DHZ Knelpuntenanalyse fase 2

advertisement
Analyse van de effecten en gevolgen van
klimaatverandering op het watersysteem en
functies
Regionale knelpuntenanalyse Zuid-Nederland (Fase 2)
Stuurgroep Deltaplan Hoge Zandgronden
30 mei 2012
Definitief rapport
9W8113
INHOUDSOPGAVE
Blz.
1
SAMENVATTING
1
2
INLEIDING
4
3
GEBIEDSBESCHRIJVING
7
4
METHODIEK EN UITGANGSPUNTEN
11
5
PRIMAIRE EFFECTEN
12
6
SECUNDAIRE EFFECTEN
6.1
Aanpassingen ten opzichte van 2011
6.2
Definities
6.3
Effecten op het watersysteem samengevat
6.4
Grondwaterstanden
6.5
Vochttekort
6.6
Beschouwing watervraag en -aanbod
6.7
Wateraanvoerbehoefte
6.8
Wateraanvoercapaciteit
6.9
Droogval beken
6.10
Wateroverlast
6.11
Watertemperatuur
14
14
14
15
17
23
27
28
30
34
36
37
7
TERTIARE EFFECTEN
7.1
Landbouw
7.1.1
Huidige situatie en knelpunten
7.1.2
Verwachte veranderingen
7.1.3
Autonome beleid in relatie tot klimaatverandering
7.1.4
Financiële gevolgen van klimaatverandering
7.1.5
Regionale differentiatie
7.2
Waterkwaliteit en aquatische natuur
7.2.1
Huidige situatie en knelpunten
7.2.2
Verwachte veranderingen
7.2.3
Autonome beleid in relatie tot klimaatverandering
7.2.4
Financiële gevolgen van klimaatverandering
7.2.5
Regionale differentiatie en samenvattend overzicht
7.3
Landnatuur
7.3.1
Kenmerken, kwaliteiten en knelpunten
7.3.2
De verwachte verandering
7.3.3
Autonoom beleid in relatie tot klimaatverandering
7.3.4
Financiële gevolgen van klimaatverandering
7.4
Stedelijk gebied
7.4.1
Huidige situatie en knelpunten
7.4.2
Verwachte veranderingen
38
38
38
40
42
43
44
45
45
46
48
48
49
50
50
51
55
56
56
56
57
Regionale knelpuntenanalyse Zuid-Nederland
Definitief rapport
9W8113/R00006/900642/BW//DenB
30 mei 2012
7.4.3
7.4.4
7.5
7.5.1
7.5.1
7.5.2
7.5.3
7.5.4
7.5.5
7.5.6
7.6
7.6.1
7.6.2
7.6.3
7.6.4
7.6.5
7.6.6
7.6.7
7.7
7.7.1
7.7.2
7.7.3
7.7.4
7.7.5
7.7.6
7.7.7
7.7.8
7.8
7.8.1
Autonoom beleid in relatie tot klimaatverandering
Financiële gevolgen van de klimaatverandering
Lozing van koelwater door de industrie
Inleiding
De huidige situatie en knelpunten
De verwachte verandering
Het autonome beleid in relatie tot klimaatverandering
De financiële gevolgen van klimaatverandering
Regionale differentiatie
Kennisleemtes en aanbevelingen
Scheepvaart op de Maas
Inleiding
De huidige situatie en knelpunten
De verwachte verandering
Het autonome beleid in relatie tot klimaatverandering
De financiële gevolgen van klimaatverandering
Regionale differentiatie
Kennisleemtes en aanbevelingen
Drinkwaterwinning
Situatie in Noord-Brabant
Situatie In Limburg
De huidige situatie en knelpunten
De verwachte verandering
Het autonome beleid in relatie tot klimaatverandering
De financiële gevolgen van klimaatverandering
Regionale differentiatie
Kennisleemtes en aanbevelingen
Recreatie
Verwachte verandering
59
60
62
62
62
64
64
64
65
65
65
65
65
68
68
69
69
69
70
70
71
71
71
75
75
75
76
76
76
8
EFFECTEN IN EEN 1/10 DROOG JAAR
77
9
CONCLUSIES
80
10
AANBEVELING VOOR NADER ONDERZOEK IN FASE 3
83
11
LITERATUURLIJST
84
BIJLAGE(N)
1. Uitleg van de DHZ iconen
9W8113/R00006/900642/BW//DenB
30 mei 2012
Regionale knelpuntenanalyse Zuid-Nederland
Definitief rapport
1
SAMENVATTING
Context van dit rapport
Dit rapport geeft een overzicht van knelpunten die ontstaan binnen het watersysteem en
de functies op de hoge zandgronden in Zuid-Nederland, als gevolg van
klimaatverandering.
Regionale aanleiding: Deltaplan Hoge Zandgronden
De hoge zandgronden in Noord-Brabant en Limburg liggen in een van de droogste delen van
Nederland. Onder invloed van klimaatverandering zal het aantal droogteperioden in de toekomst
verder toenemen. Daarnaast zal in perioden met extreme neerslag ook wateroverlast optreden. Eerder
is in de regio geconstateerd dat het gewenst is om met actieve betrokkenheid van alle betrokken
partijen (provincies, waterschappen, waterbedrijven, gemeentes, RWS, waterbeheerders,
terreinbeheerders, landbouwsector) te werken aan een klimaatbestendige watervoorziening en
ruimtelijke inrichting van het gebied. Innovatieve lange termijn oplossingen zijn nodig, gericht op zowel
watervraag als -aanbod. Deze oplossingen moeten realistisch en betaalbaar zijn en moeten bovendien
kunnen rekenen op een breed bestuurlijk en maatschappelijk draagvlak. Tegen deze achtergrond
werken 13 regionale partners samen in het project “Deltaplan Hoge Zandgronden” (DHZ). Het project
loopt van 2010 tot en met 2014 en heeft als doel: “Het ontwikkelen van een klimaatbestendige
1
watervoorziening en een daarmee samenhangende ruimtelijke inrichting op de hoge zandgronden in
Zuid-Nederland, die een optimale afstemming tussen vraag naar en aanbod van water behelzen,
voldoende onderbouwd zijn (door onderzoek, gebiedskennis, praktijkproeven e.d.) en bovendien
kunnen rekenen op een breed bestuurlijk en maatschappelijk draagvlak in het gebied.”
Deze analyse is uitgevoerd in opdracht van de stuurgroep Deltaplan Hoge
Zandgronden. In 2011 is een eerste versie van de knelpuntenanalyse opgesteld (DHV,
2011). Dit Fase 2 rapport is een verdere detaillering waarin de effecten voor de
verschillende sectoren verder zijn uitgewerkt op basis van nieuwe modelberekeningen.
In de modelberekeningen is gekeken wat het effect is van het KNMI W+scenario. Dit is
het meest ingrijpende KNMI scenario met veel drogere en warmere zomers dan we nu
hebben.
Ten opzichte van Fase 1 is nader uitgezocht wat de gevolgen zijn voor de verschillende
gebruikers van water, inclusief de effecten op natuur en de waterkwaliteit. Het
voortschrijdend inzicht ten opzichte van fase 1 zit dus vooral in hoofdstuk 7.
Effecten voor de sectoren (hoofdstuk 7)
1. Enerzijds neemt de potentiële opbrengst voor de landbouw toe (langer groeiseizoen,
hogere luchttemperatuur). Anderzijds krijgt de landbouw te maken met een
verdubbeling van het vochttekort. Het vochttekort voor de landbouw kan slechts
gedeeltelijk worden ondervangen door beregening en wateraanvoer. De omvang
landbouwschade door klimaatverandering neemt toe met 75 M€ per jaar. De opgave
om vraag en aanbod van water in landbouwgebieden aan te passen aan
klimaatverandering is groot.
1
Het begrip watervoorziening heeft hier betrekking op zowel vraag als aanbod en verdeling van water. Het omvat
dus meer dan alleen de aanvoer van water.
Regionale knelpuntenanalyse Zuid-Nederland
Definitief rapport
9W8113/R00006/900642/BW//DenB
-1-
30 mei 2012
2. De bestaande opgave voor het tegengaan van verdroging in landnatuur is nu al zeer
groot. Klimaatverandering geeft daarbovenop nog een extra opgave, namelijk het
compenseren van de verlaging van de GLG met 20 cm door extra
waterconservering. Een ander knelpunt is de versnippering van de natuurgebieden.
Om klimaatschommelingen op te kunnen vangen is het van belang dat
natuurgebieden goed met elkaar verbonden zijn.
3. In stedelijk gebied treden extra problemen op met zowel te veel als te weinig water.
Door grotere piekbuien zal er meer water op straat komen. Droge en warme
perioden zorgen voor een slechtere waterkwaliteit in de stadsvijvers. Dit heeft een
negatieve invloed op de leefbaarheid in stedelijke gebieden.
4. Voor de drinkwaterwinning lijkt de diepe grondwatervoorraad voldoende op peil te
blijven. De grondwateraanvulling neemt weliswaar af, maar is nog ruimschoots
voldoende om de onttrokken hoeveelheden te compenseren. Wel zullen in Limburg
vaker beperkingen optreden voor de drinkwatervoorziening uit ondiepe
grondwaterpakketten en uit oppervlaktewater.
5. Er is een toename te verwachten van de vraag naar voorzieningen voor
waterrecreatie. Tegelijkertijd treedt een toename op van gezondheidsrisico´s door
blauwalgen en bacteriële verontreinigingen.
6. Industrie en energievoorziening zullen vaker te maken krijgen met beperkingen van
waterinname en lozingen door te hoge watertemperatuur. Welke gevolgen dit heeft
is nog onduidelijk.
7. De scheepvaart zal vaker te maken krijgen met schutbeperkingen. Op korte termijn
zijn de financiële gevolgen van klimaatverandering op de scheepvaart klein. Op
langere termijn kan er schade optreden, vanwege langere wachttijden van schepen
bij de sluizen.
Effecten voor het waterbeheer (hoofdstuk 6)
De effecten van klimaatverandering (volgens het W+-scenario) op het watersysteem zijn
(door middel van modelberekeningen) en kwalitatief (op basis van expert kennis) in
beeld gebracht:
1. Het vochttekort neemt bij het W+-klimaatscenario aanzienlijk toe. Over de gehele
regio Zuid-Nederland bedraagt dit gemiddeld 184 miljoen m3 per zomerhalfjaar.
Gemiddeld neemt het vochttekort toe van 36 naar 75 mm in het zomerhalfjaar. De
bodem van Zuid-Limburg (lössgrond) is minder gevoelig voor droogte. Het
vochttekort loopt hier op van 4 naar 26 mm.
2. Naast het vochttekort neemt de vraag naar beregening uit grondwater met 50% toe.
Deze toename bedraagt gemiddeld over de gehele regio 57 miljoen m3 per
zomerhalfjaar.
3. De wateraanvoerbehoefte neemt toe met 22%.
4. De gemiddeld laagste Maasafvoer neemt met 50% af. Daarnaast neemt het aantal
jaren waarin een aanvoerbeperking zal worden toegepast aanzienlijk toe van
incidenteel tot eens in de 3 jaar.
5. De grondwaterstand daalt in gemiddelde zomers 20 cm verder dan bij het huidige
klimaat. In de winter kan de grondwaterstand zich weer deels herstellen, maar de
GHG is 5 tot 10 cm lager dan in de huidige situatie.
6. De afvoer van beken neemt af met ongeveer 20% af en de droogval neemt 4 tot
12% toe.
7. Regionale wateren warmen meer op.
9W8113/R00006/900642/BW//DenB
30 mei 2012
Regionale knelpuntenanalyse Zuid-Nederland
-2-
Definitief rapport
8. Door lagere waterstanden en hogere watertemperaturen wordt de waterkwaliteit
bedreigd. Vooral de stadswateren krijgen te maken met extra problemen.
9. De kans op wateroverlast door hoge grondwaterstanden en hevige neerslag neemt
toe.
10. Deze knelpuntenanalyse is toegespitst op gemiddelde jaren. Hiervoor zijn de
meteorologische gegevens van de jaren 2001-2009 gebruikt. Voor een droog jaar
dat eens in de 10 jaar voorkomt (2003) zijn de effecten groter. Daarbij wordt wel de
maximale beregeningscapaciteit bereikt en neemt de beekafvoer versterkt af.
11. Bestaande waterkwaliteitsproblemen nemen toe, met name in stadswater.
Daarnaast zijn er meer problemen te verwachten in het landelijk gebied
(voornamelijk in ecologisch waardevolle beken). Beide problemen zullen
wijdverspreid over het DHZ gebied optreden.
Regionale knelpuntenanalyse Zuid-Nederland
Definitief rapport
9W8113/R00006/900642/BW//DenB
-3-
30 mei 2012
2
INLEIDING
Toelichting op voorliggende rapport
Dit rapport geeft een overzicht van knelpunten die ontstaan binnen het watersysteem en
de functies op de hoge zandgronden in Zuid-Nederland, als gevolg van
klimaatverandering.
Regionale aanleiding: Deltaplan Hoge Zandgronden
De hoge zandgronden in Noord-Brabant en Limburg liggen in een van de droogste delen van
Nederland. Onder invloed van klimaatverandering zal het aantal droogteperioden in de toekomst
verder toenemen. Daarnaast zal in perioden met extreme neerslag ook wateroverlast optreden. Eerder
is in de regio geconstateerd dat het gewenst is om met actieve betrokkenheid van alle betrokken
partijen (provincies, waterschappen, waterbedrijven, gemeentes, RWS, waterbeheerders,
terreinbeheerders, landbouwsector) te werken aan een klimaatbestendige watervoorziening en
ruimtelijke inrichting van het gebied. Innovatieve lange termijn oplossingen zijn nodig, gericht op zowel
watervraag als -aanbod. Deze oplossingen moeten realistisch en betaalbaar zijn en moeten bovendien
kunnen rekenen op een breed bestuurlijk en maatschappelijk draagvlak. Tegen deze achtergrond
werken 13 regionale partners samen in het project “Deltaplan Hoge Zandgronden” (DHZ). Het project
loopt van 2010 tot en met 2014 en heeft als doel: “Het ontwikkelen van een klimaatbestendige
2
watervoorziening en een daarmee samenhangende ruimtelijke inrichting op de hoge zandgronden in
Zuid-Nederland, die een optimale afstemming tussen vraag naar en aanbod van water behelzen,
voldoende onderbouwd zijn (door onderzoek, gebiedskennis, praktijkproeven e.d.) en bovendien
kunnen rekenen op een breed bestuurlijk en maatschappelijk draagvlak in het gebied.”
Deze analyse is uitgevoerd in opdracht van de stuurgroep Deltaplan Hoge
Zandgronden. In 2011 is een eerste versie van de knelpuntenanalyse opgesteld (DHV,
2011). In de periode 2011- 2012 is gewerkt aan een verdere uitwerking van deze
analyse. Kennisleemtes die in het Fase 1 rapport zijn genoemd worden verder uitgelicht
in het voorliggende rapport.
Doelstelling
De tweede fase van de knelpuntenanalyse Deltaplan Hoge Zandgronden heeft als doel:
 Het geven van een betere kwantificering van de gesignaleerde knelpunten in de
eerste fase.
 Het maken van een betere uitwerking van inhoudelijke onderwerpen die in de eerste
fase niet of nauwelijks aan bod zijn gekomen. Voorbeelden zijn waterkwaliteit,
landnatuur, stedelijk gebied, industrie en scheepvaart.
 Het toevoegen van Zuid-Limburg in de analyse.
 Het definiëren van kennisvragen die in de volgende fasen verder beantwoord
moeten worden.
2
Het begrip watervoorziening heeft hier betrekking op zowel vraag als aanbod en verdeling van water. Het omvat
dus meer dan alleen de aanvoer van water.
9W8113/R00006/900642/BW//DenB
30 mei 2012
Regionale knelpuntenanalyse Zuid-Nederland
-4-
Definitief rapport
Werkwijze
Deze knelpuntenanalyse is tot stand gekomen door het bijeenbrengen van zo veel
mogelijk actueel beschikbare kennis. Er is gebruik gemaakt van:
 Recente literatuur. Voorbeelden zijn het STOWA rapport (2011) over waterkwaliteit
en de Alterra rapporten (2011) over de klimaateffecten op de natuur in NoordBrabant en Limburg.
 Landelijke gegevens, bijvoorbeeld de berekeningen met het NHI en Agricom.
 Gesprekken en bijeenkomsten met specialisten en gebiedskenners. Dit is ingezet
voor de onderwerpen waterkwaliteit en stedelijk gebied.
 Inventarisaties bij de waterschappen en Rijkswaterstaat, bijvoorbeeld over de
huidige knelpunten bij het gebruik van industriewater en de scheepvaart.
 Nieuwe grondwatermodelberekeningen van het regionaal
grondwaterinstrumentarium (Brabant model, Ibrahym in Noord-Limburg en IwanH in
Zuid-Limburg).
Relatie met de adaptatiestrategieën
Parallel met het schrijven van het voorliggende rapport is gewerkt aan het uitwerken van
maatregelenpakketten ten behoeve van de adaptatiestrategieën. De mogelijke
bouwstenen voor maatregelenpakketten worden beschreven in een aparte rapportage
(Royal Haskoning 2012/2): “DHZ Strategiedocument Fase 2. Op zoek naar mogelijke
maatregelen”. In het strategierapport wordt onderscheid gemaakt in een regionale
aanpak en een aparte aanpak voor Zuid-Limburg. Daarnaast wordt ingezoomd op de
gebieden waar wateraanvoer mogelijk is, het stedelijk gebied en de natuurgebieden. Het
strategierapport is vooral gemaakt op basis van bestaande inzichten in de knelpunten in
de eerste fase. Het voorliggende rapport met een meer gedetailleerde beschrijving van
de knelpunten is een startpunt voor de derde fase waarin de adaptatiestrategieën verder
worden uitgewerkt.
Leeswijzer
Dit rapport bevat een samenvatting van de belangrijkste boodschappen, een
gebiedsbeschrijving (hoofdstuk 3), een korte beschrijving van de gehanteerde methoden
en technieken (hoofdstuk 4) en de uitwerking per type effect en thema (hoofdstuk 5, 6
en 7). Per thema is een bestuurlijke boodschap geformuleerd welke vervolgens is
toegelicht met de conclusies van de analyse. Hierbij is een onderscheid gemaakt in drie
typen klimaateffecten: primaire, secundaire en tertiaire (zie figuur 2.1). Dit rapport is ten
opzichte van de rapportage in de eerste fase het meest uitgebreid in hoofdstuk 7 met
een gedetailleerde beschrijving van de verschillende effecten op de sectoren. Hoofdstuk
8 gaat in op de effecten van klimaatverandering in een 1/10 droog jaar (2003). De
belangrijkste conclusies van deze knelpuntenanalyse worden gepresenteerd in
hoofdstuk 9. Hoofdstuk 10 geeft op hoofdlijnen het verdere vervolg van de analyse van
effecten en gevolgen van dit project weer.
Regionale knelpuntenanalyse Zuid-Nederland
Definitief rapport
9W8113/R00006/900642/BW//DenB
-5-
30 mei 2012
Primaire
X gebied
effecten
Adaptatiestrategi
Secundaire
X functie
effecten
X omvang
Impact
X weging
Ernst
Urgentie
Watersysteem
Adaptatiestrategi
e
Toelichting bij het schema:
Onder primaire effecten van klimaatverandering verstaan we de klimatologische verandering van klimaatfactoren
als temperatuur, neerslag, zeespiegel en wind. De mate waarin deze effecten doorwerken in een gebied is
afhankelijk van de geohydrologische eigenschappen van de bodem en de abiotische omstandigheden. We
noemen dit secundaire effecten van klimaatverandering. Secundaire effecten hebben ook effect op het
watersysteem en vice versa beïnvloedt het watersysteem ook de mate waarin secundaire effecten optreden. Of
deze effecten van klimaatverandering uiteindelijk tot kansen of knelpunten (impact) leiden is afhankelijk van de
gevoeligheid van de functies in het gebied. De omvang van de impact bepaalt de ernst van de optredende
effecten. Verschillende afwegingen bepalen uiteindelijke de urgentie. Op basis van de urgentie kan bepaald
worden in hoeverre aanpassing van het watersysteem of verandering van functies noodzakelijk is.
Figuur 2.1: Denkschema van effect naar gevolg
9W8113/R00006/900642/BW//DenB
30 mei 2012
Regionale knelpuntenanalyse Zuid-Nederland
-6-
Definitief rapport
3
GEBIEDSBESCHRIJVING
Het Deltaplan Hoge Zandgronden richt zich op de hoge zandgronden in ZuidNederland.3 Deze strekken zich uit van Roosendaal tot Venlo en van ’s-Hertogenbosch
tot Maastricht. Het betreft een gebied van ongeveer 6.300 km2. De hoogte van het
gebied varieert van ongeveer 1m +NAP tot meer dan 100 meter +NAP in Zuid-Limburg
(figuur 3.1).
Figuur 3.1: Hoogteligging van Deltaplan Hoge Zandgronden (Bron: AHN)
3
Het DHZ gebied omvat de gehele provincie Noord-Brabant en Limburg, met uitzondering van de poldergebieden in
West-Brabant. De poldergebieden in West-Brabant zijn wel meegenomen in de rekenmodellen en worden ook op
de kaart gepresenteerd, maar bij de analyses (in getallen) is dit gebied buiten beschouwing gelaten. Het DHZ
gebied is herkenbaar op alle kaarten aan de paarse lijn.
Regionale knelpuntenanalyse Zuid-Nederland
Definitief rapport
9W8113/R00006/900642/BW//DenB
-7-
30 mei 2012
Karakteristiek voor het
gebied zijn de
beekdalen, afgewisseld
met daartussen gelegen
hoge gronden (zie figuur
3.2). Door de zandige
bodem komt inzijging op
grote schaal voor.
Figuur 3.2: Kenmerkend hydrologisch systeem voor de hoge gronden
(Bron: Deltares/RIVM, 2010 )
Breuklijnen in de ondergrond zorgen voor gebieden met verschillende opbouw van
diepe en ondiepe grondwaterpakketten (zie figuur 3.3). Van groot belang voor de regio
is de diepe Roerdalslenk in Limburg die in Noord-Brabant de Centrale Slenk wordt
genoemd. Uit dit diepe watervoerende pakket van vele honderden meters dik wordt het
overgrote deel van het drink- en industriewater gewonnen wordt. Ten oosten van de
Peelrandbreuk ligt de Peelhorst met een ondiep grondwaterpakket. De geohydrologie in
het oosten van Brabant wordt gekenmerkt door een heterogeen systeem van lagen in
de ondergrond. Het geohydrologische systeem in Zuid-Limburg, ten zuiden van de
Feldbissbreuk, is zeer specifiek, door een andere samenstelling van bodem (lössgrond)
en ondergrond (kalksteen) en grotere hoogteverschillen.
9W8113/R00006/900642/BW//DenB
30 mei 2012
Regionale knelpuntenanalyse Zuid-Nederland
-8-
Definitief rapport
Figuur 3.3: Topografie van het DHZ gebied met de ligging van de natuurgebieden, de steden, de
belangrijkste geologische breuken en het gebied waar wateraanvoer mogelijk is
De hoge zandgronden worden doorsneden door de Maas en een stelsel van Limburgse
en Brabantse kanalen. Naast een functie voor de scheepvaart, hebben de kanalen een
functie voor de wateraanvoer en –afvoer van en naar de Maas. Met name in droge tijden
wordt vanuit de Noordervaart water ingelaten in het gebied van de waterschappen Peel
en Maasvallei en Aa en Maas. In het Waterakkoord voor de Midden-Limburgse en
Noord-Brabantse kanalen (Watak) hebben de waterbeheerders afgesproken dat er tot 6
m3/s aangevoerd mag worden. Door hydraulische knelpunten wordt in de praktijk
maximaal 4 tot 4,5 m3/s aangevoerd. Ook in benedenstroomse gebieden van
waterschap de Dommel en Aa en Maas wordt water ingelaten vanuit het
hoofdwatersysteem.
Regionale knelpuntenanalyse Zuid-Nederland
Definitief rapport
9W8113/R00006/900642/BW//DenB
-9-
30 mei 2012
Tabel 3.1: Landgebruik op de zuidelijke hoge zandgronden (bron: Landgebruikskaart Nederland 5)
Type landgebruik
Oppervlak (100 ha)
Oppervlakte (%)
Naaldbos
631
10.1%
Loofbos
391
6.2%
Gras
1592
25.4%
Akkerbouw- en tuinbouw
1977
31.5%
Natuur (minus bos)
186
3.0%
Bebouwing en wegen
1357
21.6%
Zand/Kale grond
5
0.1%
Open water
133
2.1%
TOTAAL
6271
100%
Tabel 3.1 geeft een overzicht van de verdeling van het landgebruik. Natuur bestaat op
de hoge delen uit (stuif)duinen, bossen, heide en vennen. Op de Peelhorst zijn nog
enkele restanten hoogveen te vinden, waaronder de Groote Peel en de
Mariapeel/Deurnesepeel. In de lagere delen is beekdalnatuur van belang, evenals
leembossen. Door toenemend verhard oppervlak en verbeterde
afwateringsmogelijkheden zijn grondwaterstanden in de laatste vijftig jaar flink gedaald.
Het gebied kampt al decennia met verdrogingsproblemen, die met behulp van
herstelprojecten steeds meer worden tegengegaan. Veel van de natuurgebieden
hebben ook een toeristisch-recreatieve functie.
In het DHZ gebied is een goed ontwikkelde en kapitaalintensieve land- en tuinbouw
aanwezig. Vochttekorten in de landbouw worden deels aangevuld met wateraanvoer en
beregening uit grond- en oppervlaktewater. Om water langer in het gebied vast te
houden vindt actief stuwbeheer plaats, ook door agrariërs zelf.
Incidenteel treedt er wateroverlast op. Knelpunten zijn het grootst daar waar in
beekdalen gebouwd is, zoals bij de steden Eindhoven en Helmond. Om goed om te
gaan met de interactie tussen afvoerpieken in beeksystemen en in de Maas wordt het
peilbeheer en informatievoorziening rond hoogwater steeds verder verfijnd.
9W8113/R00006/900642/BW//DenB
30 mei 2012
Regionale knelpuntenanalyse Zuid-Nederland
- 10 -
Definitief rapport
4
METHODIEK EN UITGANGSPUNTEN
Het KNMI heeft in 2006 klimaatscenario’s uitgebracht die beschrijven in welke mate
temperatuur, neerslag, wind en zeespiegel kunnen veranderen. Zeespiegelstijging heeft
vooralsnog weinig effect op de hoge zandgronden. We beperken ons in de analyse
daarom tot de effecten van neerslag en temperatuur. De KNMI ’06 scenario’s bestaan
uit vier mogelijke scenario’s. Bij de gematigde (G) scenario’s wordt uitgegaan van een
wereldwijde temperatuurstijging van 1 graad ten opzichte van 1990. Bij de warme (W)
scenario’s is dit twee graden. Bij de + scenario’s is bovendien sprake van een wijziging
van de luchtstromingspatronen. Inmiddels lijken de gematigde scenario’s minder
waarschijnlijk (KNMI 2009). In deze analyse gaan we daarom nader in op de warme
scenario’s (W en W+). De scenario’s beschrijven de toekomstige situatie in het jaar
2050.
