Hoe kan worden tegemoetgekomen aan de slechte uitvoering van

advertisement
Hoe kan worden tegemoetgekomen aan de
slechte uitvoering van veroordelende arresten
van het EHRM op nationaal niveau?
Annelies Verduyckt
Onder wetenschappelijke begeleiding van Prof. Dr. A. Alen
INLEIDING
De Russische reddingswerker Burdov werd in 1986 opgeroepen om mee te
werken aan de noodoperatie bij de ramp in de kerncentrale van Chernobyl. Ten
gevolge van de blootstelling aan radioactieve stralen had hij recht op een
schadevergoeding. De Russische vonnissen van 1997, 1999 en 2000 die deze
vorderingen honoreerden, werden niet of slechts gedeeltelijk uitgevoerd. Pas
na een arrest van het EHRM in 2002 kreeg Burdov van de Russische Staat de
schadevergoeding betaald die in dit arrest was toegekend.1 Hierna werden
verscheidene nieuwe Russische vonnissen in Burdov‟s voordeel geveld, die
naar zijn mening niet binnen een redelijke termijn werden uitgevoerd. Als
gevolg hiervan werd de zaak in 2009 een tweede keer voor het EHRM
gebracht, ditmaal voor de Grote Kamer, aangezien in de tussentijd 200
gelijkaardige schendingen waren vastgesteld.2 Op 23 december 2010, 24 jaar
na feiten, besliste het EHRM dat de door de Russische Staat ingevoerde
compensatiewet een effectief en voldoende rechtsmiddel behelst, dat aan het
probleem van de niet-uitvoering van arresten kan tegemoetkomen.3
Helaas is het geval-Burdov geen alleenstaande zaak. Het EHRM heeft geregeld
te kampen met een laattijdige of zelfs niet-uitvoering van zijn veroordelende
arresten, hetgeen de autoriteit van het Hof niet ten goede komt. De oorzaak
hiervan ligt hoofdzakelijk bij de Staten, met inbegrip van België, die niet altijd
even diligent zijn in het opvolgen van Straatsburgse arresten. Door het grote
aantal repetitieve zaken gaat het Hof gebukt onder een structurele
overbelasting, waardoor het zelf ook niet efficiënt kan functioneren.
Momenteel zijn er 120.000 zaken hangende voor het EHRM, tien maal meer
1
EHRM, Burdov t. Rusland, arrest van 7 mei 2002; Resolution CM/ResDH (2004) 85 of 22
December 2004 in the case of Burdov No. 1 v. Russia.
2
EHRM, Burdov t. Rusland (nr. 2), arrest van 15 januari 2009.
3
EHRM, Nagovitsyn en Nalgiyev t. Rusland, beslissing van 23 september 2010; EHRM,
Fakhretdinov en anderen t. Rusland, beslissing van 23 september 2010.
Jura Falconis Jg. 47, 2010-2011, nummer 1
93
ANNELIES VERDUYCKT
dan tien jaar geleden. Niet minder dan achtentwintig procent van deze zaken
zijn afkomstig uit Rusland.
In dit werk zullen eerst de rechtsgevolgen van arresten van het EHRM worden
besproken, met bijzondere aandacht voor de rechtsgevolgen ten aanzien van de
partijen in het geding en ten aanzien van derden, alsook voor de nieuwigheden
in de rechtspraak van het EHRM op het vlak van de nakoming. Ten tweede zal
er meer specifiek worden ingegaan op de situatie in België en dit
rechtsvergelijkend met andere landen waar ernstige problemen in verband met
de uitvoering van Straatsburgse arresten rijzen, zoals Turkije, Italië en
Rusland. Vervolgens zal het belang van het Veertiende Protocol bij het EVRM
worden besproken. Tot slot zal er worden gezocht naar wie of wat er aan de
basis ligt van deze tekortkomingen en zullen oplossingen worden gezocht voor
een efficiëntere uitvoering.
1. DE UITVOERING VAN ARRESTEN VAN HET
EHRM
1.1. RECHTSGEVOLGEN TEN AANZIEN VAN DE PARTIJEN IN HET GEDING
Met betrekking tot de verplichtingen ten aanzien van de verdragspartijen moet
ten eerste artikel 1 EVRM worden benadrukt, hetgeen bepaalt: “De Hoge
Verdragsluitende Partijen verzekeren een ieder, die ressorteert onder hun
rechtsmacht, de rechten en vrijheden welke zijn vastgesteld in de Eerste Titel
van dit Verdrag”. Dit duidt op de belangrijke rol die de verdragsstaten werd
toegewezen, namelijk de eerste verantwoordelijkheid voor de bescherming van
de mensenrechten. Ook wordt uit de artikelen 13 en 35, § 1 EVRM het
principe van de subsidiariteit van de Straatsburgse procedure afgeleid.
Ten tweede hebben de verdragsstaten, luidens artikel 46, § 1 EVRM, zich ertoe
verbonden om zich te houden aan een einduitspraak van het Hof in de zaken
waarbij zij partij zijn. Het arrest is dus bindend voor de Staat die bij de zaak is
betrokken. Dit heeft twee verplichtingen tot gevolg, namelijk de verplichting
tot de tenuitvoerlegging van een einduitspraak, alsook de verplichting om het
gezag van gewijsde te eerbiedigen. De al dan niet bevredigende uitvoering van
de Straatsburgse arresten vormt dan ook een gepaste indicator om de
effectiviteit van het EHRM uit af te leiden.
Tot slot oefent het Comité van Ministers, luidens artikel 46, § 2 EVRM,
controle uit op de veroordeelde verdragsstaat vanaf het ogenblik dat deze
wordt veroordeeld door het Hof, hetgeen duidt op een collectieve
verantwoordelijkheid van de Staten. Het is namelijk niet alleen de betrokken
verdragsstaat die wordt verplicht tot uitvoering, maar het is een opdracht van
alle verdragsstaten in hun geheel om een goede uitvoering van de arresten na te
94
Jura Falconis Jg. 47, 2010-2011, nummer 1
HOE KAN WORDEN TEGEMOETGEKOMEN AAN DE SLECHTE UITVOERING VAN VEROORDELENDE
ARRESTEN VAN HET EHRM OP NATIONAAL NIVEAU?
streven.4 Ieder half jaar worden de veroordeelde Staten ter verantwoording
geroepen. Wanneer dan blijkt dat aan het arrest een gepaste uitvoering werd
gegeven, zal de hele procedure worden beëindigd met een eindresolutie van
het Comité van Ministers. In tegenstelling tot de vaak laattijdige uitvoering
door bepaalde Staten, zijn er ook verdragsstaten die meer dan goed genoeg
tegemoetkomen aan de verplichting tot uitvoering. Dit gebeurt vaak door een
vervroegde uitvoering aan een arrest te geven, door een quasi ogenblikkelijke
uitvoering of door zelfs verder te gaan dan wat de Straatsburgse rechter eiste. 5
1.1.1. Plicht tot uitvoering einduitspraken
a. Verplichtingen ten aanzien van de veroordeelde Staat zijn in essentie
declaratoir
Wanneer het EHRM een schending vaststelt, ontstaat er een dubbele
verplichting in hoofde van de verdragsstaat. Deze wordt verplicht om,
enerzijds, een einde te stellen aan de schending en, anderzijds, hierbij de
gevolgen van de schending te herstellen, door de situatie in zijn
oorspronkelijke toestand te herstellen, hetgeen restitutio in integrum wordt
genoemd.6
Wanneer restitutio in integrum mogelijk is, zal de Staat zelf verantwoordelijk
zijn voor de uitvoering van het arrest en zal het bijgevolg niet aan het EHRM
zijn om dit te doen.7 De uitvoering zal dan worden verwezenlijkt met de
middelen die de Staat zelf verkiest om haar verplichting krachtens artikel 46
EVRM te vervullen.8 Dit laatste moet echter worden genuanceerd, aangezien
de keuzevrijheid van de Staat met betrekking tot de middelen beperkt is, omdat
de aangewende middelen moeten kunnen leiden tot het door het Hof
vooropgestelde doel.9 In uitzonderlijke gevallen echter, zal er als gevolg van
de aard van de schending geen keuzevrijheid meer zijn met betrekking tot de
aan te wenden middelen.10 Daarnaast zal het EHRM, wanneer er een
structureel probleem voorhanden is, 11 zich bevoegd achten om in algemene
4
J. VANDE LANOTTE en Y. HAECK, Handboek E.V.R.M., deel 1: Algemene Beginselen,
Antwerpen, Intersentia, 2005, 697.
5
J.F. FLAUSS, “L‟effectivité des arrêts de la Cour européenne des droits de l‟homme : du politique
au juridique ou vice-versa”, RTDH 2009, 28.
6
P. LEACH, Taking a case tot the European Court of Human Rights, Oxford, Oxford University
press, 2005, 94.
7
EHRM, Papamichalopoulos en anderen t. Griekenland, arrest van 31 oktober 1995, § 34; EHRM
(GK), Iatridis t. Griekenland, arrest van 19 oktober 2000, §33; EHRM (GK), Brumãrescu t.
Roemenië, arrest van 23 januari 2001, § 21.
8
EHRM (GK), Broniowski t. Polen, arrest van 22 juni 2004, § 193.
9
EHRM (GK), Scozzari en Giunta t. Italië, arrest van 13 juli 2000, § 249; EHRM (GK), Assanidze
t. Georgië, arrest van 8 april 2004, § 202; EHRM (GK), Broniowski t. Polen, arrest van 22 juni
2004, § 192.
10
EHRM (GK), Assanidze t. Georgië, arrest van 8 april 2004, § 202-203.
11
Resolution CM/ResDH (2004) 3 of 12 May 2004, on judgments revealing an underlying
systemic problem.
Jura Falconis Jg. 47, 2010-2011, nummer 1
95
ANNELIES VERDUYCKT
bewoordingen een aantal algemene maatregelen aan te duiden, waardoor de
keuzevrijheid van de Staten met betrekking tot de middelen eveneens wordt
beperkt.12
Wanneer restitutio in integrum daarentegen onmogelijk is, omdat het recht van
de betrokken verdragsstaat slechts gedeeltelijk rechtsherstel toelaat 13 of
wanneer het omwille van de aard van de schending onmogelijk is, 14 zal het
EHRM een billijke genoegdoening toekennen. De toekenning van de billijke
genoegdoening, vervat in artikel 41 EVRM, vormt een afwijking van het
principe van de restitutio in integrum. Het EHRM kan maar een billijke
genoegdoening toekennen, wanneer het nationale recht van de betrokken
verdragsstaat slechts gedeeltelijk rechtsherstel toelaat voor de vastgestelde
schending en dus geen echte restitutio in integrum mogelijk is.15
Het tweede geval waarin de billijke genoegdoening zal worden toegekend, is
wanneer krachtens de aard van de schending de restitutio in integrum
onmogelijk is,16 hetgeen zich voordeed in de zaak Brumãrescu tegen Roemenië
van 2001. In dit arrest vond een onteigening plaats in strijd met het verdrag,
waardoor het EHRM de Staat veroordeelde tot het teruggeven van de
eigendom binnen de zes maanden, op straffe van een billijke genoegdoening.17
Het Hof ontdoet in deze gevallen zijn arresten van hun declaratoir karakter,
aangezien de Staten geen enkele beleidsruimte meer wordt gegund met
betrekking tot de uitvoering van de arresten.
De toekenning van een billijke genoegdoening heeft, zoals de rest van een
arrest van het EHRM, op zichzelf geen uitvoerbare kracht en is dus nietexecutoir op het grondgebied van de verdragsstaat. Om de uitvoerbaarheid te
bekomen, moet men de nationale rechtsregels naleven. 18
Wanneer de Belgische Staat de uitvoering van de billijke genoegdoening
weigert, kan de zaak voor de rechtbank van eerste aanleg worden gebracht.
Deze rechtbank zal dan moeten nagaan of het te maken heeft met een
12
EHRM (GK), Broniowski t. Polen, arrest van 22 juni 2004, § 194.
EHRM (GK), Broniowski t. Polen, arrest van 22 juni 2004, concurring opinion van rechter
ZUPANCIC.
14
P. LEMMENS en W. VANDENHOLE, Protocol no. 14 and the reform of the European Court of
Human Rights, Antwerpen, Intersentia, 2005, 108.
15
EHRM (GK), Broniowski t. Polen, arrest van 22 juni 2004, concurring opinion van rechter
ZUPANCIC.
16
P. LEMMENS en W. VANDENHOLE, Protocol no. 14 and the reform of the European Court of
Human Rights, Antwerpen, Intersentia, 2005, 108.
17
EHRM (GK), Brumãrescu t. Roemenië, arrest van 23 januari 2001.
18
J. VANDE LANOTTE en Y. HAECK, Handboek E.V.R.M., deel 1: Algemene Beginselen,
Antwerpen, Intersentia, 2005, 717.
13
96
Jura Falconis Jg. 47, 2010-2011, nummer 1
HOE KAN WORDEN TEGEMOETGEKOMEN AAN DE SLECHTE UITVOERING VAN VEROORDELENDE
ARRESTEN VAN HET EHRM OP NATIONAAL NIVEAU?
authentiek arrest van het EHRM, en indien dit het geval is, zal de rechtbank de
uitvoerbaarheid ervan vaststellen.19
Iedere veroordeelde Staat zal de geldsom moeten betalen binnen de drie
maanden die volgen op de datum van de uitspraak. 20 In geval van niet-betaling
binnen deze termijn zullen moratoire interesten verschuldigd zijn21 die lopen
tot het moment van de uiteindelijke afrekening. 22 Wanneer de veroordeelde
Staat daarentegen niet overgaat tot uitvoering, zal het EHRM geen dwangsom
of geldboete kunnen opleggen.23 Het Comité van Ministers zal wel steeds
toezicht uitoefenen op de maatregelen die de Staten aannemen tot betaling van
de billijke genoegdoening.
Veel landen hebben het echter moeilijk om aan de veroordeling tot een billijke
genoegdoening te voldoen. Ze kampen met grote betalingsachterstanden. Italië
bijvoorbeeld, betaalt in 97 procent van de gevallen te laat. 24
Uit het bovenstaande volgt dat de arresten van het EHRM een declaratoir
karakter hebben,25 aangezien zij zelf geen rechtstreekse gevolgen in de interne
rechtsorde van de betrokken Staat teweegbrengen.26 Het Hof spreekt een
schending uit en kan eventueel een billijke genoegdoening toekennen, maar is
in beginsel niet bevoegd om welbepaalde maatregelen op te leggen. In het
verleden vernietigde het EHRM nooit uitspraken van de nationale autoriteiten
of rechtbanken,27 herzag het nationale wetgeving nooit zelf en droeg het een
regering nooit op om bepaalde maatregelen te nemen in het nationale
rechtssysteem.28 Hier kwam echter geleidelijk aan verandering in.
De uitvoering van veroordelende arresten moet steeds binnen een redelijke
termijn gebeuren.29 Het Hof bevestigde dit in de zaak Vermeire tegen België,
en verduidelijkte dat de keuzevrijheid van een Staat ten aanzien van de
middelen tot uitvoering van een veroordelend arrest geen excuus mag zijn om
J. VELU en R. ERGEC, “La Convention Européenne des Droits de l‟homme”, RPDB 1990, nr.
1224.
20
EHRM, Moreira de Azevedo t. Portugal, arrest van 28 augustus 1991.
21
EHRM (GK), Önyerildiz t. Turkije, arrest van 28 juni 2002.
22
EHRM, A. en anderen t. Denemarken, arrest van 8 februari 1996, § 53.
23
EHRM, Pauwels t. België, arrest van 26 mei 1988, §§ 49-50.
24
E. LAMBERT-ABDELGAWAD, “L‟exécution des arrêts de la Cour européenne des droits de
l‟homme”, RTDH 2008, 656-657.
25
EHRM, Marckx t. België, arrest van 13 juni 1979, § 58; EHRM (GK), Assanidze t. Georgië,
arrest van 8 april 2004, § 202.
26
RvS 10 maart 1992, nr. 38.973; Cass. 19 september 1997, Arr.Cass. 1997, nr. 363 en RW 199899, noot S. MOSSELMANS; J. VELU en R. ERGEC, “La Convention européenne des Droits de
l‟homme”, RPDB 1990, nr. 1211; Venice Commission, “Opinion No. 209/2002 on the
Implementation of judgements of the European Court of Human Rights”, CDL-AD(2002)34, 18
December 2002, § 34.
27
EHRM, Castillo Algar t. Spanje, arrest van 28 oktober 1998.
28
EHRM, Polat t. Turkije, arrest van 8 juli 1999, § 66.
29
EHRM, Burdov t. Rusland (nr. 2), arrest van 15 januari 2009; EHRM (GK), Scordino t. Italië
(nr. 1), arrest van 29 maart 2006.
19
Jura Falconis Jg. 47, 2010-2011, nummer 1
97
ANNELIES VERDUYCKT
te wachten met de noodzakelijke maatregelen, bijvoorbeeld omdat deze
maatregelen zouden kaderen in een meer algemene hervorming. 30
Wanneer de redelijke termijn is overschreden, zal het vaak onmogelijk zijn om
nog in een restitutio in integrum te voorzien. In deze gevallen zal het EHRM
voor herstel zorgen, door uitvoering bij equivalent. Dit herstel zal
normalerwijze bestaan uit een financiële vergoeding.
De Staat is, luidens artikel 46, § 1 EVRM, in zijn geheel verantwoordelijk voor
de uitvoering van eindarresten. Hieruit volgt dat het EHRM niet aangeeft
welke overheidsinstantie gebonden is door zijn arresten en welke
overheidsinstantie moet instaan voor de uitvoering van zijn einduitspraken.
Aangezien de Staten zich door hun ratificatie hebben verbonden om de
verdragsrechten te laten eerbiedigen door al hun verschillende overheden, 31
kunnen zij zich niet verschuilen achter het handelen van deze organen. 32 De
uitvoering van de arresten zal bijgevolg toekomen aan het staatsniveau dat op
internrechtelijk vlak bevoegd is voor de betwiste materie, hetgeen meestal het
bevoegde orgaan is dat werd bepaald door de Grondwet of de wetgeving van
een Staat.33
b. Uitzondering: het arrest duidt de te nemen maatregelen aan
In het verleden nam het EHRM steeds aan dat de loutere vaststelling van de
schending van het EVRM of het toekennen van een som geld, op zich een
voldoende billijke genoegdoening uitmaakte. Het Hof hield zich niet bezig met
het uitvaardigen van algemene of individuele maatregelen. 34
Hier kwam echter verandering in met het arrest Papamichalopoulos en
anderen tegen Griekenland met betrekking tot het recht op eigendom. In dit
arrest legde het EHRM naast de verplichting tot het betalen van een billijke
genoegdoening voor het eerst een individuele, weliswaar alternatieve,
maatregel op: de teruggave van de gronden en gebouwen. De Griekse Staat
werd door dit arrest verplicht een einde te stellen aan de schending en de
gevolgen ervan op zulke wijze te herstellen dat men zich terug in de situatie
zou bevinden van voor de schending. 35
In verschillende daaropvolgende zaken, ook ten aanzien van zaken die geen
betrekking hadden op het recht op eigendom, herhaalde en verfijnde het Hof
30
EHRM, Vermeire t. België, arrest van 29 november 1991, § 26.
EHRM, Martins Moreira t. Portugal, arrest van 26 oktober 1988, § 60.
EHRM, De Cubber t. België, arrest van 14 september 1987, § 21; G. CRAENEN, “Het tweede
cassatiearrest-De Cubber: een kleine uitspraak over een klein geval?”, RW 1987-88, 145-150.
33
EHRM, X en Y t. Nederland, arrest van 26 maart 1985, § 27.
34
P. LEMMENS en W. VANDENHOLE, Protocol no. 14 and the reform of the European Court of
Human Rights, Antwerpen, Intersentia, 2005, 106.
35
EHRM, Papamichalopoulos en anderen t. Griekenland, arrest van 31 oktober 1995, § 34.
31
32
98
Jura Falconis Jg. 47, 2010-2011, nummer 1
HOE KAN WORDEN TEGEMOETGEKOMEN AAN DE SLECHTE UITVOERING VAN VEROORDELENDE
ARRESTEN VAN HET EHRM OP NATIONAAL NIVEAU?
dit gedachtegoed. In het arrest L. tegen Litouwen verplichtte het EHRM de
Litouwse wetgever om een wet aan te nemen in verband met de officiële
erkenning van geslachtswijziging. 36 In het arrest Martins Castro en Alves
Correia de Castro tegen Portugal werd de Portugese openbare aanklager
verplicht een cassatieberoep in te stellen.37
Het lijkt er dan ook op dat het EHRM zijn oude werkwijze heeft verlaten voor
een meer proactieve aanpak. De uitvoering van een arrest zal immers vaak
verregaande maatregelen van een Staat vereisen en daarmee het declaratoire
karakter van het arrest overstijgen.38 Dit zal bovenal zo zijn, wanneer het
EHRM een voorgevoel heeft dat er een risico van slechte of laattijdige
uitvoering zal zijn39 of wanneer restitutio in integrum praktisch onmogelijk
lijkt.40 Hieronder worden de meest voorkomende opgelegde maatregelen
besproken.
b.1. Restitutie in eigendomszaken
In verscheidene zaken waarbij een schending van artikel 1 van het Eerste
Protocol bij het EVRM werd vastgesteld, eiste het Hof de teruggave van de
eigendom door de Staat. Indien een Staat hieraan geen gehoor geeft, wordt ze
veroordeeld tot het betalen van een compensatie.41
b.2. Vrijlating van onwettig vastgehouden personen
In de zaak Assanidze tegen Georgië besliste het EHRM dat ten aanzien van
onterecht gevangen gehouden personen, gelet op de aard van de schending, de
enige mogelijke maatregel tot herstel, de vrijlating is. De Staat kreeg bijgevolg
geen keuze ten aanzien van de aan te nemen middelen. Daarnaast moest er ook
een billijke genoegdoening voor de geleden geldelijke schade worden
betaald.42
In dezelfde zin besloot het EHRM in de zaak Ilascu en anderen tegen Rusland
en Moldavië, door te eisen dat deze Staten alle nodige maatregelen moeten
nemen om een einde te stellen aan de willekeurige en onrechtmatige
aanhouding van de verzoekers, en dit door middel van een onmiddellijke
invrijheidsstelling. Door een onrechtmatige aanhouding te bewerkstelligen,
36
EHRM, L. t. Litouwen, arrest van 11 september 2007.
EHRM, Martins Castro en Alves Correia de Castro t. Portugal, arrest van 10 juni 2008.
38
F. SUDRE, “L‟effectivité des arrêts de la CEDH”, RTDH 2008, 921-930.
39
E. LAMBERT-ABDELGAWAD, “L‟exécution des arrêts de la Cour européenne des droits de
l‟homme(2007)”, RTDH 2008, 670.
40
EHRM (GK), Maestri t. Italië, arrest van 17 februari 2004; EHRM (GK), Assanidze t. Georgië,
arrest van 8 april 2004.
41
EHRM, Papamichalopoulos en anderen t. Griekenland, arrest van 31 oktober 1995.
42
EHRM (GK), Assanidze t. Georgië, arrest van 8 april 2004.
37
Jura Falconis Jg. 47, 2010-2011, nummer 1
99
ANNELIES VERDUYCKT
zou de Staat immers zijn verplichting tot het uitvoeren van arresten, vervat in
artikel 46, § 1 EVRM, schenden.43
Waar het Hof in zijn beginjaren slechts de restitutie of de billijke
genoegdoening uitsprak, is het geëvolueerd naar het toekennen van een
cumulatieve verplichting. De Staat zal namelijk zowel de vrijlating, als het
betalen van een compensatie moeten bewerkstelligen wanneer personen
onrechtmatig werden aangehouden.
b.3. Strafrechtelijk onderzoek
In verscheidene zaken werd het EHRM om uitleg gevraagd wanneer de
overheden van een bepaalde Staat er niet in slaagden een adequaat en effectief
strafrechtelijk onderzoek te voeren en het slachtoffer bleef lijden onder de
ernstige negatieve gevolgen van een nationale beslissing. Het Hof leek niet uit
te sluiten dat het in bepaalde gevallen de mogelijkheid heeft om een nieuw
onderzoek te eisen,44 maar verplichtte er totnogtoe geen enkele Staat toe,
aangezien het aan het Comité van Ministers toekomt om de meest adequate
maatregelen aan te wijzen om aan een uitspraak te voldoen. 45
Het EHRM beschikt daarentegen wel over de mogelijkheid om in bepaalde
gevallen Staten te veroordelen voor een schending van artikel 2 of 3 EVRM,
en dit wegens het gebrek aan onderzoek wanneer er moord of foltering
plaatsvond. In het arrest Rantsev tegen Cyprus en Rusland werd Cyprus de
schending van artikel 2 EVRM verweten, doordat het geen effectief onderzoek
voerde naar de dood van Rantsev‟s vrouw.46
b.4. Heropening van interne gerechtelijke procedures
In zaken waar er zich een schending van het recht op persoonlijke vrijheid,47
het recht op een eerlijk proces,48 of het strafrechtelijk legaliteitsbeginsel49
voordoet, zal de herziening of de heropening van de zaak vaak de enige of
meest geschikte mogelijkheid zijn om het aangedane onrecht ten aanzien van
het slachtoffer te herstellen en een restitutio in integrum te bekomen.50 Het Hof
heeft geen rechtsmacht om na te gaan of een verdragsstaat zijn verplichtingen
heeft vervuld zoals die voortvloeien uit een arrest en kan evenmin een
43
EHRM (GK), Ilascu en anderen t. Rusland en Moldavië, arrest van 8 juli 2004, § 490.
