond.
Wegbermen.
Vink, groenling.
Paardebloem
Taraxacum officinale
4 - 10
Perzikkruid
Polygonum
persicaria
Raapzaad
Brassica campestris
7 - 10
Moestuinen,
landbouwgronden,
rondom akkers.
5-7
Kneu, groenling, vink, Europese kanarie.
Raket
Sisymbrium officinale
5-9
Spurrie
Spergula arvensis
Teunisbloem
Oenothera biennis
Varkensgras
Polygonum aviculare
Veldzuring
Rumex acetosa
Vogelmuur
Stellaria media
6 - 10
Omgeving van
landbouwgronden en
braakliggende
velden.
Wegbermen,
vuilnisbelten,
spoorwegen.
Akkers, zanderige
terreinen.
Zanderige terreinen,
opgespoten gronden.
Braakliggende
velden, bermen enz.
Putter, goudvink, sijs, kneu, groenling,
frater, vink, barmsijs, Europese kanarie.
Putter, sijs, groenling, kneu, vink.
5-6
Weiden, graskanten,
taluds enz.
Goudvink, groenling, sijs, vink.
3 – 10
Braakliggende grond,
velden en tuinen,
Alle Europese en verwante zaadetende
vogels.
4 - 10
7-9
Groenling, kneu, Europese kanarie,
putter, goudvink, vink, sijs.
Sijs, barmsijs, goudvink, kneu,
appelvink, putter, kruisbek.
Groenling, kneu, kruisbek.
4-6
Akkers, bouwland,
puin, kalkgrasland,
wegbermen.
3 - 11
Moestuinen, licht
bewerkte grond.
Putter, kneu, goudvink, groenling, frater.
6-9
Licht bewerkte
grond, bermen,
moestuinen enz.
Weiden en
graskanten.
Groenling, putter, barmsijs, goudvink,
sijs, frater.
7 - 11
6 - 10
Groenling, putter, goudvink, barmsijs,
Europese kanarie, sijs, kneu, geelgors,
rietgors.
Putter, kneu, groenling, frater barmsijs,
vink, goudvink.
Europese kanarie, goudvink, groenling,
vink, kneu.
Goudvink, kneu, groenling
 Atoxoplasmose
Isospora serini
 Coccidiose Isospora canaria
 Isospora
serini in staat door de darmwand
heen te ”dringen” en via de bloedbaan
zich te nestelen in vitale organen. Lever,
milt, longen en hersenen kunnen
hierdoor worden aangetast.
 Ziekte meestal fataal voor de vogel
 Geen medicatie bij ontwikkelde ziekte
 Preventief Baycox of ESB3
 Hygiene gerelateerd
 Vaak
fataal voor jonge vogels
 Vermindering conditie oudere vogels
 Coccidiose behandelbaar met Baycox of
ESB3
 Vogels kunnen de parasiet bij zich
dragen zonder zichtbare symptomen





De besmettingscyclus begint met een vogel, die
besmet is met een parasiet.
De oöcysten, (eitjes), die ze bij zich dragen worden met
de uitwerpselen door geïnfecteerde vogels
uitgescheiden
Op dat moment zijn deze kiemen nog niet in staat om
een nieuwe gastheer te infecteren. Een rijpingsproces
buiten het vogellichaam (in de uitwerpselen) dient
hieraan vooraf te gaan.
De condities moeten wel gunstig zijn, vocht en warmte
zijn nodig om het sporuleren op gang te brengen en te
houden.
Vochtbeheersing sleutel voor gezonde vogels
Escherichia coli behoort bij zoogdieren en sommige vogels tot de
normale darmflora, maar de spp kent ook ziekteverwekkers
Het ziektebeeld
Natte nesten diarree
Overdraagbaar in nest en door ouders
Vieze lucht
De oorzaken
Meerdere factoren
Hygiëne speelt daarbij een zeer belangrijke rol.
Overbevolking
Voeding
Uitwerpselen en vervuild drinkwater zijn bronnen van infectie.
Behandeling
Snel ingrijpen is belangrijk
Colistine (polymyxine E) of TMPS(trimethoprim sulfadiazine
gebruikt).
 Deze middelen zijn effectief tegen de besmetting.

Indien zich een uitbraak in uw gemengde volière voordoet is het
te overwegen de behandeling voor het hele vogelbestand te
starten, ook indien een nest nog gezond oogt
Wanneer veroorzaakt Macrorhabdus ornithogaster een probleem voor onze
vogels?
 Het optreden van stress, waardoor de weerstand van de vogel afneemt
 Eenzijdige of verkeerde voeding (te weinig zachtvoer afwezigheid van grit
en maagkiezel).
 Slechte huisvesting en onvoldoende hygiëne
Symptomen
 Ontstekingen in de klier- en de spiermaag. Hierdoor valt de functie van het
voedsel verteren uit en hoopt het voedsel zich op.
De diagnose
De uiterlijke kenmerken
 De vogel zit een groot deel van de dag bij de voerbak
Hij eet en lijkt onverzadigbaar, toch vermagert de vogel zienderogen.
De vogel oogt ongezond zit met afhangende vleugels.
De mest is waterig/slijmerig dun met een groene kern met soms onverteerde
zaden
 microscopisch onderzoek van de mest noodzakelijk
Secundaire infecties bijvoorbeeld aanwezigheid van coccidiën.
Medicatie
 Antibiotica zoals Baytril hebben geen enkele
werking
 Amphotericine B
0.6 ml/liter water gedurende 3 weken
gegeven, beter direct met een kropnaald

Indien een vogel de infectie heeft opgelopen moet hij
apart gezet worden.
Trichomonas (protozo)


Een aandoening van de luchtwegen kan verschillende oorzaken hebben. Soms hebben verschillende
oorzaken hetzelfde ziektebeeld. De vogel hapt naar adem, schudt met de kop en soms zien we de
vogel slierten slijm uit de snavel schudden. Microscopisch onderzoek geeft uitsluitsel
Behandeling: Tricho plus.
Luchtpijpwormen

Luchtpijpwormen kunnen vooral voorkomen bij vogels in de buitenvolière. slakken, duizendpoten en
wormen hebben. Vogels die een Ivomec is een middel dat veelvuldig toegepast wordt bij de
behandeling van verschillende parasieten.
Luchtpijpmijten

Ook hier verloopt de ademhaling moeizaam en niest de vogel vaak. Van de vinkachtigen schijnt de
putter het meest gevoelig te zijn. Luchtpijpmijt kan gemakkelijk behandeld worden met anti
luchtpijpmijt (Bogena) of Ivomec. Werkzame stof Ivermectine 0,12%. Zorg er voor dat u het druppeltje
in de nek zorgvuldig aanbrengt en de vogel het middel niet kan opnemen via de snavel.
Bacteriële infecties

Vooral goudvinken en haakbekken lijken hier extra gevoelig voor. De vogel hapt en schudt continu
met de kop. Men kan zien dat er slijm uit de snavel wordt geschud. Ook is de kop nat en de wanden
van de kooi raken met slijmresten vervuild. Vaak heeft dit te maken met maken met onvoldoende
ventilatie wanneer de vogels binnen zijn gehuisvest. Meestal kan een vogel deze aandoening niet zelf
overwinnen. Ter genezing van deze hardnekkige infectie helpt de medicatie van Dierenkliniek Hulst
“anti-Luchtwegen mix met slijmoplosser”
Download