In deze analyse is gekeken naar de klimaateffecten op het huidige landgebruik van het
landelijk gebied op de zuidelijke hoge zandgronden. Tevens is uitgegaan van de huidige
fysieke mogelijkheden voor de aanvoer van Maaswater en voor de
grondwaterberegening van landbouwgebieden. Hierdoor worden de knelpunten van
klimaatverandering voor de huidige belangen in de regio bepaald alvorens mogelijke
adaptatiestrategieën te ontwikkelen. Bij het ontwikkelen van adaptatiestrategieën wordt
overigens wel rekening gehouden met veranderingen in het landgebruik.
Deze analyse is gebaseerd op een combinatie van literatuurstudie, expertkennis en
modelberekeningen, beide getoetst aan en aangevuld met de kennis van de DHZ
partners. Zo is er gebruik gemaakt van eerdere landelijke of regionale klimaatstudies
zoals de Knikpuntenstudie, maar is ook gebruik gemaakt van de mede door Alterra en
DHV ontwikkelde Klimaateffectatlas (Alterra/DHV/KNMI 2009).
Voor een verdiepende analyse van enkele thema’s rond droogteproblematiek zijn vijf
regionale grondwatermodellen ingezet. Voor de beschrijving van de huidige situatie is
de periode 1994-2004 als representatieve periode genomen en 2003 als een
representatief droog jaar dat eens in de 10 jaar voorkomt. De huidige situatie (19942004) is vervolgens vergeleken met het W+-klimaatscenario. Bij deze modelberekening
is alleen het W+-scenario doorgerekend, omdat in dat scenario de effecten van de
onderzochte droogte het duidelijkst merkbaar zijn. De variatie tussen de huidige situatie
en het W+-scenario geven goed de bandbreedte van de mogelijke klimaatontwikkeling
weer. Uitgangspunten bij de modelberekeningen zijn:
 huidig grondgebruik;
 bestaande infrastructuur voor beregening en wateraanvoer;
 het groeiseizoen loopt van 1 april tot 1 oktober;
 geen stremming van Maasaanvoer;
 gelijkblijvende onttrekkingen voor drinkwater en industrie.
Alle gegevens die gepresenteerd zijn in deze studie zijn beoordeeld en waar nodig
aangevuld door alle betrokken projectpartners, waaronder naast de betrokken
overheden ook maatschappelijke organisaties als de drinkwaterbedrijven, land- en
tuinbouworganisaties en natuurorganisaties. Ook heeft er afstemming plaatsgevonden
met het Deelprogrammateam Zoetwater, die op landelijke schaal een analyse heeft
uitgevoerd naar de zoetwaterproblematiek in Nederland.
Regionale knelpuntenanalyse Zuid-Nederland
Definitief rapport
9W8113/R00006/900642/BW//DenB
- 11 -
30 mei 2012
5
PRIMAIRE EFFECTEN
Conclusie
In alle vier de KNMI scenario’s wordt het jaarrond gemiddeld warmer en ‘s winters natter. Wat
betreft de hoeveelheid neerslag kan het ‘s zomers afhankelijk van het klimaatscenario zowel
+
gemiddeld natter (W) als gemiddeld droger (W ) worden. Onder elk scenario neemt de kans op
hevige piekbuien in de zomermaanden toe. In het W+-scenario worden ook veel langere perioden
met extreme droogte voorspeld.
Primaire effecten zijn de klimatologische effecten van klimaatverandering. In de studie
zijn de primaire effecten van neerslag en temperatuur onderzocht. Zoals in het
voorgaande hoofdstuk reeds is vermeld gaan we in deze analyse in op de warme
scenario’s (W en W+).
Uit de gegevens over de temperatuur kunnen we opmaken dat door een stijging van de
gemiddelde temperatuur het aantal warme dagen fors gaat toenemen, terwijl het
gemiddeld aantal vorstdagen afneemt.
Figuur 5.1: Verandering in temperatuur (links) en neerslag (rechts) bij het W en W+ scenario in 2050
in De Bilt
Zo verviervoudigt het aantal dagen waarop de temperatuur in de regio boven de 30
graden uitkomt naar 16-26 dagen. De kans op hittegolven en warmtestress neemt
hierdoor toe, maar hogere temperaturen zullen ook leiden tot meer vraag naar aan
water gerelateerde recreatie, kansen voor nieuwe landbouwgewassen en
warmteminnende natuur. Deze effecten zijn het sterkst waarneembaar in het W+scenario.
De regiospecifieke neerslaggegevens laten zien dat in beide scenario’s de winters
gemiddeld natter worden. In het W-scenario wordt ook de zomer natter, terwijl in het
W+-scenario de gemiddelde neerslag in de zomer juist sterk afneemt en langdurige
periodes van droogte vaker zullen voorkomen. Voor de afvoer van rivieren is het
bovendien van belang te kijken naar periodes van aaneengesloten dagen met veel
neerslag. Deze neemt vergelijkbaar met de winterneerslag in beide scenario’s licht toe.
Opvallender is dat het aantal natte dagen in de zomer van het W+ scenario aanzienlijk
afneemt, dat leidt tot een aanzienlijke droogtestress in het groeiseizoen. Door
zwaardere buien neemt het aantal dagen met veel regen toe.
9W8113/R00006/900642/BW//DenB
30 mei 2012
Regionale knelpuntenanalyse Zuid-Nederland
- 12 -
Definitief rapport
Deze toename is het sterkst in de winters uit het W+ scenario, en de kans hierop wordt
aanzienlijk groter in het zomerhalfjaar van het W-scenario en kan voor lokale
wateroverlast zorgen.
Figuur 5.2: Verandering aantal natte dagen (links) en verandering neerslag op natte dagen (rechts) in
het W en W+ scenario in De Bilt
We veronderstellen dat de primaire effecten voldoende regiospecifiek bekend zijn om de
secundaire en tertiaire effecten voor de hoge zandgronden in te kunnen schatten. Over
het aantal uren zonneschijn is onder de verschillende klimaatscenario’s nog weinig
bekend. Het KNMI werkt aan nieuwe klimaatscenario's die de KNMI'06 scenario's rond
2013 zullen opvolgen. Wanneer die beschikbaar zijn, zullen we die gebruiken voor
nadere analyses.
Regionale knelpuntenanalyse Zuid-Nederland
Definitief rapport
9W8113/R00006/900642/BW//DenB
- 13 -
30 mei 2012
6
SECUNDAIRE EFFECTEN
Veranderingen in temperatuur en neerslag hebben effect op watertekort, droogval,
wateroverlast, toename waterbehoefte, veranderde Maasafvoer, verhoging van de
watertemperatuur en verslechtering van de waterkwaliteit. Dit worden de secundaire
effecten genoemd. De effecten van droogte zijn het meest waarneembaar in het W+scenario, terwijl de effecten van wateroverlast juist het grootst zijn in het W-scenario. Dit
hoofdstuk concentreert zich op de droogte effecten in het W+ scenario. De beschreven
effecten moeten daarom gelezen worden als de verwachte veranderingen als gevolg
van het W+ scenario.
6.1
Aanpassingen ten opzichte van 2011
Begin 2011 zijn voor het eerst hydrologische berekeningen uitgevoerd voor heel NoordBrabant en Noord-Limburg, ten behoeve van de knelpuntanalyse Deltaplan Hoge
Zandgronden. Deze hydrologische berekeningen zijn uitgevoerd met vier verschillende
grondwatermodellen; de drie regionale modellen voor Noord-Brabant en Noord-Limburg
met Ibrahym. Geconstateerd werd dat er verschillen waren in de uitkomsten van de
verschillende modellen. De achterliggende modellen zijn verbeterd en onderling op
elkaar afgestemd. Verbeterde onderdelen zijn de wijze van berekenen van verdamping,
wateraanvoer en beregening. Daarnaast is de modelperiode verlengd (1994-20094).
Een andere aanpassing is dat in 2012 ook de modelberekeningen van het IwanH model
in Zuid-Limburg aan de analyse zijn toegevoegd. Deze berekeningen zijn op het laatste
moment gereed gekomen en waar mogelijk aan deze rapportage toegevoegd. In de
berekeningen worden naast de effecten van klimaatverandering op grondwaterstanden
en vochttekort ook de invloed van beregening, wateraanvoer en waterconservering
indicatief berekend. De achtergronden van de modelopzet, modelverbeteringen, en
calibratie resultaten zijn beschreven in een aparte rapportage (Royal Haskoning,
2012c).
6.2
Definities
In de modellen is gerekend met het huidige landgebruik en het toekomstige klimaat in
2050 volgens het W+ KNMI scenario. Op kaarten en tabellen zijn de belangrijkste
conclusies samengevat. Hierbij zijn de volgende definities gehanteerd:
1. Het vochttekort. Dit is het verschil tussen de werkelijke verdamping (de actuele
verdamping) van een plant en hetgeen deze zou verdampen als de vochtcondities
optimaal zouden zijn (de potentiële verdamping). Het vochttekort is daarmee een
indicator voor de bodemvochtcondities voor een plant.
2. De gemiddeld Laagste Grondwaterstand (GLG). Dit is de 12,5% droogste periode
van het jaar, kenmerkend voor een zomersituatie. Het is dus niet de meest extreem
droge situatie. De GLG is bepaald uit de modelberekeningen voor de periode 20012009.
3. De gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG). Dit is de 12,5% natste periode van
het jaar, kenmerkend voor een wintersituatie. Het is dus niet de meest extreem natte
situatie. De GHG is bepaald uit de modelberekeningen voor de periode 2001-2009.
4
De berekende modelperiode loopt van 1994 - 2009 voor de Brabantse modellen en het Ibrahym model. IwanH
rekent voor de periode 1994-2004.De GxG is daarom bepaald voor de periode 1996-2004 in Zuid-Limburg.
9W8113/R00006/900642/BW//DenB
30 mei 2012
Regionale knelpuntenanalyse Zuid-Nederland
- 14 -
Definitief rapport
4. Zomerhalfjaar. Dit is de periode van 1 april tot 1 oktober.
5. Het groeiseizoen start vanaf maart en loopt door in oktober. Het groeiseizoen
varieert per gewas/plantensoort en per jaar, omdat de aanvang afhankelijk is van
het termperatuurverloop. Bij het W+ scenario zal het groeiseizoen ca. 19 dagen
eerder gaan starten dan in de huidige situatie.
6. De Grondwateraanvulling is de hoeveelheid neerslag die aan het grondwater wordt
toegevoegd (neerslag minus actuele verdamping).
7. Hoge gronden. Gronden met een gemiddeld laagste grondwaterstand dieper dan
1,80 m beneden maaiveld.
8. Lage gronden. Gronden met een gemiddeld laagste grondwaterstand ondieper dan
1,80 m beneden maaiveld.
9. Beregening. Hoeveelheid water die aan het grondwater wordt onttrokken ten
behoeve van de landbouw. Beregening uit oppervlaktewater is niet modelmatig
beschouwd in dit rapport.
10. Beregeningsgift. Hoeveelheid beregeningswater beschikbaar voor het gewas. Dit is
de beregeningshoeveelheid minus 10% verlies door lekkage en verdamping.
6.3
Effecten op het watersysteem samengevat
Conclusie
De grondwateraanvulling neemt in het W+ scenario af. Daardoor neemt de afvoer via greppels en
hoofdwaterlopen ook af. Vanwege de drogere omstandigheden zal er meer beregend gaan worden.
Netto blijft er minder water over dat naar de diepte kan infiltreren. Het effect van klimaatverandering
uit zich dus in een verlaging van de grondwaterstanden, een toename van het vochttekort en
minder water dat afgevoerd wordt. De behoefte aan aanvoerwater neemt toe.
Deze paragraaf beschrijft hoe de primaire gevolgen van klimaatverandering effect
hebben op het watersysteem. Figuur 6.1 presenteert de waterbalans voor het ondiepe
grondwatersysteem (de bovenste meters van de grond). De hoeveelheden zijn
jaargemiddelde waarden, berekend met de grondwatermodellen. Beregening die aan
het bovenste grondwater wordt toegevoegd is buiten beschouwing gelaten.
Onderstaand worden de wijzigingen in de waterbalanstermen kort toegelicht. In de
navolgende paragrafen wordt verder uitgewerkt hoe deze veranderingen in het
watersysteem doorwerken op de thema’s.
De grondwateraanvulling wordt bepaald door neerslag en verdamping. Als gevolg van
de hogere temperatuur in het groeiseizoen, neemt de hoeveelheid vocht toe die een
plant en de bodem onder optimale omstandigheden kan verdampen.
De werkelijke verdamping over het groeiseizoen blijft gemiddeld ongeveer gelijk,
ondanks de afname in neerslag. Dit komt vooral door een toename van de capillaire
opstijging vanuit het grondwater. De neerslag neemt gemiddeld over het jaar af. Doordat
de neerslag afneemt en de verdamping gelijk blijft, neemt de grondwateraanvulling af.
Regionale knelpuntenanalyse Zuid-Nederland
Definitief rapport
9W8113/R00006/900642/BW//DenB
- 15 -
30 mei 2012
300
Grondwateraanvulling
Huidige situatie
200
150
100
50
Inzijging
-150
Kwel+ / wegzijging -
-100
Kwel/
Afvoer
-50
Aanvoer
0
Afvoer greppels
/drains
aanvoer
W+ scenario
Grondwateraanvulling
Afvoer (2)
greppels/drains
Afvoer (1)
hoofdwater
Jaargemiddelde waarde (mm)
250
-200
In: Grondwateraanvulling + aanvoer
Uit: Afvoer via oppervlaktewater
Figuur 6.1: Waterbalans ondiep grondwatersysteem
Dit betekent niet dat de grondwateraanvulling ook gedurende het hele jaar afneemt. Er
vindt zowel voor de neerslag als de verdamping een verschuiving in de tijd plaats. De
neerslaghoeveelheid neemt toe in het winterhalfjaar en af in het zomerhalfjaar. De
werkelijke verdamping wordt in 2050 eerder in het seizoen hoger en juist lager in de
zomermaanden. Door de gecombineerde wijzigingen neemt de grondwateraanvulling
ten opzichte van het huidige klimaat licht toe in de periode januari - juni/juli (met 10 mm)
en af in de periode juni/juli t/m december (met 43 mm). Netto neemt de
grondwateraanvulling dus af met 33 mm.
Doordat de neerslagaanvulling afneemt en de capillaire opstijging vanuit het grondwater
toeneemt, daalt de grondwaterstand (zie paragraaf 6.4). De waterlopen worden hierdoor
minder gevoed vanuit het grondwater. Of de infiltrerende waterlopen zullen nog meer
water naar de ondergrond verliezen. Hierdoor neemt de afvoer door greppels en
hoofdwaterlopen af. In wateraanvoergebieden heeft dit tot gevolg dat er meer water
aangevoerd moet gaan worden, om de waterlopen op peil te houden (zie paragraaf 6.7).
De daling van de grondwaterstand zorgt er bovendien voor dat meer en/of grotere
trajecten van waterlopen droog komen te vallen (zie paragraaf 6.9). Doordat de
grondwaterstand daalt, neemt ook de wegzijging naar diepere grondwaterlagen af en/of
neemt de kwel vanuit de diepere grondwaterlagen toe.
Omdat de potentiële verdamping bij het W+ scenario toeneemt, terwijl de werkelijke
verdamping gelijk blijft, stijgt het vochttekort (zie paragraaf 6.5). Om het vochttekort
tegen te gaan wordt er beregend. De beregening uit het grondwater neemt dan ook toe,
zoals blijkt uit de waterbalans. Ook de beregening uit het oppervlaktewater zal
toenemen. Doordat er meer beregend wordt neemt het vochttekort af, maar daalt de
grondwaterstand wel.
9W8113/R00006/900642/BW//DenB
30 mei 2012
Regionale knelpuntenanalyse Zuid-Nederland
- 16 -
Definitief rapport
6.4
Grondwaterstanden
Conclusie
In het W+ scenario worden de zomers aanzienlijk droger; er valt minder neerslag gedurende het
groeiseizoen en de verdamping en beregening nemen toe. De grondwaterstand in de zomer (GLG)
daalt gemiddeld met ongeveer 20 cm. De GHG daalt gemiddeld met ongeveer 5 cm.
De grondwaterstand wordt bepaald door een groot aantal factoren, zoals de neerslag,
verdamping, beregening uit grond- en oppervlaktewater, aan- en afvoer van
oppervlaktewater, bodemsamenstelling en hoogteverschillen. De belangrijkste
klimaatfactoren worden in de volgende paragrafen besproken.
Huidige situatie
De huidige berekende grondwaterstanden zijn gepresenteerd in de figuren 6.2 (GLG) en
6.3 (GHG). Op figuur 6.2 is te zien dat de grondwaterstand in de zomer diep wegzakt op
de hoger gelegen infiltratiegebieden, zoals de Brabantse Wal, De Kempen en de
Maasterrassen. Op figuur 6.3 is te zien dat het grondwater in een GHG situatie in de
beekdalen tot vlak aan maaiveld kan komen.
Verandering in het W+-scenario
De veranderingen in GLG en GHG ten gevolge van het W+ klimaatscenario zijn
gepresenteerd in de figuren 6.4 en 6.5. Zowel de GLG als de GHG zal bij het W+
scenario gaan dalen ten opzichte van de huidige situatie. De verandering in GLG
(ongeveer 20 cm) is groter dan de verandering in GHG (ongeveer 5 à 10 cm). Uit de
kaarten blijkt dat de verlaging van de grondwaterstand in de beekdalen kleiner is dan in
de hoger gelegen gronden, waar de grondwaterstand in de huidige situatie al dieper
beneden maaiveld ligt.
Regionale knelpuntenanalyse Zuid-Nederland
Definitief rapport
9W8113/R00006/900642/BW//DenB
- 17 -
30 mei 2012
Figuur 6.2: De gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) in de huidige situatie
9W8113/R00006/900642/BW//DenB
30 mei 2012
Regionale knelpuntenanalyse Zuid-Nederland
- 18 -
Definitief rapport
Figuur 6.3: De gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) in de huidige situatie
Regionale knelpuntenanalyse Zuid-Nederland
Definitief rapport
9W8113/R00006/900642/BW//DenB
- 19 -
30 mei 2012
Figuur 6.4: Verandering van de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) als gevolg van het W+-scenario
9W8113/R00006/900642/BW//DenB
30 mei 2012
Regionale knelpuntenanalyse Zuid-Nederland
- 20 -
Definitief rapport
Figuur 6.5: Verandering van de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) als gevolg van het W+-scenario
Regionale knelpuntenanalyse Zuid-Nederland
Definitief rapport
9W8113/R00006/900642/BW//DenB
- 21 -
30 mei 2012
In figuur 6.6 is voor een voorbeeldlocatie het verloop van de grondwaterstand in de tijd
voor de jaren 2006 en 2007 gepresenteerd. Andere locaties in het DHZ gebied zullen
een zelfde soort verloop laten zien. Uit deze grafiek blijkt dat de grondwaterstand bij het
W+ scenario het gehele jaar lager komt te liggen dan in de huidige situatie.
Grondwaterstand (m +NAP)
23
22,5
22
21,5
21
20,5
20
Huidig 2006-2007
W+ 2006-2007
Figuur 6.6: Grondwaterstandsverloop in huidige situatie en bij W+ scenario in de jaren 2006-2007
Verandering in berekeningsresultaat ten opzichte van rapportage Fase 1
De verandering in grondwaterstand in het W+scenario is zowel voor de GLG als de GHG groter ten
opzichte van de berekeningen in 2011 (DHV, 2011). Het effect op de GHG is gemiddeld ongeveer 20
cm in plaats van 15 cm. De GHG daalt nu over het grootste deel van het gebied met ongeveer 5 cm. In
de berekeningen van 2011 daalde de grondwaterstand in de wintersituatie slechts lokaal en traden op
andere plekken zelfs grondwaterstandsverhogingen op. Bij de huidige berekeningen worden op vooral
de hogere gronden overal verlagingen berekend. In de beekdalen wijzigt de grondwaterstand
nauwelijks tot niet. Dit verschil is ontstaan, doordat in de vernieuwde berekeningen de beregening op
een andere manier in het grondwatermodel is opgenomen. In Noord-Brabant werd de mate van
beregening ten onrechte te veel begrensd in het W+scenario. De berekening van de beregening in
Noord-Brabant is aangepast en daarom wordt er nu meer beregening berekend in het W+scenario.
waardoor een groter effect berekend wordt op de grondwaterstand. In Limburg werden in 2011 de
grondwaterstanden te laag berekend voor de huidige situatie omdat er te veel beregend werd. Beide
verbeteringen in modelconcept geven een groter verschil in grondwaterstand tussen de huidige situatie
en het W+scenario.
In tabel 6.1 zijn de gemiddelde grondwaterstandsveranderingen samengevat voor
verschillende type gronden. Wat opvalt, is dat de grondwaterstandsverlagingen zowel in
de zomer als in de winter in natuurgebieden gemiddeld groter zijn dan in de
landbouwgronden. Bij de onderverdeling in hoge (drogere) en lage (nattere) gronden
blijkt de verlaging van de GHG voor de verschillende typen grondgebruik het grootst te
zijn op de hoge gronden, terwijl de GLG de grootste verlagingen op de lage gronden
heeft. Dit is als volgt te verklaren: de GHG is het resultaat van grondwateraanvulling in
het grondwatersysteem. De GLG is het resultaat van ontwatering en capillaire
nalevering.
9W8113/R00006/900642/BW//DenB
30 mei 2012
Regionale knelpuntenanalyse Zuid-Nederland
- 22 -
Definitief rapport
Op de lage gronden blijft de grondwaterstand het langst bereikbaar voor de vegetatie en
het gewas. Gevolg is dat hier het vochttekort kleiner is en de daling van de GLG groter.
De daling van de GLG is het grootst op de natte natuur in de lage gronden. Dit zijn de
veengronden (zoals de Peel), die sterk afhankelijk zijn van de aanvoer van regenwater.
Tabel 6.1: Verandering in GHG en GLG (in cm) ten gevolge van het W+ klimaat (excl. Zuid-Limburg)
Type grondgebruik
Verlaging GHG
Verlaging GLG
(cm)
(cm)
Akkerbouw op hoge gronden
10
20
Akkerbouw op lage gronden
4
21
Grasland op hoge gronden
9
18
Grasland op lage gronden
5
20
Bos op hoge gronden
8
16
Bos op lage gronden
9
22
Natte natuur op lage gronden
12
33
Overige natuur op lage gronden
11
24
Overige natuur op hoge gronden
12
20
Gemiddeld hoge gronden
9
18
Gemiddeld lage gronden
5
21
Totaal gemiddeld
6
20
De grondwaterstand in Zuid-Limburg daalt meer dan in het overige DHZ gebied. Dit
vindt vooral plaats op de plateaus waar de grondwaterstand vele meters kan dalen.
Gemiddeld daalt de GLG en GHG in Zuid-Limburg ongeveer 1,3 meter.
6.5
Vochttekort
Conclusie
Het vochttekort is het verschil tussen de werkelijke verdamping (de actuele verdamping) van een
plant en hetgeen deze zou verdampen als de vochtcondities optimaal zouden zijn (de potentiële
verdamping). Het vochttekort is daarmee een indicator voor de bodemvochtcondities voor een
plant.
Als gevolg van de toename van de temperatuur neemt de potentiële verdamping toe in het W+scenario. Hierdoor neemt het vochttekort toe van gemiddeld 36 mm nu naar 75 mm onder het
W+scenario in 2050. Dit vochttekort treedt eerder in het jaar op, waardoor het maximale vochttekort
langer gaat optreden. Dit gebeurt ondanks een toename van de beregening en een toename van de
wateraanvoer. Zowel op de hogere delen als in grote delen van de beekdalen zal het vochttekort
gaan toenemen.
Op figuur 6.8 is het vochttekort (het verschil tussen potentiële en werkelijke verdamping)
voor het W+ scenario 2050 ten opzichte van de huidige situatie weergegeven.
Regionale knelpuntenanalyse Zuid-Nederland
Definitief rapport
9W8113/R00006/900642/BW//DenB
- 23 -
30 mei 2012
Uitgangspunten voor de berekening van het vochttekort

Onbeperkte beregening vanuit de bestaande grondwater beregeningsputten.

Bestaand landgebruik.

De mogelijkheid van aanvoer van water voor infiltratie vanuit de hoofdwaterlopen (in gebieden met
wateraanvoer is het waterpeil constant gehouden).

Gelijkblijvende onttrekkingen voor drinkwater en industrie.
Als gevolg van de stijgende temperatuur neemt de hoeveelheid vocht die een plant en
de bodem onder optimale omstandigheden kan verdampen (de potentiële verdamping)
in het W+-scenario met 53 mm toe. De werkelijke verdamping neemt toe met 11 mm.
Het vochttekort neemt daarom toe met 38 mm, van 33 mm nu naar 71 mm onder het
W+scenario in 2050 (figuur 6.7). Het grotere vochttekort wordt maar gedeeltelijk
opgeheven door meer beregening (van gemiddeld 10 naar 21 mm/d). Daardoor slaat de
huidige percolatiesituatie (11 mm/d) om in capillaire opstijging (38 mm/d).
In figuur 6.8 is te zien dat er een grote ruimtelijke variatie is in de toename van het
vochttekort. Op de hogere gronden loopt de toename van het vochttekort in het W+
scenario op tot boven de 100 mm per jaar. Op de lagere gronden blijft de toename
beperkt tot 25 tot 75 mm/jaar. De lössgronden in Zuid-Limburg zijn beter in staat om het
vocht vast te houden. Het vochttekort bedraagt in de huidige situatie slechts 4 mm en
neemt toe in het W+ scenario tot 26 mm.
600
Huidig
500
W+ scenario
mm/d
400
300
200
100
0
Neerslag
Actuele verdamping
-100
Huidig
Neerslag
Actuele verdamping
Potentiele verdamping
Vochttekort
Beregeningsgift
Percolatie/opstijging
401
398
434
33
10
11
Potentiele
verdamping
Vochttekort
Beregeningsgift
Percolatie/opstijging
W+ scenario
345
409
487
71
21
-38
Figuur 6.7: Vochtbalans voor huidige situatie en bij W+ scenario
9W8113/R00006/900642/BW//DenB
30 mei 2012
Regionale knelpuntenanalyse Zuid-Nederland
- 24 -
Definitief rapport
Figuur 6.8: Verandering in het vochttekort bij het W+ scenario (t.o.v. de huidige situatie)
Regionale knelpuntenanalyse Zuid-Nederland
Definitief rapport
9W8113/R00006/900642/BW//DenB
- 25 -
30 mei 2012
Het wordt eerder in het jaar warm en droog. Daardoor wordt er in de zomermaanden
meer water verdampt en neemt het vochttekort geleidelijk toe. Hoe dit uitpakt is
geïllustreerd voor een voorbeeldgebied (figuur 6.9).