EHRM (GK), Tahsin Acar t. Turkije, arrest van 6 mei 2003; EHRM, Finucane t. UK, arrest van
1 juli 2003.
45
P. LEMMENS en W. VANDENHOLE, Protocol no. 14 and the reform of the European Court of
Human Rights, Antwerpen, Intersentia, 2005, 99.
46
EHRM, Rantsev t. Cyprus en Rusland, arrest van 7 januari 2010.
47
Artikel 5 EVRM.
48
Artikel 6 EVRM.
49
Artikel 7 EVRM.
50
EHRM (GK), Öcalan t. Turkije, arrest van 12 mei 2005, § 210.
44
100
Jura Falconis Jg. 47, 2010-2011, nummer 1
HOE KAN WORDEN TEGEMOETGEKOMEN AAN DE SLECHTE UITVOERING VAN VEROORDELENDE
ARRESTEN VAN HET EHRM OP NATIONAAL NIVEAU?
verdragsstaat verplichten om de relevante interne procedure in gelijkaardige
zaken te heropenen.51 Desondanks wordt er zowel door het Hof, als door het
Comité van Ministers een zeer grote druk op de verdragsstaten gelegd om dit
toch te doen.52
In verscheidene zaken tegen de Turkse Staat werden arresten geveld door
afhankelijke en partijdige rechters, waardoor artikel 6 EVRM werd
geschonden. Het EHRM besloot dat in deze zaken, de meest geschikte vorm
van rechtsherstel, de heropening van de zaak voor een onafhankelijke en
onpartijdige rechter in overeenstemming met artikel 6 EVRM was. De
verzoekers in casu werden immers veroordeeld door een veiligheidshof,
hetwelk niet als onpartijdig en onafhankelijk kan worden beschouwd in de zin
van artikel 6 EVRM.53
In het arrest Verein Gegen Tierfabriken Schweiz tegen Zwitserland besliste de
Grote Kamer van het EHRM dat de weigering van een Staat om de heropening
te bevelen, kan worden aanvaard als nieuwe informatie waartegen bij het
EHRM een nieuwe zaak kan worden ingesteld.54 Aan dit arrest werden een
aantal dissenting opinions toegevoegd. Verscheidene rechters waren immers
van mening dat het gevaar bestaat dat deze strenge zienswijze van het EHRM
de Staten die in de heropening voorzien, gaat penaliseren, aangezien de
weigering door de Staat om een procedure te heropenen voordien niet als een
nieuw feit werd gezien, tenzij in zeer uitzonderlijke gevallen. 55
In het recente arrest Cudak tegen Litouwen suggereerde het EHRM dat
omwille van de schending van artikel 6 EVRM, het meest gepaste rechtsherstel
alleen maar kan bestaan in de heropening van de nationale procedure. Het Hof
herhaalde dit echter niet in het dispositief van het arrest, maar voorzag enkel in
een vergoeding.56 In een concurring opinion bij dit arrest, betreuren
verscheidene rechters dat de heropening van de nationale procedure niet werd
opgenomen in het dispositief van het arrest, aangezien de vergoeding die aan
de verzoekers werd beloofd niet in staat is om een restitutio in integrum
teweeg te brengen en de heropening van de nationale procedure daarentegen
wel. Daarnaast bindt, krachtens artikel 46, § 1 EVRM, enkel het dispositief
51
EHRM, Komanický t. Slovakije, arrest van 4 juni 2002.
Recommendation Rec. (2000) 2 of the Committee of Ministers on the re-examination or
reopening of certain cases at domestic level following judgments of the European Union of Human
Rights.
53
EHRM, Akkas t. Turkije, Cakar t. Turkije, Cavus en Bulut t. Turkije, Dalgiç t. Turkije, Eren t.
Turkije, Ergül en Engin t. Turkije, Gençel t. Turkije, Hayrettin Barbaros Yilmaz t. Turkije, Mesut
Erdogan t. Turkije, Özyol t. Turkije, Peker t. Turkije, Simsek t. Turkije, Süvariogullari en anderen
t. Turkije, Tutmaz en anderen t. Turkije, arresten van 23 oktober 2003; EHRM (GK), Öcalan t.
Turkije, arrest van 12 mei 2005.
54
EHRM (GK), Verein gegen Tierfabriken Schweiz t. Zwitserland, arrest van 30 juni 2009.
55
Dissenting Opinion door rechter MALINVERNI, bijgestaan door de rechters BÎRSAN, MYJER en
BERRO-LEFÈVRE bij EHRM (GK), Verein gegen Tierfabriken Schweiz t. Zwitserland, arrest van 30
juni 2009, § 25.
56
EHRM (GK), Cudak t. Litouwen, arrest van 23 maart 2010, § 79.
52
Jura Falconis Jg. 47, 2010-2011, nummer 1
101
ANNELIES VERDUYCKT
van het arrest de partijen en sluit artikel 46, § 2 EVRM niet uit dat ook het
EHRM, naast het Comité van Ministers, de meest gepaste maatregelen kan
aanduiden.57 In een eerder arrest oordeelde het EHRM reeds dat wanneer
heropening van de procedure mogelijk is onder nationaal recht, het EHRM
deze verplichting het beste zal vervatten in het dispositief van het arrest opdat
er druk komt te liggen op de Staten. 58
Het Comité van Ministers kan, net zoals het EHRM, de heropening van de
nationale gerechtelijke procedures vragen. Dit kan het zowel in burgerlijke
zaken als in strafzaken, door resoluties 59 en interim resoluties60 uit te
vaardigen. Het Comité van Ministers vaardigde in 2000 een aanbeveling uit
over de heropening van nationale gerechtelijke procedures.61 Deze
Aanbeveling had zowel betrekking op strafrechtelijke, burgerrechtelijke als
administratiefrechtelijke zaken, maar in de praktijk wordt de heropening
meestal beperkt gehouden tot strafzaken.
De vraagt rijst daarbij of het Comité van Ministers de heropening van de
procedure ook kan eisen in burgerlijke procedures. 62 Het doet tegenwoordig
wel een aanzet tot het toepassen hiervan op niet-strafrechtelijke procedures,
ook al zou dit problematisch kunnen zijn voor de rechtszekerheid van andere
niet-statelijke partijen in het proces. Het lijkt erop dat de alternatieve oplossing
van het Comité van Ministers erin bestaat om in burgerlijke zaken een
vergoeding toe te kennen wegens het verlies van een kans.63 Een voorbeeld
van een situatie waarin de heropening van de nationale procedure een goede
oplossing kan zijn, is wanneer er een oneerlijke nationale procedure
plaatsvond.64 Daarnaast kan de heropening ook worden gebruikt om in de
mogelijkheid te voorzien om een nationale beslissing te verbeteren die in strijd
is met het EVRM, zoals bijvoorbeeld het teniet doen van het verbod op
publicatie van bepaalde informatie door het opheffen van dit rechterlijk
bevel.65
57
EHRM (GK), Cudak t. Litouwen, arrest van 23 maart 2010, concurring opinion van rechters
MALINVERNI, CASADEVALL, CABRAL BARETTO, ZAGREBELSKY en POPOVIC´.
58
EHRM, Lungoci t. Roemenië, arrest van 26 januari 2006.
59
Resolution CM/ResDH (1989) 2 of 18 January 1989 in the case of Unterpertinger v. Austria;
Resolution CM/ResDH (1995) 212 of 11 September 1995 in the case of Jersild v. Denmark.
60
Interim Resolution CM/ResDH (2002) 59 of 30 April 2002 in the cases of Sadak, Zana, Dicle
and Dogan v. Turkey.
61
Recommendation Rec. (2000) 2 of the Committee of Ministers on the re-examination or
reopening of certain cases at domestic level following judgments of the European Union Of
Human Rights, 19 Januari 2000.
62
Interim Resolution CM/ResDH (2007) 73 of 6 June 2007 in the case of Mckerr v. the United
Kingdom and five similar cases.
63
Resolution CM/ResDH (2007) 78 of 20 June 2007 in the case of Lemoine Daniel v. France.
64
Resolution CM/ResDH (1994) 84 of 16 November 1994 in the cases of Barberà, Messegué and
Jabardo v. Spain.
65
Resolution CM/ResDH (1996) 368 of 25 June 1996 in the cases of Open Door and Dublin Well
Woman v. Ireland.
102
Jura Falconis Jg. 47, 2010-2011, nummer 1
HOE KAN WORDEN TEGEMOETGEKOMEN AAN DE SLECHTE UITVOERING VAN VEROORDELENDE
ARRESTEN VAN HET EHRM OP NATIONAAL NIVEAU?
Als gevolg van de aanbeveling van het Comité van Ministers van 2000 om te
voorzien in de mogelijkheid om gerechtelijke procedures op nationaal niveau
te heropenen, werd deze mogelijkheid in het Belgische wetboek ingeschreven,
met de wet van 1 april 2007 die de artikelen 442 bis-octies in het Wetboek van
Strafvordering invoegde.66
Vóór de invoering van deze wet kon men slechts zeer uitzonderlijk 67 de
vernietiging van een procedure op basis van nieuwe feiten verkrijgen en dit
krachtens artikel 441 van het Wetboek van Strafvordering. 68 Dit artikel
bepaalde dat de aangifte door de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie
op bevel van de minister van justitie kon leiden tot de vernietiging van de met
de wet strijdige rechterlijke uitspraken. Deze mogelijkheid was maar van
toepassing wanneer er nieuwe feiten werden opgeworpen, hetgeen een arrest
van het EVRM volgens het Hof van Cassatie niet was. 69
Deze Belgische praktijk werd door het EHRM in het arrest Claes en anderen
tegen België van 2 juni 2005 veroordeeld.70 Het EHRM oordeelde dat om op
een efficiënte manier bij een schending van artikel 6, § 1 EVRM rechtsherstel
te verlenen, de verzoekers zoveel mogelijk moeten worden teruggeplaatst in de
situatie waarin zij zich bevonden vooraleer er een schending plaatsvond. Bij
een procedurele onregelmatigheid zal dit er bijgevolg in bestaan om de
verzoekers een nieuwe procedure ter beschikking te stellen waarbij de naleving
van artikel 6, § 1 EVRM is verzekerd of een alternatieve mogelijkheid,
namelijk het betalen van een billijke genoegdoening. In dit alternatief werd
voorzien omdat het minder nadelige gevolgen heeft dan de heropening van de
zaak te eisen. Aangezien geen van de verzoekers de heropening van de interne
procedure vroeg,71 werd een billijke genoegdoening betaald.72 Als gevolg van
dit arrest werd de heropening van strafzaken in de interne rechtsorde op de
parlementaire agenda geplaatst.73
Met de nieuwe wet van 1 april 2007 tot wijziging van het Wetboek van
Strafvordering met het oog op de heropening van de rechtspleging in
66
Wetsvoorstel van de heren Bourgeois en Van Hoorebeke tot invoeging van een artikel 442bis in
het W.Sv. Parl.St. Kamer 2000-2001, nr. 50-1083/1; Wetsvoorstel van de heer Bourgeois tot
invoeging van een artikel 442bis in het W.Sv., Parl.St. Kamer 2003-2004, nr. 514-001; Verslag
namens de Commissie voor de Justitie bij het Wetsontwerp tot wijziging van het Wetboek van
Strafvordering met het oog op de heropening van de rechtspleging in strafzaken, Parl.St. Senaat
2006-07, nr. 1769/3; Wet van 1 april 2007 tot wijziging van het Wetboek van strafvordering met
het oog op de heropening van de rechtspleging in strafzaken, BS 9 mei 2007.
67
Cass. 18 mei 1983, Arr.Cass. 1982-1983, 1148 (zaak Piersack).
68
EHRM, Piersack t. België, arrest van 1 oktober 1982.
69
EHRM, De Cubber t. België, arrest van 14 september 1987.
70
EHRM, Claes en anderen t. België, arrest van 2 juni 2005.
71
E. LAMBERT-ABDELGAWAD, The execution of judgments of the European Court of Human
Rights, Human rights files, no 19, Straatsburg, Council of Europe Publishing, 2008, 24.
72
EHRM, Claes en anderen t. België, arrest van 2 juni 2005.
73
Wetsontwerp tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering met het oog op de heropening
van de rechtspleging in strafzaken, Parl.St., Senaat, 2005-06, nr. 3-1769/1.
Jura Falconis Jg. 47, 2010-2011, nummer 1
103
ANNELIES VERDUYCKT
strafzaken,74 is de mogelijkheid ingevoerd om een strafzaak te heropenen door
het Hof van Cassatie na een definitief arrest van het EHRM waarin is
vastgesteld dat bij de procedure in de interne rechtsorde het EVRM of de
aanvullende protocollen erbij zijn geschonden. 75 De procedure voor het Hof
van Cassatie verloopt in twee fasen.
In een eerste fase zal het Hof van Cassatie nagaan of aan de cumulatieve
voorwaarden van het eerste lid van artikel 442quinquies is voldaan, die
betrekking hebben op het uitzonderlijke karakter van de procedure. De eerste
voorwaarde betreft de vraag of de bestreden beslissing ten gronde strijdig is
met het EVRM, of dat de vastgestelde schending het gevolg is van
procedurefouten en tekortkomingen die zo ernstig zijn dat er een gegronde
twijfel ontstaat over de uitkomst van de bestreden rechtspleging. Luidens de
tweede voorwaarde kan de situatie van de veroordeelde of rechthebbenden in
artikel 442ter, 2° van het Wetboek van Strafvordering, slechts worden hersteld
door een heropening van de procedure wanneer zij zeer ernstige nadelige
gevolgen blijven ondervinden.
Vervolgens zal de zaak in de tweede fase, luidens artikel 442sexies, § 1 van het
Wetboek van Strafvordering, ofwel door het Hof van Cassatie zelf opnieuw
worden behandeld, ofwel met het oog op een nieuwe behandeling worden
doorverwezen naar een gerecht van dezelfde rang als datgene dat de bestreden
beslissing heeft genomen. Als het Hof de bestreden beslissing zelf nam, zal het
deze intrekken en er opnieuw uitspraak over doen. De partijen mogen geen
nieuwe rechtsmiddelen opwerpen, dit zal enkel ambtshalve door het Hof
kunnen, mits dit binnen de grenzen van de door het EHRM vastgestelde
schending gebeurt.76
b.5. De pilootarresten
b.5.1 Vóór de pilootarresten
Traditioneel werden de arresten van het EHRM opgevat als veroordelingen
met louter individuele, specifieke gevolgen van een Hof dat optrad in laatste
instantie en dit nadat alle nationale rechtsmiddelen waren uitgeput. Hieruit
vloeide voort dat het niet tot de bevoegdheid van het Hof behoorde om de
juistheid van de nationale wetten zelf te waarderen. Het EHRM verklaarde
zich in principe dan ook onbevoegd om andere vormen van billijke
genoegdoening dan een financiële vergoeding toe te kennen. Volgens het
74
Wet van 1 april 2007 tot wijziging van het Wetboek van strafvordering met het oog op de
heropening van de rechtspleging in strafzaken, BS 9 mei 2007.
75
W. VANDENHOLE, “Naar een regeling voor de heropening van strafzaken na een veroordeling in
Straatsburg?”, TvMR 2003, nr. 1, 8-10; P. LEMMENS en W. VANDENHOLE, “De heropening van een
strafprocedure na een veroordelend arrest van het Europees Hof voor de rechten van de mens”, T.
Strafr. 2001, 49-74.
76
Cass. 9 april 2008, RW 2008-2009, nr. 22, 927-931 (noot N. COLPAERT).
104
Jura Falconis Jg. 47, 2010-2011, nummer 1
HOE KAN WORDEN TEGEMOETGEKOMEN AAN DE SLECHTE UITVOERING VAN VEROORDELENDE
ARRESTEN VAN HET EHRM OP NATIONAAL NIVEAU?
EHRM behoorde het immers tot de taak zelf van de veroordeelde Staat om de
wijze te bepalen waarop binnen de interne rechtsorde uitvoering wordt
gegeven aan de verplichtingen voortvloeiend uit artikel 46, § 1 EVRM.
Gaandeweg werd het onmogelijk voor het EHRM om zich louter bezig te
houden met beslissingen die werden genomen op basis van bepaalde „slechte‟
wetten. Hierdoor begon het EHRM, lang voor het ontstaan van de
pilootarresten, te wijzen op de onderliggende structurele problemen die aan de
bron lagen van de schendingen. In het arrest Marckx tegen België zei het
EHRM dat “het niet de functie van het Hof is om in abstracto te oordelen over
de verenigbaarheid van bepaalde nationale regels met het EVRM”, waarop het
kort vervolgde dat “artikel 25 EVRM personen het recht toekent om aan te
voeren dat een wet op zichzelf hun rechten schaadt, bij gebrek aan individuele
maatregelen of implementatie, wanneer zij het risico lopen hierdoor
rechtstreeks te worden geraakt”.77 Zulke rechtspraak leidde ertoe dat Staten
hun nationale wetgeving aanpasten als een impliciet of expliciet antwoord op
een veroordeling door het EHRM.
Het EHRM maakte zelfs suggesties, maar deed nooit in het dispositief op
expliciete wijze uitspraak over de structurele natuur van het probleem, zoals
het deed in het arrest Broniowski. De meer algemene systematische richtlijnen
werden beschreven in de redenering van het Hof, terwijl het dispositief veeleer
focuste op de strikt individuele schendingen. Toch waren de veroordelingen
van het Hof meer dan de loutere veroordeling van een individuele nationale
rechterlijke beslissing.78
Deze traditionele aanpak werd in 2004 definitief ingeruild voor een meer
proactieve aanpak. De Staten krijgen hierdoor een beperktere of zelfs
verwaarloosbare keuzevrijheid ten aanzien van de te nemen maatregelen. Dit
is, volgens de voormalige President van het EHRM Luzius WILDHABER, een
gevolg van de noodzaak die bestaat om het evenwicht te herstellen tussen de
nationale en internationale rechtsinstanties bij de implementatie van het
EVRM.79
b.5.2 De voornaamste pilootarresten
i. Polen
De zaak Broniowski tegen Polen betrof het eerste pilootarrest dat door het
EHRM werd geveld. Na de Tweede Wereldoorlog kwamen de geallieerden een
77
EHRM, Marckx t. België, arrest van 13 juni 1979, §§ 26-27.
W. SADURSKI, “Partnering with Strasbourg: Constitutionalization of the European Court of
Human Rights, the Accession of Central and East European States tot the Council of Europe, and
the Idea of Pilot Judgments”, HRLR 2009, 411-413.
79
L. WILDHABER, “Speech on the Solemn Hearing of the European Court of Human Rights on the
occasion of the opening of the judicial year”, 21 January 2005.
78
Jura Falconis Jg. 47, 2010-2011, nummer 1
105
ANNELIES VERDUYCKT
grenswijziging overeen waardoor Poolse burgers werden verplicht om naar het
westen te verhuizen. De Poolse Staat creëerde een vergoedingssysteem voor
eigenaars die hun onroerende bezittingen op de Poolse grens moesten
achterlaten, maar kon wegens een gebrek aan gronden zijn eigen engagement
niet nakomen. Dit engagement werd herhaaldelijk bevestigd in wetgeving,
maar werd nooit effectief uitgevoerd.
De meeste personen kregen een compensatie in de vorm van een grond op het
nieuw verworven grondgebied, maar een groep van ongeveer 100.000
personen kreeg geen enkele vergoeding. Dit waren personen die woonden
achter de nieuwe Poolse oostgrens gevormd door de Bug River, waardoor hun
claims de Bug River-verzoeken werden genoemd.
Broniowski had als wettelijke erfgenaam van een van deze personen, recht op
een compensatie, hetgeen hij echter niet ontving. Het Poolse Hooggerechtshof
en Grondwettelijk Hof waren van mening dat de acties van de Staat en het
regelgevend kader in strijd waren met de grondwet aangezien ze tot de
onmogelijkheid leidden om enige vergoeding te bekomen. Deze bevindingen
leidden echter niet tot een verbetering van Broniowski‟s situatie, waardoor hij
een verzoekschrift tot het EHRM richtte, waarbij het EHRM besloot tot de
schending van het eigendomsrecht, vervat in artikel 1 van het Eerste Protocol
bij het EVRM.
Volgens het EHRM had men in casu te maken met een wijdverspreid
probleem, hetgeen resulteerde uit de slechte functionering van de Poolse
wetgeving en administratieve praktijk en daarenboven een groot aantal
personen aanging.80 Het Hof erkende dat 80.000 personen de nadelige
gevolgen van het structurele probleem ondervonden, terwijl er 167 verzoeken
hangende waren bij het EHRM. Dit leidde bij het Hof tot de constatering dat:
“dit niet alleen een verzwarende factor is ten aanzien van de statelijke
verantwoordelijkheid onder het verdrag voor bestaande zaken of zaken uit het
verleden, maar ook een dreiging inhoudt voor de toekomstige effectiviteit van
het verdragsapparaat”.81 Hierdoor besloot het EHRM dat algemene
maatregelen op het nationale niveau waren vereist met oog op het oplossen van
structurele tekortkomingen en het voorzien in individueel herstel. De Poolse
regering kreeg evenwel een redelijke termijn om aan zijn verbintenis te
voldoen. Vanaf dit punt ging het EHRM verder dan in zijn vroegere
rechtspraak. Tot dan toe had het steeds voorgehouden dat wanneer het een
schending van het EVRM constateerde, het in principe aan de verdragsstaat
was om een manier te zoeken om de situatie te herstellen. In de zaak
Broniowski echter, besloot het EHRM dat de Poolse Staat algemene
maatregelen moest aannemen dewelke de hele groep van de Bug River
verzoekers zouden helpen. Niet alleen het individuele geval Broniowski, maar
80
81
EHRM (GK), Broniowski t. Polen, arrest van 28 september 2005, § 189.
EHRM (GK), Broniowski t. Polen, arrest van 28 september 2005, § 193.
106
Jura Falconis Jg. 47, 2010-2011, nummer 1
HOE KAN WORDEN TEGEMOETGEKOMEN AAN DE SLECHTE UITVOERING VAN VEROORDELENDE
ARRESTEN VAN HET EHRM OP NATIONAAL NIVEAU?
het hele probleem moest worden opgelost.82 De verplichting om algemene
maatregelen te nemen werd herhaald in het dispositief van het arrest, hetgeen
een belangrijke vernieuwing betekende ten aanzien van de vroegere
rechtspraak.83
Het EHRM stuurde de zaak terug naar de Poolse autoriteiten, die hierdoor de
bevoegdheid kregen om de algemene maatregelen te nemen en een minnelijke
schikking te bereiken over de billijke genoegdoening met de verzoeker. In de
tussentijd werden alle gelijkaardige Bug River-zaken opgeschort. Dit bleek een
goede zet van het EHRM, aangezien in september 2005 een minnelijke
schikking werd getroffen tussen Broniowski en de Poolse Staat. Nog
belangrijker waren de veranderingen die plaatsvonden op het nationale niveau.
Enkele maanden na het arrest van de Grote Kamer van het EHRM verklaarde
het Poolse Grondwettelijk Hof de nieuwe versie van de Bug Rivercompensatiewet ongrondwettelijk. Begin 2005 stelde de Regering een nieuwe
wet voor die geldelijke compensatie mogelijk maakte voor alle verzoekers
maar dit tot een maximum van vijftien procent van de originele waarde van
hun eigendom. In het daaropvolgende debat in het parlement werd het plafond
verhoogd tot twintig procent waardoor de wet werd goedgekeurd in de zomer
van 2005.84
In het arrest waarin het EHRM de minnelijke schikking vaststelde, werd voor
het eerst de bewoording pilootarrest gebruikt om te verwijzen naar de
beslissing in het bodemgeschil. Het Hof wees hierbij op het belang om niet
alleen naar de situatie van de verzoeker in deze specifieke zaak te kijken maar
ook naar maatregelen in staat om het onderliggende structurele probleem in de
Poolse rechtsorde op te lossen dat in het hoofdarrest werd geïdentificeerd als
de bron van de gevonden schending. 85
Met de arresten Wolkenberg en anderen tegen Polen en Witkowska-Tobola
tegen Polen, stelde het EHRM vast dat de nieuwe wet van 2005 in een
voldoende herstel voorzag conform het arrest van 22 juni 2004, aangezien deze
zowel betrekking had op de toekomstige werking van de compensatie voor
deze groep, als op verzoekers wiens zaken voor het EHRM hangende waren. 86
Op 11 december 2007 schrapte het EHRM nog eens 40 andere zaken van de
rol en begin 2008, 230 zaken.87
82
EHRM (GK), Broniowski t. Polen, arrest van 28 september 2005, § 194.
EHRM, Marckx t. België, arrest van 13 juni 1979.
A. BUYSE, “The pilot judgement procedure at the European Court of Human Rights :
possibilities and challenges”, Nomiko Vima (Greek law Journal) 2009, 3-4.
85
EHRM, Broniowski (friendly settlement), § 37.
86
EHRM, Wolkenberg en anderen t. Polen, beslissing van 4 december 2007, §§ 60-77; EHRM,
Witkowska-Tobola t. Polen, beslissing van 4 december 2007, §§ 62-79.