Figuur 6.9: Verloop van de werkelijke verdamping (boven), neerslag (midden) en het vochttekort
(onder) in het stroomgebied van de Reusel en de Beerze voor het jaar 2007 voor het huidige klimaat
en het W+ scenario
9W8113/R00006/900642/BW//DenB
30 mei 2012
Regionale knelpuntenanalyse Zuid-Nederland
- 26 -
Definitief rapport
6.6
Beschouwing watervraag en -aanbod
Deze paragraaf geeft voor de gehele regio van de zuidelijke hoge zandgronden (m.u.v.
Zuid-Limburg) een kwantitatief overzicht van de veranderingen in de totale vraag en
aanbod van water voor de verschillende watervragende functies als gevolg van het W+scenario. De effecten hiervan op de functies zijn beschreven in hoofdstuk 7.
Tabel 6.2: Gemiddelden van de voornaamste factoren die de watervraag en het aanbod van water
bepalen in het zomerhalfjaar (1 april - 1 oktober) en winterhalfjaar (met uitzondering van ZuidLimburg). Een positief getal betekent dat water wordt toegevoegd aan het bovenste grondwater; een
negatief getal dat het wordt afgevoerd
Huidige
W+
situatie
scenario
W+
Verschil
Huidige situatie
scenario
Verschil
Zomerhalfjaar
mm
mm
mm
M m3
m3/s
M m3
m3/s
M m3
Potentiële verdamping
435
488
53
2050
-
2298
-
248
Actuele verdamping
399
413
14
1879
-
1943
-
64
Neerslag
404
347
-57
1902
-
1635
-
-268
Vochttekort landbouw
20
49
29
72
-
176
-
104
Vochttekort bos
95
172
77
92
166
74
Vochttekort natuur
50
93
43
7
14
7
Beregening uit grondwater
11
23
12
53
-
110
-
57
peilhandhaving
16
19
4
98
3.1
120
3.8
23
Afvoer via oppervlaktewater
-80
-63
17
-504
-16.0
-398
-12.6
106
-22
21
43
-138
-4.4
133
4.2
271
peilhandhaving
12
10
-2
74
2.4
61
1.9
-13
Afvoer via oppervlaktewater
-163
-146
17
-1027
-32.6
-920
-29.2
107
-263
-274
-11
-1653
-52.4
-1723
-54.6
-70
Wateraanvoer voor
Aanvulling naar het diepe
grondwater
Winterhalfjaar
Wateraanvoer voor
Aanvulling naar het diepe
grondwater
** Aanvulling naar het diepe grondwater wordt weergegeven als een positieve waarde, maar is water dat niet meer
beschikbaar is voor functies in het gebied (afgezien van drinkwater en beregening). De negatieve waarde in de
zomer bij W+ betekent dat de som aan kwel in het DHZ-gebied groter is dan de som aan wegzijging. Op jaarbasis
neemt de nette grondwateraanvulling met 32 mm af. Dit is een afname van de grondwateraanvulling op jaarbasis
van 11%. De toename van de beregening bedraagt bijna 4% van de grondwateraanvulling op jaarbasis. De balans
is niet sluitend, omdat berging en horizontale grondwaterstroming niet in de balans zijn opgenomen.
De toename van het vochttekort in het zomerhalfjaar bedraagt ongeveer 180 miljoen m3.
Hierin zit verdisconteerd een toename van de beregening van 57 miljoen m3, en een
extra wateraanvoer van 23 miljoen m3. De toename van de watervraag is dus ongeveer
260 miljoen m3. Dat is 4 tot 5 keer zoveel als in 2010 aan Maaswater is aangevoerd
naar het gebied van Peel en Maasvallei en Aa en Maas.
Regionale knelpuntenanalyse Zuid-Nederland
Definitief rapport
9W8113/R00006/900642/BW//DenB
- 27 -
30 mei 2012
Daarnaast wordt bovendien minder water afgevoerd door de waterlopen (ongeveer 100
miljoen m3) en stroomt er gedurende een gemiddelde zomer minder water naar de
diepte weg (ongeveer 270 miljoen m3). De grondwateraanvulling in de winter neemt
weliswaar met 70 miljoen m3 toe, maar de grondwateraanvulling op jaarbasis neemt per
saldo met 200 miljoen m3 af. De totale afvoer van de waterlopen wordt ook in een
gemiddeld winterhalfjaar lager.
6.7
Wateraanvoerbehoefte
Conclusie
De totale aanvoerbehoefte van een gebied wordt bepaald door de waterbehoefte voor
peilhandhaving, voor oppervlaktewaterberegening, en voor doorspoeling. Alleen de waterbehoefte
voor peilhandhaving voor de grotere waterlopen is nu onderzocht. De verandering van de overige
factoren onder het W+-scenario zijn niet onderzocht, maar de verwachting is wel dat deze in
vergelijkbare mate toenemen. Of aan de totale wateraanvoerbehoefte onder het W+-scenario kan
worden voldaan hangt voor een groot deel af van de beschikbaarheid van voldoende Maaswater in
de verschillende stroomgebieden. Maar zelfs als maximaal water kan worden aangevoerd naar alle
bestaande waterlopen, is dit onvoldoende om het watertekort op te heffen.
De wateraanvoerbehoefte van de hoge zandgronden is opgebouwd uit drie
componenten:
1. De hoeveelheid water die nodig is om het oppervlaktestelsel in het aanvoergebied
op peil te houden. Het water infiltreert vanuit dit stelsel.
2. De hoeveelheid water die uit het oppervlaktewater wordt onttrokken om gronden te
beregenen.
3. De hoeveelheid water die nodig is om het oppervlaktewaterstelsel door te spoelen.
Met de modelberekeningen is alleen de waterbehoefte voor de peilhandhaving van het
hoofdstelsel (de leggerwatergangen) berekend. In werkelijkheid is niet precies bekend
tot hoe ver water in het watersysteem kan worden aangevoerd. In de praktijk wordt de
aanvoer van water beperkt door praktische problemen en door onvoldoende
beschikbaar water in de zomer. Figuur 6.10 (op basis van modelberekeningen) geeft
een indruk van de gebieden die nu van water kunnen worden voorzien. Naast de
gebieden in de omgeving van de Maas is dit met name het gebied rond de Noordervaart
en de Zuid-Willemsvaart.
9W8113/R00006/900642/BW//DenB
30 mei 2012
Regionale knelpuntenanalyse Zuid-Nederland
- 28 -
Definitief rapport
Figuur 6.10: Gebieden waar water relatief eenvoudig naar aangevoerd kan worden (in rood) en
gebieden waar water mogelijk ook aangevoerd kan worden (het wateraanvoersysteem van
waterschap de Dommel is buiten beschouwing gelaten). De rode gebieden rondom Roermond
worden niet door Maaswater gevoed, maar door water uit België of Duitsland
Voor het gehele DHZ gebied (dus exclusief polders in West-Brabant, maar zonder ZuidLimburg) bedraagt de huidige, gemiddelde aanvoerbehoefte in het zomerhalfjaar 98
miljoen m3. In Noord-Brabant kan het water in werkelijkheid niet overal in het
watersysteem komen. De 98 miljoen m3 is daarom een overschatting ten opzichte van
de werkelijke situatie. In het klimaatscenario W+ is circa 22 miljoen m3 meer water
nodig. Overigens hoeft niet al dit water uit de Maas komen, maar is ook een deel van het
DHZ gebied afhankelijk van aanvoer vanuit België en Duitsland. Daarnaast zal er
minder water afgevoerd gaan worden, ten gevolge van de lagere grondwaterstanden.
Er is een berekening uitgevoerd om te beoordelen hoeveel water maximaal aangevoerd
en geïnfiltreerd zou kunnen worden. Praktische problemen over de beschikbare
hoeveelheid water (vanuit de Maas) en de wijze van verdelen zijn genegeerd in de
berekening. Het blijkt dat maximaal ongeveer 161 miljoen m3 water extra kan worden
geïnfiltreerd in het grondwatersysteem in het zomerhalfjaar. Dit is minder water dan de
toename van het vochttekort (181 miljoen m3). Conclusie is dus dat wateraanvoer niet
de enige oplossing kan zijn om de klimaatproblemen op te lossen.
Regionale knelpuntenanalyse Zuid-Nederland
Definitief rapport
9W8113/R00006/900642/BW//DenB
- 29 -
30 mei 2012
Tabel 6.3: Wateraanvoerbehoefte en waterafvoer in de huidige situatie en bij W+ in zomerhalfjaar
Wateraanvoerbehoefte
Waterafvoer
(infiltratie naar grondwater)
(afvoer van grondwater)
Huidig klimaat
98 miljoen m3
504 miljoen m3
W+ scenario
120 miljoen m3
398 miljoen m3
Verschil tussen huidig en W+
+ 22%
- 21%
Zoals aangegeven betreffen de berekende hoeveelheden slechts een deel van de totale
aanvoerbehoefte. Ten eerste wordt de aanvoer voor peilhandhaving onderschat, omdat
alleen het hoofdstelsel in de berekening is betrokken. Daarnaast ontbreken de
onttrekking voor beregening en de doorspoeling. Op basis van expert kennis lijkt een
toename van alle posten samen van 15-35% reëel.
6.8
Wateraanvoercapaciteit
Conclusie
In het W+-scenario zullen tijdens langdurige perioden van droogte vaker beperkingen voor de
wateraanvoermogelijkheden vanuit de Maas voorkomen. Conform de huidige beleidsafspraken
3
ontstaat er een crisisfase bij een afvoer van de Maas van minder dan 30m /s. In 2050 gaat dit onder
het W+-scenario vier keer vaker voorkomen dan nu het geval is. Het aanvoersysteem van de
3
Noordervaart kan maximaal 4,5 m /s water aanvoeren. In de zomer is er behoefte aan meer.
Vochttekorten in de landbouw worden deels aangevuld met wateraanvoer van
Maaswater en beregening uit grond- en oppervlaktewater. Om water langer in het
gebied vast te houden vindt actief stuwbeheer plaats, ook door agrariërs zelf.
Wateraanvoer speelt vooral in de zogenaamde Peelregio, delen van de waterschappen
Aa en Maas en Peel en Maasvallei (zie figuur 6.11). Van oudsher (toen de Peel nog
veengebied was) werkte het gebied als een spons waar water diffuus uit sijpelde en
door waterlopen werd afgevoerd. Deze sponswerking is verdwenen. Het gebied is
doorsneden door een vrij intensief stelsel van grotendeels gegraven en vergraven
watergangen met een groot aantal stuwen.
Ook buiten de Peelregio laten de waterschappen Aa en Maas en Dommel en Brabantse
Delta op diverse punten kleinere hoeveelheden water in (o.a. Inlaat Beekse Waterloop
en Inlaat Biezenloop). Waterschap Brabantse Delta laat daarnaast op diverse punten
water in vanuit het buitenpand Wilhelminakanaal (o.a. inlaat Markduiker). Maar deze
inlaat ligt buiten de afbakening van het DHZ gebied.
De wateraanvoer voor de hoge zandgronden vanuit het hoofdwatersysteem vindt plaats
via een stelsel van beken en kanalen. Deze worden voor een groot deel gevoed vanuit
de Maas. Er zijn twee redenen waarom niet (altijd) de benodigde hoeveelheid water kan
worden aangevoerd. Ten eerste is er een knelpunt in de hydraulische capaciteit. In het
Waterakkoord voor de Midden-Limburgse en Noord-Brabantse kanalen (Watak) hebben
de waterbeheerders afspraken gemaakt over wateraanvoer via de Noordervaart tot
maximaal 6 m3/s. Door hydraulische knelpunten in de Noordervaart en achterliggende
peelkanalen kan in huidige situatie maximaal 4 à 4,5 m3/s worden aangevoerd.
9W8113/R00006/900642/BW//DenB
30 mei 2012
Regionale knelpuntenanalyse Zuid-Nederland
- 30 -
Definitief rapport
Figuur 6.11: Gebieden waar nu water wordt ingelaten (bij Peel en Maasvallei zijn alleen de waterlopen
met wateraanvoer weergegeven)
De tweede reden is dat de afvoer van de Maas soms erg laag is. In het
Maasafvoerverdrag zijn tussen Nederland en Vlaanderen afspraken gemaakt over de
verdeling van het Maaswater bij afvoeren lager dan 100 m3/s.
De uitgangspunten hiervan zijn een gelijke verdeling van water tussen beide landen en
een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de Grensmaas. De verdeelsleutel is
afhankelijk van de Maasafvoer (zie tabel 6.4), bijvoorbeeld bij een ongedeelde afvoer
(afvoer in Monsin, Luik) tussen 60 en 30 m3/s gaat 10 m3/s water naar de Grensmaas
en de rest wordt half/half verdeeld tussen Nederland en Vlaanderen. Wanneer de
ongedeelde afvoer 30 m3/s onderschrijdt, wordt het water gelijk verdeeld tussen de
Grensmaas, Nederland en Vlaanderen.
Regionale knelpuntenanalyse Zuid-Nederland
Definitief rapport
9W8113/R00006/900642/BW//DenB
- 31 -
30 mei 2012
Tabel 6.4: Watergebruik en Waterverdeling over de Vlaamse en Nederlandse kanalen en de
Gemeenschappelijke Maas op basis van het Maasafvoerverdrag
Wanneer de afvoer van de Maas beneden de 60 m3/s komt, wordt het watergebruik door
Vlaanderen en Nederland gekort. Er treden dan verschillende besparingsscenario’s in
werking, waardoor niet alle gebieden en functies in het gebied van water kunnen worden
voorzien. Om te bepalen hoeveel water voor welke belangen waarheen moeten worden
geleid, gaat Rijkswaterstaat uit van de Nationale Verdringingsreeks. Deze
verdringingsreeks kent een wettelijke grondslag en bestaat uit een aantal
opeenvolgende stappen met daaraan gekoppelde maatregelen die het gebruik van
water bij dreigend tekort regelen en de schade beperken (zie figuur 6.12).
Voor de wateraanvoer heeft een Maasafvoer tussen 60 en 30 m3/s In de huidige praktijk
geen gevolgen, omdat de maximale afgesproken aanvoer niet gehaald wordt door
hydraulische knelpunten. Voor de wateraanvoer geldt daarom een Maasafvoer van
30 m3/s daarom als belangrijk drempelwaarde. Er is daarom nader gekeken naar het
aantal dagen dat de Maasafvoer lager is dan 30 m3/s, in de huidige situatie en bij het
W+ scenario.
9W8113/R00006/900642/BW//DenB
30 mei 2012
Regionale knelpuntenanalyse Zuid-Nederland
- 32 -
Definitief rapport
Figuur 6.12: Nationale Verdringingsreeks (bron: Beheersplan Rijkswateren 2010-2015)
Als het klimaat zich volgens de droge KNMI’06 scenario’s ontwikkelt, zal de
wateraanvoer via de Maas binnen enkele decennia vaker beperkingen ondervinden.
Extrapolatie van historische tijdsreeksen laat zien dat in 2050 een afvoer minder dan
30m3/s gemiddeld 4½ tot 9 dagen per jaar optreedt. In 2100 loopt dit op tot maximaal 16
dagen. Nu is dat 2½ dag. De consequenties hiervan voor de verschillende functies in
het gebied zijn afhankelijk van de plaats in de verdringingsreeks van de betreffende
functies, de toename van de waterbehoefte van een stroomgebied (zie par 6.7), van de
verdeling over de verschillende gebieden en de aanwezige infrastructuur voor die
verdeling.
Figuur 6.13: a) Huidige waterverdeling en b) het aantal dagen met een beperking voor de
wateraanvoer (Maasafvoer lager dan 30 m3/s) in 2050 en 2100
Regionale knelpuntenanalyse Zuid-Nederland
Definitief rapport
9W8113/R00006/900642/BW//DenB
- 33 -
30 mei 2012
6.9
Droogval beken
Conclusie
In het W+-scenario neemt de afvoer van beken in het zomerhalfjaar af met 35%. Hierdoor neemt
het aantal peilonderschrijdingen toe en dalen de zomerse stroomsnelheden van de beken.
Modelberekeningen laten zien dat het aantal beektrajecten dat droogvalt (=GLG komt onder
beekbodem) toeneemt met ongeveer 4 tot 12%. De extra droogval wordt veroorzaakt door
verlaging van de grondwaterstand in de zomermaanden. Naast droogval van bovenlopen valt ook
een deel van de middenlopen droog.
In het gebied van de hoge zandgronden komt een groot aantal beken voor. Een deel
van de bovenlopen van deze beken valt van nature droog. Als grotere delen van de
beek droogvallen heeft dit met name effect op de aquatische natuur, maar ook op de
waterlevering naar landbouw- en natuurgebieden. Tevens komen de mogelijkheden
voor recreatie hiermee onder druk te staan. Veel bovenlopen van beken vallen namelijk
van nature droog, waardoor er geen sprake van een knelpunt hoeft te zijn. Onder het
W+-scenario vallen echter ook middenlopen droog, wat in de huidige situatie niet
voorkomt.
Definitie van droogval en werkwijze
De droogval van beken is in beeld gebracht door te analyseren waar de bodem van een beektraject
hoger komt te liggen dan de GLG. In dat geval zal de beek niet meer drainerend werken. In deze
analyse zijn effluentlozingen van RWZI’s en aanvoer van water voor beregening uit oppervlaktewater
of doorstroming niet meegenomen, terwijl ze wel zorgen voor een afname van de mate van droogval of
een toename van de afvoeren van de beken. Wateraanvoer voor peilhandhaving in de beken is wel
meegenomen in de analyse.
Droogval treedt plaatselijk op bij vooral de bovenlopen. Om het effect in beeld te
brengen is een uitsnede gemaakt van een gebied waar veel bovenlopen voorkomen
(figuur 6.14). Het betreft de stroomgebieden van de Beerze en de Reusel. De droogval
van beken vindt in de huidige situatie in de stroomgebieden van de Beerze en Reusel
verspreid over het gehele stroomgebied plaats, maar wel voornamelijk in de
zijwaterlopen. Bij het W+ scenario neemt de omvang van droogval toe.
Voor het gehele DHZ gebied (exclusief Zuid-Limburg) valt ongeveer 4 tot 12% van de
waterlopen meer droog.
Ook als een beek niet geheel droogvalt kunnen er al effecten optreden, waaronder
ecologische. In dat geval gaat het om een afname van de stroomsnelheden of een te
laag waterpeil (een peilonderschrijding). Beiden worden veroorzaakt door een afname
van het afvoerdebiet van een watersysteem. In het W+scenario neemt de afvoer van
beken in het groeiseizoen gemiddeld af met 35%. Hierdoor neemt dus het aantal
peilonderschrijdingen toe en dalen de stroomsnelheden in de zomer van de beken.
9W8113/R00006/900642/BW//DenB
30 mei 2012
Regionale knelpuntenanalyse Zuid-Nederland
- 34 -
Definitief rapport
Huidige situatie
W+ scenario
Legenda
Figuur 6.14: Droogval van waterlopen in de huidige situatie en bij W+ scenario in de stroomgebieden van de Beerze (blauw omlijnd) en Reusel (paars omlijnd)
Regionale knelpuntenanalyse Zuid-Nederland
Definitief rapport
9W8113/R00006/900642/BW//DenB
- 35 -
30 mei 2012
6.10
Wateroverlast
Conclusie
Gebieden die in het huidige klimaat bij extreme neerslag al wateroverlast hebben doordat
watergangen overlopen op de omliggende gronden krijgen hier als gevolg van klimaatverandering
nog meer mee te maken. Daarnaast gaat dit in grotere en ook andere gebieden voorkomen. Naast
de overstroming vanuit watergangen komt wateroverlast ook door hoge grondwaterstanden en
door het niet snel genoeg infiltreren en afvoeren van hevige neerslag op grotere schaal en
frequenter voor.
Op de hoge zandgronden is er wateroverlast door hoge grondwaterstanden of
overstroming van land vanuit het oppervlaktewater (bijvoorbeeld beken). In het kader
van het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) wordt de toetsing op de kans op
inundatie vanuit oppervlaktewater in 2013 uitgevoerd. Het maatregelenpakket wordt
robuust uitgevoerd met het oog op de klimaatverandering.
Verder kan wateroverlast ontstaan door hevige neerslag die onvoldoende snel via de
bodem kan afstromen of afgevoerd kan worden (onvoldoende ont- en
afwateringscapaciteit). Dit type wateroverlast komt nu nog maar in zeer beperkte mate
voor en zal in omvang gaan toenemen. Dit type wateroverlast is niet in het NBW
beleidsmatig verankerd. Door klimaatverandering neemt de hevigheid van buien toe,
maar ook de duur van aaneengesloten periode met neerslag. Tevens worden de winters
gemiddeld natter. Het risico op de verschillende vormen van wateroverlast neemt
hierdoor toe.
Het optreden van wateroverlast heeft vooral effect op grondgebonden
landbouwgewassen (natschade), stedelijk gebied en in mindere mate natuurgebieden.
Wateroverlast veroorzaakt door inundatie van oppervlaktewater heeft vanwege de vaak
matige waterkwaliteit wel een effect op natuurgebieden.
In beide W-scenario’s neemt ‘s zomers de kans op extreme kortdurende buien toe
waardoor lokale wateroverlast vaker dan nu optreedt. Omdat het W-scenario over het
gehele jaar gezien natter is, is de kans op wateroverlast groter dan in het W +-scenario.
Rond 2050 zal onder extreme omstandigheden de wateroverlast vooral in beekdalen en
rondom steden toenemen. Gebieden die in het huidige klimaat bij extreme
omstandigheden al wateroverlast hebben krijgen te maken met meer wateroverlast en
de oppervlakte van gebieden met wateroverlast wordt groter.
Op dit moment wordt er al gewerkt aan het terugdringen van wateroverlast door het
aanleggen van waterbergingsgebieden. Bij de dimensionering van deze gebieden wordt
al rekening gehouden met grotere afvoerpieken in de toekomst ten gevolge van
klimaatverandering.
9W8113/R00006/900642/BW//DenB
30 mei 2012
Regionale knelpuntenanalyse Zuid-Nederland
- 36 -
Definitief rapport
6.11
Watertemperatuur
Conclusie
De watertemperatuur is medebepalend voor de waterkwaliteit en de industriële
gebruiksmogelijkheden van het water. Uitgaande van het W+-scenario stijgt de temperatuur van het
Maaswater in de zomer met 2 graden. De kans is groot dat de regionale wateren en kanalen een
grotere temperatuurstijging gaan krijgen dan het Maaswater door het kleinere watervolume en
beperktere stroomsnelheid.
De stijging van de luchttemperatuur brengt ook stijging van de watertemperatuur met
zich mee. Dit is geen één op één relatie (één graad temperatuurstijging betekent niet
één graad watertemperatuurstijging). Voor de kanalen betekent een verhoogde
watertemperatuur dat drinkwaterwinningen, koelwaterinname en –lozingen hierdoor
mogelijk beperkt worden. Een verhoogde watertemperatuur heeft ook ecologische
effecten, zoals een toename van blauwalgenbloei.
Voor de regionale wateren zijn er geen gegevens beschikbaar over de verwachte
stijging van de watertemperatuur. De verwachting is dat deze in eenzelfde mate of zelfs
meer kan gaan toenemen dan de stijging van de watertemperatuur van de Maas. Dit
heeft te maken met de kleinere omvang van de regionale wateren en de beperktere
stroomsnelheid waardoor ze sneller opwarmen.
Voor de Maas bij Eijsden is de watertemperatuur berekend voor de verschillende
klimaatscenario’s. Jaargemiddeld is voor het W en W+-scenario een stijging in
watertemperatuur gevonden van respectievelijk +1.5°C en +2.1°C voor 2050. Van
belang is ook de kritische norm van 23°C (voor inname van koelwater door
energiecentrales en industrie langs de Maas). Door klimaatverandering zal deze grens
vaker en langduriger overschreden worden. Dit heeft effect op de inname van koelwater
en proceswater. Zie hiervoor tertiaire effecten (Hoofdstuk 7). Naast effecten op de
industrie heeft een verhoogde watertemperatuur ook effecten op natuur en recreatie,
bijvoorbeeld door een toegenomen eutrofiering en blauwalgenproblematiek.
Regionale knelpuntenanalyse Zuid-Nederland
Definitief rapport
9W8113/R00006/900642/BW//DenB
- 37 -
30 mei 2012
7
TERTIARE EFFECTEN
In dit hoofdstuk wordt voorschillende functies en gebruikers van het water uiteengezet
wat de effecten zijn. Dit worden de tertiaire effecten genoemd.
Iedere paragraaf wordt ingeleid met de hoofdboodschap. Voor de meest uitgebreide
beschrijvingen wordt de hoofdboodschap geïllustreerd met een DHZ-icoon. Hoe dit
icoon gelezen moet worden, is toegelicht in bijlage 1.
7.1
Landbouw
Hoofdboodschap
De potentiële opbrengst voor de landbouw neemt toe (langer groeiseizoen, hogere luchttemperatuur).
De landbouw krijgt te maken met een verdubbeling van het vochttekort. Het
vochttekort voor de landbouw kan slechts gedeeltelijk worden ondervangen door
beregening en wateraanvoer. De extra landbouwschade ten gevolge van
klimaatverandering neemt toe met 75 M€ per jaar. De opgave om vraag en aanbod
van water in landbouwgebieden aan te passen aan klimaatverandering is groot. Het
is niet mogelijk om de toename in het vochttekort op te heffen door maximaal te
beregenen.
De informatie in deze paragraaf is voornamelijk gebaseerd op landelijke informatie. Er
zijn berekeningen uitgevoerd met het Nationaal Hydrologisch Instrumentarium (NHI) en
Agricom. Tevens is landelijk in beeld gebracht wat de huidige en verwachte
beregeningshoeveelheid zal zijn. Zuid-Limburg is nog niet in het NHI opgenomen.
Voor de berekening van vochttekort en de beregeningshoeveelheden is gebruik
gemaakt van het regionale modelinstrumentarium.
7.1.1
Huidige situatie en knelpunten
Figuur 7.1 geeft een overzicht van het landbouwareaal in DHZ-gebied (in totaal
ongeveer 360.000 ha). Grasland (ten behoeve van veeteelt) en maïs zijn de meest
voorkomende teelten. Daarnaast komt de teelt van aardappelen, (suiker)bieten en
granen op een aanzienlijk oppervlak voor. Glastuinbouw speelt in het DHZ-gebied maar
een beperkte rol.
9W8113/R00006/900642/BW//DenB
30 mei 2012
Regionale knelpuntenanalyse Zuid-Nederland
- 38 -
Definitief rapport
Figuur 7.1: Landgebruik in DHZ gebied (herkomst data: LGN5)
Water is voor de landbouw essentieel, zowel gewassen als vee hebben water nodig om
te kunnen overleven en te groeien. De landbouw gebruikt water om te beregenen
(vochtvoorziening van een gewas te verbeteren en bestrijdingnachtvorst), te bemesten,
veedrenking, voorkomen van schades aan de watergangen, infiltratie via sloten en
drains om vochtvoorziening van gewassen te verbeteren en bodemdaling tegen te gaan
en het bestrijden van bepaalden ziekten, zoals schurft (LEI, 2011).