87
Persbericht van 12 december 2007.
83
84
Jura Falconis Jg. 47, 2010-2011, nummer 1
107
ANNELIES VERDUYCKT
Hierdoor kon het EHRM besluiten dat Polen een actieve verbintenis was
aangegaan om het structurele probleem op te lossen. Het EHRM bepaalde wel
dat het uiteindelijk aan het Comité van Ministers was om de Poolse middelen
en hun implementatie te evalueren, maar dat de genomen maatregelen voor de
eigen beslissing van het EHRM reeds konden worden geëvalueerd als een
positieve factor.88 Hierdoor werd de verdeling van bevoegdheden tussen het
EHRM en het Comité van Ministers reeds lichtelijk verschoven richting het
EHRM. Het Hof waardeerde hiermee immers prima facie de nationale
hervorming en de positieve verbintenis door de Staat, zonder echter in detail na
te gaan welke gevolgen er in de praktijk uit voortvloeien. Dit laatste blijft dan
ook de bevoegdheid van het Comité van Ministers.89
ii. Rusland
Het EHRM paste in 2009 de pilootarresten-procedure toe in het tweede arrest
Burdov tegen Rusland. Na het eerste arrest Burdov tegen Rusland nr. 1 had de
Russische Staat reeds de verplichting gekregen te voorzien in de noodzakelijke
herstellende en preventieve maatregelen onder artikel 46 EVRM. Het EHRM
wees er bijgevolg op dat de niet-uitvoering of vertraagde uitvoering van
nationale arresten een probleem vormt in Rusland, waardoor er al 200
gelijkaardige schendingen van het EVRM waren vastgesteld sinds het eerste
Burdov-arrest van 2002. Daarnaast waren er bijna 700 gelijkaardige zaken
hangende. Hieruit leidde het EHRM af dat de geconstateerde schendingen een
structureel probleem vormden en de situatie onverenigbaar was met het
verdrag.
Om meer druk te leggen op de Russische Staat, stelde het EHRM een termijn
van een jaar vanaf de definitieve veroordeling in, binnen dewelke de Russische
Staat de nodige maatregelen moest voorzien. Dit hield het voorzien van een
effectief en voldoende herstel in, ten aanzien van alle slachtoffers van de nietbetaling of onredelijk laattijdige betaling door de statelijke autoriteiten die een
nationale veroordeling hadden in hun voordeel. Dit had bijgevolg betrekking
op alle verzoeken die voor het EHRM waren gebracht vooraleer het arrest was
geveld en welke waren teruggestuurd naar de Regering luidens artikel 54, § 2
(b) van het Procedurereglement van het EHRM.90
Ten gevolge van deze rechtspraak voerde de Russische Staat een
compensatiewet in die een remedie moest vormen voor de niet-uitvoering van
arresten of de overschrijding van de redelijk termijn in nationale procedures.
Met zijn arresten van 23 september 2010, bepaalde het EHRM dat deze wet
een effectief en voldoende rechtsmiddel vormt dat moet worden uitgeput
88
EHRM, Broniowski (friendly settlement), § 42.
A. BUYSE, “The pilot judgement procedure at the European Court of Human Rights :
possibilities and challenges”, Nomiko Vima (Greek law Journal) 2009, 4.
90
EHRM, Burdov t. Rusland (nr. 2), arrest van 15 januari 2009.
89
108
Jura Falconis Jg. 47, 2010-2011, nummer 1
HOE KAN WORDEN TEGEMOETGEKOMEN AAN DE SLECHTE UITVOERING VAN VEROORDELENDE
ARRESTEN VAN HET EHRM OP NATIONAAL NIVEAU?
alvorens een zaak voor het EHRM kan worden gebracht. 91 Het Hof voegde
hier echter de nuance aan toe dat het in de toekomst van gedachte zou kunnen
veranderen over de effectiviteit van de wet, afhankelijk van hoe deze in de
praktijk zal worden toegepast.92 Hiermee laat het Hof een kleine opening voor
toekomstige verzoekers die zouden kunnen aantonen dat het geen effectief
rechtsmiddel behelst. Desalniettemin heeft deze uitspraak van het EHRM tot
gevolg dat alle zaken die aanhangig werden gemaakt sinds het tweede Burdovarrest worden verwezen naar de nationale rechter. Het is hierbij echter zeer
belangrijk dat het EHRM erover waakt dat de nieuwe compensatiewet wel
degelijk een effectief rechtsmiddel behelst, anders zal aan de verzoekers een
effectieve rechtsbescherming worden ontnomen.
iii. Italië
Italië heeft al jaren te kampen met het probleem van de onredelijke termijnen
van zaken, hetgeen echter zeer moeilijk valt op te lossen, gelet op de grootte
van de vereiste hervormingen om hieraan tegemoet te komen. 93 Dit probleem
leidde reeds in 1999, lang voor het eerste pilootarrest, tot een verkorte
behandeling van gelijkaardige zaken. In de zaak Botazzi tegen Italië besliste
het EHRM tot een schending van artikel 6, § 1 EVRM, aangezien het reeds 65
arresten leverde waarbij het herhaaldelijke schendingen van de redelijke
termijn in Italiaanse zaken vaststelde. 94 Daarbij deed het Hof een impliciete
aanbeveling, door te wijzen op de voortdurende, met het verdrag strijdige
situatie en het gebrek voor de verzoekers om te beschikken over een intern
rechtsmiddel hiertegen. Als antwoord hierop ontwierp de Italiaanse regering de
Pinto-wet die voorziet in compensatie voor de geleden schade als gevolg van
de onredelijke termijn van de nationale procedures.95
In 2004 besliste het EHRM met het eerste arrest Sejdovic tegen Italië tot een
schending van het recht op een eerlijk proces in de context van
verstekbeslissingen. In het dispositief van het arrest bepaalde het Hof dat de
oorsprong van de schending ligt in de structurele problemen in de nationale
praktijk en het nationale recht en dat de verdragsstaat bijgevolg de nodige
algemene maatregelen moet nemen die verder moeten reiken dan de specifieke
zaak.96
91
EHRM, Nagovitsyn en Nalgiyev t. Rusland, beslissing van 23 september 2010; EHRM,
Fakhretdinov en anderen t. Rusland, beslissing van 23 september 2010.
92
EHRM, Nagovitsyn en Nalgiyev t. Rusland, beslissing van 23 september 2010, § 42; EHRM,
Fakhretdinov en anderen t. Rusland, beslissing van 23 september 2010, § 33.
93
Ministers‟ Deputies, “Concerning the reorganisation of the Italian judicial system”, CM/Inf/DH
(2007) 9, 8 February 2007.
94
EHRM (GK), Bottazzi t. Italië, arrest van 28 juli 1999, § 22.
95
E. LAMBERT-ABDELGAWAD, “La Cour européenne au secours du comité des ministres pour une
meilleure exécution des arrêts « pilote » (en marge de l‟arrêt Broniowski)”, RTDH 2005, 222.
96
EHRM, Sejdovic t. Italië, arrest van 10 november 2004.
Jura Falconis Jg. 47, 2010-2011, nummer 1
109
ANNELIES VERDUYCKT
De Italiaanse overheid bekritiseerde dit arrest aangezien het van mening was
dat het systeem van de pilootarresten het principe van de vrije keuze van
middelen door de Staten op de helling zet. Het is echter net doordat het Hof de
middelen aangeeft, dat de verdragsstaten een idee krijgen over hoe zij in
overeenstemming kunnen komen met hun verdragsverplichtingen.
Italië begon dan ook met hervormingen opdat de Italiaanse praktijk in lijn zou
komen met de Straatsburgse rechtspraak. De nieuwe wetten hadden echter
geen retroactieve werking op de situatie van Sejdovic. Het arrest van de Grote
Kamer van het EHRM erkende het structurele karakter van de Italiaanse
problemen, maar vroeg niet naar algemene maatregelen. Het Hof beperkte zich
in het dispositief van het arrest tot een schending van de zaak in kwestie en
repte met geen woord over het structurele karakter van het probleem. 97
b.5.3. Een nieuwe politiek van het EHRM
De pilootarresten-procedure wordt toegepast wanneer de grondslag van een
schending een structureel probleem behelst, dat verbonden is met de slechte
functionering van een wet of een gebruik, waardoor de rechten van grote
groepen individuen worden geschonden. Als reactie hierop, kiest het EHRM
één zaak uit, en schort alle andere repetitieve zaken op, tijdens het wachten op
algemene maatregelen. Het EHRM wijst hierbij duidelijk aan waarin het
structurele karakter van het probleem ligt en suggereert dan ten behoeve van
de veroordeelde verdragsstaat welke algemene maatregelen kunnen worden
genomen om hieraan te verhelpen. Indien er voldoende maatregelen worden
genomen, worden de gelijkaardige zaken van de rol geschrapt. Als de
veroordeelde Staat echter geen of onvoldoende maatregelen neemt, kunnen de
zaken worden heropend.98
In 2004 poneerde het Comité van Ministers in een aanbeveling 99 en een
resolutie100 een politieke grond voor de toekomstige pilootarresten. Deze
Resolutie stelt het Hof in staat om in bepaalde arresten het onderliggende
structurele probleem en de bron ervan te identificeren, dit in het bijzonder
wanneer het probleem aanleiding geeft tot een groot aantal verzoekschriften.
Deze Resolutie kwam tot stand omwille van verschillende redenen. Een eerste
reden is om de langtermijn effectiviteit van het Straatsburgse
beschermingsmechanisme te waarborgen. Dit had namelijk aan effectiviteit
97
EHRM (GK), Sejdovic t. Italië, arrest van 1 maart 2006.
EHRM (GK), Broniowski t. Polen, arrest van 28 september 2005; L. WILDHABER, “Pilot
judgments in cases of structural or systemic problems on the national level”, in R. WOLFRUM en U.
DEUTSCH (eds.), The European Court of Human Rights overwhelmed by applications: problems
and possible solutions, Berlijn, 2009, 69-75.
99
Recommendation Rec. (2004) 3 of the Committee of Ministers on judgments revealing an
underlying systemic problem.
100
Resolution CM/ResDH (2004) 3 of 12 May 2004, on judgments revealing an underlying
systemic problem.
98
110
Jura Falconis Jg. 47, 2010-2011, nummer 1
HOE KAN WORDEN TEGEMOETGEKOMEN AAN DE SLECHTE UITVOERING VAN VEROORDELENDE
ARRESTEN VAN HET EHRM OP NATIONAAL NIVEAU?
verloren door de onoverzichtelijk grote werklast waarmee het EHRM te
kampen had gekregen. De pilootarresten-procedure zou immers een oplossing
kunnen vormen voor herhaalde schendingen door bepaalde Staten. Een tweede
onderliggende reden verwijst naar het feit dat Staten nood hebben aan een
betere leiding om structurele problemen te identificeren en aan te pakken. Een
derde reden moet worden gezien in de aanwezigheid en toetreding van een
groot aantal nieuwe verdragsstaten waarin grootschalige en structurele
mensenrechtenschendingen voorkomen. 101
De aanbeveling daarentegen was vooral gericht tot de Staten en wijst op het
feit dat de Staten naast hun individuele verplichtingen, ook een algemene
verplichting hebben om de problemen die aan de gevonden schendingen ten
grondslag liggen op te lossen.102 Begin 2010 herhaalde het Comité van
Ministers deze verplichting met een nieuwe aanbeveling. 103 Gelet op de
voorgaande evolutie die de rechtspraak van het EHRM heeft doorlopen, komen
deze Resolutie en aanbevelingen tegemoet aan de problemen waarmee het Hof
te kampen heeft.
i. De grondslag: artikel 46 EVRM
In zijn vroegere arresten beperkte het EHRM zich tot het wijzen op het gezag
van gewijsde van de zaak opdat de Staten hun verplichtingen zouden nakomen,
en dit wanneer de eiser zich beriep op de slechte uitvoering van de arresten of
wanneer het EHRM op basis van artikel 41 EVRM een voorgevoel had dat er
een slechte uitvoering zou zijn. Luidens artikel 46 EVRM duidde het Hof
vervolgens op de verplichtingen van de Staten om de billijke genoegdoening te
voldoen, alsook om algemene en individuele maatregelen te nemen om de
oorspronkelijke situatie te herstellen en te garanderen dat er geen herhaling van
het onwettige zou voorvallen.104
Het EHRM hield zich steeds schuil achter het declaratoire karakter van zijn
arresten, namelijk het principe dat de Staten vrij zijn het gebruik van de
middelen tot nakoming van de arresten van het EHRM te kiezen waardoor de
Staat zich zal ontdoen van zijn verplichting luidens artikel 46 EVRM, zolang
de middelen verenigbaar zijn met de conclusies uiteengezet in het arrest van
het EHRM.105 Dit houdt in dat het Hof in principe geen niet-geldelijke
herstelmaatregelen oplegt. Hierop zijn recentelijk echter grote uitzonderingen
101
Resolution CM/ResDH (2004) 3 of 12 May 2004, on judgments revealing an underlying
systemic problem.
102
Recommendation Rec. (2004) 6 of the Committee of Ministers to Member States on the
improvement of domestic remedies, 12 May 2004.
103
Recommendation Rec. (2010) 3 of the Committee of Ministers to member states on effective
remedies for excessive length of proceedings.
104
EHRM (GK), Scozzari en Giunta t. Italië, arrest van 13 juli 2000; EHRM, Mehemi t. Frankrijk,
arrest van 10 april 2003; EHRM (GK), Assanidze t. Georgië, arrest van 8 april 2004; EHRM (GK),
Ilascu en anderen t. Rusland en Moldavië, arrest van 8 juli 2004.
105
EHRM (GK), Scozzari en Giunta t. Italië, arrest van 13 juli 2000.
Jura Falconis Jg. 47, 2010-2011, nummer 1
111
ANNELIES VERDUYCKT
toegestaan.106 Ook werd er steeds een strikte scheiding gehanteerd tussen de
taken van het Hof en van het Comité van Ministers, aangezien artikel 46, § 1
EVRM bepaalt dat het Comité van Ministers toezicht houdt op de uitvoering
van de arresten. Dit gedachtegoed werd verscheidene malen herhaald bij de
voorbereiding van het Veertiende Protocol bij het EVRM.
Desondanks was men van mening dat het Hof niet voldoende gebruik maakte
van zijn bevoegdheid tot het aanduiden van de te nemen maatregelen. Door de
invoering van pilootarresten heeft artikel 46 EVRM, dat de gevolgen regelt
van een veroordeling door het EHRM, aan belang gewonnen. In het arrest
Broniowski sprak het Hof zich immers voor het eerst in een aparte paragraaf
uit over het artikel 46, los van artikel 41 EVRM. 107
ii. De belangrijkste nieuwigheden
Aangezien het Hof werd verweten onleesbare arresten te vellen, ontstond de
noodzaak naar meer duidelijkheid. Uit het onderzoek van artikel 46 EVRM
vloeit voort dat het Hof het structurele karakter van het voorhanden zijnde
probleem moet aanduiden. Het structurele karakter houdt in dat het probleem
op grote schaal speelt en voortvloeit uit de nationale wetgeving of
administratieve praktijk, namelijk de interne juridische orde. Het gaat
bijgevolg niet om een geïsoleerd of accidenteel voorval, maar om een grote
groep van getroffen personen. 108
Nadat het EHRM het probleem heeft aangeduid, gaat het over tot de
aanduiding van de te nemen maatregelen. Het EHRM wijst er echter wel op
dat het in principe niet aan zichzelf toekomt om de gepaste herstelmaatregelen
aan te duiden opdat de verwerende Staat zich van zijn verplichtingen onder
artikel 46 EVRM kan kwijten.109 Dit is immers een opdracht die aan de Staten
zelf toekomt. Het Hof duidt hierbij op het uitzonderlijke karakter van
pilootzaken, gelet op het grote aantal slachtoffers, in de zaak Broniowski niet
minder dan 80.000, en het feit dat de nationale autoriteiten het probleem lijken
te negeren. Daarnaast wijst het Hof, weliswaar in mindere mate, op de hulp die
het biedt aan de Staten om aan hun verplichtingen tegemoet te komen onder
artikel 46 EVRM, door de te nemen maatregelen aan te duiden. Dit bevredigt
namelijk de verzoeker en verplicht daarenboven de regeringen om hiermee
106
EHRM (GK), Brumarescu t. Roemenië, arrest van 28 oktober 1999; EHRM, Zwierzynski t.
Polen, arrest van 2 juli 2002; EHRM (GK), Assanidze t. Georgië, arrest van 8 april 2004; EHRM
(GK), Ilascu en anderen t. Rusland en Moldavië, arrest van 8 juli 2004.
107
E. LAMBERT-ABDELGAWAD, “La Cour européenne au secours du comité des ministres pour
une meilleure exécution des arrêts « pilote » (en marge de l‟arrêt Broniowski)”, RTDH 2005, 206.
108
EHRM (GK), Broniowski t. Polen, arrest van 28 september 2005, § 189.
109
EHRM (GK), Broniowski t. Polen, arrest van 28 september 2005, § 193.
112
Jura Falconis Jg. 47, 2010-2011, nummer 1
HOE KAN WORDEN TEGEMOETGEKOMEN AAN DE SLECHTE UITVOERING VAN VEROORDELENDE
ARRESTEN VAN HET EHRM OP NATIONAAL NIVEAU?
rekening te houden,
genoegdoening.110
dit
in
tegenstelling
tot
een
loutere
billijke
Door de verdaging of opschorting van het onderzoek van alle verwante zaken
gedurende een bepaalde termijn worden de nationale overheden aangemaand
om de nodige maatregelen aan te nemen. Vaak geldt hierbij de voorwaarde dat
de Staat zo snel en effectief mogelijk maatregelen moet nemen naar aanleiding
van het dispositief van het pilootarrest. Niet bij elke categorie van repetitieve
zaken zal steeds een opschorting voorhanden zijn. Ook is het niet zo dat bij elk
pilootarrest een opschorting van hangende zaken zal zijn. Dit zou in het geval
van structurele schendingen immers kunnen leiden tot een ongeoorloofde
schending van de gewaarborgde rechten en vrijheden door het EVRM. 111
b.5.4. Kritische benadering
Deze verschillende aspecten tonen aan dat er een zeer breed spectrum aan
pilootarresten kan worden onderscheiden. Het meest complete pilootarrest is
het arrest Broniowski tegen Polen, terwijl aan de andere, meer traditionele kant
van het spectrum zich het arrest Marckx tegen België bevindt.112 Het aantal
gevallen waarin er sprake is van een pilootarrest is bijgevolg zeer heterogeen.
Een strikte classificatie maken is onmogelijk, daarom worden hieronder de
positieve en negatieve punten van de pilootarresten uiteengezet dewelke echter
niet op elk pilootarrest toepasbaar zullen zijn.
i. De negatieve aspecten
i.1. Een problematisch toepassingsgeval
Het is niet voor alle systematische schendingen even wenselijk om te voorzien
in een pilootarrest. In de zaak Içyer tegen Turkije werd de toepassing van de
pilootarresten-procedure fel bekritiseerd. Deze zaak betrof een
onontvankelijkheidsbeslissing wegens het gebrek aan het uitputten van
nationale rechtsmiddelen ten aanzien van personen die verplicht moesten
migreren binnen Turkije.113 In dit arrest verklaarde het EHRM de vergelijkbare
zaak Dogan en anderen tegen Turkije114 retroactief als een pilootarrest, na
dewelke de Turkse Staat in een nieuw nationaal rechtsmiddel had voorzien,
namelijk een compensatiemechanisme. In de zaak Içyer tegen Turkije werden
verscheidene dorpelingen in de jaren ‟90 verplicht hun huizen te verlaten door
E. LAMBERT-ABDELGAWAD, “La Cour européenne au secours du comité des ministres pour
une meilleure exécution des arrêts « pilote » (en marge de l‟arrêt Broniowski)”, RTDH 2005, 207210.
111
European Court of Human Rights, “The Pilot-Judgment Procedure”, Information note issued by
the Registrar, Straatsburg, 2009, § 7.
112
EHRM, Marckx t. België, arrest van 13 juni 1979.
113
EHRM, Içyer t. Turkije, arrest van 9 februari 2006.
114
EHRM, Dogan en anderen t. Turkije, arrest van 29 juni 2004.
110
Jura Falconis Jg. 47, 2010-2011, nummer 1
113
ANNELIES VERDUYCKT
een conflict tussen de veiligheidsdiensten en de PKK. Het Hof onderzocht of
Turkije reeds de noodzakelijke maatregelen had genomen om herstel te bieden
aan de uitgeweken dorpelingen en hen opnieuw toegang had verschaft tot hun
bezittingen. Turkije had in tegenstelling tot zijn vroegere zaken, nu wel
voorzien in nieuwe maatregelen, met de compensatiewet van 27 juli 2004.
Omdat het Hof van mening was dat dit nieuwe compensatiesysteem een
effectief rechtsmiddel behelsde, besloot het de 1500 andere aanhangige zaken
terug te verwijzen naar het nationale recht.115 In de zaak Dogan en anderen
tegen Turkije, zei het Hof echter dat herstelmaatregelen maar effectief kunnen
zijn wanneer ze tot de identificatie en de bestraffing van de verantwoordelijke
leiden.116 De vraag is echter hoe de beslissing van het Hof in Içyer tegen
Turkije hiermee in overeenstemming kan worden geacht. De compensatiewet
voorziet namelijk slechts in commissies die een partiële compensatie bieden
aan de gedupeerden. Daarnaast zijn zij niet in staat om de verantwoordelijke
aansprakelijk te stellen voor het veroorzaakte leed, namelijk de Staat.
Desondanks besliste het Comité van Ministers eind 2008 om het onderzoek
naar deze zaken te sluiten. Dit leidde dan ook tot een ontgoochelend resultaat,
aangezien het Comité geen echt onderzoek uitvoerde naar de vraag of de
Compensatiewet tegemoetkomt aan de standaarden van het EVRM. 117 Door de
toepassing van de pilootarresten-procedure is in deze zaak dus geen
gerechtigheid geschied, aangezien de Staat niet aansprakelijk werd gesteld.
Ook is er hier sprake van een beperkte rechtsbescherming door het EVRM,
gelet op het feit dat de identificatie en bestraffing van de verantwoordelijke en
de effectieve toegang tot het onderzoek de verzoeker wordt ontzegd in zaken
waarin ernstige schendingen worden aangevochten. 118
i.2. Vijf punten van kritiek
In de rapporten van Lord WOOLF119 en de GWP120 wordt de invoering van de
pilootarresten-procedure met enthousiasme onthaald en wordt het EHRM zelfs
aangemoedigd om deze procedure te blijven gebruiken. Desondanks wordt de
effectiviteit van de pilootarresten-procedure ook betwijfeld. Het idee achter de
pilootarresten is immers dat wanneer het EHRM zich heeft uitgesproken door
middel van een veroordeling of door het poneren van een principe, dit ertoe
leidt dat er geen reden is om dezelfde bevindingen te herhalen in repetitieve
115
EHRM, Dogan en anderen t. Turkije, beslissing van 13 juli 2007, § 6.
EHRM, Dogan en anderen t. Turkije, arrest van 29 juni 2004.
Interim Resolution CM/ResDH (2008) 69 of 18 September 2008, concerning the execution of
the judgments of the European Court of Human Rights Actions of the security forces in Turkey
Progress achieved and outstanding issues.
118
K. ALTIPARMAK, “The european system for the protection of human rights in crisis : the end of
the road? ”, Journal of Europan Criminal Law 2009, 18-21.
119
LORD WOOLF, M. MCKENZIE, P. MACMAHON, C. O‟CINNEIDE en L. CLARKE, Review of the
working methods of the European Court of Human Rights, December 2005, 6, 39-40.
120
Ministers‟ Deputies, “Report of the Group of Wise Persons to the Committee of Ministers”, CM
(2006) 203, 15 November 2006.
116
117
114
Jura Falconis Jg. 47, 2010-2011, nummer 1
HOE KAN WORDEN TEGEMOETGEKOMEN AAN DE SLECHTE UITVOERING VAN VEROORDELENDE
ARRESTEN VAN HET EHRM OP NATIONAAL NIVEAU?
zaken. Daarom moet steeds in het achterhoofd worden gehouden dat
pilootarresten niet altijd tot het gewenste resultaat leiden. Dit werd door
Rechter SEDLEY sprekend bewoord met: “de tweede, de derde, de honderdste
of de duizendste identieke schending van het EVRM door een Staat is zelfs
ernstiger dan de eerste”.121
Een eerste ernstige kritiek rust op het feit dat er geen expliciete wettelijke basis
voorhanden is voor het vellen van pilootarresten. De wettelijke basis is betwist
en werd zelfs door één van de rechters fragile genoemd.122 Het Hof had zich
traditioneel gehouden tot het vinden van schendingen en het veroordelen tot
een billijke genoegdoening in de vorm van een geldelijke compensatie op basis
van artikel 41 EVRM.
Het Hof meent echter de pilootarresten-procedure te kunnen stoelen op de
Resolutie van het Comité van Ministers die het Hof naar zijn eigen mening de
mogelijkheid gaf om andere maatregelen op te leggen dan louter nietgeldelijke herstelmaatregelen.123 Hierbij moet de vraag worden gesteld of voor
het stellen van de Resolutie zelf door het Comité van Ministers geen
verandering van het verdrag nodig is? De intentie van de opstellers van het
EVRM was immers niet om het EHRM de mogelijkheid te geven om de Staten
bepaalde maatregelen op te leggen zoals vernietiging of aanpassing van
nationale wetgeving.