Gewassen hebben een verschillend patroon in watervraag gedurende het seizoen. Maïs
en gras hebben veel water nodig. Gras verdampt over het hele groeiseizoen, terwijl
maïs pas vanaf eind mei een hoge watervraag heeft. Granen hebben een relatief hoge
watervraag aan het begin van het groeiseizoen (april – juni), maar het groeiseizoen is
relatief vroeg afgelopen. Suikerbieten en aardappelen hebben een grote watervraag aan
het eind van het groeiseizoen, terwijl de watervraag in het begin (mei/juni) relatief laag is
(Alterra 2011).
De beregening wordt het meest toegepast voor de meest kapitaalintensieve teelten.
Agrariërs maken zelf hierin keuzes en wegen de kosten van beregening af tegen de
verwachte meeropbrengsten. De volgende volgorde in beregening komt in de praktijk
voor: bollen, aardappels, boomgaard, overige gewassen (inclusief graan), bieten, maïs
en als laatste gras (Alterra/DHV, 2008)
Het optreden van droogte in de zomer is een normaal verschijnsel. Daarom wordt er
door de landbouw beregend. Dit zorgt er voor dat het vochttekort gedeeltelijk wordt
opgeheven. Water kan zowel uit grondwater als oppervlaktewater worden onttrokken.
Beregening uit oppervlaktewater is alleen mogelijk als oppervlaktewater in de buurt
voorradig is. Beregening uit grondwater is aan regels gebonden. In Zuid-Limburg zit het
grondwater zo diep dat het niet of nauwelijks loont om hier een beregeningsput te slaan.
Ten behoeve van het NHI is geïnventariseerd waar de potentiële gebieden liggen voor
oppervlaktewater en grondwater beregening (figuur 7.2).
Regionale knelpuntenanalyse Zuid-Nederland
Definitief rapport
9W8113/R00006/900642/BW//DenB
- 39 -
30 mei 2012
Dit zijn dus niet de locaties waar ook daadwerkelijk wordt beregend. In het
topberegeningsjaar 2006 werd zowel in Noord-Brabant als in Limburg bijna 27% van de
landbouwgrond daadwerkelijk beregend (CBS 2011). De hoeveelheid beregend
oppervlak is in Noord-Brabant en Limburg in de periode 2002-2009 meer dan
verdubbeld (tabel 7.1).
Tabel 7.1:Oppervlak dat beregend wordt in de jaren 2002 tot en met 2009 (Bron: CBS,
Landbouwtelling)
2002
Noord-Brabant
2004
2006
2007
2008
2009
21,340
32,980
69,280
44,430
38,410
47,530
8,860
12,850
27,380
18,740
17,700
23,040
Limburg
Figuur 7.2: Potentiële beregeningslocaties vanuit grondwater (rood) en oppervlaktewater (blauw).
Bron Alterra/DHV, 2008
7.1.2
Verwachte veranderingen
Verminderde neerslag en toename van de potentiële verdamping (zie paragraaf 6.4)
leiden tot een toename van de verdampingsreductie van landbouwgewassen en
daarmee tot droogteschade (zie ook paragraaf 6.5). Gemiddeld loopt het vochttekort op
de landbouwgronden op in een gemiddelde zomer van 20 mm in de huidige situatie naar
49 mm in een gemiddelde zomer met het W+ scenario.
Uit andere studies blijkt dat de landbouw ook voordelen heeft bij de klimaatverandering,
het groeiseizoen wordt langer. Ook zit er meer CO2 in de lucht wat meer fotosynthese
mogelijk maakt. Dit geeft een toename van opbrengst. Echter een langer groeiseizoen
compenseert niet het nadelige effect van de drogere perioden.
9W8113/R00006/900642/BW//DenB
30 mei 2012
Regionale knelpuntenanalyse Zuid-Nederland
- 40 -
Definitief rapport
Beregening
Vochttekorten worden deels beperkt door beregening. Beregening komt voor het
grootste gedeelte uit grondwater (zie figuur 7.2). De diepte waarop het grondwater wordt
gewonnen varieert binnen het DHZ gebied. De effecten van beregening op de GLG
variëren daarmee ook. Bijvoorbeeld in West-Brabant wordt het beregeningswater onder
een kleilaag onttrokken. De effecten op de grondwaterstand zijn daarom daar beperkt.
Vochttekorten
Door te beregenen wordt het vochttekort kleiner. Maar aan de andere kant zal de GLG
dalen omdat er grondwater wordt onttrokken aan de grondwatervoorraad. Met de
gecombineerde regionale grondwatermodellen is berekend hoe de
beregeningshoeveelheid in de toekomst zal veranderen (tabel 7.2). Hiervoor zijn vier
situaties doorgerekend:
 het huidige klimaat, met de huidige beregeningslocaties;
 het W+ scenario in 2050, met de huidige beregeningslocaties;
 W+ scenario in 2050, zonder dat er beregend wordt;
 het W+ scenario met de aanname dat er in alle landbouwpercelen naar maximale
behoefte wordt beregend.
De berekeningen laten zien dat:
1. Het niet mogelijk is om de toename in het vochttekort op te heffen door maximaal te
beregenen5 (figuur 7.3).
2. De beregeningshoeveelheid in een gemiddeld jaar zal toenemen van 53 miljoen
m3/jaar tot 110 miljoen m3/jaar (tabel 7.2). Hiermee wordt het vochttekort ongeveer
met 1/3 beperkt (figuur 7.3).
100
akkerbouw op hoge gronden
akkerbouw op lage gronden
90
grasland op hoge gronden
Vochttekort (mm/jaar)
80
grasland op lage gronden
70
60
50
40
30
20
10
0
huidig
W+
W+ niet beregenen
W+ maximaal beregenen
Figuur 7.3: Door klimaatveranderingen neemt het vochttekort toe. Bij handhaving van de huidige
beregeningslocaties neemt het vochttekort flink toe. Zelfs door het beregend oppervlak maximaal uit
te breiden is het niet mogelijk om het extra vochttekort op te heffen
5
Maximaal beregenen wil zeggen dat er op alle landbouwgronden naar behoefte wordt beregend. Dat wil zeggen
een beregeningsgift van 20 mm verdeeld over 10 dagen. Maar dit kan nog steeds te weinig zijn, omdat na enkele
dagen al weer een vochttekort kan optreden. De beregening kan nog verder gemaximaliseerd worden door meer
dan 20 mm te beregenen of elke dag te beregenen. Theoretisch is het zo mogelijk om elk vochttekort op te heffen.
Regionale knelpuntenanalyse Zuid-Nederland
Definitief rapport
9W8113/R00006/900642/BW//DenB
- 41 -
30 mei 2012
Tabel 7.2: Berekende beregeningshoeveelheden (in miljoen m3/jaar) voor drie situaties
Huidig klimaat
Gemiddeld jaar
Droog jaar
7.1.3
W+ (2050)
W+ (maximaal beregenen)
53
110
181
120
188
308
Autonome beleid in relatie tot klimaatverandering
Het LEI en Alterra hebben in 2011 een conceptrapport uitgebracht over “Landbouw in
een veranderende delta en toekomstscenario’s voor zoetwatergebruik”. Dit rapport geeft
een goed beeld van de (verwachte) autonome ontwikkelingen. De studie is opgedeeld in
verwachtingen voor middenlange (2025) en lange termijn (2050).
De hieronder volgende paragraaf bevat de belangrijkste (algemene) conclusies uit deze
studie van LEI en Alterra.
Socio-economische scenario’s: Global Economy en Regional Communities
Naast klimaatverandering zal in de toekomst ook de samenleving veranderen. Naast
klimaatscenario’s wordt er in het Deltaprogramma daarom ook gewerkt met socio- economische
omstandigheden. De bandbreedte wordt bepaald door het scenario met hoge groei (Global
Economy; GE) en lage groei (Regional Communities; RC).
In beide scenario´s neemt het ruimtegebruik van de grondgebonden landbouw af. De grootste
afname vindt plaats in GE en de kleinste in RC. De ruimte die wordt gecreëerd voor natuur is in
beide scenario’s ongeveer gelijk. Al met al vertegenwoordigen de twee scenario’s Global Economy
en Regional Communities hiermee de bandbreedte voor de zoetwatervoorziening (Deltares 2011).
Middellange termijn
Landelijk is de verwachting dat het areaal voor akkerbouw en veehouderij af zal nemen.
In (delen) van de tuinbouw worden al binnen 10 jaar effecten verwacht van verdroging.
Voor andere specifieke teelten is niet de verwachting dat de kwetsbaarheid toeneemt tot
2025 omdat de klimaatverandering over deze periode verwaarloosbaar geacht wordt.
Wel is de verwachting dat in de periode tot 2025 de regionale bouwplannen zullen
veranderen waardoor de kwetsbaarheid van de gehele sector groter wordt, omdat er
meer kwetsbare gewassen worden verbouwd. Ook is er sprake is van een
verdergaande schaalvergroting en intensivering in de landbouw.
Lange termijn
Onder gecombineerde klimaat en sociaaleconomische scenario’s voor 2050 wordt de
landbouw in Nederland kwetsbaarder voor droogte en verzilting. Bij een scenario
gebaseerd op global economy zal de landbouw zich waarschijnlijk meer richten op
hoogwaardige producten dan onder regional communities. Het is de verwachting dat de
landbouw zich ontwikkelt door verder te intensiveren en dat de schaalvergroting doorzet
tot 2050. Dit wordt voor een belangrijk deel beïnvloed door demografische ontwikkeling,
toename in de vraag naar natuurlijke hulpbronnen, de verdergaande globalisering en
technologische ontwikkeling. Tot slot is het de verwachting dat een minder stabiel
klimaat kan leiden tot nieuwe financiële risico’s (prijsrisico’s; productrisico’s zoals
gewasschade, investeringsrisico’s).
9W8113/R00006/900642/BW//DenB
30 mei 2012
Regionale knelpuntenanalyse Zuid-Nederland
- 42 -
Definitief rapport
7.1.4
Financiële gevolgen van klimaatverandering
Langdurige perioden met droogte, maar ook natte perioden leiden tot schade aan
gewassen. Aardappelen zijn bijvoorbeeld erg gevoelig voor hittegolven (potentiële
schade 25-75% bij een hittegolf in periode juni - september). Langdurig droog weer
tussen mei en september leidt tot schades aan suikerbieten (opbrengstderving tussen
10-35%). Wintertarwe is gevoelig voor langdurig droog weer in de periode juni augustus (schade 10 - 50%) (LEI/Alterra, 2011).
In deze paragraaf worden financiële gevolgen voor klimaatverandering in beeld gebracht
voor de landbouw.
Gewasschade
Potentiële gewasopbrengsten zijn theoretisch te bepalen. In de praktijk zullen de fysieke
gewasopbrengsten daarvan afwijken door omgevingsfactoren (neerslag; zonuren; temperatuur etc.).
Vermindering van verdamping door gewassen betekent minder fotosynthese en dus minder
productie. Deze vermindering van verdamping kan ontstaan door droogte, te natte wortelzone of te
zout water.
De financiële opbrengstderving (gewasschade) wordt bepaald als verschil tussen potentiële en
actuele productie maal de prijs van het product (natschade en droogteschade).
Naast vermindering van de opbrengsten zijn er ook kosten voor beregening (arbeid; installatie),
kosten omdat bewerkingen niet op tijd kunnen worden uitgevoerd (te droog/te nat), toename van
ziektes (bij natschade), zoutschade. Deze kosten zijn niet meegenomen in de bepaling van
gewasschade zoals hier gepresenteerd.
AGRICOM berekeningen
Landelijk zijn berekeningen uitgevoerd om de gewasschade te bepalen met een
combinatie van het Nationaal Hydrologisch Instrumentarium (NHI) en het AGRIcultural
Cost Model (AGRICOM). Er is een groot aantal scenario’s doorgerekend met
verschillende jaren qua droogte (1967, 1976 en 1989) en economische scenario’s. Uit
de beschikbare scenario’s is voor het DHZ rapport gekozen voor een presentatie van
een gemiddeld jaar (1967) en het RC socio-economisch scenario. Dit is het meest te
vergelijken met de resultaten van de regionale berekeningen.
De landbouwopbrengst is in de huidige situatie ook niet optimaal ten gevolge van
droogte en natschade. In deze paragraaf wordt vergeleken wat de schade is in het
W+scenario ten opzichte van de huidige schade. De schade wordt berekend voor het
groeiseizoen. In een gemiddeld jaar neemt de gewasderving toe van circa € 39 miljoen
tot € 114 miljoen In het W+ scenario (toename van ca. € 75 miljoen). De gemiddelde
opbrengstderving voor gras neemt toe van 87 tot 273 €/ha; voor maïs is de toename van
47 €/ha tot 203 €/ha.
De resultaten worden samengevat in tabel 7.3.
Regionale knelpuntenanalyse Zuid-Nederland
Definitief rapport
9W8113/R00006/900642/BW//DenB
- 43 -
30 mei 2012
Tabel 7.3: Derving gewaswaarde huidige situatie en W+-RC; (data: Deltares 2012)
Huidig
Derving
Derving
Areaal
(totaal;
(€/ha)
Areaal
(totaal;
(ha)
afgerond op
Gem. (min -
(ha)
afgerond op
in miljoen €)
max)
Gewas
Gras
Maïs
Aardappelen
% verschil
W+; RC
Derving
in miljoen €)
derving
Derving (€/ha)
totaal
Gem. (min -
huidig/W+
max)
273
264.838
23.3
87 (20 - 200)
258.225
67.2
(150 - 512)
288%
203
88.656
4.1
47 (5 - 159)
82.975
16.7
(51 - 483)
16.931
4.0
279 (0 - 847)
16.288
7.1
(1 - 1.053)
410%
490
(Suiker)biete
146
179%
535
n
13.769
1.7
(31 - 452)
12.975
6.2
(220 - 1.067)
368%
Granen
13.438
0,7
45 (5 - 102)
12.669
2.4
162 (66 - 281)
326%
Overig
36.700
2.8
80 (20 - 222)
34.563
9.9
305 (137 - 622)
355%
Fruit
Bollen
Totaal
1.401
1.894
2.131
2.5
(26 - 9.770)
1.294
0
6 (0 - 44)
446.869
39.2
1.831
4.3
(318 - 9.430)
168%
1.244
0
25 (0 - 120)
345%
430.119
113.9
291%
Vergelijking met Oost-Nederland
In de knelpuntenanalyse voor Oost Nederland is ook gekeken naar droogteschade voor
de landbouw als gevolg van de klimaatverandering. Uit de verkenningen blijkt dat de
gemiddelde droogte-schade met een factor 2 à 2,5 toeneemt. In zeer droge jaren is de
toename een factor 1,5 à 1,7. De basis wordt gevormd door dezelfde landelijke
berekeningen met het NHI en Agricom.
De toename van de droogteschade in oost-Nederland wordt totaal becijferd op een
bedrag van € 74 miljoen/jaar (gemiddeld) tot € 90 miljoen/jaar (in zeer droog jaar). Deze
toename van droogteschade is in Oost-Nederland van dezelfde orde-grootte als de
totale schade zoals bepaald voor DHZ-gebied voor een normaal jaar (€ 75 miljoen).
7.1.5
Regionale differentiatie
De meeste nadelige effecten voor de landbouw ten gevolge van drogere zomers zijn te
verwachten op de hoger gelegen gronden. Hier heb je nu al te maken met lage
grondwaterstanden, zijn de vochttekorten het grootst en wordt ook het meeste beregend
(figuur 7.4).
Aan de andere kant zal de natschade in het groeiseizoen in de beekdalen afnemen.
In Zuid-Limburg vindt weinig beregening plaats, omdat het grondwater van nature hier
diep zit. De behoefte aan beregening is ook minder groot, omdat de lössgrond goed in
staat is om vocht vast te houden. Maar aan de andere kant is Zuid-Limburg kwetsbaar
voor veranderingen, omdat het ingewikkeld en duur is om hier grondwater op te
pompen.
9W8113/R00006/900642/BW//DenB
30 mei 2012
Regionale knelpuntenanalyse Zuid-Nederland
- 44 -
Definitief rapport
Locaties beregeningsputten
Verandering vochttekort bij W+
(rood uit grondwater; blauw uit oppervlaktewater
Figuur 7.4: Het vochttekort neemt in het W+ scenario vooral toe op de hoger gelegen gronden (links).
Dit zijn ook de locaties waar het meeste beregend wordt (rechts)
7.2
Waterkwaliteit en aquatische natuur
Hoofdboodschap waterkwaliteit
Klimaatverandering versterkt de bestaande waterkwaliteitsproblemen. Waterkwaliteitsproblemen in
stadswater worden als grootste toekomstig knelpunt gezien. Daarnaast zijn er
meer problemen te verwachten in het landelijk gebied (voornamelijk in ecologisch
waardevolle beken). Beide problemen zullen wijdverspreid over het DHZ gebied
optreden. Er komen geen nieuwe type problemen bij. De klimaateffecten kunnen
er wel toe leiden dat kantelpunten in het ecosysteem eerder bereikt worden. Een
kleine verandering in waterkwaliteit kan daardoor toch een groot effect op de
ecologie hebben. Over de gevolgen van klimaatverandering op de waterkwaliteit
is nog onvoldoende bekend om een goede uitspraak te kunnen doen over de
benodigde maatregelen en de bijbehorende kosten. Maar de huidige slechte
situatie maakt het noodzakelijk en urgent om nu al verdergaand de waterkwaliteit
te verbeteren.
De informatie in deze paragraaf is verzameld uit literatuur (zoals STOWA 2011),
interviews met de waterbeheerders en een expertsessie.
7.2.1
Huidige situatie en knelpunten
Tijdens warme en droge zomers treden nu ook al de nodige problemen op:
 Bovenlopen van beken vallen voor langere tijd droog; middenlopen kunnen ook
droogvallen. Wanneer dit te lang gebeurt, heeft dit negatieve gevolgen voor
vismigratie en aquatische natuur.
 Volgens het KRW stroomgebiedbeheerplan Maas voldoen stikstof en fosfaat vaak
nog niet aan de KRW doelen voor oppervlaktewaterlichamen;
 Er wordt noodgedwongen gebiedsvreemd water ingelaten. 50% van het water in het
beheersgebied van Waterschap Aa en Maas en Waterschap Peel en Maasvallei
bestaat uit gebiedsvreemd water. In tijden van droogte neemt de behoefte aan
inlaatwater toe.
Regionale knelpuntenanalyse Zuid-Nederland
Definitief rapport
9W8113/R00006/900642/BW//DenB
- 45 -
30 mei 2012




7.2.2
Het zuurstofgehalte lijkt op basis van metingen af te nemen in de laatste droge
jaren, maar hier is nog geen harde conclusie over te trekken.
Er is sprake van blauwalgexplosies in zwemwater en stadwater. Ook dit lijkt de
laatste jaren meer voor te komen dan in voorgaande jaren, maar het betreft nog
geen vastgestelde trend.
Meer exoten doen hun intrede, zoals de grote waternavel. Strenge winters en
maatregelen om verspreiding en groei tegen te gaan helpen bij het terugdringen van
deze exoot.
Door piekafvoeren is de belasting van het oppervlaktewater met voedingstoffen
hoog door afspoeling en overstorten, waardoor de waterkwaliteit (kortstondig) zeer
slecht is en fauna en flora (langdurig) negatief worden beïnvloed.
Verwachte veranderingen
Klimaatverandering versterkt de bestaande (antropogene) stress op het watersysteem
(STOWA 2011). De huidige bekende kwaliteitsproblemen worden bijna allemaal groter,
maar er komen geen nieuwe type problemen bij. De huidige knelpunten zijn groter dan
de verwachte gevolgen van klimaatverandering. Op de kortere termijn vallen de effecten
waarschijnlijk mee. De klimaateffecten kunnen er wel toe leiden dat kantelpunten in het
ecosysteem eerder bereikt worden. Een kleine verandering in waterkwaliteit kan daarom
toch een groot effect op de ecologie hebben. Over het optreden van het tijdstip van
kantelpunten is nog onvoldoende bekend. Systemen met kantelpunten vertonen ook de
zogenaamde hysteresis: het is moeilijk om weer in de oorspronkelijke toestand terug te
komen. Teruggaan naar de toestand van vlak voor het kantelen is onvoldoende.
Waterkwaliteit neemt af door hogere temperaturen
Waterkwaliteitsproblemen in stadswater worden door de gebiedskenners als grootste
toekomstig knelpunt gezien. Waterpartijen op de hoge zandgronden zijn vaak aangelegd
voor waterberging op plekken waar normaal gesproken sprake is van infiltratie. De
waterpartijen worden daarom geïsoleerd en afgedicht. Zonder uitwisseling met schoon
grond- of oppervlaktewater komen er snel problemen met eutrofiëring en gerelateerde
problemen (zuurstof, blauwalg) en ziekteverwekkers. Dit knelpunt is over het gehele
DHZ gebied te verwachten, in de niet stromende stadswateren. Een toename van
afgekoppeld gebied betekent tevens vaak een grotere belasting van het
oppervlaktewater in stedelijk gebied. In paragraaf 7.4 wordt nader ingegaan op de
problematiek van waterkwaliteitsproblemen in stedelijk gebied.
De waterkwaliteit zal ook in het landelijk gebied beïnvloed worden. De verwachting is
echter dat dit minder grote nieuwe knelpunten oplevert dan in stedelijk gebied. De
opgave om de waterkwaliteit in het landelijk gebied te verbeteren is en blijft groot voor
de komende jaren. In het stedelijk gebied worden in de toekomst hogere eisen aan de
waterkwaliteit gesteld, omdat er meer behoefte is aan recreatiewater in de stad. Een
andere reden van de grotere problemen in stedelijk gebied is dat het water minder
stroomt dan in het landelijk gebied.
Hogere piekafvoeren
De effecten van meer en intensievere neerslag zijn divers. Grote piekafvoeren brengen
schade toe aan aquatische natuur (organismen spoelen weg; drift). Afhankelijk van het
watersysteem (geïsoleerd of verbonden, met of zonder natuurlijke schuilplaatsen) kan
een systeem weer snel herbevolkt worden.
9W8113/R00006/900642/BW//DenB
30 mei 2012
Regionale knelpuntenanalyse Zuid-Nederland
- 46 -
Definitief rapport
Meer neerslagpieken met heviger neerslag leiden tot een verhoogde oppervlakkige
afstroming en run off, onder andere van nutriënten. De stofbelasting neemt toe voor
stoffen die hechten aan zwevend stof (fosfaat, PAK, zware metalen, ammoniumpieken
en zuurstofdips). Onderzoek in het stroomgebied van de Raam heeft laten zien dat in
droge perioden sprake is van ophoping van verontreinigingen aan zwevend stof in
drooggevallen haarvaten. Bij piekbuien komt al dit zwevend stof terecht in het
watersysteem, wat zorgt voor een piekbelasting met de verontreinigingen. Deze
kortdurende verslechtering van de waterkwaliteit kan grote en langdurige negatieve
effecten veroorzaken op de flora en fauna.
Droogval van bovenlopen van beken
Vooral bovenlopen van beken, maar ook sterk grondwater-gestuurd oppervlaktewater
(bijv. op wijstgronden) krijgt meer te maken met droogval. Dit zijn systemen die worden
gevoed door relatief ondiepe grondwaterstromen. Droogval van bovenlopen van beken
zal meer plaats gaan vinden (4 tot 12%). Beken in Noord-Brabant en in het noordwesten
van Limburg hebben geen echte bron, zoals beken in Zuid-Limburg (Heuvelland) en
Oost-Limburg (Maasterrassen) dat wel hebben. Daarvoor zijn de hoogteverschillen te
klein en de hellingen niet steil genoeg. Beken die worden gevoed door een
grondwaterbron vanuit diepere grondwatersystemen hebben naar verwachting minder
last van droogval. Wel kan het basisdebiet lager worden.
Tabel 7.4: Overzicht verwachte knelpunten bij klimaatverandering (- is negatief, + is positief effect)
Knelpunten
Stromende beken
Kanalen Sloten
Langzaam Snel
Droogval
-
Stagnant water
-
Piekafvoeren
Overstorten
-
Vennen & Meren
water
poelen
-
Kreken
Ondiep Diep
+/-
-
-
-
-
Nutriënten
Bestrijdings-
Stads
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
middelen
Watertemperatuur
Soortverschui-
-
-
vingen & exoten
Aanvoer gebieds-
-
vreemd water
Zuurstof
Saliniteit
(Blauw)algen
Waterplanten
+/-
-
-
-
In deze paragraaf zijn de belangrijkste te verwachten knelpunten genoemd. Een meer
uitgebreide beschrijving is opgenomen in een aparte notitie (Royal Haskoning, 2012).
Een samenvatting van alle te verwachten effecten behandeld in deze notitie is
opgenomen in tabel 7.4.
Regionale knelpuntenanalyse Zuid-Nederland
Definitief rapport
9W8113/R00006/900642/BW//DenB
- 47 -
30 mei 2012
7.2.3
Autonome beleid in relatie tot klimaatverandering
Er is al veel beleid in werking om bestaande waterkwaliteitsproblemen terug te dringen.
Dit autonome beleid helpt daardoor ook mee met het tegengaan van de klimaateffecten.
Belangrijkste conclusie is dat het huidige beleid ten aanzien van het terugdringen van
meststoffen onvoldoende is om de waterkwaliteitsnormen te halen. Beleid voor
verbetering van de kwaliteit van stedelijk water bestaat nog nauwelijks (zie verder
paragraaf 7.4). In het stroomgebiedbeheerplan KRW Maas (V&W, 2009) is een apart
hoofdstuk gewijd aan klimaatverandering. De conclusie is dat voor vrijwel geen enkele
KRW-maatregel de effectiviteit afneemt. Wel wordt het doelgat (=verschil tussen
gewenste situatie en bereikte situatie) groter bij een warmer wordend klimaat.
7.2.4
Financiële gevolgen van klimaatverandering
Zoals beschreven in dit hoofdstuk zorgt klimaatverandering niet voor veel nieuwe
problemen, maar voor een versterking van bestaande waterkwaliteitsproblemen.
Hierdoor zijn de financiële gevolgen lastig te kwantificeren. Er zijn extra kosten te
verwachten voor beheer van watergangen, omdat vaker gemaaid zal moeten worden.
Indien de achteruitgang in waterkwaliteit gecompenseerd moet worden, zijn de gevolgen
aanzienlijk groter. Uit een voorzichtige schatting (Kosten et al, 2010) blijkt dat het effect
van 1 graad Celsius temperatuurverhoging op de waterkwaliteit is te compenseren door
de nutriëntgehalten in het oppervlaktewater met een derde verlagen. In het W+
klimaatscenario zal het gemiddeld ongeveer 3 graden Celsius warmer worden (van
gemiddeld 16,8 naar 19,6 graad Celsius in De Bilt). Voor de aanpak van puntbronnen
(zoals riooloverstorten, RWZI’s en afkoppelen van verhard terrein) is in het
stroomgebiedbeheerplan van De Maas (V&W, 2009) een bedrag opgenomen van 282
M€ tot en met het jaar 2027. In dit bedrag zijn nog niet de kosten opgenomen voor de
investeringen die de landbouwsector zelf doet. Voor de aanpak van diffuse bronnen is
40M € gereserveerd. Om de effecten van een graad temperatuur stijging te
compenseren zijn daarom al snel vele tientallen miljoenen €’s nodig.
De investeringen in stedelijk gebied zijn uitgewerkt in paragraaf 7.4. Bij een warmer
klimaat zal de waterkwaliteit achteruit gaan terwijl er een grotere behoefte ontstaat aan
aantrekkelijk en schoon water in de stad.
9W8113/R00006/900642/BW//DenB
30 mei 2012
Regionale knelpuntenanalyse Zuid-Nederland
- 48 -
Definitief rapport
7.2.5
Regionale differentiatie en samenvattend overzicht
Tabel 7.5: Samenvattend overzicht klimaateffecten voor watertypen (samengesteld op basis van
expertkennis gebiedskenners)
Watertypen
Aanwezigheid in DHZ-
Inschatting klimaat-
gebied
Effect
Langzaam stromende
Zeer veel; alle
Groot
beken - bovenlopen
waterschappen
Langzaam stromende
Zeer veel; alle
beken - benedenlopen
waterschappen
Snelstromende beken
Weinig, voornamelijk bij
Beperkt - groot
Toelichting
Met RWZI’s/overstorten: grote
effecten door piekbelasting.
Groot
Roer en Overmaas
Kanalen
Beperkt
Beperkt - groot
Sloten
Veel
Groot
Stadswater
Veel
Zeer groot
In scheepvaartkanalen lage
waterkwaliteit
Verschil tussen stilstaand en
stromend water
Vennen
Beperkt
Beperkt - groot
Diepe meren & plassen
Weinig
Klein
Ondiepe meren (zoet &
Beperkt;
Groot
brak)
brak meer bij Brabantse
Klimaateffect afhankelijk van
uitgevoerde herstelmaatregelen
(zand/grind winlocaties)
Vooral groot indien
recreatiewater
Delta
Kreken
Weinig (alleen bij Brabantse
Delta)
Tabel 7.5 geeft een samenvatting van de belangrijkste klimaatknelpunten.
Langzaam stromende beken komen in het gehele projectgebied voor. De benedenlopen
van dit watertype zijn naar verwachting beperkt gevoelig voor klimaatverandering.
Uitzondering hierop zijn de beken waar bij piekbuien sprake is van belasting vanuit
stedelijk gebied (RWZI; overstort). Dit speelt vooral in de beheergebieden van Aa en
Maas en De Dommel. Roer en Overmaas is ook een sterk verstedelijkt gebied, maar de
RWZI’s staan aan het einde van het regionale watersysteem (bij de Maas) en belasten
daarom niet het regionale water. Bij Peel en Maasvallei en Brabantse Delta zijn de
kwaliteitsproblemen in stedelijk gebied het minst groot.
Knelpunten voor de beken zijn vooral te vinden in de bovenlopen (bij droogval en
piekafvoeren). Deze komen bij alle vijf de waterschappen voor. Dit zijn vaak ecologisch
waardevolle waterlopen door aanwezigheid van bepaald type substraat en (koel)
kwelwater.
Sloten komen veel voor in de waterschappen Brabantse Delta en Aa en Maas. Dit zijn
sloten op de kleigebieden. Effecten op sloten zijn naar verwachting groot, met name wat
betreft groei van vegetatie en bijkomende beheermaatregelen. Sloten zijn meestal niet
als KRW-waterlichaam aangewezen.
Regionale knelpuntenanalyse Zuid-Nederland
Definitief rapport
9W8113/R00006/900642/BW//DenB
- 49 -
30 mei 2012
7.3
Landnatuur
Hoofdboodschap landnatuur
Het wordt droger, vooral in de zomer. Herstel van verdroogde gebieden heeft nog maar beperkt plaats
gehad. De bestaande opgave wordt in een toekomstig droger klimaat groter.
Het extra effect is in termen van grondwaterstandsdaling is beperkt (20 cm
van de GLG en 10 cm van GHG/GVG) ten opzichte van de bestaande
opgave. Maar de herstelopgave zal relatief groot zijn omdat de beschikbare
hoeveelheid water in de omgeving ook kleiner wordt. Een ander knelpunt is de
versnippering van de natuurgebieden. Bij toenemende klimaateffecten is het
extra van belang dat soorten in de toekomst voldoende mogelijkheden
hebben om te migreren via voldoende brede verbindingszones, bij voorkeur in de beekdalen.
Het huidige beleid – herijking EHS en bezuinigingen op natuur – werken averechts op deze
noodzakelijke maatregelen. Het oplossen van de knelpunten is een ingewikkelde opgave. Zowel ten
aanzien van verdroging als van versnippering moeten, ook zonder klimaatopgave, nog veel
maatregelen uitgevoerd worden om de huidig vastgestelde natuurdoelen te halen.
7.3.1
Kenmerken, kwaliteiten en knelpunten
In deze analyse wordt het dekzandlandschap van Noord-Brabant en het westen van
Limburg als vertrekpunt gehanteerd en waar nodig uitgeweid naar het löss- en
heuvellandschap van Oost- en Zuid-Limburg. In de natuurgebieden treden nu ook al
veel problemen op vanwege de ingrepen in de waterhuishouding in de jaren ’50 tot ’80
van de vorige eeuw. De herstelmaatregelen die in de laatste decennia zijn getroffen
hebben nog niet tot voldoende herstel geleid. De natuur is daarom gevoelig geworden
voor droge perioden.
Dichtheid en omvang van natuurgebieden
In Zuid-Nederland varieert de omvang van de natuurgebieden van klein (enkele
hectares) tot groot (enige duizenden hectares). De natuurgebieden zijn niet gelijkmatig
verdeeld. Natuur is vooral te vinden op plaatsen waar vestiging door de mens of
landbouw moeilijk te verwezenlijken was (bijvoorbeeld verstuivingsgevoelige gronden,
getijdegebied) of ontginning niet voltooid is (heide, veen, moeras). In het oosten en
zuiden van Limburg gaat het vooral om steilere hellingen van terrassen en plateau’s.
Het overgrote deel van het landoppervlak kent agrarisch gebruik en hier zijn de
natuurwaarden enorm afgenomen tot aan de grens van de oevers van kreken, beken en
rivieren. Allerlei natuurtypen of soorten zijn hierdoor beperkt tot grote of kleine
‘eilandsituaties’.
Kwaliteit van natuurgebieden
De natuurgebieden herbergen een deel van de biodiversiteit. Een aanzienlijk aandeel
van de natuur betreft bos. Vooral halfnatuurlijk, niet al te voedselrijk grasland of moeras
is schaars. Veel planten- en diersoorten die specifiek zijn voor het cultuurlandschap zijn
daardoor in natuurgebieden vaak beperkt vertegenwoordigd, en hebben in het huidige
agrarisch gebied nauwelijks kansen. Bijkomend probleem is de verdroging, vermesting
en verzuring van de natuurgebieden. In het zuiden en oosten van Limburg speelt
verzuring een minder grote rol vanwege de löss- en kalkbodems.
9W8113/R00006/900642/BW//DenB
30 mei 2012
Regionale knelpuntenanalyse Zuid-Nederland
- 50 -
Definitief rapport
Netwerk met ecologische verbindingen
Veel natuurgebieden liggen als eilanden in het agrarische en stedelijke gebied. Vooral in
Noord-Brabant is flink ingezet op de realisering van ecologische verbindingen (evz’s).
Met name de waterschappen hebben evz’s aangelegd, langs waterlopen. In Limburg
zijn de dalen aangewezen als Provinciale Ontwikkelingszones Groene waarden (POG)
en is een planologisch regime van toepassing. Het areaal aan natuur in dalen van
beken, kreken en rivieren is vaak nog beperkt, of gronden zijn verworven maar nog niet
ingericht. De ecologische verbindingsfunctie van beekdalen is dus nog niet optimaal.
Overstromingen – die horen bij een natuurlijk functionerende beek- komen nog maar
weinig en over een beperkt oppervlak voor, zodat de verspreiding van diasporen (zaden,
sporen, plantendelen) ten gevolge van overstroming eveneens beperkt is.
Droge perioden
Droge perioden in de zomer leiden tot uitdroging van natuur. Dit is erg ongunstig voor
natte natuurtypen (natte heide, hoogveen, vennen en natte schraalgraslanden), met
name als ze zeldzaam zijn (vaak kenmerkend van schrale milieus) of gebonden aan
organische bodems zoals veen. Bij uitstek is dit een probleem voor de beekdalen van
Noord-Brabant en het westen van Limburg. Droge perioden kunnen gunstig zijn voor
droge milieus zoals stuifzanden.
Weersextremen
Het optreden van extreme weersomstandigheden heeft invloed op de
populatiedynamiek. Populaties kunnen meer gaan fluctueren in grootte als gevolg van
extreme weersomstandigheden. Kleine populaties zijn dan extra kwetsbaar. Het warme
voorjaar van 2003 en van 2011 leidde tot een slecht vlinderjaar. Mogelijk hadden de
rupsen te weinig voedsel tot hun beschikking. Zo kan een weersextreem een ecologisch
effect hebben in heel Zuid-Nederland.
Natuuropgave versus klimaatadaptatie
De huidige opgave om natuurdoelen te realiseren is groter dan de opgave door
klimaatverandering. De realisatie van de EHS is nog gaande. Er zijn al veel gronden
verworven, maar voor een deel moet deze uitbreiding door ruiling nog op de juiste plaats
gepositioneerd worden. Daarnaast is er nog een grote inrichtings- en beheersopgave.
Vooral het ontwikkelen van natuurtypen van nat, voedselarm milieu is vanwege
fosfaatverzadiging, veraarding van veen of wegvallen van kwel nog een grote opgave.
Wanneer dit lukt is echter tegelijkertijd de klimaatbestendigheid van de natuur fors
toegenomen.
7.3.2
De verwachte verandering
Klimaatverandering grijpt in op het functioneren van soorten en
levensgemeenschappen. Dit kan direct maar ook indirect door verandering in
standplaatscondities en abiotische processen (figuur 7.5).
Regionale knelpuntenanalyse Zuid-Nederland
Definitief rapport
9W8113/R00006/900642/BW//DenB
- 51 -
30 mei 2012
Figuur 7.5: Klimaatverandering heeft directe en indirecte effecten op soorten, standplaatsen en
ecosystemen. Veel effecten kennen interacties met bestaande stressfactoren. Uiteindelijk veranderen
ecosystemen door combinaties van effecten (bron figuur: Alterra. 2011)
Verandering in abiotische kwaliteit
Alterra (2011) heeft voor Noord-Brabant onderzocht in hoeverre vochthuishouding
(GVG, GLG), voedselrijkdom (NO3) en zuurgraad (pH) veranderen onder invloed van
klimaatverandering. De GVG komt op de meeste plekken iets hoger te liggen, terwijl de
GLG overal iets dieper (10-20 cm) komt te liggen in natuurgebieden. De DHZ
modelberekeningen laten een zelfde verandering in GLG zien, maar voorspellen ook
een daling in GHG (zie tabel 6.1, eerder in dit rapport).
Figuur 7.6: In Limburg is natte heide vooral in het westen aanwezig. De figuur toont de natuurtypen
van natte heide en de indicatieve kansrijkdom bij klimaatverandering (links) en het effect van W+
scenario (rechts) (bron figuur: Alterra 20011/2)
9W8113/R00006/900642/BW//DenB
30 mei 2012
Regionale knelpuntenanalyse Zuid-Nederland
- 52 -
Definitief rapport
Figuur 7.7: De natuurtypen van vochtige bossen in Limburg en de indicatieve kansrijkdom bij
klimaatverandering (links) en het effect van W+scenario (rechts). Vooral in het zuiden van Limburg
zijn effecten voor deze groep van bostypen te verwachten (bron figuur: Alterra 20011/2)
In het westen van Limburg is een vergelijkbaar beeld te schetsen. Alterra (2011/2)
signaleert bijvoorbeeld voor natte heide dat de condities afnemen als gevolg van de
toenemende verdamping en de lagere grondwaterstanden (figuur 7.6). In Zuid-Limburg
zijn specifieke trends te verwachten, namelijk een afname van het areaal aan vochtig
bos (figuur 7.7).
De hogere grondwaterstanden in het voorjaar leiden tot lagere mineralisatie; de hogere
temperaturen in de zomer bevorderen de mineralisatie. Modelresultaten laten zien dat
het berekende nitraatgehalte op veel locaties licht afneemt en op veel andere plaatsen
toeneemt. Vooral in de noordelijke helft van Noord-Brabant en in de beekdalen is een
toename te verwachten. De zuurgraad verandert eveneens in lichte mate naar een
zuurder (verhoogde mineralisatie) of juist naar een minder zuur milieu.
Gevolgen voor beheertypen
Vooral natte en voedselarme beheertypen gaan achteruit, terwijl de droge typen en
bossen gelijk blijven of vooruit gaan. Verwerking van de gegevens naar een kaartbeeld
laat voor Noord-Brabant zien dat vooral in de beekdalen en de Peel zich knelpunten
voordoen. Vochtige en voedselarme typen (niet zijnde bos) blijken het meest te lijden te
hebben van de lagere grondwaterstanden in de zomer en versnelde mineralisatie door
hogere temperaturen. Figuur 7.8 vergelijkt de huidige en de extra klimaatopgave ten
aanzien van de GLG. De conclusie is dat voor typen waarvoor de huidige opgave al
groot is, deze nog groter wordt door klimaatverandering.
Regionale knelpuntenanalyse Zuid-Nederland
Definitief rapport
9W8113/R00006/900642/BW//DenB
- 53 -
30 mei 2012
Figuur 7.8: Vooral voor de GLG is de uitgangssituatie voor veel natte beheertypen ongunstig. Door
klimaatverandering komt er voor vrijwel alle natte typen opnieuw een opgave bij. Deze bedraagt in
Noord-Brabant circa 10-20 cm (bron figuur Alterra, 2011)
9W8113/R00006/900642/BW//DenB
30 mei 2012
Regionale knelpuntenanalyse Zuid-Nederland
- 54 -
Definitief rapport
Gevolgen voor soorten
Hogere temperaturen in het voorjaar leiden tot een langer groeiseizoen voor bepaalde
soorten. Eerdere groei of ontvouwen van bladeren leidt eventueel tot een respons van
herbivoren (bijv. rupsen). Hiervan kunnen weer predatoren afhankelijk zijn. Doordat
soorten verschillend reageren, kunnen relaties tussen soorten (vraat, bestuiving)
wegvallen. Bekend voorbeeld is de mismatch tussen bonte vliegenvanger en de
prooibeschikbaarheid voor de jongen sinds de laatste jaren. De omvang of grens van
het areaal van soorten zullen gaan veranderen.
Klimaatverandering kan leiden tot het verschuiven van areaalgrenzen van soorten.
Geertsema et al. (2011) hebben een modelmatige ruimtelijke analyse voor drie soorten
in Noord-Brabant uitgevoerd. Voor heidesoorten zoals de heidevlinder blijkt de
aanwezigheid van grote en kleine heidegebieden op de grote dekzandruggen in MiddenBrabant een sterk netwerk te zijn. Maar veel kleine gebieden in Noord-Brabant liggen
geïsoleerd en hier kan verschuiving van klimaatzones een probleem vormen voor
soorten van heide. Dit geldt ook voor de soorten van hoogveengebieden in het
grensgebied van Noord-Brabant en Limburg (Alterra 2011/2). De soorten van
halfnatuurlijke graslanden zoals het Pimpernelblauwtje hebben in Noord-Brabant profijt
van de noord-zuid oriëntatie van veel beekdalen, mits de condities in de beekdalen
voldoen. In werkelijkheid is dat op veel plaatsen (nog) niet het geval vanwege
grondgebruik, fosfaatverzadigde gronden of de drainering van beekdalen. De verwachte
achteruitgang van de abiotische kwaliteit door klimaatverandering kan de situatie nog
verslechteren.
7.3.3
Autonoom beleid in relatie tot klimaatverandering
Ruimtelijke ordening
In de structuurvisie Ruimtelijke Ordening van de Provincie Noord-Brabant is de
Ecologische Hoofdstructuur als groenblauwe kern opgenomen in de beleidscategorie
Groenblauwe structuur. Het ruimtelijk beleid voor deze kern is gericht op behoud, herstel
en ontwikkeling van ecologische en landschappelijke waarden. Rondom de kern ligt de
Groenblauwe mantel. Dit is gemengd landelijk gebied met belangrijke nevenfuncties
voor natuur en water. Deze is van belang voor het opvangen van omgevings- en
klimaatinvloeden op het kerngebied. In Limburg is er naast de provinciale Ecologische
Hoofdstructuur de beleidscategorie Ontwikkelingszone groene waarden (POG).
Momenteel vindt een actualisatie plaats.
Verdrogingsbestrijding
In de provinciale waterplannen is de ambitie geformuleerd om de hydrologische
randvoorwaarden te realiseren voor de gestelde ecologische doelen. Bestrijding van de
verdroging wordt met prioriteit aangepakt in de TOP gebieden, dat wil zeggen de natte
natuurparels en de Natura 2000 gebieden met habitats van vochtige tot natte
standplaatsen. Voor deze gebieden wordt het Gewenste Grondwater en
Oppervlaktewater Regime (GGOR) vastgesteld. De locaties waar grote opgaven liggen
voor het verbeteren van de GLG en GVG volgens de klimaatstudie (Alterra 2011) vallen
grotendeels samen met de natte natuurparels in Noord-Brabant en de
verdrogingsgevoelige natuurgebieden in Limburg. De voorgestelde
verdrogingsbestrijding in de GGOR plannen is op hoofdlijnen overgenomen in de N2000 beheerplannen.
Regionale knelpuntenanalyse Zuid-Nederland
Definitief rapport
9W8113/R00006/900642/BW//DenB
- 55 -
30 mei 2012
EHS-herijking en bezuinigingen
Sinds oktober 2010 - aantreden van het kabinet Rutte - stokt de realisatie van de EHS.
De aankoop van gronden ligt stil, de Robuuste Verbindingen zijn geschrapt en er wordt
bezuinigd in de investeringen in inrichting en beheer van natuurgebieden. Er komen
structureel minder rijksmiddelen om de EHS te realiseren. Eind 2012 moet duidelijk zijn
welke EHS nog primair wordt gerealiseerd; dit zijn hoogstwaarschijnlijk alleen de
belangrijkste internationale natuuropgaven: Natura 2000 en (deels) KRW. Voor de
'overige EHS' is nog niet duidelijk óf deze gerealiseerd zal worden en waar de
benodigde middelen vandaan moeten komen. Dit betekent mogelijk een forse
vermindering van de oorspronkelijk beoogde nog te realiseren EHS (nog ca. 1/3 blijft
overeind). Dit terwijl Alterra (2011) heeft becijfert dat minimaal de oorspronkelijke EHS
noodzakelijk is voor klimaatbestendigheid van de natuur met onderliggend
watersysteem.
7.3.4
Financiële gevolgen van klimaatverandering
Verlies aan biodiversiteit aan planten en dierensoorten ten gevolge van
klimaatverandering is moeilijk in €’s te vertalen. Daarom wordt dit in deze paragraaf
achterwege gelaten. In het strategiedocument voor DHZ wordt nader ingegaan op de
benodigde kosten om verlies aan biodiversiteit tegen te gaan.
7.4
Stedelijk gebied
Hoofdboodschap stedelijk gebied
In stedelijk gebied treden extra problemen op met zowel te veel als te weinig water. Door grotere
piekbuien zal er meer water op straat komen. Droge en warme perioden zorgen
voor een slechtere waterkwaliteit in de stadsvijvers. Dit heeft een negatieve
invloed op de leefbaarheid in stedelijke gebieden. De knelpunten kunnen
opgelost worden door bij toekomstige werkzaamheden in stedelijk gebied
rekening te houden met de extra klimaatopgave. In plaats van een schepje
bovenop de huidige inspanning te doen, kan ook gekeken worden naar
alternatieven.
Dit hoofdstuk is voornamelijk gebaseerd op 18 gesprekken die bij gemeenten en
stedelijk waterbeheerders bij waterschappen zijn gevoerd.
7.4.1
Huidige situatie en knelpunten
Hemelwater
In alle stedelijke gebieden op de hoge zandgronden neemt de “water op straat
problematiek” de laatste jaren toe. Wel lijkt het erop dat bepaalde stedelijke kernen
hiervoor meer gevoelig zijn dan andere (afhankelijk van bodem, morfologie etc.).
Grondwater
Te hoge grondwaterstanden komen voor in sommige woongebieden, vooral op de
overgangszones (rivierterrassen in Limburg en “de naad van Brabant”) en de lager
gelegen delen (zoals beekdalen). Daarnaast zorgt ook het stoppen van een aantal
grondwaterwinningen lokaal voor te hoge grondwaterstanden.
9W8113/R00006/900642/BW//DenB
30 mei 2012
Regionale knelpuntenanalyse Zuid-Nederland
- 56 -
Definitief rapport
Lage grondwaterstanden zijn alleen een knelpunt voor openbaar groen. Vochtstress is
zichtbaar in “oprollende bladeren” en de aanwezigheid van meer ziektes. Rond
bebouwing zijn geen knelpunten (met houten paalfunderingen).
Oppervlaktewater
De meest typerende knelpunten in het oppervlaktewater zijn het frequent voorkomen
van blauwalgen, botulisme en andere waterkwaliteitsknelpunten, zoals zuurstoftekort en
stank. Dit wordt veroorzaakt door langdurige perioden van droogte, waardoor het
oppervlaktewaterpeil uitzakt, hoge temperaturen en het ontbreken van voldoende water
om de stedelijke watersystemen te kunnen doorspoelen.
Lokaal vallen (delen van) het stedelijke watersysteem droog of zakken peilen ver uit
door het teruglopen van de aanvoer. Dit laatste heeft niet alleen negatieve gevolgen
voor de waterkwaliteit, maar ook voor de (stabiliteit van de) oevers en daarmee de
veiligheid en beleving van de omgevingskwaliteit.
Voor verreweg de meeste stedelijke watersystemen op de hoge zandgronden geldt dat
het waterschap niet in staat is vanuit het regionale watersysteem water in te laten. In
droge perioden neemt bovendien het aandeel effluentwater uit de RWZI’s in de
regionale watersystemen sterk toe, waardoor ook de kwaliteit van deze watersystemen
afneemt.
Op een aantal plaatsen in het stedelijke gebied komt tijdens natte perioden inundatie
vanuit het regionale watersysteem voor.
Beleving
Hittestress vormt voor de meeste stedelijke gebieden op de hoge zandgronden nog
geen groot probleem. Vooruitlopend op klimaatveranderingen doen een aantal
gemeenten onderzoek naar de ontwikkeling van hittestress en de mogelijke adaptatie
strategieën.
De huidige knelpunten rond oppervlaktewater kwaliteit (blauwalgen etc.) en water op
straat problematiek zorgen regelmatig voor een negatieve beleving bij bewoners.
7.4.2
Verwachte veranderingen
Hemelwater
Intensieve buien zullen in de zomer vaker voorkomen. Een gevolg hiervan is dat er
daardoor mogelijk meer water op straat kan blijven staan, omdat de riooloverstorten
gestremd raken. Aan de andere kant kan dit effect meevallen, omdat de
oppervlaktewaterstand in een toekomstige droge zomer ook verder zal wegzakken. Hoe
deze twee klimaateffecten ten opzichte van elkaar uitpakken is niet bekend. Hier wordt
verder onderzoek naar gedaan, onder andere in Eindhoven.
Grondwater
De verwachting is dat de problematiek door te hoge grondwaterstanden enkel lokaal zal
toenemen. De verdroging zal waarschijnlijk wel overal toenemen en daarmee tot meer
vochtstress leiden in de stedelijke groengebieden.
Regionale knelpuntenanalyse Zuid-Nederland
Definitief rapport
9W8113/R00006/900642/BW//DenB
- 57 -
30 mei 2012
Waterkwaliteit
De waterkwaliteit in de stedelijke watersystemen gaat verder achteruit ten gevolge van
langdurige droge perioden en temperatuurstijgingen. Een aantal stedelijke
watersystemen hangen nog steeds “aan het infuus”. In droge perioden is er minder
wateraanvoer vanuit beken. Onder lage Maasafvoeren stopt ook de inlaat vanuit de
Maas op de kanalen. Daardoor treden problemen met de waterkwaliteit in de stad op.
Dit knelpunt zal groter worden in de toekomst.
De hoeveelheid overstorten zullen waarschijnlijk toenemen, want de klimaatontwikkeling
zorgt voor meer piekbuien in de zomer. Daarnaast zal de afvoer van de (regionale)
beken door langdurige droge perioden in de zomer juist lager zijn. Dit zorgt weer voor
een hogere watertemperatuur in de beken, waardoor het negatieve effect van de
overstorten toeneemt. De verwachting is dat de huidige problematiek al zodanig groot is
dat de KRW doelen in 2027 in veel beken niet worden gehaald. De klimaatontwikkeling
zal dit dus extra negatief beïnvloeden.
Overstorten vinden echter niet alleen op de regionale beken plaats, maar in een aantal
gevallen ook op de stedelijke watersystemen. Ook hier zal het negatieve effect van deze
overstorten toenemen. Gemeenten zullen de “sanering strategie” van de overstorten
daarom mogelijk opnieuw tegen het licht houden. Vanuit de KRW is deze strategie
vooral gericht op het voorkomen van overstorten op KRW waterlichamen. In de
toekomst kan de negatieve beleving van overstorten op de stadswateren ervoor zorgen
dat hier de gemeentelijke prioriteit komt te liggen. Op de hoge zandgronden gaat dit om
een beperkt aantal overstorten.
De kwaliteit van het inlaatwater is in veel gevallen rijk aan nutriënten, waardoor het
inlaatwater zelf kwaliteitsknelpunten in het stedelijke gebied introduceert. Ook neemt de
kans toe dat via dit inlaatwater exoten geïntroduceerd worden in het stedelijke
watersysteem.
Uit meerdere studies blijkt bovendien dat de aanvoer van hemelwater op een stilstaande
stedelijke waterpartij onder bepaalde omstandigheden tot waterkwaliteitsproblemen kan
leiden. Dit hemelwater blijkt (uit studies van o.a. RIONED) door verkeerde aansluiting en
belasting vanuit openbare (buiten)ruimte soms te hoge concentraties nutriënten en
organische verbindingen te bevatten voor een klein stedelijk watersysteem zonder
verdere doorspoeling.
Wateroverlast
De verwachting is dat de inundaties zullen afnemen ten gevolge van de aanleg van
(regionale) waterbergingsgebieden (buiten de stedelijke gebieden). Bij de
waterbergingsgebieden is namelijk rekening gehouden met klimaatveranderingen. In
gebieden waar geen nieuwe waterberging wordt aangelegd moet rekening worden
gehouden met een groter risico op inundaties ten gevolge van grotere afvoerpieken en
een hogere frequentie van overstorten.
Beleving
Er zal hittestress kunnen optreden. Daarnaast zal de recreatiedruk op de stedelijke
openbare ruimte toenemen vanwege langere droge perioden met hogere temperaturen
(mensen gaan naar buiten).