Toch mag niet uit het oog worden verloren dat Staten zelf door middel van het
Comité van Ministers hebben gevraagd voor duidelijkere instructies. Hieruit
kan worden afgeleid dat de goedkeuring van de Staten wel degelijk aanwezig
is. Desondanks blijft het mogelijk dat praktische problemen voorkomen
wanneer een Staat niet bereidwillig is tot samenwerking. 124
Als een reactie op het rapport van de GWP zei het EHRM dat er eerst meer
ervaring moet zijn met betrekking tot het gebruiken van een bepaalde techniek,
vooraleer deze techniek in het verdrag kan worden ingeschreven. Hierbij moet
eveneens worden geëvalueerd hoe efficiënt de pilootarresten werkelijk zijn in
het verhelpen van systematische schendingen.125
Een tweede kritiek heeft betrekking op de situatie van verzoekers in
gelijkaardige situaties van dewelke de zaken reeds hangende zijn voor het
121
Geciteerd in: Joint response to proposals to ensure the future effectiveness of the European
Court of Human Rights (2004), § 30.
122
L. GARLICKI., “Broniowski and after: On the dual nature of „Pilot Judgments”, in L. CAFLISCH,
L. LIDDELL, P. MAHONEY, M. VILLIGER en J. CALLEWAERT (eds.) Strasbourg Views. Liber
Amicorum Luzius Wildhaber, Kehl, Engel, 2007, 191.
123
Resolution CM/ResDH (2004) 3 of 12 May 2004, on judgments revealing an underlying
systemic problem.
124
A. BUYSE, “The pilot judgement procedure at the European Court of Human Rights :
possibilities and challenges”, Nomiko Vima (Greek law Journal) 2009, 11-12.
125
Opinion of the Court on the Wise Persons’ Report, 2 april 2007, 5.
Jura Falconis Jg. 47, 2010-2011, nummer 1
115
ANNELIES VERDUYCKT
EHRM. Door de pilootarresten-procedure worden gelijkaardige zaken
opgeschort, waardoor deze verzoekers zullen moeten wachten totdat er actie
wordt ondernomen op het nationale niveau. Indien het lang duurt vooraleer
nationale maatregelen worden genomen, zullen deze personen zich binnen een
zogenaamd „legal no-man’s land’ bevinden.126 Dit kan de belangen van de
verzoekers schaden, waardoor het maar aan te raden zal zijn om gelijkaardige
zaken op te schorten wanneer het verzoek door het EHRM tot het nemen van
algemene maatregelen binnen een redelijke termijn door de Staat moet worden
verwezenlijkt.127 De mate waarin de Staten binnen deze termijn gehoor zullen
geven aan het verzoek van het EHRM zal moeten worden afgewogen van Staat
tot Staat. Waar de Poolse Staat in Kudla tegen Polen128 pas na vier jaar de
nodige nieuwe wetgeving invoerde, deed Italië dit in de zaak Sejdovic tegen
Italië,129 veel sneller.
Het gevaar bestaat erin dat het bevriezen van een zaak alleen in het voordeel
van het Hof zal werken doordat het de werklast vermindert, terwijl de
verwerende Staat niet onder meer druk zal komen te staan door de maatregel.
In dit geval moet een voorzichtige afweging worden gemaakt tussen de
belangen van verzoekers in gelijkaardige zaken en de belangen voor de
effectieve werking van het Hof. Daarom zal het Hof niet in alle pilootarresten
de gelijkaardige zaken bevriezen, maar slechts wanneer dit wenselijk is.
Hierbij is de effectieve werking van het Comité van Ministers van groot
belang.130
Een derde vraag die men zich kan stellen is of de overweging in een bepaalde
zaak het EHRM in staat stelt zich in voldoende mate bezig te houden met het
onderliggende algemene of structurele probleem. Elke zaak is immers uniek en
zal vaak maar een deel van de aspecten van het grotere probleem behelzen.
Bijvoorbeeld kan het ene verzoek betrekking hebben op de onredelijk lange
duur vooraleer er nationale compensatie is, terwijl het andere verzoek
betrekking kan hebben op de hoogte van de compensatie die het nationale
compensatiemechanisme voorziet. Het Hof zou bijgevolg een pilootarrest
moeten vellen in een zaak die beide aspecten behelst opdat het in een gepaste
remedie kan voorzien.131
E. LAMBERT-ABDELGAWAD, “La Cour européenne au secours du comité des ministres pour
une meilleure exécution des arrêts « pilote » (en marge de l‟arrêt Broniowski)”, RTDH 2005, 222.
127
EHRM, Burdov t. Rusland (nr. 2), arrest van 15 januari 2009.
128
EHRM (GK), Kudla t. Polen, arrest van 26 oktober 2000.
129
EHRM (GK), Sejdovic t. Italië, arrest van 1 maart 2006.
130
D. POPOVIĆ, “Pilot judgments of the European Court of Human Rights”, in X., The role of
Supreme Courts in the domestic implementation of the European Convention on Human Rights,
Proceedings of the Regional Conference Belgrade, 20-21 september 2007, Council of Europe,
August 2008, 119.
131
A. BUYSE, “The pilot judgement procedure at the European Court of Human Rights :
possibilities and challenges”, Nomiko Vima (Greek law Journal) 2009, 13.
126
116
Jura Falconis Jg. 47, 2010-2011, nummer 1
HOE KAN WORDEN TEGEMOETGEKOMEN AAN DE SLECHTE UITVOERING VAN VEROORDELENDE
ARRESTEN VAN HET EHRM OP NATIONAAL NIVEAU?
Het vierde probleem wijst op de vraag of het EHRM zich met de
pilootarresten-procedure niet te veel begeeft op het domein van de goodwill
van de Staten, het stoelt namelijk in belangrijke mate op de bereidheid van de
Staten om mee te werken met het Hof. De statelijke reactie kan immers zeer
verschillend zijn, in het eerste pilootarrest Broniowski werkte de Poolse Staat
zeer goed mee, terwijl Polen in het tweede pilootarrest Hutten-Czapska
betwistte dat de pilootarresten-procedure van toepassing was.132 In deze laatste
zaak lag de moeilijkheid vooral in het feit dat het onderliggende probleem
leidde tot verschillende standpunten tussen de Hoogste Poolse gerechtshoven
enerzijds en de wetgevende en uitvoerende macht anderzijds. Uiteindelijk
leidde dit pilootarrest wel tot de nodige hervormingen. De vraag is maar of een
Staat zal willen samenwerken met het EHRM wanneer er zaken op het spel
staan waarbij de Staat een groter belang heeft of die politiek moeilijker liggen.
De kans is groot dat in beide gevallen de termijn waarbinnen nationale
maatregelen worden genomen nog veel langer is.133 Dit probleem kan dan ook
worden gezien als de zwakste schakel binnen de hele pilootarresten-procedure.
Het vijfde probleem is verbonden met het vierde probleem van de
samenwerking, namelijk de tenuitvoerlegging en de implementatie van
pilootarresten. De tenuitvoerlegging van pilootarresten vraagt immers veel
meer van een Staat, dan de loutere veroordeling tot billijke genoegdoening. Als
gevolg van de pilootarresten zijn veranderingen in beleid en praktijk nodig en
moeten soms nationale wetten worden aangepast. Dit maakt het vaak moeilijk
voor het EHRM om de vooruitgang van de Staten te waarderen. Dit is
traditioneel een taak van het Comité van Ministers, maar het EHRM zal in zijn
uitspraak over de billijke genoegdoening soms reeds waarderen of de Staat
prima facie blijk geeft van de wil om mee te werken. Hierbij moet echter op
het feit worden gewezen dat het Hof zelf eigenlijk niet over de middelen
beschikt om over de genomen maatregelen uitspraak te doen. Ook verstoort de
techniek van de pilootarresten de verdeling van de bevoegdheid tussen het Hof
en het Comité van Ministers, aangezien het Comité niet-bindende maatregelen
kan bevelen en het Hof zich enkel kan uitspreken in concrete gevallen. Het is
hierbij belangrijk dat het Comité van Ministers efficiënt toezicht blijft
uitoefenen, ook in het geval van de pilootarresten.134
ii. De positieve aspecten
Door middel van de pilootarresten-procedure zorgt het EHRM ervoor dat de
verdragsstaten conform het EVRM handelen. De procedure bevordert immers
132
EHRM, Hutten-Czapska t. Polen, arrest van 22 februari 2005.
D. POPOVIĆ, “Pilot judgments of the European Court of Human Rights”, in X., The role of
Supreme Courts in the domestic implementation of the European Convention on Human Rights,
Proceedings of the Regional Conference Belgrade, 20-21 september 2007, Council of Europe,
August 2008, 119-120.
134
E. LAMBERT-ABDELGAWAD, The execution of judgments of the European Court of Human
Rights, Human rights files, nr. 19, Straatsburg, Council of Europe Publishing, 2008, 52-53.
133
Jura Falconis Jg. 47, 2010-2011, nummer 1
117
ANNELIES VERDUYCKT
de samenwerking tussen nationale en Straatsburgse instellingen. Het Comité
heeft hierbij een belangrijke rol als toezichtsmechanisme en reageerde dan ook
op zeer gepaste wijze met zijn beslissing van mei 2006 waarin het besloot om
prioriteit te geven aan het toezicht op de uitvoering van de arresten waarin het
EHRM heeft aangegeven met een structureel probleem te maken te hebben. 135
Daarnaast is de Parlementaire Vergadering ook beginnen prioriteit te geven
aan het onderzoeken van grote structurele problemen in zaken waarbij een
onredelijke implementatietermijn voorhanden is. Dit wordt verwezenlijkt door
rapporteurs van de Vergadering die bezoeken brengen aan de betrokken
landen. Dit is een belangrijke stap, aangezien de steun van de Raad van Europa
zeer belangrijk is voor de werking van het EHRM.
De pilootarresten-procedure kijkt zowel naar de toekomst als naar het
verleden. Langs de ene kant vraagt het EHRM de Staten om de ondergane
onrechtvaardigheid van de persoon in kwestie te herstellen, terwijl het EHRM
langs de andere kant ook is georiënteerd op de toekomst door de Staten de
middelen aan te reiken waardoor het onderliggende structurele probleem van
de schending kan worden opgelost. De toekomstgerichte aanpak van
pilootarresten past dan ook perfect binnen de internationaal publiekrechtelijke
aanpak van problemen, waarbij niet alleen de plicht tot herstel wordt
vooropgesteld maar ook de plicht om een schending niet te herhalen.136
Hoewel er veel kritiek op de pilootarresten-procedure mogelijk is, kunnen de
positieve gevolgen ervan niet worden ontkend. De pilootarresten-procedure
staat immers nog in zijn kinderschoenen, waardoor er meer ervaring langs de
zijde van het EHRM noodzakelijk is. Het EHRM zou in duidelijkere
richtlijnen voor het geven van pilootarresten moeten voorzien, dit gelet op het
gebrek aan wettelijke basis, de belangen van verzoekers in gelijkaardige zaken,
de verantwoordelijkheid van de Staten en de keuze van de juiste zaak als dé
pilootzaak. Als het Hof hierin slaagt zal het gebruik van de pilootarrestenprocedure kunnen leiden tot het behoud van zijn rol als meest vooraanstaande
mensenrechten-beschermingsmechanisme binnen Europa.
b.6. Verplicht cassatieberoep
Het EHRM kan als aan te nemen maatregel de verplichting tot het instellen van
een cassatieberoep opleggen aan een Staat, zoals het in de zaak Martins Castro
en Alves Correia de Castro tegen Portugal deed.137 In deze zaak werd Portugal
veroordeeld voor het gebrek aan een daadwerkelijk rechtsmiddel138 en zijn
Committee of Ministers, “Rules of the Committee of Ministers for the supervision of the
execution of judgments and of the terms of friendly settlements”, CM(2006)90, 10 May 2006.
136
V. COLANDREA, “On the power of the European court of Human Rights to order specific nonmonetary measures”, HRLR 2007, 396-411 en 408-410.
137
EHRM, Martins Castro en Alves Correia de Castro t. Portugal, arrest van 10 juni 2008.
138
Artikel 13 EVRM.
135
118
Jura Falconis Jg. 47, 2010-2011, nummer 1
HOE KAN WORDEN TEGEMOETGEKOMEN AAN DE SLECHTE UITVOERING VAN VEROORDELENDE
ARRESTEN VAN HET EHRM OP NATIONAAL NIVEAU?
slechte uitvoering van de arresten van het EHRM.139 De vraag ter zake was of
het rechtsmiddel voor buitencontractuele aansprakelijkheid van de Staat als
een effectief rechtsmiddel kan worden gezien voor de sanctionering van de
uitermate lange duur van juridische procedures. De Portugese administratieve
rechtbanken die over de bevoegdheid beschikken om de aansprakelijkheid van
de Staat te beoordelen verrichten deze taak immers niet binnen een redelijke
termijn.
Het EHRM poneerde in zijn vroegere rechtspraak dat door het loutere feit van
het uitermate lange tijdsverloop het middel niet als ineffectief moet worden
ervaren en dit in het bijzonder wanneer de bevoegde rechtbank over de
mogelijkheid beschikt om verslag uit te brengen over zijn eigen achterstand en
in een bijkomende vergoeding kan voorzien. 140 Dit aspect ligt echter
problematisch in de zaak Martins Castro en Alves Correia de Castro tegen
Portugal, aangezien de administratieve rechtbanken niet voorzien in een
schadevergoeding om de overdreven lange duur van de procedure te
compenseren.
Het EHRM haalt in casu een arrest aan van het Portugese Administratieve
Hooggerechtshof van 28 november 2007, waarin het Hooggerechtshof de
interpretatie gegeven door het EHRM in het arrest Scordino tegen Italië
aanneemt, ondanks het feit dat deze rechtspraak nog niet in de Portugese
rechtsorde werd verankerd. Het EHRM duidt hierbij op de mogelijkheid vervat
in artikel 152 van het procedureel wetboek van de administratieve rechtbanken
om het openbaar ministerie, als vertegenwoordiger van de Staat, te laten
vragen naar een harmonisatie van de jurisdictie. De Portugese openbare
aanklager kan dit luidens artikel 152 doen door een beroep in te stellen bij het
Administratieve Hooggerechtshof. Zolang het openbaar ministerie dit niet
doet en het arrest-Scordino bijgevolg niet kan worden geconsolideerd in de
Portugese interne rechtsorde, kan het EHRM alleen maar besluiten tot een
schending van de artikelen 13141 en 46 EVRM.142
b.7. Verplichte aanname van wetgeving
In het arrest L. tegen Litouwen werd een lacune in de Litouwse wetgeving met
betrekking tot de geslachtswijziging aangeklaagd. Het EHRM was hierbij van
mening dat ondanks het feit dat Staten over een bepaalde appreciatiemarge
beschikken, zij toch luidens artikel 8 EVRM de positieve verplichting hebben
om ter erkenning van een geslachtsoperatie, de burgerlijke status van een
transseksueel aan te passen.143 Met dit arrest legde het EHRM de Litouwse
139
Artikel 46 EVRM.
EHRM (GK), Scordino t. Italië (nr. 1), arrest van 29 maart 2006, § 207.
141
EHRM, Ferreira Alves t. Portugal, arrest van 13 juli 2010.
142
EHRM, Martins Castro en Alves Correia de Castro t. Portugal, arrest van 10 juni 2008.
143
EHRM, L. t. Litouwen, arrest van 11 september 2007, § 56.
140
Jura Falconis Jg. 47, 2010-2011, nummer 1
119
ANNELIES VERDUYCKT
wetgever dan ook de verplichting op een wet aan te nemen in verband met de
officiële erkenning van geslachtswijzigingen.
c. Belang van de effectiviteit van de nationale rechtsmiddelen
Naast het aanduiden van de aan te nemen maatregelen, gaat het EHRM steeds
meer het belang van effectieve nationale middelen aanhalen. De
rechtszoekenden moeten immers de mogelijkheid hebben om te klagen voor
een nationale instantie en moeten de nationale rechtsmiddelen uitputten
alvorens zich tot het EHRM te wenden.
c.1. Men moet de mogelijkheid hebben om te klagen voor een
nationale instantie
Artikel 1 EVRM wijst op het subsidiaire karakter van het toezichtsmechanisme
van het EVRM en bepaalt daarenboven dat de eerste verantwoordelijkheid
voor de bescherming van de mensenrechten bij de Staten zelf ligt. Sinds de
Ministeriële Conferentie van 2000 is het Hof dan ook meer de nadruk gaan
leggen op de nationale beschermingsmechanismen en de toegang tot de
nationale rechter. Daarnaast bepaalt artikel 13 EVRM dat eenieder die meent
slachtoffer te zijn van een schending van de grondrechten de mogelijkheid
moet hebben om te klagen voor een nationale instantie en hierbij gepast herstel
moet krijgen. Deze nationale instantie moet niet noodzakelijk een rechterlijke
instantie zijn, maar moet wel een effectief herstel kunnen verschaffen. 144
Aangezien het EHRM wordt overstelpt met klachten, zou de beschikbaarheid
van betere nationale rechtsmiddelen een vermindering van de werklast van het
Hof kunnen betekenen, omdat dit tot een vermindering van het aantal zaken
voor het EHRM kan leiden en dat een betere beoordeling op het nationale
niveau het latere onderzoek door het EHRM kan vergemakkelijken. Om
hieraan tegemoet te komen, werden door het Comité van Ministers reeds
verscheidene aanbevelingen gedaan met betrekking tot de nationale
rechtsmiddelen.145
In het arrest Kudla tegen Polen wijst het EHRM op deze belangrijke band
tussen de artikelen 1, 13 en 35 EVRM. Vóór dit arrest werd een schending van
artikel 13 EVRM luidens de absorptietheorie nooit onderzocht wanneer er
reeds een schending van artikel 6, § 1 EVRM was vastgesteld. Deze
rechtspraak werd echter in het arrest Kudla tegen Polen verlaten met
betrekking tot de beoordeling van de redelijke termijn. Volgens het Hof heeft
P. VAN DIJK, “Efficiënt en effectief toezicht op naleving van het EVRM”, NJCM-Bullletin
2003, p. 395-397.
145
Recommendation Rec. (2004) 6 of the Committee of Ministers to Member States on the
improvement of domestic remedies, 12 May 2004; Recommendation Rec. (2008) 2 of the
Committee of Ministers on efficient domestic capacity for rapid execution of judgments of the
European Court of Human Rights.
144
120
Jura Falconis Jg. 47, 2010-2011, nummer 1
HOE KAN WORDEN TEGEMOETGEKOMEN AAN DE SLECHTE UITVOERING VAN VEROORDELENDE
ARRESTEN VAN HET EHRM OP NATIONAAL NIVEAU?
de vraag of er in een concreet geschil uitspraak wordt gedaan binnen een
redelijke termijn niets te maken met de vraag of men in de interne rechtsorde
een rechtsmiddel heeft om de overschrijding van de redelijke termijn aan te
klagen.146 Het arrest biedt de Staten echter een ruime marge inzake de aan te
wenden middelen om aan artikel 13 EVRM te voldoen. 147 Voor het Comité
van Ministers en het EHRM is immers vooral de effectiviteit van de nationale
rechtsmiddelen van belang.148
De reden voor deze ommezwaai in de Straatsburgse rechtspraak is het
subsidiariteitsbeginsel dat voortspruit uit de band tussen de artikelen 1, 13 en
35, § 1 EVRM. Artikel 1 EVRM bepaalt dat de eerste verantwoordelijkheid
voor de bescherming van de mensenrechten bij de Staten ligt. Het EHRM kan
bijgevolg maar optreden in zaken waarbij de Staten niet op adequate wijze zijn
opgetreden en wanneer luidens artikel 35, § 1 EVRM alle interne
rechtsmiddelen zijn uitgeput. Maar om aan artikel 35, § 1 EVRM te voldoen,
moeten de Staten over interne rechtsmiddelen beschikken. Dit laatste artikel
veronderstelt het bestaan van interne rechtsmiddelen, hetgeen leidt tot artikel
13 EVRM en de subsidiariteit: het is namelijk artikel 13 EVRM dat de
verdragsstaten verplicht om deze rechtsmiddelen te voorzien en hun
effectiviteit te garanderen.149
België werd reeds verscheidene malen veroordeeld door het EHRM wegens
schending van de redelijke termijnvereiste vervat in artikel 6, § 1 EVRM,
waardoor het wenselijk zou zijn om in de Belgische rechtsorde tegemoet te
komen aan de Kudla-rechtspraak. Ondanks het feit dat door het Hof van
Cassatie reeds een poging werd ondernomen150 en er maatregelen werden
genomen die aan de structurele gerechtelijke achterstand trachten tegemoet te
komen,151 is de kans groot dat geen van beiden afdoende zal zijn in de ogen
van het EHRM, waardoor de kans dat België zal worden veroordeeld wegens
de schending van artikel 6, § 1 EVRM reëel is.
Ten gevolge van het Kudla–arrest stuit het EHRM echter op nieuwe
problemen die tot overlast leiden. Door Kudla-rechtspraak zullen immers
nieuwe verzoeken voor het Hof worden gebracht met de vraag of de op het
nationale niveau voorziene rechtsmiddelen wel voldoende zijn. Hierdoor wordt
het omgekeerde effect bewerkstelligd, namelijk de stijging van de werklast. De
Kudla-rechtspraak zal bijgevolg maar efficiënt zijn indien de Staten effectieve
146
EHRM (GK), Kudla t. Polen, arrest van 26 oktober 2000, § 147.
EHRM (GK), Kudla t. Polen, arrest van 26 oktober 2000, § 154.
148
EHRM (GK), Ilhan t. Turkije, arrest van 27 juni 2000, § 97.
149
EHRM (GK), Kudla t. Polen, arrest van 26 oktober 2000, § 152; W. VERRIJDT, “Voldoet België
aan de vereisten van de Kudla-rechtspraak?”, CDPK 2007, 583-584.
150
Cass. 28 september 2006, JT 2006, 594, concl. J.F. LECLERCQ, JLMB 2006, 1548, noten J.
WILDEMEERSCH en M. UYTTENDAELE en RW 2006-07, 1123, noot A. VAN OEVELEN.
151
Wet van 26 april 2007 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op het bestrijden
van de gerechtelijke achterstand, BS 12 juni 2007.
147
Jura Falconis Jg. 47, 2010-2011, nummer 1
121
ANNELIES VERDUYCKT
interne rechtsmiddelen instellen. Hierbij is de politieke wil van de betrokken
Staten van groot belang.
Als gevolg van verscheidene veroordelingen door het EHRM voerde Italië de
Pinto-wet in, die moest tegemoet komen aan de overschrijding van de redelijke
termijn. Deze wet zorgde echter op zijn beurt voor een nog grotere
overbelasting van de hoven van beroep door de honderden nieuwe, prioritaire
procedures die op basis van de Pinto-wet werden ingesteld.152 Daarnaast
voorzag de Poolse Staat ten gevolge van zijn veroordeling in het arrest-Kudla,
in een nieuw, effectief rechtsmiddel met een wet van 17 juni 2004. Het EHRM
aanvaardde dat deze wet een effectief rechtsmiddel behelst dat moet worden
uitgeput alvorens een klacht bij het EHRM ontvankelijk kan zijn.
Problematisch echter is dat, zowel ten aanzien van het Italiaanse als ten
aanzien van het Poolse rechtsmiddel kan worden tegengeworpen dat de
uitputting van deze rechtsmiddelen de procedure op het nationale vlak alleen
maar langer maakt.153
Daarenboven zal het EHRM, zoals hierboven reeds werd aangehaald, nieuwe
zaken aantrekken waarin door de Staten zal worden gevraagd of het
rechtsmiddel dat door hen werd gecreëerd voldoet aan artikel 13 EVRM. 154
Beide problemen kunnen niet worden ontkend. Toch mag niet uit het oog
worden verloren dat wanneer de nationale Staten werkelijk effectieve nationale
rechtsmiddelen zullen invoeren ten gevolge van de Kudla-rechtspraak, de
nationale procedures korter zullen worden en er minder zaken voor het EHRM
zullen worden gebracht nadat de interne rechtsmiddelen door het EHRM als
effectief werden verklaard.155
Daarnaast moedigt het Comité van Ministers in verscheidene aanbevelingen de
verdragsstaten aan om in effectieve nationale rechtsmiddelen te voorzien. In de
aanbeveling van het Comité van Ministers van 2004 vraagt het Comité
allereerst aan de Staten om het EVRM integraal deel te laten uitmaken van hun
interne rechtsorde. Daarnaast moet een veroordeelde Staat de aanbevelingen
die het EHRM in het veroordelend arrest doet met betrekking tot nationale
rechtsmiddelen incorporeren in zijn interne rechtsorde. Ten tweede laat het
Comité van Ministers de Staten de keuze om bij het creëren van nationale
rechtsmiddelen ter nakoming van arresten van het EVRM in algemene of
specifieke middelen te voorzien. Ten derde vraagt het Comité wanneer het Hof
152
EHRM (GK), Scordino t. Italië (nr. 1), arrest van 29 maart 2006, § 223.