9W8113/R00006/900642/BW//DenB
30 mei 2012
Regionale knelpuntenanalyse Zuid-Nederland
- 58 -
Definitief rapport
Deze recreatie speelt zich grotendeels af in de groen-blauwe zones van de stad. Deze
toenemende recreatiedruk valt samen met het moment dat het stedelijke watersysteem
het “zwaar te verduren heeft”.
Volksgezondheid
Via warmer water en toename van de recreatiedruk zullen mensen meer blootgesteld
worden aan ziekteverwekkende (micro-)organismen en insecten, zoals muggen.
7.4.3
Autonoom beleid in relatie tot klimaatverandering
Gemeenten en waterschappen stellen momenteel beleid op: gemeenten maken een
verbreed GRP (gemeentelijk rioleringsplan) en in een aantal gevallen ook een waterplan
of waterstructuurvisie. De waterschappen verwerken dit in de waterbeheerplannen. In
Noord-Brabant loopt momenteel ook het traject “Impuls stedelijk water”. In dit traject
bekijken de Brabantse waterschappen gezamenlijk hoe zij hun rol in het stedelijke
waterbeheer kunnen en willen invullen.
Neerslag
Bijna alle organisaties hebben inzicht in hoe ze om willen gaan met de toename van de
neerslag intensiteit en daarmee met het voorkomen van “water op straat”. Er zijn al of
worden plannen gemaakt voor een “groen-blauwe dooradering” van de stad,
“vergroenen/ontharden”, het zichtbaar maken/houden van het hemelwater (aan het
oppervlak houden) en het verplicht bergen van hemelwater. Bij deze plannen gaat het in
99% van de gevallen om meeliften met ruimtelijke ontwikkelingen of vervanging van de
riolering (“werk met werk maken”).
De herstructurering van bebouwde gebieden door het afvlakken of zelfs afnemen van de
bevolking biedt mogelijk kansen om meer ruimte voor water en groene gebieden te
creëren. Een deel van de mogelijke afvlakking of afname van de bevolkingsgroei wordt
mogelijk teniet gedaan door een afname van het aantal mensen per woning.
Aangezien de klimaatontwikkeling “ook niet van vandaag op morgen plaatsvindt”, lijkt
deze strategie voldoende om de verwachte knelpunten op te lossen. Aandachtspunt
hierbij is wel dat het budget voor de meerkosten bij veel organisaties onder druk staat
(zie paragraaf 5.4). Als het verbeteren van de hemelwaterstructuur niet meegenomen
wordt met de autonome ontwikkeling (vervanging riolen), zal, indien de
klimaatscenario’s uitkomen, sprake zijn van kapitaalvernietiging. De ruimtelijke ordening
gaat namelijk gemiddeld eens in de 30 tot 40 jaar “op de schop” en het riool wordt eens
in de 60 tot 80 jaar vervangen.
Een aantal organisaties geeft subsidie voor afkoppelen (en bergen van water op eigen
terrein) en/of het realiseren van groene daken.
Grondwater
Het huidige beleid rond grondwater is niet gericht op de klimaatverandering, maar veel
meer op het oplossen van de huidige knelpunten door te hoge grondwaterstanden.
Geen van de organisaties heeft beleid opgesteld voor verdroging van groengebieden in
de stad.
Regionale knelpuntenanalyse Zuid-Nederland
Definitief rapport
9W8113/R00006/900642/BW//DenB
- 59 -
30 mei 2012
Oppervlaktewater
Het kwantitatieve beleid voor oppervlaktewater is tot in detail uitgewerkt in het Nationaal
Bestuursakkoord Water. Hierbij zijn ook de klimaatscenario’s meegenomen.
Organisaties pakken de planvorming en uitvoering van de noodzakelijke maatregelen
voortvarend op. Zoals het er nu uitziet, worden de bestaande en verwachte knelpunten
hiermee opgelost.
Het kwalitatieve beleid voor oppervlaktewater is alleen uitgewerkt voor de KRW
waterlichamen. Voor de overige stedelijke wateren is in veel gevallen geen beleid
uitgewerkt waarin helder omschreven staat waaraan het water moet voldoen
(bijvoorbeeld beeldkwaliteit) en welke maatregelen hiervoor nodig zijn.
De effecten van de klimaatontwikkeling op de waterkwaliteit van zowel de KRW
waterlichamen als de overige stedelijke wateren is niet helder en niet eenduidig. Ook het
effect van de mogelijke maatregelen zijn onvoldoende in beeld (zie ook paragraaf 7.2).
Daar komt bij dat de verdeling van de verantwoordelijkheden tussen waterschap en
gemeente voor de oppervlaktewaterkwaliteit en de te nemen maatregelen niet helder
zijn. Hierdoor zijn er veel leemten in kennis en dreigt een keuze voor niet doelmatige
maatregelen. Het is duidelijk dat het huidige beleid rond de waterkwaliteit in het
stedelijke gebied onvoldoende is uitgewerkt om de huidige en verwachte knelpunten het
hoofd te bieden.
Beleving
Nog weinig organisaties hebben hun waterbeleid inhoudelijk gekoppeld aan beleving en
recreatie. De huidige meningen over de gewenste uitwerking van dit beleid verschilt
behoorlijk van gemeente tot gemeente (of tussen het ene en het andere waterschap).
De ene gemeente wil juist insteken op de belevingswaarde van de openbare ruimte voor
haar bewoners in de directe woonomgeving (en toeristen), terwijl de andere gemeente
juist wil inzetten op “het voorkomen van risico’s”. Het eerste type gemeente zet
bijvoorbeeld in op het aanleggen (omvormen) van speelwater in het stedelijke gebied
om zo te anticiperen op de toename van de temperatuur en de lange droge perioden
(toenemende recreatiedruk). Het tweede type gemeente wil de recreatiemogelijkheden
van het oppervlaktewater juist niet stimuleren. De keuze die een gemeente hierin maakt,
heeft een direct gevolg op de financiële opgave.
Geen van de organisaties heeft hittestress gekoppeld aan het huidige beleid op stedelijk
waterbeheer.
Volksgezondheid
De volksgezondheid was de reden voor de aanleg van de riolering. Beleidsmatig heeft
geen van de organisaties een strategie uitgewerkt hoe om te gaan met mogelijke
toename van blootstelling aan ziekteverwekkende (micro-)organismen door de
klimaatontwikkeling.
7.4.4
Financiële gevolgen van de klimaatverandering
Zoals uit de voorgaande paragrafen blijkt, verwachten de (stedelijke) waterbeheerders
extra knelpunten voor het stedelijke gebied als gevolg van de klimaatontwikkeling.
9W8113/R00006/900642/BW//DenB
30 mei 2012
Regionale knelpuntenanalyse Zuid-Nederland
- 60 -
Definitief rapport
Voor de inwoners van deze stedelijke gebieden vormen deze verwachte extra
knelpunten op dit moment vaak nog geen “pijnpunten”. De gemeentelijke politiek wacht
daarom vaak nog af en wil eerst meer zekerheid over de KNMI scenario’s.
Om een inschatting te maken van de financiële gevolgen van de klimaatverandering
voor het stedelijke gebied, is uitgegaan van “doelmatige investeringen”. Dit betekent dat
mogelijk noodzakelijke maatregelen uitgevoerd worden op het moment dat herinrichting
in het stedelijke gebied plaatsvindt. Gemiddeld gaat de ruimtelijke ordening in een wijk
eens in de 30 jaar “op de schop”. De riolering wordt gemiddeld eens in de 60 tot 80 jaar
vervangen.
Het niet anticiperen van de gemeentelijke politiek op de verwachte extra knelpunten
voor het stedelijke waterbeheer door de klimaatontwikkeling kan ertoe leiden dat de
uiteindelijk noodzakelijke investeringen “niet doelmatig” zijn. Wanneer niet wordt
meegelift op de autonome ontwikkelingen, kunnen de kosten daardoor hoger uitvallen
(kapitaalvernietiging).
Op basis van de Benchmark Riolering in Beeld (2010) en expert judgement is berekend
dat jaarlijks 9 miljoen € meer geïnvesteerd moet worden om het watersysteem en de
waterketen op de hoge zandgronden “klimaatproof” te maken. Voor een periode van 25
jaar betekent dit een investering van ongeveer 225 M€. Hiervan gaat ongeveer:
 15% naar het verder verbeteren van de (Afval)waterketen;
 25% naar het verder verbeteren van oppervlakkige hemelwaterstructuren (in de
openbare ruimte);
 35% naar het verder verbeteren van de oppervlaktewaterkwaliteit in stedelijke
watersystemen (Regionale beken welke door het stedelijke gebied stromen, zijn niet
meegenomen in deze financiële onderbouwing);
 15% naar het verder voorkomen van grondwateroverlast door te hoge en/of te lage
(verdroging) grondwaterstanden;
 5% naar het verder realiseren van recreatieve mogelijkheden en beleving van het
stedelijke watersysteem;
 5% naar de bestrijding van hittestress in de stad.
Naast een toename van de investeringen ter verbetering van het stedelijke
watersysteem op de hoge zandgronden, nemen ook de kosten van het beheer en
onderhoud toe. Een inschatting op basis van expert judgement is dat deze kosten
(exploitatie) met gemiddeld 20% toenemen. Bovendien zal er een verschuiving
plaatsvinden van aandacht van de waterketen naar de openbare ruimte
(hemelwaterstructuren, stedelijk oppervlaktewater, etc.).
Beheer en onderhoud van stedelijk water vergt meer aandacht om de systemen
robuuster en zo minder gevoelig voor klimaatveranderingen te maken. Meer
beheerskosten zijn te verwachten voor:
 regelmatig baggeren;
 handhaving van regels (voederen, honden uitlaten).
Regionale knelpuntenanalyse Zuid-Nederland
Definitief rapport
9W8113/R00006/900642/BW//DenB
- 61 -
30 mei 2012
7.5
Lozing van koelwater door de industrie
?
7.5.1
Hoofdboodschap industrie
Bij stijgende watertemperaturen worden restricties opgelegd ten aanzien van het
lozen van (koel)water. Er is nog onvoldoende zicht in hoeverre en waar er
knelpunten kunnen gaan optreden.
Inleiding
Knelpunten voor de industrie kunnen optreden bij temperatuurstijging van het
oppervlaktewater en minder rivierafvoer. Industriële onttrekkingen uit het diepe
grondwater zijn buiten beschouwing gelaten.
Onderstaande beschrijving van de huidige situatie en effecten van klimaatverandering
op industrie zijn vooral gebaseerd op een inventarisatie van vergunningen bij
waterschappen en Rijkswaterstaat in de provincies Limburg en Noord-Brabant. Uit deze
inventarisatie is nog geen volledig beeld gekomen. Daarnaast is voor deze paragraaf
gebruik gemaakt van de volgende stukken:
 Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Rijkswaterstaat, 2004. CIW
beoordelingssystematiek;
 KWR, 2011. Knelpuntenanalyse drinkwater en industriewater (fase 2).
7.5.1
De huidige situatie en knelpunten
Zowel in de rijkswateren als regionale oppervlaktewateren zijn er in de
lozingsvergunning voor koelwater voorwaarden gesteld ten aanzien van temperatuur
(tabel 7.6). Het aantal verschilt per regio. In de bestaande vergunningen wordt de
beperking in temperatuur op vier mogelijke verschillende wijzen omschreven:
 maximum temperatuur van het te lozen water;
 maximum temperatuur van het te lozen water in relatie tot de temperatuur van het
ontvangende water;
 maximum temperatuur van het te lozen water met een maximaal
temperatuurverschil tussen het ontvangende oppervlaktewater en het te lozen
water;
 warmtevracht.
Per vergunning verschilt het welke van de bovenstaande eisen wordt gesteld.
In zeer warme perioden loopt de temperatuur van het oppervlaktewater fors op (zie
figuur 7.9). Dit leidt (zoals in de jaren ‘90 en 2003) tot belemmeringen in de lozing van
koelwater van elektriciteitscentrales. Er is op dit moment nog geen inzicht in hoeverre
andere bedrijven in de huidige situatie ook al problemen ondervinden door te hoge
temperaturen van het oppervlaktewater.
9W8113/R00006/900642/BW//DenB
30 mei 2012
Regionale knelpuntenanalyse Zuid-Nederland
- 62 -
Definitief rapport
Tabel 7.6: Overzicht van aantal lozingsvergunningen met temperatuur beperking en beschrijving van
beperking per waterbeheerder
Waterbeheerder
Aantal
Ontvangend
Beschrijving
vergunningen
oppervlaktewater
beperking
Opmerkingen
Maas en kanalen*
Maximum temperatuur
Bij twee vergunningen
en/of warmtevracht
(electriciteitscentrales)
met beperkingen
in temperatuur
Rijkswaterstaat
30-tal
Directie Limburg
wordt daarnaast ook een
eis gesteld aan de
temperatuur van het
oppervlaktewater
Rijkswaterstaat
Diverse (er
Kanalen
Bij vergunningverlening
Directie Noord-
worden 5
wordt de nieuwe landelijke
brabant
bedrijven als
koelwaterrichtlijn (meer
voorbeeld
kijken naar het effect van
genoemd)
de koelwaterpluim in het
oppervlaktewater) gevolgd
Waterschap Roer
Geen informatie
en Overmaas
ontvangen
Waterschap Peel
Geen
N.v.t.
N.v.t.
en Maasvallei
Waterschap Aa en
Geen informatie
Maas
ontvangen
Waterschap De
1
Rielse Loop
Maximum temperatuur,
Dommel
temperatuurverschil en
warmtevracht
Waterschap
12
Brabantse Delta
Mark, Dintel, Nieuwe
Diverse combinaties van
Roosendaalse Vliet,
maximum temperatuur,
Laakse Vaart,
temperatuur vracht en
Lokkervaart
temperatuur van het
ontvangend water
* Verwacht op basis van gebiedskennis.
Regionale knelpuntenanalyse Zuid-Nederland
Definitief rapport
9W8113/R00006/900642/BW//DenB
- 63 -
30 mei 2012
Figuur 7.9: Verloop van watertemperatuur op de Rijn en Maas in de zomer van 2003 (bron: Ministerie
van Verkeer en Waterstaat, Rijkswaterstaat, 2004)
7.5.2
De verwachte verandering
De volgende ontwikkelingen worden verwacht:
 hogere temperatuur oppervlaktewater;
 afname van de afvoer in zomerperioden.
Afname van afvoer werkt door op de oppervlaktewatertemperatuur. Beide
ontwikkelingen kunnen leiden tot beperking van de productie vanwege een te geringe
koelcapaciteit en/of omdat het koelwater niet binnen de gestelde
vergunningvoorwaarden (met betrekking tot temperatuur/warmtevracht) geloosd kan
worden.
7.5.3
Het autonome beleid in relatie tot klimaatverandering
Het wettelijk kader rond lozing van koelwater is vastgesteld in het activiteitenbesluit en
de koelwaterrichtlijnen. Daarnaast bevatten ook de Bkmw en KRW normen ten aanzien
van maximale temperatuur van het oppervlaktewater. Bij nieuwe vergunningen wordt de
CIW beoordelingssystematiek warmtelozing gevolgd, waarbij een maximale
warmtevracht wordt bepaald. In het huidige beleid en de actuele wet- en regelgeving
wordt geen rekening gehouden met klimaatverandering.
7.5.4
De financiële gevolgen van klimaatverandering
Er is op dit moment onvoldoende informatie bekend over de industriële onttrekkingen en
lozingen, met beperkingen ten aanzien van temperatuur in de vergunning, om de
financiële gevolgen van klimaatverandering uit te rekenen.
9W8113/R00006/900642/BW//DenB
30 mei 2012
Regionale knelpuntenanalyse Zuid-Nederland
- 64 -
Definitief rapport
7.5.5
Regionale differentiatie
Er is nog onvoldoende inzicht in eventuele regionale verschillen van de effecten van het
W+ scenario op industriële onttrekkingen en lozingen.
7.5.6
Kennisleemtes en aanbevelingen
Er is nog onvoldoende inzicht in hoeverre en waar er knelpunten kunnen gaan optreden.
Op basis van meer kwantitatieve informatie kan een betere uitspraak worden gedaan.
Daarbij is het nuttig om meer gevoel te krijgen bij het aantal huidige stremmingen in
lozing, de hoeveelheden water en de gevolgen voor het betreffende bedrijf. Vervolgens
kan dit geëxtrapoleerd worden naar het W+ scenario.
7.6
Scheepvaart op de Maas
Hoofdboodschap scheepvaart
Op korte termijn zijn de (financiële) gevolgen van klimaatverandering op de
scheepvaart klein. Omdat de Maas uit verschillende stuwpanden bestaat kan er
altijd voldoende water gegarandeerd worden. Bij lage afvoeren wordt het
Maaswater verdeeld tussen Nederland en Vlaanderen en wordt er water
bespaard door zuinig of niet te schutten. Maar de wachttijden voor de schepen in
de sluizen nemen toe in de toekomst toe.
7.6.1
Inleiding
Voor de beschrijving van de effecten van lagere Maaswaterstanden en – afvoeren op de
scheepvaartsector is gebruik gemaakt van de volgende literatuur:
 Deltares (2011). Deltaprogramma Rivieren morfologie en scheepvaart; Bepalen
opgave 2100.
 Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Directoraat-Generaal Rijkswaterstaat Adviesdienst Verkeer en Vervoer (2003). Scheepvaartaspecten Laagwaterbeleid Julianakanaal en Lateraalkanaal.
 RWS Limburg (2011). Internationale aspecten van laagwaterproblematiek in de
Maas.
 Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Rijkswaterstaat Limburg (2009).Beheerplan
Natura 2000 Grensmaas 2009-2015; Ontwerp-beheerplan.
 NEA (2011). Kostenbarometer goederenvervoer, binnenvaart.
7.6.2
De huidige situatie en knelpunten
In het traject Luik - Maastricht takken zowel in Vlaanderen als in Nederland enkele
kanalen af van de Maas, waaronder het Julianakanaal (zie figuur 6.13 eerder in dit
rapport). Tussen Maastricht en Maasbracht vindt de Scheepvaart plaats over het
Julianakanaal. De Maas zelf is in dit traject deels niet bevaarbaar. Met behulp van
stuwen is de Maas bevaarbaar ten zuiden van Borgharen en ten noorden van Maaseik
(figuur 7.10). Tussen Linne en Roermond gaat slechts lokale scheepvaart en bijna alle
recreatievaart over de Maas. De doorgaande scheepvaart kan het stuwpand LinneRoermond overslaan door gebruik te maken van het Lateraalkanaal Linne-Buggenum.
Benedenstrooms van Roermond gaat alle scheepvaart over de Maas (daar liggen geen
kanalen meer).
Regionale knelpuntenanalyse Zuid-Nederland
Definitief rapport
9W8113/R00006/900642/BW//DenB
- 65 -
30 mei 2012
Figuur 7.10: Trajecten in de Maas met het verschil in ongestuwde en gestuwde trajecten (bron:
Ministerie van Verkeer en Waterstaat, 2009)
Bij lage afvoeren (ongedeelde afvoer < 100 m3/s, in Monsin/Luik) wordt het Maaswater
verdeeld tussen Nederland en Vlaanderen volgens het in 1995 ondertekende
Maasafvoerverdrag. Bij afvoeren lager dan 60 m3/s wordt het watergebruik door
Vlaanderen en Nederland gekort (zie tabel 6.4/paragraaf 6.8). Er treden dan
verschillende besparingsscenario’s in werking, waardoor niet alle gebieden en functies
in het gebied van water kunnen worden voorzien. Bij lage afvoeren speelt nog een
tweede probleem. Dit zijn grote afvoerfluctuaties veroorzaakt door het gebrek aan
afstemming tussen het peilbeheer en het beheer van de waterkrachtcentrales in
Wallonië. Deze fluctuaties hebben funeste effecten op de natuur op de Grensmaas en
vergroten de hoeveelheid terug te pompen water op de sluizen in Nederland.
In het Duitse stroomgebied van de Roer liggen enkele stuwmeren. Hierdoor daalt de
afvoer van de Roer in Roermond nagenoeg nooit onder 10 m3/s. In droge perioden
maakt het aandeel Roerwater hierdoor een aanzienlijk deel uit van de Maasafvoer.
Hierdoor zijn er benedenstrooms van Roermond nagenoeg nooit problemen met
watertekorten.
Bij lage afvoeren wordt het verbruik van het Maaswater beperkt voor functies met lagere
prioriteit voor waterlevering (paragraaf 6.8). Scheepvaart samen met veel andere
functies valt in de verdringingsreeks onder de laagste, 4de categorie. In het Nederlandse
Maasstroomgebied behoren de meeste functies, die veel water vragen, tot de 4de
categorie; het is dus niet zo, dat de scheepvaart als eerste gekort wordt. Al deze
belangen worden wel eerder gekort dan de functies met een hogere prioriteit.
9W8113/R00006/900642/BW//DenB
30 mei 2012
Regionale knelpuntenanalyse Zuid-Nederland
- 66 -
Definitief rapport
Het waterverbruik ten behoeve van de scheepvaart bestaat uit schutverliezen. Deze
worden bij lage afvoeren beperkt middels: zuinig schutten (wachten op schepen in radio
of zichtbereik van de sluis ), beperkt schutten (schutten met volle kolken met een
wachttijd van maximaal 2 uren) en terugpompen. Hiermee wordt een deel van het
schutverlies gecompenseerd. Bij zuinig schutten en beperkt schutten kunnen de
wachttijden voor de scheepvaart oplopen, wat kosten met zich meebrengt. In het
onderzoek van Ministerie van Verkeer en Waterstaat uit 2003 zijn kosten voor
wachttijden opgenomen. Deze bedroegen (prijspeil 1997) € 31-140/uur voor
vrachtschepen afhankelijk van laadvermogen en €11/uur voor motor- en zeilboten. Uit
de kostenbarometer goederenvervoer (NEA, 2011) blijkt dat voor de binnenvaart de
kosten tegenwoordig (prijspeil 2009) een factor 1,2 à 1,4 zijn toegenomen.
Hoewel de scheepvaart volgens de verdringingsreeks in de categorie valt die het eerst
wordt gekort (zie paragraaf 6.8), zijn de wachttijden in de afgelopen decennia
aanvaardbaar gebleken. Door het bufferen van water in de panden en nauw
operationeel contact tussen de watercoördinatoren wordt het water efficiënt verdeeld.
Regionale knelpuntenanalyse Zuid-Nederland
Definitief rapport
9W8113/R00006/900642/BW//DenB
- 67 -
30 mei 2012
7.6.3
De verwachte verandering
De verwachte veranderingen worden toegelicht in tabel 7.7.
Tabel 7.7: Verwachte ontwikkelingen ten aanzien van de scheepvaart op de Maas
Ontwikkelingen
Gevolgen
Als gevolg van voorspelde klimaatverandering neemt
De schutwatertekorten zullen ernstiger worden (zowel
de afvoer in de Maas af in de zomer en najaar. De
hoeveelheid schuttekort en periode waarin deze
afvoeren zullen afnemen en de periode met lage
optreedt). Hierdoor kunnen bij sluizen wachttijden
afvoeren zal langer worden.
ontstaan of toenemen en in het uiterste geval kan het
scheepvaartverkeer worden gestremd. Wanneer
schutwaterverliezen voldoende worden beperkt zal de
peilhandhaving en daarmee bevaarbaarheid van de
kanalen en Maas niet snel een probleem worden. In het
uiterste geval wordt gestopt met schutten. De kanalen
en Maas blijven dan qua peil bevaarbaar, maar doordat
stuwen niet gepasseerd kunnen worden, wordt het
scheepvaartverkeer dan toch gestremd.
Ontwikkelen Waterkrachtcentrales (WKC’s) in
Deze WKC’s zullen ingezet worden bij afvoeren groter
Albertkanaal en Julianakanaal (nog in
dan 130 m3/s. Deze hebben daarom geen gevolgen voor
onderzoeksfase). In dat geval wordt de watervraag van
de lage maasafvoeren en daarmee ook niet voor de
de kanalen groter.
scheepvaart.
Afhankelijk van de economische ontwikkelingen kan
Bij toename van het scheepvaartverkeer, zal er vaker
het scheepvaartverkeer toenemen.
geschut moeten worden. Hierdoor neemt de watervraag
voor schuttingen toe. Bij lage afvoeren zal hierdoor
sneller een schutwatertekort ontstaan, waardoor in een
langere periode zuiniger en beperkt geschut moet
worden, wat kan leiden tot (oplopen van) wachttijden en
in het uiterste geval stremmingen.
Na uitvoering van alle projecten van de Maaswerken
Aangezien de bodemligging gelijk blijft en daarmee de
zal de grootschalige bodemligging in de Maas
waterdiepte, heeft dit geen gevolgen voor de
grotendeels stabiel zijn. Hierbij wordt wel uitgegaan
scheepvaart.
van enige mate van beheer van lokale ondieptes en
erosiegevallen, en het behoud van de
erosiebestendige toplaag en stuwbeheer.
7.6.4
Het autonome beleid in relatie tot klimaatverandering
Het watersysteem van de Maas en kanalen (inclusief sluizen) wordt momenteel op orde
gebracht in het kader van de Grensmaas en Zandmaas/Maasroute. Het doel van de
projecten Grensmaas en Zandmaas is hoogwaterbescherming naar aanleiding van de
overstromingen in de jaren 1993 en 1995. De door RWS uitgevoerde projecten beogen
het bereiken van een veiligheidsniveau van 1/250 jaar. Daarnaast worden maatregelen
uitgevoerd in het kader van het project Zandmaas2 en de KRW-maatregelen. Deze
geven ook een bijdrage aan hoogwaterbescherming. Het project Maasroute heeft als
doel de opwaardering van de scheepvaart. Zowel bij de Grensmaas als bij de
Zandmaas/Maasroute wordt geen rekening gehouden met klimaatverandering.
9W8113/R00006/900642/BW//DenB
30 mei 2012
Regionale knelpuntenanalyse Zuid-Nederland
- 68 -
Definitief rapport
7.6.5
De financiële gevolgen van klimaatverandering
Op korte termijn zijn de financiële gevolgen van klimaatverandering op de scheepvaart
klein. Het watersysteem is/wordt namelijk momenteel op orde gebracht in het kader van
de Zandmaas/Maasroute. Met de beschikbare informatie is geen uitspraak te doen over
de gevolgen op de lange termijn. Al is de verwachting dat de kosten c.q. schade toe zal
nemen, omdat in de toekomst langere periodes met lagere afvoeren zullen optreden
(dat tonen klimaatscenario’s). De kosten kunnen bestaan uit wachttijden en mogelijke
vervolgschade in het verdere proces van goederenvervoer en -verwerking, maar ook uit
extra kosten doordat voor een alternatieve vervoerswijze wordt gekozen.
7.6.6
Regionale differentiatie
Regionale differentiatie speelt bij dit thema nauwelijks. Vanwege bijdrage zijrivieren is
knelpunt in de Maas benedenstrooms van Roermond kleiner, dan vanaf Maastricht tot
aan Roermond (zie ook paragraaf 7.6.2).
7.6.7
Kennisleemtes en aanbevelingen
Er is geen informatie beschikbaar over de gevolgen van de klimaatverandering op
beperkingen in mogelijkheden om normaal te blijven schutten en daarmee ook niet op
de financiële gevolgen de scheepvaart. De financiële gevolgen voor de scheepvaart zijn
bovendien ook afhankelijk van de ontwikkelingen in de scheepvaartsector (type
vrachtschepen, omvang scheepvaartbewegingen, etc.). Om beter inzicht te krijgen zou
een nadere studie in de lijn van de rapportage “Scheepvaartaspecten Laagwaterbeleid
Julianakanaal en Lateraalkanaal” (V&W, 2003) uitgevoerd kunnen worden. Daarnaast
wordt aanbevolen de mogelijkheden voor het vervoer van en naar Duitsland over de
Maas bij langdurige laagwatersituaties nader uit te werken.
Regionale knelpuntenanalyse Zuid-Nederland
Definitief rapport
9W8113/R00006/900642/BW//DenB
- 69 -
30 mei 2012
7.7
Drinkwaterwinning
Hoofdboodschap drinkwaterwinning
Limburg
Voor drinkwater in Limburg worden er drie knelpunten voorzien: uitputting
watervoerende lagen (kalksteengebied), verdroging in natuurgebieden (Noorden Midden-Limburg) en een vaker optredende slechte Maaskwaliteit. Bij
waterbeheersingsmaatregelen als beekherstel en waterbuffering moet rekening
gehouden worden met mogelijke negatieve kwaliteitsinvloeden op de
waterwinning.
Noord Brabant
Voor de drinkwaterlevering in Noord Brabant worden in het W+plus scenario
geen knelpunten voorzien voor de drinkwatervoorraad. De grondwateraanvulling
neemt weliswaar af, maar is nog ruimschoots voldoende om de onttrokken
hoeveelheden te compenseren.
De drinkwatervoorraad wordt in Noord-Brabant hoofdzakelijk betrokken uit het diepe
grondwater. In Limburg komt 2/3 uit grondwater en 1/3 uit oppervlaktewater. Hierdoor is
de situatie in Limburg gevoeliger voor klimaatverandering. De analyse van de gevolgen
van klimaatverandering voor de drinkwaterwinning in Limburg is om deze reden een
stuk uitvoeriger dan die voor Noord-Brabant.
Door een stijging van de temperatuur kan de vraag naar drinkwater toenemen. Mensen
zullen meer water verbruiken voor consumptie, douchen, verkoeling en beregening van
de tuin. Dit kan in 2050 in het W+ scenario oplopen tot zo’n 6% in een warme
zomermaand. Er zijn echter ook prognoses die aangeven dat de watervraag kan
afnemen.
Voor beide provincies geldt dat de vergunde hoeveelheden van de bronnen voor
drinkwater voor de toekomst volgens de huidige inzichten toereikend zijn. Het is echter
vooral in Limburg de vraag of in de toekomst de vergunde bronnen (grond- en
oppervlaktewater) ook nog de benodigde hoeveelheid water kunnen leveren.
7.7.1
Situatie in Noord-Brabant
Als gevolg van hogere temperaturen in de zomermaanden neemt de vraag naar water
toe. Brabant Water produceert jaarlijks ca. 175 miljoen m3 drinkwater, en gebruikt
daarvoor uitsluitend grondwater als grondstof. Dit grondwater wordt gewonnen op
dieptes van 10 tot 300 meter. Circa 80% wordt op grote diepte onttrokken. Op nog
grotere dieptes is het grondwater vanwege hogere chlorideconcentraties ongeschikt
voor de drinkwaterbereiding.
Door klimaatverandering wordt de diepe grondwatervoorraad niet bedreigd. Wanneer
het water op een diepte van bijvoorbeeld 100 meter wordt gewonnen, maakt het niet uit
of daar 100 meter, dan wel 99,8 meter zoet water boven staat.
In hoofdstuk 6 is geconstateerd dat er sprake zal zijn toenemende watertekorten, maar
van belang is te constateren dat deze tekorten zich beperken tot de zomermaanden.
9W8113/R00006/900642/BW//DenB
30 mei 2012
Regionale knelpuntenanalyse Zuid-Nederland
- 70 -
Definitief rapport
Gedurende deze periode zijn de grondwatervoorraden meer dan voldoende om de
zomermaanden door te komen. In de winter worden de ingeteerde hoeveelheden weer
hersteld. Deze jaarlijkse grondwateraanvulling neemt weliswaar af, maar is nog
ruimschoots voldoende om de onttrokken hoeveelheden te compenseren.
Door klimaatverandering neemt het risico op extra verdroging in natuurgebieden ook
toe. Het effect van de winningen van Brabant Water is niet gekwantificeerd (zoals in de
volgende paragraaf wel is gedaan voor de situatie in Limburg).
Op grond van de berekeningsresultaten en bovenstaande beschouwing luidt de
conclusie dat de drinkwatervoorziening in Noord-Brabant bij klimaatveranderingen niet
in gevaar komt.
7.7.2
Situatie In Limburg
De gevolgen voor de drinkwaterwinning is door Waterleiding Maatschappij Limburg
(WML) uitgewerkt. Dit is gedaan met berekeningen van het Ibrahym grondwatermodel.
Er is geanalyseerd wat de maximale verlagingen in GLG zullen zijn in het W+ klimaat
scenario binnen de huidige vergunningruimte.
7.7.3
De huidige situatie en knelpunten
Kalksteen: Wanneer er sprake is van een aantal hydrologisch droge jaren, moet de
winning in de kalksteenpakketten gematigd worden, omdat anders uitputting van de
watervoerende laag dreigt.
Winningen Noord- en Midden Limburg: ook bij droogte kan uit deze winningen
voldoende worden gewonnen. De effecten zijn in vergunningaanvragen onderbouwd en
toegestaan. (DHV, 2008). De situatie van deze winningen is vergelijkbaar met die in
Noord-Brabant.
Maas: lagere afvoeren zullen vaker voorkomen. Het Maaswater is in die periodes van
slechtere kwaliteit. Piekafvoeren zullen ook vaker voorkomen, die verhoogde troebelheid
veroorzaken. Innamestops zullen door beide oorzaken vaker voorkomen (Icastat, 2012),
7.7.4
De verwachte verandering
Om het effect in beeld te brengen van de winningen zijn berekeningen uitgevoerd met
Ibrahym. Hiervoor zijn de volgende twee situaties met elkaar vergeleken:
 De situatie ongeveer in 2000 met het huidige klimaat en de toenmalige werkelijke
onttrekkingen. Sommige kwetsbare winningen waren toen nog bedrijf en zijn nu
gesloten.
 De situatie in 2050 met het W+scenario en de huidige onttrekkingen met het
vergunde debiet.
Het verschil geeft een beeld welke veranderingen in 2050 zijn te verwachten.
De grondwateronttrekkingen zullen de komende jaren wijzigen. Kwetsbare winningen
worden bijvoorbeeld gesloten. Daarnaast is er nog ruimte binnen de huidige
vergunningen om op andere locaties meer water te gaan winnen.
Regionale knelpuntenanalyse Zuid-Nederland
Definitief rapport
9W8113/R00006/900642/BW//DenB
- 71 -
30 mei 2012
Om het effect in beeld te brengen van enerzijds het stopzetten van winningen en
anderzijds het vergroten van bestaande winningen zijn berekeningen uitgevoerd met
Ibrahym voor het W+ scenario.
Uit de berekeningen blijkt dat er in sommige delen van het gebied vernatting optreedt
maar dat er ook gebieden zijn waar extra verlaging zal optreden. De extra verlaging in
natuurgebieden is gering en vindt plaats in zeer beperkte delen van deze gebieden
(figuur 7.12 en tabel 7.8).
Tabel 7.8: Verandering in GLG (in cm) in enkele natuurgebieden op basis van vergunde onttrekkingen
bij scenario W+ in 2050 ten opzichte van de situatie in 2000
W+ met vergunde onttrekking
W+
Maximale
% gebied > 5 cm
Maximale
% gebied > 5 cm
verlaging GLG
verlaging
verlaging GLG
verlaging
(cm)
(cm)
Maasduinen (midden)
33
100%
23
100%
Broekhuizerbroek
28
89%
23
86%
Ravenvennen
25
86%
23
73%
Kaldenbroek
32
100%
25
100%
Koelbroek
18
78%
14
61%
Holtmuhle
28
40%
16
56%
Haeselaarbroek
20
93%
16
87%
Brandenberg
36
100%
23
100%
Knelpunt winningen Noord- en Midden Limburg: grondwaterwinning kan mogelijk
onder druk komen te staan als er door klimaatverandering meer verdroging optreedt.
Knelpunt Maas: mogelijke inzet van extra oppervlaktewaterwinning om grondwater te
ontlasten maakt de drinkwaterwinning gevoeliger voor de verwachte
kwaliteitsveranderingen in de Maas. De verwachte toename van het aantal en de duur
van de innamestops zijn weergegeven in figuur 7.11.
9W8113/R00006/900642/BW//DenB
30 mei 2012
Regionale knelpuntenanalyse Zuid-Nederland
- 72 -
Definitief rapport
Figuur 7.11: Verwachte toename aantal en duur innamestops (inname Maaswater t.b.v.
drinkwaterbereiding). Bron: Icastat, 2012
Uit berekeningen ten behoeve van dit rapport blijkt de grondwateraanvulling in het
W+scenario af te nemen met ongeveer 17% in Zuid-Limburg.
Knelpunt kalksteen: minder grondwateraanvulling in Zuid-Limburg veroorzaakt
uitputting watervoerende lagen bij volle belasting door winning.
Regionale knelpuntenanalyse Zuid-Nederland
Definitief rapport
9W8113/R00006/900642/BW//DenB
- 73 -
30 mei 2012
Figuur 7.12: Verandering in GLG in 2050 in Noord- en Midden Limburg op basis van vergunde
onttrekkingen bij scenario W+ ten opzichte van de situatie in 2000
9W8113/R00006/900642/BW//DenB
30 mei 2012
Regionale knelpuntenanalyse Zuid-Nederland
- 74 -
Definitief rapport
7.7.5
Het autonome beleid in relatie tot klimaatverandering
Beleid winningen Noord- en Midden Limburg: sinds de jaren ’90 vindt een
verschuiving plaats naar diepe grondwaterwinning. Later werd ingezet op
oppervlaktewaterwinning, ten koste van ondiepe winningen (sluiting o.a.
grondwaterwinningen Herten, Tegelen, Reuver), om effecten van winningen op de
ondiepe grondwaterstand te beperken. In samenwerking met de Provincie Limburg werd
een vergunningplafond bepaald voor de diepe Roerdalslenk om de hoeveelheid die in
dat gebied duurzaam gewonnen kan worden te bepalen, waarbij de cumulatieve
effecten van de winning beperkt blijven.
Beleid Maas: realisatie van een back-up voor de oppervlaktewaterwinning om periodes
van slechte waterkwaliteit te kunnen overbruggen.
Beleid kalksteen: overcapaciteit in de winningen, die zal ontstaan in Zuid-Limburg bij
de verwachte krimp van de watervraag, aanhouden om de winningen bij droogte te
kunnen ontzien.
Een aantal ontwikkelingen zorgen voor een extra opgave die niet gedekt is door
bovenstaand beleid/maatregelen:
 De afschaffing grondwaterbelasting vanaf 2012, in combinatie met de
kwaliteitsontwikkelingen van het Maaswater, leidt tot een voorkeur voor de inzet van
grondwaterwinning.
 Waterbeheersingsmaatregelen door waterschappen zoals waterbuffering en
beekherstel zijn positief voor de grondwateraanvulling en natuurherstel, maar
kunnen negatieve effecten hebben op de kwaliteit van grondwaterwinningen.
 De werkzaamheden voor de Grensmaas (gebiedsontwikkeling Roosteren) grijpen
sterk in op het waterwingebied en puttenveld van de winning Roosteren, waardoor
daar ter plaatse aanpassingen nodig zijn.
7.7.6
De financiële gevolgen van klimaatverandering
Door noodzakelijke aanpassingen aan puttenvelden als gevolg van de werkzaamheden
Grensmaas waterwingebieden verwacht WML extra investeringskosten van ca. 2,5 M€.
Het aanhouden van overcapaciteit om overbelasting van de watervoerende kalksteen te
voorkomen leidt tot instandhouding van jaarlijkse exploitatielasten van 1-2 pompstations
Ook heeft WML een back up winning en vergunning gerealiseerd om langdurige
innamestops van Maaswater te overbruggen. Door extra bemonstering en onderzoek bij
besmetting via beken na beekherstel in waterwingebieden stijgen de exploitatielasten
van enkele pompstations.
7.7.7
Regionale differentiatie


Beperking beleidsmatige ruimte om winning voor WML optimaal in te zetten zal in
theorie kunnen optreden vanwege effecten van maximale grondwaterwinning
(binnen vergunningruimte) in Noord- en Midden Limburg (figuur 7.12).
Slechte Maaskwaliteit heeft invloed op de winning van Heel en in mindere mate in
Roosteren.
Regionale knelpuntenanalyse Zuid-Nederland
Definitief rapport
9W8113/R00006/900642/BW//DenB
- 75 -
30 mei 2012

7.7.8
Kennisleemtes en aanbevelingen


7.8
Uitputting van de watervoerende kalksteen kan een knelpunt vormen voor de
winningen in Zuid-Limburg.
De berekeningen zijn gedaan met een modelversie waarin later aangebrachte
verbeteringen nog niet zijn meegenomen, o.a. rondom Heel. Doordat het bekkenpeil
in het model niet vast staat levert het model een vertekend beeld op van de
grondwaterstandsverlagingen. Aanbeveling: opnieuw rekenen met een latere,
verbeterde versie van Ibrahym.
GGOR berekeningen houden weliswaar rekening met onttrekkingen ten behoeve
van de drinkwaterwinningen, maar zijn uitgevoerd met de configuratie van winningen
zoals die was in de periode 1994-2004. GGOR maatregelen zijn daarop afgestemd.
Aanbeveling: maatregelen baseren op GGOR berekeningen met actuele
winningconfiguratie.
Recreatie
Hoofdboodschap
De weersomstandigheden voor diverse vormen van (buiten-)recreatie worden gunstiger doordat er
meer warme zomerse dagen komen. Dit betekent ook een toename van de vraag naar
voorzieningen die aan waterrecreatie gerelateerd zijn. Tegelijkertijd neemt door toenemende
watertemperaturen en watertekorten het aanbod van voldoende en schoon water af. Op plekken
waar mensen in aanraking komen met oppervlaktewater nemen gezondheidsrisico’s toe door zowel
problemen met blauwalgen als door bacteriële verontreinigingen.
7.8.1
Verwachte verandering
Door klimaatverandering wordt het weer in Nederland aantrekkelijker voor recreatie en
toerisme.
Het gemiddeld aantal zomerse dagen (>25 °C) verdubbelt ten opzichte van de huidige
situatie naar ongeveer 1,5 maand in W-scenario 2050 en twee maanden in W+-scenario
2050. Het wordt aangenamer voor veel buitenactiviteiten, zoals zwemmen, zonnen,
wandelen en fietsen. De vraag naar overnachtingen, consumpties en activiteiten zal
toenemen. Klimaatverandering biedt dus potentieel goede mogelijkheden voor de
recreatieve sector.
Klimaatverandering heeft invloed op de geschiktheid van gebieden voor recreatie.
Gezondheidsrisico’s nemen wellicht door klimaatverandering toe. Warmer water
verhoogt de kans op de bloei van blauwalgen.
Nu worden jaarlijks al verschillende zwemwaterlocaties tijdelijk gesloten door
blauwalgen. Knelpunten in de praktijk voor recreatiewater worden vooral verwacht op de
plekken waar wel wordt gerecreëerd maar die niet als zwemwateren zijn aangewezen.
Deze plekken worden minder intensief gecontroleerd en gewaarschuwd.
9W8113/R00006/900642/BW//DenB
30 mei 2012
Regionale knelpuntenanalyse Zuid-Nederland
- 76 -
Definitief rapport
8
EFFECTEN IN EEN 1/10 DROOG JAAR
Boodschap
In het W+-scenario zorgen droge klimatologische omstandigheden die eens in de 10 jaar
voorkomen in vergelijking met gemiddelde jaren voor

Een toename van het vochttekort en daarom meer beregening.

Een verdere daling van grondwaterstanden in de zomer en daarom meer behoefte aan
aanvoer van water.
In de voorgaande paragrafen zijn de effecten van het W+-scenario beschreven op basis
van het gemiddelde over meerdere jaren. Een van de effecten van klimaatverandering is
echter ook dat de extreme klimatologische omstandigheden extremer worden. Deze
paragraaf gaat daar op in. Hierbij wordt een klimatologische situatie beschreven die
zowel nu als in het W+-scenario eens in de 10 jaar kan voorkomen. Voor de huidige
situatie is daarvoor het jaar 2003 gebruikt. Dit was een zeer warm en over het algemeen
droog jaar. In Tabel 8.1 en 8.2 zijn de veranderingen onder W+ voor een gemiddeld jaar
en voor een droog jaar naast elkaar gezet (in respectievelijk mm en miljoen m3).
Uit tabel 8.1 en 8.2 blijkt dat de analyse in de voorgaande hoofdstukken in hoofdlijnen
ook opgaat voor droge jaren. De effecten worden in een droge zomer echter nog groter.
De veranderingen binnen het W+ scenario zijn als volgt voor een droge zomer:
 De actuele verdamping blijft gelijk (ongeveer 405 mm). Hoewel de potentiële
verdamping wel stijgt is er onvoldoende vocht beschikbaar om daadwerkelijk meer
te verdampen.
 Het vochttekort neemt toe van 75 mm naar 129 mm.
 Ten gevolge van het vochttekort neemt de beregening toe van 110 miljoen m3/jaar
naar 180 miljoen m3/jaar.
 De wateraanvoerbehoefte om de watergangen op peil te houden stijgt verder van
118 miljoen m3/jaar tot 143 miljoen m3/jaar.
Regionale knelpuntenanalyse Zuid-Nederland
Definitief rapport
9W8113/R00006/900642/BW//DenB
- 77 -
30 mei 2012
Tabel 8.1: Vergelijking tussen de belangrijkste waterbalansposten (in mm) in een gemiddeld jaar en
een droog jaar dat eens in de tien jaar voor komt
Gemiddelde zomer
Zomer eens in de 10 jaar (2003)
Huidige
W+
Huidige
W+
situatie
scenario
Verandering
situatie
scenario
Verandering
(mm)
(mm)
(mm)
(mm)
(mm)
(mm)
Potentiële verdamping
435
488
53
473
532
58
Actuele verdamping
399
413
14
405
403
-1
Neerslag
404
347
-57
347
292
-54
Vochttekort
36
75
39
69
129
60
Beregening uit grondwater
11
23
12
25
40
14
Wateraanvoer voor
peilhandhaving
16
19
4
19
23
4
Afvoer via oppervlaktewater
-80
-63
17
-67
-56
12
22
-21
-43
-19
-43
-25
Aanvulling naar het diepe
grondwater
Tabel 8.2: Vergelijking tussen de belangrijkste waterbalansposten (in miljoen m3) in een gemiddeld
jaar en een droog jaar dat eens in de tien jaar voor komt
Gemiddelde zomer
Huidige
W+
situatie
scenario
3
3
Zomer eens in de 10 jaar (2003)
verandering
3
Huidige
W+
situatie
scenario
3
3
verandering
(M m )
(M m )
(M m )
(M m )
(M m )
(M m3)
Potentiële verdamping
2050
2298
248
2229
2503
275
Actuele verdamping
1879
1943
64
1905
1898
-7
Neerslag
1902
1635
-268
1632
1376
-256
Vochttekort
171
355
184
324
605
282
Beregening uit grondwater
53
110
57
120
188
68
98
120
23
118
143
25
-504
-398
106
-425
-351
74
138
-133
-271
-117
-273
-156
Wateraanvoer voor
peilhandhaving
Afvoer via oppervlaktewater
Aanvulling naar het diepe
grondwater
De droge zomers zorgen ook voor het verder wegzakken van de grondwaterstand in de
winter. Dit is geïllustreerd voor een voorbeeldlocatie (figuur 8.1).