Dissenting Opinion van rechter CASADEVALL bij EHRM (GK), Kudla t. Polen, arrest van 26
oktober 2000; P. DOCQUIR, “Délai raisonnable: exigence d‟un recours effectif en droit interne”,
CDPK 2001, 275; J.F. FLAUSS, “Le droit à un recours effectif au secours de la règle du délai
raisonnable: un revirement du jurisprudence historique”, RTDH 2002, 185.
154
P. DOCQUIR, “Délai raisonnable : exigence d‟un recours effectif en droit interne”, CDPK 2001,
275; J.F. FLAUSS, “Le droit à un recours effectif au secours de la règle du délai raisonnable: un
revirement du jurisprudence historique”, RTDH 2002, 185.
155
W. VERRIJDT, “Voldoet België aan de vereisten van de Kudla-rechtspraak?”, CDPK 2007, 591.
153
122
Jura Falconis Jg. 47, 2010-2011, nummer 1
HOE KAN WORDEN TEGEMOETGEKOMEN AAN DE SLECHTE UITVOERING VAN VEROORDELENDE
ARRESTEN VAN HET EHRM OP NATIONAAL NIVEAU?
een pilootarrest velt en er een groot aantal repetitieve zaken hangende zijn, dat
de Staten een effectief rechtsmiddel voorzien zodat andere potentiële klagers
omtrent hetzelfde geval kunnen gaan klagen voor een nationale instantie en
hiervoor niet naar het EHRM moeten. Ten vierde moeten de Staten in het
bijzonder aandacht besteden aan de onredelijk lange duur van procedures en
hiervoor effectieve rechtsmiddelen voorzien. Tenslotte zal als vorm van herstel
bij een onredelijke lange procedure soms een financiële compensatie worden
geven of een lagere straf. De beslissing van het Comité van Ministers om deze
belangrijke taak voor de nationale instanties weg te leggen, behelst een
rechtspolitieke beslissing, aangezien de staten worden gedwongen om zelf hun
probleem op te lossen in eigen land. Wanneer een Staat niet in een nationaal
rechtsmiddel voorziet, maar dit in de loop van de procedure voor het EHRM
plots wel creëert, aanvaardt het Hof dat de zaak alsnog voor de nationale
instantie wordt gebracht.156
In 2008 vaardigde het Comité van Ministers een nieuwe aanbeveling uit
waarbij het de nadruk legde op het belang van effectieve nationale
rechtsmiddelen opdat er een snellere uitvoering van Straatsburgse arresten kan
plaatsvinden.157 Ten eerste moedigt het Comité de verdragsstaten aan om op
het nationale niveau een coördinatie-instantie op te richten voor de uitvoering
van veroordelende arresten. Deze instantie staat in voor het bekomen van de
nodige informatie, het overleg met personen verantwoordelijk op het nationale
niveau voor de implementatie van nieuwe maatregelen en het nemen van de
nodige maatregelen om de implementatieprocessen te versnellen. 158 Daarnaast
wordt er van de verdragsstaten verwacht dat zij alle nodige maatregelen nemen
opdat alle arresten en beslissingen of resoluties bij de arresten worden
uitgevoerd, behoorlijk en snel worden verspreid, indien nodig vertaald en aan
de belangrijke actoren van het implementatieproces worden meegedeeld. 159
Ook moet de aanname van nuttige maatregelen worden aangemoedigd, opdat
er een efficiënte samenwerking zou ontstaan tussen de belangrijke actoren van
het implementatieproces op het nationale niveau en moeten de nationale
parlementen worden ingelicht over de stand van zaken en de maatregelen die
moeten worden aangenomen ter uitvoering van de Straatsburgse arresten. 160
Tenslotte moeten ook samenwerkingsmechanismen worden ingesteld en
156
Recommendation Rec. (2004) 6 of the Committee of Ministers to Member States on the
improvement of domestic remedies, 12 May 2004.
157
Recommendation Rec. (2008) 2 of the Committee of Ministers on efficient domestic capacity
for rapid execution of judgments of the European Court of Human Rights.
158
Recommendation Rec. (2008) 2 of the Committee of Ministers on efficient domestic capacity
for rapid execution of judgments of the European Court of Human Rights, nr. 1.
159
Recommendation Rec. (2008) 2 of the Committee of Ministers on efficient domestic capacity
for rapid execution of judgments of the European Court of Human Rights, nr. 3.
160
Recommendation Rec. (2008) 2 of the Committee of Ministers on efficient domestic capacity
for rapid execution of judgments of the European Court of Human Rights, nrs. 5 and 9.
Jura Falconis Jg. 47, 2010-2011, nummer 1
123
ANNELIES VERDUYCKT
nuttige informatie worden overgebracht tussen de nationale coördinatieinstantie en het Comité van Ministers.161
Een laatste, hier relevante, aanbeveling van het Comité van Ministers dateert
van februari 2010. Hierin legt het Comité van Ministers vooral de nadruk op
het belang van de nationale maatregelen opdat procedures binnen een redelijke
termijn zouden verlopen.162
Er kan dan ook worden besloten dat het Comité van Ministers met zijn praktijk
van aanbevelingen heel wat nuttige effecten kan teweegbrengen. Het volgen
van de aanbevelingen van het Comité, zou de Staten kunnen helpen in
effectieve nationale rechtsmiddelen te voorzien in het licht van de
Straatsburgse rechtspraak. De Staten zouden bijgevolg een open houding
moeten aannemen ten aanzien van de aanbevelingen van het Comité van
Ministers door deze proactief te implementeren.
c.2. Nationale rechtsmiddelen moeten eerst worden uitgeput
Artikel 35, § 1 EVRM bepaalt dat: “de nationale rechtsmiddelen moeten
worden uitgeput alvorens naar het EHRM te gaan”, hetgeen de subsidiariteit
van de Straatsburgse procedure bevestigt. De verzoeker is hierbij alleen
verplicht om de beschikbare, effectieve en voldoende rechtsmiddelen uit te
putten.
De vereiste van de beschikbaarheid van het nationale rechtsmiddel houdt in dat
de verzoeker de mogelijkheid moet hebben om zelf rechtstreeks een procedure
in te stellen en dat hij hiervoor niet afhankelijk mag zijn van een
overheidsinstantie of ambtenaar. Het volstaat hierbij niet dat de rechtsmiddelen
in theorie beschikbaar zijn. In het arrest Conka tegen België duidde het Hof
verscheidene factoren aan die leidden tot de onbeschikbaarheid van de
nationale rechtsmiddelen.163 Daarnaast zullen de rechtsmiddelen maar effectief
en voldoende zijn wanneer zij tot het herstel kunnen leiden van de vermoede
schending van het EVRM. Dit kunnen zowel gerechtelijke herstelmiddelen als
administratieve herstelmiddelen betreffen. 164 Tot slot zal de verzoeker niet
verplicht zijn om alle nationale rechtsmiddelen uit te putten indien er
verschillende voorhanden zijn. Zelfs het gebruik van één rechtsmiddel kan
161
Recommendation Rec. (2008) 2 of the Committee of Ministers on efficient domestic capacity
for rapid execution of judgments of the European Court of Human Rights, nr. 2.
162
Recommendation Rec. (2010) 3 of the Committee of Ministers to member states on effective
remedies for excessive length of proceedings.
163
EHRM, Conka t. België, arrest van 5 februari 2002, §§ 82-84.
164
P. LEACH, Taking a case to the European Court of Human Rights, Oxford, Oxford University
Press, 2005, 137-142.
124
Jura Falconis Jg. 47, 2010-2011, nummer 1
HOE KAN WORDEN TEGEMOETGEKOMEN AAN DE SLECHTE UITVOERING VAN VEROORDELENDE
ARRESTEN VAN HET EHRM OP NATIONAAL NIVEAU?
volstaan, indien het gebruik van meerdere rechtsmiddelen niet tot een beter
resultaat zou leiden.165
Uit het voorgaande volgt dat uit de artikelen 1, 13 en 35, § 1 EVRM een
collectieve verantwoordelijkheid van de Staten kan worden afgeleid. Dit houdt
in dat zowel de uitvoerende, wetgevende als rechterlijke autoriteiten van zowel
de nationale Staat als de deelentiteiten van een Staat verantwoordelijk zijn
voor de naleving van de bepalingen in het EVRM. 166 De effectieve naleving
van deze collectieve verantwoordelijkheid zou ertoe kunnen leiden dat het
EHRM zich veel minder met onbelangrijke zaken zou moeten bezighouden en
zijn tijd niet meer zou moeten verdoen aan repetitieve zaken. Desondanks
wordt ervaren dat Staten vaak niet voldoende snel tegemoet komen aan de
verplichte aanname van maatregelen of dat zij vaak maatregelen aannemen die
onvoldoende verregaand zijn in de ogen van het EHRM. 167
c.3. Kritische benadering
Zowel het Comité van Ministers als de Parlementaire Vergadering wijzen
steeds op het belang van het verbeteren van de nationale rechtsmiddelen.
Geschikte nationale rechtsmiddelen zijn onmiskenbaar van groot belang voor
de werking van een juridisch systeem, desondanks kan het hele
beschermingsmechanisme van het EVRM niet enkel rusten op nationale
rechtsmiddelen. Vooral voor Staten zoals Rusland en Turkije, die op
systematische wijze ernstige schendingen veroorzaken, is dit niet wenselijk. In
zulke gevallen zou het EHRM een meer terughoudende positie moeten
aannemen met betrekking tot het terugsturen van zaken naar de interne
rechtsorde.
Wanneer nationale rechtsmiddelen als geschikt worden ervaren, moet de
implementatie ervan worden gemonitord door het Comité van Ministers. Maar
ook het Comité van Ministers gaat, net als het EHRM, gebukt onder een te
grote werklast. Ondanks de vraag van het EHRM naar een grotere
toezichtstaak voor het Comité van Ministers, blijft deze mogelijkheid onder het
Veertiende Protocol beperkt tot zeer uitzonderlijke omstandigheden. Door het
Veertiende Protocol wordt een vierde lid aan artikel 46 EVRM toegevoegd,
hetgeen bepaalt dat het Comité van Ministers, met een tweederde meerderheid,
de vraag of een partij is tekort gekomen aan zijn verplichtingen naar het
EHRM kan verwijzen, wanneer het van mening is dat een Staat weigert een
definitieve veroordeling na te komen, nadat het hiervan formeel in kennis is
165
EHRM (GK), Bosphorus Hava Yollari Turizm Ve Ticaret AS t. Ierland, arrest van 13 september
2001.
166
P. BOILLAT, “Vers une mise en œuvre renforcée de la Convention européenne des droits de
l‟homme au niveau national”, RTDH 2009, 17-26.
167
E. MYJER, “De weg uit Straatsburgse problemen is met het nakomen van verplichtingen en
goede voornemens geplaveid”, NJCM-Bulletin 2006, 164-165.
Jura Falconis Jg. 47, 2010-2011, nummer 1
125
ANNELIES VERDUYCKT
gesteld.168 Gelet op de beperkte draagwijdte van dit artikel kan worden
vermoed dat dit artikel slechts in uitzonderlijke gevallen zal kunnen worden
toegepast. Dit is bijgevolg niet in het voordeel van de verzoekers, aangezien
aan de Staten een zeer grote vrijheid wordt gegeven bij systematische
schendingen.169
In het rapport van Lord WOOLF wordt het belang van nationale
ombudsmannen en andere methodes van alternatieve geschillenoplossing
onderstreept. Dit zou ook moeten worden aangemoedigd door de Raad van
Europa en het EHRM, aangezien dit het EHRM zou kunnen ontdoen van een
groot aantal verzoeken waarvoor het eigenlijk niet geschikt is. Gelet op het feit
dat er binnen bepaalde Staten vaak een gebrek aan personen met voldoende
kennis is, zou een betere opleiding en meer informatie op het nationale niveau
over de rechtspraak en het doel van het EHRM, alsook over de
ontvankelijkheidscriteria veel nutteloos tijdsverlies kunnen voorkomen.
Hiervoor zouden volgens het rapport Satellite Offices van het Straatsburgse
registratiebureau moeten worden opgericht in landen waaruit een groot aantal
onontvankelijke zaken voortkomen. Deze Satellite Offices zouden dan de
nodige informatie met betrekking tot de ontvankelijksheidsvoorwaarden
kunnen geven, maar ook informatie over de lokale ombudsmannen of andere
alternatieve geschillenoplossingsmethoden kunnen verschaffen, hetgeen tot
een vermindering van zaken die onnodig tot bij het EHRM komen, zou kunnen
leiden.170
Ook organiseert het EHRM colloquia, symposiums en rondetafelbijeenkomsten waarbij er met nationale autoriteiten wordt gepraat over de
wijze waarop zij een betere uitvoering kunnen geven aan arresten van het
EHRM en een hoger beschermingsniveau kunnen garanderen. Bij dit alles
moet echter steeds de oorzaak van het gebrek aan bekwame personen in het
oog worden gehouden, namelijk het gebrek aan financiële middelen.171
1.1.2. Verplichting tot eerbiediging van het gezag van gewijsde van
einduitspraken
Het begrip “eerbiediging van het gezag van gewijsde” moet bij het EHRM, in
dezelfde zin worden verstaan als de eerbiediging van het gezag van gewijsde
voor de nationale rechter. Hieruit volgt dat een verzoeker na een uitspraak van
het EHRM geen nieuwe vordering kan instellen voor het EHRM of voor de
nationale rechter, met hetzelfde voorwerp, steunend op dezelfde oorzaak, tegen
168
Artikel 16 van het Veertiende Protocol bij het EVRM.
K. ALTIPARMAK, “The european system for the protection of human rights in crisis : the end of
the road? ”, Journal of Europan Criminal Law 2009, 15.
170
LORD WOOLF, M. MCKENZIE, P. MACMAHON, C. O‟CINNEIDE en L. CLARKE, Review of the
working methods of the European Court of Human Rights, December 2005, 5.
171
X. RUEDIN, Exécution des arrêts de la Cour européenne des droits de l’homme, Procédure,
obligations des Etats, pratique et réforme, Bruxelles, Bruylant, 2009, 376.
169
126
Jura Falconis Jg. 47, 2010-2011, nummer 1
HOE KAN WORDEN TEGEMOETGEKOMEN AAN DE SLECHTE UITVOERING VAN VEROORDELENDE
ARRESTEN VAN HET EHRM OP NATIONAAL NIVEAU?
dezelfde verdragsstaat. Het gezag van gewijsde is echter een relatief gezag,
zodat het enkel geldt ten aanzien van de in de zaak betrokken partijen. 172 De
partijen hebben daarentegen steeds de mogelijkheid om een verzoek tot
verwijzing naar de Grote Kamer voor heronderzoek te vragen, 173 een verzoek
tot interpretatie van de uitspraak te vragen174 of een verzoek tot herziening van
de uitspraak.175
Het EHRM sprak zich in deze zin uit in het arrest Burdov tegen Rusland.176
Het Hof bepaalde dat het gebrek aan financiële middelen van de Staat geen
excuus mag zijn om geen uitvoering te geven aan een veroordeling, aangezien
dit een schending van artikel 6, § 1 EVRM uitmaakt. De regering ging pas
over tot de betaling van de volledige som nadat ze te horen had gekregen dat er
een verzoek tot het EHRM was gericht. Doordat het jaren duurde vooraleer de
noodzakelijke maatregelen tot nakoming van de definitieve arresten werden
genomen, deden de Russische autoriteiten afbreuk aan de nuttige gevolgen van
artikel 6, § 1 EVRM en was er bijgevolg een schending van dit artikel.
Daarnaast werd ook de schending van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het
EVRM geconstateerd. Het Russische Hof voorzag de verzoeker immers van
een afdwingbare claim, de beslissingen waren definitief en er was geen
gewoon hoger beroep meer mogelijk, maar de afdwingingsprocedures waren
wel ingesteld. Uit de onmogelijkheid voor de verzoeker om uitvoering te
bekomen van de veroordelingen volgt een schending van het recht op rustig
genot van zijn eigendom zoals voorzien in artikel 1 van het Eerste Protocol bij
het EVRM: de verzoeker wordt immers verhinderd om het geld te ontvangen
dat hij redelijkerwijze had mogen verwachten, te ontvangen. De Regering
heeft daarenboven geen rechtvaardiging gegeven voor deze schending en het
EHRM is van mening dat een gebrek aan middelen geen rechtvaardiging kan
behelzen. Daarom besloot het naast de schending van artikel 6, § 1 EVRM, tot
de schending van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM.177
Het EHRM paste in 2009 de pilootarresten-procedure toe in het tweede arrest
Burdov tegen Rusland. Het eerste arrest Burdov tegen Rusland had de
Russische Staat verplicht om in de noodzakelijke herstellende en preventieve
maatregelen onder artikel 46 EVRM te voorzien. Rusland had hier sindsdien
nog niet volledig gehoor aan gegeven en daarenboven waren 200 gelijkaardige
schendingen van het EVRM vastgesteld sinds het eerste Burdov-arrest van
2002. Daarnaast waren er bijna 700 gelijkaardige zaken hangende. Hieruit
leidde het EHRM af dat de geconstateerde schendingen een structureel
172
J. VANDE LANOTTE en Y. HAECK, Handboek E.V.R.M., deel 1: Algemene Beginselen,
Antwerpen, Intersentia, 2005, 718-720.
173
Artikel 43 EVRM.
174
Artikel 39 Procedurereglement van het EHRM.
175
Artikel 80 Procedurereglement van het EHRM.
176
EHRM, Burdov t. Rusland, arrest van 7 mei 2002.
177
EHRM, Burdov t. Rusland, arrest van 7 mei 2002.
Jura Falconis Jg. 47, 2010-2011, nummer 1
127
ANNELIES VERDUYCKT
probleem vormden en een situatie die onverenigbaar was met het verdrag
constitueerde, waardoor een pilootarrest wenselijk was om de implementatie
van de opgelegde maatregelen te vergemakkelijken.178
1.2. RECHTSGEVOLGEN TEN AANZIEN VAN ANDERE VERDRAGSSTATEN
Luidens artikel 46 EVRM moeten de Hoge Verdragssluitende Partijen zich
houden aan de einduitspraken van het EHRM waarbij zij partij zijn. Het
EHRM verduidelijkte in de zaak Lawless tegen Ierland dat met „Hoge
Verdragssluitende Partijen‟, de partijen in de desbetreffende zaak moet worden
verstaan.179 Hieruit vloeit voort dat er slechts een relatief gezag van gewijsde
is, en de gevolgen enkel inter partes werken.180
Dit moet echter worden genuanceerd door de artikelen 32, § 1 en 1 EVRM.
Artikel 32, § 1 EVRM bepaalt dat het EHRM de specifieke opdracht heeft om
de interpretatie van het EVRM te verzekeren. Daarnaast heeft artikel 1 EVRM
het Hof ingesteld om de nakoming van de verplichtingen van de verdragsstaten
te verzekeren. Uit deze twee artikelen vloeit voort dat de Staten het EVRM
moeten toepassen op de wijze waarop het EHRM de verdragsbepalingen heeft
geïnterpreteerd, hetgeen de theorie van het gezag van de rechterlijke
interpretatie is. Arresten van het EHRM hebben bijgevolg ook gevolgen voor
Staten die niet bij het geschil zijn betrokken, ongeacht of het Hof een
schending vaststelt of niet. Deze erga omnes-werking zal echter slechts ten
aanzien van derde Staten voorhanden zijn, wanneer het een precies en
duidelijk arrest van het EHRM betreft, waarvan de verdragsbepalingen in de
onderhavige interpretatie directe werking hebben en waarbij geen
beleidsafweging moet worden gemaakt door de verdragsstaat. 181 Daarnaast
hebben de interpretaties ook een retroactief karakter, hetgeen inhoudt dat de
geïnterpreteerde bepaling zal worden geacht reeds de door de interpretatie
gegeven betekenis te hebben gehad.182
Het gezag van de rechterlijke interpretatie leidt ertoe dat de nationale rechter
de interpretatie moet volgen die het EHRM aan een bepaling van het EVRM
178
EHRM, Burdov t. Rusland (nr. 2), arrest van 15 januari 2009.
EHRM, Lawless t. Ierland, arrest van 14 november 1960.
180
P. VAN DEN HEEDE en G. GOEDERTRIER, “De doorwerking van het internationaal recht in de
rechtspraak van het Arbitragehof”, in J. WOUTERS en D. VAN EECKHOUTTE (eds.), De
doorwerking van het internationaal recht in de Belgische rechtsorde, Antwerpen, Intersentia,
2006, 273-274.
181
EHRM, Marckx t. België, arrest van 13 juni 1979, § 58.
182
J. VANDE LANOTTE en Y. HAECK, Handboek E.V.R.M., deel 1: Algemene Beginselen,
Antwerpen, Intersentia, 2005, 721-730; M. VAN EMMERIK, “Verplichtingen voor de wetgever na
Straatsburgse
uitspraken
op
grond
van
het
EVRM”,
http://media.leidenuniv.nl/legacy/Preadvies%20MLvan%20Emmerik120208def.pdf 1 januari 2008,
5-8.
179
128
Jura Falconis Jg. 47, 2010-2011, nummer 1
HOE KAN WORDEN TEGEMOETGEKOMEN AAN DE SLECHTE UITVOERING VAN VEROORDELENDE
ARRESTEN VAN HET EHRM OP NATIONAAL NIVEAU?
geeft.183 Eventuele strijdige nationale wetgeving met deze interpretatie zal
buiten toepassing worden gelaten. Het beginsel van het gezag van de
rechterlijke interpretatie werd in de Belgische rechtspraak aanvaard doordat
het Hof van Cassatie stelde dat België door de goedkeuring van het EVRM, de
bevoegdheid van het EHRM heeft erkend om het verdrag te interpreteren. 184
Een verzoeker zal bijgevolg een cassatieberoep kunnen instellen wegens de
schending van een verdragsbepaling volgens de interpretatie ervan door het
EHRM.
Uit deze precedentwerking vloeit voort dat het EHRM een groot belang hecht
aan de interpretatie van de verdragsartikelen. Hiervoor is een sterke coherentie
van de rechtspraak noodzakelijk. Dit weerhoudt het EHRM niet om van zijn
rechtspraak af te wijken, aangezien het formeel niet is gebonden door zijn
oudere arresten. Dit wordt echter bekritiseerd door bepaalde auteurs. 185 Toch
zal het Hof slechts in uitzonderlijke situaties afwijken van zijn vroegere
interpretaties, zodat de rechtszekerheid en stabiliteit van zijn rechtspraak niet
in het gedrang worden gebracht. Daarenboven zal het Hof steeds op algemene
en expliciete wijze aangeven wanneer er wordt afgeweken van de bestaande
rechtspraak.186
In het arrest Grosaru tegen Roemenië, werd België, samen met Luxemburg en
Italië, vermeld als verdragsstaat die niet voorziet in een beroep bij een
gerechtelijk orgaan voor het aanklagen van verkiezingen. De Venice
Commission bepaalde immers dat er in alle gevallen een gerechtelijk beroep
moet bestaan en dat een beroep bij de goedkeuringscommissie van het
Parlement of bij een verkiezingscommissie niet in de nodige waarborgen
voorziet.187 De vraag is dan ook of België zal wachten totdat het wordt
veroordeeld voor zijn praktijk van goedkeuring van geloofsbrieven door de
Plenaire Vergadering van het Parlement, of dat het zelf zijn wetgeving zal
aanpassen ten gevolge van de erga omnes-werking van arresten zodat een
veroordeling kan worden vermeden.
183
P. LEMMENS en W. VANDENHOLE, De gevolgen binnen de Belgische rechtsorde, op
strafrechtelijk gebied, van arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens waarbij
een schending wordt vastgesteld, Een Preadvies, S.l.: Vereniging voor de vergelijkende studie van
het recht van België en Nederland. Belgische sectie, 1998, 6.
184
Cass. 7 april 1995, Arr.Cass., 1995, p. 387, nr. 190.
185
B. EDELMAN, “La Cour Européenne des droits de l‟homme: une jurisdiction tyrannique?”,
Receuil Dalloz 2008, 1946-1947.
186
EHRM (GK), Pellegrin t. Frankrijk, arrest van 8 december 1999, §§ 60-61; EHRM (GK),
Kudla t. Poland, arrest van 26 october 2000, § 148; EHRM (GK), Vilho Eskelinen t. Finland,
arrest van 19 april 2007.
187
EHRM, Grosaru t. Roemenië, arrest van 2 maart 2010, § 26.
Jura Falconis Jg. 47, 2010-2011, nummer 1
129
ANNELIES VERDUYCKT
2. BELGIË, EEN GOEDE LEERLING?
2.1. OP JURISDICTIONEEL VLAK
2.1.1. Hoven en rechtbanken
De hoven en rechtbanken spelen een zeer belangrijke rol in het
implementatieproces van het EVRM. Zij worden echter geconfronteerd met
verscheidene moeilijkheden om deze belangrijke taak te volbrengen. De drie
belangrijkste moeilijkheden zijn de open textuur van de verplichtingen die het
EHRM oplegt, de bevoegdheid van de hoven en rechtbanken en de
economische beperkingen van de rechterlijke organisaties.