9W8113/R00006/900642/BW//DenB
30 mei 2012
Regionale knelpuntenanalyse Zuid-Nederland
- 78 -
Definitief rapport
Grondwaterstand (m +NAP)
Huidig
2002-2003;
Huidig
2002-2003;
Huidig
2002-2003;
Huidig
2002-2003;
Huidig
2002-2003;
Huidig
2002-2003;
1-03-02;
22,8826
Huidig
2002-2003;
Huidig
2002-2003;
21-03-02;
22,8453
6-03-02;
22,8424
Huidig
2002-2003;
26-03-02;
22,8067
Huidig
2002-2003;
11-03-02;
22,8027
Huidig
2002-2003;
Huidig
2002-2003;
16-03-02;
22,7723
Huidig
2002-2003;
Huidig
2002-2003;
Huidig
2002-2003;
24-02-02;
22,7086
31-03-02;
22,6968
Huidig
2002-2003;
W+
2002-2003;
14-02-03;
22,6713
W+
2002-2003;
Huidig
2002-2003;
Huidig
2002-2003;
Huidig
2002-2003;
5-01-03;
22,6482
30-01-03;
22,6427
9-02-03;
22,6324
W+
2002-2003;
6W+
2002-2003;
Huidig
2002-2003;
Huidig
2002-2003;
Huidig
2002-2003;
W+
2002-2003;
Huidig
2002-2003;
10-01-03;
22,5748
Huidig
2002-2003;
Huidig
2002-2003;
14-02-03;
Huidig
2002-2003;
22,5648
5-04-02;
22,5602
Huidig
2002-2003;
Huidig
2002-2003;
Huidig
2002-2003;
Huidig
2002-2003;
Huidig
2002-2003;
W+
2002-2003;
15-01-03;
22,526
Huidig
2002-2003;
03-02;
22,5191
Huidig
2002-2003;
21-03-02;
22,5099
25-01-03;
22,5079
20-01-03;
22,5074
Huidig
2002-2003;
Huidig
2002-2003;
19-02-03;
22,4961
Huidig
2002-2003;
Huidig
2002-2003;
03-02;
22,4707
Huidig
2002-2003;
Huidig
26-03-02;
2002-2003;
22,4562
Huidig
2002-2003;
31-12-02;
22,4485
W+
2002-2003;
55-05-02;
22,44
24-02-03;
22,4279
W+
2002-2003;
11-03-02;
22,4204
14-02-02;
22,4177
10-04-02;
Huidig
22,416
2002-2003;
16-03-03;
22,4117
16-03-02;
22,411
6-03-03;
22,4062
W+
2002-2003;
510-05-02;
22,392
11-03-03;
22,3888
1-03-03;
22,3837
19-02-02;
22,3826
Huidig
2002-2003;
30-04-02;
22,3805
31-03-02;
22,3789
Huidig
2002-2003;
20-04-02;
Huidig
22,3627
2002-2003;
W+
2002-2003;
21-03-03;
22,3582
W+
2002-2003;
15-05-02;
22,3455
9-02-02;
22,3452
Huidig 2002-2003;
W+
2002-2003;
15-04-02;
22,3346
Huidig
2002-2003;
30-01-02;
22,3186
W+
2002-2003;
W+
2002-2003;
25-04-02;
22,3033
Huidig
2002-2003;
W+
2002-2003;
4-02-02;
22,2977
Huidig
2002-2003;
26-03-03;
22,2903
04-02;
22,2886
Huidig
2002-2003;
W+
2002-2003;
24-02-02;
22,2689
20-05-02;
22,2574
Huidig
2002-2003;
W+
2002-2003;
05-02;
22,235
Huidig
2002-2003;
Huidig
2002-2003;
Huidig
2002-2003;
31-03-03;
22,2225
W+
2002-2003;
9W+
2002-2003;
45-04-03;
22,2141
Huidig
2002-2003;
Huidig
2002-2003;
25-05-02;
22,2042
10-04-02;
22,203
Huidig
2002-2003;
W+
2002-2003;
10-05-02;
22,199
Huidig
2002-2003;
Huidig
2002-2003;
Huidig
2002-2003;
Huidig
2002-2003;
Huidig
2002-2003;
26-12-02;
22,1853
W+
2002-2003;
30-04-02;
22,1852
W+W+
2002-2003;
Huidig
2002-2003;
Huidig
2002-2003;
Huidig
2002-2003;
W+
2002-2003;
W+
2002-2003;
10-04-03;
22,174
W+
2002-2003;
W+
2002-2003;
Huidig
2002-2003;
Huidig
2002-2003;
20-04-02;
22,1579
15-05-02;
22,157
Huidig
2002-2003;
Huidig
2002-2003;
W+
2002-2003;
6W+
2002-2003;
Huidig
2002-2003;
Huidig
2002-2003;
30-05-02;
22,1435
Huidig
2002-2003;
W+
2002-2003;
15-04-02;
22,1417
Huidig
2002-2003;
Huidig
Huidig
2002-2003;
2002-2003;
Huidig
2002-2003;
25-01-02;
22,1367
2002-2003;
1Huidig
2002-2003;
W+
2002-2003;
9Huidig
2002-2003;
W+
2002-2003;
15-04-03;
22,1121
25-04-02;
22,1116
Huidig
2002-2003;
W+
2002-2003;
Huidig
2002-2003;
Huidig
2002-2003;
W+
2002-2003;
Huidig
2002-2003;
W+
2002-2003;
5Huidig
2002-2003;
W+
2002-2003;
Huidig
25-05-03;
22,0816
W+
2002-2003;
20-05-02;
22,0804
W+
2002-2003;
21-12-02;
22,0761
W+
2002-2003;
44-06-02;
22,0683
16-12-02;
22,068
02-03;
22,0617
Huidig
2002-2003;
Huidig
2002-2003;
02-03;
22,0579
Huidig
2002-2003;
W+
2002-2003;
6-12-02;
22,0502
W+
2002-2003;
5-2002-2003;
26-11-02;
22,0457
Huidig
2002-2003;
20-04-03;
22,044
14-02-03;
22,0434
20-01-02;
22,0383
11-11-02;
22,036
11-12-02;
22,0344
1-12-02;
22,0341
W+
2002-2003;
4Huidig
2002-2003;
16-11-02;
22,0322
14-02-02;
22,0266
30-01-03;
22,0257
9-06-03;
22,0242
30-05-03;
22,0213
21-11-02;
22,02
19-02-03;
22,0194
W+
2002-2003;
Huidig
2002-2003;
25-05-02;
22,0174
16-03-03;
22,0134
19-02-02;
22,0132
5-01-02;
22,0091
Huidig
2002-2003;
9-06-02;
22,0027
Huidig
2002-2003;
25-04-03;
21,9982
Huidig
2002-2003;
10-01-02;
21,9949
03-03;
21,9928
24-02-03;
21,9905
Huidig
2002-2003;
11-03-03;
21,9877
15-01-02;
21,9875
30-04-03;
21,9855
14-06-02;
21,9838
21-03-03;
21,9836
20-05-03;
21,9821
4-06-03;
14-06-03;
21,9818
21,9818
Huidig
2002-2003;
5-05-03;
21,9787
W+
2002-2003;
03-03;
21,9695
W+
2002-2003;
94-07-02;
21,9629
02-02;
21,9613
10-05-03;
21,9606
Huidig
2002-2003;
W+
2002-2003;
30-05-02;
21,9534
Huidig
2002-2003;
Huidig
2002-2003;
19-06-02;
21,9442
26-03-03;
21,9426
15-05-03;
21,9405
24-06-02;
21,9395
Huidig
2002-2003;
25-01-03;
21,9354
W+
2002-2003;
14-07-02;
21,9317
01-03;
21,9318
9-07-02;
21,9288
W+
2002-2003;
10-01-03;
21,9235
19-06-03;
21,9235
Huidig
2002-2003;
30-01-02;
21,922406-02;
20-01-03;
21,9213
Huidig
2002-2003;
Huidig
2002-2003;
15-01-03;
21,917
02-02;
21,9134
Huidig
2002-2003;
Huidig
2002-2003;
W+
2002-2003;
28-08-02;
21,9019
29-06-02;
21,9001
19-07-02;
21,8987
31-03-03;
21,8976
Huidig
2002-2003;
Huidig
2002-2003;
04-03;
W+
2002-2003;
21,8885
Huidig
2002-2003;
W+
2002-2003;
24-07-02;
21,8861
Huidig
2002-2003;
21,8751
2-09-02;
21,8737
W+
2002-2003;
W+
2002-2003;
Huidig
2002-2003;
W+
2002-2003;
10-04-03;
21,8607
24-06-03;
21,859
Huidig
2002-2003;
Huidig
2002-2003;
W+
2002-2003;
529-07-02;
21,8461
7-09-02;
21,842
6-11-02;
21,8371
W+
2002-2003;
Huidig
2002-2003;
3-08-02;
21,83
W+
2002-2003;
12-09-02;
21,8208
W+
2002-2003;
15-04-03;
21,8169
06-02;
21,808
W+
2002-2003;
4W+
2002-2003;
8-08-02;
21,8002
W+
2002-2003;
31-12-02;
21,7996
W+
2002-2003;
4W+
2002-2003;
17-09-02;
21,7911
29-06-03;
21,7901
13-08-02;
21,7809
21,7749
Huidig
2002-2003;
20-04-03;
21,7668
4-07-03;
21,7653
W+
2002-2003;
91-11-02;
21,7646
W+
2002-2003;
922-09-02;
21,761
W+
2002-2003;
5- 14-06-02;
27-10-02;
21,7592
27-09-02;
21,7527
W+
2002-2003;
23-08-02;
21,7495
25-01-02;
21,7469
18-08-02;
21,7383
2-10-02;
21,7309
25-04-03;
21,7302
9-07-03;
21,7298
19-06-02;
21,7291
W+
2002-2003;
7-10-02;
21,7255
W+
2002-2003;
Huidig
2002-2003;
30-04-03;
21,7153
W+
2002-2003;
25-05-03;
21,7142
12-10-02;
21,7081
24-06-02;
21,7057
17-10-02;
21,6981
22-10-02;
21,6966
Huidig
2002-2003;
05-03;
21,6904
W+
2002-2003;
30-05-03;
21,6759
14-07-03;
21,6748
10-05-03;
21,6657
W+
2002-2003;
29-06-02;
21,6616
W+
2002-2003;
06-03;
21,6461
20-01-02;
21,644
Huidig
2002-2003;
15-05-03;
21,6414
07-02;
21,6409
20-05-03;
21,6401
W+
2002-2003;
W+
2002-2003;
W+
2002-2003;
19-07-03;
21,6146
Huidig
2002-2003;
07-02;
21,6065
W+
2002-2003;
06-03;
21,6029
01-02; 21,6009
W+
2002-2003;
310-01-02;
21,5917
15-01-02;
21,587
W+
2002-2003;
6Huidig
2002-2003;
W+
2002-2003;
2002-2003;
14-07-02;
21,5689
26-12-02;
21,5665
24-07-03;
21,566
W+
2002-2003;
8-W+
W+
2002-2003;
114-06-03;
21,5561
W+
2002-2003;
4W+
W+
2002-2003;
2002-2003;
Huidig
2002-2003;
29-07-03;
21,5354
W+
2002-2003;
19-07-02;
21,5264
W+
2002-2003;
9Huidig
2002-2003;
19-06-03;
21,5067
W+
2002-2003;
24-07-02;
21,5009
W+
2002-2003;
3-08-03;
21,4983
W+
2002-2003;
2W+
2002-2003;
31-12-03;
21,4843
Huidig
2002-2003;
W+
2002-2003;
7- 21,4203
29-07-02;
21,4625
21-12-02;
21,4603
24-06-03;
21,4599
8-08-03;
21,4548
W+
2002-2003;
W+
2002-2003;
16-12-02;
21,447
08-02;
21,438
W+
2002-2003;
Huidig
2002-2003;
12-02;
W+
2002-2003;
26-12-03;
21,42
29-06-03;
21,4181
13-08-03;
21,4154
11-12-02;
21,4118
W+
2002-2003;
08-02;
21,4064
26-11-02;
21,4059
12-02;
21,3999
W+
2002-2003;
07-03;
21,3941
W+
2002-2003;
11-11-02;
16-11-02;
21,3852
21,3852
18-08-03;
21,3816
21-11-02;
21,3777
W+
2002-2003;
213-08-02;
21,3732
Huidig
2002-2003;
W+
2002-2003;
3W+
2002-2003;
707-03;
21,3626
W+
2002-2003;
16-12-03;
21,3581
21-12-03;
21,3564
23-08-03;
21,3496
W+
2002-2003;
28-08-02;
21,3462
W+
2002-2003;
618-08-02;
21,3402
W+
2002-2003;
8W+
2002-2003;
Huidig
2002-2003;
09-02;
21,3307
23-08-02;
21,3267
14-07-03;
21,3265
W+
2002-2003;
28-08-03;
21,3184
W+
2002-2003;
09-02;
21,3106
W+
2002-2003;
12-09-03;
21,303
12-09-02;
21,2929
19-07-03;
21,2923
W+2002-2003;
2002-2003;
7-09-03;
21,2845
W+
17-09-02;
21,2715
12-09-03;
21,2691
24-07-03;
21,2618
W+
2002-2003;
17-09-03;
21,25
22-09-02;
21,2489
12-10-03;
21,248
29-07-03;
21,238
17-10-03;
21,2353
27-09-02;
21,2349
1-12-03;
21,2295
22-09-03;
21,2266
W+
2002-2003;
22-10-03;
21,2216
6-12-03;
21,2204
10-02;
21,2176
26-11-03;
21,2155
W+
2002-2003;
211-12-03;
21,2107
27-10-03;
21,2093
08-03;
21,209
27-09-03;
21,2055
10-02;
21,205
21-11-03;
21,2018
31-12-03;
21,2002
1-11-03;
21,1988
6-11-03;
21,1981
712-10-02;
21,1904
2-10-03;
21,1898
11-11-03;
21,1876
11-02;
21,187
7-10-03;
21,1799
08-03;
21,1793
W+
2002-2003;
17-10-02;
21,1778
16-11-03;
21,1765
22-10-02;
21,1663
27-10-02;
21,1587
13-08-03;
21,1508
11-02; 21,1505
W+2002-2003;
2002-2003;
26-12-03;
21,132
18-08-03;
21,1236
W+
2002-2003;
W+
223-08-03;
21,0972
7128-08-03;
21,0714
16-12-03;
W+
2002-2003;
21,0679
621-12-03;
21,0652
W+
2002-2003;
21,0546
09-03;
21,0365
12-09-03;
21,0203
17-09-03;
21,0021
12-10-03;
20,9813
22-09-03;
20,9808
17-10-03;
20,9665
27-09-03;
20,9595
22-10-03;
20,9513
10-03;
20,943
27-10-03;
20,9363
10-03;
20,9303
11-03;
20,9222
20,9191
26-11-03;
20,9117
11-03;
20,91
12-03;
20,9093
11-12-03;
20,9064
21-11-03;
20,9004
11-11-03; 20,8849
20,8974
16-11-03;
Huidig 2002-2003
W+ 2002-2003
Figuur 8.1: Grondwaterstandsverloop in huidige situatie en bij W+ scenario in de jaren 2002-2003
voor een voorbeedlocatie
Regionale knelpuntenanalyse Zuid-Nederland
Definitief rapport
9W8113/R00006/900642/BW//DenB
- 79 -
30 mei 2012
9
CONCLUSIES
De belangrijkste effecten en gevolgen van klimaatverandering voor de zuidelijke hoge
zandgronden zijn (bij het W+-klimaatscenario):
1. Het vochttekort neemt bij het W+-klimaatscenario aanzienlijk toe. Over de gehele
regio Zuid-Nederland bedraagt dit gemiddeld 184 miljoen m3 per zomerhalfjaar.
Gemiddeld neemt het vochttekort toe van 36 naar 75 mm in het zomerhalfjaar. De
bodem van Zuid-Limburg (lössgrond) is minder gevoelig voor droogte. Het
vochttekort loopt hier op van 4 naar 26 mm.
2. Naast het vochttekort neemt de vraag naar beregening uit grondwater met 50% toe.
Deze toename bedraagt gemiddeld over de gehele regio 57 miljoen m3 per
zomerhalfjaar.
3. De wateraanvoerbehoefte neemt toe met 22%.
4. De gemiddeld laagste Maasafvoer neemt met 50% af. Daarnaast neemt het aantal
jaren waarin een aanvoerbeperking zal worden toegepast aanzienlijk toe van
incidenteel tot eens in de 3 jaar.
5. De grondwaterstand daalt in gemiddelde zomers 20 cm verder dan bij het huidige
klimaat.
6. De afvoer van beken neemt af met ongeveer 20% en de droogval neemt toe met 4
tot 12%.
7. Regionale wateren warmen meer op.
8. Door lagere waterstanden en hogere watertemperaturen wordt de waterkwaliteit
bedreigd. Vooral de stadswateren krijgen te maken met extra problemen.
9. De kans op wateroverlast door hoge grondwaterstanden en hevige neerslag neemt
toe.
10. Deze knelpuntenanalyse is toegespitst op gemiddelde jaren. Hiervoor zijn de
meteorologische gegevens van de jaren 2001-2009 gebruikt. Voor een droog jaar
dat eens in de 10 jaar voorkomt (2003) zijn de effecten groter. Daarbij wordt wel de
maximale beregeningscapaciteit bereikt en neemt de beekafvoer versterkt af.
Dit leidt tot de volgende knelpunten voor de gebruiksfuncties in het gebied:
1. De potentiële opbrengst voor de landbouw neemt toe (langer groeiseizoen, hogere
luchttemperatuur). Maar de landbouw krijgt te maken met een verdubbeling van het
vochttekort. Het vochttekort voor de landbouw kan slechts gedeeltelijk worden
ondervangen door beregening en wateraanvoer. De omvang landbouwschade door
klimaatverandering neemt toe met 75 M€ per jaar. De opgave om vraag en aanbod
van water in landbouwgebieden aan te passen aan klimaatverandering is groot.
2. De bestaande opgave voor het tegengaan van verdroging in landnatuur is nu al zeer
groot. Klimaatverandering geeft daarbovenop nog een extra opgave, namelijk het
compenseren van de verlaging van de GLG met 20 cm door extra
waterconservering. Een ander knelpunt is de versnippering van de natuurgebieden.
Om klimaatschommelingen op te kunnen vangen is het van belang dat
natuurgebieden goed met elkaar verbonden zijn.
3. In stedelijk gebied treden extra problemen op met zowel te veel als te weinig water.
Door grotere piekbuien zal er meer water op straat komen. Droge en warme
perioden zorgen voor een slechtere waterkwaliteit in de stadsvijvers. Dit heeft een
negatieve invloed op de leefbaarheid in stedelijke gebieden.
9W8113/R00006/900642/BW//DenB
30 mei 2012
Regionale knelpuntenanalyse Zuid-Nederland
- 80 -
Definitief rapport
4. Voor de drinkwaterwinning lijkt de diepe grondwatervoorraad voldoende op peil te
blijven. De grondwateraanvulling neemt weliswaar af, maar is nog ruimschoots
voldoende om de onttrokken hoeveelheden te compenseren. Wel zullen in Limburg
vaker beperkingen optreden voor de drinkwatervoorziening uit ondiepe
grondwaterpakketten en uit oppervlaktewater.
5. Er is een toename te verwachten van de vraag naar voorzieningen voor
waterrecreatie. Tegelijkertijd treedt een toename op van gezondheidsrisico´s door
blauwalgen en bacteriële verontreinigingen.
6. Industrie en energievoorziening zullen vaker te maken krijgen met beperkingen van
waterinname en lozingen door te hoge watertemperatuur. Welke gevolgen dit heeft
is nog onduidelijk.
7. De scheepvaart zal vaker te maken krijgen met schutbeperkingen. Op korte termijn
zijn de financiële gevolgen van klimaatverandering op de scheepvaart klein. Op
langere termijn kan er schade optreden, vanwege langere wachttijden van schepen
bij de sluizen.
De ernst van de klimaatknelpunten worden samengevat in DHZ iconen (zie uitleg in
bijlage 1). De ernst van het knelpunt wordt bepaald op basis van de frequentie, het
effect en de omvang van het knelpunt (zie hoofdstuk 2).
Regionale knelpuntenanalyse Zuid-Nederland
Definitief rapport
9W8113/R00006/900642/BW//DenB
- 81 -
30 mei 2012
Thema
Frequentie
Effect
Omvang
Gevoeligheid
Landbouw
Gemiddeld jaar
Groot
70% landbouwareaal
Groot
Incidenteel
Beperkt
Lokaal, maximaal 10%
Gemiddeld
Ernst
vochttekort
Landbouw
inundatie
Landbouw
areaal
Incidenteel
Beperkt
wateroverlast
Waterkwaliteit
Lokaal, maximaal 10%
Gemiddeld
areaal
Gemiddeld jaar
Aanzienlijk
Gebiedsdekkend,
Groot
meer dan 60% van de
waterlopen
Stedelijk water
Gemiddeld jaar
Groot
Meerdere locaties in
Groot
alle gemeenten
Natte natuur
Gemiddeld jaar
Aanzienlijk
100% Natte
Groot
landnatuur, 30% EHS
Industrie
Extreem jaar
Beperkt
Minimaal 50 bedrijven
Gemiddeld
Scheepvaart
Extreem jaar
Beperkt
Gehele Maastraject
Gemiddeld
Drinkwater
Extreem jaar
Groot
1/3 drinkwaterwinning
Groot
Limburg
Drinkwater
?
Limburg
Gemiddeld jaar
Groot
Geen winningen
Groot
Noord-Brabant
9W8113/R00006/900642/BW//DenB
30 mei 2012
Regionale knelpuntenanalyse Zuid-Nederland
- 82 -
Definitief rapport
10
AANBEVELING VOOR NADER ONDERZOEK IN FASE 3
Deze rapportage geeft een verder uitgewerkt beeld van de effecten en gevolgen van
klimaatverandering voor de zuidelijke hoge zandgronden. Het accent ligt hierbij op de
waterkwantiteit, meer specifiek op de veranderingen in het watersysteem en de
waterbalans. Ten opzichte van de knelpuntenanalyse in de eerste fase (DHV, 2011) zijn
een aantal belangrijke verbeteringen doorgevoerd.
Aanbevelingen ten aanzien van de modellen
De modellen van Limburg en Noord-Brabant zijn beter op elkaar afgestemd. Daarnaast
is voor het eerst het gebied van Zuid-Limburg aan het modelinstrumentarium
toegevoegd. Met dit nieuwe modelinstrumentarium zijn vele berekeningen uitgevoerd en
uitkomsten gegenereerd. In het voorliggende rapport zijn alleen de hoofdconclusies uit
de resultaten overgenomen. We raden aan om in Fase 3:
1. Op basis van de beschikbare informatie meer gedetailleerd conclusies te trekken
over de klimaateffecten per regio, stroomgebied of landgebruiksfunctie.
2. De modelaanpak van het model voor Zuid-Limburg op een zelfde manier te
harmoniseren als eerder is gebeurd tussen de Brabantse modellen en het model
voor Noord-Limburg.
Aanbeveling ten aanzien van onderdeel waterkwaliteit
Het onderdeel waterkwaliteit is ten opzichte van Fase 1 nieuw aan de rapportage
toegevoegd. Op basis van expertkennis is duidelijk dat temperatuur een grote invloed op
de waterkwaliteit kan hebben, zowel in landelijk als in stedelijk gebied. Een
kwantificering van dit effect is nog niet mogelijk op basis van de huidig beschikbare
kennis. We raden aan om in landelijk verband meer diepgaand naar dit onderwerp te
kijken.
Aanbevelingen ten opzichte van de knelpunten ten aanzien van functies
De knelpunten ten aanzien van functies is verder uitgewerkt ten opzichte van de eerste
fase. Toch blijven er nog een aantal belangrijke kennisvragen over:
1. De droogteschade voor de landbouw is nog moeilijk te bepalen. Landelijke en
regionale modellen geven verschillende uitkomsten. De bestaande modellen zijn
waarschijnlijk ook nog niet ‘klimaatproof’. Aangeraden wordt om in landelijk verband
een goede methode uit te werken, waarbij gebruik kan worden gemaakt van de
eigen regionale gedetailleerde informatie over veranderingen in vochttekort en
grondwaterstand.
2. Het onderwerp stedelijk water is in deze rapportage voor het eerst uitgewerkt. De
knelpunten kunnen voor dit onderdeel meer gedetailleerd in beeld gebracht worden.
Zowel door de mogelijke knelpunten beter te onderzoeken als door meer specifiek
verschillen per type gemeente in beeld te brengen.
3. Het knelpunt voor de industrie is nog onvoldoende in beeld gebracht. Dit kan
verbeterd worden door meer specifiek te kijken naar de frequentie en gevolgen van
innamestops van oppervlaktewater in droge jaren.
4. Er bestaat nog verschillen in berekeningsmethode van het vochttekort in NoordBrabant en Limburg. Er worden verschillende modellen gebruikt (FLUZO en SWAP).
Aanbevolen wordt om uit te zoeken welk model de beste resultaten berekend, met
name voor de hoge zandgronden met diepe grondwaterstanden.
Regionale knelpuntenanalyse Zuid-Nederland
Definitief rapport
9W8113/R00006/900642/BW//DenB
- 83 -
30 mei 2012
11
LITERATUURLIJST
Deltares, Royal Haskoning (2010). Knikpunten in het waterbeheer van het
Maasstroomgebied als gevolg van klimaatverandering. In opdracht van Provincie NoordBrabant, Rijkswaterstaat Dienst Noord-Brabant, Waterschap Aa en Maas, Waterschap
De Dommel. Deltares-rapport 1201873. Royal Haskoning rapport 9T5575.
Alterra (2011). Natuur en Klimaat in Noord-Brabant. Concretisering Effecten en
Adaptatiemaatregelen. Willemien Geertsema, Hans Baveco, Janet Mol, Wieger
Wamelink, Jan Willem van Veen, Claire Vos. Alterra/DHV rapport in opdracht van de
provincie Noord-Brabant. Concept 28 november 2011.
Alterra (2011/2). Agricom 1.06 gebruikershandleiding.
Alterra (20011/2). Analyse Ecologische Hoofdstructuur Limburg en klimaatverandering.
Concept Alterra rapport in opdracht van de Provincie Limburg.
(Alterra/DHV 2008). Nationaal Hydrologisch Instrumentarium - NHI. Modelrapportage
Deelrapport. Deelrapport Beregening. December 2008. In opdracht van Deltares.
(Alterra/DHV/KNMI 2009). Klimaateffectatlas 1.0 - Algemeen, Alterra, DHV, KNMI.
Centraal Bureau voor de Statistiek (2011). Kwart landbouwgrond kan beregend worden.
www.cbs.nl/nl-NL/menu/themas/landbouw/publicaties/artikelen/archief/2011/2011beregening-2010.htm.
Deltares (2011). Deltaprogramma Rivieren morfologie en scheepvaart; Bepalen opgave
2100.
Deltares (2011/2). Deltascenario's. Verkenning van mogelijke fysieke en
sociaaleconomische ontwikkelingen in de 21ste eeuw op basis van KNMI’06 en WLOscenario’s, voor gebruik in het Deltaprogramma 2011 – 2012.
Deltares (2012). Uitvoer NHI modelruns Deelprogramma Zoetwater.
DHV (2008). Beleid Drinkwatervoorraden.
DHV (2011). Analyse van de effecten en gevolgen van klimaatverandering op het
watersysteem en functies. Regionale knelpuntenanalyse Zuid-Nederland (Fase 1). In
opdracht van Deltaprogramma Hoge Zandgronden. Rapportnummer D2371.
Icastat 2012. Effects of droughts and floods on the drinking water function of the river
Meuse, KWR, 2006; Risicoraming innamestops waterproductiebedrijf Heel.
KNMI (2009). Klimaatverandering in Nederland; Aanvullingen op de KNMI’06 scenario’s,
De Bilt, KNMI.
9W8113/R00006/900642/BW//DenB
30 mei 2012
Regionale knelpuntenanalyse Zuid-Nederland
- 84 -
Definitief rapport
Kosten Sarian, Vera L. M. Huszar, Eloy Becares, Luciana S. Costa, Ellen Van Donk,
Lars-Anders Hansson, Erik Jeppesenk, Carla Kruk, Gissell Lacerot, Nestor Mazzeo, Luc
De Meester, Brian Moss, Miquel Lurling, Tiina Noges, Susana Romokk en Marten
Scheffer (2010). Warmer climates boost cyanobacterial dominance in shallow lakes.
Global Change Biology (2012) 18, 118-126.
KWR (2011). Knelpuntenanalyse drinkwater en industriewater (fase 2).
LEI, Alterra (2011) Landbouw in een veranderende delta: toekomstscenario’s voor
zoetwatergebruik. Conceptrapportage.
NEA (2011). Kostenbarometer goederenvervoer, binnenvaart.
Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (2011). De invloed van klimaatverandering
op de grondwaterkwaliteit. RIVM rapport 607403001/2011.
Royal Haskoning (2007): Klimaatverandering en kwaliteit van oppervlaktewater. In
opdracht van Rijkswaterstaat RIZA. Projectnummer 9S3434.
Royal Haskoning (2012). DHZ Knelpuntenanalyse - Waterkwaliteit. Royal Haskoning
notitie. 23 januari 2012.
Royal Haskoning (2012/b). DHZ Strategiedocument Fase 2. Op zoek naar maatregelen.
Royal Haskoning concept rapport. 14 maart 2012.
Royal Haskoning (2012/c). Kwaliteitsrapportage grondwatermodellen
Noord-Brabant en Limburg. Royal Haskoning rapportage 9X1077 in samenwerking met
Waterschap Peel en Maasvallei (in voorbereiding).
RWS Limburg (2011). Internationale aspecten van laagwaterproblematiek in de Maas.
STOWA (2011). Een frisse blik op warmer water. Over de invloed van
klimaatverandering op de aquatische ecologie en hoe je de negatieve effecten kunt
tegengaan. STOWA-rapport 2011-20.
V&W (2003). Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Directoraat-Generaal
Rijkswaterstaat Advies-dienst Verkeer en Vervoer (2003). Scheepvaartaspecten
Laagwaterbeleid Juliana-kanaal en Lateraalkanaal.
V&W (2004). Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Rijkswaterstaat, 2004. CIW
beoordelingssystematiek.
V&W (2009). Stroomgebiedbeheerplan Maas 2009-2015. Ministerie van V&W, VROM
en LNV. 27 december 2009.
V&W (2009/2). Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Rijkswaterstaat Limburg
(2009).Beheerplan Natura 2000 Grensmaas 2009-2015; Ontwerp-beheerplan.
Regionale knelpuntenanalyse Zuid-Nederland
Definitief rapport
9W8113/R00006/900642/BW//DenB
- 85 -
30 mei 2012
Wilbers G-J, Zwolsman G, Klaver G, Hendriks AJ (2009). Effects of a drought period on
physico-chemical surface water quality in a regional catchment area. J. Environ. Monit.
11: p1298–1302.
9W8113/R00006/900642/BW//DenB
30 mei 2012
Regionale knelpuntenanalyse Zuid-Nederland
- 86 -
Definitief rapport
Bijlage 1
Uitleg van de DHZ iconen
Regionale knelpuntenanalyse Zuid-Nederland
Definitief rapport
9W8113/R00006/900642/BW//DenB
30 mei 2012
DHZ-Iconen
Het doel van DHZ is om de gevolgen van klimaatverandering in beeld te brengen en
strategieën te ontwikkelen om op deze gevolgen in te spelen. Als hulpmiddel om de gevolgen
van klimaatverandering en het effect van strategieën te duiden maken we gebruik van DHZiconen als hulpmiddel.
Een DHZ-icoon geeft voor een bepaald thema een indicatie van hoe vraag en aanbod zich tot
elkaar verhouden. In figuur 1 is het DHZ-icoon weergegeven. De termen vraag en aanbod
moet hierbij ruim worden gezien. Onder vraag kan ook worden verstaan: de omstandigheden
waarbij een thema goed functioneert. In dat geval geeft het aanbod aan in welke mate aan
deze omstandigheden wordt voldaan. Het verschil tussen vraag en aanbod geeft een indruk
van de veerkracht van het waterbeheer voor het betreffende thema. Bij een grote veerkracht
spreken we van een robuust systeem en bij een klein verschil tussen vraag en aanbod of
wanneer het aanbod kleiner is dan de vraag spreken we van een kwetsbaar systeem. In het
DHZ-icoon wordt het effect van klimaatverandering op zowel vraag als aanbod indicatief
weergegeven. Zowel bij de huidige situatie als bij de toekomstige situatie worden vraag en
aanbod of omstandigheden in gemiddelde jaren beschouwd. Op basis van de veerkracht kan
echter wel een inschatting worden gemaakt van de kans op knelpunten bij extreme
omstandigheden. Bij een robuust systeem zullen de knelpunten bij extreme omstandigheden
relatief beperkt zijn. Bij kwetsbare systemen zullen de vaker, grotere knelpunten ontstaan bij
extreme omstandigheden.
robuust
kwetsbaar
aanbod
gemiddeld
veerkracht
vraag
incidenteel
beperkt knelpunt
incidenteel
groot knelpunt
Figuur 1: DHZ-iconen, uitleg
Regionale knelpuntenanalyse Zuid-Nederland
Definitief rapport
Bijlage 1
-1-
9W8113/R00006/900642/BW//DenB
30 mei 2012
De achtergrondkleur geeft een indicatie van de mate waarin een thema als knelpunt wordt
beschouwd. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in de huidige en toekomstige situatie. In figuur 2
is weergegeven met welke kleuren en termen de knelpunten worden aangeduid.
geen knelpunt
beperkt knelpunt
knelpunt
groot knelpunt
Figuur 2: DHZ-iconen, betekenis achtergrondkleuren
9W8113/R00006/900642/BW//DenB
30 mei 2012
Bijlage 1
-2-
Regionale knelpuntenanalyse Zuid-Nederland
Definitief rapport
Download