Ten eerste is er de open textuur en dus de onduidelijkheid van de vereisten die
het EHRM oplegt. Ten tweede is het niet altijd eenvoudig voor de hoven en
rechtbanken om zelf maatregelen te nemen, alvorens de in het geding zijnde
wetgeving wordt aangepast. Het Hof van Cassatie erkende met het Smeerkaasarrest de voorrang van internationale verdragen met directe werking op
nationale wetgevende normen.188 Dit werd eveneens aangenomen door het
Grondwettelijk Hof voor de bepalingen van het EVRM. Het Grondwettelijk
Hof zal ten gevolge van het interpretatief gezag van gewijsde de taak op zich
nemen om de gewaarborgde grondrechten conform de bepalingen in het
EVRM te interpreteren.189 Hierbij kan het echter niet rechtstreeks toetsen aan
bepalingen in het EVRM,190 maar wel verdragsbepalingen in beschouwing
nemen die analoog zijn aan de grondwetsbepalingen.191 Daarnaast zullen de
gewone rechter, de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en
iedere andere administratieve rechter wetgevende normen buiten toepassing
laten wegens strijdigheid met het EVRM. 192 Toch blijken beide technieken niet
voldoende te zijn om steeds op effectieve wijze aan de bepalingen van het
EVRM uitvoering te geven. De Belgische Staat wordt immers geregeld
veroordeeld door het EHRM, met in het bijzonder verscheidene malen op
grond van artikel 6 EVRM, wegens de schending van de redelijke termijn ten
gevolge van de gerechtelijke achterstand. Tot slot zal het beschikbare
personeel vaak te beperkt zijn en de toegang tot de Straatsburgse rechtspraak te
moeilijk zijn opdat er sprake kan zijn van een effectieve implementatie.
188
Cass. 27 mei 1971, Fromagerie Franco Suisse Le Ski, Arr.Cass. 1971, 959, Pas. 1971, I, 886
concl. Procureur-Generaal GANSHOF VAN DER MEERSCH, RW 1971-72, 424, noot en JT 1971,
460, concl. Procureur-Generaal GANSHOF VAN DER MEERSCH.
189
GwH 15 juli 1993, nr. 62/93; G. GOEDERTRIER, “Het interpretatief gezag van het arrest
Marckx”, noot onder Cass. 7 april 1995, Jaarboek Mensenrechten 1995-1996, 408.
190
Artikel 142 GW.
191
GwH 23 mei 1990, nr. 18/90; GwH 22 juli 2004, nr. 136/2004, B.5.3.
192
A. ALEN en K. MUYLLE, Compendium van het Belgisch staatsrecht, Syllabusuitgave deel I,
Mechelen, Kluwer, 2008, 28.
130
Jura Falconis Jg. 47, 2010-2011, nummer 1
HOE KAN WORDEN TEGEMOETGEKOMEN AAN DE SLECHTE UITVOERING VAN VEROORDELENDE
ARRESTEN VAN HET EHRM OP NATIONAAL NIVEAU?
Niettemin zijn deze drie moeilijkheden niet onoverbrugbaar. 193 Het is niet
zozeer een kwestie van kunnen, maar eerder een kwestie van willen, namelijk
het willen doorvoeren van een culturele transformatie waarbij het EVRM niet
meer zal worden gezien als een externe bron, maar als een bron van intern,
nationaal recht. Ten aanzien van de nationale hoven en rechtbanken zal het
hoogste rechtscollege van een land hierbij een zeer belangrijke rol spelen.
2.1.2. Het Hof van Cassatie
De rechtspraak van het hoogste rechtscollege van een land kan een zeer
belangrijke invloed hebben op het implementatieproces van de rechtspraak van
het EHRM. Het „hoogste‟ karakter van het hoogste hof van een land moet
echter met betrekking tot de mensenrechten steeds worden genuanceerd door
de aanwezigheid van het EHRM. De hoogste gerechtshoven krijgen vaak een
brugfunctie toebedeeld tussen de lagere rechtbanken en het EHRM. De
hoogste gerechtshoven staan in voor het verzekeren van een effectieve
mensenrechtenbescherming door toezicht uit te oefenen op de lagere
rechtbanken. Dit kunnen zij doen wanneer zij worden veroordeeld door het
EHRM, alsook door spontaan gehoor te geven aan de rechtspraak van het
EHRM. Zij moeten immers de principes uitgedacht door het EHRM vertalen
naar het nationale recht opdat conflicten met het EVRM worden uitgesloten. 194
Zo kunnen zij de implementatie van de Straatsburgse rechtspraak
vergemakkelijken door aan de lagere rechtbanken de implicaties van het
EVRM uit te leggen aan de hand van de door het EHRM gevelde arresten. 195
Desalniettemin hebben de hoogste gerechtshoven ook een zeer belangrijke en
onafhankelijke taak aangezien het EHRM slechts een subsidiaire rol vervult
ten aanzien van de interne rechtsorde.196
a. Veroordeling
Wanneer het EHRM een schending van het EVRM vaststelt, zal de betrokken
Staat ter nakoming hiervan maatregelen moeten nemen. Vaak zal het hierbij
aan de regering zijn om de wetgeving ter zake aan te passen. Ook kan het
hoogste hof richtlijnen geven aan de lagere rechtbanken over hoe zij gehoor
J. MCBRIDE, “Evaluation of supposed obstacles to an effective implementation of the European
Convention on Human Rights by national courts”, in X., The role of Supreme Courts in the
domestic implementation of the European Convention on Human Rights, Proceedings of the
Regional Conference Belgrade, 20-21 september 2007, Council of Europe, August 2008, 93-106.
194
P. LEMMENS, “Guidance by Supreme Courts to lower courts on the requirements of the
European Convention on Human Rights”, in X., The role of Supreme Courts in the domestic
implementation of the European Convention on Human Rights, Proceedings of the Regional
Conference Belgrade, 20-21 september 2007, Council of Europe, August 2008, 37-39.
195
Court de Cassation (Fr.), arrest van 6 november 1998, Bull. 1998, nr. 4-5, 6-7; Hoge Raad der
Nederlanden, arrest van 3 oktober 2000, Nederlandse Jurisprudentie, 2000, nr. 721.
196
De preambule van Recommendation Rec. (2004) 6 of the Committee of Ministers to Member
States on the improvement of domestic remedies, 12 May 2004; EHRM (GK), Markovic t. Italië,
arrest van 14 december 2006.
193
Jura Falconis Jg. 47, 2010-2011, nummer 1
131
ANNELIES VERDUYCKT
kunnen geven aan het veroordelend arrest. Wanneer de rechtbanken de
mogelijkheid hebben om reeds stappen te ondernemen om hun rechtspraak aan
te passen aan het veroordelend arrest van het EHRM, moeten zij dit doen
alvorens de wetgeving wordt aangepast. Het is hierbij van belang dat alle
organen van een Staat zich ervan bewust zijn dat zij elk de
verantwoordelijkheid dragen voor de uitvoering van veroordelende arresten
van het EHRM en dit binnen hun respectievelijk bevoegdheidsdomein. 197
Een belangrijk voorbeeld ter zake is het arrest Marckx tegen België, één van de
eerste maar nog steeds één van de belangrijkste arresten van het EHRM. In dit
arrest besloot het EHRM dat het Belgische erfrecht de artikelen 8 en 14 EVRM
schond, aangezien het natuurlijke kinderen benadeelde in hun erfrechtelijke
positie ten aanzien van hun moeder. Volgens het EHRM was het niet nodig om
in abstracto de onderhavige wetsbepalingen te onderzoeken, maar om te
onderzoeken of het verzoekschrift overeenstemt met het Verdrag. Het EHRM
wees er hierbij op dat zijn beslissing onvermijdelijk gevolgen zou hebben die
verder reikten dan de voorliggende zaak, in het bijzonder omdat de
schendingen rechtstreeks voortvloeiden uit de betwiste wetsbepaling en niet uit
de individuele implementatiemaatregelen.198
De Belgische regering gaf hierbij te kennen dat het de nodige maatregelen zou
nemen, maar dat de aanpassingen deel zouden uitmaken van een grotere
hervorming van het burgerlijk wetboek met betrekking tot de afstamming. Het
duurde vervolgens acht jaar eer de wetgever de wet amendeerde ten gevolge
van de grotere hervorming die moest plaatsvinden en door het feit dat de
prioriteiten van het Parlement bij de tweede en derde staatshervorming lagen.
In tussentijd ontstonden er verscheidene nieuwe claims van buitenhuwelijkse
kinderen die zich in dezelfde positie bevonden. Het Hof van Cassatie
verklaarde echter al deze zaken onontvankelijk op grond van zijn vaststelling
dat de artikelen 8 en 14 EVRM geen directe werking hebben en het dus niet
aan de rechtbanken, maar aan de wetgever was om de bestaande praktijk aan te
passen. Zolang de wet niet werd aangepast, zouden de rechtbanken volgens het
Hof van Cassatie de oude wetgeving moeten blijven toepassen. 199
Deze behoudsgezinde rechtspraak leidde in 1991 tot een volgende
veroordeling door het EHRM in het arrest Vermeire tegen België. Met dit
tweede arrest tegen de Belgische Staat stelde het EHRM zichzelf in de
K. RIMANQUE, “De toepasselijkheid van grondrechten in de betrekkingen tussen private
personen – algemene probleemstelling”, in K. RIMANQUE, De toepasselijkheid van de
grondrechten in private verhoudingen, Antwerpen, Kluwer, 1982, 15.
198
EHRM, Marckx t. België, arrest van 13 juni 1979, § 25.
199
Cass. 10 mei 1985, RW 1985-86, 1848, Rev.Not.B. 1986, 51-62 (noot C. RÉMON-DEFAYS,
“L‟influence de l‟arrêt Marckx sur la jurisprudence Belge”), JT 1986, 75, Cass. 6 maart 1986,
Arr.Cass. 1985-1986, 937, RW 1986-1987, 236, noot P. SENAEVE, Hof van Beroep te Brussel, 31
januari 1983 en RW 1982-83, 2687 (noot P. SENAEVE, “Het E.V.R.M., de directe werking en het
Marckxarrest”).
197
132
Jura Falconis Jg. 47, 2010-2011, nummer 1
HOE KAN WORDEN TEGEMOETGEKOMEN AAN DE SLECHTE UITVOERING VAN VEROORDELENDE
ARRESTEN VAN HET EHRM OP NATIONAAL NIVEAU?
mogelijkheid om op indirecte wijze de uitvoering van het eerdere arrest
Marckx tegen België te controleren. Het EHRM besloot dat het Hof van
Cassatie een ongeoorloofde passiviteit had tentoongespreid. Het was onnodig
om eerst een volledige herziening van de afstammingswetgeving af te wachten
alvorens de discriminerende bepaling af te schaffen. Dit valt immers niet
binnen het recht van de Staten om vrij de middelen te kiezen ter nakoming van
de Straatsburgse arresten, vervat in artikel 46 EVRM. 200
België heeft geregeld te kampen met een overschrijding van de redelijke
termijn, en dit vooral op het niveau van het Hof van Beroep te Brussel en de
Raad van State, afdeling administratie.201 Bij veroordelingen door het EHRM
wegens overschrijding van de redelijke termijn, werpt de Belgische Staat
steevast op dat het moeilijk is de redelijke termijn te garanderen doordat
bepaalde Belgische rechtscolleges tijdelijk overbelast zijn. Hiermee weigert
het EHRM rekening te houden, aangezien de Staten juist luidens artikel 6, § 1
EVRM hun rechtssysteem zo moeten organiseren dat er binnen een redelijke
termijn recht kan worden gesproken. 202
Het Hof van Cassatie erkende op 28 september 2006 de mogelijkheid van de
gewone rechter om de overheid via 1382 buitencontractueel aansprakelijk te
stellen wegens fouten van de wetgever.203 Deze rechtspraak werd fel
bekritiseerd.204 Dit arrest vindt echter zijn legitimering in de Kudla-rechtspraak
van het EHRM. Desalniettemin kan men zich afvragen of deze rechtspraak van
het Hof van Cassatie voldoende is, namelijk of de burgerrechtelijke
aansprakelijkheid een effectief rechtsmiddel is.
Het EHRM stelde in zijn beslissing Depauw dat er geen twijfel meer kan
bestaan over de zekerheid van het rechtsmiddel volgend uit het arrest van 28
september 2006, aangezien het expliciet verwees naar artikel 6, § 1 EVRM. De
niet-uitputting van dit interne rechtsmiddel dat de regering opwierp in
Depauw, werd echter niet aanvaard door het EHRM, aangezien het van mening
200
EHRM, Vermeire t. België, arrest van 29 november 1991, §§ 25-26.
Het EHRM veroordeelde België hiervoor verscheidene malen, enkele voorbeelden: EHRM,
Conka t. België, arrest van 5 februari 2002; EHRM, Stratégies et communications et Dumoulin t.
België, arrest van 15 juli 2002 ; EHRM, Boca t. België, arrest van 15 november 2002; EHRM,
Gökce en anderen t. België, arrest van 30 januari 2003; EHRM, Lenaerts t. België, arrest van 11
maart 2004; EHRM, Entreprises Robert Delbrassine SA t. België, arrest van 1 juli 2004; EHRM,
Rouard t. België, arrest van 29 juli 2004; EHRM, De Landtsheer t. België, arrest van 15 juli 2005;
EHRM, Lenardon t. België, arrest van 26 oktober 2006; EHRM, De Clerck t. België, arrest van 25
september 2007.
202
EHRM, Conka t. België, arrest van 5 februari 2002, § 84; EHRM, Nelissenne t. België, arrest
van 23 oktober 2003, § 20; F. LAMBRECHTS, “De achterstand in gerechtszaken en de rechten van
de mens”, RW 1984-1985, 791-802.
203
Cass. 28 september 2006, JT 2006, 594, concl. J.F. LECLERCQ, JLMB 2006, 1548, noten J.
WILDEMEERSCH en M. UYTTENDAELE, RW 2006-07, 1123, noot A. VAN OEVELEN.
204
A. ALEN, “De overheidsaansprakelijkheid voor fouten van de wetgever. Over de
Cassatiearresten van 1 juni 2006 en 28 september 2006”, in W. PINTENS, A. ALEN, E. DIRIX en P.
SENAEVE, Feestbundel voor Hugo Vandenberghe, Brugge, Die Keure, 2007, 7-10.
201
Jura Falconis Jg. 47, 2010-2011, nummer 1
133
ANNELIES VERDUYCKT
was dat de rechtspraak van 28 september 2006, maar kenbaar kon zijn op 28
maart 2007.205 Toch mag niet uit het oog worden verloren dat de kans bestaat
dat het EHRM alsnog van gedachte verandert over de effectiviteit van dit
rechtsmiddel. Het EHRM zal immers niet tevreden zijn met het rechtsmiddel
wanneer de schadevergoedingen wegens overschrijding van de redelijke
termijn te laag zijn.206 Ook is er geen zekerheid of voldaan is aan de vereisten
van het EHRM opdat een rechtsmiddel effectief zou zijn in het licht van artikel
13 EVRM. Hierbij is vooral de verplichting om naast de reeds aanhangige
rechtsvordering, een parallelle rechtsvordering in te stellen bij dezelfde
rechterlijke macht als de oorspronkelijke rechtsvordering problematisch. 207 De
kans is immers groot dat de parallelle rechtsvordering hetzelfde lot als de
oorspronkelijke rechtsvordering zal ondergaan.208
b. Het erga omnes-effect van Straatburgse arresten
b.1. De spontane nakoming
Van een spontane nakoming van een arrest van het EHRM was binnen de
Belgische rechtsorde sprake met een arrest van het Hof van Cassatie van 1995,
waarin het op expliciete wijze de autoriteit van de interpretaties door het
EHRM aanvaardde, hetgeen voorvloeit uit het feit dat België het EVRM
ratificeerde en bijgevolg de interpretatie-bevoegdheid van het EHRM
erkende.209 Binnen de Nederlandse rechtsorde was deze praktijk echter al veel
langer aanvaard.210
Een voorbeeld van een spontane nakoming in Nederland, betreft de
implementatie van het arrest Goodwin tegen Verenigd Koninkrijk211 door de
Nederlandse Hoge Raad. In dit arrest poneerde het EHRM dat de
vertrouwelijkheid van journalistieke bronnen essentieel is voor het in artikel 10
EVRM beschermde recht op vrije meningsuiting. De Nederlandse Hoge Raad
keerde zijn rechtspraak volledig om door het principe in te voeren dat de nietopenbaarmaking van journalistieke bronnen de regel is en de verplichte
openbaarmaking de uitzondering, conform het arrest van het EHRM tegen het
Verenigd Koninkrijk.212
205
EHRM, Depauw t. België, beslissing van 15 mei 2007.
EHRM (GK), Scordino t. Italië (nr. 1), arrest van 29 maart 2006.
207
W. VERRIJDT, “Voldoet België aan de vereisten van de Kudla-rechtspraak?”, CDPK 2007, 595598.
208
Partly Dissenting Opinion van rechter CASADEVALL, EHRM (GK), Kudla t. Polen, arrest van
26 oktober 2000, § 5.
209
Cass. 7 april 1995, Arr. Cass., 1995, p. 387, nr. 190.
210
Hoge Raad der Nederlanden, arrest van 18 januari 1980, Nederlands Jurisprudentie, 1980, nr.
463.
211
EHRM (GK), Goodwin t. Verenigd Koninkrijk, arrest van 27 maart 1996.
212
Hoge Raad der Nederlanden, arrest van 10 mei 1996, Nederlandse Jurisprudentie, 1996, nr.
578.
206
134
Jura Falconis Jg. 47, 2010-2011, nummer 1
HOE KAN WORDEN TEGEMOETGEKOMEN AAN DE SLECHTE UITVOERING VAN VEROORDELENDE
ARRESTEN VAN HET EHRM OP NATIONAAL NIVEAU?
b.2. De niet-nakoming
Daarnaast zijn er ook gevallen waarin de rechtspraak van het EHRM niet
spontaan wordt gevolgd. Dit kan ten eerste zijn omdat de rechterlijke instantie
van een bepaalde Staat van mening is dat de voorgelegde situatie in zijn land
niet dezelfde is als deze waarover het EHRM reeds oordeelde.
Het Franse Hof van Cassatie oordeelde in 1996 in afwijking van het arrest
Marckx tegen België over het beperktere erfrecht ten aanzien van
buitenhuwelijkse kinderen vervat in de Franse Code Civil. Het Franse Hof was
van mening dat het recht om te erven niet wordt gewaarborgd door het recht op
het privé- en familieleven en dat de artikelen 8 en 14 EVRM bijgevolg niet van
toepassing waren.213 In 2000 echter, veroordeelde het EHRM deze rechtspraak
omdat het onderscheid op basis van geboorte niet was gerechtvaardigd en dat
er bijgevolg een schending van artikel 14 EVRM in samenhang gelezen met
artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM voorhanden was. 214
De Nederlandse Hoge Raad echter, paste spontaan de Marckx-conforme
interpretatie van zijn wetboek toe waardoor het in overeenstemming werd
gebracht met de Straatsburgse rechtspraak van het arrest Marckx tegen
België.215
Ten tweede zal het hoogste gerechtshof van een Staat de rechtspraak van het
EHRM niet spontaan toepassen omdat het er gewoonweg niet mee akkoord
gaat.
In het arrest Borgers tegen België216 oordeelde het EHRM dat het
tegensprekelijk karakter van een strafrechtelijke procedure het Hof van
Cassatie verplicht om de partijen te laten antwoorden op het standpunt van de
advocaat-generaal. Er zou daarenboven een schending van het eerlijk proces en
de wapengelijkheid zijn, wanneer de advocaat-generaal na het geven van zijn
standpunt, zou mogen deelnemen aan de deliberatie van de rechters. Het
EHRM herhaalde de Borgers-leer in een arrest van de Grote Kamer,
Vermeulen tegen België maar deze keer niet ten aanzien van een
strafrechtelijk, maar een burgerrechtelijk proces.217
In tegenstelling tot België, dat zijn Cassatie-rechtspraak aan de Borgers-leer
aanpaste218 en in 2000 de Borgers-leer in zijn gerechtelijk wetboek
213
Court de Cassation (Fr.), arrest van 25 juni 1996, Bull. 1996, I, nr. 268, p. 188.
EHRM, Mazurek t. Frankrijk, arrest van 1 februari 2000.
215
Hoge Raad der Nederlanden, arrest van 18 januari 1980, Nederlands Jurisprudentie, 1980, nr.
463.
216
EHRM, Borgers t. België, arrest van 30 oktober 1991.
217
EHRM (GK), Vermeulen t. België, arrest van 20 februari 1996.
218
Bijvoorbeeld: Cass. 13 september 1999, RW 2000-2001, 265-266.
214
Jura Falconis Jg. 47, 2010-2011, nummer 1
135
ANNELIES VERDUYCKT
inschreef,219 was de Franse rechter niet zo happig om de Borgers-leer toe te
passen. Het Franse rechtssysteem kent immers de figuur van de advocaatgeneraal niet, maar heeft wel een vergelijkbare instelling, namelijk de
commissaire du gouvernement. Het Franse Hof van Cassatie was echter van
mening dat beide figuren niet vergelijkbaar zijn. Om de arresten Borgers220 en
Vermeulen221 toch na te komen ontwikkelde de strafkamer van het Franse Hof
een constructie die enkel werkt wanneer de verdachte wordt vertegenwoordigd
door en cassatieadvocaat. Deze constructie werd door het EHRM net
voldoende geacht.222 Wanneer de verdachte zichzelf verdedigt werkt de
constructie echter niet en is er wel sprake van een schending. 223 Daarnaast
veroordeelde het EHRM Frankrijk ook voor een schending van het recht op
eerlijke proces ten gevolge van de aanwezigheid van de commissaire du
gouvernement tijdens de deliberaties.224
Zulke pogingen om Straatsburgse rechtspraak te omzeilen worden niet
opportuun geacht. Toch moet door de samenwerkingsverhouding tussen het
EHRM en de nationale rechters wel enige ruimte voor de nationale rechter
blijven. Deze zal wel een verzwarende motiveringsplicht krijgen opgelegd
wanneer hij wil afwijken van de Straatsburgse rechtspraak. Dit zal maar
mogelijk zijn wanneer, ofwel, de nationale rechter meent dat er een bezwaar is
tegen de Straatsburgse rechtspraak, doordat het EHRM niet alle relevante
informatie in ogenschouw had genomen en dus op het verkeerde spoor zit,
ofwel, omdat de rechtsopvattingen veranderd zijn, waarover dan wel consensus
moet bestaan tussen de Staten. Bijgevolg zal dit slechts in uiterst zeldzame
gevallen verdedigbaar zijn en mag dit er zeker niet toe leiden dat de
rechtseenheid binnen Europa wordt verstoord. De bovengenoemde afwijkingen
van de Europese rechtspraak blijken dan ook niet conform de geest van het
verdrag.225
c. Geen Straatsburgse precedenten
Indien er echter geen bestaande Straatsburgse precedenten voorhanden zijn, zal
het hoogste gerechtshof moeten proberen na te gaan hoe het EHRM zou
oordelen. In dit geval hebben de hoogste gerechtshoven dus een ruimere
219
Wet van 14 november 2000 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek inzake de tussenkomst
van het openbaar ministerie in de procedure voor het Hof van Cassatie en, in burgerlijke zaken,
voor de feitenrechters en tot wijziging van de artikelen 420bis en 420ter van het Wetboek van
Strafvordering, BS 19 december 2000.
220
EHRM, Borgers t. België, arrest van 30 oktober 1991.
221
EHRM (GK), Vermeulen t. België, arrest van 20 februari 1996.
222
EHRM (GK), Reinhardt en Slimane-Kaïd, arrest van 31 maart 1998.
223
EHRM, Voisine t. Frankrijk, arrest van 8 februari 2000.
224
EHRM (GK), Kress t. Frankrijk, arrest van 7 juni 2001.
225
S.K. MARTENS, “Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens en de nationale rechter”,
NJCM-Bulletin 2000, 758-759.
136
Jura Falconis Jg. 47, 2010-2011, nummer 1
HOE KAN WORDEN TEGEMOETGEKOMEN AAN DE SLECHTE UITVOERING VAN VEROORDELENDE
ARRESTEN VAN HET EHRM OP NATIONAAL NIVEAU?
appreciatiemogelijkheid. Het Comité van Ministers gaf hiertoe richtlijnen in
zijn aanbeveling van 2004 met betrekking tot de nationale rechtsmiddelen. 226
Een voorbeeld hiervan betreft een arrest van het Hof van Cassatie van 14
oktober 2003. Tot dan toe was het Hof van Cassatie steeds van mening
geweest dat onrechtmatig verkregen bewijs niet kon worden gebruikt in een
strafrechtelijk proces, hetgeen als onbegrijpelijk werd ervaren door de publieke
opinie. Het Hof van Cassatie gooide zijn rechtspraak echter volledig om in
2003, door onrechtmatig verkregen bewijs toe te laten, tenzij dit het eerlijke
proces zou schaden.227 Uit het standpunt van de advocaat-generaal vloeit voort
dat het Hof van Cassatie deze beslissing nam, na zich ervan te hebben
vergewist dat het EHRM de uitsluiting van onrechtmatig verkregen bewijs niet
eist in alle omstandigheden.228
Ook buiten artikel 46, § 1 EVRM zijn de lagere rechtbanken bij het vellen van
hun oordeel gebonden door de rechtspraak van het EHRM. Het EHRM
verwijst daarbij naar zijn vroegere rechtspraak. In de zaak Vermeire tegen
België voerde het Hof aan dat het zich niet gedragen naar zijn uitspraken een
schending van het EVRM oplevert.229 Dit werd vervolgens bevestigd in de
zaak Pellegrin tegen Frankrijk waarin werd bepaald dat de door het EHRM
ontwikkelde rechtsregels in zijn rechtspraak deel uitmaken van de bepalingen
in het EVRM en dat deze bijgevolg deel uitmaken van de interne rechtsorde
van de Staten en door de rechters van de Staten moeten worden toegepast. 230 In
het arrest Loizidou tegen Turkije werd het EVRM beschouwd als het
constitutioneel instrument van de Europese publieke rechtsorde. Dit zou ertoe
kunnen leiden dat het EVRM één rechtsorde creëert waardoor er meer
rechtseenheid en rechtszekerheid zou kunnen ontstaan. 231
2.1.3. Het Grondwettelijk Hof
Het Grondwettelijk Hof leest de in titel II van de Belgische Grondwet
gewaarborgde rechten en vrijheden samen met dezelfde rechten en vrijheden
die door het EVRM worden gewaarborgd, aangezien deze laatsten meestal een
ruimere bescherming bieden.232 Het gaat om een indirecte toets, aangezien er
226
Recommendation Rec. (2004) 6 of the Committee of Ministers to Member States on the
improvement of domestic remedies, 12 May 2004.
227
Cass. 14 oktober 2003, Pas. 2003, nr. 499.
228
EHRM, Schenk t. Zwitserland, arrest van 12 juli 1988; EHRM, Kahn t. Verenigd Koninkrijk,
arrest van 12 mei 2000; P. LEMMENS, “Guidance by Supreme Courts to lower courts on the
requirements of the European Convention on Human Rights”, in X., The role of Supreme Courts in
the domestic implementation of the European Convention on Human Rights, Proceedings of the
Regional Conference Belgrade, 20-21 september 2007, Council of Europe, August 2008, 47.
229
EHRM, Vermeire t. België, arrest van 29 november 1991.
230
EHRM (GK), Pellegrin t. Frankrijk, arrest van 8 december 1999, §§ 61-63.
231
EHRM (GK), Loizidou t. Turkije, arrest van 28 juli 1998.
232
GwH 23 mei 1990, nr. 18/90; GwH 22 juli 2004, nr. 136/2004; GwH 21 december 2004, nr.
202/2004.
Jura Falconis Jg. 47, 2010-2011, nummer 1
137
ANNELIES VERDUYCKT
nooit rechtstreeks kan worden getoetst aan een verdragsbepaling.233 Een
wetgevende akte die een grondrecht beperkt, zal de wettigheidstoets maar
doorstaan, indien voor de beperking een duidelijke wettige basis voorhanden is
en aan de door het EVRM vereiste inhoudelijke voorwaarden is voldaan. Bij
strijdigheid tussen twee mensenrechtenbepalingen moet immers voor de
bepaling worden gekozen die de ruimste bescherming biedt. 234
Ook zal het Grondwettelijk Hof zich niet alleen door de verdragsbepalingen
van het EVRM laten leiden, maar ook door de rechtspraak ervan, vaak met
expliciete verwijzing ernaar. In het arrest Belgische Taalzaak gaf het EHRM
voor het eerst een interpretatie van het in artikel 14 EVRM vervatte
gelijkheidsbeginsel.235 Het Grondwettelijk Hof volgde bijna letterlijk de daar
gegeven interpretatie in het door hem gevelde Biorim-arrest met betrekking tot
de voorwaarden van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel. 236 Daarnaast
verwees het Grondwettelijk Hof in dit arrest ook naar de vrijheid van
vereniging van de verzoekende partijen, maar zonder hierbij de normatieve
bron te preciseren waaruit deze vrijheid voortkwam. 237
Het Grondwettelijk Hof nam de rol van mensenrechtenbehoeder op zich met
zijn arrest van 4 juli 1991,238 hetwelk eveneens te maken had met het door het
EHRM gevelde arrest Marckx.239 Dit was dan ook het eerste arrest waarin het
Grondwettelijk Hof een Straatsburgs arrest citeerde. Het EHRM oordeelde in
deze zaak dat het Belgische erfrecht de artikelen 8 en 14 EVRM schond, maar
dat de Belgische Staat niet verplicht was de juridische situaties daterend van
vóór dit arrest aan te passen. De nieuwe wetgeving trad echter pas in werking
op 31 maart 1987, en dit met een overgangsbepaling die luidde dat de oude
regeling van toepassing bleef op alle erfenissen die waren opengevallen vóór
deze nieuwe bepaling van 31 maart 1987. Als gevolg hiervan stelde het Hof
van Cassatie aan het Grondwettelijk Hof de vraag of deze bepaling conform
het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel was. Het Grondwettelijk Hof verwees in
zijn arrest naar de uitspraak van het EHRM terzake en stelde dat omwille van
het rechtszekerheidsbeginsel het verantwoord was dat nalatenschappen
opengevallen vóór het arrest Marckx onverlet bleven, maar dat de bestreden
bepaling niet toepasselijk kon blijven op nalatenschappen opengevallen vanaf
het arrest Marckx.240 Na dit arrest ontwikkelde het Grondwettelijk Hof een
233
Art. 142 GW laat immers geen directe toetsing aan verdragen door het Grondwettelijk Hof toe.
GwH 21 december 2004, nr. 202/2004.
235
EHRM, Belgische Taalzaak, arrest van 23 juli 1968.
236
GwH 13 oktober 1989, nr. 23/89.
237
O. DE SCHUTTER en S. VAN DROOGHENBROECK, Droit international des droits de l’homme
devant le juge national, Bruxelles, De Boeck & Larcier, 1999, 427.
238
GwH 4 juli 1991, nr. 18/91.
239
EHRM, Marckx t. België, arrest van 13 juni 1979.
240
GwH 4 juli 1991, nr. 18/91; P. VAN DEN HEEDE en G. GOEDERTRIER, “De doorwerking van het
internationaal recht in de rechtspraak van het Arbitragehof”, in J. WOUTERS en D. VAN
EECKHOUTTE (eds.), De doorwerking van het internationaal recht in de Belgische rechtsorde,
Antwerpen, Intersentia, 2006, 279-280.
234
138
Jura Falconis Jg. 47, 2010-2011, nummer 1
HOE KAN WORDEN TEGEMOETGEKOMEN AAN DE SLECHTE UITVOERING VAN VEROORDELENDE
ARRESTEN VAN HET EHRM OP NATIONAAL NIVEAU?
praktijk waarbij het in bijna al zijn arresten de Straatsburgse rechtspraak
aanhaalt, citeert of ernaar verwijst. Dit gebeurt echter zonder enige
systematiek.
Ook al verwijst het Grondwettelijk Hof niet expliciet naar een Straatsburgs
arrest, toch zal het nooit een arrest in strijd met de rechtspraak van het EHRM
vellen.241 Het Grondwettelijk Hof zal zijn rechtspraak na een veroordeling
door het EHRM steeds onmiddellijk aanpassen. Slechts in twee gevallen was
er sprake van enige botsing tussen het Grondwettelijk Hof en dit omdat de
rechtspraak van het EHRM niet helemaal duidelijk was242 en omdat het
Grondwettelijk Hof van mening was dat de situatie in casu anders was.243 Het
Belgische Grondwettelijk Hof lijkt bijgevolg over het algemeen zeer goed de
Straatsburgse arresten na te komen en doet dit zowel op impliciete wijze, door
de Straatsburgse interpretatie te volgen, als op expliciete wijze, door naar de
Straatsburgse arresten te verwijzen. Vaak zal het zelfs een grotere
mensenrechtenbescherming voorzien dan wordt vereist door het EHRM.
2.2. OP WETGEVEND VLAK
Opdat arresten van het EHRM op een effectieve wijze kunnen worden
geïmplementeerd, is het noodzakelijk dat de wetgevende en uitvoerende macht
van een verdragsstaat goed meewerken, om bepaalde praktijken te veranderen
en nieuwe bepalingen in te voeren.
De uitvoering van een arrest kan echter specifieke problemen ondervinden in
een federale Staat. Aangezien de verdragsstaten zich door hun ratificatie
hebben verbonden om de verdragsrechten te laten eerbiedigen door al hun
verschillende overheden,244 kunnen zij zich niet verschuilen achter het
handelen van deze organen.245 De uitvoering van de arresten zal bijgevolg
toekomen aan het staatsniveau dat op internrechtelijk vlak bevoegd is voor de
betwiste materie, hetgeen meestal het bevoegde orgaan is dat werd bepaald
door de Grondwet of de wetgeving van een Staat. 246
De Belgische overheid argumenteerde in het arrest Belgische Taalzaak dat de
materie voornamelijk toekwam aan het domaine reservé van België. Het
EHRM argumenteerde echter dat het Verdrag en zijn Protocollen betrekking
hebben op zaken die normaal binnen de nationale rechterlijke orde van de
241
GwH 31 maart 2004, nr. 60/2004; GwH 13 september 2005, nr. 139/2005; GwH 15 mei 2008,
nr. 79/2008; GwH 18 december 2008, nr. 182/2008.
242
EHRM, B. en L. t. Verenigd Koninkrijk, arrest van 13 september 2005; GwH 18 oktober 2006,
nr. 157/2006.
243
EHRM, Koua Poirrez t. Frankrijk, arrest van 30 september 2003; GwH 19 mei 2004, nr.
92/2004; M. BOSSUYT, “De uitbreiding van de rechtsmacht van het Europees Hof van de Rechten
van de Mens tot socialezekerheidsregelgeving: een rechterlijke revolutie?”, RW 2007-08, 842-856.
244
EHRM, Martins Moreira t. Portugal, arrest van 26 oktober 1988, § 60.
245
EHRM, De Cubber t. België, arrest van 14 september 1987, § 21.
246
EHRM, X en Y t. Nederland, arrest van 26 maart 1985, § 27.
Jura Falconis Jg. 47, 2010-2011, nummer 1
139
ANNELIES VERDUYCKT
contracterende Staten vallen, maar dat het internationale instrumenten zijn die
als voornaamste doel hebben om bepaalde internationale standaarden op te
leggen die moeten worden nageleefd door de verdragsluitende partijen in hun
relaties met anderen onder de jurisdictie van het Hof. 247 Dit betekende dat ook
de wetgeving onder de controle valt van de toenmalige Europese Commissie
en het EHRM.
De Grondwetgever wees in bepaalde gevallen zelf uitdrukkelijk op de nood
van een EVRM-conforme interpretatie van de Belgische grondwetsartikelen.
In de parlementaire voorbereiding van artikel 22 van de Grondwet valt immers
te lezen dat de Grondwetgever “een zo groot mogelijke concordantie [heeft
willen nastreven] met artikel 8 van het Europees Verdrag tot Bescherming van
de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, teneinde betwistingen
over de inhoud van dit Grondwetsartikel respectievelijk artikel 8 van het
EVRM te vermijden”.248 Doordat de Grondwetgever hier uitdrukkelijk naar
verwees, was het voor het Grondwettelijk Hof voor de hand liggend om, onder
uitdrukkelijke verwijzing naar deze parlementaire voorbereiding, de
beperkingsgronden op het privé- en gezinsleven uit artikel 8 EVRM, in artikel
22 G.W. te incorporeren.249
In het arrest Taxquet tegen België werd de Belgische Staat veroordeeld tot het
betalen van een morele schadevergoeding wegens het gebrek aan motivering
van de uitspraken van de jury van een Hof van Assisen.250 Het Parlement
stelde zich in deze zaak niet afwachtend op en paste de Belgische wetgeving
reeds eind 2009 aan, bij de Wet van 21 december 2009 tot hervorming van het
Hof van Assisen.251
De zaak werd op vraag van de Belgische Regering naar de Grote Kamer van
het EHRM verwezen. Op 26 november 2010 bevestigde het EHRM zijn eerste
arrest, met de nuance dat een motivering door de jury niet is vereist, maar dat
er wel moet worden voorzien in de nodige waarborgen zodat de verdachte
weet waarom hij werd veroordeeld.252
Een laatste noemenswaardige zaak betreft het Salduz-arrest van 27 november
2008,253 waarbij de verdragsstaten worden verplicht om vanaf het eerste
verhoor een advocaat ter beschikking te stellen van verdachten. Aangezien
deze mogelijkheid niet bestaat in de huidige Belgische wetgeving zou hiertoe
zo snel mogelijk een wetswijziging moeten worden doorgevoerd. Een gepaste
voortvarendheid lijkt echter niet voorhanden te zijn, gelet op het feit dat de
247
EHRM, Belgische Taalzaak, arrest van 23 juli 1968.
Parl.St. Senaat 1991-1992, nr. 100-4/2°, 3.
249
GwH 12 juli 2003, nr. 94/2003.
250
EHRM, Taxquet t. België, arrest van 13 januari 2009.
251
Wet van 21 december 2009 tot hervorming van het hof van assisen, BS 11 januari 2010.
252
EHRM (GK), Taxquet t. België, arrest van 26 november 2010.
253
EHRM (GK), Salduz t. Turkije, arrest van 27 november 2008.
248
140
Jura Falconis Jg. 47, 2010-2011, nummer 1
HOE KAN WORDEN TEGEMOETGEKOMEN AAN DE SLECHTE UITVOERING VAN VEROORDELENDE
ARRESTEN VAN HET EHRM OP NATIONAAL NIVEAU?
eerste debatten over een mogelijke wetswijziging pas plaatsvonden begin
2011. Er zijn daarentegen reeds verscheidene balies die in een permanentie van
advocaten voorzien als antwoord op het arrest. Toch is het belangrijk om in
een wettelijke grond te voorzien opdat een veroordeling door het EHRM kan
worden voorkomen, verscheidene onderzoeksrechters weigeren immers de
aanwezigheid van een advocaat. Dit kan echter niet als wenselijk worden
aanvaard gelet op de proactieve aanpak die wordt gevraagd van de
verdragsstaten opdat de effectieve werking van het EHRM kan worden
gewaarborgd.
3. PROTOCOL NUMMER 14
3.1. VOORAFGAANDE DISCUSSIE
Het Hof leek door de toenemende stroom aan klachten ten onder te gaan aan
zijn eigen succes. Van een groot aantal van deze klachten was het daarenboven
onmiddellijk duidelijk dat niet voldaan was aan de formele
ontvankelijkheidsvoorwaarden, doordat het kennelijk ongegronde klachten
betrof of repetitieve kennelijk gegronde en bijgevolg onontvankelijke klachten.
Het was dan ook dringend tijd om een nieuw protocol in te voegen dat op
lange termijn tot een meer doeltreffende werking van het Hof zou kunnen
leiden.
Het probleem werd politiek erkend op de Europese Conferentie over de
Mensenrechten te Rome, van 3-4 November 2000. Na deze Conferentie ving
een reflectieperiode aan binnen dewelke de Raad van Europa moest nadenken
over de voortgezette effectiviteit van het EHRM. De Raad van Europa wees
hierbij op de noodzaak om dringend maatregelen aan te nemen die voor een
betere effectiviteit van het Hof zouden zorgen in het licht van de nieuwe
omstandigheden, namelijk de verhoogde werklast.254 Als gevolg hiervan werd
het CDDH opgericht, hetgeen de belangrijkste taken van de hervorming zou
moeten uitdragen. Het orgaan bestaat uit nationale experts die de meest
noodzakelijke maatregelen en de amendementen van het EVRM moeten
bepalen. Binnen het CDDH werd tevens een „Reflectie Groep‟ opgericht, die
de mogelijkheden moet onderzoeken om het Straatsburgse mechanisme te
verbeteren.255 Daarnaast werd in Februari 2001 een „Evaluatie Groep‟
opgericht door het Comité van Ministers, die de mogelijkheden voor de
garandering van de effectiviteit van het EHRM moet onderzoeken.
Declaration of the Rome Ministerial Conference on Human Rights, “The European Convention
on Human Rights at 50: what future for the protection of human rights in Europe?”, Rome, 30
May 2009.
255
Reflection Group on the Reinforcement of the Human Rights Protection Mechanism(CDDHGDR).
254
Jura Falconis Jg. 47, 2010-2011, nummer 1
141
ANNELIES VERDUYCKT
Zowel de geschiedenis als de hervorming van het EHRM heeft steeds onder
spanning gestaan van twee tegengestelde inzichten, namelijk de discussie of de
voornamelijke rol van het verdragssysteem bestaat in het vellen van
individuele of constitutionele rechtspraak. De petitioners zijn voorstander van
het systeem van het individuele klachtrecht omdat zij van mening zijn dat het
individueel klachtrecht van potentiële verzoekers de belangrijkste waarborg is
opdat zij effectief internationaal herstel zouden kunnen genieten. Dit standpunt
leeft bij vele mensenrechtenorganisaties, alsook bij een minderheid binnen het
EHRM.256 De constitutionalists daarentegen, hechten vooral belang aan de
taak van het Hof om constitutioneel recht te spreken door het vellen van
principesarresten en zo de verdragsrechten te verklaren en uiteen te zetten. Zij
zijn ervan overtuigd dat het voor het EHRM onmogelijk is om binnen een
redelijke termijn uitspraak te doen over alle zaken en dat er bijgevolg keuzes
moeten worden gemaakt. Opdat er een grotere output zaken per jaar mogelijk
kan zijn, moet het EHRM zich toespitsen op het leveren van constitutionele
veroordelingen en dit als een Hof dat in laatste instantie oordeelt wanneer alle
nationale rechtsmiddelen mislukken. De belangrijkste vertegenwoordiger van
dit gedachtegoed is voormalig Voorzitter van het EHRM Luzius
WILDHABER.257
Het gedachtegoed van de constitutionalists botst echter op een belangrijk
tegenargument van de petitioners. Wanneer er meer zaken niet zullen worden
behandeld door het EHRM, zullen er steeds minder constitutionele zaken voor
het Hof worden gebracht.258 Wanneer bijgevolg individueel en constitutioneel
recht niet meer worden samengelezen, zal dit niet alleen tot een verwaarlozing
van het individuele recht leiden, maar ook tot het in het gevaar brengen van het
ontvangen van constitutionele zaken door het Hof. Het EHRM moet immers
rekenen op het individuele klachtrecht opdat het constitutionele uitspraken kan
vellen, aangezien de meeste verzoeken van particulieren komen en niet van de
Staten. De vraag is dus ten zeerste of een systeem dat zich slechts bezighoudt
met het vellen van constitutionele veroordelingen, niet zijn belangrijkste taak
uit het oog verliest, namelijk het veroordelen van zware schendingen. 259 De
zienswijze van de constitutionalists zou slechts aanvaardbaar kunnen zijn
indien het EHRM duidelijke en coherente richtlijnen zou geven die de Staten
gemakkelijk zouden kunnen volgen. 260 Deze discussie tussen de petitioners en
W. THOMASSEN, “Het individueel klachtrecht moet behouden blijven. Over het Europees Hof
voor de Rechten van de Mens en zijn toekomst”, NJCM-Bulletin 2003, 13.
257
L. WILDHABER, “A constitutional future for the European Court of Human Rights?”, HRLJ
2002, 161; S. GREER en L. WILDHABER, “The European Court of Human Rights: The past, the
present, the future”, Am. U Int’l L. Rev. 2006-2007, 521-538.
258
S. GREER, The European Convention on Human Rights. Achievements, problems and prospects,
Cambridge, CUP, 2006, 165-167.
259
K. ALTIPARMAK, “The european system for the protection of human rights in crisis : the end of
the road? ”, Journal of Europan Criminal Law 2009, Vol. 3, Issue 4, 12.
260
M. DEMBOUR, “Finishing off Cases: The radical solution to the problem of the expanding
ECtHR caseload”, EHRLR 2002, 622-623.
256
142
Jura Falconis Jg. 47, 2010-2011, nummer 1
HOE KAN WORDEN TEGEMOETGEKOMEN AAN DE SLECHTE UITVOERING VAN VEROORDELENDE
ARRESTEN VAN HET EHRM OP NATIONAAL NIVEAU?
de constitutionalists vindt zijn uiteindelijke compromis in de nieuwe
ontvankelijkheidsvereiste van artikel 35, § 3 EVRM zoals zal worden
ingevoegd door het Veertiende Protocol.
Daarnaast moet de complementaire relatie tussen kwaliteit en productiviteit
steeds in het oog worden gehouden bij het hervormingsproces. De
evaluatiegroep wees erop dat het Hof de mogelijkheid moet hebben om
verzoeken te behandelen binnen een redelijke termijn maar dat hierbij de
kwaliteit en de autoriteit van de rechtspraak moet blijven behouden. 261 Ook het
CDDH wijst erop dat er niet moet worden gekozen tussen de twee
gezichtspunten.262 Desondanks kan dit niet worden afgelezen uit het
hervormingsproces, aangezien hierbij steeds de nadruk wordt gelegd op
productiviteit en dit naar alle waarschijnlijkheid ten koste van de kwaliteit van
de rechtspraak.
Het Comité van Ministers verwachtte dat het CDDH met het nieuwe protocol
zou voorzien in een aangepast controlesysteem waardoor het EHRM de
mogelijkheid zou worden gegeven om verzoekschriften op een efficiëntere
wijze te filteren en te verwerken. Ook moest er een snellere en betere
tenuitvoerlegging van de uitspraken van het Hof komen. Daarnaast zouden de
Staten hun beleid op het nationale niveau meer in overeenstemming met de
rechtspraak van het EHRM moeten brengen zodat er minder klachten het Hof
zouden bereiken.263 Het Protocol werd door de Ministers goedgekeurd op 12
mei 2004 en werd diezelfde dag geopend voor ondertekening. Alle Staten
ratificeerden met of zonder enige twijfel het Protocol, terwijl op Rusland
moest worden gewacht tot 18 februari 2010. Naast dit Protocol werden ook
verscheidene
aanbevelingen
aangenomen
als
gevolg
van
dit
hervormingsproject.264
Evaluation Group, “Report of the Evaluation Group to the Committee of Ministers on the
European Court of Human Rights”, EG Court (2001)1, 27 September 2001, § 41.
262
Comittee of Ministers, “Final report containing proposals of the CDDH (adopted by the CDDH
op 4 april 2003)”, CM(2003)55, 8 April 2003, § 11.
263
M. MCKENZIE, P. MACMAHON, C. O‟CINNEIDE en L. CLARKE, Review of the working methods
of the European Court of Human Rights, December 2005, 13.
264
Recommendation Rec. (2000) 2 of the Committee of Ministers on the re-examination or
reopening of certain cases at domestic level following judgments of the European Union Of
Human Rights, 19 Januari 2000; Recommendation Rec. (2002) 13 of the Committee of Ministers
on the publication and dissemination in the member States of the text of the European Convention
on Human Rights and the case-law of the European Court of Human Rights; Recommendation
Rec. (2004) 3 of the Committee of Ministers on judgments revealing an underlying systemic
problem; Recommendation Rec. (2004) 4 of the Committee of Ministers on the European
Convention on Human Rights in university education and professional training; Recommendation
Rec. (2004) 5 of the Committee of Ministers on the verification of the compatibility of draft laws,
existing laws and administrative practice with the standards laid down in the European Convention
on Human Rights; Recommendation Rec.(2004)6 of the Committee of Ministers to Member States
on the improvement of domestic remedies, 12 May 2004.
261
Jura Falconis Jg. 47, 2010-2011, nummer 1
143
ANNELIES VERDUYCKT
3.2. NIEUWIGHEDEN
Hieronder worden enkele nieuwigheden besproken die door het Veertiende
Protocol bij het EVRM werden ingevoerd. Hoewel vooral de nieuwe
procedures voor het Comité van Ministers van belang zijn voor een betere
uitvoering van veroordelende arresten van het EHRM, worden enkele andere
nieuwigheden ook besproken. Deze laatsten zullen immers zorgen voor een
effectievere werking van het EHRM, hetgeen op lange termijn een betere
uitvoering van arresten zal bewerkstelligen.
3.2.1. De ontvankelijkheidsvereisten
De hervorming die uitmondde in het Veertiende Protocol heeft als hoofddoel
het bewerkstelligen van een grotere effectiviteit en het benadrukken van de
subsidiariteit van het Straatsburgse beschermingsmechanisme. Ter
verwezenlijking van deze doelstellingen werd een verstrengde
ontvankelijkheidsvereiste ingevoerd met het nieuwe artikel 35, § 3 b EVRM,
namelijk de vereiste van een substantial disadvantage. Dit houdt in dat een
klacht maar ontvankelijk zal zijn, wanneer er boven op de traditionele
ontvankelijkheidsvereisten, ook een betekenisvol nadeel voorhanden is. 265
De vraag was echter of de nieuwe ontvankelijkheidsvereiste zijn doel wel zou
bereiken. De kans bestond immers dat er maar zeer weinig zaken bijkomend
onontvankelijk zouden worden verklaard. Daarnaast maakt deze nieuwe
vereiste de ontvankelijkheidstest nog complexer waardoor er nog meer tijd zou
worden verloren doordat het EHRM zou moeten nagaan of er een substantial
disadvantage is en of deze is onderzocht door de nationale rechterlijke
instantie.266
Het werd echter reeds vanaf de eerste arresten die volgden op de
inwerkingtreding van het veertiende protocol duidelijk, dat de nieuwe
ontvankelijkheidsvereiste geen leeg begrip is. In het arrest Korolev tegen
Rusland,267 klaagde de verzoeker over het feit dat hij 22,5 Russische Roebels
niet kon terugvorderen, hetgeen een equivalent van minder dan één euro heeft.
In tegenstelling tot de eerste beslissing waarin het EHRM toepassing maakte
van de nieuwe ontvankelijkheidsvereiste,268 ging het Hof in deze zaak dieper in
op het begrip “betekenisvol nadeel”. Het Hof geeft aan dat de zaak in zijn
context moet worden gezien. Hierbij moet rekening worden gehouden met het
subjectief aanvoelen van de verzoeker alsook met de objectieve gegevens van
P. LEMMENS, Uitdagingen door en voor het E.V.R.M, “Het 14de protocol bij het E.V.R.M.: het
Europees Hof tegen zijn ondergang behoed“, Mechelen, Kluwer, 2005, 106.
266
S. GREER, The European Convention on Human Rights. Achievements, problems and prospects,
Cambridge, CUP, 2006, 190.
267
EHRM, Korolev t. Rusland, beslissing van 1 juli 2010.
268
EHRM, Adrian Mihai Ionescu t. Roemenië, beslissing van 1 juni 2010.
265
144
Jura Falconis Jg. 47, 2010-2011, nummer 1
HOE KAN WORDEN TEGEMOETGEKOMEN AAN DE SLECHTE UITVOERING VAN VEROORDELENDE
ARRESTEN VAN HET EHRM OP NATIONAAL NIVEAU?
de zaak. Het Hof geeft toe dat zelfs een zeer klein geldelijk verlies een
betekenisvol nadeel kan inhouden voor een persoon, maar beslist dat dit in
deze zaak niet het geval is. Het Hof heeft met dit arrest dan ook duidelijk
willen stellen wat er nu juist moet worden verstaan onder het betekenisvol
nadeel, zodat het in zijn toekomstige arresten dit niet meer zo omstandig zal
moeten uitleggen. Pas dan zal het doel van de nieuwe
ontvankelijkheidsvoorwaarde kunnen worden bereikt, namelijk een snellere
afhandeling van zinloze zaken en een betere werking van het EHRM.
3.2.2. De procedure
Ook zal de effectieve werking van het EHRM worden bewerkstelligd door
twee nieuwe procedures. Zowel de alleenzittende rechter als de comités van
drie rechters krijgen de bevoegdheid om beslissingen te nemen die gelden als
einduitspraak.269 De alleenzittende rechter zal de rol van de comités van drie
rechters toebedeeld krijgen. Hij kan bijgevolg de op grond van artikel 34
ingediende verzoekschriften niet-ontvankelijk verklaren of van de rol van het
Hof schrappen, wanneer deze beslissing zonder nader onderzoek kan worden
genomen.270 De comités van drie rechters krijgen de opdracht toegewezen die
voordien toekwam aan de Kamer van zeven rechters. Dit houdt in dat zij zaken
met eenparigheid van stemmen, niet-ontvankelijk kunnen verklaren of van de
rol kunnen schrappen, wanneer deze beslissing zonder nader onderzoek kan
worden genomen of het ontvankelijk verklaren en tegelijkertijd uitspraak doen
over de gegrondheid, indien de onderliggende vraag van de zaak, betreffende
de interpretatie of de toepassing van het Verdrag of de Protocollen daarbij,
reeds behoort tot de vaste rechtspraak van het Hof.271
3.2.3. Het Comité van Ministers
Het EHRM roept de hulp van het Comité van Ministers in wanneer er
problemen zijn met betrekking tot de interpretatie van de draagwijdte van een
veroordeling of wanneer er problemen zijn met de uitvoering van
Straatsburgse arresten door een bepaalde Staat. De regels van het Comité van
Ministers werden in 2006 aangepast aan het Veertiende Protocol opdat het
Comité een effectievere en transparantere werking zou hebben. In het
verleden deed het Comité van ministers reeds op informele wijze aan
monitoring onder artikel 32 EVRM. Met het Veertiende Protocol wordt een
nieuw artikel 39, § 4 EVRM formeel ingeschreven, hetgeen het Comité van
Ministers van een uitgebreide bevoegdheid voorziet ten aanzien van het
toezicht op minnelijke schikkingen.
269
Nieuw artikel 27, § 2 EVRM; nieuw artikel 28, § 2 EVRM.
Nieuw artikel 27, § 1 EVRM.
271
Nieuw artikel 28, § 1, b, EVRM; P. LEMMENS en W. VANDENHOLE, Protocol no. 14 and the
reform of the European Court of Human Rights, Antwerpen, Intersentia, 2005, 31-37; H. JANSSEN,
“Protocol 14 bij het EVRM. Met maatregelen in Straatsburg zijn we er nog niet: de toekomst van
het Hof ligt in de handen van de verdragspartijen bij het EVRM”, NJCM-Bulletin 2006, nr. 1, 127.
270
Jura Falconis Jg. 47, 2010-2011, nummer 1
145
ANNELIES VERDUYCKT
Ten tweede voegt het Veertiende Protocol een derde lid aan artikel 46 EVRM
toe, waardoor de „interpretatieprocedure‟ in het leven wordt geroepen. Deze
procedure geeft het Comité van Ministers de mogelijkheid om een uitlegging
van een arrest te vragen, hetgeen de uitvoering van een arrest kan
vergemakkelijken. Onduidelijke arresten liggen immers vaak aan de oorzaak
van een slechte uitvoering. Desalniettemin werd deze nieuwe procedure pas na
een lange discussie ingevoerd. Hierdoor is het dan ook niet verwonderlijk dat
er in hoofde van het Comité van Ministers een meerderheid van tweederde is
vereist, opdat om uitleg zou kunnen worden verzocht. Er werd echter geen
tijdslimiet ingevoerd, aangezien de noodzaak aan interpretatie vaak pas
aanwezig zal zijn een lange termijn, nadat het arrest werd geveld.272
Met de toevoeging van een vierde lid aan artikel 46 EVRM, voorziet het
Veertiende Protocol bij het EVRM het Comité van Ministers van de
controversiële „infringement-procedure‟. Wanneer een veroordeelde Staat
weigert uitvoering te geven aan een arrest, kan het Comité van Ministers met
een tweederde meerderheid aan het EHRM vragen of een Staat is tekort
gekomen aan zijn verplichtingen om het arrest uit te voeren. De Grote Kamer
van het Hof zal zich vervolgens buigen over het probleem. De verplichting van
het Hof bestaat dan enkel in het nagaan van de nakoming van de verplichting
tot uitvoering.273
Het nieuwe vijfde lid bij artikel 46 EVRM bepaalt dat indien het EHRM als
gevolg van de infringement-procedure een schending constateert, de zaak zal
worden doorverwezen naar het Comité van Ministers. Naar alle
waarschijnlijkheid zal het Comité van Ministers dan grijpen naar zijn meest
extreme sancties, namelijk de opschorting van het stemrecht in het Comité of
de uitsluiting uit de Raad van Europa. Hierdoor kan er wel een afschrikkend
effect aan de infringement-procedure worden toegeschreven. 274 Toch kan
worden gevreesd dat de infringement-procedure weinig effect zal hebben gelet
op de vereiste tweederde meerderheid binnen het Comité van Ministers en het
gebrek aan de mogelijkheid tot het opleggen van een geldelijke sanctie.
3.2.4. De Commissaris voor de Mensenrechten
Uit het nieuwe artikel 36 EVRM, zoals ingevoerd door het Veertiende
Protocol, vloeit voort dat de Commissaris voor de Mensenrechten het recht
heeft om in alle zaken tussen te komen. Hij kan dit doen door schriftelijke
opmerkingen in te dienen of aan de openbare terechtzitting deel te nemen. 275
272
E. LAMBERT-ABDELGAWAD, The execution of judgments of the European Court of Human
Rights, Human rights files, no 19, Straatsburg, Council of Europe Publishing, 2008, 54-55.
273
X. RUEDIN, Exécution des arrêts de la Cour européenne des droits de l’homme, Procédure,
obligations des Etats, pratique et réforme, Bruxelles, Bruylant, 2009, 362.
274
E. LAMBERT-ABDELGAWAD, The execution of judgments of the European Court of Human
Rights, Human rights files, nr. 19, Straatsburg, Council of Europe Publishing, 2008, 55.
275
Artikel 36 § 3 EVRM.
146
Jura Falconis Jg. 47, 2010-2011, nummer 1
HOE KAN WORDEN TEGEMOETGEKOMEN AAN DE SLECHTE UITVOERING VAN VEROORDELENDE
ARRESTEN VAN HET EHRM OP NATIONAAL NIVEAU?
Het doel van deze bepaling is de hoop dat de Commissaris een constructieve
bijdrage zal kunnen verlenen en nuttige inlichtingen zal kunnen verschaffen.
Deze nieuwigheid werd echter alleen mogelijk gemaakt voor zaken die
aanhangig zijn bij een kamer of de Grote Kamer, maar niet voor zaken
aanhangig bij de comités.276
Een grotere rol voor de Commissaris voor de Mensenrechten was echter
wenselijk geweest. Naar aanleiding van het Veertiende Protocol bij het EVRM
werden veel goede voorstellen gedaan. De Commissaris zou bijvoorbeeld op
actieve wijze kunnen antwoorden op de veroordelingen door het EHRM
waarbij ernstige schendingen worden vastgesteld. Daarnaast zou hij kunnen
aanmoedigen dat bemiddelingsorganen voor het oplossen van schendingen op
het nationale niveau worden gecreëerd en dat netwerken van nationale organen
worden gebruikt om problemen te identificeren in bepaalde Staten waaruit een
groot aantal van de verzoekschriften komt. Ook had het zeer wenselijk geweest
om de Commissaris in de mogelijkheid te voorzien om een zaak voor het
EHRM te brengen wanneer systematische en ernstige schendingen zich
voordoen in één van de verdragsstaten. In een aanbeveling van de
Parlementaire Vergadering werd in de mogelijkheid voorzien om van de
Commissaris voor de Mensenrechten een publieke aanklager te maken die een
soort van actio popularis voor het EHRM zou kunnen brengen.277 Geen enkele
van deze mogelijkheden werd echter aangenomen, hetgeen in lijn lijkt te zijn
met de huidige tendens binnen het EHRM om alles in werking te stellen om
een hogere productiviteit te bekomen.
C. KRITISCHE BENADERING
Het Veertiende Protocol bij het EVRM trad in werking op 1 juni 2010,
aangezien het werd bekrachtigd door de 47 verdragsstaten van de Raad van
Europa. Rusland heeft lange tijd geweigerd te bekrachtigen, omwille van zijn
vrees te worden veroordeeld voor zijn daden tegen Tsjetsjenië. De Russische
minderheden beweren dat zij het Protocol niet bekrachtigden omdat zij van
mening zijn dat er altijd een Russische rechter bij moet zitten, aangezien hun
klacht anders door één rechter onontvankelijk zou kunnen worden verklaard.
Het EHRM daarentegen geloofde niet dat dit de echte reden voor het weigeren
door Rusland was: het Hof weet deze weigering eerder aan de vrees van
Rusland om te worden veroordeeld en de, volgens Rusland, té politieke
ingesteldheid van het Hof. Maar op 18 februari 2010 echter, stemde Rusland
uiteindelijk toch toe met de inwerkingtreding van het Veertiende Protocol.
Naar de woorden van de Russische Minister van Justitie is de ratificatie van
het Veertiende Protocol “een bijkomend bewijs dat Rusland de waarden van de
P. LEMMENS, Uitdagingen door en voor het E.V.R.M, “Het 14de protocol bij het E.V.R.M. : het
Europees Hof tegen zijn ondergang behoed“, Mechelen, Kluwer, 2005, 135-136.
277
Recommendation 1606 (2003) of the Parliamentary Assembly on areas where the European
Convention on Human Rights cannot be implemented, § 10.
276
Jura Falconis Jg. 47, 2010-2011, nummer 1
147
ANNELIES VERDUYCKT
Raad van Europa deelt”, er is daardoor hoop dat de mensenrechten in Europa
en Rusland hiermee een vernieuwd enthousiasme zullen genieten.278
Desondanks lijkt het erop te wijzen dat het Protocol niet voldoende aan de
problemen van het EHRM tegemoetkomt. De nadruk werd door de
constitutionalists immers vooral gelegd op het reduceren van de werklast van
het Hof, waarbij het nog maar de vraag is of deze doelstelling zal worden
bereikt. Daarnaast werd er te weinig aandacht besteed aan de vraag naar een
effectieve rechtsbescherming voor de verzoekers. Duizenden voor het Hof
hangende zaken kunnen immers worden afgewezen, waardoor slachtoffers
zullen worden ontmoedigd om hun zaak voor het EHRM te brengen, hetgeen
niet de lange termijn oplossing kan zijn voor het verminderen van de werklast
van het Hof.
Daarnaast suggereerde het EHRM om de pilootarresten-procedure in te
schrijven in het EVRM en hoewel dit ook tijdens de besprekingen van het
Veertiende Protocol aan bod kwam, bevat het Veertiende Protocol er geen
bepalingen over. Men was immers van mening dat het te ver ging om de Staten
te verplichten tot de invoering van bepaalde rechtsmiddelen. 279
BESLUIT
Uit het bovenstaande vloeit voort dat voor een betere uitvoering van
veroordelende arresten van het EHRM, maatregelen moeten worden genomen
op drie niveaus. Zowel op het niveau van het EHRM zelf, als op het niveau
van de nationale Staten, als op het niveau tussen beiden, namelijk dat van het
Comité van Ministers en andere mensenrechtenbeschermingsorganen, moeten
veranderingen worden doorgevoerd. Alleen dan zal een hoog niveau van
mensenrechtenbescherming kunnen worden gehandhaafd binnen de
verdragsstaten van de Raad van Europa.
Door een onvoldoende effectieve uitvoering van Straatsburgse arresten op het
nationale niveau, wordt een groot aantal repetitieve zaken voor het EHRM
gebracht. Dit heeft ertoe geleid dat het EHRM onder een structurele
overbelasting gebukt gaat. Het EHRM heeft echter de grootste oplossingen om
hieraan tegemoet te komen zelf in handen.
Het kan hier ten eerste zelf toe bijdragen door arresten te vellen in duidelijkere
bewoordingen. Het EVRM is een levend verdrag, waardoor het EHRM niet
formeel is gebonden aan zijn vroegere rechtspraak en een evolutieve
X., “Rusland ratificeert hervorming Europees mensenrechtenhof”, De Standaard 18 februari
2010.
279
P. LEMMENS, Uitdagingen door en voor het E.V.R.M, “Het 14de protocol bij het E.V.R.M. : het
Europees Hof tegen zijn ondergang behoed“, Mechelen, Kluwer, 2005, 130-133.
278
148
Jura Falconis Jg. 47, 2010-2011, nummer 1
HOE KAN WORDEN TEGEMOETGEKOMEN AAN DE SLECHTE UITVOERING VAN VEROORDELENDE
ARRESTEN VAN HET EHRM OP NATIONAAL NIVEAU?
interpretatiemethode kan toepassen. Het moet daarbij wel uitdrukkelijk
aangeven wanneer het afwijkt van zijn vroegere rechtspraak en kan dit, met
oog op de rechtszekerheid, slechts in uitzonderlijke situaties. De evolutieve
interpretatiemethode zal in bepaalde gevallen tot een ruimere bescherming
leiden, met name wanneer situaties die men vroeger niet kende, hierdoor wel
onder het verdrag gaan vallen. Dit moet echter op zeer duidelijke wijze door
het EHRM worden aangegeven, aangezien door het interpretatief gezag van
gewijsde dat volgt uit de artikelen 1 en 32, § 1 EVRM, alle precieze en
duidelijke arresten waarbij geen beleidsafweging moet worden gemaakt een
erga omnes en retroactief karakter hebben ten aanzien van de Staten. De
consequente toepassing hiervan zou op lange termijn tot een grote
vermindering van het aantal zaken voor het EHRM kunnen leiden. Op korte
termijn echter, zorgt dit eerder voor een tegenovergesteld effect: er zal immers
een nieuwe type van verzoeken voor het Hof worden gebracht, zoals de vraag
of de door de Staten aangenomen maatregelen wel voldoende zijn in het licht
van de Straatsburgse rechtspraak.
Daarnaast heeft het EHRM geleidelijk aan het declaratoire karakter van zijn
arresten verlaten voor een meer proactieve aanpak. Dit doet het door de
maatregelen aan te duiden die in staat zijn om tegemoet te komen aan het
arrest, zoals bijvoorbeeld de heropening van de nationale procedures. Het is
echter aan te raden om deze maatregelen steeds uiteen te zetten in het
dispositief van het arrest, waardoor deze ten aanzien van de veroordeelde Staat
bindend zullen zijn. De GWP moedigde het aanvaarden van het bindende
karakter van de maatregelen uiteengezet in arresten van het EHRM aan en ook
het Comité van Ministers steunde dit met een aanbeveling.
Het EHRM zou ook steeds moeten proberen om op duidelijke wijze aan te
geven wanneer er algemene maatregelen moeten worden genomen, hetgeen tot
uiting is gekomen met het arrest-Broniowski. De toepassing van de
pilootarresten-procedure zal echter niet altijd het gewenste effect
teweegbrengen. In dit werk werden een aantal minpunten ervan besproken,
waarvan het belangrijkste probleem de situatie van de verzoekers in
gelijkaardige zaken behelst, aangezien zij ten gevolge van de opschorting van
hun gelijkaardige zaak volledig afhankelijk zullen zijn van het nationale
niveau. Het gebruik van de pilootarresten-procedure zal maar als aanvaardbaar
kunnen worden geaccepteerd indien de Staten efficiënte nationale
coördinatiemechanismen opzetten en het Comité van Ministers zijn
toezichthoudende taak naar behoren uitvoert. Het zou daarenboven wenselijk
zijn om deze procedure beter uit te werken en in te schrijven in het verdrag.
Ondanks het feit dat op het niveau van het EHRM een heleboel verbeteringen
kunnen worden doorgevoerd, is het voor de hand liggend dat ook de nationale
Staten veel veranderingen zullen moeten doorvoeren opdat er een effectievere
uitvoering van arresten van het EHRM zou zijn en repetitieve schendingen
kunnen worden vermeden.
Jura Falconis Jg. 47, 2010-2011, nummer 1
149
ANNELIES VERDUYCKT
Het EHRM en het Comité van Ministers hechten dan ook zeer veel belang aan
de nationale middelen. Wanneer er een beter gevoerde nationale procedure zou
zijn, zouden er minder repetitieve zaken tot bij het EHRM komen en bijgevolg
minder uitvoeringsproblemen zijn. Het EHRM legt door middel van bepaalde
constructies, zoals de Kudla-rechtspraak en de pilootarresten-procedure, de
nadruk op het belang van het nationale niveau. Dit zorgt ervoor dat de werklast
op het Straatsburgse niveau op termijn lichter wordt, maar de druk op nationale
Staten des te groter. Dit houdt echter een gevaar in ten aanzien van bepaalde
Staten, zoals bijvoorbeeld Rusland en Turkije, die op systematische wijze
ernstige mensenrechtenschendingen begaan en waar het gevaar van een
veroordeling door een afhankelijke rechter reëel is. Ten aanzien van zulke
Staten zou het EHRM beter wat terughoudender zijn met het terugsturen van
zaken naar het nationale niveau. Het Comité van Ministers kan hierbij een
belangrijke rol spelen door middel van zijn toezichtsfunctie. Het Comité kan
ook via memoranda en interim-resoluties heel wat teweegbrengen, zoals
bijvoorbeeld druk zetten op de nationale wetgever. Toch worden interimresoluties vaak als weinig dwingend en zwak ervaren, terwijl de ontzetting of
opschorting van het lidmaatschap van de Raad van Europa dan weer te streng
is. Hieraan zal de infringement-procedure, die zal worden ingevoerd door het
Veertiende Protocol bij het EVRM, tegemoet kunnen komen aangezien deze
zich tussen beide uitersten bevindt. Het probleem hierbij is echter dat de
vereiste tweederde meerderheid die moet worden verkregen binnen het Comité
ertoe kan leiden dat deze procedure weinig zal worden toegepast. Daarnaast
mag niet uit het oog worden verloren dat het Comité, net als het EHRM, te
kampen heeft met een te zware werklast.
Er moet ook een proactieve aanpak in hoofde van de nationale hoven en
rechtbanken worden aangemoedigd. Dit kan mede worden bewerkstelligd door
duidelijkere arresten van het EHRM. Maar vooral de hoogste rechtscolleges
van een land, zoals in België het Hof van Cassatie en het Grondwettelijk Hof,
moeten hierbij het voortouw nemen. Alle hoven en rechtbanken zouden de
Straatsburgse rechtspraak moeten toepassen, en dit zelfs alvorens de nationale
wetten aan de Straatsburgse rechtspraak zijn aangepast. Ook zouden Staten
hun nationale wetgeving en rechtspraak op spontane wijze moeten aanpassen
aan het EVRM, alvorens te worden veroordeeld. Zelfs wanneer er geen
Straatsburgse precedenten beschikbaar zijn, is oordelen in de zin van het
EVRM aangeraden. Het Belgische Grondwettelijk Hof komt hieraan tegemoet
door de bepalingen van het EVRM samen te lezen met de in de Belgische
Grondwet gewaarborgde rechten en vrijheden.
Daarnaast mag de rol van de andere mensenrechtenbeschermingsorganen niet
worden verwaarloosd, met in het bijzonder de rol van het Comité van
Ministers. Hierboven werd reeds de belangrijke toezichthoudende taak van het
Comité aangehaald. Ook de resoluties en de aanbevelingen die het aanneemt,
kunnen vaak een belangrijke invloed hebben. Zo nam het Comité van
150
Jura Falconis Jg. 47, 2010-2011, nummer 1
HOE KAN WORDEN TEGEMOETGEKOMEN AAN DE SLECHTE UITVOERING VAN VEROORDELENDE
ARRESTEN VAN HET EHRM OP NATIONAAL NIVEAU?
Ministers in navolging van het rapport-WOOLF een zeer belangrijke
aanbeveling met betrekking tot de nationale middelen. Het rapport van Lord
WOOLF handelde reeds over het invoeren van alternatieve
geschillenoplossingsmethoden zoals nationale ombudsmannen en Satellite
Offices van het Straatsburgse registratiebureau, maar het Comité van Ministers
ging hier nog dieper op in. Zo stelde het Comité voor om binnen elke Staat een
coördinatie-instantie op te richten voor de uitvoering van veroordelende
arresten. Deze instantie zou instaan voor het bekomen van de nodige
informatie, het overleg met personen verantwoordelijk op het nationale niveau
voor de implementatie van nieuwe maatregelen en het nemen van de nodige
maatregelen om de implementatieprocessen te versnellen. De uitvoering van
deze aanbeveling zou dan ook een grote stimulans kunnen beteken voor de
efficiënte samenwerking tussen de belangrijke actoren van het
implementatieproces op het nationale niveau en het Comité van Ministers,
hetgeen tot een betere uitvoering van arresten van het EHRM zou kunnen
leiden.
Daarenboven moet het Comité van Ministers zijn praktijk van het opleggen
van individuele en algemene maatregelen blijven voortzetten. Hierbij is het
van belang dat het Comité zijn in ontwikkeling zijnde praktijk van duidelijkere
richtlijnen voorzet. Toch moet het Comité ook opletten dat het de algemene
maatregelen niet overbeklemtoont, ten koste van de individuele maatregelen.
Dit kan het doen door zowel algemene als individuele maatregelen op te
leggen in hetzelfde arrest.
Ook kan de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa door zijn
nauwe banden met de Staten druk op de Staten leggen opdat er een betere
uitvoering aan de Straatsburgse arresten zou worden gegeven. Een meer
uitgebreide rol in de bevordering van de mensenrechten voor de Parlementaire
Vergadering zou echter wenselijk zijn. Ook ten aanzien van de Commissaris
voor de Mensenrechten kan worden betreurd dat het Veertiende Protocol niet
verder is gegaan in het geven van nieuwe bevoegdheden. De rol van openbare
aanklager, zoals in een aanbeveling van het Comité van Ministers wordt
voorgesteld, had hem een nieuwe, positieve wending kunnen geven.
Tot slot speelt zowel bij het EHRM, het Comité van Ministers als de nationale
Staten het belangrijke probleem van het gebrek aan financiële middelen. Dit
leidt immers onrechtstreeks tot een slechtere uitvoering van veroordelende
arresten. Wanneer er meer financiële middelen zouden zijn, zou er meer
informatie en opleiding op het nationale niveau kunnen worden verstrekt,
zodat burgers en overheden beter zouden worden geïnformeerd over de
rechtspraak, de ontvankelijkheidscriteria en het doel van het EHRM. Ook
zouden hierdoor minder zaken onnodig tot bij het EHRM worden gebracht.
Bij dit alles mag niet uit het oog worden verloren dat het hele
mensenrechtenbeschermingssysteem van het EVRM staat of valt bij de
Jura Falconis Jg. 47, 2010-2011, nummer 1
151
ANNELIES VERDUYCKT
politieke wil van de Staten. Wanneer de Staten geen goodwill tentoonspreiden,
zullen technieken zoals de pilootarresten-procedure en de Kudla-rechtspraak
geen positieve effecten teweegbrengen, maar enkel leiden tot een grotere
belasting van het EHRM. Daarom is het belangrijk dat de Staten van de Raad
van Europa, onverminderd hun soevereiniteit, een nieuwe, open houding gaan
aannemen ten aanzien van de rechtspraak van het EHRM.
152
Jura Falconis Jg. 47, 2010-2011, nummer 1
Download